| J U S T E L - Geconsolideerde wetgeving | ||||
| Einde | Eerste woord | Laatste woord | Wijziging(en) | Aanhef |
| Inhoudstafel | 53 uitvoeringbesluiten | 14 gearchiveerde versies | ||
| Einde | Franstalige versie | |||
| belgiėlex . be - Kruispuntbank Wetgeving | ||||
| Raad van State | ||||
| Titel |
|---|
|
15 MAART 1999. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap betreffende de algemene
voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de diensten bedoeld bij artikel 43
van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd. (VERTALING) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-06-1999 en tekstbijwerking tot 11-12-2012) Bron : FRANSE GEMEENSCHAP Publicatie : 01-06-1999 nummer : 1999029245 bladzijde : 19604 BEELD Dossiernummer : 1999-03-15/37 Inwerkingtreding : 01-06-1999 |
| Inhoudstafel | Tekst | Begin |
|---|---|---|
|
TITEL I. - Definities. Art. 1 TITEL II. - De erkenning. HOOFDSTUK I. - Erkenningsvoorwaarden. Afdeling 1. - De erkenning. Art. 2 Afdeling 2. - De algemene voorwaarden. Art. 3 Afdeling 3. - De voorwaarden voor het opvoedingsproject, de tenlasteneming van de jongeren en de pedagogische raad. Art. 4-6 Afdeling 4. - De voorwaarden betreffende het personeel. Art. 7-8 Afdeling 5. - De voorwaarden voor het bijhouden van de administratieve en boekhoudkundige documenten. Art. 9-13 Afdeling 6. - De eerste hulp (ehbo). Art. 14 HOOFDSTUK II. - Erkenningsprocedure. Afdeling 1. - De erkenningscommissie. Art. 15-21 Afdeling 2. - De aanvragen tot erkenning van de diensten. Art. 22-28 TITEL III. - De toekenning van de toelagen. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. Art. 29-30 HOOFDSTUK II. - Toelage voor personeelskosten. Afdeling 1. - Provisionele toelage voor personeelskosten. Art. 31-33 Afdeling 2. - Definitieve toelage voor personeelskosten. Art. 34 HOOFDSTUK III. - Toelage voor werkingskosten. Art. 35-36 TITEL IV. - Algemene, bijzondere, opheffings- en slotbepalingen. HOOFDSTUK I. - Algemene en bijzondere bepalingen. Art. 37-40 HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen. Art. 41 HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen. Art. 42-44, 44bis, 44ter, 44quater, 44quinquies HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen. Art. 45-46 BIJLAGEN. Art. N1-N4 |
||
| Tekst | Inhoudstafel | Begin | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
TITEL I. - Definities. Artikel 1.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : 1° decreet : het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd; 2° wet : de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming; 3° Minister : het lid van de Regering van de Franse Gemeenschap tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd behoort; 4° bestuur : het bestuur van de Franse Gemeenschap tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd en de jeugdbescherming behoren; 5° dienst : de dienst bedoeld bij artikel 43 van het decreet die zich bereid verklaart de bij artikel 2 van het decreet bedoelde personen huisvesting of hulp te verlenen; 6° commissie : de erkenningscommissie bedoeld bij artikel 46 van het decreet; 7° jongere : de persoon van minder dan 18 jaar of deze van minder dan 20 jaar voor wie de bij het decreet bedoelde hulpverlening vóór de leeftijd van 18 jaar wordt aangevraagd; 8° particulier : de bij artikel 1, 5° van het decreet bedoelde natuurlijke persoon die zich krachtens dit decreet bereid verklaart te zorgen voor de opvang en de begeleiding van de jongeren; 9° lastgevende macht : de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd of de directeur voor de hulpverlening aan de jeugd of de jeugdrechtbank; 10° besluit van 7 december 1987 : besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 7 december 1987 betreffende de erkenning en de toekenning van toelagen aan de personen en diensten die zorgen voor begeleidingsmaatregelen voor de jeugdbescherming; 11° tenlasteneming : toepassing van de middelen waarmee de particulier of de dienst zijn hulp aan de jongere verleent of zijn medewerking verleent aan de maatregel die werd beslist ten bate van de jongere in het kader van een door een lastgevende macht gegeven mandaat; 12° situatie : tenlasteneming van een jongere of van een fratrie van jongeren in het kader van de bij het decreet bedoelde hulpverlening; 13° aantal bij het opvoedingsproject bedoelde situaties : gemiddeld aantal situaties die gelijktijdig kunnen behandeld worden of, wat de centra voor opvoedkundige voorlichting en de diensten voor opvoedkundige of filantropische prestaties betreft, het aantal situaties die jaarlijks kunnen behandeld worden in het kader van een erkend opvoedingsproject; 14° cijfer van de tenlasteneming : het gemiddeld aantal effectieve situaties verwezenlijkt in de loop van een jaar. Dit cijfer wordt als volgt berekend : totaal aantal effectieve dagen tenlasteneming van al de situaties, gedeeld door 365. Het quotiėnt wordt daarna vermenigvuldigd met 100 en gedeeld door het aantal situaties, bedoeld bij het opvoedingsproject. Zo nodig wordt de aldus bekomen uitslag afgerond naar de lagere eenheid; 15° specifieke besluiten : besluiten die de begeleidingsnormen en de toelagen per type opvoedingsproject bepalen; 16° mandaat : de hulp die door een lastgevende macht wordt aangevraagd en door de dienst aanvaard; [1 17° nieuw personeelslid : persoon die begint in de sector van de hulpverlening aan de jeugd, die een ambt uitoefent van begeleiding van de jongeren die begeleid worden door een erkende dienst of in verband met die jongeren en die in dienst genomen is met een arbeidsovereenkomst van meer dan zes maanden van bepaalde duur of ter vervanging of met een overeenkomst van onbepaalde duur binnen een erkende dienst voor hulpverlening aan de jeugd. De personen die meerdere overeenkomsten ondertekend hebben van een totale duur van meer dan zes maanden binnen de twaalf maanden volgend op de afsluiting van de eerste arbeidsovereenkomst in de sector van de hulpverlening aan de jeugd worden gelijkgesteld met nieuwe personeelsleden.]1 ---------- (1)<BFG 2009-04-23/37, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2009> TITEL II. - De erkenning. HOOFDSTUK I. - Erkenningsvoorwaarden. Afdeling 1. - De erkenning. Art. 2. De erkenning van een dienst wordt toegekend op basis van een opvoedingsproject. Afdeling 2. - De algemene voorwaarden. Art. 3. Elke inrichtende macht die krachtens artikel 43 van het decreet de erkenning van een dienst wenst te bekomen, moet er zich toe verbinden te voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° een publiekrechtelijke rechtspersoon, een instelling van openbaar nut zijn of opgericht zijn als vereniging zonder winstoogmerk met als doel een gespecialiseerde hulp te verlenen zoals bepaald in het decreet. Gaat het om een dienst voor hulpverlening in open milieu, een centrum voor opvoedkundige voorlichting (een dienst voor plaatsing in gezinnen) of een dienst voor opvoedkundige of filantropische prestaties, georganiseerd door een vereniging zonder winstoogmerk, dan moet deze binnen de twee jaar, te rekenen vanaf zijn erkenningsdatum op basis van dit besluit, als enig doel hebben het vervullen van de in de specifieke besluiten bedoelde opdrachten; <BFG 2004-06-17/44, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> 2° jongeren in gezonde plaatsen opvangen die aan de educatieve doelstellingen aangepast zijn; de sfeer in deze plaatsen moet de ontplooiing van de jongeren nastreven, hun integratie in de maatschappij bevorderen en het recht op privacy waarborgen; 3° a) onmiddellijk (op initiatief van de inrichtende macht zelf of van de persoon aan wie de leiding van de dienst werd toevertrouwd, het bestuur op de hoogte brengen van elke ernstige gebeurtenis), zoals onder andere overlijden, zwaar incident op tuchtvlak, verlengde onderbreking van de dienstactiviteiten, zware overtreding van het personeel, waarvan inzonderheid zedenfeiten, onregelmatigheid in het beheer van de dienst, onverschillig welke schadeberokkening; <BFG 2004-06-17/44, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> b) de lastgevende machten(op initiatief van de inrichtende macht zelf of van de persoon aan wie de leiding van de dienst werd toevertrouwd, het bestuur op de hoogte brengen van elke ernstige gebeurtenis) bedoeld bij punt a) wanneer zij weerslag heeft op de tenlastenemingen. <BFG 2004-06-17/44, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> 4° zich onderwerpen aan de inspectie van de ambtenaren te dien einde afgevaardigd door de Minister; 5° door verzekeringspolissen a) haar eigen burgerlijke aansprakelijkheid, deze van haar personeel en van de personen die van de dienst deel uitmaken alsook voor haar goederen; b) de burgerlijke aansprakelijkheid van de jongeren voor wie zij zorg nemen of die geholpen worden; c) de lijfschade aan de jongeren voor wie zij zorg nemen, laten dekken. Afdeling 3. - De voorwaarden voor het opvoedingsproject, de tenlasteneming van de jongeren en de pedagogische raad. Art. 4. § 1. Het opvoedingsproject beschrijft de doelstellingen van de dienst in hun geheel en bezorgt meer informatie over de middelen die aangewend worden om die te bereiken. Daarin wordt ook het aantal bedoelde toestanden vermeld, met uitzondering van de diensten voor hulpverlening in open milieu. Het omvat het huishoudelijk reglement dat op de jongeren toepasselijk is. § 2. De dienst is voortdurend verplicht elke doelstelling van zijn pedagogisch project integraal te respecteren. Hij moet op elk ogenblik kunnen bewijzen dat de voorwaarden voor die naleving vervuld zijn. Hij moet ook kunnen aantonen dat elk middel dat hij inzet, bijdraagt tot het bereiken van voormelde doelstellingen. § 3. Het opvoedingsproject wordt periodisch geėvalueerd ten minste eenmaal per jaar, en bijgewerkt in overleg met de leden van de dienst. Het moet bijgewerkt worden wanneer het niet meer beantwoordt aan de werkmethodes van de dienst of wanneer er vastgesteld wordt dat het opvoedingsproject niet meer aan de behoeften beantwoordt. (De dienst beheert het aantal toestanden bedoeld in het opvoedingsproject. Wanneer het percentage van opnames over een jaar niet 80 % bereikt, brengt de dienst het bestuur en de arrondissementsraad voor hulpverlening aan de jeugd ervan op de hoogte, en legt dit uit. Het kan 100 % over een jaar overschrijden voorzover de kwaliteit van zijn project behouden wordt. Daartoe wordt de pedagogische raad geraadpleegd;) <BFG 2004-06-17/44, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> § 4. Een exemplaar van het opvoedingsproject wordt aan al de leden van de dienst bezorgd. § 5. Een document waarin de activiteiten en de methodologie van de dienst bondig worden beschreven, wordt ter beschikking gesteld van iedere persoon die erom verzoekt. Dit document wordt ambtshalve door de dienst doorgezonden naar alle autoriteiten die een beroep op de dienst zouden kunnen doen of die de jongeren naar de dienst zouden kunnen afsturen. (Een document van voorstelling van het opvoedingsproject wordt overhandigd aan de begunstigden alsook aan elke persoon die met de dienst moet werken.) <BFG 2004-06-17/44, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Art. 5. Het opvoedingsproject wordt opgesteld overeenkomstig het genormaliseerd schema dat door de Minister wordt opgesteld, rekening houdend onder andere met de volgende verplichtingen : 1° de normale activiteitsuren vermelden, alsook het ambt, de kwalificatie en de werkplaats van de personen die over de vereiste delegatie beschikken om maatregelen te treffen in geval van dringende noodzakelijkheid en om in te gaan op de verzoeken, zowel van buiten- als van binnenhuis; 2° de praktische schikkingen duidelijk te kennen geven om die personen te kunnen bereiken, rekening houdend met de vereisten in verband met het opvoedingsproject van de dienst; 3° bewijs leveren van de bijzondere kwalificaties vereist voor de personeelsleden en voor de begeleiding die nodig is rekening houdend met het opvoedingsproject; 4° de doelstellingen en de aangewende pedagogische middelen bepalen, met inbegrip van de onaanvaardbare gedragingen en straffen (van het personeel tegenover de jongeren); <BFG 2004-06-17/44, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> 5° de modaliteiten opgeven volgens welke de dienst voor de pedagogische supervisie van het personeel en de evaluatie van zijn actie zorgt; a) zorgen voor een pedagogische supervisie, (met een persoon of een instelling) die niet tot de dienst behoren, ten minste tijdens het eerste activiteitsjaar van de dienst; <BFG 2004-06-17/44, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> b) de voortgezette vorming van alle personeelsleden organiseren, inzonderheid door een privé-instelling voor vorming en vervolmaking van het personeel, erkend in toepassing van artikel 54 van het decreet; 6° zorgen voor een interdisciplinaire werking door het organiseren van vergaderingen in ploegverband; 7° bij het opvoedingsproject de bij artikel 4 van het decreet bedoelde code van plichtenleer voegen; De persoon aan wie de directie van de dienst werd toevertrouwd, is belast met de invoering van het opvoedingsproject onder de verantwoordelijkheid van de inrichtende macht van de dienst. (Het opvoedingsproject vermeldt, enerzijds, de ambten van de leden van de inrichtende macht en bepaalt, anderzijds, het profiel van elk ambt binnen de dienst). <BFG 2004-06-17/44, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Art. 6. § 1. Binnen elke dienst wordt er een pedagogische raad ingesteld bestaande uit de directie en het personeel. (De jongeren worden minstens één keer per jaar verzocht) deel te nemen aan de pedagogische raad wanneer de punten op de agenda op hen rechtstreeks betrekking hebben. <BFG 2004-06-17/44, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> § 2. De pedagogische raad moet ten minste eenmaal per jaar verplicht geraadpleegd worden over : 1° de invoering van het opvoedingsproject, met inbegrip van de toepassing van de code van plichtenleer; 2° het programma voor vorming en pedagogische supervisie. § 3. (De pedagogische raad krijgt een afschrift van het besluit betreffende de erkenning van de dienst. Hij wordt ook verplicht ingelicht, binnen de drie maanden na de statutaire algemene vergadering, over de jaarrekeningen en de bestemming van de subsidies). <BFG 2004-06-17/44, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Afdeling 4. - De voorwaarden betreffende het personeel. Art. 7.§ 1. De personeelsleden van de erkende diensten alsook de personen die regelmatig tewerkgesteld zijn of die gehuisvest zijn in de lokalen die bestemd zijn voor de activiteiten van de erkende diensten moeten van goed zedelijk gedrag zijn. § 2. De inrichtende macht van de dienst moet er zich van vergewissen dat de personeelsleden geen gevaar betekenen voor de ten laste genomen jongeren. § 3. De personeelsleden van de dienst moeten elk jaar door de arbeidsgeneeskunde geschikt verklaard worden voor het werk. De inrichtende macht van de dienst moet er zich van vergewissen dat de gezondheidstoestand van de personen die regelmatig tewerkgesteld zijn of die gehuisvest zijn in de lokalen die bestemd zijn voor de activiteiten van de dienst geen gevaar voor de jongeren oplevert. § 4. De dienst vergewist er zich van dat de personeelsleden : 1° de nodige kwaliteiten inzake contact en gevoelsevenwicht bezitten voor de goede uitvoering van hun prestaties; 2° bekwaam zijn de geschikte pedagogische gedragslijn te volgen; 3° bekwaam zijn deel te hebben aan de opvoeding van de jongeren. § 5. De personeelsleden mogen ofwel deel uitmaken van de vereniging zonder winstoogmerk die hun dienst organiseert, ofwel aanverwant of bloedverwant tot de 3e graad zijn van een lid van de vereniging, ten belope van een derde van de leden van de vereniging. De dienst heeft twee jaar tijd, te rekenen vanaf de inwerkingstelling van dit besluit, om zich te schikken naar deze bepaling. De werknemers van de dienst mogen geen lid zijn van de raad van bestuur van de vereniging; zij mogen evenwel uitgenodigd lid zijn, met raadgevende stem. [1 § 6. Elk nieuw personeelslid wordt ertoe gehouden de module voor basisopleiding te volgen bedoeld in artikel 2, 2e tot 4e lid, van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 11 juni 2004 houdende bepaling van de voorwaarden voor de erkenning van de private vormings- en vervolmakingsdiensten bedoeld bij artikel 54 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, en voor de toekenning van toelagen aan deze diensten. Het nieuwe personeelslid wordt ertoe gehouden de module voor basisopleiding te volgen binnen de twaalf maanden volgend op zijn aanwerving binnen een erkende dienst voor hulpverlening aan de jeugd. Voor de gelijkgestelde personen loopt de termijn om de opleidingsmodule te volgen vanaf de 1e dag van de afsluiting van de laatste arbeidsovereenkomst.]1 ---------- (1)<BFG 2009-04-23/37, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2009> Art. 8. De persoon aan wie de directie van de dienst werd toevertrouwd, is onder de verantwoordelijkheid van de inrichtende macht belast met het dagelijks beheer, het voeren van de boekhouding, de naleving van de geldende reglementeringen en de invoering van het opvoedingsproject.(Ze krijgt van de inrichtende macht de informatie waarmee ze deze opdracht kan vervullen.) <BFG 2004-06-17/44, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> In geval van tekortkoming of onregelmatigheid in de uitvoering (van het eerste en tweede lid), verzoekt het bestuur de inrichtende macht bij aangetekende brief de nodige schikkingen te treffen. <BFG 2004-06-17/44, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Afdeling 5. - De voorwaarden voor het bijhouden van de administratieve en boekhoudkundige documenten. Art. 9. § 1. De diensten, behoudens de diensten voor hulpverlening in open milieu, moeten een dossier aanleggen op naam van iedere jongere vanaf de aanvraag voor tenlasteneming. Dit dossier, dat ter beschikking van de bij artikel 3, 4° bedoelde ambtenaren gehouden wordt, bevat : - (wanneer een dienst de opname weigert voor een andere reden dan het gebrek aan plaats :) een document dat de redenen van de weigering bevat; een exemplaar van dit document wordt doorgezonden (onverwijld) naar de lastgevende autoriteit die de tenlasteneming heeft aangevraagd. De vertrouwelijkheid van het document moet verzekerd worden zoals voorzien in 4°; <BFG 2004-06-17/44, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> - indien de dienst de tenlasteneming aanvaardt : 1° de inlichtingen van administratieve aard, inzonderheid deze die verband houden met de sociale prestaties; 2° het geļndividualiseerd educatief project van de jongere alsook de stukken betreffende zijn evolutie; steekt daar ook bij een afschrift van de rapporten die aan de lastgevende autoriteiten moeten opgezonden worden; 3° de inlichtingen over de gezondheid en de onderzoeken van beroeps- en medisch-psychologische oriėntering. 4° (Onverminderd het recht van de betrokken jongere, bedoeld in artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, alleen worden meegedeeld aan de arts, die daartoe afgevaardigd werd door de Minister, de gegevens inzake de gezondheid van de jongere. <BFG 2004-06-17/44, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> § 2. De diensten voor hulpverlening in open milieu moeten een dossier bijhouden over de modaliteiten en doelstellingen van de geboden individuele hulpverlening; wanneer deze hulpverlening voor een jongere wordt aangevat, dan wordt er een dossier waarvan de anonimiteit gewaarborgd wordt, geopend en bijgehouden op de zetel van de dienst. De inlichtingen van administratieve en medisch-psychologische aard en elk document dat toelaat de jongere te identificeren mogen niet medegedeeld worden. Het vertrouwelijk karakter van deze inlichtingen moet dwingend beveiligd blijven, tenzij de jongere het tegenovergestelde vraagt of wanneer men verplicht is hulp te bieden aan een in gevaar verkerende persoon. Het voormeld dossier wordt ter beschikking van de in artikel 3, 4° bedoelde ambtenaren gehouden. Art. 10. Jaarlijks vóór het einde van de maand maart, zenden de diensten naar het bestuur en de arrondissementsraden voor hulpverlening aan de jeugd van de arrondissementen waarin de diensten hun activiteiten uitoefenen, een activiteitsverslag dat het voorgaande burgerjaar omvat en volgens de modaliteiten bepaald door de Minister. Dit verslag geeft onder andere verantwoording voor de begeleiding die wordt ingesteld om het opvoedingsproject te verwezenlijken, voor het aantal situaties die ten laste worden genomen, voor de wijze waarop de kwalificaties van het personeel hebben bijgedragen tot de verwezenlijking van het opvoedingsproject alsook, behoudens de diensten voor hulpverlening in open milieu, voor het aantal weigeringen van tenlastenemingen, (de reden van deze weigeringen) voor het cijfer van de tenlasteneming bedoeld bij artikel 1, 14°. <BFG 2004-06-17/44, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Art. 11. § 1. De diensten moeten een boekhouding voeren, overeenkomstig het minimaal genormaliseerd rekeningenstelsel zoals het door de regering wordt bepaald. (...). <BFG 2004-06-17/44, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> (Wanneer verschillende erkende diensten tot eenzelfde inrichtende macht behoren, wordt een analytische boekhouding per erkende dienst gevoerd.) <BFG 2004-06-17/44, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> (De eerste en tweede leden zijn niet van toepassing) wanneer de inrichtende macht een overheidsmacht is en op grond waarvan haar een ander rekeningenstelsel wordt opgelegd. In dat geval wordt de boekhouding voor elk opvoedingsproject goedgekeurd op basis van dit besluit, gevoerd op een specifieke begrotingsfunctie en bevat zij een resultatenrekening voor elke categorie van toelagen. De eventuele winsten die gecumuleerd worden op de toelagen moeten behouden blijven in de rekeningen van de dienst. <BFG 2004-06-17/44, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> § 2. Wanneer de inrichtende macht een openbaar bestuur is, moet de inrichtende macht van de dienst een controlesysteem van de boekhouding van de dienst instellen, zowel wat de inkomsten als de uitgaven betreft, uitgevoerd door een commissaris der rekeningen die geen lid is van de personeelsleden van de dienst en die belast is om de zes maanden verslag uit te brengen. Afschrift van deze verslagen is ter beschikking van het bestuur gehouden. De jaarrekeningen moeten bovendien nagezien door een accountant of, indien de wet het oplegt, juist verklaard worden door een bedrijfsrevisor. Hun controleverslagen maken melding van hun registratienummer bij het Instituut van accountanten of bij het Instituut van bedrijfsrevisors en hebben prioritair betrekking op : a) de toepassing van het rekeningenstelsel waarvan sprake in § 1 van dit artikel; b) de financiėle activiteit van de dienst; c) de verschillende rubrieken van de balans en hun gegrondheid; d) de uitgaven voor personeelskosten en hun overeenstemming met de staten, opgemaakt inzake maatschappelijke zekerheid en beroepsvoorheffing; e)het resultaat van het nageziene boekjaar. § 3. (Vóór eind juni zenden de diensten het bestuur, volgens de Minister nader te bepalen regels, een exemplaar van de jaarrekeningen van het voorbije boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar door. De verslagen van de accountant of van de bedrijfsrevisor worden bij de jaarrekeningen gevoegd. Voor de diensten waarvan de inrichtende macht opgericht is in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, wordt een afschrift gevoegd van de beslissing genomen na de beraadslaging van de algemene vergadering die aan de bestuurders kwijting heeft gegeven voor hun beheer van het voorbije jaar.) <BFG 2004-06-17/44, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> § 4. Wanneer op het einde van een jaar, het tekort tot vijf percent of meer van de opbrengsten van het jaar is gestegen, of indien het gecumuleerd tekort tot tien percent of meer van de opbrengsten van het jaar oploopt, brengt de dienst het bestuur op de hoogte van deze situatie en geeft het kennis van de middelen die deze dienst overweegt aan te wenden om het financieel evenwicht te herstellen. Onder tekort moet hier verstaan worden het verschil tussen enerzijds de opbrengsten en anderzijds de effectieve uitgaven waarvan sprake in artikel 29, § 2 van dit besluit. Art. 12. Een exemplaar van de jaarrekeningen en van het activiteitsverslag wordt ter beschikking van de personeelsleden en de vakbondsafvaardiging gehouden, die op eenvoudig verzoek die bescheiden kunnen inzien. De dienst brengt ze op de hoogte van de mogelijkheid om die bescheiden in te zien. Art. 13.De inrichtende macht en de dienst zijn, elk wat hen betreft, ertoe verplicht aan het bestuur binnen de maand elke wijziging van de gegevens mee te delen die ter gelegenheid van de controle van de aanvraag tot erkenning werden bezorgd. Zij zijn er bovendien toe verplicht elke vraag naar informatie te beantwoorden die door het bestuur wordt gesteld. [1 De diensten zijn ertoe gehouden met de Informatie-, Oriėntatie- en Coördinatiecel samen te werken, volgens de nadere regels bepaald door de Minister.]1 ---------- (1)<BFG 2008-09-12/39, art. 11, 012; Inwerkingtreding : 13-11-2008> Afdeling 6. - De eerste hulp (ehbo). Art. 14. De dienst moet op elk ogenblik de eerste hulp aan de jongeren kunnen geven of laten geven. Hij moet over het nodige beschikken om deze eerste hulp toe te dienen. HOOFDSTUK II. - Erkenningsprocedure. Afdeling 1. - De erkenningscommissie. Art. 15. De voorzitter en de leden van de commissie, behoudens deze die bedoeld zijn bij 3°, 4°, 6° 13° tot 15° van artikel 46, § 1 van het decreet, ontvangen een zitpenning voor elke vergadering van ten minste twee uur die door de commissie wordt gehouden. De zitpenning dekt de werkzaamheden die bij de vergaderingen behoren. Deze zitpenning bedraagt (35 EUR voor de voorzitter) en (25 EUR voor de leden). <BFG 2001-11-08/51, art. 47, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <BFG 2004-06-17/44, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> De voorzitter en de leden van de commissie mogen hun persoonlijke wagen gebruiken om zich naar de vergadering te begeven, alsook om zich te verplaatsen wanneer dit nodig is in het kader van hun opdracht. De vergoeding voor reiskosten is gelijk aan het bedrag dat door de Franse Gemeenschap zou uitbetaald worden voor het gemeenschappelijk vervoer. De Franse Gemeenschap dekt de risico's niet die voortvloeien uit het gebruik van hun persoonlijke wagen. De niet tot het bestuur behorende personen die geroepen worden om als deskundigen van de commissie aan deze werkvergaderingen deel te nemen, zijn gelijkgesteld met de leden voor wat de toekenning van de zitpenningen en de vergoedingen voor reiskosten betreft. Art. 16. § 1. De commissie heeft haar zetel bij het bestuur. § 2. Zij vergadert op bijeenroeping door het bestuur, die een oproepingsbrief, behoudens behoorlijk gestaafde dringende noodzakelijkheid, ten minste 8 dagen vóór de datum van de vergadering, naar alle werkende leden verzendt. § 3. Bij de oproepingsbrief worden de volgende documenten gevoegd : 1° het ontwerp van de notulen van de vorige vergadering, behoudens in de spoedgevallen bedoeld bij § 2; 2° de agenda; 3° de dossiers betreffende de diensten; deze dossiers bevatten : a) de benaming van de dienst; b) de situatie van deze dienst t.o.v. de erkenning; c) de vermelding en de samenstelling van de inrichtende macht; d) de inhoud van het dossier; e) het verslag van de ambtenaar belast met de pedagogische inspectie en, zo nodig, het verslag van de persoon belast met de inspectie van de boekhouding; f) de budgettaire inslag van het dossier; g) de voorstelling van het dossier door de dienst op maximaal drie getypte bladzijden; h) het gemotiveerd advies van de arrondissementsraad(-raden) voor hulpverlening aan de jeugd die bij het dossier betrokken is (zijn), bedoeld bij artikel 25, § 1. § 4. Het bestuur zorgt voor het secretariaat en de archiefbewaring. Art. 17. De commissie geeft ten minste 8 dagen vóór de datum van de vergadering aan de inrichtende macht of aan de promotors van het ontwerp kennis van het onderzoek van haar dossier. Bij deze informatie wordt een afschrift gevoegd van het dossier betreffende de aanvraag, zoals het aan de leden van de commissie werd doorgezonden. (De ambtenaar belast met de pedagogische inspectie en de inrichtende macht of de promotors van het project en de directie van de betrokken diensten worden verzocht deel te nemen aan het onderzoek van het dossier dat hen betreft. De ambtenaar belast met de boekhoudkundige inspectie kan verhoord worden). <BFG 2004-06-17/44, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> (Met inachtneming van de uiteenzetting door beide partijen kan de commissie beslissen elke persoon te verhoren die het behandelde dossier kan ophelderen). <BFG 2004-06-17/44, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Art. 18. De commissie beraadslaagt en beslist geldig wanneer ten minste de helft van de leden aanwezig is. Bereikt men deze meerderheid niet, dan kan de commissie, na een nieuwe bijeenroeping, geldig beslissen over hetzelfde onderwerp, ongeacht het aantal aanwezige leden. De beslissingen worden bij gewone meerderheid van de aanwezige leden genomen. Bij staking van stemmen wordt de stemming als (positief) beschouwd. <BFG 2004-06-17/44, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> De beraadslaging verloopt met gesloten deuren. Er wordt geheim gestemd. Het is ieder lid van de commissie verboden aanwezig te zijn op de beraadslaging over elk dossier waarbij het een rechtstreeks belang heeft, ofwel persoonlijk, ofwel als bestuurder of als aangestelde, of waarbij zijn echtgenoot, zijn verwanten of aanverwanten tot de derde graad inbegrepen, een gelijkaardig belang hebben. Art. 19. § 1. De leden moeten de vertrouwelijkheid van de werkzaamheden en de debatten van de commissie respecteren. § 2. Tenzij zij bekend gemaakt werden, mogen alle documenten, inlichtingen, informatie die ter kennis gebracht worden van de effectieve en plaatsvervangende leden krachtens hun mandaat noch gepubliceerd noch aan derden medegedeeld worden zonder toestemming van de Minister, na advies van de commissie, behoudens aan de betrokken dienst. § 3. De Minister kan het lid dat de voorschriften van deze bepaling overtreedt, ontslaan. Art. 20. Van elke vergadering worden notulen opgesteld, waarin onder meer de datum, de uren van begin en einde, de agenda, de lijst van de aanwezige leden, het aantal stemmen en de motivatie geldend voor elk uitgebracht advies worden vermeld. (Het uittreksel van de notulen wordt naar de directeur van de betrokken dienst doorgestuurd die het aan het personeel meedeelt. Het wordt ook aan de inrichtende macht van de dienst verstuurd). <BFG 2004-06-17/44, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Art. 21. De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op dat zij ter goedkeuring aan de Minister voorlegt. Het reglement geeft nadere bepaling van de werkingsmodaliteiten van de Commissie. Afdeling 2. - De aanvragen tot erkenning van de diensten. Art. 22. § 1. De inrichtende macht of de promotors van het ontwerp dienen de aanvraag tot erkenning van de dienst onder aangetekend schrijven bij het bestuur in. Om het dossier samen te stellen ten einde het opportuniteitsadvies te bekomen bedoeld bij artikel 46, § 3 van het decreet, voegen zij bij die aanvraag : 1° een nota waarin de hoofdelementen vermeld zijn van het opvoedingsproject dat de dienst zich voorneemt in uitvoering te brengen; 2° een exemplaar van de statuten of van het ontwerp van statuten van de aanvragende inrichtende macht of van gelijk welk ander document waaruit blijkt dat de bij artikel 3, 1° van dit besluit voorziene voorwaarde effectief vervuld is; 3° de bijgewerkte lijst van de personen die lid zijn of zullen zijn van de raad van bestuur wanneer de inrichtende macht als V.Z.W. opgericht is of zal worden; 4° de naam van de persoon aan wie de leiding van de dienst zal worden toevertrouwd en, zo nodig, de lijst van de benaderde personeelsleden; 5° (...). <BFG 2004-06-17/44, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> § 2. Het dossier om het conformiteitsadvies bedoeld bij artikel 46, § 3 van het decreet te bekomen, wordt onder aangetekend schrijven door de inrichtende macht naar het bestuur doorgezonden. Art. 23. Het bestuur meldt goede ontvangst van het dossier bedoeld bij artikel 22, §§ 1 en 2, wanneer het volledig en ontvankelijk is. Het stuurt het dossier daarna rechtstreeks naar de Minister en brengt de commissie binnen de twee maanden ervan op de hoogte. Wanneer de commissie verzocht wordt een dossier te onderzoeken, wordt zij door het bestuur samengeroepen volgens de bepalingen van artikel 16 van dit besluit. Art. 24. § 1. Binnen de drie maanden na ontvangst door de commissie van het dossier zoals bedoeld bij §§ 1 en 2 van artikel 22 brengt zij haar advies uit zoals bepaald bij artikel 46, § 3 van het decreet. Wordt die termijn niet in acht genomen, dan wordt het advies geacht uitgebracht te zijn. § 2. Binnen de twee maanden na de ontvangst van het bij § 1 bedoeld advies deelt de Minister zijn beslissing mee aan het bestuur dat de aanvragers en de commissie erover inlicht. In deze beslissing kan bepaald worden dat de effectieve beslissing over het opportuniteitsadvies voor een bepaalde tijd verdaagd is, inzonderheid om budgettaire redenen. § 3. Wanneer hij zijn akkoord betuigt over de opportuniteit van de uitvoering van het project, stelt de Minister de termijn vast waarbinnen de aanvrager zijn conformiteitsdossier moet indienen. In de gevallen waarin het conformiteitsadvies tegelijkertijd met het opportuniteitsadvies mag gegeven worden, beslist de Minister onverwijld over de aanvraag tot erkenning. § 4. Ingeval de erkenning wordt geweigerd, mag de inrichtende macht slechts een nieuwe aanvraag indienen na verloop van ten minste een jaar na de betekening van de beslissing de erkenning te weigeren. Art. 25. § 1. (Om het advies bedoeld in artikel 21, 7° van het decreet uit te brengen vraagt de arrondissementsraad voor hulpverlening aan de jeugd, indien nodig, het advies van de arrondissementsraden voor hulpverlening aan de jeugd van de arrondissementen waar de dienst ook zijn activiteiten uitoefent, alsook het advies van de betrokken lastgevende autoriteiten. Dit advies wordt aan het bestuur verzonden. De adviezen bedoeld in artikel 16, § 3, h) van dit besluit worden, op verzoek van het bestuur, binnen de twee maanden na de aanvraag, uitgebracht door de betrokken arrondissementsraad (raden) voor hulpverlening aan de jeugd. Deze termijn wordt tussen 1 juli en 31 augustus geschorst. Ingeval van niet-naleving van deze termijn wordt het advies geacht uitgebracht te zijn) <BFG 2004-06-17/44, art. 14, 006; ED : 15-09-2004> § 2. Het geval wordt bij de commissie aanhangig gemaakt wanneer de bovenvermelde raden oordelen of vaststellen dat de uitvoering van het opvoedingsproject niet meer aan de behoeften beantwoordt, inzonderheid indien, en behoudens voor de diensten voor hulpverlening in open milieu, het cijfer van de tenlastenemingen ofwel de 80 % in de loop van de betrokken drie opeenvolgende jaarlijkse periodes, ofwel de 60 % in de loop van een van de betrokken jaarlijkse periodes niet bereikt. § 3. Het geval wordt bij de commissie aanhangig gemaakt wanneer het bestuur vaststelt dat het opvoedingsproject niet wordt nageleefd, inzonderheid indien, en behoudens voor de diensten voor hulpverlening in open milieu, het cijfer van de tenlastenemingen ofwel de 80 % in de loop van de betrokken drie opeenvolgende jaarlijkse periodes, ofwel de 60 % in de loop van een van de betrokken jaarlijkse periodes niet bereikt. Art. 26. Voor elke verandering van inrichtende macht, elke wijziging van het opvoedingsproject of van de localisatie van de lokalen is er een advies van de commissie nodig. Art. 27. (Bij vervanging zoals bedoeld in artikel 49 van het decreet van de natuurlijke persoon aan wie het effectief beheer en de effectieve leiding van de dienst werden toevertrouwd brengt deze daar het bestuur onmiddellijk op de hoogte van. De dienst deelt eveneens aan het bestuur, binnen de twee maanden die volgen op het effectief vertrek van de bovenvermelde persoon, de naam van zijn vervanger mede. Binnen de drie maanden na de ontvangst van het dossier door de commissie, brengt deze een advies uit over het behoud van de erkenning). <BFG 2004-06-17/44, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Op basis van het advies van de commissie, of indien de commissie haar advies niet binnen de in lid 1 bepaalde termijn heeft uitgebracht, kan de Minister ofwel de erkenning bevestigen, ofwel deze opschorten, in afwachting van de aanstelling van een directie die beantwoordt aan de bepalingen opgenomen in dit besluit en zijn bijlagen. De opschorting van de erkenning heeft de gehele of gedeeltelijke opschorting bij ministeriėle beslissing van de storting voor gevolg van de toelagen die aan het directiepersoneel toekomen, alsook de toelagen voor werkingskosten bedoeld bij artikel 35 en, desgevallend, heel de toelage. Deze opschorting heeft uitwerking met ingang van een termijn van 60 dagen berekend vanaf de datum waarop de inrichtende macht werd ingelicht en neemt een einde op de datum van de vervanging. Art. 28. § 1. De Minister geeft de betrokken inrichtende macht en dienst kennis van een ingebrekestelling wanneer hij vaststelt dat : 1° het opvoedingsproject van een dienst niet meer beantwoordt aan behoeften, of indien dit project alleen gedeeltelijk aan die behoeften beantwoordt, inzonderheid rekening houdend met de moeilijkheden waarmee de jongeren en hun gezinnen geconfronteerd zijn en met de toelatings- of tenlastenemingsvoorwaarden die in het opvoedingsproject bepaald zijn; 2° een dienst niet meer beantwoordt aan de criteria inzake programmatie opgesteld door de Gemeenschapsraad voor hulpverlening aan de jeugd; 3° een dienst niet meer beantwoordt aan de voorwaarden bepaald bij dit besluit of bij een specifiek besluit toepasselijk op de categorie van diensten waartoe hij behoort; 4° een dienst de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake toezicht op de boekhouding en de financiėn die op hem kunnen toegepast worden niet meer naleeft; 5° op basis van een informatie van de commissie als zou de dienst het opvoedingsproject waarvoor hij werd erkend, niet ten uitvoer brengen. In de gevallen bedoeld bij § 1, 1° en 2° heeft de dienst een jaar tijd om zich te schikken naar de ingebrekestelling en heeft hij drie maanden tijd voor de gevallen bedoeld bij § 1, 3°, 4° en 5°. § 2. Wordt er geen gevolg gegeven aan die ingebrekestelling of indien een ingebrekestelling aan die dienst reeds werd medegedeeld in de loop van de vierentwintig maanden die voorafgaan, wordt het dossier bij de commissie aanhangig gemaakt en moet deze een advies uitbrengen binnen de twee maanden die volgen op deze aanhangigmaking. § 3. Na het advies van de commissie te hebben aangevraagd, kan de Minister binnen een door hem bepaalde termijn, de erkenning intrekken. Hij brengt het bestuur op de hoogte ervan. De gemotiveerde beslissing wordt door het bestuur bij aangetekende brief aan de dienst en zijn inrichtende macht medegedeeld. Desgevallend, is er in de beslissing een termijn voorzien voor de uitvoering ervan. Op het einde van de termijn wordt de betoelaging onderbroken onder de voorwaarden en binnen de termijnen bepaald door de Minister, onverminderd de bepalingen bedoeld in punt 4° van de bijlage 1, A bij dit besluit. De beslissing wordt ter inlichting naar de voorzitter van de commissie doorgezonden. TITEL III. - De toekenning van de toelagen. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. Art. 29. § 1. (...) <BFG 2004-06-17/44, art. 16, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004>et vaste gedeelte van de toelagen omvat de personeels- en de werkingskosten van de diensten. De Regering stelt per type of per categorie van diensten, het bedrag van deze toelagen vast. § 2. Elke uitgevoerde uitgave moet kunnen verantwoord worden; de betalingsbewijzen moeten ter beschikking van het bestuur gehouden worden. Enkel de effectieve uitgaven, die kunnen betoelaagd worden op basis van dit besluit en (specifieke besluiten), bepalen de uitslag op de rekening 141 van het rekeningenstelsel bedoeld bij artikel 11, § 1 van dit besluit. <BFG 2004-06-17/44, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Wanneer het bestuur beslist heeft een voorgeschoten toelage in haar geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, kan de betrokken dienst binnen de maand die volgt op de mededeling van de beslissing, schriftelijk haar argumenten laten gelden m.b.t. de modaliteiten voor de terugvordering. Na deze termijn en na onderzoek van de door de dienst ingeroepen middelen geeft het bestuur zijn beslissing te kennen en gaat zo nodig over tot de onmiddellijke terugvordering. Indien bijzondere omstandigheden het verantwoorden kan het bestuur termijnen en uitstellen toekennen. De voorgeschoten toelagen die door het bestuur moeten teruggevorderd worden, mogen in mindering van de toegekende toelagen worden gebracht. § 3. De toelagen mogen niet geļnvesteerd worden in financiėle risicobeleggingen. § 4. De eigen middelen bestaan uitsluitend uit het aanvankelijk kapitaal van de dienst, de schenkingen en legaten die de dienst ontvangt en de opbrengsten van winstgevende activiteiten die hij organiseert. Zijn eveneens eigen middelen, de bankintresten voortvloeiend uit de belegging van de voormelde eigen middelen, alsook, in het geval van de publiekrechtelijke rechtspersonen, de staatsfondsen waarover deze beschikken. In geen geval mag het niet verantwoorde of niet opgebruikte gedeelte van de verschillende categorieėn van toegekende toelagen, met inbegrip van de bankintresten voortvloeiend uit de belegging van toelagen, in de eigen middelen van de dienst opgenomen worden; dit principe geldt eveneens wanneer de inrichtende macht van de dienst een publiekrechtelijke rechtspersoon is. Art. 30.Onverminderd de toepassing van artikel 34, §§ 3 en 4 van dit besluit worden de toegekende toelagen verminderd ten belope van de toelagen die werden gestort door andere publiekrechtelijke rechtspersonen. Er wordt daar evenwel slechts mee rekening gehouden in de mate dat zij werden gestort om de uitgaven te dekken die reeds in rekening werden genomen voor de vaststelling van de toegekende toelagen. Maar in elk geval worden noch de toelagen van de Nationale Loterij, noch de aan de jongeren toegekende studiebeurzen teruggevorderd wanneer zij exclusief gebruikt worden ten bate van de jongeren voor wie zij werden toegekend. De aandacht van het bestuur wordt door de dienst gevestigd op alle toelagen of alle terugbetalingen van gemaakte kosten die op een andere basis dan dit besluit of van de specifieke besluiten werden bekomen. De uitgaven gedekt door deze toelagen of door de terugstortingen van de kosten moeten volledig en afgescheiden opgenomen worden in het rekeningenstelsel bedoeld bij artikel 11, § 1 van dit besluit. In geval van co-financiering van de dienst door een andere openbare macht in het kader van een akkoord gesloten met de Minister tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd behoort, kan de Minister beslissen dat de financiėle tegemoetkoming van de andere overheidsmacht ofwel afgetrokken wordt van de provisionele toelage, ofwel afgetrokken van de uitgaven die werden toegelaten voor de vaststelling van de definitieve toelage. [1 Een subsidie van 256 EUR, indexeerbaar, wordt toegekend aan de dienst voor elke deelname van een personeelslid aan de modules voor basisopleiding bedoeld in artikel 1 en in artikel 2, 3e en 4e lid, van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 11 juni 2004 houdende bepaling van de voorwaarden voor de erkenning van de private vormings- en vervolmakingsdiensten bedoeld bij artikel 54 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, en voor de toekenning van toelagen aan deze diensten. De dienst wordt ertoe gehouden die subsidie prioritair te besteden voor de vervanging van personen in opleiding. Indien zij niet kunnen worden vervangen, moet die subsidie, na aftrek van de reiskosten betreffende de opleiding gevolgd door het personeelslid, uitsluitend besteed worden voor de opleiding van personeelsleden van de dienst.]1 ---------- (1)<BFG 2009-04-23/37, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2009> HOOFDSTUK II. - Toelage voor personeelskosten. Afdeling 1. - Provisionele toelage voor personeelskosten. Art. 31. § 1. (Er wordt een provisionele toelage aan de dienst toegekend voor de periode begrepen tussen de datum van erkenning op basis van dit besluit en het einde van de volgende drie burgerlijke jaren; zij wordt daarna om de drie jaar onderzocht, en kan desgevallend aangepast worden, gelet op de volgende elementen : 1° de categorie van de dienst; 2° het type van opvoedingsproject van de dienst; 3° het aantal situaties betrokken bij het opvoedingsproject van de dienst; 4° de verwijzingsnormen inzake personeelsbestand die bepaald zijn voor de categorie van de dienst en het type van pedagogisch project van de dienst; 5° de voorwaarden voor kwalificatie en de weddeschalen voor de bezoldiging van het personeel die het aanwenden van de provisionele toelage verantwoorden, zoals bepaald in de bijlagen 3 en 4 van dit besluit; 6° de modaliteiten voor de berekening van de geldelijke anciėnniteit verworven in de sector van de hulpverlening aan de jeugd, zoals bepaald in bijlage 2, B van dit besluit; 7° de evolutie van de gemiddelde anciėnniteit van het personeel komende overeen met het erkende kader van de dienst; deze mag niet meer dan drie jaar bedragen voor elke driejarige ambtsperiode. De normen voor het gesubsidieerd personeel worden bepaald door de specifieke besluiten die eigen zijn aan de verschillende types van opvoedingsprojecten.) <BFG 2003-09-09/34, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 20-10-2003> § 2. Het totaal van de geļndexeerde bruto-bezoldigingen, bekomen in toepassing van § 1, wordt verhoogd met een percentage vastgesteld door de Minister voor de inaanmerkingneming van de wettelijke patronale lasten en de bijkomende voordelen bepaald in bijlage 1 van dit besluit. Het aldus bekomen totaal, gedeeld door het voorziene aantal betrekkingen voor de betrokken dienst, bepaalt de gemiddelde provisionele bezoldiging van de dienst. De jaarlijkse provisionele toelage is gelijk aan : gemiddelde provisionele bezoldiging op jaarbasis X aanpassingscoėfficiėnt X aantal toegekende betrekkingen. De voormelde aanpassingscoėfficiėnt wordt aan de evolutie van de indexatiecoėfficiėnt van de bezoldigingen aangepast, volgens de modaliteiten van artikel 40 van dit besluit of kan aangepast worden om redenen die er geen rechtstreeks verband mee houden, inzonderheid de aanpassing van de weddeschalen voor de bezoldiging en het percentage bepaald voor de wettelijke patronale lasten en de bijkomende voordelen. § 3. De bij § 2 bedoelde toelage wordt uitbetaald ten belope van een twaalfde per maand. Art. 32. (Lid 1 opgeheven) <BFG 2003-09-09/34, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 20-10-2003> (Ten laatste op 30 juni die aan het einde van de in artikel 31, § 1 bedoelde 3 jaren voorafgaat, maakt de dienst per aangetekende brief de raming van het bedrag van de nodige provisionele toelage voor de volgende periode van 3 jaar over aan de administratie. De administratie berekent de provisionele toelage voor de volgende periode van 3 jaar. Het personeel in aanmerking genomen voor de berekening van de toelage is het personeel dat houder is van de gesubsidieerde betrekking ingeschreven op het personeelsregister op 31 december van het voorlaatste jaar van de driejarige ambtsperiode die deze voorafgaat waarvoor de aanpassing wordt aangevraagd. De provisionele toelage wordt vastgelegd op basis van de anciėnniteit van het personeel die op 1 juli van het tweede jaar van de volgende driejarige ambtsperiode zal zijn bereikt.) (Nochtans wordt de betrekking of het deel ervan die/dat niet bezet wordt of in aanmerking wordt genomen voor het dekken van de lasten met betrekking tot het personeel aangeworven in het kader van de federale en regionale programma's voor werkloosheidsbestrijding (PRC), met uitsluiting van deze opgenomen in de kaderbetrekking van de dienst zoals bepaald door zijn erkenningsbesluit, gesubsidieerd ten belope van de weddeschaal van het niet-beklede ambt met een anciėnniteit van drie jaar.) <BFG 2003-09-09/34, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 20-10-2003> <BFG 2007-02-09/45, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007> (De Minister past de toelage aan voor de periode van 3 jaar.) <BFG 2003-09-09/34, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Na het einde van elk burgerlijk jaar, deelt de dienst aan het bestuur het bedrag mede van de werkelijke uitgaven van het voormelde jaar, met uitsluiting van de provisionele bedragen voor het vakantiegeld. Na het einde van de periode bedoeld bij artikel 31, § 1, vordert het bestuur het eventueel te veel ontvangen bedrag t.o.v. de provisionele toelage toegekend tijdens de voormelde periode terug. Ingeval de activiteiten van de dienst worden stopgezet, wordt het te veel ontvangen bedrag teruggeorderd vóór het einde van de periode bedoeld bij artikel 31, § 1. Art. 33. Wordt het opvoedingsproject, het aantal door het project beoogde situaties of de categorie van de dienst gewijzigd, dan komt er zo nodig een herziening van de provisionele toelage voor een nieuwe periode van drie jaar, volgens de modaliteiten bedoeld bij artikel 31, § 1. Afdeling 2. - Definitieve toelage voor personeelskosten. Art. 34. § 1. Elk jaar wordt de definitieve toelage vastgesteld op basis van de bewijsstukken die door het bestuur worden opgevraagd. § 2. De aanwending van de provisionele toelage bedoeld in afdeling 1 van dit hoofdstuk wordt verantwoord overeenkomstig de bepalingen in bijlage 1 van dit besluit. § 3. De tegemoetkoming door het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid aan de dienst gestort om de afwezigheid van een werknemer met opvoedingsverlof te compenseren is in de provisionele toelage opgenomen. Deze boeking wordt gespreid over een of meer burgerlijke jaren, het eerste is het jaar waarin de werknemer begonnen is aan zijn opvoedingsverlof, het laatste is het jaar dat volgt op het jaar waarin de tegemoetkoming van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid wordt uitbetaald. Binnen de maand die volgt op de effectieve uitbetaling van de tegemoetkoming adviseert de dienst bij aangetekend schrijven het bestuur over zijn keuze wat de bestemming betreft van het bedrag van de tegemoetkoming gespreid over een of meer jaren die in aanmerking komen. § 4. Het gedeelte van de provisionele toelage toegekend tijdens de periode bedoeld bij artikel 31, § 1, desgevallend met inbegrip van de tegemoetkoming bedoeld bij § 3 van dit artikel waarvan de aanwending niet verantwoord is, vormt een ten onrechte ontvangen bedrag dat kan terugbetaald worden volgens de bij artikel 32, 5 bedoelde modaliteiten. (§ 5. Een minimale norm alsmede een maximale norm voor omkadering worden opgesteld en moeten gedurende de hele driejarige ambtsperiode nageleefd worden. De minimale of maximale toegelaten norm voor omkadering wordt vastgelegd op basis van de volgende bepalingen : 1° het totaal aantal betaalde uren die tijdens de driejarige ambtsperiode worden gepresteerd of ermee gelijkgesteld zijn door het geheel van het personeel van de dienst, zoals bepaald bij zijn individueel erkenningsbesluit, wordt vastgesteld op het einde van de driejarige ambtsperiode; 2° het totaal aantal uren bepaald in punt 1° wordt vergeleken met het totaal aantal wettelijke uren bepaald voor de dienst voor een duur van drie jaar, hetzij 1.986 uren vermenigvuldigd met 3, vermenigvuldigd met het aantal voltijdse equivalenten van de betrokken dienst zoals bepaald bij zijn individueel besluit tot erkenning; 3° het totaal aantal uren bedoeld in punt 1° kan niet minder uren bedragen dan het totaal aantal uren bedoeld in punt 2° min 2.400 uren; 4° het totaal aantal uren bedoeld in punt 1° kan niet hoger zijn dan het totaal aantal uren bedoeld in punt 2°, na aftrekking van de bezoldigde uren die niet gepresteerd zijn maar gelijkgesteld wegens ziekte of arbeidsongeval (en de betaalde uren die gepresteerd zijn in het kader van een studentencontract alsook de betaalde uren die gepresteerd zijn in het kader van de vervanging van een personeelslid met een educatief verlof); <BFG 2004-06-17/44, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> 5° de uren gepresteerd boven het totaal aantal uren bedoeld in punt 2° zullen invorderbare niet-verschuldigde bedragen worden op het einde van de driejarige ambtsperiode; ze zullen herwaardeerd worden op basis van de gemiddelde provisionele bezoldiging van de dienst zoals bepaald in artikel 31, § 2, lid 1; (De gepresteerde bezoldigde uren zoals bepaald bij artikel 34, § 5, 7°, kunnen leiden tot een overschrijding van het bij punt 2° bedoelde totaal aantaal uren. In dat geval, worden zij niet als een mogelijk terug te vorderen niet-verschuldigd bedrag beschouwd.) <BFG 2007-02-09/45, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007> 6° de niet-gepresteerde uren die de 2.400 toegelaten uren bedoeld in punt 3° overschrijden, zullen invorderbare niet-verschuldigde bedragen worden op het einde van de driejarige ambtsperiode; ze zullen herwaardeerd worden op basis van de gemiddelde provisionele bezoldiging van de dienst zoals bepaald in artikel 31, § 2, lid 1.) <BFG 2003-09-09/34, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2005 voor de diensten die een nieuwe driejarige periode aanvatten op 1 januari 2005, Inwerkingtreding : 01-01-2006 voor de diensten die een nieuwe driejarige periode aanvatten op 1 januari 2006, Inwerkingtreding : 01-01-2007 voor alle andere diensten> (7° de personeelslasten, niet gedekt door subsidies toegekend om andere redenen dan de hulpverlening aan de jeugd, betreffende de betrekkingen van de dienst die bezet zijn in het kader van de programma's voor werkloosheidsbestrijding (PRC), kunnen het gebruik van de subsidies voor vaste personeelskosten verantwoorden.) <BFG 2007-02-09/45, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2007> HOOFDSTUK III. - Toelage voor werkingskosten. Art. 35. § 1. Een vaste toelage voor werkingskosten wordt aan de diensten toegekend. De uitgaven waardoor de toelage kan verantwoord worden, zijn de volgende, onverminderd de bepalingen bedoeld bij de specifieke besluiten die eigen zijn aan de verschillende types van pedagogische projecten : 1° de kosten voor het betrekken van de gebouwen, inzonderheid de huurkosten, de huurlasten en de verhuiskosten, de bewakingskosten; 2° wanneer de dienst eigenaar is van de door hem bezette gebouwen, de dotatie voor de afschrijving op de vaste activa die betrekking heeft op de voormelde gebouwen. Het afschrijvingscijfer is vastgesteld op 3,333 %. Een afschrijvingscijfer van 10 of 6,666 % kan in aanmerking genomen worden voor de verbouwing of voor grote onderhoudswerken aan de gebouwen; 3° de kosten voor onderhoudsproducten; 4° de onderhoudskosten voor de lokalen en voor hun inhoud alsook de kosten voor beddegoed en ondergoed; 5° de kosten voor watervoorziening, energie en brandstoffen; 6° de bestuurskosten; 7° de verzekeringskosten die geen betrekking hebben op het personeel, te weten de verzekeringen tegen brand, diefstal, verplichte burgerlijke aansprakelijkheid van de diensten, wagens, bureaubenodigdheden en informatica; 8° de rechtskosten in het kader van de verdediging van de personeelsleden t.o.v. de begunstigden van de door de dienst verleende hulp. De honoraria van de advocaten en deskundigen komen in aanmerking voor zover er geen onenigheid ontstaat bij het bestuur; 9° de honoraria van de supervisors en de opleiders, op basis van effectief opgemaakte facturen en ten belope van een maximaal jaarlijks indexeerbaar bedrag, vastgesteld op F 125 513 per type van erkend pedagogisch project; 10° de honoraria voor verificatie of echtverklaring van de jaarrekening, overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 3 van dit besluit. Deze kosten worden in aanmerking genomen op basis van effectief opgemaakte facturen, ten belope van een maximaal jaarlijks indexeerbaar bedrag per dienst : a) vastgesteld op F 37 653 voor een dienst die tot 10 betrekkingen telt die overeenstemmen met volledige dagtaken, die toegekend worden volgens de normen inzake bestand, die in rekening worden genomen voor de berekening van de provisionele toelagen; b) vastgesteld op F 37 653 en vermeerderd met F 2 898 per bijkomende betrekking die overeenstemt met een volledige dagtaak, die toegekend wordt boven de 10 en tot 49, in totaal, volgens de voormelde normen inzake bestand; c) vastgesteld op F 153 627 vanaf 50 betrekkingen die overeenstemmen met volledige dagtaken, die toegekend worden, in totaal, volgens de voormelde bestandsnormen; 11° de honoraria voortvloeiend uit administratieve en rekenplichtige opdrachten die nodig zijn voor de goede werking van de dienst en voor de naleving van de voorwaarden voor de erkenning. Deze kosten komen in aanmerking op basis van effectief opgemaakte facturen en binnen de perken van een maximaal jaarlijks indexeerbaar bedrag per dienst : a) van F 164 000 tot 10 betrekkingen die overeenstemmen met volledige dagtaken en toegekend volgens de bestandsnormen die in aanmerking komen voor de berekening van de provisionele toelagen; b) van F 177 390 tot 16 betrekkingen die overeenstemmen met volledige dagtaken en toegekend volgens de voormelde bestandsnormen; c) van F 262 740 boven 16 betrekkingen die overeenstemmen met volledige dagtaken en toegekend volgens de voormelde bestandsnormen; 12° de aan de plaatselijke kantoren voor tewerkstelling betaalde bedragen voor gelegenheidsopdrachten die geen deel uitmaken van de gewone opdrachten van het personeel van de dienst; 13° de kosten voor sociaal secretariaat, te weten de berekening van de lonen, de formaliteiten in verband met de betaling van de lonen en die moeten vervuld worden in het kader van de sociale en fiscale wetgeving, de logistieke en gerechtelijke steun; op basis van facturen die effectief zijn opgemaakt, worden deze kosten gedekt door de toelage ten belope van F 7 615, indexeerbaar, te vermeerderen met de BTW, per werknemer en per jaar; 14° de bijdragen betaald aan de representatieve organisaties van de diensten, ten belope van een maximaal bedrag van F 2 176, indexeerbaar per jaar en per voltijdse betrekking die in aanmerking komt voor de berekening van de provisionele toelagen van de dienst; 15° de kosten voor de voortgezette vorming van het personeel in Belgiė; de betoelaging voor vormingskosten in het buitenland hangt af van de toestemming van het bestuur. Het gedeelte van de toelage gewijd aan de vorming mag niet hoger zijn dan een bedrag dat overeenstemt met 20 % van de jaarlijkse toelage voor werkingskosten. De vormingskosten waardoor de toelage verantwoording krijgt, stemmen overeen ofwel met een specialisatievorming die verband houdt met de betrokken functie en haar niveau, met uitsluiting van de algemene studies, ofwel met deelnemingen aan colloquia, conferenties, congressen, seminaries en studiedagen; 16° de reiskosten van het personeel in dienstverband en voor opdrachten, in Belgiė, op basis van het tarief per kilometer van toepassing op het bestuurspersoneel. De betoelaging van de reiskosten naar het buitenland hangt af van de toestemming van het bestuur : deze toestemming kan gelden voor een jaar, kan principieel zijn en een geheel van uitgaven betreffen; 17° de kosten voor aankondigingen, reclame, documentatie, opvang van de jongeren en hun naasten; 18° de kosten gebonden aan het gebruik van de wagens, met inbegrip van de omnium-verzekering voor opdrachten en, zo nodig, de bijkosten voortvloeiend uit de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid voor de wagen indien er sprake is van beroepshalve gebruik; 19° de kosten voor ontruiming van de afval; 20° de kosten voor psychologisch en didactisch materieel; 21° de bankonkosten en de leningslasten die nodig zijn voor de goede werking van de dienst, in het kader van de toepassing van dit besluit; 22° de buitengewone kosten, in het kader van de opdrachten bedoeld bij de punten 10°, 11° en 13° voor zover het bestuur zijn akkoord heeft betuigd; 23° de dotatie voor de afschrijvingen op de vaste activa voor het meubilair, het materieel en andere uitrustingen. Het afschrijvingscijfer is vastgesteld op 20 % voor het vaste en rollend materieel alsook voor het meubilair en de bureaubenodigdheden. Het is vastgesteld op 33,33 % voor informatica-materiaal en software. De afschrijvingscijfers aangepast volgens het opvoedingsproject van de dienst kunnen bepaald worden in de besluiten die specifiek zijn voor de categorieėn van diensten; 24° de taksen en directe en indirecte belastingen gebonden aan de erkende activiteit van de dienst; 25° de interne factureringen in verband met de punten 11° en 13° voor het geheel van de diensten, alsook de factureringen in verband met punt 6°, alleen wanneer de inrichtende macht een overheidsmacht is, worden aanvaard in naleving van de hierna vermelde modaliteiten : a) voor de honoraria in verband met de administratieve en rekenplichtige opdrachten bedoeld bij 11°, ten belope van ten hoogste een jaarlijks indexeerbaar bedrag van : - F 164 000 tot 10 betrekkingen die overeenstemmen met voltijdse dagtaken toegekend volgens de bestandsnormen die in aanmerking komen voor de berekening van de provisionele toelagen; - F 177 390 tot 16 betrekkingen die overeenstemmen met voltijdse dagtaken toegekend volgens de voormelde bestandsnormen; - F 262 710 boven de 16 betrekkingen die overeenstemmen met voltijdse dagtaken toegekend volgens de voormelde bestandsnormen; b) voor de opdrachten bedoeld bij voormeld 13° : de in hetzelfde punt 13° bedoelde bepalingen zijn van toepassing zonder rekening te houden met de verhoging voor BTW; c) voor de administratieve kosten bedoeld bij 6°, alleen voor de diensten waarvan de inrichtende macht een overheidsmacht is, ten belope van maximum F 1 087 775, indexeerbaar per jaar en per administratieve betrekking of van bestuursdirecteur voorzien bij de bestandsnormen die van toepassing zijn op de dienst en die niet bezet is. Ingeval er een interne factuur wordt ingediend, moet de dienst er het bestuur van verwittigen vóór het betrokken jaar opdat de provisionele toelage in verband met de betrekking van administratief directeur zou toegekend worden, ofschoon de betrekking niet wordt bekleed. § 2. (Niet gepubliceerd). Art. 36. De Regering bepaalt het bedrag van de werkingstoelage rekening houdend met het opvoedingsproject. Dit bedrag wordt automatisch geļndexeerd in toepassing van artikel 41 van dit besluit. Deze toelage wordt toegekend aan de dienst ten belope van een twaalfde per maand. TITEL IV. - Algemene, bijzondere, opheffings- en slotbepalingen. HOOFDSTUK I. - Algemene en bijzondere bepalingen. Art. 37. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op het geheel van de erkende diensten, behoudens bijzondere bepalingen in de besluiten die specifiek zijn voor elke categorie van diensten. (Naast de opdrachten bepaald in deze specifieke besluiten kunnen de erkende diensten ook, na toestemming van de Minister, een onderzoeks-, expertise- en ontwikkelingsactie van de sector voeren met het oog op de verbetering van de praktijken ontwikkeld door de diensten die tot de toepassing van het decreet bijdragen.) <BFG 2004-06-17/44, art. 18, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> Art. 38. De bij artikel 3 van dit besluit bedoelde diensten houden gedurende 10 jaar de rekenplichtige bewijsstukken bij; in geval van rechtsvordering wordt de termijn verlengd tot de definitieve afhandeling van de rechtsvordering. De jaarrekeningen en de dossiers van het personeel moeten gedurende 30 jaar worden bijgehouden. Het individueel dossier van de jongere, bedoeld bij artikel 9 van dit besluit, mag ten vroegste 5 jaar na de meerderjarigheid van de jongere vernietigd worden, behoudens de verslagen over zijn evolutie en het einde van de tenlasteneming die desgevallend moeten doorgezonden worden naar de lastgevende autoriteit. Het medisch dossier van de jongere moet desgevallend teruggezonden worden naar de huisarts of naar de geconventioneerde arts van de andere dienst waardoor de jongere ten laste wordt genomen. Wat het administratief dossier betreft, en naar gelang van het geval : - worden de akkoorden, de formaliseringen voor de tenlasteneming en de mededelingen, alsook de attesten betreffende de filosofische of religieuze overtuigingen gedurende 3 jaar door de dienst bewaard en daarna onder zijn toedoen vernietigd; - worden de schoolrapporten terugbezorgd aan de jongere; - wordt de briefwisseling met de school en de familie door de dienst gedurende 3 jaar behouden of aan de jongere of de familie terugbezorgd; - wordt de controleerbare lijst van de uitzet gedurende 3 jaar door de dienst bewaard. Art. 39. Wat de indexeerbare bedragen betreft die niet gebruikt worden voor bezoldigingen of gelijkgestelde kosten, wordt de wet van 2 augustus 1971 toegepast houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01; de indexeringscoėfficiėnt 1,000 stemt overeen met de bedragen geļndexeerd op 1 januari 1990. Art. 40. Wat de bedragen betreft die voor bezoldigingen of gelijkgestelde kosten gebruikt worden, wordt de wet van 1 maart 1977 toegepast houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij de daarop volgende besluiten. Die bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01; de indexeringscoėfficiėnt 1,000 stemt overeen met de bedragen geļndexeerd op 1 januari 1990. HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen. Art. 41. Opgeheven worden : 1° het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 7 december 1987 betreffende de erkenning en de toekenning van toelagen aan de personen en diensten belast met begeleidingsmaatregelen voor de jeugdbescherming, voor de bepalingen die op de diensten toepasselijk zijn, met uitzondering van de bepalingen bedoeld in artikel 17 en in bijlage 1; 2° de artikelen 5 tot 9 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 12 november 1991 houdende bepaling van de werking van de Erkenningscommissie opgericht bij het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd; 3° het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 28 december 1990 tot vaststelling van de vergoedingen die worden toegekend aan de leden van de erkenningscommissie die advies moet uitbrengen inzake erkenning van de personen en diensten belast met begeleidingsmaatregelen voor de jeugdbescherming; 4° het besluit van 24 april 1995 van de Regering van de Franse Gemeenschap betreffende de erkenning van de diensten voor Hulpverlening in open milieu en de toekenning van toelagen aan deze diensten; 5° het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 mei 1995 betreffende de erkenning en de subsidiėring van de diensten " Espaces-Rencontres ". HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen. Art. 42. Voor de toepassing van de artikelen 31, § 1, 5° en 34, § 2 worden beschouwd als beschikkend over de kwalificatie vereist in bijlage 3 van dit besluit, de personeelsleden die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, effectief de betrekking bekleedden waarvoor de kwalificatie vereist is, overeenkomstig de vorige verordeningsbepalingen. Art. 43. § 1. Wanneer een ambt in aanmerking genomen voor de berekening van de vaste toelage voor personeelskosten in de vorige verordeningsbepalingen en in overeenkomsten bedoelde bepalingen, niet meer voorzien wordt door dit besluit of door de besluiten die specifiek zijn voor de categorieėn van diensten, wordt aan het personeelslid dat deze betrekking bekleedt het behoud verzekerd van de weddeschaal die eraan verbonden is tot het einde van zijn activiteiten in de dienst. De voormelde weddeschaal komt in aanmerking voor de vaststelling van de provisionele en definitieve toelagen van de dienst. § 2. Aan de personeelsleden die na de inwerkingtreding van dit besluit de gelijkstelling vragen met een leidende functie op basis van de punten 2, 3 en 4 van bijlage 5, E van het besluit van 7 december 1987 en die tewerkgesteld zijn in een erkende verblijfsdienst van ten minste 60 bedden op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit : 1° wordt de weddeschaal B toegekend die verbonden is aan de functie van pedagogische verantwoordelijke of van verantwoordelijke voor de algemene coördinatie, voor zover de kwalificatie van dit personeel voldoende wordt geacht krachtens de bepalingen bedoeld bij respectievelijk de punten 2 en 4 van bijlage 5, E van het besluit van 7 december 1987; 2° wordt de weddeschaal B toegekend die verbonden is aan de functie van administratief verantwoordelijke op voorwaarde dat zij de kwalificatie opdoen vereist door de bepalingen bedoeld bij punt 2 van bijlage 5, E van het besluit van 7 december 1987. § 3. De bezoldigingen die worden toegekend aan de opvoeders-groefschefs, die als personeelslid dat ambt op 1 januari 1987 uitoefenden, kunnen in aanmerking worden genomen tot het vertrek van deze. Art. 44. Het bij artikel 31, § 2, lid 1 bedoeld percentage wordt als volgt op een minimale basis vastgesteld op : - 54 % voor de diensten voor hulpverlening in open milieu, de dagcentra en de diensten voor hulpverlening en educatief optreden; - 48,84 % voor de diensten voor vervangende voogdij; - 49,55 % voor de diensten voor plaatsing in gezinnen; - 53,42 % voor de diensten voor dringende plaatsing in gezinnen op korte termijn; - 52,23 % voor de centra voor opvoedkundige voorlichting en de diensten voor opvoedkundige of filantropische prestaties; - 61,06 % voor de andere dan de voormelde categorieėn van diensten. Art. 44bis. <Ingevoegd bij BFG 2000-06-15/37, art. 1; Inwerkingtreding : 01-06-1999> De dossiers ingediend door diensten ten gevolge van een verandering van directie, vestiging of benaming of ten gevolge van een onderbreking van de activiteiten en waarover de commissie het of de vereiste advies(-zen) heeft uitgebracht voor 1 juni 1999, worden behandeld, tot hun einde, op basis, naargelang het geval, van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 7 december 1987 betreffende de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de personen en diensten belast met begeleidingsmaatregelen voor de jeugdbescherming of van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap betreffende de erkenning van de diensten voor Hulpverlening in open milieu ("Aide en milieu ouvert - AMO") en de toekenning van toelagen aan deze diensten. Art. 44ter. <Ingevoegd bij BFG 2002-10-16/35, art. 1; Inwerkingtreding : 01-06-1999> De diensten die een aanvraag tot erkenning moeten indienen krachtens de overgangsbepalingen van een van de specifieke besluiten mogen in hun pedagogisch project in een bepaald aantal situaties voorzien waarvan sprake in artikel 4, § 1, evenredig met het bestand zoals het zou moeten gesubsidieerd zijn in verhouding met de normen van elk specifiek besluit van 15 maart 1999. De evenredigheid wordt berekend op basis van het aantal betrekkingen in de dienst in toepassing van het besluit van 7 december 1987. Art. 44quater. <ingevoegd bij BFG 2004-06-17/44, art. 19; Inwerkingtreding : 15-09-2004>In afwijking van artikel 31, § 1 van dit besluit zal de eerste driejarige ambtsperiode van de diensten die vóór 1 juni 1999 op basis van het besluit van 7 december 1987 erkend waren en die na 31 december 2003 op basis van dit besluit zullen worden erkend, op 30 november 2003 beginnen en op 31 december 2006 eindigen Art. 44quinquies. [1 Voor de toepassing van artikel 7, § 6, wordt in 2009 als nieuw personeelslid de persoon beschouwd die aangeworven wordt binnen een arbeidsovereenkomst gesloten na 1 januari 2008.]1 ---------- (1)<Ingevoegd bij BFG 2009-04-23/37, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2009> HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen. Art. 45. De Minister tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd behoort, is belast met de toepassing van dit besluit. Art. 46. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Brussel, 15 maart 1999. Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap : De Minister-Voorzitster, belast met het Onderwijs, de Audiovisuele Sector, de Hulpverlening aan de Jeugd, het Kinderwelzijn en de Gezondheidspromotie, Mevr. L. ONKELINX BIJLAGEN. Art. N1. Bijlage 1. Normen in aanmerking genomen voor de vaststelling van de definitieve toelage voor personeelskosten, overeenkomstig de artikelen 31, § 2 en 34, § 2 van dit besluit. A. De aanwending van de provisionele toelage wordt verantwoord door : 1° de uitbetaling van de bezoldigingen, met inbegrip van de geldelijke anciėnniteit berekend op basis van de bepalingen vermeld in bijlage 2, A van dit besluit, berekend volgens de weddeschalen vermeld in bijlage 4 van dit besluit, op voorwaarde dat de toepassing van die weddeschalen voorzien is door de bijzondere bepalingen, inzonderheid inzake personeelsbestand en -kwalificatie, vastgesteld door de Regering in de besluiten die specifiek zijn voor de verschillende categorieėn van diensten; 2° de betaling van de wettelijke patronale lasten voortvloeiend uit de bezoldigingen, zoals voorzien in de privé-sector of, zo nodig onder voorbehoud van de toestemming van de Minister, zoals voorzien in het overheidsstatuut van de dienst; 3° de toekenning van bijkomende voordelen, waaronder sommige toegekend inzonderheid krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten van de Paritaire Commissie voor tehuizen voor opvoeding en huisvesting, te weten de volgende lasten : a) een eindejaarstoelage berekend op basis van de bepalingen die een dergelijke toelage toekennen aan de ambtenaren van de overheidsdienst van de Regering van de Franse Gemeenschap; b) en jaarlijkse bijzondere indexeerbare toelage van F 20 000 per jaar, toegekend evenredig aan de wekelijks gepresteerde uurrooster en maandelijks in twaalfden uitbetaald; er wordt geen rekening gehouden met deze toelage voor de berekening van de eindejaarstoelage waarvan sprake in punt a); c) een supplement van 50 % van de uurbezoldiging, voor een maximum van 16 uren, op zondag gepresteerd per werknemer die deel uitmaakt van het opvoedend, verzorgend, maatschappelijk en onderhoudspersoneel; d) de dagelijkse uitgaven gedaan door de personeelsleden ten belope van een niet indexeerbaar maximumbedrag van 500 F, en ten belope van maximaal 30 dagen per jaar per personeelslid wanneer zij de jongeren vergezellen tijden vakanties ingericht door de dienst. De dagelijkse uitgave wordt betoelaagd voor zover het personeelslid 24 uren per dag aanwezig is op de plaats van het verlof; de eerste en de laatste verlofdag tellen elk voor een volledige dag; e) een verlofdag op 27 september van elk jaar voor het feest van de Franse Gemeenschap. Een supplement van 4 verlofdagen voor de personeelsleden die 6 maanden anciėnniteit in de dienst tellen; deze tweede maatregel is evenredig van toepassing op de werknemers met deeltijdse arbeid; f) de terugbetaling van de reiskosten tussen de woning en de werkplaats, volgens de modaliteiten bepaald in de daarbij behorende collectieve overeenkomsten; 4° de betaling van de lasten voor vooropzeg, al dan niet gepresteerd, ten belope van de minimale duur van vooropzeg voorzien bij de sociale wetgeving : a) wanneer de voormelde minimale duur bij vonnis van de arbeidsrechtbank verlengd wordt, ten gevolge van een beroepsinstelling door het personeelslid, beslist de Minister of de bijkomende lasten beslist door de arbeidsrechtbank geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen om de provisionele toelage te verantwoorden. Wanneer de vooropzeg betekend wordt omwille van definitieve stopzetting van de activiteiten van de dienst, moet hij gepresteerd worden tot het einde van de activiteiten van de dienst; b) ingeval de erkenning wordt ingetrokken, wordt de definitieve toelage aangepast om de betaling te dekken van het minimaal gedeelte van de wettelijke vooropzeggingen die door de dienst worden gedragen op het einde van de erkenning, op voorwaarde dat het gebruik conform de definitieve toelage wordt gewaarborgd en desgevallend na aftrek van de te veel ontvangen bedragen voor toelagen. Ingeval er wordt vastgesteld dat de toelage niet conform wordt aangewend, wordt zij in vermindering gebracht van de eigen middelen waarover de inrichtende macht beschikt; 5° desgevallend de betaling van de administratieve en boekhoudkundige prestaties bedoeld bij de §§ 10°, 11°, 13°, 22° en 25° van artikel 35, § 1 van dit besluit, binnen de perken bepaald bij ditzelfde artikel; 6° de betaling van de vergoeding voor brugpensioen, voor zover : a) de wettelijke bepalingen inzake brugpensioen nageleefd worden; b) de kosten voor de vergoeding ten laste van de werkgever en de kosten voor de financiėle last met betrekking tot het personeel dat de persoon met brugpensioen vervangt, de financiėle last met betrekking tot de persoon met brugpensioen niet overschrijden, in het geval dat laatstvernoemde aan het werk zou gebleven zijn; de voormelde voorwaarde is niet vereist voor het werkliedenpersoneel, doch de bijkosten worden niet in acht genomen bij de berekening van de aanpassing bedoeld bij artikel 32 van dit besluit; c) de werkgever de aanvraag op voorhand bij het bestuur indient met, ter staving van die aanvraag, afschrift van al de documenten die erbij behoren alsook de financiėle programmatie voor heel de periode van het brugpensioen; 7° de betaling van de uitgaven voor wetsverzekering, de verlofvergoedingen voor het werkliedenpersoneel, het enkel en dubbel vakantiegeld van de bedienden voor het jaar dat het jaar voorafgaat waarin de definitieve toelage werd vastgesteld; in het geval dat de dienst zijn activiteiten stopzet, zijn de voormelde uitgaven de sluitingslasten die in acht genomen worden om te worden gesubsidieerd boven de definitieve toelage van het sluitingsjaar. Voor de berekening van de definitieve toelage van het sluitingsjaar worden de voormelde uitgaven in verband met het sluitingsjaar in aanmerking genomen; 8° zo nodig, de inaanmerkingneming van het aandeel of van het gedeelte van de bezoldigingen en lasten die niet door andere publiekrechtelijke rechtspersonen worden gefinancierd; 9° de toekenning van bijkomende voordelen voorzien in het openbaar statuut van de dienst, onder voorbehoud van het akkoord van de Minister. B. De aanwending van de provisionele toelage is niet verantwoord door : 1° de bezoldigingen, lasten en bijkomende voordelen betaald aan de personeelsleden die de kwalificatie niet bezitten bepaald in de bijlage 3 van dit besluit; 2° het gedeelte van de bezoldigingen en lasten, de periode van vooropzeg inbegrepen, dat de bedragen overschrijdt die ten laste worden genomen door de publiekrechtelijke rechtspersonen voor een volledige dagtaak, met uitzondering van de wetenschappelijke activiteiten voor zover de Minister zijn toestemming heeft betuigd, en met uitzondering van de prestaties in het onderwijs voor sociale promotie georganiseerd ten voordele van de personeelsleden van de diensten bedoeld bij dit besluit. Als overgangsmaatregel worden de cumulaties ten laste van de overheidsmachten die vóór 1 augustus 1975 bestonden, tot aan hun normaal einde toegelaten; 3° de bezoldigingen en lasten in hun geheel of gedeeltelijk gebonden aan de overschrijding van een voltijdse prestatie ten gevolge van de cumulaties met prestaties buiten de dienst, die het personeelslid in de onmogelijkheid stellen te voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, § 3 van dit besluit; 4° de uitbetaling aan de personeelsleden van voordelen die zich komen voegen bij deze die voorzien zijn in punt A, 3° van deze bijlage; in dit geval, moet de dienst bewijzen over eigen middelen te beschikken, voor een bedrag dat gelijk is met deze niet voorziene voordelen; 5° de bezoldigingen, lasten en bijkomende voordelen, betaald aan de personeelsleden die niet beantwoorden aan de voorwaarde bepaald bij artikel 7, § 4 van dit besluit. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de algemene voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de diensten bedoeld bij artikel 43 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd. Brussel, 15 maart 1999. Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap : De Minister-Voorzitster, belast met het Onderwijs, de Audiovisuele Sector, de Hulpverlening aan de Jeugd, het Kinderwelzijn en de Gezondheidspromotie, Mevr. L. ONKELINX Art. N2. Bijlage 2. Normen voor de bepaling van de geldelijke anciėnniteit, overeenkomstig artikel 31, § 1, 5° van dit besluit. (A. Normen voor de berekening van de geldelijke anciėnniteit die de aanwending van de provisionele toelage voor personeelskosten kunnen verantwoorden. 1. a) De anciėnniteit stemt overeen met de vorige werkelijke prestaties, alsook met deze die krachtens de sociale wetgeving kunnen gelijkgesteld worden met effectieve prestaties; deze prestaties worden in aanmerking genomen vanaf de leeftijd van de ranginneming die na de betrekking in bijlage 4 van dit besluit vermeld staat; (Nochtans is het aantal betaalde prestaties dat in aanmerking komt voor de berekening van de anciėnniteit van de werknemer die een maatregel met betrekking tot de indeling van het einde van de loopbaan geniet, het aantal dat hij genot voordat hij zijn prestatie tot een halftijdse betrekking vermindert. Het aantal betaalde prestaties van de werknemer, aangeworven ter vervanging van de werknemer die zijn voltijdse prestaties tot halftijdse prestaties vermindert in het kader van deze bepaling wordt niet in aanmerking genomen. De maandelijkse bijdrage gestort op de rekening van het Sociaal Fonds "Old Timer" met toepassing van de collectieve overeenkomst van 6 januari 2004, in de termen waar ze gesloten werd binnen de Paritaire Commissie 319.02 tot invoering van de bepalingen betreffende de indeling van het einde van de loopbaan, genoemd "Plan Tandem", wordt beschouwd als in aanmerking komende last. Voor de openbare sector moet deze bepaling vooraf erkend worden door de Regering van de Franse Gemeenschap waarbij voordelen en waarborgen worden aangeboden die gelijk zijn aan deze bepaald in de bovenvermelde collectieve overeenkomst.) <BFG 2004-06-17/44, art. 20, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> b) Er wordt een maand geldelijke anciėnniteit gerekend per volledige maand prestaties, onafhankelijk van het gepresteerde uurrooster; c) De periodes van tijdkrediet worden, ten belope van maximaal een voltijds equivalent, gelijkgesteld met een effectieve arbeidsperiode voor de berekening van de betoelaagbare geldelijke anciėnniteit; d) De periodes van verlof zonder wedde zijn, ten belope van maximaal vijftien dagen per jaar, gelijkgesteld met een effectieve arbeidsperiode voor de berekening van de betoelaagbare geldelijke anciėnniteit. 2. De kalendermaanden die niet volledig gedekt zijn door een of meer arbeidsovereenkomsten komen niet in aanmerking. 3. Worden als prestaties met volledige dagtaak beschouwd : a) de prestaties geleverd in een uurstelsel van ten minste 38 uur/week in de gesubsidieerde diensten op basis van dit besluit; onverminderd de toepassing van collectieve overeenkomsten in onderneming om een oplossing te vinden voor bijzondere gevallen en voor zover de Minister zich daarmee akkoord heeft verklaard; b) de prestaties geleverd in het onderwijs, in een uurstelsel dat als volledige dagtaak wordt beschouwd volgens de bepalingen toegepast in deze sector; c) de prestaties in een uurstelsel dat als volledige dagtaak door de collectieve arbeidsovereenkomsten wordt beschouwd die van toepassing zijn in de sectoren waar deze prestaties worden geleverd. 4. Voor het directiepersoneel komen de vorige prestaties in andere ambten dan leidingfuncties slechts in aanmerking ten belope van 75 % en vanaf 24 of 21 jaar naargelang van de beklede leidingfunctie; deze vermindering is evenwel niet van toepassing : a) op de titularissen van de universitaire licentiaten vermeld in 2° van bijlage 3, B van dit besluit; b) wanneer zij een vermindering van de bezoldiging tot gevolg heeft ingeval van bevordering tot de leidingfunctie; in dat geval is er behoud van de bezoldiging gebonden aan de vorige functie, onverminderd haar indexering, totdat de bezoldiging, die normaal van toepassing is voor de leidingfunctie, de bezoldiging overschrijdt die gebonden is aan de vorige betrekking. 5. De volgende documenten zijn vereist om te bewijzen dat de aangehaalde prestaties werkelijk werden geleverd : a) het attest van de werkgever waarin het beklede ambt, de juiste periode van de prestaties en de gepresteerde weekuurrooster worden vermeld; b) het attest betreffende de stortingen bij een pensioenkast of een instelling voor maatschappelijke zekerheid; c) elk ander bewijsstuk dat eventueel door het bestuur wordt vereist.) <BFG 2003-09-09/34, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 20-10-2003> B. Bijzondere normen van toepassing voor de berekening van de geldelijke anciėnniteit erkend in de sector voor hulpverlening aan de jeugd en in aanmerking genomen voor de berekening van de provisionele toelage voor personeelskosten. Voor de berekening van die anciėnniteit wordt er rekening gehouden met de bepalingen bedoeld bij punt A van deze bijlage, met evenwel de volgende beperkingen : 1° worden in aanmerking genomen de voltijdse of deeltijdse prestaties die werden geleverd in een betrekking bekleed in de gesubsidieerde dienst, alsook de vorige prestaties die werden geleverd : a) bij een of meer diensten vooral erkend of gesubsidieerd op basis van de toepassingsbesluiten van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, alsook bij de officiėle diensten voor jeugdbescherming en hulpverlening aan de jeugd, bij de diensten van de Jeugdrechtbanken en de Comités voor de jeugdbescherming; b) bij een of meer instellingen erkend voor de opvang van gehandicapte minderjarigen die geplaatst zijn ten laste van de bevoegde federale, communautaire of gewestelijke instellingen; c) bij een dienst erkend door een andere overheidsmacht in het kader van activiteiten die vooral op de kinderen gericht zijn; 2° de personeelsleden die in de voormelde sectoren bedoeld bij 1° a) en b) vóór 1 januari 1984 prestaties hebben geleverd, behouden, voor de prestaties die deze datum voorafgaan, desgevallend de anciėnniteit verworven op de datum van hun uittreden uit deze sectoren vóór 1 januari 1984, of de anciėnniteit verworven op 1 januari 1984 indien men de prestaties is blijven leveren na deze datum. Die verworven anciėnniteit wordt berekend op de volgende grondslag; de diensten die in aanmerking komen voor de berekening van de anciėnniteit zijn : - voor het ambt van opvoeder : alle vorige prestaties als opvoeder, psycholoog, maatschappelijk assistent, leerkracht, studiemeester; - voor de ambten van maatschappelijk assistent, psycholoog, verpleger, administratief en onderhoudspersoneel : alle vorige prestaties in hetzelfde ambt; - voor de leidingsfunctie : alle hierboven vermelde vorige prestaties, alsook de leidingsprestaties in de pedagogische, sociale en paramedische sectoren; 3° de anciėnniteit wordt in haar geheel behouden, onverminderd de toepassing van de leeftijd van de ranginneming in de nieuwe betrekking, voor ieder personeelslid in geval van bevordering tot een andere graad, de verandering van ambt of van dienst, behoudens de leidingsfunctie; 4° voor zover dezelfde prestaties bij dezelfde werkgever hervat worden op het einde van de leger- of burgerdienst, wordt deze gelijkgesteld met effectieve prestaties ten belope van ten hoogste twaalf maanden; 5° de bij 3° bedoelde bepalingen zijn niet van toepassing op het onderhoudspersoneel dat tewerkgesteld was vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en dat niet meer in de normen in rekening werd genomen. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de algemene voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de diensten bedoeld bij artikel 43 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd. Brussel, 15 maart 1999. Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap : De Minister-Voorzitster, belast met het Onderwijs, de Audiovisuele Sector, de Hulpverlening aan de Jeugd, het Kinderwelzijn en de Gezondheidspromotie, Mevr. L. ONKELINX Art. N3.Bijlage 3. Kwalificatievoorwaarden bedoeld bij artikel 31, § 1, 4° waardoor de provisionele toelage verantwoord is. A. Opvoedend personeel. 1° Hoofdopvoeder : - titularis zijn van ten minste een diploma of een schoolgetuigschrift van het niveau van hoger pedagogisch, paramedisch of sociaal onderwijs, met uitzondering van het diploma van bibliothecaris-documentalist, ten minste van het korte type, met volledig leerplan of voor sociale promotie. 2° Opvoeder 1e klasse : - dezelfde kwalificatievoorwaarden als voor de hoofdopvoeder; - wordt gelijkgesteld met deze kwalificatie, de opvoeder 2e klasse 2A of 2B die tewerkgesteld was op 1 september 1966, op voorwaarde op 21 december 1974 respectievelijk tien en vijftien jaar dienst als opvoeder te tellen. 3° Opvoeder 2e klasse : - de opvoeders 2e klasse die beantwoorden aan de voorwaarden vereist om toegang te hebben tot de klasse 2A en die op 7 december 1976 in dienst waren, mogen de bezoldiging blijven genieten die vroeger bepaald was voor klasse 2 wanneer het bedrag ervan voordeliger blijkt dan dat gebonden aan de weddeschaal van klasse 2A. 4° Opvoeder klasse 2A : - een diploma of schoolgetuigschrift van het hoger secundair onderwijs met sociale, educatieve of paramedische oriėntering, met volledig leerplan of voor sociale promotie; - of een brevet van verpleger of verpleegassistent; - of een brevet van kinderverzorgster, voor zover het personeelslid houder van dit brevet zich bezig houdt met kinderen van 0 tot 6 jaar. 5° Opvoeder klasse 2B : - een diploma of schoolgetuigschrift van het hoger secundair onderwijs of gelijkgesteld; - wordt gelijkgesteld met deze kwalificatie de opvoeder 3e klasse die tewerkgesteld was op 1 september 1966, op voorwaarde op 21 december 1974 vijf jaar dienst als opvoeder te tellen. 6° Opvoeder 3e klasse : - het getuigschrift van lager secundair onderwijs; - wordt gelijkgesteld met deze kwalificatie het personeel dat op 21 december 1974 drie jaar dienst als opvoeder telde, alsook het opvoedend personeel dat op 15 september 1975 in dienst was en dat op die datum houder was van een getuigschrift of een brevet van het lager beroepsonderwijs. B. Psycho-social personeel. 1° Assistent of maatschappelijk assistent, assistent in de psychologie. 2° Licenciaat in de sector menselijke en sociale wetenschappen, zoals bedoeld in punt 1 van artikel 3, § 1 van het decreet van 5 september 1994 van de Franse Gemeenschap houdende regeling van de universitaire studies en de academische graden, inzonderheid de licenties in de rechten, criminologie, psychologie, opvoedingswetenschappen en sociale wetenschappen of licentiaat in de specialiteit bepaald door de Minister, in de gevallen waarin deze mogelijkheid voorzien is bij een specifiek besluit dat verband houdt met het type van pedagogisch project of met de betrokken categorie van de diensten. C. Administratief personeel. 1° klerk : - getuigschrift van het lager secundair onderwijs; - wordt gelijkgesteld met deze kwalificatie, vanaf 1 januari 1974, het administratief personeel dat vóór 1 juli 1973 tewerkgesteld was. 2° Opsteller : - getuigschrift van het hoger secundair onderwijs; - wordt gelijkgesteld met deze kwalificatie, het administratief personeel dat op 1 januari 1974 tewerkgesteld was bij een dienst erkend op basis van het besluit van 7 december 1987, dat op deze datum ten minste 20 jaar arbeid met volledige dagtaak in een dienst telde zoals bedoeld bij artikel 3, 2° en 3° van voormeld besluit van 7 december 1987 en dat een attest kan voorleggen betreffende een vorming inzake sociale wetgeving en beheer. 3° Huismeester : - dezelfde voorwaarden als deze bedoeld bij 2° voor de opsteller. [1 4° Gegradueerd huismeester : - een diploma gegradueerde of bachelor in de boekhouding, het beheer of het huismeesterambt, of een ander bekwaamheidsbewijs gelijkgesteld door beslissing van de Minister tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd behoort; - wordt gelijkgesteld met deze kwalificatie, het personeelslid dat op 1 januari 2007 meer dan vijf verworven jaar anciėnniteit telt, wat ook de wekelijkse uurregeling zij, in het ambt huismeester zoals bedoeld bij het 3° en dit, in een dienst erkend op basis van dit besluit of in een erkende opleidings- en vervolmakingsdienst bedoeld bij artikel 54 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd; - wordt gelijkgesteld met deze kwalificatie tot 31 december 2012 ten laatste, het personeelslid : (1) - dat, op 1 januari 2007, maximum vijf verworven jaar anciėnniteit telt, wat ook het gepresteerde wekelijkse uurrooster, in het ambt huismeester zoals bij het 3° en dit, in een dienst erkend op basis van dit besluit of in een erkende opleidings- en vervolmakingsdienst bedoeld bij artikel 54 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd; (2) - en dat voldoet aan de diplomavoorwaarde om het ambt gegradueerd huismeester te bekleden tegen 31 december 2012. Indien het personeelslid aan deze diplomavoorwaarde niet voldoet om het ambt gegradueerd huismeester te bekleden voor 31 december 2012, wordt het bedrag van de subsidie voor dit personeelslid berekend, vanaf 1 januari 2013, overeenkomstig bijlage 4, C, 3°.]1 D. Technisch personeel. Geen enkele kwalificatievoorwaarde. E. Directiepersoneel. 1° a) Directeur, pedagogisch directeur : - een diploma of eindgetuigschrift van het hoger pedagogisch (, paramedisch) en sociaal onderwijs, behoudens het diploma van bibliothecaris-documentalist, van ten minste het korte type, met volledig leerplan of voor sociale promotie, alsook drie jaar educatieve functies; <BFG 2004-06-17/44, art. 21, 006; Inwerkingtreding : 15-09-2004> - of een licentie in de sector van de menselijke en sociale wetenschappen, zoals bedoeld in punt 1 van artikel 3, § 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 houdende regeling van de universitaire studies en de academische graden, inzonderheid met een pedagogische, sociale of gezondheidsoriėntering, alsook drie jaar educatieve functies. b) Bestuursdirecteur : - een licentie handelswetenschappen of toegepaste economische wetenschappen. 2° Coördinator : - dezelfde kwalificatievoorwaarden als de hoofdopvoeder. 3° Directeur-generaal : - een diploma of eindgetuigschrift van het hoger pedagogisch, paramedisch of sociaal onderwijs, behoudens het diploma van bibliothecaris-documentalist, van ten minste het korte type, met volledig leerplan of voor sociale promotie; - of een licentie in de sector van de menselijke en sociale wetenschappen, zoals bedoeld in punt 1 van artikel 3, § 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 houdende regeling van de universitaire studies en de academische graden, inzonderheid met een pedagogische, sociale of gezondheidsoriėntering; - of een licentie toegepaste economische wetenschappen, handelswetenschappen of arbeidswetenschappen; - en een ervaring van zes jaar opvoedende functies of inzake beheer. F. Medisch en paramedisch personeel. 1° Doctor in de geneeskunde. 2° Doctor in de gespecialiseerde geneeskunde. 3° Gebrevetteerd verpleger. 4° Gegradueerd verpleger. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de algemene voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de diensten bedoeld bij artikel 43 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd. Brussel, 15 maart 1999. Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap : De Minister-Voorzitster, belast met het Onderwijs, de Audiovisuele Sector, de Hulpverlening aan de Jeugd, het Kinderwelzijn en de Gezondheidspromotie, Mevr. L. ONKELINX ---------- (1)<BFG 2007-04-20/53, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Art. N4.BIJLAGE 4.[1 Weddeschalen in euro bedoeld in artikel 31, § 1, 5° van dit besluit ter verantwoording van het gebruik van de provisionele toelage : jaarlijkse bedragen in functie van het jaar van anciėnniteit A. Opvoedend personeel 1° Hoofdopvoeder (21 jaar) : 19.001,06 - 29.250,72
2° Opvoeder klasse 1 (20 jaar) : 16.227,35 -27.829,47
3° Opvoeder klasse 2 (20 jaar) : 14.957,83 - 23.735,82
4° Opvoeder klasse 2A (20 jaar) : 14.957,83 - 23.735,83
5° Opvoeder klasse 2B (20 jaar) : 14.149,30 - 19.953,83
6° Opvoeder klasse 3 (18 jaar) : 13.397,99 - 18.981,85
7° Opvoeder - groepschef (21 jaar) : 20.558,36 - 29.747,20
B. Psycho-sociaal personeel 1° Maatschappelijk assistent of maatschappelijk hulpverlener of assistent in de psychologie (23 jaar) : 16.404,58 - 28.669,51
2° Licentiaten (24 jaar) zoals bedoeld in punt 2° van de bijlage 3 B van dit besluit : 21.970,64 - 33.987,35
C. Administratief personeel 1° Klerk (18 jaar) : 13.397,99 - 18.827,29
2° Opsteller (20 jaar) : 13.654,00 - 22.906,40
3° Huismeester (20 jaar) : 15.594,60 - 25.167,42
4° Gegradueerd huismeester (20 jaar) : 16.227,35 - 27.829,47
D. Technisch personeel (18 jaar) : 13.122,58 - 18.027,62
E. Bestuurspersoneel 1° Directeur, pedagogisch directeur, administratief directeur (24 jaar) : Weddeschaal A : 21.970,64 - 33.987,35
Weddeschaal B slechts van toepassing in de gevallen bepaald door de Regering : 23.799,05 - 36.145,34
2° Coördinator (21 jaar) : Weddeschaal A : 20.558,36 - 29.747,20
Weddeschaal B slechts van toepassing in de gevallen bepaald door de Regering : 20.728,51 - 29.917,36
3° Directeur-generaal (24 jaar) slechts in de gevallen bepaald door de Regering : Weddeschaal A : 23.779,05 - 36.145,34
Weddeschaal B van toepassing na 6 jaar anciėnniteit in een ambt van directeur binnen een erkende dienst : 27.799,84 - 41.942,77
F. Medisch personeel 1° Doctor in geneeskunde (24 jaar) : 25.785,89 - 38.663,08
2° Doctor in de gespecialiseerde geneeskunde (24 jaar) : 34.310,85 - 49.117,92
3° Gediplomeerd verpleger (21 jaar) : 15.149,23 - 24.848,88
4° Gegradueerd verpleger (23 jaar) : 16.404,58 - 28.669,51
G. Minimum gewaarborgde jaarlijkse bezoldiging vanaf 21 jaar : 12.736,27.]1 ---------- (1)<BFG 2012-10-18/20, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2012> |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Aanhef | Tekst | Inhoudstafel | Begin |
|---|---|---|---|
|
De Regering
van de Franse Gemeenschap, Gelet op de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, gewijzigd bij de wet van 2 februari 1994; Gelet op het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd; Gelet op de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 betreffende de rijkscomptabiliteit; Gelet op het advies van de Gemeenschapsraad voor hulpverlening aan de jeugd, gegeven op 13 juli 1998; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiėn, gegeven op 30 juni 1998; Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 22 december 1998; Gelet op de beraadslaging van de Regering van 4 januari 1999 over de aanvraag om advies aan de Raad van State, dat binnen een termijn van minder dan een maand moest worden uitgebracht; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 26 februari 1999, met toepassing van artikel 84, lid 1, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Minister-Voorzitster, tot wier bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd behoort; Gelet op de beraadslaging van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999, Besluit : |
|||
| Wijziging(en) | Tekst | Inhoudstafel | Begin | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| BEELD (GEWIJZIGD ART. : N4) BEELD | (GEWIJZIGD ART. : N4) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7; 30; 44quinquies) BEELD | (GEWIJZIGD ART. : 13) BEELD | (GEWIJZIGD ART. : N4) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : N3; N4) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : 32; 34) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : 34; N4) BEELD | (GEWIJZIGD ART. : N4) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 5; 6; 8; 9; 10; 11; 15; 17; 18) (GEWIJZIGDE ART. : 20; 22; 25; 27; 29; 34; 37; N2; N3) BEELD | (GEWIJZIGDE ART. : 31; 32; 34; N2) BEELD | (GEWIJZIGD ART. : N4) BEELD | (GEWIJZIGD ART. : 44TER) BEELD | (GEWIJZIGD ART. : N4) BEELD | (GEWIJZIGD ART. : 15) BEELD |
(GEWIJZIGD ART. : 44BIS) | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Begin | Eerste woord | Laatste woord | Wijziging(en) | Aanhef | |
| Inhoudstafel | 53 uitvoeringbesluiten | 14 gearchiveerde versies | |||
| Franstalige versie |