J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
25 MEI 1999. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden opgelegd voor de toelating tot het luchtverkeer van ultralichte motorluchtvaartuigen.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-08-1999 en tekstbijwerking tot 20-11-2008)

Bron : VERKEERSWEZEN
Publicatie : 26-08-1999 nummer :   1999014155 bladzijde : 31601   BEELD
Dossiernummer : 1999-05-25/68
Inwerkingtreding : 05-09-1999

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-60
BIJLAGEN.
Art. N1-N3

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, verstaat men onder :
  (Ultralicht motorluchtvaartuig : vliegtuig of amfibie van het type éénzitter of tweezitter waarvan de overtreksnelheid Vso (landingsconfiguratie, motor in traagloop) niet meer bedraagt dan 65 km/h, (35,1 knopen) C.A.S. en waarvan de hoogst toegelaten opstijgmassa niet groter is dan :
  1° 300 kg voor een vliegtuig van het type éénzitter; of
  2° 315 kg voor een vliegtuig van het type éénzitter uitgerust met een noodvalschermsysteem bevestigd aan de cel; of
  3° 450 kg voor een vliegtuig van het type tweezitter; of
  4° 472,5 kg voor een vliegtuig van het type tweezitter, uitgerust met een noodvalschermsysteem bevestigd aan de cel; of
  5° 330 kg voor een amfibie of een vliegtuig gemonteerd op vlotters, van het type éénzitter; of
  6° 495 kg voor een amfibie of een vliegtuig gemonteerd op vlotters, van het type tweezitter, voor zover een ultralicht motorluchtvaartuig dat zowel, in staat is te opereren als normaal vliegtuig of op vlotters, onder de beide vastgestelde begrenzingen voor de hoogst toegelaten opstijgmassa blijft al naargelang het geval.
  Hefschroefvliegtuigen en luchtvaartuigen van het " foot-launched " type vallen niet onder deze definitie.) <KB 2008-10-21/35, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 20-11-2008>
  ultralicht gemotoriseerd vliegtuig (ULM) : ultralicht motorluchtvaartuig waarvan de controle in vlucht verzekerd wordt door aërodynamische stuurorganen rond tenminste twee assen;
  ultralicht gemotoriseerd vliegtuig van het type " delta-vleugel " (DPM) : ultralicht motorluchtvaartuig waarvan de controle in vlucht gebeurt door een verplaatsing van het zwaartepunt uitgevoerd door de bestuurder;
  landingsterrein : een deel van het bewegingsgebied dat bestemd is voor het landen en opstijgen van luchtvaartuigen;
  luchtvaartterrein : een bepaald gebied op het land of op het water (des voorkomend met inbegrip van gebouwen, inrichtingen en uitrusting) dat bestemd is om, geheel of gedeeltelijk, te worden gebruikt voor de aankomst, het vertrek en de evoluties van luchtvaartuigen;
  seingebied : een deel van het luchtvaartterrein waar de grondseinen zijn geplaatst.

  Art. 2. De artikelen 2 tot 42 van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart zijn niet van toepassing op de ultralichte motorluchtvaartuigen indien aan de bij dit besluit vastgestelde voorwaarden is voldaan.

  Art. 3. Bij het bestuur van de luchtvaart wordt een register van de ultralichte motorluchtvaartuigen bijgehouden.

  Art. 4. § 1. Op aanvraag worden geregistreerd :
  1° de ultralichte motorluchtvaartuigen behorende voor de geheelheid in volle of naakte eigendom aan onderdanen uit de Europese Unie die in België hun woonplaats hebben;
  2° de ultralichte motorluchtvaartuigen behorende voor de geheelheid in volle of naakte eigendom, aan rechtspersonen naar Belgisch recht, waarvan de hoofdelijke vennoten, de beherende vennoten, de beheerders, de zaakvoerders of lasthebbers onderdanen uit de Europese Unie zijn.
  § 2. Met machtiging van de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast, of van zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart, kunnen geregistreerd worden :
  1° de ultralichte motorluchtvaartuigen behorende voor de geheelheid in volle of naakte eigendom :
  a) aan onderdanen uit de Europese Unie die in België hun woonplaats hebben;
  b) aan rechtspersonen naar Belgisch recht die voldoen aan de eisen gesteld in § 1, 2°;
  2° de ultralichte motorluchtvaartuigen behorende voor de geheelheid in volle of naakte eigendom :
  a) aan Belgen die hun woonplaats in het buitenland hebben maar met het oog op de registratie een gekozen woonplaats in het Koninkrijk hebben;
  b) aan rechtspersonen naar Belgisch recht die niet voldoen aan de eisen gesteld in § 1, 2°;
  c) aan vreemdelingen die gemachtigd zijn hun woonplaats in België te vestigen of in België verblijf te houden en die er sedert ten minste één jaar ononderbroken verblijf houden;
  d) aan vreemde rechtspersonen die in het Koninkrijk sedert ten minste één jaar ononderbroken een bedrijfszetel, een agentschap of een bureau hebben.

  Art. 5. Een uittreksel uit het register van de ultralichte motorluchtvaartuigen wordt uitgereikt aan al wie dit aanvraagt.

  Art. 6. Geen enkel in het buitenland geregistreerd of ingeschreven ultralicht motorluchtvaartuig wordt in België geregistreerd alvorens het in het buitenlands register is doorgehaald.

  Art. 7. Het registreren of inschrijven in het buitenland van een vroeger in het Belgisch register van de ultralichte motorluchtvaartuigen geregistreerd luchtvaartuig heeft in het Koninkrijk slechts uitwerking indien de registratie in dat register vooraf is doorgehaald.

  Art. 8. § 1. De in artikel 4 bedoelde personen, die in België een ultralicht motorluchtvaartuig wensen te registreren, richten aan de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of aan zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart een ondertekende aanvraag tot registratie.
  § 2. In de aanvraag tot registratie wordt opgave gedaan van :
  1° het merk en het model van het ultralicht motorluchtvaartuig, zoals goedgekeurd door de technische directie van het bestuur van de luchtvaart, het bouwjaar en zijn reeksnummer;
  2° de naam en woonplaats van de verantwoordelijke voor de bouw van het ultralicht motorluchtvaartuig;
  3° zo de aanvrager een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornamen, nationaliteit, beroep, woon- en verblijfplaats en, in voorkomend geval, zijn gekozen woonplaats; zo de aanvrager een rechtspersoon is, de benaming, de maatschappelijke zetel, de plaats en de datum van oprichting, de naam, voornamen, nationaliteit, woon- en verblijfplaats van de hoofdelijke vennoten, beheerders of zaakvoerders die voor de firma mogen tekenen.
  Indien één of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen, andere dan de aanvrager, rechten van eigendom of vruchtgebruik hebben op het luchtvaartuig, vermeldt de aanvraag de aard en de hoegrootheid van die rechten, alsmede, ook voor elk van die personen, de hierboven bepaalde gegevens.
  § 3. Bij de aanvraag worden gevoegd :
  1° een nationaliteitsbewijs van elk der natuurlijke personen en de statuten van elk der rechtspersonen, die voor de inschrijving in aanmerking worden genomen;
  2° de titels waaruit de rechten van de aanvrager op het ultralicht luchtvaartuig blijken;
  3° in voorkomend geval een getuigschrift van doorhaling in het buitenlandse register;
  4° a) ofwel een door de administratie der douane afgegeven attest waaruit blijkt dat het luchtvaartuig een goed is van de Gemeenschap in de zin van artikel 1, 12°, van de algemene wet inzake douane en accijnzen;
  b) ofwel een door de administratie der douane afgegeven attest waaruit blijkt dat de douanevoorschriften, die van toepassing zijn op tijdelijk ingevoerde luchtvaartuigen, zijn nageleefd;
  5° een attest afgegeven door de technische directie van het Bestuur van de Luchtvaart waarin bevestigd wordt dat het ultralicht motorluchtvaartuig waarvoor de registratie aangevraagd wordt, beschikt over een typetoelating in België.
  § 4. De in artikel 8, § 3, 4°, a, voorziene verplichting geldt niet voor de gebruikte luchtvaartuigen waarvoor aangetoond wordt dat een vorige registratie hier te lande reeds het voorwerp uitmaakte van een dergelijk attest en voor zover deze luchtvaartuigen sedert die registratie het land niet verlaten hebben op een andere wijze dan in het internationaal verkeer zonder verandering van eigenaar.

  Art. 9. Van elk feit, dat aanleiding geeft tot wijziging van de gegevens die volgens artikel 8 moeten voorkomen in de aanvraag en de bescheiden voor te leggen met het oog op de registratie, moet binnen dertig dagen door de titularis van het bewijs van registratie schriftelijk kennis worden gegeven aan de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of aan zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 10. Een registratiebewijs wordt afgegeven voor elk behoorlijk in het register van de ultralichte motorluchtvaartuigen ingeschreven luchtvaartuig.

  Art. 11. In geval van ongewilde buitenbezitstelling van het bewijs, kan de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart dat vervangen.

  Art. 12. § 1. Het bewijs is niet meer geldig :
  1° in geval de rechten van de houder van het bewijs een einde nemen;
  2° in geval één der oorzaken voor doorhaling van ambtswege van de registratie zich voordoet;
  3° in geval de doorhaling plaats heeft op grond van artikel 14.
  § 2. Wanneer het bewijs niet meer geldig is, dient de houder het onmiddellijk terug te zenden aan de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 13. De registratie in het register van de ultralichte motorluchtvaartuigen wordt ambtshalve doorgehaald :
  1° wanneer het ultralichte motorluchtvaartuig buiten gebruik is;
  2° wanneer men van het ultralichte motorluchtvaartuig geen nieuws meer heeft sedert zes maanden, gerekend van de dag van zijn vertrek of van de dag waarop het laatst ontvangen nieuws betrekking heeft;
  3° wanneer niet meer voldaan wordt aan de in artikel 4 omschreven inschrijvingsvoorwaarden.

  Art. 14. De registratie, die op grond van artikel 4, § 2, heeft plaats gehad, kan te allen tijde door de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of door de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart worden doorgehaald. De beslissing zal gemotiveerd zijn.

  Art. 15. § 1. Van de doorhaling wordt schriftelijk kennis gegeven aan de persoon aan wie het registratiebewijs was afgegeven.
  § 2. Een bewijs van doorhaling wordt afgegeven aan al wie zulks aanvraagt.

  Art. 16. Ieder ultralicht motorluchtvaartuig ingeschreven in het register van de ultralichte motorluchtvaartuigen voert het kenmerk der Belgische nationaliteit, namelijk de letters 00, gevolgd door zijn registratiekenmerk bestaande uit een groep van drie cijfers of een combinatie van maximum drie letters en cijfers als bepaald door de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of door de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 17. De plaats, afmetingen en karakters van het in artikel 16 bedoeld kenmerk worden voorgeschreven door de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of door de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 18. Elke gezagvoerder van een ultralicht motorluchtvaartuig moet er over waken dat het in artikel 16 bedoelde kenmerk goed zichtbaar is.

  Art. 19. Elk ultralicht motorluchtvaartuig zal op een goed in 't oog vallende plaats op de romp een identificatieplaat van een vuurvaste stof dragen, waarop het merk, het model en het serienummer gegraveerd zijn.

  Art. 20. § 1. De toelating tot het luchtverkeer van een ultralicht motorluchtvaartuig wordt vastgesteld door een beperkte toelating tot het luchtverkeer.
  § 2. Een voorlopige toelating tot het luchtverkeer, luchtvaartpas genoemd, kan toegekend worden aan elk ultralicht motorluchtvaartuig. Deze luchtvaartpas vermeldt de bijzondere voorwaarden van het gebruik van het luchtvaartuig.
  § 3. Bovenstaande documenten worden uitgereikt door de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of door de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.
  Deze toelatingen zijn beperkt tot het Rijksgebied, behoudens met toestemming van derde Staten.

  Art. 21. § 1. De aanvraag tot het bekomen van een typetoelating voor een ultralicht motorluchtvaartuig moet vergezeld zijn van een technisch dossier.
  De postulant voor een typetoelating is verantwoordelijk voor de luchtwaardigheidsgegevens die dit technisch dossier bevat.
  § 2. De aanvraag tot het bekomen van een beperkte toelating tot het luchtverkeer voor een individueel ultralicht motorluchtvaartuig dient vergezeld te zijn van een gelijkvormigheidsattest.
  § 3. De inhoud van het technisch dossier en de vorm van het gelijkvormigheidsattest, evenals de te volgen procedures zijn vastgesteld door de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of door zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 22. De ultralichte motorluchtvaartuigen moeten volgende prestaties kunnen uitvoeren :
  1° opstijgen van een horizontaal vlak;
  2° glijvluchten uitvoeren en landen met de voortstuwingsinstallatie buiten werking;
  3° kruisvluchten uitvoeren aan een snelheid die ten minste gelijk is aan de overtreksnelheid vermenigvuldigd met 1,5.
  De ultralichte motorluchtvaartuigen moeten een structurele weerstand verdragen overeenstemmend met ultieme belastingsfactoren van + 6 en - 3.
  Het niveau van het door het ultralicht motorluchtvaartuig voortgebrachte geluid, gemeten volgens de methode beschreven in bijlage I tot dit besluit, mag niet hoger zijn dan 88 dB (A) voor een luchtvaartuig van het type éénzitter, en dan 92 dB (A) voor een luchtvaartuig van het type tweezitter.

  Art. 23. De ultralichte motorluchtvaartuigen moeten gebouwd, nagekeken en getest zijn volgens de voorschriften van de fabrikant. Het materiaal en de gebruikte onderdelen moeten oorspronkelijk zijn.

  Art. 24. De volgende minimum uitrusting moet aan boord van een ultralicht motorluchtvaartuig geïnstalleerd zijn :
  1° een snelheidsaanwijzer (anemometer);
  2° een hoogtemeter;
  3° een toerenteller van de motor;
  4° een kompas;
  5° een harnas per zetel;
  6° een oliedrukmeter in het geval van een viertaktmotor;
  7° een temperatuuraanwijzer voor de koelvloeistof van de motor in het geval van een motor gekoeld door vloeistof.

  Art. 25. De volgende aanwijzingen moeten, goed leesbaar voor de bestuurder in vlucht, aan boord van het ultralicht motorluchtvaartuig aangebracht worden :
  1° de hoogst toegelaten opstijgmassa;
  2° de snelheden :
  - overtrekken (Vs);
  - kruisen (Vc);
  - maximale en niet te overschrijden (Vne);
  3° de limietsnelheid van de zijwind waarboven het gebruik van het ultralicht motorluchtvaartuig verboden is;
  4° elke andere nuttige aanwijzing die toelaat het luchtvaartuig in alle veiligheid te gebruiken.

  Art. 26. Het ultralicht motorluchtvaartuig mag enkel gebruikt worden als het zich in zulke staat van onderhoud bevindt dat zijn basiskarakteristieken behouden blijven en het alle waarborgen vertoont voor een veilig gebruik.
  Hiervoor moet er voor elk ultralicht motorluchtvaartuig een boekje bijgehouden worden waarin alle technische incidenten en onderhoudswerken, inzonderheid de herstellingen, het vervangen van de onderdelen en elk uitnemen en terugplaatsen van de motor, moeten worden vermeld.
  Alle werken en controles moeten uitgevoerd worden volgens het gebruikershandboek dat deel uitmaakt van het technisch dossier waarvan sprake in artikel 21, § 1, 1°.

  Art. 27. Voor de aflevering van een typetoelating voor een ultralicht motorluchtvaartuig dat wettig is gebouwd en/of in de handel gebracht in een andere Lidstaat van de Europese Unie of afkomstig is uit een Staat van de EVHA die partij is bij het EER-Akkoord kunnen aanvaard worden :
  1° de voorschriften aangaande ontwerp, fabricatie en controle in andere Lidstaten voor zover deze een veiligheidsniveau verzekeren gelijkwaardig aan datgene vereist door de Belgische reglementering;
  2° de certificaten van testen afgeleverd in andere Lidstaten door erkende onafhankelijke organismen die technische en professionele waarborgen bieden, dewelke de gelijkvormigheid bevestigen aan de Belgische reglementering of aan voorschriften van andere Lidstaten waarvan het veiligheidsniveau gelijkwaardig is aan dit vereist door de Belgische reglementering.
  De certificaten die slechts de gedeeltelijke realisatie van de vereiste testen bevestigen, zullen in overweging genomen worden mits de mogelijkheid bestaat de uitvoering van bijkomende testen te eisen noodzakelijk om de veiligheid van de toestellen te verzekeren;
  3° de typetoelatingen afgeleverd in andere Lidstaten, voor zover het verkrijgen van deze toelatingen resulteert uit het respecteren van voorschriften en van een controle uitgevoerd volgens de voorwaarden beschreven in 1° en 2°.

  Art. 28. De beperkte toelating tot het luchtverkeer kan ingetrokken worden door de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of door de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart :
  1° in geval een wijziging aan de structuur van het luchtvaartuig of van een onderdeel van het luchtvaartuig is aangebracht;
  2° in geval van averij;
  3° in geval van gebrek aan onderhoud;
  4° indien het ultralicht motorluchtvaartuig een gebrek vertoont waardoor de luchtvaartveiligheid in gevaar wordt gebracht.
  De Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast, of zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart trekt de type- toelating in voor het ultralicht motorluchtvaartuig dat een gebrek vertoont waardoor de vliegveiligheid van dat type van luchtvaartuig wordt aangetast.

  Art. 29. Geen ultralicht motorluchtvaartuig wordt tot het luchtverkeer toegelaten indien het niet is geregistreerd en indien het de volgende bescheiden niet meevoert :
  1° het registratiebewijs;
  2° de beperkte toelating tot het luchtverkeer of de luchtvaartpas;
  3° de toelatingen tot het vliegen van het stuurpersoneel;
  4° het reisdagboek;
  5° de vergunning voor radio-installatie, indien het daarvan voorzien is;
  6° het beperkt bewijs van radiotelefonist van de gebruiker van de radio-installatie.
  De in punten 1° tot 5° genoemde bescheiden worden opgemaakt overeenkomstig de voorschriften van de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of van de Directeur-generaal van het bestuur van de Luchtvaart. Het in punt 6° genoemde bescheid wordt opgemaakt overeenkomstig de voorschriften van de Minister tot wiens bevoegdheid de telegrafie en telefonie behoren.

  Art. 30. Niemand mag een ultralicht motorluchtvaartuig besturen indien hij geen houder is van de met zijn functie overeenstemmende toelating tot het vliegen en bevoegdverklaring.

  Art. 31. § 1. De toelating tot het oefenen aan boord van een ultralicht motorluchtvaartuig geeft aan de houder de toelating om :
  1° dubbelbesturingsvluchten uit te voeren;
  2° lokale vluchten uit te voeren als enig inzittende onder toezicht van een moniteur;
  3° als enig inzittende, met toelating van de moniteur, overlandvluchten uit te voeren op voorwaarde een ervaring van twee overlandvluchten in dubbelbesturing te bezitten.
  § 2. Om de toelating te bekomen tot het oefenen aan boord van een ultralicht motorluchtvaartuig, moet de aanvrager :
  1° ten minste 16 jaar oud zijn;
  2° een getuigschrift van goed zedelijk gedrag voorleggen, uitgereikt sedert minder dan een maand en met de vermelding " ten behoeve van een openbaar bestuur ". De minderjarige aanvrager moet bovendien een geschreven toelating voorleggen van zijn wettelijke vertegenwoordiger wiens handtekening moet gelegaliseerd zijn;
  3° voldoen aan de voorgeschreven eisen inzake lichaams- en geestesgeschiktheid.

  Art. 32. § 1. Uit de toelating tot het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig blijkt dat de houder de geschiktheid heeft tot :
  1° het oefenen in het besturen van elk ultralicht motorluchtvaartuig, onder toezicht van een moniteur;
  2° het besturen, als enig inzittende, van elk ultralicht motorluchtvaartuig waarvoor hij overeenkomstig artikelen 36, 37 of 38 zijn bevoegdheid heeft bewezen;
  3° het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig waarvoor hij overeenkomstig artikelen 36, 37 of 38 zijn bevoegdheid heeft bewezen, met een passagier aan boord, op voorwaarde :
  a) ten minste 30 vlieguren uitgevoerd te hebben als enig inzittende van een ultralicht motorluchtvaartuig. Voor een ULM wordt deze vliegtijd teruggebracht op 10 uren, voor de houders van ten minste een geldige vergunning van privaat bestuurder van vliegtuigen;
  b) ten overstaan van een moniteur, die er melding van maakt in het vliegboek van betrokkene, te bewijzen over de vereiste bekwaamheid te beschikken.
  § 2. Om de toelating tot het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig te bekomen, moet de aanvrager :
  1° de leeftijd van 16 jaar bereikt hebben;
  2° houder zijn van een geldige toelating tot het oefenen aan boord van een ultralicht motorluchtvaartuig of van tenminste een geldige vergunning van privaat piloot;
  3° geslaagd zijn voor het examen over de vakken luchtvaartwetgeving (begrippen) en -reglementering dat deel uitmaakt van het examen over algemene kennis voor het bekomen van tenminste de vergunning van privaat bestuurder van vliegtuigen, van helikopters of bestuurder van vrije ballon. Dit examen zal in het bijzonder handelen over de door een bestuurder van een ultralicht motorluchtvaartuig te kennen stof;
  4° het bewijs geleverd hebben, ten overstaan van een examinator die er melding van maakt in het vliegboek van de bestuurder, van de theoretische en praktische kennis bepaald in bijlage II. De examinator stelt vast dat de kandidaat geslaagd dan wel gezakt is en brengt hierover verslag uit aan de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 33. De toelating tot het oefenen of het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig is geldig voor een periode van ten hoogste 24 maanden, ingaande op de datum van de beslissing waarbij de aanvrager lichamelijk en geestelijke geschikt is verklaard. Zij wordt hernieuwd voor opeenvolgende periodes van ten hoogste 24 maanden indien de houder voldoet aan de voorgeschreven eisen van lichamelijke en geestelijke geschiktheid en indien hij als bestuurder tijdens de vierentwintig voorgaande maanden vijftig uren heeft gevlogen.
  Bij gebrek aan deze ervaring kan de toelating tot het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig hernieuwd worden mits voorlegging van een verklaring van een moniteur waarin het behoud van geschiktheid bevestigd wordt.
  Deze verklaring zal ten vroegste drie maanden voor de aanvraag tot hernieuwing opgemaakt zijn.

  Art. 34. De bevoegdverklaring voor ultralichte motorluchtvaartuigen bepaalt de groep van de ultralichte motorluchtvaartuigen aan boord van dewelke de voorrechten van de toelating tot het vliegen mogen uitgeoefend worden.

  Art. 35. De bevoegdverklaringen worden toegekend per groep en als volgt ingedeeld :
  1° de ultralichte gemotoriseerde vliegtuigen (ULM);
  2° de ultralichte gemotoriseerde vliegtuigen van het type " delta-vleugel " (DPM).
  In de groep van de ULM's, zijn er drie modellen, te weten :
  - de ULM's bestuurd rond 2 assen;
  - de ULM's bestuurd rond 3 assen;
  - de ULM's uitgerust met vleugelkleppen.

  Art. 36. Het slagen voor de examens opgelegd voor het verkrijgen van een toelating tot het vliegen, geeft aan de kandidaat de bevoegdheid voor de groep van ultralichte motorluchtvaartuigen die bij de examens gebruikt wordt.

  Art. 37. Een bijkomende groepsbevoegdverklaring wordt uitgereikt aan de kandidaat die voor deze groep voldoet aan de praktische examens bepaald in bijlage II.

  Art. 38. De houder van de groepsbevoegdverklaring ULM, wil hij een vlucht uitvoeren met een ander model van ULM dan dit dat hij bij het examen voor het bekomen van de bevoegdverklaring heeft gebruikt, moet zijn bedrevenheid inzake besturing van bedoeld model aantonen ten overstaan van een moniteur.
  Hij is aan dezelfde verplichting onderworpen indien hij een model van ULM sedert meer dan twaalf maanden niet meer heeft bestuurd.

  Art. 39. De termijn van geldigheid van een groepsbevoegdverklaring is gelijk aan die van de toelating waarbij zij behoort.
  De groepsbevoegdverklaring wordt slechts hernieuwd indien de houder als bestuurder van een ultralicht motorluchtvaartuig van die groep ten minste tien opstijgingen en tien landingen heeft uitgevoerd tijdens de voorafgaande zes maanden. Bij gebrek aan deze ervaring kan de groepsbevoegdverklaring hernieuwd worden mits voorlegging van een verklaring van een moniteur waarin het behoud van de vereiste bedrevenheid wordt bevestigd.

  Art. 40. De bevoegdverklaring moniteur laat de houder toe :
  a) onderricht te geven in het besturen met het oog op het verkrijgen van de toelating tot het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig;
  b) toezicht uit te oefenen op het behoud van geschiktheid met het oog op de hernieuwing van de toelating tot het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig en de erbij horende bevoegdverklaringen.

  Art. 41. Om de bevoegdverklaring als moniteur te bekomen moet de aanvrager :
  1° aanduiden voor welke groep van ultralichte motorluchtvaartuigen hij wenst de bevoegdverklaring van moniteur te bekomen;
  2° houder zijn van een geldige toelating tot het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig met de bevoegdverklaring voor de groep waarop hij de bevoegdverklaring als moniteur wenst te bekomen;
  3° een ervaring hebben van minstens 100 vlieguren als bestuurder van een ultralicht motorluchtvaartuig van de groep die hij wenst te gebruiken voor het geven van scholing.
  Voor het geven van scholing met een ULM kunnen de vlieguren die uitgevoerd werden als gezagvoerder van een vliegtuig, een zweefvliegtuig of een motorzwever voor ten hoogste 50 uren in rekening worden gebracht voor het behalen van de hogervermelde 100 uren;
  4° 20 vlieguren hebben uitgevoerd met passagier aan boord op de groep van ultralichte motorluchtvaartuigen die hij wenst te gebruiken voor het geven van scholing;
  5° alleen aan boord van een ultralicht motorluchtvaartuig vier overlandvluchten hebben uitgevoerd, waarbij op vier verschillende vliegvelden werd geland;
  6° volgende bescheiden indienen bij het bestuur van de luchtvaart :
  a) het vlieghandboek of de beschikbare technische beschrijving van het ultralicht motorluchtvaartuig;
  b) het gedetailleerd instructieprogramma in vlucht door hem opgemaakt voor het ultralicht motorluchtvaartuig met inbegrip van de opeenvolgende stappen in dit programma en zijn instructiemethode;
  c) een exemplaar van de kursus die hij voornemens is te gebruiken om aan zijn leerlingen onderricht te geven in volgende vakken :
  - luchtvaartwetgeving en -reglementering;
  - technische en operationele gegevens van het ultralicht motorluchtvaartuig;
  - techniek van het vliegen;
  - de werking en de montage van de instrumenten aangebracht aan boord van het ultralicht motorluchtvaartuig;
  - meteorologie en micrometeorologie;
  - aërodynamica;
  - motoren gebruikt op de ultralichte motorluchtvaartuigen;
  - de luchtvaartnavigatie aangepast aan de ultralichte motorluchtvaartuigen;
  7° geslaagd zijn voor de bij bijlage III bedoelde examens.

  Art. 42. De voorrechten verbonden aan de bevoegdverklaringen als moniteur kunnen worden uitgeoefend gedurende een periode van ten hoogste drie jaar. Daarna wordt de uitoefening van deze voorrechten opnieuw toegelaten voor periodes van ten hoogste drie jaar indien betrokkene tijdens de loop van het laatste jaar van de geldigheid van zijn bevoegdverklaring als moniteur het bewijs levert van het behoud van zijn bedrevenheid als moniteur ten overstaan van een door de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart aangeduide examinator.
  De moniteurs in functie op de datum van in werking treden van dit besluit moeten aan de voormelde voorwaarde voldoen binnen de drie jaar na deze datum.

  Art. 43. De Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast, stelt op voordracht van de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart, een lijst op van personen die op grond van hun wetenschappelijke of technische kennis, ten persoonlijke titel, aangewezen worden om de examens af te nemen voor het bekomen van de toelatingen tot het besturen, de bijkomende groepsbevoegdverklaringen of de bevoegdverklaring van moniteur.
  Iedere persoon die in de loop van de drie voorgaande jaren het voorwerp uitmaakte van een penale of administratieve sanctie als gevolg van een of meerdere inbreuken tegen de luchtvaartwetgeving of -reglementering zal niet als examinator aangewezen worden.
  Elke penale of administratieve sanctie die tegen een examinator genomen wordt, zal automatisch leiden tot het intrekken van zijn aanwijzing als examinator. Elke nieuwe aanvraag vanwege hem zal slechts in overweging genomen worden na verloop van de in vorige paragraaf vermelde termijn.

  Art. 44. De Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart stelt de wijze voor het indienen van de examenaanvragen vast en treft de nodige schikkingen voor de inrichting van de examens.
  De examens in vlucht worden afgelegd voor examinatoren die voorkomen op de lijst bedoeld in artikel 43 en die aangeduid worden door de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 45. Niemand mag bij een examen als examinator optreden wanneer zijn/haar echtgenote/echtgenoot of een van zijn bloed- of aanverwanten tot in de 4de graad aan dit examen deelneemt.

  Art. 46. Voor elk examen waarvoor hij aangeduid werd stelt de examinator vast dat de kandidaat geslaagd dan wel gezakt is en brengt hierover rapport uit aan de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 47. De toelatingen tot het oefenen of tot het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig evenals de bevoegdverklaringen worden uitgereikt door de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.
  De uitoefening van de voorrechten van de toelatingen tot het oefenen en van de toelatingen tot het besturen is beperkt tot het Rijksgebied, behoudens met toestemming van derde Staten.
  Deze toelatingen en bevoegdverklaringen kunnen steeds, voor de duur die hij bepaalt, ingetrokken of beperkt worden door de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of door zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart indien de houder de veiligheid van personen of goederen in gevaar brengt of de luchtvaartwetgeving of -reglementering niet naleeft.

  Art. 48. De bestuurder is ertoe gehouden al zijn vluchten chronologisch in zijn vliegboek in te schrijven en daarbij telkens de groep van het gebruikte ultralicht motorluchtvaartuig en zijn registratie, de duur van de vlucht alsook de plaatsen van opstijgen en landen te vermelden. De vluchten uitgevoerd onder toezicht van een moniteur zullen door deze laatste afgetekend worden in het vliegboek.

  Art. 49. § 1. De bescheiden vermeld in artikel 29 en het boekje waarvan sprake in artikel 26 moeten op eenvoudige aanvraag voorgelegd worden aan de beambten aangeduid door de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of door zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.
  § 2. Het vliegboek moet worden voorgelegd vóór de uitreiking van een toelating tot het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig of van een nieuwe bevoegdverklaring en vóór de hernieuwing van de toelatingen en de bevoegdverklaringen.

  Art. 50. Het opstijgen en landen moet plaats hebben op een luchtvaartterrein dat aangelegd is in toepassing van artikel 43 van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart.

  Art. 51. § 1. De landingsterreinen die blijvend en uitsluitend voor de bewegingen van de ultralichte motorluchtvaartuigen worden gebruikt moeten aan volgende voorwaarden voldoen :
  1° minimale afmetingen hebben van honderdvijftig meter lengte en dertig meter breedte;
  2° naderings- en opstijgingsvlakken hebben met een helling van 5 % zonder hindernis binnen een afstand van vijfhonderd meter. De eerste tweehonderd meter van het oppervlak moeten voldoende open zijn om een landing mogelijk te maken in geval van motorpanne bij de opstijging;
  3° zijdelingse vlakken hebben met een helling van 20 % zonder hindernis binnen een afstand van honderd vijfentwintig meter;
  4° in een omtrek van ten minste tweehonderd meter, gemeten vanaf de randen van het landingsterrein, mag zich geen enkele woning of toebehoren ervan en geen enkel openbaar gebouw bevinden, behalve deze die verbonden zijn met de uitbating van het luchtvaartterrein;
  5° mogen zich op niet minder dan zeshonderd meter van enige woonzone bevinden;
  6° de merktekens van de baan zoals bepaald door de Minister belast met het bestuur van de luchtvaart of door zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.
  § 2. Het gebruik van een blijvend landingsterrein door een ultralicht motorluchtvaartuig is slechts toegelaten indien de lengte van de bruikbare baan tenminste gelijk is aan driemaal de rolafstand nodig om te kunnen opstijgen bij windkracht nul en met de hoogst toegelaten massa van dit toestel.
  § 3. Op vraag van de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart, legt de uitbater hem een lijst van personen voor die hij voorstelt om de functies uit te oefenen van luchtvaartterreinoverste of als zijn plaatsvervanger.
  De Directeur-generaal kan alle of enkele van deze personen aanduiden volgens de voorwaarden die hij vaststelt.
  De aanwijzing als luchtvaartterreinoverste of als zijn plaatsvervanger kan ten allen tijde ingetrokken worden door de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart of door zijn gemachtigde voor de duur die hij bepaalt.
  § 4. De terreinen moeten voorzien zijn van een windrichtingaanwijzer en een seingebied.
  § 5. Een vluchtregister waarin alle bewegingen op het terrein zijn opgenomen wordt bijgehouden volgens de voorschriften vastgesteld door de Minister belast met het bestuur van de luchtvaart of door de Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 52. De bewegingen van ultralichte motorluchtvaartuigen zijn onderworpen aan het koninklijk besluit van 15 september 1994 tot vaststelling van de vliegverkeersregelen.
  Daarenboven :
  1° mogen de ultralichte motorluchtvaartuigen slechts vliegen bij dag en met zicht op de grond of het water, en in de meteorologische omstandigheden voor zichtvluchten. De zichtbaarheid op de grond en in de lucht mag niet minder zijn dan 3 km;
  2° zijn, behalve indien ze voorafgaandelijk zijn toegestaan door de bevoegde overheid, de bewegingen van ultralichte motorluchtvaartuigen niet toegelaten :
  - boven steden, woonzones, industriële complexen of mensenverzamelingen;
  - in de gecontroleerde gebieden;
  - in de verboden, gevaarlijke of beperkte gebieden;
  3° mogen de ultralichte motorluchtvaartuigen geen acrobatische figuren uitvoeren.

  Art. 53. De bestuurder van een ultralicht motorluchtvaartuig dient elk incident of ongeval, dat zich voordoet bij het gebruik van het luchtvaartuig, binnen de 48 uren te melden aan de Minister die met het bestuur van de luchtvaart is belast of aan zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart.

  Art. 54. De houders van een inschrijvingsbewijs en van een beperkte toelating tot het luchtverkeer van een ultralicht motorluchtvaartuig dat op datum van het in werking treden van dit besluit ingeschreven is in het Belgisch luchtvaartuigregister zullen ten laatste drie maanden na voornoemde datum deze documenten dienen te ruilen tegen het registratiebewijs en een nieuwe beperkte toelating.

  Art. 55. Inzake de exploitatie der luchtvaart voor handelsdoeleinden, kunnen de ultralichte motorluchtvaartuigen uitsluitend gebruikt worden voor de volgende activiteiten, mits de voorafgaande machtiging van de Minister die met het Bestuur van de Luchtvaart is belast of van zijn Directeur-generaal van het bestuur van de luchtvaart :
  - scholing, en;
  - publiciteit aangebracht op de cel.
  Echter zullen de ultralichte motorluchtvaartuigen die voldoen aan de vereisten van de artikelen 19 tot 42 van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart in het handelsluchtvervoer uitgebaat kunnen worden overeenkomstig hoofdstuk VII van voornoemd koninklijk besluit.

  Art. 56. De machtigingen tot luchtarbeid afgeleverd vóór het in voege treden van dit besluit blijven geldig tot hun vervaldag.
  Hun houders kunnen een nieuwe machtiging tot luchtarbeid bekomen mits te voldoen aan de voorwaarden bepaald in dit besluit.

  Art. 57. De vergoedingen vermeld onder de rubriek " Inschrijving van luchtvaartuigen " van het koninklijk besluit van 24 september 1997 tot vaststelling van de vergoedingen waaraan het gebruik van zekere openbare diensten betreffende de luchtvaart is onderworpen, zijn eveneens van toepassing voor wat betreft de registratie van ultralichte motorluchtvaartuigen.

  Art. 58. Het koninklijk besluit van 21 september 1983 tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden opgelegd voor de toelating tot het luchtverkeer van sommige ultralichte motorluchtvaartuigen wordt opgeheven.

  Art. 59. Voor de ultralichte motorluchtvaartuigen die reeds ingeschreven zijn, zullen de bepalingen voorzien in de artikels 16, 17 en 19 van toepassing worden drie maanden na het in werking treden van dit besluit.

  Art. 60. Onze Minister van Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 25 mei 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN

  BIJLAGEN.

  Art. N1. - Bijlage I. Methode om het voortgebrachte geluidsniveau te bepalen van een ultralicht motorluchtvaartuig.
  1. Het voortgebrachte geluidsniveau " La ", wordt berekend als het rekenkundig gemiddelde van de geluidsniveaus, uitgedrukt in dB (A) en gemeten op de hierna bepaalde meetpunten.
  2. Het achtergrondgeluid is het gemeten omgevingsgeluid dat niet door het luchtvaartuig veroorzaakt wordt.
  3. De karakteristieken van het geheel van de meetapparatuur moeten overeenstemmen met deze die opgegeven zijn in de norm NBN/C 97-122 (laatste uitgave) uitgegeven door het Belgisch Instituut voor Normalisatie.
  Het opgenomen geluidssignaal zal gelezen worden bij middel van een afwegingsfilter " A ", met de dynamische karakteristiek genaamd " traag ".
  4. De meetapparatuur moet het voorwerp uitmaken van geluidsijking in open veld. De nauwkeurigheid moet groter zijn dan 0,5 dB (A).
  5. De microfoon moet tijdens de geluidmetingen tegen de invloed van de wind beschermd worden door middel van een scherm als de windsnelheid meer dan 3 meter/seconde bedraagt.
  De metingen kunnen niet uitgevoerd worden als de windsnelheid meer dan 5 meter/seconde bedraagt.
  6. Gedurende de proef dient de motor van het luchtvaartuig constant op zijn maximaal toegelaten toerental te draaien.
  7. Het luchtvaartuig dient ter plaatse gehouden te worden door een persoon, die de plaats van de bestuurder inneemt en de besturing bedient.
  8. De metingen worden uitgevoerd op acht meetpunten die zich bevinden in een horizontaal vlak op een hoogte van 1,2 meter boven de grond. Deze punten bevinden zich op een omtrek van een cirkel met een straal van 10 meter en met het middelpunt op de vertikale lijn die loopt door de uitlaat van de motor. De meetpunten zijn telkens 45° verschoven ten opzichte van elkaar. Twee van deze meetpunten moeten liggen in het vertikale vlak, evenwijdig aan de langsas van het luchtvaartuig, dat door het middelpunt van de cirkel gaat.
  9. De metingsduur moet op ieder punt ten minste 15 seconden bedragen.
  10. Het achtergrondgeluid moet ten minste 10 dB (A) lager zijn dan het door het luchtvaartuig voortgebrachte geluid opdat de metingen geldig zouden kunnen worden uitgevoerd.
  11. Het verslag van de uitgevoerde proeven moet volgende inlichtingen bevatten :
  1° het type, het model en het serienummer van het luchtvaartuig, van de motor en van de schroef;
  2° de hoogst toegelaten opstijgmassa;
  3° de benaming van de meetapparatuur gebruikt tijdens de geluidmetingen;
  4° de meteorologische gegevens;
  5° de beschrijving van de lokale topografie en vegetatie en alles wat invloed zou kunnen uitoefenen op de metingen;
  6° de gemeten waarden en de verbeterde waarden van de geluidsdrukniveaus.
  Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van 25 mei 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN

  Art. N2. Bijlage II. - Theoretische en praktische kennis betreffende het besturen van een ultralicht motorluchtvaartuig.
  I. Theoretische proef.
  De kandidaat moet voor de theoretische proef voldoen met minstens 70 % der punten voor elk van de volgende vakken :
  1° aërodynamika.
  De aërodynamische krachten op de vleugel - het effekt van de besturingsorganen - draagkracht, luchtweerstand en fijnheid;
  2° aërologie.
  Lucht, luchtdruk, temperatuur, winden, wolken, thermische en topografische effekten;
  3° techniek van het vliegen.
  Techniek van het opstijgen - vliegen in kalme lucht - kontrole van de hoogte en van de richting in rechtlijnige vlucht en in de bocht - gebruik van de luchtstromingen - techniek van het landen.
  II. Praktische proef.
  De kandidaat moet, alleen aan boord, voldoen voor een praktische proef bestaande uit :
  1° een overlandvlucht tussen twee punten met een afstand van minstens 35 kilometer;
  2° de hiernavolgende praktische oefeningen uit te voeren tijdens een of meerdere vluchten :
  a) 10 opstijgingen en 10 landingen;
  b) 3 landingen op minder dan 20 meter van een doel;
  c) 1 landing op minder dan 30 meter van een doel vanaf een hoogte van 200 meter en met het voortstuwingssysteem op traagloop;
  d) 1 overtrek (enkel voor ULM).
  Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van 25 mei 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN

  Art. N3. Bijlage III. - Examens voor het verkrijgen van de bevoegdverklaring als moniteur.
  De examens behelzen :
  I. een didactisch examen op de grond;
  II. een praktisch examen.
  I. Didactisch examen op de grond.
  De kandidaat zal het bewijs leveren van zijn kennis en bedrevenheid in het geven van onderricht :
  1. de luchtvaartwetgeving en -reglementering met inbegrip van de schikkingen voorzien in dit koninklijk besluit;
  2. de stof vervat in de theoretische kursus die hij voorafgaandelijk heeft ingediend;
  3. de instruktiemethode in vlucht met inbegrip van de voorbereiding op de eerste solovlucht;
  4. de besturingstechniek van een ultralicht motorluchtvaartuig.
  Het slagen voor dit examen is geldig voor het bekomen van de bevoegdverklaring moniteur voor elke groep van ultralichte motorluchtvaartuigen.
  II. Praktisch examen.
  Wordt tot het examen toegelaten, de kandidaat die bij het examen I voldaan heeft.
  De kandidaat zal blijk geven van zijn bedrevenheid in het onderrichten :
  - op de grond :
  1. demonteren en hermonteren van een ultralicht motorluchtvaartuig, met inbegrip van de didaktische uitleg tijdens de verschillende stappen van deze handelingen;
  2. beschrijving en kommentaar betreffende het nazicht van het toestel na hermontering;
  3. uitleg betreffende het gebruik van de checklists;
  - in vlucht :
  a) oefeningen :
  1. een normale bocht van 360° naar links en een naar rechts op konstante hoogte;
  2. een overtrek met de voortstuwingsinrichting op traagloop;
  3. een volledige vliegveldomloop met nadering en doorstarten in korte finale;
  4. een volledige vliegveldomloop besloten met een nauwkeurigheidslanding op minder dan 15 meter van een grondmerk. Eén enkele poging is toegestaan;
  5. een nauwkeurigheidslanding op minder dan 10 m van een grondmerk, vertrekkende van een hoogte van 300 m boven dit grondmerk met de voortstuwingsinrichting op traagloop.
  Deze oefening moet tweemaal onberispelijk uitgevoerd worden gedurende maximum drie opeenvolgende pogingen;
  b) navigatie :
  voorbereiding en uitvoering van een overlandvlucht tussen twee punten op een afstand van minstens 40 kilometer.
  De bestuurders die houder zijn van de vergunning van privaat bestuurder of van een hogere vergunning moeten deze navigatieproef niet afleggen.
  Het slagen voor de opgelegde examens geeft aan de kandidaat de bevoegdverklaring als moniteur op de groep van ultralichte motorluchtvaartuigen waarop hij het praktisch examen aflegde.
  Gezien om gevoegd te worden bij het koninklijk besluit van 25 mei 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Vervoer,
  M. DAERDEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling van de luchtvaart, inzonderheid op de artikelen 2 en 5;
   Overwegende de verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart;
   Overwegende dat de Gewestregeringen zijn betrokken bij het ontwerpen van dit besluit;
   Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën op 29 mei 1998;
   Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting op 28 april 1999;
   Gelet op de wetten van de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende de verplichting voor België om te voldoen aan de artikelen 30 en volgende van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
   Overwegende dat aan deze verplichting werd herinnerd door een met redenen omkleed advies van 23 maart 1998 van de Europese Commissie, dat gericht was aan het Koninkrijk België bij toepassing van artikel 169 van het EG-Verdrag;
   Overwegende dat in dit met redenen omkleed advies België verzocht werd zich er naar te schikken binnen een termijn van twee maanden, meer in het bijzonder inzake de technische voorschriften en proeven alsmede de toelatingen verleend door de medelidstaten met betrekking tot de ultralichte luchtvaart;
   Op de voordracht van Onze Minister van Vervoer,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-10-2008 GEPUBL. OP 20-11-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 1)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie