J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 163 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2000/12/22/2000002114/justel

Titel
22 DECEMBER 2000. - Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen.
(NOTA : opgeheven voor het Vlaams Gewest bij BVR 2016-06-24/15, art. 103, 005; Inwerkingtreding : 01-07-2016)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-01-2001 en tekstbijwerking tot 01-09-2016)

Bron : OPENBAAR AMBT
Publicatie : 09-01-2001 nummer :   2000002114 bladzijde : 419   BEELD
Dossiernummer : 2000-12-22/55
Inwerkingtreding : 09-01-2001

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - De ambtenaren van het federaal bestuur van de Staat, de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het College van de Franse Gemeenschapscommissie, evenals van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten.
Art. 3-8
HOOFDSTUK III. - Werving en stage.
Art. 9
HOOFDSTUK IV. - Loopbaan.
Art. 10-13
HOOFDSTUK V. - Tuchtregeling.
Art. 14
HOOFDSTUK VI. - Schorsing in het belang van de dienst.
Art. 15
HOOFDSTUK VII. - Administratieve standen.
Art. 16-20
HOOFDSTUK VIII. - Verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en definitieve ambtsneerlegging.
Art. 21-25
HOOFDSTUK IX. - Geldelijk statuut.
Afdeling 1. - Geldelijk statuut van de ambtenaren.
Art. 26-29
Afdeling 2. - Geldelijk statuut van de bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personen.
Art. 30
TITEL II. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen.
Art. 31-35

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - De ambtenaren van het federaal bestuur van de Staat, de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het College van de Franse Gemeenschapscommissie, evenals van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. § 1. Ambtenaar is elkeen die, in vast dienstverband, tewerkgesteld is bij het federaal bestuur van de Staat, in de diensten van een Gemeenschaps- of Gewestregering, in de diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of in de diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie.
  Voor de toepassing van deze titel dient onder " ambtenaren van de diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie " te worden verstaan de ambtenaren die opdrachten vervullen die aan de Franse Gemeenschap te beurt vallen en die voortaan door de Franse Gemeenschapscommissie worden uitgeoefend krachtens artikel 138 van de Grondwet.
  § 2. De ambtenaar bevindt zich in een statutaire stand. Hieraan kan slechts een einde worden gemaakt in de bij dit besluit bepaalde gevallen.
  § 3. Tot ambtenaar kan enkel worden benoemd diegene die aan de volgende algemene toelaatbaarheidsvereisten voldoet :
  1° van een gedrag zijn dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;
  2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  3° aan de dienstplichtwetten voldoen;
  4° de medische geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt.
  § 4. De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.

  Art. 2. § 1. Onverminderd paragraaf 2, wordt aan de personeelsbehoeften uitsluitend voldaan door ambtenaren die aan de bepalingen van dit besluit onderworpen zijn.
  Niettemin kunnen bij arbeidsovereenkomst personen in dienst worden genomen, uitsluitend om :
  1° aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen, hetzij voor in de tijd beperkte acties hetzij voor een buitengewone toename van het werk;
  2° ambtenaren te vervangen bij gehele of gedeeltelijke afwezigheid, ongeacht of ze in dienstactiviteit zijn of niet, wanneer de duur van die afwezigheid tot vervanging noopt en waarvan de modaliteiten worden bepaald in het statuut;
  3° bijkomende of specifieke opdrachten te vervullen, waarvan de lijst vooraf wordt bekendgemaakt door elke uitvoerende macht;
  4° te voorzien in de uitvoering van taken die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen, beide relevant voor de uit te voeren taken.
  § 2. Het in artikel 9, tweede lid, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen bedoelde decreet kan bepalen dat voor de activiteiten die een publiekrechtelijke rechtspersoon verricht in mededinging met andere publieke of private marktdeelnemers voor deze activiteiten aan de personeelsbehoeften wordt voldaan door personen die bij arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen.
  Wanneer de publiekrechtelijke rechtspersoon voor het wezen van zijn opdracht in mededinging treedt met andere publieke of private marktdeelnemers, kan voormeld decreet bepalen dat aan de personeelsbehoeften wordt voldaan door personen die bij arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen.

  HOOFDSTUK II. - Rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten.

  Art. 3. Onverminderd hetgeen is bepaald in de artikelen 4 tot en met 8, regelt het statuut de rechten, de plichten, de onverenigbaarheden, evenals de voorwaarden inzake cumulatie van activiteiten.

  Art. 4. De ambtenaren oefenen hun ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van hun hiërarchische meerderen.
  Zij dienen daartoe de van kracht zijnde wetten en reglementeringen, alsmede de richtlijnen waaronder de gedragsregels inzake deontologie, van de overheid waartoe zij behoren, na te leven.

  Art. 5. § 1. De ambtenaren behandelen de gebruikers van hun dienst welwillend en zonder enige discriminatie.
  § 2. Buiten de uitoefening van hun ambt vermijden de ambtenaren elke handelwijze die het vertrouwen van het publiek in hun dienst kan aantasten.
  Zelfs buiten hun ambt doch ter oorzake ervan, mogen de ambtenaren rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.

  Art. 6. De ambtenaren hebben het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan zij kennis hebben uit hoofde van hun ambt.
  Het is hun enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privé-leven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de mededingingspositie van het organisme waarin de ambtenaar is tewerkgesteld, kunnen schaden.
  De bepalingen van de voorgaande leden gelden eveneens voor de ambtenaren die hun ambt hebben neergelegd.

  Art. 7. § 1. De ambtenaren hebben recht op informatie wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling. Het statuut legt de nadere regels terzake vast.
  § 2. De ambtenaren houden zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, regelingen en onderzoekingen in de materies waarmee ze beroepshalve belast zijn.
  De ambtenaar heeft recht op opleiding die nuttig is voor zijn functioneren in de organisatie. De overheid voorziet in die opleiding en waarborgt tevens de toegang tot de voortgezette opleiding onder meer met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan.
  Periodes van afwezigheid gerechtvaardigd door deelname aan verplichte opleidingsactiviteiten worden in ieder opzicht gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit.

  Art. 8. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen.

  HOOFDSTUK III. - Werving en stage.

  Art. 9.§ 1. Het statuut bepaalt, onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 1, § 3, de algemene voorwaarden waaraan moet worden voldaan om als ambtenaar te worden aangeworven. Bijzondere wervingsvoorwaarden kunnen worden opgelegd wanneer de aard van het ambt het vereist.
  Als ambtenaar kan enkel worden aangeworven diegene die houder is van het diploma of studiegetuigschrift dat, ingevolge het betrokken statuut, overeenstemt met het niveau van de betrekking waarin wordt aangeworven.
  [1 Voorafgaand aan de vergelijkende selectie kan een afwijking van de in het tweede lid bedoelde diplomavereiste worden toegestaan, bij een met redenen omklede beslissing van de in het statuut aangewezen overheid,
   1° hetzij voor de kandidaten die houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift van een lager niveau, in geval van schaarste op de arbeidsmarkt, na advies van de instantie die instaat voor de selectie;
   2° hetzij voor de kandidaten die houder zijn van een getuigschrift van competenties verworven buiten diploma dat toegang geeft tot het niveau waarin zich de betrekking bevindt waartoe de functie waarvoor de selectie wordt georganiseerd, behoort. Dit getuigschrift wordt uitgereikt of erkend door het orgaan dat het statuut aanduidt en voor de geldigheidsduur dat het statuut bepaalt.
   In de oproep tot kandidaten wordt elke afwijking vermeld.]1
  § 2. De selectieprocedures voor vacante betrekkingen worden ten minste in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd met inachtneming van een redelijke termijn tussen de publicatie van de vacature en de uiterste datum van kandidaatstelling.
  § 3. Het statuut regelt de procedure, de wijze van vaststelling van de wervings- en selectieproeven en criteria, evenals de bekendmaking ervan. De werving en selectie geschiedt in ieder geval op grond van een objectief wervingssysteem dat, naar vorm en inhoud, de nodige waarborgen biedt inzake gelijke behandeling, verbod van willekeur, onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
  § 4. Wanneer in een stage wordt voorzien, bepaalt het statuut de nadere regels, de duur, het te volgen programma evenals de evaluatiecriteria.
  Wanneer de overheid gedurende of op het einde van de stage tot afdanking beslist, krijgt de betrokkene, behalve in het geval van een zware fout, een opzeggingstermijn van drie maanden.
  De stagiairs zijn geen ambtenaren in de zin van dit besluit. Indien het statuut in een stage voorziet, zijn de stagiairs onderworpen aan de bepalingen van dit besluit vermeld in de hoofdstukken II, V, VII en IX, afdeling I en in de artikelen 23 en 25.
  
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  
  Art. 9. (VLAAMSE OVERHEID)
  § 1. Het statuut bepaalt, onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 1, § 3, de algemene voorwaarden waaraan moet worden voldaan om als ambtenaar te worden aangeworven. Bijzondere wervingsvoorwaarden kunnen worden opgelegd wanneer de aard van het ambt het vereist.
  Als ambtenaar kan enkel worden aangeworven diegene die houder is van het diploma of studiegetuigschrift dat, ingevolge het betrokken statuut, overeenstemt met het niveau van de betrekking waarin wordt aangeworven.
  [1 Voorafgaand aan de vergelijkende selectie kan een afwijking van de in het tweede lid bedoelde diplomavereiste worden toegestaan, bij een met redenen omklede beslissing van de in het statuut aangewezen overheid,
   1° hetzij voor de kandidaten die houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift van een lager niveau, in geval van schaarste op de arbeidsmarkt, na advies van de instantie die instaat voor de selectie;
   2° hetzij voor de kandidaten die houder zijn van een getuigschrift van competenties verworven buiten diploma dat toegang geeft tot het niveau waarin zich de betrekking bevindt waartoe de functie waarvoor de selectie wordt georganiseerd, behoort. Dit getuigschrift wordt uitgereikt of erkend door het orgaan dat het statuut aanduidt en voor de geldigheidsduur dat het statuut bepaalt.
   In de oproep tot kandidaten wordt elke afwijking vermeld.]1
  § 2. [2 ...]2
  § 3. Het statuut regelt de procedure, de wijze van vaststelling van de wervings- en selectieproeven en criteria, evenals de bekendmaking ervan. De werving en selectie geschiedt in ieder geval op grond van een objectief wervingssysteem dat, naar vorm en inhoud, de nodige waarborgen biedt inzake gelijke behandeling, verbod van willekeur, onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
  § 4. Wanneer in een stage wordt voorzien, bepaalt het statuut de nadere regels, de duur, het te volgen programma evenals de evaluatiecriteria.
  Wanneer de overheid gedurende of op het einde van de stage tot afdanking beslist, krijgt de betrokkene, behalve in het geval van een zware fout, een opzeggingstermijn van drie maanden.
  De stagiairs zijn geen ambtenaren in de zin van dit besluit. Indien het statuut in een stage voorziet, zijn de stagiairs onderworpen aan de bepalingen van dit besluit vermeld in de hoofdstukken II, V, VII en IX, afdeling I en in de artikelen 23 en 25.

  ----------
  (1)<KB 2010-06-13/22, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 11-07-2010>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 32, 004; Inwerkingtreding : 01-11-2014>

  HOOFDSTUK IV. - Loopbaan.

  Art. 10. Het statuut regelt de organisatie van de loopbaan van de ambtenaar. Het garandeert daarbij openheid en doorzichtigheid.
  De betrekkingen worden gerangschikt in niveaus. De gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt gewaarborgd bij de rangschikking van de betrekkingen.
  Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 9, § 1, tweede lid, kan het statuut inzake loopbaanorganisatie voorzien in vormen van competentiebeheer waarbij de ambtenaar, al dan niet tijdelijk, toegang krijgt tot een betrekking van een ander niveau.

  Art. 11. § 1. Het statuut bepaalt de algemene regels inzake bevorderingsvoorwaarden en -procedures.
  Het kan voorzien in een vlakke loopbaan die bestaat in opeenvolgende benoemingen van een ambtenaar tot een betrekking van een steeds hogere trap van hetzelfde niveau zonder dat de permanente betrekking vacant is en zonder dat de betrokkene zijn kandidatuur moet indienen.
  Indien evenwel de vacature van een betrekking een voorwaarde is voor de bevordering en indien in deze betrekking niet bij selectieproef moet worden voorzien, stellen de in het eerste lid bedoelde regels eveneens ten minste vast :
  1° de verplichting van een voorafgaande vacantverklaring van de betrekkingen;
  2° de termijn tussen de oproep tot sollicitaties en het indienen ervan;
  3° een procedure van vergelijking van de sollicitaties.
  § 2. Het statuut bepaalt tevens de regels en de procedures voor de evaluatie van de ambtenaren die effectief in dienst zijn, (...). <KB 2000-12-22/55, art. 31, 002; Inwerkingtreding : 09-01-2001>
  Indien de evaluatie leidt tot een eindvermelding waaraan het statuut rechtsgevolgen verbindt, voorziet het in een beroepsprocedure bij een commissie met ten minste adviesbevoegdheid. Behoudens, in voorkomend geval, de voorzitter, worden deze commissies samengesteld voor de ene helft uit leden aangewezen door de overheid en voor de andere helft uit leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties van het personeel. Deze paritaire samenstelling geldt niet voor de commissie die kennis neemt van de beroepen, ingediend door leidende ambtenaren. Het beroep is opschortend.

  Art. 12. Het statuut kan in een mandaatstelsel voorzien voor de managementfuncties. Voor een ambtenaar die wordt aangewezen voor een mandaat wordt de duur van het mandaat meegerekend in de administratieve en geldelijke anciënniteit. Hij geniet bovendien de geldelijke rechten die verbonden zijn aan de uitoefening van dit mandaat.

  Art. 13. Er kan een beroep worden gedaan op een ambtenaar van een andere overheid onder de voorwaarden vastgesteld door het statuut dat het personeel beheerst dat onder de benoemende overheid ressorteert.
  Onverminderd een eventueel samenwerkingsakkoord dat in andere modaliteiten van overgang voorziet, kan de andere overheid aan de betrokken ambtenaar een opzegperiode van ten hoogste drie maanden opleggen.

  HOOFDSTUK V. - Tuchtregeling.

  Art. 14. § 1. De ambtenaren die hun plichten niet nakomen, kunnen het voorwerp zijn van een tuchtprocedure.
  § 2. Slechts de volgende tuchtstraffen kunnen uitgesproken worden :
  1° terechtwijzing;
  2° blaam;
  3° inhouding van wedde;
  4° verplaatsing bij tuchtmaatregel;
  5° tuchtschorsing;
  6° lagere inschaling;
  7° terugzetting in graad;
  8° ontslag van ambtswege;
  9° afzetting.
  § 3. Het statuut bepaalt de voorwaarden en de beperkingen van de gevolgen van de in paragraaf 2 bedoelde tuchtstraffen, de procedure, de waarborgen en de termijnen voor de uitspraak, evenals de termijnen van verjaring van de feiten die aanleiding kunnen geven tot een tuchtvordering, met inbegrip van het uitgangspunt ervan, evenals de termijnen en gevolgen van doorhaling van een tuchtstraf.
  De in het eerste lid bedoelde regels waarborgen ten minste :
  1° dat geen enkele tuchtstraf wordt opgelegd dan nadat de ambtenaar, na behoorlijk te zijn opgeroepen, vooraf in zijn middelen van verdediging is gehoord, over alle feiten die hem ten laste worden gelegd;
  2° aan de ambtenaar om zich in elke stand van de tuchtprocedure door een verdediger van zijn keuze te laten bijstaan;
  3° de mogelijkheid van de ambtenaar om voorafgaandelijk zijn dossier te raadplegen;
  4° de openbaarheid van de zittingen indien de ambtenaar daarom verzoekt;
  5° het recht dat niemand het voorwerp kan zijn van een tuchtvordering voor reeds bestrafte feiten behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen en zich voordoen binnen de verjaringstermijn van de tuchtvordering;
  6° dat de overheid die de tuchtstraf uitspreekt niet dezelfde is als die welke haar voorstelt;
  7° dat indien meer dan één feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, dit niettemin slechts aanleiding kan geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf;
  8° het recht op een georganiseerd administratief beroep bij een commissie met ten minste een adviesbevoegdheid. Deze commissie wordt voorgezeten door een magistraat en is bovendien, behalve voor de leidende ambtenaren, samengesteld uit bijzitters aangewezen voor de ene helft door de overheid en voor de andere helft door de representatieve vakorganisaties van het personeel;
  9° dat de overheid die bevoegd is om de tuchtstraf uit te spreken geen zwaardere straf kan opleggen dan die welke in laatste instantie werd voorgesteld en waarbij slechts rekening wordt gehouden met de feiten die de tuchtprocedure hebben gerechtvaardigd;
  10° dat de straf geen gevolg kan hebben dat voorafgaat aan het uitspreken ervan;
  11° dat van de met redenen omklede beslissing zonder verwijl kennis wordt gegeven aan de ambtenaar.
  § 4. De in paragraaf 2, 5°, bedoelde tuchtschorsing wordt uitgesproken ten hoogste voor drie maanden en mag geen aanleiding geven tot een inhouding van wedde die hoger ligt dan die welke bedoeld is bij artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

  HOOFDSTUK VI. - Schorsing in het belang van de dienst.

  Art. 15. § 1. Wanneer het belang van de dienst het vereist, kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst volgens een door het statuut vastgestelde procedure, met inbegrip van een recht op beroep.
  De in het eerste lid bedoelde regels waarborgen ten minste :
  1° het recht van de ambtenaar om vooraf te worden gehoord over de feiten die hem ten laste worden gelegd;
  2° aan de ambtenaar de bijstand in elke stand van de procedure door een verdediger van zijn keuze;
  3° het recht op beroep bij een commissie met ten minste adviesbevoegdheid opgericht overeenkomstig artikel 14, § 3, 8°.
  § 2. Wanneer de ambtenaar strafrechtelijk wordt vervolgd of tuchtrechtelijk wordt vervolgd wegens een ernstig vergrijp waarbij hij op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn, kan de overheid die de schorsing in het belang van de dienst uitspreekt, beslissen dat die schorsing een inhouding van wedde en een ontzegging van bevorderingsaanspraken in zich houdt.
  In voorkomend geval kan tegen deze maatregelen, tezamen met de schorsing in het belang van de dienst, een beroep worden ingesteld als bedoeld in § 1.
  De wedde mag met niet meer worden verminderd dan zoals in artikel 14, § 4, is vastgesteld.
  § 3. Indien aan de ambtenaar, na afloop van het onderzoek van zijn geval, een schorsing als tuchtstraf wordt opgelegd, werkt die schorsing, in afwijking van artikel 14, § 3, tweede lid, 10°, terug tot een datum die evenwel de dag niet mag voorafgaan waarop de bij toepassing van paragraaf 1, eerste lid, getroffen maatregelen uitwerking hebben gehad. In dit geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst, tot de nodige termijn, op de duur van de tuchtschorsing aangerekend.

  HOOFDSTUK VII. - Administratieve standen.

  Art. 16. Onverminderd hetgeen is bepaald in de artikelen 17 tot en met 20, bepaalt het statuut de administratieve standen en de gevolgen ervan op het recht op wedde en op bevordering tot een hogere wedde, op de administratieve anciënniteit en op de loopbaanaanspraken. Het regelt tevens de administratieve anciënniteiten en de berekeningswijze ervan.

  Art. 17. In ieder geval geniet de ambtenaar :
  1° bij volledige arbeidsprestaties, een jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur ten minste gelijk is aan die bepaald in artikel 10 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen of in elke andere bepaling die ze mocht wijzigen;
  2° van het vrouwelijk geslacht, voor de moederschapsbescherming, ten minste de voordelen bedoeld in de artikelen 24 tot en met 27 en in artikel 31 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 19 november 1998 of in elke andere bepaling die ze mocht wijzigen;
  3° die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, de voordelen bedoeld in de artikelen 41 en 46, §§ 1 en 2, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 19 november 1998 of in elke andere bepaling die ze mocht wijzigen;
  4° de voordelen die vermeld zijn in de artikelen 65 tot en met 67 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 19 november 1998 of in elke andere bepaling die ze mocht wijzigen;
  5° het recht dat de gemiddelde maximum arbeidsduur 38 uur per week niet overschrijdt.

  Art. 18. Deelneming van een ambtenaar aan een georganiseerde werkonderbreking kan voor de ambtenaar slechts het verlies van zijn wedde tot gevolg hebben.

  Art. 19. § 1. Voor de bepalingen van het statuut die de afwezige ambtenaren in een administratieve stand plaatsen met recht op wedde, bevordering tot een hogere wedde, administratieve anciënniteit of loopbaanaanspraken, is vooraf de goedkeuring van de inzake pensioenen bevoegde federale overheid vereist.
  § 2. Bovendien zijn de overheden waarop dit besluit van toepassing is, ertoe gehouden de inzake pensioenen bevoegde federale overheid in te lichten van elk ontwerp of voorstel van decreet, ordonnantie of reglement houdende maatregelen die een weerslag kunnen hebben op de toestand inzake pensioenen van hun definitief benoemd of ermee gelijkgesteld personeel.
  De in het vorige lid bedoelde overheden zijn er eveneens toe gehouden de inzake pensioenen bevoegde federale overheid in te lichten van elk ontwerp dat hen voor goedkeuring wordt overgemaakt door een publiekrechtelijke rechtspersoon die onder hun toezicht staat en dat enige weerslag zou kunnen hebben op de toestand inzake pensioenen van het definitief benoemd of ermee gelijkgesteld personeel van het bedoelde organisme.

  Art. 20. De uitoefening door de ambtenaren van door de federale wetgever opgelegde verplichtingen, plaatst de betrokkenen in een administratieve stand waarvan de gevolgen inzake recht op wedde, op bevordering tot een hogere wedde, inzake administratieve anciënniteit of loopbaanaanspraken door Ons worden bepaald na advies van de regeringen.

  HOOFDSTUK VIII. - Verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en definitieve ambtsneerlegging.

  Art. 21. Niemand kan zijn hoedanigheid van ambtenaar verliezen vóór de normale leeftijd van inruststelling, behalve in de gevallen bepaald door de pensioenwetgeving of dit besluit.

  Art. 22. De afschaffing van de betrekking die de ambtenaar bekleedt, kan geen aanleiding geven tot het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar of tot ontslag.
  Het statuut bepaalt een procedure van reaffectatie van de ambtenaren wier betrekking wordt afgeschaft.
  De ambtenaar in reaffectatie behoudt zijn rechten op wedde en zijn loopbaanaanspraken; de periode van reaffectatie wordt in aanmerking genomen in de administratieve en in de geldelijke anciënniteit.

  Art. 23. Ambtshalve en zonder opzegging wordt een einde gemaakt aan de hoedanigheid van ambtenaar voor :
  1° de ambtenaar van wie de benoeming niet regelmatig is, op voorwaarde dat, met uitzondering van arglist of bedrog, die onregelmatigheid door de overheid die hem heeft benoemd is vastgesteld binnen de termijn bepaald voor het instellen van beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of, als een zodanig beroep is ingesteld, tijdens de procedure;
  2° de ambtenaar die niet meer voldoet aan de nationaliteitsvoorwaarde, de ambtenaar die de burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet, die aan de dienstplichtwetten niet meer voldoet of wiens medische ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;
  3° onverminderd artikel 18, de ambtenaar die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien dagen afwezig blijft;
  4° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;
  5° de ambtenaar die om tuchtredenen wordt ontslagen van ambtswege of afgezet.

  Art. 24. Het statuut regelt de ambtsneerlegging ingeval van ontslag wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid.
  Het bepaalt de procedure tot verklaring van beroepsongeschiktheid en de evaluatiecriteria. Het voorziet daarbij in een recht op beroep bij een commissie met ten minste adviesbevoegdheid opgericht overeenkomstig artikel 11, § 2, tweede lid.
  Het bepaalt tevens de voorwaarden waaronder aan belanghebbenden een vergoeding kan worden verleend.

  Art. 25. Geven tevens aanleiding tot ambtsneerlegging :
  1° het vrijwillig ontslag volgens de door het statuut bepaalde nadere regels;
  2° de inruststelling.

  HOOFDSTUK IX. - Geldelijk statuut.

  Afdeling 1. - Geldelijk statuut van de ambtenaren.

  Art. 26. Onverminderd hetgeen is bepaald in de artikelen 27, 28 en 29, bepaalt iedere overheid in zijn statuut de bezoldigingsregeling van zijn personeel. Deze wordt bepaald in functie van het niveau, de aard van de opgedragen taken en de vereiste competenties.

  Art. 27. § 1. Binnen elk niveau bepaalt het statuut de weddeschalen in functie van de aard van de opgedragen taken en de vereiste competenties. Voor elke weddeschaal wordt een minimum- en maximumwedde bepaald.
  § 2. Voor elk niveau wordt een maximumwedde door Ons bepaald na advies van de betrokken overheden.
  Voor elk niveau wordt een minimumwedde door Ons bepaald na akkoord van de betrokken overheden.

  Art. 28. De bedragen volgen de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld of overeenkomstig elke bepaling die haar mocht wijzigen.

  Art. 29. De ambtenaar heeft ten minste recht op :
  1° een jaarlijkse bezoldiging overeenkomstig het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries;
  2° een vakantiegeld overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's lands algemeen bestuur;
  3° een eindejaarstoelage waarvan het globaal bedrag nooit lager mag zijn dan dat vastgesteld door het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt;
  of enige andere bepaling die voormelde koninklijke besluiten mocht wijzigen.

  Afdeling 2. - Geldelijk statuut van de bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personen.

  Art. 30. De personen die bij arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen hebben recht op de weddeschaal, het gewaarborgd minimumloon, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en de vergoedingen, toelagen en premies gelijkwaardig aan die van een ambtenaar met hetzelfde of een gelijkwaardig ambt.

  TITEL II. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen.

  Art. 31. De woorden "met uitzondering van de leidende ambtenaren" uit het eerste lid van artikel 11 § 2 van dit besluit worden opgeheven de dag waarop het evaluatiesysteem voor de federale leidende ambtenaren in werking treedt.

  Art. 32. Het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, wordt opgeheven.

  Art. 33. Voor de toepassing van de teksten die worden uitgevaardigd ter uitvoering van dit besluit wordt dit in het Nederlands " koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes " of " APKB " en in het Frans " arrêté royal fixant les principes généraux " of " A.R.P.G. " genoemd.

  Art. 34. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 6, dat slechts in werking treedt zes maanden na de bekendmaking ervan.

  Art. 35.Onze Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Besturen is belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 22 december 2000.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen,
L. VAN DEN BOSSCHE.{/sign}

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 87, § 4, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988 en bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
   Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, inzonderheid op artikel 54, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1990 en de gewone wet van 16 juli 1993;
   Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, inzonderheid op artikel 40, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 en op artikel 79, § 3;
   Gelet op het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeeenschapscommissie, alsook van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 11 oktober 1999;
   Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 21 oktober 1999;
   Gelet op de adviezen van de Franse Gemeenschapsregering, gegeven op 8 november 1999 en 13 april 2000;
   Gelet op de adviezen van de Waalse Regering, gegeven op 18 november 1999 en 13 april 2000;
   Gelet op de adviezen van de Vlaamse Regering, gegeven op 19 november 1999 en 14 april 2000;
   Gelet op de adviezen van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, gegeven op 25 november 1999 en 20 april 2000;
   Gelet op de adviezen van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, gegeven op 25 november 1999 en 27 april 2000;
   Gelet op de adviezen van het College van de Franse Gemeenschapscommissie, gegeven op 25 november 1999 en op 27 april 2000;
   Gelet op de adviezen van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, gegeven op 2 december 1999 en 11 mei 2000;
   Gelet op de adviezen van 27 oktober en 6 november 2000 van de paritaire commissie van de "Radio-Télévision belge de la Communauté française";
   Gelet op de protocols nr. 113/2 van 2 maart 2000 en nr. 114/1 van 23 mei 2000 van het Gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten;
   Gelet op de protocols nr. 347 van 2 maart 2000 en nr. 355 van 22 mei 2000 van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten;
   Gelet op het besluit van de Ministerraad van 31 maart 2000, over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 22 juni 2000 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minist
er van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 24-06-2016 GEPUBL. OP 01-09-2016
    (GEWIJZIGD ART. : OPHEFFING)
  • BEELD
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 03-10-2014 GEPUBL. OP 09-12-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 9)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING
       Sire,
       Het ontwerp van besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen vervangt het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de Rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen.
       De algemene principes zijn de grondregels waarmee wil zijn gezorgd voor de gemeenschappelijke opvatting van het openbaar ambt. Er wordt betracht deze algemene principes, in de mate van het mogelijke, helder te formuleren en, terzelfder tijd, er zorg voor te dragen dat geen afbreuk wordt gedaan aan hun karakter van algemeenheid opdat het evolutief karakter dat eigen is aan grondregels, blijft gewaarborgd.
       Eénmaal wanneer de grondregels in het koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes zijn opgenomen, kan het worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven met inachtneming van de in artikel 87, § 4, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen bedoelde procedure.
       Niet alle principes die gelden voor het federaal overheidspersoneel moeten ook gelden voor het personeel van de Gemeenschappen en de Gewesten. Met betrekking tot het openbaar ambt moet immers de autonomie van de deelgebieden evenzeer worden gerespecteerd. Het koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes wijst immers slechts die algemene principes aan die als én essentieel én gemeenschappelijk voor het openbaar ambt zijn te beschouwen en om die reden van rechtswege van toepassing zijn op het personeel van de deelstatelijke overheden.
       Het thans voorgelegde besluit beoogt in wezen, de in het voorbije decennium opgedane ervaring benuttend, tegemoet te komen aan een vraag van sommige deelstatelijke overheden, om met meer ruimte, zij het binnen het kader van de in dit besluit geformuleerde grondregels, in te spelen op wetenschappelijk verantwoorde moderne inzichten en technieken inzake personeelsbeheer en -organisatie. Op die wijze kan ook, meer dan tot nog toe het geval is geweest, beter rekening worden gehouden met de eigen karakteristieken van de onderscheiden administraties en de evolutiefase waarin zij zich bevinden. Het uiteindelijke doel van het voorgaande is blijvend een performante en kwaliteitsvolle openbare dienstverlening te kunnen verzekeren.
       De opmerking van de Raad van State betreffende de aanhef, namelijk dat een van de voorafgaande vormvereisten niet werd nageleefd vermits het ontwerp niet werd onderzocht in de onderhandelingscomités van de "Radio-Télévison belge de la Communauté fran}aise" en van het "Commissariat général aux relations internationales de la Communauté fran}aise", vergt volgende uitleg.
       Het advies van de paritaire commissie van de "Radio-Télévison belge de la Communauté fran}aise" werd ingewonnen op 27 oktober en 6 november 2000.
       Artikel 87, § 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt dat het door de federale overheid vastgestelde syndicaal statuut niet toepasselijk is op het "Commissariat général aux relations internationales", maar dat de regering van de Franse Gemeenschap kan beslissen dit statuut toe te passen. Krachtens deze bepaling maakt een besluit van de regering van 28 november 1996 het syndicaal statuut toepasselijk op het "Commissariat général aux relations internationales" (B.S. van 7 december 1996).
       Een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel is thans voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd ten einde het bedoelde koninklijk besluit op dat punt aan te passen aan de huidige juridische werkelijkheid (advies L.29.656/2 van 1 december 1999 betreffende het ontwerp dat het besluit van 8 februari 2000 betreffende de vergelijkende examens die georganiseerd worden voor de werving en de overgang naar het hogere niveau van de ambtenaren van de Franse Gemeenschap geworden is).
       Er is inderdaad vast te stellen dat de regering van de Franse Gemeenschap sedert het aannemen van het voormelde besluit van 28 november 1996 verschillende besluiten heeft uitgevaardigd die uitsluitend betrekking hebben op het C.G.R.I. Deze werden onderhandeld in het Sectorcomité XVII.
       Derhalve kan met de Regering van de Franse Gemeenschap worden geoordeeld dat de opneming van het C.G.R.I. in het Sectorcomité XVII niet te betwisten valt. Het bevoegdheidsgebied van het Comité voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten en van het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten omvat de personeelsleden van het C.G.R.I. Derhalve geldt, sedert de inwerkingtreding van het voormelde besluit van de regering van de Franse Gemeenschap van 28 november 1996, genomen krachtens artikel 87, § 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de syndicale onderhandeling die in deze algemene comités heeft plaatsgehad, voor het C.G.R.I.
       De aanpassing in de Bijlage I van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel is dan ook louter declaratief.
       Bespreking van de artikelen
       Artikel 1
       Deze bepaling stemt quasi geheel overeen met artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 september 1994, behoudens voor wat paragraaf 3 betreft : de nationaliteitsvoorwaarde wordt in dit besluit geschrapt teneinde in de toekomst de toegang tot het openbaar ambt mogelijk te maken voor niet-Belgische onderdanen, ook wanneer zij geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie.
       In zijn huidige formulering zijn slechts toelaatbaar tot het openbaar ambt, de Belgen evenals, behoudens in de mate dat de uit te oefenen betrekking een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhoudt en werkzaamheden omvat strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat, de Gemeenschap of het Gewest, de niet Belgische onderdanen van de Europese Unie.
       De voorgestelde wijziging wijzigt uiteraard niets aan de reeds thans bestaande toegang tot het openbaar ambt van EU onderdanen, zoals hiervoren is weergegeven.
       Inderdaad, dat de burgers van de Europese Unie reeds nu toegang hebben tot het openbaar ambt vloeit voort uit de primauteit van het EG recht, inzonderheid het beginsel van het vrije verkeer van werknemers en de jurisprudentie van het Hof van Justitie in dat verband. Enkel indien de uit te oefenen betrekking een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhoudt en werkzaamheden omvat strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat, de Gemeenschap of het Gewest kan, in het licht van het EU verdrag, de nationaliteitsvoorwaarde worden gehandhaafd.
       Wat de niet-Europese burgers betreft, wordt gewezen op hetgeen is bepaald in huidig artikel 10, tweede lid, van de Grondwet. Luidens voormelde bepaling zijn alleen de Belgen tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld.
       In dit verband is er overigens nog op te wijzen dat de Raad van State, afdeling wetgeving, heeft aanvaard dat het woord " wet " in voormelde grondwetsbepaling te dezen ook kan verwijzen naar het decreet (Parl. Doc., Vl. Parl., 1996-1997, nr. 720/2, 21-22). Zodoende kan ook de decreetgever voor de bedieningen die onder zijn bevoegdheid ressorteren, oordelen of er al dan niet een afwijking op de nationaliteitsvereiste moet worden toegestaan. Op grond van de voorgestelde tekst, in samenlezing met artikel 10, tweede lid, van de Grondwet komt het alsdan de bevoegde overheden toe te bepalen of zij en, zo ja, in welke mate, de bedieningen die onder hun bevoegdheid ressorteren ook openstellen voor niet-EU-burgers.
       Door de schrapping van de nationaliteitsvoorwaarde in dit besluit kan ook onmiddellijk worden ingespeeld op verdere evoluties van zodra de grondwetgever tot een wijziging van artikel 10, tweede lid, zou besluiten.
       Tenslotte wordt de huidige paragraaf 3, tweede lid, van artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 geschrapt. Deze bepaling betreft de controle van de vereiste medische geschiktheid door de Sociaal Medische Rijksdienst. Deze controle wordt voortaan overgelaten aan de Gemeenschappen en de Gewesten. Wanneer deze dat wenst kan een Gemeenschap of Gewest verder beroep blijven doen op deze door de federale overheid geboden dienstverlening volgens de huidige voorwaarden.
       De uit de pensioenwetgeving voortvloeiende verplichte controle door de federale diensten bij medische ongeschiktheid blijft uiteraard onaangetast.
       Artikel 2
       Artikel 2 stelt dat de statutaire tewerkstelling de regel is, maar bepaalt de gevallen waarin personeel bij arbeidsovereenkomst (als bedoeld in de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten) mag in dienst genomen worden. Zoals in artikel 9 wordt bepaald voor de statutaire ambtenaren zal ook de contractuele werving op een open en objectieve wijze geschieden.
       In het verleden is gebleken dat deze bepaling (beperkt zijnde tot de drie eerste uitzonderingsgevallen) te rigied werd bevonden en leidde tot beperkingen die, met het oog op een kwaliteitsvolle dienstverlening, niet altijd kunnen worden verantwoord.
       Zonder afbreuk te doen aan de regel van de statutaire tewerkstelling die gehandhaafd blijft, wordt daarom, op grond van de reeds opgedane ervaring, artikel 2 aangepast.
       Aldus wordt de huidige uitzonderingsgrond die toelaat om personeel bij arbeidsovereenkomst aan te werven om " ambtenaren te vervangen die hun betrekking niet of slechts deeltijds bekleden " uitgebreid, met name door contractuele wervingen mogelijk te maken om ambtenaren te vervangen bij gehele of gedeeltelijke afwezigheid, ongeacht of ze in dienstactiviteit zijn of niet, wanneer de duur van die afwezigheid tot vervanging noopt en waarvan de modaliteiten worden bepaald in het statuut.
       Voormeld begrip was restrictiever dan de diverse vormen van afwezigheid in actieve dienst (zie JANVIER, R., Contractanten in overheidsdienst, Gent, Mys § Breesch, 1997, nrs. 57 e.v.) die evenwel evenzeer tot vervanging door contractuelen (kunnen) nopen. Uiteraard kan met het oog op dergelijke vervangingen evenzeer worden overwogen een beroep te doen op een zgn. " pool " van statutairen.
       Om de diensten toe te laten, op het vlak van op bijzondere competenties gerichte werving, een beroep te doen op hooggekwalificeerd personeel, waarvan de opdracht niet zodanig specifiek is dat zij kan worden ondergebracht onder het begrip " specifieke opdracht ", wordt voorgesteld in artikel 2, § 1, een vierde uitzonderingsmogelijkheid toe te voegen. Ter verduidelijking kan bij wijze van voorbeeld voor de uitvoering van taken die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen, worden verwezen naar de volgende categorieën van personeel : ICT-kaderpersoneel, management- en HRM-functies.
       De toevoeging van deze uitzonderingsgrond wordt derhalve verantwoord opdat de overheid een beroep zou kunnen doen op de in de maatschappij aanwezige kennis en bekwaamheid welke is vereist in een snel evoluerende, hoogontwikkelde en complexe samenleving teneinde een kwaliteitsvolle dienstverlening te kunnen blijven garanderen.
       Tenslotte, wordt in paragraaf 2, wat de publiekrechtelijke rechtspersonen betreft, bepaald dat het decreet bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kan bepalen wanneer, benevens de gevallen vermeld in paragraaf 1, aan de personeelsbehoeften kan worden voldaan door personen die bij arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen.
       Aldus wordt inzonderheid beoogd rekening te houden met de behoeften van de instellingen van het zgn. ondernemingstype wanneer zij activiteiten verrichten in mededinging met andere publieke of private marktdeelnemers. In die omstandigheden is het aangewezen, niet alleen met het oog op het voortbestaan, maar vooral ook met het oog op de groei en positieve ontwikkeling van deze activiteiten, dat zij onder vergelijkbare omstandigheden met de andere marktdeelnemers kunnen werken. In dit verband kan bijvoorbeeld, wat artikel 2, § 2, eerste lid betreft, worden verwezen naar sommige activiteiten verricht door de VDAB, FOREM, ORBEM.
       Eenmaal wanneer de betrokken instelling voor het wezen van haar decretale opdracht in mededinging treedt met andere publieke of private martktdeelnemers kan het decreet bepalen dat voor het geheel van de personeelsbehoeften beroep kan worden gedaan op personen die bij arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen. Ter zake kan, wat artikel 2, § 2, tweede lid betreft, worden verwezen naar bijvoorbeeld de VRT, De Lijn, de SRIW, de SRIB.
       Het is op die wijze, met name door op een principiële wijze een onderscheid te maken tussen, enerzijds, de gevallen waarin de overheidsactiviteit wordt verricht in mededinging (artikel 2, § 2, eerste en tweede lid) en, anderzijds, de gevallen waarin die mededinging er niet is, dat - rekening houdende met de jurisprudentie - dit besluit beoogt tegemoet te komen aan de bezwaren die waren gerezen ten aanzien van artikel 62, § 1, van het koninklijk besluit van 26 september 1994 en het in dat artikel bedoelde lijstsysteem (R.v.St., afd. wetg., 26 juli 1994, Belgisch Staatsblad van 1 oktober 1994, p. 24.881; A.H., nr. 39/97, 14 juli 1997, Belgisch Staatsblad van 14 augustus 1997).
       Overigens wordt op die wijze aan de decreetgever gegund wat de federale wetgever thans reeds zelf vermag voor de gedecentraliseerde entiteiten die onder zijn bevoegdheid vallen.
       Artikel 3
       Artikel 3 stelt het principe dat het aan het statuut van het personeel van de deelstaten toekomt de rechten, plichten en onverenigbaarheden te regelen, evenals de voorwaarden inzake cumulatie van activiteiten.
       Artikelen 4 tot 8
       De artikelen 4 tot 8 bekrachtigen op eenvormige wijze voor het openbaar ambt, sommige fundamentele rechten en plichten die eigen zijn aan het statuut van de ambtenaren, zoals : de verplichting voor de ambtenaren hun ambt loyaal, integer en zorgzaam uit te oefenen, de gebruikers van de dienst met begrip en zonder discriminatie te behandelen en elke handelwijze, buiten hun functie, te vermijden die het vertrouwen van het publiek in hun dienst zou aantasten, alsook het recht voor de ambtenaren op vrije meningsuiting, op de nodige informatie voor de uitoefening van hun ambt en op de raadpleging van hun persoonlijk dossier.
       De bedoeling van het besluit tot bepaling van de algemene principes is, luidens artikel 87, § 4, van de bijzondere wet die algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel aan te duiden, en waar mogelijk bondig weer te geven, welke van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van de deelstatelijke overheden. Dit betekent dat men ervan mag uitgaan dat al wat, in de zin van het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van het rijkspersoneel, de kenmerken vertoont van een beginsel, niet noodzakelijk in het koninklijk besluit van algemene principes hoeft te worden opgenomen. De algemene principes die erin worden aangeduid zijn de grondregels waarmee gezorgd wil zijn voor de gemeenschappelijke opvatting van het openbaar ambt.
       In het licht van het voorgaande is, enerzijds, nagegaan welke van de in de huidige artikelen 3 tot en met 10 vervatte principes als én essentieel én gemeenschappelijk zijn te beschouwen zoals, bijvoorbeeld, het recht op vrije meningsuiting van de ambtenaar, zijn recht op informatie, de plicht tot permanente vorming, het recht om zijn persoonlijk dossier te raadplegen, enz. en hetgeen, anderzijds, aan de regeling door de Gemeenschappen en de Gewesten kan worden overgelaten.
       Aldus wordt geoordeeld, in de huidige maatschappelijke context, dat essentieel voor het vertrouwen van het publiek in het geheel van het openbaar ambt zijn de gemeenschappelijke fundamenten als de loyale, integere en zorgzame ambtsuitoefening, de welwillendheid, de openbaarheid, de klantvriendelijkheid, de onpartijdigheid. Deze beginselen blijven dan ook uitdrukkelijk opgenomen in het koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes.
       De nadere invulling en uitwerking ervan, met name inzonderheid hoe dit eindresultaat best kan worden bereikt, moet voorts aan de deelstaten worden overgelaten. De betrokken overheden kunnen aldus in de vorm van gedragsregels of richtlijnen op een meer omstandige wijze de gedrags- en handelwijzen nader omschrijven die de ambtenaren in de uitoefening van hun ambt in acht behoren te nemen.
       Aldus, bijvoorbeeld, wijst de inlassing van het begrip " zorgvuldige " in artikel 4 op het gegeven dat een ambtenaar in zijn ambtsuitoefening het zorgvuldigheidsbeginsel moet eerbiedigen. Dit houdt meteen in, bij wijze van voorbeeld, dat nauwgezet verslagen moeten worden opgesteld, dat de genomen beslissingen zorgvuldig moeten worden uitgevoerd, enz. Dergelijke nadere uitwerkingen en preciseringen van grondbeginselen (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel) in meer precieze gedragsregels inzake deontologie kunnen, mede gelet op hun evolutief karakter, beter aan de betrokken overheden worden toevertrouwd.
       Aan de regel van de vrije meningsuiting van ambtenaren wordt één beperking toegevoegd. Aldus zal de ambtenaar geen feiten bekend maken waardoor de concurrentiepositie van het organisme waarin hij werkt, in het gedrang wordt gebracht. Deze toevoeging doet geen afbreuk aan de regel van het spreekrecht en moet, zoals elke uitzondering, beperkend worden geïnterpreteerd.
       Evenmin leidt zij ertoe dat aldus onoorbare praktijken zouden blijven toegedekt. Wel integendeel, een dergelijke opvatting zou immers juist de gunstige mededingingspositie van het organisme waarin de betrokkene is tewerkgesteld, kunnen schaden. De toevoeging laat daarentegen wel toe dat, bijvoorbeeld, het bedrijfsbelang van de instelling wordt beschermd, evenals bijvoorbeeld het vertrouwelijk karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens.
       Tevens wordt een verschuiving van de artikelen voorgesteld zodoende dat eerst de nadruk wordt gelegd op de dienstbaarheid van de ambtenaar ten overstaan van de gemeenschap. Daartoe moet de ambtenaar ook toegang krijgen tot de noodzakelijke informatie en opleiding. Het beginsel op zichzelf wordt opgenomen in het huidig koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes. De nadere uitwerking ervan wordt toevertrouwd aan de bevoegde overheden.
       Inderdaad, alle overheden zijn, elk voor zich, betrokken in een proces waarbij ze, met verschillende snelheden en allicht langs verschillende wegen, wensen te veranderen van een bureaucratische organisatie naar een moderne organisatie op weg naar een zelflerende organisatie. Zulk een veranderingsproces kan niet zonder dat de organisatie de noodzaak erkent om de nodige opleidingsinitiatieven te nemen, intensief en variabel over de breedte van de organisatie. Een zelflerende organisatie, het uiteindelijke doel, kan niet zonder vorming, op permanente wijze in te voeren in haar ontwikkelingsproces, en in haar competentiemanagement. Derhalve moet de vorming niet als recht worden vermeld wat de foute indruk zou wekken dat het een louter van het individu uitgaand gegeven is. Het is een plicht in hoofde van de organisatie, te formuleren in functie van haar opdracht.
       Het is wenselijk, in zoverre in een stage wordt voorzien, dat ook aan de stagiairs (zie hierna) dezelfde rechten worden toegekend en plichten worden opgelegd inzake ambtelijke deontologie. Het komt de betrokken overheden alsdan toe in vergelijkbare deontologische regels voor stagiairs te voorzien. Het is evenzeer wenselijk dat deze deontologische rechten en plichten tevens zouden gelden voor die personeelsleden die bij arbeidsovereenkomst in dienst worden genomen.
       Artikel 9
       De thans geldende artikelen 11 tot en met 17 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 hebben betrekking op, enerzijds, de werving en selectie van het personeel van de deelstatelijke overheden en, anderzijds, op de stage die het personeelslid moet volbrengen om tot ambtenaar te kunnen worden benoemd.
       Dit besluit beoogt inzake werving en selectie meer autonomie te gunnen aan de Gemeenschappen en de Gewesten. Ook in deze wordt derhalve voorgesteld enkel datgene te behouden dat tegelijkertijd én essentieel is én gemeenschappelijk.
       De autonomie houdt in dat de overheden vooraf in het betrokken ambtenarenstatuut de regels moeten vastleggen inzake werving, selectie, stage, en opleiding.
       Inderdaad, elke overheid moet in het statuut bepalen welk, naar haar inzicht en, gelet op de beschikbare middelen, het meest geschikte systeem is om het beoogde doel, een kwalitatief hoogstaand ambtenarenkorps met het oog op een kwaliteitsvolle dienstverlening, te bereiken.
       Het komt aldus aan de betrokken overheid toe om in het ambtenarenstatuut nader te bepalen welke toelatingsvoorwaarden worden vereist (bv. inzake diploma's, ervaring, geschiktheid, . ), evenals om in de betrokken statuten de procedures vast te stellen die terzake werving moeten worden nageleefd.
       De betrekkingen worden ingedeeld in niveaus op grond van het diplomaniveau (universitair onderwijs, hoger onderwijs korte type, secundair onderwijs, . ). In dat verband, wordt de aandacht gevestigd op hetgeen is bepaald in artikel 9, § 1, tweede lid. Deze bepaling houdt in dat op het ogenblik van de werving slechts zullen kunnen worden aangeworven diegenen die houder zijn van het diploma of getuigschrift dat, ingevolge het statuut, overeenstemt met het niveau van de betrekking waarvoor de werving wordt georganiseerd. Artikel 9, § 1, derde lid, bepaalt dat de bevoegde overheid, voorafgaand aan de vergelijkende selectie, na het advies te hebben ingewonnen van de instantie die instaat voor de selectie, bij gemotiveerde beslissing kan afwijken van hetgeen is bepaald in het tweede lid in geval van schaarste op de arbeidsmarkt.
       Voormeld artikel 9, § 1, tweede lid, moet evenwel worden samengelezen met hetgeen is bepaald in artikel 10. Hetgeen is bepaald in artikel 9, § 1, tweede lid, staat er niet aan in de weg dat, inzake loopbaanorganisatie, het statuut kan voorzien in vormen van competentiebeheer waarbij de ambtenaar, op grond van zijn competenties, kan evolueren binnen de organisatie hetgeen impliceert dat hij kan bewegen binnen het niveau waarin hij werd geworven, evenals toegang kan krijgen, al dan niet tijdelijk, tot een ander niveau dan hetgeen waarin hij werd geworven.
       De autonomie houdt tevens in dat het de betrokken overheden toekomt zich te beraden omtrent de vraag hoe uitvoering zal worden verleend aan de verplichting om te voorzien in een objectief wervingssysteem. Daartoe zal de bevoegde overheid in het statuut onder meer bepalen wie zal instaan voor de uitvoering van de opdrachten inzake werving en selectie van ambtenaren waartoe de bevoegde overheid besluit. Diegenen die met de uitvoering van de opdrachten inzake selectie zullen worden belast, zullen dan ook de nodige waarborgen bieden inzake objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid vereist met het oog op een gelijke behandeling van de kandidaten.
       Immers, hetgeen als essentieel en gemeenschappelijk moet worden beschouwd is de garantie, zowel voor de betrokken overheid (vereiste kwaliteit) als voor de kandidaten, van een objectief - naar vorm en inhoud - wervingssysteem dat de nodige waarborgen biedt naar gelijke behandeling, verbod van willekeur, onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Weliswaar stelt de Raad van State in zijn advies dat dit voorschrift kan komen te vervallen omdat dit slechts een herformulering is van de grondwettelijke waarborg van de gelijke benoembaarheid van de burgers tot het openbaar ambt. Toch wordt geoordeeld dat deze formulering in dit geval beter kan behouden worden. Immers, nu de werving en selectie niet noodzakelijk meer zullen geschieden op grond van een vergelijkend examen en de daaruit voortvloeiende klassering, komt het gepast voor te beklemtonen dat een eventueel nieuw selectiesysteem aan deze grondwettelijke waarborg zal moeten beantwoorden. In dat verband wordt tevens herinnerd aan de waarborgen die worden geboden op grond van meer recente wetten inzake bestuurlijke vernieuwing zoals o.m. de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.
       Ter verduidelijking en ter illustratie van het voorgaande wordt hierna bondig de werkwijze toegelicht die in de toekomst door "SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid" zal worden gevolgd en ter realisatie waarvan een ander besluit aan u wordt voorgelegd.
       In de regel zal de selectie van overheidspersoneel door "SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid" gebeuren na een vergelijkende selectie en wel in de hiernavolgende zin. Op grond van de uitslag van de vergelijkende selectie zal door "SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid" de lijst met de tien eerst gerangschikte kandidaten worden overgemaakt aan de tot benoemen bevoegde overheid. Deze zal, vervolgens, na deze kandidaten te hebben geïnterviewd, uit deze lijst van tien kandidaten diegene(n) benoemen die naar haar oordeel en onder opgave van de redenen die haar beslissing dragen, meest geschikt zijn bevonden voor de uit te oefenen functie(s). De lijst zal vervolgens, op grond van het resultaat van het vergelijkend examen, door "SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid" opnieuw worden aangevuld en opnieuw worden overgemaakt aan de eerstvolgende overheid die daarom vraagt en dit tot op het ogenblik dat de reserve is uitgeput of niet langer geldt.
       In specifieke gevallen, d.w.z. wanneer hoge en/of specifieke competenties worden vereist, kan "SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid" de kandidaten op grond van hun verworven competentieniveau rangschikken per groep (bv. van hoog naar laag te beginnen met groep A en, vervolgens, B, C en D). Deze rangschikking per groep zal aan de benoemende overheid worden overgemaakt. Deze zal vervolgens overgaan, met inachtneming van die classificatie per groep, tot aanduiding van diegene(n) die, naar haar oordeel en uiteraard met opgave van de motieven die haar beslissing dragen, het meest geschikt worden bevonden voor de uit te oefenen functie(s).
       Wat tenslotte de werving en selectie betreft, is er op te wijzen dat vooralsnog in artikel 87, § 2, van de bijzondere wet uitdrukkelijk is bepaald dat iedere Regering de personeelsformatie vaststelt van haar administratie en de benoemingen doet en dat dit personeel wordt aangeworven door bemiddeling van "SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid".
       De verplichting tot werving via bemiddeling van "SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid" secretariaat als bedoeld in artikel 87, § 2 BWHI, blijft, overeenkomstig de huidige bewoordingen van de BWHI, thans nog onverminderd voortbestaan voor het statutair personeel van de administraties (zie infra). Het is derhalve overbodig deze verplichting hier te hernemen in een koninklijk besluit dat zijn bestaansreden vindt in een andere bepaling (artikel 87, § 4) van diezelfde bijzondere wet. Concreet betekent dit de bevestiging van de preponderante rol van de bijzondere wetgever.
       Oordeelt deze met de vereiste meerderheden dat deze verplichting niet langer moet worden opgelegd aan allen, dan verwerft de niet opname van die verplichting in dit besluit zijn volle betekenis : het respecteert de wil van de bijzondere wetgever en legt niet op wat deze niet meer wenst op te leggen, laat derhalve aan elkeen van de overheden betrokken bij het koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes de vrijheid om zelf te beslissen of ze al dan niet verder gebruik wensen te maken van de diensten van "SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid" die verder door de federale overheid kosteloos worden aangeboden.
       Wanneer een overheid op deze dienstverlening een beroep wenst te doen, staat "SELOR - Selectiebureau van de Federale overheid", zoals vandaag, in overleg met de betrokken overheid, in voor de organisatie van de wervingsproeven, het bepalen van de samenstelling van de selectiecommissies, enz. Zoals vandaag zullen, wanneer de aard van de betrekking het vereist, door de betrokken overheid bijzondere wervingsvoorwaarden kunnen worden opgelegd na overleg met de "afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid".
       Evenwel, wat de gedecentraliseerde diensten, instellingen of ondernemingen betreft die van de Gemeenschappen en de Gewesten afhangen, heeft de Raad van State, afdeling wetgeving, verenigde vakantiekamers, in zijn advies van 13 juli 1994 gesteld dat luidens artikel 9, tweede lid, BWHI, het decreet de oprichting, samenstelling, bevoegdheid, werking en het toezicht regelt van de diensten, instellingen of ondernemingen die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten " onverminderd artikel 87, § 4 ".
       Uit de aangehaalde woorden, aldus de Raad van State, " volgt dat de algemene principes onverkort van toepassing zijn op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de deelstaten weze het dat de werving van dat personeel niet noodzakelijk moet gebeuren door bemiddeling van het Vast Wervingssecretariaat " (Belgisch Staatsblad van 1 oktober 1994, p. 24882; in dezelfde zin : Parl. Doc., Vl. R., 1997-1998, 1132/1).
       Dit ontwerp wenst dit gegeven te bevestigen.
       De huidige artikelen 14 tot en met 17 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 betreffen de inrichting en de organisatie van de stage die moet worden volbracht om tot ambtenaar te worden benoemd. Deze bepalingen worden vervangen door artikel 9, § 4, dat de deelstaten de vrijheid laat te oordelen of het volbrengen van een stage is vereist. Indien het statuut in een stage voorziet, dienen de stagiairs wel te worden onderworpen aan een aantal bepalingen van dit besluit, zoals aangeduid in bovenvermeld artikel. De deelstaten kunnen ook, indien zij dit wensen, voor de stagiairs waarvan de stage geen voldoening schenkt, een recht op beroep voorzien bij een commissie die tenminste over een adviesbevoegdheid beschikt.
       Artikelen 10 tot 13
       Deze artikelen betreffen de loopbaan.
       Thans wordt de loopbaan geregeld in de artikelen 18 tot en met 29 van het koninklijk besluit van 26 september 1994. Ook hier echter wordt er naar gestreefd om in de toekomst een zo groot mogelijke autonomie te verlenen aan de Gemeenschappen en de Gewesten teneinde hen toe te laten in het statuut hun eigen inzichten te formuleren omtrent de organisatie van de loopbaan en, derhalve, de loopbaanontwikkeling. Zoals hoger reeds is gesteld worden de betrekkingen gerangschikt in niveaus. De overheid zal er op toezien dat bij deze classificatie de gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt gewaarborgd. Bij de organisatie van de loopbaan kunnen de overheden voorzien in vormen van competentiebeheer waarbij de ambtenaar kan bewegen binnen het niveau waarin hij werd geworven, evenals, al dan niet tijdelijk, toegang krijgt tot een betrekking van een ander niveau dan datgene waarin hij werd aangeworven.
       Het statuut moet inzake de organisatie van de loopbaan voldoende openheid en doorzichtigheid waarborgen. Dit betekent dat de nodige instrumenten moeten worden ontwikkeld teneinde de ambtenaar inzicht te geven in de mogelijkheden van loopbaanontwikkeling.
       De deelstaten moeten inderdaad autonoom kunnen beslissen welke structuren het meest geëigend zijn om het ambtenarenkorps blijvend te kunnen motiveren en responsabiliseren. Op die wijze, dat wil zeggen door terzake meer ruimte te bieden, wordt beheersmatig tegemoet gekomen aan de behoeften van de bevoegde overheid om in het betrokken statuut, inzake loopbaanorganisatie en -ontwikkeling, rekening te houden met de fase die de betrokken dienst of de betrokken instelling heeft bereikt inzake personeelsmanagement.
       Er wordt ook voorgesteld geleidelijk af te stappen van de vereiste om personeelsformaties vast te stellen waarin het aantal betrekkingen vooraf statisch is vastgesteld.
       In het statuut zullen tevens de algemene regels worden bepaald inzake bevorderingsvoorwaarden en -procedures. Daarbij zijn opnieuw een aantal algemene rechtsbeginselen in acht te nemen zoals de gelijke behandeling en het verbod van willekeur.
       Elk statuut behoort tevens te voorzien in een systeem van evaluatie. In zijn advies L.30.218/1 van 22 juni 2000 meent de Raad van State uit het antwoord van de gemachtigde van de regering te moeten afleiden dat, wanneer de evaluatie betekenis kan hebben bij latere loopbaanbeslissingen, voor de betrokken ambtenaar de mogelijkheid blijft openstaan om een beroep tot nietigverklaring van de evaluatiebeslissing in te stellen bij de Raad van State, afdeling administratie. Dit is een foutieve gevolgtrekking. Immers, het in aanmerking nemen van in het verleden behaalde resultaten en prestaties op het ogenblik van een bevorderingsaanvraag kan geheel los gezien worden van de op regelmatige tijdstippen georganiseerde evaluatiemomenten en de geschreven neerslag ervan. Trouwens, in de mate dat er, behoudens de "onvoldoende", geen evaluatiebeslissing wordt genomen, kan er uiteraard geen sprake zijn van een griefhoudende evaluatiebeslissing. Weliswaar zou in zulk geval de niet-bevordering kunnen aangevochten worden, maar niet de evaluatie-"beslissing", aangezien deze niet bestaat.
       Er wordt niet langer gesteld dat de evaluatie gebeurt ten minste door twee hiërarchische meerderen van verschillende rang. Dit betekent dat, zonder onderscheid, ook personeel dat bij arbeidsovereenkomst is aangeworven en met een leidinggevende functie is belast, in de uitoefening van die functie, evaluaties kan verrichten.
       Verder stelt de Raad van State dat gezien het federaal statuut geen evaluatie van zijn leidende ambtenaren voorziet, de veralgemeende evaluatie van alle ambtenaren geen algemeen principe uitmaakt. Derhalve worden tijdelijk de leidende ambtenaren uitgezonderd wat betreft de toepassing van artikel 11, § 2, van onderhavig besluit. Artikel 31 voorziet de schrapping van de zinsnede "met uitzondering van de leidende ambtenaren", eens eveneens op federaal vlak een veralgemeende evaluatie is ingevoerd.
       Het begrip "leidende ambtenaren" stemt in de federale overheid overeen met de ambtenaren van de rangen 17, 16 en 15. Dit betekent geenszins dat, wanneer de Gemeenschappen en Gewesten dit wensen, zij niet zouden kunnen voorzien in een evaluatie van de leidende ambtenaren. Dit kunnen ze wel degelijk, want het behoort tot hun autonomie. Ze zullen pas kunnen worden verplicht vanaf het ogenblik dat de federale overheid in zulk systeem voorziet.
       Artikel 12 bepaalt dat het statuut in een mandaat kan voorzien. Deze uitdrukkelijke vermelding wordt noodzakelijk geacht omdat het mandaat tijdelijk is en dus geen vaste benoeming inhoudt voor de functie die bij mandaat wordt begeven. Het is niet de bedoeling het mandaat op een veralgemeende wijze in te voeren in alle niveaus. Het mandaat zal worden aangewend voor managementfuncties.
       Artikel 13 betreft, zoals huidig artikel 29 van het koninklijk besluit van 26 september 1994, de mobiliteit.
       Artikel 14
       Dit artikel heeft betrekking op de tuchtregeling.
       Gelet op het ingrijpend karakter van een tuchtprocedure op de loopbaan van een ambtenaar wordt, zonder afbreuk te doen aan de autonomiegedachte dat huidig ontwerp voorstaat, in dit ontwerpbesluit een meer nadere uitwerking verleend aan de in acht te nemen regels in het geval van een tuchtprocedure. Niet alleen het principe van de tuchtregeling zelve, doch ook een minimaal verzekerde (administratieve) rechtsbescherming en een eenvormigheid inzake sancties worden beschouwd als essentieel én gemeenschappelijk, met dien verstande dat, wat de sancties betreft, de Gemeenschappen en Gewesten geen andere tuchtstraffen kunnen invoeren dan deze voorzien in het ontworpen artikel 14, maar dat zij niet verplicht zijn al die tuchtstraffen over te nemen.
       Voor het overige komt het de Gemeenschappen en de Gewesten toe in hun statuten de tuchtregeling nader uit te werken.
       Tenslotte, wordt voorgesteld om de lijst van de tuchtsancties uit te breiden met de lagere inschaling en het ambtshalve ontslag om tuchtredenen. Op die wijze wordt de keuzemogelijkheid van de betrokken overheid uitgebreid rekening houdende met, enerzijds, de autonomie van de deelstaten op het vlak van de organisatie van de loopbaan en, anderzijds, het minder ingrijpend karakter van het ambtshalve ontslag om tuchtredenen op de pensioensituatie van de betrokkene.
       Artikel 15
       Dit artikel regelt de schorsing in het belang van de dienst.
       Betreffende deze wordt een analoge benadering voorgesteld als inzake de tuchtregeling. Het betekent dat de mogelijkheid zelf om een ambtenaar preventief te schorsen wordt voorzien evenals de minimaal in acht te nemen waarborgen inzake rechtsbescherming.
       Artikelen 16 tot 20
       Deze artikelen regelen de administratieve standen van de ambtenaar.
       In de mate van het mogelijke wordt ook hier uitgegaan van de autonomie van de Gemeenschappen en de Gewesten doch zal het statuut rekening moeten houden met een minimaal gegarandeerde bescherming die als essentieel én gemeenschappelijk wordt beschouwd, met name op het vlak van het jaarlijks verlof, de moederschapsbescherming, ziekte of gebrekkigheid, inzake disponibiliteit en inzake arbeidsduur. Dit is de betekenis van het voorgestelde artikel 17.
       Het ontworpen artikel 17 beoogt hetgeen vandaag is bepaald in artikel 45 van het koninklijk besluit van 26 september 1994. Het werd slechts aangepast teneinde het in overeenstemming te brengen met het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen waarin de vroegere regelingen waarnaar is verwezen in het huidige artikel 45 van het koninklijk besluit van 26 september 1994, werden samengebracht. Dit betekent niet dat noodzakelijkerwijze moet worden voorzien in de stand "disponibiliteit", zolang de personeelsstatuten maar dezelfde rechten bevatten als diegene die worden verleend bij de artikelen 65 tot 67 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. De artikelen 18 en 20 stemmen overeen respectievelijk met de huidige artikelen 44 en 43 van het koninklijk besluit van 26 september 1994. Zij behoeven geen verdere commentaar.
       Artikel 19 wordt ten opzichte van het artikel 42 van het APKB van 1994 aangevuld met een tweede paragraaf met het oog op de beheersbaarheid van de overheidspensioenen ten laste van de federale Schatkist. Het is in dat opzicht onontbeerlijk dat de voor de pensioenen bevoegde federale overheid wordt ingelicht omtrent elke maatregel die een weerslag kan hebben op de pensioenen van het definitief benoemde en daarmee gelijkgesteld overheidspersoneel, dat onder toepassing valt van dit besluit.
       Artikelen 21 tot 25
       Deze artikelen bepalen de gevallen waarin een ambtenaar zijn hoedanigheid kan verliezen en de uitoefening van zijn ambt mag stopzetten.
       Ook inzake het verlies van hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging wordt uitgegaan, waar mogelijk, van de autonomie van de Gemeenschappen en de Gewesten. Anderzijds, worden met het oog op eenheid van opvatting een aantal fundamentele beginselen inzake het behoud en verlies van de hoedanigheid van ambtenaar als gemeenschappelijk aangeduid.
       Aldus wordt het principe van de reaffectatie bevestigd en wordt duidelijk gesteld dat de afschaffing van de betrekking die de ambtenaar bekleedt geen aanleiding kan geven tot het verlies van hoedanigheid van ambtenaar of tot ontslag.
       Voor wat betreft het verlies van de nationaliteitsvereiste wordt er verwezen naar de bespreking van artikel 1 hiervoren. Gelet op de huidige regeling terzake in de Grondwet blijft thans in dit besluit wel nog de regel behouden dat het niet langer voldoen aan het nationaliteitsvereiste leidt tot het verlies van de hoedanigheid van ambtenaar.
       Anderzijds wordt benevens de gevallen van ambtshalve ontslag, het begrip " ontslag " uitdrukkelijk ingevoerd in het geval van de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid. Het begrip " ontslag " moet niet langer worden geschuwd en consolideert slechts hetgeen de jongste jaren het logisch gevolg is geweest van de invoering van een evaluatiesysteem.
       Het betrokken statuut zal de procedureregels, modaliteiten en evaluatiecriteria bepalen waaronder ontslag wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid wordt verleend. Het bepaalt tevens de voorwaarden waaronder aan belanghebbenden een vergoeding wegens ontslag kan worden verleend.
       Uiteraard geven tevens aanleiding tot ambtsneerlegging het vrijwillig ontslag, evenals de inruststelling.
       Artikelen 26 tot 30
       Op het vlak van de bezoldigingsregeling wordt eveneens als uitgangspunt gehanteerd dat inzake hun personeelsbeheer, waar mogelijk, een zo groot mogelijke autonomie aan de Gemeenschappen en de Gewesten wordt gegund. Dit geldt ook voor de regeling van het geldelijk statuut van hun personeel. Het statuut zal dan ook, met een zo groot mogelijke mate van vrijheid, in een bezoldigingsregeling van het personeel moeten kunnen voorzien. In de regel zal dit logischerwijze, dit wil zeggen behoudens bijzondere gevallen, geschieden in functie van de loopbaanstructuur zoals die in het statuut wordt bepaald en, derhalve, in functie van het niveau, de aard van de opgedragen taken en de vereiste competenties.
       De thans bestaande minimale rechten zijn gevrijwaard voor het personeel door artikel 29 van het ontwerp; enkel het recht op de haard- of standplaatstoelage, zoals bedoeld in artikel 57 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 is niet meer hernomen doch zal niet verdwijnen zonder in compensatie te hebben voorzien : inderdaad, het is aangewezen terzake de autonomie van elke deelstaat te erkennen.
       Het ruimere en meer complexe probleem dat rijst door de eventuele uiteenlopende ontwikkeling van de wedden en de gevolgen daarvan op de pensioenuitkeringen wordt ondervangen door een bepaling vergelijkbaar met het vroegere artikel 53 (het thans voorgestelde artikel 27) in die zin dat het statuut binnen elk niveau de weddeschalen bepaalt in functie van de aard van de opgedragen taken en de vereiste competenties. Voor elke weddeschaal wordt een minimum- en maximumwedde vastgesteld. Daarenboven bepaalt paragraaf 2 van artikel 27 dat voor elk niveau een maximumwedde wordt bepaald door de federale overheid, na advies van de betrokken overheden en dat voor elk niveau een minimumwedde wordt bepaald door de federale overheid na akkoord van de betrokken overheden. Wat de mimimumwedden betreft, wordt het akkoord vereist omdat de betrokken overheden de kostprijs van een eventuele verhoging van de minimumwedden verplicht dienen ten laste te nemen.
       Het toekennen van weddesupplementen zoals staf- of managementstoelagen en functioneringstoelagen kan als gevolg hebben dat de maximumwedde wordt overstegen. Immers onder het begrip wedde zijn niet alle mogelijke vergoedingen begrepen. Dat deze niet meetellen voor de berekening van het wettelijk pensioen vloeit voort uit de Pensioenwet. Enkel zo de Pensioenwet dit uitdrukkelijk vermeldt, kunnen zij in aanmerking worden genomen voor de berekening van het pensioen.
       Tenslotte is het duidelijk dat indien het bepalen van de maximumwedden van de niveaus van een overheid een impact heeft die de norm vastgesteld bij de bijzondere wet van 27 april 1994 tot instelling van een responsabiliseringsbijdrage ten laste van sommige werkgevers van de openbare sector overstijgt, deze bijkomende last volledig zijn repercussie zal hebben in de responsabileringsbijdrage van de betrokken overheid. De bijzondere wet zal in die optiek worden herzien.
       Artikelen 31 tot 35
       Artikel 34 voorziet dat artikel 6 slechts in werking treedt zes maanden na de bekendmaking van dit besluit. Aldus wordt de Gemeenschappen en de Gewesten de nodige tijd geboden om de personeelsstatuten ten aanzien waarvan zij bevoegd zijn, aan te passen aan de stringentere bepaling van dit besluit, d.w.z. de bijkomende beperking van het spreekrecht van de ambtenaar wat betreft feiten waarvan de bekendmaking de mededingingspositie van het organisme kan schaden.
       Ingevolge de opmerking van de Raad van State dat de inwerkingtreding van dit ontwerpbesluit en van het ontworpen koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel op elkaar moeten worden afgestemd, hetgeen inhoudt dat de inwerkingtreding gelijktijdig is, zullen beide besluiten op dezelfde dag in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       Van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen,
       L. VAN DEN BOSSCHE
       Om te voldoen aan de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, eerste lid, wordt het advies van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State nr. L. 30.218/1 van 22 juni 2000, gevoegd : <Erratum, zie B.St. 20.01.2001, p. 1576-1588>
       ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
       De Raad van State, Afdeling Wetgeving, eerste Kamer, op 26 mei 2000, door de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit " tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de Rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de colleges van de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook van de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen ", heeft, op 22 juni 2000, het volgende advies gegeven :
       Strekking van het ontwerp.
       Het om advies voorgelegde ontwerp-besluit strekt tot vervanging van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de Rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de colleges van de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen (afgekort " APKB ").
       Het ontworpen besluit, dat zijn rechtsgrond vindt in artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen beoogt, luidens het verslag aan de Koning, tegemoet te komen aan de vraag van sommige deelgebieden " om met meer ruimte, (...), in te spelen op wetenschappelijk verantwoorde moderne inzichten en technieken inzake personeelsbeheer en -organisatie ". Een aantal regels die thans nog in het APKB voorkomen, worden niet langer als algemeen beginsel beschouwd en komen derhalve niet langer voor in de nieuwe tekst. Dit is, onder meer, het geval voor de regel dat de aanwervingen gebeuren door middel van een vergelijkend wervingsexamen, georganiseerd door het vast Wervingssecretariaat, voor meerdere regels betreffende de wervingsprocedure, voor de verplichting een stage te organiseren, voor de regels betreffende de indeling van de loopbaan in graden en rangen, voor meerdere regels betreffende de evaluatie en voor de regels betreffende de minimumsalarisschalen per niveau.
       Voorafgaande vormvereisten.
       1. Het ontwerp werd klaarblijkelijk niet behandeld in de onderhandelingscomités van de " Radio-Télévision belge de la Communauté française " en van het " Commissariaat général aux relations internationales de la Communauté française " (1).
       (1) De sociale betrekkingen in beide voornoemde organismen worden geregeld door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 5 april 1984 tot regeling van de sociale betrekkingen in de instellingen van openbaar nut die onder de Franse Gemeenschap ressorteren (Belgisch Staatsblad, 21 april 1984), gewijzigd bij de besluiten van 15 maart 1985, 22 januari 1991, 3 juli 1991, 28 november 1996 en bij het decreet van 14 juli 1997.
       In zijn advies nr. L. 23.593/VR/V van 26 juli 1994 (2), uitgebracht in verenigde kamers over het ontwerp dat het koninklijk besluit van 26 september 1994 geworden is, heeft de Raad van State het volgende opgemerkt :
       (2) Belgisch Staatsblad, 1 oktober 1994.
       " Wat de onderhandelingen met de vakbonden betreft mag eraan worden herinnerd dat :
       " Krachtens artikel 87, § 3 (lees : 4), van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, (...) de algemene principes van het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van toepassing (zijn) op alle publiekrechtelijke rechtspersonen die ressorteren onder de gemeenschappen en de gewesten en dus onder meer op de " Radio-Télévision belge de la Communauté française " en op het " Commissariat général aux relations internationales de la Communauté française ".
       Ofschoon de onderhandeling heeft plaatsgehad in het Onderhandelingscomité voor de nationale, de gemeenschaps- en gewestelijke overheidsdiensten, is dat niet zo voor de " R.T.B.F. " en het " Commissariat ".
       De gemachtigde van de minister heeft bevestigd dat de onderhandelingscomités van die instellingen niet geraadpleegd zijn omdat de Franse Gemeenschapsexecutieve van oordeel is dat de algemene principes niet van toepassing zijn op die instellingen ".
       Dit standpunt kan niet worden bijgetreden omdat, zoals de Raad van State reeds opmerkte :
       " De op grond van het nieuwe artikel 87, § 4 te bepalen algemene principes (...) alle publiekrechtelijke rechtspersonen (betreffen) voor zover zij ressorteren onder de gemeenschappen en de gewesten (3). De in aanmerking te nemen maatstaf is derhalve die van de afhankelijkheid, waarvan een van de gevolgen (is) de bevoegdheid van de overheid waaronder de rechtspersoon ressorteert om het statuut van de leden van haar personeel te bepalen. Die maatstaf geldt voorts voor de R.T.B.F. en het C.G.R.I..
       (3) De tekst weert alleen het in artikel 24 van de Grondwet bedoelde personeel uit zijn werkingssfeer.
       Wat deze laatste twee instellingen betreft is de omstandigheid dat het nationaal vakbondsstatuut, luidens artikel 87, § 5, van de bijzondere wet, er niet op van toepassing is, totaal irrelevant. Ze maken integendeel deel uit van de instellingen bedoeld in de wet van 16 maart 1954 (4) en ressorteren ontegenzeglijk onder de Franse Gemeenschap ".
       (4) De R.T.B.F. behoort tot categorie B, het C.G.R.I. tot categorie A.
       Het voorbehoud, dat met betrekking tot de onderhandeling met de vakbonden is gemaakt in het advies van 13 november 1991, moet hier dan ook worden herhaald ".
       Die opmerking kan mutatis mutandis met betrekking tot het voorliggende ontwerp worden herhaald.
       2. De beslissing van de Ministerraad om over het ontwerp advies te vragen aan de Raad van State met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dateert van 31 maart 2000. Op diezelfde datum, werd beslist om met betrekking tot een aantal in de tekst van het ontwerp aan te brengen wijzigingen, opnieuw het advies in te winnen van de onderscheiden Gemeenschaps- en Gewestregeringen en die wijzigingen te onderwerpen aan de wettelijk vereiste syndicale onderhandelingen.
       Principieel kunnen voorontwerpen van wet, decreet of ordonnantie en ontwerpen van reglementaire besluiten slechts met toepassing van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan de Afdeling Wetgeving worden voorgelegd wanneer ze kunnen worden beschouwd als definitieve teksten, met andere woorden nadat ze alle achtereenvolgende fasen van de administratieve voorbereiding hebben doorlopen en dus ook nadat de Ministerraad of de betrokken regeringen in de gelegenheid zijn geweest uit de nageleefde vormvereisten de nodige conclusies te trekken.
       3. De hierna volgende opmerkingen worden gemaakt onder het dubbele voorbehoud dat aan de nog niet nageleefde vormvereisten wordt voldaan en dat, mochten de aan de Raad van State voorgelegde teksten ten gevolge hiervan - of van wel reeds nageleefde vormvereisten, maar waaruit door de Ministerraad nog geen conclusies werden getrokken - nog wijzigingen ondergaan, de gewijzigde bepalingen voor een nieuw onderzoek aan de Raad van State worden voorgelegd.
       Algemene opmerkingen.
       1. Krachtens verschillende bepalingen van het ontwerp, dienen de onderscheiden statuten bepaalde aangelegenheden te " regelen ", te " bepalen " of " vast te stellen ".
       Er kan worden aanvaard dat het enkele gegeven dat een bepaalde aangelegenheid in het statuut van de Rijksambtenaren wordt geregeld, wordt aangezien als een algemeen beginsel van dat statuut dat van rechtswege van toepassing is op de deelentiteiten. De draagwijdte van dat algemene beginsel betekent dan niet enkel dat de deelgebieden die aangelegenheid bij wijze van algemene maatregel moeten regelen, maar ook dat die aangelegenheid, althans in zijn essentiële elementen, in de onderscheiden statuten zelf moet worden geregeld en derhalve niet vatbaar is voor delegatie aan, hetzij aan een minister, hetzij aan ambtenaren.
       2. Zoals de Raad van State, Afdeling Wetgeving, reeds heeft opgemerkt in zijn advies L. 21.303/2 van 13 november 1991 (5), " (moet) een algemeen principe (...) substantieel worden geformuleerd en niet door verwijzing naar een andere bepaling. Er mag dus niet in worden verwezen naar een koninklijk besluit en nog minder naar een bepaling die dat koninklijk besluit zou wijzigen, aangezien die wijziging kan worden aangebracht zonder gebruik te maken van de procedure waarin artikel 87, § 4, van de bijzondere wet (van 8 augustus 1980) voorziet ".
       (5) Belgisch Staatsblad, 24 december 1991.
       Met name zou aldus het in die bepaling ingeschreven vormvereiste, dat over de vaststelling van de gemeenschappelijke algemene principes van het administratief en geldelijk statuut, het advies van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen moet worden ingewonnen, worden omzeild.
       Uit wat voorafgaat volgt dat de artikelen 17, 1°, 2°, 3° en 4°, 28 en 29 van het ontwerp dienen te worden herwerkt.
       3. De artikelen 20 en 27, § 2, eerste lid verwijzen naar door de Koning vast te stellen regelingen na advies van de " regeringen " of de " betrokken overheden ".
       Het staat niet aan de Koning om een door artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (6) opgelegde vormvereiste te herhalen. Die werkwijze kan immers verwarring doen ontstaan omtrent de hiërarchische rangorde van dat voorschrift.
       (6) Die bepaling schrijft overigens - naast het advies van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen - een overleg in de Ministerraad voor.
       Evenmin vermag de Koning te bepalen, zoals in artikel 27, § 2, tweede lid dat een regel zal worden uitgevaardigd " na akkoord van de betrokken overheden ".
       Zulk een bepaling schendt artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, krachtens hetwelk de erin bedoelde algemene principes, worden aangewezen na advies van de betrokken regeringen. Het komt de Koning immers niet toe om de vormvoorschriften, zoals deze door de bijzondere wetgever zijn vastgesteld, te wijzigen.
       4. Nog met betrekking tot de artikelen 20 en 27 dient te worden opgemerkt dat de krachtens die artikelen door de Koning uit te vaardigen regels niet mogen worden opgevat als regels die enkel van toepassing zijn ten aanzien van het personeel van de gemeenschappen en de gewesten, maar dat die regels ook dienen te gelden voor het Rijkspersoneel. Mocht dit laatste niet het geval zijn, kunnen die regels niet worden beschouwd als algemene principes waarvan de gemeenschappen en de gewesten niet kunnen afwijken.
       5. Artikel 19 van het ontwerp onderwerpt het normatieve optreden van de deelgebieden hetzij aan de goedkeuring van de federale overheid, hetzij aan een voorafgaande informatieplicht.
       Aangezien die regel, gelet op zijn aard zelf, geen toepassing kan vinden op het Rijkspersoneel, kan het niet om een algemeen principe gaan dat van rechtswege van toepassing is op de gemeenschappen en de gewesten.
       Bovendien is het niet bestaanbaar met het beginsel van de wederzijdse autonomie van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten dat de Koning aan de deelgebieden op eenzijdige wijze het naleven van overleg- of samenwerkingsvormen zou opleggen.
       Conclusie moet derhalve zijn dat artikel 19 dient te vervallen. Evenwel belet niets de federale wetgever regels uit te vaardigen betreffende de mate waarin met de door de gemeenschappen en de gewesten uitgevaardigde regels betreffende de administratieve stand van afwezige ambtenaren, voor de pensioentoestand van die ambtenaren rekening zal worden gehouden.
       Onderzoek van de tekst.
       Aanhef.
       1. Strikt genomen kan het eerste lid van de aanhef worden weggelaten aangezien het ontwerp-besluit niet het statuut van het Rijkspersoneel als zodanig bepaalt, maar wel uitvoering geeft aan artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
       2. Alhoewel de wet van 8 augustus 1988 inhoudelijk gezien een bijzondere wet is, komt die benaming niet voor in het opschrift ervan. Men schrijve derhalve in het tweede lid van de aanhef " ... gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988 en bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 ".
       3. Het vijfde lid van de aanhef is overbodig en dient derhalve te worden geschrapt.
       4. Er dient aan de aanhef een lid te worden toegevoegd waarin wordt gerefereerd aan het koninklijk besluit van 26 september 1994, dat door artikel 31 wordt opgeheven.
       5. Het verdient aanbeveling de nagekomen vormvereisten in de aanhef in chronologische volgorde te vermelden.
       De onderscheiden adviezen gegeven door één enkele Regering, kunnen bovendien worden gegroepeerd. De plaats in de aanhef waar van die adviezen melding wordt gemaakt, wordt dan bepaald door de datum van het eerst gegeven advies.
       6. De aanhef dient te worden aangevuld met twee leden waarin wordt verwezen, respectievelijk, naar de beslissing van de Ministerraad om aan de Raad van State advies te vragen binnen een termijn van een maand en naar het advies van de Raad van State met vermelding van de datum waarop dat advies is gegeven.
       Daarenboven dient de aanhef te worden vervolledigd met de voordrachtformule en met de vermelding " Hebben Wij besloten en besluiten Wij : ". Artikel 1. 1. Zoals in de huidige tekst van het APKB, kan in artikel 1, § 1, eerste lid beter worden geschreven :
       " Ambtenaar is elkeen die, in vast dienstverband, tewerkgesteld is .... ".
       2. Bij artikel 49 van het ontworpen koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, waarover de Raad van State, Afdeling Wetgeving, op 25 mei 2000, het advies L. 30.123/1 heeft gegeven, wordt het begrip " lichamelijke geschiktheid " vervangen door het begrip " medische geschiktheid ".
       Het verdient aanbeveling die nieuwe terminologie ook te gebruiken in artikel 1, § 3, 4°, van het ontworpen APKB.
       3. De aandacht van de stellers van het ontwerp wordt erop gevestigd dat artikel 1, § 4 het niet mogelijk maakt de eed die de stagiair in voorkomend geval aflegt, ook te laten gelden voor het geval hij definitief tot ambtenaar wordt benoemd.
       Artikel 2.
       1. Artikel 2, § 1, tweede lid, 4° voert een nieuwe uitzondering in op het beginsel dat ambtenaren in statutair verband worden benoemd. De bepaling laat toe personeel ook bij arbeidsovereenkomst in dienst te nemen om " te voorzien in de uitvoering van taken die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen, beide relevant voor de uit te voeren taken ".
       Ondanks de toevoeging van de specificatie dat een kennis is vereist die " bijzonder " is en een ervaring die " ruim " is, blijft de vaststelling dat de nieuwe uitzondering wordt omschreven door middel van vage en vrij algemene criteria, die tot tal van interpretatiemoeilijkheden en betwistingen aanleiding kunnen geven.
       Het verdient daarom aanbeveling in het verslag aan de Koning, meer dan thans het geval is, nadere toelichting te verschaffen omtrent de draagwijdte van deze nieuwe uitzondering, met name door het geven van voorbeelden van categorieën van personeel die op grond van de nieuwe bepalingen zouden kunnen worden aangeworven.
       2. Het is slechts wanneer een bepaalde regel voorkomt in de bepalingen die het statuut van het Rijkspersoneel regelen, dat die regel als algemeen beginsel kan worden aangewezen.
       De mogelijkheid om personeel bij arbeidsovereenkomst aan te werven voor de uitvoering van taken die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen, beide relevant voor de uit te voeren taken, is thans nog niet opgenomen in artikel 4, § 1, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, zijnde de bepaling waarin de afwijkingsmogelijkheden op het principe van de statutaire aanwerving worden omschreven. Die bepaling zal derhalve dienen te worden gewijzigd opdat de regel opgenomen in artikel 2, § 1, tweede lid, 4°, van het ontwerp zou kunnen worden beschouwd als algemeen principe.
       3. Artikel 2, § 2 laat toe dat bepaalde openbare instellingen die afhangen van de gemeenschappen en de gewesten, geheel of gedeeltelijk beroep doen op personeel aangeworven bij arbeidsovereenkomst, ook buiten de grenzen bepaald in artikel 2, § 1.
       De vraag kan rijzen of deze bepaling te verenigen valt met de artikelen 9, tweede lid, laatste volzin, en 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, waaruit, althans tekstueel gezien, lijkt voort te vloeien dat de algemene principes van rechtswege en zonder enige uitzondering van toepassing zijn op de hoger genoemde openbare instellingen.
       Er dient evenwel rekening te worden gehouden met het arrest nr. 78/2000 van 21 juni 2000 van het Arbitragehof, waarin het volgende wordt overwogen :
       " B.3.2. Naar luid van artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is de Koning ertoe gemachtigd " die algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel aan (te wijzen), welke van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van de gemeenschappen en de gewesten, evenals op het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen en de gewesten, met uitzondering van het personeel bedoeld in artikel 17 van de Grondwet.
       De federale overheid beschikt op grond hiervan over een ruime machtiging om de algemene principes vast te stellen die van toepassing zijn op de gehele overheidsdienst van gemeenschappen en gewesten.
       Door artikel 87, § 4, van de bijzondere wet aan te nemen, heeft de wetgever ten aanzien van de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen niet de wetsbepalingen opgeheven die sommigen onder hen aan de concurrentieregels onderwerpen. Die in artikel 87, § 2, (lees : artikel 87, § 4,) vervatte machtiging aan de Koning dient dus te worden gelezen in samenhang met die wetsbepalingen alsmede met de beginselen van het Europese recht ter zake, die onder meer voortvloeien uit de artikelen 81 tot 89 van het Verdrag van Rome.
       De Koning mag van die machtiging dus slechts gebruik maken mits rekening wordt gehouden met die regels, op een manier dat de vermelde algemene principes een personeelsbeheer mogelijk maken dat verenigbaar is met de noodwendigheden die voortvloeien uit het concurrentieel kader waarin sommige overheidsbedrijven hun bevoegdheden dienen uit te oefenen ".
       Conclusie die uit deze rechtspraak lijkt te moeten worden afgeleid, is dat de Koning kan toelaten de openbare instellingen, afhangend van de gemeenschappen en de gewesten, die aan de concurrentieregels zijn onderworpen, te onttrekken aan de algemene principes inzake de werving van personeel, door de bevoegde wetgevers toe te laten op ruimere schaal dan krachtens die principes is toegelaten, een beroep te doen op personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven.
       Artikel 6. Artikel 6 herneemt woordelijk de bepalingen van artikel 3 van het ontworpen koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel (7), waarover de Raad van State, Afdeling Wetgeving, op 25 mei 2000, het advies L. 30.123/1 heeft uitgebracht.
       (7) Dat artikel wijzigt artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937.
       Er kan dan ook worden verwezen naar de opmerking die in dat advies met betrekking tot die bepalingen werd gemaakt en die luidt :
       " Krachtens het ontworpen artikel 10, tweede lid, geldt het verbod voor ambtenaren om feiten bekend te maken waarvan zij uit hoofde van hun ambt kennis hebben, ook voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen, zolang er nog geen eindbeslissing is genomen.
       Alhoewel zulk een algemene discretieplicht, gelet op de rechtspraak van de Raad van State, Afdeling Administratie (8), in beginsel toelaatbaar kan worden geacht, moet worden opgemerkt dat erdoor geen afbreuk kan worden gedaan aan internationaalrechtelijke, grondwettelijke of wettelijke bepalingen op grond waarvan de ambtenaar, ook in de voorbereidende fase van de besluitvorming, tot het verstrekken van informatie gehouden is. Zo zal de betrokken ambtenaar zich niet op de ontworpen bepaling kunnen beroepen om toegang te weigeren tot documenten waaromtrent de burger op grond van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur een recht op inzage of afschrift kan laten gelden (9) ".
       (8) R.v.St., nr. 47.689, 31 mei 1994, Leclercq.
       (9) Zie R.v.St., nrs. 62.921 tot 62.924, 5 november 1996, Goosse, Orfinger, GERFA en De Baenst.
       Artikel 9.
       1. Artikel 9, § 1, tweede en derde lid herneemt in belangrijke mate het ontworpen artikel 16, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937. Met betrekking tot die bepaling heeft de Raad van State, Afdeling Wetgeving, in zijn advies L. 30.123/1 van 25 mei 2000, het volgende opgemerkt :
       " Het ontworpen artikel 16, eerste lid, 6° maakt het mogelijk af te wijken van het - overigens momenteel in artikel 11, § 1, 2°, van het APKB opgenomen - fundamentele beginsel uit het ambtenarenstatuut dat niemand als ambtenaar kan worden aangeworven tenzij hij houder is van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenstemt met het niveau van de te verlenen betrekking.
       Het toestaan van afwijkingen op dit beginsel, dat de toegang tot het openbaar ambt in gelijke omstandigheden beoogt te waarborgen, is slechts toelaatbaar wanneer die afwijkingen kunnen steunen op objectieve en in redelijkheid verantwoorde motieven. Teneinde betwistingen omtrent de aanwezigheid van zulke motieven in de toekomst zo veel mogelijk te vermijden, verdient het aanbeveling de tweede mogelijkheid van afwijking op het hoger genoemde beginsel - de aanwezigheid van " een andere bijzondere omstandigheid die dergelijke afwijking noodzakelijk maakt " - nader te omschrijven en te objectiveren ".
       De tekst van artikel 9 zal in voorkomend geval dienen te worden aangepast gelet op het gevolg dat aan die opmerking is gegeven.
       2. Artikel 9, § 3 preciseert dat de werving en selectie van de ambtenaren in ieder geval geschiedt (en niet " zal geschieden ") " op grond van een objectief wervingssysteem dat, naar vorm en inhoud, de nodige waarborgen biedt inzake benoembaarheid behandeling, verbod van willekeur, onafhankelijkheid en onpartijdigheid ". Dit voorschrift is slechts een herformulering van de grondwettelijke waarborg van de gelijke benoembaarheid van de burgers tot het openbaar ambt en kan derhalve beter vervallen.
       3. De gemachtigde van de Regering heeft aan de auditeur-verslaggever bevestigd dat het effectief in de bedoeling ligt om de thans in het APKB opgenomen regel (artikel 11, § 1, 3°) dat een persoon slechts als ambtenaar kan worden aangeworven wanneer hij is geslaagd in een vergelijkend wervingsexamen, niet langer als algemeen principe te beschouwen.
       Ook reeds in het ontworpen besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, werd de regel dat de werving van de Rijksambtenaar gebeurt door middel van vergelijkende wervingsexamens, in belangrijke mate afgezwakt, zodat die regel dan ook niet langer zou kunnen worden aangemerkt als een algemeen principe dat toepassing dient te vinden op de gemeenschappen en de gewesten. In zijn advies L. 30.123/1 van 25 mei 2000, heeft de Raad van State hieromtrent het volgende opgemerkt :
       " Zoals zoëven sub 2 is opgemerkt, wordt de regel dat de werving van de Rijksambtenaren gebeurt door middel van vergelijkende wervingsexamens, in belangrijke mate afgezwakt. Aldus wordt een regel opgegeven die steeds is beschouwd als een essentiële waarborg voor de objectiviteit van de aanwervingen (10), vereiste dat zelf voortvloeit uit het grondwettelijke beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt, dat uitdrukkelijk is ingeschreven in artikel 10, tweede lid, van de Grondwet.
       (10) BATSELE, D., DAURMONT, O. en QUERTAINMONT, Ph., Le contentieux de la fonction publique, Brussel, Nemesis, 1992, p. 64, nr. 23; SAROT, J., e.a., Précis de fonction publique, Brussel, Bruylant, 1994, p. 158, nr. 196.
       Het staat aan de Regering te beoordelen of de in het verslag aan de Koning ingeroepen motieven van efficiëntere dienstverlening en responsabilisering noodzaken tot het invoeren van het in het ontwerp-besluit uitgewerkte systeem van selectie en werving. Toch wenst de Raad van State erop te wijzen dat een systeem waarin de meest geschikte kandidaat niet langer wordt geselecteerd op grond van de resultaten van een vergelijkend examen, maar wel op grond van een appreciatie van de benoemende overheid (...), onvermijdelijk zal leiden tot een toename van het contentieux bij de Raad van State, Afdeling Administratie. In zulk een systeem kan de benoeming, in tegenstelling tot wat het geval is in een systeem van vergelijkende examens, niet meer worden gesteund op grond van een geheel objectief en eenduidig criterium - het examenresultaat -, maar rust op de overheid een uitgebreide motiveringsplicht die des te meer aanleiding kan geven tot betwisting wanneer ze ertoe strekt uit te maken wie tussen reeds gelijkwaardig bevonden kandidaten uiteindelijk het meest geschikt is (in geval van een indeling van de kandidaten in groepen A, B, C of D) of zelfs, in voorkomend geval, om te verantwoorden waarom een door de vaste Wervingssecretaris minder gunstig gerangschikte kandidaat uiteindelijk toch als de meest geschikte kandidaat tot het bekleden van het vacante ambt wordt bevonden (in geval van een vergelijkende selectie die leidt tot een rangschikking van de kandidaten die niet is georganiseerd op vraag van de minister of zijn gemachtigde) ".
       Indien aan deze opmerking enig gevolg wordt gegeven, zal dienen te worden nagegaan of er aanleiding is ook de tekst van artikel 9, § 3 te herzien.
       4. De eerste volzin van artikel 9, § 4, eerste lid is, gelet op de redactie van de daarop volgende volzin, overbodig en dient dan ook te worden weggelaten.
       5. Men schrijve in de Nederlandse tekst van artikel 9, § 4, tweede volzin (die de eerste volzin wordt), " ... bepaalt het statuut de nadere regels, ... " in plaats van " ... bepaalt het de modaliteiten, ... ".
       6. Aangezien het ontworpen APKB niet langer voorziet in een leeftijdsgrens die geldt bij de aanwerving als ambtenaar en het APKB bijgevolg theoretisch niet belet dat een stagiair tijdens zijn stage de leeftijd van inruststelling bereikt, dient in artikel 9, § 4, derde lid te worden verwezen naar artikel 25 in zijn geheel en niet enkel naar artikel 25, 1°.
       7. Krachtens artikel 9, § 5, is de bevoegde overheid vrij om te bepalen of er al dan niet een reserve van geselecteerde kandidaten wordt aangelegd. Aangezien die bepaling geen beperking instelt op de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten, maar juist hun vrijheid met betrekking tot de erin bedoelde aangelegenheid bevestigt, kan deze bepaling beter worden weggelaten. Het APKB beoogt immers enkel beperkingen aan te brengen op de principiële bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten om het statuut van hun personeel of van de openbare instellingen die van hen afhangen, te regelen. Wanneer het APKB met betrekking tot een bepaalde aangelegenheid niets bepaalt, zijn de gemeenschappen en de gewesten vrij die aangelegenheid volgens hun eigen beleidsinzichten te regelen. Die bevoegdheid behoeft in het APKB niet te worden herhaald.
       Artikel 10. Krachtens artikel 10, eerste lid, regelt het statuut, onder meer, het " personeelsbeheer ".
       Vraag is of het effectief in de bedoeling ligt dat alles wat onder het ruime begrip " personeelsbeheer " ressorteert, in beginsel door de onderscheiden personeelsstatuten zou moeten worden geregeld. Die vraag klemt des te meer gelet op het gegeven dat het personeelsbeheer talrijke aspecten omvat, die eigen zijn aan het betrokken departement of de betrokken dienst en die hetzij moeilijk het voorwerp kunnen uitmaken van een algemene regeling in een personeelsstatuut, hetzij zich bij uitstek tot delegatie lenen.
       Mocht het niet in de bedoeling liggen dat alles wat het personeelsbeheer betreft in de onderscheiden personeelsstatuten wordt geregeld, dan zou moeten worden aangegeven voor welke aspecten dat wel het geval is.
       Artikel 11. 1. De gemachtigde van de Regering bevestigt dat artikel 11, eerste lid, in die zin dient te worden begrepen dat ook de leidende ambtenaren aan evaluatie moeten worden onderworpen. Wil deze regel kunnen worden beschouwd als een algemeen principe dat van rechtswege van toepassing is op de gemeenschappen en de gewesten, dan zullen in het statuut van het Rijkspersoneel bepalingen in die zin moeten worden opgenomen of in werking gesteld. Een regel kan immers enkel als algemeen principe worden beschouwd als hij ook geldt ten aanzien van het Rijkspersoneel.
       Thans bepaalt artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel nog dat de regels van de evaluatie niet van toepassing zijn op de Rijksambtenaren die zijn bekleed met een graad van rang 17, 16 of 15 en op de tweetalige adjuncten. Weliswaar brengt het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot organisatie van de benoeming, de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren die belast worden met het beheer van sommige overheidsdiensten hierin verandering, maar dat besluit is nog niet in werking getreden (11).
       (11) Het koninklijk besluit van 4 mei 1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot organisatie van de benoeming, de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren die belast worden met het beheer van sommige overheidsdiensten dat die inwerkingtreding regelt werd ingetrokken bij het koninklijk besluit van 26 oktober 1999 tot intrekking van de koninklijke besluiten van 4 mei 1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de regeling der mandaten in de federale hoge administratie.
       2. Luidens artikel 11, § 2, tweede lid voorziet het statuut in een beroepsprocedure bij een Commissie met ten minste adviserende bevoegdheid, indien de evaluatie leidt tot een eindvermelding " waaraan het statuut rechtsgevolgen verbindt ".
       Vraag is wanneer het statuut moet worden geacht aan een evaluatie rechtsgevolgen te verbinden. Op de vraag van de auditeur-verslaggever naar de draagwijdte van de bepaling en meer in het bijzonder op de vraag of ook indirecte gevolgen worden beoogd, antwoordde de gemachtigde van de Regering als volgt :
       " De vraag lijkt - om begrijpelijke redenen - in wezen te vertrekken van het huidige en enig gekende op sancties (positief en negatief) gerichte evaluatiesysteem. Zij berust evenwel op een misvatting. Een evaluatiesysteem kan immers ook anders worden opgevat. Moderne inzichten inzake personeelsbeheer wijzen er op dat evaluaties er in de eerste plaats zijn om het personeelslid op een positieve wijze te helpen en te begeleiden in zijn functioneren en daardoor ook de organisatie omdat de doelstelling is goed werkend en gemotiveerd personeel te hebben met het oog op een kwaliteitsvolle dienstverlening. Om die reden zal dergelijke evaluatie ook beschrijvend (uitleggend) zijn. In die opvatting moet het sanctionerend aspect van de evaluatie worden opgevat als een ultimum remedium. Een overheid zou er in die opvatting voor kunnen opteren te voorzien in een evaluatiesysteem met slechts één eindvermelding, te weten de " onvoldoende " waaraan rechtsgevolgen worden of kunnen worden gehecht, met name hetzij het automatisch ontslag na een tweede of derde onvoldoende, hetzij het instellen van de procedure tot vaststelling van de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid. In voorkomend geval verbindt het statuut wel degelijk rechtsgevolgen aan de eindvermelding.
       Daarbuiten - d.w.z. buiten de enige eindvermelding " onvoldoende " - behoeven evaluaties geenszins tot eindvermeldingen te leiden, noch tot een vermelding " zeer goed " noch tot een vermelding " goed " of enig andere eindvermelding. In die hypothese kan aan de evaluatie bij gebrek aan eindvermelding ook geen rechtsgevolg worden gehecht, positief noch negatief. Niet inzake bevordering, niet inzake verlof, of anderszins. Er is dan ook geen reden om voor een evaluatie zonder eindvermelding in een beroepsprocedure te voorzien. Het is overigens, bijvoorbeeld, wat de bevordering betreft, niet nodig de evaluatie noch het evaluatieverslag in rekening te brengen. Een bevordering kan immers louter gebaseerd zijn op selectie (het toekomstgericht functioneren van de betrokkene). In de mate dat een bevordering alsnog zou worden gebaseerd of mede worden gebaseerd op in het verleden behaalde resultaten en, prestaties, kunnen dergelijke resultaten worden vastgesteld op het bevorderingsmoment zonder te refereren aan eerdere op regelmatige tijdstippen georganiseerde evaluatiemomenten en de op schrift gestelde veruiterlijking daarvan. Uiteraard staat het de betrokken ambtenaar steeds vrij een door hem betwiste niet-bevordering aan te vechten met de beroepsmiddelen waarover hij beschikt. In de mate dat een overheid toch in meerdere eindvermeldingen wenst te voorzien en een sanctionerend opgevat evaluatiesysteem wenst te behouden door hieraan statutaire gevolgen te hechten op het vlak van toelagen, snellere bevordering, vertraging van bevordering, en dies meer is dat een keuze maar niet de enig denkbare ".
       Uit dit antwoord vloeit voort dat de ambtenaar niet over een intern beroep zal dienen te beschikken wanneer, zonder dat er voor hem aan de evaluatie directe gevolgen worden verbonden, die evaluatie toch betekenis kan hebben bij latere loopbaanbeslissingen, met name bij de appreciatie van zijn titels en verdiensten. Uiteraard blijft voor de betrokken ambtenaar in dat geval wel de mogelijkheid openstaan om beroep tot nietigverklaring van de evaluatiebeslissing in te stellen bij de Raad van State, Afdeling Administratie.
       3. Krachtens artikel 11, § 2, tweede lid, dient de daarin bedoelde beroepsprocedure te worden ingesteld bij een Commissie met ten minste adviesbevoegdheid die behoudens, in voorkomend geval, de voorzitter, is samengesteld voor de ene helft uit leden aangewezen door de overheid en voor de andere helft uit leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties van het personeel.
       Ook deze bepaling vergt een herziening van het statuut van het Rijkspersoneel opdat de regel zou kunnen worden beschouwd als een algemeen principe dat van rechtswege geldt ten aanzien van de gemeenschappen en de gewesten. Thans bepaalt artikel 59, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 nog dat als de Rijksambtenaar die tot een graad van de rangen 10 tot 15 of van de niveaus 2+, 2, 3 en 4 is benoemd, zich niet akkoord kan verklaren met de eindvermelding van de hem betekende evaluatie, wegens het feit dat hij niet de eindvermelding " zeer goed " heeft verkregen, hij de mogelijkheid heeft om de zaak, wat de inhoud betreft, bij de Directieraad aanhangig te maken binnen tien dagen na de betekening van de evaluatie. Aangezien de samenstelling van de Directieraad niet beantwoordt aan de door artikel 11, § 2, tweede lid, van het ontworpen besluit vereiste samenstelling, zal artikel 59, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 moeten worden gewijzigd opdat de regel opgenomen in de eerstgenoemde bepaling zou kunnen worden beschouwd als een algemeen principe.
       Artikel 12.
       Artikel 12, tweede volzin zou de indruk kunnen wekken dat het mandaatstelsel voorbehouden is aan diegenen die reeds ambtenaar in het betrokken ministerie zijn. Volgens de gemachtigde van de Regering ligt zulks niet in de bedoeling van de stellers van het ontwerp, en komen bijgevolg ook andere ambtenaren en externen in aanmerking om te worden aangesteld in een mandaatfunctie, binnen de grenzen, bepaald in artikel 2, § 1, tweede lid waarbinnen contractuele aanwervingen mogelijk zijn.
       Gelet op die bedoeling zou beter in de tekst van artikel 12, tweede volzin, worden geschreven :
       " Voor een ambtenaar die wordt aangewezen voor een mandaatfunctie, wordt de duur van het mandaat meegerekend in de administratieve en geldelijke anciënniteit. Hij geniet bovendien de geldelijke rechten die zijn verbonden aan de uitoefening van dit mandaat ".
       Artikel 13. Artikel 13 herneemt, in een gewijzigde redactie, artikel 29 van het huidige APKB. Volgens de gemachtigde van de Regering vindt die gewijzigde redactie - het betreft de vervanging, door artikel 13, eerste lid van de woorden " Voor de benoeming tot een graad " door de woorden " Er kan een beroep worden gedaan " - haar verklaring in het gegeven dat de ontworpen tekst van het APKB niet langer gewag maakt van de graden.
       Het blijft evenwel onduidelijk waarom de betrokken bepaling in het APKB moet worden opgenomen. De bepaling legt de gemeenschappen en de gewesten immers geen, ook ten aanzien van het Rijkspersoneel geldende, verplichting op, maar bevestigt enkel de mogelijkheid om een beroep te doen op ambtenaren die onder een andere overheid ressorteren. Ook zonder de opname van een dergelijke bepaling in het APKB, vermogen de gemeenschappen en de gewesten te bepalen dat, en onder welke voorwaarden, ambtenaren van andere overheden kunnen worden benoemd, met een mandaat bekleed, of contractueel worden aangeworven. Die bevoegdheid putten zij immers als zodanig uit artikel 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Wanneer terzake bepaalde verplichtingen zouden worden opgelegd, dienen die verplichtingen ook voor te komen in het statuut van het Rijkspersoneel.
       Zo kan de verplichting van artikel 13, tweede lid naar luid waarvan de overheid bij wie de ambtenaar was tewerkgesteld, aan de betrokken ambtenaar een opzeggingsperiode van ten hoogste drie maanden kan opleggen, thans geen algemeen principe uitmaken daar die verplichting niet is opgenomen in het statuut van het Rijkspersoneel.
       Artikel 14. 1. Indien het in de bedoeling ligt dat alle in artikel 14, § 2 opgesomde tuchtstraffen ook moeten voorkomen in de personeelsstatuten van de gemeenschappen en de gewesten of van de openbare instellingen die ervan afhangen, dan dient zulks op een meer duidelijke wijze in die bepaling te worden geformuleerd. De huidige redactie van artikel 14, § 2 laat immers eerder uitschijnen dat de gemeenschappen en de gewesten geen andere tuchtstraffen dan die opgesomd in die bepaling, kunnen invoeren, maar dat zij niet verplicht zijn al die tuchtstraffen over te nemen.
       2. Men schrijve, in de Nederlandse tekst van artikel 14, § 2, 6°, " lagere inschaling " in plaats van " terugzetting van weddeschaal ".
       3.1. Artikel 14, § 3, eerste lid bepaalt, onder meer, dat het statuut de termijnen dient te bepalen van verjaring van de " feiten " die aanleiding kunnen geven tot een tuchtvordering. Ook de thans geldende tekst van het APKB bevat een gelijkaardige bepaling, namelijk artikel 31, § 2.
       Duidelijkshalve zou in die bepaling kunnen worden vermeld dat het aan de bevoegde overheden staat om het uitgangspunt van de erin bedoelde verjaringstermijn te bepalen (12).
       (12) Zie in dit verband artikel 81, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 naar luid waarvan de tuchtvordering alleen betrekking mag hebben op feiten die zich hebben voorgedaan of zijn vastgesteld binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld.
       3.2. In artikel 14, § 3, eerste lid, dient te worden verwezen naar paragraaf 2 in plaats van naar paragraaf 1 van artikel 14. Van de herwerking van het APKB zou tevens gebruik kunnen worden gemaakt om de tekst van artikel 14, § 3, eerste lid die het huidige artikel 31, § 2, van het APKB overneemt, op een meer duidelijke wijze te formuleren. Zo zou nader kunnen worden bepaald wat de zinsnede " de voorwaarden en de beperkingen van de in paragraaf (2) bedoelde tuchtstraffen " juist inhoudt en met betrekking tot welke aspecten van het tuchtrecht nadere regels (en niet " modaliteiten ") dienen te worden bepaald.
       (2) Belgisch Staatsblad, 1 oktober 1994.
       4. De in artikel 14, § 3, tweede lid, 4° vermelde regel van de openbaarheid van de zitting op verzoek van de ambtenaar, staat niet als zodanig ingeschreven in het statuut van het Rijkspersoneel. Zulks neemt niet weg dat het op grond van hogere rechtsnormen kan worden ingeroepen door de ambtenaar die het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure.
       5. Op de vraag van de auditeur-verslaggever waarom het huidige artikel 38, eerste lid, van het APKB, naar luid waarvan de overheid die de tuchtstraf uitspreekt elke beslissing motiveert die niet overeenstemt met het voorstel dat haar werd gedaan, niet langer werd behouden, antwoordde de gemachtigde van de Regering het volgende :
       " De regel vervat in artikel 38, eerste lid (...) lijkt ons voort te vloeien uit de toepassing van de motiveringswet 1991 en artikel 14, § 3, 10°, van huidig ontwerp. Wanneer afgeweken wordt van een uitdrukkelijk voorstel leidt dit als het ware tot een verzwaarde motiveringsplicht. Die regel lijkt dan ook, mede vanuit een oogpunt van vereenvoudiging van de regelgeving, niet te moeten worden herhaald ".
       Er dient evenwel rekening te worden gehouden met twee prejudiciële vragen die aan het Arbitragehof zijn gesteld, enerzijds, door de Raad van State, Afdeling Administratie, bij arrest nr. 84.267 van 21 december 1999 (13), en, anderzijds, door de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, bij vonnis van 13 april 2000 (14), en waarin het Arbitragehof wordt gevraagd of de federale wetgever door het uitvaardigen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en meer bepaald van de artikelen 2 en 3 van deze wet, de regels heeft geschonden die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, in zoverre die artikelen 2 en 3 van toepassing zijn op de bestuurshandelingen van de gewesten en gemeenschappen.
       (13) Zie bericht in Belgisch Staatsblad, 15 maart 2000, tweede uitgave.
       (14) Zie bericht in Belgisch Staatsblad, 3 juni 2000, eerste uitgave.
       Het hangt van het antwoord op deze vraag af of het inschrijven van de hoger vermelde regel inzake de motiveringsplicht in het APKB al dan niet zinvol is.
       Gelet op zijn vaste adviespraktijk geen stelling te nemen omtrent rechtsvragen in zaken die bij andere rechtscolleges aanhangig zijn, onthoudt de Raad van State, Afdeling Wetgeving, zich van een verder onderzoek van het zoëven gestelde probleem.
       6. Krachtens artikel 14, § 3, tweede lid, 8°, heeft de ambtenaar ten aanzien van wie een tuchtstraf is opgelegd, recht op het instellen van een georganiseerd administratief beroep bij een Commissie die wordt voorgezeten door een magistraat en bovendien is samengesteld uit bijzitters, aangewezen, voor de ene helft, door de overheid en, voor de andere helft, door de representatieve vakorganisaties van het personeel.
       De Raad van State, Afdeling Wetgeving, vestigt evenwel de aandacht op artikel 83bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, dat de samenstelling regelt van de Raad van beroep voor opperambtenaren. Die Raad is niet samengesteld conform de regel van artikel 14, § 3, tweede lid, 8°. Het verdient daarom aanbeveling in die laatste bepaling, wat de samenstelling van de erin bedoelde Commissie betreft, een uitzondering te maken voor de opperambtenaren.
       7. In artikel 4, § 4, dient te worden geschreven " De in paragraaf 2, 5° bedoelde tuchtschorsing " in plaats van " De in paragraaf 1 bedoelde schorsing bij tuchtmaatregel ".
       8. Artikel 14 hanteert afwisselend de woorden " ambtenaar " en " betrokkene ". Volgens de gemachtigde van de Regering is dit afwisselende taalgebruik enkel ingegeven door de zorg om een herhalend woordgebruik te vermijden. In normatieve teksten, dient echter om redenen van rechtszekerheid, te worden gestreefd naar een zo eenvormig mogelijk taalgebruik. Het verdient bijgevolg aanbeveling het woord " betrokkene " telkens te vervangen door het woord " ambtenaar ". Dezelfde opmerking geldt ten aanzien van artikel 15.
       Artikel 15. 1. De huidige tekst van artikel 40, § 2, van het APKB laat er geen twijfel over bestaan dat de ambtenaar die geschorst is in het belang van de dienst, beroep kan instellen zowel tegen de schorsingsmaatregel zelf, als tegen de die schorsing begeleidende maatregelen van ontzegging van aanspraken op bevordering en op verhoging in wedde en van inhouding van wedde. De nieuwe tekst van artikel 15 maakt het onvoldoende duidelijk of die regel thans nog als algemeen principe geldt. Volgens de gemachtigde van de Regering is dit wel degelijk het geval omdat de bijzaak de hoofdzaak volgt; de begeleidende maatregelen zouden evenwel niet afzonderlijk kunnen worden aangevochten. Omwille van de rechtszekerheid, is het aangewezen dit alles in de tekst zelf van artikel 15 in te schrijven.
       2. Het is niet duidelijk of artikel 15, § 1, tweede lid, 3° zo moet worden geïnterpreteerd dat het dezelfde Commissie moet zijn als die bedoeld in artikel 14, § 3, tweede lid, 8° die kennis neemt van de beroepen van ambtenaren tegen maatregelen van preventieve schorsing, dan wel dat de Commissie die van die beroepen kennis neemt, enkel op dezelfde wijze moet zijn samengesteld als de eerstgenoemde Commissie.
       Volgens de gemachtigde van de Regering is het de tweede interpretatie die de bedoeling van de stellers van het ontwerp weergeeft. Gelet op die uitleg wordt in artikel 15, § 1, tweede lid, 3°, het woord " krachtens " beter vervangen door het woord " overeenkomstig ". Een gelijkaardige opmerking geldt ten aanzien van artikel 24, tweede lid.
       Artikel 17. De gemachtigde van de Regering bevestigt dat artikel 17, 4° zo moet worden gelezen dat de personeelsstatuten weliswaar dezelfde rechten dienen te bevatten als die welke worden verleend bij de artikelen 65 tot 67 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen, maar dat ze niet noodzakelijkerwijze moeten voorzien in de administratieve stand " disponibiliteit ". Het verdient aanbeveling deze verduidelijking in het verslag aan de Koning op te nemen.
       Artikel 20. In de Nederlandse tekst, vervange men het woord " toestand " door " rechtspositie ".
       Artikel 22.
       1. Men schrijve, in de Nederlandse tekst van het tweede lid van artikel 22, conform de in het derde lid van dat artikel gebruikte terminologie, " reaffectatie " in plaats van " wedertewerkstelling ".
       2. In de Nederlandse tekst van artikel 22, derde lid, dient, tussen de woorden " loopbaanaanspraken " en " de periode van ", een puntkomma te worden geplaatst.
       Artikel 23. Men schrijve, in artikel 23, 2°, " medische ongeschiktheid " in plaats van " lichamelijke ongeschiktheid ".
       Artikel 24. Er dient, in artikel 24, tweede lid, te worden bepaald met betrekking tot welke aspecten van het ontslag wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid, in de personeelsstatuten nadere regels (en niet " modaliteiten ") moeten worden opgenomen.
       Artikel 25. Men schrijve, in de Nederlandse tekst van artikel 25, 1°, " nadere regels " in plaats van " modaliteiten ".
       Artikel 27. 1. Op de vraag of het toekennen van weddesupplementen, zoals staf- of managementstoelagen en functioneringstoelagen, tot gevolg mag hebben dat de maximumwedde die de federale overheid voor elk niveau bepaalt, wordt overschreden, antwoordde de gemachtigde van de Regering als volgt :
       " Dergelijke toelagen mogen de maximumwedde overstijgen. Immers onder het begrip wedde zijn niet alle mogelijke vergoedingen begrepen. Dat deze niet meetellen voor de berekening van het wettelijk pensioen vloeit voort uit de pensioenwet. Enkel zo de pensioenwet dit uitdrukkelijk vermeldt kunnen zij in aanmerking worden genomen voor de berekening van het pensioen, zoals nu het geval is voor, bij wijze van voorbeeld, de directiepremie daar artikel 8 van de pensioenwet uitdrukkelijk naar artikel 74bis, koninklijk besluit 1937 verwijst ".
       Het verdient aanbeveling deze verduidelijking in het verslag aan de Koning op te nemen.
       2. Men schrijve, in de Nederlandse tekst van artikel 27, § 1, in ieder geval " weddeschaal " in plaats van " weddenschaal ". Een beter Nederlands woord voor " weddeschaal " is " salarisschaal ". Eenzelfde opmerking geldt met betrekking tot artikel 30.
       Artikelen 31 en 32. Artikel 31 heft het huidige APKB op. Artikel 32 bepaalt evenwel dat dat besluit van toepassing blijft op het betrokken personeel zolang de bepalingen die het administratief en geldelijk statuut van dat personeel regelen, niet zijn gewijzigd, " afgeschaft " of vervangen door de bevoegde overheid.
       Het probleem van de werking in de tijd van inhoudelijk nieuwe bepalingen van het APKB kan slechts rijzen in de mate waarin die bepalingen de autonomie van de gemeenschappen en de gewesten meer beperken dan voorheen het geval was. Zonder overgangsbepalingen zouden statutaire bepalingen die geheel in overeenstemming waren met het APKB plots, door het enkele gegeven van de inwerkingtreding van de nieuwe tekst, met het APKB in strijd komen en bijgevolg door de rechter buiten toepassing moeten worden verklaard. In het geval daarentegen dat het nieuwe APKB minder beperkingen oplegt dan momenteel het geval is, kunnen bepalingen uit personeelsstatuten die in overeenstemming waren met het voorheen geldende APKB, nooit in strijd komen met de nieuwe bepalingen aangezien die juist minder stringent zijn en dus niet kunnen verbieden wat reeds door de vroegere, strengere bepalingen was toegelaten.
       Er dient derhalve slechts in een overgangsregeling te worden voorzien in de mate dat het nieuwe APKB stringentere bepalingen bevat dan het huidige. Volgens de gemachtigde van de Regering is er slechts één bepaling waarvoor zulks het geval is, namelijk artikel 6 van het ontwerp, dat met betrekking tot het spreekrecht van de ambtenaar verregaandere beperkingen oplegt dan thans het geval is.
       Vraag is dan of, met betrekking tot die bepaling of met betrekking tot eventuele andere bepalingen die stringenter zouden zijn, de in het ontwerp gevolgde werkwijze toelaatbaar is.
       Krachtens artikel 87, § 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, is het de Koning die de algemene principes aanwijst van het administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel die van rechtswege van toepassing zijn op het personeel van de gemeenschappen en de gewesten en op het personeel van de openbare instellingen die ervan afhangen. Met die bepaling is niet bestaanbaar een regeling, zoals de ontworpen, waarbij het aan de gemeenschappen en de gewesten wordt overgelaten om te kiezen of deze of gene algemene beginselen binnen hun bevoegdheidssfeer van toepassing zullen zijn. Dit bezwaar klemt des te meer nu de toepassing van artikel 32 aan geen enkele termijn is gebonden.
       Conclusie is derhalve dat artikel 32 dient te vervallen.
       Een mogelijke overgangsregeling zou er in kunnen bestaan de artikelen die algemene principes bevatten die strenger zijn dan de huidige, uitgesteld in werking te laten treden, bijvoorbeeld, zes maanden na de bekendmaking van het ontworpen besluit in het Belgisch Staatsblad. Aldus zouden de gemeenschappen en de gewesten de gelegenheid hebben de personeelsstatuten ten aanzien waarvan zij bevoegd zijn, aan te passen vóór de inwerkingtreding van de genoemde bepalingen.
       Artikel 33. In de Franse tekst van artikel 33, dient de Nederlandse afkorting APKB zonder afkortingspunten te worden vermeld.
       Artikel 34. De inwerkingtreding van het ontworpen besluit moet worden afgestemd op de inwerkingtreding van het ontworpen koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, waarover de Raad van State, Afdeling Wetgeving, het meervermelde advies L. 30.123/1 heeft gegeven.
       Een niet-gelijktijdige inwerkingtreding zou immers ofwel, bij een eerdere inwerkingtreding van het ontworpen besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, als gevolg hebben dat een aantal bepalingen uit het huidige APKB hun karakter van algemeen principe verliezen, ofwel, bij een eerdere inwerkingtreding van het ontworpen APKB, als gevolg hebben dat een aantal regels daaruit niet als algemeen principe kunnen worden beschouwd bij gebreke aan een overeenstemmende bepaling in het federale ambtenarenstatuut.
       De Kamer was samengesteld uit :
       de Heren :
       J. A. Beirlaen, Kamervoorzitter;
       M. Van Damme, J. Smets, Staatsraden;
       G. Schrans, A. Spruyt, assessoren van de Afdeling Wetgeving;
       Mevr. A. Beckers, griffier.
       De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de Heer J. Smets.
       Het verslag werd uitgebracht door de Heer G. Van Haegendoren, auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de Heer J. Drijkoningen, referendaris.
       De griffier,
       A. Beckers.
       De voorzitter,
       A. Beirlaen.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 163 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
    Franstalige versie