J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2002/06/21/2002009711/justel

Titel
21 JUNI 2002. - Wet betreffende de Centrale Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen van België, de afgevaardigden en de instellingen belast met het beheer van de materiële en financiële belangen van de erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-10-2002 en tekstbijwerking tot 31-01-2014)

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 22-10-2002 nummer :   2002009711 bladzijde : 48180       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2002-06-21/34
Inwerkingtreding : 01-11-2002

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen.
Art. 1
TITEL II. - Erkenning en organisatie van de Centrale Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen van België en van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen die er deel van uitmaken.
HOOFDSTUK I. - De Centrale Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen van België.
Art. 2-3
HOOFDSTUK II. - Erkenning van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen, die deel uitmaken van de Centrale Vrijzinnige Raad en de centra voor morele dienstverlening, op basis van het grondgebied van de provincies en van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
Art. 4
HOOFDSTUK III. - Organisatie van de instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad.
Art. 5
Afdeling I. - Raad van bestuur.
Onderafdeling I. - Samenstelling.
Art. 6
Onderafdeling II. - Verkiesbaarheid.
Art. 7
Onderafdeling III. - Onverenigbaarheden.
Art. 8
Onderafdeling IV. - Verkiezing.
Art. 9
Onderafdeling V. - Einde van het mandaat.
Art. 10-12
Onderafdeling VI. - Installatie.
Art. 13
Onderafdeling VII. - Vergaderingen.
Art. 14-24
Onderafdeling VIII. - Bevoegdheden.
Art. 25
Afdeling II. - Inkomsten.
Art. 26
Afdeling III. - Lasten.
Art. 27
Afdeling IV. - Begrotingen en rekeningen.
Art. 28-41
Afdeling V. - Regeling van het toezicht.
Art. 42-45
Afdeling VI. - Het beheer der goederen.
Art. 46
HOOFDSTUK IV. - Organisatie van het federaal secretariaat van de Centrale Vrijzinnige Raad.
Art. 47-52
TITEL III. - Sociale positie van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad.
Afdeling I. - Sociale positie.
Art. 53-57
Afdeling II. - Het kader.
Art. 58
TITEL IV. - Diverse bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Verplichtingen van de provincies.
Art. 59
HOOFDSTUK II. - Overheidsopdrachten.
Art. 60
TITEL V. - Slotbepalingen.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen.
Afdeling I. - Wedden.
Art. 61-64
Afdeling II. - Verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit (sector gezondheidszorgen).
Art. 65
Afdeling III. - Arbeidsongevallen en beroepsziekten.
Art. 66
Afdeling IV. - Verzekering tegen werkloosheid, ziekteverzekering (sector uitkeringen) en moederschapsverzekering.
Art. 67
HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen.
Art. 68-71

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  TITEL II. - Erkenning en organisatie van de Centrale Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen van België en van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen die er deel van uitmaken.

  HOOFDSTUK I. - De Centrale Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen van België.

  Art. 2. De " Centrale Raad der niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen van België " genaamd " Centrale Vrijzinnige Raad ", bestaande uit de Unie Vrijzinnige Verenigingen en het Centre d'Action Laïque, wordt erkend als een organisatie die niet-confessionele morele diensten verleent.

  Art. 3. De Centrale Vrijzinnige Raad vertegenwoordigt de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen die er deel van uitmaken, in hun betrekkingen met de burgerlijke overheid.
  De Centrale Vrijzinnige Raad coördineert de organisatie en de werking van de niet-confessionele morele dienstverlening en het beheer van de materiële en financiële belangen van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen die er deel van uitmaken.
  De Centrale Vrijzinnige Raad regelt de uitoefening van het ambt van de afgevaardigden die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, in onderhavige wet " afgevaardigden " genoemd, en hun aanstelling ten aanzien van de Staat.

  HOOFDSTUK II. - Erkenning van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen, die deel uitmaken van de Centrale Vrijzinnige Raad en de centra voor morele dienstverlening, op basis van het grondgebied van de provincies en van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.

  Art. 4. Op voordracht van de Centrale Vrijzinnige Raad worden de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen door de Koning erkend, één voor elke provincie en twee voor het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
  De Koning erkent de centra voor morele dienstverlening van de provincie of het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en stelt het aantal en de gebiedsomschrijving ervan vast, op gezamenlijke voordracht van de Centrale Vrijzinnige Raad en de betrokken instelling, na advies van de bestendige deputatie van de provincieraad of van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te hebben ingewonnen.

  HOOFDSTUK III. - Organisatie van de instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad.

  Art. 5. In de hoofdplaats van elke provincie wordt een instelling van publiekrechtelijke aard opgericht, genaamd " instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad ", die rechtspersoonlijkheid heeft en belast is met het beheer van de materiële en financiële belangen van de erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschap en de erkende centra voor morele dienstverlening die zich op het grondgebied van de betrokken provincie bevinden, in onderhavige wet " instelling " genaamd.
  In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad worden twee instellingen van publiekrechtelijke aard opgericht, genaamd " instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad " en " établissement d'assistance morale du Conseil central laïque ", die rechtspersoonlijkheid hebben en belast zijn met het beheer van de materiële en financiële belangen van respectievelijk de Nederlandstalige en de Franstalige erkende levensbeschouwelijke niet-confessionele gemeenschap en de erkende centra voor morele dienstverlening, die zich op het grondgebied van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad bevinden, in onderhavige wet respectievelijk " instelling " en " établissement " genaamd.
  Elke instelling wordt beheerd door een raad van bestuur.

  Afdeling I. - Raad van bestuur.

  Onderafdeling I. - Samenstelling.

  Art. 6. Elke raad van bestuur bestaat uit zeven verkozen leden en evenveel verkozen plaatsvervangers. Zijn bovendien van rechtswege met adviserende stem lid van de raad van bestuur :
  1° de boekhouder van de betrokken instelling;
  2° een afgevaardigde, daartoe aangewezen door de Centrale Vrijzinnige Raad, of zijn plaatsvervanger;
  3° de gouverneur of zijn vertegenwoordiger.

  Onderafdeling II. - Verkiesbaarheid.

  Art. 7. Om te kunnen verkozen worden als lid of plaatsvervanger van de raad van bestuur moet men :
  1° zijn woonplaats hebben binnen het grondgebied van de instelling of voorgedragen worden door een vereniging die er haar zetel op heeft. Deze voorwaarden zijn niet van toepassing op de raadsleden en plaatsvervangers, verkozen door de raad van bestuur van de Centrale Vrijzinnige Raad;
  2° op de dag van de verkiezing minstens achttien jaar oud zijn;
  3° van goed zedelijk gedrag zijn;
  4° instemmen met het principe van vrij onderzoek.

  Onderafdeling III. - Onverenigbaarheden.

  Art. 8.In eenzelfde raad van bestuur kunnen niet als lid of plaatsvervanger verkozen worden :
  1° echtgenoten, samenwonenden en bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad;
  2° de afgevaardigden en de personeelsleden van de Centrale Vrijzinnige Raad, de Unie Vrijzinnige Verenigingen, het Centre d'Action laïque en de verenigingen die er deel van uitmaken;
  3° de gewezen afgevaardigden en gewezen personeelsleden van de Centrale Vrijzinnige Raad, de Unie Vrijzinnige Verenigingen, het Centre d'Action laïque en de verenigingen die er deel van uitmaken, voorzover zij minder dan drie jaar geleden afgevaardigde of personeelslid van de organisatie of verenigingen waren;
  4° alle personen die een bezoldiging of een toelage van de instelling ontvangen;
  5° de provinciegouverneurs, de leden van de bestendige deputaties en van de provincieraden, de griffiers, de ontvangers van de provinciën en de arrondissementscommissarissen;
  6° [1 ...]1 de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de leden van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van (het Brussels Hoofdstedelijk Parlement); <W 2006-03-27/35, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  7° de burgemeesters, de schepenen, de gemeenteraadsleden, de gemeentesecretarissen en de -ontvangers;
  8° de ambtenaren en de bedienden van de fiscale administraties in de binnen hun ambtsgebied gelegen instelling;
  9° de voorzitters, de raadsleden, de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
  In geval van verkiezing van echtgenoten, samenwonenden, bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, gaat de voorkeur naar de jongste in jaren.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/65, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Onderafdeling IV. - Verkiezing.

  Art. 9. De zeven leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers worden verkozen op volgende wijze :
  - vijf door de algemene vergadering;
  - twee door de raad van bestuur van de Centrale Vrijzinnige Raad.
  Zijn lid van de algemene vergadering van de instelling, de vertegenwoordigers van de verenigingen die deel uitmaken van de Unie Vrijzinnige Verenigingen en van het Centre d'Action laïque.
  De lijst van deze verenigingen wordt door de Centrale Vrijzinnige Raad aan de Minister van Justitie overhandigd uiterlijk vier maanden voor de verkiezingen.
  De modaliteiten van de verkiezing worden door de Centrale Vrijzinnige Raad vastgelegd en, ter informatie, aan de Minister van Justitie bezorgd.
  De raadsleden en hun plaatsvervangers worden verkozen uiterlijk in april en voor de eerste maal binnen de zes maanden volgend op de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de erkenning van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen.

  Onderafdeling V. - Einde van het mandaat.

  Art. 10. Het mandaat van verkozen raadslid duurt drie jaar en is steeds hernieuwbaar.

  Art. 11. Het ontslag van een raadslid of plaatsvervanger wordt schriftelijk gericht aan de voorzitter van de raad van bestuur, die dit meedeelt tijdens de volgende vergadering van voornoemde raad, die er akte van neemt.
  Elk verkozen raadslid of plaatsvervanger die niet meer aan één der verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoet of waarvoor één van de onverenigbaarheden geldt, wordt ambtshalve als ontslagnemend beschouwd nadat de raad van bestuur hem daarvan kennis heeft gegeven.
  Deze beslissing van de raad van bestuur is van rechtswege uitvoerbaar, tenzij de betrokkene binnen de tien dagen na de kennisgeving daartegen beroep instelt.
  Het beroep wordt ingesteld bij de Centrale Vrijzinnige Raad die in laatste instantie uitspraak doet binnen de dertig dagen na de raad van bestuur en na betrokkene te hebben gehoord.

  Art. 12. Elk verkozen raadslid dat overleden is of ontslag heeft genomen, wordt vervangen door de eerste plaatsvervanger in de volgorde van de verkiezing. De plaatsvervanger doet de tijd uit van degene die hij vervangt.

  Onderafdeling VI. - Installatie.

  Art. 13. Op de installatievergadering verkiest de raad van bestuur uit zijn verkozen leden :
  - een voorzitter;
  - een ondervoorzitter;
  - een secretaris.
  Een verkozen raadslid kan zich laten vertegenwoordigen door een ander verkozen raadslid. Deze kan slechts drager zijn van één schriftelijke volmacht.
  Zij worden gekozen bij volstrekte meerderheid van de aanwezige verkozen leden na geheime afzonderlijke stemming. Indien de eerste stembeurt geen volstrekte meerderheid aangeeft, wordt een herstemming gehouden tussen de twee kandidaten die het meest aantal stemmen hebben behaald. Bij herstemming is de kandidaat met het hoogste aantal stemmen verkozen. Bij staking van stemmen gaat de voorkeur naar de jongste kandidaat in jaren.
  In geval van overlijden of ontslag van de voorzitter, de ondervoorzitter of de secretaris wordt op de volgende vergadering van de raad van bestuur en op dezelfde wijze zoals bepaald in het onderhavige artikel in hun vervanging voorzien.
  Wanneer de voorzitter afwezig of verhinderd is, wordt hij vervangen door de ondervoorzitter of, bij diens afwezigheid, door het jongste aanwezige lid.
  Wanneer de secretaris afwezig of verhinderd is, wordt zijn taak waargenomen door een verkozen raadslid dat door de voorzitter wordt aangewezen.

  Onderafdeling VII. - Vergaderingen.

  Art. 14. De raad van bestuur komt bijeen telkens dit in het belang van de instelling vereist is, en ten minste tienmaal per jaar.
  De bijeenroeping geschiedt ten minste zeven kalenderdagen voor de vergadering schriftelijk op de woonplaats, tenzij in dringende gevallen.
  De bijeenroeping bevat de agenda, samengesteld door de voorzitter.
  Een punt dat niet op de agenda staat, mag niet aan de raad van bestuur ter bespreking worden voorgelegd, tenzij twee derde van de aanwezige verkozen leden er in dringende gevallen om verzoekt.
  Elk agendapunt moet vergezeld zijn van een verklarende nota en van alle nuttige stukken die de raad van bestuur kunnen voorlichten.

  Art. 15. Ten laatste zeven kalenderdagen vóór de zitting tijdens welke de raad van bestuur moet beslissen over de begroting, over een begrotingswijziging of over de rekeningen, overhandigt de voorzitter aan elk raadslid een exemplaar van het ontwerp van begroting, van het ontwerp van begrotingswijziging of van de rekeningen.
  Het ontwerp wordt meegedeeld zoals het ter beslissing bij de raad van bestuur wordt ingediend, in de voorgeschreven vorm en vergezeld van de bijlagen vereist om het ontwerp definitief goed te keuren, met uitzondering van de stavingsstukken voor wat de rekeningen betreft. Het ontwerp van begroting en de rekeningen wordt vergezeld van een verslag.
  Het verslag omvat een synthese van het ontwerp van begroting of van de rekeningen. Bovendien omschrijft het verslag dat op de begroting betrekking heeft, het financieel beleid van de instelling.
  Vooraleer de raad van bestuur beslist, licht de voorzitter de inhoud van het verslag toe.

  Art. 16. De raad van bestuur wordt bijeengeroepen door de voorzitter.
  De voorzitter moet de raad van bestuur bijeenroepen telkens wanneer ten minste drie verkozen leden van de raad hierom verzoeken. De bijeenroeping dient te geschieden op de datum en met de agenda die deze leden hebben bepaald.

  Art. 17. De raad van bestuur kan slechts geldig beslissen indien ten minste vier van zijn verkozen leden aanwezig zijn.
  Is dit quorum niet bereikt, dan kan de raad van bestuur, ongeacht het aantal aanwezige verkozen raadsleden, geldig beslissen na een nieuwe bijeenroeping, over de punten die voor de tweede maal op de agenda voorkomen en dit ongeacht het aantal aanwezige verkozen raadsleden. De tweede bijeenroeping zal overeenkomstig de regels voorgeschreven door artikel 14 plaatsvinden en zal gewag maken van artikel 17.

  Art. 18. De voorzitter leidt de vergadering.
  Te dien einde opent, schorst en sluit hij de vergadering.
  Hij legt de voorstellen ter stemming voor.

  Art. 19. De besluiten worden genomen bij volstrekte meerderheid van de aanwezige of vertegenwoordigde verkozen raadsleden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.

  Art. 20. De secretaris is belast met het opstellen van de notulen van de vergaderingen en de bewaring van het archief op de zetel van de instelling.
  Bij de opening van elke vergadering worden de notulen van de voorgaande vergadering ter goedkeuring voorgelegd.
  De notulen worden na goedkeuring ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

  Art. 21. Gelijktijdig met de verzending naar de leden van de raad van bestuur van de uitnodigingen, agenda's alsook de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur, betekent de secretaris deze aan de Centrale Vrijzinnige Raad en enkel de notulen aan de minister van Justitie.

  Art. 22. Wanneer de Centrale Vrijzinnige Raad meent dat een beslissing van de raad van bestuur van een instelling de wet schendt of het algemeen belang schaadt, verstuurt de Centrale Vrijzinnige Raad de beslissing van de betrokken raad van bestuur zonder verwijl aan de Minister van Justitie, vergezeld van een gemotiveerd advies.

  Art. 23. Het is de leden van de raad van bestuur verboden :
  1° beraadslagingen bij te wonen over punten waarbij zij, hun echtgenoot, samenwonende partner of hun bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, enig persoonlijk, moreel of financieel belang hebben;
  2° rechtstreeks of via een tussenpersoon deel te nemen aan leveringen of aanbestedingen voor rekening van de instelling;
  3° een aan de instelling toebehorend goed te kopen, tenzij in een openbare verkoop;
  4° als advocaat, notaris of zaakgelastigde voor rekening van de tegenpartij op te treden in geschillen tegen de instelling. Zij mogen evenmin, tenzij kosteloos, in diezelfde hoedanigheid pleiten, raad geven of een proces voeren in het belang van de instelling.

  Art. 24. De leden van de raad van bestuur hebben het recht ter plaatse kennis te nemen van de dossiers die hen worden voorgelegd.

  Onderafdeling VIII. - Bevoegdheden.

  Art. 25. De raad van bestuur is belast met het behartigen van de financiële en materiële belangen van de betrokken erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschap en van de erkende centra voor morele dienstverlening van deze gemeenschap.
  De raad van bestuur is bevoegd om :
  1° aan de afgevaardigden, die niet-confessionele morele diensten verlenen en hun activiteiten binnen de gebiedsomschrijving van de instelling uitoefenen, te leveren wat ze nodig hebben voor de uitoefening van hun opdrachten;
  2° te beslissen over de indienstneming bij arbeidsovereenkomst van het onderhoudspersoneel, de boekhouder, alsook van de andere personeelsleden die verbonden zijn aan de instelling overeenkomstig de noodwendigheden van de morele dienstverlening, alsmede over hun ontslag;
  3° het huishoudelijk reglement van de instelling op te stellen en dit mede te delen aan de Minister van Justitie;
  4° onder zijn verkozen raadsleden de voorzitter, ondervoorzitter en secretaris te verkiezen;
  5° de begroting van de instelling voor te bereiden en tijdens een vergadering in de maand april goed te keuren;
  6° de jaarrekeningen van de instelling tijdens een vergadering van de maand maart vast te stellen;
  7° zich uit te spreken over de belegging en de wederbelegging van de gelden;
  8° te beslissen over het aangaan van leningen;
  9° schenkingen, legaten, stichtingen en handgiften te aanvaarden;
  10° elk besluit te nemen betreffende het patrimonium van de instelling, in het bijzonder aankoop, vervreemding, ruil, dading, verdeling, hypotheekstelling, onderhoud, en elke maatregel tot behoud ervan;
  11° de huur- en pachtvoorwaarden vast te stellen;
  12° binnen het kader van de goedgekeurde begrotingskredieten elke beslissing te nemen voor de aanneming van werken, leveringen en diensten;
  13° de rechtsgedingen van de instelling te voeren;
  14° elk besluit, onder andere de delegatie van bepaalde bevoegdheden, te nemen in het kader van het dagelijks beheer van de financiële en materiële belangen.

  Afdeling II. - Inkomsten.

  Art. 26. De inkomsten van de instelling bestaan uit :
  1° de opbrengst van de aan de instelling toebehorende goederen;
  2° de opbrengst van de giften, legaten, stichtingen en handgiften;
  3° allerlei buitengewone ontvangsten;
  4° de toelagen vanwege de betrokken provincie of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bestemd om de lasten, zoals vermeld in artikel 27, van de instelling te dekken in geval van ontoereikende inkomsten.

  Afdeling III. - Lasten.

  Art. 27. De lasten die de instelling moet dragen, zijn :
  1° de bezoldiging van het onderhoudspersoneel, de boekhouder en de andere personeelsleden verbonden aan de instelling overeenkomstig de noodwendigheden van de morele dienstverlening en de hieraan inherente uitgaven;
  2° de kosten die noodzakelijk zijn voor niet-confessionele morele dienstverlening, te weten de kosten van de gebouwen en de delen van de gebouwen, bestemd voor de openbare uitoefening van de niet-confessionele morele dienstverlening en de kosten inherent aan de organisatie en de werking van de niet-confessionele morele dienstverlening;
  3° de terugbetaling van de leningen, aangegaan door de instelling, ter verwerving of renovatie van onroerende goederen, die noodzakelijk zijn voor de openbare uitoefening van de niet-confessionele morele dienstverlening.

  Afdeling IV. - Begrotingen en rekeningen.

  Art. 28. De boekhouder is belast met het financieel en boekhoudkundig beheer van de instelling.
  De boekhouder woont de vergaderingen van de raad van bestuur bij met adviserende stem.

  Art. 29. Telkens een boekhouder in dienst treedt, wordt hem door zijn voorganger of zijn vertegenwoordiger een volledige staat van de boekhouding met alle stavingsstukken overgemaakt in tegenwoordigheid van de leden van de raad van bestuur, die hiervoor samenkomen binnen de maand na de vervanging.
  In dezelfde zitting overhandigt men aan de nieuwe boekhouder een exemplaar van de begroting van het lopende dienstjaar.
  De raad van bestuur deelt dit mee aan de betrokken provincieraad of de raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de Minister van Justitie en aan de Centrale Vrijzinnige Raad.

  Art. 30. De begroting en de rekeningen van de instelling worden opgemaakt overeenkomstig de door de Koning, na advies van de Centrale Vrijzinnige Raad, vast te stellen modellen. Het algemeen reglement op de boekhouding van de instellingen belast met het beheer van de materiële en financiële belangen van de erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen en erkende centra voor morele dienstverlening, wordt door de Koning vastgesteld, na advies van de Centrale Vrijzinnige Raad.

  Art. 31. Het financieel boekjaar komt overeen met het burgerlijk jaar.
  Worden enkel beschouwd als deel uitmakend van een boekjaar, de rechten verworven door de instelling en de verbintenissen aangegaan tegenover schuldeisers tijdens dat boekjaar, ongeacht het boekjaar waarin zij betaald zijn.
  De jaarrekeningen omvatten de begroting, de resultatenrekening en de balans.

  Art. 32.Elke instelling zendt zijn begroting, in vier exemplaren en vergezeld van alle stavingsstukken, vóór 15 mei van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, aan de provinciegouverneur [1 ...]1 .
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/65, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 33. Na het advies van de provincieraad of van de raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te hebben ingewonnen, zendt de gouverneur de begroting, vergezeld van alle stavingsstukken, vóór 30 juni van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, naar de Centrale Vrijzinnige Raad.
  De Centrale Vrijzinnige Raad stelt de uitgaven betreffende de organisatie en de werking van de niet-confessionele morele dienstverlening definitief vast, keurt de begroting goed en zendt die vóór 1 september van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar aan de gouverneur terug.
  De gouverneur maakt de begroting over aan de Minister van Justitie voor 15 november van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.

  Art. 34. De begroting wordt onderworpen aan de goedkeuring van de Minister van Justitie, die, behoudens materiële vergissing, de artikelen betreffende de uitgaven houdende de organisatie en de werking van de niet-confessionele morele dienstverlening niet kan wijzigen. De Minister van Justitie beslist vóór 15 december van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
  Drie exemplaren van de begroting en van het ministerieel goedkeuringsbesluit worden onmiddellijk verzonden : het eerste naar de Centrale Vrijzinnige Raad, het tweede naar de gouverneur en het derde naar de instelling.
  Een exemplaar wordt bewaard in het archief van het Ministerie van Justitie.

  Art. 35. De tegemoetkoming van de provincie of van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt in betaling gesteld in de loop van de maand volgend op de goedkeuring van de begroting door de Ministerie van Justitie.
  In geval de begroting niet wordt goedgekeurd of de gestelde termijn, waarbinnen de goedkeuring moet worden gegeven, wordt overschreden, gebeurt de betaling in voorlopige twaalfden met ingang van januari van het begrotingsjaar op basis van de goedgekeurde begroting van het voorafgaande jaar.

  Art. 36. In geval van bezwaar, hetzij vanwege de Centrale Vrijzinnige Raad, hetzij vanwege de gouverneur, hetzij vanwege de betrokken overheden, moet een beroep worden ingesteld bij de Minister van Justitie binnen de dertig dagen na de datum van terugzending van de exemplaren der begroting.
  Er wordt beslist door de Koning binnen de zestig dagen.
  De begroting wordt niettemin geacht te zijn goedgekeurd voor wat de niet-betwiste artikelen betreft.

  Art. 37. De boekhouder van de instelling is ertoe gehouden zijn jaarrekeningen bij de raad van bestuur in te dienen tijdens een verplichte vergadering, die tijdens de maand maart van het jaar volgend op het boekjaar zal plaatshebben.

  Art. 38. De raad van bestuur zendt de goedgekeurde rekeningen, in vijf exemplaren en vergezeld van alle stavingsstukken, vóór 10 april van het jaar volgend op het boekjaar naar de gouverneur.

  Art. 39. Na het advies van de bestendige deputatie van de provincieraad of van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te hebben ingewonnen, zendt de gouverneur onmiddellijk de rekeningen, vergezeld van alle stavingsstukken, naar de Centrale Vrijzinnige Raad.
  De Centrale Vrijzinnige Raad stelt de uitgaven betreffende de organisatie en de werking van de niet-confessionele morele dienstverlening, definitief vast, keurt de rekeningen goed en zendt het geheel vóór 10 juni van het jaar volgend op het boekjaar naar de gouverneur terug.
  De gouverneur maakt de rekeningen voor 30 juni volgend op het boekjaar over aan de Minister van Justitie.

  Art. 40. De rekeningen worden onderworpen aan de goedkeuring van de Minister van Justitie, die, behoudens materiële vergissing, de artikelen betreffende de uitgaven houdende de organisatie en de werking van de niet-confessionele morele dienstverlening niet kan wijzigen. De Minister van Justitie beslist vóór 31 juli van het jaar volgend op het boekjaar.
  Vier exemplaren van de rekeningen en van het ministerieel goedkeuringsbesluit worden onmiddellijk verzonden : het eerste naar de Centrale Vrijzinnige Raad, het tweede naar de gouverneur, het derde naar de instelling en het vierde naar de boekhouder van de instelling.
  Een exemplaar wordt bewaard in het archief van het Ministerie van Justitie.

  Art. 41. In geval van bezwaar, hetzij vanwege de Centrale Vrijzinnige Raad, hetzij vanwege de gouverneur, hetzij vanwege de betrokken overheden, moet een beroep worden ingesteld bij de Minister van Justitie binnen de dertig dagen na de datum van terugzending van de exemplaren der rekeningen.
  Er wordt beslist door de Koning binnen de zestig dagen.
  De rekeningen worden niettemin geacht te zijn goedgekeurd voor wat de niet betwiste artikelen betreft.

  Afdeling V. - Regeling van het toezicht.

  Art. 42.De Minister van Justitie kan, bij een met redenen omkleed besluit, de uitvoering schorsen van een beslissing van de raad van bestuur van een instelling waarin deze de wet schendt of het algemeen belang schaadt.
  Het schorsingsbesluit moet worden genomen binnen de veertig dagen na ontvangst van de notulen waaruit de beslissing van de betrokken raad van bestuur blijkt of van het gemotiveerd advies van de Centrale Vrijzinnige Raad, overeenkomstig artikel 22.
  Het schorsingsbesluit wordt dadelijk betekend aan de betrokken raad van bestuur.
  De betrokken raad van bestuur, wier beslissing regelmatig werd geschorst, kan ze rechtvaardigen of intrekken. Ze betekent haar beslissing tot rechtvaardiging of intrekking zonder verwijl aan de Minister van Justitie, aan de Centrale Vrijzinnige Raad en aan [1 de provinciegouverneur]1 , voorzover de beslissing een budgettaire weerslag heeft.
  Na het verstrijken van de termijn van veertig dagen, bepaald in het tweede lid, is de schorsing opgeheven.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/65, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 43.De Minister van Justitie kan, bij een met redenen omkleed besluit, de beslissing van de raad van bestuur van een instelling, die de wet schendt of het algemeen belang schaadt, vernietigen.
  Het vernietigingsbesluit moet worden genomen binnen de veertig dagen na ontvangst van de notulen waaruit de beslissing van de betrokken raad van bestuur blijkt, of van de beslissing waarin de betrokken raad van bestuur de geschorste beslissing rechtvaardigt, of van het gemotiveerd advies van de Centrale Vrijzinnige Raad, overeenkomstig artikel 22.
  Het vernietigingsbesluit wordt onmiddellijk bij een ter post aangetekend schrijven betekend aan de betrokkenen, de Centrale Vrijzinnige Raad en aan [1 de provinciegouverneur]1 , voorzover de beslissing een budgettaire weerslag heeft.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/65, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 44. Na twee achtereenvolgende schriftelijke waarschuwingen, kan de Minister van Justitie één of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven, op de persoonlijke kosten van de verkozen raadsleden van de instelling die verzuimd hebben aan de waarschuwingen gevolg te geven, teneinde de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten, algemene reglementen en besluiten van de Staat.
  Het besluit tot het sturen van één of meer commissarissen wordt onmiddellijk door de Minister van Justitie aan de Centrale Vrijzinnige Raad medegedeeld.
  De invordering van de kosten ten laste van de raadsleden van de instelling geschiedt, zoals inzake directe belastingen, door de rijksontvanger, nadat de Minister van Justitie het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.

  Art. 45. Alle bouw-, wederopbouw- of veranderingswerken alsmede de grove herstellingswerken aan de door de instelling beheerde gebouwen, bestemd voor het openbaar uitoefenen van de niet-confessionele morele dienstverlening, met uitzondering van de onderhoudswerken, zijn onderworpen aan het advies van de bestendige deputatie van de provincieraad of van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van de Centrale Vrijzinnige Raad en aan de machtiging van de Koning.

  Afdeling VI. - Het beheer der goederen.

  Art. 46. Voor de burgerlijke handelingen van de instelling en voor de aanneming van giften die hem gedaan worden, is de machtiging van de Koning vereist, na advies van de bestendige deputatie van de provincieraad of voor het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Daartoe worden de besluiten betreffende de burgerlijke handelingen en giften toegezonden aan de bestendige deputatie of aan de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die haar advies uitbrengt binnen een maand na die mededeling. Een afschrift van die besluiten wordt aan de Minister van Justitie gezonden. De adviezen worden geacht gunstig te zijn zo deze niet binnen die termijn zijn uitgebracht.
  Voor de burgerlijke handelingen en de aanneming van giften waarvan het bedrag 9.916 euro niet overschrijdt, is evenwel niet de machtiging van de Koning, noch het advies van de bestendige deputatie of de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vereist.
  De Koning kan het bedrag dat in het voorgaande lid wordt vastgesteld, wijzigen om rekening te houden met wisselingen in de koopkracht van de munt.

  HOOFDSTUK IV. - Organisatie van het federaal secretariaat van de Centrale Vrijzinnige Raad.

  Art. 47. Het federaal secretariaat voor niet-confessionele morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad, in onderhavige wet federaal secretariaat " genoemd, staat de Centrale Vrijzinnige Raad bij in de uitvoering van zijn beleid en coördinatie van het beheer van de materiële en financiële belangen van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen.

  Art. 48. De kosten inherent aan de werking van het federaal secretariaat zijn ten laste van de Staat, binnen de grenzen van de kredieten die hiervoor jaarlijks op de begroting van het Ministerie van Justitie ingeschreven worden. Zij worden betaald aan de Centrale Vrijzinnige Raad.

  Art. 49. Deze werkingskosten van het federaal secretariaat omvatten :
  1° de kosten voor het onderhoud en van de administratieve ondersteuning, nodig voor de coördinatie van de organisatie en werking van de niet-confessionele morele dienstverlening, verbonden aan het federaal secretariaat en de hieraan inherente uitgaven;
  2° de kosten die noodzakelijk zijn voor de niet-confessionele morele dienstverlening, te weten de kosten van de gebouwen en de delen van de gebouwen, gebruikt door het federaal secretariaat en de kosten, inherent aan de coördinatie van de organisatie en de werking van de niet-confessionele morele dienstverlening;
  3° de vergoedingen waarvan de afgevaardigden genieten onder dezelfde voorwaarden als deze voorzien voor het statutair Rijkspersoneel en die in de hierna vermelde koninklijke besluiten en de later volgende wijzigingen ervan zijn opgenomen :
  a) het koninklijk besluit van 3 september 2000 tot regeling van de tegemoetkoming van de Staat en van sommige openbare instellingen in de vervoerskosten van de federale personeelsleden en tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 april 1999 houdende toekenning van een vergoeding voor het gebruik van de fiets aan de personeelsleden van sommige federale overheidsdiensten;
  b) het koninklijk besluit van 20 april 1999 houdende toekenning van een vergoeding voor het gebruik van de fiets aan de personeelsleden van sommige federale overheidsdiensten, laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 september 2000;
  c) het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 20 juli 2000;
  d) koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries; laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 april 1995.

  Art. 50. De Centrale Vrijzinnige Raad maakt jaarlijks de begroting inherent aan de werking van zijn federaal secretariaat met betrekking tot de coördinatie van de organisatie en de werking van de niet-confessionele morele dienstverlening op.
  De Centrale Vrijzinnige Raad zendt deze begroting in viervoud desgevallend vergezeld van alle stavingsstukken naar de Minister van Justitie vóór 30 april van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
  De minister van Justitie keurt de begroting goed vóór 15 juli van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.
  De minister van Justitie mag, behoudens materiële vergissing, de artikelen betreffende de uitgaven met betrekking tot de coördinatie en de werking van de niet confessionele morele dienstverlening, zoals ze door de Centrale Vrijzinnige Raad zijn vastgesteld, niet wijzigen.
  Een duplicaat van de begroting en van het ministerieel goedkeuringsbesluit worden onmiddellijk aan de Centrale Vrijzinnige Raad verzonden. Een duplicaat wordt bewaard in het archief van het Ministerie van Justitie.

  Art. 51. De toelage ten laste van de Staat wordt uitbetaald in twee schijven. De eerste twee schijven van elk 45 %, worden respectievelijk ten laatste op 31 januari en 31 juli van het desbetreffende begrotingsjaar uitbetaald. Het saldo van 10 % wordt betaald uiterlijk op 31 juli van het jaar tijdens hetwelk de minister van Justitie de rekeningen heeft goedgekeurd.

  Art. 52. De rekeningen worden voorgelegd aan de goedkeuring van de minister van Justitie voor 15 april van het jaar volgend op het begrotingsjaar waarop de rekeningen betrekking hebben.
  De Minister van Justitie keurt de rekeningen goed vóór 15 juni van het jaar volgend op het begrotingsjaar waarop de rekeningen betrekking hebben.
  De Minister van Justitie mag, behoudens materiële vergissing, de artikelen betreffende de uitgaven met betrekking tot de coördinatie en de werking van de niet confessionele morele dienstverlening, zoals ze door de Centrale Vrijzinnige Raad zijn vastgesteld, niet wijzigen.
  Een duplicaat van de rekeningen en van het ministerieel goedkeuringsbesluit wordt onmiddellijk aan de Centrale Vrijzinnige Raad verzonden. Een duplicaat wordt bewaard in het archief van het Ministerie van Justitie.

  TITEL III. - Sociale positie van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad.

  Afdeling I. - Sociale positie.

  Art. 53. De afgevaardigden worden aangeworven door de Centrale Vrijzinnige Raad.
  De wedden en de sociale lasten ten laste van de werkgever zijn ten laste van de Schatkist.
  De Centrale Vrijzinnige Raad maakt te dien einde aan de Minister van Justitie alle nodige inlichtingen inzake de personeelstoestand over.

  Art. 54. § 1. De afgevaardigden kunnen genieten van de verloven, onder dezelfde voorwaarden en beperkingen die gelden voor het statutair Rijkspersoneel, voorzien in het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 26 mei 1999 en zoals in de toekomst zal gewijzigd worden, met uitzondering van de verloven en afwezigheden die hierna worden opgesomd :
  1° het verlof voor verandering van standplaats opgelegd in het belang van de dienst;
  2° de verloven om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de (Gemeenschaps- en Gewestparlementen), van de provincieraden, de gemeenteraden of van de Europese vergaderingen; <W 2006-03-27/35, art. 52, 002; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  3° de verloven voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking;
  4° de verloven om mindervaliden en zieken te vergezellen en bij te staan tijdens vakantiereizen en -verblijven;
  5° het bevallingsverlof;
  6° de verloven wegens ziekte;
  7° de disponibiliteit;
  8° het verlof wegens opdracht;
  9° de afwezigheid voor lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden.
  De verloven die bij toepassing van lid 1 worden toegekend voor een huwelijk, worden eveneens toegekend voor een viering naar aanleiding van een samenlevingscontract.
  § 2. De afgevaardigden die van woonplaats veranderen genieten van een dag verlof voorzover de adreswijziging vooraf werd meegedeeld.
  § 3. De afgevaardigden kunnen genieten van de vrijwillige vierdagenweek en de halftijdse vervroegde uittreding onder dezelfde voorwaarden en beperkingen voorzien door de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector en zijn eventuele toekomstige wijzigingen.
  § 4. De bepalingen van het koninklijk besluit van 21 augustus 1970 betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding voor sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel en de eventuele toekomstige wijzigingen eraan, zijn van toepassing op de afgevaardigden.

  Art. 55. De afgevaardigden die een wedde ten laste van de schatkist ontvangen, en wiens dienstbetrekking een einde neemt, genieten een rustpensioen onder dezelfde voorwaarden en overeenkomstig dezelfde modaliteiten als de ambtenaren van de federale ministeries.
  Op de afgevaardigden zijn de artikelen 1 tot 14 en 36 tot en met 80 van de wet van 18 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van toepassing evenals de overige reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op personen wier diensten een recht geven op de toepassing van een stelsel van rustpensioen waarvan de last wordt gedragen door de Staat, voorzover ze verenigbaar zijn met het specifieke statuut dat de afgevaardigden genieten.
  De dienstjaren die een afgevaardigde van de Centrale Vrijzinnige Raad heeft gepresteerd bij de " Unie Vrijzinnige Verenigingen " en het " Centre d'Action laïque " voor de inwerkingtreding van onderhavige wet, worden mee in aanmerking genomen voor de berekening van de pensioenanciënniteit ten laste van de Staat, voorzover dat de afgevaardigde door de Centrale Vrijzinnige Raad wordt overgenomen.

  Art. 56. De maximumwedde waarop de afgevaardigde in het kader van de toepassing van deze wet recht heeft, is beperkt tot 100 % van de in artikelen 63 en 70 vastgestelde weddeschalen.

  Art. 57. De afgevaardigden zijn gebonden door het beroepsgeheim met betrekking tot feiten die zij zouden kennen uit hoofde van hun ambt, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

  Afdeling II. - Het kader.

  Art. 58. De Koning bepaalt, op voorstel van de Centrale Vrijzinnige Raad, bij in Ministerraad overlegd besluit, het kader van de afgevaardigden van de erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen, van de centra voor morele dienstverlening en van het federaal secretariaat.

  TITEL IV. - Diverse bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Verplichtingen van de provincies.

  Art. 59. Artikel 69 van de provinciewet wordt aangevuld met volgend lid :
  " 22° de uitgaven met betrekking tot de instellingen voor niet-confessionele morele dienstverlening zoals vermeld in artikel 27 van de wet van 21 juni 2002. "

  HOOFDSTUK II. - Overheidsopdrachten.

  Art. 60. Artikel 4, § 2, 4° van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 4° de besturen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten en de instellingen die belast zijn met het beheer van de materiële en financiële belangen van de erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen. "

  TITEL V. - Slotbepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen.

  Afdeling I. - Wedden.

  Art. 61. Het opschrift van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten wordt vervangen als volgt :
  " Wet betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten, van de bedienaars van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad. "

  Art. 62. Het opschrift van het hoofdstuk IV van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten wordt vervangen als volgt :
  " De wedden van de bedienaars van de katholieke, protestantse, orthodoxe, Anglikaanse, Israëlitische erediensten, de imams van de islamitische eredienst en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad. "

  Art. 63. In de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten, wordt in de plaats van artikel 29ter , dat artikel 29quater wordt, een nieuw artikel 29ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 29ter. - De jaarwedden van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad en de tussentijdse verhogingen worden vastgesteld als volgt (in euro) :
  a) secretaris-generaal :
  38 735,08 - 53 304,25
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 1 324,47
  b) adjunct-secretarisgeneraal :
  35 408,45 - 49 997,62
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 1 324,47
  c) moreel consulent-hoofd van dienst :
  27 647,32 - 42 216,49
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 1 324,47
  d) moreel consulent-eerste klasse :
  25 254,60 - 37 550,15
  3 jaarlijkse verhogingen - 618,08
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 949,21
  e) moreel consulent :
  20 500,33 - 31 846,67
  3 jaarlijkse verhogingen - 618,08
  10 tweejaarlijkse verhogingen - 949,21
  f) eerste assistent moreel consulent :
  17 812,32 - 26 897,38
  3 jaarlijkse verhogingen - 264,66
  2 tweejaarlijkse verhogingen - 352,81
  2 tweejaarlijkse verhogingen - 705,58
  10 tweejaarlijkse verhogingen - 617,43
  g) adjunct-moreel consulent-eerste klasse :
  17 677,51 - 24 962,47
  3 jaarlijkse verhogingen - 309,00
  12 tweejaarlijkse verhogingen - 529,83
  h) adjunct-moreel consulent :
  15 537,47 - 22 822,43
  3 jaarlijkse verhogingen - 309,00
  12 tweejaarlijkse verhogingen - 529,83
  i) assistent-moreel consulent-eerste klasse :
  15 537,47 - 23 352,26
  3 jaarlijkse verhogingen - 309,00
  13 tweejaarlijkse verhogingen - 529,83
  j) assistent-moreel consulent :
  13 409,11 - 21 788,59
  3 jaarlijkse verhogingen - 264,66
  1 verhoging-na twee jaar - 264,66
  1 verhoging-na twee jaar - 352,81
  2 tweejaarlijkse verhogingen - 705,58
  9 tweejaarlijkse verhogingen - 617,43. "

  Art. 64. Artikel 30 van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten, ingevoegd bij de wet van 23 januari 1981, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 30. - Een haard- of een standplaatstoelage, kinderbijslag en kraamgeld, een eindejaarstoelage en vakantiegeld worden toegekend aan de bedienaars van de erkende erediensten, de Imams en de Afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad onder de voor het personeel der Rijksbesturen vastgestelde voorwaarden. "
  In artikel 31 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 januari 1981, worden de woorden " de bedienaars van de erediensten en de Imams " vervangen door de woorden " de bedienaars van de erkende erediensten, de Imams en de Afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad ".
  In artikel 31bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 januari 1981, worden de woorden " de bedienaars van de erediensten en de Imams " vervangen door de woorden " de bedienaars van de erkende erediensten, de Imams en de Afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad ".

  Afdeling II. - Verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit (sector gezondheidszorgen).

  Art. 65. In artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij koninklijk besluit van 15 februari 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° worden de woorden " , de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad " ingevoegd tussen de woorden " de bedienaars van de erediensten " en de woorden " en de gevangenisaalmoezeniers ";
  2° worden de woorden " hun geestelijke overheid " vervangen door de woorden " hun respectieve representatieve organen ".

  Afdeling III. - Arbeidsongevallen en beroepsziekten.

  Art. 66. Artikel 1bis , 1° ingevoegd in de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector bij de wet van 26 juni 1992, en gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 1° op de bedienaars van de katholieke, protestantse, orthodoxe, anglikaanse, Israëlitische erediensten, de imams van de islamitische eredienst en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad. "

  Afdeling IV. - Verzekering tegen werkloosheid, ziekteverzekering (sector uitkeringen) en moederschapsverzekering.

  Art. 67. Artikel 7, § 2, 4° ingevoegd in de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen door de wet van 26 juni 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 4° de bedienaars van de katholieke, protestantse, orthodoxe, anglikaanse, Israëlitische erediensten, de imams van de islamitische eredienst en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad; ".

  HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen.

  Art. 68. De wet van 23 januari 1981 betreffende de subsidiëring van de niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen in België wordt opgeheven.
  De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de datum waarop deze bepaling van toepassing wordt.

  Art. 69. Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 4, erkent de Koning de centra voor morele dienstverlening en hun gebiedsomschrijving, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet opgericht zijn in voor publiek toegankelijke plaatsen en daar niet-confessionele morele dienstverlening organiseren.
  De gebiedsomschrijving dient te worden vastgesteld binnen de grenzen van een provincie of van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

  Art. 70. De personeelsleden die in dienst zijn van de rechtsvoorganger van de Centrale Vrijzinnige Raad voor de inwerkingtreding van onderhavige wet, behouden de verworven rechten inzake hun bezoldiging en pecuniaire anciënniteit.
  Met het oog daarop wordt door de Koning een kader ad hoc opgericht waarvan de omvang jaarlijks wordt vastgesteld en waarin voornoemde personeelsleden worden opgenomen totdat zij hetzij door een bevordering naar een weddeschaal die in artikel 63 van deze wet is opgenomen, hetzij doordat het dienstverband omwille van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, dan wel door eender welk andere reden een einde neemt.
  Voor de personeelsleden die in het kader ad hoc zijn opgenomen zijn de volgende weddeschalen van toepassing (in euro) :
  1° secretaris-generaal :
  44 932,69 - 61 833,09
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 1 536,40
  2° adjunct-secretarisgeneraal :
  41 073,80 - 57 974,20
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 1 536,40
  3° moreel consulent-hoofd van dienst :
  32 070,88 - 48 971,28
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 1 536,40
  4° moreel consulent-eerste klasse :
  29 295,34 - 43 558,32
  3 jaarlijkse verhogingen - 716,96
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 1 101,10
  5° moreel consulent :
  23 780,38 - 36 942,26
  3 jaarlijkse verhogingen - 716,96
  10 tweejaarlijkse verhogingen - 1 101,10
  6° attaché moreel consulent (barema 1) :
  23 899,05 - 42 803,44
  3 jaarlijkse verhogingen - 801,72
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 1 499,93
  7° attaché moreel consulent (barema 2) :
  23 898,77 - 42 803,49
  3 jaarlijkse verhogingen - 801,72
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 1 499,96
  8° adjunct moreel consulent - eerste klasse :
  20 505,91 - 28 956,61
  3 jaarlijkse verhogingen - 358,46
  12 jaarlijkse verhogingen - 614,61
  9° adjunct moreel consulent (barema zonder haard- of standplaatstoelage) :
  18 023,48 - 26 474,09
  3 jaarlijkse verhogingen - 358,43
  12 tweejaarlijkse verhogingen - 614,61
  10° e.a. assistent moreel consulent (barema zonder haard- of standplaatstoelage) :
  20 662,30 - 31 200,94
  3 jaarlijkse verhogingen - 307,00
  2 tweejaarlijkse verhogingen - 409,25
  2 tweejaarlijkse verhogingen - 818,47
  10 tweejaarlijkse verhogingen - 716,22
  11° assistent moreel consulent-eerste klasse (barema zonder haard- of standplaatstoelage) :
  18 023,48 - 27 088,70
  3 jaarlijkse verhogingen - 358,43
  13 tweejaarlijkse verhogingen - 614,61
  12° assistent moreel consulent-tweede klasse (barema zonder haard- of standplaatstoelage) :
  16 393,62 - 26 011,54
  3 jaarlijkse verhogingen - 307,00
  2 tweejaarlijkse verhogingen - 409,25
  11 tweejaarlijkse verhogingen - 716,22
  13° assistent moreel consulent (barema zonder haard- of standplaatstoelage) :
  15 554,58 - 25 274,75
  3 jaarlijkse verhogingen - 307,00
  1 verhoging-na twee jaar - 307,00
  1 verhoging-na twee jaar - 409,25
  2 tweejaarlijkse verhogingen - 818,47
  9 tweejaarlijkse verhogingen - 716,22
  De in dit artikel opgenomen weddeschalen zijn vastgesteld op basis van de door de rechtsvoorganger van de Centrale Vrijzinnige Raad op 1 januari 2001 betaalde maandelijkse bruto wedden, vermeerderd met de eindejaarpremie en het dubbel vakantiegeld.
  Deze weddeschalen zijn gekoppeld aan hetzelfde spilindexcijfer als dit van de in het artikel 63 van deze wet opgenomen weddeschalen.
  De referentiewedde voorzien in artikel 8 van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen en die als basis dient voor de berekening van het aan het in het eerste lid bedoelde personeelslid toegekend pensioen, dient steeds te worden vastgesteld binnen de weddeschalen voorzien in artikel 29ter van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten, zoals gewijzigd bij artikel 63 van onderhavige wet, zelfs indien het betreffende personeelslid gedurende de laatste vijf jaar van zijn loopbaan of een gedeelte van die periode, een weddeschaal heeft genoten zoals voorzien in de derde alinea.

  Art. 71. Bij verkoop of wijziging van het doel van het geheel of van het gedeelte van de onroerende goederen die werden aangekocht, gebouwd, gemoderniseerd, uitgebreid of aangepast met subsidies ten laste van de begroting van het Ministerie van Justitie, moet het verstrekte subsidiebedrag worden terugbetaald, verminderd met 3,3 % per jaar voor de periode waarbinnen het aangekochte, gebouwde, gemoderniseerde, uitgebreide of geschikt gemaakte onroerend goed werd aangewend voor de uitoefening van de niet-confessionele morele dienstverlening.
  De bepalingen van de artikelen 55 tot 58 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit zijn van toepassing.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 21 juni 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 06-01-2014 GEPUBL. OP 31-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 32; 42; 43)
  • originele versie
  • WET VAN 27-03-2006 GEPUBL. OP 11-04-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 54)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Parlementaire verwijzingen. Kamer van volksvertegenwoordigers. Zitting 2001-2002. Documenten 50/1556. Nr. 1. Wetsontwerp. Nr. 2. Amendementen. Nr. 3. Verslag. Nr. 4. Amendementen voorgesteld na indiening van het verslag. Nr. 5. Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Integraal verslag, 25 april 2002. Senaat. Zitting 2001-2002. Documenten 2 - 1116. Nr. 1. Ontwerp geëvoceerd door de Senaat. Nr. 2. Amendementen. Nr. 3. Verslag. Nr. 4. Amendementen voorgesteld na goedkeuring van het verslag. Nr. 5. Beslissing om niet te amenderen. Bespreking. Handelingen van de Senaat, 13 juni 2002.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie