J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 6 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1999/01/21/1999031058/justel

Titel
21 JANUARI 1999. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor benzinestations.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-03-1999 en tekstbijwerking tot 10-07-2015)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 24-03-1999 nummer :   1999031058 bladzijde : 9421   BEELD
Dossiernummer : 1999-01-21/50
Inwerkingtreding : 03-04-1999

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Technische voorwaarden verbonden aan de installaties en hun beheer.
Sectie 1. - Algemene bepalingen.
Art. 3-4
Sectie 2. - Houders ingegraven in de grond of in een opvangbak ingegraven in de grond.
Art. 5-6
Sectie 3. - Bovengrondse opslaginstallaties.
Art. 7
Sectie 4. - Houders die zich in een toegankelijke ruimte bevinden.
Art. 8
Sectie 5. - Houders met verdubbelde wand.
Art. 9
Sectie 6. - Leidingen.
Art. 10-11
Sectie 7. - Bescherming tegen corrosie en elektrische installatie.
Art. 12-13
Sectie 8. - Vullen van de houders.
Art. 14
Sectie 9. - Bevoorrading van voertuigen.
Art. 15
HOOFDSTUK III. - Veiligheid van de installaties.
Art. 16
HOOFDSTUK IV. - [1 Benzinedampterugwinning]1
Art. 17, 17bis, 17ter, 17quater
HOOFDSTUK V. - Bescherming van de bodem en het grondwater.
Sectie 1. - Preventiemechanismen.
Art. 18-20
Sectie 2. - Prospectief onderzoek.
Art. 21-30
Sectie 3. - Nader onderzoek.
Art. 31-50
Sectie 4. - Risico-onderzoek.
Art. 51-59
Sectie 5. - Saneringsonderzoek.
Art. 60-66
HOOFDSTUK VI. - Administratieve bepalingen.
Art. 67-75
BIJLAGEN.
Art. N1-N6

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities.

  Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op benzinestations en hun installaties voor de opslag van brandstof, met uitzondering van deze bestemd voor vloeibaar petroleumgas (LPG).

  Art. 2.1° Opslaginstallatie : alle houders en vaste uitrustingen die gebruikt worden voor het opslaan en verdelen van brandstoffen.
  2° Benzinestation : elke installatie waar brandstof vanuit opslaginstallaties in de tanks van motorvoertuigen met interne verbranding overgebracht wordt. De benzinestations kunnen opengesteld zijn voor het publiek of niet.
  3° Ondoordringbaar : met een dynamische permeabiliteitscoëfficiënt ten opzichte van koolwaterstoffen van minder dan 2.10-9 cm.s-1, of een totale statische waterabsorptie-coëfficiënt (NBN B15-215) van minder dan 7,5 %. Deze waarden dienen door een erkend studiebureau bevestigd te worden.
  4° Brandstof : ontvlambare vloeistof bestemd voor de bevoorrading van motorvoertuigen met interne verbranding en waarvan het vlampunt, vastgesteld in een gesloten testvat conform de normen NBN 52017 of 52075, niet meer dan 100 °C bedraagt.
  5° Benzine : elk petroleumderivaat, met of zonder additieven, met een volgens de Reidmethode bepaalde dampdruk van 27,6 kilopascal of meer, bestemd om gebruikt te worden als brandstof voor motorvoertuigen, met uitzondering van vloeibaar petroleumgas (LPG).
  6° [2 fase II-benzinedampterugwinningssysteem : apparatuur die bedoeld is om benzinedamp die uit de brandstoftank van een motorvoertuig ontsnapt tijdens het tanken in een benzinestation, terug te winnen en waarmee die benzinedamp naar een opslagtank bij het benzinestation wordt gevoerd of terug naar de benzinepomp om te worden verkocht;]2
  7°[2 benzinedampafvangrendement : de hoeveelheid benzinedamp die door het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem, uitgedrukt als percentage;]2
  8° [2 damp/benzineverhouding : de verhouding tussen het volume bij atmosferische druk van benzinedamp die door een fase II-benzinedampterugwinningssysteem loopt en het volume van de geleverde benzine;
   13° debiet : de grootste totale jaarhoeveelheid benzine van de drie afgelopen jaar die uit mobiele tanks aan een benzinestation wordt geleverd;]2
  9° Bestaand benzinestation : installatie waarvoor een exploitatievergunning of milieuvergunning afgegeven werd vóór de inwerkingtreding van dit besluit.
  10° Vernieuwd benzinestation : bestaand benzinestation, waarvan alle houders een dubbele wand of een verdubbelde wand hebben en uitgerust zijn met een permanent lekdetectiesysteem en indien nodig met een kathodische bescherming.
  11° Benzinestation onder een gebouw : benzinestation waarvan de houders of de pompen zich onder de verticale projectie van een gebouw bevinden (met uitzondering van de luifels).
  12° Houder met verdubbelde wand : houder met enkelvoudige wand op het ogenblik van de installatie waar een tweede binnenwand in geplaatst is.
  13° Debiet : de in de drie voorgaande jaren gemeten grootste totale jaarlijkse hoeveelheid brandstof die van een benzinestation overgebracht is in mobiele tanks.
  14° Opvangbak : ondoorlatende constructie in de vorm van een kuip bestaande uit niet-brandbare materialen waarin de vloeistoffen afkomstig van lekken of ophopingen bijeengehouden kunnen worden.
  15° Niet-brandbare materialen : materialen die geen enkele waarneembare vorm van warmte-ontwikkeling vertonen tijdens de uitvoering van een gestandaardiseerde proef waarbij zij onderworpen worden aan een voorgeschreven verwarming (NBN S21-201).
  16° Overvulbeveiligingssysteem : apparaat dat automatisch de brandstoftoevoer stopzet wanneer maximaal 98 % van de nominale capaciteit van de opslaginstallatie bereikt is. Het overschot laat toe de vulslang te ledigen.
  17° Luifel : constructie die de gebruikers moet beschermen tegen slechte weersomstandigheden en bestaat uit een oppervlak waarop geen lokalen gebouwd zijn. De installaties die onder een luifel staan, worden geacht zich in open lucht te bevinden.
  18° Erkend studiebureau : natuurlijke persoon of rechtspersoon die aan de voorschriften van artikel 67 beantwoordt.
  19° BIM : Brussels Instituut voor Milieubeheer.
  20° Sensibiliteitsklassen : klassen opgenomen in bijlage I op basis van de onderverdelingen erkend in het Gewestelijk Bestemmingsplan.
  21° Normen :
  a) voor de bodem : grenswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen vermeld in tabel I van artikel 30, § 2, die gelden als richtlijn voor de saneringstussenkomsten in functie van de toxicologische en ecotoxicologische criteria voor één sensibiliteitsklasse;
  b) voor het grondwater : grenswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen vermeld in tabel II van artikel 30, § 2, die gelden als richtlijn voor de saneringstussenkomsten in functie van toxicologische en ecotoxicologische criteria die identiek zijn voor alle sensibiliteitsklassen.
  22° Referentiewaarden :
  a) voor de bodem : grenswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen vermeld in tabel I van artikel 30, § 2, die op lange termijn bereikt moeten worden; beneden deze waarden bestaat er geen enkel risico voor de gezondheid van de mens noch voor het milieu en kan de bodem "van goede kwaliteit" en geschikt voor elk gebruik geacht worden;
  b) voor het grondwater : grenswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen vermeld in tabel II van artikel 30, § 2, die op lange termijn bereikt moeten worden; beneden deze waarden bestaat er geen enkel risico voor de gezondheid van de mens noch voor het milieu; het risico is echter niet langer verwaarloosbaar eens deze waarden overschreden worden.
  23° Drempelwaarden : grenswaarden voor concentraties van verontreinigende stoffen in de bodem vermeld in tabel I van artikel 30, § 2, die tenminste bij de sanering gehaald moeten worden; beneden deze waarden is het risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu verwaarloosbaar. Deze waarden liggen tussen de referentiewaarden en de interventiewaarden en zijn alleen van toepassing op de bodem.
  24° Interventiewaarden :
  a) voor de bodem : grenswaarden van concentraties van verontreinigende stoffen vermeld in tabel I van artikel 30, § 2; boven deze waarden is het risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu niet langer tolereerbaar zodat een sanering van de bodem zich opdringt wanneer ze gehaald worden;
  b) voor het grondwater : grenswaarden van concentraties van verontreinigende stoffen vermeld in tabel II van artikel 30, § 2; boven deze waarden is het risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu niet langer tolereerbaar zodat een sanering van het grondwater zich opdringt wanneer ze gehaald worden.
  25° Maximum toegelaten blootstellingsniveau : maximale blootstelling waaraan een individu gedurende zijn hele leven onderworpen kan worden zonder dat er een waarneembaar risico op het ontstaan van schadelijke invloeden voor zijn gezondheid optreedt.
  26° Sanering : procédé voor de verwijdering van een vorm van verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater met behulp van de beste technieken die voorhanden zijn en die geen onredelijk hoge kosten meebrengen (BATNEEC beginsel).
  27° Beschermende maatregelen : technische middelen die aangewend worden om de verontreiniging van een site te isoleren of te beheersen en om de gevolgen die eruit voortvloeien voor de gezondheid van de mens en het milieu te controleren.
  28° Bevoegd deskundige : (burgerlijk, industrieel of gelijkwaardig) ingenieur wiens deskundigheid op het vlak van bouw, veiligheid, onderhoud, controle van houders, leidingen en toebehoren erkend is, of om het even welke andere persoon die in voornoemde gebieden drie jaar ervaring kan voorleggen.
  [2 29° Benzinedamp : alle gasvormige, uit benzine vervluchtigende verbindingen;]2
  [1 29° bodemverontreinigingsdeskundige : erkende onafhankelijke deskundige in de zin van artikel 1, 6°, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 december 2011 betreffende de erkenning van de bodemverontreinigingsdeskundigen en de registratie van de bodemsaneringsaannemers.]1
  [1 30° bodemsaneringsaannemer : geregistreerd aannemer in de zin van artikel 1, 7° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 december 2011 betreffende de erkenning van de bodemverontreinigingsdeskundigen en de registratie van de bodemsaneringsaannemers.]1
  ----------
  (1)<BESL 2011-12-15/35, art. 49, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BESL 2012-04-26/14, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 08-05-2012>

  HOOFDSTUK II. - Technische voorwaarden verbonden aan de installaties en hun beheer.

  Sectie 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 3. § 1. De houders worden gebouwd, vervoerd, geplaatst en aangesloten overeenkomstig de voorschriften van de volgende normen :
  - NBN I 03-001, NBN I 03-002, NBN I 03-003 en NBN I 03-004 voor metalen houders;
  - NBN T 41-013 en NBN T 41-015 voor de houders uit gewapend thermohardend plastic;
  of eender welke andere gelijkwaardige regels van goed vakmanschap, in zoverre deze voorschriften niet strijdig zijn met de bepalingen van dit besluit.
  Op een makkelijk bereikbare plaats op de houder moet er een identificatieplaat aangebracht worden met vermelding van de naam van de constructeur, het bouwjaar, het fabricagenummer, de naam van de installateur, plaatsingsdatum, het inhoudsvermogen in water van de houder, het opgeslagen product en de gevarencode.
  § 2. Alleen vloeibare koolwaterstoffen onder atmosferische druk waarvan het vlampunt (vastgesteld in een gesloten testvat overeenkomstig de normen NBN 52017 of 52075) meer dan 55 °C bedraagt, kunnen opgeslagen worden in bovengrondse houders of in een toegankelijke ruimte, voor zover dit toegelaten wordt in de milieuvergunning.
  Er kan door de milieuvergunning een afwijking toegestaan worden voor petroleumhouders van minder dan 2.000 liter, evenals voor houders van minder dan 100 liter bestemd voor brandstof voor tweetaktmotoren.

  Art. 4. Bij de gedeeltelijke of volledige vervanging of buitenwerkingstelling van houders en leidingen en de plaatsing van controle-uitrustingen met het oog op de naleving van dit besluit, dient bij de kennisgeving aan het BIM een afschrift gevoegd te worden van de recentste dichtheidsattesten van alle houders (attesten waarin de houders op eenduidige wijze geïdentificeerd worden en die het soort test en het studiebureau dat de test uitvoerde, vermelden).

  Sectie 2. - Houders ingegraven in de grond of in een opvangbak ingegraven in de grond.

  Art. 5. De volgende voorwaarden zijn van toepassing op alle houders die rechtstreeks ingegraven zijn in de grond of die in een opvangbak geplaatst zijn :
  1° voor de nieuwe benzinestations : de houders moeten uitgerust zijn met een dubbele wand; voor de bestaande installaties kan een afwijking toegestaan worden voor de houders met enkelvoudige wand die in een opvangbak geplaatst zijn;
  2° het bovenste gedeelte van de houders, het zogenaamde deksel van het mangat, dient ten minste 50 cm onder het niveau van de omliggende bodem te liggen;
  3° de bezoekkamers van de houders moeten ondoorlatend zijn voor koolwaterstoffen;
  4° de vloeistoffen die zich erin ophopen moeten opgevangen en verwijderd worden vóórdat ze een gevaar voor het milieu kunnen vormen, overeenkomstig de bepalingen van de Brusselse Ordonnantie van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen;
  5° de houders met dubbele wand zijn aan de buitenzijde uitgerust met een - eventueel gedeeltelijk - omhulsel dat een gesloten ruimte creëert; in deze ruimte kan een vloeistof circuleren die bestemd is voor het opsporen van eventuele lekken van de binnenste wand of van het omhulsel aan de buitenzijde overeenkomstig de norm NBN I 03-004 of eender welke andere gelijkwaardige regels van goed vakmanschap, in zoverre deze voorschriften niet strijdig zijn met de bepalingen van dit besluit.
  De vloeistof moet voldoen aan de regels van goed vakmanschap die aanvaard zijn door het BIM. De vloeistof mag het staal of het plastic niet aantasten en mag niet stollen bij de laagste wintertemperaturen die voorzien worden.
  Het mechanisme voor het opsporen van lekken moet zodanig geconcipieerd zijn dat :
  1° de aanwezigheid van koolwaterstoffen of elke wijziging van de druk of het peil van de interstitiële vloeistof een hoorbaar en zichtbaar alarm doet afgaan bij de verantwoordelijke voor de installatie;
  2° de exploitant verwittigd wordt van elk defect aan het waarschuwingsmechanisme en zo snel mogelijk overgaat tot de nodige herstellingen. Elke onderbreking van de werking van het detectiesysteem die meer dan 5 dagen duurt, moet aan het BIM meegedeeld worden.
  Wanneer er een lek opgespoord wordt, dient onmiddellijk tot de maatregelen vermeld in artikel 20 overgegaan te worden;
  6° de nodige maatregelen moeten genomen worden teneinde de stabiliteit van de houders te waarborgen in alle weersomstandigheden of in geval van overstromingen.

  Art. 6. De volgende voorwaarden zijn van toepassing op de opvangbak :
  1° de opvangbak en de funderingen van de opslaginstallaties worden onder toezicht van een bevoegde deskundige gebouwd, overeenkomstig de regels van goed vakmanschap en bij gebreke van deze laatste, volgens de regels van de kunst. De houders moeten rusten op een voldoende grote basis die verhindert dat de belasting tot verzakkingen leidt waardoor de houder zou kunnen kantelen of breken.
  De opvangbak moet voldoende stevig zijn om bestand te zijn tegen de vloeistofmassa die zou ontsnappen bij een breuk van de grootste houder die in de opvangbak geplaatst is.
  De minimumcapaciteit van de niet gevulde opvangbak komt overeen met de grootste van de hierna volgende waarden :
  1° de watercapaciteit van de grootste houder, vermeerderd met 25 % van de totale capaciteit van de andere houders die in de opvangbak geplaatst zijn;
  2° de helft van de totale capaciteit van de houders die in de opvangbak geplaatst zijn.
  De opvangbak mag niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan het onderbrengen van een houder en mag slechts doorkruist worden door de gas- of elektriciteitsleidingen die onontbeerlijk zijn voor het gebruik van de opslaginstallaties die in de opvangbak geplaatst zijn. Er mogen slechts leidingen doorheen de opvangbak lopen wanneer de impermeabiliteit van het opvangbak verzekerd blijft.
  Desgevallend wordt de opvangbak opgevuld met inerte materialen die de wanden van de houders en de leidingen niet kunnen beschadigen of corroderen;
  2° wanneer er voertuigen over de opvangbak rijden, wordt het desgevallend beschermd met een afdekplaat die voldoende stevig moet zijn en uit één stuk gebouwd. Wanneer het technisch onmogelijk is een afdekplaat uit één stuk te realiseren, kan een afwijking toegestaan worden in de milieuvergunning op basis van een gemotiveerde aanvraag van de exploitant;
  3° er dienen maatregelen te worden genomen om het insijpelen van regenwater en afvloeiend water in de opvangbak te verhinderen. De openingen langswaar de opvangbakken toegankelijk zijn, moeten afgesloten worden met opgevoegde deksels. Alle noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen om het water dat zich in de opvangbak zou kunnen ophopen, regelmatig te verwijderen. Met het oog hierop dienen alle mogelijke maatregelen te worden genomen om verontreiniging van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater te verhinderen; dit water moet via een afscheider voor koolwaterstoffen weggevoerd worden.

  Sectie 3. - Bovengrondse opslaginstallaties.

  Art. 7. De volgende voorwaarden zijn van toepassing op bovengrondse opslaginstallaties :
  1° de bovengrondse houders worden in een opvangbak geplaatst die aan de criteria van artikel 6 beantwoordt en de metalen onderdelen zijn doeltreffend geaard; de dubbelwandige bovengrondse houders dienen niet in een opvangbak geplaatst te worden;
  2° het moet mogelijk zijn om het volledige oppervlak van de houders visueel te controleren;
  3° de volledige bovengrondse opslaginstallatie moet omgeven zijn door een stevig en niet-brandbaar hek van ten minste 2 meter hoog. De toegang tot deze ruimte is verboden voor het publiek;
  4° onverminderd strengere voorwaarden die door de Dienst voor brandweer bepaald worden, moet de afstand tussen de houders onderling en tussen de houders en de buitenwanden van de opvangbak minimum 50 cm bedragen.

  Sectie 4. - Houders die zich in een toegankelijke ruimte bevinden.

  Art. 8. De volgende voorwaarden zijn van toepassing op houders die zich in een toegankelijke ruimte bevinden :
  1° de toegankelijke ruimte moet het mogelijk maken om het volledige oppervlak van de houders aan een visuele controle te onderwerpen; de toegankelijke ruimte moet rechtstreeks naar buiten toe geventileerd worden; zij moet voorzien zijn van een automatisch sluitende branddeur die steeds in gesloten positie moet blijven;
  2° onverminderd strengere wettelijke voorwaarden met betrekking tot de brandbescherming of strengere voorschriften opgesteld door de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, moet deze branddeur gedurende een half uur bestand zijn tegen het vuur (rf. 1/2 uur, overeenkomstig de norm NBN 713.020);
  3° de houders moeten in een opvangbak geplaatst worden die aan de criteria van artikel 6 beantwoordt zonder mogelijkheid tot wegvloeien naar de riolering;
  4° alle maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de houders op hun plaats blijven bij overstroming of het onderlopen van het benzinestation.

  Sectie 5. - Houders met verdubbelde wand.

  Art. 9. De volgende voorwaarden zijn van toepassing op houders met verdubbelde wand :
  1° voor de bestaande houders : de verdubbeling kan toegestaan worden wanneer het weghalen van de houders een aanzienlijk stabiliteits- of haalbaarheidsprobleem stelt dat door een terzake bevoegde deskundige bevestigd wordt;
  2° het verdubbelen van de wanden van houders wordt toegestaan onder de volgende voorwaarden :
  a) de dikte van de buitenwand van de houder moet ten minste 60 % bedragen van de dikte van de oorspronkelijke wand; als dit niet het geval is, moet er eerst een zelfdragende bekleding op deze buitenwand geplaatst worden vóórdat overgegaan kan worden tot de plaatsing van de dubbele wand van de houder. De mechanische weerstand moet verzekerd zijn;
  b) een bevoegde deskundige moet na een inwendig onderzoek van de houder en een controle van de dikte van de wand op een voldoende aantal plaatsen, bevestigen dat de buitenwand voldoet aan de voorschriften van punt a);
  c) de verdubbelingssystemen moeten in ten minste één Lidstaat van de Europese Gemeenschap erkend zijn. Er moet een afschrift van het getuigschrift bij het aanvraagdossier gevoegd worden;
  d) de werken moeten gesuperviseerd worden door een erkend studiebureau dat de installaties controleert en bevestigt dat de houders en hun toebehoren voldoen aan de voorschriften. Dit document moet ter beschikking van de overheid gehouden worden.

  Sectie 6. - Leidingen.

  Art. 10. Elke houder moet aangesloten zijn op een ontluchtingsleiding die in de open lucht uitkomt, niet onder de verticale projectie van een gebouw, en op ten minste drie meter boven de grond en ten minste drie meter verwijderd van welke opening dan ook in een gebouw.
  Het bovenuiteinde is uitgerust met een vlamwerend toestel en is voldoende hoog en op dergelijke wijze geïnstalleerd dat de vrijgekomen dampen niet kunnen binnendringen in nabijgelegen lokalen of in contact kunnen komen met een bron die hun ontbranding zou kunnen veroorzaken.
  Het is verboden om deze buizen te laten uitkomen op gesloten binnenkoeren of onder de luifel.
  De ontluchtingsleiding van een benzinehouder is uitgerust met een veiligheidssysteem zodat de goede werking van de dampterugwinning niet verstoord wordt.

  Art. 11. Alle leidingen die niet bereikbaar zijn, moeten geplaatst worden :
  1° ofwel in een greppel gevuld met een fijnkorrelig, inert materiaal. Deze greppel waarvan de bodem en de zijwanden ondoorlatend zijn, moet op een afscheider voor koolwaterstoffen aangesloten worden;
  2° ofwel in een ondoordringbare omsluiting. Wanneer de leidingen onder druk staan, dient deze omsluiting uitgerust te zijn met een permanent lekdetectiesysteem voor de opsporing van koolwaterstoflekken gekoppeld aan een hoorbaar en visueel alarm voor de exploitant van de installatie.
  Er moeten maatregelen genomen worden om deze leidingen te beschermen tegen vervormingen die zouden kunnen optreden wanneer er voertuigen overheen rijden.
  Alle ondergrondse metalen leidingen moeten naar behoren beschermd worden tegen corrosie overeenkomstig de bepalingen van artikel 12; zij moeten op zijn minst bekleed worden met een laag antiroestverf en een speciale zelfklevende, isolerende en ondoorlatende folie of op gelijkwaardige wijze beschermd worden.

  Sectie 7. - Bescherming tegen corrosie en elektrische installatie.

  Art. 12. Wanneer het buitenste omhulsel en het gedeelte van de binnenste houder dat eventueel zichtbaar blijft uit metaal zijn, moeten zij aan de buitenzijde beschermd worden tegen corrosie door een bekleding waarvan de diëlektrische weerstand minstens aan de norm NBN I 03-001 beantwoordt.
  De zichtbare metalen delen van de leidingen die petroleumprodukten bevatten alsook van de houder die in contact komen met de bodem, moeten bovendien beschermd worden door middel van een stroomaftapping, bedoeld om een voldoende negatieve spanning te behouden wanneer ten minste één van de volgende voorwaarden vervuld is :
  1° de inrichting is in een openbaar drinkwaterwinningsgebied gevestigd;
  2° de soortelijke weerstand van de bodem bedraagt minder dan 5 000 ohm.cm, waarbij de meting op het laagste punt van de uitgraving en buiten droogteperiodes moet gebeuren;
  3° het pH-gehalte van de bodem, gemeten op het laagste punt van de uitgraving, bedraagt minder dan 5;
  4° de aanwezigheid van zwerfstromen wordt vastgesteld.
  Wanneer dit het geval is, moet de elektrische continuïteit van alle metalen en ingegraven opslaginstallaties zodanig verzekerd worden dat al deze metalen onderdelen aan eenzelfde negatieve spanning onderworpen zijn dat volstaat om in de immuniteitszone van het diagram van Pourbaix te komen.
  De doeltreffendheid van deze kathodische bescherming moet gecontroleerd worden door met een voltmeter het bestaande potentiaalverschil te meten tussen enerzijds de houder en zijn bovenstructuur van leidingen en anderzijds de anode of het aftaptoestel.
  Om het meten te vereenvoudigen, wordt een meetkast aangebracht op de kabel die de spanningsaftap van de houder met de beschermingsanode verbindt.
  De installatie van deze bescherming vormt tevens een aarding voor de houder.
  De bovengrondse metalen onderdelen moeten geïsoleerd worden van de rest van de installatie die kathodisch beschermd is.
  Om vrijgesteld te worden van de verplichting om een kathodische bescherming te voorzien, moet de exploitant een verslag van een terzake erkend studiebureau voorleggen waarin de afwezigheid van zwerfstromen bevestigd wordt, evenals het feit dat de soortelijke weerstand van de bodem meer dan 5 000 ohm.cm bedraagt en dat het pH-gehalte meer dan 5 bedraagt.

  Art. 13. Elke peilingsoperatie gebeurt via de bovenzijde van de opslaginstallaties.
  Glazen of plastic peilbuizen zijn verboden. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een peilstok, moet deze vervaardigd zijn uit een niet-glinsterend materiaal dat aan elk soort houder aangepast is; alle mogelijke maatregelen moeten worden genomen om de verticale stand van de peilstok op het ogenblik van de meting te verzekeren en te voorkomen dat de stok de houder beschadigt.
  Het peilsysteem moet zodanig geconcipieerd zijn dat het buiten de eigenlijke peiloperatie hermetisch afgesloten is.
  Het is verboden een peiling uit te voeren tijdens het vullen.

  Sectie 8. - Vullen van de houders.

  Art. 14. § 1. Elke houder beschikt over eigen vulleidingen en mag slechts gevuld worden wanneer hij doeltreffend beschermd wordt door een overvulbeveiligingssysteem.
  Het vullen en leegmaken van een houder mag slechts gebeuren met behulp van aan de houder aangepaste leidingen die degelijk zijn en perfect ondoorlatend.
  In de onmiddellijke nabijheid van de vulmond dient een leesbare en onuitwisbare vermelding betreffende de aard van de brandstof en de capaciteit van de opslaginstallatie aangebracht te worden. Bovendien dient een toestel alle onbevoegden de toegang tot de vulmonden te verhinderen.
  Het is verboden om een pomp te gebruiken voor het vullen van de opslaginstallaties, tenzij voor bovengrondse houders of wanneer dit formeel toegestaan wordt door de milieuvergunning.
  § 2. Bij het vullen van een houder wordt er een equipotentiaalverbinding tussen deze houder en de tankwagen tot stand gebracht of wordt deze laatste geaard.
  § 3. Het vullen van de opslaginstallaties gebeurt onder toezicht van de exploitant, een door hem hiertoe aangestelde persoon of de bestuurder van de tankwagen. In dit laatste geval is de bestuurder op de hoogte van de veiligheidsvoorschriften en eventueel ook van de bijzondere maatregelen die in acht moeten worden genomen zoals de uurregeling en bijzondere veiligheidsmaatregelen.
  Tijdens het vullen van de opslaginstallaties bevinden de exploitant, zijn aangestelde of de chauffeur van de tankwagen zich op een redelijke afstand van de plaats waar het vullen plaatsvindt, zodat zij bij een incident onmiddellijk kunnen tussenkomen.
  § 4. De exploitant of zijn aangestelde beschikken over schriftelijke instructies aangaande de procedure die bij het vullen van de houder(s) gevolgd moet worden en de maatregelen die bij een incident of ongeval genomen moeten worden.
  Deze instructies worden aan de aangestelden meegedeeld, verduidelijkt en regelmatig herhaald.
  Zij worden ter beschikking gehouden van de ambtenaren en agenten belast met het toezicht.
  De exploitant waakt over de strikte naleving van deze instructies.

  Sectie 9. - Bevoorrading van voertuigen.

  Art. 15. § 1. Het is verboden om voertuigen op de rijweg of op het trottoir te bevoorraden. De pompen moeten zodanig geplaatst worden dat een dergelijke bevoorrading onmogelijk is.
  Geen enkele benzinepomp mag op het trottoir geïnstalleerd worden.
  Het is eveneens verboden om voertuigen binnenin gebouwen te bevoorraden.
  De milieuvergunning kan in afwijking van deze regel toestaan om in voldoende grote ruimten voertuigen te bevoorraden met producten waarvan het vlampunt meer dan 55 °C bedraagt, op voorwaarde evenwel dat in het gebouw geen woningen ondergebracht zijn en dat de pompen niet openstaan voor het publiek.
  § 2. Indien mogelijk zal het pompen van de brandstoffen gebeuren door aanzuiging ter hoogte van het verdeelapparaat. Als dit niet kan, moeten de pompen aangesloten worden op een systeem dat hun werking onmiddellijk stillegt bij de detectie van drukverlies of de vaststelling van een lek.
  § 3. In een straal van 1 meter rond de vulzones, die gaan tot waar de vulpistolen reiken, zijn rioolroosters, goten of eender welke andere openingen naar eender welke ondergrondse ruimten - tenzij de afscheider voor koolwaterstoffen - verboden, tenzij dit nodig is om redenen die inherent zijn aan de exploitatie en de milieuvergunning dit formeel toestaat.

  HOOFDSTUK III. - Veiligheid van de installaties.

  Art. 16. § 1. Onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen in dit verband is de exploitant gehouden om de nodige maatregelen te treffen teneinde de omwonenden doeltreffend te beschermen tegen de brand- en ontploffingsrisico's die eigen zijn aan de aanwezigheid of de exploitatie van de inrichting.
  Dit houdt onder andere in dat de vereiste brandbestrijdingsmiddelen voorzien moeten worden.
  De brandbestrijdingsmiddelen moeten zich in goede staat van onderhoud bevinden en beschermd zijn tegen vorst. Er moet duidelijk aangegeven staan waar ze zich bevinden. Bovendien moeten ze makkelijk bereikbaar zijn en oordeelkundig verspreid staan. Het brandbestrijdingsmateriaal moet onmiddellijk gebruikt kunnen worden.
  § 2. Onverminderd andere reglementaire bepalingen moeten installaties in zones met brand- of ontploffingsgevaar omwille van de incidentele aanwezigheid van een explosief mengsel, geconcipieerd en gebouwd worden volgens een zoneringsplan.
  Voor de installaties waarop het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI) nog niet van toepassing is, wordt de lijst met de indeling van de zones opgesteld conform de bepalingen van artikel 105 van voornoemd reglement.
  § 3. Het is ten strengste verboden :
  1° te roken, vuur te maken of ontvlambare stoffen op te slaan bovenop de opslaginstallaties, in de nabijheid van de pompen, de leidingen, de verdeelapparaten, de vulpunten en de plaats voor het lossen van de tankwagens; er worden conform de voorschriften van artikel 54quinquies van het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming voldoende en duidelijk zichtbare veiligheidssignalen geplaatst die het roken verbieden;
  2° om in de directe omgeving van een benzinestation hout, houtspaanders of andere brandbare stoffen te laten liggen, overeenkomstig het zoneringsplan.
  § 4. De kunstmatige verlichting van de verschillende lokalen, de directe omgeving van de opslaginstallaties en de plaats voor de bevoorrading van voertuigen dient uitsluitend elektrisch te gebeuren.
  § 5. Ingeval er zich binnen een straal van 2 meter rond een ondergrondse houder een kelder bevindt, moet er op het laagste punt van de betreffende kelder een systeem voor de detectie van koolwaterstofdampen geplaatst worden.
  Het systeem moet ervoor zorgen dat :
  1° de verantwoordelijke voor de installatie door een hoorbaar en visueel alarm verwittigd wordt van de aanwezigheid van koolwaterstofdampen;
  2° de exploitant verwittigd wordt van elk defect aan het waarschuwingsmechanisme; hij gaat zo snel mogelijk over tot de nodige herstellingen. Elke onderbreking van de werking van het dampdetectiesysteem die meer dan 5 dagen duurt, moet aan het BIM bij een aangetekende brief meegedeeld worden.
  § 6. De benzinestations die 's nachts werken of 24 uur op 24, met of zonder verantwoordelijke, en die onder een woongebouw gelegen zijn, moeten uitgerust zijn met een akoestisch alarm, gekoppeld aan branddetectoren.
  § 7. De verdeelapparaten zijn uitgerust met toestellen waardoor ze automatisch buiten werking gesteld worden ingeval er brand ontstaat bij de verdeelapparaten.
  Bij elektrische pompen wordt er een stopzettingsmechanisme op het verdeelapparaat zelf gemonteerd. Een stoppistool voldoet aan deze voorwaarde. Bij de pompen die met gecomprimeerde lucht werken, zal een smeltbaar gedeelte op de bedieningsslang worden geplaatst, om de stillegging door een drukverlaging te waarborgen.
  Bovendien kunnen de pompen op eender welk moment stopgezet worden door middel van een duidelijk aangegeven toestel dat zich steeds op een bereikbare plaats op voldoende afstand van de verdeelapparaten moet bevinden.
  Wanneer er met elektrische pompen gewerkt wordt, moeten de motoren ofwel in de open lucht, ofwel in een perfect geventileerde ruimte beschut tegen ontvlambare dampen, opgesteld worden, tenzij het gaat om pompen die beantwoorden aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties in verband met explosieve zones.

  HOOFDSTUK IV. - [1 Benzinedampterugwinning]1
  ----------
  (1)<BESL 2012-04-26/14, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 08-05-2012>

  Art. 17.[1 In de zin van dit hoofdstuk en van artikel 71, § 4, wordt verstaan onder :
   1° bestaand benzinestation : een benzinestation dat is gebouwd of waarvoor een voor de site specifieke stedenbouwkundige vergunning, milieuvergunning of exploitatievergunning werd afgegeven voor 1 januari 2012;
   2° nieuw benzinestation : een benzinestation dat is gebouwd of waarvoor een voor de site specifieke stedenbouwkundige vergunning, milieuvergunning of exploitatievergunning is afgegeven op of na 1 januari 2012.]1
  ----------
  (1)<BESL 2012-04-26/14, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 08-05-2012>

  Art. 17bis.[1 Minimumniveau van benzinedampterugwinning
   § 1. Vanaf de door artikel 71, § 4, bepaalde data van toepassing, moet het benzinedampafvangrendement van dergelijke systemen ten minste 85 % bedragen zoals door de producent is gecertificeerd in overeenstemming met de relevante Europese technische normen of typegoedkeuringsprocedures als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 2009/126/EG of, bij gebrek aan dergelijke normen of procedures, in overeenstemming met de relevante federale normen.
   § 2. Vanaf dezelfde datum bedraagt de damp/benzineverhouding ten minste 0,95 en niet meer dan 1,05.]1
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 17bis. [1 Minimumniveau van benzinedampterugwinning
   § 1. Vanaf de door artikel 71, § 4, bepaalde data van toepassing, moet het benzinedampafvangrendement van dergelijke systemen ten minste 85 % bedragen zoals door de producent is gecertificeerd [2 in overeenstemming met norm EN 16321-1:2013]2.
   § 2. Vanaf dezelfde datum bedraagt de damp/benzineverhouding ten minste 0,95 en niet meer dan 1,05.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2012-04-26/14, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 08-05-2012>
  (2)<BESL 2015-07-02/02, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 13-05-2016>

  Art. 17ter. [1 Onderhoud en bewaking
   § 1. Elk fase II-benzinedampterugwinningssysteem ondergaat jaarlijks een onderhoudsbeurt door een bevoegd deskundige. De datum van het onderhoud, de vaststellingen in verband met eventuele storingen en de uitgevoerde herstellingen moeten ingeschreven worden in het register waarvan sprake is in artikel 19.
   § 2. Wanneer een automatisch bewakingssysteem is geïnstalleerd, moet dit storingen van het juiste functioneren van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem en van het automatische bewakingssysteem zelf automatisch kunnen opsporen, deze fouten aan de benzinestationhouder melden en de benzinetoevoer naar de defecte pomp automatisch stoppen als de storing niet binnen zeven dagen is verholpen. Dit systeem ondergaat jaarlijks een onderhoudsbeurt door een bevoegd deskundige. De datum van het onderhoud, de vaststellingen in verband met eventuele storingen en de uitgevoerde herstellingen moeten ingeschreven worden in het register waarvan sprake is in artikel 19.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2012-04-26/14, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 08-05-2012>

  Art. 17quater. [1 Informatie voor consumenten
   Elke uitbater van een benzinestation die een fase II-benzinedampterugwinningssysteem heeft geïnstalleerd, brengt bij dit station of in de buurt van de benzinepomp een uithangbord, zelfklever of een andere melding aan waarmee de consumenten hiervan op de hoogte worden gebracht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BESL 2012-04-26/14, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 08-05-2012>

  HOOFDSTUK V. - Bescherming van de bodem en het grondwater.

  Sectie 1. - Preventiemechanismen.

  Art. 18. § 1. De noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat ontvlambare vloeistoffen per ongeluk verspreid worden en de bodem, de oppervlaktewateren en het grondwater verontreinigen.
  § 2. De zones waar zich de mondingen van de vulleidingen bevinden en de distributiezones rond de verdeelapparaten evenals de pomp voor tweetaktmotoren die eventueel aanwezig is, bevinden zich steeds in de open lucht en op het terrein van de inrichting.
  Deze plaatsen en zones :
  1° zijn ondoordringbaar voor koolwaterstoffen;
  2° zijn voorzien van de nodige hellingen en eventueel randen om alle vloeistoffen die per ongeluk verspreid worden, af te leiden naar een opvangsysteem voor koolwaterstoffen of naar een terugwinningssysteem;
  3° bestaan uit een oppervlak dat begrensd wordt door de lengte van de soepele darm vermeerderd met één meter (zij het nooit minder dan 3 meter) voor de bevoorradingsplaats.
  Het afvalwater dat door koolwaterstoffen verontreinigd kan zijn, moet, vóórdat het geloosd wordt, opgevangen worden en afgevoerd naar een bezinkinstallatie en afscheider voor koolwaterstoffen.
  Deze installatie moet regelmatig onderhouden worden.
  § 3. Het ontwerp en de afmetingen van de afscheider moeten beantwoorden aan de voorschriften van de norm DIN 1999 of aan eender welke andere gelijkwaardige regels van goed vakmanschap, op grond van de voorziene karakteristieken van de exploitatie: het te verwerken debiet, de dichtheid van de te scheiden producten/van het te scheiden product en de kwaliteit van het afvalwater na afloop naargelang van het ontvangend milieu. Een getuigschrift van de constructeur moet aantonen dat de afscheider voldoet aan de voorschriften.
  De koolwaterstoffenafscheider moet uitgerust worden met een veiligheidssysteem dat de uitgang van de installatie afsluit wanneer de hoeveelheid koolwaterstoffen die toestroomt groter is dan degene die de installatie kan bevatten.
  Bovendien moet er een sonde geïnstalleerd worden die het niveau van het grensvlak tussen het water en de koolwaterstoffen controleert en gekoppeld is aan een alarm met een licht- en geluidssignaal dat tijdig aangeeft wanneer de inhoud van de koolwaterstoffenafscheider verwijderd moet worden.
  Wanneer het afvalwater nadien in gewone oppervlaktewateren geloosd wordt, moet de koolwaterstoffenafscheider uitgerust worden met een coalescentie-filter om de fijn verspreide koolwaterstoffen door middel van coalescentie te scheiden. Deze filter moet regelmatig schoongemaakt worden op een plaats die rechtstreeks verbonden is met de scheidingsinstallatie.
  Het afvoersysteem voor afvalwater dat met koolwaterstoffen verontreinigd is, moet gescheiden zijn van het afvoersysteem voor gewoon huishoudelijk afvalwater en regenwater zodat de hydraulische belasting en de omvang van het zuiveringssysteem beperkt kunnen worden.
  § 4. Alle maatregelen moeten worden genomen om de accumulatie van ontvlambare dampen in de leidingen te voorkomen.

  Art. 19.§ 1. In elk benzinestation houdt de exploitant de door dit besluit vereiste documenten, of een kopie ervan, evenals het interventieregister ter beschikking van het BIM.
  In de benzinestations zonder aangestelde wordt dit register neergelegd in een kluis waarvan de sleutel ter beschikking van het BIM gehouden wordt.
  De afschriften van de plannen en de getuigschriften ter bevestiging van de naleving van de normen afgegeven door de constructeur en de installateur moeten op de plaats van de exploitatie ter beschikking gehouden worden van de ambtenaar belast met het toezicht.
  Van de hierna vermelde controles, proeven en dichtheidstesten moet een verslag opgesteld worden met vermelding van het adres van de gecontroleerde installatie, de firmanaam van de onderneming, de naam van de technicus die de test uitgevoerd heeft, de datum waarop de test uitgevoerd werd, en de omstandigheden en resultaten van de operatie. Eventueel vastgestelde gebreken en uitgevoerde herstellingen moeten in het register ingeschreven worden. Deze documenten, of een afschrift ervan, moeten op de plaats van de exploitatie ter beschikking van het BIM gehouden worden. De data van deze controles, proeven en dichtheidstesten moeten voorafgaandelijk aan het BIM meegedeeld worden.
  § 2. De opslaginstallaties moeten aan de volgende controles onderworpen worden :
  1° vóórdat ze geïnstalleerd worden, hetzij rechtstreeks in de grond, hetzij in een opvangbak, moet door een erkend studiebureau vastgesteld worden dat ze beantwoorden aan de voorschriften van dit besluit;
  2° [1 na de plaatsing maar vóór de inwerkingstelling van de opslaginstallaties, moet door een erkend studiebureau gecontroleerd worden of de houder, de leidingen, de fase II-benzinedampterugwinningssystemen en de bijbehorende installaties beantwoorden aan de voorschriften van dit besluit; deze controle omvat ook een dichtheidstest van de leidingen conform § 3 van dit artikel;]1
  3° de installaties moeten vervolgens regelmatig gecontroleerd worden in verband met de naleving van de voorschriften van dit besluit :
  a) [1 een erkend studiebureau controleert jaarlijks de algemene staat waarin de installatie zich bevindt, de doeltreffendheid van de kathodische bescherming, de overvulbeveiliging in zoverre deze niet van het mechanische type is, het eventuele detectiesysteem van koolwaterstofdampen, het lekdetectiesysteem, de koolwaterstoffenafscheider en het benzinedampafvangrendement tijdens het gebruik van fase II-benzinedampterugwinningssystemen, hetzij door te controleren of de damp/benzineverhouding onder gesimuleerde benzinetoevoer in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 17bis, § 2, hetzij door een andere geschikte methodologie toe te passen. Het controleert tevens de aanwezigheid van water en slib in de houder en spoort eventuele zichtbare verontreiniging buiten de houder op.]1
  b) een erkend studiebureau controleert minstens om de 10 jaar de elementen vermeld onder a) en, ingeval er geen kathodische bescherming is, de agressiviteit en de geleidbaarheid van de omliggende bodem. De algemene controle omvat ook een dichtheidstest van de opslaginstallaties waarvan een visueel onderzoek onmogelijk is zoals vermeld in § 3.
  [1 c) Wanneer een automatisch bewakingssysteem van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is geïnstalleerd, wordt het benzinedampafvangrendement ten minste eens in de drie jaar door een erkend studiebureau getest.]1
  § 3. De tienjaarlijkse dichtheidstest van de ondergrondse opslaginstallaties die niet uitgerust zijn met een lekdetectiesysteem, wordt uitgevoerd volgens de volgende methoden of volgens eender welke andere gelijkwaardige methode waarmee het BIM zich voorafgaandelijk schriftelijk akkoord verklaard heeft :
  1° akoestische methode met ultrasone trillingen;
  2° variatie van het behelsde volume;
  3° onder druk zetting van de vooraf leeggemaakte houders (onder een druk van ten minste 30 kPa (0,3 bar) voor de leidingen en een druk van 100 kPa (1 bar) voor de houders, en dit gedurende 1 uur wanneer er gas gebruikt wordt om de druk uit te oefenen of gedurende 20 minuten wanneer er een vloeistof gebruikt wordt om de druk uit te oefenen).
  § 4. Na de jaarlijkse controle waarvan sprake is in § 2, 3°, a), stelt het erkende studiebureau een conformiteitsattest op waarin bevestigd wordt dat de houder en de installatie voldoen aan de voorschriften van dit besluit.
  Het bureau plaatst op de vulleiding ook een duidelijk zichtbare en leesbare zelfklever of een plaatje waarop zijn naam, de trimester en het jaar van de laatste beperkte jaarlijkse controle vermeld staan. Naargelang van de gedane vaststellingen moet de zelfklever of het plaatje de volgende kleur hebben :
  1° groen, als de houder in orde is met de voorschriften;
  2° oranje, wanneer er buiten de houder geen verontreiniging vastgesteld is maar er bepaalde herstellingen uitgevoerd dienen te worden aan de houder, de veiligheids- of beschermingsmechanismen, de systemen of de installaties;
  3° rood, wanneer er verontreiniging buiten de houder vastgesteld is die te wijten is aan een gebrek (of een lek) van de houder of een installatie die ermee verbonden is.
  § 5. Het erkende studiebureau stelt een verslag op na elk van de controles waarvan sprake is in § 2 van dit artikel en waarnaar niet verwezen wordt onder § 4. Dit verslag dient minstens de volgende gegevens te bevatten :
  1° naam en adres van de constructeur;
  2° fabricagedatum en -nummer;
  3° kwaliteit en dikte van het gebruikte staal of van het gewapende thermohardende plastic;
  4° aard van de externe bescherming;
  5° resultaten van de dichtheidstest;
  6° inhoudsvermogen in water van de houder;
  7° besluit waaruit duidelijk moet blijken dat de voorschriften van dit reglement al dan niet geëerbiedigd worden.
  De verslagen bedoeld in het eerste lid of een afschrift hiervan moeten op de plaats van de exploitatie ter beschikking van het BIM gehouden worden. Bovendien moet een afschrift van de verslagen aangaande de plaatsing van een oranje of rood plaatje zoals vermeld onder § 4 binnen 8 dagen aan het BIM bezorgd worden.
  § 6. Alleen de houders die reglementair in orde zijn, mogen gevuld en geëxploiteerd worden. De houders waarvan de vulleiding een rood plaatje of een rode zelfklever draagt zoals vermeld onder § 4, mogen in geen geval gevuld worden. De houders waarvan de vulleiding een oranje plaatje of zelfklever draagt zoals vermeld onder § 4, kunnen nog gevuld worden gedurende een overgangsperiode van maximum 6 maanden die ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de maand die vermeld staat op het oranje plaatje of de oranje zelfklever.
  Binnen de termijn van 6 maanden vermeld in voorgaande alinea moeten de herstellingen uitgevoerd worden en dient de exploitant over te gaan tot een nieuwe beperkte jaarlijkse controle of eventueel zelfs tot een algemene controle als het BIM dit nodig acht.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 19. § 1. In elk benzinestation houdt de exploitant de door dit besluit vereiste documenten, of een kopie ervan, evenals het interventieregister ter beschikking van het BIM.
  In de benzinestations zonder aangestelde wordt dit register neergelegd in een kluis waarvan de sleutel ter beschikking van het BIM gehouden wordt.
  De afschriften van de plannen en de getuigschriften ter bevestiging van de naleving van de normen afgegeven door de constructeur en de installateur moeten op de plaats van de exploitatie ter beschikking gehouden worden van de ambtenaar belast met het toezicht.
  Van de hierna vermelde controles, proeven en dichtheidstesten moet een verslag opgesteld worden met vermelding van het adres van de gecontroleerde installatie, de firmanaam van de onderneming, de naam van de technicus die de test uitgevoerd heeft, de datum waarop de test uitgevoerd werd, en de omstandigheden en resultaten van de operatie. Eventueel vastgestelde gebreken en uitgevoerde herstellingen moeten in het register ingeschreven worden. Deze documenten, of een afschrift ervan, moeten op de plaats van de exploitatie ter beschikking van het BIM gehouden worden. De data van deze controles, proeven en dichtheidstesten moeten voorafgaandelijk aan het BIM meegedeeld worden.
  § 2. De opslaginstallaties moeten aan de volgende controles onderworpen worden :
  1° vóórdat ze geïnstalleerd worden, hetzij rechtstreeks in de grond, hetzij in een opvangbak, moet door een erkend studiebureau vastgesteld worden dat ze beantwoorden aan de voorschriften van dit besluit;
  2° [1 na de plaatsing maar vóór de inwerkingstelling van de opslaginstallaties, moet door een erkend studiebureau gecontroleerd worden of de houder, de leidingen, de fase II-benzinedampterugwinningssystemen en de bijbehorende installaties beantwoorden aan de voorschriften van dit besluit; deze controle omvat ook een dichtheidstest van de leidingen conform § 3 van dit artikel;]1
  3° de installaties moeten vervolgens regelmatig gecontroleerd worden in verband met de naleving van de voorschriften van dit besluit :
  a) [1 een erkend studiebureau controleert jaarlijks de algemene staat waarin de installatie zich bevindt, de doeltreffendheid van de kathodische bescherming, de overvulbeveiliging in zoverre deze niet van het mechanische type is, het eventuele detectiesysteem van koolwaterstofdampen, het lekdetectiesysteem, de koolwaterstoffenafscheider [2 en het benzinedampafvangrendement tijdens het gebruik van fase II-benzinedampterugwinningssystemen in overeenstemming met norm EN 16321-2:2013]2. Het controleert tevens de aanwezigheid van water en slib in de houder en spoort eventuele zichtbare verontreiniging buiten de houder op.]1
  b) een erkend studiebureau controleert minstens om de 10 jaar de elementen vermeld onder a) en, ingeval er geen kathodische bescherming is, de agressiviteit en de geleidbaarheid van de omliggende bodem. De algemene controle omvat ook een dichtheidstest van de opslaginstallaties waarvan een visueel onderzoek onmogelijk is zoals vermeld in § 3.
  [1 c) Wanneer een automatisch bewakingssysteem van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is geïnstalleerd, wordt het benzinedampafvangrendement ten minste eens in de drie jaar door een erkend studiebureau getest.]1
  § 3. De tienjaarlijkse dichtheidstest van de ondergrondse opslaginstallaties die niet uitgerust zijn met een lekdetectiesysteem, wordt uitgevoerd volgens de volgende methoden of volgens eender welke andere gelijkwaardige methode waarmee het BIM zich voorafgaandelijk schriftelijk akkoord verklaard heeft :
  1° akoestische methode met ultrasone trillingen;
  2° variatie van het behelsde volume;
  3° onder druk zetting van de vooraf leeggemaakte houders (onder een druk van ten minste 30 kPa (0,3 bar) voor de leidingen en een druk van 100 kPa (1 bar) voor de houders, en dit gedurende 1 uur wanneer er gas gebruikt wordt om de druk uit te oefenen of gedurende 20 minuten wanneer er een vloeistof gebruikt wordt om de druk uit te oefenen).
  § 4. Na de jaarlijkse controle waarvan sprake is in § 2, 3°, a), stelt het erkende studiebureau een conformiteitsattest op waarin bevestigd wordt dat de houder en de installatie voldoen aan de voorschriften van dit besluit.
  Het bureau plaatst op de vulleiding ook een duidelijk zichtbare en leesbare zelfklever of een plaatje waarop zijn naam, de trimester en het jaar van de laatste beperkte jaarlijkse controle vermeld staan. Naargelang van de gedane vaststellingen moet de zelfklever of het plaatje de volgende kleur hebben :
  1° groen, als de houder in orde is met de voorschriften;
  2° oranje, wanneer er buiten de houder geen verontreiniging vastgesteld is maar er bepaalde herstellingen uitgevoerd dienen te worden aan de houder, de veiligheids- of beschermingsmechanismen, de systemen of de installaties;
  3° rood, wanneer er verontreiniging buiten de houder vastgesteld is die te wijten is aan een gebrek (of een lek) van de houder of een installatie die ermee verbonden is.
  § 5. Het erkende studiebureau stelt een verslag op na elk van de controles waarvan sprake is in § 2 van dit artikel en waarnaar niet verwezen wordt onder § 4. Dit verslag dient minstens de volgende gegevens te bevatten :
  1° naam en adres van de constructeur;
  2° fabricagedatum en -nummer;
  3° kwaliteit en dikte van het gebruikte staal of van het gewapende thermohardende plastic;
  4° aard van de externe bescherming;
  5° resultaten van de dichtheidstest;
  6° inhoudsvermogen in water van de houder;
  7° besluit waaruit duidelijk moet blijken dat de voorschriften van dit reglement al dan niet geëerbiedigd worden.
  De verslagen bedoeld in het eerste lid of een afschrift hiervan moeten op de plaats van de exploitatie ter beschikking van het BIM gehouden worden. Bovendien moet een afschrift van de verslagen aangaande de plaatsing van een oranje of rood plaatje zoals vermeld onder § 4 binnen 8 dagen aan het BIM bezorgd worden.
  § 6. Alleen de houders die reglementair in orde zijn, mogen gevuld en geëxploiteerd worden. De houders waarvan de vulleiding een rood plaatje of een rode zelfklever draagt zoals vermeld onder § 4, mogen in geen geval gevuld worden. De houders waarvan de vulleiding een oranje plaatje of zelfklever draagt zoals vermeld onder § 4, kunnen nog gevuld worden gedurende een overgangsperiode van maximum 6 maanden die ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de maand die vermeld staat op het oranje plaatje of de oranje zelfklever.
  Binnen de termijn van 6 maanden vermeld in voorgaande alinea moeten de herstellingen uitgevoerd worden en dient de exploitant over te gaan tot een nieuwe beperkte jaarlijkse controle of eventueel zelfs tot een algemene controle als het BIM dit nodig acht.

  ----------
  (1)<BESL 2012-04-26/14, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 08-05-2012>
  (2)<BESL 2015-07-02/02, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 13-05-2016>

  Art. 20. § 1. Wanneer er in de opslaginstallaties lekken vastgesteld worden, wordt de desbetreffende houder onmiddellijk buiten werking gesteld, leeggemaakt, gereinigd en ontgast. De afvalstoffen moeten verwijderd worden conform de ordonnantie van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen. De verwijderingsattesten van de afvalstoffen moeten gedurende 5 jaar ter beschikking van het BIM gehouden worden.
  De exploitant moet de nodige maatregelen nemen om elk ontploffingsgevaar te voorkomen en de verontreiniging van de bodem en het grondwater te beperken.
  Hij dient het BIM bij de vaststelling onmiddellijk in te lichten over de aard en de datum van het incident.
  Elke herstelling moet worden uitgevoerd onder het toezicht van een erkend studiebureau en dient binnen de acht dagen aan het BIM meegedeeld te worden.
  § 2. De herstelling van de houder mag slechts gebeuren wanneer het procédé controleerbaar is. Na de herstelling mag de houder pas opnieuw in gebruik genomen worden nadat hij een dichtheidstest ondergaan heeft.
  § 3. Een gebrekkige houder die niet hersteld wordt, moet onmiddellijk definitief buiten werking worden gesteld.
  Bij zijn definitieve buitenwerkingstelling wordt een houder leeggemaakt, gereinigd, ontgast en verwijderd.
  Wanneer het materieel gezien onmogelijk is om de houder weg te halen, wordt hij, nadat het BIM zich hiermee akkoord heeft verklaard, met zand, schuim of een gelijkaardig inert materiaal gevuld.
  § 4. De vloeistoffen die de bodem verontreinigd hebben of die zich in de riolering, het oppervlaktewater en het omliggend grondwater verspreid hebben, worden onmiddellijk aan het BIM gesignaleerd overeenkomstig artikel 63 van de ordonnantie betreffende de milieuvergunningen.

  Sectie 2. - Prospectief onderzoek.

  Art. 21.
  § 1. Het prospectief onderzoek moet worden uitgevoerd door een studiebureau dat erkend is op het vlak van "bodemverontreiniging". De studie is bedoeld om een eventuele verontreiniging van de bodem en het grondwater op een plaats aan te tonen, de omvang in termen van concentratie ervan vast te stellen, de globale wijze van ruimtelijke verspreiding te achterhalen en de eerste ramingen te maken aangaande de staat van verontreiniging van de bodem en het grondwater ten overstaan van de normen die door dit besluit vastgelegd worden.
  § 2. Elk benzinestation maakt het voorwerp uit van een prospectief onderzoek uitgevoerd door een studiebureau dat erkend is op het vlak van "bodemverontreiniging" tijdens de aanpassing aan de voorschriften voorzien in artikel 71, § 3, bij de stopzetting van zijn activiteiten, bij verandering van exploitant, bij de intrekking of de vernieuwing van de milieuvergunning of na een met redenen omkleed verzoek van het BIM wanneer het BIM meent dat er een risico op verontreiniging bestaat.
  Ingeval er op de plaats reeds één of meer studies uitgevoerd werden vóór de toepassing van dit besluit, heeft het BIM het recht om op basis van deze studies te beslissen of er nog een prospectief onderzoek uitgevoerd moet worden.
  Vóór de uitvoering van het prospectief onderzoek moet er een voorstel van onderzoek, ondertekend door het erkende studiebureau, aan het BIM voorgelegd worden. Dit voorstel vermeldt de sensibiliteitsklasse bedoeld in bijlage I waartoe de betreffende exploitatie behoort, bevat de verschillende punten vermeld in bijlage II en is vergezeld van een formulier voor de identificatie van de site waarvan een model opgenomen is in bijlage III.
  Zodra het Instituut het volledige dossier ontvangen heeft, heeft het 30 dagen de tijd om het voorstel van het prospectief onderzoek goed te keuren. Wanneer het BIM na afloop van deze termijn niet gereageerd heeft, wordt het voorstel geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.
  [1 Het ontwerp van prospectief onderzoek wordt aan het BIM betekend per aangetekende brief met bericht van ontvangst of tegen ontvangstbewijs op de zetel van het BIM.
   Het ontwerp van prospectief onderzoek kan ook via elektronische weg ingediend worden.
   De goedkeuring van het ontwerp van prospectief onderzoek kan via elektronische weg betekend worden.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-10-28/09, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 22.Het prospectief onderzoek moet worden uitgevoerd binnen 90 dagen na de goedkeuring van het voorstel van onderzoek door het BIM. Als de studie niet binnen 90 dagen uitgevoerd kan worden, kan een verlenging van de termijn toegestaan worden na de indiening van een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek dat bij ter post aangetekend schrijven [1 of via elektronische weg ]1 aan het BIM gericht moet worden. Het BIM spreekt zich binnen 7 dagen uit over de duur van de verlenging. Wanneer het BIM na afloop van deze termijn niet gereageerd heeft, wordt de verlenging geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.
  ----------
  (1)<BESL 2010-10-28/09, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 23. 1° Het prospectief onderzoek omvat voor de bodem een aanbevolen aantal boringen overeenkomstig onderstaande tabel :

     Installaties         Aantal boringen/installatie
  Ondergrondse houder          1
                               2 (> 10 000 l)
  Bovengrondse houder          1
  Eiland met de                1
  verdeelapparaten             2 (vanaf drie
                                  verdeelapparaten)
  Ontluchting                  1
  Vulpunt                      1


  De boorpunten moeten rationeel verdeeld zijn om de risicozone zo goed mogelijk te bestrijken, met een maximum van 5 boringen per site.
  2° De boringen worden uitgevoerd met behulp van de technieken die het best aangepast zijn aan de omstandigheden van het terrein, het soort stalen dat genomen moet worden en de analyses die erop dienen te gebeuren. De normen aangaande de uitvoering van boringen bestemd voor bodemonderzoek en het nemen van stalen, staan vermeld in bijlage VI.
  3° Bij het uitvoeren van boringen in de bodem moet aan de volgende vereisten voldaan worden :
  a) als de bron van de verontreiniging zich boven de grond bevindt, worden er op die plaats boringen uitgevoerd tot ten minste 2 meter onder het grondoppervlak;
  b) als de bron van de verontreiniging zich niet boven de grond bevindt, worden er boringen uitgevoerd tot ten minste 2 meter onder de vermoedelijke bron van de verontreiniging;
  c) de boringen worden in de diepte verdergezet zolang er zintuiglijk of met behulp van meetinstrumenten sporen van verontreiniging waargenomen kunnen worden op het terrein;
  d) er dient bijzondere aandacht besteed te worden aan verontreiniging door stoffen die zich makkelijk in de bodem verplaatsen. Het erkende studiebureau dient in dat geval in te schatten of het nodig is om de boringen verder te zetten zodat stalen genomen kunnen worden op grotere diepte dan de 2 meter voorzien onder de punten a) en b) van dit artikel. De beslissingen die hierover genomen worden, moeten op gedetailleerde wijze toegelicht en verantwoord worden in het verslag van het prospectief onderzoek;
  e) zodra de boringen voor het nemen van bodemstalen ter hoogte van het grondwater komen, worden ze stopgezet tenzij wanneer het de bedoeling is om een piëzometer te plaatsen.

  Art. 24. Op de verontreinigde plaatsen wordt op elk boorpunt een staal van de bodem genomen uit de grondlaag die blijkbaar het zwaarst verontreinigd is. Deze stalen worden onderworpen aan de analyses voorzien in artikel 30. De diepte waarop de stalen genomen worden, wordt gekozen op grond van de mobiliteitskenmerken van de verontreinigende stoffen, op grond van de kenmerken van de verschillende horizonten, aan de hand van zintuiglijke waarnemingen of met behulp van meetinstrumenten.

  Art. 25. Voor het grondwater dient per benzinestation ten minste één piëzometer geplaatst te worden om eventuele verontreiniging op te sporen, behoudens andersluidend en gemotiveerd advies van het studiebureau. In de praktijk wordt de piëzometer door het erkende studiebureau geïnstalleerd op de plaats waar de verontreiniging zintuiglijk het diepst of het duidelijkst waargenomen wordt.
  Per piëzometer die geplaatst wordt, moet ten minste één staal genomen en geanalyseerd worden.

  Art. 26. 1° De boringen die uitgevoerd worden voor het plaatsen van de piëzometers gaan tot minstens 5 meter diep. Wanneer men op grondwater stuit vóórdat deze diepte bereikt is, moeten de boringen voortgezet worden tot 1 meter onder het hoogste niveau van het grondwater.
  2° Er kunnen diepere boringen overwogen worden wanneer de stoffen waarvan de aanwezigheid vermoed wordt, zich gemakkelijk in de bodem en het grondwater verplaatsen of in diepere horizonten van de bodem aangetroffen werden. Het erkende studiebureau moet zich uitspreken over de noodzaak en de opportuniteit om de boringen op grotere diepte voort te zetten. De beslissingen die in dit verband genomen worden, moeten op gedetailleerde wijze verantwoord worden in het ontwerp van prospectief onderzoek of het verslag van het prospectief onderzoek.
  3° Wanneer men op het grondwater stuit, moeten de boringen voortgezet worden tot 1 meter onder het hoogste niveau van het grondwater.

  Art. 27. Het uitvoeren van de boringen en het nemen van de stalen van de grond en het grondwater moet gebeuren conform de normen die vermeld staan in bijlage VI.
  In geen geval mogen de verschillende stalen van de bodem of van het grondwater gemengd worden.

  Art. 28. Het recipiënt dat voor de bewaring en het vervoer van de stalen van de bodem en het grondwater gebruikt wordt, moet aangepast zijn aan de verontreinigende stof die gezocht wordt en aan het soort analyse dat erop uitgevoerd zal worden. Er moet getracht worden om de wijzigingen van de kenmerken van de bodem en het grondwater tot een minimum te beperken en om de eigenschappen van de verontreinigende stoffen die zich erin bevinden, te behouden door elke verspreiding, elk verlies door vervluchtiging en elke adsorptie aan de wanden te voorkomen.
  Er wordt verwezen naar norm NEN 5742 voor de bodemstalen of naar bijlage VI, en naar norm ISO 5667-3 voor het grondwater.

  Art. 29. Bij de boringen moet een beschrijving opgesteld worden van de verschillende grondlagen en bodemkundige horizonten die onderzocht worden. Deze beschrijving moet worden opgesteld volgens de methoden en met behulp van de Belgische nomenclatuur inzake bodemkundige en geologische beschrijving.
  De volgende parameters moeten worden beschreven :
  1° algemene inlichtingen :
  - topografische gegevens van de boring;
  - datum van de boring;
  - methode gebruikt voor de boring en het nemen van de stalen;
  2° eigenschappen van de lagen en de horizonten van de bodem :
  - dikte;
  - textuur: met behulp van de Belgische textuurdriehoek;
  - belang van de kiezelbelasting;
  - kleur;
  - vochtigheid - aanwezigheid van vrij water;
  - aanwezigheid van gley of pseudo-gley;
  - consistentie.

  Art. 30.
  § 1. De analyse van bodem- en/of grondwaterstalen moet worden uitgevoerd in een erkend laboratorium.
  De te analyseren parameters in de bodem en het grondwater zijn :
  - BTEXN (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen, naftaleen (facultatief);
  - minerale oliën;
  - PAK's : worden geanalyseerd als het gehalte aan minerale oliën en BTEXN in de bodem zo hoog is dat de beschermende bekleding van de houder erdoor vernietigd is;
  - pH : één of twee metingen voor elk type bodem of horizont dat op het terrein gevonden is en voor elke soort grondwaterlaag die gevonden is.
  Enkel voor de bodem dienen volgende parameters bijkomend geanalyseerd te worden :
  - het gehalte aan droge stof: één of twee metingen voor elk type bodem of horizont dat op het terrein gevonden is;
  - het gehalte aan organisch materiaal: één of twee metingen voor elk type bodem of horizont dat op het terrein gevonden is;
  - het gehalte aan klei: één of twee metingen voor elk type bodem of horizont dat op het terrein gevonden is.
  De resultaten van de studie moeten worden opgenomen in een verslag overeenkomstig de beschrijvingen van bijlage IV.
  § 2. Het BIM heeft vanaf de ontvangst van het volledige prospectief onderzoek 30 dagen de tijd om over te gaan tot het onderzoek van de resultaten en al dan niet te besluiten tot de noodzaak om een nader onderzoek of sanering uit te voeren. Eenmaal deze termijn verstreken, worden de besluiten van het erkend studiebureau op het vlak van bodemverontreiniging betreffende de noodzakelijkheid om een nader onderzoek of sanering uit te voeren geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.
  De analyseresultaten worden voor de bodem vergeleken met de normen uit onderstaande tabel I op grond van de verschillende sensibiliteitsklassen waarnaar verwezen wordt in bijlage I, en voor het grondwater met de normen van tabel II.
  Tabel I. - Waarden van de normen voor de bodem in mg/kg droge stof.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-03-1999, p. 9435).
  Tabel II. - Waarden van de normen voor grondwater in Mug/l.
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-03-1999, p. 9435).
  [1 De goedkeuring van het prospectief onderzoek kan via elektronische weg betekend worden.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-10-28/09, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Sectie 3. - Nader onderzoek.

  Art. 31. Wanneer, voor één of meerdere geanalyseerde stoffen, de drempelwaarden voor de bodem en de referentiewaarden voor het grondwater overschreden worden, moet er een nader onderzoek gemaakt worden zoals bedoeld in bijlage V, ingeval het prospectief onderzoek niet zou volstaan om de omvang van de verontreiniging te bepalen en geen uitsluitsel zou geven omtrent de noodzaak van een sanering.
  Het nader onderzoek moet worden uitgevoerd door een erkend studiebureau op het vlak van "bodemverontreiniging" en heeft als doel het bestaan te bevestigen van een niet te verwaarlozen of niet te tolereren risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu dat bij het prospectief onderzoek aan het licht is gekomen. Dit onderzoek bepaalt of een sanering noodzakelijk is en moet desgevallend de nodige elementen aanreiken voor de uitvoering van het saneringsonderzoek.

  Art. 32.Voor het nader onderzoek moet eerst een voorstel van onderzoek gemaakt worden dat aan het BIM voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd wordt. Het voorstel van onderzoek moet aan het BIM overgemaakt worden binnen 60 dagen na de goedkeuring van het verslag van het prospectief onderzoek door het BIM.
  [1 Het ontwerp van nader onderzoek wordt aan het BIM betekend per aangetekende brief met bericht van ontvangst of tegen ontvangstbewijs op de zetel van het BIM.
   Het ontwerp van nader onderzoek kan ook via elektronische weg worden ingediend.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-10-28/09, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 33. Om goedgekeurd te kunnen worden, moet het voorstel van het nader onderzoek ondertekend zijn door het erkende studiebureau, een verantwoording bevatten van de gekozen boorpunten evenals een technische beschrijving van de onderzoeken. Het moet eveneens vermelden welke werkmethode voor het nader onderzoek gebruikt zal worden.

  Art. 34.Het voorstel van het nader onderzoek moet worden overgemaakt aan het BIM, dat 30 dagen de tijd heeft om het goed te keuren. Als de termijn verstrijkt zonder dat het BIM de aanvraag beantwoordt, wordt het voorstel geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.
  [1 De goedkeuring van het ontwerp van nader onderzoek kan via elektronische weg betekend worden.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-10-28/09, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 35. Het nader onderzoek moet worden uitgevoerd binnen 90 dagen na de goedkeuring van het voorstel van het nader onderzoek door het BIM. Als de studie niet binnen de 90 dagen uitgevoerd kan worden, kan er een verlenging van de termijn toegestaan worden na een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek dat bij aangetekend schrijven aan het BIM overgemaakt wordt. Het BIM doet binnen 7 dagen uitspraak over de verlenging. Als de termijn verstrijkt zonder dat het BIM de aanvraag beantwoordt, wordt de verlenging geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.

  Art. 36. Als het nader onderzoek tegelijk met het prospectief onderzoek uitgevoerd wordt, moet het voorstel van het nader onderzoek voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd worden aan het BIM, samen met het voorstel van het prospectief onderzoek.

  Art. 37. Het nader onderzoek moet het mogelijk maken :
  - de geografische omvang van de vlekken met bodemverontreiniging af te bakenen en dus het volume van de te saneren bodem;
  - de volumes en de omtrek van het te saneren grondwater te bepalen;
  - de zone waarin de drijvende laag zich uitstrekt, af te bakenen.

  Art. 38. Om de geografische omvang van de vlekken met bodemverontreiniging af te bakenen en vast te stellen hoe de verontreinigende stoffen binnen deze vlekken verspreid zitten, moeten er boringen verricht worden vertrekkende van de punten waar tijdens het prospectief onderzoek boringen verricht zijn en waar de gemeten concentraties de drempelwaarde bereikten.

  Art. 39. De zones die gekenmerkt worden door een gehalte aan verontreinigende stoffen onder de drempelwaarden, worden geacht geen deel uit te maken van een verontreinigingsvlek.

  Art. 40. De omtrek van de vlekken kan vastgesteld worden door middel van de verschillende methoden die hieronder opgesomd worden, waarbij de gemeten concentraties steeds systematisch vergeleken worden met de drempelwaarde van de betreffende verontreinigende stof. Het erkende studiebureau kiest op gemotiveerde wijze voor één van de volgende methoden :
  1° door volgens de aslijnen van een netwerk systematisch beetje bij beetje verder te werken vanaf de plaats waar de boringen uitgevoerd zijn en de stalen genomen werden;
  2° door volgens de aslijnen van een netwerk sprongsgewijs verder te werken vanaf de plaats waar de boringen uitgevoerd zijn en de stalen genomen werden en daarbij een stuk terug te keren wanneer de gemeten concentraties aangeven dat de grenzen van de vlek overschreden werden;
  3° door statistische verwerking van de verkregen resultaten waarna de boringen en het nemen van de stalen in een bepaalde richting georiënteerd kunnen worden dankzij de kennis van de manier waarop de verontreiniging zich in de ruimte verspreidt;
  4° door gebruik van sensorische detectiemethoden of methoden van directe meting op het terrein waardoor snel de contouren van de verontreiniging afgebakend kunnen worden, eens vaststaat dat er een goede correlatie bestaat tussen de resultaten van de waarnemingen en de metingen die ter plaatse verricht zijn en de waarden die gemeten zijn in de bodemstalen.

  Art. 41. Om de geografische reikwijdte en de omvang van de verontreiniging van het grondwater vast te stellen, moeten er piëzometers geplaatst worden vanaf de plaats waar piëzometers analyseresultaten aangaven die de referentiewaarde overschreden. De afstand tussen de piëzometers wordt bepaald en verantwoord door het erkende studiebureau op basis van het type bodem en de mobiliteitskenmerken van de verontreinigende stof in het grondwater. Er moet gebruik worden gemaakt van de methoden die in artikel 40 opgesomd worden.

  Art. 42. De grenzen van het verontreinigde gebied worden bevestigd door de meting van concentraties onder de referentiewaarde.

  Art. 43. Het verslag van het nader onderzoek vult de punten uit het verslag van het prospectief onderzoek aan die vermeld staan in bijlage IV.

  Art. 44. Het verslag bevat eveneens :
  - een analyse van de besluiten van het prospectief onderzoek en een inventaris van de actuele kennis van de site;
  - een beschrijving van de onderzoeksstrategie;
  - een verslag van de waarnemingen en de analyse van de bodem en de andere milieu-elementen;
  - aanvullende informatie bij de verschillende punten die opgesomd staan in bijlage IV;
  - een analyse van de noodzaak om over te gaan tot de sanering van het terrein;
  - een interpretatie van de resultaten en de implicaties ervan - besluiten en aanbevelingen.

  Art. 45.Het verslag moet worden bezorgd aan het BIM, dat 15 dagen de tijd krijgt om het goed te keuren. Als het BIM na het verstrijken van de termijn niet geantwoord heeft, wordt het verslag geacht stilzwijgend te zijn aanvaard.
  [1 Het verslag van het nader onderzoek wordt aan het BIM betekend per aangetekende brief met bericht van ontvangst of tegen ontvangstbewijs op de zetel van het BIM.
   Het verslag van het nader onderzoek kan ook via elektronische weg worden ingediend.
   De goedkeuring van het verslag van het nader onderzoek kan via elektronische weg betekend worden.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-10-28/09, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 46. De analyseresultaten van het nader onderzoek worden voor de bodem vergeleken met de normen van tabel I op grond van de verschillende sensibiliteitsklassen, en voor het grondwater met de normen van tabel II.

  Art. 47. Als de analyseresultaten bevestigen dat de gemeten concentraties de drempelwaarde overschrijden voor een stof die in de bodemstalen geanalyseerd is zonder evenwel de interventiewaarde te overschrijden, wordt de bodem gekwalificeerd als een bodem met een niet te verwaarlozen risico. In dat geval wordt de site gesaneerd of moet er een risico-onderzoek uitgevoerd worden om uit te maken of het nodig is om beschermende maatregelen te nemen. Wanneer na afloop van het risico-onderzoek blijkt dat dergelijke beschermende maatregelen nodig zijn, moet er een saneringsonderzoek opgesteld worden om deze maatregelen ter plaatse uit te voeren.

  Art. 48. Als de analyseresultaten aantonen of bevestigen dat ten minste één van de gemeten concentraties van een stof die in de bodemstalen geanalyseerd is, de interventiewaarde overschrijdt, wordt de bodem gekwalificeerd als een bodem met een niet te tolereren risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu. In dat geval moet overgegaan worden tot een sanering en dient er een saneringsonderzoek opgesteld te worden.
  Er kan ook een risico-onderzoek uitgevoerd worden om uit te maken hoe dringend de sanering is en binnen welke termijn ze uitgevoerd moet worden.

  Art. 49. Als ten minste één van de waarden van de concentraties van de stoffen die in de grondwaterstalen geanalyseerd zijn, de referentiewaarde overschrijdt zonder echter de interventiewaarde te overschrijden, wordt het grondwater gekwalificeerd als grondwater met een niet te verwaarlozen risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu. In dat geval moet er een risico-onderzoek uitgevoerd worden om uit te maken of het nodig is om beschermende maatregelen te nemen. Wanneer na afloop van het risico-onderzoek blijkt dat dergelijke beschermende maatregelen nodig zijn, moet er een saneringsonderzoek opgesteld worden om deze maatregelen ter plaatse uit te voeren.

  Art. 50. Als ten minste één van de waarden van de concentraties van de stoffen die in de grondwaterstalen geanalyseerd zijn, de interventiewaarde overschrijdt, wordt het grondwater gekwalificeerd als grondwater met een niet te tolereren risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu. In dat geval moet overgegaan worden tot een sanering en dient er een saneringsonderzoek opgesteld te worden om deze ter plaatse uit te voeren.
  Er kan ook een risico-onderzoek uitgevoerd worden om uit te maken hoe dringend de sanering is en binnen welke termijn ze uitgevoerd moet worden.

  Sectie 4. - Risico-onderzoek.

  Art. 51. Het risico-onderzoek moet worden uitgevoerd door een erkend studiebureau op het vlak van "bodemverontreiniging". Deze studie bepaalt hoe groot het risico voor de gezondheid van de mens en het milieu is in de gegeven omstandigheden. Zij geeft aan hoe dringend de sanering is en of het nodig is om beschermende maatregelen te nemen.

  Art. 52. Wanneer er een risico-onderzoek uitgevoerd wordt in de gevallen bedoeld in de artikelen 48 en 50, moet het BIM hiervan op de hoogte worden gebracht op het ogenblik dat het verslag van het nader onderzoek overgezonden wordt.
  Het risico-onderzoek wordt uitgevoerd hetzij op initiatief van de exploitant om te bepalen hoe dringend de sanering is, hetzij op vraag van het BIM om uit te maken of het nodig is om beschermende maatregelen te nemen wanneer de concentraties van verontreinigende stoffen de drempelwaarden overschrijden maar onder de interventiewaarden blijven.

  Art. 53. In deze gevallen moet het risico-onderzoek binnen 90 dagen na de goedkeuring van het nader onderzoek door een erkend studiebureau uitgevoerd worden.
  Als het risico-onderzoek niet binnen 90 dagen uitgevoerd kan worden, kan er een verlenging van de termijn toegestaan worden op grond van een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek dat bij aangetekend schrijven aan het BIM wordt gericht.
  Het BIM spreekt zich binnen 7 dagen uit over de verlenging van de termijn. Als de termijn verstrijkt zonder dat het BIM de aanvraag beantwoordt, wordt de verlenging van de termijn geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.

  Art. 54. Wanneer het onmogelijk is om na de sanering de drempelwaarde voor de bodem of de referentiewaarde voor het grondwater te halen, moet er ook een risico-onderzoek uitgevoerd worden om uit te maken of er beschermende maatregelen genomen dienen te worden. In dat geval maakt het risico-onderzoek deel uit van het saneringsonderzoek.

  Art. 55. Het dringende karakter van de sanering en de noodzaak om beschermende maatregelen te nemen, worden bepaald op basis van het risico-onderzoek waarvan de criteria de volgende drie categorieën aanbelangen :
  - de huidige risico's van blootstelling voor de mens;
  - de huidige risico's voor de ecosystemen;
  - de huidige risico's op verspreiding van de verontreinigende stoffen.

  Art. 56. Een sanering wordt dringend geacht :
  - met betrekking tot de huidige risico's van blootstelling voor de mens :
  wanneer er op de desbetreffende site verontreinigende stoffen aanwezig zijn in dusdanige hoeveelheden en onder een zodanige vorm dat zij kunnen leiden tot een overschrijding van het maximum toegelaten blootstellingsniveau voor de mens, rekening houdend met de eigenschappen van de site, de huidige omstandigheden en de huidige gebruiksomstandigheden van de site,
  of;
  - met betrekking tot de huidige risico's voor de ecosystemen :
  wanneer de desbetreffende site geacht wordt te fungeren als "natuurgebied" of "ecologisch gebied" of "biologisch waardevol gebied",
  of;
  - met betrekking tot de huidige risico's op verspreiding van de verontreinigende stoffen :
  wanneer er een merkbaar risico bestaat, rekening houdend met de hydrogeologische eigenschappen van de site, dat de verontreinigende stoffen die in het grondwater aanwezig zijn binnen 4 jaar in één van de volgende omgevingen terechtkomen :
  1° een oppervlaktewater;
  2° een openbare drinkwaterwinning;
  3° een industriële of particuliere waterwinning;
  4° een nabijgelegen terrein buiten de perceelgrenzen van de exploitatie;
  of wanneer :
  1° de verontreinigende stof in dusdanige hoeveelheden aanwezig is dat zij leidt tot de vorming van een bovendrijvende laag;
  2° de verontreinigende stof in dusdanige hoeveelheden en onder een zodanige vorm aanwezig is dat er een zichtbaar transport is van de verontreinigende stoffen naar de niet-verzadigde zone;
  3° de hoeveelheid verontreinigd water dusdanig toeneemt dat gevreesd mag worden dat de uit te voeren saneringswerken aanzienlijk verzwaard zullen worden.
  In de overige gevallen wordt de sanering niet dringend geacht.

  Art. 57. Als de exploitant niet overgaat tot een risico-onderzoek om uit te maken of de sanering dringend is, wordt de sanering geacht dringend te zijn.

  Art. 58. Een sanering die als "dringend" beschouwd wordt, moet binnen 4 jaar na de goedkeuring van het nader onderzoek uitgevoerd worden.
  In de overige gevallen moet de sanering binnen 4 tot 15 jaar na de goedkeuring van het nader onderzoek uitgevoerd worden.
  Indien de sanering technische problemen oplevert (voor zover het problemen betreft inzake de stabiliteit van het gebouw of de aanwezigheid van verontreiniging onder de fundering met een risico voor de stabiliteit en geen problemen die inherent zijn aan de saneringstechnieken) en indien voor het verstrijken van de termijn waarbinnen de sanering moet worden uitgevoerd een nieuw risico-onderzoek vaststelt dat de sanering niet dringend is, wordt een bijkomende uitvoeringstermijn van 15 jaar toegekend die ingaat vanaf de goedkeuring door het BIM van het laatste risico-onderzoek.

  Art. 59.Het verslag van het risico-onderzoek moet worden bezorgd aan het BIM, dat 15 dagen de tijd heeft om zich akkoord te verklaren met :
  - het volledige karakter van het onderzoek;
  - de conclusie aangaande het dringende karakter van de sanering;
  - de noodzaak om beschermende maatregelen te nemen.
  [1 Het verslag van het risico-onderzoek wordt aan het BIM betekend per aangetekende brief met bericht van ontvangst of tegen ontvangstbewijs op de zetel van het BIM.
   Het verslag van het risico-onderzoek kan ook via elektronische weg worden ingediend.
   De goedkeuring van het verslag van het risico-onderzoek kan via elektronische weg betekend worden.]1
  Als het BIM na afloop van de termijn nog niet geantwoord heeft, wordt het verslag geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd. Het BIM kan een tegen-expertise gelasten die binnen 90 dagen na de verzending van het verslag van het risico-onderzoek uitgevoerd wordt.
  ----------
  (1)<BESL 2010-10-28/09, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Sectie 5. - Saneringsonderzoek.

  Art. 60. Het saneringsonderzoek moet worden uitgevoerd door een erkend studiebureau op het vlak van "bodemverontreiniging".
  De studie heeft als doel om voor een site een inventaris op te stellen van de verschillende procédés voor de behandeling van de bodem en/of grondwaterverontreiniging en/of om een lijst op te maken van de beschermende maatregelen die noodzakelijk zijn conform de saneringsdoelstellingen die in dit besluit uiteengezet worden. Het saneringsonderzoek moet ook een analyse bevatten van de technische en financiële parameters die de haalbaarheid van de saneringsoperaties bepalen. Verder moet worden aangegeven in hoeverre de bodem en het grondwater door de verschillende procédés gesaneerd kunnen worden. De studie dient bovendien te vermelden welk procédé door het erkende studiebureau gekozen wordt voor de uitvoering van de sanering rekening houdend met de beste technieken die voorhanden zijn en die geen onredelijk hoge kosten meebrengen. De studie dient tot slot het saneringsplan te bevatten met een gedetailleerde beschrijving van de saneringswerken en/of van de beschermende maatregelen voor de site, evenals de uitvoeringstermijnen hiervoor.

  Art. 61. Het saneringsonderzoek moet door een erkend studiebureau uitgevoerd worden binnen 90 dagen :
  - na de goedkeuring van het risico-onderzoek in de gevallen voorzien in de artikelen 47 en 49;
  - na het nader onderzoek in de andere gevallen behalve indien de sanering niet als dringend wordt beschouwd op grond van artikel 58. In dat laatste geval kan het saneringsonderzoek gerealiseerd worden op het ogenblik dat de sanering moet worden hernomen. Het erkend studiebureau kan beslissen dat het nader onderzoek opnieuw dient geactualiseerd te worden naar aanleiding van de resultaten van het risico-onderzoek.

  Art. 62. Als het saneringsonderzoek niet binnen 90 dagen uitgevoerd kan worden, kan er een verlenging van de termijn toegestaan worden na de indiening van een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek dat bij ter post aangetekend schrijven aan het BIM gericht moet worden.
  Het BIM spreekt zich binnen 7 dagen uit over de duur van de verlenging. Als de termijn verstrijkt zonder dat het BIM de aanvraag beantwoordt, wordt de verlenging van de termijn geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.

  Art. 63.Het verslag van het saneringsonderzoek moet worden overgezonden aan het BIM, dat 15 dagen de tijd heeft om het goed te keuren. Wanneer het BIM na afloop van deze termijn niet gereageerd heeft, wordt het verslag geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.
  [1 Het verslag van het saneringsonderzoek wordt aan het BIM betekend per aangetekende brief met bericht van ontvangst of tegen ontvangstbewijs op de zetel van het BIM.
   Het verslag van het saneringsonderzoek kan ook via elektronische weg worden ingediend.
   De goedkeuring van het saneringsonderzoek kan via elektronische weg betekend worden.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-10-28/09, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 64. In de gevallen bedoeld in de artikelen 48 en 50 en wanneer er een risico-onderzoek uitgevoerd wordt, moet het saneringsonderzoek samen met het risico-onderzoek aan het BIM overgemaakt worden, behalve indien deze gerealiseerd wordt op het moment van de sanering krachtens art. 61, tweede punt.

  Art. 65.Voordat tot de sanering overgegaan mag worden, moet hiervoor een milieuvergunning afgeleverd zijn. De besluiten van het nader onderzoek, het saneringsonderzoek en het risico-onderzoek moeten bij de aanvraag van de milieuvergunning gevoegd worden. Zij vormen de basis voor de opstelling van de vergunning.
  [1 Na de overgangsperiode van zes maand vanaf het in werking treden van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 december 2011 betreffende de erkenning van de bodemverontreinigingsdeskundigen en de registratie van de bodemsanerings-aannemers, mogen, de saneringswerken enkel uitgevoerd worden door natuurlijke en rechtspersonen die binnen deze periode een registratie als bodemsaneringsaannemer hebben aangevraagd.
   Na de overgangsperiode van één jaar na de publicatie van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 december 2011 betreffende de erkenning van de bodemverontreinigingsdeskundigen en de registratie van de bodemsaneringsaannemers, mogen, behoudens afwijking zoals voorzien in artikel 48 van dit besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 december 2011 de saneringswerken enkel door een geregistreerde bodemsaneringsaannemer uitgevoerd worden.]1
  ----------
  (1)<BESL 2011-12-15/35, art. 49, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 66. De site dient zodanig gesaneerd te worden dat de gemeten concentratiewaarde nergens de drempelwaarde van de verontreinigende stof voor een bepaalde sensibiliteitsklasse overschrijdt wat de bodem betreft en nergens de referentiewaarde voor alle sensibiliteitsklassen overschrijdt wat het grondwater betreft.

  HOOFDSTUK VI. - Administratieve bepalingen.

  Art. 67.§ 1. De controles die door de artikelen 9, 17, § 3, en 19, § 2, opgelegd worden, moeten door erkende studiebureaus uitgevoerd worden. De aanvraag tot erkenning moet bij het BIM ingediend worden overeenkomstig artikel 71 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. De erkenningsprocedure verloopt conform de artikelen 72 tot 78 van voornoemde ordonnantie.
  [1 Na de overgangsperiode van één jaar na de publicatie van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 december 2011 betreffende de erkenning van de bodemverontreinigingsdeskundigen en de registratie van de bodemsaneringsaannemers, mogen, behoudens afwijking zoals voorzien in artikel 47 van dit het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 15 december 2011 de opdrachten die krachtens artikelen 21 tot en met 66 moeten uitgevoerd worden door erkende studiebureaus op het vlak van " bodemverontreiniging ", enkel uitgevoerd worden door erkende bodemverontreinigingsdeskundigen.]1
  § 2. Specifieke deskundigheid die vereist is voor de erkenning op het vlak van "opslaginstallaties" :
  a) grondige kennis van elektromechanica en chemie;
  b) bewijs van drie jaar ervaring op dit vlak.
  § 3. [1 (NOTA : § 3 wordt geschrapt, maar blijft van toepassing voor erkenningsaanvragen die werden ingediend vóór 30-01-2012)]1 Specifieke deskundigheid die vereist is voor de erkenning op het vlak van "bodemverontreiniging" :
  a) grondige kennis van biologie, bodemkunde, fysica, geologie en chemie;
  b) grondige kennis op het vlak van bouwkundige ordening, bodemmechanica en microbiologie;
  c) minimum 3 jaar beroepservaring in een milieusector die relevant is voor het opstellen van plannen voor bodemsanering en het begeleiden van bodemsaneringswerken.
  § 4. Specifieke deskundigheid die vereist is voor de erkenning op het vlak van "kathodische bescherming" : bewijs van drie jaar ervaring binnen dit domein.
  Er kan een erkenningsaanvraag ingediend worden voor elk van de volgende disciplines afzonderlijk :
  1° opslaginstallaties;
  2° bodemverontreiniging;
  3° kathodische bescherming;
  of voor de drie disciplines samen.
  Er wordt aan elke persoon een erkenningsnummer toegekend. Dit nummer moet worden vermeld op alle documenten en met name op verslagen of briefwisseling in verband met de controles.
  ----------
  (1)<BESL 2011-12-15/35, art. 49, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  

  Art. 68. Bij de stopzetting van de activiteiten van de inrichting, dient de exploitant de houders leeg te maken, te reinigen en te ontgassen. Hij moet de stopzetting van de activiteiten aan het BIM meedelen en de volgende gegevens bij aangetekend schrijven aan het Instituut overmaken :
  1° naam, firmanaam en adres van de houder van de vergunning;
  2° referentie van de vergunning(en) die nog geldig is (zijn);
  3° afschriften van de laatste dichtheidsattesten van alle houders afgegeven door een bevoegd deskundige, met duidelijke identificatie van elke houder;
  4° voorstel van een prospectief onderzoek aangaande de bodemkwaliteit.

  Art. 69. § 1. De exploitant dient de opgesomde inlichtingen van § 2 binnen 12 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit aan het BIM te betekenen. Wanneer de uitbating op dat ogenblik het voorwerp uitmaakt van een verlengingsaanvraag van de milieuvergunning, dan worden de inlichtingen in de zogenaamde verlengingsaanvraag aan het BIM betekend.
  § 2. De in § 1 vermelde betekening heeft betrekking op de volgende inlichtingen :
  1° naam, firmanaam en adres van de houder van de vergunning;
  2° referentie van de vergunning(en) die nog geldig is (zijn);
  3° aantal pistolen, jaarlijks debiet per type brandstof;
  4° afschrift van de dichtheidsattesten voor alle houders afgegeven door een bevoegd deskundige (met duidelijke identificatie van elke houder);
  5° planning van de werkzaamheden om de installaties in overeenstemming te brengen met de bepalingen van dit besluit.

  Art. 70. Bij de vernieuwing van de milieuvergunning dient het aanvraagdossier, naast de hierboven vermelde documenten, ook afschriften te bevatten van de getuigschriften en verslagen die voorzien zijn in dit besluit.

  Art. 71.§ 1. Dit besluit is van bij zijn inwerkingtreding van toepassing op de nieuwe benzinestations.
  § 2. Artikel 15, § 1, is van toepassing op de bestaande, al dan niet vernieuwde benzinestations 3 jaar na de bekendmaking van het besluit in het Belgisch Staatsblad.
  § 3. [2 De artikelen 5 tot 14, 15, § 2 en § 3, 16, 18 tot 66 en 72 worden van toepassing]2 :
  1° op 01.01.2001 : voor de benzinestations die niet vernieuwd zijn en gelegen zijn onder een gebouw en waarvan het debiet meer dan 1 miljoen liter per jaar bedraagt, evenals de benzinestations die niet vernieuwd zijn en gelegen zijn in een beschermd waterwinningsgebied;
  2° op 01.01.2004 : voor de benzinestations die niet vernieuwd zijn en gelegen zijn onder een gebouw en waarvan het debiet minder dan 1 miljoen liter per jaar bedraagt, evenals de benzinestations die niet vernieuwd zijn en waarvan de houders enkelwandig zijn en dateren van voor 1975;
  3° op 01.01.2006 : voor de andere benzinestations die niet vernieuwd zijn;
  4° op 01.01.2007 : voor de vernieuwde benzinestations.
  § 4. [2 Met het oog op de artikelen 17 en 17bis, en met uitzondering van de benzinestations die uitsluitend in verband met de vervaardiging en aflevering van nieuwe motorvoertuigen worden gebruikt, worden alle nieuwe en alle bestaande benzinestations die uitgebreid worden vernieuwd, zoals bij een vervanging van de houder, voorzien van een fase II-benzinedampterugwinningssysteem wanneer :
   - het feitelijke of het voorziene debiet daarvan meer dan 500 m3; per jaar bedraagt; of
   - het feitelijke of het voorziene debiet daarvan meer dan 100 m3; per jaar bedraagt en het gelegen is onder permanente woon- of werkruimten.
   Alle bestaande benzinestations met een debiet van meer dan 3 000 m3; moeten uiterlijk op 31 december 2018 zijn voorzien van een fase II-benzinedampterugwinningssysteem.]2
  § 5. [1 Artikelen 21 tot 66 zijn slechts van toepassing op de benzinestations die uitgebaat worden als verkooppunt van brandstof aan het publiek na het van kracht worden van dit besluit.]1
  ----------
  (1)<BESL 2009-12-17/20, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<BESL 2012-04-26/14, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 08-05-2012>

  Art. 72. De artikelen 583 tot en met 599 van het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming worden opgeheven voor wat de ingedeelde inrichtingen betreft waarvan sprake is in dit besluit.

  Art. 73. De exploitant moet een exploitatieverzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid afsluiten die de schade dekt die per ongeluk door de exploitatie of het gebruik van de ingedeelde installaties veroorzaakt wordt.

  Art. 74. De Minister tot wiens bevoegdheid leefmilieu behoort, is belast met de uitvoering van dit besluit.

  Art. 75. Bij wijze van overgangsbepaling en voor een looptijd van één jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit, worden de bestaande adviesbureaus geacht erkend te zijn op voorwaarde dat ze bij het verstrijken van bewuste overgangsperiode hun toestand in orde hebben gebracht.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage I. A. De normen zijn vastgesteld voor de volgende vier sensibiliteitsklassen :
  1. stedelijke industriegebieden, gebieden voor haven- of vervoeractiviteiten, spoorweggebieden voor zover ze niet voor andere activiteiten worden bestemd (Ind. Geb.);
  2. woongebieden, gebieden met gemengd karakter, gebieden voor uitrustingen van collectief belang of van openbare diensten, administratiegebieden (W. Geb.);
  3. groengebieden en landbouwgebieden die in hoofdzaak bestemd worden voor beplanting, ontspanning- en openluchtactiviteiten en sportactiviteiten in de open lucht, gebieden voorbehouden voor landbouw alsook de grondreservegebieden, tenzij ze voor andere activiteiten worden bestemd (Recr. Geb.);
  4. bijzondere aandachtsgebieden (Bijz. Geb.) waaronder :
  - beschermingszones voor grondwaterwinning;
  - gebieden voor de opslag van water voor menselijke consumptie;
  - gebieden met grote biologische waarde waarvan de biotoop zeer gevoelig is of een bijzonder belang heeft volgens de aanbevelingen van het BIM uit 1994;
  - gebieden ter bescherming van het oppervlaktewateren, in verband met bodems die zich in de nabijheid van afvoerwegen bevinden (beken, kanaal, Zenne) waarvan de verontreiniging de vervuiling van de oppervlaktewateren dreigt te vergroten.
  B. De gebieden van gewestelijk belang en de gebieden van gewestelijk belang met uitgestelde aanleg worden ondergebracht in de sensibiliteitsklasse die met hun bestemming strookt; bij gebreke hieraan maken ze deel uit van sensibiliteitsklasse 2.

  Art. N2. Bijlage II. - Inlichtingen die vermeld dienen te worden in het voorstel van het prospectief onderzoek.
  Het voorstel van het onderzoek omvat :
  - algemene inlichtingen :
  . de naam en firmanaam van de onderneming;
  . het juiste en volledige adres van de onderneming en haar maatschappelijke zetel;
  . de naam van de exploitant;
  . de naam van de contactpersoon ter plaatse;
  . de naam en de gegevens van de eigenaar(s) van de site;
  . de kadastrale legger en het kadasterplan van de site en de oppervlakte van de percelen die het geografische geheel van de exploitatie vormen;
  - een historiek van de site en de exploitatie die aan de gang is of stopgezet wordt :
  . aard van de huidige of vroegere activiteiten op het terrein;
  . ligging van de verschillende bestaande of vroeger aanwezige installaties en hun plaats;
  . wijziging van de plaats van de installaties;
  . ongevallen en incidenten die zich voorgedaan hebben;
  . identificatie en localisatie van de plaatsen met het grootste risico op verontreiniging;
  . samenvatting en een exemplaar van het(de) onderzoek(en) over de verontreiniging van de bodem en het grondwater, of van reeds uitgevoerde geotechnische onderzoeken;
  - geologische, hydrologische en hydrogeologische inlichtingen :
  . kenmerken van de fysieke omgeving, topografie en oppervlakte van de site;
  . geologische en stratigrafische kenmerken van de site;
  . hydrologie en hydrogeologie van de site;
  . aanwezigheid van ophogingen of belangrijke veranderingen van de bodem;
  . aanwezigheid van waterwinningsputten die zich hydrogeologisch stroomopwaarts en stroomafwaarts bevinden en op het terrein van de site, evenals het pompdebiet van deze putten, de klasse van de vergunning hiervoor en de maximale straal van de grondwaterverlagingsconus van elke put als die gekend is;
  - het voorstel van het onderzoek zelf dient te bevatten :
  . een duidelijk plan van de installaties (bijvoorbeeld de tanks) en van de site met een numerieke en grafische schaal, met aanduiding van de vier windstreken en andere nuttige geografische herkenningspunten;
  . dit plan moet de plaats van de voorziene boorpunten zo precies mogelijk weergeven;
  . de plaats van de boorpunten plus een verantwoording;
  . de analysemethoden die gebruikt zullen worden voor elke parameter die in het water en de bodem onderzocht zal worden;
  . de naam van het laboratorium dat de grondwater- en bodemstalen zal analyseren;
  . een zo correct mogelijke schatting van het aantal stalen dat genomen zal worden voor de analyse;
  . de wijze waarop de boringen verricht zullen worden en de plaatsing van de piëzometers;
  . de diepte van de boringen, de diameter van de boringen en de technische kenmerken ervan;
  . de technische beschrijving van de piëzometers (materialen, openingspercentage of permeabiliteit van de filters, afmetingen);
  . het verwachte niveau van het grondwater;
  . de wijze waarop de bodem- en grondwaterstalen geselecteerd, genomen en bewaard zullen worden.
  Het voorstel van het onderzoek moet worden gedateerd en ondertekend door de verantwoordelijke voor het voorstel en door de directeur van het studiebureau of zijn afgevaardigde.

  Art. N3. Bijlage III. - Formulier dat ingevuld moet worden bij het voorstel van het prospectief onderzoek.
  (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-03-1999, p. 9449 - 9450).

  Art. N4. Bijlage IV. - Het verslag van het prospectief onderzoek.
  Het verslag dient te bevatten :
  - herhaling van de historiek;
  - opmerkingen bij de boringen en het nemen van de stalen;
  - een afzonderlijke ,samenvattende tabel met de analyses van de bodem- en grondwaterstalen die er als volgt uitziet :
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-03-1999, p. 9451).
  Ook de volgende elementen moeten in het verslag opgenomen worden :
  - plan van de exacte plaats van de boorpunten bovenop een plan van de installaties, met een numerieke en grafische schaal;
  - plan met de kenmerken van de grondwaterlaag: hoogte, stroomrichting, permeabiliteitscoëfficienten, gradiënt, aanwezigheid van een drijvende laag, enz.;
  - topografische beschrijving die de gegevens die bij het voorstel van het onderzoek verzameld werden, bevestigt of aanvult: plaats, reliëf, diepte van de boringen en de grondwaterlaag;
  - besluiten en commentaren van de verantwoordelijke voor het onderzoek met betrekking tot de omvang van de verontreiniging.
  De bijlage van het verslag :
  - beschrijving van de lithologische profielen ontwikkeld bij elke boring.
  Deze lithologische beschrijving moet volgens een bepaald schema opgesteld zijn en de volgende elementen bevatten :
  - lithologische beschrijving van de bodem met behulp van de grafische symbolen voor elk type van bodem. De legende van de grafische symbolen dient duidelijk aangegeven te worden in het verslag. Deze beschrijving wordt opgesteld aan de hand van de Belgische nomenclatuur inzake bodembeschrijvingen in de gevallen waar een granulometrische analyse uitgevoerd wordt;
  - diepte van de boringen;
  - plaats van de grondwaterlaag/grondwaterlagen;
  - organoleptische waarnemingen betreffende de bodem, het grondwater en de verontreiniging;
  - piëzometrische hoogten worden omgezet in geodetische hoogten volgens het nationaal referentiesysteem en in relatieve hoogten (ten opzichte van een referentiepunt op de site);
  - de ruwe resultaten van de analyses moeten worden gedateerd en ondertekend door de verantwoordelijke van het laboratorium dat de analyses uitvoert;
  - datum en uur van het nemen van de stalen;
  - datum en uur van ontvangst van de stalen in het laboratorium;
  - datum en uur van de analyse van de stalen.
  Het verslag moet worden gedateerd en ondertekend door de verantwoordelijke voor het onderzoek en de directeur van het studiebureau of zijn afgevaardigde.

  Art. N5. Bijlage V. Het verslag van het nader onderzoek.
  Het verslag dient te bevatten :
  - opmerkingen bij de boringen en het nemen van de stalen;
  - een afzonderlijke, samenvattende tabel met de analyses van de bodem- en grondwaterstalen die er als volgt uitziet :
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 24-03-1999, p. 9452);
  - plan van de exacte plaats van de boorpunten bovenop een plan van de installaties, met een numerieke en grafische schaal;
  - plan met de kenmerken van de grondwaterlaag : hoogte, stroomrichting, permeabiliteitscoëfficienten, gradiënt, aanwezigheid van een drijvende laag, enz.;
  - topografische beschrijving die de gegevens die bij het voorstel van het onderzoek verzameld werden, bevestigt of aanvult: plaats, reliëf, diepte van de boringen en de grondwaterlaag;
  - besluiten en commentaren van de verantwoordelijke voor het onderzoek met betrekking tot de omvang van de verontreiniging.
  De bijlage van het verslag :
  - beschrijving van de lithologische profielen ontwikkeld bij elke boring.
  Deze lithologische beschrijving moet volgens een bepaald schema opgesteld zijn en de volgende elementen bevatten :
  - lithologische beschrijving van de bodem met behulp van de grafische symbolen voor elk type van bodem. De legende van de grafische symbolen dient duidelijk aangegeven te worden in het verslag. Deze beschrijving wordt opgesteld aan de hand van de Belgische nomenclatuur inzake bodembeschrijvingen in de gevallen waar een granulometrische analyse uitgevoerd wordt;
  - diepte van de boringen;
  - plaats van de grondwaterlaag/grondwaterlagen;
  - organoleptische waarnemingen betreffende de bodem, het grondwater en de verontreiniging;
  - piëzometrische hoogten worden omgezet in geodetische hoogten volgens het nationaal referentiesysteem en in relatieve hoogten (ten opzichte van een referentiepunt op de site);
  - de ruwe resultaten van de analyses moeten worden gedateerd en ondertekend door de verantwoordelijke van het laboratorium dat de analyses uitvoert;
  - datum en uur van het nemen van de stalen;
  - datum en uur van ontvangst van de stalen in het laboratorium;
  - datum en uur van de analyse van de stalen.
  Het verslag moet worden gedateerd en ondertekend door de verantwoordelijke voor het onderzoek en de directeur van het studiebureau of zijn afgevaardigde.

  Art. N6. Bijlage VI. - Normen voor het nemen van bodem- en grondwaterstalen.
  Normen voor het nemen van bodemstalen :
  - afvalstoffenanalyse Compendium - December 1991 - OVAM;
  - norm ISO CD 10831 - 2.3 - 1993;
  - soil quality sampling - Part 2 : guidance on sampling techniques;
  - nederlandse norm NEN 5119, geotechniek - boren en monsterneming in grond (1ste druk december 1991).
  Normen voor het nemen van grondwaterstalen :
  - NBN - EN 25667 - 1 : waterkwaliteit - monsterneming - Deel 1 : algemene richtlijn voor de opstelling van monsternemingsprogramma's;
  - NBN - EN 25667 - 2 : waterkwaliteit - monsterneming - Deel 2 : algemene richtlijn voor monsternemingstechnieken;
  - norm ISO 5667 - 3 : waterkwaliteit - monsterneming - Deel 3 : algemene richtlijn voor de bewaring en behandeling van monsters;
  - norm ISO/DIS 5667 - 11 : waterkwaliteit - monsterneming - Deel 11 : algemene richtlijn voor monsterneming van het grondwater.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 21 januari 1999.
Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-Voorzitter,
Ch. PICQUE
De Minister van Leefmilieu,
D. GOSUIN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
   Gelet op de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;
   Gelet op de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   Gelet op het advies van de Raad voor het Leefmilieu, gegeven op 26 januari 1998;
   Gelet op de hoogdringendheid gemotiveerd door de omstandigheid dat het opstellen van de tekst van dit besluit meerdere jaren van onderhandeling heeft vereist met de betrokken sector vertegenwoordigd door de Belgische Petroleumfederatie, de Groepering van Brandstofverkopers van België en Federauto; dat sinds februari 1998, datum waarop de tekst voor het eerst aan de afdeling wetgeving van de Raad van State werd voorgelegd, de sectoren de toepassing ervan eisen en dat de Regering niet langer het tijdsverschil tussen het opstellen van de tekst en de uitvoering ervan kan verantwoorden;
   Dat bovendien het besluit een tijdsschema bevat dat in overleg met de sector werd uitgewerkt: het betreft met name een termijn waarover de uitbaters beschikken om hun benzinestation in overeenstemming te brengen met de bepalingen van dit besluit, een termijn die alsmaar korter wordt zolang het besluit niet wordt aangenomen;
   Dat ten slotte het ontbreken in Brussel van een normatief kader op dat gebied niet langer mag blijven voortduren aangezien momenteel los van dit besluit onderhandelingen aan de gang zijn tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de andere Gewesten en de federale Staat met het oog op de oprichting van een fonds om de bodemsanering van benzinestations te financieren;
   Gelet op het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, gegeven op 30 december 1998 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 02-07-2015 GEPUBL. OP 10-07-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 17BIS; 19)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 26-04-2012 GEPUBL. OP 08-05-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 17; 17bis-17quater; 19; 71)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 15-12-2011 GEPUBL. OP 30-01-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 65; 67)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 28-10-2010 GEPUBL. OP 23-11-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 21; 22; 30; 32; 34; 45; 59; 63)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 17-12-2009 GEPUBL. OP 08-01-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 71)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 09-12-2004 GEPUBL. OP 13-01-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 71)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 6 gearchiveerde versies
    Franstalige versie