J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2001/05/02/2001016223/justel

Titel
2 MEI 2001. - Koninklijk besluit houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen.
(NOTA : Opgeheven voor het Waals Gewest bij BWG 2005-01-27/41, art. 35; Inwerkingtreding : 07-03-2005)
(NOTA : Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap bij BVR 2005-03-25/39, art. 35 ; Inwerkingtreding : 12-06-2005)
(NOTA : Opgeheven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij BESL 2005-05-03/34, art. 35; Inwerkingtreding : 02-06-2005)
(NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 19-09-2001 en tekstbijwerking tot 02-06-2005).

Bron : MIDDENSTAND.LANDBOUW
Publicatie : 19-09-2001 nummer :   2001016223 bladzijde : 31328       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2001-05-02/43
Inwerkingtreding : 19-09-2001

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1979090302        1977072302       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - De handel.
Afdeling I. - Bepalingen ten aanzien van de hoedanigheid.
Art. 3-5
Afdeling II. - Bepalingen betreffende de verpakking en de aanduiding.
Art. 6-11, 11bis, 12-13
Afdeling III. - Mengsels van zaden.
Art. 14-15
Afdeling IV. - Overige bepalingen.
Art. 16-18
HOOFDSTUK III. - De keuring.
Art. 19-25
HOOFDSTUK IV. - Controle van de handel en strafbepalingen.
Art. 26-32
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
Art. 33-36
BIJLAGEN.
Art. N1-N5

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. ß 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
  A. groenvoedergewassen : de planten van de volgende soorten :

  a) grassen.                            gramineae.
  -------------------------------------------------------------------------
  Kruipend struisgras en                 Agrostis canina L.
  heidestruisgras
  Hoog struisgras                        Agrostis gigantea Roth.
  Wit struisgras                         Agrostis stolonifer L.
  Gewoon struisgras                      Agrostis capillaris L.
  Beemdvossestaart                       Alopecurus pratensis L.
  Frans raaigras                         Arrhenatherum elatius (L.)
                                         P. Beauv. ex J. et K.B. Presl.
  Paardegras                             Bromus catharticus Vahl.
  Alaskadravik                           Bromus sitchensis Trin.
  Bermudagras                            Cynodon dactylon (L.) Pers.
  Kropaar                                Dactylis glomerata L.
  Rietzwenkgras                          Festuca arundinacea Schreber.
  Schapegras                             Festuca ovina L.
  Beemdlangbloem                         Festuca pratensis Hudson.
  Roodzwenkgras                          Festuca rubra L.
  Westerworlds en Italiaans raaigras     Lolium multiflorum Lam.
  Engels raaigras                        Lolium perenne L.
  Gekruist raaigras                      Lolium x boucheanum Kunth.
  Knolrietgras, Phalaris                 Phalaris aquatica L.
  Kleine timothee                        Phleum bertolonii DC.
  Timothee                               Phleum pratense L.
  Tuintjesgras                           Poa annua L.
  Bosbeemdgras                           Poa nemoralis L.
  Moerasbeemdgras                        Poa palustris L.
  Veldbeemdgras                          Poa pratensis L.
  Ruwbeemdgras                           Poa trivialis L.
  Goudhaver                              Trisetum flavescens (L.) P. Beauv.
  -------------------------------------------------------------------------


  Onder het hier omschreven begrip vallen ook de volgende hybriden die verkregen zijn door kruising van de hierboven vermelde soorten :
  x Festulolium
  (Festuca pratensis Hudson x Lolium multiflorum Lam.) :
  hybride die het gevolg is van de kruising van beemdlangbloem met Italiaans raaigras (inclusief Westerwolds raaigras);

  b) vlinderbloemigen.                   leguminosae.
  -------------------------------------------------------------------------
  Esparcette                             Hedysarium coronarium L.
  Rolklaver                              Lotus corniculatus L.
  Witte lupine                           Lupinus albus L.
  Blauwe lupine                          Lupinus angustifolius L.
  Gele lupine                            Lupinus luteus L.
  Hopperupsklaver                        Medicago lupulina L.
  Luzerne                                Medicago sativa L.
  Luzerne                                Medicago x varia T. Martyn.
  Steenklaver                            Onobrychis viciifolia Scop.
  Voedererwten                           Pisum sativum L. (partim).
  Alexandrijnse klaver                   Trifolium alexandrinum L.
  Bastaardklaver                         Trifolium hybridum L.
  Incarnaatklaver                        Trifolium incarnatum L.
  Rode klaver                            Trifolium pratense L.
  Witte klaver                           Trifolium repens L.
  Perzische klaver                       Trifolium resupinatum L.
  Bokshoorn                              Trigonella foenum-graecum L.
  Veldboon                               Vicia faba L. (partim).
  Pannonische wikke                      Vicia pannonica Crantz.
  Voederwikke                            Vicia sativa L.
  Zachte wikke                           Vicia villosa Roth.
  -------------------------------------------------------------------------
  c) andere soorten.
  -------------------------------------------------------------------------
  Koolrapen                              Brassica napus L. var.
                                         Napobrassica (L.) Rchb.
  Mergkool                               Brassica oleracea L. convar.
                                         acephala (DC.) Alef. var.
                                         medullosa Thell. + var. viridis L.
  Facelie                                Phacelia tanacetifolia Benth.
  Bladrammenas                           Raphanus sativus L. var.
                                         oleiformis Pers.
  -------------------------------------------------------------------------


  B. prebasiszaad : kwekerszaad van generaties die aan het basiszaad voorafgaan, dat door een tot keuring bevoegde dienst officieel is onderzocht en goedgekeurd volgens de voor de keuring van basiszaad geldende voorschriften;
  C. basiszaad :
  1. zaad van gekweekte rassen : zaad,
  a) dat is voortgebracht onder de verantwoordelijkheid van de kweker volgens de regels voor de stelselmatige instandhouding met betrekking tot het ras;
  b) dat is bestemd voor de voortbrenging van zaad van de categorie " gecertificeerd zaad ";
  c) dat, behoudens het bepaalde in artikel 4, voldoet aan de in de bijlagen I en II van dit besluit, voor basiszaad opgesomde voor- waarden, en;
  d) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat bovenbedoelde voorwaarden zijn vervuld;
  2. zaad van landrassen : zaad,
  a) dat is voortgebracht onder officieel toezicht uit officieel als landras goedgekeurd materiaal op een of meer bedrijven binnen een nauwkeurig afgebakend gebied van oorsprong;
  b) dat is bestemd voor de voortbrenging van zaad van de categorie " gecertificeerd zaad ";
  c) dat, behoudens het bepaalde in artikel 4, voldoet aan de in de bijlagen I en II van dit besluit, voor basiszaad opgesomde voorwaarden, en;
  d) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat bovenbedoelde voorwaarden zijn vervuld;
  D. gecertificeerd zaad : zaad van alle onder A opgenomen soorten, met uitzondering van Lupinus spp., Pisum sativum, Vicia spp., alsmede Medicago sativa :
  a) dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad of, op verzoek van de kweker, van zaad van een aan het basiszaad voorafgaande generatie waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het voldoet aan de in bijlage I en II, voor basiszaad, vastgestelde voorwaarden;
  b) dat bestemd is voor andere doeleinden dan de produktie van zaad;
  c) dat, behoudens het bepaalde in artikel 4, ß 2, voldoet aan de in bijlagen I en II, voor gecertificeerd zaad, vastgestelde voorwaarden, en;
  d) i) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, of;
  ii) waarvan bij een officieel onderzoek of bij een onderzoek onder officieel toezicht is gebleken dat het aan de in bijlage I, deel A, vastgestelde voorwaarden voldoet;
  E. gecertificeerd zaad, eerste generatie (Lupinus spp., Pisum sativum, Vicia spp., alsmede Medicago sativa), zaad :
  a) dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad of, op verzoek van de kweker, van zaad van een aan het basiszaad voorafgaande generatie dat kan voldoen aan de in bijlage I en II, voor basiszaad, vastgestelde voorwaarden en waarvoor bij een officieel onderzoek is gebleken dat zulks het geval is;
  b) dat bestemd is voor het voortbrengen van zaad van de categorie " gecertificeerd zaad, tweede generatie " dan wel voor andere doeleinden dan het voortbrengen van zaad van groenvoedergewassen;
  c) dat, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 4, ß 2, voldoet aan de in bijlagen I en II, voor gecertificeerd zaad, vastgestelde voorwaarden, en;
  d) i) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, of;
  ii) waarvan bij een officieel onderzoek of bij een onderzoek onder officieel toezicht is gebleken dat het aan de in bijlage I, deel A, vastgestelde voorwaarden voldoet;
  F. gecertificeerd zaad, tweede generatie (Lupinus spp., Pisum sativum, Vicia spp., Medicago sativa), zaad :
  a) dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad, van gecertificeerd zaad van de eerste generatie of, op verzoek van de kweker, van zaad van een aan het basiszaad voorafgaande generatie dat kan voldoen aan de in bijlage I en II, voor basiszaad, vastgestelde voorwaarden en waarvoor bij een officieel onderzoek is gebleken dat zulks het geval is;
  b) dat bestemd is voor andere doeleinden dan het voortbrengen van zaad van groenvoedergewassen;
  c) dat, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 4, ß 2, voldoet aan de in bijlagen I en II, voor gecertificeerd zaad, vastgestelde voorwaarden, en;
  d) i) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, of;
  ii) waarvan bij een officieel onderzoek of bij een onderzoek onder officieel toezicht is gebleken dat het aan de in bijlage I, deel A, vastgestelde voorwaarden voldoet;
  G. handelszaad : zaad,
  a) dat soortecht is;
  b) dat, behoudens het bepaalde in artikel 4, ß 2, voldoet aan de in bijlage II van dit besluit, voor handelszaad, opgesomde voorwaarden, en;
  c) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat bovenbedoelde voorwaarden zijn vervuld;
  H. gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen : de lijst van alle rassen waarvan het zaaizaad of pootgoed, op grond van artikelen 15 en 16 van de Richtlijn nr. 70/457/EEG van 29 september 1970, niet aan handelsbeperkingen ten aanzien van het ras is onderworpen;
  I. kleine verpakking EG A : verpakking met een mengsel van zaden dat niet bestemd is voor de voortbrenging van groenvoedergewassen, met een nettogewicht van ten hoogste 2 kg, korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat, indien deze aanwezig zijn, daarin niet begrepen;
  J. kleine verpakking EG B : verpakking met basiszaad, gecertificeerd zaad, handelszaad of - voor zover het geen kleine verpakkingen EG A betreft - een mengsel van zaden, met een nettogewicht van ten hoogste 10 kg, korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat, indien deze aanwezig zijn, daarin niet begrepen;
  K. " officiŽle maatregelen " : maatregelen die uitgaan van of verricht worden :
  a) door autoriteiten van een staat;
  b) door publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen handelend onder de verantwoordelijkheid van een staat,
  c) voor hulpwerkzaamheden, door beŽdigde natuurlijke personen handelend onder het toezicht van een staat,
  mits de personen, genoemd onder b) en c), geen bijzonder voordeel ontlenen aan de resultaten van deze maatregelen;
  L. " de Minister " : de Minister tot wiens bevoegdheid de landbouw behoort;
  M. " DG4 " : het Bestuur voor de Kwaliteit van de grondstoffen en de Plantaardige Sector van het Ministerie van Middenstand en Landbouw en de Dienst Teeltmateriaal, de dienst bevoegd voor certificering en verantwoordelijk voor het nemen van officiŽle maatregelen in het bijzonder;
  N. " in de handel brengen " :
  de verkoop, het bezit met het oog op de verkoop, het aanbieden voor verkoop en iedere beschikbaarstelling, levering of overdracht van zaaizaad aan derden, tegen of zonder vergoeding, met het oog op commercieel gebruik.
  Onder " in de handel brengen ", wordt niet verstaan de handel in zaaizaad die niet is gericht op commercieel gebruik van het ras, zoals de volgende handelingen :
  - beschikbaarstellen van zaaizaad aan officiŽle onderzoeks- en controle-instanties;
  - levering van zaaizaad aan verleners van diensten voor verwerking of verpakking, voor zover de verlener van diensten geen rechten op het geleverde zaaizaad verwerft.
  Onder " in de handel brengen ", wordt niet verstaan het leveren van zaaizaad onder bepaalde voorwaarden aan verleners van diensten voor de produktie van bepaalde landbouwgrondstoffen voor industriŽle doeleinden of voor vermeerdering van zaaizaad voor dat doel, voorzover de verlener van diensten geen rechten op het geleverde zaaizaad verwerft. De leverancier van het zaaizaad verstrekt de certificeringsdienst een afschrift van de betrokken delen van het contract met de dienstverlener en daarin wordt vermeld aan welke normen en voorwaarden het verstrekte zaaizaad op dat moment voldoet.
  De voorwaarden voor de uitvoering van deze bepalingen worden vastgesteld door de Minister, overeenkomstig de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie.
  ß 2. Het in ß 1, punt D, onder d), ii), punt E, onder d), ii), punt F, onder d), ii) bedoelde onderzoek onder officieel toezicht moet aan volgende eisen voldoen :
  i) de keurmeesters :
  a) moeten over de nodige technische vakbekwaamheid beschikken;
  b) mogen geen persoonlijk voordeel halen uit de door hen uitgevoerde keuringen;
  c) moeten officieel zijn erkend door de voor certificering bevoegde autoriteit, waarbij deze erkenning ofwel de beŽdiging van de keurmeesters moet omvatten, dan wel een door de keurmeesters ondertekende verklaring dat zij zich ertoe verbinden de regels inzake officiŽle onderzoeken in acht te nemen;
  d) moeten de keuringen onder officieel toezicht uitvoeren, overeenkomstig de regels die voor officiŽle keuringen gelden;
  ii) het te keuren zaadgewas moet worden geproduceerd uit zaad waarop een officiŽle nacontrole is uitgevoerd waarvan de resultaten bevredigend waren;
  iii) een gedeelte van de teelten wordt door officiŽle keurmeesters gecontroleerd. Voor zelfbestuivende gewassen, is dat gedeelte 10 % en voor kruisbestuivende gewassen 20 %. Voor rassen waarvoor officiŽle laboratoriumtesten moeten worden uitgevoerd om via morfologische, fysiologische of, in voorkomend geval, biochemische identificatie de rasechtheid en -zuiverheid van het zaad na te gaan, gelden controlepercentages van respectievelijk 5 % en 15 %;
  iv) een gedeelte van de monsters van het van de zaadgewassen geoogste zaad wordt gebruikt voor officiŽle nacontrole en, zo nodig, voor officiŽle laboratoriumtesten om de rasechtheid en -zuiverheid van het zaad te controleren;
  v) bij overtredingen van de regels inzake onder officieel toezicht verrichte onderzoeken in BelgiŽ, kan de Minister het intrekken opleggen van de in ß 2, punt i), onder c) bedoelde erkenning van de officieel erkend zijnde keurmeesters die schuldig worden bevonden aan bewust of door nalatigheid overtreden van de regels betreffende de officiŽle onderzoeken. Bij dergelijke overtredingen, wordt de certificering van het betrokken onderzochte zaad nietig verklaard, tenzij kan worden aangetoond dat zaad nog steeds aan alle eisen terzake voldoet.

  Art. 2. Dit besluit is niet van toepassing :
  1. op zaaizaad bestemd voor uitvoer naar landen die geen lid zijn van de Europese Unie, voor zover de bestemming kan worden bewezen door de voortbrenger, de bereider of de houder en, indien deze zaden zich in een magazijn, bereidingsplaats of entrepot van een bereider, een invoerder of verkoper bevinden, bij deze zaden een duidelijk zichtbaar bordje is geplaatst met de vermelding : " Uitvoer buiten de Europese Unie ";
  2. op zaden in doorvoer, mits zij vergezeld zijn van afdoende bewijsstukken betreffende hun bestemming.

  HOOFDSTUK II. - De handel.

  Afdeling I. - Bepalingen ten aanzien van de hoedanigheid.

  Art. 3. ß 1. Zaaizaad van de soorten bedoeld in artikel 1, A, met uitzondering van

  Bermudagras                            Cynodon dactylon (L.) Pers.
  Esparcette                             Hedysarium coronarium L.
  Steenklaver                            Onobrychis viciifolia Scop.
  Knolrietgras                           Phalaris aquatica L.
  Tuintjesgras                           Poa annua L.
  Bokshoorn                              Trigonella foenum-graecum L.
  Pannonische wikke                      Vici pannonica Crantz.


  mag slechts in de handel worden gebracht indien het gaat om officieel goedgekeurd prebasiszaad, basiszaad of gecertificeerd zaad van rassen die voorkomen op de nationale catalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen vastgesteld in uitvoering van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 of op de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen vastgesteld in toepassing van de Richtlijn 70/457/EEG van 29 september 1970 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen.
  ß 2. Zaaizaad van

  Bermudagras                            Cynodon dactylon (L.) Pers.
  Esparcette                             Hedysarium coronarium L.
  Steenklaver                            Onobrychis viciifolia Scop.
  Knolrietgras                           Phalaris aquatica L.
  Tuintjesgras                           Poa annua L.
  Goudhaver                              Trisetum flavescens (L.) P. Beauv.
  Bokshoorn                              Trigonella foenum-graecum L.
  Pannonische wikke                      Vicia pannonica Crantz.


  mag slechts in de handel worden gebracht indien het gaat ofwel om officieel goedgekeurd prebasiszaad, basiszaad of gecertificeerd zaad van rassen die voorkomen op de nationale catalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen vastgesteld in uitvoering van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 of op de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen vastgesteld in toepassing van de Richtlijn 70/457/EEG van 29 september 1970 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen, ofwel om handelszaad.
  ß 3. In afwijking van de bepalingen van ßß 1 en 2, mag ook in de handel worden gebracht niet-bewerkt zaad met het oog op zijn bewerking, voor zover de identiteit ervan officieel gewaarborgd is.

  Art. 4. ß 1. Prebasiszaad en basiszaad dat niet voldoet aan de met betrekking tot de kiemkracht in de bijlage II gestelde voorwaarden mag, in afwijking van het bepaalde in artikel 3, ßß 1 en 2, in de handel worden gebracht op voorwaarde dat de leverancier een minimum kiemkracht waarborgt. Die kiemkracht wordt door de leverancier op een speciaal etiket samen met zijn naam en adres en het nummer van de partij vermeld.
  Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op gecertificeerd zaad van Trifolium pratense, dat bestemd is voor verdere voortbrenging van gecertificeerd zaad.
  ß 2. In het belang van een snelle voorziening met zaad, mag, in afwijking van het bepaalde in artikel 3, ßß 1 en 2, " basiszaad ", " gecertificeerd zaad " van alle soorten of " handelszaad ", waarbij het officiŽle onderzoek in verband met de in bijlage II opgesomde voorwaarden, met betrekking tot de kiemkracht nog niet voltooid is, in de handel gebracht worden tot en met de eerste commerciŽle afnemer.
  Alle dienstige maatregelen zijn getroffen opdat de leverancier de kiemkracht waarborgt die is vastgesteld bij de voorlopige analyse. De aanduiding van deze kiemkracht moet bij het in de handel brengen voorkomen op een speciaal etiket met de naam en het adres van de leverancier en het nummer van de partij.

  Art. 5. In afwijking van de bepalingen van artikel 3, ß 1 en ß 2, kan de Minister aan producenten toestemming verlenen om in de handel te brengen :
  a) kleine hoeveelheden zaad voor wetenschappelijke of kweekdoeleinden;
  b) passende hoeveelheden zaad voor andere onderzoeks- of beproevingsdoeleinden, voorzover het gaat om zaad van een ras waarvoor een aanvraag tot opneming op de nationale rassencatalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen is ingediend.
  In geval van genetisch gemodificeerd materiaal, mag daarvoor alleen toestemming worden verleend als alle passende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van negatieve effecten voor de volksgezondheid en het milieu. Voor de milieurisicobeoordeling die in dit verband uitgevoerd moet worden, is artikel 4, ß 3, van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 betreffende de nationale rassencatalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen van overeenkomstige toepassing.
  De doeleinden, waarvoor de bedoelde toestemming wordt verleend, de voorschriften voor de etikettering van de verpakkingen alsmede de hoeveelheden waarvoor en de voorwaarden waaronder deze toestemming wordt verleend, worden vastgesteld door de Minister, overeenkomstig de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie.

  Afdeling II. - Bepalingen betreffende de verpakking en de aanduiding.

  Art. 6. Prebasiszaad, basiszaad, gecertificeerd zaad en handelszaad mogen slechts in de handel gebracht worden in voldoende homogene partijen en in een gesloten verpakking, die overeenkomstig de artikelen 7, 8, 9 en 10, is voorzien van een sluitingssysteem en een aanduiding.
  De Minister mag van het bepaalde in de eerste alinea afwijkingen vaststellen voor het in de handel brengen van kleine hoeveelheden ten behoeve van de laatste gebruiker voor wat betreft verpakking, sluitingssysteem en aanduiding.

  Art. 7. ß 1. Verpakkingen van prebasiszaad, basiszaad, gecertificeerd zaad en handelszaad, behalve kleine verpakkingen EG B van gecertificeerd zaad en handelszaad zijn officieel of onder officieel toezicht zodanig gesloten dat zij niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of het in de artikelen 8 en 10 bedoelde officiŽle etiket of de verpakking sporen van manipulatie vertoont.
  Voor een goede sluiting, moet ten minste het in de eerste alinea bedoelde etiket in het sluitingssysteem worden verwerkt, ofwel moet op de sluiting een officieel zegel zijn aangebracht. Deze maatregelen zijn evenwel niet noodzakelijk voor een sluitingssysteem dat niet opnieuw kan worden gebruikt. De volgende sluitingssystemen voor verpakking worden geacht aan deze voorwaarde te voldoen :
  a) de sluiting van papieren of plastic zakken die geen andere opening hebben dan de vulopening, welke voorzien is van een zelfklevende of zelflassende sluiting die na het vullen zodanig wordt gesloten dat zij niet kan worden geopend zonder te worden beschadigd;
  b) de sluiting van zakken van een niet-geweven stof die met een naad wordt gesloten, op voorwaarde dat op ten minste ťťn kant van de opening een onuitwisbare opdruk voorkomt met een schaal van nummers beginnende met het nummer 1 aan de bovenkant of een soortgelijke opdruk (letters, tekening) die dient om aan te tonen dat de zakken nog hun oorspronkelijke afmetingen hebben;
  c) de sluitingen van papieren of plastic zakken die geen andere opening dan de vulopening hebben, op voorwaarde dat de zak wordt gesloten door de druk van het gewicht van de inhoud, dat de lengte van de sluiting ten minste 22 % van de breedte van de zak bedraagt en zaden bevat van de volgende soorten :

  Witte lupine                           Lupinus albus L.
  Blauwe lupine                          Lupinus angustifolius L.
  Gele lupine                            Lupinus luteus L.
  Voedererwt                             Pisum sativum L.
  Veldboon                               Vicia faba L.
  Pannonische wikke                      Vicia pannonica Crantz.
  Voederwikke                            Vicia sativa L.
  Zachte wikke                           Vicia villosa Roth.


  ß 2. Behalve bij het verdelen in kleine verpakkingen EG B, mag een, eventueel herhaalde, nieuwe sluiting slechts officieel of onder officieel toezicht geschieden. In dat geval, moet eveneens op het in de artikelen 8 en 10 bedoelde etiket melding worden gemaakt van de laatste sluiting, de datum van aanbrenging daarvan en de dienst die haar heeft verricht.

  Art. 8. Verpakkingen van basiszaad, gecertificeerd zaad en handelszaad, behalve kleine verpakkingen EG B van gecertificeerd zaad en handelszaad :
  a) zijn aan de buitenkant voorzien van een nog niet gebruikt officieel etiket dat voldoet aan de vereisten van bijlage IV en waarvan de gegevens gesteld zijn in een van de officiŽle talen van de Europese Unie.
  De kleur van het etiket is wit voor basiszaad, blauw voor gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering vanaf basiszaad, rood voor gecertificeerd zaad van volgende vermeerderingen vanaf basiszaad en bruin voor handelszaad.
  Indien in het etiket een gaatje is gemaakt, wordt bij de bevestiging van dat etiket steeds een officieel zegel gebruikt.
  Indien, in het geval als bedoeld in artikel 4, het basiszaad niet voldoet aan de voorwaarden van bijlage II, met betrekking tot de kiemkracht, is dit op het etiket vermeld.
  Het gebruik van officiŽle kleefetiketten is toegestaan.
  Volgens de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie, mag worden toegestaan dat de voorgeschreven aanduidingen onder officieel toezicht onuitwisbaar op de verpakking worden aangebracht volgens het model van het etiket;
  b) bevatten een officieel certificaat in de kleur van het etiket en met ten minste de gegevens die in bijlage IV, deel A, sub a), punten 3, 5 en 6, voor het etiket en, sub b), punten 2, 4 en 6, voor handelszaad, zijn voorgeschreven. Het certificaat heeft een zodanige vorm dat het niet kan worden verward met het sub a) bedoelde etiket.
  Het certificaat is niet vereist wanneer de gegevens onuitwisbaar op de verpakking zijn aangebracht of wanneer, overeenkomstig het bepaalde sub a), een kleefetiket of een etiket van scheurvrij materiaal is gebruikt.

  Art. 9. 1į Kleine verpakkingen EG B
  a) worden zodanig gesloten dat zij niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of de aanduiding op de verpakking sporen van manipulatie vertoont. Een, eventueel herhaalde, nieuwe sluiting mag slechts officieel of onder officieel toezicht geschieden;
  b) zijn aan de buitenkant, overeenkomstig bijlage IV van dit besluit, deel B, voorzien van een etiket van de leverancier of een gedrukte of gestempelde tekst in een van de officiŽle talen van de Gemeenschap, bij doorzichtige verpakkingen, mag het etiket zich binnenin bevinden, op voorwaarde dat het door de verpakking heen kan worden gelezen, voor de kleur van het etiket, is artikel 8, a) van toepassing;
  c) zijn aan de buitenkant of op het sub a) bedoelde etiket van de leverancier, voorzien van een officieel volgnummer, bij gebruik van een officieel gometiket met dit volgnummer, is voor de kleur artikel 8 van toepassing.
  Voor zover de in bijlage IV van dit besluit, deel B bedoelde gegevens zijn overgenomen op het officieel gometiket, is de in lid 1, sub a) bedoelde aanduiding niet vereist.

  Art. 10. De verpakkingen van prebasiszaad zijn aan de buitenkant voorzien van een officieel etiket waarop ten minste de volgende gegevens zijn vermeld :
  - certificeringsdienst en Lidstaat of desbetreffend kenteken;
  - partijnummer;
  - maand en jaar van de sluiting of maand en jaar van de laatste officiŽle monsterneming, ten behoeve van de certificering;
  - soort ten minste aangegeven met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de namen van de auteurs, in Latijns schrift;
  - ras ten minste vermeld in Latijns schrift;
  - aanduiding " prebasiszaad ";
  - aantal generaties dat aan het zaad van de categorie " gecertificeerd zaad " of van de catťgorie " gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering " voorafgaat.
  Het etiket is wit van kleur en heeft een diagonaal lopende paarse streep. Indien, in het geval als bedoeld in artikel 4, het zaad niet voldoet aan de in bijlage II opgesomde voorwaarden, met betrekking tot de kiemkracht, is dit op het etiket vermeld.

  Art. 11. Zaad van groenvoedergewassen dat, overeenkomstig artikel 3, ßß 1 en 2, in de handel gebracht wordt en dat bestemd is voor goedkeuring, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, ß 3, moet :
  - worden verpakt en voorzien van een officieel etiket dat voldoet aan de voorwaarden van bijlage V, onder A en B, overeenkomstig de bepalingen van artikel 7, ß 1, en;
  - vergezeld gaan van een document dat voldoet aan de voorwaarden van bijlage V, onder C.

  Art. 11bis. <Ingevoegd bij KB 2001-12-19/56, art. 1; Inwerkingtreding : 28-02-2002> Voor wat betreft het sluitingssysteem en de aanduiding van de verpakkingen voor het in de handel brengen van zaad van de categorie " gecertificeerd zaad " in bulk aan de eindverbruiker, is er een vereenvoudiging voorzien, namelijk :
  - de recipiŽnten zijn afgesloten;
  - de gegevens op het officiŽle etiket moeten ook worden aangebracht op een door de leverancier aan de eindverbruiker te overhandigen document;
  - de hoeveelheden in bulk verkocht zaad worden aan het einde van ieder kalenderjaar door de leverancier aan het DG4 medegedeeld.

  Art. 12. Voor zaad van een ras dat genetisch is gemodificeerd, moet op elk officieel dan wel ander etiket of document dat krachtens het bepaalde in dit besluit op de partij zaad is aangebracht of deze partij vergezelt, duidelijk zijn vermeld dat het ras genetisch is gemodificeerd.

  Art. 13. In geval van een chemische behandeling van het prebasiszaad, het basiszaad, het gecertificeerd zaad van alle aard of het handelszaad, moet hiervan op het officiŽle etiket dan wel op een etiket van de leverancier alsmede op of in de verpakking melding zijn gemaakt.
  Bovendien, dient de naam van elke werkzame stof van het of de gebruikte produkten vermeld te worden op een door de leverancier aangebracht aanvullend etiket.
  Het is verboden zaaizaad in de handel te brengen dat scheikundig werd behandeld met een produkt dat hiertoe niet werd erkend, overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik. Voor zaaizaad dat reeds scheikundig behandeld wordt ingevoerd, volstaat evenwel dat de werkzame bestanddelen werden toegelaten, overeenkomstig de voormelde reglementering.
  De Minister kan, onder de voorwaarden die hij vaststelt, afwijkingen voorzien met het oog op wetenschappelijke opzoekingen en proefnemingen.

  Afdeling III. - Mengsels van zaden.

  Art. 14. 1į Zaad in mengsels van verschillende geslachten, soorten of rassen mag in de handel worden gebracht :
  - indien het niet bestemd is om als voedergewas te worden gebruikt, in dat geval, mogen deze mengsels zaad bevatten van groenvoedergewassen en van planten die geen voedergewassen zijn als bedoeld in dit besluit;
  - indien het bestemd is om als voedergewas te worden gebruikt, in dat geval, bevatten deze mengsels zaad van de rassen genoemd in dit besluit en in de koninklijke besluiten houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaigranen, zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen en het koninklijk besluit houdende reglementering van de handel in en de keuring van groentezaad en zaad van cichorei voor de industrie, met uitzondering van de rassen bedoeld in artikel 4, ß 2, onder a, van het koninklijk besluit betreffende de nationale rassencatalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen;
  - indien het bestemd is voor het behoud van het natuurlijk milieu in het kader van de instandhouding van de in artikel 21, onder b) bedoelde genetische hulpbronnen, in welk geval de mengsels zaad mogen bevatten van groenvoedergewassen en van planten die geen voedergewassen zijn in de zin van dit besluit.
  In de in de eerste en tweede alinea bedoelde gevallen, moeten de diverse bestanddelen van de mengsels, indien zij behoren tot een plantensoort genoemd in dit besluit en in de koninklijke besluiten houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaigranen, zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen en groentezaad en zaad van cichorei voor de industrie, voordat ze gemengd worden, in overeenstemming zijn met de daarop van toepassing zijnde voorschriften voor het in de handel brengen ervan.
  Overeenkomstig de beslissingen ven de instellingen van de Europese Unie, kan de Minister de andere voorwaarden vaststellen, met inbegrip van de etikettering, de aan de ondernemingen verleende technische toestemming om mengsels van zaad te maken, de controle op de produktie van mengsels en het nemen van monsters van de gemaakte partijen en mengsels.
  De Minister kan ook, voor het in het derde streepje bedoelde geval, overeenkomstig de beslissingen ven de instellingen van de Europese Unie, de voorwaarden vaststellen waaronder de mengsels in de handel mogen worden gebracht.
  2į De artikelen 5, 6, 8, 9 en 13 zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde mengsels. De officiŽle etiketten zijn evenwel in alle gevallen groen.
  3į Voor de toepassing van het bepaalde in punt 2, worden kleine verpakkingen EG A gelijkgesteld met kleine verpakkingen EG B. Voor eerstgenoemde kleine verpakkingen, is het officiŽle volgnummer, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, b, evenwel niet vereist.

  Art. 15. De toepassing van het bepaalde in bijlage IV, A, I, c, 5, tweede gedeelte en B, c, 11, tweede gedeelte, van dit besluit is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  a) de samenstelling en de benaming van het zaadmengsel dienen te zijn gedeponeerd bij het Ministerie van Middenstand en Landbouw, ook wanneer het mengsel in het buitenland is verpakt, deze dienst levert een omstandig ontvangstbewijs af dat geldt als toelating;
  b) de samenstelling van het mengsel dient te zijn opgenomen op de verpakking of op een afzonderlijk vouwblad dat aan elke verpakking wordt gehecht; nochtans, kan, voor wat bijlage IV, B, c, van dit besluit betreft, worden volstaan met het ter plaatse in voorraad hebben van een document waarop de samenstelling is vermeld en dat op eenvoudig verzoek aan de koper wordt overhandigd.

  Afdeling IV. - Overige bepalingen.

  Art. 16. 1į Zaaizaad van groenvoedergewassen, ander dan prebasiszaad, dat in een land is geoogst dat geen lid is van de Europese Unie, mag enkel in de handel gebracht worden indien de Raad vooraf heeft vastgesteld dat het in dit land geoogst zaad dezelfde waarborgen biedt ten aanzien van de eigenschappen daarvan, alsmede van de toepassing van de maatregelen betreffende het onderzoek, de verzekering van de identiteit, de aanduiding en de controle, in dit opzicht, gelijkwaardig is aan basiszaad, gecertificeerd zaad, gecertificeerd zaad van de eerste of de tweede of handelszaad dat in de Unie is geoogst en beantwoordt aan de bepalingen van de Richtlijn 66/401/EEG van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen.
  Bovendien, moeten, in voorkomend geval, de door de instellingen van de Europese Unie vastgestelde bijzondere voorwaarden zijn vervuld.
  2į De bepalingen van lid 1 zijn eveneens van toepassing :
  - op prebasiszaad, met dien verstande dat dit zaad slechts in de handel mag worden gebracht indien de gelijkwaardigheid voor het basiszaad werd vastgesteld. De Minister kan hiervoor afwijkingen voorzien;
  - op het zaaizaad dat werd geoogst in iedere nieuwe Lidstaat van de Europese Unie gedurende de periode vanaf zijn toetreding tot het tijdstip waarop hij aan de bepalingen van de voormelde Richtlijn 66/401/EEG moet voldoen.

  Art. 17. Ten einde tijdelijke moeilijkheden op te heffen die zich voordoen bij de algemene voorziening met basiszaad of gecertificeerd zaad van allerlei aard of handelszaad en die niet op een andere manier kunnen worden overwonnen, kan de Minister, mits hiertoe gemachtigd te zijn door de Europese Commissie, voor een vastgestelde periode de voor het oplossen van de voorzieningsmoeilijkheden nodige hoeveelheden zaad van een categorie waaraan minder strenge eisen zijn gesteld of zaad van rassen die noch in de " gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen ", noch in de nationale rassencatalogus voorkomen tot de handel toelaten.
  Wanneer het een categorie zaad van een bepaald ras betreft, is het officiŽle etiket het etiket dat voor de overeenkomstige categorie is vastgesteld, in het geval van zaad van rassen die niet op bovengenoemde lijsten voorkomen, is het voor handelszaad voorgeschreven etiket. In elk geval, wordt op het etiket vermeld dat het zaad betreft dat tot een categorie behoort waaraan minder strenge eisen zijn gesteld.

  Art. 18. De Minister kan de bijlagen van dit besluit aanvullen en wijzigen, overeenkomstig de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie.

  HOOFDSTUK III. - De keuring.

  Art. 19. DG4 is belast met de uitvoering van de controle op de produktie van het inlands zaaizaad. Deze controle omvat :
  - het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de aanvragen tot keuring van teelten bestemd voor de produktie van zaaizaad;
  - de keuring van het gewas op het veld;
  - de controles op de onderzoeken onder officieel toezicht, zoals voorzien in artikel 1, ß 2, iii);
  - het toezicht op de geoogste produkten bij het vervoer, de inontvangstname, het opslaan, het bereiden en het conditioneren;
  - het onderzoek in laboratoria;
  - het toezicht op het verrichten van de officiŽle sluitingen en het aanbrengen van officiŽle etiketten en certificaten, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13.
  DG4 is eveneens belast met het toezicht op de bereiding van mengsels en met de controle op het zaaizaad, bedoeld in artikel 3, ß 3.
  De keuring schept voor de DG4 geen enkele specifieke verantwoordelijkheid waarop een eis tot schadevergoeding zou kunnen gegrond worden.

  Art. 20. In het keuringsreglement bedoeld in artikel 25, zijn opgenomen :
  - de modaliteiten en bepalingen met betrekking tot de controle bedoeld in artikel 19;
  - de voorwaarden waaraan de natuurlijke of rechtspersonen moeten voldoen om gerechtigd te zijn een aanvraag tot keuring in te dienen voor teelten bestemd voor de produktie van zaaizaad en de geoogste produkten te onderwerpen aan de controles bedoeld in artikel 19.
  Deze personen worden door DG4 erkend wanneer uit een onderzoek blijkt dat deze voorwaarden zijn vervuld.

  Art. 21. Het officiŽle zaadonderzoek vindt plaats volgens de gebruikelijke internationale methoden of bij ontstentenis hiervan, volgens de methoden die door de Minister worden vastgesteld.

  Art. 22. De voor de keuring eventueel vereiste beschrijving van de genealogische bestanddelen wordt, op verzoek van de kweker, geheim gehouden.

  Art. 23. De Minister kan om gegronde economische redenen, wat de inlandse produktie betreft, voor de keuring van prebasiszaad, basiszaad en gecertificeerd zaad van alle soorten strengere voorwaarden stellen dan die opgenomen in de bijlagen I en II.

  Art. 24. Bij het onderzoek van het zaad met het oog op de goedkeuring, geschiedt de bemonstering volgens geschikte methoden die door de Minister worden vastgesteld. De bemonstering geschiedt uit homogene partijen : het maximumgewicht van een partij en het minimumgewicht van een monster worden in bijlage III vermeld. Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel, wordt onder een homogene partij verstaan, een hoeveelheid zaad die een eenheid vormt en waarvan aangenomen wordt dat ze uniforme kenmerken bezit.

  Art. 25. Op voorstel van " DG4 ", stelt de Minister een keurings- en certificeringsreglement van zaaizaden van groenvoedergewassen vast.

  HOOFDSTUK IV. - Controle van de handel en strafbepalingen.

  Art. 26. Door officiŽle steekproeven, wordt nagegaan of het in de handel gebrachte zaad van groenvoedergewassen beantwoordt aan de in dit besluit vervatte voorwaarden. De bemonstering en het officiŽle zaadonderzoek vindt plaats volgens de gebruikelijke internationale methoden of bij ontstentenis hiervan, volgens de methoden die door de Minister worden vastgesteld. De bemonstering geschiedt uit homogene partijen en het maximumgewicht van een partij wordt vermeld in bijlage III.
  Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel, wordt onder een homogene partij verstaan, een hoeveelheid die een eenheid vormt en waarvan aangenomen wordt dat ze uniforme kenmerken bezit.

  Art. 27. Onverminderd het vrije verkeer van zaad binnen de Gemeenschap, neemt de Minister de nodige maatregelen opdat hij bij het in de handel brengen van uit derde landen ingevoerde hoeveelheden zaad van meer dan 2 kg van de volgende gegevens in kennis wordt gesteld :
  1) soort;
  2) ras;
  3) categorie;
  4) producerend land en officiŽle keuringsdienst;
  5) land van verzending;
  6) invoerder;
  7) hoeveelheid zaaizaad.

  Art. 28. ß 1. Om rekening te houden met de ontwikkelingen op de volgenden gebieden en volgens de beslissingen van de instellingen van de Europese Unie, kan de Minister specifieke voorwaarden vaststellen :
  a) waaronder chemisch behandeld zaad in de handel mag worden gebracht;
  b) waaronder zaad in de handel mag worden gebracht in verband met de instandhouding in situ en het duurzaam gebruik van plantaardige genetische hulpbronnen, met inbegrip van zaadmengsels van soorten waaronder ook soorten zijn opgenomen in artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 betreffende de nationale rassencatalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen en die worden geassocieerd met specifieke natuurlijke en semi-natuurlijke habitats en bedreigd worden door genetische erosie;
  c) waaronder voor de biologische teelt geschikt zaad in de handel mag worden gebracht.
  ß 2. De in ß 1 bedoelde specifieke voorwaarden omvatten met name de volgende punten :
  i) in het onder b) bedoelde geval, is het zaad van deze soorten van een bekende herkomst die is erkend door de Minister tot wiens bevoegdheid de landbouw behoort;
  ii) in het onder b) bedoelde geval, passende kwantitatieve beperkingen.

  Art. 29. De termijn, waarvoor de bij artikel 6 van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt bedoelde overheidspersonen, op grond van artikel 13 van die wet, de bij dit besluit gereglementeerde produkten bij administratieve maatregel voorlopig in beslag mogen nemen, is vastgesteld op drie maanden.

  Art. 30. De facturen, contracten catalogi, omzendbrieven, offerten voor verkoop en andere gelijkaardige documenten moeten de aanduidingen dragen welke, naargelang het geval, zijn voorgeschreven voor het etiket in bijlage IV, A, a), 5, 6, 7 en 10 of in bijlage IV, A, b), 2, 6, 7 en 9.

  Art. 31. De bereiders, invoerders en verkopers moeten de aankoopfactuur, een afschrift van de verkoopfactuur en de vervoersdocumenten, gedurende drie jaar vanaf de 1 januari van het jaar dat op hun datum volgt, bewaren ten einde ze zonder verplaatsing aan de beambten belast met het toezicht over de toepassing van dit besluit op deze verzoek voor te leggen.

  Art. 32. Overtredingen van de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld, vervolgd en bestraft, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt.

  HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.

  Art. 33. Dit besluit doet geen afbreuk aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen en van zijn uitvoeringsbesluiten.

  Art. 34. Het koninklijk besluit van 3 september 1979 houdende inrichting van de keuring van zaaizaad van landbouwgewassen te verrichten door de nationale Dienst voor de Afzet van land- en tuinbouwprodukten, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 11 oktober 1982 en 15 juli 1983, wordt opgeheven.
  Het koninklijk besluit van 23 juli 1977 houdende reglementering van de handel in zaaizaad van groenvoedergewassen, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 22 september 1981, 10 februari 1983, 29 februari 1984, 20 januari 1987, 2 januari 1990, 17 april 1990, 25 oktober 1990, 11 juni 1992, 10 februari 1998 en 4 maart 1998, wordt opgeheven.
  De uitvoeringsbesluiten van de 2 vermelde opgegeven koninklijke besluiten blijven bestaan tot ze uitdrukkelijk vervangen worden.

  Art. 35. Dit besluit treedt in werking de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 36. Onze Minister van Landbouw en Middenstand is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 2 mei 2001.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Landbouw en Middenstand,
  J. GABRIELS

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage I. - Voorwaarden waaraan het gewas moet voldoen.
  1. Op het perceel, mag geen voorvrucht zijn verbouwd die zich niet verdraagt met de produktie van zaaizaad van de soort en het ras van het betrokken gewas. Het perceel moet ook voldoende vrij zijn van opslag van de voorvrucht.
  2. Het gewas moet voldoen aan de onderstaande normen betreffende de afstand tot dicht in de buurt gelegen bestuivingsbronnen die tot ongewenste kruisbestuiving kunnen leiden :

  --------------------------------------------------------------------
                         Gewas                          Minimumafstand
  --------------------------------------------------------------------
                           1                                  2
  --------------------------------------------------------------------
  Brassica spp., Phacelia tanacetifolia :
  - voor de produktie van basiszaad;                        400 m
  - voor de produktie van gecertificeerd zaad.              200 m
  Andere soorten of rassen dan Brassica spp.,
  Phacelia tanacetifolia, Pisum sativum en rassen van
  Poa pratensis als bedoeld in het tweede gedeelte
  van de derde zin van punt 4 :
  - voor de produktie van zaad voor de vermeerdering,       200 m
    percelen tot 2 ha;
  - voor de produktie van zaad voor de vermeerdering,       100 m
    percelen groter dan 2 ha;
  - voor de produktie van zaad bestemd voor de              100 m
    voortbrenging van groenvoedergewassen, percelen
    tot 2 ha;
  - voor de produktie van zaad bestemd voor de               50 m
    voortbrenging van groenvoedergewassen, percelen
    groter dan 2 ha.
  --------------------------------------------------------------------


  Deze afstanden behoeven niet in acht te worden genomen wanneer er voldoende bescherming tegen ongewenste kruisbestuiving aanwezig is.
  3. Planten van andere soorten, waarvan de zaden in het laboratorium moeilijk te onderscheiden zijn van het gewas, mogen slechts in geringe mate aanwezig zijn. In het bijzonder, moeten gewassen van de Lolium-soorten en x Festulolium aan de volgende voorwaarden voldoen : het aantal planten van een andere Lolium-soort dan het gewas mag niet meer bedragen dan :
  - 1 per 50 m2 voor de produktie van basiszaad;
  - 1 per 10 m2 voor de produktie van gecertificeerd zaad.
  4. Het gewas moet voldoende rasecht en raszuiver zijn. In het bijzonder gewassen van andere soorten, dan Pisum sativum, Vicia faba, Brassica napus var. napobrassica, Brassica oleracea convar. acephala of van Poa pratensis, moeten aan de volgende eisen voldoen :
  het aantal planten van deze soorten, die duidelijk niet tot het betrokken ras behoren, mag niet meer bedragen dan :
  - 1 per 30 m2 voor de produktie van basiszaad;
  - 1 per 10 m2 voor de produktie van gecertificeerd zaad.
  Voor Poa pratensis, mag het aantal planten van soorten, die kennelijk niet tot het betrokken ras behoren, niet meer bedragen dan :
  - 1 per 20 m2 voor de produktie van basiszaad;
  - 4 per 10 m2 voor de produktie van gecertificeerd zaad.
  Voor rassen die volgens erkende procedures officieel worden ingedeeld als " van ťťn kloon afkomstige apomictische rassen ", kan een aantal planten die kennelijk niet tot het betrokken ras behoren en waarvan het aantal niet meer bedraagt dan 6 per 10 m2, als in overeenstemming worden beschouwd met voornoemde normen voor de produktie van gecertificeerd zaad.
  Voor de soorten Pisum sativum, Vicia faba, Brassica napus var. napobrassica, Brassica oleracea convar. acephala, geldt slechts de eerste zin.
  5. De aanwezigheid van schadelijke organismen, die de gebruikswaarden van het zaaizaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn.
  6. Of aan de bovengenoemde normen of eisen is voldaan, wordt voor basiszaad vastgesteld door middel van officiŽle veldkeuringen en voor gecertificeerd zaad door middel van hetzij officiŽle veldkeuringen, hetzij keuringen uitgevoerd onder officieel toezicht.
  Bij deze veldkeuringen, moeten de volgende punten in acht genomen worden :
  A. de stand en het ontwikkelingsstadium van het gewas moeten een afdoend onderzoek mogelijk maken;
  B. er moet ten minste ťťn veldkeuring plaatsvinden;
  C. de grootte, het aantal en de verdeling van de perceelstukken, waarvoor moet worden nagegaan of aan de bepalingen van deze bijlage wordt voldaan, moeten volgens daarvoor passende methoden worden vastgesteld.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 mei 2001 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Landbouw en Middenstand,
  J. GABRIELS

  Art. N2. Bijlage II. - Voorwaarden waaraan het zaaizaad moet voldoen.
  I. Gecertificeerd zaad.
  1. Het zaad moet voldoende rasecht en raszuiver zijn. Het zaaizaad van de onderstaande soorten moet met name aan de volgende normen of eisen voldoen :

  -------------------------------------------------------------------------
              Soorten en categorieen               Minimumraszuiverheid (%)
  -------------------------------------------------------------------------
  Poa pratensis, rassen als bedoeld in het                    98
  tweede gedeelte van de derde zin van punt 4
  van bijlage I, Brassica napus var.
  napobrassica et Brassica oleracea convar.
  acephala.
  Pisum sativum, Vicia faba :
  - gecertificeerd zaaizaad eerste                            99
    vermeerdering;
  - gecertificeerd zaaizaad tweede en volgende                98
    vermeerderingen.
  -------------------------------------------------------------------------


  Of aan de minimumeisen inzake raszuiverheid is voldaan, wordt hoofdzakelijk nagegaan door middel van de in bijlage I omschreven veldkeuringen.
  2. Het zaaizaad moet ten aanzien van kiemkracht, mechanische zuiverheid en gehalte aan zaden van andere plantensoorten inclusief lupinezaden van een andere kleur en zaden van bitterstofhoudende lupinen aan de volgende normen of eisen voldoen :
  A. tabel.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 19-09-2001, p. 31343 - 31345); <Errata, B.S. 19-01-2002, p. 1768 - 1771>
  B. normen of andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan wanneer daarnaar wordt verwezen in de onder punt I, 2, A, van deze bijlage opgenomen tabel.
  a) Alle na voorbehandeling niet gekiemde verse en gezonde zaden worden beschouwd als gekiemde zaden.
  b) Hardschalige zaden worden voor zover zij het aangegeven maximumpercentage niet overschrijden, meegeteld als kiemkrachtige zaden.
  c) Een maximum gewichtspercentage van 0,8 % aan zaden van andere Poa-soorten geldt niet als onzuiverheid.
  d) Een maximum gewichtspercentage van 1 % aan zaden van Trifolium pratense geldt niet als onzuiverheid.
  e) Een maximum gewichtspercentage van 0,5 aan zaden van Lupinus albus, Lupinus angustifolius, Lupinus luteus, Pisum sativum, Vicia faba, Vicia pannonica, Vicia sativa, Vicia villosa, in een van de andere genoemde soorten, geldt niet als onzuiverheid.
  f) Het voorgeschreven maximum gewichtspercentage aan zaden van ťťn enkele soort geldt niet voor zaden van Poa-soorten.
  g) De aanwezigheid van maximaal twee zaden van Avena fatua, Avena ludoviciana of Avena sterilis, in een monster van de voorgeschreven grootte, geldt niet als onzuiverheid wanneer een tweede monster van dezelfde grootte volledig vrij is van zaden van deze soorten.
  h) De aanwezigheid van ťťn zaad van Avena fatua, Avena ludoviciana of Avena sterilis, in een monster van de voorgeschreven grootte, geldt niet als onzuiverheid wanneer een tweede monster van tweemaal de voorgeschreven grootte volledig vrij is van zaden van deze soort.
  i) Het aantal zaden van Avena fatua, Avena ludoviciana of Avena sterilis wordt slechts bepaald indien er twijfel bestaat of aan de in kolom 12 vastgestelde eisen is voldaan.
  j) Het aantal zaden van Cuscuta-soorten wordt slechts bepaald indien er twijfel over bestaat of in kolom 13 vastgestelde eisen is voldaan.
  k) De aanwezigheid van ťťn zaad van Cuscuta-soorten, in een monster van de voorgeschreven grootte, geldt niet als onzuiverheid indien een tweede monster van dezelfde grootte volledig vrij is van zaden van Cuscuta-soorten.
  l) Om het aantal zaden van Cuscuta-soorten te bepalen, moet het monster tweemaal zo groot zijn als de in kolom 4 van bijlage III, voor deze soort aangegeven grootte.
  m) De aanwezigheid van ťťn zaad van Cuscuta-soorten, in een monster van de voorgeschreven grootte, geldt niet als onzuiverheid indien een tweede monster van tweemaal de voorgeschreven grootte volledig vrij is van zaden van Cuscuta-soorten.
  n) Het aantal zaden van andere Rumex-soorten, dan Rumex acetosella en Rumex maritimus, moet slechts worden bepaald indien er twijfel over bestaat of aan de in kolom 14 vastgestelde eisen is voldaan.
  o) Het percentage van het aantal lupinezaden van een andere kleur mag niet meer bedragen dan :
  - 2 in bitterstofhoudende lupinen;
  - 1 in andere dan bitterstofhoudende lupinen.
  p) Het percentage van het aantal zaden van bitterstofhoudende lupinen, in andere rassen dan bitterstofhoudende lupinen, mag niet meer bedragen dan 2,5.
  3. De aanwezigheid van schadelijke organismen, die de gebruikswaarden van het zaaizaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn.
  II. Basiszaad.
  Voor basiszaad, gelden de voorwaarden van deel I van deze bijlage, tenzij hieronder anders is bepaald.
  1. Zaad van Pisum sativum, Brassica napus var. napobrassica, Brassica oleracea conv. acephala, Vicia faba en van rassen van Poa pratensis, als bedoeld in het tweede gedeelte van de derde zin van punt 4 van bijlage I, moet, overeenkomstig de onderstaande normen of eisen, voor ten minste 99,7 % raszuiver zijn. Of aan de minimumeisen inzake raszuiverheid is voldaan, wordt hoofdzakelijk nagegaan door middel van de bijlage I omschreven veldkeuringen.
  2. Het zaad moet aan de volgende normen of andere eisen voldoen :
  A. tabel.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 19-09-2001, p. 31347 - 31348);
  B. normen of andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan wanneer daarnaar wordt verwezen in de onder punt II, 2, A, van deze bijlage opgenomen tabel.
  a) De aanwezigheid van maximaal 80 zaden van Poa-soorten geldt niet als onzuiverheid.
  b) De in kolom 3 vastgestelde eis is niet van toepassing op zaaizaad van Poa-soorten. Het totale maximale aantal van de andere Poa-soorten dan de soort die onderzocht wordt mag niet meer dan 1 bedragen, in een monster van 500 zaden.
  c) De aanwezigheid van maximaal 20 zaden van Poa-soorten geldt niet als onzuiverheid.
  d) Het aantal zaden van Melilotus-soorten wordt slechts bepaald indien er twijfel over bestaat of aan de in kolom 7 vastgestelde eisen is voldaan.
  e) De aanwezigheid van ťťn zaad van Melilotus-soorten, in een monster van de voorgeschreven grootte, geldt niet als onzuiverheid indien een tweede monster van tweemaal de voorgeschreven grootte volledig vrij is van zaden van Melilotus-soorten.
  f) Voorwaarde c), in punt 2 van deel I, van deze bijlage, is niet van toepassing.
  g) Voorwaarde d), in punt 2 van deel I, van deze bijlage, is niet van toepassing.
  h) Voorwaarde e), in punt 2 van deel I, van deze bijlage, is niet van toepassing.
  i) Voorwaarde f), in punt 2 van deel I, van deze bijlage, is niet van toepassing.
  j) De voorwaarden k) en m), in punt 2 van deel I, van deze bijlage, zijn niet van toepassing.
  k) Het percentage van het aantal zaden van bitterstofhoudende lupinen in andere dan mag niet meer bedragen dan 1.
  III. Handelszaad.
  Voor handelszaad, gelden de voorwaarden van deel I, punt 2 en punt 3, van deze bijlage, tenzij hieronder anders is bepaald.
  1. De gewichtspercentages van kolom 5 en 6 van de in deel I, sub 2, A, van deze bijlage opgenomen tabel worden met 1 verhoogd.
  2. Voor Poa annua, geldt een gewichtspercentage van maximaal 10 aan zaden van andere Poa-soorten niet als onzuiverheid.
  3. Voor andere Poa-soorten dan Poa annua, geldt een gewichtspercentage van maximaal 3 aan zaden van andere Poa-soorten niet als onzuiverheid.
  4. Voor Hedysarum coronarium, geldt een gewichtspercentage van maximaal 1 aan zaden van Melilotus-soorten niet als onzuiverheid.
  5. Voorwaarde d), ten aanzien van Lotus corniculatus, in punt 2 van deel I, van deze bijlage, is niet van toepassing.
  6. Voor Lupinus-soorten :
  a) bedraagt de minimum mechanische zuiverheid 97 gewichtspercenten;
  b) mag het percentage van het aantal lupinezaden van een andere kleur niet meer bedragen dan :
  - 4, in bitterstofhoudende lupinen;
  - 2, in andere dan bitterstofhoudende lupinen.
  7. Voor Vicia spp., geldt een gewichtspercentage van maximaal 6 aan zaden van Vicia pannonica, Vicia villosa of aanverwante cultuursoorten in ťťn van de andere genoemde soorten niet als onzuiverheid.
  8. Voor Vicia pannonica, Vicia sativa en Vicia villosa, bedraagt de minimum mechanische zuiverheid 97 gewichtspercenten.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 mei 2001 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Landbouw en Middenstand,
  J. GABRIELS

  Art. N3. Bijlage III. - Gewicht van een partij zaaizaad en van een monster.

  -------------------------------------------------------------------------
          Soorten          Maximum gewicht  Minimumgewicht  Gewicht van het
                           van een partij      van een      monster voor de
                             (in tonnen)     monster van     bepaling van
                                            een partij (in   aantallen als
                                               grammen)       voorzien in
                                                            bijlage II, I,
                                                                 2, A,
                                                            kolommen 12 tot
                                                               14 en in
                                                            bijlage II, II,
                                                                 2, A,
                                                            kolommen 3 tot
                                                            7 (in grammen)
  -------------------------------------------------------------------------
             1                    2               3                4
  -------------------------------------------------------------------------
  Gramineae :
  Agrostis canina                10                50                5
  Agrostis capillaris            10                50                5
  Agrostis gigantea              10                50                5
  Agrostis stolonifera           10                50                5
  Alopecurus pratensis           10               100               30
  Arrhenatherum elatius          10               200               80
  Bromus catharticus             10               200              200
  Bromus sitchensis              10               200              200
  Cynodon dactylon               10                50                5
  Dactylis glomerata             10               100               30
  Festuca arundinacea            10               100               50
  Festuca ovina                  10               100               30
  Festuca pratensis              10               100               50
  Festuca rubra                  10               100               30
  x Festulolium                  10               200               60
  Lolium multiflorum             10               200               60
  Lolium perenne                 10               200               60
  Lolium x boucheanum            10               200               60
  Phalaris aquatica              10               100               50
  Phleum bertolonii              10                50               10
  Phleum pratense                10                50               10
  Poa annua                      10                50               10
  Poa nemoralis                  10                50                5
  Poa palustris                  10                50                5
  Poa pratensis                  10                50                5
  Poa trivialis                  10                50                5
  Trisetum flavescens            10                50                5
  Leguminosae :
  Hedysarum coronarium :
  - vrucht                       10             1 000              300
  - zaad                         10               400              120
  Lotus corniculatus             10               200               30
  Lupinus albus                  25             1 000            1 000
  Lupinus angustifolius          25             1 000            1 000
  Lupinus luteus                 25             1 000            1 000
  Medicago lupulina              10               300               50
  Medicago sativa                10               300               50
  Medicago x varia               10               300               50
  Onobrychis viciifolia :
  - vrucht                       10               600              600
  - zaad                         10               400              400
  Pisum sativum                  25             1 000            1 000
  Trifolium alexandrinum         10               400               60
  Trifolium hybridum             10               200               20
  Trifolium incarnatum           10               500               80
  Trifolium pratense             10               300               50
  Trifolium repens               10               200               20
  Trifolium resupinatum          10               200               20
  Trigonella                     10               500              450
  foenumgraecum
  Vicia faba                     25             1 000            1 000
  Vicia pannonica                20             1 000            1 000
  Vicia sativa                   25             1 000            1 000
  Vicia villosa                  20             1 000            1 000
  Andere soorten :
  Brassica napus var.            10               200              100
  napobrassica
  Brassica oleracea              10               200              100
  convar. acephala
  Phacelia tanacetifolia         10               300               40
  Raphanus sativus var.          10               300              300
  oleiformis
  -------------------------------------------------------------------------


  Het maximumgewicht van een partij mag ten hoogste met 5 % worden overschreden.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 mei 2001 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Landbouw en Middenstand,
  J. GABRIELS

  Art. N4. Bijlage IV. - Aanduidingen.
  A. Officieel etiket.
  I. Te vermelden gegevens.
  a) Voor basiszaad en gecertificeerd zaad :
  1. " EG-systeem ";
  2. keuringsdienst en Lidstaat of desbetreffend kenteken;
  3. partijnummer;
  4. maand en jaar van de sluiting, op de volgende wijze aangegeven : " gesloten in ... (maand en jaar) " of maand en jaar van de laatste officiŽle monsterneming ten behoeve van het besluit van certificering, op de volgende wijze aangegeven : " monster genomen in (maand en jaar) ";
  5. soort ten minste aangegeven, met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift;
  6. ras ten minste vermeld in Latijns schrift;
  7. categorie;
  8. producerend land;
  9. opgegeven netto- of brutogewicht of opgegeven aantal zuivere zaden;
  10. wanneer het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel, alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht der zuivere zaden en het totaalgewicht;
  11. voor gecertificeerd zaad van de tweede en volgende vermeerderingen vanaf het basiszaad, de vermelding : het aantal generaties vanaf het basiszaad;
  12. voor zaad van grasrassen waarvoor geen onderzoek van de cultuur- en gebruikswaarde heeft plaatsgevonden, overeenkomstig artikel 4, ß 2, sub a), van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 betreffende de nationale rassencatalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen : " niet bestemd voor de teelt van voedergewassen ";
  13. waar ten minste voor de kiemkracht nacontrole werd verricht, mogen de woorden " nacontrole verricht ... (maand en jaar) " en de voor deze nacontrole verantwoordelijke dienst worden vermeld. Deze gegevens mogen voorkomen op een officieel merkteken dat wordt geplakt op het officiŽle etiket.
  b) Voor handelszaad :
  1. " EG-systeem ";
  2. " handelszaad (niet naar het ras goedgekeurd) ";
  3. keuringsdienst en Lidstaat of desbetreffende kenteken;
  4. partijnummer;
  5. maand en jaar van de sluiting, op de volgende wijze aangegeven : " gesloten in ... (maand en jaar) " of maand en jaar van de laatste officiŽle monsterneming ten behoeve van het besluit tot goedkeuring als handelszaad, op de volgende wijze aangegeven : " monster genomen in ... (maand en jaar) ";
  6. soort (*) ten minste aangegeven, met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift;
  7. teeltgebied;
  8. opgegeven netto- of brutogewicht of opgegeven aantal zuivere zaden;
  9. wanneer het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel, alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht der zuivere zaden en het totaalgewicht;
  10. waar ten minste voor de kiemkracht nacontrole werd verricht, mogen de woorden " nacontrole verricht ... (maand en jaar) " en de voor deze nacontrole verantwoordelijke dienst worden vermeld. Deze gegevens mogen voorkomen op een officieel merkteken dat wordt geplakt op het officiŽle etiket.
  (*) Voor lupinen voorts vermelden of het gaat om bittere of bitterstofarme lupinen.
  c) Voor zaadmengsels :
  1. " zaadmengsel voor ... (gebruiksdoeleinde) ";
  2. instantie die de verpakking heeft gesloten en Lidstaat of desbetreffend kenteken;
  3. partijnummer;
  4. maand en jaar van de sluiting, op de volgende wijze aangegeven : " gesloten in (maand en jaar) ";
  5. gewichtsverhouding van de verschillende opgegeven bestanddelen naar soort en, in voorkomend geval, naar ras, waarbij soort en ras tenminste dienen te worden vermeld in Latijns schrift, vermelding van de benaming van het mengsel volstaat indien de koper schriftelijk in kennis wordt gesteld van de gewichtsverhouding en indien deze officieel is gedeponeerd;
  6. opgegeven netto- of brutogewicht of opgegeven aantal zuivere zaden;
  7. wanneer het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel, alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht der zuivere zaden en het totaal gewicht;
  8. waar ten minste voor de kiemkracht van alle bestanddelen van het mengsel nacontrole werd verricht, mogen de woorden " nacontrole verricht ... (maand en jaar) " en de voor deze nacontrole verantwoordelijke dienst worden vermeld. Deze gegevens mogen voorkomen op een officieel merkteken dat wordt geplakt op het officiŽle etiket.
  II. Minimumafmetingen.
  110 mm x 67 mm.
  B. Etiket van de leverancier of tekst op de verpakking (kleine verpakking EG).
  Te vermelden gegevens.
  a) Voor gecertificeerd zaad :
  1. " kleine verpakking EG B ";
  2. naam en adres of kenmerk van de voor de aanduiding verantwoordelijke leverancier;
  3. officieel volgnummer;
  4. dienst die het volgnummer heeft toegekend en Lidstaat of desbetreffend kenteken;
  5. partijnummer indien de gecertificeerde partij niet door het officiŽle volgnummer kan worden geÔdentificeerd;
  6. soort ten minste vermeld in Latijns schrift;
  7. ras ten minste vermeld in Latijns schrift;
  8. categorie;
  9. bruto- of nettogewicht of aantal zuivere zaden;
  10. wanneer het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel, alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht der zuivere zaden en het totaalgewicht;
  11. voor zaad van grasrassen waarvoor geen onderzoek van de cultuur- en gebruikswaarde heeft plaatsgevonden, overeenkomstig artikel 4, lid 2, sub a), van het koninklijk besluit van 2 mei 2001 betreffende de nationale rassencatalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen : " niet bestemd voor de teelt van voedergewassen ".
  b) Voor handelszaad :
  1. " kleine verpakking EG B ";
  2. naam en adres of kenmerk van de voor de aanduiding verantwoordelijke leverancier;
  3. officieel volgnummer;
  4. dienst die het volgnummer heeft toegekend en Lidstaat of desbetreffend kenteken;
  5. partijnummer indien de gecontroleerde partij niet door het officiŽle volgnummer kan worden geÔdentificeerd;
  6. soort (*) ten minste vermeld in Latijns schrift;
  7. " handelszaad ";
  8. bruto- of nettogewicht of aantal zuivere zaden;
  9. wanneer het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel, alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht der zuivere zaden en het totaalgewicht.
  (*) Voor de lupinen voorts vermelden of het gaat om bittere of bitterstofarme lupinen.
  c) Voor zaadmengsels :
  1. " kleine verpakking EG A " of " kleine verpakking EG B ";
  2. naam en adres of kenmerk van de voor de aanduiding verantwoordelijke leverancier;
  3. kleine verpakking EG B : officieel volgnummer;
  4. kleine verpakking EG B : dienst die het volgnummer heeft toegekend en Lidstaat of desbetreffend kenteken;
  5. kleine verpakking EG B : partijnummer indien de gebruikte partijen niet door het officiŽle volgnummer kunnen worden geÔdentificeerd;
  6. kleine verpakking EG A : partijnummer waardoor de gebruikte partijen kunnen worden geÔdentificeerd;
  7. kleine verpakking EG A : naam of kenteken van de Lidstaat;
  8. " zaadmengsels voor ... (gebruiksdoeleinden) ";
  9. bruto- of nettogewicht of aantal zuivere zaden;
  10. wanneer het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel, alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht der zuivere zaden en het totaal gewicht;
  11. gewichtsverhouding van de verschillende opgegeven bestanddelen naar soort en, in voorkomend geval, naar ras, waarbij soort en ras ten minste dienen te worden vermeld in Latijns schrift, de vermelding van de benaming van het mengsel volstaat indien de gewichtsverhouding aan de koper op diens verzoek kan worden medegedeeld en deze officieel is gedeponeerd.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 mei 2001 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Landbouw en Middenstand,
  J. GABRIELS

  Art. N5. Bijlage V. - Etiket en document voor niet definitief goedgekeurd zaad dat is geoogst in een andere Lidstaat.
  A. Op het etiket te vermelden gegevens.
  - Voor de veldkeuring verantwoordelijke instantie en Lidstaat of hun kenteken.
  - Soort ten minste aangegeven, met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift.
  - Ras ten minste vermeld in Latijns schrift.
  - Categorie.
  - Referentienummer van het veld of van de partij.
  - Opgegeven netto- of brutogewicht.
  - De vermelding " niet definitief goedgekeurd zaad ".
  B. Kleur van het etiket.
  Het etiket is grijs van kleur..
  C. Op het document te vermelden gegevens.
  - Instantie die het document afgeeft.
  - Soort ten minste aangegeven, met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift.
  - Ras ten minste vermeld in Latijns schrift.
  - Categorie.
  - Referentienummer van het gebruikte zaad en naam van het land of de landen dat/die dit zaad heeft/hebben goedgekeurd.
  - Referentienummer van het veld of van de partij.
  - Oppervlakte die is geteeld voor de produktie van de bij het document behorende partij.
  - Geoogste hoeveelheid zaad en aantal verpakkingen.
  - Voor gecertificeerd zaad, het aantal generaties na het basiszaad.
  - Verklaring dat, bij de teelt, waarvan het zaad afkomstig is, aan de vastgestelde voorwaarden is voldaan.
  - In voorkomend geval, de uitkomsten van een voorlopige analyse van het zaad.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 mei 2001 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Landbouw en Middenstand,
  J. GABRIELS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, laatst gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999 houdende diverse bepalingen en betreffende de kwaliteit van de landbouwproducten;
   Gelet op het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik;
   Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen, laatst gewijzigd door het ministerieel besluit van 9 juli 1999;
   Gelet op het koninklijk besluit van 28 november 1994 houdende oprichting, organisatie en vastlegging van de personeelsformatie van het Ministerie van Middenstand en Landbouw;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 mei 2001 betreffende de nationale rassencatalogi voor landbouwgewassen en groentegewassen;
   Gelet op het Verdrag tot instelling van de Europese economische Gemeenschap van 25 maart 1957, bekrachtigd door de wet van 2 december 1957;
   Gelet op de Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groen- voedergewassen;
   Gelet op de Richtlijn 70/457/EEG van de Raad van 15 januari 1970 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen;
   Gelet op de Richtlijn 98/95/EG van de Raad van 14 december 1998 houdende wijziging, in het kader van de consolidatie van de interne markt en ten aanzien van genetisch gemodificeerde plantenrassen en plantgenetische hulpbronnen, van de richtlijnen 66/400/EEG, 66/401/EEG, 66/402/EEG, 66/403/EEG, 69/208/EEG, 70/457/EEG en 70/458/EEG betreffende het in de handel brengen van bietenzaad, zaaizaad van groenvoedergewassen, zaaigranen, pootaardappelen, zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen en groentezaad, en betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen, inzonderheid artikel 2;
   Gelet op de Richtlijn 98/96/EG van de Raad van 14 december 1998 tot wijziging onder andere van de niet-officiŽle veldkeuringen op grond van de richtlijnen 66/400/EG, 66/401/EEG, 66/402/EEG, 66/403/EEG, 69/208/EEG en 70/458/EEG betreffende het in de handel brengen van respectievelijk bietenzaad, zaaizaad van groenvoeder- gewassen, zaaigranen, pootaardappelen, zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen, en groentezaad en van de Richtlijn 70/457/EEG betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen, inzonderheid artikel 2;
   Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoŲrdineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, ß 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende dat de noodzaak om onverwijld maatregelen te nemen inzake hand
el in en keuring van zaaizaad van groenvoedergewassen voortvloeit uit de verplichting zich binnen de voorgeschreven termijnen te schikken naar de bovengenoemde richtlijnen van de Europese Gemeenschap, waarvoor een met redenen omkleed advies werd uitgebracht;
   Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en Middenstand,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2001016391
PUBLICATIE :
2002-01-19
bladzijde : 01767

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 25-03-2005 GEPUBL. OP 02-06-2005
    (GEWIJZ. ART: OPHEFFING)
  • originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 03-05-2005 GEPUBL. OP 02-06-2005
    (GEWIJZ. ART: OPHEFFING)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 27-01-2005 GEPUBL. OP 07-03-2005
    (GEWIJZ. ART: OPHEFFING)
  • originele versie
  • KB VAN 19-12-2001 GEPUBL. OP 28-02-2002
    (GEWIJZ. ART: 11BIS)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten
    Erratum Franstalige versie