J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 11 uitvoeringbesluiten 28 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/ordonnantie/1999/03/25/1999031155/justel

Titel
25 MAART 1999. - [Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid] <ORD 2014-05-08/54, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-06-1999 en tekstbijwerking tot 13-07-2017) Zie wijziging(en)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 24-06-1999 nummer :   1999031155 bladzijde : 23850   BEELD
Dossiernummer : 1999-03-25/53
Inwerkingtreding : 04-07-1999

Inhoudstafel Tekst Begin
Titel I. - [1 (Hoofdstuk I vervangen door Titel I)]1 Algemene bepalingen.
Art. 1-4
Titel II. - [1 (Hoofdstuk II vervangen door Titel II)]1 [1 Inspectie, preventie, vaststelling van de misdrijven en milieuaansprakelijkheid]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Bevoegde instanties.]1
Afdeling 1. [1 (Afdeling I vervangen door Afdeling 1)]1 <ORD 2001-06-28/60, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2001> - De personeelsleden belast met het toezicht
Art. 5-7
Afdeling 2. [1 - Bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid.]1
Art. 8
Hoofdstuk 2. [1 (Afdeling 3 vervangen door Hoofdstuk 2)]1 - [1 Inspectie]1
Afdeling 1. [1 (Onderafdeling 1 vervangen door Afdeling 1)]1 - Algemene bepalingen.
Art. 9-12
Afdeling 2. [1 (Onderafdeling 2 vervangen door Afdeling 2)]1 - [1 Metingen van verontreiniging]1
Art. 13-15
Afdeling 3. [1 (Onderafdeling 3 vervangen door Afdeling 3)]1 - Monsternemingen.
Art. 16-19
HOOFDSTUK 3. [1 - Preventie, vaststelling van de misdrijven en milieuaansprakelijkheid]1
Afdeling 1. - [1 Preventie]1
Art. 20-22
Afdeling 2. - [1 Vaststelling van de misdrijven]1
Art. 23
Afdeling 3. - [1 Milieuaansprakelijkheid]1
Onderafdeling 1. - [1 Preventieve maatregelen]1
Art. 24
Onderafdeling 2. - [1 Herstelmaatregelen]1
Art. 25
Onderafdeling 3. - [1 Preventie- en herstelkosten]1
Art. 26-28
Onderafdeling 4. - [1 Vordering van maatregelen en rechtsmiddelen]1
Art. 29
Onderafdeling 5. - [1 Intergewestelijke en internationale samenwerking]1
Art. 30
Titel III. [1 - Misdrijven en strafsancties]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Misdrijven]1
Art. 31
HOOFDSTUK 2. [1 - Verzwarende omstandigheden]1
Art. 32
HOOFDSTUK 3. [1 (Hoofdstuk III vervangen door Hoofdstuk 3)]1 - Recidive.
Art. 33
Titel IV. [1 (Hoofdstuk IV vervangen door Titel IV)]1 - Door de rechter opgelegde maatregelen.
Art. 34-41
Titel V. [1 (Hoofdstuk V vervangen door Titel V)]1 - [1 Alternatieve administratieve geldboetes]1
Art. 42-53
Titel VI. [1 (Hoofdstuk VI vervangen door Titel VI)]1 - [1 Overgangsbepalingen]1
Art. 54
Titel VII. [1 - Slotbepalingen]1
Art. 55-59
BIJLAGEN
Art. N1-N3

Tekst Inhoudstafel Begin
Titel I. - [1 (Hoofdstuk I vervangen door Titel I)]1 Algemene bepalingen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Artikel 1.[1 Dit Wetboek]1 regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 2.[1 § 1. Dit Wetboek regelt de milieuaansprakelijkheid alsook de inspectie, de preventie, de vaststelling en de bestraffing van de misdrijven, enerzijds van de miskenning van de hiernavolgende bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie, en anderzijds, van de misdrijven voorzien in het onderhavige Wetboek en in de volgende wetten en ordonnanties en hun uitvoeringsbesluiten :
   1° de wetten en ordonnanties die voorzien in hun onderwerping aan dit wetboek en die niet onder punt 2° worden bedoeld, alsook hun uitvoeringsbesluiten;
   2° de volgende wetten en ordonnanties, alsook hun uitvoeringsbesluiten :
   - het Boswetboek;
   - het Veldwetboek;
   - de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren behorende bossen en wouden;
   - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater;
   - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen de verontreiniging;
   - de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren;
   - de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   - de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen de geluidshinder in een stedelijke omgeving;
   - de ordonnantie van 22 april 1999 betreffende het voorkomen en het beheer van afval van producten in papier en/of karton;
   - de ordonnantie van 29 april 2004 betreffende de milieuovereenkomsten;
   - de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid;
   - de ordonnantie van 1 maart 2007 betreffende de bescherming van het leefmilieu tegen de eventuele schadelijke effecten en hinder van niet-ioniserende stralingen;
   - de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
   - de ordonnantie van 9 december 2010 betreffende de toepasselijke sancties in het geval van niet-naleving van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH);
   - de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   - het Brusselse Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing van 2 mei 2013;
   - de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen;
   - de ordonnantie van 20 juni 2013 betreffende een pesticidegebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   3° de volgende bepalingen :
   - Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;
   - artikel 3, §§ 1 en 2, artikel 5, §§ 1 en 2 en artikel 7, §§ 1 tot en met 4, a), van de Verordening (EEG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 betreffende permanente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EG;
   - [2 Artikel 3, artikel 4 met uitzondering van § 5, artikel 5, artikel 6 §§ 1 en 2, artikel 7 § 1, artikel 8, artikel 10, artikel 13 en artikel 19 §§ 1 tot 3 van de Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006]2
   - Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, in het gewestelijke bevoegdheidsgebied;
   - Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
   - Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is, in het gewestelijke bevoegdheidsgebied;
   - artikelen 4, 5, 6, § 2, artikelen 7, 8, §§ 1 tot en met 3, artikel 10, § 1, § 3, eerste lid, §§ 4 en 5, artikel 11, §§ 1 tot en met 7, artikel 12, §§ 1 tot en met 3, artikel 13, §§ 1 tot en met 3, artikel 22, §§ 1, 2, 4, artikel 23, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, en artikel 24, § 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en van de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en artikel 17 van deze Verordening;
   - artikel 41 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009, tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
  [2 - Artikelen 4 en 7 van de Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie
   - Artikel 7, artikel 8 § 3, artikel 31 § 1 en artikel 32 §§ 1 en 2 van de Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.]2
   § 2. De Regering vult de in punt 3° bedoelde lijst aan met de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie, die na de inwerkingtreding van huidig lid werden aangenomen of in werking zijn getreden, en waarvan de uitvoering behoort tot de bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedoeld onder artikelen 6, § 1, II, eerste lid, III, 2° tot en met 10°, VII, eerste lid, h, en XI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, in de mate waarin hun naleving niet reeds door een andere wetgeving wordt geregeld.]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 5, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  (2)<BESL 2016-06-09/16, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 30-07-2016>

  Art. 3.[1 § 1. In de zin van onderhavig Wetboek wordt begrepen onder :
   1° misdrijf : elke overtreding of elk wanbedrijf bepaald door of krachtens een verordening van de Europese Unie, een wet, een ordonnantie bedoeld in artikel 2 van dit Wetboek of bepaald door of krachtens dit Wetboek;
   2° Instituut : het Brussels Instituut voor Milieubeheer;
   3° GAN : het Gewestelijk Agentschap voor Netheid;
   4° Ministerie : het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   5° Milieucollege : het college bedoeld in artikel 79 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   6° inrichting : elke inrichting in de zin van artikel 3, 1°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   7° personeelsleden : personeelsleden van het Instituut en/of van een gemeente, en/of van het GAN en/of van het bevoegde bestuur van het Ministerie;
   8° met het toezicht belaste personeelsleden : statutaire of contractuele personeelsleden van het Instituut en/of van een gemeente, en/of van het GAN en/of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, belast met het toezicht op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie, de wetten en/of in artikel 2 bedoelde ordonnanties, en van dit Wetboek, en met de vaststelling van de misdrijven daarop vast te stellen;
   9° deskundige : derde die waarborgen biedt inzake onafhankelijkheid en bekwaamheid, op wie de met het toezicht belaste personeelsleden beroep kunnen doen in het kader van hun inspectieopdracht;
   10° erkend laboratorium : laboratorium dat een erkenning heeft bekomen overeenkomstig de door de Regering vastgelegde voorwaarden en procedure;
   11° inspectie : opdracht van toezicht, controle en onderzoek, die aan de met het toezicht belaste personeelsleden wordt toevertrouwd;
   12° inspectieprogramma : jaarlijks door het Instituut vastgelegd en door de Regering goedgekeurd programma, dat minimale criteria voor inspectie bevat, zoals vastgelegd door de Aanbeveling van het Europese Parlement en de Raad nr. 2001/331/EG van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de Lidstaten, zonder het kader te vormen voor de toekenning van vergunningen voor projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben;
   13° de leidend ambtenaar van het GAN : de directeur-generaal van het GAN;
   14° verordening van de Europese Unie : elke verordening van de Europese Unie, van de Europese Gemeenschap of van de Economische Europese Gemeenschap;
   15° handeling van administratief onderzoek : iedere handeling, verricht door een administratieve overheid of een personeelslid gemachtigd om een misdrijf vast te stellen of om de procedure in te leiden die bestemd is voor het inzamelen van bewijselementen, voor de vaststelling van een misdrijf, of om de zaak in staat te stellen teneinde door de administratieve overheid beslecht te worden;
   16° handeling van administratieve sanctie : elke handeling die een alternatieve administratieve geldboete uitspreekt en die wordt opgelegd door de in eerste aanleg bevoegde instantie;
   17° werkdag : elke dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is;
   18° verontreiniging : de door de mens veroorzaakte aanwezigheid van elementen, substanties of energievormen zoals warmte, stralingen, licht, geluid of andere trillingen in de atmosfeer, de bodem of het water, die de mens of het leefmilieu op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig beïnvloedt of kan beïnvloeden;
   19° audiovisueel apparaat : elk vast observatiesysteem dat tot doel heeft de naleving van de bepalingen bedoeld in artikel 2 en de bepalingen van dit wetboek na te gaan, de misdrijven op deze bepalingen te voorkomen en/of vast te stellen en/of de daders van deze misdrijven op te sporen;
   20° niet-besloten plaats : elke plaats die niet door een omheining is afgebakend en vrij toegankelijk is voor het publiek;
   21° voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk besloten gebouw of elke besloten plaats bestemd voor het gebruik door het publiek waar diensten aan het publiek kunnen worden verstrekt;
   22° niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk besloten gebouw of elke besloten plaats die uitsluitend bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijke gebruikers;
   23° verantwoordelijke voor de verwerking : het Instituut, vertegenwoordigd door zijn leidend ambtenaar, het GAN, vertegenwoordigd door zijn leidend ambtenaar, de gemeente of de Regering, naargelang de overheid waaronder de doeleinden en de modaliteiten van de verwerking van de opgeslagen persoonsgegevens zijn bepaald.]1
   [2 § 2. 1° Voor de toepassing van huidige bepaling en van de hiernavolgende bepalingen wordt verstaan onder :
   a) de leidend ambtenaar van het Instituut : de directeur-generaal van het Instituut, in voorkomend geval vervangen in de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig 3° ;
   b) de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut : de adjunct-directeur-generaal van het Instituut, in voorkomend geval vervangen in de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig 3°, b) en c) en 5°, b) [3 en c) ]3.
   2° De bevoegdheden die in de hiernavolgende bepalingen worden toevertrouwd aan het Instituut, worden uitgeoefend door de leidend ambtenaar van het Instituut.
   3° Met uitzondering van de bevoegdheid om de met het toezicht belaste personeelsleden van het Instituut aan te duiden, worden de bevoegdheden, toegewezen aan de leidend ambtenaar van het Instituut, als volgt uitgeoefend :
   a) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut, door de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut;
   b) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut en van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut, door de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft;
   c) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut, van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut en van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door een andere aangewezen directeur-hoofd van de dienst aangewezen door één van deze drie ambtenaren.
   4° De Regering legt de gevallen vast waarin de bevoegdheden van de leidend ambtenaar van het Instituut, voorzien door de hierna volgende bepalingen, en onder voorbehoud van toepassing van 6°, zullen worden uitgeoefend door de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.
   5° De bevoegdheden die aan de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, worden toegewezen overeenkomstig 4° en 7°, worden als volgt uitgeoefend :
   a) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut;
   b) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, en van de adjunct-leidend ambtenaar van het Instituut, door de leidend ambtenaar van het Instituut.
  [3 c) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van het Instituut, van de adjunct - leidend ambtenaar van het Instituut en van de directeur - hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door een andere directeur-hoofd van een dienst aangewezen door één van deze drie ambtenaren. ]3
   6° De leidend ambtenaar van het Instituut kan zich in de plaats stellen van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft in de uitoefening van de bevoegdheden vastgesteld krachtens 4°.
   7° De leidend ambtenaar van het Instituut is bevoegd om bepaalde bevoegdheden die door de hiernavolgende bepalingen worden toegekend aan het Instituut, te delegeren aan de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.]2
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 6,§1, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  (2)<ORD 2014-05-08/54, art. 6,§2, 027; Inwerkingtreding : 18-06-2014; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  (3)<ORD 2017-06-23/23, art. 83, 029; Inwerkingtreding : 23-07-2017>

  Art. 4.[1 Voor de toepassing van artikel 20, van artikel 21, § 1, zesde lid, en van artikelen 24 tot en met 30 en 57, wordt eveneens begrepen onder :
   1° milieuschade :
   a) schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, namelijk elke schade die aanzienlijke negatieve gevolgen heeft voor het bereiken of handhaven van een gunstige staat van instandhouding van dergelijke habitats of soorten. De omvang van deze gevolgen wordt beoordeeld in verhouding tot de aanvankelijke toestand, rekening houdend met de criteria in bijlage 1.
   Schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats bevat niet de vooraf vastgestelde negatieve effecten van handelingen van een exploitant waarvoor de bevoegde instanties uitdrukkelijk toestemming hebben gegeven door of krachtens artikelen 64 en 83 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   b) schade aan wateren, namelijk elke schade die een aanzienlijke negatieve invloed heeft op de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologisch potentieel van de betrokken wateren, zoals omschreven door of krachtens artikel 5 en bijlage III van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid, met uitzondering van de negatieve gevolgen waarop artikel 64 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing is. Schade die een ernstige en negatieve invloed heeft op de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologisch potentieel van de grondwateren door het rechtstreeks of onrechtstreeks binnendringen van stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen aan de oppervlakte of in de bodem worden bepaald door of krachtens de ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems en haar uitvoeringsbesluiten. De omvang van deze gevolgen wordt beoordeeld in verhouding tot de aanvankelijke toestand, rekening houdend met de criteria in bijlage 1;
   c) bodemschade, namelijk elke bodemaantasting die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk is of schadelijk kan zijn voor de gezondheid van de mens of voor de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of voor het ecologische potentieel van de bodem en van de watermassa's doordat er rechtstreeks of onrechtstreeks stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen aan de oppervlakte of in de bodem zijn binnengedrongen, zoals bepaald door of krachtens de ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems. De omvang van deze gevolgen wordt beoordeeld in verhouding tot de aanvankelijke toestand, rekening houdend met de criteria in bijlage 1;
   2° schade : een meetbare negatieve verandering in een natuurlijke rijkdom of een meetbare aantasting van een ecosysteemfunctie die rechtstreeks of onrechtstreeks optreedt;
   3° beschermde soorten en natuurlijke habitats :
   a) de in bijlage II.1 en, voor zover zij met het teken (1) worden aangemerkt, in bijlage II.2 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud bedoelde soorten;
   b) habitats :
   - de natuurlijke habitats opgesomd in bijlage I van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   - de natuurlijke habitats van soorten bedoeld in bijlage II.1 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   - de voortplantingsgebieden of de rustplaatsen van de soorten opgesomd en aangeduid met teken (1) in bijlage II.2. van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   - de gebieden van communautair belang voorgesteld aan en goedgekeurd door de Europese Commissie;
   - de grondgebieden aangewezen als grondgebieden Natura 2000 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   - de gebieden uitgeroepen tot natuurreservaat of bosreservaat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   - de groengebieden, de zones met hoge biologische waarde, de parkgebieden, de bosgebieden, de gebieden met erfdienstbaarheden langs de randen van bossen en wouden, van het Gewestelijk Bestemmingsplan (GBP);
   4° staat van instandhouding :
   a) met betrekking tot een natuurlijke habitat, het effect van de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en die op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat evenals voor het voortbestaan van de betrokken typische soorten, hetzij op het grondgebied van het Gewest, hetzij in het natuurlijke verspreidingsgebied van die habitat.
   De staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt als " gunstig " beschouwd wanneer :
   - het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de gedekte zones binnen dit natuurlijke verspreidingsgebied stabiel zijn of toenemen,
   - de specifieke structuur en functies voor het behoud van de natuurlijke habitat op lange termijn bestaan en in een niet al te verre toekomst wellicht zullen blijven bestaan, en
   - de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is zoals omschreven onder b);
   b) met betrekking tot een soort, de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en die op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de verspreiding en omvang van de populaties van die soort op het grondgebied van het Gewest.
   De staat van instandhouding van een soort wordt als " gunstig " beschouwd wanneer :
   - uit de gegevens van de populatiedynamiek van deze soort blijkt dat ze op lange termijn standhoudt als een levensvatbare component van haar natuurlijke habitat,
   - het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort niet kleiner wordt en wellicht in een niet al te verre toekomst evenmin kleiner zal worden, en
   - er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties die er voorkomen op lange termijn in stand te houden;
   5° water : alle oppervlakte- en grondwater waarop de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, van toepassing zijn;
   6° bodem : de bodem zoals bepaald in artikel 3, 1°, van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
   7° exploitant : iedere privé- of openbare natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroepsactiviteit verricht of controleert of die bij volmacht een doorslaggevende economische zeggenschap over de technische werking heeft gekregen, met inbegrip van de houder van een vergunning of toelating voor dergelijke activiteit of de persoon die dergelijke activiteit laat registreren of er kennis van geeft;
   8° beroepsactiviteit : een in het kader van een economische activiteit, een zaak of een onderneming verrichte activiteit, het privé-, openbare, winstgevende of niet-winstgevende karakter ervan buiten beschouwing gelaten;
   9° emissie : het lozen, in het milieu, van stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen afkomstig van menselijke activiteiten;
   10° onmiddellijke dreiging van schade : een voldoende waarschijnlijkheid dat zich in de nabije toekomst milieuschade zal voordoen;
   11° preventieve maatregel : iedere maatregel die wordt getroffen naar aanleiding van een gebeurtenis, daad of nalatigheid die gevaar of hinder heeft doen ontstaan, ongeacht of deze een onmiddellijke dreiging van milieuschade vormen, teneinde deze schade te voorkomen of zo beperkt mogelijk te houden;
   12° herstelmaatregel : iedere maatregel of combinatie van maatregelen, met inbegrip van inperkende of overgangsmaatregelen, gericht op het herstel, de rehabilitatie of de vervanging van de beschadigde natuurlijke rijkdommen of functies of op het verschaffen van een gelijkwaardig alternatief voor deze rijkdommen of functies, zoals voorzien in bijlage 2;
   13° natuurlijke rijkdom : de beschermde soorten en natuurlijke habitats, de wateren en bodems;
   14° functies en ecosysteemfuncties : de functies die een natuurlijke rijkdom vervult ten voordele van een andere natuurlijke rijkdom of het publiek;
   15° aanvankelijke toestand : : de toestand van de natuurlijke rijkdommen en functies, op het ogenblik dat de schade zich voordoet, waarin ze zich zouden hebben bevonden mocht de schade zich niet hebben voorgedaan, geraamd aan de hand van de beste beschikbare informatie;
   16° regeneratie : bij water en beschermde soorten en natuurlijke habitats, de terugkeer van de beschadigde natuurlijke rijkdommen of aangetaste functies in hun aanvankelijke toestand en bij bodemschade, het wegwerken van alle risico's die ernstige negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens;
   17° natuurlijke regeneratie : regeneratie zonder rechtstreekse menselijke tussenkomst in het herstelproces;
   18° kosten : de kosten verantwoord door de noodzaak om een correcte en doeltreffende toepassing van dit Wetboek te garanderen, met inbegrip van de kosten voor de raming van de milieuschade, de onmiddellijke dreiging van zulke schade, de alternatieve maatregelen, evenals de administratieve, gerechts- en uitvoeringskosten, de kosten voor gegevensverzameling en de andere algemene kosten, en de toezichts- en follow-upkosten.]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 7, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Titel II. - [1 (Hoofdstuk II vervangen door Titel II)]1 [1 Inspectie, preventie, vaststelling van de misdrijven en milieuaansprakelijkheid]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 8, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  HOOFDSTUK 1. [1 - Bevoegde instanties.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 9, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Afdeling 1. [1 (Afdeling I vervangen door Afdeling 1)]1 <ORD 2001-06-28/60, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2001> - De personeelsleden belast met het toezicht
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 10, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 5.[1 § 1. De leidend ambtenaar van het Instituut stelt de met het toezicht belaste personeelsleden van het Instituut aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijke grondgebied, op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie, van de wetten en ordonnanties bedoeld in artikel 2 alsook van dit Wetboek, en met de vaststelling van de misdrijven.
   Onder de ambtenaren van het Instituut die overeenkomstig het vorige lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het Instituut deze ambtenaren aan die de hoedanigheid van officiers van gerechtelijke politie hebben.
   De bevoegdheden van officiers van gerechtelijke politie mogen enkel worden uitgeoefend door personeelsleden die de eed hebben afgelegd overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, statuten en reglementen.
   Onder de personeelsleden van het Instituut die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het Instituut, die in naam van het Instituut handelt, deze personeelsleden aan aan wie hij, onder zijn controle, de verwerking van opgeslagen persoonsgegevens delegeert.
   § 2. De leidend ambtenaar van het GAN stelt de met het toezicht belaste personeelsleden van het GAN aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijke grondgebied, op de naleving van artikel 18, § 1, van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen, en, voor wat gemeentelijke afvalstoffen in de zin van artikel 3, 6°, van dezelfde ordonnantie betreft, op de naleving van artikel 19, §§ 2 en 4 van dezelfde ordonnantie, en met de vaststelling van de misdrijven.
   Onder de ambtenaren van het GAN die overeenkomstig het vorige lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het GAN deze ambtenaren aan die de hoedanigheid van officiers van gerechtelijke politie hebben.
   De bevoegdheden van officiers van gerechtelijke politie mogen enkel worden uitgeoefend door personeelsleden die een eed hebben afgelegd overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, statuten en reglementen.
   Onder de personeelsleden van het GAN die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het GAN, die in naam van het GAN handelt, deze personeelsleden aan aan wie hij, onder zijn controle, de verwerking delegeert van de opgeslagen persoonsgegevens.
   § 3. De Regering wijst, op voorstel van de leidend ambtenaar van het bevoegde bestuur van het Ministerie, de met het toezicht belaste personeelsleden van het Ministerie aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijk grondgebied, op de naleving van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 2 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en met de vaststelling van de misdrijven.
   Onder de ambtenaren die overeenkomstig het vorige lid zijn aangesteld, stelt de Regering deze ambtenaren aan die de hoedanigheid van officiers van gerechtelijke politie hebben.
   De bevoegdheden van officiers van gerechtelijke politie mogen enkel worden uitgeoefend door personeelsleden die een eed hebben afgelegd overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, statuten en reglementen.
   Onder de personeelsleden die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de Regering deze personeelsleden aan aan wie zij, onder haar controle, de verwerking delegeert van de opgeslagen persoonsgegevens.
   § 4. Voor elke gemeente stelt het College van Burgemeester en Schepenen de met het toezicht belaste personeelsleden van de gemeente aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gemeentelijk grondgebied, op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie, van de in artikel 2 bedoelde wetten en ordonnanties, en met de vaststelling van de misdrijven.
   Onder de personeelsleden die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt het College van Burgemeester en Schepenen de personeelsleden aan aan wie hij, onder zijn controle, de verwerking delegeert van de opgeslagen persoonsgegevens.
   § 5. De boswachters bedoeld onder artikelen 9 en 16 van het Wetboek van Strafvordering worden belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijk grondgebied, op de naleving van de wet van 19 december 1854 bevattend het Boswetboek, de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren behorende bossen en wouden, de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende natuurbehoud, en de ordonnantie van 20 juni 2013 betreffende een pesticidegebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   § 6. Het Instituut bereidt elk jaar een ontwerp inspectieprogramma voor, dat binnen de drie maanden door de Regering dient te worden goedgekeurd.]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 11, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 6. Bij de uitoefening van hun opdracht kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden de politiediensten om assistentie vragen, met name wanneer blijkt dat ze bun opdracht niet kunnen vervullen zonder gesloten of niet-toegankelijke ruimten of terreinen te betreden.

  Art. 7.Om hun opdracht uit te voeren, kunnen de met toezicht belaste personeelsleden zich [1 eveneens]1 door deskundigen laten bijstaan [1 zich door deskundigen laten bijstaan]1.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 12, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Afdeling 2. [1 - Bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid.]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 14, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 8.[1 § 1. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid is de leidend ambtenaar van het Instituut.
   § 2. Zij is, onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid, belast met het aanduiden van de exploitant die de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van milieuschade heeft veroorzaakt.
   § 3. Zij is eveneens belast met het beoordelen van de omvang van de milieuschade en het bepalen van de herstelmaatregelen die moeten worden getroffen gelet op de beginselen vermeld in bijlage 1 en bijlage 2, evenals met het ramen van de kosten van deze maatregelen. Daartoe kan ze de betrokken exploitant vragen dat hij zelf een raming maakt en haar alle nodige informatie en gegevens verstrekt.
   De Regering legt een methodologie vast voor de evaluatie van de milieuschade, de bepaling van de herstelmaatregelen en de raming van de kosten die gepaard gaan met deze maatregelen.
   § 4. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan de uitvoering van de nodige preventie- of herstelmaatregelen aan derden delegeren of opleggen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 15, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Hoofdstuk 2. [1 (Afdeling 3 vervangen door Hoofdstuk 2)]1 - [1 Inspectie]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 16, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Afdeling 1. [1 (Onderafdeling 1 vervangen door Afdeling 1)]1 - Algemene bepalingen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 17, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 9.[1 (Art. 11bis hernummerd tot artikel 9)]1 <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 24; Inwerkingtreding : 12-02-2002> [1 Onverminderd]1 de bepalingen van een samenwerkingsakkoord dat geratificeerd wordt overeenkomstig artikel 92bis, § 1, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, kan de Regering [1 ...]1 bepalingen vaststellen met betrekking tot de nadere regels op het vlak van de inspectie. Die bepalingen hebben met name betrekking op de frequentie van de controles en op de [1 meetmethoden]1.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 18, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 10.[1 (artikel 12 hernummerd tot artikel 10)]1 Bij het uitoefenen van hun opdrachten mogen de met het toezicht belaste personeelsleden te allen tijde lokalen, terreinen en andere plaatsen betreden, tenzij het een woning in de zin van artikel 15 van de Grondwet betreft.
  Bij ernstige verontreiniging [1 of ernstige bedreiging]1 [1 die het milieu of de volksgezondheid kan schaden]1, mogen de voornoemde personeelsleden volgens de wettelijke vormvoorschriften [1 binnentreden in de woonplaats]1.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 19, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 11.[1 (artikel 13 hernummerd tot artikel 11)]1 [1 § 1.]1 Bij de uitoefening van hun opdracht mogen de met het toezicht belaste personeelsleden tot alle onderzoeken, controles en verhoren overgaan en alle inlichtingen inwinnen die ze nodig achten [1 voor de uitoefening van hun opdracht]1, met name :
  1° [1 de identiteit controleren en]1 een persoon ondervragen [1 ...]1;
  2° een document, stuk of bewijsstuk dat nuttig is voor de uitoefening van hun opdracht opzoeken en er ter plaatse inzage of kennis van nemen;
  3° van de opgevraagde documenten een kopie nemen of ze meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs;
  [1 4° eender welk apparaat plaatsen voor de meting van vervuiling.]1
  [1 § 2. De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen aan deskundigen eender welk onderzoek en controle toevertrouwen.
   De deskundigen handelen volgens de instructies van de met het toezicht belaste personeelsleden.
   De door de deskundige ingezamelde informatie en vaststellingen kunnen op elk moment worden aangewend door de met het toezicht belaste personeelsleden.]1
  [1 § 3. De verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, kan, bij wege van uitzondering, een audiovisueel apparaat plaatsen mits naleving van artikelen 13 tot en met 15 van huidig Wetboek en van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 20, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 12.[1 (artikel 14 hernummerd tot artikel 12)]1 De met het toezicht belaste personeelsleden mogen metingen van de verontreiniging verrichten en kosteloos monsters [1 van eender welk element of substantie]1 nemen of laten nemen door [1 een erkend laboratorium of door een deskundige handelend volgens hun instructies]1.
  Ze mogen van de personen tegen wie de resultaten van de metingen aangevoerd kunnen worden, de technische [1 en menselijke]1 middelen opeisen die nodig zijn om de metingen te doen of monsters te nemen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 21, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Afdeling 2. [1 (Onderafdeling 2 vervangen door Afdeling 2)]1 - [1 Metingen van verontreiniging]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 23, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 13. [1 § 1. Elke meting van verontreiniging bestemd om de naleving van de bepalingen zoals bedoeld in artikel 2 of van dit Wetboek na te gaan, komt tot stand volgens de modaliteiten en met behulp van apparaten en meetsystemen die de objectiviteit en de integriteit van de verzamelde gegevens waarborgen.
   § 2. Er wordt slechts tot het plaatsen van een audiovisueel apparaat overgegaan als de overige onderzoeksmiddelen die in dit Wetboek zijn voorzien niet lijken te volstaan en mits naleving van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
   De gefilmde beelden moeten adequaat, pertinent en niet excessief zijn ten opzichte van het nagestreefde doeleinde.
   Enkel de gegevens die tot doel hebben bewijzen te verzamelen van de constitutieve bestanddelen van een misdrijf en de daders op te sporen, mogen worden opgenomen en bewaard.
   Bovendien moet de verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, zich ervan verzekeren dat het audiovisueel apparaat niet specifiek naar een plaats wordt gericht waarvoor hijzelf niet gemachtigd is om de gegevens te verwerken.
   Het rechtstreeks bekijken van beelden in real time is uitsluitend toegestaan om toe te laten aan de verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, om onmiddellijk in te grijpen in geval van inbreuk of van milieuschade of in geval van een dreiging van inbreuk of van een dreiging van milieuschade.
   Het rechtstreeks bekijken van beelden in real time van een niet besloten plaats moet plaatsvinden onder de controle van de politiediensten.
   De verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, verzoekt bij de korpschef van de betreffende politiezone, om de controle van de politieagenten die deze aanstelt.
   § 3. De opgeslagen persoonsgegevens moeten worden bewaard voor een duur die niet langer dan noodzakelijk is voor de realisatie van de doeleinden waarvoor zij zijn verkregen of waarvoor zij later worden verwerkt.
   De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde leeft de volgende termijnen en manieren van bewaring na :
   - maximum één maand indien de opgeslagen gegevens niet kunnen bijdragen tot het aanbrengen van het bewijs van een inbreuk;
   - de gegevens die zijn opgeslagen tijdens de verwerking worden bewaard en moeten beschikbaar en toegankelijk blijven zolang het dossier niet is afgesloten;
   - de opgeslagen gegevens van een afgesloten en gearchiveerd dossier zijn enkel toegankelijk voor de verantwoordelijke voor de verwerking of voor zijn afgevaardigde;
   - de opgeslagen gegevens die de identificatie van een persoon toelaten en die geen enkel nut meer hebben, moeten worden vernietigd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 24, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 14. [1 § 1. De metingen van de verontreiniging zijn ogenblikkelijk of permanent.
   § 2. Het met het toezicht belaste personeelslid, het personeelslid, de deskundige of het erkend laboratorium belast met de meting van de verontreiniging controleert de goede werking van de apparaten :
   1° vóór hun gebruik, voor elke ogenblikkelijke meting; of
   2° periodiek, voor elke permanente meting.
   § 3. De personen zoals bedoeld in § 2 stellen een analyseverslag op dat, in voorkomend geval, een lijst van de disfuncties bevat, overeenkomstig § 6.
   Tussen het moment waarop de disfunctie van het apparaat wordt vastgesteld en het moment waarop ze werd verholpen, kunnen de resultaten van de metingen niet worden gebruikt.
   § 4. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, tegen wie het resultaat van de uitgevoerde meting kan worden aangevoerd, wordt enkel verwittigd en zijn aanwezigheid is enkel vereist voor het geval zijn tussenkomst nodig blijkt te zijn.
   § 5. De controle van de goede werking van een meetapparaat opgelegd door een milieuvergunning wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden opgelegd in de milieuvergunning of door een besluit van de Regering dat de uitbatingsvoorwaarden eigen aan de vergunde installaties oplegt.
   § 6. De in § 2 geviseerde personen houden dagelijks een register bij waarin de processen van controle van de goede werking, van onderhoud, van herstel, van stopzetting en de heropstart, volgend op de stopzetting, van de meetapparaten worden beschreven.
   § 7. Voorafgaand aan iedere plaatsing van een vast audiovisueel apparaat, en zonder afbreuk te doen aan de noodzaak om voorafgaand aan de plaatsing ervan op een goed van het openbaar domein, een domaniale toelating te verkrijgen, waarschuwt de verantwoordelijke voor de verwerking :
   - de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in voorkomend geval met inachtname van artikel 17 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
   - de korpschef van de betrokken politiezone.
   Hij verzoekt bovendien :
   - de toelating van de burgemeester van de betrokken gemeente wanneer het apparaat bedoeld is voor het filmen van een niet-besloten plaats;
   - de instemming van de eigenaar en de uitbater wanneer het apparaat bedoeld is voor het filmen van een voor het publiek toegankelijke besloten plaats;
   - de instemming van de eigenaar en de uitbater of, bij gebreke van een uitbater, van de eigenaar en de persoon die desgevallend krachtens een zakelijk of persoonlijk recht de plaats bezet, wanneer het apparaat bedoeld is voor het filmen van een niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats.
   De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde moet, wanneer hij zijn verklaring en verzoek om toelating indient, conform het eerste lid, de inbreuken of de milieuschades of de dreigingen van inbreuken of van milieuschades beschrijven die een beroep rechtvaardigen op de plaatsing van audiovisuele apparaten en moet het adequaat karakter aantonen van een dergelijke plaatsing in het licht van de nagestreefde doeleinden.
   Onafgezien van de plaats waar het audiovisueel apparaat geplaatst wordt, duidt de verantwoordelijke voor de verwerking de installatie ervan aan door het aanbrengen van een pictogram of belast de beheerder van de plaats om het te doen.
   Het feit dat een fysiek persoon een plaats binnentreedt waar een pictogram een cameratoezicht aanduidt, maakt haar instemming uit om gefilmd te worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 25, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 15.[1 (Art. 17 hernummerd tot art. 15)]1 § 1. Elke meting van de [1 verontreiniging]1 wordt opgenomen in een meetverslag [1 opgesteld door het met het toezicht belaste personeelslid, door de deskundige of door het erkend laboratorium]1 dat de volgende gegevens bevat :
  [1 1° de vermelding van het register zoals bedoeld in artikel 14, § 6;
   2° in voorkomend geval, de luchtgesteldheid op het moment van de metingen;]1
  [1 3°]1° de meetmethode en -omstandigheden;
  [1 4°]1° de beschrijving van het gebruikte meetmateriaal;
  [1 5°]1° het plan van de omgeving met nauwkeurige aanduiding van de meetpunten;
  [1 6°]1° de datum en het uur waarop de metingen werden verricht;
  [1 7°]1° de duur van de metingen;
  [1 8° de namen en hoedanigheid van de personeelsleden, van het erkend laboratorium of van de deskundige die de metingen hebben uitgevoerd;
   9° de namen en hoedanigheid van de personen die het verslag hebben opgesteld;
   10° in voorkomend geval, de identificatie van de aanwezige personen;]1
  [1 ...]1 [1 ...]1
  [1 11°]1° het resultaat van de metingen.
  [1 ...]1
  § 2. De [1 vermoedelijke]1 dader of de eigenaar van het goed waar het feit dat [1 het constitutief bestanddeel]1 van het misdrijf vormt werd gepleegd of waar het zijn oorsprong vond, ontvangt samen met de kennisgeving van de waarschuwing [1 bedoeld in artikel 21, § 2, van de ingebrekestelling bedoeld in artikel 21, § 3,]1 of van het proces-verbaal waarin het misdrijf wordt vastgesteld een afschrift van het meetverslag.
  [1 § 3. De door de audiovisuele apparaten opgeslagen gegevens maken het voorwerp uit van een verslag opgesteld door de verantwoordelijke voor de verwerking, dat de volgende aanwijzingen bevat :
   - het plan van de gefilmde plaatsen en hun politieadres;
   - de data en uren gedurende welke de apparaten gewerkt hebben;
   - de beschrijving van het gebruikte materiaal;
   - de naam en voornaam van de verantwoordelijken voor de verwerking die zijn overgegaan tot de plaatsing van de apparaten en het opslaan van de gegevens;
   - in voorkomend geval, de identificatie van de personen aanwezig op het ogenblik van de opname;
   - de toelating van de burgemeester van de betrokken gemeente, wanneer die vereist is;
   - de toelating van de eigenaar en de uitbater of de persoon die in voorkomend geval de plaats bezet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, van de betrokken plaats, wanneer die vereist is; en
   - het bewijs van de voorafgaande kennisgeving aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.]1
  [1 § 4. Het verslag bedoeld in paragraaf 3 en een kopie van de opname zijn aangehecht aan de kennisgeving van de waarschuwing bedoeld in artikel 21, § 2, van de ingebrekestelling bedoeld in artikel 21, § 3, of van het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt, gericht aan de vermoedelijke dader van het misdrijf en aan de Procureur des Konings.]1
  [1 § 5. Alleen de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde, beschikt over een toegangsrecht tot de in paragraaf 3 bedoelde opgeslagen gegevens, die aan de Procureur des Konings meegedeeld kunnen worden.
   De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde stelt onder de personeelsleden belast met het toezicht, de personeelsleden aan die toegang hebben tot de opgeslagen gegevens.
   Deze personeelsleden moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :
   - beschikken over het statuut van personeelslid belast met het toezicht sedert ten minste 5 jaar op het ogenblik van hun aanstelling;
   - elk jaar een certificaat van goed zedelijk gedrag overleggen;
   - een verklaring op eer ondertekenen waarin zij zich verbinden om een discretieplicht na te leven wat betreft de gevoelige en persoonsgegevens die door de beelden worden verschaft.
   De functie van deze personeelsleden beperkt zich tot het controleren of de opgeslagen gegevens een inbreuk kunnen vormen of een milieuschade kunnen veroorzaken en tot het informeren van de verantwoordelijke voor de verwerking over het resultaat van hun controles.
   De lijst van personen die aldus zijn aangesteld moet ter beschikking worden gehouden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer door de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde.]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 26, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Afdeling 3. [1 (Onderafdeling 3 vervangen door Afdeling 3)]1 - Monsternemingen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 27, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 16.[1 (art. 18 hernummerd tot art. 16)]1 § 1. [1 Het met het toezicht belaste personeelslid, de deskundige of het erkend laboratorium die de monsters heeft genomen, wijst een erkend analyselaboratorium aan dat belast wordt met de officiële analyse van het eerste monster.]1
  [1 § 2. Bij elke monsterneming worden telkens twee monsters in dezelfde omstandigheden genomen. Ze worden in geschikte recipiënten of verpakkingen bewaard die een goede bewaring en een goede analyse garanderen.
   Eén monster is bestemd voor het erkend laboratorium voor analyse. Een tweede monster is bestemd voor de natuurlijke persoon of rechtspersoon, tegen wie het resultaat van de analyses kan worden aangevoerd.]1
  [1 § 3. De recipiënten of de verpakkingen worden met de zegel van de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in § 1 bekleed, waardoor de inhoud ervan onmogelijk kan worden vervangen of gewijzigd.]1
  [1 § 4.]1 Op de recipiënten of de verpakkingen staan de volgende gegevens :
  1° een identificatienummer;
  2° de datum van de monsterneming;
  3° de identiteit en de handtekening van [1 de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in § 1]1;
  4° de aard van de substanties of voorwerpen waarvan het monster is genomen.
  [1 ...]1 [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 28, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 17.[1 (art. 19 hernummerd tot art. 17)]1 § 1. [1 De natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 16 § 1]1, stelt van elke monsterneming een proces-verbaal op. Het proces-verbaal bevat [1 op zijn minst]1 de volgende gegevens :
  1° de gegevens die vermeld staan op de recipiënten of verpakkingen waarin de monsters bewaard worden;
  2° de methode en de omstandigheden [1 waarin de monsterneming plaatsvond]1;
  3° de beschrijving van de recipiënten of verpakkingen waarin de monsters bewaard worden;
  4° [1 in voorkomend geval, de identiteit van de personen die de monsterneming hebben bijgewoond;]1
  [1 4°]1 de vermelding dat de persoon tegen wie de resultaten van de monsterneming kunnen worden aangevoerd, het tweede monster kan laten analyseren door een ander erkend laboratorium;
  [1 5°]1 de identiteit van het [1 erkende]1 laboratorium dat belast is met de officiële analyse van het monster,
  [1 6°]1 de resultaten van [1 ...]1 de analyses die ter plaatse uitgevoerd zijn.
  § 2. Binnen [1 vijf werkdagen]1 na de monsterneming wordt een afschrift van het proces-verbaal bezorgd aan de persoon tegen wie de analyseresultaten kunnen worden aangevoerd.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 29, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 18.[1 (Art. 21 hernummerd tot art. 18)]1 § 1. [1 Ten laatste op de eerste werkdag die volgt op de datum van monsterneming, wordt één van de monsters bezorgd aan het erkend laboratorium voor analyse aangeduid door de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 16, § 1.
   Het wordt bewaard in omstandigheden die een correcte analyse toelaten.]1
  § 2. [1 Het tweede monster wordt onmiddellijk op de plaats van monsterneming overhandigd aan één van de personen tegen wie de analyseresultaten kunnen worden aangevoerd indien hij aanwezig is op het ogenblik van de monsterneming.
   Als dat niet mogelijk is, wordt het monster bewaard door het erkende laboratorium dat met de officiële analyse is belast. Het wordt tot vijf werkdagen na de monsterneming ter beschikking gehouden van de personen bedoeld in het eerste lid.]1
  § 3. De persoon tegen wie de analyseresultaten kunnen worden aangevoerd, kan een analyse van het tweede monster vragen bij een ander erkend laboratorium [1 ...]1.
  Indien het monster hem op de plaats van de monsterneming overhandigd wordt, dient hij het [1 ...]1 [1 ten laatste op de eerste werkdag die volgt op de datum van monsterneming]1 aan dit laboratorium door te geven. Het monster wordt zo bewaard dat het correct kan worden geanalyseerd.
  [1 Indien hij het monster niet onmiddellijk op de plaats van de monsterneming heeft gekregen, kan hij binnen de vijf werkdagen na de monsterneming, het erkend laboratorium voor analyse aangeduid door de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 16, § 1, verzoeken dat het tweede monster te zijner beschikking wordt gesteld.]1
  In ieder geval gebeurt de analyse van het tweede monster op kosten van de belanghebbende.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 31, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 19.[1 (Art. 22 hernummerd tot art. 19)]1 § 1. [1 Het erkende laboratorium aangeduid door de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 16, § 1, maakt een analyseverslag op en bezorgt dit aan het met het toezicht belaste personeelslid.]1
  Het laboratorium dat de analyse van het tweede monster uitvoert, maakt onmiddellijk een analyseverslag op en bezorgt dat aan de persoon die de analyse gevraagd heeft. [1 Die bezorgt het verslag onmiddellijk aan de personen zoals bedoeld in artikel 16, § 1.]1
  § 2. Het analyseverslag bevat de volgende gegevens :
  1° [1 de identiteit van het personeelslid die om de analyse heeft gevraagd en in voorkomend geval van de persoon die de tweede analyse heeft geëist;]1
  2° de ontvangstdatum van de monsters [1 en hun referentienummers]1;
  3° de aanduiding van de omstandigheden waarin de monsters zijn bewaard;
  4° [1 ...]1
  [1 4°]1 de aanduiding van de gebruikte analysemethode en van de omstandigheden waarin de analyse werd verricht;
  [1 5°]1 de datum waarop de analyse werd verricht;
  [1 ...]1 [1 ...]1
  [1 6°]1 de opgeleverde resultaten.
  § 3. [1 De vermoedelijke dader of de eigenaar van het goed waar het feit dat het constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt werd gepleegd of waar het zijn oorsprong vond, ontvangt samen met de kennisgeving van de waarschuwing bedoeld in artikel 21, § 2, van de ingebrekestelling bedoeld in artikel 21, § 3, of van het proces-verbaal waarin het misdrijf wordt vastgesteld een afschrift van het analyseverslag.]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 32, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  HOOFDSTUK 3. [1 - Preventie, vaststelling van de misdrijven en milieuaansprakelijkheid]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Afdeling 1. - [1 Preventie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 20. [1 De exploitant treft onverwijld de nodige preventieve maatregelen wanneer zich nog geen milieuschade heeft voorgedaan maar een onmiddellijke dreiging bestaat dat dergelijke schade zich voordoet.
  Wanneer een onmiddellijke dreiging van milieuschade ondanks de door de betrokken exploitant genomen preventieve maatregelen niet verdwijnt, is deze laatste verplicht om de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid zo spoedig mogelijk van alle relevante aspecten op de hoogte te brengen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 21. [1 § 1. De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen te allen tijde maatregelen treffen of opleggen, zelfs mondeling, ten aanzien van eender welke persoon, die nodig zijn om elke vorm van gevaar of hinder voor het leefmilieu of voor de volksgezondheid te voorkomen, te verminderen of te verhelpen en hen verplichten informatie te verstrekken.
  Indien de maatregelen mondeling zijn opgelegd, worden ze binnen 10 werkdagen bij een ter post aangetekende brief aan de bestemmeling van de maatregel bevestigd door :
  1° de burgemeester wanneer personeelsleden van de gemeente het bevel hebben opgelegd; of
  2° de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, wanneer hun respectieve personeelsleden het bevel hebben gegeven.
  Indien de maatregelen schriftelijk zijn opgelegd, worden ze goedgekeurd door een medeondertekening :
  1° van de burgemeester, wanneer een personeelslid van de gemeente het bevel heeft opgelegd; of
  2° van de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, wanneer één van hun respectieve personeelsleden het bevel heeft opgelegd.
  Ze worden aan de bestemmeling van de maatregel bezorgd bij een ter post aangetekende brief.
  Indien aan die maatregelen geen gevolg wordt gegeven, kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden de voorgeschreven maatregel ambtshalve ten laste van de in gebreke blijvende persoon uitvoeren of laten uitvoeren.
  Een preventieve maatregel opgelegd door een met het toezicht belast personeelslid aan een exploitant, en medeondertekend, indien zij schriftelijk werd genomen of bekrachtigd, indien zij werd genomen na een mondelinge beslissing, door de leidend ambtenaar van het Instituut, vormt van rechtswege een bevolen preventieve maatregel van de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid in de zin van artikel 24, indien de gevaren of hinder die haar rechtvaardigen een onmiddellijke dreiging op milieuschade, die binnen het toepassingsgebied van artikel 57 valt, kunnen uitmaken of daaraan aan de oorsprong kunnen liggen.
  § 2. De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen te allen tijde, zelfs mondeling, een waarschuwing richten tot de vermoedelijke dader van het misdrijf, of tot de eigenaar van het goed waar het feit dat het constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt gepleegd werd of waar het zijn oorsprong vond en een termijn vastleggen waarbinnen hij zich in regel dient te stellen.
  Wanneer een mondelinge waarschuwing gegeven wordt, dan dient die binnen tien werkdagen bij een ter post aangetekende brief te worden bevestigd door :
  1° de burgemeester wanneer de waarschuwing door personeelsleden van de gemeente werd gegeven; of
  2° de leidend ambtenaar van het Instituut of van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie wanneer de waarschuwing door respectievelijk één van hun personeelsleden werd gegeven.
  Deze waarschuwing kan in voorkomend geval in dezelfde aangetekende brief gepaard gaan met een krachtens § 1 genomen of opgelegde preventieve maatregel.
  § 3. Nadat de waarschuwing geen gedeeltelijke of volledige uitvoering krijgt door zijn bestemmeling of indien de situatie het vereist, kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden een ingebrekestelling per aangetekend schrijven richten aan eerstgenoemde.
  De ingebrekestelling kan in dezelfde aangetekende brief gepaard gaan met een preventieve maatregel opgelegd overeenkomstig § 1.
  § 4. In geval van een feit dat het constitutief bestanddeel van een misdrijf vormt en indien de dreiging van die aard is dat enige vertraging in het nemen van maatregelen tot onherstelbare schade riskeert te leiden of in geval van herhaalde vaststellingen verricht conform artikel 23, kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden bovendien mondeling bevelen tot :
  1° de gedeeltelijke of volledige stopzetting van de activiteit;
  2° de sluiting van één of meer inrichtingen.
  Die maatregelen vervallen indien ze binnen tien werkdagen nadat ze opgelegd werden, niet bij een ter post aangetekende brief bevestigd zijn door :
  1° de burgemeester wanneer personeelsleden van de gemeente de maatregelen hebben opgelegd; of
  2° de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, wanneer één van hun personeelsleden de maatregelen hebben opgelegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 22. [1 Iedere belanghebbende kan bij het Milieucollege beroep instellen tegen het bevel om een activiteit gedeeltelijk of volledig stop te zetten of om een of meer inrichtingen te sluiten of tegen een bevel met een gelijkaardig gevolg, of tegen ieder bevel om een activiteit voort te zetten of een bevel met een gelijkaardig gevolg.
  Op straffe van verval dient het beroep per verzoekschrift bij het Milieucollege te worden ingesteld binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing of van de bevestiging bedoeld in artikel 21. Het Milieucollege hoort de belanghebbende, op zijn verzoek, of zijn raadsman. In dit geval wordt ook het met het toezicht belaste personeelslid dat de maatregelen heeft genomen gehoord.
  Binnen vijftien werkdagen na de datum van verzending van het verzoekschrift betekent het Milieucollege zijn beslissing. Deze termijn wordt met tien werkdagen verlengd wanneer de partijen een verzoek indienen om te worden gehoord. Voorts wordt de termijn verlengd met tien werkdagen wanneer het verzoekschrift is opgestuurd in de periode van 15 juni tot 15 augustus.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Afdeling 2. - [1 Vaststelling van de misdrijven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 23. [1 De met het toezicht belaste personeelsleden stellen de misdrijven vast in een proces-verbaal dat bewijswaarde heeft tot het bewijs van het tegendeel. Binnen tien werkdagen na de vaststelling van het misdrijf wordt een afschrift van het proces-verbaal bezorgd aan de vermoedelijke dader of aan de eigenaar van het goed waar het feit dat het constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt gepleegd werd of waar het zijn oorsprong gevonden heeft. De termijn wordt berekend te rekenen vanaf de dag volgend op de vaststelling van het misdrijf.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Afdeling 3. - [1 Milieuaansprakelijkheid]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Onderafdeling 1. - [1 Preventieve maatregelen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 24. [1 De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan te allen tijde :
  1° de exploitant verplichten informatie te verstrekken telkens als zich een onmiddellijke dreiging van milieuschade voordoet of ingeval dergelijke onmiddellijke dreiging wordt vermoed;
  2° de exploitant verplichten de nodige preventieve maatregelen te treffen; of
  3° zelf de nodige preventieve maatregelen nemen.
  Als de exploitant de verplichtingen bepaald in artikel 20 of in punten 1° en 2°, niet nakomt, als hij niet kan worden geïdentificeerd of als hij krachtens artikel 27 de kosten niet moet dragen, kan de bevoegde instantie zelf de nodige preventieve maatregelen treffen.
  De genomen beslissingen worden onmiddellijk aan de betrokken exploitant betekend die tegelijkertijd ingelicht wordt over de rechtsmiddelen en beroepstermijnen waarover hij beschikt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Onderafdeling 2. - [1 Herstelmaatregelen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 25. [1 § 1. Wanneer er zich milieuschade heeft voorgedaan, brengt de exploitant onverwijld de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid op de hoogte van alle relevante aspecten van de toestand en treft hij :
  1° alle praktische maatregelen om de betrokken verontreinigende stoffen en/of enige andere schadefactor onmiddellijk te bestrijden, in te perken, te verwijderen of te behandelen, teneinde nieuwe milieuschade en negatieve gevolgen voor de volksgezondheid of aantasting van de functies te beperken of te voorkomen;
  2° de nodige herstelmaatregelen. Hij bepaalt overeenkomstig bijlage 2 de mogelijke herstelmaatregelen en legt ze ter goedkeuring voor aan de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid.
  § 2. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid besluit welke herstelmaatregelen overeenkomstig bijlage 2, en zo nodig in samenwerking met de betrokken exploitant, worden uitgevoerd.
  Wanneer zich meerdere gevallen van milieuschade hebben voorgedaan en de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid er niet voor kan zorgen dat de noodzakelijke herstelmaatregelen gelijktijdig worden genomen, kan zij bepalen welk geval van milieuschade eerst moet worden hersteld. Bij het nemen van deze beslissing houdt zij onder meer rekening met de aard, de omvang en de ernst van de milieuschade en met de mogelijkheid van natuurlijke regeneratie. Er moet ook rekening worden gehouden met de risico's voor de gezondheid van de mens.
  De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid nodigt de personen, bedoeld in artikel 29, § 1, uit en in ieder geval de personen op wier terrein herstelmaatregelen zouden moeten worden toegepast, om opmerkingen te formuleren en houdt rekening met deze opmerkingen.
  § 3. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan te allen tijde :
  1° de exploitant verplichten aanvullende informatie te verstrekken over alle schade die zich heeft voorgedaan;
  2° zelf alle praktische maatregelen treffen of de betrokken exploitant daartoe verplichten om de betrokken verontreinigende stoffen en/of enige andere schadefactor onmiddellijk te bestrijden, in te perken, te verwijderen of te beheren, teneinde nieuwe milieuschade en negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens of aantasting van de functies te beperken of te voorkomen;
  3° de exploitant verplichten de nodige herstelmaatregelen te treffen; of
  4° zelf de nodige herstelmaatregelen treffen.
  § 4. Als de exploitant de verplichtingen bepaald in § 1 of § 3, 2° of 3° niet nakomt, als hij niet kan worden geïdentificeerd of als hij krachtens artikel 27 de kosten niet moet dragen, kan de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid zelf de nodige preventieve maatregelen treffen.
  § 5. Iedere beslissing die een herstelmaatregel oplegt wordt onverwijld meegedeeld aan de betrokken exploitant, die tegelijkertijd op de hoogte wordt gebracht van de rechtsmiddelen en beroepstermijnen waarover hij beschikt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Onderafdeling 3. - [1 Preventie- en herstelkosten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 26. [1 De exploitant draagt de kosten voor de preventie- en herstelmaatregelen die door de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid zijn genomen.
  Wanneer milieuschade of de onmiddellijke dreiging van deze schade is veroorzaakt door verschillende exploitanten, zijn deze er hoofdelijk toe gehouden de kosten voor de ondernomen preventie- en herstelmaatregelen te dragen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 27. [1 § 1. De exploitant is echter niet verplicht de kosten te dragen van de preventie- of herstelmaatregelen opgelegd door de instantie bevoegd inzake milieuaansprakelijkheid als hij kan bewijzen dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van dergelijke schade :
  1° veroorzaakt is door een derde ondanks dat er passende veiligheidsmaatregelen waren getroffen; of
  2° het gevolg is van het opvolgen van een bevel of instructie van een overheidsinstantie, tenzij het een bevel of instructie betreft naar aanleiding van een emissie of incident veroorzaakt door de activiteiten van de exploitant zelf.
  § 2. De exploitant is niet verplicht de kosten te dragen van de herstelmaatregelen die met toepassing van dit Wetboek worden getroffen als hij kan bewijzen dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van dergelijke schade te wijten is aan :
  1° een emissie of een gebeurtenis die uitdrukkelijk toegestaan is met naleving van alle voorwaarden die verband houden met een op de datum van de emissie of de gebeurtenis van toepassing zijnde vergunning die uitgereikt of verlengd werd krachtens de in bijlage 3 bedoelde wetgevende en reglementaire bepalingen inzake de exploitatie van een hierin opgenomen activiteit;
  2° een emissie of een activiteit of elke aanwending van een product in het kader van een activiteit waarvan de exploitant kan bewijzen dat deze niet beschouwd was als vatbaar voor het aanrichten van milieuschade in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het ogenblik dat de emissie of de activiteit plaatsvond.
  § 3. De Regering legt de modaliteiten vast volgens welke de exploitant de kosten die hij heeft gemaakt maar die hij krachtens § 1 en § 2 van dit artikel niet moet dragen, kan terugvorderen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 28. [1 § 1. Behoudens artikel 27 vordert de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid, met name via een waarborgsom of andere passende waarborgen bij de exploitant die de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt, de kosten terug die ze heeft gedragen voor de ondernomen preventieve maatregelen of herstelmaatregelen van de milieuschade. De Regering bepaalt de financiële waarborgen die passend worden geacht en legt de regels in verband met de uitoefening van dit terugvorderingsrecht vast.
  § 2. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan beslissen om de gedragen kosten niet volledig terug te vorderen wanneer de daartoe benodigde uitgaven hoger zijn dan het terug te vorderen bedrag of wanneer de exploitant niet kan worden geïdentificeerd.
  § 3. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid is gerechtigd om tegen de exploitant of, indien van toepassing, een derde die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt, een procedure in te stellen om de kosten met betrekking tot alle uit hoofde van dit Wetboek genomen maatregelen terug te vorderen binnen een periode van vijf jaar vanaf de datum waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of de datum waarop de aansprakelijke exploitant of derde is geïdentificeerd, waarbij de meest recente datum in aanmerking wordt genomen.
  § 4. De door de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid getroffen maatregelen overeenkomstig artikel 21, § 1, zesde lid en de artikelen 24 en 25 § 3, worden getroffen onverminderd de aansprakelijkheid van de betrokken exploitant en de naleving van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Onderafdeling 4. - [1 Vordering van maatregelen en rechtsmiddelen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 29. [1 § 1. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die een belang heeft bij de besluitvorming inzake milieuschade, met name hij die zulke milieuschade lijdt of dreigt te lijden, is gerechtigd om bij de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid opmerkingen in te dienen betreffende elk geval van milieuschade of onmiddellijke dreiging van dergelijke schade waarvan hij kennis heeft en heeft de mogelijkheid om de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid te verzoeken krachtens dit Wetboek maatregelen te treffen.
  Iedere vereniging die op het grondgebied van het Gewest ijvert voor de bescherming van het leefmilieu, wordt geacht een belang te hebben op voorwaarde dat :
  1° de vereniging is opgericht als een VZW;
  2° de VZW al bestond vóór de datum waarop de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van schade zich heeft voorgedaan; en
  3° het statutair doel van de VZW de bescherming van het leefmilieu is;
  4° het belang waarvan de aantasting in haar opmerkingen en/of haar verzoek tot het nemen van maatregelen wordt aangevoerd, past in het kader van het statutair doel van de VZW, zoals blijkt op de datum waarop de schade of de onmiddellijke dreiging van schade zich heeft voorgedaan.
  Deze bepaling is van toepassing, onverminderd het vorderingsrecht bepaald door de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu.
  § 2. Het verzoek tot maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd.
  § 3. Wanneer het verzoek tot maatregelen en de bijbehorende opmerkingen op aannemelijke wijze het bestaan van milieuschade aangeven, onderzoekt de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid deze opmerkingen en dit verzoek tot maatregelen.
  In dat geval, biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid om zijn standpunt met betrekking tot het verzoek tot maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken, overeenkomstig de door de Regering vastgelegde vormen en termijnen.
  § 4. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid brengt de personen bedoeld in § 1 die opmerkingen hebben ingediend zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek op de hoogte van haar beslissing om al dan niet op te treden, met vermelding van de redenen waarop haar beslissing is gebaseerd.
  § 5. De kennisgeving van de met redenen omklede beslissing van de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid vermeldt de rechtsmiddelen en beroepstermijnen waarvan ze het voorwerp kan uitmaken, evenals de modaliteiten voor het indienen van dit beroep.
  § 6. De Regering legt de vormregels en de modaliteiten vast voor de indiening en het onderzoek van de op basis van dit artikel ingediende verzoeken tot maatregelen.
  § 7. De personen bedoeld § 1 kunnen een beroepsprocedure instellen :
  1° bij het Milieucollege tegen de beslissingen, daden of verzuim van de instantie bevoegd inzake milieuaansprakelijkheid krachtens dit Wetboek; en
  2° bij de Regering tegen de beslissingen van het Milieucollege bedoeld in punt 1°.
  De Regering legt de beroepsprocedure bedoeld in de punten 1° en 2° vast.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Onderafdeling 5. - [1 Intergewestelijke en internationale samenwerking]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 30. [1 § 1. Wanneer milieuschade gevolgen heeft of kan hebben voor meerdere Lidstaten of meerdere Gewesten, waaronder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, werkt de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid samen met de andere Lidstaten van de Europese Unie of Gewesten, met name door een passende informatie-uitwisseling, om ervoor te zorgen dat een preventieve maatregel en, al naargelang het geval, een herstelmaatregel met betrekking tot de milieuschade wordt getroffen.
  § 2. Wanneer dergelijke milieuschade is ontstaan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, verstrekt de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid voldoende informatie aan de Lidstaten of gewesten die mogelijk zijn getroffen.
  § 3. Wanneer de bevoegde instantie inzake milieuschade schade vaststelt die is veroorzaakt buiten het grondgebied waarvoor ze bevoegd is, meldt ze dit aan de Europese Commissie en alle andere betrokken gewesten of Lidstaten; ze kan aanbevelingen doen betreffende preventie- of herstelmaatregelen die moeten worden getroffen en kan overeenkomstig dit Wetboek de kosten die ze heeft gemaakt voor preventie- of herstelmaatregelen terugvorderen.
  § 4. Deze samenwerking doet geen afbreuk aan de bestaande samenwerkingsvormen. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 33, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Titel III. [1 - Misdrijven en strafsancties]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 34, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  HOOFDSTUK 1. [1 - Misdrijven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 35, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 31. [1 § 1. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met een geldboete van 50 tot 100.000 euro, of met slechts één van die straffen alleen :
   1° diegene die zich, minstens wegens nalatigheid, zich onttrekt aan of die op welkdanige manier de uitvoering verhindert van de inspectieopdracht waarmee de met het toezicht belaste personeelsleden gemachtigd zijn krachtens artikelen 5 tot en met 7 en artikelen 9 tot en met 19 van dit Wetboek;
   2° diegene die, minstens wegens nalatigheid :
   a) de informatieverplichtingen zoals voorzien in artikel 20, tweede lid, of artikel 25, § 1, niet nakomt;
   b) verzuimt de informatie die hem gevraagd wordt krachtens artikel 21, § 1, artikel 24, eerste lid, 1°, of artikel 25, § 3, 1°, mee te delen;
   c) zijn verplichtingen niet nakomt om preventieve of herstelmaatregelen te treffen zoals voorzien in respectievelijk artikel 20, eerste lid, en artikel 25, § 1;
   d) de verplichting tot het voorafgaandelijk voorleggen van de mogelijke herstelmaatregelen voorzien in artikel 25, § 1, 2°, niet eerbiedigt;
   e) de maatregelen die hem zijn opgelegd krachtens artikel 21, § 1, eerste lid, artikel 24, eerste lid, 2°, of artikel 25, § 3, 2° en 3°, niet of niet volgens de instructies uitvoert;
   f) geen adequate financiële waarborg stelt overeenkomstig artikel 28, § 1;
   3° diegene die, minstens wegens nalatigheid, een bepaling van een verordening van de Europese Unie zoals voorzien in artikel 2 overtreedt, voor zover het niet reeds door een andere ordonnantie strafbaar wordt gesteld, of, tenminste wegens nalatigheid, behoudens een andersluidende bepaling, feiten pleegt, die door of krachtens een wet of ordonnantie voorzien in artikel 2 en niet zoals voorzien in de paragrafen 3 en 4 van huidig artikel, strafbaar worden gesteld.
   § 2. De nalatigheid bepaald in paragraaf 1 staat vast door het plegen zelf van de strafbare feiten, ongeacht of het gaat om een handeling of een verzuim, behoudens tegenbewijs.
   § 3. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en met een geldboete van 10.000 tot 500.000 euro, of met slechts één van die straffen alleen, diegene die :
   a) één van de misdrijven pleegt zoals voorzien in artikel 3 van de ordonnantie van 9 december 2010 betreffende de toepasselijke sancties in het geval van niet-naleving van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH); of
   b) één van de misdrijven pleegt zoals voorzien in artikel 75 van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems.
   § 4. Voor de toepassing van dit artikel, geniet de mogelijkheid voorzien in artikel 37ter van het Strafwetboek om een werkstraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf of een geldboete, de voorkeur.
   De uitgesproken straf is doeltreffend, evenredig en afschrikkend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 35, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  HOOFDSTUK 2. [1 - Verzwarende omstandigheden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 36, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 32. [1 Wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en met een geldboete van 250 tot 300.000 euro, of met slechts één van die straffen alleen, diegene die een misdrijf pleegt zoals voorzien in artikel 31, § 1, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten of aanzienlijke schade aan een habitat binnen een Natura 2000-gebied wordt veroorzaakt.
   Huidig artikel doet geen afbreuk aan de verzwarende omstandigheden zoals voorzien in bijzondere wetgevingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 36, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  HOOFDSTUK 3. [1 (Hoofdstuk III vervangen door Hoofdstuk 3)]1 - Recidive.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 37, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 33.[2 (Art. 23 hernummerd tot art. 33)]2 [1 De persoon die binnen drie jaar na een veroordeling voor een misdrijf [2 bedoeld in artikel 31]2, opnieuw een misdrijf begaat [2 bedoeld in artikel 31]2 met een gevangenisstraf worden gestraft, [2 en met een geldboete die het dubbel bedraagt van de maximale boete of gevangenisstraf vastgesteld voor het laatst gepleegde misdrijf, of met slechts één van die straffen alleen]2. De straf mag echter niet minder bedragen dan [2 200]2 euro of vijftien dagen gevangenisstraf.]1
  ----------
  (1)<ORD 2010-12-09/04, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 27-12-2010>
  (2)<ORD 2014-05-08/54, art. 38, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Titel IV. [1 (Hoofdstuk IV vervangen door Titel IV)]1 - Door de rechter opgelegde maatregelen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 39, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 34.[1 (Art. 24 hernummerd tot art. 34)]1 Onverminderd de straffen vermeld [1 in de artikelen 31 tot en met 33]1, kan de rechter een of meerdere maatregelen opleggen die in dit [1 titel]1 worden opgenomen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 40, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 35.[1 (Art. 25 hernummerd tot art. 35)]1 Onverminderd de toepassing van de artikelen 42 tot en met 43bis van het Strafwetboek kan de rechter roerende goederen die schade kunnen berokkenen aan het leefmilieu of de volksgezondheid verbeurd verklaren in een vonnis waarin een misdrijf wordt vastgesteld.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 41, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 36.[1 (Art. 26 hernummerd tot art. 36)]1 De rechter kan de schuldige van een misdrijf waarbij het leefmilieu of de volksgezondheid in het gedrang komt, veroordelen om in het Fonds voor Milieubescherming zoals bedoeld bij artikel 2, 9° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen, een som te storten die gelijk is aan de kosten die de gemeente, het Instituut [1 , het GAN]1 of het Gewest hebben gemaakt om schade of het gevaar voor schade door het misdrijf aan het leefmilieu of de volksgezondheid te voorkomen, te beperken, stop te zetten of te verhelpen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 42, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 37.[1 (Art. 27 hernummerd tot art. 37)]1 Op verzoek van het Instituut, het GAN, de Regering of de Burgemeester, kan de rechter bevelen dat binnen de termijn die hij zelf vaststelt of wel de plaats weer in de oorspronkelijke staat wordt gebracht of in zo'n staat dat er geen gevaar of hinder meer is voor het leefmilieu en de volksgezondheid, ofwel dat er aanpassingswerken moeten worden uitgevoerd.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk XXIII van boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter bevelen dat wanneer de plaats niet in de oorspronkelijke staat wordt gebracht of de aanpassingswerken niet binnen de vastgestelde termijn uitgevoerd worden, het Instituut, het GAN, de Regering of de burgemeester zelf ambtshalve de werken kunnen laten uitvoeren [1 en over het recht beschikken om de materialen en voorwerpen die afkomstig zijn uit de instaatstelling van de plaatsen te verkopen, te vervoeren, te bewaren of om ze te vernietigen op een plaats die hij kiest]1.
  De veroordeelde moet alle uitvoeringskosten terugbetalen op voorlegging van een kostenstaat die door de beslagrechter begroot en uitvoerbaar verklaard is [1 , mits vermindering van de verkoopprijs van de materialen en voorwerpen afkomstig uit de instaatstelling van de plaats]1.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 43, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 38.[1 (Art. 28 hernummerd tot art. 38)]1 Bij veroordeling wegens [1 misdrijf bedoeld in artikel 31]1, kan de rechter een gedeeltelijke of volledige stopzetting van de activiteit of de tijdelijke of definitieve sluiting bevelen van de inrichting of de inrichtingen; de stopzetting of de sluiting kan tijdelijk, met een maximumduur van twee jaar, worden opgelegd ook al is de veroordeelde noch eigenaar noch exploitant.
  Daarenboven kan de rechter de veroordeelde voorlopig of definitief verbieden nog soortgelijke inlichtingen te exploiteren, hetzij persoonlijk, hetzij via tussenpersonen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 44, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 39.[1 (Art. 29 hernummerd tot art. 39)]1 Indien de veroordeelde binnen tien jaar na een uitvoerbaar verklaarde veroordeling voor een misdrijf gepleegd bij de uitoefening van zijn beroep opnieuw een soortgelijk misdrijf pleegt, dan kan de rechter hem verbieden een bepaalde beroepsactiviteit persoonlijk of via tussenpersonen uit te oefenen.
  Het voornoemde verbod kan worden opgelegd voor een periode van een tot vijf jaar.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 45, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 40.[1 (Art. 30 hernummerd tot art. 40)]1 De rechter kan bevelen dat het veroordelende vonnis op kosten van de veroordeelde bekendgemaakt wordt, op de wijze die hij bepaalt.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 46, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 41.[1 (Art. 31 hernummerd tot art. 41)]1 [1 Onverminderd de toepassing van artikel 5 en de artikelen 66 tot en met 69 van het Strafwetboek, kan de rechter iedere persoon die ertoe gemachtigd is om de dader van het misdrijf bevelen of instructies te geven]1, tot de straffen veroordelen die [1 door de artikelen 31 tot en met 33 voor dit misdrijf zijn voorzien]1 indien :
  1° hij aan de dader een opdracht heeft toevertrouwd waarvoor die niet de nodige kennis bezat om ze met naleving van de bepalingen die van toepassing zijn, te kunnen uitvoeren;
  2° hij heeft nagelaten de dader de nodige middelen te geven om de [1 bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie, de wetten, de ordonnanties en hun uitvoeringbesluiten bedoeld in artikel 2, en van de bepalingen van dit Wetboek]1 na te leven;
  3° hij ervan op de hoogte was dat er een misdrijf gepleegd is of gepleegd zou worden en niets heeft ondernomen om het te voorkomen of de gevolgen ervan te verhelpen, ook al was hij daartoe in staat.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 47, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Titel V. [1 (Hoofdstuk V vervangen door Titel V)]1 - [1 Alternatieve administratieve geldboetes]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 48, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 42.[1 (Art. 35 hernummerd tot art. 42)]1 De misdrijven [1 bedoeld in artikel 31]1 kunnen strafrechtelijk worden vervolgd of met [1 alternatieve]1 administratieve geldboetes worden bestraft.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 51, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 43.[1 (Art. 36 hernummerd tot art. 43)]1 Een exemplaar van elk proces-verbaal van een [1 in artikel 31 bedoeld misdrijf]1 wordt binnen tien [1 werkdagen]1 na de vaststelling van het misdrijf bezorgd aan de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, naargelang van het geval, en aan de Procureur des Konings.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 52, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 44.[1 (Art. 37 hernummerd tot art. 44)]1 Binnen zes maanden na de verzendingsdatum van het proces-verbaal brengt de Procureur des Konings de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, naargelang van het geval, op de hoogte van zijn beslissing om de vermoedelijke dader van een [1 in artikel 31]1 bedoeld misdrijf al dan niet te vervolgen.
  Als de Procureur des Konings beslist de dader te vervolgen, kan geen [1 alternatieve]1 administratieve geldboete worden opgelegd.
  Als de Procureur des Konings beslist de dader niet te vervolgen, of als een beslissing uitblijf binnen de krachtens het eerste lid gestelde termijn, kan een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete worden opgelegd.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 53, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 45.[1 (Art. 38 hernummerd tot art. 45)]1 Nadat de persoon die met een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete strafbaar is, zich heeft kunnen verdedigen, beslist de leidend ambtenaar van het Instituut, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, of voor het misdrijf een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete dient te worden opgelegd.
  (In de beslissing wordt het bedrag van de [1 alternatieve]1 administratieve geldboete vastgelegd en wordt de dader aangemaand om de geldboete binnen dertig dagen na de betekening van de beslissing te storten op het rekeningnummer van het Fonds voor de Bescherming van het Leefmilieu zoals bedoeld in artikel 2, 9°, van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen, welk vermeld staat op het formulier dat bij de beslissing is gevoegd.) <ORD 2001-06-28/60, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2001>
  [1 De alternatieve administratieve geldboete bedraagt tussen 50 en 62.500 euro.]1
  [1 Dit bedrag kan verminderd worden tot onder het wettelijke minimumbedrag in geval van verzachtende omstandigheden.]1
  [1 Het bedrag van de alternatieve administratieve geldboete wordt gestort aan het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu zoals bedoeld bij artikel 2, 9° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen.]1
  De beslissing om een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete op te leggen of, in voorkomend geval, de beslissing om geen [1 alternatieve]1 administratieve geldboete op te leggen, wordt binnen tien dagen bij een ter post aangetekende brief betekend aan :
  1° de persoon die met een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete strafbaar is;
  2° de procureur des Konings.
  
  (NOTA : Artikel 45 hernummerd en gewijzigd wordt door het arrest nr. 25/2016 van het Grondwettelijk Hof van 18 februari 2016 vernietigd (B.St. 25-04-2016, p. 28158), alleen in zoverre het niet de mogelijkheid biedt de beslissing om een alternatieve administratieve geldboete op te leggen, met uitstel gepaard te doen gaan)
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 54, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 46. [1 De overheid die de alternatieve administratieve geldboete oplegt beslist, in voorkomend geval, om deze gepaard te laten gaan met een bevel tot stopzetting van het misdrijf binnen een bepaalde termijn op straffe van een dwangsom waarvan de totale som niet meer mag bedragen dan 62.500 euro, eveneens te betalen aan het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu.
   De dwangsom wordt door de in het eerste lid bedoelde overheid bepaald en bevolen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 55, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 47.[1 (Art. 34 hernummerd tot art. 47)]1 De verantwoordelijke voor het dagelijks beheer van een onderneming moet de [1 alternatieve]1 administratieve geldboetes betalen voor misdrijven door een aangestelde of een gevolmachtigde wanneer (hij) niet alle nodige voorzorgen genomen heeft om misdrijven te voorkomen of om elke vorm van gevaar, hinder of ongemak te verminderen of te verhelpen. <ORD 2001-06-28/60, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2001>
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 50, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 48.[1 (Art. 41 hernummerd tot art. 48)]1 Ingeval van samenloop van meerdere misdrijven zoals bedoeld [1 in artikel 31]1, worden de bedragen van de [1 alternatieve]1 administratieve geldboetes samengevoegd; het gehele bedrag mag evenwel niet meer dan (125 000 EUR) bedragen. <BESL 2001-11-08/48, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 60, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 49.[1 (Art. 39bis hernummerd tot art. 49)]1 <Ingevoegd bij ORD 2001-06-28/60, art. 13; Inwerkingtreding : 23-11-2001> Iedereen die veroordeeld is tot de betaling van een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete kan een beroep instellen bij het Milieucollege. Het beroep wordt, op straffe van verval, ingesteld bij wege van verzoekschrift binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing.
  Het Milieucollege hoort de eiser of zijn raadsman op hun verzoek en [1 de leidend ambtenaar van het Instituut of van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie die de alternatieve administratieve geldboete heeft opgelegd. Deze laatste kan zich laten vertegenwoordigen door een personeelslid van, naargelang het geval, het Instituut of het GAN]1.
  [1 Het Milieucollege bevestigt of wijzigt de beslissing genomen in eerste aanleg. Het beschikt eveneens over de bevoegdheden voorzien in artikelen 45, vierde lid, en 46.]1
  Het Milieucollege geeft binnen twee maanden na de datum van verzending van het verzoekschrift kennis van zijn beslissing. Deze termijn wordt met een maand verlengd wanneer de partijen vragen om te worden gehoord. [1 Hij wordt overigens verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep ingediend is in de periode van 15 juni tot 15 augustus.]1
  Bij gebreke van een beslissing binnen de in het vorige lid gestelde termijn wordt de beslissing waartegen een beroep is ingesteld, geacht bevestigd te zijn.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 57, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 50.[1 (Art. 39 hernummerd tot art. 50)]1 De strafvordering vervalt met de betaling van de [1 alternatieve]1 administratieve geldboete.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 56, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 51.[2 (Art. 40 hernummerd tot art. 51)]2 [1 Indien de [2 alternatieve administratieve]2 geldboete [2 of de dwangsom]2 niet tijdig wordt betaald, vaardigt de door de regering aangewezen ambtenaar een dwangbevel uit. Het uitgevaardigde dwangbevel wordt door voornoemde ambtenaar geviseerd en uitvoerbaar verklaard.]1
  [2 Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaarderexploot of bij aangetekende zending of elektronisch aangetekende zending.]2
  ----------
  (1)<ORD 2012-12-21/59, art. 56, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<ORD 2014-05-08/54, art. 58, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 52.[1 (Art. 42 hernummerd tot art. 52)]1 Indien binnen drie jaar na de datum van het proces-verbaal een nieuw misdrijf wordt vastgesteld, [1 kan het maximum bedrag voorzien in artikel 45, derde lid, worden verdubbeld]1.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 61, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 53. [1 De alternatieve administratieve geldboete kan niet meer worden opgelegd na een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het plegen van het misdrijf.
   In geval van een voortdurend misdrijf, is de eerste datum van de termijn bedoeld in het eerste lid de dag waarop het misdrijf heeft opgehouden.
   Wanneer verscheidene misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uiting zijn van hetzelfde misdadig opzet, zal de eerste dag van deze termijn, ten opzichte van het geheel van de constitutieve feiten van het misdrijf, de dag van het plegen van het laatste misdrijf zijn op voorwaarde dat deze feiten niet worden gescheiden door een periode langer dan vijf jaar, rekening houdend met de oorzaken van stuiting.
   De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit iedere keer dat er een onderzoeksdaad of een daad van administratieve vervolging met betrekking tot het misdrijf wordt gesteld voor zover deze daad gesteld wordt vooraleer de initiële termijn van vijf jaar bedoeld in het eerste tot het derde lid verstreken is. De stuiting van de verjaringstermijn doet een nieuwe termijn van vijf jaar ingaan, te rekenen vanaf de daad die er aan de oorsprong van ligt. Zij geldt voor alle daders van en medeplichtigen aan het misdrijf, zelfs diegenen die niet door de daad van stuiting worden geviseerd.
   Zodra een beslissing door de in laatste aanleg bevoegde instantie is genomen om een alternatieve administratieve geldboete op te leggen binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, kan hierop niet meer worden teruggekomen wegens het later verstrijken van deze termijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 62, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Titel VI. [1 (Hoofdstuk VI vervangen door Titel VI)]1 - [1 Overgangsbepalingen]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 63, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 54. [1 § 1. Er kan aan niemand een administratieve sanctie of dwangsom voorzien in dit Wetboek worden opgelegd indien deze niet wettelijk voorzien was alvorens het misdrijf werd gepleegd.
   § 2. Indien de alternatieve administratieve geldboete van toepassing op het ogenblik waarop de administratieve overheid zich uitspreekt, verschilt van degene die toepasselijk was ten tijde van het misdrijf, zal de minst zware administratieve geldboete worden toegepast.
   § 3. In geval van voortdurend misdrijf, wordt het ogenblik van het misdrijf bepaald door het ogenblik waarop dit misdrijf heeft opgehouden te bestaan of, indien het nog steeds niet heeft opgehouden te bestaan op het ogenblik van de beslissing, het ogenblik waarop de administratieve overheid zich uitspreekt.
   § 4. Artikel 53 is van toepassing op feiten die zich hebben voorgedaan vóór zijn inwerkingtreding.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 65, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Titel VII. [1 - Slotbepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 66, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 55. [1 (Art. 44 hernummerd tot art. 55)]1 Met toepassing van artikel 104 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen kan de Regering de bepalingen [1 van dit Wetboek]1 in het Brussels Milieuwetboek invoegen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 67, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  

  Art. 56. [1 § 1. Dit Wetboek is van toepassing onverminderd een strengere wetgeving betreffende de preventie en het herstel van milieuschade teweeggebracht door een van de beroepsactiviteiten die onder het toepassingsgebied van dit Wetboek vallen.
   § 2. Dit Wetboek regelt niet het recht op schadevergoeding ten gevolge van schade veroorzaakt aan personen en goederen of een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade, en doet geen afbreuk aan de wetgevingen die daar betrekking op hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 68, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  

  Art. 57. [1 § 1. De artikelen 20 en 21, § 1, zesde lid en de artikelen 24 tot en met 30 zijn uitsluitend van toepassing op :
   1° milieuschade die wordt veroorzaakt door een van de beroepsactiviteiten, opgesomd in bijlage 3, alsook op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade als gevolg van een van die activiteiten; of
   2° schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats die wordt veroorzaakt door een andere dan de in bijlage 3 opgesomde beroepsactiviteiten, en op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade ten gevolge van een van die activiteiten, wanneer de exploitant een fout of nalatigheid kan worden verweten.
   § 2. De artikelen bedoeld in § 1 zijn alleen van toepassing op milieuschade of op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade ten gevolge van diffuse verontreiniging ingeval een oorzakelijk verband kan worden gelegd tussen de schade en de activiteiten van individuele exploitanten.
   § 3. De artikelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op milieuschade of een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade ten gevolge van :
   1° een gewapend conflict, vijandelijkheden, burgeroorlog of oproer;
   2° een natuurverschijnsel dat uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar is. Worden met name als uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar natuurverschijnsel beschouwd, de natuurverschijnselen bedoeld in artikel 2, § 1 van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen en geïdentificeerd overeenkomstig artikel 2, § 2 van die wet;
   3° een incident waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen het toepassingsgebied valt van een van de hierna opgesomde internationale verdragen, met inbegrip van toekomstige wijzigingen van die verdragen, die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van kracht zijn :
   a) het internationaal Verdrag van 27 november 1992 inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie;
   b) het internationaal Verdrag van 27 november 1992 ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie.
   § 4. De artikelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op nucleaire milieurisico's en milieuschade of de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat als gevolg van activiteiten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing is, of als gevolg van een incident of activiteit waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen het toepassingsgebied van een van de hierna opgesomde internationale verdragen valt, met inbegrip van iedere toekomstige wijziging van deze verdragen :
   1° het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie alsook het Verdrag van Brussel van 31 januari 1963 tot aanvulling van het Verdrag van Parijs;
   2° het Verdrag van Wenen van 21 mei 1963 inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade;
   3° het Verdrag van 12 september 1997 inzake aanvullende vergoeding voor kernschade;
   4° het gezamenlijk Protocol van 21 september 1988 betreffende de toepassing van het Verdrag van Wenen en het Verdrag van Parijs;
   5° het Verdrag van Brussel van 17 december 1971 inzake de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van het zeevervoer van nucleaire stoffen.
   § 5. De artikelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op activiteiten die hoofdzakelijk in het belang van de landsverdediging of de internationale veiligheid worden uitgeoefend, en evenmin op activiteiten die uitsluitend ten doel hebben bescherming tegen natuurrampen te bieden.
   § 6. De artikelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op :
   1° schade, veroorzaakt door een emissie die, een gebeurtenis die of een incident dat zich vóór 30 april 2007 heeft voorgedaan;
   2° schade, veroorzaakt door een emissie die, een gebeurtenis die of een incident dat zich na 30 april 2007 heeft voorgedaan wanneer ze het gevolg is van een specifieke activiteit die vóór voormelde datum werd beoefend en volbracht;
   3° schade wanneer sinds de emissie, de gebeurtenis of het incident waarvan ze het gevolg is, meer dan dertig jaar is verstreken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 68, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 58. [1 De dag van de akte die het uitgangspunt is van de termijn wordt er niet in begrepen.
   De vervaldag wordt in de termijn gerekend.
   Als de termijn niet in werkdagen wordt gerekend en de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt de vervaldag echter verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 68, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 59.[1 (Art. 43 hernummerd tot art. 59)]1 De volgende bepalingen worden opgeheven in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
  1° Titel Xl van de wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek;
  2° de jachtwet van 28 februari 1882, behalve artikel 10;
  3° artikel 11 van de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren toebehorende bossen en wouden;
  4° de artikelen 6 tot 9 van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;
  5° de artikelen 7 tot 10 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de grondwateren;
  6° de artikelen 36 tot 40 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen de verontreiniging;
  7° de artikelen 46 en 47 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, voor de toepassing van artikel 5, eerste lid;
  8° de artikelen 21, 27 en 28 van de ordonnantie van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen;
  9° artikel 5, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 betreffende de bescherming van de wilde fauna en betreffende de jacht;
  10° de artikelen 39 en 40 van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende het behoud en de bescherming van de natuur;
  11° de artikelen van 88 tot 95 en van 97 tot 99 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  12° de artikelen van 15 tot 19 van de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving.
  ----------
  (1)<ORD 2014-05-08/54, art. 64, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  BIJLAGEN
  <Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 69, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. N1. [1 Bijlage 1. - Evaluatiecriteria bedoeld in artikel 4, 1°
   § 1. De omvang van een schade die negatieve effecten heeft op het bereiken of handhaven van de gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats of soorten dient geëvalueerd te worden ten opzichte van de staat van instandhouding op het ogenblik dat de schade werd veroorzaakt, ten opzichte van de functies als gevolg van hun belevingswaarde en ten opzichte van hun capaciteit van natuurlijke regeneratie. Aanmerkelijke schade aan de referentietoestand moet aan de hand van meetbare gegevens worden gedefinieerd zoals :
   1° het aantal exemplaren, de populatiedichtheid of de ingenomen oppervlakte;
   2° de rol van de exemplaren in kwestie of de zone die getroffen is ten opzichte van de instandhouding van de soort of habitat, de schaarsheid van de soort of habitat (gemeten op plaatselijk, gewestelijk en hoger niveau, ook op gemeenschapsniveau);
   3° het voortplantingsvermogen van de soort (volgens de dynamiek die eigen is aan deze soort of populatie), de levensvatbaarheid of het vermogen tot natuurlijke regeneratie van de habitat (volgens de dynamiek die eigen is aan de soorten of hun populaties);
   4° het vermogen van de soort of habitat om zich in een beperkte tijdspanne te herstellen na het optreden van de schade, zonder andere tussenkomst dan versterkte beschermingsmaatregelen, in een staat die, vanwege de loutere dynamiek van de soort of habitat, leidt naar een staat die gelijkwaardig of beter is dan de referentietoestand. Wordt noodzakelijkerwijs als aanmerkelijke schade bestempeld, de schade die een bewezen effect op de volksgezondheid heeft.
   Kunnen niet als aanmerkelijke schade worden bestempeld :
   1° de negatieve schommelingen die kleiner zijn dan de normale gemiddelde schommelingen voor een bepaalde soort of habitat;
   2° de negatieve schommelingen die te wijten zijn aan natuurlijke oorzaken of die het resultaat zijn van tussenkomsten in verband met het normale beheer van de sites zoals gedefinieerd in de beheersplannen of eerder uitgeoefend door de eigenaars of exploitants;
   3° de schade aan soorten of habitats waarvan bekend is dat zij zich binnen een korte periode en zonder ingrijpen zullen herstellen ofwel tot de referentietoestand ofwel tot een toestand die uitsluitend op basis van de dynamiek van de soort of habitat leidt tot een toestand die gelijkwaardig of beter wordt geacht dan de referentietoestand.
   § 2. De omvang van de effecten van schade toegebracht aan wateren wordt geëvalueerd aan de hand van parameters, van waarden van beoordelingsfactoren voor de kwaliteit van de ecologische en chemische staat of voor de kwantiteit of het ecologisch potentieel en aan de hand van milieukwaliteitsnormen van het water in kwestie, welke gedefinieerd worden door of krachtens artikel 5 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en de bijlagen III en V van deze ordonnantie en, voor wat het grondwater betreft, door of krachtens artikel 3 van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems.
   § 3. De omvang van een schade toegebracht aan bodems wordt geëvalueerd overeenkomstig de regels voorgeschreven door de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems en haar uitvoeringsbesluiten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 70, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  

  Art. N2. [1 Bijlage 2. - Herstel van milieuschade
   § 1/1. Het herstel van milieuschade in verband met beschermde soorten of natuurlijke habitats gebeurt via het terugbrengen in de referentietoestand van het leefmilieu door een primair, aanvullend en compenserend herstel, waarbij :
   1° " primair " herstel verwijst naar elke herstelmaatregel waarmee de beschadigde natuurlijke hulpbronnen of vernielde ecoysteemfuncties in de referentietoestand of benaderende staat worden teruggebracht;
   2° " aanvullend " herstel verwijst naar elke herstelmaatregel die aan de natuurlijke rijkdommen of ecosystemen wordt aangebracht om het feit te compenseren dat het primair herstel er niet in geslaagd is de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties volledig te herstellen;
   3° " compenserend " herstel verwijst naar elke ondernomen handeling om de tussentijdse verliezen van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te compenseren, die optreden tussen de datum van het ontstaan van de schade en het ogenblik waarop het primair herstel zijn volledige uitwerking heeft bereikt;
   4° " tussentijdse verliezen " verwijst naar verliezen voortkomend uit het feit dat de beschadigde natuurlijke rijkdommen of functies hun ecologische functies niet kunnen vervullen of geen ecosysteemfuncties kunnen vervullen voor andere natuurlijke rijkdommen of voor het publiek tot op het ogenblik waarop de primaire of aanvullende maatregelen hun uitwerking hebben bereikt. Deze kunnen geen aanleiding geven tot een financiële compensatie voor het publiek.
   Wanneer een primair herstel het milieu niet in zijn referentietoestand herstelt, wordt er een aanvullend herstel uitgevoerd. Om de geleden tussentijdse verliezen te compenseren, wordt er bovendien een compenserend herstel uitgevoerd.
   Het herstel van milieuschade, wanneer het om schade toegebracht aan wateren of beschermde soorten en natuurlijke habitats gaat, houdt ook de verwijdering in van elk risico van ernstig negatief effect op de volksgezondheid.
   § 1/2. De doelstellingen van het herstel zijn de volgende :
   1° het doel van het primair herstel is om de beschadigde natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties weer in de referentietoestand te brengen of in een benaderende staat te brengen;
   2° wanneer de terugkeer naar de referentietoestand van de beschadigde natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties niet lukt, wordt het aanvullend herstel ondernomen. Het doel van het aanvullend herstel is om een niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te bereiken dat vergelijkbaar is met het niveau dat bereikt zou zijn indien de referentietoestand van de beschadigde site hersteld zou zijn geweest, eventueel ook op een andere site. Waar dit mogelijk en aangewezen is, zou die andere site geografisch verbonden moeten zijn met de beschadigde site, gelet op de belangen van de getroffen populatie;
   3° het compenserend herstel wordt ondernomen om de voorlopige verliezen aan natuurlijke rijkdommen en ecosysteemfuncties te compenseren in afwachting van de regeneratie. Deze compensatie bestaat in het aanbrengen van bijkomende verbeteringen aan de natuurlijke habitats en beschermde soorten of wateren ofwel op de beschadigde site, ofwel op een andere site. Dit herstel kan niet de vorm aannemen van een aan het publiek toegekende financiële compensatie.
   § 1/3. De herstelmaatregelen kunnen op de volgende wijze vastgesteld worden :
   1° er kunnen opties worden overwogen waaronder acties om de natuurlijke rijkdommen en ecosysteemfuncties op directe en versnelde wijze, of door een natuurlijke regeneratie, dichter bij hun referentietoestand te brengen;
   2° bij de bepaling van de omvang van de maatregelen voor aanvullend of compenserend herstel, dienen de benaderingen die in de zin gaan van een gelijkwaardigheid rijkdom-rijkdom of functie-functie prioritair te worden gebruikt. In deze benaderingen dienen de acties die leiden tot natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties van dezelfde soort, kwaliteit en kwantiteit als die welke zijn aangetast bij voorrang te worden aangewend. Wanneer dit onmogelijk is, worden er andere natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties voorzien. Een verminderde kwaliteit zou bijvoorbeeld door meer herstelmaatregelen gecompenseerd kunnen worden;
   3° wanneer het onmogelijk is benaderingen " van eerste keus " te gebruiken die in de zin gaan van een gelijkwaardigheid rijkdom-rijkdom of functie-functie, dan worden er andere evaluatietechnieken aangewend. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan de methode voorschrijven, bijvoorbeeld die van de geldelijke waardebepaling, om de omvang van de noodzakelijke aanvullende en compenserende herstelmaatregelen te bepalen. Wanneer het mogelijk is om de verliezen aan rijkdommen of functies te schatten, maar onmogelijk om binnen een redelijke termijn of voor een redelijke kostprijs de vervangende natuurlijke rijkdommen of functies te ramen, dan kan de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kiezen voor herstelmaatregelen waarvan de kostprijs overeenstemt met de geschatte geldelijke waarde van de verloren natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties. De aanvullende en compenserende herstelmaatregelen zouden zodanig opgevat moeten zijn dat de bijkomende natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties beantwoorden aan de tijdvoorkeuren en het tijdschema van de herstelmaatregelen. Bijvoorbeeld : hoe langer de terugkeer naar de referentietoestand duurt, des te omvangrijker de compenserende herstelmaatregelen zullen zijn (omnia manentia aequa).
   § 1/4. Redelijke herstelopties zouden op basis van onderstaande criteria beoordeeld moeten worden met behulp van de best beschikbare technologieën, als die gedefinieerd zijn :
   - de uitwerking van elke optie op de volksgezondheid en -veiligheid;
   - de kosten van de tenuitvoerlegging van de optie;
   - de slaagkansen van elke optie;
   - de mate waarin elke optie een latere schade zal kunnen beletten en de mate waarin de tenuitvoerlegging van deze optie zijdelingse schade zal kunnen vermijden;
   - de mate waarin elke optie een gunstige uitwerking heeft voor elke component van de natuurlijke rijkdom of ecosysteemfunctie;
   - de mate waarin bij elke optie rekening wordt gehouden met de relevante sociale, economische en culturele aspecten alsook met andere relevante plaatsgebonden factoren;
   - de nodige termijn voor het werkelijk herstel van de milieuschade;
   - de mate waarin elke optie het herstel van de site van de milieuschade mogelijk maakt;
   - de geografische band met de beschadigde site.
   Bij de evaluatie van de verschillende vastgestelde herstelopties, kan voor primaire herstelmaatregelen gekozen worden die de aangetaste wateren, beschermde soorten of natuurlijke habitats niet volledig herstellen of die deze minder snel herstellen. Deze beslissing kan alleen worden genomen indien de verloren natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties op de primaire site ingevolge de beslissing gecompenseerd worden door een versterking van de aanvullende of compenserende handelingen die voor een niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties zorgen dat gelijkwaardig is aan het niveau van de verloren rijkdommen en ecosysteemfuncties. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer elders voor een mindere kostprijs gelijkwaardige natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties geleverd kunnen worden. Deze aanvullende herstelmaatregelen dienen gedefinieerd te worden overeenkomstig de in § 1/3, 2° voorziene regels.
   Niettegenstaande de in het tweede lid gedefinieerde regels en overeenkomstig artikel 25, § 2, tweede lid, is de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid gerechtigd om te beslissen dat er geen enkele aanvullende herstelmaatregel genomen dient te worden indien :
   1° de reeds genomen herstelmaatregelen ervoor zorgen dat er geen enkel ernstig risico van negatief effect op de volksgezondheid, de wateren of de beschermde soorten en natuurlijke habitats meer bestaat; en indien
   2° de kostprijs van de te nemen herstelmaatregelen voor het terugbrengen in de referentietoestand of een gelijkwaardig niveau buitensporig zou zijn ten opzichte van de verwachte milieuvoordelen.
   § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, waarin het herstel van schade aan grondwater vanwege de rechtstreekse of onrechtstreekse invoering aan de oppervlakte of in de bodem van stoffen, bereidingen, organismen of micro-organismen wordt geregeld, gebeurt het herstel van milieuschade in verband met water overeenkomstig het herstel van milieuschade verbonden aan beschermde soorten of natuurlijke habitats, zoals uiteengezet in de paragrafen 1/1 tot 1/4.
   § 3. De doelstellingen van het herstel, de vaststelling van de herstelmaatregelen en de keuze van de herstelopties inzake bodemschade worden geregeld overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems. Ook dient er een optie van natuurlijke regeneratie te worden overwogen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 71, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  

  Art. N3.[1 Bijlage 3. - Activiteiten bedoeld in artikel 57, § 1
   De activiteiten bedoeld in artikel 57, § 1 zijn de volgende :
   1° de uitbating van :
   a) inrichtingen die aan een vergunning onderworpen zijn en die opgesomd worden in bijlage I van Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, met uitzondering van de inrichtingen of delen van inrichtingen die bestemd zijn voor het onderzoek, de ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen; of
   b) risicoactiviteiten bedoeld in artikel 3, 3° van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
   2° de handelingen voor het beheer van afval, meer bepaald het ophalen, het vervoeren, het valoriseren en het verwijderen van afval en van gevaarlijke afval, met inbegrip van het toezicht op deze handelingen en de latere behandeling van verwijderingsplaatsen, onderworpen aan een vergunning of aan een inschrijving door en krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en haar uitvoeringsbesluiten (opgesomd in de bijlagen van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IA (rubrieken 213 tot en met 220) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IB, II en III (rubrieken 44 tot en met 51 en 81).
   Deze activiteiten omvatten meer bepaald de uitbating van stortplaatsen in de zin van artikel 2, 7° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 april 2002 betreffende het storten van afval of de uitbating van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties in de zin van artikel 3, 4° en 5° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2002 betreffende de verbranding en de meeverbranding van afval;
   3° elke lozing in landoppervlaktewateren onderworpen aan een voorafgaande toestemming, meer bepaald de lozingen van afvalwater onderworpen aan een voorafgaande toestemming krachtens de wet van 26 maart 1971 betreffende de bescherming van oppervlaktewater tegen verontreiniging of de lozingen van deze aard die onderworpen zijn aan een milieuvergunning overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   4° elke lozing van stoffen in grondwater die onderworpen is aan een voorafgaande toelating krachtens de wet van 26 maart 1971 betreffende de bescherming van grondwater of die onderworpen is aan een milieuvergunning overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   5° de lozing of de invoering van verontreinigende stoffen in oppervlaktewater of grondwater die onderworpen is aan een vergunning, een toelating, een inschrijving of een aangifte door of krachtens artikel 44 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid;
   6° het winnen en het indijken van water dat aan een voorafgaande toestemming onderworpen is door of krachtens artikel 44 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid, door of krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en opgesomd in de bijlagen van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IA (rubriek 222) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IB, II en III (rubriek 62);
   7° de vervaardiging, het gebruik, de opslag, de behandeling, de verpakking, het lozen in het milieu en het vervoer naar de site, bedoeld door of krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en opgesomd in de bijlagen van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IA en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IB, II en III, van :
   a) gevaarlijke stoffen in de zin van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het in de handel brengen of het gebruik ervan en van artikel 1, § 4 van het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu;
   b) gevaarlijke preparaten in de zin van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid en van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het in de handel brengen of het gebruik ervan;
   c) gewasbeschermingsmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik;
   d) biociden zoals gedefinieerd in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden;
   8° het vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren, over zee of door de lucht van gevaarlijke goederen of verontreinigende goederen in de zin van :
   a) het koninklijk besluit van 9 maart 2003 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen; of
   b) het koninklijk besluit van 11 december 1998 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van de radioactieve stoffen; of
   c) het koninklijk besluit van 17 september 2005 tot omzetting van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Europese Unie varen;
   9° elk ingeperkt gebruik, met inbegrip van het vervoer, van genetisch gemodificeerde micro-organismen in de zin van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 november 2001 betreffende het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen en betreffende de indeling van de betrokken installaties;
   10° elke doelbewuste introductie in het leefmilieu of elk vervoer van genetisch gemodificeerde organismen in de zin van het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten;
   11° de in- en uitvoer van afvalstoffen naar en uit de Europese Unie waarvoor een vergunning is vereist dan wel een verbod geldt in de zin van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
   12° het beheer van winningsafval overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën; of
   13° elke doelbewuste introductie in het leefmilieu of elk vervoer van invasieve exotische soorten (cf. Verdrag van 5 juni 1992 inzake de biologische diversiteit, goedgekeurd door de ordonnantie van 25 april 1996).]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2014-05-08/54, art. 72, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 25 maart 1999.
De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Werkgelegenheid, Huisvesting en Monumenten en Landschappen,
Ch. PICQUE
De Minister belast met Economie, Financiën, Begroting, Energie en Externe Betrekkingen,
J. CHABERT
De Minister belast met Ruimtelijke Ordening, Openbare Werken en Vervoer,
H. HASQUIN
De Minister belast met Openbaar Ambt, Buitenlandse Handel, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
R. GRIJP
De Minister belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Renovatie, Natuurbehoud en Openbare Netheid,
D. GOSUIN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft aangenomen en Wij, bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 30-11-2017 GEPUBL. OP 20-04-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 23-06-2017 GEPUBL. OP 13-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 09-06-2016 GEPUBL. OP 20-07-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • BEELD
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 18-02-2016 GEPUBL. OP 25-04-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 45)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 18-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : OPSCHRIFT; 1; 2; 3; 4; 5; 7; 8-11; 8; 11bis; 12; 13; 14; 15; 13; 14; 17; 18; 19; 20; 21; 22; 20-30; 31; 32; 23; 24; 25; 26; 27; 28; 29; 30; 31; 32-33; 34; 35; 36; 37; 38; 46; 39; 39bis; 40; 40bis; 41; 42; 53; 43; 54; 44; 56-58; N1; N2; N3)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 20-06-2013 GEPUBL. OP 21-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 32; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 02-05-2013 GEPUBL. OP 21-05-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 4; 32; 33) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 02-05-2013 GEPUBL. OP 21-05-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 32; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 21-12-2012 GEPUBL. OP 08-02-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • BEELD
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 30-10-2012 GEPUBL. OP 29-11-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 14-06-2012 GEPUBL. OP 27-06-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 4; 5; 32; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 10-05-2012 GEPUBL. OP 23-05-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 32; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 01-03-2012 GEPUBL. OP 16-03-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 4; 5; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 01-03-2012 GEPUBL. OP 16-03-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 32; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 24-11-2011 GEPUBL. OP 07-12-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 40bis)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 20-07-2011 GEPUBL. OP 10-08-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 40) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 09-12-2010 GEPUBL. OP 17-12-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 32; 33; 2; 4; 5; 24; 28; 31; 3; 23)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 28-10-2010 GEPUBL. OP 18-11-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 26-03-2009 GEPUBL. OP 16-04-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 05-03-2009 GEPUBL. OP 10-03-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 32; 33)
  • 2008111350; 2008-11-14
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 13-11-2008 GEPUBL. OP 14-11-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 32; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 31-01-2008 GEPUBL. OP 12-02-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 19-07-2007 GEPUBL. OP 24-08-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 07-06-2007 GEPUBL. OP 11-07-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 32; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 01-03-2007 GEPUBL. OP 14-03-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 20-10-2006 GEPUBL. OP 03-11-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 13-05-2004 GEPUBL. OP 24-06-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 32; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 29-04-2004 GEPUBL. OP 27-05-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 33)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 01-04-2004 GEPUBL. OP 26-04-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 32)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 06-12-2001 GEPUBL. OP 02-02-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 11BIS; 33)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 08-11-2001 GEPUBL. OP 04-12-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 32; 33; 41)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 28-06-2001 GEPUBL. OP 13-11-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; NL4; NL9; NL11; 15; 32; 33; 34)
    (GEWIJZIGDE ART. : 38; 39BIS)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Documenten van de Raad : Gewone zitting 1998-1999. A-312/1. Ontwerp van ordonnantie. A-312/2. Verslag. A-312/3. Amendement na verslag. A-312/4. Aanvullend verslag. A-312/5. Amendement na verslag. Volledig verslag. - Bespreking. Vergaderingen van 26 februari 1999 en 12 maart 1999. Aanneming. Vergadering van 12 maart 1999.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 11 uitvoeringbesluiten 28 gearchiveerde versies
    Franstalige versie