J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 16 uitvoeringbesluiten 9 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2002/07/11/2002022564/justel

Titel
11 JULI 2002. - Koninklijk besluit houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-07-2002 en tekstbijwerking tot 11-10-2016)

Bron : SOCIALE ZAKEN.VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU
Publicatie : 31-07-2002 nummer :   2002022564 bladzijde : 33622   BEELD
Dossiernummer : 2002-07-11/38
Inwerkingtreding : 01-10-2002 A66    ***    01-10-2002 (ART. (67))

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
Art. 1-2, 2bis
HOOFDSTUK II. - Toekenningsprocedure.
Afdeling 1. - Aanvraag.
Art. 3-4
Afdeling 2. - Onderzoek.
Art. 5-7
Afdeling 3. - Algemeen.
Art. 8
HOOFDSTUK III. - Daklozen.
Art. 9
HOOFDSTUK IV. - Het geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.
Afdeling 1. - Algemene voorwaarden.
Art. 10-14, 14/1, 15-18, 18/1
Afdeling 2.
Art. 19
Afdeling 3.
Art. 20
Afdeling 4. - Specifieke voorwaarden voor een geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie inzake studies met een voltijds leerplan.
Art. 21
HOOFDSTUK V. - De berekening van de bestaansmiddelen.
Afdeling 1. - Vrijgestelde bestaansmiddelen.
Art. 22
Afdeling 2. - Bijzondere berekeningswijzen.
Onderafdeling 1. - Het beroepsinkomen.
Art. 23-24
Onderafdeling 2. - De onroerende goederen.
Art. 25-26
Onderafdeling 3. - De roerende kapitalen.
Art. 27
Onderafdeling 4. - De afstand van goederen.
Art. 28-32
Onderafdeling 5. - De voordelen in natura.
Art. 33
Onderafdeling 6. - Aanrekening in geval van samenwoning.
Art. 34
Afdeling 3. - Specifiek vrijgestelde bestaansmiddelen van de begunstigde.
Art. 35
HOOFDSTUK VI. - Betalingsmodaliteiten.
Art. 36-40
HOOFDSTUK VII. - Terugvordering.
Afdeling 1. - Verhaal op de rechthebbende.
Art. 41
Afdeling 2. - Verhaal op de onderhoudsplichtigen.
Art. 42-55
HOOFDSTUK VIII. - Staatstoelagen.
Afdeling 1. - Algemeen.
Art. 56-59
Afdeling 2. - Personeelskosten.
Art. 60
Afdeling 3. - [1 Bijzondere toelagen]1
Art. 60/1, 60/2
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen.
Art. 61-68

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° wet : de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
  2° minister : de minister bevoegd voor Maatschappelijke Integratie;
  3° centrum : het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
  4° aanvrager : de persoon die het recht op maatschappelijke integratie heeft aangevraagd of wiens recht op maatschappelijke integratie op initiatief van het centrum wordt onderzocht.

  Art. 2. Wordt geacht zijn werkelijke verblijfplaats in Belgiė te hebben in de zin van artikel 3, 1°, van de wet, degene die gewoonlijk en bestendig op het grondgebied van het Koninkrijk verblijft, zelfs als hij niet over een woonst beschikt of niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters bedoeld in artikel 1, § 1, 1°, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, voorzover hij op het grondgebied van het Rijk mag verblijven.

  Art. 2bis. <ingevoegd bij KB 2004-12-05/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Om aanspraak te kunnen maken op het leefloon vastgesteld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet, moet de echtgenoot of de levenspartner van de aanvrager de voorwaarden voorzien bij artikel 3, 1°, 2°, 4° en 6°, van dezelfde wet vervullen.
  Bovendien moet de echtgenoot of levenspartner voldoen aan de voorwaarde voorzien bij artikel 3, 5°, van de wet indien hij over eigen inkomsten beschikt die lager zijn dan het bedrag dat bepaald is in artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van dezelfde wet. Deze inkomsten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II van de wet.

  HOOFDSTUK II. - Toekenningsprocedure.

  Afdeling 1. - Aanvraag.

  Art. 3. Onder dienstige inlichtingen in de zin van artikel 17 van de wet worden de volgende inlichtingen verstaan :
  1° de voorwaarden om gerechtigd te zijn op het leefloon, al dan niet gepaard gaand met een geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, en op de maatschappelijke integratie door tewerkstelling, alsook de voorwaarden om dit recht te behouden;
  2° de wettelijke voorwaarden waarbinnen het centrum het leefloon kan terugvorderen van de aanvrager en zijn onderhoudsplichtigen;
  3° het bedrag waarop betrokkene zal gerechtigd zijn, alsook de elementen die in aanmerking worden genomen om dit bedrag vast te stellen;
  4° in voorkomend geval, de draagwijdte van het contract inzake het geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie;
  5° de rechtsmiddelen tegen de beslissingen van het centrum;
  6° de bij artikel 6, § 3, van de wet voorziene rechten van de aanvrager, wanneer het centrum met hem onderhandelt over een arbeidsovereenkomst of een geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie;
  7° de gebeurlijke veranderingen in de situatie van de betrokkene die een weerslag hebben op zijn hoedanigheid van rechthebbende of op het toegekende bedrag en die aan het centrum moeten worden gemeld overeenkomstig artikel 22, § 1, tweede lid, van de wet.
  Deze inlichtingen worden schriftelijk verstrekt op basis van de toepasselijke reglementering, en mondeling wat 4° betreft.

  Art. 4. Het centrum is ertoe gehouden de mondelinge aanvragen tijdens zitdagen, op welbepaalde dagen en minstens tweemaal per week, in ontvangst te nemen.
  Een bericht wordt op een zichtbare en blijvende wijze aangebracht in het centrum en op de plaats voorbehouden voor de officiėle bekendmakingen van het gemeentebestuur; dit bericht vermeldt het lokaal waar en de dagen en uren waarop de belanghebbenden zich kunnen aanbieden.

  Afdeling 2. - Onderzoek.

  Art. 5. De personen bedoeld in artikel 19, § 1, tweede lid, van de wet moeten houder zijn van het diploma van maatschappelijk assistent, van gegradueerde verpleger gespecialiseerd in gemeenschapsgezondheid of van sociaal verpleger, erkend door de Gemeenschappen.

  Art. 6. § 1. Iedere aanvraag wordt onderzocht op basis van een vooraf opgemaakt formulier, dat behoorlijk moet worden ingevuld en dat de volgende gegevens bevat :
  1° alle inlichtingen betreffende de identiteit en de materiėle en sociale toestand van de betrokkene, alsook van iedere persoon met wie hij samenwoont, nodig voor de toepassing (van artikel 34, §§ 1, 2 en 4); <KB 2004-12-05/34, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  2° de aangifte van bestaansmiddelen;
  3° de vermelding van het centrum of de centra die ten aanzien van de aanvrager reeds toepassing gemaakt hebben van de bepalingen van artikelen 9 en 14, § 3, van de wet en van artikel 35, § 1;
  4° de door de aanvrager aan het centrum gegeven machtiging om alle inlichtingen en verklaringen na te zien bij financiėle instellingen, instellingen van sociale zekerheid en bij de openbare besturen, en onder meer, bij de ambtenaren van de Mechanografische Dienst van de Administratie der Directe Belastingen en bij de ontvanger der registratie en domeinen.
  § 2. De inlichtingen en verklaringen die het voorwerp uitmaken van de punten 1°, 2°en 3° van § 1 worden door de betrokkene als oprecht en volledig verklaard, gedagtekend en ondertekend.
  Op vraag van het centrum, wanneer de informatie niet kan worden bekomen bij de Belgische openbare administratie en ze nodig is voor het onderzoek van het dossier, moet de aanvrager een officieel attest betreffende zijn onroerend vermogen bezorgen.
  § 3. Het centrum kan aan de ambtenaren van de Mechanografische Dienst van de Administratie der Directe Belastingen en aan de ontvanger der registratie en domeinen vragen hem de inlichtingen te verschaffen in verband met de bestaansmiddelen en het patrimonium van de betrokken persoon en van de samenwonende persoon bedoeld (in artikel 34, §§ 1, 2 en 4); in voorkomend geval zenden deze ambtenaren de vraag door aan de kantoren in wier ambtsgebied de betrokkenen bekend zijn; er wordt telkens binnen de vijftien dagen op geantwoord. <KB 2004-12-05/34, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Dezelfde termijn moet worden in acht genomen door de andere openbare besturen, financiėle instellingen en instellingen van sociale zekerheid die eventueel door het centrum worden geraadpleegd.
  § 4. Indien het centrum het nodig acht, kan het de aanvrager die gezondheidsredenen inroept, al dan niet gestaafd door een medisch attest van de behandelende geneesheer, onderwerpen aan een medisch onderzoek door een door het centrum gemachtigde en betaalde geneesheer.
  In dit geval biedt de persoon zich desgevraagd bij de door het centrum aangeduide geneesheer aan, behoudens wanneer zijn gezondheidstoestand dit niet toelaat. De eventuele reiskosten van de persoon zijn ten laste van het centrum, volgens door hem bepaalde modaliteiten.
  De geneesheer gaat na of gezondheidsredenen door de betrokkene kunnen worden ingeroepen. Alle andere vaststellingen vallen onder het beroepsgeheim.
  (§ 5. De aanvrager die vrijwilligerswerk wil doen overeenkomstig de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers moet het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn daarover vooraf inlichten.) <KB 2007-02-15/41, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 17-03-2007>

  Art. 7. De aanvrager moet tijdens het onderzoek schriftelijk worden ingelicht over de mogelijkheid die hij heeft gehoord te worden vooraleer de beslissing ten zijnen opzichte genomen wordt.
  De informatie over het recht om gehoord te worden zoals voorzien in artikel 20 van de wet moet uitdrukkelijk en in een begrijpelijke taal geschieden.
  De mededeling vermeldt uitdrukkelijk de mogelijkheid voor de aanvrager om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon van zijn keuze tijdens zijn hoorzitting. Indien de aanvrager schriftelijk de wil uitdrukt om gehoord te worden, deelt het centrum hem de plaats en het tijdstip mee waarop hij zal gehoord worden.

  Afdeling 3. - Algemeen.

  Art. 8. Teneinde aan de aanvrager het recht op een inkomensgarantie voor ouderen te garanderen, stelt het centrum de Rijksdienst voor Pensioenen in kennis van het feit dat hij een leefloon ontvangt, zes maanden voor de gerechtigde de leeftijd bereikt die bepaald is in de artikelen 3 en 17 van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen.

  HOOFDSTUK III. - Daklozen.

  Art. 9. Wordt voor de toepassing van artikel 14, § 3, derde lid, van de wet gelijkgesteld met een dakloze, de persoon die bestendig verbleef in een openluchtrecreatief verblijf of een weekendverblijf omdat hij niet in staat was om over een andere woongelegenheid te beschikken en die dit verblijf effectief verlaat om een woonst te betrekken die hem als hoofdverblijfplaats dient.

  HOOFDSTUK IV. - Het geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.

  Afdeling 1. - Algemene voorwaarden.

  Art. 10. Het geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie, bedoeld in de artikelen 11 en 13, § 2, van de wet, wordt voorbereid door de met het dossier belaste maatschappelijk werker in overleg met de aanvrager en wordt geformaliseerd in een contract. Hij gebruikt hiertoe een door de raad voor maatschappelijk welzijn aangenomen kaderovereenkomst.

  Art. 11.[1 § 1. Alvorens er een contract wordt gesloten, moet het centrum een beoordeling van de behoeften van de persoon hebben gemaakt.
   Het contract vermeldt de te halen doelstellingen waarvoor het contract wordt aangaan. Het contract vermeldt de afspraken van de partijen daarbij onderscheid makend tussen de engagementen van het centrum, van de aanvrager en eventueel van één of meerdere tussenkomende derden. De gemaakte afspraken moeten gekaderd worden in de doelstellingen van het contract.
   Het contract bepaalt de activiteitendomeinen waarop het project betrekking heeft.
   Het contract bepaalt de duur, de in acht te nemen termijnen en de wijze waarop de evaluatie van het project geschiedt.
   § 2. De maatschappelijk werker informeert de betrokkene over de inhoud, de draagwijdte en de gevolgen van het contract, voordat het wordt ondertekend of gewijzigd.
   § 3. Het project bepaalt de eventuele aanvullende hulp gekoppeld aan de vereisten van het geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.
   Het contract bepaalt in welke mate en onder welke voorwaarden het centrum in voorkomend geval een aanvullende maatschappelijke hulp als aanmoedigingspremie toekent aan de betrokken persoon en voorziet op zijn minst dat de inschrijvingskosten, de eventuele verzekeringen, de kosten van aangepaste werkkledij en de verplaatsingsonkosten inherent aan het volgen van een beroepsvorming en/of het opdoen van werkervaring gedekt zijn door het centrum, tenzij zij ten laste genomen worden door een derde.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-10-03/03, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Art. 12. Het centrum zorgt ervoor dat de noodzakelijke voorwaarden tot uitvoering van een geļndividualiseerd project tot maatschappelijke integratie vervuld zijn.

  Art. 13. Onverminderd de toepassing van artikel 60, § 4, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt rekening gehouden met de vrije keuze van de aanvrager wat betreft de middelen die moeten worden ingezet voor de realisatie van het project, telkens als dit mogelijk is en voor zover de kosten vergelijkbaar zijn.

  Art. 14. Wanneer één of meer derden tussenkomen bij het contract, vermeldt dit laatste hun aandeel in de uitvoering en, in voorkomend geval, in de evaluatie ervan. In dit geval kunnen ze ook het contract ondertekenen.

  Art. 14/1. [1 § 1. Wanneer de begunstigde en het centrum overeenkomen een gemeenschapsdienst aan te gaan, bepalen ze hiervoor in onderling overleg:
   1° De aard van de te leveren dienst;
   2° De uurrooster;
   3° De bijzonderheden betreffende een eventuele vergoeding;
   4° De duur van de dienstverlening.
   § 2. Het centrum gaat na of schade berokkend aan de begunstigde of aan derden in het kader van de uitoefening van de gemeenschapsdienst gedekt wordt door een verzekering. Is dit niet het geval, dan kan de gemeenschapsdienst niet worden uitgevoerd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/03, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>
  

  Art. 15.[1 Een regelmatige evaluatie van de uitvoering van het contract wordt voorzien en dit ten minste drie maal per jaar, met de betrokkene, de maatschappelijk werker die met het dossier is belast en, in voorkomend geval, met de tussenkomende derde(n) en dit minstens twee maal tijdens een persoonlijk treffen. Wanneer de betrokken persoon erom verzoekt, moet de maatschappelijk werker hem binnen vijf werkdagen een onderhoud toestaan.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-10-03/03, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Art. 16. Het contract maakt melding van het personeelslid (de personeelsleden) dat (die) de maatschappelijk werker vervangt (vervangen) in de gevallen dat deze tijdelijk verhinderd is.
  Wordt de maatschappelijk werker definitief van het dossier ontlast, dan deelt het centrum dit schriftelijk aan de betrokkene mede met vermelding van de naam van diens vervanger.

  Art. 17.[1 Het contract eindigt van rechtswege op de dag dat het centrum, wegens de wijziging van de verblijfplaats van de rechthebbende, niet langer bevoegd is om het leefloon te verstrekken.
   Het contract dat op de in het eerste lid bepaalde manier beėindigd wordt, wordt in het geval er een nieuw centrum bevoegd wordt en indien er ingevolge van de toepassing van de wet een verplichting tot het afsluiten van een geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie bestaat, met de instemming van de betrokkene, overgemaakt aan het nieuw bevoegde centrum. Het nieuw bevoegde centrum moet nagaan of het mogelijk en wenselijk is om de modaliteiten van het beėindigde contract op te nemen in het nieuwe contract tussen het bevoegde centrum en de betrokkene.]1
  ----------
  (1)<KB 2016-10-03/03, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Art. 18. Op initiatief van de verantwoordelijke van de sociale dienst, maakt het centrum ten minste eens per jaar een globale evaluatie van de resultaten van de contracten houdende een geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie.
  De voorzitter van het centrum zorgt ervoor dat een samenvatting van de evaluatie van de integratiecontracten en van de resultaten inzake tewerkstelling wordt gegeven in het jaarverslag voorgeschreven bij artikel 89 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

  Art. 18/1. [1 De inspectiedienst van de POD Maatschappelijke Integratie zal de voorwaarden van de uitvoering van het geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie controleren.
   Als het geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie niet conform de wettelijke voorwaarden werd uitgevoerd, is het centrum ertoe gehouden de ontvangen bijzondere toelagen in het kader van artikel 43/2 van de wet terug te betalen overeenkomstig artikel 123 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en de comptabiliteit van de federale Staat en dit tot het moment waarop er een nieuw contract dat de wettelijke voorwaarden respecteert, wordt ondertekend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/03, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>
  

  Afdeling 2.
  <Opgeheven bij KB 2016-10-03/03, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Art. 19.
  <Opgeheven bij KB 2016-10-03/03, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Afdeling 3.
  <Opgeheven bij KB 2016-10-03/03, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Art. 20.
  <Opgeheven bij KB 2016-10-03/03, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  Afdeling 4. - Specifieke voorwaarden voor een geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie inzake studies met een voltijds leerplan.

  Art. 21.§ 1. Het contract dat tot stand komt ter uitvoering van een project van maatschappelijke integratie voor [1 een persoon jonger dan 25 jaar]1 die studies met een voltijds leerplan volgt, zoals voorzien in artikel 11, § 2, a), van de wet, moet voor de ganse duur van de studies gelden en de specifieke voorwaarden waaronder het leefloon kan worden behouden verduidelijken.
  § 2. In toepassing van de artikelen 3, 5° en 6°, en 4 van de wet moet het contract voorzien dat [1 de persoon jonger dan 25 jaar]1 tegelijkertijd :
  a) zijn rechten laat gelden op studietoelagen;
  b) alle nodige stappen doet om te bekomen dat zijn eventuele kinderbijslag en/of onderhoudsgeld hem rechtstreeks wordt gestort wanneer er een relatiebreuk met de ouders is;
  c) werkbereid is tijdens periodes die met zijn studies verenigbaar zijn tenzij gezondheids- of billijkheidsredenen dit verhinderen.
  § 3. Melding moet worden gemaakt van de te volgen vorming en van de instelling waar de vorming wordt gevolgd. In dit verband moet de student een bewijs leveren van zijn inschrijving.
  § 4. Afspraken moeten worden gemaakt over :
  a) de wijze waarop het volgen van studies wordt verzekerd. Het contract moet bepalen dat [1 de persoon jonger dan 25 jaar]1 de lessen regelmatig volgt, dat hij deelneemt aan de examenzittijden en alle noodzakelijke inspanningen doet om te slagen. Enkel om gezondheids- en billijkheidsredenen kan hiervan worden afgeweken;
  b) de wijze waarop het centrum ondersteuning biedt op het vlak van de studies, gebeurlijk in samenwerking met de onderwijsinstelling;
  c) de wijze waarop het centrum begeleiding biedt aan [1 de persoon jonger dan 25 jaar]1 in geval van relatiebreuk met de ouders. In overleg met de student bepaalt het contract op welke wijze het centrum een bemiddelende rol kan opnemen;
  d) de wijze waarop het centrum het voorbije studiejaar zal evalueren nadat de jongere zijn examenresultaten binnen de zeven werkdagen heeft bekendgemaakt aan het centrum. Het centrum kan professionele derden bij deze evaluatie betrekken wanneer de geschiktheid voor de studies niet vaststaat.
  ----------
  (1)<KB 2016-10-03/03, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>

  HOOFDSTUK V. - De berekening van de bestaansmiddelen.

  Afdeling 1. - Vrijgestelde bestaansmiddelen.

  Art. 22.§ 1. Bij het berekenen van de bestaansmiddelen wordt geen rekening gehouden met :
  a) de hulp verleend door de centra;
  b) de gezinsbijslag waarvoor de betrokkene de hoedanigheid van bijslagtrekkende bezit ten voordele van kinderen krachtens de Belgische of een buitenlandse sociale wetgeving voor zover hij deze opvoedt en volledig of gedeeltelijk ten zijnen laste heeft;
  c) het onderhoudsgeld of het voorschot op de termijn van onderhoudsgeld ontvangen ten gunste van de ongehuwde kinderen ten laste van betrokkene voor zover deze laatste hen opvoedt;
  d) het gedeelte van het loon dat door de uitgever van de PWA-cheques ten laste wordt genomen en overeenstemt met (4,10 EUR) per niet-ontwaarde PWA-cheque en dat (...) aan de betrokkene wordt uitbetaald voor werkzaamheden, verricht in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst overeenkomstig de terzake geldende reglementering, evenals de eventuele eruit voortvloeiende vergoedingen; <KB 2003-04-01/31, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  e) de productiviteits- of aanmoedigingspremies voorzien en betaald door de verschillende bevoegde overheden in het kader van de individuele beroepsopleidingen in ondernemingen, tijdens een periode van maximum zes maanden;
  f) de premies en toelagen van de Gewesten voor verhuizing, installatie en huur die aan de betrokkene worden toegekend;
  g) het bedrag van de studietoelagen die de specifieke studiekosten dekken en die door de Gemeenschappen aan de betrokkene zijn toegekend te zijnen gunste of ten gunste van de kinderen die hij ten laste heeft. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepalen wat moet verstaan worden onder specifieke studiekosten voor de toepassing van onderhavig besluit;
  h) de toelagen, uitkeringen en bijslagen van de Gemeenschappen voor het onderbrengen van jongeren in een opvanggezin;
  i) de presentiegelden die de betrokkene ontvangt als lid van de provincieraad, de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn;
  j) de niet- regelmatige giften afkomstig van om het even welke instelling of van personen die niet met de betrokkene samenwonen en jegens hen niet tot de onderhoudsplicht gehouden zijn;
  k) de frontstrepen- en gevangenschapsrenten;
  l) de renten verbonden aan een nationale orde op grond van een oorlogsfeit;
  m) de ten laste neming voorzien door de deelgebieden van de kosten voor de niet- medische hulp- en dienstverlening verleend door derden aan een persoon met een verminderd vermogen tot zelfzorg, alsook de door de niet-beroepsmatige zorgverlener ontvangen vergoeding van de zorgbehoevende in het kader van de verstrekte niet-medische hulp- en dienstverlening;
  n) de vergoedingen die door de Duitse overheid bij wijze van schadeloosstelling worden betaald voor de gevangenhouding tijdens de tweede wereldoorlog.
  Voor de toepassing van b) en c) van het vorig lid wordt de ouder die de gezinsbijslag of het onderhoudsgeld ontvangt beschouwd als degene die het kind opvoedt ingeval het kind tijdelijk wordt geplaatst.
  (o) het terugbetaalbaar belastingkrediet zoals bepaald bij artikel 134, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.) <KB 2004-12-05/34, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (p) de forfaitaire vergoeding, bedoeld bij artikel 6, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van titel XIII, hoofdstuk 6 " Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen " van de programmawet van 24 december 2002, voor zover de voogdij beperkt blijft tot het equivalent van twee voltijdse voogdijschappen per jaar.) <KB 2004-12-05/35, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 23-12-2004>
  (q) de vergoedingen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van voornoemde wet van 3 juli 2005, die worden ontvangen als vrijwilliger.) <KB 2007-02-15/41, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 17-03-2007>
  [1 r) de maandelijkse vergoeding betaald door de stageverstrekker aan de jonge werkzoekende stagiair in het kader van de instapstages inzake werkloosheid.]1
  § 2. (Wanneer het in aanmerking te nemen bedrag van de bestaansmiddelen lager is dan het bedrag van het leefloon voorzien in artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet, heeft betrokkene recht op een bijkomende vrijstelling van respectievelijk 155 EUR, 250 EUR, 310 EUR op jaarbasis, naargelang hij respectievelijk behoort tot de categorie 1, 2 of 3 van de begunstigden bedoeld bij artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet.) <KB 2004-12-05/34, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (De bepaling, voorzien in het voorgaande lid, is niet van toepassing op het gedeelte van het loon dat aan de PWA-werknemer wordt uitbetaald en dat het bedrag, voorzien in artikel 22, § 1, d), te boven gaat.) <KB 2003-04-01/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  ----------
  (1)<KB 2013-02-17/03, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Afdeling 2. - Bijzondere berekeningswijzen.

  Onderafdeling 1. - Het beroepsinkomen.

  Art. 23. Wanneer de aanvrager een beroepsarbeid verricht wordt rekening gehouden met zijn loon of met zijn beroepsinkomen.

  Art. 24. § 1. Het inkomen dat voortkomt uit een bedrijfsafstand wordt niet beschouwd als beroepsinkomen, zelfs indien het als dusdanig door de fiscale wetgeving wordt belast; het valt onder toepassing van de artikelen 28 tot en met 32.
  § 2. Wanneer de aanvrager de beroepsarbeid als zelfstandige van zijn overleden echtgenoot voortzet, wordt het inkomen, dat deze laatste heeft verworven in de loop van het refertejaar dat voor de vaststelling van het inkomen in aanmerking wordt genomen, geacht door de aanvrager verworven te zijn.

  Onderafdeling 2. - De onroerende goederen.

  Art. 25. § 1. Ingeval de aanvrager een onroerend goed in volle eigendom of vruchtgebruik bezit, wordt er rekening gehouden :
  1° wat de bebouwde onroerende goederen betreft : met het gedeelte van het globaal kadastraal inkomen dat het vrijgesteld bedrag overschrijdt, vermenigvuldigd met 3.
  Onder vrijgesteld bedrag wordt verstaan : een bedrag van 750,00 EUR, verhoogd met 125,00 EUR voor elk kind waarvoor de aanvrager wat betreft de kinderbijslag de hoedanigheid van bijslagtrekkende bezit, vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is;
  (De verhoging met 125,00 EUR geldt ook voor elk kind voor wie de echtgenoot of levenspartner van de aanvrager voor wat betreft de kinderbijslag de hoedanigheid van bijslagtrekkende bezit indien de aanvrager gerechtigd is op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3° van de wet.) <KB 2004-12-05/34, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  2° wat de onbebouwde onroerende goederen betreft : met het gedeelte van het globaal kadastraal inkomen dat het vrijgesteld bedrag overschrijdt, vermenigvuldigd met 3.
  Onder vrijgesteld bedrag wordt verstaan : een bedrag van 30,00 EUR, vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is.
  § 2. Het kadastraal inkomen van de onroerende goederen waarvan de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is, wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van de rechten, in volle eigendom of in vruchtgebruik, van de aanvrager op deze goederen, vooraleer het bepaalde in § 1 wordt toegepast.
  § 3. De in het buitenland gelegen onroerende goederen worden in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen die toepasselijk zijn op de in Belgiė gelegen onroerende goederen.
  Voor de toepassing van het eerste lid moet onder kadastraal inkomen verstaan worden, elke gelijkaardige grondslag van belasting waarin bij de fiscale wetgeving van de plaats waar de goederen gelegen zijn, is voorzien.
  § 4. Wanneer het onroerend goed met hypotheek bezwaard is, wordt het bedrag, in aanmerking genomen voor de vaststelling van de bestaansmiddelen, verminderd met het jaarlijks bedrag van de hypothecaire intresten, op voorwaarde :
  1° dat de schuld door de aanvrager werd aangegaan voor eigen behoeften en de aanvrager de aan het ontleend kapitaal gegeven bestemming bewijst;
  2° dat de aanvrager bewijst dat de hypothecaire intresten eisbaar waren en werkelijk werden betaald voor het jaar dat datgene van de ingangsdatum van de beslissing voorafgaat.
  Het bedrag van de vermindering mag evenwel niet hoger zijn dan de helft van het in aanmerking te nemen bedrag.
  Het bedrag van de hypothecaire intresten wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is.
  § 5. Wanneer het onroerend goed werd verworven mits betaling van een lijfrente, wordt het bedrag, in aanmerking genomen voor de vaststelling van de bestaansmiddelen, verminderd met het bedrag van de lijfrente dat door de aanvrager werkelijk wordt betaald. Het tweede lid van paragraaf 4 is van toepassing op deze vermindering.
  Het bedrag van de lijfrente wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is.
  (§ 6. Indien de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is, wordt het kadastraal inkomen, het vrijgesteld bedrag, het bedrag van de hypothecaire intresten en het bedrag van de lijfrente vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.) <KB 2004-12-05/34, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 26. In afwijking van artikel 25 wordt rekening gehouden met het bedrag van de huur wanneer de aanvrager een onroerend goed verhuurt dat hij in volle eigendom of vruchtgebruik bezit, voorzover dit huurbedrag hoger is dan het resultaat van de berekening overeenkomstig artikel 25 met betrekking tot dit goed.
  Het bedrag van de huur wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager op dit goed wanneer hij eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is.
  (Indien de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is, wordt het bedrag van de huur vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.) <KB 2004-12-05/34, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Onderafdeling 3. - De roerende kapitalen.

  Art. 27. Voor de al dan niet belegde roerende kapitalen wordt rekening gehouden met 6 % van de schijf gelegen tussen 6 200 EUR en 12 500 EUR, en met 10 % van de boven die schijf gelegen bedragen.
  In geval van gemeenschappelijke rekening worden de kapitalen en de in het eerste lid vermelde bedragen van 6 200 EUR en 12 500 EUR vermenigvuldigd met een breuk waarbij de teller gelijk is aan 1 en de noemer gelijk is aan het aantal personen die houder van de rekening zijn.
  (In geval van gemeenschappelijke rekening van de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet en zijn echtgenoot of levenspartner worden de kapitalen en de in het eerste lid vermelde bedragen van 6.200 EUR en 12.500 EUR vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 2 en de noemer gelijk is aan het aantal personen die houder van de rekening zijn.) <KB 2004-12-05/34, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Onderafdeling 4. - De afstand van goederen.

  Art. 28. § 1. Wanneer de aanvrager roerende of onroerende goederen om niet of ten bezwarende titel heeft afgestaan in de loop van de tien jaar voor de datum waarop de aanvraag om het leefloon uitwerking heeft, wordt, onverminderd de toepassing van artikel 29, een forfaitair inkomen in aanmerking genomen dat overeenstemt met de verkoopwaarde van de goederen op het tijdstip van de afstand.
  Het in het eerste lid bedoelde forfaitaire bedrag wordt vastgesteld door op de verkoopwaarde van de goederen op het tijdstip van de afstand de bij artikel 27 beoogde berekeningsmodaliteiten toe te passen.
  § 2. De verkoopwaarde van de afgestane roerende of onroerende goederen waarvan de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid was, wordt vermenigvuldigd met de breuk die het deel van de aanvrager in de onverdeeldheid uitdrukt.
  § 3. Bij afstand van vruchtgebruik wordt de waarde daarvan vastgesteld op 40 % van de waarde in volle eigendom.
  (§ 4. De verkoopwaarde van de afgestane roerende of onroerende goederen waarvan de aanvrager op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid was met zijn echtgenoot of levenspartner, wordt vermenigvuldigd met de breuk die het deel van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner in de onverdeeldheid uitdrukt.) <KB 2004-12-05/34, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 29. In geval van afstand ten bezwarende titel van :
  1° hetzij het woonhuis van de aanvrager, op voorwaarde dat hij geen ander bebouwd onroerend goed bezit,
  2° hetzij het enige onbebouwd onroerend goed van de aanvrager, op voorwaarde dat hij geen ander bebouwd of onbebouwd onroerend goed bezit,
  wordt de eerste schijf van 37.200 EUR van de verkoopwaarde vrijgesteld.
  (De vrijgestelde eerste schijf van 37.200 EUR van de verkoopwaarde van een in het eerste lid bedoelde goed wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van de rechten op het goed bij afstand ten bezwarende titel wanneer de aanvrager eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid was.
  In geval van afstand ten bezwarende titel door de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet en zijn echtgenoot of levenspartner van een in het eerste lid bedoelde goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar of vruchtgebruiker waren, wordt de vrijgestelde eerste schijf van 37.200 EUR van de verkoopwaarde vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het recht van de aanvrager en zijn echtgenoot of levenspartner op dit goed.) <KB 2004-12-05/34, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Voor de toepassing van het (eerste) lid wordt eveneens als woonhuis van de aanvrager beschouwd, het enige binnenschip als bedoeld in artikel 271, eerste lid, van Boek II, Titel X, van het Wetboek van Koophandel dat hem toebehoort en hem op duurzame wijze tot woning dient. <KB 2004-12-05/34, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 30. In geval van afstand onder bezwarende titel van roerende of onroerende goederen worden de persoonlijke schulden van de aanvrager afgetrokken van de verkoopwaarde van de afgestane goederen op het ogenblik van de afstand op voorwaarde dat :
  1° het persoonlijke schulden van de aanvrager betreft;
  2° de schulden werden aangegaan voor de afstand;
  3° de schulden werden afgelost of gedeeltelijk terugbetaald met de opbrengst van de afstand.
  (In geval van afstand ten bezwarende titel door de aanvrager van een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet en zijn echtgenoot of levenspartner van een in het eerste lid bedoelde goed waarvan beiden in onverdeeldheid eigenaar waren, worden de persoonlijke schulden van beiden afgetrokken van de verkoopwaarde van het goed indien voldaan is aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden.) <KB 2004-12-05/34, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 31. § 1. In geval van afstand onder bezwarende titel van een onroerend goed en onverminderd de bepalingen van het vorige artikel, wordt, voorzover het een in artikel 29 bedoeld onroerend goed betreft, een jaarbedrag van 1 250 EUR, van 2 000 EUR, (...) of van 2 500 EUR van de verkoopwaarde afgetrokken naargelang aan de aanvrager een leefloon categorie 1°, 2°, of 3°) wordt toegekend. <KB 2004-12-05/34, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Het aftrekbaar bedrag wordt berekend in verhouding tot het aantal maanden begrepen tussen de eerste van de maand die volgt op de datum van de afstand en de ingangsdatum van het leefloon.
  § 2. De verkoopwaarde wordt uitsluitend van ambtswege, eenmaal op de verjaardag van de ingangsdatum van het recht op een leefloon met één van de in § 1 bedoelde bedragen verminderd.

  Art. 32. Het centrum kan om reden van billijkheid afzien van de berekeningsmodaliteiten voorzien in de artikelen 28 tot en met 31. Deze beslissing dient gemotiveerd te worden. Op de gebeurlijke opbrengst van de afstand zijn de bij artikel 27 bepaalde berekeningsmodaliteiten van toepassing.

  Onderafdeling 5. - De voordelen in natura.

  Art. 33. De kosten verbonden aan de huisvesting die de hoofdverblijfplaats van de aanvrager is, worden in acht genomen als inkomen van de aanvrager als ze ten laste worden genomen door een derde met wie hij niet samenwoont.

  Onderafdeling 6. - Aanrekening in geval van samenwoning.

  Art. 34. § 1. In geval de aanvrager gehuwd is en onder hetzelfde dak woont, of een feitelijk gezin vormt, met een persoon die geen aanspraak maakt op het genot van de wet, moet het gedeelte van de bestaansmiddelen van die persoon in aanmerking genomen worden, dat het bedrag overschrijdt van het leefloon bepaald voor de categorie van begunstigden bedoeld bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet.
  Twee personen die als koppel samenleven vormen een feitelijk gezin.
  § 2. In geval de aanvrager samenwoont met één of meer meerderjarige ascendenten en/of descendenten van de eerste graad, kan het gedeelte van de bestaansmiddelen van ieder van die personen dat het bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet bepaalde bedrag te boven gaat, geheel of gedeeltelijk in aanmerking genomen worden; bij de toepassing van deze bepaling moet aan de aanvrager en zijn meerderjarige ascendenten en/of descendenten van de eerste graad fictief het bij artikel 14, § 1, 1°, van de wet bepaalde bedrag toegekend worden.
  § 3. In de andere gevallen van samenwonen met personen die geen aanspraak maken op het genot van de wet worden de bestaansmiddelen van die personen niet in aanmerking genomen.
  (§ 4. Indien de aanvrager gerechtigd is op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet worden alle bestaansmiddelen van de echtgenoot of levenspartner in aanmerking genomen. Deze inkomsten worden berekend overeenkomstig de bepalingen van titel II, hoofdstuk II van de wet.) <KB 2004-12-05/34, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Afdeling 3. - Specifiek vrijgestelde bestaansmiddelen van de begunstigde.

  Art. 35.§ 1. [1 Teneinde de sociaal-professionele integratie van de leefloonbegunstigde die begint te werken of die een beroepsopleiding aanvat of voortzet te bevorderen, worden de hieruit verworven netto-inkomsten in aanmerking genomen onder aftrek van een maximaal bedrag van 177,76 EUR per maand voor een totale periode van drie jaar. Het voordeel van deze vrijstelling gaat in de eerste dag van deze activiteit. Dit voordeel wordt opgeschort voor de perioden tijdens dewelke de persoon er geen aanspraak kan op maken, en kan in voorkomend geval worden samengeteld tijdens een periode die zes jaar later afloopt.]1
  In afwijking van het eerste lid, wanneer de inkomsten worden opgeleverd door een artistieke activiteit waarvan de prestaties onregelmatig zijn, bedraagt het vrijgesteld bedrag 2 133,12 EUR per jaar. In dat geval begint de berekening van de vrijstellingsperiode van drie jaar te lopen op de eerste dag waarop de persoon een inkomen krijgt van zijn artistieke activiteit. Wordt als artistieke activiteit beschouwd : de creatie en vertolking van artistieke werken, inzonderheid op het vlak van de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakelbedrijf, het decorontwerp en de choreografie.
  [1 De betrokkene kan het centrum vragen de toepassing van de in het tweede lid voorziene bepalingen uit te stellen.]1
  § 2. Teneinde het opdoen van beroepservaring van de jongeren bedoeld in artikel 11, § 2, a), van de wet te bevorderen en om hun zelfstandigheid te stimuleren, worden de netto-inkomsten verworven door tewerkstelling in aanmerking genomen onder aftrek van een bedrag van 49,58 EUR per maand voor de jongeren die genieten van een studiebeurs en van een bedrag van 177,76 EUR per maand voor de jongeren die hiervan niet genieten. Deze aftrek geldt gedurende de periode dat een geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie is afgesloten.
  § 3. De bedragen vastgesteld in §§ 1 en 2 zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen.
  Zij schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  (§ 4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op het gedeelte van het loon dat aan de PWA-werknemer wordt uitbetaald en dat het bedrag, voorzien in artikel 22, § 1, d), te boven gaat.) <KB 2003-04-01/31, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  (§ 5. De in §§ 1 en 2 bepaalde vrijstelling geldt ook voor de echtgenoot of de levenspartner van de gerechtigde op een leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet indien hij aan de in dit artikel gestelde voorwaarden voldoet.) <KB 2004-12-05/34, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/D1, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-10-2014>

  HOOFDSTUK VI. - Betalingsmodaliteiten.

  Art. 36. De uitbetaling van de toegewezen som als leefloon gebeurt op een vaste datum of dag, hetzij door middel van een postassignatie waarvan het bedrag betaalbaar is ten huize en in handen van de gerechtigde, hetzij door een circulaire cheque, hetzij door een overschrijving.
  In het belang van de gerechtigde, behoorlijk gemotiveerd in de beslissing, kan het centrum evenwel de betaling rechtstreeks aan de betrokkene doen.
  (Indien de begunstigde gerechtigd is op een leefloon als bedoeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet, en samenwoont met een echtgenoot of levenspartner te zijnen laste, wordt het leefloon voor de helft uitbetaald aan de begunstigde en voor de andere helft aan de echtgenoot of levenspartner. Om redenen van billijkheid mag een andere verdeling worden toegepast.) <KB 2004-12-05/34, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 37. Geen enkele som voor administratie- of onderzoekskosten mag worden afgehouden van de als leefloon toegekende bedragen.

  Art. 38.
  <Opgeheven bij W 2015-12-26/03, art. 71, 009; Inwerkingtreding : 09-01-2016>

  Art. 39. De betaling van het leefloon wordt opgeschort tijdens de periode waarin een persoon wordt geplaatst, ten laste van de overheid, in een instelling van om het even welke aard, in uitvoering van een gerechtelijke beslissing en tijdens de periode waarin een persoon een vrijheidsstraf ondergaat en ingeschreven blijft op de rol van een strafinrichting.
  De betaling van het leefloon wordt voor de toekomst hersteld aan het einde van de uitvoering van de gerechtelijke beslissing alsook ingeval van voorlopige of voorwaardelijke invrijheidsstelling.
  De gerechtigde mag evenwel aanspraak maken op het leefloon dat betrekking heeft op de periode van zijn voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat hij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing werd vrijgesproken en dat hij geen aanspraak kan maken op een schadeloosstelling door de Minister van Justitie. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buitenvervolgingstelling of van buitenzaakstelling.

  Art. 40. In geval van overlijden van de gerechtigde op het leefloon, worden de vervallen en niet uitgekeerde termijnen slechts uitbetaald aan de natuurlijke personen in de hierna bepaalde volgorde :
  1° aan de echtgenoot met wie de gerechtigde leefde of aan de persoon met dewelke hij een feitelijk gezin in de zin (van artikel 34, § 1, tweede lid of § 4), uitmaakte, op het ogenblik van zijn overlijden; <KB 2004-12-05/34, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  2° aan de kinderen met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
  3° aan iedere andere persoon met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
  4° aan de persoon die in de verplegingskosten tussenbeide is gekomen;
  5° aan de persoon die de begrafeniskosten heeft betaald.

  HOOFDSTUK VII. - Terugvordering.

  Afdeling 1. - Verhaal op de rechthebbende.

  Art. 41. Behalve in geval van arglist of bedrog wordt ambtshalve afgezien van de terugvordering van onverschuldigd betaalde prestaties bij het overlijden van degene aan wie ze betaald zijn, indien hem op dat ogenblik nog geen kennis was gegeven van de terugvordering.

  Afdeling 2. - Verhaal op de onderhoudsplichtigen.

  Art. 42. Het centrum verhaalt het leefloon tegenover volgende onderhoudsplichtigen van de betrokkene : de echtgenoot, de ex-echtgenoot, de ascendenten en descendenten in de eerste graad, de adoptant, de geadopteerde en de onderhoudsplichtige bedoeld in artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek.
  Het stelt de aanvrager daarvan vooraf in kennis.

  Art. 43. Het toegekende leefloon mag slechts door het centrum verhaald worden op de onderhoudsplichtigen voorzover er gedurende de periode dat het centrum dit heeft toegekend, een onderhoudsplicht bestond in hoofde van deze onderhoudsplichtigen.

  Art. 44. Vooraleer te beslissen over de uitoefening van het verhaal stelt het centrum een sociaal onderzoek in naar de financiėle toestand van de onderhoudsplichtigen en het familiale aspect van de zaak.

  Art. 45. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 28 van de wet, moet geen verhaal worden ingesteld tegen de onderhoudsplichtigen indien kan verwacht worden dat het toekennen van het leefloon niet langer zal duren dan drie maanden.
  § 2. Er mag geen verhaal worden ingesteld tegen de onderhoudsplichtigen voor de kosten van tewerkstelling door het centrum.

  Art. 46. In geval van verhaal tegen meerdere levende onderhoudsplichtigen in een gelijke graad mag ten aanzien van ieder van hen en hun echtgenoot of echtgenote niet meer worden teruggevorderd dan de kosten van het leefloon vermenigvuldigd met de breuk waarbij de teller gelijk is aan 1, en de noemer gelijk is aan het aantal voornoemde onderhoudsplichtigen.
  In uitzonderlijke gevallen en mits uitdrukkelijke gemotiveerde beslissing waarvan afschrift aan de betrokkene wordt overgemaakt, kan het centrum van voormelde regel afwijken.

  Art. 47. Het verhaal op de ascendenten, de adoptanten en de onderhoudsplichtigen bedoeld in artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek is beperkt tot het leefloon verstrekt aan hun descendenten, geadopteerden en/of de kinderen wiens afstamming langs vaderzijde niet vaststaat, zolang zij de burgerlijke meerderjarigheid niet hebben bereikt of zolang zij na die leeftijd rechtgevend blijven op kinderbijslag.

  Art. 48. Het verhaal op de descendenten en de geadopteerden is beperkt tot het leefloon verstrekt aan hun ascendenten en/of adoptanten, indien blijkt dat zonder enige aanvaardbare uitleg het patrimonium van de begunstigde gedurende de laatste vijf jaar vóór de aanvang van de dienstverlening in belangrijke mate is verminderd.

  Art. 49. Het verhaal op de echtgenoot en de ex-echtgenoot is in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van het onderhoudsgeld, dat bij een uitvoerbaar geworden rechterlijke beslissing ten gunste van de aanvrager werd bepaald.

  Art. 50. § 1. Onverminderd het bepaalde in § 3 kan geen verhaal worden uitgeoefend tegen de onderhoudsplichtige als zijn netto belastbaar inkomen van het voorlaatste kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin over de uitoefening wordt beslist, het bedrag van 16 681,99 EUR, verhoogd met 2 335,48 EUR voor elke persoon ten laste, niet overschrijdt.
  Voor de toepassing van § 1 wordt als persoon ten laste beschouwd, elk kind voor wie de onderhoudsplichtige, wat betreft de kinderbijslag, de hoedanigheid van bijslagtrekkende bezit, evenals iedere persoon die fiscaal ten laste is van de onderhoudsplichtige.
  Het verhaal is beperkt tot het bedrag dat het in het eerste lid vermelde belastbaar inkomen te boven gaat.
  § 2. Indien bewezen wordt dat de vermogenstoestand van de onderhoudsplichtige sinds het jaar bedoeld in § 1 in belangrijke mate is gewijzigd, dan wordt de nieuwe vermogenstoestand als basis genomen voor het uitoefenen van het verhaal en het bepalen van het bedrag van de terugvordering.
  § 3. Indien de onderhoudsplichtige niet over het in § 1 vermelde bedrag beschikt, maar over een onroerend goed of onroerende goederen in volle eigendom of vruchtgebruik beschikt waarvan het globaal kadastraal inkomen gelijk is aan of hoger is dan 2 000 EUR, wordt het in § 1 vermeld belastbaar inkomen, vermeerderd met drie maal het bedrag van het kadastraal inkomen.
  Het kadastraal inkomen wordt als volgt samengesteld :
  het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die de onderhoudsplichtige in volle eigendom of vruchtgebruik bezit, met uitzondering van de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die voor eigen beroepsdoeleinden worden aangewend.
  Dit kadastraal inkomen wordt evenwel, naargelang het aantal personen ten laste drie of meer bedraagt, vooraf gedeeld door de coėfficiėnt 1,1 verhoogd met 0,1 voor elke persoon ten laste boven de derde, doch met maximum 1,8.
  Het kadastraal inkomen van de goederen waarvan de onderhoudsplichtige eigenaar of vruchtgebruiker in onverdeeldheid is, wordt vermenigvuldigd met de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van de rechten, in volle eigendom of in vruchtgebruik, van de betrokkene op deze goederen, vooraleer het bepaalde in het eerste lid wordt toegepast.

  Art. 51. Bij het bepalen van de tussenkomst van de onderhoudsplichtige volgt het centrum een door de Minister vastgestelde schaal van tussenkomsten, waarvan het kan afwijken bij een individuele beslissing en mits in acht name van bijzondere omstandigheden die in de beslissing worden gemotiveerd.
  Elke individuele beslissing tot het bepalen van de tussenkomst van een onderhoudsplichtige bevat de elementen op grond waarvan het bedrag van de terugvordering werd vastgesteld.

  Art. 52. De in artikel 50, § 1, eerste lid, bedoelde bedragen en de schaal van tussenkomsten bedoeld in artikel 51, zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen.
  Zij schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

  Art. 53. Indien het centrum tezelfdertijd verhaal uitoefent bij de onderhoudsplichtigen voor de kosten van het leefloon en van maatschappelijke dienstverlening, dan wordt de opbrengst slechts afgetrokken van de kosten van het leefloon nadat de kosten van de maatschappelijke dienstverlening ten laste van het centrum volledig gedekt zijn.

  Art. 54. Indien het centrum beslist af te zien van het verhaal tegenover de onderhoudsplichtigen om redenen van billijkheid, geeft het de concrete feiten en redenen aan waarop deze afwijking is gesteund.
  Omwille van het delicaat karakter van sommige gegevens kan het centrum nalaten deze in de beslissing te vermelden, wanneer ze in het sociaal verslag of in het verslag van de beraadslaging zijn opgenomen.

  Art. 55. Indien het centrum op basis van het sociaal onderzoek beslist om verhaal uit te oefenen op de onderhoudsplichtigen, zendt het binnen de acht dagen na deze beslissing een kopie van deze beslissing aan de onderhoudsplichtigen. Deze beslissing moet volgende aanduidingen bevatten :
  1. de wettelijke bepalingen waarop de terugvordering gebaseerd is;
  2. de berekeningswijze van het teruggevorderde bedrag;
  3. de mogelijkheid voor het centrum om van de terugvordering af te zien wegens billijkheidsredenen en de procedure die hiervoor moet worden gevolgd;
  4. de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen;
  5. De mogelijkheid om een voorstel van onderhoudsbijdrage voor te leggen.
  De betrokkene kan het centrum binnen een periode van 30 dagen na het verzenden van de beslissing verzoeken om af te zien van de terugvordering of kan ofwel een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven ofwel een voorstel van onderhoudsbijdrage voorleggen. In voorkomend geval moet het centrum binnen een periode van 30 dagen na voornoemd verzoek een nieuwe beslissing nemen, die aan de onderhoudsplichtige binnen de acht dagen moet worden medegedeeld.
  Indien de onderhoudsplichtige niet reageert binnen de periode van 30 dagen na de verzending, en evenmin het verschuldigde bedrag aan het centrum heeft overgemaakt, zendt het centrum een herinneringsschrijven waarin gemeld wordt dat hij binnen de twee weken moet betalen en dat bij ontstentenis hiervan de OCMW-ontvanger zal overgaan tot een invordering via gerechtelijke weg.

  HOOFDSTUK VIII. - Staatstoelagen.

  Afdeling 1. - Algemeen.

  Art. 56. De berekening van de toelage van de Staat aan het centrum gebeurt op voorlegging van de beslissingen die, overeenkomstig artikel 21, § 6, van de wet binnen de acht dagen volgend op het einde van de maand waarin deze beslissingen werden genomen, worden overgemaakt.
  (Deze overmaking gebeurt op elektronische wijze zoals aanvaard door het centrum voor informatieverwerking, volgens het model van formulier bepaald bij ministerieel besluit.
  In afwijking van het vorige lid gebeurt de overmaking hetzij met papieren formulieren, hetzij met een informaticadrager aanvaard door het centrum voor informatieverwerking in volgende gevallen :
  - de beslissingen met invoegetreding voor 1 januari 2005 wat betreft de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die gebruik maken van de webtoepassing die ontwikkeld is door de Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie;
  - de beslissingen met invoegetreding voor 1 oktober 2002.
  De uitbetaling van de staatstoelagen gebeurt op basis van een maandelijkse door de Staat opgestelde verzamelstaat.) <KB 2006-01-09/31, art. 1, 005 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 57. Om te mogen genieten van de toelage van de Staat, zijn de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ertoe gehouden zich te onderwerpen aan de controle ingericht door de minister.

  Art. 58. § 1. Een voorschot op de staatstoelage wordt uitgekeerd aan het centrum dat bij de betaling van het leefloon aan de gerechtigden acute thesaurieproblemen ondervindt.
  De aanvraag om een voorschot wordt bij het verstrijken van een kwartaal ingediend bij behoorlijk gemotiveerd verzoek aan de minister of aan zijn afgevaardigde, die beschikt bij gemotiveerde beslissing.
  Het toegekende voorschot wordt berekend op basis van het bedrag van de toelage die door de Staat verschuldigd is voor het voorlaatste jaar.
  § 2. Een jaarlijks voorschot op de staatstoelage wordt uitgekeerd aan het centrum voor elke financiėle tussenkomst in de kosten die verbonden zijn aan de inschakeling van de rechthebbende in het beroepsleven, in toepassing van artikel 9 van de wet.
  Dit voorschot wordt berekend op basis van de bedragen die door de Staat werden aanvaard na verificatie van de kostenstaten ingediend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  Het bedraagt, per jaar, 80 % van de bedragen die werden aanvaard voor de kosten van het voorlaatste jaar waarvan de rekeningen werden geverifieerd.
  Het voorschot wordt verrekend bij de voorlegging van de kostenstaten van de laatste maanden van het jaar waarin het voorschot werd toegekend. Een eventueel negatief saldo wordt als voorschot op het volgende jaar beschouwd.

  Art. 59. De door de Staat toegekende toelage wordt gestort op de rekening van het centrum bij een door het centrum aangeduide financiėle instelling.

  Afdeling 2. - Personeelskosten.

  Art. 60. De in artikel 40 van de wet bedoelde toelage moet integraal besteed worden aan de verbetering van de op 1 januari 2002 bestaande personeelsnormen, om het centrum de mogelijkheid te geven de integratiedoelstellingen van de wet te bewerkstelligen.
  Het OCMW wijst deze middelen toe :
  - aan het personeel van de sociale diensten van het centrum;
  - en/of aan het omkaderingspersoneel in het centrum zelf of in het kader van een partnerschap met andere diensten, dat zich bezighoudt met personen die genieten van een geļndividualiseerd project van maatschappelijke integratie of van het recht op maatschappelijke integratie door een tewerkstelling.
  De toelage mag de brutoloonlast dekken, evenals de werkingskosten, met inbegrip van de opleidingskosten en de kosten voor de aankoop van materieel in verband met dit supplementair personeel, op voorwaarde dat deze werkingskosten niet meer bedragen dan een derde van de toelage.
  In afwijking van het vorig lid, wanneer de gecumuleerde toelagen bedoeld in artikel 40 van de wet de financiėle last van een halftijdse betrekking niet kunnen dekken, mag het centrum de toelage volledig besteden aan de kwalitatieve verbetering van de opvang van de in het kader van de wet geholpen personen.
  Het centrum moet een jaarverslag over de besteding van de toelage opmaken en daarbij een kopie van de in artikel 18 voorziene samenvatting voegen.

  Afdeling 3. - [1 Bijzondere toelagen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/03, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>
  

  Art. 60/1. [1 § 1. Het centrum kan genieten van de bijzondere toelage in de zin van artikel 43/2, § 3, van de wet, als het centrum via het sociaal onderzoek evalueert dat de maatregelen in het geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie genomen gedurende de periode waarin het centrum de bijzondere toelage in de zin van artikel 43/2, § 1, van de wet genoot, onvoldoende heeft geleid naar een doeltreffende integratie van de betrokkene en vaststelt dat er een intensievere of een meer specifieke begeleiding van de betrokkene noodzakelijk is. Deze gemotiveerde beslissing moet genomen worden door de Raad of het bevoegde orgaan.
   § 2. Het centrum kan genieten van de bijzondere toelage in de zin van artikel 43/2, § 4, van de wet, als de maatregelen in het geļndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie een antwoord bieden op de noden die aanleiding hebben gegeven tot het feit dat de betrokkene na een periode van afwezigheid van minimum 12 maanden terugkeert bij het centrum. Deze gemotiveerde beslissing moet genomen worden door de Raad of het bevoegde orgaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/03, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>
  

  Art. 60/2. [1 Opdat het centrum de bijzondere toelage in de zin van artikel 43/2 van de wet, § 3 of § 4, kan genieten, moet het centrum in een rapport dat ter beschikking blijft in het sociaal dossier motiveren waarom de betrokkene bijzonder ver verwijderd is van een maatschappelijke en/of socioprofessionele integratie of waarom de betrokkene bijzonder kwetsbaar is en een bijzondere aandacht van het centrum behoeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2016-10-03/03, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2016>
  

  HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen.

  Art. 61. De minister bepaalt het model van de formulieren en van de stukken die hij nodig acht voor de toepassing van de reglementering betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

  Art. 62. Voor het jaar 2002 mag de toelage, in afwijking van het derde lid van artikel 60, voor meer dan één derde besteed worden aan de werkingskosten in verband met bijkomend personeel.
  In afwijking van artikel 60, vijfde lid, zal het eerste jaarverslag betrekking hebben op de boekjaren 2002 en 2003.

  Art. 63. De verhaalsvorderingen die voor de inwerkingtreding van dit besluit bij de rechtbanken zijn ingeleid, blijven onderworpen aan de bepalingen die ten tijde van de inleiding van toepassing waren.

  Art. 64. Het koninklijk besluit van 9 mei 1984 tot uitvoering van artikel 13, tweede lid, 1°, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en artikel 100bis, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt opgeheven voor wat betreft de bepalingen die van toepassing zijn op de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.

  Art. 65. Het koninklijk besluit van 30 oktober 1974 houdende het algemeen reglement betreffende het bestaansminimum wordt opgeheven.

  Art. 66. Het koninklijk besluit van 24 maart 1993 tot vaststelling van de minimumvoorwaarden en de modaliteiten waaraan de contracten betreffende een geļndividualiseerd project voor sociale integratie moeten voldoen wordt opgeheven.

  Art. 67. Dit besluit treedt in werking op de dag van de inwerkingtreding van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

  Art. 68. Onze minister van Maatschappelijke Integratie is belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 11 juli 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Maatschappelijke Integratie,
J. VANDE LANOTTE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiėn, gegeven op 4 juni 2002;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 5 juni 2002;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, die de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum vervangt, in het belang van de door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn geholpen personen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 oktober 2002 in werking moet treden; dat het van fundamenteel belang is dat, in het kader van het beleid tot integratie van de door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn geholpen personen, de gerechtigden op maatschappelijke integratie zo snel mogelijk zouden kunnen genieten van de nieuwe inschakelingsmaatregelen, onder meer wat betreft de verruiming van het toepassingsgebied van de wet, de nieuwe categorieėn van gerechtigden, het recht op arbeid en de juridische bescherming die aan deze nieuwe rechten gekoppeld is; dat deze uitvoeringsmaatregelen nodig zijn en niet kunnen los gezien worden van het daadwerkelijk nastreven van de doelstellingen van de wetgever ten opzichte van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie; dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn overigens zo snel mogelijk moeten ingelicht worden over de inhoud van deze nieuwe maatregelen die ze ten aanzien van de betrokken doelgroep zullen moeten toepassen; dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn dan ook dringend het nodige moeten kunnen doen om deze nieuwe maatregelen op te nemen in hun informaticaprogramma's voor de toekenning van de daaraan verbonden toelagen van de federale Staat; dat dit besluit dringend en onverwijld moet worden aangenomen;
   Gelet op het advies nr. 33.622/3 van de Raad van State, gegeven op 20 juni 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Maatschappelijke Integratie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-10-2016 GEPUBL. OP 11-10-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 11; 14/1; 15; 17; 18/1; 19; 20; 21; 60/1; 60/2)
  • BEELD
  • WET VAN 26-12-2015 GEPUBL. OP 30-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 38)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 01-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-02-2013 GEPUBL. OP 06-03-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 22)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-02-2007 GEPUBL. OP 07-03-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 22)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-01-2006 GEPUBL. OP 30-01-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 56)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-12-2004 GEPUBL. OP 13-12-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 22)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-12-2004 GEPUBL. OP 13-12-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 2BIS; 6; 22; 25; 26; 27; 28; 29; 30)
    (GEWIJZIGDE ART. : 31; 34; 35; 36; 40)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-04-2003 GEPUBL. OP 10-04-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 22; 35)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 16 uitvoeringbesluiten 9 gearchiveerde versies
    Franstalige versie