J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 2 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
17 JULI 1998. - Statuut van Rome inzake het Internationale Strafregister
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-12-2000 en tekstbijwerking tot 03-03-2014)

Bron : BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL.INTERNATIONALE SAMENWERKING
Publicatie : 01-12-2000 nummer :   2000A15097 bladzijde : 40368   BEELD
Dossiernummer : 1998-07-17/62
Inwerkingtreding : 01-07-2002

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Oprichting van het Hof.
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - Rechtsmacht, ontvankelijkheid en toepasselijk recht.
Art. 5-8, 8bis, 9-15, 15bis, 15ter, 16-21
HOOFDSTUK III. - Algemene beginselen van strafrecht.
Art. 22-33
HOOFDSTUK IV. - Samenstelling en dagelijks bestuur van het Hof.
Art. 34-52
HOOFDSTUK V. - Onderzoek en vervolging.
Art. 53-61
HOOFDSTUK VI. - Terechtzitting.
Art. 62-76
HOOFDSTUK VII. - Straffen.
Art. 77-80
HOOFDSTUK VIII. - Beroep en herziening.
Art. 81-85
HOOFDSTUK IX. - Internationale samenwerking en wederzijdse rechtshulp.
Art. 86-102
HOOFDSTUK X. - Tenuitvoerlegging.
Art. 103-111
HOOFDSTUK XI. - Vergadering van Staten die partij zijn.
Art. 112
HOOFDSTUK XII. - Financiering.
Art. 113-118
HOOFDSTUK XIII. -Slotbepalingen.
Art. 119-128
BIJLAGE.
Art. N, N0, 1N, 2N, 3N, 4N, 5N, 6N, 7N, 8N, 9N, 10N, 11N, 12N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Oprichting van het Hof.

  Artikel 1. Het Hof Een Internationaal Strafgerechtshof (" het Hof ") wordt hierbij opgericht. Het is een permanente instelling met de bevoegdheid rechtsmacht uit te oefenen over personen ter zake van de in dit Statuut bedoelde ernstigste misdaden met internationale draagwijdte, en die complementair zal zijn aan de nationale rechtsmacht in strafzaken. De rechtsmacht en werkwijze van het Hof worden vastgelegd in de bepalingen van dit Statuut.

  Art. 2. Samenhang van het Hof met de Verenigde Naties
  De samenhang van het Hof met de Verenigde Naties wordt geregeld door middel van een overeenkomst die moet worden goedgekeurd door de Vergadering van de Staten die Partij zijn bij dit Statuut en daarna door de voorzitter van het Hof in naam van het Hof moet worden gesloten.

  Art. 3. Zetel van het Hof
  1. De zetel van het Hof wordt gevestigd te Den Haag, Nederland (" de Gaststaat ").
  2. Het Hof sluit met de Gaststaat een zetelovereenkomst die moet worden goedgekeurd door de Vergadering van de Staten die Partij zijn en daarna door de voorzitter van het Hof in naam van het Hof moet worden gesloten.
  3. Het Hof kan elders zitting houden wanneer het dit wenselijk acht, overeenkomstig het bepaalde in dit Statuut.

  Art. 4. Wettelijke status en bevoegdheden van het Hof
  1. Het Hof bezit internationale rechtspersoonlijkheid. Tevens bezit het de handelingsbevoegdheid die nodig is voor de uitoefening van zijn functies en de verwezenlijking van zijn doelstellingen.
  2. Het Hof kan zijn functies en bevoegdheden uitoefenen op de wijze bepaald in dit Statuut op het grondgebied van een Staat die Partij is, alsmede, krachtens een bijzondere overeenkomst, op het grondgebied van een andere staat.

  HOOFDSTUK II. - Rechtsmacht, ontvankelijkheid en toepasselijk recht.

  Art. 5.Misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft
  1. De rechtsmacht van het Hof is beperkt tot de ernstigste misdaden die de internationale gemeenschap in haar geheel met zorg vervullen. Het Hof heeft overeenkomstig het Statuut rechtsmacht ter zake van de volgende misdaden :
  (a) de misdaad van genocide;
  (b) misdaden tegen de mensheid;
  (c) oorlogsmisdaden;
  (d) de misdaad van agressie.
  2. [1 ...]1.
  ----------
  (1)<V 2010-06-11/25, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 26-11-2014>

  Art. 6. Misdaad van genocide
  Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder genocide : een van de volgende handelingen gepleegd met de bedoeling geheel of gedeeltelijk een nationale, etnische of godsdienstige groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras, als zodanig te vernietigen :
  (a) het doden van leden van de groep;
  (b) het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;
  (c) het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging;
  (d) het opleggen van maatregelen bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;
  (e) het gedwongen overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.

  Art. 7. Misdaden tegen de mensheid
  1. Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder misdaad tegen de mensheid : een van de volgende handelingen, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval :
  (a) moord;
  (b) uitroeiing;
  (c) slavernij;
  (d) deportatie of gedwongen overbrenging van bevolking;
  (e) gevangenneming of elke andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met de fundamentele regels van internationaal recht;
  (f) marteling;
  (g) verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie, of elke andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst;
  (h) vervolging van een identificeerbare groep of collectiviteit op politieke, raciale gronden of gronden betreffende nationaliteit, op etnische, culturele of godsdienstige gronden of op grond van het geslacht, zoals nader omschreven is in het derde punt, of op andere gronden die algemeen ontoelaatbaar worden geacht krachtens het internationaal recht, in verband met in dit punt bedoelde handelingen of een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft;
  (i) gedwongen verdwijningen;
  (j) apartheid;
  (k) andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.
  2. Voor de toepassing van het eerste punt wordt verstaan onder :
  (a) aanval gericht tegen een burgerbevolking : een wijze van optreden die het meermalen plegen van in het eerste punt bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking met zich brengt ter uitvoering of met de oog op de voortzetting van het beleid van een Staat of ter organisatie tot het plegen van een dergelijke aanval;
  (b) uitroeiing : inzonderheid het opzettelijk opleggen van levensvoorwaarden, onder andere de onthouding van toegang tot voedsel en geneesmiddelen, bedoeld om de vernietiging van een deel van een bevolking te bewerkstelligen;
  (c) slavernij : de uitoefening van een of alle bevoegdheden verbonden aan het recht van eigendom over een persoon, met inbegrip van de uitoefening van deze bevoegdheid bij mensenhandel, in het bijzonder handel in vrouwen en kinderen met het oog op seksuele uitbuiting;
  (d) deportatie of gedwongen overbrenging van bevolking : het verplaatsen van de desbetreffende personen door verdrijving of andere dwangmaatregelen uit het gebied waarin zij zich rechtmatig bevinden zonder dat daartoe krachtens het internationaal recht gronden zijn;
  (e) marteling : het opzettelijk toebrengen van ernstige pijn of veroorzaken van ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, aan of van een persoon die zich in bewaring of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt, met dien verstande dat onder marteling niet tevens wordt verstaan pijn of lijden dat louter het gevolg is van, inherent is aan of veroorzaakt is door rechtmatige sancties;
  (f) gedwongen zwangerschap : de onrechtmatige gevangenhouding van een vrouw die gedwongen zwanger is gemaakt, met de opzet de etnische samenstelling van een bevolking te beÔnvloeden of andere ernstige schendingen van het internationaal recht te plegen. Deze definitie mag in geen geval worden uitgelegd als een aantasting van de nationale wetgeving met betrekking tot zwangerschapsonderbreking;
  (g) vervolging : het opzettelijk en in ernstige mate ontnemen van fundamentele rechten in strijd met het internationaal recht op grond van de identiteit van de groep of van de collectiviteit;
  (h) apartheid : onmenselijke handelingen analoog aan de in het eerste punt bedoelde handelingen en die worden bedreven in het kader van een geÔnstitutionaliseerd regime van systematische onderdrukking en overheersing door een groep van een bepaald ras van een of meer andere groepen van een ander ras en worden gepleegd met de opzet dat regime in stand te houden;
  (i) gedwongen verdwijningen : het arresteren, gevangen houden of ontvoeren van personen door of met de machtiging, ondersteuning of bewilliging van een Staat of politieke organisatie, gevolgd door een weigering een dergelijke ontneming van vrijheid te erkennen of informatie te verstrekken over het lot of de verblijfplaats van die personen, met de opzet hen langdurig buiten de bescherming van de wet te plaatsen.
  3. Voor de toepassing van dit Statuut verwijst het begrip geslacht naar de beide geslachten, zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht, naargelang de context van de maatschappij. Onder geslacht wordt niets anders verstaan dan hetgeen hiervoor is bepaald.

  Art. 8.Oorlogsmisdaden
  1. Het Hof heeft rechtsmacht ter zake van oorlogsmisdaden in het bijzonder wanneer deze worden gepleegd ter uitvoering van een plan of beleid of als onderdeel van het op grote schaal plegen van dergelijke misdaden.
  2. Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder oorlogsmisdaden :
  (a) ernstige inbreuken op de Verdragen van GenŤve van 12 augustus 1949, met name een van de volgende handelingen tegen personen of eigendommen die zijn beschermd krachtens de bepalingen van de Verdragen van GenŤve :
  (i) het opzettelijk doden;
  (ii) het martelen of onmenselijk behandelen, met inbegrip van biologische experimenten;
  (iii) het opzettelijk veroorzaken van ernstig lijden of zwaar lichamelijk letsel of ernstige schade aan de gezondheid;
  (iv) het op grote schaal vernietigen en zich toeŽigenen van eigendommen dat niet door militaire noodzaak wordt gerechtvaardigd en dat ongeoorloofd en moedwillig plaatsvindt;
  (v) het dwingen van een krijgsgevangene of een andere beschermde personen om dienst te nemen bij de strijdkrachten van een vijandige mogendheid;
  (vi) het opzettelijk onthouden aan een krijgsgevangene of aan een andere beschermde personen van het recht op een eerlijke en onpartijdige berechting;
  (vii) het onwettig deporteren of overbrengen of onrechtmatig opsluiten;
  (viii) het nemen van gijzelaars.
  (b) Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die toepasselijk zijn in een internationaal gewapend conflict in het gevestigde kader van het internationale recht, met name een van de volgende handelingen :
  (i) het opzettelijk richten van aanvallen op de burgerbevolking als zodanig of op individuele burgers die niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden;
  (ii) het opzettelijk richten van aanvallen op burgerdoelen, die geen militaire doelwitten zijn;
  (iii) het opzettelijk richten van aanvallen op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, voorzover deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt verleend krachtens het internationale recht inzake gewapende conflicten;
  (iv) het opzettelijk richten van een aanval in de wetenschap dat een dergelijke aanval voor burgers incidentele verliezen aan levens of letsel zal veroorzaken of schade aan burgerdoelen of grote, langdurige en ernstige schade aan natuur en milieu zal aanrichten, die duidelijk buitensporig is in verhouding tot het te verwachten concrete en directe militaire voordeel;
  (v) het aanvallen of bombarderen met wat voor middelen ook van steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet worden verdedigd en geen militaire doelwitten zijn;
  (vi) het doden of verwonden van een strijder die zich, na het neerleggen van zijn wapens of wanneer hij zich niet meer kan verdedigen, onvoorwaardelijk heeft overgegeven;
  (vii) het op ongepaste wijze gebruik maken van een witte vlag, een vlag of de militaire onderscheidingstekens en het uniform van de vijand of van de Verenigde Naties, alsmede van de emblemen van de Verdragen van GenŤve, hetgeen de dood of ernstig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
  (viii) het rechtstreeks of niet rechtstreeks overbrengen door de bezettingsmacht van delen van de eigen burgerbevolking naar het bezette grondgebied, of de deportatie of het overbrengen van de gehele of delen van de bevolking van het bezette grondgebied binnen of buiten dat grondgebied;
  (ix) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voorzover deze niet worden gebruikt voor militaire doeleinden;
  (x) het onderwerpen van personen die zich in de macht van de tegenpartij bevinden aan lichamelijke verminking of medische of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet door de geneeskundige behandeling worden verantwoord noch in hun belang worden uitgevoerd, en die de dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen;
  (xi) het op verraderlijke wijze doden of verwonden van personen die behoren tot de vijandige natie of het vijandige leger;
  (xii) het verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
  (xiii) het vernietigen of in beslag nemen van eigendommen van de vijand tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van dwingende oorlogsomstandigheden;
  (xiv) het gerechtelijk vervallen verklaren, schorsen of niet-ontvankelijk verklaren van de rechten en handelingen van de onderdanen van de vijandige partij;
  (xv) het dwingen van de onderdanen van de vijandige partij om deel te nemen aan oorlogshandelingen gericht tegen hun eigen land, ook als zij voor de aanvang van de oorlog in dienst van de oorlogvoerende partij waren;
  (xvi) het plunderen van een stad of plaats, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;
  (xvii) het gebruiken van gif of giftige wapens;
  (xviii) het gebruiken van verstikkende, giftige of andere gassen en overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten;
  (xix) het gebruiken van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of die is voorzien van inkepingen;
  (xx) het gebruiken van wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering die van aard zijn om overbodig letsel of nodeloos lijden te veroorzaken of die zonder meer in strijd zijn met het internationaal recht inzake gewapende conflicten, voorzover dergelijke wapens, projectielen, materieel en wijzen van oorlogvoering vallen onder een algeheel verbod en zijn opgenomen in een bijlage bij dit Statuut, krachtens een amendement overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de artikelen 121 en 123;
  (xxi) het schenden van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;
  (xxii) het toepassen van verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie of andere vormen van seksueel geweld, die een ernstige schending van de Verdragen van GenŤve opleveren;
  (xxiii) het gebruik maken van de aanwezigheid van een burger of een andere beschermde persoon teneinde bepaalde punten, gebieden of strijdkrachten te vrijwaren van militaire operaties;
  (xxiv) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, alsmede op personeel dat overeenkomstig het internationaal recht gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van GenŤve;
  (xxv) het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering door hun voorwerpen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor hun overleving, inzonderheid het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen waarin is voorzien in de Verdragen van GenŤve;
  (xxvi) het onder de wapenen roepen of het in militaire dienst nemen van kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten of hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden.
  (c) In geval van een gewapend conflict dat niet internationaal van aard is, ernstige schendingen van artikel 3 van ieder van de vier Verdragen van GenŤve van 12 augustus 1949, te weten een van de volgende handelingen begaan tegen personen die niet rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden, waaronder leden van strijdkrach ten die hun wapens hebben neergelegd en degenen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwondingen, gevangenschap of andere oorzaken :
  (i) geweldpleging gericht op het leven en de lichamelijk integriteit, inzonderheid alle vormen van moord, verminking, wrede behandeling en marteling;
  (ii) aantasting van de persoonlijke waardigheid, inzonderheid vernederende en onterende behandeling;
  (iii) het nemen van gijzelaars;
  (iv) het uitspreken van vonnissen en ten uitvoer leggen van executies zonder voorafgaand vonnis uitgesproken door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt die algemeen als onmisbaar worden erkend.
  (d) Het tweede punt, c, is van toepassing op gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen, zoals oproer, geÔsoleerde en sporadische gewelddadigheden of andere soortgelijke handelingen.
  (e) Andere ernstige schendingen van de wetten en gebruiken die gelden in geval van gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn, binnen het gevestigde kader van het internationaal recht, te weten een van de volgende handelingen :
  (i) het opzettelijk richten van aanvallen op de burgerbevolking als zodanig of op burgers die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen;
  (ii) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen, materieel, medische eenheden en transport, en personeel dat gebruik maakt van de emblemen van de Verdragen van GenŤve overeenkomstig het internationaal recht;
  (iii) het opzettelijk richten van aanvallen op personeel, installaties, materieel, eenheden of voertuigen betrokken bij humanitaire hulpverlening of vredesmissies overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, voorzover deze recht hebben op de bescherming die aan burgers of burgerdoelen wordt verleend krachtens het internationaal recht inzake gewapende conflicten;
  (iv) het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voorzover deze niet worden gebruikt voor militaire doeleinden;
  (v) het plunderen van een stad of plaats, ook wanneer deze bij een aanval wordt ingenomen;
  (vi) het toepassen van verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap zoals gedefinieerd in artikel 7, tweede punt, f, gedwongen sterilisatie en andere vormen van seksueel geweld die een ernstige schending zijn van de Verdragen van GenŤve;
  (vii) het onder de wapenen roepen of het in militaire dienst nemen van kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij strijdkrachten of hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden;
  (viii) het bevel geven tot verplaatsing van de burgerbevolking om redenen die verband houden met het conflict, tenzij de veiligheid van de betrokken burgers of dwingende militaire redenen dit vereisen;
  (ix) het op verraderlijke wijze doden of verwonden van een vijandelijke strijder;
  (x) het verklaren dat geen kwartier zal worden verleend;
  (xi) het onderwerpen van personen die zich in de macht van een andere partij bij het conflict bevinden aan lichamelijke verminking of aan geneeskundige of wetenschappelijke experimenten van welke aard ook, die niet door de geneeskundige behandeling worden verantwoord, noch in hun belang worden uitgevoerd, en die de dood ten gevolge hebben of de gezondheid van die persoon of personen ernstig in gevaar brengen;
  (xii) het vernietigen of in beslag nemen van eigendommen van een tegenstander tenzij deze vernietiging of inbeslagneming dringend vereist is als gevolg van de dwingende omstandigheden van het conflict;
  [3 xiii) het gebruik van gif of giftige wapens;
   xiv) het gebruik van verstikkende, giftige of andere gassen en overige soortgelijke vloeistoffen, materialen of apparaten; en
   xv) het gebruik van kogels die in het menselijk lichaam gemakkelijk in omvang toenemen of platter en breder worden, zoals kogels met een harde mantel die de kern gedeeltelijk onbedekt laat of voorzien is van inkepingen.]3
  (f) Het tweede punt, e, is van toepassing op gewapende conflicten die niet internationaal van aard zijn en geldt derhalve niet voor gevallen van interne onlusten en spanningen zoals oproer, geÔsoleerde en sporadische gewelddadigheden of soortgelijke handelingen. Het geldt voor gewapende conflicten die plaatsvinden op het grondgebied van een Staat in het geval van een langdurig gewapend conflict tussen de officiŽle autoriteiten en georganiseerde gewapende groepen of tussen deze groepen onderling.
  3. Het tweede punt, c en e, laat onverlet de verantwoordelijkheid van een regering om de openbare orde in de Staat te handhaven of te herstellen of om de eenheid en territoriale integriteit van de Staat met alle legitieme middelen te verdedigen.

  Art. 8bis. [1 De misdaad van agressie
   1. Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder misdaad van agressie : het plannen, voorbereiden, in gang zetten of uitvoeren, door een persoon die in de positie verkeert daadwerkelijk controle uit te oefenen over of leiding te geven aan het politieke of militaire optreden van een Staat, van een daad van agressie die door zijn aard, ernst en schaal een onmiskenbare schending vormt van het Handvest van de Verenigde Naties.
   2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder " daad van agressie " : het gebruik van wapengeweld door een Staat tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere Staat, of op enige andere wijze die onverenigbaar is met het Handvest van de Verenigde Naties. Elk van de volgende handelingen wordt, ongeacht of er een oorlogsverklaring is, in overeenstemming met resolutie 3314 (XXIX) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 14 december 1974, als een daad van agressie aangemerkt :
   a) de invasie of aanval door de strijdkrachten van een Staat van respectievelijk op het grondgebied van een andere Staat, of een militaire bezetting, ook als deze van tijdelijke aard is, die het gevolg is van deze invasie of aanval, of enige annexatie door middel van geweld van het grondgebied van een andere Staat of deel daarvan;
   b) het bombarderen door de strijdkrachten van een Staat van het grondgebied van een andere Staat of het gebruik van enig wapen door een Staat tegen het grondgebied van een andere Staat;
   c) de blokkade van de havens of kusten van een Staat door de strijdkrachten van een andere Staat;
   d) een aanval door de strijdkrachten van een Staat op de land-, zee- of luchtstrijdkrachten of de zee- en luchtvloot van een andere Staat;
   e) de inzet van strijdkrachten van een Staat die met instemming van de ontvangende Staat op het grondgebied van een andere Staat aanwezig zijn, in strijd met de voorwaarden vervat in de daarop betrekking hebbende overeenkomst of een verlenging van hun aanwezigheid op dit grondgebied na het verstrijken van de overeenkomst;
   f) het optreden van een Staat waarbij wordt toegestaan dat zijn grondgebied, dat hij aan een andere Staat ter beschikking heeft gesteld, door die andere Staat wordt gebruikt om een daad van agressie te plegen tegen een derde Staat;
   g) het sturen door of namens een Staat van gewapende bendes, groepen, ongeordende troepen of huurlingen, die met wapengeweld gepaard gaande handelingen plegen tegen een andere Staat die zo ernstig zijn dat zij gelijkstaan met de hierboven genoemde handelingen, of die daar in aanzienlijke mate bij betrokken zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij V 2010-06-11/25, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 26-11-2014>

  Art. 9.Bestanddelen van misdaden
  1. [1 Elementen van misdrijven helpen het Hof bij de interpretatie en toepassing van de artikelen 6, 7, 8 en 8bis.]1
  2. Wijzigingen in de bestanddelen van misdaden kunnen worden voorgesteld door :
  (a) een Staat die Partij is;
  (b) de rechters die optreden bij absolute meerderheid;
  (c) de aanklager.
  Deze wijzigingen moeten worden goedgekeurd met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van de Staten die Partij zijn.
  3. De bestanddelen van misdaden en wijzigingen daarop moeten verenigbaar zijn met dit Statuut.
  ----------
  (1)<V 2010-06-11/25, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 26-11-2014>

  Art. 10. Het bepaalde in dit hoofdstuk wordt niet zodanig uitgelegd dat daarmee, op ongeacht welke wijze, een beperking zou worden aangebracht in of inbreuk zou worden gemaakt op bestaande of zich ontwikkelende regels van internationaal recht, die andere doeleinden beogen dan dit Statuut.

  Art. 11. Rechtsmacht ratione temporis
  1. Het Hof bezit alleen rechtsmacht met betrekking tot misdaden die zijn gepleegd na de inwerkingtreding van dit Statuut.
  2. Indien een Staat Partij wordt bij dit Statuut na de inwerkingtreding ervan, kan het Hof zijn rechtsmacht enkel uitoefenen met betrekking tot misdaden die zijn gepleegd na de inwerkingtreding van dit Statuut voor die Staat, tenzij die Staat een verklaring krachtens artikel 12, derde punt, heeft afgelegd.

  Art. 12. 1. Een Staat die Partij wordt bij dit Statuut aanvaardt daardoor de rechtsmacht van het Hof met betrekking tot de misdaden bedoeld in artikel 5.
  2. In de gevallen bedoeld in artikel 13, a of c, kan het Hof zijn rechtsmacht uitoefenen indien een of meer van de volgende Staten Partij zijn bij dit Statuut of de rechtsmacht van het Hof hebben aanvaard overeenkomstig het derde punt :
  (a) de Staat op wiens grondgebied de desbetreffende gedragingen plaatsvonden of, indien de misdaad werd gepleegd aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig, de Staat van registratie van dat vaartuig of luchtvaartuig;
  (b) de Staat waarvan de persoon die van de misdaad wordt beschuldigd onderdaan is.
  3. Indien de aanvaarding van de rechtsmacht van het Hof door een Staat die geen Partij is bij dit Statuut vereist is krachtens het tweede punt, kan die Staat, door middel van een verklaring die bij de griffier wordt neergelegd, de uitoefening ervan door het Hof aanvaarden met betrekking tot de desbetreffende misdaad. De Staat die de uitoefening van rechtsmacht aanvaardt werkt zonder vertraging of uitzondering samen met het Hof overeenkomstig hoofdstuk 9.

  Art. 13. Uitoefening van rechtsmacht
  Het Hof kan zijn rechtsmacht uitoefenen met betrekking tot de daden bedoeld in artikel 5 overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut, indien :
  (a) een situatie waarin een of meer van deze misdaden lijken te zijn gepleegd, overeenkomstig artikel 14 naar de aanklager wordt verwezen door een Staat die Partij is;
  (b) een situatie waarin een of meer van deze misdaden lijken te zijn gepleegd, naar de aanklager wordt verwezen door de Veiligheidsraad, handelend krachtens hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties; of
  (c) de aanklager een onderzoek heeft ingesteld met betrekking tot deze misdaad overeenkomstig artikel 15.

  Art. 14. Verwijzing van een situatie door een Staat die Partij is
  1. Een Staat die Partij is kan een situatie waarin een of meer misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft lijken te zijn gepleegd naar de aanklager verwijzen, waarbij de aanklager wordt verzocht de situatie te onderzoeken teneinde vast te stellen of een of meer duidelijk omschreven personen in staat van beschuldiging moeten worden gesteld wegens het plegen van deze misdaden.
  2. Voorzover mogelijk worden bij de verwijzing de relevante omstandigheden vermeld, vergezeld van alle bewijsstukken die ter beschikking staan van de Staat die het geval verwijst.

  Art. 15. De aanklager
  1. De aanklager kan op eigen initiatief een onderzoek instellen op grond van informatie over misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft.
  2. De aanklager onderzoekt de ernst van de ontvangen informatie. Daartoe kan hij aanvullende informatie vragen aan Staten, organen van de Verenigde Naties, intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties of andere betrouwbare bronnen die hij daarvoor gepast acht en kan hij schriftelijke of mondelinge getuigenverklaringen in ontvangst nemen op de zetel van het Hof.
  3. Indien de aanklager concludeert dat een redelijke grond bestaat om een onderzoek in te stellen, moet hij daartoe een verzoek indienen bij de Kamer van vooronderzoek onder voorlegging van het verzamelde bewijsmateriaal. Slachtoffers kunnen hun mening kenbaar maken bij de Kamer van vooronderzoek overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  4. Indien de Kamer van vooronderzoek, na kennisneming van het verzoek en van het bewijsmateriaal, van mening is dat een redelijke grond bestaat om een onderzoek in te stellen en dat de zaak naar het zich laat aanzien binnen de rechtsmacht van het Hof valt, verleent de Kamer van vooronderzoek toestemming voor het onderzoek, ongeacht latere beslissingen van het Hof met betrekking tot de rechtsmacht en de ontvankelijkheid van een zaak.
  5. De weigering van de Kamer van vooronderzoek om toestemming te verlenen voor een onderzoek vormt geen beletsel voor de indiening door de aanklager van een later verzoek dat op nieuwe feiten of bewijsmateriaal met betrekking tot hetzelfde geval gegrond is.
  6. Indien de aanklager na het vooronderzoek bedoeld in het eerste en tweede punt concludeert dat de verstrekte informatie geen redelijke grond voor een onderzoek oplevert, stelt hij degenen die de informatie hebben verstrekt daarvan in kennis. Dit belet de aanklager niet nadere informatie die hem wordt overgelegd met betrekking tot dezelfde situatie in het licht van nieuwe feiten of bewijsmateriaal in overweging te nemen.

  Art. 15bis. [1 Uitoefening van rechtsmacht ter zake van de misdaad van agressie (Aangifte door een Staat, eigener beweging)
   1. Het Hof is bevoegd rechtsmacht uit te oefenen ter zake van de misdaad van agressie in overeenstemming met artikel 13, onder a) en c), met inachtneming van de bepalingen van dit artikel.
   2. Het Hof is uitsluitend bevoegd rechtsmacht uit te oefenen ter zake van misdaden van agressie die zijn gepleegd een jaar na de bekrachtiging of aanvaarding van de amendementen door dertig Staten die Partij zijn.
   3. Het Hof oefent rechtsmacht ter zake van de misdaad van agressie uit in overeenstemming met dit artikel, met inachtneming van een besluit dat na 1 januari 2017 wordt genomen door dezelfde meerderheid van Staten die Partij zijn als nodig is voor het aannemen van een amendement bij het Statuut.
   4. Het Hof is in overeenstemming met artikel 12 bevoegd rechtsmacht ter zake van een misdaad van agressie uit te oefenen dat voort vloeit uit een daad van agressie gepleegd door een Staat die Partij is, tenzij deze Staat die Partij is vooraf heeft verklaard dat hij een dergelijke rechtsmacht niet aanvaardt door het neerleggen van een verklaring bij de Griffier. Deze verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken en wordt door de Staat die Partij is binnen drie jaar overwogen.
   5. Ten aanzien van een Staat die geen Partij is bij dit Statuut, oefent het Hof zijn rechtsmacht niet uit ter zake van de misdaad van agressie wanneer deze misdaad door onderdanen van die Staat of op zijn grondgebied wordt gepleegd.
   6. Indien de Aanklager concludeert dat er een redelijke basis is om tot een onderzoek naar een misdaad van agressie over te gaan, vergewist hij of zij zich er eerst van of de Veiligheidsraad heeft vastgesteld dat de betreffende Staat een daad van agressie heeft gepleegd. De Aanklager stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in kennis van de situatie voor het Hof, met inbegrip van relevante informatie en documenten.
   7. Indien de Veiligheidsraad een daad van agressie heeft vastgesteld, kan de Aanklager overgaan tot het onderzoek met betrekking tot een misdaad van agressie.
   8. Indien een dergelijke vaststelling niet binnen zes maanden na de datum van kennisgeving is geschied, kan de Aanklager overgaan tot het onderzoek naar een misdaad van agressie op voorwaarde dat de Afdeling Vooronderzoek toestemming heeft gegeven voor het aanvangen van het onderzoek naar een misdaad van agressie in overeenstemming met de in artikel 15 vervatte procedure en de Veiligheidsraad niet anderszins heeft besloten in overeenstemming met artikel 16.
   9. Het vaststellen van een daad van agressie door een orgaan buiten het Hof laat de eigen bevindingen van het Hof uit hoofde van dit Statuut onverlet.
   10. Dit artikel laat de bepalingen met betrekking tot het uitoefenen van rechtsmacht ter zake van andere in artikel 5 genoemde misdrijven onverlet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij V 2010-06-11/25, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 26-11-2014>

  Art. 15ter. [1 Uitoefening van rechtsmacht ter zake van de misdaad van agressie (Aangifte door de Veiligheidsraad)
   1. Het Hof is bevoegd rechtsmacht uit te oefenen ter zake van de misdaad van agressie in overeenstemming met artikel 13, onder b), met inachtneming van de bepalingen van dit artikel.
   2. Het Hof is uitsluitend bevoegd rechtsmacht uit te oefenen ter zake van misdaden van agressie die zijn gepleegd een jaar na de bekrachtiging of aanvaarding van de amendementen door dertig Staten die Partij zijn.
   3. Het Hof oefent rechtsmacht ter zake van het misdaad van agressie uit in overeenstemming met dit artikel, met inachtneming van een besluit dat na 1 januari 2017 wordt genomen door dezelfde meerderheid van Staten die Partij zijn als nodig is voor het aannemen van een amendement bij het Statuut.
   4. Het vaststellen van een daad van agressie door een orgaan buiten het Hof laat de eigen bevindingen van het Hof uit hoofde van dit Statuut onverlet.
   5. Dit artikel laat de bepalingen met betrekking tot het uitoefenen van rechtsmacht ter zake van andere in artikel 5 genoemde misdrijven onverlet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij V 2010-06-11/25, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 26-11-2014>

  Art. 16. Opschorting van onderzoek of vervolging
  Geen onderzoek of vervolging kan worden ingesteld of voortgezet krachtens dit Statuut gedurende een periode van 12 maanden nadat de Veiligheidsraad bij een resolutie die krachtens hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties is goedgekeurd, het verzoek daartoe tot het Hof heeft gericht; een hernieuwd verzoek kan door de Raad worden ingediend onder dezelfde voorwaarden.

  Art. 17. Vragen met betrekking tot ontvankelijkheid
  1. Gelet op het tiende punt van de Preambule en op artikel 1 van dit Statuut kan het Hof een zaak niet-ontvankelijk verklaren indien :
  (a) in de zaak onderzoek of vervolging plaatsvindt door een Staat die ter zake rechtsmacht heeft, tenzij die Staat niet bereid of niet bij machte is om het onderzoek of de vervolging tot een goed einde te brengen.
  (b) in de zaak een onderzoek is ingesteld door een Staat die ter zake rechtsmacht heeft en die Staat beslist heeft de betrokken persoon niet te vervolgen, tenzij de beslissing het gevolg was van het niet bereid of niet bij machte zijn van de Staat om de vervolging tot een goed einde te brengen;
  (c) de betrokken persoon reeds heeft terechtgestaan voor gedragingen waarop de klacht betrekking heeft, en niet door het Hof kan worden berecht krachtens artikel 20, derde punt;
  (d) de zaak niet voldoende ernstig is om verdere stappen van het Hof te verantwoorden.
  2. Bij de vaststelling of er sprake is van het ontbreken van bereidheid van een Staat in een bepaalde zaak beoordeelt het Hof, met inachtneming van de in het internationaal recht erkende beginselen van een behoorlijke rechtsgang, of een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen :
  (a) de procedure werd of wordt ingesteld of de beslissing van de Staat werd genomen teneinde de betrokken persoon te onttrekken aan zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit als bedoeld in artikel 5;
  (b) er is sprake van onverantwoorde vertraging in de procedure die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar is met het voornemen de betrokken persoon te doen terechtstaan;
  (c) de procedure werd of wordt niet gevoerd op een onafhankelijke of onpartijdige wijze, maar op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar is met het voornemen om de betrokken persoon te doen terecht staan.
  3. Bij de bepaling of er in een bijzondere zaak sprake is van onmacht van de Staat, gaat het Hof na of de Staat vanwege een algehele of substantiŽle ineenstorting of de niet-beschikbaarheid van zijn nationale rechterlijke organisatie, niet bij machte is de verdachte in handen te krijgen of het noodzakelijke bewijsmateriaal en de noodzakelijke getuigenverklaringen te verzamelen of anderszins niet bij machte is tot het voeren van de procedure.

  Art. 18. PrejudiciŽle beslissingen betreffende de ontvankelijkheid
  1. Wanneer een situatie naar het Hof is verwezen krachtens artikel 13, a, en de aanklager heeft bepaald dat een redelijke grond bestaat om een onderzoek in te stellen, of de aanklager opent een onderzoek krachtens artikel 13, c, en artikel 15, stelt de aanklager alle Staten die Partij zijn hiervan in kennis, alsmede die Staten die, gelet op de beschikbare informatie normaliter rechtsmacht zouden uitoefenen ter zake van de betrokken misdaden. De aanklager kan de kennisgeving op vertrouwelijke grond aan deze Staten verstrekken en kan, als hij dit noodzakelijk acht ter bescherming van personen, om de vernietiging van bewijsmateriaal te voorkomen of personen het vluchten te beletten, de omvang van de aan Staten te verstrekken informatie beperken.
  2. Binnen een maand na ontvangst van die kennisgeving kan een Staat het Hof meedelen dat hij een onderzoek instelt of heeft ingesteld met betrekking tot zijn onderdanen of anderen waarover hij rechtsmacht bezit inzake strafbare handelingen die misdaden kunnen opleveren als bedoeld in artikel 5 en verband houden met de aan de Staten verstrekte informatie. Op verzoek van die Staat treedt de aanklager terug ten behoeve van het onderzoek van de Staat naar die personen, tenzij de Kamer van vooronderzoek, op verzoek van de aanklager, beslist het onderzoek zelf te voeren.
  3. Dit terugtreden van de aanklager ten behoeve van het onderzoek van een Staat staat voor herziening open zes maanden na de datum van de terugtreding of telkens wanneer het niet-bereid of niet bij machte zijn van de Staat om het onderzoek tot een goed einde te leiden de omstandigheden aanzienlijk wijzigt.
  4. De betrokken Staat of de aanklager kan tegen een beslissing van de Kamer van vooronderzoek beroep instellen bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 82, tweede punt. Het beroep kan volgens een versnelde procedure worden behandeld.
  5. Wanneer de aanklager is teruggetreden ten behoeve van een onderzoek overeenkomstig het tweede punt, kan de aanklager de betrokken Staat vragen hem op regelmatige tijdstippen te informeren over de vooruitgang van zijn onderzoeken en in voorkomend geval van de daaropvolgende gerechtelijke vervolgingen. Staten die Partij zijn moeten op deze vragen onverwijld antwoorden.
  6. In afwachting van een beslissing van de Kamer van vooronderzoek of telkens wanneer de aanklager krachtens dit artikel is teruggetreden ten behoeve van een onderzoek, kan de aanklager, bij wijze van uitzondering, de Kamer van vooronderzoek toestemming vragen om de noodzakelijke onderzoekshandelingen te verrichten teneinde bewijsmateriaal in stand te houden, wanneer zich een eenmalige gelegenheid voordoet om belangrijk bewijsmateriaal te verkrijgen of wanneer een aanzienlijk risico bestaat dat dergelijk bewijsmateriaal nadien niet meer beschikbaar is.
  7. Een Staat die een beslissing van de Kamer van vooronderzoek krachtens dit artikel heeft aangevochten, kan de ontvankelijkheid van een zaak krachtens artikel 19 betwisten op grond van belangrijke nieuwe feiten of een belangrijke wijziging in de omstandigheden.

  Art. 19. Betwisting van de rechtsmacht van het Hof of van de ontvankelijkheid van een zaak
  1. Het Hof gaat na of het rechtsmacht bezit over zaken die bij het Hof zijn aangebracht. Het Hof kan zich ambtshalve uitspreken over de ontvankelijkheid van een zaak overeenkomstig artikel 17.
  2. De ontvankelijkheid van een zaak op de gronden bedoeld in artikel 17 of de rechtsmacht van het Hof kunnen worden betwist door :
  (a) een beschuldigde of een persoon tegen wie een bevel tot aanhouding of een dagvaarding om te verschijnen is uitgevaardigd krachtens artikel 58;
  (b) een Staat die rechtsmacht bezit over een zaak omdat hij in de zaak een onderzoek instelt of heeft ingesteld of gerechtelijke vervolging instelt of heeft ingesteld; of
  (c) een Staat die de rechtsmacht van het Hof heeft erkend krachtens artikel 12.
  3. De aanklager kan het Hof vragen zich uit te spreken over een aangelegenheid met betrekking tot rechtsmacht of ontvankelijkheid. In procedures die betrekking hebben op rechtsmacht of ontvankelijkheid kunnen zowel zij die de situatie hebben verwezen krachtens artikel 13 als slachtoffers hun opvattingen aan het Hof kenbaar te maken.
  4. De ontvankelijkheid van een zaak of de rechtsmacht van het Hof kan slechts eenmaal worden betwist door een persoon of Staat bedoeld in het tweede punt. De betwisting moet geschieden voor of bij de aanvang van de procedure. In uitzonderlijke omstandigheden kan het Hof toestemming verlenen om de betwisting meermaals naar voren te brengen dan wel toestaan op een later tijdstip dan bij de aanvang van het proces. Betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak bij de aanvang van een proces of op een later tijdstip met toestemming van het Hof mag enkel worden gegrond op artikel 17, eerste punt, c.
  5. De Staten bedoeld in het tweede punt, b en c, moeten een betwisting in een zo vroeg mogelijk stadium opwerpen.
  6. Voor de bevestiging van de tenlastelegging moet elke betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak of elke betwisting van de rechtsmacht van het Hof worden verwezen naar de Kamer van vooronderzoek. Na bevestiging van de tenlastelegging wordt de betwisting verwezen naar de Kamer van eerste aanleg. Tegen beslissingen met betrekking tot rechtsmacht of ontvankelijkheid kan beroep worden ingesteld bij de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 82.
  7. Indien de betwisting wordt opgeworpen door een Staat bedoeld in het tweede punt, b of c, schorst de aanklager het onderzoek totdat het Hof een beslissing neemt overeenkomstig artikel 17.
  8. In afwachting van een beslissing van het Hof kan de aanklager het Hof verzoeken hem toestemming te verlenen om :
  (a) de onderzoekshandelingen te verrichten bedoeld in artikel 18, zesde punt;
  (b) een verklaring of getuigenis van een getuige te verkrijgen of het verzamelen en onderzoeken van bewijsmateriaal waarmee was aangevangen voordat een betwisting plaatsvond te voltooien; en
  (c) in samenwerking met de betrokken Staten het vluchten te beletten van personen ten aanzien van wie de aanklager reeds een bevel tot aanhouding krachtens artikel 58 heeft gevraagd.
  9. De betwisting doet geen afbreuk aan de geldigheid van een handeling verricht door de aanklager of aan een opdracht of bevel gegeven door het Hof voordat de betwisting is opgeworpen.
  10. Indien het Hof heeft beslist dat een zaak niet-ontvankelijk is krachtens artikel 17, kan de aanklager het Hof vragen de beslissing te herzien wanneer hij volledig ervan overtuigd is dat nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de grondslag ontkrachten waarop de zaak voordien niet-ontvankelijk was bevonden krachtens artikel 17.
  11. Indien de aanklager, gelet op het bepaalde in artikel 17, een onderzoek uitstelt, kan hij de betrokken Staat vragen hem informatie over de procedure te verschaffen. Die informatie wordt op verzoek van de betrokken Staat vertrouwelijk behandeld. Indien de aanklager daarna beslist een onderzoek in te stellen, stelt hij de Staat daarvan in kennis ten behoeve van wiens procedure hij is teruggetreden.

  Art. 20.Non bis in idem
  1. Behoudens anderszins bepaald in dit Statuut, staat niemand voor het Hof terecht voor gedragingen die de grondslag vormden van misdaden waarvoor de betrokkene reeds door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.
  2. Niemand staat voor een andere rechtbank terecht voor een misdaad bedoeld in artikel 5 waarvoor de betrokkene reeds door het Hof is veroordeeld of vrijgesproken.
  3. [1 Niemand die voor een ander gerecht heeft terechtgestaan ter zake van gedragingen die ook ingevolge de artikelen 6, 7, 8 of 8bis verboden zijn, staat voor het Hof terecht voor dezelfde gedragingen tenzij de procedure bij het andere gerecht :]1
  (a) diende om de betrokkene te onttrekken aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit; of
  (b) anderszins niet op onafhankelijke of onpartijdige wijze verliep overeenkomstig de in het internationale recht erkende waarborgen en plaatsvond op een wijze die, onder de omstandigheden, niet verenigbaar was met het voornemen om de betrokkene terecht te doen staan.
  ----------
  (1)<V 2010-06-11/25, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 26-11-2014>

  Art. 21. Toepasselijk recht
  1. Het Hof past toe :
  (a) in de eerste plaats, dit Statuut en het Reglement voor de proces- en bewijsvoering;
  (b) in de tweede plaats, waar dit in aanmerking komt, toepasselijke verdragen en de beginselen en regels van internationaal recht, waaronder de gevestigde beginselen van het internationaal recht inzake gewapende conflicten;
  (c) bij gebreke daarvan, de algemene rechtsbeginselen die door het Hof worden ontleend aan de nationale wetten van de diverse rechtsstelsels in de wereld, waaronder, indien van toepassing, de nationale wetten van Staten die normaliter rechtsmacht zouden uitoefenen ter zake van de misdaad, ingeval die beginselen niet onverenigbaar zijn met dit Statuut, het internationaal recht en internationaal erkende normen en maatstaven.
  2. Het Hof kan de beginselen en rechtsregels toepassen overeenkomstig de uitlegging die het in zijn voorgaande beslissingen daaraan gaf.
  3. De toepassing en de uitlegging van het recht krachtens dit artikel moeten verenigbaar zijn met de internationaal erkende mensenrechten, waarbij geen onderscheid, dat ten nadele strekt, mag worden gemaakt op grond van geslacht zoals gedefinieerd in artikel 7, derde punt, leeftijd, ras, huidkleur, taal, godsdienst of geloof, politieke of andere mening, nationale, etnische of maatschappelijke oorsprong, vermogen, geboorte of een andere eigenschap.

  HOOFDSTUK III. - Algemene beginselen van strafrecht.

  Art. 22. Nullum crimen sine lege
  1. Niemand is krachtens dit Statuut strafrechtelijk aansprakelijk tenzij de desbetreffende gedragingen op het tijdstip waarop deze plaatsvinden een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit.
  2. De definitie van een misdaad wordt strikt geÔnterpreteerd en niet verruimd naar analogie. In geval van dubbelzinnigheid wordt de definitie uitgelegd in het voordeel van de persoon ten aanzien van wie een onderzoek plaatsvindt of die vervolgd of veroordeeld wordt.
  3. Dit artikel laat onverlet dat gedragingen als een misdaad worden gedefinieerd naar internationaal recht, los van dit Statuut.

  Art. 23. Nulla poena sine lege
  Een persoon die door het Hof is veroordeeld kan enkel worden gestraft overeenkomstig het bepaalde in dit Statuut.

  Art. 24. Geen terugwerkende kracht ratione personae
  1. Niemand is strafrechtelijk aansprakelijk krachtens dit Statuut ter zake van gedragingen die plaatsvonden voor de inwerkingtreding van het Statuut.
  2. Ingeval het recht dat op een bepaalde zaak van toepassing is wordt gewijzigd voordat definitief vonnis wordt gewezen, is het recht toepasselijk dat het gunstigst is voor degene ten aanzien van wie een onderzoek plaatsvindt of die vervolgd of veroordeeld wordt.

  Art. 25.Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid
  1. Het Hof bezit krachtens dit Statuut rechtsmacht over natuurlijke personen.
  2. Een persoon die een misdaad pleegt waarover het Hof rechtsmacht bezit is persoonlijk aansprakelijk en strafbaar overeenkomstig dit Statuut.
  3. Overeenkomstig dit Statuut is een persoon strafrechtelijk aansprakelijk en strafbaar voor een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien die persoon :
  (a) een dergelijke misdaad pleegt hetzij als individu, hetzij gezamenlijk met of door middel van een andere persoon, ongeacht of die andere persoon strafrechtelijk aansprakelijk is;
  (b) opdracht geeft tot, verzoekt om of beweegt tot het plegen van een dergelijke misdaad die feitelijk plaatsvindt of waartoe een poging wordt gedaan;
  (c) teneinde het plegen van een dergelijk misdaad te vergemakkelijken, hulp biedt, medewerking verleent of anderszins bijstand biedt bij het plegen daarvan of een poging tot het plegen, waaronder het verschaffen van de middelen tot het plegen;
  (d) op andere wijze meewerkt aan het plegen of een poging tot het plegen van een dergelijke misdaad door een groep personen die handelt met een gemeenschappelijk doel. Deze medewerking moet opzettelijk zijn en moet hetzij :
  (i) worden verleend met het doel de criminele activiteit of het criminele doel van de groep te vergemakkelijken, ingeval een dergelijke activiteit of doel een misdaad oplevert waarover het Hof rechtsmacht bezit; hetzij
  (ii) worden verleend met kennis van de bedoeling van de groep om de misdaad te plegen;
  (e) met betrekking tot de misdaad van genocide, rechtstreeks en openlijk anderen ertoe aanzet om genocide te plegen;
  (f) een poging doet om een dergelijke misdaad te plegen door stappen te nemen, waardoor de uitvoering van de misdaad wezenlijk in gang wordt gezet, maar de misdaad niet wordt voltrokken ten gevolge van omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van de persoon. Een persoon die de poging tot het plegen van de misdaad evenwel staakt of anderszins de voltrekking van de misdaad verhindert, is niet strafbaar krachtens dit Statuut voor de poging tot het plegen van de misdaad, indien die persoon volledig en vrijwillig van het misdadig oogmerk heeft afgezien.
  [1 3bis. Met betrekking tot de misdaad van agressie zijn de bepalingen van dit artikel uitsluitend van toepassing op personen die in de positie verkeren daadwerkelijk controle uit te oefenen over of leiding te geven aan het politieke of militaire optreden van een Staat.]1
  4. Geen van de bepalingen van dit Statuut met betrekking tot individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid is van invloed op de aansprakelijkheid van Staten krachtens het internationaal recht.
  ----------
  (1)<V 2010-06-11/25, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 26-11-2014>

  Art. 26. Uitsluiting van rechtsmacht over personen
  die de volle leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt
  Het Hof bezit geen rechtsmacht over een persoon die op het tijdstip van het vermeende plegen van de misdaad de volle leeftijd van achttien jaar niet had bereikt.

  Art. 27. Irrelevantie van officiŽle hoedanigheid
  1. Dit Statuut geldt gelijkelijk ten aanzien van een ieder zonder enig onderscheid op grond van de officiŽle hoedanigheid. In het bijzonder ontheft de officiŽle hoedanigheid als staatshoofd of regeringsleider, lid van een regering of parlement, gekozen vertegenwoordiger of ambtenaar van een Staat een persoon nooit van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut en vormt dit als dusdanige evenmin een grond voor strafvermindering.
  2. Immuniteit of bijzondere procedurele regels die mogelijk verbonden zijn aan de officiŽle hoedanigheid van een persoon krachtens het nationaal of het internationaal recht, vormen voor het Hof geen beletsel voor het uitoefenen van zijn rechtsmacht over deze persoon.

  Art. 28. Aansprakelijkheid van bevelhebbers en andere hiŽrarchische meerderen
  Naast andere gronden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut voor misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit :
  1. Is een militair bevelhebber of persoon die daadwerkelijk als militair bevelhebber optreedt strafrechtelijk aansprakelijk voor de misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit, wanneer die zijn gepleegd door strijdkrachten onder zijn daadwerkelijk bevel en leiding of, naar gelang van het geval, onder zijn daadwerkelijke gezag en leiding, als gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding te geven aan die strijdkrachten, indien :
  (a) hij hetzij kennis ervan had dat de strijdkrachten deze misdaden pleegden of op het punt stonden deze te plegen, hetzij wegens de omstandigheden op dat moment kennis daarvan had moeten hebben; en
  (b) hij naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen zijn macht lagen om het plegen daarvan te voorkomen of te beteugelen of de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en vervolging.
  2. Is een meerdere inzake de andere dan onder (a) bedoelde verhouding tussen een meerdere en ondergeschikten, strafrechtelijk aansprakelijk voor misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien deze zijn gepleegd door ondergeschikten die onder zijn daadwerkelijk gezag en leiding stonden, als gevolg van zijn nalaten behoorlijk leiding te geven aan deze ondergeschikten, indien :
  (a) hij hetzij kennis had van, hetzij bewust geen acht geslagen heeft op informatie die duidelijk aangaf dat de ondergeschikten deze misdaden pleegden of op het punt stonden deze te plegen;
  (b) de misdaden activiteiten betroffen die ressorteren onder de daadwerkelijke aansprakelijkheid en leiding van de meerdere; en
  (c) hij naliet alle noodzakelijke en redelijke maatregelen te treffen die binnen zijn macht lagen om het plegen van de misdaden te voorkomen of te beteugelen of de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten voor onderzoek en vervolging.

  Art. 29. Niet-toepasselijkheid van verjaringswetten
  Misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit verjaren niet.

  Art. 30. Psychologisch bestanddeel
  1. Tenzij anders bepaald is een persoon enkel strafrechtelijk aansprakelijk en strafbaar voor een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit, indien de materiŽle bestanddelen vergezeld gaan van opzet en kennis.
  2. Voor de toepassing van dit artikel handelt een persoon met opzet indien :
  (a) die persoon met betrekking tot gedragingen, de bedoeling heeft tot de gedragingen over te gaan;
  (b) die persoon met betrekking tot een gevolg, de bedoeling heeft dat gevolg teweeg te brengen of zich ervan bewust is dat het gevolg zich bij een normale gang van zaken zal voordoen.
  3. Voor de toepassing van dit artikel betekent " kennis " het zich ervan bewust zijn dat een omstandigheid bestaat of dat een gevolg zich bij een normale gang van zaken zal voordoen. " Kennis hebben " en " welbewust " worden dienovereenkomstig uitgelegd.

  Art. 31. Gronden voor ontheffing van strafrechtelijke aansprakelijkheid
  1. Naast de overige in dit Statuut bepaalde ontheffingsgronden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is een persoon niet strafrechtelijk aansprakelijk indien, op het tijdstip van de gedragingen van die persoon :
  (a) de persoon lijdt aan een geestesziekte of een geestelijk gebrek dat zijn vermogen om de wederrechtelijkheid of de aard van zijn gedragingen te beseffen of het vermogen om zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke vereisten na te leven, vernietigt;
  (b) de persoon zich in een staat van intoxicatie bevindt die zijn vermogen om de wederrechtelijkheid of de aard van zijn gedragingen te beseffen of het vermogen zijn gedragingen te beheersen teneinde de wettelijke vereisten na te leven, vernietigt, tenzij hij vrijwillig in een staat van intoxicatie is geraakt onder zodanige omstandigheden dat de persoon kennis had van of geen acht sloeg op de kans dat hij als gevolg van de intoxicatie, waarschijnlijk zou overgaan tot gedragingen die een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit;
  (c) de persoon redelijk handelt ter verdediging van zichzelf of van een andere persoon, of, bij oorlogsmisdaden, van goederen die onontbeerlijk zijn voor het overleven van de persoon dan wel voor het volbrengen van een militaire missie, tegen een naderend en onrechtmatig gebruik van geweld op een wijze die evenredig is aan het gevaar voor de persoon, de andere persoon of de beschermde goederen. Het feit dat de persoon betrokken was bij een door strijdkrachten uitgevoerde defensieve operatie vormt op zichzelf geen grond voor ontheffing van de strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens deze paragraaf;
  (d) de gedragingen waarvan wordt gesteld dat zij een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit, voortgevloeid zijn uit dwang als gevolg van een onmiddellijke doodsdreiging of een dreiging van voortdurend of op handen zijnd ernstig lichamelijk letsel, en de persoon noodzakelijkerwijs en redelijk handelt teneinde deze dreiging af te wenden, op voorwaarde dat de persoon niet de bedoeling heeft groter letsel toe te brengen dan het letsel dat hij tracht te voorkomen. Een dergelijke dreiging kan :
  i) worden veroorzaakt door andere personen; of
  ii) worden gevormd door andere omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.
  2. Het Hof stelt vast of de in dit Statuut bepaalde gronden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de voorliggende zaak.
  3. Tijdens het proces kan het Hof een andere ontheffingsgrond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid overwegen dan de in het eerste punt vermelde gronden, wanneer deze grond is ontleend aan het in artikel 21 beschreven toepasselijk recht. De procedure houdende onderzoek van een dergelijke grond wordt geregeld in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.

  Art. 32. Dwaling omtrent de feiten of dwaling omtrent het recht
  1. Een dwaling omtrent de feiten is slechts een uitsluitinggrond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid indien het bestanddeel van de geestesgesteldheid dat voor de misdaad is vereist daardoor verdwijnt.
  2. Een dwaling omtrent het recht bij de vraag of gedragingen een misdaad opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit, is geen ontheffingsgrond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Een dwaling omtrent het recht kan echter een ontheffingsgrond voor strafrechtelijke aansprakelijkheid zijn indien het bestanddeel van de geestesgesteldheid dat voor die misdaad is vereist, of als bepaald in artikel 33, daardoor verdwijnt.

  Art. 33. Bevelen van meerderen en wettelijk voorschrift
  1. Het feit dat een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft door een persoon is gepleegd krachtens een bevel van een regering of van een meerdere, hetzij een militair hetzij een burger, ontheft die persoon niet van strafrechtelijke aansprakelijkheid, tenzij :
  (a) de persoon wettelijk verplicht was bevelen van de desbetreffende regering of meerdere te volgen;
  (b) de persoon geen kennis had van het feit dat het bevel onwettig was; en
  (c) het bevel niet onmiskenbaar onwettig was.
  2. Voor de toepassing van dit artikel zijn bevelen om genocide te plegen of misdaden tegen de mensheid onmiskenbaar onwettig.

  HOOFDSTUK IV. - Samenstelling en dagelijks bestuur van het Hof.

  Art. 34. Organen van het Hof
  Het Hof bestaat uit de volgende organen :
  (a) Het voorzitterschap
  (b) een Afdeling beroep, een Afdeling berechting en een Afdeling vooronderzoek;
  (c) de diensten van de aanklager;
  (d) de griffie.

  Art. 35. Uitoefening van de functie van rechter
  1. Alle rechters worden gekozen als voltijdse leden van het Hof en zijn beschikbaar om hun functies voltijds uit te oefenen vanaf de aanvang van hun ambtstermijn.
  2. De rechters die deel uitmaken van het voorzitterschap oefenen hun functies voltijds uit zodra zij zijn gekozen.
  3. Het voorzitterschap kan, afhankelijk van de werklast van het Hof en in overleg met de andere rechters, op geregelde tijdstippen, beslissen in hoeverre het vereist is dat de overige rechters op voltijdbasis werkzaam zijn. Een dergelijke regeling doet geen afbreuk aan het bepaalde in artikel 40.
  4. De financiŽle regelingen voor niet op voltijdbasis werkzame rechters worden getroffen overeenkomstig artikel 49.

  Art. 36. Kwalificaties, voordracht en verkiezing van rechters
  1. Onverminderd het bepaalde in het tweede punt bestaat het Hof uit 18 rechters.
  2. (a) Het voorzitterschap kan namens het Hof voorstellen het in het eerste punt vermelde aantal rechters te verhogen en zijn voorstel met redenen omkleden. De griffier doet dit voorstel onverwijld toekomen aan alle Staten die Partij zijn.
  (b) Het voorstel wordt daarna onderzocht in een overeenkomstig artikel 112 bijeen te roepen bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn. Het voorstel wordt geacht te zijn aanvaard indien het in de vergadering wordt goedgekeurd bij een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn. Het wordt van kracht op de door de Vergadering van Staten die Partij zijn vastgestelde datum.
  (c) (i) Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters is aanvaard krachtens het bepaalde onder b, vindt de verkiezing van de bijkomende rechters plaats in de eerstvolgende bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn, overeenkomstig het derde tot en met het achtste punt, en artikel 37, tweede punt;
  (ii) Wanneer een voorstel tot verhoging van het aantal rechters is aanvaard en wordt uitgevoerd krachtens het bepaalde onder b en c, onderdeel i, staat het het voorzitterschap daarna te allen tijde vrij, indien de werklast van het Hof dit verantwoordt, een vermindering van het aantal rechters voor te stellen, op voorwaarde dat het aantal rechters niet minder wordt dan het in het eerste punt vermelde aantal. Het voorstel wordt behandeld overeenkomstig de procedure vermeld onder a en b. Indien het voorstel wordt aanvaard, wordt het aantal rechters geleidelijk verminderd naargelang de ambtstermijn van de zittende rechters afloopt, totdat het vereiste aantal is bereikt.
  3. (a) De rechters worden gekozen uit personen met een zeer hoog zedelijk aanzien, die gekend zijn voor hun onpartijdig en integriteit en de in hun respectieve Staten vereiste kwalificaties hebben voor benoeming tot de hoogst mogelijke functies bij de rechterlijke organisatie.
  (b) Elke kandidaat voor verkiezing voor het Hof :
  (i) heeft bewezen bekwaamheid op het gebied van het strafrecht en strafprocesrecht en de noodzakelijke relevante ervaring als rechter, aanklager, advocaat, of in een andere vergelijkbare hoedanigheid op het gebied van strafzaken; of
  (ii) heeft bewezen bekwaamheid op relevante gebieden van het internationaal recht zoals het internationaal humanitair recht en de mensenrechten, en een ruime beroepsmatige ervaring op juridisch gebied, die relevant is voor het werk van de rechters van het Hof;
  (c) Elke kandidaat voor verkiezing voor het Hof heeft een uitstekende kennis van ten minste een van de werktalen van het Hof en spreekt deze taal vloeiend.
  4. (a) Alle Staten die Partij zijn bij dit Statuut kunnen kandidaten voordragen voor het Hof, hetzij :
  (i) door middel van de procedure voor de voordracht van kandidaten voor benoeming tot de hoogst mogelijke functies bij de rechterlijke organisatie in de betrokken Staat; hetzij
  (ii) door middel van de procedure waarin in het Statuut van het Internationaal Hof van Justitie is voorzien voor de voordracht van kandidaten voor dat Hof.
  De voordrachten gaan vergezeld van een gedetailleerd document waaruit blijkt dat de kandidaat voldoet aan de vereisten van het derde punt.
  (b) Elke Staat die Partij is kan voor elke verkiezing een kandidaat voordragen die niet noodzakelijkerwijs onderdaan moet zijn van die Staat die Partij is, maar in ieder geval onderdaan van een Staat die Partij is.
  (c) De Vergadering van Staten die Partij zijn kan besluiten tot instelling, indien van toepassing, van een adviescommissie voor onderzoek van de kandidaturen. In dat geval worden de samenstelling en het mandaat van de commissie bepaald door de Vergadering van Staten die Partij zijn.
  5. Voor de verkiezing worden twee lijsten met kandidaten opgesteld :
  Lijst A, die de namen vermeldt van de kandidaten met de kwalificaties bedoeld in het derde punt, b, i; en
  Lijst B, die de namen vermeldt van kandidaten met de kwalificaties bedoeld in het derde punt, b, ii.
  Een kandidaat die beschikt over de vereiste kwalificaties voor beide lijsten kan kiezen op welke lijst hij wenst te worden voorgedragen. Bij de eerste verkiezing voor het Hof worden ten minste negen rechters gekozen uit lijst A en ten minste vijf rechters uit lijst B. De volgende verkiezingen worden op zodanige wijze georganiseerd dat bij het Hof dezelfde verhouding wordt gehandhaafd tussen de rechters verkozen uit de ene en uit de andere lijst.
  6. (a) De rechters worden gekozen door middel van een geheime stemming tijdens een bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn die voor dat doel krachtens artikel 112 wordt bijeengeroepen. Onverminderd het zevende punt zijn de personen die voor het Hof worden gekozen de 18 kandidaten die het grootste aantal stemmen en een tweederde meerderheid krijgen van de aanwezige Staten die Partij zijn en hun stem uitbrengen.
  (b) Indien na de eerste stemronde geen voldoende aantal rechters is gekozen, vinden opeenvolgende stemmingen plaats overeenkomstig de procedure bedoeld onder a totdat de openstaande plaatsen zijn begeven.
  7. Geen twee rechters mogen onderdaan zijn van dezelfde Staat. Een persoon die ter zake als onderdaan van meer dan een Staat kan worden beschouwd, wordt geacht onderdaan te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk zijn burgerrechtelijke en politieke rechten uitoefent.
  8. (a) De Staten die Partij zijn houden bij de keuze van de rechters in het kader van de samenstelling van het Hof te voorzien in :
  (i) een vertegenwoordiging van de voornaamste rechtsstelsels van de wereld;
  (ii) een billijke geografische vertegenwoordiging; en
  (iii) een billijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen.
  (b) De Staten die Partij zijn houden ook rekening met de noodzaak rechters op te nemen, die juridisch deskundig zijn ten aanzien van bepaalde aangelegenheden, met inbegrip van materies inzake geweld tegen vrouwen of kinderen.
  9. (a) Onverminderd het bepaalde onder b is de ambtstermijn van rechters negen jaar, en onverminderd het bepaalde onder c en in artikel 37, tweede punt, zijn zij niet herkiesbaar.
  (b) Bij de eerste verkiezing wordt een derde van de gekozen rechters door loting aangewezen voor een ambtstermijn van drie jaar; een derde van de gekozen rechters wordt door loting aangewezen voor een ambtstermijn van zes jaar, terwijl de ambtstermijn van de overige rechters negen jaar zal zijn.
  (c) Een rechter die krachtens het bepaalde onder b is aangewezen voor een ambtstermijn van drie jaar komt in aanmerking voor herverkiezing voor een volledige ambtstermijn.
  10. Ongeacht het bepaalde in het negende punt blijft een rechter die overeenkomstig artikel 39 is aangewezen om zitting te hebben in een Kamer van eerste aanleg of Kamer van beroep, in functie om een proces of een beroep af te handelen waarvan de behandeling bij die Kamer reeds is aangevangen.

  Art. 37. Openstaande betrekkingen
  1. Openstaande plaatsten worden begeven door middel van verkiezing overeenkomstig artikel 36.
  2. Een rechter die in een openstaande plaats is verkozen, blijft in functie voor het resterende deel van de ambtstermijn van zijn voorganger en komt, indien die periode drie jaar of minder bedraagt, in aanmerking voor herverkiezing voor een volledige ambtstermijn krachtens artikel 36.

  Art. 38. Het voorzitterschap
  1. De voorzitter en de eerste en tweede ondervoorzitter worden door de rechters verkozen bij absolute meerderheid. Zij bekleden hun ambt gedurende een ambtstermijn van drie jaar of tot het einde van hun respectieve ambtstermijnen als rechter indien deze eerder eindigen. Zij zijn eenmaal herkiesbaar.
  2. De eerste ondervoorzitter vervangt de voorzitter ingeval de voorzitter niet beschikbaar of onbevoegd is. De tweede ondervoorzitter vervangt de voorzitter wanneer deze en de eerste ondervoorzitter niet beschikbaar of onbevoegd zijn.
  3. De voorzitter vormt samen met de eerste en tweede ondervoorzitter het voorzitterschap dat belast is met :
  (a) het adequate dagelijks bestuur van het Hof, met uitzondering van de diensten van de aanklager; en
  (b) de overige taken die aan het Hof zijn opgedragen overeenkomstig dit Statuut.
  4. Voor de uitoefening van de taken bedoeld in het derde punt, a, handelt het voorzitterschap in overleg met de aanklager en streeft het naar eensgezindheid met hem over alle zaken die van gemeenschappelijk belang zijn.

  Art. 39. De Kamers 1. Zo spoedig mogelijk na de verkiezing van de rechters vormt het Hof de afdelingen vermeld in artikel 34, b. De afdeling beroep bestaat uit de voorzitter en vier andere rechters, de afdeling berechting en de afdeling vooronderzoek bestaan elk uit ten minste zes rechters. De toevoeging van de rechters aan de afdelingen vindt plaats op grond van de aard van de taken die door elke afdeling moeten worden vervuld en de kwalificaties en ervaring van de voor het Hof verkozen rechters, nadat elke afdeling beschikt over de geschikte combinatie van deskundigheid op het gebied van het straf- en het strafprocesrecht en van het internationaal recht. De afdelingen berechting en vooronderzoek worden voornamelijk gevormd door rechters met ervaring inzake strafprocessen.
  2. (a) De rechterlijke taken van het Hof worden in elke afdeling verricht door Kamers.
  (b) (i) De Kamer van beroep wordt gevormd door alle rechters van de afdeling beroep;
  (ii) De taken van de Kamer van eerste aanleg worden uitgevoerd door drie rechters van de afdeling berechting;
  (iii) De taken van de Kamer van vooronderzoek worden uitgevoerd hetzij door drie rechters van de Afdeling vooronderzoek of door een enkele rechter van die afdeling overeenkomstig dit Statuut en het Reglement voor de proces- en bewijsvoering;
  (c) Niets in dit punt belet de gelijktijdige samenstelling van meer dan een Kamer van eerste aanleg of meer dan een Kamer van vooronderzoek indien de werklast van het Hof dit vereist.
  3. (a) Rechters ingedeeld bij de Afdelingen berechting en vooronderzoek hebben in die afdelingen zitting voor de duur van drie jaar en na afloop van die termijn tot na de voltooiing van de zaak waarvan de behandeling reeds door de betrokken afdeling is aangevangen.
  (b) Rechters toegevoegd aan de Afdeling beroep hebben in die afdeling zitting tijdens hun volledige ambtstermijn.
  4. Rechters toegevoegd aan de Afdeling beroep hebben enkel zitting in die afdeling. Niets in dit artikel belet echter de tijdelijke toevoeging van rechters van de Afdeling berechting aan de afdeling vooronderzoek of omgekeerd, indien het voorzitterschap van oordeel is dat werklast van het Hof dit vereist, op voorwaarde evenwel dat een rechter die heeft deelgenomen aan het vooronderzoek naar een zaak in geen geval in aanmerking komt voor zitting in de Kamer van eerste aanleg die die zaak behandelt.

  Art. 40. Onafhankelijkheid van de rechters
  1. De rechters zijn onafhankelijk in de uitvoering van hun taken.
  2. Rechters onthouden zich van alle activiteiten die onverenigbaar zouden kunnen zijn met hun rechterlijke taken of het vertrouwen in hun onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten.
  3. Rechters die op voltijdbasis werkzaam moeten zijn op de zetel van het Hof onthouden zich van alle andere beroepsmatige bezigheden.
  4. Over vragen met betrekking tot de toepassing van het tweede en derde punt wordt door de rechters beslist bij absolute meerderheid. Wanneer een dergelijke vraag een bepaalde rechter betreft, neemt die rechter geen deel aan de beslissing.

  Art. 41. Decharge en wraking van rechters
  1. Het voorzitterschap kan een rechter op zijn verzoek ontlasten van de functies die hem zijn toegekend krachtens dit Statuut, overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  2. (a) Een rechter mag niet deelnemen aan een zaak waarin redelijkerwijs twijfel kan rijzen over zijn onpartijdigheid op welke grond dan ook. Een rechter wordt overeenkomstig dit punt in een zaak gewraakt indien hij voordien in enigerlei hoedanigheid bij die zaak voor het Hof betrokken was of bij een samenhangende strafzaak op nationaal niveau waarbij de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt, betrokken is. Een rechter kan tevens worden gewraakt in het geval van de andere gronden bepaald in het Reglement voor de proces- of bewijsvoering.
  (b) De aanklager of de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt kan krachtens dit punt de wraking van een rechter vragen.
  (c) Over aangelegenheden met betrekking tot de wraking van een rechter wordt door de rechters beslist bij absolute meerderheid. De rechter wiens wraking wordt gevraagd heeft het recht terzake toelichting te verstrekken, maar neemt geen deel aan de beslissing.

  Art. 42. Diensten van de aanklager
  1. De diensten van de aanklager treden op als een onafhankelijk afzonderlijk orgaan van het Hof. Zij zijn belast met de ontvangst van verwijzingen en van alle behoorlijk onderbouwde informatie over misdaden binnen de rechtsmacht van het Hof, met de bestudering ervan en onderzoek terzake en de vervolging ervan voor het Hof. Een lid van het voornoemde diensten vraagt noch handelt volgens aanwijzingen van een externe bron.
  2. De aanklager is hoofd van voornoemde diensten. De aanklager heeft het volledige gezag over de leiding en het dagelijks bestuur van de diensten, met inbegrip van het personeel, de faciliteiten en de andere middelen. De aanklager wordt bijgestaan door een of meer substituut-aanklagers, die gemachtigd zijn tot het uitvoeren van alle handelingen die krachtens dit Statuut van de aanklager worden vereist. De aanklager en substituut-aanklagers moeten van verschillende nationaliteiten zijn. Zij vervullen hun taak op voltijdbasis.
  3. De aanklager en substituut-aanklagers moeten personen met een zeer hoog zedelijk aanzien zijn, in hoge mate bekwaam op het gebied van en met grote praktische ervaring in de vervolging of de berechting in strafzaken. Zij moeten beschikken over een uitstekende kennis van ten minste een van de werktalen van het Hof en deze taal vloeiend spreken.
  4. De aanklager wordt verkozen bij geheime stemming bij absolute meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn. De substituut-aanklagers worden op dezelfde wijze verkozen uit een door de aanklager verstrekte lijst van kandidaten. Voor elke functie van substituut-aanklager draagt de aanklager drie kandidaten voor. Tenzij bij hun verkiezing wordt besloten tot een kortere termijn, bedraagt de ambtstermijn van de aanklager en van de substituut-aanklagers negen jaar en zijn zij niet herkiesbaar.
  5. De aanklager en de substituut-aanklagers onthouden zich van alle activiteiten die onverenigbaar zouden kunnen zijn met hun taken als aanklager of hun onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten. Zij onthouden zich van alle andere beroepsmatige bezigheden.
  6. Het voorzitterschap kan de aanklager of een substituut-aanklager op zijn verzoek ontlasten van zijn functies in een bepaalde zaak.
  7. De aanklager noch een substituut-aanklager mag deelnemen aan de behandeling van een zaak waarin redelijkerwijs twijfel kan rijzen over onpartijdigheid op welke grond dan ook. Zij worden overeenkomstig dit punt gewraakt in een zaak indien zij voordien in enigerlei hoedanigheid bij die zaak voor het Hof waren betrokken of bij een strafzaak op nationaal niveau waarbij de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt, betrokken is.
  8. Over aangelegenheden met betrekking tot de wraking van de aanklager of een substituut-aanklager wordt beslist door de Kamer van beroep.
  (a) De persoon tegen wie een onderzoek loopt of die vervolgd wordt kan te allen tijde vragen om de aanklager of een substituut-aanklager te wraken op de gronden bedoeld in dit artikel;
  (b) De aanklager of de substituut-aanklager heeft het recht terzake toelichting te geven.
  9. De aanklager benoemt adviseurs met juridische ervaring over bepaalde onderwerpen, inzonderheid ter zake van seksueel geweld, seksistisch geweld en geweld tegen kinderen.

  Art. 43. De griffie 1. De griffie is belast met de niet-rechterlijke aspecten van het dagelijks bestuur en de dienstverlening van het Hof, onverminderd de taken en bevoegdheden van de aanklager overeenkomstig artikel 42.
  2. De griffie wordt geleid door de griffier, de hoogste administratieve ambtenaar van het Hof. De griffier oefent zijn taken uit onder gezag van de voorzitter van het Hof.
  3. De griffier en de substituut-griffier moeten personen met een hoog zedelijk aanzien zijn, in hoge mate bekwaam en met een uitstekende kennis van ten minste een van de werktalen van het Hof en die taal vloeiend spreken.
  4. De rechters kiezen de griffier bij absolute meerderheid bij geheime stemming, daarbij rekening houdend met de eventuele aanbevelingen van de Vergadering van Staten die Partij zijn. Indien de noodzaak daartoe bestaat en op aanbeveling van de griffier kiezen de rechters op dezelfde wijze een substituut-griffier.
  5. De griffier wordt verkozen voor vijf jaar, hij is eenmaal herkiesbaar en werkt op voltijdbasis. De substituut-griffier wordt verkozen voor vijf jaar of voor een kortere ambtstermijn als de rechters bij absolute meerderheid daartoe besluiten; de substituut-griffier kan worden opgeroepen zijn taak uit te oefenen wanneer dat nodig is.
  6. De griffier roept binnen de griffie een Afdeling voor Slachtoffers en Getuigen in het leven. Deze Eenheid is in overleg met de diensten van de aanklager belast met advies en andere passende bijstand aan getuigen, slachtoffers die voor het Hof verschijnen en anderen die in gevaar zijn vanwege door dergelijke getuigen afgelegde getuigenverklaringen, en moet maatregelen of regelingen treffen om in hun bescherming en veiligheid te voorzien. De Afdeling beschikt over personeel met deskundigheid op het gebied van trauma's, inzonderheid trauma's ten gevolge van seksueel geweld.

  Art. 44. Personeel 1. De aanklager en de griffier benoemen het gekwalificeerd personeel vereist voor hun respectieve afdelingen. In het geval van de aanklager omvat zulks mede de benoeming van enquÍteurs.
  2. Bij de aanstelling van personeel waarborgen de aanklager en de griffier de hoogste normen van doelmatigheid, bekwaamheid en integriteit, en houden daarbij mutatis mutandis rekening met de criteria vermeld in artikel 36, achtste punt.
  3. De griffier stelt met instemming van het voorzitterschap en de aanklager een Statuut voor het personeel voor, waarin de voorwaarden zijn vervat voor benoeming, bezoldiging en ontslag van het personeel van het Hof. Het Statuut voor het personeel worden goedgekeurd door de Vergadering van Staten die Partij zijn.
  4. Het Hof kan in uitzonderlijke omstandigheden gebruik maken van de deskundigheid van medewerkers die om niet ter beschikking worden gesteld door Staten die Partij zijn, intergouvernementele organisaties of niet-gouvernementele organisaties, teneinde de organen van het Hof bij te staan bij hun werkzaamheden. De aanklager kan dergelijk personeel aanvaarden voor de diensten van de aanklager. Deze om niet ter beschikking gestelde medewerkers worden tewerkgesteld overeenkomstig de richtlijnen die door de Vergadering van Staten die Partij zijn vastgesteld.

  Art. 45. Plechtige gelofte
  Voordat zij hun respectieve taken krachtens dit Statuut aanvaarden, verklaren de rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers, de griffier en de substituut-griffier ieder plechtig in openbare zitting dat zij hun respectieve functies onpartijdig en gewetensvol zullen uitoefenen.

  Art. 46. Ontzetting uit het ambt
  1. Een rechter, de aanklager, een substituut-aanklager, de griffier of de substituut-griffier worden uit hun ambt ontzet bij beslissing overeenkomstig het tweede punt in gevallen waarin :
  (a) die persoon blijkbaar een ernstige fout heeft gemaakt of schuldig is aan ernstig plichtsverzuim krachtens dit Statuut, zoals bepaald in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering; of
  (b) niet in staat is de krachtens dit Statuut vereiste functies uit te oefenen.
  2. Een beslissing tot ontzetting uit het ambt van rechter, aanklager of substituut-aanklager krachtens het eerste punt wordt genomen door de Vergadering van Staten die Partij zijn, bij geheime stemming :
  (a) in het geval van een rechter, bij een tweederde meerderheid van de Staten die Partij zijn, overeenkomstig een aanbeveling die door de overige rechters is aanvaard bij een tweederde meerderheid;
  (b) in het geval van de aanklager, bij absolute meerderheid van de Staten die Partij zijn;
  (c) in het geval van een substituut-aanklager, bij absolute meerderheid van de Staten die Partij zijn, op aanbeveling van de aanklager.
  3. Een beslissing over de ontzetting uit het ambt van griffier of substituut-griffier wordt genomen bij absolute meerderheid van de rechters.
  4. Een rechter, aanklager, substituut-aanklager, griffier of substituut-griffier die op grond van diens gedrag of bekwaamheid om de krachtens dit Statuut vereiste functies uit te oefenen wordt betwist krachtens dit artikel, krijgt volledig de gelegenheid bewijs aan te voeren en in ontvangst te nemen en zijn standpunt kenbaar te maken overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. Betrokkene neemt niet anderszins deel aan het onderzoek naar de zaak.

  Art. 47. Tuchtmaatregelen
  Een rechter, aanklager, substituut-aanklager, griffier of substituut-griffier die een fout heeft gemaakt van minder ernstige aard dan die vermeld in artikel 46, eerste punt, wordt onderworpen aan de tuchtmaatregelen overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.

  Art. 48. Voorrechten en immuniteiten
  1. Het Hof geniet op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van zijn opdracht.
  2. De rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers en de griffier genieten bij de uitoefening van of met betrekking tot hun taak dezelfde voorrechten en immuniteiten als verleend aan de hoofden van diplomatieke missies. Na afloop van hun ambtstermijn blijven zij ten aanzien van elk soort van gerechtelijk optreden immuniteit genieten met betrekking tot door hen gesproken of geschreven woorden en de door hen in hun officiŽle hoedanigheid verrichte handelingen.
  3. De substituut-griffier, het personeel van de diensten van de aanklager en het personeel van de griffie genieten de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten vereist voor de uitoefening van hun taak conform de overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Hof.
  4. De advocaten, deskundigen, getuigen en alle andere personen die aanwezig moeten zijn op de zetel van het Hof worden behandeld op de wijze die noodzakelijk is voor de goede werking van het Hof conform de overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Hof.
  5. De voorrechten en immuniteiten van :
  (a) een rechter of de aanklager kunnen worden opgeheven bij absolute meerderheid van de rechters;
  (b) de griffier kunnen worden opgeheven door het voorzitterschap;
  (c) de substituut-aanklagers en het personeel van de diensten van de aanklager kunnen worden opgeheven door de aanklager;
  (d) de substituut-griffier en het personeel van de griffie kunnen worden opgeheven door de griffier.

  Art. 49. Wedden, toelagen en onkostenvergoedingen
  De rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers, de griffier en de substituut-griffier ontvangen de wedden, toelagen en onkostenvergoedingen vastgesteld door de Vergadering van Staten die Partij zijn. Deze wedden en toelagen worden tijdens hun ambtstermijn niet verlaagd.

  Art. 50. OfficiŽle talen en werktalen
  1. De officiŽle talen van het Hof zijn Arabisch, Chinees, Engels, Frans, Russisch en Spaans. De arresten van het Hof, alsmede andere beslissingen betreffende aangelegenheden ten gronde die aan het Hof zijn voorgelegd, worden bekendgemaakt in de officiŽle talen. Het voorzitterschap beslist overeenkomstig de criteria vastgelegd in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering welke beslissingen voor de toepassing van dit punt kunnen worden beschouwd als beslissingen ten gronde.
  2. De werktalen van het Hof zijn Engels en Frans. Het Reglement voor de proces- en bewijsvoering regelt de gevallen waarin andere officiŽle talen als werktaal kunnen worden gebruikt.
  3. Op verzoek van een partij in een geding of van een Staat die gemachtigd werd om in een procedure tussenbeide te komen, verleent het Hof toestemming voor het gebruik van een andere taal dan Engels of Frans door een dergelijke partij of Staat, op voorwaarde dat het Hof zulks voldoende verantwoord acht.

  Art. 51. Reglement voor de proces- en bewijsvoering
  1. Het Reglement voor de proces- en bewijsvoering wordt van kracht zodra het is goedgekeurd met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
  2. Wijzigingen in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering kunnen worden voorgesteld door :
  (a) elke Staat die Partij is;
  (b) de rechters bij absolute meerderheid; of
  (c) de aanklager.
  Dergelijke wijzigingen treden in werking zodra zij zijn goedgekeurd met een tweederde meerderheid van de leden van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
  3. Na goedkeuring van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering kunnen de rechters, in de dringende gevallen waarin een bepaalde situatie die aan het Hof is voorgelegd niet in het Reglement is opgenomen, bij een tweederde meerderheid voorlopige regels opstellen die worden toegepast tot hun goedkeuring, wijziging of verwerping tijdens de eerstvolgende gewone of bijzondere zitting van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
  4. Het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, de wijzigingen daarin en de voorlopige regels moeten verenigbaar zijn met dit Statuut. Wijzigingen in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering alsmede de voorlopige regels worden niet met terugwerkende kracht toegepast ten nadele van de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die wordt vervolgd of is veroordeeld.
  5. Ingeval het Statuut en het Reglement voor de proces- en bewijsvoering strijdig zijn, heeft het Statuut voorrang.

  Art. 52. Huishoudelijk reglement van het Hof
  1. Overeenkomstig dit Statuut en het Reglement voor de proces- en bewijsvoering keuren de rechters bij absolute meerderheid het huishoudelijk reglement van het Hof goed dat noodzakelijk is voor de dagelijkse werking van het Hof.
  2. De aanklager en de griffier worden geraadpleegd bij de uitwerking van het huishoudelijk reglement en wijzigingen daarin.
  3. Het huishoudelijk reglement en wijzigingen daarin treden in werking zodra zij zijn goedgekeurd tenzij de rechters anders beslissen. Zodra zij zijn goedgekeurd, worden zij voor commentaar gestuurd aan de Staten die Partij zijn. Indien binnen zes maanden geen bezwaren zijn van een meerderheid van Staten die Partij zijn, blijven zij van kracht.

  HOOFDSTUK V. - Onderzoek en vervolging.

  Art. 53. Instellen van een onderzoek
  De aanklager stelt na evaluatie van de informatie die hem ter kennis is gesteld, een onderzoek in tenzij hij beslist dat geen redelijke grond bestaat om krachtens dit Statuut vervolging in te stellen. Daartoe gaat de aanklager na of :
  (a) de informatie waarover hij beschikt een redelijke grond is om aan te nemen dat een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft, is of wordt gepleegd;
  (b) de zaak ontvankelijk is of zou zijn krachtens artikel 17; en
  (c) rekening houdend met de ernst van de misdaad en de belangen van de slachtoffers, gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een onderzoek niet in het belang van de rechtspleging zou zijn.
  Indien de aanklager beslist dat geen redelijke grond bestaat om te vervolgen en zijn beslissing enkel gestoeld is op het bepaalde onder c), stelt hij de Kamer van vooronderzoek hiervan in kennis.
  2. Indien de aanklager na onderzoek tot het besluit komt dat er onvoldoende grond is voor vervolging omdat :
  (a) er onvoldoende juridische of feitelijke gronden zijn om een bevel tot aanhouding of dagvaarding om te verschijnen te vragen krachtens artikel 58;
  (b) de zaak niet-ontvankelijk is krachtens artikel 17; of
  (c) vervolging niet in het belang van de rechtspleging is, rekening houdend met alle omstandigheden, met inbegrip van de ernst van de misdaad, de belangen van slachtoffers en de leeftijd of zwakke gezondheid van de vermeende pleger en zijn rol in de vermeende misdaad;
  stelt hij de Kamer van vooronderzoek en de krachtens artikel 14 verwijzende Staat of de Veiligheidsraad in geval van een zaak krachtens artikel 13, b, in kennis van zijn beslissing en van de redenen die daaraan ten grondslag liggen.
  3. (a) Op verzoek van de krachtens artikel 14 verwijzende Staat of van de Veiligheidsraad in geval van een zaak krachtens artikel 13, b, kan de Kamer van vooronderzoek een beslissing van de aanklager krachtens het eerste of tweede punt om niet te vervolgen herzien en de aanklager vragen die beslissing te heroverwegen.
  (b) Daarnaast kan de Kamer van vooronderzoek, uit eigen beweging, een beslissing van de aanklager om niet te vervolgen herzien, indien deze enkel gegrond is op het eerste punt, c, of op het tweede punt, c. In een dergelijk geval wordt de beslissing van de aanklager slechts van kracht indien zij door de Kamer van vooronderzoek wordt bevestigd.
  4. De aanklager kan zijn beslissing om al dan niet een onderzoek of al dan niet vervolging in te stellen op grond van nieuwe feiten of informatie te allen tijde heroverwegen.

  Art. 54. Taken en bevoegdheden van de aanklager met betrekking tot onderzoeken
  1. De aanklager moet :
  (a) teneinde de waarheid aan het licht te brengen, het onderzoek uitbreiden tot alle feiten en bewijsmateriaal die relevant kunnen zijn om te bepalen of er sprake is van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut, zulks door middel van zowel een onderzoek ŗ charge als een onderzoek ŗ decharge;
  (b) gepaste maatregelen treffen teneinde te waarborgen dat misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit doelmatig worden onderzocht en vervolgd, daarbij rekening houdend met de belangen en persoonlijke omstandigheden van slachtoffers en getuigen, met inbegrip van leeftijd, geslacht en gezondheidstoestand, en tevens rekening houdend met de aard van de misdaad, in het bijzonder wanneer het seksueel geweld, seksistisch geweld in de zin van artikel 7, derde punt, of geweld tegen kinderen betreft; en
  (c) de rechten van personen krachtens dit Statuut volledig eerbiedigen.
  2. De aanklager kan onderzoeken uitvoeren op het grondgebied van een Staat :
  (a) overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 9; of
  (b) daartoe gemachtigd door de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 57, derde punt, d).
  3. De aanklager kan :
  (a) bewijsmateriaal verzamelen en onderzoeken;
  (b) personen tegen wie een onderzoek loopt, slachtoffers en getuigen oproepen en ondervragen;
  (c) de medewerking vragen van een Staat, een gouvernementele organisatie of instelling overeenkomstig hun bevoegdheden of hun mandaat;
  (d) alle regelingen treffen of overeenkomsten sluiten die niet strijdig zijn met dit Statuut en die noodzakelijk kunnen zijn om de medewerking van een Staat, een intergouvernementele organisatie of een persoon te vergemakkelijken;
  (e) zich ertoe verbinden in geen enkele fase van de procedure stukken of informatie bekend te maken die hij heeft verkregen op voorwaarde van vertrouwelijkheid en louter om nieuw bewijsmateriaal te verkrijgen, tenzij degene die de informatie heeft verstrekt met de bekendmaking ervan instemt; en
  (f) de noodzakelijke maatregelen treffen of vragen de noodzakelijke maatregelen te treffen om de vertrouwelijkheid van de verzamelde informatie, de bescherming van personen of de bewaring van bewijsmateriaal te verzekeren.

  Art. 55. Rechten van personen tijdens een onderzoek
  1. In het kader van een onderzoek krachtens dit Statuut :
  (a) is een persoon niet verplicht voor hem bezwarende verklaringen af te leggen of schuld te bekennen;
  (b) is een persoon niet onderworpen aan enigerlei vorm van dwang, druk of bedreiging, marteling of enigerlei andere vorm van wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
  (c) wordt een persoon indien de ondervraging plaatsvindt in een andere taal dan een taal die hij volledig begrijpt en spreekt, kosteloos bijstand verleend door een bekwame tolk en krijgt hij de vertalingen die noodzakelijk zijn om aan de vereisten van billijkheid te voldoen; en
  (d) is een persoon niet onderworpen aan willekeurige aanhouding of detentie en mag hij niet van zijn vrijheid worden beroofd behoudens op de gronden en overeenkomstig de in het Statuut vastgestelde procedures.
  2. Wanneer gronden bestaan om aan te nemen dat een persoon een misdaad heeft gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit en die persoon moet worden ondervraagd door de aanklager of door nationale autoriteiten op grond van een verzoek gedaan krachtens hoofdstuk 9 van dit Statuut, heeft die persoon bovendien de volgende rechten waarover hij moet worden geÔnformeerd alvorens te worden ondervraagd :
  (a) het recht te worden geÔnformeerd over het feit dat gronden bestaan om aan te nemen dat hij een misdaad heeft gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit;
  (b) het recht te zwijgen, zonder dat een dergelijk zwijgen in overweging wordt genomen bij het vaststellen van schuld of onschuld;
  (c) het recht te worden bijgestaan door een raadsman naar eigen keuze, of indien de persoon geen raadsman heeft, te worden bijgestaan door een ambtshalve aangewezen raadsman in alle gevallen waarin het belang van de rechtspleging dit eist en zonder dat de persoon betaalt in die gevallen waarin de persoon daartoe niet over voldoende middelen beschikt;
  (d) het recht te worden ondervraagd in aanwezigheid van een raadsman tenzij de persoon vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht door een raadsman te worden bijgestaan.

  Art. 56. Rol van de Kamer van vooronderzoek ingeval de mogelijkheid om informatie te verzamelen zich enkel een keer voordoet
  1. (a) Wanneer de aanklager van oordeel is dat een onderzoek een eenmalige gelegenheid biedt om een getuige een getuigenis of een verklaring te laten afleggen of bewijsmateriaal te onderzoeken, te verzamelen of te toetsen met het oog op een proces stelt hij de Kamer van vooronderzoek hiervan in kennis.
  (b) In dat geval kan de Kamer van vooronderzoek op verzoek van de aanklager alle maatregelen treffen die noodzakelijk zijn om de doelmatigheid en integriteit van de procedure te verzekeren en, in het bijzonder, de rechten van de verdediging te beschermen.
  (c) Tenzij de Kamer van vooronderzoek anders beschikt, informeert de aanklager de persoon die is aangehouden of verschenen naar aanleiding van een dagvaarding in verband met het onderzoek, zodat hij kan worden gehoord, van de omstandigheden bedoeld onder a).
  2. De maatregelen bedoeld in het eerste punt, b, kunnen zijn :
  (a) aanbevelingen doen of beschikkingen uitvaardigen met betrekking tot de te volgen procedure;
  (b) bevelen dat van de procedure proces-verbaal wordt gemaakt;
  (c) benoemen van een deskundige;
  (d) toestemming verlenen aan de advocaat van een persoon die is aangehouden of voor het Hof is verschenen naar aanleiding van een dagvaarding, om deel te nemen aan de procedure of wanneer nog geen aanhouding of verschijning heeft plaatsgevonden dan wel nog geen advocaat is benoemd, om een advocaat aan te wijzen die de belangen van de verdediging zal waarnemen.
  (e) aanwijzen van een van de leden of, indien noodzakelijk, van een van de beschikbare rechters van het Hof om aanbevelingen te doen of op eigen initiatief beschikkingen te geven met betrekking tot het verzamelen en bewaren van bewijsmateriaal of betreffende het verhoor;
  (f) doen van alle andere stappen die noodzakelijk kunnen zijn voor het verzamelen of bewaren van bewijsmateriaal.
  3. (a) Wanneer de aanklager de in dit artikel bedoelde maatregelen niet heeft gevraagd doch de Kamer van vooronderzoek meent dat zij noodzakelijk zijn voor de bewaring van bewijsmateriaal dat zij essentieel acht voor de verdediging tijdens het proces, pleegt zij overleg met de aanklager over de vraag of deze goede redenen heeft voor het achterwege laten van bedoelde maatregelen. Indien de Kamer van vooronderzoek daarna tot de slotsom komt dat het achterwege laten door de aanklager van voornoemde maatregelen niet verantwoord is, kan de Kamer van vooronderzoek dergelijke maatregelen op eigen initiatief treffen.
  (b) De aanklager kan beroep aantekenen tegen een beslissing van de Kamer van vooronderzoek om krachtens dit punt op eigen initiatief te handelen. Het beroep wordt onderzocht in het kader van de versnelde procedure.
  4. De toelaatbaarheid van bewijsmateriaal dat krachtens dit artikel bewaard of verzameld is ten behoeve van het proces of de registratie van dat bewijsmateriaal, wordt geregeld krachtens artikel 69 en krijgt het belang dat de Kamer van eerste aanleg daaraan verleent.

  Art. 57. Taken en bevoegdheden van de Kamer van vooronderzoek
  1. Tenzij dit Statuut anders bepaalt, vervult de Kamer van vooronderzoek zijn taken overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.
  2. (a) De beslissingen van de Kamer van vooronderzoek krachtens de artikelen 15, 18, 19, 54, tweede punt, 61, zevende punt, en 72 worden genomen met de meerderheid van de rechters die deel ervan uitmaken.
  (b) In alle andere gevallen kan een enkele rechter van de Kamer van vooronderzoek de in dit Statuut bepaalde taken uitoefenen, tenzij anders is bepaald in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering of anders is beslist door een meerderheid van de Kamer van vooronderzoek.
  3. De Kamer van vooronderzoek kan naast de andere taken die haar krachtens dit Statuut zijn opgelegd :
  (a) op verzoek van de aanklager, de beschikkingen uitvaardigen en de mandaten afleveren die vereist zijn voor een onderzoek;
  (b) op verzoek van een persoon die is aangehouden of verschenen krachtens een dagvaarding overeenkomstig artikel 58, beschikkingen uitvaardigen, inzonderheid ter zake van de maatregelen bedoeld in artikel 56, of de medewerking vragen krachtens hoofdstuk 9 die noodzakelijk kan zijn om een persoon te helpen bij de voorbereiding van zijn verdediging;
  (c) ingeval zulks noodzakelijk is, instaan voor de bescherming en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en getuigen, de bewaring van bewijs, de bescherming van personen die aangehouden of verschenen zijn na een dagvaarding, en de bescherming van informatie die de nationale veiligheid betreft;
  (d) de aanklager machtigen om bepaalde onderzoeksmaatregelen te treffen op het grondgebied van een Staat die Partij is zonder zich te hebben vergewist van de medewerking van die Staat krachtens hoofdstuk 9, indien, voorzover zulks mogelijk is rekening houdend met het standpunt van de betrokken Staat, de Kamer van vooronderzoek in dat geval heeft bepaald dat de Staat kennelijk niet bij machte is om gevolg te geven aan een verzoek tot medewerking omdat geen autoriteit of bevoegd orgaan van zijn rechtsstelsel bereid is om gevolg te geven aan een verzoek tot medewerking krachtens hoofdstuk 9;
  (e) wanneer een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot verschijning is uitgevaardigd krachtens artikel 58, de medewerking van de Staten vragen krachtens artikel 93, eerste punt, j), waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de ernst van het bewijsmateriaal en de rechten van de betrokken partijen zoals bepaald in dit Statuut en in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, opdat de Staten beschermende maatregelen zouden treffen ter fine van verbeurdverklaring, in het bijzonder in het hoogste belang van de slachtoffers

  Art. 58. Uitvaardiging door de Kamer van vooronderzoek van een bevel tot aanhouding of van een dagvaarding tot verschijning
  1. Op elk tijdstip na het instellen van een onderzoek vaardigt de Kamer van vooronderzoek op verzoek van de aanklager een bevel tot aanhouding uit van een persoon, indien, na onderzoek van het verzoek en het bewijsmateriaal of van andere informatie overgelegd door de aanklager, de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat :
  (a) redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon een misdaad heeft gepleegd waarover het Hof rechtsmacht bezit; en
  (b) de aanhouding van de persoon noodzakelijk blijkt te zijn om :
  (i) te verzekeren dat de persoon zal verschijnen;
  (ii) te verzekeren dat de persoon het onderzoek of de procedure voor het Hof niet zal belemmeren of het verloop ervan in het gedrang brengen, of
  (iii) in voorkomend geval, de persoon te beletten voort te gaan met het plegen van die misdaad of een aanverwante misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit en die voortvloeit uit dezelfde omstandigheden.
  2. Het verzoek van de aanklager vermeldt :
  (a) de naam van de persoon en alle overige relevante informatie met betrekking tot zijn identificatie;
  (b) een specifieke verwijzing naar de misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit en die de persoon zou hebben gepleegd;
  (c) een beknopte omschrijving van de feiten waarvan wordt beweerd dat zij de misdaad opleveren;
  (d) een samenvatting van het bewijsmateriaal en van de overige informatie die redelijke gronden vormen om aan te nemen dat de persoon die misdaad heeft gepleegd; en
  (e) de redenen waarom de aanklager meent dat de aanhouding van de persoon noodzakelijk is.
  3. Het bevel tot aanhouding vermeldt :
  (a) de naam van de persoon en alle overige relevante informatie met betrekking tot zijn identificatie;
  (b) een specifieke verwijzing naar de misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft en die de persoon zou hebben gepleegd; en
  (c) een beknopte beschrijving van de feiten waarvan wordt beweerd dat zij de misdaad opleveren.
  4. Het bevel tot aanhouding blijft van kracht zolang het Hof niet anderszins heeft beslist.
  5. Op grond van het bevel tot aanhouding kan het Hof krachtens hoofdstuk 9 de voorlopige hechtenis of de aanhouding en overdracht van de persoon vragen.
  6. De aanklager kan de Kamer van vooronderzoek vragen het bevel tot aanhouding te wijzigen door middel van een andere omschrijving van de daarin vermelde misdrijven of door de toevoeging van nieuwe misdaden. De Kamer van vooronderzoek wijzigt het bevel tot aanhouding dienovereenkomstig indien zij goede redenen heeft om aan te nemen dat de persoon de anders omschreven of bijkomende misdaden heeft gepleegd.
  7. De aanklager kan de Kamer van vooronderzoek vragen een dagvaarding tot verschijning van de persoon uit te vaardigen in plaats van een bevel tot aanhouding. Indien de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon de hem ten laste gelegde misdaad heeft gepleegd en dat een dagvaarding tot verschijning voldoende is om de verschijning van de persoon te verzekeren, vaardigt zij de dagvaarding uit, met of zonder vrijheidsbeperkende voorwaarden (andere dan detentie) indien het nationale recht daarin voorziet. De dagvaarding vermeldt :
  (a) de naam van de persoon en alle overige relevante informatie met betrekking tot zijn identificatie;
  (b) de datum van de verschijning;
  (c) een specifieke verwijzing naar de misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit en die de persoon zou hebben gepleegd; en
  (d) een beknopte omschrijving van de feiten waarvan wordt beweerd dat zij de misdaad opleveren.
  De dagvaarding wordt aan de betrokken persoon betekend.

  Art. 59. Aanhoudingsprocedure in de Staat van detentie
  1. Een Staat die Partij is en een verzoek betreffende de voorlopige hechtenis, aanhouding en overdracht heeft ontvangen moet onmiddellijk maatregelen nemen met het oog op de aanhouding van de betrokken persoon overeenkomstig zijn wetgeving en het bepaalde in hoofdstuk 9.
  2. Een aangehouden persoon moet onverwijld worden gebracht voor de bevoegde gerechtelijke autoriteit in de Staat van detentie, die overeenkomstig de wetgeving van die Staat nagaat of :
  (a) het bevel tot aanhouding die persoon betreft;
  (b) de persoon volgens de geldende procedure is aangehouden, en
  (c) de rechten van de persoon zijn geŽerbiedigd.
  3. De aangehouden persoon heeft het recht bij de bevoegde autoriteit van de Staat van detentie een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen in afwachting van zijn overdracht.
  4. Wanneer de bevoegde autoriteit van de Staat van detentie zich over dat verzoek uitspreekt overweegt zij of er, gelet op de ernst van de vermeende misdrijven, dringende en uitzonderlijke omstandigheden zijn die een voorlopige invrijheidstelling verantwoorden en of de noodzakelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat de Staat van detentie zijn verplichting die persoon aan het Hof over te dragen kan nakomen. De bevoegde autoriteit van de Staat van detentie kan evenwel niet onderzoeken of het bevel tot aanhouding op geldige wijze is uitgevaardigd overeenkomstig artikel 58, eerste punt, a en b.
  5. De Kamer van vooronderzoek wordt in kennis gesteld van elk verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en doet aanbevelingen aan de bevoegde autoriteit van de Staat van detentie. De bevoegde autoriteit van de Staat van detentie neemt deze aanbevelingen, alsmede eventueel deze betreffende maatregelen ter voorkoming van ontvluchting van de persoon volledig in overweging alvorens een beslissing te nemen.
  6. Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd kan de Kamer van vooronderzoek vragen dat regelmatig verslag wordt uitgebracht over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
  7. Zodra het bevel tot overdracht door de Staat van detentie is gegeven wordt de persoon zo spoedig mogelijk aan het Hof overgedragen.

  Art. 60. Oorspronkelijke rechtspleging voor het Hof
  1. Na de overdracht van de persoon aan het Hof of na zijn verschijning voor het Hof uit vrije wil of op dagvaarding gaat de Kamer van vooronderzoek na of de persoon in kennis is gesteld van de misdaden die hem ten laste worden gelegd en van zijn rechten krachtens dit Statuut, met inbegrip van het recht om een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in te dienen in afwachting van het proces.
  2. Een persoon tegen wie een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd kan in afwachting van het proces een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling indienen. Wanneer de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 58, eerste punt, blijft de persoon in detentie. In het andere geval stelt de Kamer van vooronderzoek de persoon in vrijheid met of zonder voorwaarden.
  3. De Kamer van vooronderzoek herbestudeerd haar beslissing tot invrijheidstelling of detentie van de persoon op geregelde tijdstippen en kan dit op elk tijdstip doen op verzoek van de aanklager of van de betrokkene. Bij die gelegenheid kan de Kamer haar beslissing met betrekking tot detentie, invrijheidstelling of de voorwaarden met betrekking tot invrijheidstelling wijzigen, indien zij ervan overtuigd is dat gewijzigde omstandigheden zulks verantwoorden.
  4. De Kamer van vooronderzoek stelt alles in het werk opdat de detentie voor het proces niet onredelijk lang duurt als gevolg van onverschoonbare vertraging door de aanklager. Indien een dergelijke vertraging zich voordoet, overweegt het Hof de invrijheidstelling van de persoon met of zonder voorwaarden.
  5. Indien noodzakelijk kan de Kamer van vooronderzoek een bevel tot aanhouding uitvaardigen ter verzekering van de verschijning van een persoon die in vrijheid is gesteld.

  Art. 61. Bevestiging van de ten laste gelegde feiten voor het proces
  1. Onverminderd het bepaalde in het tweede punt houdt de Kamer van vooronderzoek binnen een redelijke termijn na de overdracht aan het Hof of na de vrijwillige verschijning van de persoon een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten op grond waarvan de aanklager voornemens is zich te baseren om een vonnis te vorderen. De zitting wordt gehouden in aanwezigheid van de aanklager, de persoon tegen wie een onderzoek of vervolging is ingesteld, alsmede zijn raadsman.
  2. De Kamer van vooronderzoek kan op verzoek van de aanklager of uit eigen beweging een zitting houden in afwezigheid van de betrokkene ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten op grond waarvan de aanklager voornemens is zich te baseren om een vonnis te vorderen, wanneer de persoon :
  (a) afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn; of
  (b) gevlucht of onvindbaar is, hoewel alle redelijke stappen zijn ondernomen om zijn verschijning voor het Hof te verzekeren en om de persoon in kennis te stellen van de ten laste gelegde feiten en van het feit dat een zitting wordt gehouden ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten.
  In dat geval wordt de persoon vertegenwoordigd door een advocaat wanneer de Kamer van vooronderzoek stelt dat zulks in het belang van de rechtspleging is.
  3. Binnen een redelijke termijn voor de zitting :
  (a) ontvangt de persoon een schriftelijke kennisgeving met vermelding van de ten laste gelegde feiten op grond waarvan de aanklager voornemens een vonnis te vorderen; en
  (b) wordt de persoon in kennis gesteld van het bewijsmateriaal waarop de aanklager voornemens is zich tijdens de zitting te baseren.
  De Kamer van vooronderzoek kan beschikkingen uitvaardigen met betrekking tot de bekendmaking van informatie ten behoeve van de zitting.
  4. Voor de zitting kan de aanklager het onderzoek voortzetten en de ten laste gelegde feiten wijzigen of intrekken. De betrokken persoon wordt binnen een redelijke termijn voor de zitting in kennis gesteld van wijzigingen in of van de intrekking van de ten laste gelegde feiten. In geval van intrekking van de ten laste gelegde feiten stelt de aanklager de Kamer van vooronderzoek in kennis van de redenen voor de intrekking.
  5. Tijdens de zitting staaft de aanklager elk ten laste gelegd feit met voldoende bewijsmateriaal zodat kan worden vastgesteld dat ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de persoon de ten laste gelegde misdaad heeft gepleegd. De aanklager mag gebruik maken van bewijsmateriaal onder de vorm van documenten of van samenvattingen en is niet ertoe gehouden de getuigen op te roepen die tijdens het proces moeten getuigen.
  6. Op de zitting kan de persoon :
  (a) de ten laste gelegde feiten betwisten;
  (b) het bewijsmateriaal van de aanklager betwisten; en
  (c) bewijsmateriaal aanvoeren.
  7. Na afloop van de zitting stelt de Kamer van vooronderzoek vast of voldoende bewijsmateriaal bestaat zodat kan worden vastgesteld dat ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de persoon alle ten laste gelegde misdaden heeft gepleegd. Op grond daarvan beslist de Kamer van vooronderzoek tot :
  (a) bevestiging van de ten laste gelegde feiten ten aanzien waarvan zij heeft vastgesteld dat voldoende bewijsmateriaal bestaat en tot verwijzing van de persoon naar een Kamer van eerste aanleg om terecht te staan op grond van de bevestigde ten laste gelegde feiten;
  (b) niet-bevestiging van die ten laste gelegde feiten ten aanzien waarvan zij heeft vastgesteld dat onvoldoende bewijsmateriaal bestaat;
  (c) verdaging van de zitting en een verzoek aan de aanklager om te overwegen :
  (i) nader bewijsmateriaal te verstrekken of nader onderzoek uit te voeren met betrekking tot een bepaald ten laste gelegd feit; of
  (ii) een ten laste gelegd feit te wijzigen omdat het overgelegde bewijsmateriaal een andere misdaad blijkt op te leveren waarover het Hof rechtsmacht bezit.
  8. Wanneer de Kamer van vooronderzoek een ten laste gelegd feit niet bevestigt, belet zulks de aanklager niet de bevestiging ervan te vragen op een later tijdstip indien zijn verzoek wordt gestaafd met aanvullend bewijsmateriaal.
  9. Na de bevestiging van de ten laste gelegde feiten en voor het begin van het proces, kan de aanklager met toestemming van de Kamer van vooronderzoek en na kennisgeving aan de verdachte, de ten laste gelegde feiten wijzigen. Indien de aanklager aanvullende feiten aan de ten laste gelegde feiten wenst toe te voegen of ernstiger ten laste gelegde feiten in de plaats te stellen, moet een zitting worden gehouden krachtens dit artikel om die feiten te bevestigen. Na aanvang van het proces kan de aanklager met toestemming van de Kamer van eerste aanleg de ten laste gelegde feiten intrekken.
  10. Een bevel tot aanhouding dat voordien is uitgevaardigd, houdt op van kracht te zijn voorzover het ten laste gelegde feiten betreft die niet door de Kamer van vooronderzoek zijn bevestigd of die door de aanklager zijn ingetrokken.
  11. Zodra de ten laste gelegde feiten zijn bevestigd overeenkomstig dit artikel, stelt het voorzitterschap een Kamer van eerste aanleg samen die krachtens het achtste punt en artikel 64, vierde punt, verantwoordelijk is voor de daaropvolgende fase van het proces en die alle taken van de Kamer van vooronderzoek mag vervullen die in het proces relevant zijn en kunnen worden toegepast.

  HOOFDSTUK VI. - Terechtzitting.

  Art. 62. Plaats van terechtzitting
  Tenzij anders wordt besloten, vindt de terechtzitting plaats op de zetel van het Hof.

  Art. 63. Aanwezigheid van de verdachte
  1. De verdachte woont de terechtzitting bij.
  2. Indien de verdachte, die voor het Hof aanwezig is, de terechtzitting blijft verstoren, kan de Kamer van eerste aanleg de verdachte uit de rechtszaal verwijderen en ervoor zorgen dat hij of zij de terechtzitting kan volgen en de raadsman van buiten de rechtszaal instructies kan geven, zo nodig door middel van het gebruik van communicatietechnologie. Dergelijke maatregelen worden alleen in uitzonderlijke omstandigheden getroffen, nadat andere redelijke alternatieven ongeschikt zijn gebleken, en slechts voor zolang dit strikt noodzakelijk is.

  Art. 64. Taken en bevoegdheden van de Kamer van eerste aanleg
  1. De in dit artikel vermelde taken en bevoegdheden van de Kamer van eerste aanleg worden uitgeoefend overeenkomstig dit Statuut en het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  2. De Kamer van eerste aanleg draagt zorg ervoor dat de terechtzitting eerlijk en vlot verloopt en wordt gehouden met volledige eerbiediging van de rechten van de verdachte en behoorlijke inachtneming van de bescherming van slachtoffers en getuigen.
  3. Bij aanwijzing van een zaak voor terechtzitting overeenkomstig dit Statuut moet de Kamer van eerste aanleg die is aangewezen om de zaak te behandelen :
  (a) overleg plegen met de partijen en de procedures toepassen die noodzakelijk zijn om een eerlijk en vlot verloop van de procesvoering te waarborgen;
  (b) de taal of de talen vaststellen die op de terechtzitting worden gebruikt; en
  (c) onverminderd de overige relevante bepalingen van dit Statuut zorg dragen voor de bekendmaking van nog niet eerder bekendgemaakte stukken of informatie ruim voor de aanvang van de terechtzitting teneinde een passende voorbereiding ervan mogelijk te maken.
  4. De Kamer van eerste aanleg kan, indien dit noodzakelijk is voor haar doeltreffend en eerlijk functioneren, prejudiciŽle kwesties naar de Kamer van vooronderzoek verwijzen of indien noodzakelijk naar een andere beschikbare rechter van de Afdeling vooronderzoek.
  5. De Kamer van eerste aanleg kan in voorkomend geval bij kennisgeving aan de partijen gelasten dat de tenlasteleggingen ten aanzien van verscheidene beschuldigden worden samengevoegd of gesplitst.
  6. De Kamer van eerste aanleg kan bij de uitoefening van haar taken voorafgaand aan of in de loop van een terechtzitting zo nodig :
  (a) alle in artikel 61, elfde punt, vermelde taken van de Kamer van vooronderzoek uitoefenen;
  (b) de verschijning en het verhoor van getuigen gelasten, alsook de overlegging van stukken en ander bewijsmateriaal door zo nodig de bijstand in te roepen van staten zoals bepaald in dit Statuut;
  (c) zorg dragen voor de bescherming van vertrouwelijke informatie;
  (d) de overlegging gelasten van bewijsmateriaal in aanvulling op het bewijs dat reeds voor de terechtzitting is vergaard of tijdens de terechtzitting door de partijen naar voren is gebracht;
  (e) zorg dragen voor de bescherming van de beschuldigde, van de getuigen en de slachtoffers; en
  (f) beslissen over alle overige relevante zaken.
  7. De terechtzitting is openbaar. De Kamer van eerste aanleg kan echter het sluiten der deuren uitspreken met betrekking tot bepaalde zittingen, zulks wegens bijzondere omstandigheden overeenkomstig artikel 68 of ter bescherming van vertrouwelijke of gevoelige informatie verstrekt in een getuigenverklaring.
  8. (a) Bij de aanvang van het proces laat de Kamer van eerste aanleg aan de beschuldigde de ten laste gelegde feiten voorlezen, die voordien door de Kamer van vooronderzoek zijn bevestigd. De Kamer van eerste aanleg overtuigt zich ervan dat de beschuldigde de aard van de tenlasteleggingen begrijpt. Zij geeft hem de gelegenheid schuld te bekennen overeenkomstig artikel 65 of zich onschuldig te verklaren.
  (b) Ter terechtzitting kan de voorzitter aanwijzingen geven ten aanzien van het verloop van de debatten, mede ter verzekering dat zij op eerlijke en onpartijdige wijze verlopen. Onder voorbehoud van eventuele instructies van de voorzitter kunnen de partijen bewijsmateriaal overleggen overeenkomstig het bepaalde in dit Statuut.
  9. De Kamer van eerste aanleg kan op verzoek van een partij of ambtshalve :
  (a) beslissen of bewijs ontvankelijk of relevant is; en
  (b) alle noodzakelijke maatregelen treffen teneinde de zitting ordelijk te doen verlopen.
  10. De Kamer van eerste aanleg zorgt ervoor dat de griffier een volledig proces-verbaal van het proces opmaakt en bewaart, waarin de debatten waarheidsgetrouw worden weergegeven.

  Art. 65. Rechtspleging in geval van schuldbekentenis
  1. Wanneer de beschuldigde schuld bekent overeenkomstig artikel 64, achtste punt, a, beslist de Kamer van eerste aanleg of :
  (a) de beschuldigde de aard en de gevolgen van zijn schuldbekentenis begrijpt;
  (b) de bekentenis vrijwillig is gedaan na voldoende overleg met de raadsman van de beschuldigde; en
  (c) de schuldbekentenis wordt ondersteund door de feiten in de zaak, zoals deze blijken uit :
  (i) de tenlasteleggingen die de aanklager naar voren heeft gebracht en de verdachte heeft toegegeven;
  (ii) materiaal dat de aanklager heeft overgelegd met betrekking tot de ten laste gelegde feiten en dat de beschuldigde heeft aanvaard; en
  (iii) enig ander bewijs, zoals getuigenverklaringen, dat de aanklager of de beschuldigde naar voren heeft gebracht.
  2. Wanneer de Kamer van eerste aanleg ervan overtuigd is dat is voldaan aan de voorwaarden omschreven in het eerste punt, beschouwt deze Kamer de schuldbekentenis samen met het overgelegde aanvullende bewijs als vaststelling van alle essentiŽle feiten die vereist zijn als bewijs voor de misdaad waarop de schuldbekentenis betrekking heeft en kan zij beslissen dat de beschuldigde zich aan die misdaad schuldig heeft gemaakt.
  3. Wanneer de Kamer van eerste aanleg niet ervan overtuigd is dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in het eerste punt, beschouwt zij de schuldbekentenis als niet gedaan. In dat geval gelast zij de terechtzitting voort te zetten volgens de in dit Statuut bepaalde normale procedures voor terechtzitting en kan zij de zaak naar een andere Kamer van eerste aanleg verwijzen.
  4. Wanneer de Kamer van eerste aanleg van oordeel is dat een meer volledige voorstelling van de feiten in de zaak noodzakelijk is in het belang van de rechtspleging, in het bijzonder in het belang van de slachtoffers, kan zij :
  (a) de aanklager verzoeken aanvullend bewijs over te leggen, met inbegrip van getuigenverklaringen; of
  (b) gelasten dat de terechtzitting volgens de in dit Statuut bepaalde normale procedures voor terechtzitting wordt voortgezet. In dat geval beschouwt zij de schuldbekentenis als niet gedaan en kan zij de zaak verwijzen naar een andere Kamer van eerste aanleg.
  5. Mondeling overleg tussen de aanklager en de verdediging over een wijziging in de tenlasteleggingen, de schuldbekentenis of de op te leggen straf is niet bindend voor het Hof.

  Art. 66. Vermoeden van onschuld
  1. Een ieder wordt verondersteld onschuldig te zijn totdat zijn schuld voor het Hof is bewezen overeenkomstig het toepasselijke recht.
  2. Op de aanklager rust de plicht de schuld van de beschuldigde te bewijzen.
  3. Teneinde de beschuldigde te veroordelen moet het Hof buiten iedere redelijke twijfel overtuigd zijn van zijn schuld.

  Art. 67. Rechten van de verdachte
  1. Bij het onderzoek van de tenlastelegging heeft de beschuldigde recht op een openbare zitting die met inachtneming van het bepaalde in dit Statuut op een eerlijke en onpartijdige wijze moet worden gehouden, alsook ten minste met de volgende waarborgen, zulks op grond van volledige gelijkheid :
  (a) onverwijld en in detail op de hoogte worden gesteld van de reden en van de inhoud van het hem ten laste gelegde feit in een taal die de verdachte volledig begrijpt en spreekt;
  (b) over voldoende tijd en middelen beschikken voor de voorbereiding van de verdediging en vrijelijk en vertrouwelijk met de raadsman van zijn keuze kunnen communiceren;
  (c) berecht worden zonder buitensporige vertraging;
  (d) onverminderd het bepaalde in artikel 63, tweede punt, zijn proces bijwonen, zelf verweer voeren of zich laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze, wanneer hij geen rechtsbijstand heeft op de hoogte worden gesteld dat hij daarop recht heeft en rechtsbijstand toegewezen krijgen door het Hof in alle gevallen waarin het belang van de rechtspleging dit vereist, zulks kosteloos indien hij niet over voldoende middelen ter betaling daarvan beschikt;
  (e) getuigen ŗ charge ondervragen of doen ondervragen en de verschijning en ondervraging bewerkstelligen van getuigen ŗ dťcharge onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor getuigen ŗ charge. De beschuldigde is tevens gerechtigd verweermiddelen aan te voeren en ander, krachtens dit Statuut ontvankelijk bewijs naar voren te brengen;
  (f) kosteloos bijstand krijgen van een bekwame tolk en kunnen beschikken over de vertalingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de vereisten inzake eerlijkheid, indien de taal gebruikt tijdens een van de zittingen van het Hof of in een van de stukken die aan het Hof worden overgelegd, geen taal is die de beschuldigde volledig begrijpt en spreekt;
  (g) niet worden gedwongen te getuigen tegen zichzelf of schuld bekennen en kunnen blijven zwijgen zonder dat dit zwijgen bij de bepaling van schuld of onschuld in overweging wordt genomen;
  h) een onbeŽdigde mondelinge of schriftelijke verklaring voor zijn verdediging afleggen; en
  i) niet worden onderworpen aan een omkering van de bewijslast of aan enige verplichting tot tegenbewijs.
  2. Naast enige andere krachtens dit Statuut bepaalde bekendmaking stelt de aanklager de verdediging in een zo vroeg mogelijk stadium in kennis van het bewijsmateriaal dat zich in zijn bezit bevindt of waarover hij beschikt en waarvan hij of zij meent dat het de onschuld van de beschuldigde aantoont of daartoe bijdraagt, of dat het zijn schuld verlicht, of dat de geloofwaardigheid kan aantasten van bewijsmateriaal ŗ charge. Het Hof beslist in gevallen waarin twijfel bestaat over de toepassing van dit punt.

  Art. 68. Bescherming van slachtoffers en getuigen en hun deelname aan het proces
  1. Het Hof treft passende maatregelen ter bescherming van de veiligheid, het lichamelijk en geestelijk welzijn, de waardigheid en de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en getuigen. Hierbij neemt het Hof alle relevante factoren in aanmerking, daaronder begrepen leeftijd, geslacht zoals gedefinieerd in artikel 7, derde punt, gezondheid, en de aard van de misdaad in het bijzonder maar niet uitsluitend, wanneer de misdaad gepaard gaat met seksueel of seksistisch geweld in de zin van voornoemd artikel 7, derde punt, of met geweld tegen kinderen. De aanklager treft dergelijke maatregelen in het bijzonder tijdens het onderzoek en de vervolging van deze misdaden. Deze maatregelen mogen geen afbreuk doen aan of onverenigbaar zijn met de rechten van de verdediging en met de vereisten van een eerlijk en onpartijdig proces.
  2. Als uitzondering op het in artikel 67 vastgelegde beginsel dat zittingen openbaar zijn, kunnen de Kamers van het Hof, ter bescherming van slachtoffers en getuigen of van een beschuldigde, enig deel van het proces in een besloten zitting doen plaatsvinden of toestaan dat bewijs wordt geleverd door middel van elektronische of andere bijzondere middelen. Dergelijke maatregelen worden in het bijzonder getroffen bij slachtoffers van seksueel geweld of bij kinderen die slachtoffer of getuige zijn, tenzij het Hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in het bijzonder de zienswijzen van het slachtoffer of de getuige anders bepaalt.
  3. Indien de persoonlijke belangen van de slachtoffers in het geding zijn, staat het Hof toe dat hun zienswijzen en zorgen naar voren worden gebracht en in overweging worden genomen in daartoe door het Hof als passend bepaalde stadia van het proces en op een wijze die geen afbreuk doet aan of onverenigbaar is met de rechten van de verdediging en met de vereisten van een eerlijk en onpartijdig proces. Deze zienswijzen en zorgen kunnen naar voren worden gebracht door de wettelijke vertegenwoordigers van de slachtoffers wanneer het Hof dit passend acht overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  4. De Afdeling Hulp aan Slachtoffers en Getuigen kan aan de aanklager en aan het Hof advies verlenen omtrent de beschermende maatregelen, de bepalingen inzake veiligheid en het advies en de bijstand bedoeld in artikel 43, zesde punt.
  5. Wanneer bekendmaking van bewijsmateriaal of van informatie krachtens dit Statuut de veiligheid van een getuige of van zijn gezins- en familieleden ernstig in gevaar kan brengen, kan de aanklager ten behoeve van de onderdelen van de rechtspleging die voor de aanvang van het proces plaatsvinden, dat bewijs of die informatie niet bekendmaken en in plaats daarvan een samenvatting verstrekken. Dit soort maatregelen wordt getroffen op een wijze die geen afbreuk doet aan of onverenigbaar is met de rechten van de verdediging en met de vereisten van een eerlijk en onpartijdig proces.
  6. Een Staat kan erom verzoeken dat de maatregelen worden getroffen die noodzakelijk zijn ter bescherming van zijn ambtenaren of beambten, of van vertrouwelijke of gevoelige informatie.

  Art. 69. Bewijs 1. Alvorens een getuigenverklaring af te leggen, moet elke getuige overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering de plechtige gelofte afleggen dat zijn verklaring waarheidsgetrouw is.
  2. De getuigen worden persoonlijk gehoord tijdens de terechtzitting onder voorbehoud van de maatregelen vermeld in artikel 68 of in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. Het Hof kan ook toestaan dat een getuige een mondelinge verklaring aflegt, een beeld- of geluidsbandopname, stukken of schriftelijke transcripties overlegt, onder voorbehoud van dit Statuut en overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. Deze maatregelen mogen geen afbreuk doen aan of onverenigbaar zijn met de rechten van de verdediging.
  3. De partijen kunnen bewijsmateriaal overleggen dat voor de zaak relevant is overeenkomstig artikel 64. Het Hof is bevoegd om overlegging te verzoeken van elk bewijs dat het noodzakelijk acht ter vaststelling van de waarheid.
  4. Het Hof kan overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering beslissen of het bewijs relevant of ontvankelijk is, waarbij het onder meer rekening houdt met de bewijskracht ervan en met de afbreuk die dit bewijs kan doen aan een eerlijk proces of aan een eerlijke afweging van de verklaring van een getuige.
  5. Het Hof eerbiedigt de regels inzake vertrouwelijkheid die zijn vastgesteld in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  6. Het Hof verlangt geen bewijs van feiten die algemeen bekend zijn maar kan rechterlijk notitie ervan nemen.
  7. Bewijsmateriaal verkregen door schending van dit Statuut of van internationaal erkende mensenrechten is niet-ontvankelijk, indien :
  (a) de schending ernstige twijfel doet rijzen ten aanzien van de betrouwbaarheid van het bewijs; of
  (b) de toelating van het bewijs in strijd zou zijn met de integriteit van de rechtspleging en deze ernstig zou schaden.
  8. Wanneer het Hof beslist over de relevantie of de ontvankelijkheid van bewijs dat door een Staat is vergaard, doet het geen uitspraak over de toepassing van het nationale recht van die Staat.

  Art. 70. Misdrijven tegen de rechtsbedeling
  1. Het Hof heeft rechtsmacht ter zake van de volgende misdrijven tegen de rechtsbedeling van het Hof wanneer deze opzettelijk worden begaan :
  (a) afleggen van valse getuigenverklaringen wanneer krachtens artikel 69, eerste punt, de verplichting bestaat de waarheid te spreken;
  (b) leveren van bewijs waarvan de partij weet dat het vals of vervalst is;
  (c) verleiden van een getuige, deze beletten te verschijnen of vrijelijk een verklaring af te leggen, wraak nemen op een getuige wegens het afleggen van een verklaring of vernietigen of vervalsen van bewijsmateriaal of beletten dat bewijsmateriaal wordt vergaard;
  (d) hinderen, intimideren of frauduleus beÔnvloeden van een lid of van een ambtenaar van het Hof teneinde hem te dwingen of over te halen zijn taken niet of op onjuiste wijze te vervullen;
  (e) wraak nemen op een lid of op een ambtenaar van het Hof wegens de taken die hij of zij of een ander lid of ambtenaar heeft vervuld;
  (f) als lid of ambtenaar van het Hof in samenhang met zijn officiŽle taken steekpenningen vragen of aannemen.
  2. De beginselen en de procedure op grond waarvan het Hof zijn bevoegdheid uitoefent ten aanzien van misdrijven omschreven in dit artikel zijn bepaald in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. De wijzen van internationale samenwerking met het Hof inzake de toepassing van de bepalingen van dit artikel worden geregeld door de nationale wetgeving van de aangezochte Staat.
  3. Bij veroordeling kan het Hof een gevangenisstraf opleggen van ten hoogste vijf jaar of een boete overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, of beide.
  4. (a) Elke Staat die Partij is, voorziet in de uitbreiding van de toepassing van zijn strafrechtelijke bepalingen, op grond waarvan misdrijven tegen de integriteit van zijn onderzoeksprocedures of van zijn rechtsstelsel strafbaar worden gesteld, tot misdrijven tegen de rechtsbedeling overeenkomstig dit artikel, die begaan zijn op zijn grondgebied of door een van zijn onderdanen;
  (b) Een Staat die Partij is, legt op verzoek van het Hof en wanneer hij dit passend acht, de zaak voor aan zijn bevoegde autoriteiten met het oog op vervolging. Die autoriteiten nemen dergelijke zaken met voortvarendheid in behandeling en besteden daaraan voldoende middelen om hen op doelmatige wijze te kunnen behandelen.

  Art. 71. Sancties bij wangedrag voor het Hof
  1. Het Hof kan wangedrag tijdens de terechtzitting, daaronder begrepen verstoring van de rechtspleging en moedwillige weigering de aanwijzingen van het Hof op te volgen, bestraffen door middel van administratieve maatregelen andere dan vrijheidsbeneming, zoals tijdelijke of duurzame verwijdering uit de rechtszaal, een boete of andere in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering vastgestelde vergelijkbare maatregelen.
  2. De sanctieregeling omschreven het eerste punt is vastgelegd in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.

  Art. 72. Bescherming van informatie die verband houdt met de nationale veiligheid
  1. Dit artikel geldt in alle gevallen waarin de bekendmaking van informatie of stukken van een staat, naar de mening van die Staat zijn nationale veiligheidsbelangen schaadt. Deze gevallen betreffen inzonderheid zaken die vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 56, punten 2 en 3, artikel 61, derde punt, artikel 64, derde punt, artikel 67, tweede punt, artikel 68, zesde punt, artikel 87, zesde punt en artikel 93, alsmede gevallen die zich voordoen in enig ander stadium van de rechtspleging wanneer een dergelijke bekendmaking aan de orde kan zijn.
  2. Dit artikel geldt tevens wanneer een persoon aan wie is verzocht informatie of bewijsmateriaal te verschaffen, heeft geweigerd dit te doen of de zaak naar de staat heeft verwezen omdat bekendmaking de nationale veiligheidsbelangen van een Staat zou schaden en de betrokken Staat bevestigt dat hij van mening is dat bekendmaking zijn nationale veiligheidsbelangen zou schaden.
  3. Niets in dit artikel doet afbreuk aan de vereisten van vertrouwelijkheid die krachtens artikel 54, derde punt, e en f, van toepassing zijn of aan de toepassing van artikel 73.
  4. Indien het een Staat ter kennis komt dat informatie of stukken van de Staat in enig stadium van de rechtspleging worden bekendgemaakt of waarschijnlijk worden bekendgemaakt en hij van oordeel is dat bekendmaking zijn nationale veiligheidsbelangen zou schaden, heeft die Staat het recht tussenbeide te komen teneinde een oplossing voor de kwestie te verkrijgen overeenkomstig dit artikel.
  5. Indien naar het oordeel van een Staat bekendmaking van informatie zijn nationale veiligheidsbelangen zou schaden, neemt die Staat in samenwerking met de aanklager de verdediging of de Kamer van vooronderzoek respectievelijk de Kamer van eerste aanleg naar gelang van het geval, alle redelijke maatregelen om te trachten door overleg tot oplossing van de zaak te komen. Dergelijke maatregelen kunnen onder meer bestaan in :
  (a) wijziging of verduidelijking van het verzoek;
  (b) het Hof doen beslissen over de relevantie van de informatie of het bewijs waarom is verzocht of over de vraag of het bewijsmateriaal, hoewel relevant, zou kunnen worden verkregen of is verkregen door middel van een andere bron dan de aangezochte Staat;
  (c) informatie of bewijsmateriaal verkrijgen door middel van een andere bron of in een andere vorm; of
  (d) overeenstemming bereiken over de voorwaarden waaronder de bijstand zou kunnen worden verleend, met inbegrip van onder meer het verstrekken van samenvattingen of bewerkte stukken, het opleggen van beperkingen ten aanzien van de bekendmaking, het gebruiken van een rechtspleging met gesloten deuren of bij afwezigheid van de andere partij, alsook andere krachtens het Statuut en het Reglement toegestane beschermende maatregelen.
  6. Als alle redelijke maatregelen zijn genomen om de zaak door overleg op te lossen en de Staat van oordeel is dat geen middelen of voorwaarden bestaan die hem de mogelijkheid bieden de informatie of stukken te bezorgen of bekend te maken zonder zijn nationale veiligheidsbelangen te schaden, stelt de Staat de aanklager of het Hof daarvan in kennis, alsook van de precieze redenen die aan zijn beslissing ten grondslag liggen, tenzij een precieze beschrijving van de redenen zelf noodzakelijkerwijs afbreuk zou doen aan de nationale veiligheidsbelangen van de Staat.
  7. Indien het Hof daarna het bewijsmateriaal relevant en noodzakelijk acht ter vaststelling van de schuld of onschuld van de beschuldigde, kan het Hof de volgende maatregelen nemen :
  (a) wanneer om bekendmaking van de informatie of van het stuk wordt verzocht krachtens een verzoek om medewerking overeenkomstig Hoofdstuk 9 of de in het tweede punt vermelde omstandigheden, en de Staat een beroep heeft gedaan op de weigeringsgrond bedoeld in artikel 93, vierde punt :
  (i) kan het Hof, alvorens tot de slotsom te komen die is bedoeld in het zevende punt, a, ii, om aanvullend overleg verzoeken teneinde de opmerkingen van de Staat in overweging te nemen, in voorkomend geval met inbegrip van zittingen. Op verzoek van de Staat houdt het Hof die zittingen met gesloten deuren en bij afwezigheid van de andere partij;
  (ii) indien het Hof tot de slotsom komt dat de aangezochte Staat, door zich te beroepen op de weigeringsgrond bedoeld in artikel 93, vierde punt, in de omstandigheden van het geval niet handelt overeenkomstig zijn verplichtingen krachtens dit Statuut, kan het Hof de zaak verwijzen overeenkomstig artikel 87, zevende punt, zulks onder opgave van de redenen voor zijn beslissing;
  (iii) kan het Hof tijdens de terechtzitting van de beschuldigde ten aanzien van het al dan niet bestaan van een feit de conclusie trekken die het terzake passend acht; of
  (b) in alle andere omstandigheden :
  (i) bevel geven tot bekendmaking;
  (ii) zoniet, tijdens de terechtzitting van de beschuldigde ten aanzien van het al dan niet bestaan van een feit de conclusie trekken die het Hof terzake passend acht.

  Art. 73. Informatie of stukken van derden
  Indien een Staat die Partij is, door het Hof wordt verzocht stukken of gegevens te verstrekken die hij in bewaring, in bezit of onder zijn toezicht heeft, of die hem in vertrouwen zijn bekendgemaakt door een staat, een intergouvernementele organisatie of een internationale organisatie, verzoekt hij degene van wie dat stuk of die informatie afkomstig is, om toestemming tot bekendmaking ervan. Indien de informatie of het stuk afkomstig is van een Staat die Partij is, verleent deze laatste toestemming tot bekendmaking van de informatie of het stuk of tracht hij het probleem betreffende bekendmaking met het Hof op te lossen onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 72. Indien het stuk of de informatie niet afkomstig is van een Staat is die Partij is en deze weigert toestemming tot bekendmaking te verlenen, stelt de aangezochte Staat het Hof ervan in kennis dat hij het stuk of de informatie niet kan verschaffen ten gevolge van een reeds daarvoor bestaande verplichting tot vertrouwelijkheid ten aanzien van degene van wie het stuk of de informatie afkomstig is.

  Art. 74. Voorwaarden gesteld aan de beslissing
  1. Alle rechters van de Kamer van eerste aanleg moeten in elk stadium van het proces en tijdens de beraadslagingen aanwezig zijn. De voorzitter mag, van geval tot geval, een of meer plaatsvervangende rechters, voorzover beschikbaar, aanwijzen om in elk stadium van het proces aanwezig te zijn en een lid van de Kamer van eerste aanleg te vervangen dat de bijwoning niet kan voortzetten.
  2. De beslissing van de Kamer van eerste aanleg is gegrond op haar beoordeling van het bewijsmateriaal en de volledige rechtspleging. De beslissing mag alleen betrekking hebben op de feiten en omstandigheden omschreven in de tenlastelegging en op alle daarin aangebrachte wijzigingen. De beslissing is alleen gegrond op bewijs dat is voorgelegd en tijdens het proces is onderzocht.
  3. De rechters trachten tot eenstemmigheid te komen in hun beslissing, zoniet wordt zij bij meerderheid genomen.
  4. De beraadslagingen van de Kamer van eerste aanleg zijn en blijven geheim.
  5. De beslissing wordt schriftelijk vastgelegd en omvat een volledig met redenen omkleed verslag van de bevindingen van de Kamer van eerste aanleg inzake het bewijs en de conclusies. De Kamer van eerste aanleg spreekt slechts een beslissing uit. Wanneer de beslissing niet eenstemmig is, vermeldt de beslissing van de Kamer van eerste aanleg de zienswijzen van de meerderheid en van de minderheid. De beslissing of een samenvatting ervan wordt in een openbare zitting voorgelezen.

  Art. 75. Herstelbetalingen aan slachtoffers
  1. Het Hof stelt beginselen vast met betrekking tot herstelbetalingen aan slachtoffers of aan hun rechthebbenden, daaronder begrepen restitutie, schadeloosstelling en rehabilitatie. Op grond daarvan kan het Hof in zijn beslissing, hetzij op verzoek, hetzij uit eigen beweging in uitzonderlijke omstandigheden, de omvang bepalen van de schade, het verlies of het letsel veroorzaakt aan slachtoffers of aan hun rechthebbenden en vermeldt het Hof de beginselen waarop zijn beslissing is gegrond.
  2. Het Hof kan ten aanzien van een veroordeelde persoon een beschikking geven die voorziet in passende herstelbetalingen aan slachtoffers of aan hun rechthebbenden. Dat herstel kan onder meer de vorm aannemen van restitutie, schadeloosstelling of rehabilitatie. Het Hof kan in voorkomend geval beslissen dat de toekenning van herstelbetalingen geschiedt via het in artikel 79 bedoelde Trustfonds.
  3. Alvorens een beschikking te geven krachtens dit artikel, kan het Hof gelegenheid geven tot het kenbaar maken van opmerkingen door of uit naam van de veroordeelde persoon, de slachtoffers, andere belanghebbenden of belanghebbende staten, en daarmee rekening houden.
  4. Nadat een persoon is veroordeeld voor een misdaad waarover het Hof rechtsmacht bezit, kan het bij de uitoefening van de krachtens dit artikel verleende bevoegdheid, bepalen of het, om uitvoering te geven aan een beschikking die het krachtens dit artikel kan geven, noodzakelijk is om maatregelen te verzoeken krachtens artikel 93, eerste punt.
  5. Een Staat die Partij is, geeft uitvoering aan beslissingen genomen krachtens dit artikel alsof het bepaalde in artikel 109 op dit artikel van toepassing is.
  6. De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de rechten die krachtens het nationaal of het internationaal recht aan slachtoffers worden verleend.

  Art. 76. Vonnis 1. In geval van veroordeling stelt de Kamer van eerste aanleg de op te leggen straf vast rekening houdend met het bewijsmateriaal en de conclusies die tijdens de het proces naar voren zijn gebracht en die relevant zijn voor het vonnis.
  2. Behoudens wanneer artikel 65 van toepassing is en voor het einde van het proces kan de Kamer van eerste aanleg ambtshalve of moet zij op verzoek van de aanklager of van de beschuldigde een bijkomende terechtzitting houden teneinde kennis te nemen van aanvullend bewijs of aanvullende conclusies die relevant zijn voor de bepaling van de straf overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  3. Indien het tweede lid van toepassing is, neemt de Kamer van eerste aanleg kennis van de opmerkingen bedoeld in artikel 75 tijdens de in het tweede punt omschreven bijkomende terechtzitting en indien nodig tijdens een nieuwe zitting.
  4. Het vonnis wordt in het openbaar uitgesproken en indien mogelijk in aanwezigheid van de verdachte.

  HOOFDSTUK VII. - Straffen.

  Art. 77. Toepasselijke straffen
  1. Onverminderd artikel 110 kan het Hof een van de volgende straffen opleggen aan een persoon die veroordeeld is wegens een in artikel 5 van dit Statuut bedoelde misdaad :
  (a) opsluiting voor een bepaald aantal jaren, met een maximum van 30 jaar; of
  (b) levenslange opsluiting wanneer het buitengewoon ernstige karakter van de misdaad en de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon zulks verantwoorden.
  2. Naast opsluiting kan het Hof opleggen :
  (a) een boete volgens de maatstaven bepaald in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering;
  (b) verbeurdverklaring van opbrengsten, bezittingen en vermogensbestanddelen die rechtstreeks of onrechtstreeks uit die misdaad afkomstig zijn, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw.

  Art. 78. Strafbepaling
  1. Bij de strafbepaling houdt het Hof overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering rekening met factoren zoals de ernst van de misdaad en de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon.
  2. Bij de oplegging van een vonnis tot opsluiting brengt het Hof de tijd in mindering die de veroordeelde overeenkomstig een bevel van het Hof in detentie heeft doorgebracht. Het Hof kan de tijd in mindering brengen die in detentie is doorgebracht wegens gedragingen die verband houden met de misdaad.
  3. Wanneer een persoon aan meer dan een misdaad schuldig wordt bevonden, spreekt het Hof een vonnis uit voor elke misdaad en een samengevoegd vonnis waarin de totale duur van de opsluiting wordt vermeld. Deze periode mag niet korter zijn dan de zwaarste afzonderlijk opgelegde straf en niet langer dan 30 jaar opsluiting of levenslange gevangenisstraf overeenkomstig artikel 77, eerste punt, b.

  Art. 79. Trustfonds 1. Krachtens een beslissing van de Vergadering van Staten die Partij zijn, wordt een trustfonds opgericht ten behoeve van slachtoffers van misdaden waarover het Hof rechtsmacht bezit, en van hun gezins- en familieleden.
  2. Het Hof kan gelasten dat opbrengsten uit boeten en verbeurdverklaringen aan het trustfonds worden gestort.
  3. Het trustfonds wordt beheerd overeenkomstig de beginselen vastgesteld door de Vergadering van Staten die Partij zijn.

  Art. 80. Statuut, toepassing van straffen door de Staten en nationaal recht
  Niets in dit hoofdstuk van het Statuut doet afbreuk eraan dat de Staten de straffen toepassen die door hun nationaal recht zijn voorgeschreven, noch aan de toepassing van het recht van Staten die niet hebben voorzien in de straffen die in dit Hoofdstuk zijn voorgeschreven.

  HOOFDSTUK VIII. - Beroep en herziening.

  Art. 81. Beroep tegen een beslissing betreffende de schuld of de straf
  1. Overeenkomstig het Reglement voor proces- en bewijsvoering kan op de volgende wijzen beroep worden ingesteld tegen een beslissing gegeven krachtens artikel 74.
  (a) De aanklager kan beroep instellen op een van de volgende gronden :
  (i) een procedurefout,
  (ii) dwaling ten aanzien van de feiten, of
  (iii) dwaling ten aanzien van het recht;
  (b) De gevonniste persoon of de aanklager namens hem kan beroep instellen op een van de volgende gronden :
  (i) een procedurefout;
  (ii) dwaling ten aanzien van de feiten;
  (iii) dwaling ten aanzien van het recht of
  (iv) alle overige gronden die de eerlijkheid en de betrouwbaarheid van de rechtspleging of de beslissing aantasten.
  2. (a) De aanklager of de veroordeelde kan overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering tegen de uitgesproken straf beroep instellen op grond van disproportionaliteit tussen de misdaad en het vonnis;
  (b) Indien het Hof bij een beroep tegen de uitgesproken straf gronden aanwezig acht om de veroordeling geheel of gedeeltelijk te vernietigen, kan het de aanklager en de veroordeelde vragen gronden aan te voeren krachtens artikel 81, eerste punt, a of b en kan het uitspraak doen over de beslissing betreffende de schuld overeenkomstig artikel 83;
  (c) Dezelfde procedure geldt indien het Hof bij een beroep dat alleen de beslissing betreffende de schuld betreft, gronden aanwezig acht tot vermindering van de straf krachtens het tweede punt, a).
  3. (a) Tenzij de Kamer van eerste aanleg anders beslist, blijft de schuldig bevonden persoon gedetineerd tijdens de beroepsprocedure;
  (b) Wanneer de duur van de detentie die van de uitgesproken straf te boven gaat, wordt de schuldig bevonden persoon in vrijheid gesteld. Indien evenwel ook de aanklager beroep instelt, kan de invrijheidstelling worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in punt c);
  (c) In geval van vrijspraak wordt de beschuldigde onmiddellijk in vrijheid gesteld onder voorbehoud van de volgende voorwaarden :
  (i) in buitengewone omstandigheden, en rekening houdend onder meer met het vluchtgevaar, de ernst van het misdrijf en de slaagkans van het beroep, kan de Kamer van eerste aanleg op verzoek van de aanklager bevelen dat de beschuldigde tijdens de beroepsprocedure in detentie wordt gehouden;
  (ii) de beschikking die de Kamer van eerste aanleg krachtens (i) heeft gegeven, is vatbaar voor beroep overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  4. Onder voorbehoud van de bepalingen van het derde punt, a en b, wordt de tenuitvoerlegging van de beslissing betreffende de schuld of van het vonnis opgeschort gedurende de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld en tijdens de beroepsprocedure.

  Art. 82. Beroep tegen andere beslissingen
  1. Elk van beide partijen kan overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoeringberoep beroep instellen tegen de volgende beslissingen :
  (a) een beslissing inzake rechtsmacht of ontvankelijkheid;
  (b) een beschikking tot verlening of weigering van de invrijheidstelling van de persoon tegen wie een onderzoek loopt of die wordt vervolgd;
  (c) een beslissing van de Kamer van vooronderzoek tot handelen op eigen initiatief krachtens artikel 56, derde punt;
  (d) een beslissing die verband houdt met een probleem dat een aanzienlijke invloed kan hebben op het eerlijk en vlot verloop van de rechtspleging of op de uitkomst van het proces en waarvan de onmiddellijke oplossing volgens de Kamer van vooronderzoek of de Kamer van eerste aanleg de voortgang van de rechtspleging in belangrijke mate kan bevorderen.
  2. De betrokken staat of de aanklager kan met machtiging van de Kamer van vooronderzoek beroep instellen tegen de beslissing van die Kamer bedoeld in artikel 57, derde punt, d). Het beroep wordt onderzocht in het kader van een versnelde procedure.
  3. Het beroep heeft slechts schorsende werking indien de Kamer van beroep zulks beveelt op grond van een verzoek ingediend overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  4. De wettelijke vertegenwoordiger van de slachtoffers, de veroordeelde of de eigenaar te goeder trouw van een goed dat nadelig wordt getroffen door een beschikking gegeven op grond van artikel 73, kan daartegen beroep instellen overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.

  Art. 83. Beroepsprocedure
  1. De Kamer van beroep heeft alle bevoegdheden van de Kamer van eerste aanleg met het oog op het voeren van de procedures bedoeld in artikel 81 en in dit artikel.
  2. Indien de Kamer van beroep vaststelt dat de rechtspleging waartegen beroep is ingesteld, dermate oneerlijk is verlopen dat afbreuk wordt gedaan aan de regelmatigheid van de beslissing of van de veroordeling, of dat de beslissing of de veroordeling waartegen beroep is ingesteld, in ernstige mate is aangetast door dwaling ten aanzien van de feiten of van het recht, kan zij :
  (a) de beslissing of het vonnis ongedaan maken of wijzigen; of
  (b) een nieuw proces gelasten voor een andere Kamer van eerste aanleg.
  De Kamer van beroep kan te dien einde een feitelijke kwestie verwijzen naar de Kamer van eerste aanleg waarbij de zaak oorspronkelijk aanhangig was gemaakt opdat deze laatste daarover beslist en bij de Kamer van beroep verslag uitbrengt of kan deze laatste Kamer zelf om bewijsmateriaal verzoeken teneinde een beslissing te kunnen nemen. Wanneer alleen de veroordeelde persoon of de aanklager in zijn naam beroep instelt tegen de beslissing of de veroordeling, kunnen deze niet in zijn nadeel worden gewijzigd.
  3. Indien de Kamer van beroep in het kader van een beroep tegen een veroordeling vaststelt dat de straf niet in evenredige verhouding staat tot de misdaad, kan zij de straf overeenkomstig Hoofdstuk 7 wijzigen.
  4. Het vonnis van de Kamer van beroep wordt gewezen bij meerderheid van de rechters en in openbare zitting uitgesproken. Het vonnis wordt met redenen omkleed. Bij gebreke van eenstemmigheid vermeldt voornoemd vonnis de zienswijzen van de meerderheid en van de minderheid, maar een rechter kan zijn persoonlijk of afwijkend oordeel omtrent een rechtsvraag toevoegen.
  5. De Kamer van beroep kan haar vonnis uitspreken in afwezigheid van de vrijgesproken of veroordeelde persoon.

  Art. 84. Herziening van een beslissing betreffende de schuld of de straf
  1. De schuldig bevonden persoon of, indien die overleden is, zijn echtgenoot, zijn kinderen, zijn ouders, enig ander persoon in leven op het tijdstip van het overlijden van betrokkene die door deze laatste uitdrukkelijk schriftelijk daartoe is gemachtigd of de aanklager handelend in naam van betrokkene kunnen om de volgende redenen bij de Kamer van beroep een verzoek indienen tot herziening van de definitieve beslissing betreffende de schuld of de straf :
  (a) er is een nieuw feit ontdekt dat :
  (i) niet gekend was tijdens het proces zonder dat deze omstandigheid geheel of gedeeltelijk toe te schrijven was aan de verzoeker; en
  (ii) indien het tijdens het proces was vastgesteld, zou het hoogstwaarschijnlijk aanleiding hebben gegeven tot een andere uitspraak.
  (b) er is ontdekt dat een doorslaggevend bewijselement, dat tijdens het proces in aanmerking is genomen en op grond waarvan de schuld is vastgesteld, vals, nagemaakt of vervalst was;
  (c) een of meer rechters die mede de beslissing betreffende de schuld hebben genomen of de ten laste gelegde feiten hebben bevestigd, hebben in de zaak een handeling gesteld die moet worden beschouwd als een ernstige fout of als ernstig plichtsverzuim, en die voldoende zwaarwegend is om krachtens artikel 46 de ontzetting uit hun ambt te rechtvaardigen.
  2. De Kamer van beroep wijst het verzoek af indien zij het ongegrond acht. Indien zij vaststelt dat het verzoek gegrond is kan zij naar gelang van het geval :
  (a) de Kamer van eerste aanleg die het oorspronkelijke vonnis heeft gewezen, opnieuw bijeenroepen;
  (b) een nieuwe Kamer van eerste aanleg samenstellen; of
  (c) de rechtsmacht over de zaak aan zich houden,
  teneinde, na de partijen te hebben gehoord op de wijze omschreven in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, te kunnen vaststellen of het vonnis moet worden herzien.

  Art. 85. Schadevergoeding aan aangehouden of veroordeelde personen
  1. Een ieder die het slachtoffer is geworden van onwettige aanhouding of detentie heeft recht op schadevergoeding.
  2. Wanneer een definitieve veroordeling daarna nietig wordt verklaard omdat een nieuw of daarna aan het licht gebracht feit bewijst dat zich een rechterlijke dwaling heeft voorgedaan, wordt de persoon die op grond van die veroordeling een straf heeft ondergaan, schadeloos gesteld overeenkomstig de wet, tenzij wordt aangetoond dat het niet op tijd bekendmaken van het onbekende feit geheel of gedeeltelijk aan betrokkene is toe te rekenen.
  3. Indien het Hof in buitengewone omstandigheden op grond van feitelijke bewijsstukken vaststelt dat een duidelijke en ernstige rechterlijke dwaling heeft plaatsgevonden, kan het op eigen initiatief overeenkomstig de criteria bepaald in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering schadevergoeding toekennen aan een persoon die in detentie was geplaatst en in vrijheid is gesteld ingevolge een definitieve vrijspraak of omdat om die reden een einde is gemaakt aan de vervolging.

  HOOFDSTUK IX. - Internationale samenwerking en wederzijdse rechtshulp.

  Art. 86. Algemene verplichting tot samenwerking
  De Staten die Partij zijn werken overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut ten volle samen met het Hof in het kader van zijn onderzoek naar en vervolging van de misdaden die tot zijn bevoegdheid behoren.

  Art. 87. Verzoeken om samenwerking : algemene bepalingen
  1. (a) Het Hof is bevoegd om aan Staten die Partij zijn verzoeken om samenwerking te richten. De verzoeken worden overgebracht langs diplomatieke of elke andere passende weg die iedere Staat die Partij is kiest op het tijdstip van zijn bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van dit Statuut of bij toetreding tot dit Statuut.
  Iedere Staat die Partij is brengt daarna wijzigingen aan in de keuze van wijze van overbrenging overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  (b) Indien nodig en onverminderd het bepaalde in a), kunnen verzoeken ook worden overgebracht door de Internationale Organisatie van Criminele Politie of door andere bevoegde regionale organisaties.
  2. Verzoeken om medewerking en de stukken ter ondersteuning van het verzoek worden hetzij gesteld in een officiŽle taal van de aangezochte Staat of gaan vergezeld van een vertaling in die taal, hetzij gesteld in een van de werktalen van het Hof of gaan vergezeld in een van die talen, zulks naar gelang van de keuze gemaakt door de aangezochte Staat of het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Statuut of bij toetreding ertoe.
  Latere wijzigingen in deze keuze worden gedaan overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  3. De aangezochte Staat neemt het vertrouwelijke karakter in acht van de verzoeken om samenwerking en van de stukken ter ondersteuning ervan, behalve indien de bekendmaking ervan noodzakelijk is ter uitvoering van het verzoek.
  4. Met betrekking tot een verzoek om bijstand gedaan op grond van Hoofdstuk 9 kan het Hof alle maatregelen treffen, met inbegrip van maatregelen ter bescherming van informatie, die noodzakelijk zijn om de veiligheid en het lichamelijke of geestelijke welzijn van slachtoffers, van mogelijke getuigen en van hun gezins- en familieleden te waarborgen. Het Hof kan erom verzoeken dat alle op grond van dit hoofdstuk verstrekte gegevens worden meegedeeld en behandeld op een wijze die de veiligheid en het lichamelijke of geestelijke welzijn van slachtoffers, van mogelijke getuigen en van hun gezins- en familieleden vrijwaart.
  5. Het Hof kan een staat die geen partij is vragen in het kader van dit hoofdstuk bijstand te verlenen op grond van een ad-hocregeling, van een overeenkomst gesloten met die staat of op andere passende gronden.
  Indien een staat die geen partij is bij dit Statuut en die met het Hof een ad-hocregeling is aangegaan of een overeenkomst heeft gesloten, niet de bijstand verleent waarom overeenkomstig die regeling of overeenkomst is verzocht, kan het Hof daarvan kennis geven aan de Vergadering van Staten die Partij zijn of aan de Veiligheidsraad ingeval deze laatste de zaak bij het Hof aanhangig heeft gemaakt.
  6. Het Hof kan intergouvernementele organisaties verzoeken informatie of stukken te verstrekken. Het Hof kan ook verzoeken om andere vormen van samenwerking en bijstand die het met een intergouvernementele organisatie is overeengekomen en die in overeenstemming zijn met zijn bevoegdheid of mandaat.
  7. Indien een Staat die Partij is in strijd met het bepaalde in dit Statuut geen gevolg geeft aan een verzoek tot samenwerking van het Hof en dit laatste aldus hindert zijn taken en bevoegdheden verleend door dit Statuut uit te oefenen, kan het Hof daarvan akte nemen en de zaak voorleggen aan de Vergadering van Staten die Partij zijn of aan de Veiligheidsraad wanneer deze laatste de zaak bij het Hof aanhangig heeft gemaakt.

  Art. 88. Procedures beschikbaar op grond van de nationale wetgeving
  De Staten die Partij zijn zorgen ervoor dat hun nationale wetgeving voorziet in procedures die de mogelijkheid bieden alle vormen van samenwerking bedoeld in dit hoofdstuk te verwezenlijken.

  Art. 89. Overdracht van personen aan het Hof
  1. Het Hof kan aan de staat op het grondgebied waarvan een persoon zich kan bevinden een verzoek samen met stukken tot staving ervan bedoeld in artikel 91 richten dat ertoe strekt die persoon aan te houden en aan hem over te dragen, alsook om de medewerking van die staat verzoeken om die persoon aan te houden en over te dragen. De Staten die Partij zijn reageren op ieder verzoek tot aanhouding en overdracht overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk en van de procedures bepaald in hun nationale wetgeving.
  2. Indien de persoon van wie de overdracht wordt gevraagd bij een nationaal gerecht een zaak aanhangig maakt die is gegrond op het beginsel non bis in idem omschreven in artikel 20, raadpleegt de aangezochte staat onverwijld het Hof teneinde te vernemen of terzake een beslissing omtrent de ontvankelijkheid ervan bestaat. Indien is beslist dat de zaak ontvankelijk is, geeft de aangezochte staat gevolg aan het verzoek. Indien de beslissing omtrent de ontvankelijkheid hangende is, kan de aangezochte staat de tenuitvoerlegging van het verzoek uitstellen tot wanneer het Hof uitspraak heeft gedaan.
  3. (a) De Staten die Partij zijn staan overeenkomstig de procedures bepaald in hun nationale wetgeving het vervoer doorheen hun grondgebied toe van ieder persoon die door een andere staat naar het Hof wordt overgebracht, behalve wanneer zulks de overdracht zou hinderen of vertragen;
  (b) Het Hof zendt de verzoeken om vervoer over een grondgebied toe overeenkomstig artikel 87. Het verzoek bevat :
  (i) het signalement van de overgebrachte persoon;
  (ii) een korte uiteenzetting van de feiten en van de juridische omschrijving ervan; en
  (iii) het bevel tot aanhouding en de beschikking tot overdracht;
  (c) De overgebrachte persoon blijft tijdens zijn overbrenging gedetineerd;
  (d) Er is geen toestemming vereist indien de persoon door de lucht wordt vervoerd en geen landing is voorzien op het grondgebied van de staat van doorvoer;
  (e) Indien een onvoorziene landing plaatsvindt op het grondgebied van de staat van doorvoer, kan die staat eisen dat het Hof een verzoek tot doorvoer in de vormen omschreven in b indient. De staat van doorvoer plaatst de betrokken persoon in detentie in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de werkelijke totstandbrenging van de doorvoer. Een detentie op grond van dit punt mag evenwel niet langer duren dan 96 uur te rekenen van de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
  4. Indien de persoon van wie de overdracht wordt gevraagd in de aangezochte staat wordt vervolgd of een straf ondergaat wegens een andere misdaad dan die waarvoor het Hof zijn overdracht vraagt, raadpleegt de aangezochte staat die besloten heeft het verzoek in te willigen, het Hof.

  Art. 90. Concurrerende verzoeken
  1. Ingeval een Staat die Partij is, krachtens artikel 89 van het Hof een verzoek tot overdracht ontvangt en van een andere staat een verzoek tot uitlevering ontvangt betreffende dezelfde persoon en voor dezelfde gedragingen, die de grondslag vormen van de misdaad waarvoor het Hof om overdracht van die persoon verzoekt, moet die staat het Hof en de verzoekende staat daarvan in kennis stellen.
  2. Wanneer de verzoekende staat een staat is die Partij is, verleent de aangezochte staat voorrang aan het verzoek van het Hof :
  (a) indien het Hof krachtens de artikelen 18 en 19 heeft besloten dat de zaak waarop het verzoek tot overdracht betrekking heeft, ontvankelijk is rekening houdend met het gevoerde onderzoek of de vervolging die de verzoekende staat in verband met zijn verzoek tot uitlevering heeft verricht; of
  (b) indien het Hof niet de in punt (a) omschreven beslissing heeft genomen ingevolge de kennisgeving van de aangezochte staat bedoeld in het eerste punt.
  3. Wanneer het Hof niet de beslissing bedoeld in het tweede punt, a heeft genomen, kan de aangezochte staat, indien hij zulks wenst, het verzoek tot uitlevering van de verzoekende staat beginnen te onderzoeken in afwachting dat het Hof uitspraak doet krachtens het tweede punt, b). De aangezochte Staat levert de betrokken persoon niet uit zolang het Hof niet heeft beslist dat de zaak niet-ontvankelijk is. Het Hof doet uitspraak in het kader van een versnelde procedure.
  4. Indien de verzoekende staat geen partij is bij dit Statuut, geeft de aangezochte staat, indien die niet gebonden is door een internationale verplichting tot uitlevering van de persoon aan de verzoekende staat, voorrang aan het verzoek tot overdracht van het Hof, indien het Hof heeft beslist dat de zaak ontvankelijk is.
  5. Wanneer een zaak bedoeld in het vierde punt door het Hof niet-ontvankelijk is geoordeeld, kan de aangezochte staat, indien hij zulks wenst, het verzoek tot uitlevering van de verzoekende staat beginnen te onderzoeken.
  6. In de gevallen waarin het vierde punt van toepassing is en tenzij de aangezochte staat gebonden is door een internationale verplichting tot uitlevering van de betrokken persoon aan de verzoekende staat die geen partij is bij dit Statuut, beslist de aangezochte Staat of hij de persoon aan het Hof moet overdragen of die persoon aan de verzoekende staat moet uitleveren. De aangezochte staat houdt bij het nemen van zijn beslissing rekening met alle relevante factoren, onder meer :
  (a) de chronologische volgorde van de verzoeken;
  (b) de belangen van de verzoekende staat, inzonderheid het gegeven dat de misdaad op zijn grondgebied is gepleegd en de nationaliteit van de slachtoffers en van de persoon van wie de overdracht wordt gevraagd; en
  (c) de mogelijkheid dat de verzoekende Staat de betrokken persoon daarna aan het Hof overdraagt.
  7. Ingeval een Staat die Partij is, van het Hof een verzoek tot overdracht ontvangt en van een andere staat een verzoek tot uitlevering ontvangt betreffende dezelfde persoon en voor gedragingen die verschillen van die welke de grondslag vormen van de misdaad waarvoor het Hof om overdracht van die persoon verzoekt :
  (a) geeft de aangezochte staat voorrang aan het verzoek van het Hof, indien hij niet gebonden is door een internationale verplichting tot uitlevering van de persoon aan de verzoekende staat;
  (b) indien de aangezochte Staat gebonden is door een internationale verplichting tot uitlevering van de persoon aan de verzoekende staat, draagt hij die persoon over aan het Hof of levert hij de persoon uit aan de verzoekende Staat. De aangezochte Staat houdt bij het maken van zijn keuze rekening met alle relevante factoren, onder meer die omschreven in het zesde punt, maar hecht bijzonder belang aan de aard en de ernst van de betrokken gedragingen.
  8. Wanneer het Hof na ontvangst van een kennisgeving krachtens dit artikel heeft geoordeeld dat een zaak niet-ontvankelijk is en de uitlevering aan de verzoekende staat daarna wordt geweigerd, stelt de aangezochte staat het Hof van deze beslissing in kennis.

  Art. 91. Inhoud van het verzoek tot aanhouding en overdracht
  1. Verzoeken tot aanhouding en overdracht worden schriftelijk gedaan. In spoedeisende gevallen kan een verzoek worden gedaan aan de hand van enig middel dat een schriftelijk bewijs biedt, op voorwaarde dat het wordt bevestigd op de wijze omschreven in artikel 87, eerste punt, a.
  2. Indien het verzoek betrekking heeft op de aanhouding en de overdracht van een persoon ten aanzien van wie de Kamer van vooronderzoek een bevel tot aanhouding heeft uitgevaardigd krachtens artikel 58, bevat het verzoek of wordt het gestaafd door :
  (a) een signalement van de gezochte persoon, dat toereikend is voor zijn identificatie en gegevens met betrekking tot de plaats waar die persoon zich waarschijnlijk bevindt;
  (b) een kopie van het bevel tot aanhouding; en
  (c) de noodzakelijke stukken, verklaringen of gegevens die in de aangezochte staat kunnen worden geŽist om over te gaan tot de overdracht. De vereisten gesteld door de aangezochte Staat mogen in dit geval evenwel niet zwaarder zijn dan die welke gelden voor verzoeken tot uitlevering gedaan krachtens verdragen of regelingen gesloten tussen de aangezochte staat en andere staten en moeten zelfs, indien mogelijk, minder zwaar zijn gelet op de bijzondere aard van het Hof.
  3. Indien het verzoek betrekking heeft op de aanhouding en de overdracht van een persoon die reeds schuldig is bevonden, bevat het verzoek of wordt het gestaafd door :
  (a) een kopie van elk bevel tot aanhouding met betrekking tot die persoon;
  (b) een kopie van het vonnis; en
  (c) gegevens waaruit blijkt dat de gezochte persoon wel degelijk die is op wie het vonnis betrekking heeft; en
  (d) indien de gezochte persoon veroordeeld is tot een straf, een kopie van de veroordeling en, in geval van een gevangenisstraf, vermelding van de reeds ondergane duur van de straf en van die welke nog moet worden ondergaan.
  4. Op verzoek van het Hof pleegt een Staat die Partij is, overleg met het Hof, hetzij in het algemeen, hetzij met betrekking tot een bepaalde zaak, over de voorwaarden bepaald in zijn nationale wetgeving die krachtens het tweede punt, c), van toepassing zouden kunnen zijn. Bij dit overleg stelt de Staat die Partij is, het Hof in kennis van de bijzondere vereisten van zijn nationale wetgeving.

  Art. 92. Voorlopige aanhouding
  1. Het Hof kan in spoedeisende gevallen vragen dat wordt overgegaan tot de voorlopige aanhouding van de gezochte persoon in afwachting dat het verzoek tot overdracht en de stukken tot staving bedoeld in artikel 91, worden overgelegd.
  2. Het verzoek tot voorlopige aanhouding wordt gedaan aan de hand van een middel dat een schriftelijk bewijs biedt en volgende stukken bevat :
  (a) een signalement van de betrokken persoon, dat toereikend is voor zijn identificatie en gegevens omtrent de plaats waar die persoon zich waarschijnlijk bevindt;
  (b) een beknopt overzicht van de misdaden waarvoor de persoon wordt gezocht en de feiten die het bestanddeel vormen van zijn misdaden, met inbegrip van, indien mogelijk, datum en plaats ervan;
  (c) een verklaring waaruit blijkt dat ten aanzien van de gezochte persoon een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd of een vonnis tot vaststelling van zijn schuld is gewezen; en
  (d) een verklaring waarin is aangegeven dat een verzoek tot overdracht van de gezochte persoon zal worden gedaan.
  3. Een voorlopig aangehouden persoon kan opnieuw in vrijheid worden gesteld indien de aangezochte staat het verzoek tot overdracht en de stukken tot staving bedoeld in artikel 91 niet heeft ontvangen binnen de termijn gesteld in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering. Betrokkene kan evenwel ermee instemmen dat hij wordt overgedragen vooraleer die termijn is verstreken indien de wetgeving van de aangezochte staat zulks toestaat. In dit geval gaat de aangezochte staat zo spoedig mogelijk over tot overdracht van de persoon aan het Hof.
  4. De invrijheidstelling van de gezochte persoon bedoeld in het derde punt doet geen afbreuk aan zijn latere aanhouding en overdracht indien het verzoek tot overdracht vergezeld van de stukken tot staving ervan daarna worden overgelegd.

  Art. 93. Andere vormen van samenwerking
  1. De Staten die Partij zijn voldoen overeenkomstig de bepalingen van dit Hoofdstuk en de procedures omschreven in hun nationale wetgeving aan verzoeken tot bijstand die het Hof doet in verband met onderzoek of vervolging en die betrekking hebben op :
  (a) de identificatie van een persoon, de plaats waar die persoon zich bevindt of de lokalisatie van goederen;
  (b) bewijsgaring, daaronder begrepen getuigenverklaringen onder ede en overlegging van bewijsmateriaal, met inbegrip van deskundigenonderzoek en van verslagen die het Hof nodig heeft;
  (c) verhoor van een persoon ten aanzien van wie een onderzoek is ingesteld of die wordt vervolgd;
  (d) betekening van stukken, met inbegrip van stukken betreffende de rechtspleging;
  (e) maatregelen die erop zijn gericht de vrijwillige verschijning voor het Hof te vergemakkelijken die als getuige of deskundige een verklaring afleggen;
  (f) tijdelijke overbrenging van personen overeenkomstig het zevende punt;
  (g) plaatsopneming of onderzoek van terreinen, inzonderheid de opgraving en het onderzoek van lijken begraven in massagraven;
  (h) tenuitvoerlegging van huiszoekingen en inbeslagnemingen;
  (i) overzending van dossiers en stukken, daaronder begrepen officiŽle;
  (j) bescherming van slachtoffers en getuigen en instandhouding van bewijsmateriaal;
  (k) identificatie, opsporing, bevriezing of inbeslagneming van de opbrengst verkregen uit misdaden, van goederen, van vermogensbestanddelen en van middelen die verband houden met de misdaden, met het oog op een eventuele verbeurdverklaring ervan, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw; en
  (l) enige andere vorm van bijstand die niet verboden is door de wetgeving van de aangezochte staat, die het onderzoek en de vervolging betreffende misdaden die tot de bevoegdheid van het Hof behoren, kan vergemakkelijken.
  2. Het Hof is gemachtigd een getuige of deskundige die voor het Hof verschijnt te verzekeren dat hij door het Hof niet zal worden vervolgd, in detentie gehouden of onderworpen aan enigerlei beperking van zijn persoonlijke vrijheid wegens een handeling of verzuim voorafgaand aan zijn vertrek uit de aangezochte staat.
  3. Indien de tenuitvoerlegging van een bijzondere bijstandsmaatregel omschreven in een verzoek gedaan overeenkomstig het eerste punt, in de aangezochte staat verboden is op grond van een fundamenteel rechtsbeginsel van algemene toepassing, pleegt de aangezochte staat onverwijld overleg met het Hof teneinde te trachten de zaak op te lossen. Tijdens dit overleg wordt overwogen de gevraagde bijstand in een andere vorm of onder bepaalde voorwaarden te verlenen. Indien het probleem na afloop van het overleg niet is opgelost, wijzigt het Hof het verzoek.
  4. Overeenkomstig artikel 72 kan een Staat die Partij is, een verzoek om bijstand ingediend door het Hof slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien het verzoek betrekking heeft op de overlegging van stukken of de bekendmaking van bewijsmateriaal, die zijn nationale veiligheid betreffen.
  5. Alvorens een verzoek om bijstand bedoeld in het eerste punt, l), te weigeren, gaat de aangezochte staat na of de bijstand onder bepaalde voorwaarden, later of in een andere vorm kan worden verleend, met dien verstande dat indien het Hof of de aanklager die voorwaarden aanvaardt, zij ze ook in acht moeten nemen.
  6. De aangezochte Staat die een verzoek om bijstand weigert, deelt aan het Hof of aan de aanklager onverwijld de redenen daarvan mee.
  7. (a) het Hof kan vragen dat een gedetineerd persoon tijdelijk wordt overgebracht om hem te identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen. De persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  (i) de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
  (ii) de aangezochte staat stemt in met de overbrenging, onder de voorwaarden welke die staat en het Hof kunnen overeenkomen.
  (b) De overgebrachte persoon blijft gedetineerd. Wanneer het doel van de overbrenging is bereikt, zendt het Hof de persoon onverwijld terug naar de aangezochte staat.
  8. (a) Het Hof bewaart het vertrouwelijk karakter van de ontvangen stukken en gegevens, behalve indien de bekendmaking ervan is vereist voor het onderzoek of voor de procedures omschreven in het verzoek.
  (b) Indien nodig kan de aangezochte staat aan de aanklager stukken of gegevens bezorgen op grond van vertrouwelijkheid. De aanklager kan die stukken of gegevens in dat geval slechts gebruiken om nieuw bewijsmateriaal te verkrijgen.
  (c) De aangezochte staat kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de aanklager, in een later stadium machtiging verlenen tot bekendmaking van die stukken of gegevens, die in dat geval overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken 5 en 6 en van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering kunnen worden aangewend als bewijsmateriaal.
  9. (a) (i) Ingeval een Staat die Partij is, enerzijds van het Hof en anderzijds van een andere staat in het kader van een internationale verplichting, concurrerende verzoeken ontvangt, die geen betrekking hebben op overdracht of uitlevering, moet eerstgenoemde Staat in overleg met het Hof en met de andere staat, trachten te voldoen aan beide verzoeken, indien nodig, door een ervan uit te stellen of afhankelijk te stellen van bepaalde voorwaarden.
  (ii) Zoniet worden concurrerende verzoeken geregeld overeenkomstig de beginselen gehuldigd in artikel 90.
  (b) Indien het verzoek van het Hof evenwel betrekking heeft op gegevens, op goederen of op personen die zich onder het gezag bevinden van een derde staat of van een internationale organisatie krachtens een internationale overeenkomst, stelt de aangezochte staat het Hof daarvan in kennis en richt het Hof zijn verzoek tot de derde staat of tot de internationale organisatie.
  10. (a) Indien het Hof een verzoek in die zin ontvangt, kan het samenwerken met een Staat die Partij is en die een onderzoek uitvoert of een proces houdt met betrekking tot gedragingen die een misdaad vormen welke tot de bevoegdheid van het Hof behoort of tot een ernstige misdaad krachtens de nationale wetgeving van de verzoekende staat, en aan die staat bijstand verlenen.
  (b) (i) De bijstand bestaat onder meer uit :
  (1) de overzending van verklaringen, stukken of andere vormen van bewijsmateriaal verkregen tijdens een onderzoek verricht door het Hof of tijdens een proces gehouden door het Hof; en
  (2) het verhoor van enig persoon die krachtens een bevel van het Hof in detentie wordt gehouden.
  (ii) In het geval bedoeld in punt a, b), i), 1 :
  (1) vereist de overzending van stukken en van ander bewijsmateriaal verkregen met bijstand van een staat, de toestemming van die staat;
  (2) vindt de overzending van verklaringen, stukken en ander bewijsmateriaal verstrekt door een getuige of een deskundige, plaats overeenkomstig de bepalingen van artikel 68.
  (c) Het Hof kan onder de voorwaarden omschreven in dit punt, gevolg geven aan een verzoek tot bijstand ingediend door een staat die geen partij is bij dit Statuut.

  Art. 94. Opschorting van de tenuitvoerlegging van een verzoek wegens lopend onderzoek of aan de gang zijnde vervolging
  1. Indien de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een verzoek afbreuk kan doen aan het goede verloop van een lopend onderzoek of aan de gang zijnde vervolging in een andere zaak dan die waarop het verzoek betrekking heeft, kan de aangezochte staat de tenuitvoerlegging ervan opschorten gedurende een termijn vastgesteld in overleg met het Hof. De opschorting mag evenwel niet langer duren dan noodzakelijk is voor de succesvolle afhandeling van het onderzoek of van de vervolging in de aangezochte staat. Alvorens te beslissen de tenuitvoerlegging van het verzoek op te schorten, gaat de aangezochte staat na of de bijstand onder bepaalde voorwaarden onmiddellijk kan worden verleend.
  2. Indien overeenkomstig het eerste punt wordt besloten de tenuitvoerlegging van het verzoek op te schorten, kan de aanklager evenwel vragen dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van het bewijsmateriaal zoals is bepaald in artikel 93, eerste punt, j.

  Art. 95. Opschorting van de tenuitvoerlegging van een verzoek wegens exceptie van niet-ontvankelijkheid
  Onder voorbehoud van artikel 53, tweede punt, kan in het geval waarin het Hof een exceptie van niet-ontvankelijkheid krachtens artikel 18 of 19 onderzoekt, de aangezochte staat de tenuitvoerlegging van een verzoek gedaan op grond van dit hoofdstuk opschorten, in afwachting dat het Hof uitspraak doet, tenzij het Hof uitdrukkelijk heeft bepaald dat de aanklager de bewijsgaring overeenkomstig artikel 18 of 19 kan voortzetten.

  Art. 96. Inhoud van een verzoek inzake andere vormen van samenwerking bedoeld in artikel 93
  1. Verzoeken inzake andere vormen van samenwerking bedoeld in artikel 93 worden schriftelijk gedaan. In spoedeisende gevallen kan het verzoek worden gedaan aan de hand van enig middel dat een schriftelijk bewijs biedt, op voorwaarde dat het wordt bevestigd op de wijze omschreven in artikel 87, eerste punt, a.
  2. Het verzoek bevat of wordt gestaafd door een dossier met de volgende stukken :
  (a) een beknopt overzicht van het onderwerp van het verzoek en van de aard van de gevraagde bijstand, daaronder begrepen de juridische grondslag en de gronden van het verzoek;
  (b) zo gedetailleerd mogelijke informatie omtrent de persoon of de plaats die moet worden geÔdentificeerd of gevonden teneinde de gevraagde bijstand te kunnen verlenen;
  (c) beknopt overzicht van de essentiŽle feiten waarop het verzoek is gegrond;
  (d) een toelichtend verslag en een gedetailleerde uiteenzetting van de procedures of van de voorwaarden die in acht moeten worden genomen;
  (e) gegevens die op grond van de wetgeving van de aangezochte staat vereist kunnen zijn om gevolg te geven aan het verzoek;
  (f) enig ander gegeven dat nuttig kan zijn om de gevraagde bijstand te kunnen verlenen.
  3. Op verzoek van het Hof pleegt een Staat die Partij is, overleg met het Hof, hetzij in het algemeen, hetzij met betrekking tot een bepaalde zaak, over de voorwaarden bepaald in zijn nationale wetgeving die krachtens het tweede punt, e, van toepassing zouden kunnen zijn. Bij dit overleg stelt de Staat die Partij is, het Hof in kennis van de bijzondere vereisten van zijn nationale wetgeving.
  4. De bepalingen van dit artikel zijn, in voorkomend geval, eveneens van toepassing op een verzoek tot bijstand gericht aan het Hof.

  Art. 97. Overleg Wanneer een Staat die Partij is op grond van dit hoofdstuk een verzoek ontvangt in verband waarmee het vaststelt dat het verzoek moeilijkheden meebrengt die de tenuitvoerlegging ervan kunnen belemmeren of verhinderen, pleegt die staat onverwijld overleg met het Hof teneinde het probleem op te lossen. Het kan hierbij onder meer om volgende moeilijkheden gaan :
  (a) de gegevens zijn ontoereikend om gevolg te geven aan het verzoek;
  (b) in het geval van een verzoek tot overdracht, blijft de betrokken persoon ondanks alle inspanningen onvindbaar of blijkt uit het opsporingsonderzoek dat de persoon gedetineerd in de aangezochte staat kennelijk niet de persoon is op wie het bevel betrekking heeft; of
  (c) de aangezochte staat zou om aan het verzoek in zijn huidige vorm gevolg te kunnen geven, verplicht zijn een verbintenis uit een overeenkomst te schenden die hij reeds met een andere staat heeft aangegaan.

  Art. 98. Samenwerking bij afstand van immuniteit en instemming met overdracht
  1. Het Hof kan geen verzoek tot bijstand voorleggen dat de aangezochte staat zou verplichten te handelen op een wijze die onverenigbaar is met de verplichtingen die hij op grond van het internationale recht inzake immuniteit van staten of diplomatieke immuniteit van personen of goederen van een derde staat moet nakomen, tenzij het Hof vooraf de medewerking van die derde staat verkrijgt met het oog op de afstand van de immuniteit.
  2. Het Hof kan geen verzoek tot overdracht voorleggen dat de aangezochte staat zou verplichten te handelen op een wijze die onverenigbaar is met de verplichtingen die hij moet nakomen op grond van internationale overeenkomsten naar luid waarvan de instemming van de Staat van afzending is vereist opdat een persoon van die Staat aan het Hof wordt overgedragen, tenzij het Hof in die zin de medewerking van de Staat van afzending verkrijgt dat deze laatste met de overdracht instemt.

  Art. 99. Behandeling van verzoeken ingediend op grond van de artikelen 93 en 96
  1. De aangezochte Staat geeft gevolg aan verzoeken tot bijstand overeenkomstig de procedure bepaald in zijn wetgeving en, tenzij zulks krachtens die wetgeving is verboden, op de wijze gevraagd in het verzoek. Hij past inzonderheid de procedure toe die in het verzoek is vermeld of machtigt de personen aangewezen in het verzoek om aanwezig te zijn bij en deel te nemen aan de tenuitvoerlegging ervan.
  2. In geval van een dringend verzoek worden de stukken of het bewijsmateriaal overgelegd om daarop te antwoorden, op verzoek van het Hof, met spoed verzonden.
  3. De antwoorden van de aangezochte Staat worden meegedeeld in hun oorspronkelijke taal en vorm.
  4. Wanneer dit noodzakelijk is voor de succesvolle tenuitvoerlegging van een verzoek dat kan worden uitgevoerd zonder dwangmaatregelen, zoals bijvoorbeeld het verhoren of het afnemen van een verklaring van een persoon die vrijwillig handelt, daaronder begrepen in afwezigheid van de autoriteiten van de aangezochte staat indien zulks essentieel is voor de goede tenuitvoerlegging van het verzoek, en het onderzoek van openbare terreinen of plaatsen zonder die te wijzigen, kan de aanklager onverminderd de overige artikelen van dit hoofdstuk het verzoek rechtstreeks op het grondgebied van een staat ten uitvoer leggen op de volgende wijzen :
  (a) wanneer de aangezochte staat de staat is op het grondgebied waarvan de misdaad beweerdelijk is gepleegd en een beslissing is getroffen omtrent de ontvankelijkheid zoals omschreven in artikel 18 of 19, kan de aanklager het verzoek rechtstreeks ten uitvoer leggen na met de aangezochte Staat in zo ruim mogelijke mate overleg te hebben gepleegd;
  (b) in de andere gevallen kan de aanklager het verzoek ten uitvoer leggen na overleg met de aangezochte Staat die Partij is en met inachtneming van de redelijke voorwaarden die deze Staat eventueel heeft ingeroepen of van de bezorgdheid die hij heeft geuit. Wanneer de aangezochte Staat vaststelt dat de tenuitvoerlegging van een verzoek op grond van dit lid moeilijkheden meebrengt, pleegt hij onverwijld overleg met het Hof teneinde het probleem op te lossen.
  5. De bepalingen op grond waarvan personen gehoord of ondervraagd door het Hof overeenkomstig artikel 72 gemachtigd zijn de beperkingen in te roepen waarin is voorzien teneinde de bekendmaking te voorkomen van vertrouwelijke gegevens betreffende de landsverdediging of de nationale veiligheid, zijn eveneens van toepassing op de tenuitvoerlegging van verzoeken tot bijstand gedaan op grond van dit artikel.

  Art. 100. Kosten 1. De gewone kosten voor tenuitvoerlegging van verzoeken op het grondgebied van de aangezochte Staat worden gedragen door die Staat, met uitzondering van de volgende kosten, die worden gedragen door het Hof :
  (a) kosten verbonden aan de reizen en aan de veiligheid van getuigen en deskundigen of aan de overbrenging van gedetineerden krachtens artikel 93;
  (b) kosten voor vertalen, tolken en overschrijven;
  (c) reis- en verblijfkosten van rechters, van de aanklager, van de substituut-aanklager, van de griffier, de substituut-griffier en van het personeel van organen van het Hof;
  (d) kosten voor deskundigenonderzoek en verslagen waarom het Hof heeft verzocht;
  (e) kosten verbonden aan het vervoer van personen overgedragen door de staat waar zij zijn gedetineerd; en
  (f) na overleg, buitengewone kosten die de tenuitvoerlegging van een verzoek kunnen meebrengen.
  2. De bepalingen van het eerste punt zijn indien mogelijk van toepassing op de verzoeken die de Staten die Partij zijn aan het Hof richten. In dat geval draagt het Hof de gewone kosten van tenuitvoerlegging.

  Art. 101. Specialiteitsbeginsel
  1. Een persoon die krachtens dit Statuut aan het Hof is overgedragen wordt niet vervolgd, gestraft of in detentie gehouden wegens gedragingen begaan voorafgaand aan de overdracht, tenzij zij een bestanddeel vormen van misdaden waarvoor die persoon is overgedragen.
  2. Het Hof kan de staat die een persoon aan het Hof heeft overgedragen, vragen dat wordt afgeweken van de voorwaarden gesteld in het eerste punt. Indien nodig verstrekt het Hof aanvullende informatie overeenkomstig artikel 91. Staten die Partij zijn kunnen aan het Hof een afwijking toestaan en moeten trachten dit te doen.

  Art. 102. Terminologie
  Voor de toepassing van dit Statuut :
  (a) wordt onder " overdracht " verstaan het feit dat een staat een persoon krachtens dit statuut aan het Hof overdraagt.
  (b) wordt onder " uitlevering " verstaan het feit dat een staat een persoon op grond van een verdrag, een overeenkomst of de nationale wetgeving aan een andere staat overdraagt.

  HOOFDSTUK X. - Tenuitvoerlegging.

  Art. 103. Rol van de staten bij de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen
  1. (a) Een gevangenisstraf wordt ondergaan in de staat die door het Hof wordt aangewezen uit een lijst van staten die het Hof te kennen hebben gegeven bereid te zijn veroordeelde personen te aanvaarden.
  (b) Wanneer een staat verklaart bereid te zijn veroordeelde personen te aanvaarden, die aanvaarding afhankelijk stellen van voorwaarden die het Hof moet erkennen en conform moeten zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk.
  (c) Een in een bepaalde zaak aangewezen staat deelt het Hof onverwijld mee of hij zijn aanwijzing al dan niet aanvaardt.
  2. (a) De staat belast met de tenuitvoerlegging stelt het Hof in kennis van alle omstandigheden, daaronder begrepen de inachtneming van de voorwaarden overeengekomen op grond van het eerste punt, die de voorwaarden of de duur van de opsluiting aanzienlijk kunnen beÔnvloeden. Het Hof wordt ten minste 45 dagen vooraf in kennis gesteld van dergelijke bekende of voorzienbare omstandigheden. Gedurende deze periode neemt de staat belast met de tenuitvoerlegging geen maatregelen die strijdig kunnen zijn met de bepalingen van artikel 110.
  (b) Indien het Hof de wijziging in de omstandigheden bedoeld in (a) niet kan aanvaarden, stelt het de staat belast met de tenuitvoerlegging daarvan in kennis en handelt het overeenkomstig artikel 104, eerste punt.
  3. Het Hof kan bij de uitoefening van zijn recht tot aanwijzing krachtens het eerste punt rekening houden met :
  (a) het beginsel dat de Staten die Partij zijn overeenkomstig de beginselen inzake billijke verdeling gehuldigd in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen moeten delen;
  (b) de algemeen aanvaarde bepalingen uit het internationale verdragsrecht die de behandeling van gedetineerden regelen;
  (c) de mening van de veroordeelde persoon;
  (d) de nationaliteit van de veroordeelde persoon;
  (e) enige andere omstandigheid met betrekking tot de misdaad, tot de situatie van de veroordeelde persoon of tot de werkelijke tenuitvoerlegging van de straf die relevant kan zijn voor de keuze van de staat belast met de tenuitvoerlegging.
  4. Indien krachtens het eerste punt geen staat wordt aangewezen, wordt de gevangenisstraf ondergaan in een strafinrichting van de Gaststaat ter beschikking onder de voorwaarden gesteld in de zetelovereenkomst bedoeld in artikel 3, tweede punt. In dat geval worden de kosten verbonden aan de tenuitvoerlegging van de straf gedragen door het Hof.

  Art. 104. Wijziging in de aanwijzing van de staat belast met de tenuitvoerlegging
  1. Het Hof kan te allen tijde beslissen een veroordeelde persoon over te brengen naar een gevangenis van een andere staat.
  2. Een veroordeelde persoon kan te allen tijde het Hof verzoeken te worden overgebracht uit de staat belast met de tenuitvoerlegging.

  Art. 105. Tenuitvoerlegging van de straf
  1. Onder voorbehoud van de voorwaarden die een staat overeenkomstig artikel 103, eerste punt, b, eventueel heeft gesteld, moeten de Staten die Partij zijn de gevangenisstraf ten uitvoer leggen en kunnen zij de straf in geen geval wijzigen.
  2. Alleen het Hof kan uitspraak doen over een verzoek tot herziening van zijn beslissing betreffende de schuld of de straf. De staat belast met de tenuitvoerlegging mag de veroordeelde persoon niet hinderen een dergelijk verzoek in te dienen.

  Art. 106. Toezicht op de tenuitvoerlegging van de straf en detentievoorwaarden
  1. De tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf is onderworpen aan het toezicht van het Hof. Zij moet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde bepalingen uit het internationale verdragsrecht inzake de behandeling van gedetineerden.
  2. De detentievoorwaarden zijn vastgesteld in de wetgeving van de staat belast met de tenuitvoerlegging. Die voorwaarden zijn in overeenstemming met de algemeen aanvaarde bepalingen uit het internationale verdragsrecht inzake de behandeling van gedetineerden. Zij kunnen in geen geval gunstiger of ongunstiger zijn dan die welke in de staat belast met de tenuitvoerlegging gelden voor gedetineerden die voor gelijkaardige misdrijven veroordeeld zijn.
  3. Mededelingen tussen een veroordeelde persoon en het Hof zijn vrij en vertrouwelijk.

  Art. 107. Overbrenging van veroordeelden die hun straf hebben ondergaan
  1. Nadat de straf is ondergaan kan een persoon die geen onderdaan is van de staat belast met de tenuitvoerlegging, overeenkomstig de wetgeving van die laatste staat worden overgebracht naar een andere staat die ermee instemt de persoon op te vangen of verplicht is zulks te doen, of naar een andere staat die ermee instemt de persoon op te vangen, ingevolge zijn wens naar die staat te worden overgebracht, tenzij de staat belast met de tenuitvoerlegging betrokkene machtigt om op zijn grondgebied te blijven.
  2. Indien geen staat de kosten draagt die voortvloeien uit de overbrenging van de veroordeelde naar een andere staat krachtens het eerste punt, worden die kosten gedragen door het Hof.
  3. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 108 kan de staat waar betrokkene in detentie wordt gehouden, overeenkomstig zijn wetgeving die persoon ook uitleveren of op enige andere wijze overdragen aan de staat die om zijn uitlevering of overdracht heeft verzocht met het oog op een vonnis of tenuitvoerlegging van een straf.

  Art. 108. Beperkingen op het stuk van de vervolging of de veroordeling wegens andere misdrijven
  1. Een veroordeelde persoon gedetineerd in de staat belast met de tenuitvoerlegging kan niet worden vervolgd, veroordeeld of uitgeleverd aan een derde staat wegens gedragingen begaan voorafgaand aan zijn overbrenging naar de staat belast met de tenuitvoerlegging, tenzij het Hof op verzoek van die laatste staat die vervolging, veroordeling of uitlevering heeft goedgekeurd.
  2. Het Hof doet uitspraak over de zaak na de veroordeelde te hebben gehoord.
  3. Punt 1 houdt op van toepassing te zijn wanneer de veroordeelde vrijwillig meer dan 30 dagen verblijft op het grondgebied van de staat belast met de tenuitvoerlegging nadat hij zijn volledige door het Hof opgelegde straf heeft ondergaan, of naar het grondgebied van die staat terugkeert na het te hebben verlaten.

  Art. 109. Betaling van geldboeten en tenuitvoerlegging van maatregelen houdende verbeurdverklaring
  1. De Staten die Partij zijn zorgen voor de tenuitvoerlegging van geldboeten en van maatregelen houdende verbeurdverklaring bevolen door het Hof krachtens Hoofdstuk 7, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw en overeenkomstig de procedure bepaald in hun nationale wetgeving.
  2. Indien een Staat die Partij is geen gevolg kan geven aan een bevel tot verbeurdverklaring, treft hij de nodige maatregelen om de waarde te verhalen van de opbrengst, van de goederen of vermogensbestanddelen, waarvan het Hof de verbeurdverklaring heeft bevolen, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw.
  3. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen door een Staat die Partij is, worden verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof, worden aan het Hof overgedragen.

  Art. 110. Onderzoek door het Hof van een strafvermindering
  1. De staat belast met de tenuitvoerlegging kan de gedetineerde persoon niet in vrijheid stellen vooraleer de straf opgelegd door het Hof is beŽindigd.
  2. Alleen het Hof kan beslissen tot strafvermindering. Het doet uitspraak na de veroordeelde te hebben gehoord.
  3. Wanneer de persoon tweederde van zijn straf heeft ondergaan of, 25 jaar in geval van levenslange gevangenisstraf, beoordeelt het Hof de straf opnieuw om te bepalen of zij moet worden verminderd. Eerder vindt geen nieuw onderzoek plaats.
  4. Bij het nieuw onderzoek bedoeld in het derde punt kan het Hof de straf verminderen, indien het vaststelt dat een of meer van de volgende voorwaarden zijn vervuld :
  (a) betrokkene van bij de aanvang en voortdurend zijn bereidheid getoond om het Hof medewerking te verlenen bij zijn onderzoek en vervolgingen;
  (b) betrokkene heeft spontaan de tenuitvoerlegging van de beslissingen en van beschikkingen van het Hof in andere gevallen vergemakkelijkt, in het bijzonder door het te helpen vermogensbestanddelen te lokaliseren waarop beslissingen houdende verbeurdverklaring ervan of de betaling van een geldboete of herstelbetalingen betrekking hadden, en die ten behoeve van de slachtoffers kunnen worden aangewend; of
  (c) andere factoren omschreven in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering tonen aan dat zich een duidelijke wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan met aanzienlijke gevolgen, welke van die aard zijn dat zij een strafvermindering rechtvaardigen.
  5. Indien het Hof bij het nieuw onderzoek bedoeld in het derde punt bepaalt dat de straf niet moet worden verminderd, onderzoekt het daarna opnieuw die vraag op de tijdstippen bepaald in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering en overeenkomstig de criteria die daarin zijn vastgesteld.

  Art. 111. Ontvluchting
  Indien een veroordeelde zijn plaats van detentie, en daarna de staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf ontvlucht, kan die staat na het Hof te hebben geraadpleegd aan de staat waar de veroordeelde persoon zich bevindt, vragen die persoon aan hem over te dragen krachtens geldende bilaterale of multilaterale overeenkomsten, of aan het Hof vragen dat het op grond van hoofdstuk 9 om de overdracht van die persoon verzoekt. Indien het Hof om de overdracht van een persoon verzoekt, kan het vragen dat die persoon hetzij wordt overgedragen aan de staat waarin betrokkene zijn straf onderging, hetzij aan een andere staat die het Hof aanwijst.

  HOOFDSTUK XI. - Vergadering van Staten die partij zijn.

  Art. 112. Vergadering van Staten die Partij zijn
  1. Een Vergadering van Staten die Partij zijn bij dit Statuut wordt hierbij ingesteld. Elke Staat die Partij is, beschikt in de Vergadering over een vertegenwoordiger, die kan worden bijgestaan door plaatsvervangers en adviseurs. De andere staten die dit Statuut of de Slotakte hebben ondertekend, kunnen in de Vergadering als waarnemer zetelen.
  2. De Vergadering :
  (a) onderzoekt de aanbevelingen van de Voorbereidende Commissie en keurt ze, indien nodig, goed;
  (b) verstrekt aan het voorzitterschap, aan de aanklager en aan de griffier algemene richtlijnen met betrekking tot het bestuur van het Hof;
  (c) onderzoekt de verslagen en activiteiten van het krachtens het derde punt opgerichte bureau en neemt de maatregelen die zij meebrengen;
  (d) onderzoekt de begroting van het Hof en stelt ze vast;
  (e) beslist overeenkomstig artikel 36 of het aantal rechters moet worden gewijzigd;
  (f) onderzoekt overeenkomstig artikel 87, punten 5 en 7, problemen inzake niet-medewerking van staten;
  (g) oefent enige andere functie uit die verenigbaar is met de bepalingen van dit Statuut en van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering.
  3. (a) De Vergadering beschikt over een Bureau samengesteld uit een voorzitter, twee ondervoorzitters en uit 18 leden die voor een ambtstermijn van drie jaar door de Vergadering worden gekozen.
  (b) Het Bureau heeft een representatief karakter, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling en met de noodzaak om de belangrijkste rechtsstelsels van de wereld op passende wijze te vertegenwoordigen.
  (c) Het Bureau vergadert zo vaak als nodig is, doch ten minste een maal per jaar. Het helpt de Vergadering bij de vervulling van haar taken.
  4. De Vergadering richt bijkomende organen op indien zij zulks noodzakelijk acht, onder meer een onafhankelijk controlemechanisme dat inspecties, evaluaties en onderzoek verricht opdat het Hof zo doeltreffend en goedkoop mogelijk wordt bestuurd.
  5. De voorzitter van het Hof, de aanklager en de griffier of hun vertegenwoordigers kunnen, indien nodig, deelnemen aan bijeenkomsten van de Vergadering en van het Bureau.
  6. De Vergadering komt een maal per jaar bijeen op de zetel van het Hof of op die van de Verenigde Naties en houdt aldaar, indien omstandigheden daartoe aanleiding geven, buitengewone zittingen. Tenzij in dit Statuut anders is bepaald, worden bijzondere zittingen bijeengeroepen door het Bureau, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een derde van de Staten die Partij zijn.
  7. Elke Staat die Partij is, heeft een stem. De Vergadering en het Bureau stellen alles in het werk om hun beslissingen bij consensus te nemen. Indien geen consensus kan worden bereikt, en tenzij in het Statuut anders is bepaald :
  (a) worden beslissingen omtrent inhoudelijke vraagstukken genomen bij tweederde meerderheid van de aanwezige en stemmende leden, waarbij de absolute meerderheid van Staten die Partij zijn het quorum voor de stemming vormt;
  (b) worden beslissingen omtrent procedurele vraagstukken genomen bij gewone meerderheid van de aanwezige en stemmende Staten die Partij zijn.
  8. Een Staat die Partij is en die achterop is met de betaling van zijn bijdrage in de kosten van het Hof, kan noch in de Vergadering noch in het Bureau aan de stemming deelnemen indien het bedrag van de achterstallen gelijk is aan of hoger dan de bijdrage verschuldigd voor de voorbije twee jaar. Niettemin kan de Vergadering die Staat toestaan in de Vergadering en in het Bureau aan de stemming deel te nemen indien zij vaststelt dat het uitblijven van de betaling te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van die Staat.
  9. De Vergadering stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
  10. De officiŽle talen en de werktalen van de Vergadering van de Staten die Partij zijn, zijn die van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

  HOOFDSTUK XII. - Financiering.

  Art. 113. FinanciŽle regeling en regels inzake financieel beheer
  Behoudens uitdrukkelijk andersluidend beding worden alle financiŽle zaken in verband met het Hof en de bijeenkomsten van de Vergadering van Staten die Partij zijn, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen, geregeld door dit Statuut, door de financiŽle regeling en door de regels inzake financieel beheer die de Vergadering van Staten die Partij zijn, heeft goedgekeurd.

  Art. 114. Betaling van de uitgaven
  De uitgaven van het Hof en van de Vergadering van Staten die Partij zijn, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen, worden betaald uit de fondsen van het Hof.

  Art. 115. Fondsen van het Hof en van de Vergadering van Staten die Partij zijn
  De uitgaven van het Hof en van de Vergadering van Staten die Partij zijn, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen, zoals ingeschreven op de begroting vastgesteld door de Vergadering van Staten die Partij, worden gefinancierd met de volgende middelen :
  (a) de bijdragen van de Staten die Partij zijn;
  (b) de fondsen verstrekt door de Verenigde Naties, onder voorbehoud van de instemming door de Algemene Vergadering, inzonderheid met betrekking tot uitgaven verbonden aan zaken die de Veiligheidsraad bij het Hof aanhangig heeft gemaakt.

  Art. 116. Vrijwillige bijdragen
  Onverminderd artikel 115 kan het Hof vrijwillige bijdragen van Regeringen, internationale organisaties, particulieren, ondernemingen en andere entiteiten, ontvangen en aanwenden als aanvullende fondsen, volgens de criteria die de Vergadering van Staten die Partij zijn, terzake heeft vastgesteld.

  Art. 117. Berekening van bijdragen
  De bijdragen van de Staten die Partij zijn worden berekend volgens een overeengekomen verdeelsleutel gegrond op de schaal die de Verenigde Naties voor haar normale begroting heeft goedgekeurd en die is aangepast overeenkomstig de beginselen waarop die schaal is gegrond.

  Art. 118. Jaarlijkse controle van de rekeningen
  De verslagen, boeken en rekeningen van het Hof, met inbegrip van zijn jaarrekeningen, worden jaarlijks gecontroleerd door een onafhankelijk controleur.

  HOOFDSTUK XIII. -Slotbepalingen.

  Art. 119. Regeling van geschillen
  1. Elk geschil met betrekking tot de rechterlijke taken van het Hof wordt beslecht bij beslissing van het Hof.
  2. Elk ander geschil tussen twee of meer Staten die Partij zijn met betrekking tot de interpretatie of toepassing van dit Statuut dat niet binnen drie maanden na aanvang ervan door middel van onderhandelingen is opgelost, wordt verwezen naar de Vergadering van Staten die Partij zijn. De Vergadering kan zelf trachten het geschil te beslechten of aanbevelingen doen inzake andere middelen ter beslechting van het geschil, met inbegrip van verwijzing naar het Internationale Hof van Justitie overeenkomstig het Statuut van dat Hof.

  Art. 120. Voorbehoud
  Dit Statuut staat geen enkel voorbehoud toe.

  Art. 121. Amendementen
  1. Na het verstrijken van een periode van zeven jaar te rekenen van de inwerkingtreding van dit Statuut kan een Staat die Partij is, amendementen daarop voorstellen. De tekst van een voorgesteld amendement wordt aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voorgelegd, die deze onverwijld aan alle Staten die Partij zijn bezorgt.
  2. Ten minste drie maanden na de datum van deze kennisgeving beslist de Vergadering van Staten die Partij zijn op de eerstvolgende vergadering bij meerderheid van de aanwezige en stemmende leden of zij het voorstel al dan niet in behandeling nemen. De Vergadering kan het voorstel zelf behandelen of een Herzieningsconferentie bijeenroepen indien de zaak zulks verantwoordt.
  3. De goedkeuring van een amendement tijdens een bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn of tijdens een Herzieningsconferentie, vereist, indien geen consensus kan worden bereikt, tweederde meerderheid van de Staten die Partij zijn.
  4. Onder voorbehoud van de bepalingen van het vijfde punt treedt een amendement ten aanzien van alle Staten die Partij zijn in werking een jaar nadat zevenachtste onder hen hun akten van bekrachtiging of aanvaarding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties hebben neergelegd.
  5. Een amendement op artikel 5 van dit Statuut treedt ten aanzien van de Staten die Partij zijn en het hebben aanvaard in werking een jaar na neerlegging van hun akten van bekrachtiging of aanvaarding. Het Hof oefent zijn bevoegdheid ten opzichte van een misdaad waarop het amendement betrekking heeft, slechts uit wanneer die misdaad is gepleegd door een onderdaan van een Staat die Partij is en het amendement niet heeft aanvaard of op het grondgebied van die Staat.
  6. Indien een amendement overeenkomstig het vierde punt is aanvaard door zevenachtste van de Staten die Partij zijn, kan een Staat die Partij is en het amendement niet heeft aanvaard zich met onmiddellijke ingang terugtrekken uit dit Statuut, zulks onverminderd artikel 127, eerste punt, maar onder voorbehoud van het tweede punt ervan, waarbij die Staat ten laatste een jaar na inwerkingtreding van het amendement kennis moet geven van zijn terugtrekking uit dit Staat
  7. De Secretaris-generaal van de Verenigde Naties stelt alle Staten die Partij zijn in kennis van een amendement die tijdens een bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn of tijdens een Herzieningsconferentie is goedgekeurd.

  Art. 122. Amendementen op bepalingen van institutionele aard
  1. Onverminderd artikel 121, eerste punt, kan een Staat die Partij is amendementen voorstellen op de bepalingen van het Statuut die van louter institutionele aard zijn, te weten de artikelen 35, 36, punten 8 en 9, 37, 38, 39, eerste punt (eerste twee volzinnen), 2 en 4, 42, punten 4 tot 9, 43, punten 2 en 3, 44, 46, 47 en 49. De tekst van ieder voorgesteld amendement wordt voorgelegd aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties of aan enig ander persoon aangewezen door de Vergadering van Staten die Partij zijn. De Secretaris-generaal of de aangewezen persoon bezorgen het onverwijld aan alle Staten die Partij zijn en aan de andere deelnemers aan de Vergadering.
  2. Amendementen krachtens dit artikel waarover geen consensus kan worden bereikt, worden door de Vergadering van de Staten die Partij zijn of door een Herzieningsconferentie goedgekeurd bij een tweederde meerderheid van de Staten die Partij zijn. Dergelijke amendementen treden ten aanzien van alle Staten die Partij zijn in werking zes maanden na goedkeuring ervan door de Vergadering of door de Herzieningsconferentie.

  Art. 123. Herziening van het Statuut
  1. Zeven jaar na de inwerkingtreding van dit Statuut roept de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties een Herzieningsconferentie bijeen om alle amendementen op dit Statuut te onderzoeken. Het onderzoek kan onder meer maar niet uitsluitend betrekking hebben op de lijst van misdaden bedoeld in artikel 5. De Conferentie is onder dezelfde voorwaarden toegankelijk voor de deelnemers aan de Vergadering van de Staten die Partij zijn.
  2. Daarna kan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties op verzoek van een Staat die Partij is en met het doel omschreven in het eerste punt, na instemming van de meerderheid van de Staten die Partij zijn, op ieder tijdstip een Herzieningsconferentie bijeenroepen.
  3. De goedkeuring en de inwerkingtreding van amendementen op het Statuut die tijdens een Herzieningsconferentie zijn onderzocht, worden geregeld door het bepaalde in artikel 121, punten 3 tot 7.

  Art. 124. Overgangsbepaling
  Onverminderd het bepaalde in artikel 12, eerste punt, kan een staat, die partij bij het Statuut wordt, verklaren dat hij gedurende een periode van zeven jaar te rekenen van de inwerkingtreding van dit Statuut voor de betrokken staat, ten aanzien van hem de bevoegdheid van het Hof niet aanvaardt met betrekking tot de categorie misdaden bedoeld in artikel 8, wanneer een misdaad beweerdelijk is gepleegd door zijn onderdanen of op zijn grondgebied. De betrokken staat kan die verklaring te allen tijde intrekken. De bepalingen van dit artikel worden opnieuw onderzocht tijdens de Herzieningsconferentie bijeengeroepen overeenkomstig artikel 123, eerste punt.

  Art. 125. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding
  1. Dit Statuut wordt op 17 juli 1998 voor ondertekening door alle Staten opengesteld op de zetel van de Voedsel- en Landbouworganisatie der Verenigde Naties te Rome. Daarna blijft het tot 17 oktober 1998 ter ondertekening open op het Ministerie van Buitenlandse Zaken van ItaliŽ te Rome en na die datum tot 31 december 2000 op de zetel van de Verenigde Naties te New York.
  2. Dit Statuut is onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de staten die het ondertekenen. Akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
  3. Dit Statuut staat open voor toetreding door alle staten. Akten van toetreding worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

  Art. 126. Inwerkingtreding
  1. Dit Statuut treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op de 60ste dag te rekenen van de datum van neerlegging van de 60ste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
  2. Ten aanzien van elke staat die dit Statuut bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of daartoe toetreedt na neerlegging van de 60ste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Statuut in werking de eerste dag van de maand volgend op de 60ste dag te rekenen van de neerlegging door die staat van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

  Art. 127. Terugtrekking
  1. Een Staat die Partij is kan zich bij schriftelijke kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties terugtrekken uit dit Statuut. De terugtrekking treedt in werking een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving, tenzij daarin een latere datum is bepaald.
  2. Een staat wordt niet vanwege zijn terugtrekking ontslagen van de verplichtingen voortvloeiend uit dit Statuut wanneer hij bij het Statuut was, met inbegrip van alle financiŽle verplichtingen die kunnen zijn ontstaan. Zijn terugtrekking mag geen nadelige invloed hebben op de medewerking met het Hof bij strafrechtelijk onderzoek en rechtspleging in verband waarmee de staat die zich terugtrekt de plicht had mee te werken en die waren aangevat vůůr de datum waarop de terugtrekking in werking trad, noch mag de terugtrekking op enigerlei wijze afbreuk doen aan de voortzetting van de behandeling van een zaak die het Hof reeds vůůr de datum waarop de terugtrekking van kracht werd, in behandeling had.

  Art. 128. Authentieke teksten
  Het origineel van dit Statuut, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die een voor eensluidend verklaard afschrift daarvan aan alle staten toezendt.
  Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve regeringen, dit Statuut hebben ondertekend.
  Gedaan te Rome op 17 juli 1998.

  BIJLAGE.

  Art. N. LIJST MET DE GEBONDEN STATEN. <Addendum B.St. 24.10.2002, p. 48678>

  
STATENONDERTEKENINGBEKRACHTIGING,
  AANVAARDING (A),
  GOEDKEURING (AA),
  TOETREDING (a)
   
ALBANIE18 juli 1998 
ALGERIJE28 december 2000 
ANDORRA18 juli 199830 april 2001
ANGOLA7 oktober 1998 
ANTIGUA EN BARBUDA23 oktober 199818 juni 2001
ARABISCHE REPUBLIEK SYRIE29 november 2000 
ARGENTINIE8 januari 19998 februari 2001
ARMENIE1 oktober 1999 
AUSTRALIE9 december 19981 juli 2002
BAHAMA`S29 december 2000 
BAHREIN11 december 2000 
BANGLADESH16 september 1999 
BARBADOS8 september 2000 
BELGIE10 september 199828 juni 2000
BELIZE5 april 20005 april 2000
BENIN24 september 199922 januari 2002
BOLIVIA17 juli 199827 juni 2002
BOSNIE EN HERCEGOWINA17 juli 200011 april 2002
BOTSWANA8 september 20008 september 2000
BRAZILIE7 februari 200020 juni 2002
BULGARIJE11 februari 199911 april 2002
BURKINA FASO30 november 1998 
BURUNDI13 januari 1999 
CAMBODJA23 oktober 200011 april 2002
CANADA18 december 19987 juli 2000
CENTRAALAFRIKAANSE REPUBLIEK7 december 19993 oktober 2001
CHILI11 september 1998 
COLOMBIA10 december 19985 augustus 2002
COMOREN22 september 2000 
CONGO17 juli 1998 
COSTA RICA7 oktober 19987 juni 2001
CROATIE12 oktober 199821 mei 2001
CYPRUS15 oktober 19987 maart 2002
DEMOKRATISCHE REPUBLIEK  
CONGO8 september 200011 april 2002
DENEMARKEN25 september 199821 juni 2001
DJIBOUTI7 oktober 1998 
DOMINICA 12 februari 2001 (a)
DOMINIKAANSE REPUBLIEK8 september 2000 
DUITSLAND10 december 199811 december 2000
ECUADOR7 oktober 19985 februari 2002
EGYPTE26 december 2000 
ERYTREA7 oktober 1998 
ESTLAND27 december 199930 januari 2002
FIJI29 november 199929 november 1999
FILIPIJNEN28 december 2000 
FINLAND7 oktober 199829 december 2000
FRANKRIJK18 juli 19989 juni 2000
GABON22 december 199820 september 2000
GAMBIA4 december 199828 juni 2002
GEORGIE18 juli 1998 
GHANA18 juli 199820 december 1999
GRIEKENLAND18 juli 199815 mei 2002
GUINEE7 september 2000 
GUINEE BISSAU12 september 2000 
GUYANA28 december 2000 
HAITI26 februari 1999 
HONDURAS7 oktober 19981 juli 2002
HONGARIJE15 januari 199930 november 2001
IERLAND7 oktober 199811 april 2002
IJSLAND26 augustus 199825 mei 2000
IRAN (Islamitische Rep. van)31 december 2000 
ISRAEL31 december 2000 
ITALIE18 juli 199826 juli 1999
IVOORKUST30 november 1998 
JAMAICA8 september 2000 
JEMEN28 december 2000 
JOEGOSLAVIE19 december 20006 september 2001
JORDANIE7 oktober 199811 april 2002
KAAPVERDIE28 december 2000 
KAMEROEN17 juli 1998 
KENYA11 augustus 1999 
KIRGIZSTAN8 december 1998 
KOEWEIT8 september 2000 
LESOTHO30 november 19986 september 2000
LETLAND22 april 199928 juni 2002
LIBERIA17 juli 1998 
LIECHTENSTEIN18 juli 19982 oktober 2001
LITOUWEN10 december 1998 
LUXEMBURG13 oktober 19988 september 2000
MADAGASKAR18 juli 1998 
MALAWI2 maart 1999 
MALI17 juli 199816 augustus 2000
MALTA17 juli 1998 
MAROKKO8 september 2000 
MARSHALL EILANDEN6 september 20007 december 2000
MAURITIUS11 november 19985 maart 2002
MEXICO7 september 2000 
MONACO18 juli 1998 
MONGOLIE29 december 200011 april 2002
MOZAMBIQUE28 december 2000 
NAMIBIE27 oktober 199825 juni 2002
NAURU13 december 200012 november 2001
NEDERLAND18 juli 199817 juli 2001 (A)
NIEUW ZEELAND7 oktober 19987 september 2000
NIGER17 juli 199811 april 2002
NIGERIA1 juni 200027 september 2001
NOORWEGEN28 augustus 199816 februari 2000
OEKRAINE20 januari 2000 
OEZBEKISTAN29 december 2000 
OMAN20 december 2000 
OOSTENRIJK7 oktober 199828 december 2000
OOST TIMOR 6 september 2002 (a)
PANAMA18 juli 199821 maart 2002
PARAGUAY7 oktober 199814 mei 2001
PERU7 december 200010 november 2001
POLEN9 april 199912 november 2001
PORTUGAL7 oktober 19985 februari 2002
REPUBLIEK KOREA8 maart 2000 
REPUBLIEK MOLDAVIE8 september 2000 
ROEMENIE7 juli 199911 april 2002
RUSSISCHE FEDERATIE13 september 2000 
SAINT LUCIA27 augustus 1999 
SALOMONS EILANDEN3 december 1998 
SAMOA17 juli 1998 
SAN MARINO18 juli 199813 mei 1999
SAO TOME EN PRINCIPE28 december 2000 
SENEGAL18 juli 19982 februari 1999
SEYCHELLEN28 december 2000 
SIERRA LEONE17 oktober 199815 september 2000
SLOVENIE7 oktober 199831 december 2001
SLOWAKIJE23 december 199811 april 2002
SOEDAN8 september 2000 
SPANJE18 juli 199824 oktober 2000
TADZJIKISTAN30 november 19985 mei 2000
THAILAND2 oktober 2000 
TRINIDAD EN TOBAGO23 maart 19996 april 1999
TSJAAD20 oktober 1999 
TSJECHISCHE REPUBLIEK13 april 1999 
UGANDA17 maart 199914 juni 2002
URUGUAY19 december 200028 juni 2002
VENEZUELA14 oktober 19987 juni 2000
VERENIGD KONINKRIJK VAN  
GROOT-BRITTANNIE EN  
NOORD-IERLAND30 november 19984 oktober 2001
VERENIGD REPUBLIEK TANZANIA29 december 200020 augustus 2002
VERENIGDE ARABISCHE EMIRATEN27 november 2000 
VERENIGDE STATEN VAN  
AMERIKA31 december 2000 
VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE  
REPUBLIEK MACEDONIE7 oktober 19986 maart 2002
ZUID-AFRIKA17 juli 199827 november 2000
ZWEDEN7 oktober 199828 juni 2001
ZWITSERLAND18 juli 199812 oktober 2001
ZAMBIA17 juli 1998 
ZIMBABWE17 juli 1998 
  


  Deze overeenkomst is nog niet in werking getreden. De datum van inwerkingtreding zal later gepubliceerd worden.
  Dit Statuut is op 1 juli 2002 in werking getreden. <Addendum, B.St. 24.10.2002, p. 48678>
  Statuut Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te Rome, op 17 juli 1998
  Verklaring van het Koninkrijk BelgiŽ inzake het artikel 31, ß 1, c.
  " In overeenstemming met artikel 21, ß 1, b, van het Statuut en rekening houdend met de regels van het internationaal humanitair recht waarvan niet kan afgeweken worden, is de Belgische Regering van mening dat artikel 31, ß 1, c, van het Statuut enkel kan toegepast en geÔnterpreteerd worden in overeenstemming met die regels. ".
  Verklaring van het Koninkrijk BelgiŽ inzake het artikel 87, ß 1.
  " Verwijzend naar het artikel 87, paragraaf 1, van het Statuut verklaart het Koninkrijk BelgiŽ dat het Ministerie van Justitie de bevoegde autoriteit is om de verzoeken om samenwerking te ontvangen. ".
  " Verklaring van het Koninkrijk BelgiŽ inzake het artikel 87, ß 2.
  " Verwijzend naar het artikel 87, ß 2, verklaart het Koninkrijk BelgiŽ dat de verzoeken om medewerking van het Hof en de stukken ter ondersteuning van het verzoek dienen opgesteld te zijn in een officiŽle taal van het Koninkrijk. ".

  Art. N0. Reglement voor de proces- en bewijsvoering van het Internationaal Strafgerechtshof. <Addendum, B.S. 11.05.2004, Ed. 2, p. 37895-37954>
  Toelichtende noot :
  Het reglement voor de proces- en bewijsvoering is een instrument voor de toepassing van het Statuut van het Internationaal Strafgerechtshof (Statuut van Rome), waaraan het altijd ondergeschikt is. Bij de uitwerking van het reglement is erop toegezien dat de bepalingen van het Statuut niet worden geparafraseerd en indien mogelijk niet worden herhaald. Het reglement verwijst in voorkomend geval expliciet naar het Statuut teneinde het bestaande verband tussen beide teksten te onderstrepen, zulks overeenkomstig artikel 51, inzonderheid het vierde en vijfde punt ervan.
  Het reglement moet in ieder geval worden gelezen rekening houdend met de bepalingen van het Statuut waaraan het ondergeschikt is.
  Het reglement voor de proces- en bewijsvoering doet geenszins afbreuk aan de procedureregels die iedere rechtbank of ieder nationaal rechtsstelsel in het kader van de nationale vervolgingen toepast.

  Art. 1N. HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
  Regel 1. - Gebruik van de termen
  In dit document :
  wordt onder " artikel " de artikelen van het Statuut van Rome verstaan;
  wordt onder " kamer " de kamers van het Hof verstaan;
  wordt onder " hoofdstuk " de hoofdstukken van het Statuut van Rome verstaan;
  wordt onder " rechter-voorzitter " de rechter die een kamer voorzit, verstaan;
  wordt onder " voorzitter " de voorzitter van het Hof verstaan;
  wordt onder " reglement van het Hof " het reglement van het Hof verstaan;
  wordt onder " reglement " het reglement voor de proces- en bewijsvoering verstaan.
  Regel 2
  Authentieke teksten
  Het reglement is goedgekeurd in de officiŽle talen van het Hof zoals die zijn opgesomd in artikel 50, ß 1. Alle teksten zijn gelijkelijk authentiek.
  Regel 3
  Wijzigingen
  1. De wijzigingen die overeenkomstig artikel 51, tweede punt, worden voorgesteld om in het reglement te worden aangebracht, worden gericht aan de voorzitter van het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
  2. De voorzitter van het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn, ziet erop toe dat alle ontwerp-wijzigingen worden vertaald in de officiŽle talen van het Hof en aan de Staten die Partij zijn, worden bezorgd.
  3. De procedure bedoeld in voornoemd eerste en tweede punt is eveneens van toepassing op de voorlopige regels waarin artikel 51, derde punt, voorziet.

  Art. 2N. HOOFDSTUK 2. - Samenstelling en dagelijks bestuur van het Hof
  Afdeling 1. - Algemene bepalingen betreffende de samenstelling en het dagelijks bestuur van het Hof
  Regel 4
  Voltallige zittingen
  1. De rechters vergaderen ten laatste twee maanden na hun verkiezing in voltallige zitting. Tijdens die eerste zitting, na de in regel 5 plechtige gelofte te hebben afgelegd, gaan de rechters over tot :
  a) de verkiezing van de voorzitter en van de ondervoorzitters;
  b) de toevoeging van de rechters aan de afdelingen.
  2. Vervolgens vergaderen de rechters ten minste een maal per jaar in voltallige zitting om de functies uit te oefenen waarmee zij krachtens het Statuut, het reglement en het reglement van het Hof zijn belast, en in buitengewone voltallige zitting die de voorzitter indien nodig op eigen initiatief of op verzoek van de helft van de rechters bijeenroept.
  3. Het Hof kan in voltallige zitting geldig beraadslagen ingeval twee derde van de rechters aanwezig zijn.
  4. Voor zover in het Statuut en het reglement niet anders is bepaald, spreekt het Hof zich uit in voltallige zitting bij meerderheid van de aanwezige rechters. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter of van de rechter die het Voorzitterschap waarneemt, doorslaggevend.
  5. Het reglement van het Hof wordt zo spoedig mogelijk in voltallige zitting goedgekeurd.
  Regel 5
  De in artikel 45 bedoelde plechtige gelofte
  1. Overeenkomstig hetgeen in artikel 45 is bepaald en voordat de rechters hun taken krachtens dit Statuut aanvaarden,
  a) leggen zij de volgende plechtige gelofte af :
  " Ik verklaar plechtig dat ik mijn taken zal vervullen en mijn functie als rechter bij het Internationaal Strafgerechtshof eervol en met toewijding, onpartijdig en gewetensvol zal uitoefenen en dat ik het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken en van de vervolgingen en het geheim van de beraadslagingen zal naleven. ";
  b) leggen de aanklager, de substituut-aanklagers, de griffier en de substituut-griffier de volgende plechtige gelofte af :
  " Ik verklaar plechtig dat ik mijn taken zal vervullen en mijn functie als (titel) bij het Internationaal Strafgerechtshof eervol en met toewijding, onpartijdig en gewetensvol zal uitoefenen en dat ik het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken en van de vervolgingen zal naleven. "
  2. De tekst van de gelofte, die wordt ondertekend door de betrokken persoon in aanwezigheid van de voorzitter of van een ondervoorzitter van het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn, wordt bij de griffie ondergebracht en toegevoegd aan het archief van het Hof.
  Regel 6
  Plechtige gelofte van het personeel van de diensten van de aanklager, het griffiepersoneel, de tolken en vertalers
  1. Elk personeelslid van het diensten van de aanklager of van de griffie legt vooraleer de functie aan te vangen, de volgende gelofte af :
  " Ik verklaar plechtig dat ik mijn taken zal vervullen en mijn functie van (titel) bij het Internationaal Strafgerechtshof eervol en met toewijding, onpartijdig en gewetensvol zal uitoefenen en dat ik het vertrouwelijke karakter van de onderzoeken en van de vervolgingen zal naleven. "
  De tekst van de gelofte, die wordt ondertekend door de betrokken persoon in aanwezigheid van, naargelang het geval, de aanklager, de substituut-aanklager, de griffier of de substituut-griffier wordt bij de griffie ondergebracht en toegevoegd aan het archief van het Hof.
  2. Elke tolk en elke vertaler legt vooraleer de functie aan te vangen, de volgende gelofte af :
  " Ik verklaar plechtig dat ik mijn taken met toewijding, onpartijdig en met volledige inachtneming van het beroepsgeheim zal uitoefenen. "
  De tekst van de gelofte, die wordt ondertekend door de betrokken persoon in aanwezigheid van de voorzitter of van zijn vertegenwoordiger, wordt bij de griffie ondergebracht en toegevoegd aan het archief van het Hof.
  Regel 7
  Aanwijzing van een enkele rechter op grond van artikel 39, tweede punt, b), iii)
  1. Wanneer de Kamer van vooronderzoek op grond van artikel 39, tweede punt, b), iii), een rechter als alleen zetelend rechter aanwijst, neemt zij hierbij de vooropgestelde objectieve criteria in acht.
  2. De aangewezen rechter neemt de beslissingen die aangepast zijn aan de omstandigheden in de domeinen waarvoor in het Statuut of in het reglement niet expliciet is bepaald dat de Kamer van vooronderzoek zich daarover in voltallige zitting moet uitspreken.
  3. De Kamer van vooronderzoek kan ambtshalve of op verzoek van een partij beslissen zelf in voltallige zitting de functie van alleen zetelend rechter waar te nemen.
  Regel 8
  Professionele gedragscode
  1. De voorzitter werkt op voorstel van de griffier een ontwerp van professionele gedragscode voor de raden uit na het advies van de aanklager te hebben ingewonnen. De griffier houdt bij de voorbereiding van zijn ontwerp raadplegingen, zulks overeenkomstig hetgeen in regel 20, derde punt, is bepaald.
  2. Het ontwerp van gedragscode wordt overeenkomstig artikel 112, zevende punt, meegedeeld aan de Vergadering van Staten die Partij zijn met het oog op de goedkeuring ervan.
  3. De procedure tot wijziging van de gedragscode wordt daarin omschreven.
  Afdeling II. - Diensten van de aanklager
  Regel 9
  Werking van de diensten van de aanklager
  De aanklager stelt in het kader van de hem toegewezen taken inzake de leiding en het dagelijks bestuur van zijn diensten het reglement op waarin de werking ervan wordt geregeld. Bij de uitwerking of wijziging van het reglement, wint de aanklager het advies van de griffier in omtrent ieder probleem dat de werking van de griffie kan aantasten.
  Regel 10
  Bewaring van de gegevens en van het bewijsmateriaal
  De aanklager is belast met de bewaring, de bewaking en de veiligheid van de gegevens en van de overtuigingsstukken die zijn verzameld tijdens het onderzoek gevoerd door zijn diensten.
  Regel 11
  Delegatie van de functie van aanklager
  De aanklager of een substituut-aanklager kan de leden van de diensten van de aanklager met uitzondering van die bedoeld in artikel 44, vierde punt, machtigen hem te vertegenwoordigen in de uitoefening van zijn taken, met uitzondering van die welke hem op grond van het Statuut eigen zijn, te weten onder meer die omschreven in de artikelen 15 en 53 van het Statuut.
  Afdeling III. - Griffie
  Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen betreffende de griffie
  Regel 12
  Kwalificaties en verkiezing van de griffier en van de substituut-griffier
  1. Zodra het Voorzitterschap is verkozen, stelt het een lijst van kandidaten op die beantwoorden aan de criteria vermeld in artikel 43, derde punt, en deelt het de lijst mee aan de Vergadering van Staten die Partij zijn, waarbij het aan de Vergadering om aanbevelingen verzoekt.
  2. Zodra de voorzitter de eventuele aanbevelingen van de Vergadering van Staten die Partij zijn, heeft ontvangen, bezorgt hij de lijst en de aanbevelingen onverwijld aan het Hof dat in voltallige zitting vergadert.
  3. Overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 43, vierde punt, kiest het Hof dat voltallig zetelt, zo spoedig mogelijk de griffier bij absolute meerderheid en houdt het daarbij rekening met de eventuele aanbevelingen van de Vergadering van Staten die Partij zijn. Indien geen enkele kandidaat in de eerste ronde de absolute meerderheid behaalt, wordt overgegaan tot een nieuwe stemmingsronde tot wanneer een kandidaat de absolute meerderheid behaalt.
  4. Ingeval een substituut-griffier nodig is, kan de griffier daartoe bij de voorzitter een aanbeveling doen. De voorzitter roept een voltallige zitting samen om daarover te oordelen. Ingeval het aldus zetelend Hof bij absolute meerderheid beslist dat een substituut-griffier moet worden verkozen, legt de griffier het een lijst van kandidaten voor.
  5. De substituut-griffier wordt net zoals de griffier door het voltallig zetelend Hof verkozen.
  Regel 13
  Taken van de griffier
  1. Onverminderd de bevoegdheden die krachtens het Statuut zijn verleend aan de diensten van de aanklager inzake ontvangst, verkrijging en verspreiding van gegevens en de daartoe gebruikte wijzen van kennisgeving, is de griffier belast met alle mededelingen uitgaande van het Hof of bestemd voor het Hof.
  2. De griffier is in overleg met de voorzitter en de aanklager, evenals met de Gaststaat belast met de interne veiligheid van het Hof.
  Regel 14
  Werking van de griffie
  1. De griffier stelt in het kader van de hem toegewezen taken inzake beheer en dagelijks bestuur van de griffie het reglement op waarin de werking ervan wordt geregeld. Bij de uitwerking of wijziging van dat reglement wint de griffier het advies van de aanklager in omtrent ieder probleem dat de werking van zijn diensten kan aantasten. Het reglement van de griffie wordt door het Voorzitterschap goedgekeurd.
  2. Het reglement van de griffie moet erin voorzien dat de raadslui van de verdediging een beroep kunnen doen op administratieve bijstand van de griffie binnen redelijke perken en op de aan de omstandigheden aangepaste wijze.
  Regel 15
  Wijzigingen
  1. De griffier houdt een gegevensbank met alle gegevens betreffende iedere zaak die bij het Hof aanhangig is gemaakt, zulks onder voorbehoud van de beschikkingen tot niet-bekendmaking die een rechter of een kamer ten opzichte van een bepaald document of van bepaalde gegevens kan geven en mits bescherming van delicate persoonlijke inlichtingen. Het publiek heeft toegang tot de gegevens die in de gegevensbank zijn opgenomen in de werktalen van het Hof.
  2. De griffier houdt eveneens de andere dossiers van het Hof bij.
  Onderafdeling 2. - Taken van de griffie ten aanzien van de slachtoffers en van de getuigen
  Regel 16
  Taken van de griffier ten aanzien van de slachtoffers en van de getuigen
  1. Met betrekking tot de slachtoffers oefent de griffier overeenkomstig het Statuut en het reglement de volgende taken uit :
  a) berichten en kennisgevingen doen toekomen aan de slachtoffers of aan hun wettelijke vertegenwoordigers;
  b) hen helpen juridisch advies te bekomen en zich te laten vertegenwoordigen, alsook aan hun wettelijke vertegenwoordigers bijstand, ondersteuning en de adequate gegevens verstrekken, daaronder begrepen de apparatuur die zij nodig kunnen hebben om hun taken rechtstreeks uit te oefenen, teneinde hun rechten overeenkomstig de regels 89 tot 91 in alle stadia van de procedure te beschermen;
  c) hen overeenkomstig de regels 89 tot 91 helpen bij hun deelname aan de verschillende stadia van de procedure;
  d) in geval van slachtoffers van seksueel geweld, de specifieke maatregelen nemen om hun deelname aan alle stadia van de procedure te vergemakkelijken.
  2. In verband met de slachtoffers, de getuigen en anderen die in gevaar zijn vanwege door dergelijke getuigen afgelegde getuigenverklaringen vervult de griffier overeenkomstig het Statuut en het reglement de volgende taken :
  a) hen in kennis stellen van de rechten die hen op grond van het Statuut en het reglement worden erkend en van het bestaan, de taken en de beschikbaarheid van de Afdeling Hulp aan Slachtoffers en Getuigen;
  b) ervoor zorgen dat zij te gepasten tijde op de hoogte worden gebracht van de beslissingen van het Hof die hun belangen kunnen aantasten, zulks onverminderd de regels inzake vertrouwelijkheid.
  3. Met het oog op de vervulling van die taken kan de griffier een bijzonder register houden van de slachtoffers die de wens hebben geuit deel te nemen aan de procedure betreffende een bepaalde zaak.
  4. De griffier kan in naam van het Hof met de Staten onderhandelen over overeenkomsten inzake de nieuwe vestiging en de ondersteuning op het grondgebied van een Staat van getraumatiseerde of bedreigde personen, ongeacht of het gaat om slachtoffers, getuigen of andere personen die in gevaar zijn vanwege door dergelijke getuigen afgelegde getuigenverklaringen. Die overeenkomsten kunnen vertrouwelijk zijn.
  Regel 17
  Taken van de Afdeling
  1. De Afdeling voor Slachtoffers en Getuigen oefent haar taken uit overeenkomstig artikel 43, zesde punt.
  2. De Afdeling oefent overeenkomstig het Statuut en het reglement en in voorkomend geval in overleg met de Kamer, de aanklager en de verdediging de volgende taken uit :
  a) ten aanzien van alle getuigen en slachtoffers die voor het Hof verschijnen en van anderen die in gevaar zijn vanwege door dergelijke getuigen afgelegde getuigenverklaringen, alsook rekening houdend met hun eigen noden en met hun bijzondere situatie :
  i) hen bescherming en veiligheid bieden door adequate maatregelen en beschermingsplannen op korte en lange termijn uitwerken;
  ii) aan de organen van het Hof aanbevelingen doen met het oog op de goedkeuring van beschermingsmaatregelen en de betrokken Staten daarvan in kennis stellen;
  iii) hen helpen medische, psychologische en andere zorgen die zij nodig hebben, te verkrijgen;
  iv) aan het Hof en aan de partijen de mogelijkheid bieden tot vorming inzake trauma's, seksueel geweld, veiligheid en vertrouwelijkheid;
  v) in overleg met de diensten van de aanklager aanbevelingen doen voor de uitwerking van een gedragscode waarin de nadruk wordt gelegd op het essentieel belang van de veiligheid en van het beroepsgeheim ten behoeve van het onderzoeksteam van het Hof en van de verdediging, en van alle intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties die in voorkomend geval in naam van het Hof optreden;
  vi) indien nodig met de Staten samenwerken om de in deze regel bedoelde maatregelen te nemen;
  b) In geval van getuigen :
  i) hen bijstaan over de wijze waarop juridisch advies kan worden verkregen met het oog op de bescherming van hun rechten, inzonderheid naar aanleiding van hun getuigenverklaring;
  ii) hen bijstaan wanneer zij worden opgeroepen om voor het Hof te getuigen;
  iii) in geval van slachtoffers van seksueel geweld, de specifieke maatregelen nemen om hun getuigenverklaring in alle stadia van de procedure te vergemakkelijken.
  3. De Afdeling besteedt bij de uitoefening van haar taken voldoende aandacht aan de bijzondere noden van kinderen, bejaarden en gehandicapte personen. Teneinde de deelname van kinderen die getuigen te vergemakkelijken en hen bescherming te waarborgen, wijst de Afdeling in voorkomend geval en met instemming van de ouders of van de wettelijke voogd, een begeleider aan die het kind in alle stadia van de procedure bijstaat.
  Regel 18
  Taken van de Afdeling
  Opdat de Afdeling voor Hulp aan Slachtoffers en Getuigen haar taken nuttig en doeltreffend kan uitoefenen :
  a) ziet zij erop toe dat haar personeel in alle omstandigheden het beroepsgeheim in acht neemt;
  b) neemt zij, rekening houdend met de belangen eigen aan de diensten van de Aanklager, van de verdediging en van de getuigen, de belangen van de getuigen in acht, eventueel door een onderscheid te maken tussen getuigen ŗ charge en getuigen ŗ dťcharge, treedt zij onpartijdig op in het kader van haar samenwerking met alle partijen, zulks overeenkomstig de beslissingen genomen door de kamers;
  c) stelt zij gedurende alle stadia van de procedure en binnen redelijke perken administratieve en technische hulp ter beschikking van de getuigen, van de slachtoffers die voor het Hof verschijnen en van anderen die in gevaar zijn vanwege door dergelijke getuigen afgelegde getuigenverklaringen;
  d) zorgt zij voor opleiding van haar personeel in de materies betreffende de veiligheid, de integriteit en de waardigheid van de slachtoffers en van de getuigen, daaronder begrepen de specifieke maatregelen bij seksuele strafbare feiten en de culturele kenmerken;
  e) werkt zij in voorkomend geval samen met de intergouvernementele en de niet-gouvernementele organisaties.
  Regel 19
  Specialisten die aan de Afdeling zijn verbonden
  Naast het personeel omschreven in artikel 43, zesde punt, en onder voorbehoud van artikel 44 kan de Afdeling voor Hulp aan Slachtoffers en Getuigen inzonderheid, indien nodig, over deskundigen beschikken op het vlak van :
  a) bescherming en veiligheid van getuigen;
  b) juridische en administratieve problemen, daaronder begrepen de aspecten betreffende het humanitaire recht en het strafrecht;
  c) logistiek;
  d) psychologische aspecten van de strafrechtelijke procedure;
  e) specifieke deskundigheid inzake seksueel geweld en culturele diversiteit;
  f) kinderen, inzonderheid getraumatiseerde kinderen;
  g) bejaarde personen, inzonderheid die welke het slachtoffer zijn van een trauma in verband met oorlog en verbanning;
  h) gehandicapte personen;
  i) sociale bijstand;
  j) medische zorgen;
  k) tolken en vertalen.
  Onderafdeling 3. - Raad van de verdediging
  Regel 20
  Taken van de griffier in verband met de rechten van de verdediging
  1. De griffier organiseert overeenkomstig artikel 43, eerste punt, het werk van de griffie op zodanige wijze dat de rechten van de verdediging overeenkomstig het in het Statuut vastgestelde beginsel inzake een eerlijk proces, worden gewaarborgd. Daartoe vervult hij inzonderheid de volgende taken :
  a) de bescherming van de vertrouwelijkheid vergemakkelijken zoals omschreven in artikel 67, eerste punt, b) ;
  b) hulp en bijstand verstrekken, alsook inlichtingen aan alle raadslui van de verdediging die voor het Hof verschijnen en indien nodig steun verlenen wanneer beroepsspeurders nodig zijn voor een effectieve en doeltreffend verloop van de verdediging;
  c) hulp verstrekken aan de aangehouden personen, aan de personen op wie de bepalingen van artikel 55, tweede punt, van toepassing zijn evenals aan de verdachten om juridisch advies en bijstand van een raadsman te verkrijgen;
  d) indien nodig advies verstrekken aan de aanklager en de kamers betreffende problemen inzake de verdediging;
  e) de apparatuur die de verdediging nodig kan hebben om rechtstreeks haar taken uit te oefenen, haar ter beschikking stellen;
  f) de verspreiding van gegevens en van de rechtspraak van het Hof onder de raadslui van de verdediging vergemakkelijken en in voorkomend geval samenwerken met de nationale ordes van advocaten of met iedere onafhankelijke instantie die advocatenverenigingen of de in het derde punt hierboven bedoelde raadslui vertegenwoordigen teneinde de juristen aan te moedigen zich in het recht van het Statuut en van het reglement te vervolmaken en te specialiseren.
  2. De griffier oefent de in het eerste punt hierboven omschreven taken uit, daaronder begrepen de taken inzake het financieel bestuur van de griffie teneinde de professionele onafhankelijkheid van de raadslui van de verdediging te waarborgen.
  3. Met het oog op de organisatie en de rechtsbijstand overeenkomstig regel 21 en de uitwerking van een professionele gedragscode overeenkomstig regel 8 wint de griffier indien nodig het advies in van iedere onafhankelijke instantie die advocatenverenigingen of raadslui vertegenwoordigt, inzonderheid van iedere instantie waarvan de oprichting door de Vergadering van Staten die Partij zijn, kan worden vergemakkelijkt.
  Regel 21
  Ambtshalve toewijzing van een raadsman
  1. Onder voorbehoud van artikel 55, tweede punt, c), en van artikel 67, eerste punt, worden de criteria en de procedures voor de ambtshalve aanwijzing van een raadsman aan behoeftige personen vastgelegd in het reglement van het Hof, op voordracht, voorgesteld door de griffie na raadpleging van elke onafhankelijke instantie die advocatenverenigingen of raadslui vertegenwoordigt waarvan gewag wordt gemaakt in regel 20, derde punt.
  2. De griffier gaat over tot de opstelling en de bijwerking van een lijst met raadslui die beantwoorden aan de criteria omschreven in regel 22 en in het reglement van het Hof. De betrokken persoon kiest zijn raadsman vrij uit die lijst of een andere raadsman die beantwoordt aan de bedoelde criteria en die aanvaardt in die lijst te worden ingeschreven.
  3. Ingeval de ambtshalve aanwijzing van een raadsman wordt geweigerd, kan de betrokken persoon dit probleem voorleggen aan het Voorzitterschap dat een definitieve beslissing neemt. Ingeval het verzoek wordt verworpen, kan de betrokken persoon een ander verzoek richten tot de griffier ingeval hij bewijst dat er nieuwe omstandigheden zijn.
  4. De persoon die ervoor kiest zichzelf te vertegenwoordigen, stelt de griffier hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.
  5. Ingeval blijkt dat een zogenaamd behoeftig persoon dat niet is, kan de kamer die op dat tijdstip de zaak behandelt, een beschikking geven tot deelname in de kosten om de kosten van de ambtshalve aanwijzing te dekken.
  Regel 22
  Benoeming en hoedanigheid van de raadsman van de verdediging
  1. De raadsman van de verdediging moet over een erkende kennis inzake internationaal recht of strafrecht en inzake procedures bezitten en de vereiste kennis hebben verworven omtrent de strafrechtelijke procedure door de uitoefening van de functie van rechter, aanklager, advocaat of van een analoge functie. Hij moet een uitstekende kennis bezitten van ten minste een van de werktalen van het Hof en die vlot spreken. Hij kan zich laten bijstaan door andere personen met nuttige gespecialiseerde kennis ter zake, inzonderheid door professoren in de rechten.
  2. De raadsman van de verdediging die is gekozen door een persoon welke gebruik maakt van het recht dat hem op grond van het Statuut is toegekend om een beroep te doen op een raadsman van zijn keuze, laat zo spoedig mogelijk zijn volmacht door de griffier optekenen.
  3. De raadslui van de verdediging zijn bij de vervulling van hun taken onderworpen aan de bepalingen van het Statuut, van het reglement, van het reglement van het Hof, van de professionele gedragscode voor de raadslui die overeenkomstig regel 8 is goedgekeurd en van ieder ander door het Hof goedgekeurd instrument dat verband houdt met hun functie.
  Afdeling IV. - Situaties die de werking van het Hof kunnen schaden
  Onderafdeling 1. - Afzetting en tuchtsancties
  Regel 23
  Algemeen beginsel
  De rechters, de aanklager, de substituut-aanklagers, de griffier en de substituut-griffier worden uit hun functie ontzet of gesanctioneerd met tuchtmaatregelen in de gevallen bedoeld in en onder voorbehoud van de waarborgen omschreven in het Statuut en in dit reglement.
  Regel 24
  Definitie van ernstige fout en ernstig plichtsverzuim
  1. Overeenkomstig artikel 46, eerste punt, a), wordt onder " ernstige fout " het volgende verstaan :
  a) het gedrag dat in het kader van de uitoefening van een officiŽle functie onverenigbaar is met die functie en de goede rechtsbedeling bij het Hof of de goede interne werking ervan, ernstig schaadt of kan schaden, bijvoorbeeld :
  i) de bekendmaking van feiten of gegevens waarvan de betrokken persoon bij de uitoefening van zijn functie kennis heeft gekregen en die een hangend probleem betreffen, wanneer die bekendmaking de gerechtelijke procedures of enig persoon ernstig schaadt;
  ii) de verzwijging van gegevens of omstandigheden die dermate belangrijk zijn dat hij daardoor niet in zijn functie kon worden aangewezen;
  iii) het misbruik van zijn gerechtelijke functie om op onrechtmatige wijze voordelen te bekomen van officiŽle of professionele instanties; of
  b) gedrag buiten het kader van de uitoefening van de officiŽle functie dat dermate ernstig is dat het aanzien van het Hof daardoor ernstig wordt geschaad of kan worden geschaad.
  2. Overeenkomstig artikel 46, eerste punt, a), is sprake van " schuldig plichtsverzuim " ingeval de betrokken persoon zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim bij de uitoefening van zijn functie of bewust in strijd met de plichten die zijn functie meebrengt, heeft gehandeld. Dat kunnen onder meer situaties zijn waarin de betrokken persoon :
  a) niet de verplichting nakomt te vragen dat de zaak hem wordt onttrokken terwijl hij weet dat er redenen bestaan om een dergelijk verzoek te richten;
  b) herhaaldelijk zorgt voor onverantwoorde vertraging bij de instelling van het onderzoek, bij het voeren van de vervolging of van de procedure of bij de uitoefening van de gerechtelijke taken.
  Regel 25
  Definitie van een fout van minder ernstige aard
  1. Overeenkomstig artikel 47 moet onder " fout van minder ernstige aard " worden verstaan :
  a) het gedrag dat in het kader van de uitoefening van een officiŽle functie de correcte rechtsbedeling bij het Hof of de correcte interne werking ervan, schaadt of kan schaden, bijvoorbeeld :
  i) de inmenging in de uitoefening van de functie van een in artikel 47 bedoeld persoon;
  ii) de niet-uitvoering of het herhaaldelijk negeren van de verzoeken geformuleerd door de rechter-voorzitter of door het Voorzitterschap bij de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheden;
  iii) het niet-toepassen van de tuchtmaatregelen die kunnen worden aangewend ten aanzien van de griffier, de substituut-griffier of de andere ambtenaren van het Hof terwijl een rechter weet of zou moeten weten dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan ernstig plichtsverzuim;
  b) gedrag buiten het kader van de uitoefening van de officiŽle functie dat het aanzien van het Hof schaadt of kan schaden.
  2. Niets in deze regel belet dat het gedrag bedoeld in het eerste punt, a), " een ernstige fout " of " ernstig plichtsverzuim " overeenkomstig artikel 46, eerste punt, a), van het Statuut vormt.
  Regel 26
  Ontvangst van de klachten
  1. Overeenkomstig de artikelen 46 en 47, eerste punt, betreffende de gedragingen bedoeld in de regels 24 en 25 moet in iedere klacht de redenen worden aangegeven waarop zij is gegrond, alsook de identiteit van de klager en elk beschikbaar bewijselement worden voorgelegd. De klachten blijven vertrouwelijk.
  2. Alle klachten worden bezorgd aan het Voorzitterschap dat ambtshalve kan optreden en overeenkomstig het reglement van het Hof de anonieme of kennelijk ongegronde klachten verwerpt en de andere klachten aan het bevoegde orgaan overzendt. Het Voorzitterschap wordt in die taak bijgestaan door een of meer rechters volgens een automatische toerbeurt, zulks overeenkomstig het reglement van het Hof.
  Regel 27
  Gemeenschappelijke bepalingen inzake de rechten van de verdediging
  1. Ingeval wordt overwogen een persoon overeenkomstig artikel 46 uit zijn functie te ontzetten of overeenkomstig artikel 47 ten aanzien van hem tuchtmaatregelen te nemen, wordt de betrokken persoon daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht.
  2. De betrokken persoon beschikt over alle mogelijke vrijheid om bewijselementen voor te leggen en te ontvangen, zijn argumenten te doen gelden en de vragen te beantwoorden die hem worden gesteld.
  3. Hij kan tijdens de procedure die overeenkomstig deze regel wordt ingesteld, door een raadsman worden vertegenwoordigd.
  Regel 28
  Schorsing
  Ingeval de beweringen die worden geuit ten aanzien van een persoon op wie een klacht betrekking heeft, voldoende ernstig zijn, kan de betrokken persoon uit zijn functie worden geschorst in afwachting dat het bevoegde orgaan daarover een uitspraak doet.
  Regel 29
  Procedure in geval van verzoek tot afzetting
  1. Over het verzoek tot afzetting van een rechter, griffier of substituut-griffier wordt in voltallige zitting gestemd.
  2. Het Voorzitterschap stelt de voorzitter van het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn schriftelijk in kennis van iedere aanbeveling die wordt goedgekeurd ingeval het een rechter betreft en van iedere beslissing die wordt genomen ingeval het een griffier of een substituut-griffier betreft.
  3. De aanklager stelt de voorzitter van het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn schriftelijk in kennis van de aanbeveling die hij ten aanzien van een substituut-aanklager doet.
  4. Ingeval blijkt dat de bedoelde gedragingen geen ernstige fout noch een ernstig plichtsverzuim inhouden, kan overeenkomstig artikel 47 worden besloten dat de betrokken persoon een fout van minder ernstige aard heeft begaan en kan dan een tuchtsanctie worden uitgesproken.
  Regel 30
  Procedure in geval van tuchtmaatregelen
  1. Ingeval het een rechter, griffier of substituut-griffier betreft, wordt de beslissing tot het opleggen van een tuchtmaatregel door het Voorzitterschap genomen.
  2. Ingeval het de aanklager betreft, wordt de beslissing tot het opleggen van een tuchtmaatregel met absolute meerderheid genomen door het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
  3. Ingeval het een substituut-procureur betreft :
  a) wordt de beslissing tot het uitspreken van een blaam door de aanklager genomen;
  b) de beslissing tot het opleggen van een geldboete wordt op aanbeveling van de aanklager met absolute meerderheid genomen door het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
  4. De blaam wordt schriftelijk opgetekend en bezorgd aan de voorzitter van het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn.
  Regel 31
  Afzetting
  De afzetting heeft onmiddellijk gevolgen zodra die beslissing is uitgesproken. De betrokken persoon maakt niet langer deel uit van het Hof, ook niet voor de lopende zaken waaraan hij meewerkt.
  Regel 32
  Tuchtmaatregelen
  De volgende tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd :
  a) de blaam; of
  b) de geldboete voor een maximumbedrag dat overeenstemt met zes maanden bezoldiging die door het Hof aan de betrokken persoon wordt gestort.
  Onderafdeling 2. - Ontheffing, wraking, overlijden en ontslag
  Regel 33
  Ontheffing van de rechters, van de aanklager of van de substituut-aanklagers
  1. Ingeval een rechter, de aanklager of een substituut-aanklager uit zijn functie wenst te worden ontheven, richt hij daartoe schriftelijk een verzoek tot het Voorzitterschap waarin hij de redenen aangeeft waarvoor hij uit zijn functie moet worden ontheven.
  2. Het Voorzitterschap beschouwt het verzoek als vertrouwelijk en maakt de redenen van zijn beslissing niet openbaar zonder de instemming van de betrokken persoon.
  Regel 34
  Wraking van de rechters, van de aanklager of van de substituut-aanklagers
  1. Naast de redenen bedoeld in artikel 41, tweede punt, en artikel 42, zevende punt, zijn de redenen tot wraking van een rechter, van de aanklager of van een substituut-aanklager inzonderheid de volgende :
  a) het bestaan van een persoonlijk belang in de betreffende zaak, inzonderheid het gegeven dat het gaat om de partner, de vader of de moeder van een van de partijen of dat met een van hen nauwe familiale, professionele banden of een ondergeschikte relatie worden onderhouden;
  b) de privť-deelname aan enige rechtsvordering ingesteld vooraleer de persoon bij de zaak wordt betrokken of die deze laatste instelt terwijl hij reeds betrokken is bij de zaak waarin de persoon op wie een onderzoek of vervolging betrekking heeft, een tegenpartij was of is;
  c) het gegeven dat de persoon, vooraleer de functie bij het Hof op te nemen, taken heeft gehad waaruit kan worden afgeleid dat die persoon zich over de zaak, de partijen of hun wettelijke vertegenwoordigers een oordeel heeft gevormd waardoor de onpartijdigheid waartoe hij is gehouden, objectief kan worden geschaad;
  d) de uiting via informatieorganen, geschriften of openbare handelingen van meningen die objectief in tegenspraak kunnen zijn met de onpartijdigheid waartoe hij is gehouden.
  2. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 41, tweede punt, en artikel 42, achtste punt, worden verzoeken tot wraking voorgelegd zodra de redenen waarop zij zijn gegrond, zijn gekend; die verzoekschriften bevatten de aangevoerde redenen en gaan vergezeld van alle relevante bewijselementen. Zij worden meegedeeld aan de betrokken persoon die zijn opmerkingen schriftelijk kan voorleggen.
  3. Over iedere vraag betreffende de wraking van de aanklager of van een substituut-aanklager wordt bij absolute meerderheid door de rechters van de Kamer van beroep beslist.
  Regel 35
  Verplichting van de rechters, van de aanklager of van de substituut-aanklagers om hun ontheffing te vragen.
  Ingeval een rechter, de aanklager of een substituut-aanklager redenen heeft te geloven dat in zijn geval een reden tot wraking bestaat, vraagt hij te worden ontheven uit zijn functie zonder te wachten dat daartoe op grond van artikel 41, tweede punt, van artikel 42, zevende punt, en van regel 34 een verzoek wordt gedaan. Hij dient zijn verzoek tot ontheffing in dat door het Voorzitterschap wordt onderzocht, zulks overeenkomstig regel 33.
  Regel 36
  Overlijden van een rechter, van de aanklager, van een substituut-aanklager, van de griffier of van een substituut-griffier. Ingeval een rechter, de aanklager, een substituut-aanklager, de griffier of een substituut-griffier overlijdt, stelt het Voorzitterschap de voorzitter van het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn, daarvan schriftelijk in kennis.
  Regel 37
  Ontslag van een rechter, van de aanklager, van een substituut-aanklager, van de griffier of van een substituut-griffier
  1. Ingeval een rechter, de aanklager, een substituut-aanklager, de griffier of een substituut-griffier beslist ontslag te nemen, stelt hij het Voorzitterschap daarvan schriftelijk in kennis. Het Voorzitterschap stelt de voorzitter van het Bureau van de Vergadering van Staten die Partij zijn, daarvan schriftelijk in kennis.
  2. De ontslagnemend rechter, aanklager, substituut-aanklager, griffier of substituut-griffier probeert een vooropzeg van ten minste zes maanden na te leven. Vooraleer het ontslag van een rechter gevolgen heeft, levert de betrokken persoon alle inspanningen om de taken waarvan hij zich nog moet kwijten, tot een goed einde te brengen.
  Onderafdeling 3. - Vervangingen en plaatsvervangend rechter
  Regel 38
  Vervangingen
  1. Een rechter kan om objectieve en gerechtvaardigde redenen worden vervangen, te weten :
  a) ontslag;
  b) ontheffing;
  c) wraking;
  d) afzetting;
  e) overlijden.
  2. De vervangingsprocedure wordt geregeld bij het Statuut, het reglement en het reglement van het Hof.
  Regel 39
  Plaatsvervangend rechter
  De vervangend rechter die overeenkomstig artikel 74, eerste punt, door het Voorzitterschap aangewezen is om zitting te hebben in een Kamer van eerste aanleg moet in elk stadium van de procedure en tijdens de beraadslagingen aanwezig zijn, maar mag niet eraan deelnemen en oefent geen enkele van de functies uit van de leden van de Kamer waarbij de zaak aanhangig is, zolang hij niet is opgeroepen om een van deze leden dat verhinderd is om te zetelen, te vervangen. De plaatsvervangend rechter wordt aangewezen overeenkomstig een vooraf door het Hof vastgestelde procedure.
  Afdeling V. - Bekendmakingen, talen, vertalingen
  Regel 40
  Bekendmaking van de beslissingen in de officiŽle talen van het Hof
  1. Voor de toepassing van artikel 50, eerste punt, worden de hierna volgende beslissingen als beslissingen ten gronde beschouwd :
  a) alle beslissingen van de Afdeling beroep;
  b) alle krachtens de artikelen 17, 18, 19 en 20 genomen beslissingen van het Hof betreffende de rechtsmacht of de ontvankelijkheid van een zaak;
  c) alle krachtens de artikelen 74, 75 of 76 genomen beslissingen van een Kamer van eerste aanleg inzake de schuld of onschuld, de straf en het herstel dat moet worden toegekend aan de slachtoffers;
  d) alle beslissingen die een Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 57, derde punt, d), heef genomen.
  2. Alle krachtens artikel 61, zevende punt, genomen beslissingen inzake de bevestiging van de ten laste gelegde feiten, of de krachtens artikel 70, derde punt, genomen beslissingen inzake misdrijven tegen de rechtsbedeling worden bekendgemaakt in alle officiŽle talen van het Hof indien zij volgens het advies van het Voorzitterschap beslissingen ten gronde zijn.
  3. Het Voorzitterschap kan ertoe beslissen andere beslissingen in alle officiŽle talen bekend te maken, indien zij betrekking hebben op belangrijke vragen inzake de interpretatie of de toepassing van het Statuut of op belangrijke vragen van algemeen belang.
  Regel 41
  Werktalen van het Hof
  1. Het Voorzitterschap verleent voor de toepassing van artikel 50, tweede punt, toestemming voor het gebruik van een officiŽle taal als werktaal :
  a) indien deze taal wordt begrepen en gesproken door de meerderheid van de betrokken personen in een zaak die bij het Hof aanhangig is en indien een van de partijen in het geding erom verzoekt; of
  b) indien de aanklager en de verdediging erom verzoeken.
  2. Het Voorzitterschap kan de toestemming verlenen voor het gebruik van een officiŽle taal van het Hof als werktaal indien zulks volgens het Voorzitterschap de doeltreffendheid van het geding ten goede komt.
  Regel 42
  Vertaal- en tolkdiensten
  Het Hof verzekert zich van de nodige vertaal- en tolkdiensten om de tenuitvoerlegging van zijn krachtens het Statuut en het reglement opgelegde verplichtingen te waarborgen.
  Regel 43
  Te volgen procedure voor de bekendmaking van documenten van het Hof
  Het Hof waakt erover dat in alle documenten die krachtens het Statuut en het reglement moeten worden bekendgemaakt, de vertrouwelijkheid van de procedure, alsook de veiligheid van de slachtoffers en van de getuigen worden beschermd.

  Art. 3N. HOOFDSTUK 3. - Rechtsmacht en ontvankelijkheid
  Afdeling 1. - Verklaringen en verwijzingen betreffende de artikelen 11, 12, 13 en 14
  Regel 44
  Verklaring bedoeld in artikel 12, derde punt
  1. De griffier kan, op verzoek van de aanklager, vertrouwelijk inlichtingen inwinnen bij een Staat die geen Partij is bij het Statuut of die Partij is geworden bij het Statuut na de inwerkingtreding ervan, indien deze Staat voornemens is de in artikel 12, derde punt, bedoelde verklaring neer te leggen.
  2. Indien een Staat bij een griffier de verklaring neerlegt of hem laat weten dat hij voornemens is de verklaring bedoeld in artikel 12, derde punt, neer te leggen of indien de griffier handelt volgens bovenstaand eerste punt, brengt de griffier de betrokken Staat ervan op de hoogte dat diens verklaring de rechtsmacht van het Hof ten aanzien van de misdaden bedoeld in artikel 5 waarnaar de betrokken situatie verwijst, aanvaardt, en dat de bepalingen van hoofdstuk IX van het Statuut, alsook alle regels die eruit voortvloeien met betrekking tot de Staten die Partij zijn, op die Staat van toepassing zijn.
  Regel 45
  Verwijzing van een situatie naar de aanklager
  De verwijzing van een situatie naar de aanklager gebeurt schriftelijk.
  Afdeling II. - Instelling van de onderzoeken volgens artikel 15
  Regel 46
  Informatie verstrekt aan de aanklager uit hoofde van artikel 15, eerste en tweede punt
  Indien de informatie wordt verstrekt krachtens artikel 15, eerste punt, of indien de schriftelijke of mondelinge getuigenverklaringen in ontvangst worden genomen op de zetel van het Hof, zoals bepaald in het tweede punt van voornoemd artikel, beschermt de aanklager de vertrouwelijkheid van deze inlichtingen en getuigenverklaringen of neemt hij enige andere noodzakelijke maatregel tot uitvoering van zijn verplichtingen krachtens het Statuut.
  Regel 47
  Getuigenverklaringen volgens artikel 15, tweede punt
  1. De regels 111 en 112 zijn mutatis mutandis van toepassing op de getuigenverklaringen die de aanklager volgens artikel 15, tweede punt, in ontvangst heeft genomen.
  2. Indien de aanklager van oordeel is dat het waarschijnlijk onmogelijk zal zijn om later een getuigenverklaring in ontvangst te nemen, kan hij de Kamer van vooronderzoek erom verzoeken alle nuttige maatregelen te nemen om de doeltreffendheid en de integriteit van de procedures te waarborgen en inzonderheid een raadsman of een rechter van de Kamer van vooronderzoek aan te wijzen die aanwezig zal zijn tijdens de getuigenverklaring om te waken over de rechten van de verdediging. Ingeval de getuigenverklaring vervolgens tijdens de procedure wordt overgelegd, wordt de ontvankelijkheid ervan geregeld bij artikel 69, vierde punt, en de waarde is die welke wordt toegekend door de bevoegde kamer.
  Regel 48
  Bepaling van het bestaan van een redelijke grond voor het instellen van een onderzoek volgens artikel 15, derde punt
  Om te bepalen of een redelijke grond bestaat om een onderzoek in te stellen overeenkomstig artikel 15, derde punt, baseert de aanklager zich op de overwegingen bedoeld in artikel 53, eerste punt, a) tot c).
  Regel 49
  Beslissing en kennisgeving volgens artikel 15, zesde punt
  1. Indien een beslissing wordt genomen overeenkomstig artikel 15, zesde punt, maakt de aanklager die onmiddellijk kenbaar, alsook de redenen ter motivering, op een wijze die geen afbreuk doet aan de veiligheid, het welzijn of de persoonlijke levenssfeer van degenen die hem de informatie hebben verstrekt overeenkomstig artikel 15, eerste en tweede punt, noch aan de integriteit van de onderzoeken of de procedures.
  2. De kennisgeving moet vermelden dat het mogelijk is met betrekking tot dezelfde situatie in het licht van nieuwe feiten of bewijsmateriaal nieuwe informatie voor te leggen.
  Regel 50
  Procedure waarmee de Kamer van vooronderzoek de toestemming verleent voor het instellen van een onderzoek krachtens artikel 15
  1. Indien de aanklager voornemens is overeenkomstig artikel 15, derde punt, de Kamer van vooronderzoek te verzoeken een onderzoek te mogen instellen, brengt hij de slachtoffers die hij kent of die gekend zijn bij Afdeling Hulp aan Slachtoffers en Getuigen of hun wettelijke vertegenwoordigers, daarvan op de hoogte, tenzij hij vaststelt dat hij daardoor de integriteit van het onderzoek of het leven of het welzijn van de slachtoffers of de getuigen in gevaar zou brengen. De aanklager kan ook zijn voornemen bekendmaken via de algemene distributiekanalen teneinde slachtoffergroepen te bereiken indien hij meent dat in dit geval noch de integriteit en de doeltreffendheid van het onderzoek, noch de veiligheid en het welzijn van de slachtoffers of van de getuigen worden geschaad. Daartoe kan de aanklager indien nodig de bijstand van de Afdeling Hulp aan Slachtoffers en Getuigen inroepen.
  2. De aanklager legt schriftelijk het verzoek om machtiging voor.
  3. De slachtoffers die overeenkomstig bovenstaand eerste punt op de hoogte zijn gebracht, kunnen schriftelijk hun bedenkingen kenbaar maken bij de Kamer van vooronderzoek binnen de termijn vastgesteld in het reglement van het Hof.
  4. De Kamer van vooronderzoek die beslist over de te volgen procedure, kan om meer inlichtingen verzoeken bij de aanklager en bij de slachtoffers die hun bedenkingen kenbaar hebben gemaakt, en kan ook een zitting houden indien zij dat nodig acht.
  5. De Kamer van vooronderzoek maakt haar met redenen omklede beslissing bekend om al dan niet de machtiging te geven om een onderzoek in te stellen volgens artikel 15, vierde punt, inzake het geheel of een gedeelte van het verzoek van de aanklager. Zij deelt deze beslissing mee aan de slachtoffers die hun mening kenbaar hebben gemaakt.
  6. De bovenstaande procedure is eveneens van toepassing op ieder nieuw verzoek dat aan de Kamer van vooronderzoek overeenkomstig artikel 15, vijfde punt, wordt voorgelegd.
  Afdeling III. - Uitzonderingen en prejudiciŽle beslissingen bedoeld in de artikelen 17, 18 en 19
  Regel 51
  Informatie verstrekt uit hoofde van artikel 17
  Ingeval het Hof de vragen bedoeld in artikel 17, tweede punt, onderzoekt, kan het, gelet op de omstandigheden ter zake, onder meer rekening houden met de informatie waarop de in artikel 17, eerste punt, bedoelde Staat de aandacht van het Hof zou hebben kunnen gevestigd om te bewijzen dat zijn rechtbanken voldoen aan de internationale normen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de vervolgingen in geval van gelijkaardige gedragingen, of met de bevestiging die de Staat schriftelijk aan de aanklager heeft gericht, dat over de betreffende zaak een onderzoek is ingesteld of dat vervolgingen zijn ingesteld.
  Regel 52
  Kennisgeving bedoeld in artikel 18, eerste punt
  1. Onder voorbehoud van de beperkingen bepaald in artikel 18, eerste punt, bevat de kennisgeving de informatie betreffende de handelingen die misdaden kunnen opleveren welke zijn omschreven in artikel 5 en die relevant zijn met het oog op de toepassing van artikel 18, tweede punt.
  2. Een Staat kan aan de aanklager nadere informatie vragen om hem te helpen bij de toepassing van artikel 18, tweede punt. Op dit verzoek is de termijn van een maand, zoals bepaald in artikel 18, tweede punt, niet van toepassing. De aanklager antwoordt hierop zo snel mogelijk.
  Regel 53
  Terugtreding krachtens artikel 18, tweede punt
  De Staat die krachtens artikel 18, tweede punt, om een terugtreding verzoekt, doet zulks schriftelijk en verstrekt informatie over het onderzoek dat hij voert, zulks rekening houdend met dit punt. De aanklager kan de Staat om nadere informatie verzoeken.
  Regel 54
  Verzoek voorgelegd door de aanklager krachtens artikel 18, tweede punt
  1. Het verzoek dat de aanklager krachtens artikel 18, tweede punt, aan de Kamer van vooronderzoek voorlegt, wordt schriftelijk gedaan en is met redenen omkleed. De aanklager deelt overeenkomstig regel 53 aan de Kamer van vooronderzoek de door de Staat verstrekte informatie mee.
  2. De aanklager brengt de Staat schriftelijk met een beknopte motivering ervan op de hoogte dat hij krachtens artikel 18, tweede punt, een verzoek heeft gedaan aan de Kamer van vooronderzoek.
  Regel 55
  Procedure betreffende artikel 18, tweede punt
  1. De Kamer van vooronderzoek bepaalt de te volgen procedure en kan de maatregelen nemen die nodig zijn voor een goed verloop van het geding. Zij kan een zitting houden.
  2. De Kamer van vooronderzoek onderzoekt het verzoek van de aanklager, alsook de eventuele opmerkingen van de Staat die overeenkomstig artikel 18, tweede punt, gevraagd heeft dat de aanklager terugtreedt ten behoeve van het onderzoek van de Staat. Zij houdt rekening met de omstandigheden omschreven in artikel 17 om te beslissen al dan niet machtiging te verlenen voor het onderzoek.
  3. De beslissing van de Kamer van vooronderzoek en de overwegingen worden zo snel mogelijk meegedeeld aan de aanklager en aan de Staat die gevraagd heeft dat de aanklager terugtreedt ten behoeve van het onderzoek van de Staat.
  Regel 56
  Verzoek neergelegd door de aanklager na de herziening bedoeld in artikel 18, derde punt
  1. Na de herziening bepaald in artikel 18, derde punt, kan de aanklager aan de Kamer van vooronderzoek om de in het tweede punt van dat artikel bedoelde machtiging verzoeken. Zijn verzoek wordt schriftelijk voorgelegd en is met redenen omkleed.
  2. De aanklager bezorgt overeenkomstig artikel 18, vijfde punt, aan de Kamer van vooronderzoek alle door de Staat verstrekte aanvullende informatie.
  3. Het geding wordt geleid krachtens regel 54, tweede punt, en regel 55.
  Regel 57
  Bewarende maatregelen bedoeld in artikel 18, zesde punt
  De Kamer van vooronderzoek onderzoekt ex parte en met gesloten deuren de verzoeken die de aanklager haar voorlegt in de gevallen bedoeld in artikel 18, zesde punt. Zij neemt haar beslissing volgens een versnelde procedure.
  Regel 58
  Procedure uit hoofde van artikel 19
  1. De verzoeken of aanvragen bedoeld in artikel 19 worden schriftelijk voorgelegd en zijn met redenen omkleed.
  2. Indien een kamer van het Hof een verzoek of een aanvraag behandelt met een betwisting of een vraag betreffende de rechtsmacht of de ontvankelijkheid van een zaak uit hoofde van artikel 19, tweede of derde punt, of indien zij ambtshalve handelt zoals omschreven in het eerste punt van voornoemd artikel, bepaalt zij de te volgen procedure en kan zij de maatregelen nemen die nuttig zijn voor een vlot verloop van het geding. Zij kan een zitting houden. Zij kan de betwisting of de vraag onderzoeken tijdens een zitting voor de bevestiging van de tenlastelegging of tijdens een procedure, op voorwaarde dat hieruit geen buitensporige vertraging voortvloeit. In dit geval verhoort zij en doet zij eerst uitspraak over de betwisting of de vraag.
  3. Het Hof zendt verzoeken of aanvragen die krachtens het tweede punt zijn voorgelegd, aan de aanklager over alsook aan de persoon bedoeld in artikel 19, tweede punt, indien deze persoon overgebracht is naar het Hof of vrijwillig of op dagvaarding voor het Hof is verschenen, en machtigt hen binnen de termijn die de kamer vaststelt, schriftelijke opmerkingen betreffende het verzoek of de aanvraag voor te leggen.
  4. Het Hof doet eerst uitspraak over iedere betwisting of vraag betreffende zijn rechtsmacht en vervolgens over iedere betwisting of vraag betreffende de ontvankelijkheid.
  Regel 59
  Deelname aan de procedures volgens artikel 19, derde punt
  1. Voor de toepassing van artikel 19, derde punt, brengt de griffier over iedere vraag of betwisting omschreven in artikel 19, eerste, tweede en derde punt, betreffende de rechtsmacht of de ontvankelijkheid de volgende personen op de hoogte :
  a) de personen die overeenkomstig artikel 13 een situatie hebben verwezen;
  b) de slachtoffers die met het Hof reeds hebben gecommuniceerd naar aanleiding van de betreffende zaak of hun wettelijke vertegenwoordigers.
  2. De griffier bezorgt aan alle personen bedoeld in voornoemd eerste punt, een samenvatting van de motieven waarom de rechtsmacht van het Hof of de ontvankelijkheid van de zaak wordt betwist, zulks volgens de voorwaarden verenigbaar met de verplichting van het Hof om de gegevens vertrouwelijk te houden, de personen te beschermen en de bewijzen veilig te stellen.
  3. Alle personen die overeenkomstig voornoemd eerste punt op de hoogte zijn gebracht, kunnen schriftelijk hun mening kenbaar maken bij de bevoegde kamer binnen de door haar vastgestelde termijn.
  Regel 60
  Bevoegd orgaan inzake betwistingen
  De betwistingen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid die worden opgeworpen na de bevestiging van de tenlasteleggingen maar vůůr de samenstelling of de aanwijzing van de Kamer van eerste aanleg, worden aan het Voorzitterschap gericht, die ze verwijst naar de Kamer van eerste aanleg zodra deze overeenkomstig regel 130 is samengesteld of aangewezen.
  Regel 61
  Bewarende maatregelen uit hoofde van artikel 19, achtste punt
  Regel 57 is van toepassing op de aanvragen die de aanklager overeenkomstig artikel 19, achtste punt, tot de bevoegde kamer richt.
  Regel 62
  Procedure uit hoofde van artikel 19, tiende punt
  1. Ingeval de aanklager de aanvraag bedoeld in artikel 19, tiende punt, indient, richt hij deze aan de kamer die de meest recente beslissing inzake de ontvankelijkheid heeft genomen. De regels 58, 59 en 61 zijn van toepassing.
  2. De Staat of de Staten waarvan de betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak overeenkomstig artikel 19, tweede punt, geleid heeft tot de beslissing van niet-ontvankelijkheid bedoeld in artikel 19, tiende punt, worden op de hoogte gebracht van de aanvraag van de aanklager en er wordt hen een termijn toegekend om hun opmerkingen voor te leggen.

  Art. 4N. HOOFDSTUK 4. - Bepalingen van toepassing op diverse stadia van de procedure
  Afdeling 1. - Bewijs
  Regel 63
  Algemene bepalingen inzake de bewijsvoering
  1. De regels voor de bewijsvoering, die in dit hoofdstuk worden opgesomd, alsook in artikel 69, zijn van toepassing op de procedures voor alle kamers.
  2. De kamers zijn op grond van de discretionaire bevoegdheid bedoeld in artikel 64, negende punt, gemachtigd om vrij over alle overgelegde bewijselementen te oordelen teneinde de relevantie of de ontvankelijkheid ervan te bepalen, zoals bepaald in artikel 69.
  3. De kamers doen overeenkomstig artikel 64, negende punt, a), uitspraak inzake de ontvankelijkheid op verzoek van een partij of ambtshalve, indien het verzoek gegrond is op de motieven bepaald in artikel 69, zevende punt.
  4. Onverminderd artikel 66, derde punt, leggen de kamers niet de juridische verplichting op om het bewijs van de misdaden die tot de bevoegdheid van het Hof behoren, inzonderheid misdaden met seksueel geweld, te staven.
  5. De kamers passen de regels van het nationaal recht die de bewijsvoering regelen enkel in de zin van artikel 21 toe.
  Regel 64
  Procedure inzake de relevantie of de ontvankelijkheid van de bewijzen
  1. Iedere vraag betreffende de relevantie of de ontvankelijkheid van de bewijzen moet worden aangevoerd bij de overlegging van de bewijzen aan een kamer. Uitzonderlijk kan een vraag die bij die overlegging niet was gekend, worden gesteld zodra zij is gekend. De betrokken kamer kan daartoe een schriftelijk verzoek eisen. Het Hof zendt het schriftelijk verzoek over aan iedereen die deelneemt aan de procedure, behalve indien het hierover anders beslist.
  2. De beslissingen van de kamers inzake de bewijsvoering worden met redenen omkleed. De motieven worden in het proces-verbaal opgenomen, indien zulks niet was gebeurd gedurende de procedure, overeenkomstig artikel 64, tiende punt, en regel 137, eerste punt.
  3. De bewijselementen die niet relevant of niet-ontvankelijk zijn verklaard, worden door de kamers niet in aanmerking genomen.
  Regel 65
  Verplichting om een getuigenverklaring af te leggen
  1. Een getuige die voor het Hof verschijnt, kan door het Hof worden verplicht om, behoudens andersluidend beding van het Statuut of het reglement, inzonderheid de regels 73, 74 en 75, een getuigenverklaring af te leggen.
  2. Regel 171 is van toepassing op de getuigen die voor het Hof verschijnen en door het Hof verplicht kunnen worden om overeenkomstig het bovenstaande eerste punt een getuigenverklaring af te leggen.
  Regel 66
  Plechtige gelofte
  1. Onder voorbehoud van het bovenstaande tweede punt, leggen de getuigen, alvorens zij een getuigenverklaring afleggen, overeenkomstig artikel 69, eerste punt, de volgende plechtige gelofte af : " Ik verklaar plechtig dat ik de waarheid, de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal spreken. "
  2. Iedere persoon die jonger is dan 18 jaar of wiens onderscheidingsvermogen is aangetast en die volgens de kamer de betekenis van een plechtige gelofte niet begrijpt, kan worden gemachtigd om te getuigen zonder plechtige gelofte, indien de kamer hem bekwaam acht om de feiten te omschrijven waarvan hij kennis heeft en om de zin te begrijpen van de verplichting de waarheid te spreken.
  3. Alvorens de getuige een getuigenverklaring aflegt, wordt zijn aandacht gevestigd op het strafbare feit omschreven in artikel 70, eerste punt, a).
  Regel 67
  Getuigenissen rechtstreeks afgelegd via audio- of videoverbinding
  1. Overeenkomstig artikel 69, tweede punt, kunnen de kamers van het Hof toestaan dat een getuige een mondelinge verklaring aflegt via audio- of videoverbinding, voor zover de aangewende techniek de aanklager, de verdediging, alsook de kamer zelf de mogelijkheid biedt de getuige te ondervragen tijdens zijn getuigenverklaring.
  2. De in deze regel beoogde ondervraging van de getuigen vindt plaats volgens de relevante bepalingen van dit hoofdstuk.
  3. De kamer vergewist zich met de medewerking van de griffie ervan dat de gekozen plaats voor het afleggen van een getuigenis via audio- of videoverbinding zich leent tot een open en eerlijke getuigenverklaring, alsook tot de naleving van de veiligheid, van het fysieke en psychologisch welzijn, van de waardigheid en van de persoonlijke levenssfeer van de getuige.
  Regel 68
  Vooraf opgenomen getuigenissen
  Indien de Kamer van vooronderzoek niet de in artikel 56 bedoelde maatregelen heeft genomen, kan de Kamer van eerste aanleg in overeenstemming met artikel 69, tweede punt, reeds op audio- of videodrager opgenomen getuigenissen, alsook transcripties of andere schriftelijke bewijzen van deze getuigenissen toestaan voorzover :
  a) de aanklager en de verdediging de mogelijkheid hebben gehad om de getuige wiens getuigenis is opgenomen en die niet persoonlijk voor de Kamer van eerste aanleg verschijnt, hebben kunnen ondervragen tijdens de opname; of
  b) indien de getuige wiens getuigenis is opgenomen, persoonlijk voor de Kamer van eerste aanleg verschijnt, zich niet verzet tegen de overlegging van zijn opgenomen getuigenis en indien de aanklager, de verdediging en de kamer zelf de mogelijkheid hebben gehad de getuige te ondervragen tijdens de procedure.
  Regel 69
  Overeenkomsten inzake bewijzen
  De aanklager en de verdediging kunnen overeenkomen dat de in de tenlastelegging opgeworpen feiten, de exacte inhoud van een document, de verwachte getuigenis van een getuige of andere bewijselementen niet worden betwist. De kamers kunnen dan de aangevoerde feiten als bewezen beschouwen, tenzij zij van oordeel zijn dat de feiten uitvoeriger moeten worden uiteengezet in het belang van het recht, en inzonderheid in het belang van de slachtoffers.
  Regel 70
  Beginselen van toepassing op de bewijsvoering inzake seksueel geweld
  Bij misdaden met seksueel geweld volgt het Hof de volgende beginselen en past ze in voorkomend geval toe :
  a) de instemming mag in geen geval worden afgeleid uit de woorden of uit gedragingen van een slachtoffer ingeval diens vermogen om vrij een echte instemming te geven, aangetast is door het gebruik van geweld, bedreiging of dwang, of door toedoen van een dwingende omgeving;
  b) de instemming mag in geen geval worden afgeleid uit de woorden of gedragingen van een slachtoffer ingeval het onbekwaam is om een echte instemming te geven;
  c) de instemming mag in geen geval worden afgeleid uit de stilte of het gebrek aan weerstand van het slachtoffer van het vermoedelijke seksueel geweld;
  d) de geloofwaardigheid, achtbaarheid of de seksuele beschikbaarheid van een slachtoffer of van een getuige mag in geen geval worden afgeleid uit hun vroeger of later seksueel gedrag.
  Regel 71
  Bewijzen van het seksueel gedrag van een slachtoffer of van een getuige
  Gelet op de definitie en de aard van de misdaden die onder de bevoegdheid van het Hof vallen en onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 69, vierde punt, aanvaarden de kamers geen enkel bewijs betreffende het vroegere of latere seksueel gedrag van een slachtoffer of van een getuige.
  Regel 72
  Onderzoek met gesloten deuren inzake de relevantie en de ontvankelijkheid van bewijselementen
  1. Indien bewijselementen moeten worden overgelegd of verkregen, ook via ondervraging van het slachtoffer of de getuige om de werkelijke instemming van het slachtoffer van het vermoedelijke seksueel geweld te achterhalen of om de woorden, het gedrag, de stilte of het gebrek aan weerstand van het slachtoffer of van de getuige te bewijzen, moet, rekening houdend met de beginselen a) tot d) van regel 70, een kennisgeving worden gericht aan het Hof waarin de aard van deze bewijselementen zijn opgenomen en de relevantie ervan ter zake zijn uitgelegd.
  2. Ingeval de kamers zich uitspreken over de relevantie of de ontvankelijkheid van de in het bovenstaande punt bedoelde bewijzen, verhoren zij met gesloten deuren de aanklager, de verdediging, de getuige, het slachtoffer, of in voorkomend geval, diens wettelijke vertegenwoordiger; vergewissen zij zich ervan dat de overgelegde elementen voldoende bewijskracht hebben ten aanzien van de onderzochte vraag en houden zij rekening met het nadeel dat zij kunnen veroorzaken, zoals is bepaald in artikel 69, vierde punt. Daartoe nemen de kamers artikel 21, derde punt, alsook de artikelen 67 en 68 in overweging, en worden zij geleid door de beginselen a) tot d) van regel 70, inzonderheid wat de voorgestelde ondervraging van de slachtoffers betreft.
  3. Indien de kamers de ontvankelijkheid van de bewijselementen bedoeld in bovenstaande tweede punt, bepalen, vermelden zij in het proces-verbaal voor de precieze doelstellingen waarvoor zij ontvankelijk zijn. Om de bewijselementen te beoordelen, passen de kamers de beginselen a) tot d) van regel 70 toe.
  Regel 73
  Vertrouwelijkheid
  1. Onverminderd artikel 67, eerste punt, b), is de communicatie tussen een persoon en zijn raadsman gedekt door het beroepsgeheim; bijgevolg kan de verspreiding van de inhoud ervan enkel worden bevolen indien :
  a) de betrokkene schriftelijk ermee instemt, of indien
  b) de betrokkene vrijwillig de inhoud heeft bekendgemaakt aan een derde die het later bekendmaakt.
  2. Rekening houdend met regel 63, vijfde punt, wordt de communicatie in het kader van een bepaalde categorie van professionele relaties of andere vertrouwelijke relaties beschouwd als gedekt te zijn door het beroepsgeheim, en kan bijgevolg slechts worden verspreid onder dezelfde voorwaarden als die bepaald in het bovenstaande eerste punt, a) en 1 b), indien een van de kamers bepaalt dat :
  a) deze communicatie behoort tot een bepaalde categorie van professionele relaties en behoort tot de vertrouwelijke relaties waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat zij privaat blijven en niet bekend worden gemaakt;
  b) de vertrouwelijkheid een wezenlijk aspect is van de aard en hoedanigheid van de betrekkingen tussen de betrokkene en de persoon die de betrokkene in vertrouwen heeft genomen; en
  c) de erkenning van het geheim van deze communicatie de doeleinden van het Statuut en het reglement zou dienen.
  3. Indien het Hof overgaat tot deze vaststelling, schenkt het bijzondere aandacht eraan dat het beroepsgeheim wordt uitgebreid tot de communicatie die behoort tot de professionele relaties tussen een persoon en zijn arts, zijn psychiater, zijn psycholoog of zijn raadsman, in het bijzonder indien de communicatie slachtoffers betreft of zij daarbij zijn betrokken; of tussen een persoon en een lid van de geestelijkheid. In dit laatste geval is volgens het Hof de informatie die is bekendgemaakt tijdens een religieuze biecht gedekt door het beroepsgeheim, indien deze biecht noodzakelijk deel uitmaakt van de riten van de betrokken religie.
  4. Volgens het Hof zijn alle informatie, documenten of ander bewijsmateriaal die in het bezit zouden zijn gekomen van het Internationaal Comitť van het Rode Kruis bij de uitoefening of ingevolge de functies die dit Comitť overeenkomstig de Statuten van de Internationale beweging van het Rode Kruis uitoefent, gedekt door het beroepsgeheim. Zij mogen dan ook niet worden verspreid, ook niet in het kader van de getuigenis van een persoon die werkt of gewerkt heeft als vertegenwoordiger of bediende voor het Internationaal Comitť van het Rode Kruis, tenzij :
  a) het Comitť na de raadplegingen zoals bepaald in het onderstaande zesde punt, schriftelijk heeft aangegeven dat het zich niet zal verzetten tegen de verspreiding ervan of op enige andere wijze van dit geheim heeft afgezien; of
  b) deze informatie, documenten of andere bewijselementen niet voorkomen in de verklaringen of reeds openbaar gemaakte documenten van het Comitť.
  5. Het bovenstaande vierde punt heeft geen enkele invloed op de ontvankelijkheid van gelijkaardige bewijselementen verkregen via andere bronnen dan het Internationaal Comitť van het Rode Kruis, zijn vertegenwoordigers of bedienden, ingeval deze elementen verzameld zijn door deze bronnen, onafhankelijk van het Comitť, van zijn vertegenwoordigers en van zijn bedienden.
  6. Indien het Hof bepaalt dat bepaalde inlichtingen, documenten of bewijselementen uitgaande van het Internationaal Comitť van het Rode Kruis van groot belang zijn in een bijzonder geval, raadpleegt het Hof het Comitť om de vraag via overleg op te lossen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden van de zaak, met de relevantie van het gevraagde bewijselement, met de beschikbaarheid van dit bewijselement bij een andere bron, met het belang van de justitie en met dat van de slachtoffers, alsook met de uitoefening door het Hof en het Comitť van hun respectieve functies.
  Regel 74
  Getuigenissen die ten laste kunnen worden gelegd aan de persoon die het getuigenis heeft afgelegd
  1. Tenzij de getuige de in regel 190 bepaalde opdracht heeft gekregen, deelt de kamer hem de bepalingen van deze regel mee alvorens hem te verhoren.
  2. Ingeval de kamer bepaalt dat zij aan een bepaalde getuige garanties moet geven inzake niet-tenlastelegging, geeft zij de garanties bedoeld in het derde punt, c), vooraleer de betrokkene verschijnt, ofwel onmiddellijk, ofwel in antwoord op de vraag, bedoeld in artikel 93, eerste punt, e).
  3.
  a) Een getuige kan weigeren enige verklaring af te leggen die hem ten laste kan worden gelegd.
  b) Ingeval een getuige verschijnt na de garanties te hebben gekregen die zijn bedoeld in bovenstaand tweede punt, kan het Hof hem bevelen te antwoorden op de vraag of op de vragen.
  c) In de andere gevallen kan de kamer de getuige bevelen te antwoorden op de vraag of op de vragen na hem te hebben gegarandeerd dat de bewijselementen in zijn getuigenverklaring :
  i) vertrouwelijk blijven en niet worden bekendgemaakt aan het publiek of aan een Staat; en
  ii) niet rechtstreeks, noch onrechtstreeks tegen hem zullen worden gebruikt in het kader van latere vervolgingen voor het Hof, behalve bij toepassing van de artikelen 70 en 71.
  4. Alvorens een dergelijke garantie te bieden, alsook om zich ervan te vergewissen of zulks bij deze getuige gepast is, wint de kamer het advies in van de aanklager ex parte.
  5. Ingeval de kamer uitspraak moet doen over de vraag of zij de getuige moet bevelen te antwoorden, houdt zij rekening met de hiernavolgende overwegingen :
  a) het belang van de verwachte bewijselementen;
  b) het unieke karakter van deze bewijselementen;
  c) de aard, indien deze bekend is, van de eventuele tenlastelegging; en
  d) de hoedanigheid van de beschermingsmaatregelen van de getuigen in de omstandigheden.
  6. Indien de kamer bepaalt dat het niet gepast is om de getuige een dergelijke garantie te bieden, beveelt zij hem niet om op de vragen te antwoorden. In dit geval kan zij evenwel de ondervraging voortzetten over andere punten.
  7. Teneinde gevolg te geven aan de garantie die de kamer geeft :
  a) beveelt zij dat de getuigenverklaring met gesloten deuren plaatsvindt;
  b) beveelt zij dat de identiteit van de getuige en de inhoud van zijn getuigenverklaring op geen enkele wijze worden bekendgemaakt en bepaalt zij dat iedere overtreding in die zin vatbaar is voor sancties als bepaald in artikel 71;
  c) vestigt zij uitdrukkelijk de aandacht van de aanklager, van de verdachte, van de raadsman van de verdediging, van de wettelijke vertegenwoordiger van de slachtoffers en van ieder aanwezig personeelslid van het Hof, op de gevolgen van de overtreding, bedoeld in bovenstaand punt b) ;
  d) beveelt zij de verzegeling van de processen-verbaal; en
  e) wendt zij de beschermingsmaatregelen aan die een beslissing van het Hof meebrengt om te garanderen dat de identiteit van de getuige en de inhoud van zijn getuigenverklaring niet bekend worden gemaakt.
  8. Indien de aanklager beseft dat de getuigenverklaring van een getuige ten laste kan worden gelegd van de dader, vraagt hij een zitting met gesloten deuren en brengt hij de kamer hiervan op de hoogte alvorens de getuige een getuigenverklaring aflegt. De kamer kan de maatregelen bevelen bedoeld in het bovenstaande zevende punt voor het geheel of voor een gedeelte van de getuigenverklaring van deze getuige.
  9. De verdachte, de raadsman van de verdediging of de getuige kan de aanklager of de kamer vooraleer een getuige een getuigenverklaring aflegt, erop wijzen dat deze getuigenverklaring voor problemen zal zorgen inzake de tenlastelegging ten aanzien van de persoon die de getuigenverklaring heeft afgelegd. De kamer kan de in bovenstaand zevende punt bedoelde maatregelen nemen.
  10. Indien dergelijke tenlastelegging zich in de loop van het geding voordoet, schorst de kamer het verhoor van de getuige en geeft hem de mogelijkheid om, indien hij zulks vraagt, juridisch advies te verkrijgen met het oog op de toepassing van deze regel.
  Regel 75
  Getuigenissen van naasten die ten laste kunnen worden gelegd van de verdachte
  1. Een getuige die voor het Hof verschijnt en de partner, het kind, de vader of de moeder is van een verdachte, kan door de kamers niet worden gedwongen om enige verklaring af te leggen die ten laste kan worden gelegd van de verdachte. De getuige kan echter ervoor kiezen een dergelijke verklaring af te leggen.
  2. Wanneer de kamers een getuigenis beoordelen, kunnen zij ermee rekening houden dat de in bovenstaand eerste punt bedoelde getuige geweigerd heeft te antwoorden op een vraag die ertoe strekt dat hij een van zijn vorige verklaringen tegenspreekt, alsook dat hij ervoor gekozen heeft op sommige vragen wel te antwoorden, maar op andere niet.
  Afdeling II. - Bekendmaking
  Regel 76
  Bekendmaking van informatie betreffende de getuigen ŗ charge in het stadium van het vooronderzoek
  1. De aanklager deelt aan de verdediging de naam van de getuigen mee die hij voornemens is op te roepen om een getuigenverklaring af te leggen, alsook een afschrift van hun verklaringen. Hij doet zulks tijdig opdat de verdediging tijd zou hebben om zich behoorlijk voor te bereiden.
  2. Later deelt de aanklager aan de verdediging de naam en een afschrift van de verklaringen van alle extra getuigen ŗ charge mee ingeval beslist is ze te dagvaarden.
  3. De verklaringen van de getuigen ŗ charge worden in hun originele versie aan de betrokkene bezorgd in een taal die hij perfect begrijpt en spreekt.
  4. Deze regel wordt opgevat onder voorbehoud van de beperkingen bedoeld in het Statuut en in de regels 81 en 82 inzake de bescherming van slachtoffers en getuigen en het respect voor hun persoonlijke levenssfeer, alsook inzake de bescherming van vertrouwelijke informatie.
  Regel 77
  Inspectie van de stukken in het bezit of onder controle van de aanklager
  Onder voorbehoud van de beperkingen die van toepassing zijn op de mededeling van stukken en op de bekendmaking van informatie krachtens het Statuut en de regels 81 en 82, staat de aanklager de verdediging toe kennis te nemen van de boeken, documenten, foto's en andere voorwerpen die de aanklager in zijn bezit of onder controle heeft en die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van de verdediging van de verdachte en die door de aanklager zullen worden gebruikt als bewijsmiddelen tijdens de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten of tijdens de procedure, of die zijn verkregen van de verdachte of hem toebehoren.
  Regel 78
  Inspectie van de stukken in het bezit of onder controle van de verdediging
  De verdediging staat de aanklager toe kennis te nemen van de boeken, documenten, foto's en andere voorwerpen in haar bezit of onder haar controle, die zullen worden gebruikt door de verdediging als bewijsmiddelen tijdens de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten of tijdens de procedure.
  Regel 79
  Bekendmaking van bepaalde elementen door de verdediging
  1. De verdediging brengt de aanklager op de hoogte van haar voornemen om het volgende in te roepen :
  a) het bestaan van een alibi : in dit geval moeten de plaats of de plaatsen waar de verdachte beweert te zijn geweest op het tijdstip van de ten laste gelegde feiten nader moeten worden bepaald, alsook de naam van de getuigen en alle andere bewijselementen waarop de verdachte voornemens is zich te baseren om zijn alibi te bewijzen;
  b) een van de gronden voor de ontheffing van de strafrechtelijke aansprakelijkheid bedoeld in artikel 31, eerste punt : in dit geval moeten in de kennisgeving de naam van de getuigen en alle andere bewijselementen nader worden bepaald die de verdachte voornemens is in te roepen om zijn bewijsmiddel te staven.
  2. Behoorlijk rekening houdend met de termijnen vastgesteld in andere regels, moet de kennisgeving uit bovenstaand eerste punt vroeg genoeg worden afgegeven opdat de aanklager zich behoorlijk zou kunnen voorbereiden en erop kan antwoorden. De kamer die de zaak behandelt, kan uitstel verlenen om de aanklager de tijd te geven het door de verdediging aangehaalde punt te onderzoeken.
  3. Het gegeven dat de verdediging verzuimt aan de in deze regel bedoelde verplichting tot informatie, is geen beperking van haar recht om de in bovenstaande eerste punt bedoelde omstandigheden in te roepen, noch om bewijselementen voor te leggen.
  4. Deze regel wordt opgevat onverminderd de bevoegdheid van de kamers om de bekendmaking van enig ander bewijselement te bevelen.
  Regel 80
  Procedure voor het aanvoeren van een grond voor ontheffing van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens artikel 31, derde punt
  1. De verdediging moet de Kamer van eerste aanleg en de aanklager in kennis stellen van haar voornemen om een grond voor ontheffing van strafrechtelijke aansprakelijkheid aan te voeren krachtens artikel 31, derde punt. Deze kennisgeving moet voldoende tijd voor de aanvang van de procedure geschieden, zodat de aanklager de tijd heeft om het naar behoren voor te bereiden.
  2. Bij ontvangst van de in punt 1 bedoelde kennisgeving hoort de Kamer van eerste aanleg de aanklager en de verdediging alvorens te bepalen of de verdediging de grond voor ontheffing van strafrechtelijke aansprakelijkheid mag aanvoeren.
  3. Indien de verdediging wordt gemachtigd om de grond voor ontheffing van strafrechtelijke aansprakelijkheid aan te voeren, kan de Kamer van eerste aanleg toestaan dat het proces wordt verdaagd om de aanklager de tijd te geven de grond waarvan sprake is te onderzoeken.
  Regel 81
  Beperkingen van de verplichting tot mededeling van bewijsmateriaal
  1. De verslagen, memories en andere interne documenten die een partij, haar assistenten of vertegenwoordigers tijdens het onderzoek of de voorbereiding van de zaak hebben opgesteld, moeten niet worden meegedeeld.
  2. Wanneer de aanklager stukken of informatie in zijn bezit of onder zijn toezicht heeft die volgens het Statuut moeten worden bekendgemaakt, maar waarvan de mededeling hangende of toekomstige onderzoeken kan schaden, kan hij de kamer waarvoor de zaak aanhangig is gemaakt vragen te bepalen of deze stukken of informatie aan de verdediging moeten worden meegedeeld. De kamer hoort de aanklager ex parte. De aanklager mag deze stukken of informatie nadien evenwel niet overleggen als bewijsmateriaal tijdens de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten of tijdens het proces, zonder dat de verdachte daarvan vooraf in kennis is gesteld.
  3. Ingeval maatregelen zijn genomen om vertrouwelijke informatie te beschermen overeenkomstig de artikelen 54, 57, 64, 72, en 93 en om de veiligheid van de getuigen, de slachtoffers en hun familieleden te waarborgen overeenkomstig artikel 68, wordt de betreffende informatie niet meegedeeld, tenzij onder de in voornoemde artikelen bedoelde voorwaarden. Ingeval de mededeling van deze informatie de veiligheid van de getuige in gevaar kan brengen, neemt het Hof maatregelen om deze getuige vooraf hiervan in kennis te stellen.
  4. De Kamer waarvoor de zaak aanhangig is gemaakt neemt ambtshalve of op verzoek van de aanklager de maatregelen nodig om de vertrouwelijke aard van de informatie te waarborgen overeenkomstig de artikelen 54, 72 en 93 en om de veiligheid van de getuigen, de slachtoffers en hun familieleden te waarborgen overeenkomstig artikel 68, inzonderheid door toe te staan dat de identiteit van deze personen niet wordt bekendgemaakt voor de aanvang van het proces.
  5. Ingeval stukken of informatie in het bezit of onder het toezicht van de aanklager niet zijn meegedeeld overeenkomstig artikel 68, vijfde punt, mogen deze stukken of informatie nadien niet worden overgelegd als bewijsmateriaal tijdens de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten of op het proces, zonder dat de verdachte daarvan vooraf in kennis is gesteld.
  6. Ingeval stukken of informatie in het bezit of onder het toezicht van de verdediging moeten worden meegedeeld, kan de verdediging daarvan afzien in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die waarbij de aanklager artikel 68, vijfde punt, kan aanvoeren en ze vervangen door een samenvatting. Deze stukken of informatie mogen nadien evenwel niet als bewijsmateriaal worden overgelegd tijdens de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten of op het proces, zonder dat de aanklager daarvan vooraf in kennis is gesteld.
  Regel 82
  Beperkingen op de verplichting tot mededeling van de stukken en informatie bedoeld in artikel 54, derde punt, e)
  1. Ingeval artikel 54, derde punt, e), van toepassing is op stukken of informatie in het bezit of onder het toezicht van de aanklager, kan hij ze nadien niet als bewijsmateriaal overleggen zonder dat de persoon die ze heeft verstrekt en de verdachte daarvan vooraf in kennis zijn gesteld.
  2. Ingeval de aanklager stukken of informatie bedoeld in artikel 54, derde punt, e), als bewijsmateriaal overlegt, kunnen de kamers de overlegging van aanvullend bewijsmateriaal ontvangen van de persoon die de oorspronkelijke stukken of informatie heeft verstrekt niet bevelen; zij mogen laatstgenoemde of zijn vertegenwoordigers evenmin als getuigen oproepen of bevelen dat zij verschijnen teneinde dit aanvullend bewijsmateriaal te verkrijgen.
  3. Ingeval de aanklager een getuige oproept om te verschijnen opdat hij een in artikel 54, derde punt, e), bedoeld stuk of inlichting als bewijsmateriaal overlegt, mogen de kamers deze getuige niet dwingen een antwoord te geven op enige vraag inzake deze stukken of informatie of inzake hun oorsprong, ingeval de betrokkene zulks weigert op grond van de vertrouwelijkheid.
  4. Het recht van de verdachte om het bewijsmateriaal bedoeld in artikel 54, derde punt, e), te betwisten blijft ongeschonden en is enkel onderworpen aan de beperkingen bedoeld in de bovenstaande punten 2 en 3.
  5. Op verzoek van de verdediging kunnen de kamers bevelen dat in het belang van de rechtsbedeling, de bovenstaande punten 1, 2 en 3 mutatis mutandis van toepassing zijn op de stukken en informatie die de verdachte in zijn bezit heeft, die hem werden verstrekt onder dezelfde omstandigheden als die bedoeld in artikel 54, derde punt, e), en die als bewijsmateriaal moeten worden overgelegd.
  Regel 83
  Beslissing betreffende het bewijsmateriaal ŗ dťcharge overeenkomstig artikel 67, tweede punt
  De aanklager kan verzoeken zodra de omstandigheden zulks mogelijk maken ex parte te worden gehoord door de kamer bij welke de zaak aanhangig is gemaakt, opdat zij de in artikel 67, tweede punt, bedoelde beslissing zou nemen.
  Regel 84
  Bekendmaking en aanvullend bewijsmateriaal met het oog op het proces
  Teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden het proces voor te bereiden en het eerlijk en vlot verloop van de procedure te vergemakkelijken, neemt de Kamer van eerste aanleg alle maatregelen die nodig zijn om de nog niet bekendgemaakte stukken of informatie mee te delen en om het aanvullend bewijsmateriaal over te leggen, overeenkomstig artikel 64, derde punt, c) en zesde punt, d), alsmede artikel 67, tweede punt, maar onder voorbehoud van artikel 68, vijfde punt. Teneinde vertragingen te voorkomen en ervoor te zorgen dat het proces op de geplande datum van start gaat, zijn deze beslissingen gebonden aan strikte termijnen, die de Kamer van eerste aanleg kan heroverwegen.
  Afdeling III. - Slachtoffers en getuigen
  Onderafdeling 1. - Begripsbepaling en algemeen beginsel van toepassing op de slachtoffers
  Regel 85
  Begripsbepaling inzake de slachtoffers
  Voor de toepassing van het Statuut en het reglement :
  a) wordt verstaan onder het begrip " slachtoffer " enige natuurlijke persoon die schade heeft geleden wegens een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft;
  b) wordt verstaan onder de term " slachtoffer " enige organisatie of instelling waarvan een eigendom gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, een historisch monument, een ziekenhuis of enige andere plaats of voorwerp gebruikt voor humanitaire doeleinden die rechtstreekse schade heeft geleden.
  Regel 86
  Algemeen beginsel
  Ingeval de kamers een bevel of een instructie geven en de andere organen van het Hof de functies vervullen die hen door het Statuut en het reglement zijn toegekend, houden zij rekening met de noden van de slachtoffers en de getuigen overeenkomstig artikel 68, inzonderheid als het gaat om kinderen, ouderen, personen met een handicap en om slachtoffers van seksueel of seksistisch geweld.
  Onderafdeling 2. - Bescherming van getuigen en slachtoffers
  Regel 87
  Beschermende maatregelen
  1. De kamers kunnen, hetzij op verzoek van de aanklager of van de verdediging, hetzij op verzoek van een getuige, een slachtoffer of desgevallend van diens wettelijke vertegenwoordiger, hetzij ambtshalve en indien van toepassing, na advies van de Afdeling Hulp aan Slachtoffers en Getuigen overeenkomstig artikel 68, eerste en tweede punt, beschermende maatregelen bevelen ten behoeve van een slachtoffer, een getuige of een andere persoon die in gevaar kan worden gebracht door de verklaring van een getuige. Alvorens een beschermende maatregel te bevelen tracht de kamer de instemming van de betrokken persoon te verkrijgen, voor zover zulks mogelijk is.
  2. Regel 134 is van toepassing op in het bovenstaand eerste punt bedoelde verzoeken of aanvragen, met dien verstande dat :
  a) deze verzoeken of aanvragen niet ex parte mogen worden ingediend;
  b) enig verzoek van een getuige, een slachtoffer of eventueel diens wettelijke vertegenwoordiger ter kennis moet worden gebracht van de aanklager en van de verdediging, die de mogelijkheid hebben erop te antwoorden;
  c) een verzoek of een aanvraag betreffende een bepaalde getuige of een bepaald slachtoffer ter kennis moet worden gebracht van deze getuige, dit slachtoffer of eventueel diens wettelijke vertegenwoordiger, alsook van de andere partij, die de mogelijkheid hebben erop te antwoorden;
  d) de kamer, ingeval zij ambtshalve optreedt, de aanklager en de verdediging, alsook de getuigen en de slachtoffers of eventueel hun wettelijke vertegenwoordigers, op wie de voorgenomen beschermende maatregelen betrekking zouden kunnen hebben, hiervan in kennis stelt en hen de mogelijkheid biedt erop te reageren;
  e) een verzoek of een aanvraag mag worden ingediend onder gesloten omslag die verzegeld blijft zolang een kamer niet anders beslist. Antwoorden op onder gesloten omslag ingediende verzoeken of aanvragen worden eveneens onder gesloten omslag ingediend.
  3. Ingeval een verzoek of een aanvraag overeenkomstig bovenstaand eerste punt bij de kamers is ingediend, kunnen zij een zitting met gesloten deuren houden om te bepalen of er reden is om maatregelen te bevelen die verhinderen dat de identiteit van een slachtoffer, een getuige of een andere persoon die door de verklaring van een getuige in gevaar kan worden gebracht, dan wel de plaats waar de betrokkene zich bevindt, openbaar worden gemaakt. Zij kunnen inzonderheid bevelen :
  a) dat de naam van het slachtoffer, de getuige of enige andere persoon die in gevaar kan worden gebracht door de verklaring van een getuige, alsook enige andere aanwijzing die de identificatie van de betrokkene kan mogelijk maken, uit de bekendgemaakte processen-verbaal van de kamer worden geschrapt;
  b) dat aan de aanklager, de verdediging of enige andere persoon die deelneemt aan de procedure verbod zou worden opgelegd dergelijke informatie aan derden te onthullen;
  c) dat verklaringen zouden worden opgenomen via elektronische of andere bijzondere middelen, daaronder begrepen de technische middelen waarmee het beeld of de stem kunnen worden veranderd, audiovisuele technieken, inzonderheid de videoconferentie en het gesloten televisiecircuit, en uitsluitend akoestische middelen;
  d) dat een pseudoniem zou worden gebruikt ter verwijzing naar een slachtoffer, een getuige of een andere persoon die in gevaar wordt gebracht door de verklaring van een getuige; of
  e) dat de procedure voor hen gedeeltelijk met gesloten deuren verloopt.
  Regel 88
  Bijzondere maatregelen
  1. De kamers kunnen hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de aanklager of van de verdediging, hetzij op aanvraag van een getuige, een slachtoffer of eventueel diens wettelijke vertegenwoordiger en indien van toepassing na advies van de Afdeling Hulp aan Slachtoffers en Getuigen, bijzondere maatregelen bevelen, rekening houdend met de zienswijze van de belanghebbende, inzonderheid maatregelen om de getuigenis van een slachtoffer of een getraumatiseerde getuige, een kind, een bejaarde of een slachtoffer van seksueel geweld te vergemakkelijken, overeenkomstig artikel 68, eerste en tweede punt. Alvorens een beschermende maatregel te bevelen vragen de kamers de instemming van de belanghebbende persoon, voor zover zulks mogelijk is.
  2. De kamers kunnen, op verzoek of op aanvraag als bedoeld in het bovenstaand eerste punt, een zitting houden, indien nodig met gesloten deuren of ex parte, om te bepalen of er redenen bestaan om een bijzondere maatregel te bevelen, inzonderheid de aanwezigheid van een raadsman, een vertegenwoordiger, een psycholoog of een familielid van de belanghebbende tijdens de getuigenis van een slachtoffer of een getuige.
  3. De punten 2, b), tot 2, d), van regel 87 zijn mutatis mutandis van toepassing op de krachtens deze regel ingediende aanvragen en verzoeken.
  4. Een krachtens deze regel ingediend verzoek of aanvraag mag onder gesloten omslag worden ingediend die verzegeld blijft zolang een kamer niet anders beslist. Antwoorden op onder gesloten omslag ingediende verzoeken of aanvragen worden eveneens onder gesloten omslag ingediend.
  5. Aangezien schendingen van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en de van getuigen de betrokkenen in gevaar kunnen brengen, moeten de kamers nauwlettend toezien op de wijze waarop het verhoor van deze personen wordt afgenomen om enige intimidatie te voorkomen, en daarbij inzonderheid te waken over de bescherming van de slachtoffers van seksueel geweld.
  Onderafdeling 3. - Deelname van de slachtoffers aan de procedure
  Regel 89
  Aanvragen inzake de deelname van de slachtoffers aan de procedure
  1. De slachtoffers die hun zienswijzen en bekommernissen wensen toe te lichten, richten een schriftelijke aanvraag aan de griffier, die het stuk aan de bevoegde kamer doet toekomen. Onverminderd de bepalingen van het Statuut, inzonderheid artikel 68, vierde punt, bezorgt de griffier een afschrift van de aanvraag aan de aanklager en aan de verdediging, die steeds het recht hebben erop te antwoorden binnen de door de kamer bepaalde termijn. Onverminderd het onderstaand tweede punt worden in dit punt de nadere regels voor de deelname van de slachtoffers aan de procedure vastgelegd, daaronder begrepen de eventuele mogelijkheid om verklaringen af te leggen bij de aanvang en op het einde van de zittingen voor het Hof.
  2. De kamers kunnen een aanvraag ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging verwerpen indien zij van oordeel zijn dat de indiener geen slachtoffer is of dat de voorwaarden van artikel 68, derde punt, niet vervuld zijn. Een slachtoffer wiens aanvraag verworpen is, kan in een later stadium van de procedure een nieuwe aanvraag indienen.
  3. De in deze regel bedoelde aanvragen kunnen ook worden ingediend door een persoon die optreedt met de instemming van het slachtoffer of in zijn naam, ingeval het gaat om een kind of ingeval zulks noodzakelijk is gelet op zijn invaliditeit.
  4. Ingeval verscheidene aanvragen worden ingediend, kunnen de kamers de stukken onderzoeken op een wijze die de doelmatigheid van de procedures waarborgt en een enkele beslissing nemen.
  Regel 90
  Wettelijke vertegenwoordiging van de slachtoffers
  1. De slachtoffers kunnen hun wettelijke vertegenwoordiger vrij kiezen.
  2. In geval van verscheidene slachtoffers, kunnen de kamers met het oog op de doeltreffendheid van de procedures aan de slachtoffers of aan een bepaalde groep slachtoffers vragen om een of meer gemeenschappelijke wettelijke vertegenwoordigers te kiezen, indien nodig met behulp van de griffie. De griffie kan de gecoŲrdineerde vertegenwoordiging van de slachtoffers vergemakkelijken door hen bijvoorbeeld de bijgewerkte lijst van raadslieden mee te delen of door hen ťťn of meer gemeenschappelijke wettelijke vertegenwoordigers voor te stellen.
  3. Ingeval de slachtoffers niet in staat zijn binnen de door de kamer opgelegde termijn een of meer gemeenschappelijke wettelijke vertegenwoordigers te kiezen, kan de kamer de griffier vragen een of meer wettelijke vertegenwoordigers aan te wijzen.
  4. Ingeval een gemeenschappelijke wettelijke vertegenwoordiger gekozen is, nemen de kamers en de griffie alle redelijke voorzorgen met het oog op de vertegenwoordiging van de eigen belangen van ieder slachtoffer, inzonderheid als bedoeld in artikel 68, eerste punt, en teneinde enig belangenconflict te voorkomen.
  5. Een slachtoffer of een groep slachtoffers die niet beschikt over de middelen om de door het Hof gekozen wettelijke vertegenwoordiger te vergoeden, kunnen in aanmerking komen voor bijstand van de griffie, daaronder begrepen eventueel financiŽle bijstand.
  6. De wettelijke vertegenwoordigers van een slachtoffer of van verscheidene slachtoffers moeten beschikken over de in regel 22, eerste punt, bepaalde bekwaamheden.
  Regel 91
  Deelname van de wettelijke vertegenwoordiger aan de procedure
  1. De kamers kunnen eerder krachtens regel 89 genomen beslissingen wijzigen.
  2. De wettelijke vertegenwoordiger van een slachtoffer heeft het recht de volledige procedure bij te wonen en eraan deel te nemen, onder de voorwaarden bepaald in de beslissing van de kamer en enige latere wijziging ervan krachtens de regels 89 en 90. Hij neemt deel aan alle zittingen, behalve ingeval de betrokken kamer oordeelt dat zijn optreden in de gegeven omstandigheden moet beperkt blijven tot het indienen van schriftelijke opmerkingen en conclusies. De aanklager en de verdediging moeten de mogelijkheid hebben om te antwoorden op enig mondeling en schriftelijk optreden van de wettelijke vertegenwoordiger van het slachtoffer.
  3. a) Ingeval een wettelijke vertegenwoordiger die krachtens deze regel een zitting bijwoont en eraan deelneemt, een getuige, daaronder begrepen volgens de in de regels 67 en 68 bepaalde procedure, een deskundige of de verdachte wenst te ondervragen, richt hij daartoe een aanvraag tot de kamer. De kamer kan hem verzoeken zijn vragen schriftelijk te stellen, waarna zij aan de aanklager en, indien nodig, aan de verdediging worden overgezonden, die opvattingen kenbaar mogen maken binnen de door de kamer gestelde termijn.
  b) De kamer spreekt zich vervolgens uit over de aanvraag, rekening houdend met de stand van de procedure, de rechten van de verdachte, de belangen van de getuigen, de vereisten van een eerlijk, onpartijdig en vlot proces en met de noodzaak om gevolg te geven aan artikel 68, derde punt. Zij kan aanwijzingen inzake de vorm en de volgorde van de vragen en de overlegging van de stukken bij haar beslissing voegen, zulks overeenkomstig de bevoegdheden die haar zijn toegekend krachtens artikel 65. Indien zij zulks nodig acht, kan zij een getuige, een deskundige of een verdachte ondervragen namens de wettelijke vertegenwoordiger van het slachtoffer.
  4. In geval van een zitting die uitsluitend gewijd is aan de herstelbetalingen overeenkomstig artikel 75, zijn de in bovenstaand derde punt bedoelde beperkingen betreffende het verhoor door een wettelijke vertegenwoordiger van de slachtoffers niet van toepassing. In dat geval kan de wettelijke vertegenwoordiger, met de toelating van de betrokken kamer, de getuigen, de deskundigen en de belanghebbende persoon ondervragen.
  Regel 92
  Kennisgeving aan de slachtoffers en aan hun wettelijke vertegenwoordigers
  1. Deze regel is van toepassing op alle procedures voor het Hof, met uitzondering van die welke ressorteren onder Hoofdstuk II.
  2. Het Hof brengt de beslissing van de aanklager om geen onderzoek of vervolging in te stellen krachtens artikel 53 ter kennis van de slachtoffers, teneinde hen de mogelijkheid te bieden krachtens regel 89 te vragen deel te nemen aan de procedure. Deze kennisgeving wordt gericht aan de slachtoffers of aan hun wettelijke vertegenwoordigers die reeds aan de procedure hebben deelgenomen en, voorzover mogelijk, aan hen die in contact geweest zijn met het Hof over de bedoelde situatie of zaak. Het Hof kan de in bovenstaand achtste punt bedoelde maatregelen bevelen indien de specifieke omstandigheden het daartoe verplichten.
  3. Het Hof brengt zijn beslissing om een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten te houden overeenkomstig artikel 61 ter kennis van de slachtoffers, teneinde hen de mogelijkheid te bieden krachtens regel 89 te vragen deel te nemen aan de procedure. Deze kennisgeving wordt gericht aan de slachtoffers of aan hun wettelijke vertegenwoordigers die reeds aan de procedure hebben deelgenomen en, voor zover mogelijk, aan hen die in contact geweest zijn met het Hof over de bedoelde situatie of zaak.
  4. Ingeval een kennisgeving is geschiedt met het oog op deelname zoals bepaald in de bovenstaande punten 2 en 3, worden de in de onderstaande punten 5 en 6 bedoelde latere kennisgevingen slechts gericht aan de slachtoffers of aan hun wettelijke vertegenwoordigers die aan de procedure kunnen deelnemen onder de voorwaarden bepaald in een op grond van regel 89 genomen beslissing van de kamer en enige wijziging van deze beslissing.
  5. Volgens nadere regels die verenigbaar zijn met enige beslissing genomen krachtens de regels 89 tot 91, worden de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die aan de procedure deelnemen te gepasten tijde door de griffier op de hoogte gebracht :
  a) van het verloop van de procedure, inzonderheid van de datum van de zittingen en van hun eventuele verdaging, alsook van de datum waarop de beslissingen worden genomen;
  b) van de aanvragen, de conclusies, de verzoeken en de andere stukken met betrekking tot deze aanvragen, conclusies of verzoeken.
  6. Ingeval slachtoffers of wettelijke vertegenwoordigers aan een bepaalde fase van de procedure hebben deelgenomen, geeft de griffier hen zo spoedig mogelijk kennis van de beslissingen die het Hof in deze fase heeft genomen.
  7. De kennisgevingen bedoeld in de bovenstaande punten 5 en 6 geschieden schriftelijk of, wanneer zulks niet mogelijk is, op enige andere passende wijze. De griffier bewaart enig bewijs van de kennisgevingen. Indien nodig kan hij de medewerking van de Staten die Partij zijn vragen op grond van artikel 93, eerste punt, d) en l).
  8. Met het oog op de kennisgevingen bedoeld in de bovenstaande punten 2 tot 7 of op verzoek van een kamer, neemt de griffier de nodige maatregelen om te zorgen voor een toereikende openbaarheid van de procedure. Daartoe kan hij op grond van Hoofdstuk IX de medewerking van de belanghebbende Staten die Partij zijn vragen en bijstand van intergouvernementele organisaties vragen.
  Regel 93
  Mening van de slachtoffers of van hun wettelijke vertegenwoordigers
  De kamers kunnen de mening vragen van de slachtoffers of van hun wettelijke vertegenwoordigers die overeenkomstig de regels 89 tot 91 aan de procedure deelnemen inzake alle aangelegenheden, inzonderheid deze bedoeld in de regels, 107, 109, 125, 128, 136, 139 en 191. De kamers kunnen desgevallend de mening van andere slachtoffers vragen.
  Onderafdeling 4. - Herstelbetalingen aan slachtoffers
  Regel 94
  Procedure in geval van aanvragen van de slachtoffers
  1. Aanvragen van de slachtoffers tot herstelbetaling krachtens artikel 75 worden schriftelijk ingediend bij de griffier. Zij moeten de volgende aanwijzingen of gegevens bevatten :
  a) de naam, de voornamen en het adres van de aanvrager;
  b) de beschrijving van de schade, het verlies of het letsel;
  c) de plaats en de datum van het voorval en, voor zover mogelijk, de naam en de voornamen van de persoon of de personen die het slachtoffer aansprakelijk acht voor de schade, het verlies of het letsel;
  d) in voorkomend geval, de beschrijving van de bezittingen, goederen of andere lichamelijke roerende goederen waarvan de restitutie wordt gevraagd;
  e) een aanvraag tot schadeloosstelling;
  f) een aanvraag tot rehabilitatie of een andere vorm van herstel;
  g) voor zover mogelijk, alle bewijsstukken, inzonderheid de naam en het adres van de getuigen.
  2. Bij de aanvang van het proces en onverminderd de beschermende maatregelen die het Hof kan bevelen, vraagt het Hof de griffier om de aanvraag tot herstelbetaling ter kennis te brengen van de persoon of de personen die daarin of in de tenlasteleggingen worden vernoemd en, voor zover mogelijk, van enige belanghebbende persoon of Staat. De geadresseerden van deze kennisgeving kunnen opmerkingen indienen bij de griffie krachtens artikel 75, derde punt.
  Regel 95
  Procedure ingeval het Hof uit eigen beweging handelt
  1. Ingeval het Hof voornemens is ambtshalve op te treden krachtens artikel 75, eerste punt, vraagt het de griffier zijn voornemen ter kennis te brengen van de persoon of de personen waarover het een uitspraak wenst te doen, en voor zover mogelijk, van de slachtoffers en van enige belanghebbende persoon of Staat. De geadresseerden van deze kennisgeving kunnen opmerkingen indienen bij de griffie krachtens artikel 75, derde punt.
  2. Ingeval ingevolge de in bovenstaand eerste punt bedoelde kennisgeving :
  a) een slachtoffer een aanvraag tot herstelbetaling indient, wordt uitspraak gedaan over deze aanvraag alsof zij krachtens regel 94 was ingediend;
  b) een slachtoffer het Hof vraagt geen beschikking tot herstelbetaling te geven, geeft het Hof geen individuele beschikking voor dat slachtoffer.
  Regel 96
  Openbaarheid van de procedures tot herstelbetaling
  1. Onverminderd enige andere regel inzake de kennisgeving van de procedures, stuurt de griffier voor zover mogelijk een kennisgeving aan de slachtoffers of aan hun wettelijke vertegenwoordigers en aan de belanghebbende(n). Rekening houdend met de informatie die de aanklager hem kan hebben verstrekt, treft hij tevens enige maatregel die nodig is opdat de procedures tot herstelbetaling voor het Hof voldoende openbaar zouden zijn zodat, voor zover mogelijk, de andere slachtoffers, de belanghebbende personen en Staten naar behoren op de hoogte zouden zijn.
  2. Ingeval het Hof de in bovenstaand eerste punt bedoelde maatregelen neemt, kan het overeenkomstig Hoofdstuk IX de medewerking van de belanghebbende Staten die Partij zijn vragen en bijstand van intergouvernementele organisaties vragen opdat de procedures tot herstelbetaling voor het Hof met alle middelen zo bekend mogelijk zouden worden gemaakt.
  Regel 97
  Raming van de herstelbetaling
  1. Gelet op de omvang van de schade, het verlies of het letsel, kan het Hof een individuele herstelbetaling toekennen of, indien het zulks passend acht, een collectieve herstelbetaling, of beide.
  2. Het Hof kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de slachtoffers of van hun wettelijke vertegenwoordigers, hetzij op verzoek van de schuldig bevonden persoon, deskundigen aanstellen die bevoegd zijn om de omvang van door de slachtoffers of hun rechthebbenden geleden schade, verlies of letsel te helpen bepalen en om verscheidene mogelijkheden te suggereren inzake de passende aard en uitvoering van de herstelbetaling. Indien nodig geeft het Hof de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers en de schuldig bevonden persoon, alsook de belanghebbenden of de belanghebbende Staten de gelegenheid opvattingen kenbaar te maken over de deskundigenonderzoeken.
  3. In alle gevallen neemt het Hof de rechten van de slachtoffers en van de schuldig bevonden persoon in acht.
  Regel 98
  Trustfonds ten behoeve van de slachtoffers
  1. De beschikkingen tot toekenning van individuele herstelbetalingen worden rechtstreeks ten aanzien van de schuldig bevonden persoon genomen.
  2. Het Hof kan bevelen dat het bedrag van de aan de schuldig bevonden persoon opgelegde herstelbetaling aan het Trustfonds ten behoeve van de slachtoffers wordt betaald ingeval het op het tijdstip van de uitspraak niet mogelijk is ieder afzonderlijk slachtoffer een bedrag toe te kennen. Het bedrag van de aldus gestorte herstelbetaling wordt gescheiden van de andere middelen van het Fonds en zo spoedig mogelijk aan ieder slachtoffer overgemaakt.
  3. Het Hof kan bevelen dat het bedrag van de aan de schuldig bevonden persoon opgelegde herstelbetaling wordt gestort via het Trustfonds ten behoeve van de slachtoffers ingeval een collectieve herstelbetaling passender is gelet op het aantal slachtoffers en de omvang, de vormen en de nadere regels van de herstelbetaling.
  4. Na afloop van het overleg met de belanghebbende Staten en het Trustfonds ten behoeve van de slachtoffers, kan het Hof bevelen dat de herstelbetaling via het Fonds wordt gestort aan een door het Fonds erkende internationale of nationale intergouvernementele organisatie.
  5. Andere middelen van het Fonds kunnen worden gebruikt ten behoeve van de slachtoffers onder voorbehoud van artikel 79.
  Regel 99
  Samenwerking en beschermende maatregelen ter fine van verbeurdverklaring krachtens artikel 57, derde punt, e), en artikel 75, vierde punt
  1. De Kamer van vooronderzoek, op grond van artikel 57, derde lid, e), of de Kamer van eerste aanleg, op grond van artikel 75, vierde lid, kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de aanklager of op verzoek van de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die een aanvraag tot herstelbetaling hebben ingediend of zich schriftelijk ertoe verbonden hebben dit te doen, bepalen of de goedkeuring van bepaalde maatregelen moet worden gevraagd.
  2. Er is geen aanleiding tot kennisgeving tenzij het Hof van oordeel is dat de kennisgeving de doeltreffendheid van de gevraagde maatregelen in dit geval niet dreigt te schaden. Indien nodig brengt de griffier de procedure ter kennis van de persoon tegen wie een aanvraag is ingediend en, voor zover mogelijk, van de belanghebbende personen of Staten.
  3. Ingeval een beschikking zonder voorafgaande kennisgeving wordt genomen, vraagt de bevoegde kamer de griffier daarvan kennis te geven aan de personen tegen wie de aanvraag werd ingediend en, voor zover mogelijk, aan de belanghebbenden of belanghebbende Staten zodra dat mogelijk is, zonder de doeltreffendheid van de gevraagde maatregelen te schaden. Zij biedt hen de gelegenheid hun opvatting kenbaar te maken over de vraag of de beschikking moet worden herroepen of anderszins gewijzigd.
  4. Het Hof kan beschikkingen nemen betreffende het tijdschema en het verloop van de procedures die nodig kunnen zijn om uitspraak te doen inzake deze aangelegenheden.
  Afdeling IV. - Diverse bepalingen
  Regel 100
  Plaats van het proces
  1. Het Hof kan beslissen zitting te houden in een andere Staat dan de Gaststaat indien het van oordeel is dat dit in het belang van de rechtsbedeling kan zijn.
  2. Na het instellen van een onderzoek kan de aanklager, de verdediging of de meerderheid van de rechters te allen tijde vragen of aanbevelen dat het Hof in een andere Staat dan de Gaststaat zitting zou hebben. Zij moeten hun verzoek of hun aanbeveling schriftelijk richten tot het voorzitterschap, met vermelding van de Staat waar het Hof zou kunnen zetelen. Het voorzitterschap vraagt het advies van de kamer waarvoor de zaak aanhangig is gemaakt.
  3. Het voorzitterschap raadpleegt de Staat waar het Hof voornemens is zitting te houden. Ingeval deze Staat ermee instemt dat het Hof zitting houdt op zijn grondgebied, wordt de beslissing om zitting te houden in een andere Staat dan in de Gaststaat genomen met een twee derde meerderheid van de rechters in voltallige zitting.
  Regel 101
  Termijnen
  1. In de beschikkingen waarin de proceduretermijnen worden bepaald, houdt het Hof rekening met de noodzaak om de eerlijkheid en het vlot verloop van de procedures te bevorderen en schenkt het Hof bijzondere aandacht aan de rechten van de verdediging en van de slachtoffers.
  2. Gelet op de rechten van de verdediging, inzonderheid deze bedoeld in artikel 67, eerste punt, c), stellen de partijen aan wie een beschikking gericht is alles in het werk om zo spoedig mogelijk, binnen de door het Hof gestelde termijn, op te treden.
  Regel 102
  Andere dan schriftelijke mededelingen
  Ingeval een persoon wegens een onbekwaamheid of wegens ongeletterdheid geen schriftelijk verzoek, aanvraag, opmerking of andere mededeling kan richten tot het Hof, heeft hij de mogelijkheid zulks te doen op een geluids- of beelddrager of in enige andere elektronische vorm.
  Regel 103
  Amicus curiae en andere vormen van verklaring
  1. In enige fase van de procedure kan enige kamer van het Hof, ingeval zij dit wenselijk acht voor de goede rechtsbedeling, enige Staat, organisatie of persoon vragen of machtigen om schriftelijke of mondelinge opmerkingen over enige vraag die zij passend acht over te leggen.
  2. De aanklager en de verdediging hebben de mogelijkheid op de krachtens bovenstaand eerste punt overgelegde opmerkingen te reageren.
  3. De op grond van bovenstaand eerste punt gemaakte schriftelijke opmerkingen worden neergelegd ter griffie, die een afschrift ervan aan de aanklager en aan de verdediging bezorgt. De kamer bepaalt de termijn voor het overleggen van de opmerkingen.

  Art. 5N. HOOFDSTUK 5. - Onderzoek en vervolging
  Afdeling 1. - Beslissing van de aanklager over het instellen van een onderzoek volgens artikel 53, eerste en tweede punt
  Regel 104
  Beoordeling van de informatie door de aanklager
  1. Ingeval de aanklager de hem ter kennis gebrachte informatie beoordeelt op grond van artikel 53, eerste punt, gaat hij na of zij betrouwbaar is.
  2. Ter fine van het bovenstaande eerste punt kan de aanklager aanvullende informatie zoeken bij Staten, VN-organen, intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties of andere betrouwbare bronnen die hij passend acht, alsmede ter zetel van het Hof schriftelijke of mondelinge verklaringen inwinnen. In dit geval is regel 47 van toepassing.
  Regel 105
  Kennisgeving van de beslissing van de aanklager geen onderzoek in te stellen
  1. Ingeval de aanklager op grond van artikel 53, eerste punt, beslist geen onderzoek in te stellen, brengt hij zulks onverwijld schriftelijk ter kennis van de krachtens artikel 14 verwijzende Staat of Staten of van de Veiligheidsraad in geval van een zaak krachtens artikel 13, b).
  2. Ingeval de aanklager beslist geen aanvraag tot machtiging in te dienen bij de Kamer van vooronderzoek is regel 49 van toepassing.
  3. De in bovenstaand eerste punt bedoelde kennisgevingen bevatten de conclusie van de aanklager en vermelden de redenen waarop zij steunt, gelet op artikel 68, eerste punt.
  4. In alle gevallen waarin de aanklager enkel op grond van artikel 53, eerste punt, c), beslist geen onderzoek in te stellen, brengt hij zulks onverwijld schriftelijk ter kennis van de Kamer van vooronderzoek.
  5. Deze kennisgeving bevat de conclusie van de aanklager en de redenen waarop zij steunt.
  Regel 106
  Kennisgeving van de beslissing van de aanklager om geen vervolging in te stellen
  1. Ingeval de aanklager op grond van artikel 53, tweede punt, beslist dat onvoldoende redenen bestaan om vervolging in te stellen, brengt hij zulks onverwijld schriftelijk ter kennis van de Kamer van vooronderzoek, alsook van de krachtens artikel 14 verwijzende Staat of Staten of van de Veiligheidsraad in geval van een zaak krachtens artikel 13, b).
  2. De in het eerste punt bedoelde kennisgevingen bevatten de conclusie van de aanklager en vermelden de redenen waarop zij steunt, gelet op artikel 68, eerste punt.
  Afdeling II. - Procedure bedoeld in artikel 53, derde punt
  Regel 107
  Verzoek tot nieuw onderzoek krachtens artikel 53, derde punt, a)
  1. Verzoeken waarin de aanklager wordt gevraagd beslissingen om geen onderzoek of vervolging in te stellen opnieuw te onderzoeken, als bedoeld in artikel 53, derde punt, worden schriftelijk ingediend binnen 90 dagen volgend op de krachtens regel 105 of regel 106 gedane kennisgevingen, zij worden met redenen omkleed.
  2. De Kamer van vooronderzoek kan de aanklager vragen om hem de informatie of de stukken die hij in zijn bezit heeft en die hij nodig acht voor het nieuw onderzoek mee te delen, eventueel in de vorm van samenvattingen.
  3. De Kamer van vooronderzoek neemt de in de artikelen 54, 72 en 93 bedoelde maatregelen die vereist zijn voor de bescherming van de informatie en van de stukken bedoeld in bovenstaand tweede punt en voor de veiligheid van de getuigen, de slachtoffers en hun familieleden, overeenkomstig artikel 68.
  4. Ingeval het verzoek bedoeld in het eerste punt wordt geformuleerd door een Staat of door de Veiligheidsraad, kan de Kamer van vooronderzoek bijkomende uitleg vragen.
  5. Ingeval een aangelegenheid in verband met de rechtsmacht van het Hof, dan wel de ontvankelijkheid van de zaak ter sprake wordt gebracht, is regel 59 van toepassing.
  Regel 108
  Beslissing van de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 53, derde punt, a)
  1. De in artikel 53, derde punt, a), bedoelde beslissing van de Kamer van vooronderzoek wordt genomen met een meerderheid van de rechters die ervan deel uitmaken; zij wordt met redenen omkleed. Zij wordt meegedeeld aan allen die aan de procedure van het betrokken nieuwe onderzoek hebben deelgenomen.
  2. Ingeval de Kamer van vooronderzoek de aanklager vraagt zijn beslissing om geen onderzoek of geen vervolging in te stellen geheel of gedeeltelijk te heroverwegen, doet hij dat zo spoedig mogelijk.
  3. Wanneer de aanklager een definitieve beslissing heeft genomen, brengt hij de Kamer van vooronderzoek hiervan schriftelijk op de hoogte. Deze kennisgeving bevat de conclusie van de aanklager en de redenen waarop zij steunt. Zij wordt meegedeeld aan allen die aan de procedure inzake het nieuwe onderzoek hebben deelgenomen.
  Regel 109
  Nieuw onderzoek van een beslissing van de aanklager door de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 53, derde punt, b)
  1. De Kamer van vooronderzoek kan enkel op grond van artikel 53, eerste punt, c), of tweede punt, c), een beslissing van de aanklager ambtshalve onderzoeken, binnen 180 dagen te rekenen van de kennisgeving bedoeld in de regels 105 of 106. Zij stelt de aanklager in kennis van haar voornemen om de beslissing opnieuw te onderzoeken en legt hem een termijn op om eventuele opvattingen kenbaar te maken.
  2. Ingeval de zaak bij de Kamer van vooronderzoek aanhangig is gemaakt door een Staat of door de Veiligheidsraad, worden zij eveneens in kennis gesteld en kunnen zij opvattingen kenbaar maken overeenkomstig regel 107.
  Regel 110
  Beslissing van de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 53, derde punt, b)
  1. De beslissing van de Kamer van vooronderzoek om enkel op grond van artikel 53, eerste punt, c), of tweede punt, c), een beslissing van de aanklager al dan niet te bevestigen, wordt genomen bij een meerderheid van de rechters die de kamer vormen; zij wordt met redenen omkleed. Zij wordt meegedeeld aan allen die aan de procedure van het nieuwe onderzoek hebben deelgenomen.
  2. Ingeval de Kamer van vooronderzoek de in bovenstaand eerste punt bedoelde beslissing van de aanklager niet bevestigt, stelt deze laatste het onderzoek of de vervolging in.
  Afdeling III. - Verzamelen van bewijsmateriaal
  Regel 111
  Proces-verbaal van de verhoren
  1. Over de verklaring van enige persoon verhoord in het kader van een onderzoek of een vervolging wordt een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de persoon die het opmaakt en die het verhoor voert, door de ondervraagde en zijn raadsman, ingeval hij aanwezig is, en desgevallend ook door de aanklager of de aanwezige rechter. De datum, het tijdstip en de plaats van het verhoor worden opgetekend in het proces-verbaal, dat melding maakt van alle aanwezige personen. Ingeval een van hen het proces-verbaal niet heeft ondertekend, wordt daarvan opgave gedaan met vermelding van de redenen.
  2. Bij een verhoor door de aanklager of door de nationale overheden wordt naar behoren rekening gehouden met artikel 55. Het gegeven dat een persoon overeenkomstig artikel 55, tweede lid, in kennis is gesteld van zijn rechten, wordt in het proces-verbaal vermeld.
  Regel 112
  Opname van bepaalde ondervragingen
  1. Wanneer de aanklager overgaat tot het ondervragen van een persoon op wie het bepaalde in artikel 55, tweede punt, van toepassing is of van een persoon tegen wie krachtens artikel 58, zevende punt, een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot verschijning is uitgevaardigd, wordt de ondervraging aan de hand van een geluids- of beeldopname op volgende wijze bewaard :
  a) de te ondervragen persoon wordt ervan in kennis gesteld, in een taal die hij volledig begrijpt en spreekt, dat de ondervraging wordt opgenomen op een geluids- of beelddrager en dat hij zich daartegen kan verzetten indien hij dat wenst. De mededeling van deze informatie en het antwoord van de betrokkene worden in het proces-verbaal opgenomen. De persoon kan, voordat hij een antwoord geeft, een gesprek onder vier ogen met zijn raadsman hebben indien deze aanwezig is. Ingeval hij de geluids- of beeldopname weigert, wordt gehandeld overeenkomstig regel 111;
  b) de verklaring op grond waarvan de te ondervragen persoon afziet van de aanwezigheid van zijn raadsman tijdens de ondervraging wordt opgetekend en, indien mogelijk, op geluids- of beelddrager vastgelegd;
  c) indien de ondervraging wordt onderbroken, worden het tijdstip van onderbreking en dat van hervatting op het moment zelf tijdens de opname opgetekend;
  d) op het einde van de ondervraging moet de ondervraagde persoon zijn verklaringen kunnen verduidelijken of aanvullen. Het tijdstip van beŽindiging van de ondervraging wordt vermeld;
  e) zo spoedig mogelijk na het einde van de ondervraging wordt een transcriptie van de opname gemaakt en een afschrift van de transcriptie aan de ondervraagde persoon bezorgd, evenals een kopie van de magneetband of, ingeval gebruik is gemaakt van een recorder met verscheidene magneetbanden, een van de originele magneetbanden;
  f) de originele magneetband of een van de originele magneetbanden met de handtekening van de aanklager en van de ondervraagde persoon, alsook van zijn raadsman indien deze aanwezig is, wordt in aanwezigheid van de ondervraagde persoon en, in voorkomend geval, van zijn raadsman verzegeld.
  2. De aanklager stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat de ondervraging overeenkomstig het eerste punt wordt opgenomen. Ingeval de omstandigheden niet geschikt zijn, kan van de ondervraging bij wijze van uitzondering geen geluids- of beeldopname worden gemaakt. De redenen hiervoor worden schriftelijk vermeld en er wordt gehandeld overeenkomstig regel 111.
  3. Indien op grond van het eerste punt, a) of het tweede punt, de ondervraging niet wordt opgenomen op een geluids- of beelddrager, ontvangt de ondervraagde persoon een afschrift van zijn verklaring.
  4. De aanklager kan beslissen deze regel toe te passen op de ondervraging van andere personen dan die bedoeld in het eerste punt, in het bijzonder wanneer dergelijke procedures ertoe zouden bijdragen te voorkomen dat slachtoffers van seksueel of seksistisch geweld, kinderen en personen met een handicap later bij het afleggen van hun verklaring een trauma oplopen. De aanklager kan daartoe een verzoek aan de betrokken kamer richten.
  5. De Kamer van vooronderzoek kan krachtens artikel 56, tweede punt, bevelen dat de in deze regel vastgelegde procedure op alle ondervragingen wordt toegepast.
  Regel 113
  Verzameling van informatie over de gezondheidstoestand van de betrokken persoon
  1. De Kamer van vooronderzoek kan ambtshalve of op verzoek van de aanklager, van de betrokken persoon of van zijn raadsman bevelen dat een persoon die de rechten omschreven in artikel 55, tweede punt, geniet, medisch, psychologisch of psychiatrisch wordt onderzocht. Bij het nemen van een beslissing houdt de Kamer van vooronderzoek dan ook rekening met de aard en het doel van het onderzoek en met het gegeven of de betrokkene al dan niet ermee instemt.
  2. De Kamer van vooronderzoek gaat over tot aanwijzing van een of meer van de deskundigen die staan ingeschreven op de door de griffier erkende lijst, dan wel van een deskundige die zij zelf op verzoek van een partij heeft erkend.
  Regel 114
  In artikel 56 omschreven mogelijkheid om informatie te verzamelen die zich enkel een keer voordoet
  1. Zodra de Kamer van vooronderzoek van de aanklager de kennisgeving bedoeld in artikel 56, eerste punt, a), ontvangt, pleegt zij onverwijld overleg met de aanklager en, onder voorbehoud van artikel 56, eerste punt, c), met de persoon die is aangehouden of verschenen naar aanleiding van een dagvaarding en met zijn raadsman, teneinde te bepalen welke maatregelen moeten worden genomen en hoe de tenuitvoerlegging ervan moet worden geregeld, daaronder begrepen maatregelen ter bescherming van het recht van communicatie op grond van artikel 67, eerste punt, b).
  2. De beslissingen aan de hand waarvan de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 56, derde punt, maatregelen beveelt, worden genomen met de meerderheid van de rechters die deel ervan uitmaken, zulks na overleg met de aanklager. Tijdens dit overleg kan de aanklager de Kamer van vooronderzoek ervan in kennis stellen dat de maatregelen die zij voornemens is te treffen, het onderzoek in gevaar kunnen brengen.
  Regel 115
  Verzameling van bewijsmateriaal op het grondgebied van een Staat die partij is krachtens artikel 57, derde punt, d)
  1. Wanneer de aanklager van oordeel is dat artikel 57, derde punt, d), moet worden toegepast, kan hij de Kamer van vooronderzoek schriftelijk verzoeken hem te machtigen bepaalde maatregelen te treffen op het grondgebied van de betrokken Staat die partij is. Na de ontvangst van een dergelijk verzoek brengt de Kamer van vooronderzoek de betrokken Staat die partij is op de hoogte en vraagt wanneer mogelijk het standpunt van deze Staat.
  2. Ingeval de Kamer van vooronderzoek bepaalt dat het verzoek gegrond is, houdt zij rekening met het standpunt van de Staat die partij is. Zij kan, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de Staat die partij is, beslissen een zitting te houden.
  3. De machtiging bedoeld in artikel 57, derde punt, d) wordt gegeven in de vorm van een beschikking. Zij moet met redenen zijn omkleed en rekening houden met de onder d) bepaalde criteria. In de machtiging kan melding worden gemaakt van de procedures die moeten worden gevolgd bij het verzamelen van het bewijsmateriaal.
  Regel 116
  Verzameling van bewijsmateriaal op verzoek van de verdediging krachtens artikel 57, derde punt, b)
  1. Overeenkomstig artikel 57, derde punt, b), vaardigt de Kamer van vooronderzoek een beschikking uit of verzoekt zij om medewerking wanneer zij van oordeel is dat :
  a) haar beschikking ertoe zal leiden dat mogelijk relevant of noodzakelijk bewijsmateriaal met het oog op de voorbereiding van de verdediging gemakkelijker kan worden verzameld; en
  b) indien het een geval van samenwerking op grond van Hoofdstuk IX betreft, voldoende informatie is verstrekt om te voldoen aan de voorschriften gesteld in artikel 96, tweede punt.
  2. Voordat de Kamer van vooronderzoek beslist al dan niet krachtens artikel 57, derde punt, b) een beschikking uit te vaardigen, kan zij het advies van de aanklager inwinnen.
  Afdeling IV. - Toepasselijke procedures in geval van vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende maatregelen
  Regel 117
  Detentie in de Staat van aanhouding
  1. Het Hof neemt maatregelen om zich ervan te vergewissen dat het in kennis wordt gesteld van de aanhoudingen ingevolge een door hem gedaan verzoek op grond van de artikelen 89 of 92. Vervolgens vergewist het zich ervan dat de betrokkene een afschrift ontvangt van het bevel tot aanhouding dat de Kamer van vooronderzoek heeft uitgevaardigd overeenkomstig artikel 58 en de relevante bepalingen van het Statuut. De documenten worden aan de betrokkene overgelegd in een taal die hij volledig begrijpt en spreekt.
  2. De betrokkene kan na zijn aanhouding te allen tijde een verzoek aan de Kamer van vooronderzoek richten tot toewijzing van een raadsman die hem gedurende de gehele procedure voor het Hof bijstaat. De Kamer van vooronderzoek doet uitspraak over dit verzoek.
  3. In geval van betwisting van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding op grond van artikel 58, eerste punt, a) of b), wordt een schriftelijk verzoek aan de Kamer van vooronderzoek gericht. Het moet met redenen zijn omkleed. Na het advies van de aanklager te hebben ingewonnen, doet de Kamer van vooronderzoek onverwijld uitspraak.
  4. Wanneer de Kamer van vooronderzoek door de bevoegde autoriteit van de Staat van aanhouding ervan in kennis wordt gesteld dat de aangehouden persoon een verzoek tot invrijheidstelling heeft geformuleerd overeenkomstig artikel 59, vijfde punt, doet zij haar aanbevelingen binnen de door de Staat van detentie bepaalde termijn.
  5. Ingeval de Kamer van vooronderzoek door de bevoegde autoriteit van de Staat van detentie op de hoogte wordt gebracht van de voorlopige invrijheidstelling van de betrokkene, deelt zij aan deze Staat mee hoe en volgens welke regelmaat hij haar moet informeren over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
  Regel 118
  Detentie op de zetel van het Hof
  1. Indien de aan het Hof overgedragen persoon vraagt in afwachting van de procedure in vrijheid te worden gesteld, hetzij tijdens zijn eerste verschijning overeenkomstig regel 121, hetzij op een later tijdstip, wint de Kamer van vooronderzoek het advies van de aanklager in en doet daarna onverwijld uitspraak.
  2. De Kamer van vooronderzoek herbestudeert haar beslissing tot invrijheidstelling of tot handhaving van de detentie, zoals bepaald in artikel 60, derde punt, ten minste elke 120 dagen. Zij kan zulks te allen tijde doen op verzoek van de gedetineerde of van de aanklager.
  3. Na de eerste verschijning moet elk verzoek tot voorlopige invrijheidstelling schriftelijk gebeuren. De aanklager wordt daarvan in kennis gesteld. De Kamer van vooronderzoek doet uitspraak na de schriftelijke opmerkingen van de aanklager en van de gedetineerde te hebben ontvangen. Zij kan, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de gedetineerde, beslissen een zitting te houden. Zij houdt minstens ťťn zitting per jaar.
  Regel 119
  Voorlopige invrijheidstelling
  1. De Kamer van vooronderzoek kan de in vrijheid gestelde persoon een of meer beperkende voorwaarden opleggen, te weten :
  a) niet buiten de door de Kamer van vooronderzoek bepaalde territoriale grenzen gaan zonder haar uitdrukkelijke toestemming;
  b) bepaalde door de Kamer van vooronderzoek genoemde plaatsen en personen mijden;
  c) geen rechtstreeks of onrechtstreeks contact hebben met slachtoffers en getuigen;
  d) bepaalde beroepsactiviteiten niet uitoefenen;
  e) verblijven op het door de Kamer van vooronderzoek bepaalde adres;
  f) gehoor geven aan de oproepingen van elke autoriteit of van elke bevoegde persoon gemachtigd door de Kamer van vooronderzoek;
  g) een borg stellen of voorzien in zakelijke of persoonlijke zekerheden, waarvan het bedrag, de termijnen en de wijze van regeling door de Kamer van vooronderzoek worden vastgesteld;
  h) aan de griffier alle stukken ter staving van zijn identiteit, inzonderheid zijn paspoort, overleggen.
  2. De Kamer van vooronderzoek kan op verzoek van de betrokkene of van de aanklager, dan wel uit eigen beweging te allen tijde de krachtens het eerste punt opgelegde beperkende voorwaarden wijzigen.
  3. Alvorens vrijheidsbeperkende voorwaarden op te leggen of te wijzigen, verzoekt de Kamer van vooronderzoek de aanklager, de betrokkene, de betrokken Staten en de slachtoffers die contact hebben gehad met het Hof in verband met de betrokken zaak en voor wie, volgens de kamer, de invrijheidstelling of de opgelegde voorwaarden een risico zouden kunnen inhouden, haar hun opmerkingen kenbaar te maken.
  4. Indien de Kamer van vooronderzoek ervan overtuigd is dat de betrokkene een of meer van de hem opgelegde verplichtingen heeft geschonden, kan zij om die reden tegen hem op verzoek van de aanklager of uit eigen beweging een bevel tot aanhouding uitvaardigen.
  5. Wanneer de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 58, zevende punt, een dagvaarding tot verschijning uitvaardigt en de betrokkene een of meer vrijheidsbeperkende maatregelen wenst op te leggen, vergewist zij zich van de bepalingen hieromtrent in de nationale wetgeving van de bij de dagvaarding betrokken Staat. Binnen het door deze wetgeving vastgestelde kader handelt de Kamer van vooronderzoek overeenkomstig het voornoemde eerste, tweede en derde punt. Indien zij ervan in kennis wordt gesteld dat de betrokken persoon de hem opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd, handelt zij overeenkomstig het vierde punt.
  Regel 120
  Dwangmaatregelen
  Dwangmaatregelen worden slechts gebruikt om vluchtgevaar te voorkomen, een door het Hof gedetineerde persoon of andere personen te beschermen, dan wel om andere veiligheidsredenen. Zij worden ingetrokken wanneer de betrokkene voor een kamer verschijnt.
  Afdeling V. - Procedure ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten overeenkomstig artikel 61
  Regel 121
  Toepasselijke procedure vůůr de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten
  1. Een persoon tegen wie krachtens artikel 58 een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot verschijning is uitgevaardigd, verschijnt zo spoedig mogelijk na zijn aankomst in het Hof voor de Kamer van vooronderzoek, zulks in aanwezigheid van de aanklager. Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 60 en 61 geniet hij de rechten opgesomd in artikel 67. Tijdens deze eerste verschijning bepaalt de Kamer van vooronderzoek de datum waarop zij voornemens is de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten te houden. Zij zorgt ervoor dat deze datum en de eventuele verdagingen overeenkomstig het zevende punt openbaar worden gemaakt.
  2. Op grond van artikel 61, derde punt, neemt de Kamer van vooronderzoek de nodige beslissingen om ervoor te zorgen dat de aanklager en de persoon tegen wie een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot oproeping is uitgevaardigd, elkaar hun bewijsmiddelen overleggen, waarbij :
  a) de betrokken persoon kan worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman van zijn keuze of door een hem ambtshalve toegewezen raadsman;
  b) de Kamer van vooronderzoek besprekingen houdt met betrekking tot de stand van zaken met het oog op een vlotte uitwisseling van informatie. Voor elke zaak wordt een rechter van de Kamer van vooronderzoek aangewezen om deze besprekingen te organiseren, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de aanklager of van de betrokken persoon;
  c) de bewijsmiddelen die tussen de aanklager en de betrokken persoon zijn uitgewisseld met het oog op de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten, aan de Kamer van vooronderzoek worden overgelegd.
  3. De aanklager bezorgt de Kamer van vooronderzoek en de betrokken persoon ten laatste 30 dagen voor de zittingsdag een gedetailleerde staat van de ten laste gelegde feiten, alsmede de inventaris van het bewijsmateriaal dat hij voornemens is op de zitting aan te voeren.
  4. Ingeval de aanklager voornemens is de ten laste gelegde feiten krachtens artikel 61, vierde punt, te wijzigen, stelt hij de Kamer van vooronderzoek en de betrokken persoon in kennis van de gewijzigde ten laste gelegde feiten, evenals van de inventaris van het bewijsmateriaal dat hij voornemens is tijdens de zitting aan te voeren, zulks ten laatste 15 dagen voor de zittingsdag.
  5. Ingeval de aanklager voornemens is tijdens de zitting nieuw bewijsmateriaal aan te voeren, bezorgt hij ten laatste 15 dagen voor de zittingsdag de inventaris ervan aan de Kamer van vooronderzoek en aan de betrokken persoon.
  6. Indien de betrokken persoon voornemens is krachtens artikel 61, zesde punt, bewijsmateriaal aan te voeren, bezorgt hij ten laatste 15 dagen voor de zittingsdag de inventaris ervan aan de Kamer van vooronderzoek. De Kamer van vooronderzoek legt deze inventaris onverwijld over aan de aanklager. De betrokken persoon bezorgt de inventaris van het bewijsmateriaal dat hij voornemens is aan te voeren om de ten laste gelegde feiten te betwisten wanneer deze zijn gewijzigd of om te antwoorden op een nieuwe inventaris van de aanklager.
  7. De aanklager en de betrokken persoon kunnen de Kamer van vooronderzoek vragen dat de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten wordt verdaagd. De Kamer van vooronderzoek kan ook ambtshalve de zitting verdagen.
  8. De Kamer van vooronderzoek houdt geen rekening met de ten laste gelegde feiten en bewijsmiddelen die na het verstrijken van de termijn, daaronder begrepen eventuele verlengingen, zijn aangevoerd.
  9. De aanklager en de betrokken persoon kunnen bij de Kamer van vooronderzoek schriftelijke conclusies indienen betreffende elementen ten aanzien van de feiten en ten aanzien van het recht, daaronder begrepen betreffende de gronden voor ontheffing van strafrechtelijke aansprakelijkheid omschreven in artikel 31, eerste punt, zulks ten laatste drie dagen voor de zittingsdag. Een afschrift van deze conclusies wordt, naar gelang van het geval, onverwijld aan de aanklager of aan de betrokken persoon overgezonden.
  10. De griffie opent een dossier van de procedure voor de Kamer van vooronderzoek en houdt het bij. Daarin worden de haar overeenkomstig deze regel overgezonden stukken opgenomen. Onder voorbehoud, in voorkomend geval, van de beperkingen tot bescherming van de vertrouwelijkheid van de informatie die verband houdt met de nationale veiligheid, kan het dossier worden geraadpleegd door de aanklager, de betrokken persoon en de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die overeenkomstig de regels 89 tot 91 aan de procedure deelnemen.
  Regel 122
  Zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in aanwezigheid van de verdachte
  1. De rechter-voorzitter van de Kamer van vooronderzoek vraagt aan de zittingsgriffier de ten laste gelegde feiten zoals naar voren gebracht door de aanklager voor te lezen. Hij bepaalt de wijze van verloop van de zitting en kan onder meer vaststellen hoe en in welke volgorde hij het in het dossier van de procedure opgenomen bewijsmateriaal wil overleggen.
  2. Ingeval een vraag of een betwisting in verband met de rechtsmacht van het Hof of met de ontvankelijkheid van een zaak wordt opgeworpen, is regel 58 van toepassing.
  3. Voordat de rechter-voorzitter van de Kamer van vooronderzoek overgaat tot de grond van de zaak, vraagt hij aan de aanklager en aan de betrokken persoon of zij voornemens zijn excepties op te werpen of opmerkingen te formuleren met betrekking tot een aangelegenheid inzake de regelmatigheid van de procedures die aan de zitting zijn voorafgegaan.
  4. De krachtens het derde punt opgeworpen excepties of geformuleerde opmerkingen kunnen niet meer in een later stadium worden aangevoerd, noch tijdens de procedure ter bevestiging, noch tijdens de zitting.
  5. Indien de in het derde punt genoemde excepties of opmerkingen worden opgeworpen of geformuleerd, verzoekt de rechter-voorzitter van de Kamer van vooronderzoek de in het derde punt bedoelde personen hun middelen aan te voeren in de door hem vastgestelde volgorde. De betrokken persoon heeft het recht hierop te reageren.
  6. In geval van in het derde punt vermelde opgeworpen excepties of geformuleerde opmerkingen beslist de Kamer van vooronderzoek hetzij de behandeling ervan samen te voegen met die van de ten laste gelegde feiten en van het bewijsmateriaal, hetzij deze afzonderlijk te behandelen. In het laatste geval doet zij hierover uitspraak na de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten te hebben verdaagd.
  7. Tijdens de behandeling ten gronde voeren de aanklager en de betrokken persoon hun middelen aan zoals voorgeschreven in artikel 61, vijfde en zesde punt.
  8. De Kamer van vooronderzoek verleent de aanklager en de betrokken persoon toestemming in die volgorde hun eindopmerkingen te formuleren.
  9. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 61, is artikel 69 mutatis mutandis van toepassing op de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten.
  Regel 123
  Maatregelen genomen met het oog op de aanwezigheid van de betrokken persoon tijdens de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten
  1. Wanneer de Kamer van vooronderzoek krachtens artikel 59, zevende punt, een bevel tot aanhouding of een dagvaarding tot verschijning heeft uitgevaardigd en de betrokken persoon wordt aangehouden of in kennis gesteld van de dagvaarding, zorgt de Kamer van vooronderzoek ervoor dat deze persoon op de hoogte wordt gebracht van het bepaalde in artikel 61, tweede punt.
  2. De Kamer van vooronderzoek kan overleg plegen met de aanklager, op verzoek van deze laatste of uit eigen beweging, teneinde te bepalen of een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten kan worden gehouden onder de voorwaarden bepaald in artikel 61, tweede punt, b). Indien de betrokken persoon wordt bijgestaan door een raadsman die bij het Hof is gekend, vindt het overleg plaats in diens aanwezigheid, behoudens andersluidende beslissing van de Kamer van vooronderzoek.
  3. De Kamer van vooronderzoek vergewist zich ervan dat tegen de betrokken persoon een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd en, ingeval het bevel tot aanhouding niet binnen een normale termijn ten uitvoer is gelegd, dat alle redelijke maatregelen zijn getroffen om deze persoon te lokaliseren en aan te houden.
  Regel 124
  Afstand van het recht om aanwezig te zijn op de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten
  1. Ingeval de betrokken persoon ter beschikking is gesteld van het Hof maar wenst afstand te doen van zijn recht om aanwezig te zijn op de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten, richt hij daartoe een schriftelijk verzoek aan de Kamer van vooronderzoek, die dan overleg kan plegen met de aanklager en de betrokken persoon, bijgestaan of vertegenwoordigd door zijn raadsman.
  2. Een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten kan slechts worden gehouden, zoals bepaald in artikel 61, tweede punt, a), wanneer de Kamer van vooronderzoek zich ervan heeft vergewist dat de betrokken persoon weet dat hij het recht heeft aanwezig te zijn tijdens de zitting en de gevolgen kent van zijn afstand van dat recht.
  3. De Kamer van vooronderzoek kan de betrokken persoon toestaan de zitting van buiten de zaal te volgen, desnoods aan de hand van een technisch communicatiemiddel, en neemt daartoe maatregelen.
  4. Het gegeven dat de betrokken persoon ervan heeft afgezien aanwezig te zijn tijdens de zitting, belet niet dat de Kamer van vooronderzoek van deze persoon schriftelijke opmerkingen kan ontvangen in verband met de aangelegenheden die zij behandelt.
  Regel 125
  Beslissing om een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon te houden
  1. Na het in de regels 123 en 124 bedoelde overleg te hebben gepleegd, bepaalt de Kamer van vooronderzoek of een zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon moet worden gehouden en, zo ja, of deze persoon door zijn raadsman kan worden vertegenwoordigd. In voorkomend geval bepaalt zij de datum van de zitting en maakt deze openbaar.
  2. De beslissing van de Kamer van vooronderzoek wordt ter kennis gebracht van de aanklager en, indien mogelijk, van de betrokken persoon of van zijn raadsman.
  3. Indien de Kamer van vooronderzoek beslist geen zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon te houden en deze niet ter beschikking is gesteld van het Hof, kan de bevestiging van de ten laste gelegde feiten niet plaatshebben zolang de betrokkene niet ter beschikking is gesteld van het Hof. De Kamer van vooronderzoek kan te allen tijde op verzoek van de aanklager of uit eigen beweging zijn beslissing heroverwegen.
  4. Ingeval de Kamer van vooronderzoek beslist geen zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon te houden en deze ter beschikking is gesteld van het Hof, beveelt zij zijn verschijning.
  Regel 126
  Zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon
  1. De regels 121 en 122 zijn mutatis mutandis van toepassing op de voorbereiding en op het verloop van de zitting ter bevestiging van de ten laste gelegde feiten in afwezigheid van de betrokken persoon.
  2. Ingeval de Kamer van vooronderzoek heeft beslist dat de betrokken persoon wordt vertegenwoordigd door een raadsman, moet deze laatste alle rechten van deze persoon kunnen uitoefenen.
  3. Wanneer een persoon die gevlucht is, wordt aangehouden en het Hof de ten laste gelegde feiten heeft bevestigd op grond waarvan de aanklager voornemens is te de procedure voort te zetten, wordt deze persoon verwezen naar de Kamer van eerste aanleg samengesteld overeenkomstig artikel 61, elfde punt. Indien dit noodzakelijk is voor het doeltreffend en eerlijk functioneren van deze kamer, kan de betrokkene haar schriftelijk vragen kwesties naar de Kamer van vooronderzoek te verwijzen, zulks krachtens artikel 64, vierde punt.
  Afdeling VI. - BeŽindiging van het vooronderzoek
  Regel 127
  Te volgen procedure in geval van verschillende beslissingen met betrekking tot verscheidene ten laste gelegde feiten
  Ingeval de Kamer van vooronderzoek bereid is bepaalde ten laste gelegde feiten te bevestigen maar de zitting in verband met andere ten laste gelegde feiten verdaagt, zoals bepaald in artikel 61, zevende punt, c), kan zij beslissen dat de verwijzing van de betrokkene naar de Kamer van eerste aanleg uit hoofde van de ten laste gelegde feiten die zij bereid is te bevestigen, in afwachting van de voortzetting van de zitting wordt uitgesteld. Zij kan dan ten behoeve van de aanklager een termijn bepalen zodat deze kan handelen overeenkomstig artikel 61, zevende punt, c), i) of ii).
  Regel 128
  Wijziging van de ten laste gelegde feiten
  1. Indien de aanklager voornemens is reeds bevestigde ten laste gelegde feiten voor de aanvang van het proces krachtens artikel 61 te wijzigen, richt hij een schriftelijk verzoek in die zin aan de Kamer van vooronderzoek, die de verdachte daarvan in kennis stelt.
  2. Alvorens uitspraak te doen over deze wijziging, kan de Kamer van vooronderzoek de verdachte en de aanklager vragen hun schriftelijke opmerkingen in verband met bepaalde aangelegenheden ten aanzien van de feiten of ten aanzien van het recht kenbaar te maken.
  3. Ingeval de Kamer van vooronderzoek van oordeel is dat de door de aanklager voorgestelde wijzigingen kunnen worden beschouwd als nieuwe of als zwaardere ten laste gelegde feiten, handelt zij overeenkomstig de regels 121 en 122 of 123 tot 126, al naar gelang van het geval.
  Regel 129
  Kennisgeving van de beslissing inzake de bevestiging van de ten laste gelegde feiten
  De beslissing van de Kamer van vooronderzoek met betrekking tot de bevestiging van de ten laste gelegde feiten en tot de verwijzing van de verdachte naar de Kamer van eerste aanleg wordt, indien mogelijk, ter kennis van de aanklager, van de betrokkene en van zijn raadsman gebracht. De beslissing en het dossier van de procedure voor de Kamer van vooronderzoek worden aan het Voorzitterschap overgezonden.
  Regel 130
  Samenstelling van de Kamer van eerste aanleg
  Wanneer het Voorzitterschap de Kamer van eerste aanleg samenstelt en de zaak ernaar verwijst, zendt het haar de beslissing van de Kamer van vooronderzoek en het dossier van de procedure over. Het Voorzitterschap kan tevens de zaak verwijzen naar een reeds samengestelde Kamer van eerste aanleg.

  Art. 6N. HOOFDSTUK 6. - Procedure
  Regel 131
  Overzending van het dossier van de procedure door de Kamer van vooronderzoek
  1. De griffier houdt overeenkomstig regel 121, tiende punt, het door de Kamer van vooronderzoek overgezonden dossier van de procedure bij.
  2. Onder voorbehoud, in voorkomend geval, van de beperkingen die erop zijn gericht de vertrouwelijkheid en de bescherming te waarborgen van de informatie die verband houdt met de nationale veiligheid, kan het dossier worden geraadpleegd door de aanklager, de verdediging, de vertegenwoordigers van de Staten die aan de procedure deelnemen en de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die overeenkomstig de regels 89 tot 91 eraan deelnemen.
  Regel 132
  Besprekingen met betrekking tot de stand van zaken
  1. De Kamer van eerste aanleg houdt zo spoedig mogelijk na haar samenstelling een bespreking met betrekking tot de stand van zaken om een datum voor de zitting te bepalen. Zij kan ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging deze datum uitstellen. Zij brengt de datum van de zitting ter kennis van alle deelnemers aan de procedure. Zij draagt zorg ervoor dat deze datum en de eventuele verdagingen ervan openbaar worden gemaakt.
  2. Met het oog op een eerlijk en vlot verloop van de procedure kan de Kamer van eerste aanleg de partijen raadplegen tijdens besprekingen met betrekking tot de stand van zaken, die naar gelang van de behoeften worden gehouden.
  Regel 133
  Excepties van onbevoegdheid of van onontvankelijkheid
  De excepties van onbevoegdheid of van onontvankelijkheid, opgeworpen bij de aanvang van de procedure of in een later stadium met de toestemming van het Hof, worden krachtens regel 58 door de rechter-voorzitter en de Kamer van eerste aanleg behandeld.
  Regel 134
  Verzoeken in verband met de procedure
  1. Voor de aanvang van de procedure kan de Kamer van eerste aanleg, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging, uitspraak doen over aangelegenheden in verband met het verloop van de procedure. De verzoeken van de aanklager of van de verdediging worden schriftelijk gedaan en, behalve in geval van een procedure bij afwezigheid van de andere partij, aan de andere partij overgelegd. De andere partij krijgt de gelegenheid te antwoorden op de verzoeken die geen betrekking hebben op een procedure bij afwezigheid van de andere partij.
  2. Bij de aanvang van de procedure vraagt de Kamer van eerste aanleg aan de aanklager en aan de verdediging of zij voornemens zijn excepties op te werpen of opmerkingen te formuleren in verband met het verloop van de procedure na de zitting ter bevestiging. Deze excepties en opmerkingen kunnen niet in een later stadium van de procedure worden opgeworpen of geformuleerd zonder machtiging van de Kamer van eerste aanleg belast met de zaak.
  3. Na de aanvang van de procedure kan de Kamer van eerste aanleg, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging, uitspraak doen over aangelegenheden die zich in de loop van de procedure voordoen.
  Regel 135
  Medisch onderzoek van de verdachte
  1. De Kamer van eerste aanleg kan, met het oog op de nakoming van de verplichting omschreven in artikel 64, achtste punt, a), of om enige andere reden, dan wel op verzoek van een partij, bevelen dat de verdachte medisch, psychiatrisch of psychologisch wordt onderzocht onder de in regel 113 bepaalde voorwaarden.
  2. De Kamer moet schriftelijk de redenen voor deze beslissing vermelden.
  3. De Kamer gaat over tot aanwijzing van een of meer deskundigen op de lijst van de door de griffier erkende deskundigen, dan wel van een deskundige erkend door de Kamer van eerste aanleg op verzoek van een partij.
  4. Ingeval de Kamer van eerste aanleg van oordeel is dat de verdachte niet in staat is te worden berecht, beveelt zij de verdaging van de procedure. Zij kan, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging, de situatie van de verdachte herbestuderen. In elk geval moet zij zulks doen elke 120 dagen, behoudens andersluidende redenen. De kamer kan, indien noodzakelijk, een nieuw onderzoek van de verdachte bevelen. Nadat de kamer zich ervan heeft vergewist dat de verdachte in staat is te worden berecht, handelt zij overeenkomstig regel 132.
  Regel 136
  Samenvoeging en splitsing van zaken
  1. De verdachten met betrekking tot wie de ten laste gelegde feiten zijn samengevoegd, worden gezamenlijk berecht, tenzij de Kamer van eerste aanleg, ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de verdediging, afzonderlijke zittingen beveelt om te voorkomen dat de verdachten ernstig worden benadeeld, in het belang van de rechtsbedeling of omdat een verdachte, met betrekking tot wie de ten laste gelegde feiten met andere zijn samengevoegd, een schuldbekentenis heeft afgelegd en krachtens artikel 65, tweede punt, kan worden vervolgd.
  2. Ingeval de verdachten gezamenlijk worden berecht, heeft elk van hen dezelfde rechten als wanneer hij afzonderlijk wordt berecht.
  Regel 137
  Proces-verbaal van de procedure
  1. Overeenkomstig artikel 64, tiende punt, zorgt de griffier ervoor dat een volledig en waarheidsgetrouw proces-verbaal wordt opgemaakt en bewaard van de gehele procedure, daaronder begrepen de transcripties, de geluids- en beeldopnamen en andere geluids- of beelddragers.
  2. Een Kamer van eerste aanleg kan de bekendmaking bevelen van een gedeelte van het proces-verbaal of van het gehele proces-verbaal van procedures met gesloten deuren indien de redenen voor de beslissing tot niet-bekendmaking niet langer bestaan.
  3. De Kamer van eerste aanleg kan andere personen dan de griffier machtigen tijdens de procedure foto's te nemen, geluids- of beeldopnamen te maken of andere geluids- of beelddragers te gebruiken.
  Regel 138
  Bewaring van bewijsmateriaal
  De griffier zorgt, voor zover noodzakelijk, voor de bewaring van en het toezicht op het bewijsmateriaal en andere tijdens de procedure overgelegde stukken, zulks onder voorbehoud van enige beschikking van de Kamer van eerste aanleg.
  Regel 139
  Beslissing in geval van schuldbekentenis
  1. Na te hebben gehandeld overeenkomstig artikel 65, eerste punt, kan de Kamer van eerste aanleg, teneinde te bepalen of moet worden gehandeld overeenkomstig artikel 65, vierde punt, het advies van de aanklager en dat van de verdediging inwinnen.
  2. De Kamer van eerste aanleg doet vervolgens uitspraak over de schuldbekentenis. Zij geeft de redenen voor haar beslissing aan. Deze worden in het proces-verbaal vermeld.
  Regel 140
  Aanwijzingen ten aanzien van het verloop van de debatten en de verklaringen
  1. Ingeval de rechter-voorzitter van de Kamer van eerste aanleg niet de in artikel 64, achtste punt, vermelde aanwijzingen geeft, komen de aanklager en de verdediging overeen in welke volgorde en hoe de bewijsmiddelen voor de kamer worden overgelegd. Bij gebreke van een dergelijk akkoord geeft de rechter-voorzitter instructies.
  2. In elk geval, onder voorbehoud van artikel 64, achtste punt, b) en negende punt, van artikel 69, vierde punt, en van regel 88, vijfde punt, kunnen de getuigen als volgt worden ondervraagd :
  a) de partij die bij de overlegging van haar bewijsmiddelen krachtens artikel 69, derde punt, een beroep doet op een getuige, heeft het recht deze getuige te ondervragen;
  b) de aanklager en de verdediging hebben het recht deze getuige te ondervragen in verband met relevante kwesties in zijn getuigenverklaring en de betrouwbaarheid ervan, alsmede in verband met zijn eigen geloofwaardigheid en andere relevante aangelegenheden;
  c) de Kamer van eerste aanleg kan een getuige ondervragen voor of na een overeenkomstig het tweede punt, a) of b) afgenomen ondervraging;
  d) de verdediging heeft het recht de getuige als laatste te ondervragen.
  3. Behoudens andersluidende beslissing van de Kamer van eerste aanleg, kan de getuige die noch een deskundige, noch een onderzoeker is en die nog geen verklaring heeft afgelegd, niet aanwezig zijn bij de verklaring van een andere getuige. Indien hij evenwel een andere getuigenverklaring heeft gehoord, is zijn verklaring daarom nog niet ontoelaatbaar. Ingeval een getuige een verklaring aflegt na andere getuigenverklaringen te hebben gehoord, wordt zulks in het proces-verbaal vermeld en houdt de kamer hiermee rekening bij haar beoordeling van de bewijsmiddelen.
  Regel 141
  Afsluiting van de overlegging van bewijsmiddelen en conclusies
  1. De rechter-voorzitter verklaart te gepasten tijde dat de overlegging van bewijsmiddelen is afgesloten.
  2. De rechter-voorzitter verzoekt de aanklager en de verdediging hun mondelinge conclusies uiteen te zetten. De verdediging heeft steeds het recht als laatste te spreken.
  Regel 142
  Beraadslaging
  1. Na de mondelinge conclusies trekt de Kamer van eerste aanleg zich terug om met gesloten deuren te beraadslagen. Zij stelt alle deelnemers aan de procedure in kennis van de datum waarop zij haar beslissing zal wijzen. De uitspraak heeft plaats binnen een redelijke termijn nadat de kamer zich heeft teruggetrokken om te beraadslagen.
  2. In geval van verschillende ten laste gelegde feiten doet de kamer over elk van deze feiten afzonderlijk uitspraak. Ingeval er verscheidene verdachten zijn, doet de kamer afzonderlijk uitspraak over de ten laste gelegde feiten met betrekking tot elk van hen.
  Regel 143
  Bijkomende zittingen voor aangelegenheden in verband met de straf of met de herstelbetalingen
  Ingeval overeenkomstig artikel 76, tweede en derde punt, een nieuwe zitting moet worden gehouden over aangelegenheden in verband met de straf en, in voorkomend geval, met de herstelbetalingen, bepaalt de rechter-voorzitter de datum ervan. In uitzonderlijke omstandigheden kan de Kamer van eerste aanleg de zitting verdagen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de aanklager, van de verdediging of van de wettelijke vertegenwoordigers van de slachtoffers die overeenkomstig de regels 89 tot 91 aan de procedure deelnemen, dan wel, wat de zittingen in verband met de herstelbetalingen betreft, van de slachtoffers die overeenkomstig regel 94 een verzoek hebben gedaan.
  Regel 144
  Uitspraak van de beslissingen van de Kamer van eerste aanleg
  1. De beslissingen van de Kamer van eerste aanleg in verband met de ontvankelijkheid van de zaak, de rechtsmacht van het Hof, de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte, de straf of de herstelbetalingen worden in een openbare zitting uitgesproken, indien mogelijk, in aanwezigheid van de verdachte, van de aanklager, van de slachtoffers of van de wettelijke vertegenwoordigers van de slachtoffers die overeenkomstig de regels 89 tot 91 aan de procedure deelnemen en van de vertegenwoordigers van de Staten die aan de procedure hebben deelgenomen.
  2. Afschriften van deze beslissingen worden zo spoedig mogelijk overgelegd :
  a) aan alle deelnemers aan de procedure, in een werktaal van het Hof;
  b) aan de verdachte in een taal die hij volledig begrijpt en spreekt, om indien nodig te voldoen aan de vereisten inzake eerlijkheid overeenkomstig artikel 67, eerste punt, f).

  Art. 7N. HOOFDSTUK 7. - Straffen
  Regel 145
  Strafbepaling
  1. Bij de strafbepaling overeenkomstig artikel 78, eerste punt :
  a) houdt het Hof rekening ermee dat het totaal van de straf uitgesproken krachtens artikel 77, opsluiting of een boete naar gelang van het geval, evenredig moet zijn met de schuld;
  b) evalueert het Hof het belang van alle relevante overwegingen, daaronder begrepen verzwarende en verzachtende omstandigheden, en houdt het rekening zowel met de situatie van de veroordeelde als met de omstandigheden van de misdaad;
  c) houdt het Hof, naast met de overwegingen bedoeld in artikel 78, eerste punt, inzonderheid rekening met de omvang van de veroorzaakte schade, in het bijzonder het nadeel berokkend aan de slachtoffers en aan hun familieleden, de aard van de ongeoorloofde gedraging en de middelen die voor de misdaad zijn aangewend, de graad van deelneming van de veroordeelde persoon, de graad van opzet, de omstandigheden van tijd, plaats en wijze, de leeftijd, het opleidingsniveau en de sociale en economische situatie van de veroordeelde persoon.
  2. Het Hof houdt naast de bovenvermelde overwegingen, indien van toepassing, rekening met :
  a) het bestaan van verzachtende omstandigheden zoals :
  i) omstandigheden die geen grond vormen voor ontheffing van de strafrechtelijke aansprakelijkheid, zoals een wezenlijke krenking van het onderscheidingsvermogen of dwang, maar van gelijkbare aard zijn;
  ii) de gedraging van de veroordeelde persoon na de feiten, daaronder begrepen de inspanningen die hij kan hebben gedaan om de slachtoffers te vergoeden, alsmede zijn coŲperatieve houding ten aanzien van het Hof;
  b) het bestaan van verzwarende omstandigheden zoals :
  i) relevante strafrechtelijke veroordelingen die voordien zijn opgelegd wegens misdaden die ressorteren onder de rechtsmacht van het Hof of van vergelijkbare aard zijn;
  ii) machtsmisbruik of misbruik van officiŽle functies;
  iii) bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer;
  iv) bijzondere wreedheid van de misdaad of talrijke slachtoffers;
  v) drijfveer met een discriminerend aspect gegrond op een van de overwegingen bedoeld in artikel 21, derde punt;
  vi) andere omstandigheden van vergelijkbare aard.
  3. Levenslange opsluiting kan worden opgelegd ingeval zij verantwoord is wegens de buitengewone ernst van de misdaad en de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon bevestigd door het bestaan van een of meer verzwarende omstandigheden.
  Regel 146
  Boetes opgelegd krachtens artikel 77
  1. Ingeval het Hof beslist krachtens artikel 77, tweede punt, a), een boete op te leggen en het bedrag ervan vaststelt, bepaalt het of opsluiting een toereikende straf is. Het Hof houdt naar behoren rekening met de financiŽle middelen van de veroordeelde persoon, onder voorbehoud van de verbeurdverklaringen opgelegd krachtens artikel 77, tweede punt, b), en in voorkomend geval met de herstelbetalingen toegekend krachtens artikel 75. Naast de overwegingen bedoeld in regel 145 houdt het Hof rekening met het gegeven of persoonlijk voordeel al dan niet een drijfveer was voor de misdaad en indien ja, in welke mate.
  2. Voor de boetes opgelegd krachtens artikel 77, tweede punt, a), wordt een passend bedrag vastgesteld. Het Hof houdt naast met de bovenvermelde overwegingen in het bijzonder rekening met de veroorzaakte schade en het berokkende letsel en met het betrekkelijke voordeel dat de dader eruit heeft behaald. Dit bedrag mag in totaal geenszins drie vierden van de waarde van de identificeerbare, contante en te gelde te maken vermogensbestanddelen en de goederen van de veroordeelde persoon overschrijden, na aftrek van een bedrag dat volstaat om te voorzien in zijn financiŽle behoeften en in die van de personen te zijnen laste.
  3. Ingeval het Hof een veroordeelde persoon een boete oplegt, voorziet het in een redelijke termijn voor de betaling ervan. Het Hof kan bepalen dat de boete in een keer moet worden betaald of door middel van gespreide stortingen voor het verstrijken van de termijn.
  4. Ingeval het Hof een boete oplegt, heeft het de mogelijkheid die boete te berekenen volgens een stelsel van boetedagen. In dat geval is de termijn bepaald op minimum 30 dagen en maximum vijf jaar. Het Hof bepaalt het totale bedrag overeenkomstig de bovenvermelde punten 1 en 2. Het Hof bepaalt het bedrag van de dagelijkse boete op grond van de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon, inzonderheid de financiŽle behoeften van de personen te zijnen laste.
  5. Ingeval de veroordeelde persoon de boete opgelegd onder de bovenvermelde omstandigheden niet betaalt, neem het Hof de maatregelen krachtens de regels 217 tot 222 en overeenkomstig artikel 109. In geval van aanhoudende weigering te betalen en het voorzitterschap, dat ambtshalve optreedt of op verzoek van de aanklager, van oordeel is dat alle dienstige maatregelen met betrekking tot de tenuitvoerlegging zijn uitgeput, kan het Hof de opsluiting in laatste instantie verlengen met maximum een vierde van de oorspronkelijke duur ervan, zonder evenwel vijf jaar te overschrijden. Bij het bepalen van de duur van deze verlenging houdt het voorzitterschap rekening met het evenredige deel van de boete dat reeds is betaald. De straf wordt niet verlengd in geval van levenslage opsluiting. De verlenging mag niet ertoe leiden dat de totale duur van de opsluiting dertig jaar overschrijdt.
  6. Teneinde te bepalen of het passend is een verlenging van de straf te bevelen en in voorkomend geval de duur ervan te bepalen, zetelt het voorzitterschap met gesloten deuren en worden de veroordeelde persoon en de aanklager gehoord. De veroordeelde persoon heeft het recht zich door een raadsman te laten bijstaan.
  7. Ingeval het Hof een boete oplegt, stelt het de veroordeelde persoon ervan in kennis dat de niet-betaling van de boete volgens de bovenvermelde voorwaarden kan leiden tot een verlenging van de opsluiting als bedoeld in deze regel.
  Regel 147
  Beschikkingen tot verbeurdverklaring
  1. Ingeval een kamer, overeenkomstig artikel 76, tweede en derde punt, regel 63, eerste punt, en regel 143, tijdens een zitting een verbeurdverklaring overweegt, neemt zij kennis van het bewijsmateriaal dat de mogelijkheid biedt de opbrengsten, bezittingen of vermogensbestanddelen die rechtstreeks of onrechtstreeks uit die misdaad afkomstig zijn te bepalen en te lokaliseren.
  2. Ingeval een kamer voor of tijdens een zitting het bestaan ontdenkt van een derde te goeder trouw die recht zou kunnen hebben op die opbrengsten, bezittingen of vermogensbestanddelen, stelt zij die derde daarvan in kennis.
  3. De aanklager, de veroordeelde persoon en enige derde te goeder trouw die recht heeft op die opbrengsten, bezittingen of vermogensbestanddelen kunnen relevant bewijsmateriaal voorleggen.
  4. Nadat de kamer het bewijsmateriaal heeft onderzocht dat haar is overgelegd en zij ervan overtuigd is dat het rechtstreeks of onrechtstreeks uit de misdaad afkomstig zijn, kan zij een beschikking tot verbeurdverklaring van de opbrengsten, de bezittingen of vermogensbestanddelen bevelen.
  Regel 148
  Beschikking tot overbrenging van de opbrengst van de boetes en van de verbeurdverklaringen
  Alvorens een beschikking te geven overeenkomstig artikel 79, tweede punt, kunnen de kamers de vertegenwoordigers van het Trustfonds ten behoeve van de slachtoffers vragen hun mondelinge of schriftelijke opvatting kenbaar maken.

  Art. 8N. HOOFDSTUK 8. - Beroep en herziening
  Afdeling I. - Algemene bepalingen
  Regel 149
  Regels die gelden voor de procedure voor de Kamer van beroep
  De hoofdstukken V en VI en de regels die gelden voor de proces- en de bewijsvoering voor de Kamer van vooronderzoek en de Kamer van eerste aanleg zijn mutatis mutandis van toepassing op de procedures voor de Kamer van beroep.
  Afdeling II. - Beroep tegen de beslissingen betreffende de schuld of de straf, alsmede betreffende de beschikking inzake de herstelbetalingen
  Regel 150
  Beroep
  1. Onder voorbehoud van bovenvermeld tweede punt, kan binnen een termijn van 30 dagen te rekenen van de datum waarop de beslissing houdende veroordeling of vrijspraak, de straf of de beschikking tot herstelbetaling ter kennis is gebracht van de appellant, beroep worden ingesteld tegen de beslissingen houdende veroordeling of vrijspraak gegeven krachtens artikel 74, tegen de straffen opgelegd krachtens artikel 74, tegen de straffen opgelegd krachtens artikel 76 of tegen de beschikkingen tot herstelbetaling gegeven krachtens artikel 75.
  2. De Kamer van beroep kan de in bovenvermeld eerste punt bedoelde termijn op verzoek van de appellant om een geldige reden verlengen.
  3. De akte van beroep wordt neergelegd ter griffie.
  4. Ingeval geen beroep wordt ingesteld overeenkomstig de bovenvermelde punten 1 tot 3, wordt de beslissing van de Kamer van eerste aanleg houdende veroordeling of vrijspraak, de opgelegde straf of het beschikkingen tot herstelbetaling definitief.
  Regel 151
  Beroepsprocedure
  1. Zodra krachtens regel 150 beroep is ingesteld, bezorgt de griffier het dossier van de procedure aan de Kamer van beroep.
  2. De griffier stelt degenen die betrokken waren bij de procedure voor de Kamer van eerste aanleg in kennis van de neerlegging de akte van beroep.
  Regel 152
  Afstand
  1. De appellant kan te allen tijde afstand doen zolang geen vonnis is gegeven. In een dergelijk geval legt de betrokkenen bij de griffier een schriftelijke akte van afstand neer. De griffier stelt de andere partijen daarvan in kennis.
  2. Ingeval de aanklager beroep heeft ingesteld namens een gevonniste persoon als bedoeld in artikel 81, eerste punt, b), moet hij voor hij de akte van afstand neerlegt, de betrokken persoon in kennis stellen van zijn voornemen de procedure te onderbreken teneinde hem de mogelijkheid te bieden die procedure voort te zetten.
  Regel 153
  Vonnis in geval van beroep tegen de beschikkingen tot herstelbetaling
  1. De Kamer van beroep kan een overeenkomstig artikel 75 gegeven beschikking tot herstelbetaling bevestigen, vernietigen of wijzigen.
  2. Het vonnis van de Kamer van beroep wordt gegeven overeenkomstig artikel 83, vierde en vijfde punt.
  Afdeling III. - Beroep tegen andere beslissingen
  Regel 154
  Beroep dat geen machtiging van het Hof vereist 1. In het geval bedoeld in artikel 81, derde punt, c), ii), of in artikel 82, eerste punt, a) of b), kan tegen een beslissing beroep worden ingesteld binnen vijf dagen te rekenen van de datum waarop de appellant van deze beslissing in kennis is gesteld.
  2. In het geval bedoeld in artikel 82, eerste punt, c), kan beroep worden ingesteld binnen een termijn van twee dagen te rekenen van de datum waarop de appellant van de bestreden beslissing in kennis is gesteld.
  3. Het bepaalde in regel 150, derde en vierde punt, is van toepassing op het beroep bedoeld in de bovenvermelde punten 1 en 2.
  Regel 155
  Beroep dat machtiging van het Hof vereist
  1. Ingeval een partij beroep wenst in te stellen tegen een beslissing bedoeld in artikel 82, eerste punt, d), of tweede punt, moet zij binnen een termijn van vijf dagen te rekenen van de datum waarop zij van de beslissing in kennis is gesteld, bij de Kamer die deze beslissing heeft gegeven een schriftelijk verzoekschrift indienen waarin de reden wordt uiteengezet waarom zij machtiging vraagt om beroep in te stellen.
  2. De Kamer geeft een beslissing die ter kennis wordt gebracht van degenen die betrokken waren bij de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing als bedoeld in het bovenvermelde eerste punt.
  Regel 156
  Beroepsprocedure
  1. Zodra bij de griffier een akte van beroep aanhangig is gemaakt overeenkomstig regel 154 of zodra de machtiging om beroep in te stellen is gegeven overeenkomstig regel 155, bezorgt de griffier aan de Kamer van beroep het dossier van de procedure voor de Kamer die de bestreden beslissing heeft gegeven
  2. De griffier stelt degenen die betrokken waren bij de procedure voor de Kamer die de bestreden beslissing heeft gegeven in kennis van de akte van beroep, tenzij zij daarvan in kennis zouden zijn gesteld door de Kamer krachtens regel 155, tweede punt.
  3. De beroepsprocedure geschiedt schriftelijk, behoudens andersluidende beslissing van de Kamer van beroep.
  4. Het beroep wordt zo spoedig mogelijk behandeld.
  5. De appellant kan op het tijdstip van de neerlegging van de akte van beroep vragen dat het beroep schorsende werking heeft overeenkomstig artikel 82, derde punt.
  Regel 157
  Afstand van het beroep
  Hij die een beroep heeft ingesteld dat ressorteert onder regel 154 of, overeenkomstig regel 155, door een Kamer is gemachtigd om beroep in te stellen, kan te allen tijde afstand doen zolang geen vonnis is gegeven. In een dergelijk geval legt de betrokkenen bij de griffier een schriftelijke akte van afstand neer. De griffier stelt de andere partijen daarvan in kennis.
  Regel 158
  Vonnis
  1. Een Kamer van beroep bij welke een beroep is ingesteld dat onder deze afdeling ressorteert, bevestigt, vernietigt of wijzigt de bestreden beslissing.
  2. De Kamer van beroep geeft zijn vonnis overeenkomstig artikel 83, vierde punt.
  Afdeling IV. - Herziening van een beslissing betreffende de schuld of de straf
  Regel 159
  Beroep tot herziening
  1. Enig beroep tot herziening ingesteld overeenkomstig artikel 84, eerste punt, wordt schriftelijk ingediend en met redenen omkleed. Voor zover zulks mogelijk is gaat het vergezeld van stukken ter ondersteuning ervan.
  2. De Kamer van beroep stelt bij meerderheid van de rechters vast of het beroep gegrond is, zij omkleedt haar beslissing schriftelijk met redenen.
  3. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de verzoeker en, voor zover zulks mogelijk is, van degenen die betrokken waren bij de procedure tijdens welke de oorspronkelijke beslissing is gegeven.
  Regel 160
  Overbrenging met het oog op herziening
  1. Met het oog op de organisatie van de zitting bedoeld in regel 161, bezorgt de bevoegde kamer haar beslissing voldoende tijd vooraf teneinde, in voorkomend geval, de overbrenging van de veroordeelde persoon naar de zetel van het Hof mogelijk te maken.
  2. De Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf wordt onverwijld in kennis gesteld van de beslissing van het Hof.
  3. Regel 206, derde punt, is van toepassing.
  Regel 161
  Beslissing betreffende de herziening
  1. De bevoegde kamer houdt op een datum die zij bepaalt een zitting om vast te stellen of grond ertoe bestaat de beslissing betreffende de schuld of te straf te herzien, waarvan kennis wordt gegeven aan de verzoeker en aan degenen van wie de beslissing bedoeld in regel 159, derde punt, ter kennis is gebracht.
  2. Met betrekking tot het verloop van de debatten, oefent de bevoegde kamer mutatis mutandis alle bevoegdheden uit van de Kamer van eerste aanleg, overeenkomstig Hoofdstuk VI en de regels die van toepassing zijn op de proces- en de bewijsvoering voor de Kamer van vooronderzoek en de Kamer van eerste aanleg.
  3. De beslissing wordt genomen overeenkomstig het bepaalde in artikel 83, vierde punt.

  Art. 9N. HOOFDSTUK 9. - Misdrijven tegen de rechtsbedeling en wangedrag voor het Hof
  Afdeling I. - Misdrijven tegen de rechtsbedeling bedoeld in artikel 70
  Regel 162
  Uitoefening van de rechtsmacht
  1. Voor het Hof besluit al dan niet zijn rechtsmacht uit te oefenen kan het de Staten die Partij zijn en rechtsmacht kunnen hebben met betrekking tot het strafbaar feit, raadplegen.
  2. Ingeval het Hof besluit al dan niet zijn rechtsmacht uit te oefenen, neemt het inzonderheid in overweging :
  a) de beschikbaarheid en de doeltreffendheid van de middelen om vervolging in te stellen in de Staat die Partij is;
  b) de ernst van het misdrijf;
  c) de mogelijkheid de feiten bedoeld in artikel 70 samen te voegen met die bedoeld in de artikelen 5 tot 8;
  d) de noodzaak de procedure te bespoedigen;
  e) de band met een lopend onderzoek of een proces aanhangig gemaakt voor het Hof; en
  f) de vragen betreffende de bewijsvoering.
  3. Het Hof beoordeelt met welwillendheid enig verzoek van de Gaststaat opdat het Hof zou afzien van zijn recht zijn rechtsmacht uit te oefenen in de gevallen waarin die Staat het als bijzonder belangrijk acht dat het Hof daarvan afziet.
  4. Ingeval het Hof besluit zijn rechtsmacht niet uit te oefenen, kan het aan een Staat die Partij is vragen zelf zijn rechtsmacht uit te oefenen overeenkomstig artikel 70, vierde punt.
  Regel 163
  Toepassing van het Statuut en van het reglement
  1. Behoudens andersluidende bepaling in de bovenvermelde punten 2 en 3, in regel 162 of de regels 162 tot 169, zijn het Statuut en het reglement mutatis mutandis van toepassing op de onderzoeken, de vervolging en de straffen bevolen door het Hof ter bestraffing van een misdrijf bedoeld in artikel 70.
  2. De bepalingen van Hoofdstuk II en de regels die eruit voortvloeien zijn niet van toepassing, met uitzondering van artikel 21.
  3. De bepalingen van Hoofdstuk X en de regels die eruit voortvloeien zijn niet van toepassing, met uitzondering van de artikelen 103, 107, 109 en 111.
  Regel 164
  Verjaring
  1. Ingeval het Hof zijn rechtsmacht uitoefent als bedoeld in regel 162, worden de in die regel bedoelde verjaringstermijnen toegepast.
  2. De verjaringstermijn voor de misdrijven bedoeld in artikel 70 bedraagt vijf jaar te rekenen van de datum van het misdrijf ingeval tijdens die periode geen onderzoek is gevoerd of vervolging ingesteld. De verjaring wordt gestuit ingeval tijdens die periode een onderzoek is gevoerd of vervolging is ingesteld hetzij voor het Hof, hetzij door een Staat die Partij is en rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het misdrijf krachtens artikel 70, vierde punt, a).
  3. De gevangenisstraffen opgelegd in geval van een misdrijf bedoeld in artikel 70 verjaren per tien jaar te rekenen van de datum waarop zij definitief worden. De verjaring wordt gestuit tijdens de periode die de veroordeelde persoon in detentie heeft doorgebracht of buiten het grondgebied is van de Staten die Partij zijn.
  Regel 165
  Onderzoek, vervolging en proces
  1. De aanklager kan uit eigen beweging onderzoeken instellen en voeren naar de misdrijven bedoeld in artikel 70 op grond van informatie ontvangen van een kamer of enige andere geloofwaardige bron.
  2. De artikelen 53 en 59 en de regels die eruit voortvloeien zijn niet van toepassing.
  3. Ter fine van artikel 61 kan de Kamer van vooronderzoek beslissen over enige aangelegenheid bedoeld in dat artikel, zulks op grond van schriftelijke conclusies en zonder zitting, tenzij het belang van de procedure anderszins vereist.
  4. De Kamers van eerste aanleg kunnen, indien nodig en rekening houdend met de rechten van de verdediging, de samenvoeging bevelen van de tenlasteleggingen bedoeld in artikel 70 met die bedoeld in de artikelen 5 tot 8.
  Regel 166
  Straffen uitgesproken overeenkomstig artikel 70
  1. Ingeval het Hof een straf oplegt met toepassing van artikel 7, zijn de bepalingen van deze regel van toepassing.
  2. Artikel 77 en de regels die eruit voortvloeien zijn niet van toepassing, met uitzondering van enige verbeurdverklaring bevolen krachtens artikel 77, tweede punt, b), die kan worden toegevoegd aan een opsluiting, een boete of beide.
  3. Enig misdrijf kan worden gestraft met afzonderlijke boetes, die kunnen worden samengevoegd. Het bedrag mag in totaal de helft van de waarde van de identificeerbare, contante en te gelde te maken vermogensbestanddelen en de goederen van de veroordeelde persoon niet overschrijden, na aftrek van een bedrag dat volstaat om te voorzien in zijn financiŽle behoeften en in die van de personen te zijnen laste.
  4. Ingeval het Hof een veroordeelde persoon een boete oplegt, voorziet het in een redelijke termijn voor de betaling ervan. Het Hof kan bepalen dat de boete in een keer moet worden betaald of door middel van gespreide stortingen voor het verstrijken van de termijn.
  5. Ingeval de veroordeelde persoon de opgelegde boete niet betaalt krachtens de voorwaarden bedoeld in bovenvermeld vierde punt, neem het Hof de passende maatregelen krachtens de regels 217 tot 222 en overeenkomstig artikel 109. In geval van aanhoudende weigering te betalen en het Hof, dat ambtshalve optreedt of op verzoek van de aanklager, van oordeel is dat alle dienstige maatregelen met betrekking tot de tenuitvoerlegging zijn uitgeput, kan het in laatste instantie de opsluiting bevelen krachtens artikel 70, derde punt. Bij de bepaling van de opsluiting houdt het Hof rekening met het bedrag van de reeds betaalde boete.
  Regel 167
  Internationale samenwerking en rechtshulp
  1. In geval van een in artikel 70 bedoeld misdrijf kan het Hof verzoeken om samenwerking en rechtshulp van een Staat in een van de vormen bedoeld in Hoofdstuk IX. Het geeft in casu aan dat het optreedt in het kader van een onderzoek naar of vervolging van een dergelijk misdrijf.
  2. De omstandigheden waarin in geval van de misdrijven bedoeld in artikel 70 internationale samenwerking of rechtshulp wordt verleend, zijn nader omschreven in artikel 70, tweede punt, van dat artikel.
  Regel 168
  Ne bis in idem -beginsel
  In casu van een misdrijf bedoeld in artikel 70, kan niemand door het Hof worden gevonnist wegens een gedraging die een misdrijf oplevert waarvoor hij reeds is veroordeeld of vrijgesproken door het Hof of door een ander gerecht.
  Regel 169
  Onmiddellijke aanhouding
  Ingeval wordt aangevoerd dat een misdrijf bedoeld in artikel 70 gepleegd is ter zitting, kan de aanklager de bedoelde Kamer mondeling vragen de onmiddellijke aanhouding van de betrokkene te bevelen.
  Afdeling II. - Wangedrag tijdens de zitting overeenkomstig artikel 71
  Regel 170
  Verstoring van de procedure
  Gelet op artikel 63, tweede punt, kan de rechter die de Kamer voorzit bij welke de zaak aanhangig is gemaakt, na waarschuwing :
  a) de persoon die het verloop van de zitting stoort, bevelen de zitting te verlaten, of hem verwijderen; of
  b) in geval van recidive, deze persoon het verbod opleggen de zitting te volgen.
  Regel 171
  Weigering een bevel van het Hof na te leven
  1. Ingeval het wangedrag leidt tot de opzettelijke weigering een schriftelijk of mondeling bevel van het Hof dat geen verband houdt met regel 170 na te leven en dit bevel gepaard gaat met een dreiging van straf ingeval het bevel verder niet wordt nageleefd, kan de rechter die de kamer voorzit bij welke de zaak aanhangig is gemaakt, de betrokkene het verbod opleggen de zitting te volgen gedurende een periode die dertig dagen niet mag te boven gaan of, in geval van ernstiger wangedrag, hem een boete opleggen.
  2. Ingeval de persoon bedoeld in bovenstaand eerste punt een personeelslid van het Hof, een raadsman van de verdediging of een wettelijke vertegenwoordiger van de slachtoffers is, kan de rechter die de kamer voorzit bij welke de zaak aanhangig is gemaakt, hem tevens het verbod opleggen zijn taak voor het Hof te vervullen tijdens een periode die dertig dagen niet mag te boven gaan.
  3. In de gevallen bedoeld in de bovenvermelde punten 1 en 2 kan de rechter-voorzitter die van oordeel is dat een langere schorsing gepast is, ruggespraak houden met het Voorzitterschap, dat een zitting kan houden om te bepalen of een langere of een definitieve schorsing gepast is.
  4. Een boete opgelegd krachtens bovenstaand eerste punt mag 1.000 euro niet te boven gaan of de tegenwaarde ervan in een andere munt, in geval van recidive kan per dag dat het wangedrag blijft duren evenwel een nieuwe boete worden opgelegd en die boetes kunnen worden gecumuleerd.
  5. De betrokkene moet kunnen worden gehoord alvorens hem een van de in deze regel bedoelde straffen ter beteugeling van het wangedrag kunnen worden opgelegd.
  Regel 172
  Gedragingen die zowel onder artikel 70 als onder artikel 71 ressorteren
  Ingeval het Hof van oordeel is dat gedragingen die onder artikel 71 ressorteren tevens een van de misdrijven bedoeld in artikel 70 opleveren, treedt het op overeenkomstig artikel 70 en de bovenstaande regels 162 tot 169.

  Art. 10N. HOOFDSTUK 10. - Schadevergoeding voor aangehouden of veroordeelde personen
  Regel 173
  Verzoek tot schadevergoeding
  1. Een ieder die een schadevergoeding eist om een van de redenen bedoeld in artikel 85 moet daartoe een schriftelijk verzoek richten aan het Voorzitterschap, die een kamer met drie rechters ermee belast het verzoek te onderzoeken. Deze rechters mogen geen binding hebben met een vroegere beslissing van het Hof betreffende de eiser.
  2. Het verzoek tot schadevergoeding moet worden ingediend ten laatste zes maanden te rekenen van de datum waarop de eiser op de hoogte is gebracht door het Hof inzake :
  a) de onwettige aanhouding of detentie, bedoeld in artikel 85, eerste punt;
  b) de nietigverklaring van een veroordeling, bedoeld in artikel 85, tweede punt;
  b) het bestaan van een duidelijke en ernstige rechterlijke dwaling, bedoeld in artikel 85, derde punt.
  3. Het verzoek vermeldt de redenen en het bedrag van de gevraagde schadevergoeding.
  4. De eiser heeft het recht gebruik te maken van de diensten van een raadsman.
  Regel 174
  Indiening van de verzoeken tot schadevergoeding
  1. Het verzoek tot schadevergoeding en enige andere schriftelijke opmerking, geformuleerd door de eiser, worden overgezonden aan de aanklager, die de mogelijkheid moet hebben om schriftelijk erop te antwoorden. Iedere opmerking van de aanklager wordt aan de eiser meegedeeld.
  2. De kamer, samengesteld volgens regel 173, eerste punt, houdt een zitting of spreekt zich uit op grond van het schriftelijk verzoek en de schriftelijke opmerkingen van de aanklager en van de eiser. Zij moet een zitting houden indien de aanklager of de eiser erom verzoeken.
  3. De beslissing wordt genomen bij meerderheid van de rechters en wordt meegedeeld aan de aanklager en aan de eiser.
  Regel 175
  Bedrag van de schadevergoeding
  Indien de kamer, samengesteld volgens regel 173, eerste punt, het bedrag van de schadevergoeding, bedoeld in artikel 85, derde punt, bepaalt, neemt zij de gevolgen van de duidelijke en ernstige rechterlijke dwaling inzake de persoonlijke, familiale, sociale en professionele situatie van de eiser in aanmerking.

  Art. 11N. HOOFDSTUK 11. - Internationale samenwerking en wederzijdse rechtshulp Afdeling 1. - Verzoeken om samenwerking uit hoofde van artikel 87
  Regel 176
  Organen van het Hof bevoegd om de mededelingen inzake internationale samenwerking en wederzijdse rechtshulp over te zenden en te ontvangen
  1. Zodra het Hof is samengesteld, verschaft de griffier zich bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties alle mededelingen die de Staten hebben gedaan uit hoofde van artikel 87, eerste punt, a), en tweede punt.
  2. De griffier zendt de verzoeken om internationale samenwerking uitgaande van de kamers over en zorgt voor de ontvangst van de antwoorden, de informatie en de documenten van de aangezochte Staten. De diensten van de aanklager zenden de verzoeken om internationale samenwerking van de aanklager over en waarborgen de ontvangst van de antwoorden, de informatie en de documenten van de aangezochte Staten.
  3. De griffier ontvangt de mededelingen waarin de Staten laten weten dat zij hun keuze inzake de op nationaal niveau gebruikte wijze van overzenden hebben gewijzigd om de verzoeken om samenwerking te ontvangen of inzake de taal waarin deze verzoeken aan hen moeten worden gericht; hij deelt, indien van toepassing, deze informatie mee aan de Staten die erom verzoeken.
  4. Het tweede punt van deze regel is mutatis mutandis van toepassing indien het Hof een intergouvernementele organisatie om informatie of documenten verzoekt of een beroep doet op haar samenwerking en haar bijstand onder enige andere vorm.
  5. De griffier zendt, indien van toepassing, de mededelingen, bedoeld in de bovenstaande punten 1 en 3 en in het tweede punt van regel 177, over aan het Voorzitterschap of aan de diensten van de aanklager, of aan beide.
  Regel 177
  Wijzen van overzending
  1. De mededelingen gedaan tijdens de bekrachtiging, de aanvaarding, de goedkeuring of de toetreding om de nationale autoriteit aan te wijzen die ermee belast is de verzoeken om samenwerking te ontvangen, bevatten alle nuttige informatie over deze autoriteit.
  2. Ingeval het Hof verzoekt om de bijstand van een intergouvernementele organisatie krachtens artikel 87, zesde punt, doet de griffier, indien nodig, navraag over de wijze van overzenden die deze organisatie aanwijst en verkrijgt hij alle nuttige informatie ter zake.
  Regel 178
  Taal gekozen door de Staten die Partij zijn krachtens artikel 87, tweede punt
  1. Indien de aangezochte Staat die Partij is, meer dan ťťn officiŽle taal heeft, kan hij bij de bekrachtiging, de aanvaarding, de goedkeuring of de toetreding bepalen dat de verzoeken om samenwerking en de stukken ter ondersteuning ervan mogen worden gesteld in een van zijn officiŽle talen.
  2. Indien de Staat die Partij is, geen taal heeft gekozen voor de communicatie met het Hof bij de bekrachtiging, de aanvaarding, de goedkeuring of de toetreding, wordt het verzoek om samenwerking gesteld in een van de werktalen van het Hof of vergezeld van een vertaling een van deze talen, zoals is bepaald in artikel 87, tweede punt.
  Regel 179
  Taal van de verzoeken gericht aan de Staten die geen Partij zijn bij het Statuut
  Indien een Staat die geen Partij is bij het Statuut aanvaard heeft om bijstand te verlenen aan het Hof uit hoofde van artikel 87, vijfde punt, en niet de taal heeft gekozen waarin de verzoeken om samenwerking aan hem moeten worden gericht, worden deze gesteld in een van de werktalen van het Hof of vergezeld van een vertaling in een van deze talen.
  Regel 180
  Wijziging van de wijzen van overzending of van de gebruikte talen voor de verzoeken om samenwerking
  1. Iedere wijziging van de keuze van de wijze van overzending of van de taal die een Staat heeft aangeduid volgens artikel 87, tweede punt, wordt schriftelijk meegedeeld aan de griffier zodra zulks mogelijk is.
  2. Deze wijzigingen treden in werking voor de verzoeken om samenwerking gedaan door het Hof op een datum overeengekomen tussen het Hof en de Staat, of bij gebreke aan een akkoord ter zake, 45 dagen nadat het Hof de mededeling heeft ontvangen en in alle gevallen onverminderd de reeds geformuleerde of lopende verzoeken.
  Afdeling II. - Overdracht aan het Hof, doorvoer en concurrerende verzoeken, bedoeld in de artikelen 89 en 90
  Regel 181
  Betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak voor een nationale rechtbank
  Ingeval zich de situatie omschreven in artikel 89, tweede punt, voordoet en onverminderd de bepalingen van artikel 19 en van de regels 58 tot 62 inzake de geldende procedure in geval van betwisting van de rechtsmacht van het Hof of van de ontvankelijkheid van een zaak, treft de kamer belast met de zaak, indien de beslissing over de ontvankelijkheid nog steeds hangende is, maatregelen om van de aangezochte Staat alle relevante informatie te verkrijgen betreffende de ingeroepen betwisting die de persoon op grond van het beginsel ne bis in idem inroept.
  Regel 182
  Verzoek tot doorvoer krachtens artikel 89, derde punt, e)
  1. In het geval omschreven in artikel 89, derde punt, e), kan het Hof het verzoek tot doorvoer formuleren aan de hand van ieder middel dat een schriftelijk spoor achterlaat.
  2. Indien de termijn, bepaald in artikel 89, derde punt, e), verstreken is en de betrokken persoon vrijgelaten is, geldt zijn invrijheidstelling onverminderd zijn latere aanhouding onder de voorwaarden bepaald in artikel 89 of in artikel 92.
  Regel 183
  Mogelijkheid tot tijdelijke overdracht
  Als gevolg van de raadplegingen bedoeld in artikel 89, vierde punt, kan de aangezochte Staat de gezochte persoon tijdelijk overdragen onder de voorwaarden overeengekomen tussen de aangezochte Staat en het Hof. In dit geval wordt de betrokkene aangehouden voor de duur van zijn aanwezigheid voor het Hof en overgebracht naar de aangezochte Staat ingeval zijn aanwezigheid voor het Hof niet meer nodig is, ten laatste nadat de procedure beŽindigd is.
  Regel 184
  Bepalingen voor de overdracht
  1. Ingeval de door het Hof gezochte persoon overgedragen kan worden, brengt de aangezochte Staat onmiddellijk de griffier hiervan op de hoogte.
  2. De betrokkene wordt aan het Hof overgedragen op de datum en volgens de voorwaarden overeengekomen tussen de autoriteiten van de aangezochte Staat en de griffier.
  3. Indien de omstandigheden de overdracht onmogelijk maken op de overeengekomen datum, spreken de autoriteiten van de aangezochte Staat en de griffier een nieuwe datum en voorwaarden af voor de overdracht.
  4. De griffier blijft in contact met de autoriteiten van de Gaststaat met betrekking tot de maatregelen die moeten worden getroffen voor de overdracht van de persoon aan het Hof.
  Regel 185
  Invrijheidstelling van een persoon aangehouden door het Hof om een andere reden dan die van de uitvoering van zijn straf
  1. Onder voorbehoud van het onderstaande tweede punt treft het Hof, indien een aan het Hof overgedragen persoon wordt vrijgelaten omdat het Hof niet bevoegd is, omdat de zaak gelet op artikel 17, eerste punt, b), c) of d), niet ontvankelijk is, omdat de tenlastelegging gelet op artikel 61 niet bevestigd is, omdat de persoon tijdens de procedure of in beroep is vrijgesproken, of om enige andere reden, zo spoedig mogelijk de maatregelen die het geschikt acht voor de overbrenging van de betrokkene, zulks rekening houdend met zijn advies, naar een Staat die hem moet ontvangen, of naar een andere Staat die aanvaardt hem te ontvangen, of naar een Staat die zijn uitlevering heeft gevraagd met de toestemming van de Staat die hem oorspronkelijk heeft overgedragen. In dit geval vergemakkelijkt de Gaststaat de overbrenging overeenkomstig het akkoord bedoeld in artikel 3, tweede punt, en de ermee verband houdende regelingen.
  2. Indien het Hof een zaak niet ontvankelijk verklaart in de zin van artikel 17, eerste punt, a), treft het de maatregelen die het gepast acht om de betrokkene over te brengen naar de Staat waar het onderzoek of de vervolgingen de motieven voor niet-ontvankelijkheid heeft verstrekt, behalve indien de Staat die oorspronkelijk de persoon heeft overgedragen aan het Hof, om zijn terugkeer verzoekt.
  Regel 186
  Concurrerende verzoeken in het kader van een betwisting van de ontvankelijkheid van een zaak
  In het geval omschreven in artikel 90, achtste punt, deelt de aangezochte Staat zijn beslissing mee aan de aanklager opdat deze laatste zou kunnen handelen volgens artikel 19, tiende punt.
  Afdeling III. - Documenten betreffende de verzoeken om aanhouding en overdracht volgens de artikelen 91 en 92
  Regel 187
  Vertaling van de documenten die de verzoeken tot overdracht vergezellen
  Voor de toepassing van artikel 67, eerste punt, a), en overeenkomstig regel 117, eerste punt, worden de verzoeken ingediend krachtens artikel 91 vergezeld van een vertaling van het aanhoudingsbevel of van het veroordelend vonnis, naar gelang van het geval, alsook van een vertaling van alle relevante bepalingen van het Statuut in een taal die de persoon perfect begrijpt en spreekt.
  Regel 188
  Termijn voor de overlegging van documenten na de voorlopige aanhouding
  Voor de toepassing van artikel 92, derde punt, bedraagt de termijn voor de ontvangst door de aangezochte Staat van het verzoek tot overdracht en van de bewijsstukken 60 dagen te rekenen van de datum van de voorlopige aanhouding.
  Regel 189
  Overzending van de documenten ter ondersteuning van het verzoek
  Indien een persoon ermee heeft ingestemd te worden overgedragen aan het Hof, zoals bepaald in artikel 92, derde punt, en indien de aangezochte Staat overgaat tot de overdracht, moet het Hof de documenten bedoeld in artikel 91 niet verstrekken, behoudens andersluidend beding van de aangezochte Staat.
  Afdeling IV. - Samenwerking uit hoofde van artikel 93
  Regel 190
  Opdracht betreffende de getuigenissen tot veroordeling van hun dader, bijgevoegd bij de dagvaardingen
  Indien het Hof het verzoek bedoeld in artikel 93, eerste punt, e), doet, voegt het een opdracht bij betreffende regel 74 inzake de getuigenissen tot veroordeling van hun dader. Deze opdracht is gericht aan de betrokken getuige en is gesteld in een taal die deze laatste perfect begrijpt en spreekt.
  Regel 191
  Verzekering gegeven door het Hof krachtens artikel 93, tweede punt
  De kamer belast met de zaak, kan, ambtshalve of op verzoek van de aanklager, van de verdediging of van de betrokken getuige of deskundige, beslissen om de waarborg in artikel 93, tweede punt, te geven na de opmerkingen te hebben gehoord van de aanklager en van de betrokken getuige of deskundige.
  Regel 192
  Overbrenging van gedetineerden
  1. De overbrenging van gedetineerden naar het Hof overeenkomstig artikel 93, zevende punt, wordt ingericht door de betrokken nationale autoriteiten samen met de griffier en de autoriteiten van de Gaststaat.
  2. De griffier waakt over het goede verloop van de overbrenging, alsook over de bewaking van de gedetineerde wanneer hij onder toezicht staat van het Hof.
  3. Een door het Hof gedetineerd persoon heeft het recht om voor de bevoegde kamer vragen betreffende de omstandigheden van zijn vasthouding op te werpen.
  4. Overeenkomstig artikel 93, zevende punt, b), organiseert de griffier de terugkeer van de betrokkenen onder het toezicht van de aangezochte Staat wanneer het doel van de overbrenging is bereikt.
  Regel 193
  Tijdelijke overbrenging van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf
  1. De kamer waarbij de zaak op dat moment aanhangig is, kan van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf de tijdelijke overbrenging naar de zetel van het Hof bevelen van iedere persoon die het Hof heeft veroordeeld en wiens getuigenis of enige andere bijstand noodzakelijk is voor het Hof. De bepalingen van artikel 93, zevende punt zijn niet van toepassing.
  2. De griffier waakt over het goede verloop van de overbrenging, samen met de autoriteiten van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf alsook met de autoriteiten van de Gaststaat. Wanneer het doel van de overbrenging is bereikt, zendt het Hof de veroordeelde persoon terug naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf.
  3. De overgebrachte persoon blijft gedetineerd zolang zijn aanwezigheid voor het Hof vereist is. De duur van de detentie op de zetel van het Hof wordt integraal in mindering gebracht van de te vervullen straf.
  Regel 194
  Samenwerking verzocht aan het Hof
  1. Overeenkomstig artikel 93, tiende punt, en, mutatis mutandis, van artikel 96, kan een Staat aan het Hof een verzoek tot samenwerking of bijstand overzenden, gesteld in een van de twee werktalen van het Hof of vergezeld van een vertaling in een van deze talen.
  2. De verzoeken omschreven in bovenstaand eerste punt, worden gericht aan de griffier die ze, naar gelang van het geval, aan de aanklager of aan de betrokken kamer overzendt.
  3. Indien uit hoofde van artikel 68 beschermingsmaatregelen getroffen zijn, houdt de aanklager of de kamer, naar gelang van het geval, rekening met de opmerkingen van de kamer die deze maatregelen heeft bevolen, alsook met de opmerkingen van het slachtoffer of de betrokken getuige vooraleer zich uit te spreken.
  4. Ingeval het verzoek betrekking heeft op documenten of bewijsstukken bedoeld in artikel 93, tiende punt, b), ii), verkrijgt de aanklager of de kamer, naar gelang van het geval, de schriftelijke toestemming van de betrokken Staat vooraleer gevolg te geven aan het verzoek.
  5. Indien het Hof beslist recht te doen aan het verzoek tot samenwerking of bijstand uitgaande van een Staat, handelt het in de mate van het mogelijke overeenkomstig de procedure aangegeven door de verzoekende Staat in zijn verzoek en in aanwezigheid van de door deze Staat aangewezen personen.
  Afdeling V. - Samenwerking uit hoofde van artikel 98
  Regel 195
  Mededeling van informatie
  1. Een aangezochte Staat, die aan het Hof laat weten dat een verzoek tot overdracht of bijstand voor een probleem zorgt bij de tenuitvoerlegging in de zin van artikel 98, verstrekt hem alle nuttige informatie om hem te helpen bij de toepassing van artikel 98. Iedere derde Staat of betrokken Zendstaat kan aanvullende informatie verstrekken om het Hof te helpen.
  2. Het Hof kan de tenuitvoerlegging van een verzoek tot overdracht niet voortzetten zonder de toestemming van een Zendstaat, indien krachtens artikel 98, tweede punt, het verzoek tot overdracht onverenigbaar is met de verplichtingen die voortvloeien uit internationale overeenkomsten op grond waarvan de toestemming van de Zendstaat noodzakelijk is opdat een persoon van deze Staat aan het Hof zou kunnen worden overgedragen.
  Afdeling VI. - Specialiteitsbeginsel vermeld in artikel 101
  Regel 196
  Overlegging van opmerkingen betreffende artikel 101, eerste punt
  Iedere persoon die aan het Hof is overgedragen, kan opmerkingen overleggen over wat die persoon beschouwt als een schending van de bepalingen van artikel 101, eerste punt.
  Regel 197
  Uitbreiding van de overdracht
  Indien het Hof een afwijking van de in artikel 101, eerste punt, gestelde voorwaarden vraagt, kan de aangezochte Staat het Hof verzoeken de door de overgedragen persoon overgelegde opmerkingen te verzamelen en deze hem mee te delen.

  Art. 12N. HOOFDSTUK 12. - Tenuitvoerlegging
  Afdeling 1. - Rol van de Staten in de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen en wijziging van de aanwijzing van de Staat belast met de tenuitvoerlegging volgens de artikelen 103 en 104
  Regel 198
  Mededelingen tussen het Hof en de Staten
  Behalve indien de context het uitsluit, gelden artikel 87 en de regels 176 tot 180, indien van toepassing, voor de mededelingen tussen het Hof en een Staat betreffende de tenuitvoerlegging van de straffen.
  Regel 199
  Orgaan belast met de toepassing van hoofdstuk X
  Behoudens andersluidend beding van dit reglement worden de functies van het Hof krachtens hoofdstuk X van het Statuut door het Voorzitterschap uitgeoefend.
  Regel 200
  Lijst van de Staten belast met de tenuitvoerlegging
  1. De lijst van de Staten die zich bereid hebben verklaard om veroordeelde personen te ontvangen, wordt opgesteld en bijgehouden door de griffier.
  2. Het Voorzitterschap schrijft een Staat niet in op de lijst, bedoeld in artikel 103, eerste punt, a), indien het niet de voorwaarden goedkeurt waarvan deze Staat zijn aanvaarding afhankelijk stelt. Het Voorzitterschap kan deze Staat om aanvullende informatie verzoeken alvorens een beslissing te nemen.
  3. Een Staat die zijn aanvaarding afhankelijk heeft gesteld van voorwaarden, kan deze voorwaarden op ieder ogenblik intrekken. Iedere wijziging en iedere toevoeging moet door het Voorzitterschap worden bevestigd.
  4. Een Staat kan op ieder ogenblik de Griffier ervan op de hoogte brengen dat hij niet meer wenst voor te komen op de lijst. De intrekking heeft geen gevolgen op de tenuitvoerlegging van de straffen van de personen die de Staat reeds heeft aanvaard te ontvangen.
  5. Het Hof kan bilaterale schikkingen treffen met de Staten teneinde een kader uit te werken voor de ontvangst van personen die het heeft veroordeeld. Deze schikkingen zijn in overeenstemming met het Statuut.
  Regel 201
  Beginselen inzake eerlijke verdeling
  De beginselen inzake eerlijke verdeling vermeld in artikel 103, derde punt, omvatten :
  a) het beginsel inzake de eerlijke geografische verdeling;
  b) de noodzaak om enige Staat op de lijst de mogelijkheid te bieden veroordeelde personen te aanvaarden;
  c) het aantal veroordeelde personen reeds aanvaard door deze Staat en door andere Staten belast met de tenuitvoerlegging van de door het Hof uitgesproken straffen;
  d) alle andere relevante gegevens.
  Regel 202
  Tijdstip van de overbrenging van de veroordeelde persoon naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging
  De overbrenging van een veroordeelde persoon van het Hof naar de aangewezen Staat belast met de tenuitvoerlegging vindt slechts plaats nadat de beslissing over de veroordeling en de beslissing over de straf definitief zijn.
  Regel 203
  Opmerkingen van de veroordeelde persoon
  1. Het Voorzitterschap stelt de veroordeelde persoon schriftelijk ervan in kennis dat het voornemens is een Staat belast met de tenuitvoerlegging aan te wijzen. De veroordeelde persoon dient zijn opmerkingen terzake schriftelijk in bij het Voorzitterschap binnen de hem opgelegde termijn.
  2. Het Voorzitterschap kan de veroordeelde persoon toestaan mondelinge bedenkingen te maken.
  3. Het Voorzitterschap moet de veroordeelde persoon de gelegenheid bieden :
  a) zich indien nodig te laten bijstaan door een bekwame tolk en alle vertalingen te krijgen die nodig zijn om zijn opvattingen kenbaar te maken;
  b) de nodige tijd en middelen te krijgen om het kenbaar maken van zijn opvattingen voor te bereiden.
  Regel 204
  Informatie betreffende de aanwijzing
  Wanneer het Voorzitterschap de aangewezen Staat in kennis stelt van zijn beslissing, doet het tevens de volgende informatie en stukken toekomen :
  a) de naam, nationaliteit, datum en plaats van geboorte van de veroordeelde persoon;
  b) een afschrift van het definitieve vonnis tot veroordeling en van de uitgesproken straf;
  c) de duur en de aanvangsdatum van de straf en de duur van de nog te ondergane straf;
  d) na raadpleging van de veroordeelde persoon, alle nuttige informatie over diens gezondheidstoestand, daaronder begrepen de behandelingen die hij volgt.
  Regel 205
  Verwerping van de aanwijzing in een bepaalde zaak
  Ingeval de aangewezen Staat zich in een bepaalde zaak terugtrekt, kan het Voorzitterschap een andere Staat aanwijzen.
  Regel 206
  Overbrenging van de veroordeelde persoon naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging
  1. De griffier brengt de aanklager en de veroordeelde persoon op de hoogte van de naam van de Staat aangewezen voor de tenuitvoerlegging van de straf.
  2. De veroordeelde persoon wordt overgebracht naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging zodra deze heeft aanvaard.
  3. De griffier waakt over het goede verloop van de overbrenging, in overleg met de autoriteiten van de Staat belast met de tenuitvoerlegging en van de Gaststaat.
  Regel 207
  Doorvoer
  1. Ingeval de veroordeelde persoon door de lucht wordt vervoerd en geen landing op het grondgebied van de Staat van doorvoer is gepland, is geen toestemming vereist. Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het grondgebied van de Staat van doorvoer, plaatst deze Staat de veroordeelde persoon in detentie tot de ontvangst van het in onderstaand tweede punt bedoeld verzoek om doorvoer of een verzoek om overdracht krachtens artikel 89, eerste punt, of artikel 93, voor zover zijn nationaal recht zulks mogelijk maakt.
  2. Voor zover het nationaal recht die mogelijkheid biedt, machtigen de Staten die Partij zijn de doorvoer van een veroordeeld persoon over hun grondgebied en zijn indien nodig artikel 89, derde punt, b) en c), en de artikelen 105 en 108 en alle desbetreffende regels van toepassing. Een afschrift van het definitief vonnis van veroordeling en van de uitgesproken straf wordt bij het verzoek om doorvoer gevoegd.
  Regel 208
  Kosten
  1. De gewone kosten voor de tenuitvoerlegging van de straf op het grondgebied van de Staat belast met de tenuitvoerlegging worden gedragen door die Staat.
  2. De andere kosten, inzonderheid de kosten voor het vervoer van de veroordeelde persoon en de kosten bedoeld in artikel 100, eerste punt, c), d) en e), worden gedragen door het Hof.
  Regel 209
  Wijziging van de Staat belast met de tenuitvoerlegging
  1. Het Voorzitterschap kan te allen tijde, ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde persoon of van de aanklager optreden zoals bepaald in artikel 104, eerste punt.
  2. Het verzoek van de veroordeelde persoon of van de aanklager wordt schriftelijk ingediend en bevat de redenen waarom om de overbrenging wordt verzocht.
  Regel 210
  Procedure van toepassing in geval van wijziging van de Staat belast met de tenuitvoerlegging
  1. Alvorens te beslissen tot de aanwijzing van een andere Staat belast met de tenuitvoerlegging, kan het Voorzitterschap :
  a) de opmerkingen van de Staat belast met de tenuitvoerlegging vragen;
  b) de schriftelijke of mondelinge opmerkingen van de veroordeelde persoon en van de aanklager onderzoeken;
  c) een schriftelijk of mondeling deskundigenverslag onderzoeken, inzonderheid betreffende de veroordeelde persoon;
  d) alle andere relevante informatie uit iedere geloofwaardige bron verzamelen.
  2. Regel 203, derde punt, is van toepassing indien zulks nodig is.
  3. Ingeval het Voorzitterschap weigert een andere Staat belast met de tenuitvoerlegging aan te wijzen, brengt het de veroordeelde persoon, de aanklager en de griffier zo spoedig mogelijk op de hoogte van zijn beslissing, die met redenen is omkleed. Het brengt tevens de Staat belast met de tenuitvoerlegging op de hoogte.
  Afdeling II. - Tenuitvoerlegging, toezicht en overbrenging volgens de artikelen 105, 106 en 107
  Regel 211
  Toezicht op de tenuitvoerlegging van de straf en detentievoorwaarden
  1. Het toezicht van het Voorzitterschap op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen omvat :
  a) zorgen voor de naleving van artikel 106, derde punt, in overleg met de Staat belast met de tenuitvoerlegging, wanneer regelingen worden getroffen opdat de veroordeelde persoon zijn recht om in contact te treden met het Hof inzake zijn detentievoorwaarden zou kunnen uitoefenen;
  b) de mogelijkheid om de Staat belast met de tenuitvoerlegging of enige andere geloofwaardige bron te verzoeken om enige inlichting, verslag of deskundigenonderzoek die het nodig heeft;
  c) de mogelijkheid om indien van toepassing een rechter of een personeelslid van het Hof af te vaardigen om de veroordeelde persoon te ontmoeten, na zulks ter kennis te hebben gebracht van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf, en hem te horen zonder dat de autoriteiten van het land daarbij aanwezig zijn;
  d) indien van toepassing, de Staat belast met de tenuitvoerlegging de mogelijkheid bieden opvattingen kenbaar te maken over door de veroordeelde persoon geuite zienswijzen, overeenkomstig bovenstaand punt c).
  2. Ingeval een veroordeelde persoon terecht aanspraak kan maken op een programma of een voordeel dat de gevangenis aanbiedt krachtens de wetgeving van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf en zulks activiteiten buiten de gevangenis kan onderstellen, brengt de Staat belast met de tenuitvoerlegging zulks ter kennis van het Voorzitterschap, samen met alle andere informatie of opmerkingen die het toezicht van het Hof mogelijk maken.
  Regel 212
  Inlichtingen betreffende de plaats waar de persoon verblijft met het oog op de tenuitvoerlegging van geldboetes, verbeurdverklaringen en herstelmaatregelen
  Met het oog op de tenuitvoerlegging van door het Hof uitgesproken geldboetes, verbeurdverklaringen en herstelmaatregelen kan het Voorzitterschap de Staat belast met de tenuitvoerlegging te allen tijde of ten minste 30 dagen voor het geplande einde van de door de veroordeelde persoon volbrachte straf verzoeken hem iedere nuttige inlichting mee te delen inzake zijn voornemen de belanghebbende te machtigen op zijn grondgebied te blijven of inzake de bestemming waarnaar hij voornemens is hem over te brengen.
  Regel 213
  Procedure van toepassing op het geval bedoeld in artikel 107, derde punt
  In het geval bedoeld in artikel 107, derde punt, geldt de procedure bepaald in de regels 214 en 215 indien van toepassing.
  Afdeling III. - Beperkingen op het stuk van de vervolging of de veroordeling wegens andere misdrijven op grond van artikel 108
  Regel 214
  Verzoek met het oog op het instellen van vervolging of de tenuitvoerlegging van een straf wegens vroegere gedragingen
  1. Ingeval de Staat belast met de tenuitvoerlegging de veroordeelde persoon wenst te vervolgen of een straf te laten ondergaan wegens een aan zijn overbrenging voorafgaande gedraging, brengt hij zulks met het oog op de toepassing van artikel 108 ter kennis van het Voorzitterschap, waaraan hij de volgende stukken verstrekt :
  a) een uiteenzetting van de feiten, samen met de juridische omschrijving ervan;
  b) een afschrift van enige toepasselijk wettelijke bepaling, daaronder begrepen deze inzake verjaring en inzake de toepasselijke straffen;
  c) een afschrift van enige beslissing waarin een straf wordt opgelegd, enig aanhoudingsbevel of ander document met dezelfde uitwerking, of van enige gerechtelijke akte waarvan de Staat de tenuitvoerlegging wil voortzetten;
  d) een protocol met de opmerkingen van de veroordeelde persoon, verzameld nadat de betrokkene voldoende was ingelicht over de procedure.
  2. In geval van een verzoek om uitlevering van een andere Staat, brengt de Staat belast met de tenuitvoerlegging dit verzoek onverkort ter kennis van het Voorzitterschap, samen met de opmerkingen van de veroordeelde persoon, na hem voldoende te hebben ingelicht over het verzoek om uitlevering.
  3. Het Voorzitterschap kan in alle gevallen enig aanvullend stuk of aanvullende informatie vragen aan de Staat belast met de tenuitvoerlegging of aan de Staat die om de uitlevering verzoekt.
  4. Ingeval de persoon aan het Hof werd overgedragen door een andere Staat dan de Staat belast met de tenuitvoerlegging, raadpleegt het Voorzitterschap de Staat die de persoon heeft overgedragen en houdt het rekening met zijn zienswijzen.
  5. De stukken en informatie die krachtens de bovenstaande punten 1 tot 4 aan ht Voorzitterschap zijn meegedeeld, worden overgezonden aan de aanklager, die opmerkingen kan formuleren.
  6. Het Voorzitterschap kan beslissen een zitting te houden.
  Regel 215
  Beslissing betreffende een verzoek ingediend met het oog op het instellen van vervolging of de tenuitvoerlegging van een straf
  1. Het Voorzitterschap neemt zo spoedig mogelijk een beslissing die ter kennis wordt gebracht van alle deelnemers aan de procedure.
  2. Ingeval het krachtens regel 214, eerste of tweede punt, ingediende verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een straf, kan de veroordeelde persoon deze straf enkel volbrengen in de Staat die door het Hof belast is met de tenuitvoerlegging van de door hem uitgesproken straf of worden uitgeleverd aan een derde staat nadat hij de volledige door het Hof uitgesproken straf heeft volbracht, onder voorbehoud van artikel 110.
  3. Het Voorzitterschap staat de tijdelijke uitlevering van de veroordeelde persoon naar een derde staat met het oog op vervolging enkel toe op voorwaarde dat het als voldoende geachte waarborgen heeft dat de veroordeelde persoon in detentie wordt gehouden in de derde staat en na afloop van de vervolgingen opnieuw wordt overgebracht naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de door het Hof uitgesproken straf.
  Regel 216
  Informatie betreffende de tenuitvoerlegging
  Het Voorzitterschap vraagt de Staat belast met de tenuitvoerlegging hem in te lichten over enige belangrijke gebeurtenis betreffende de veroordeelde persoon en over alle vervolgingen tegen die persoon ingesteld wegens feiten gepleegd na zijn overbrenging.
  Afdeling IV. - Betaling van geldboetes en tenuitvoerlegging van maatregelen tot verbeurdverklaring en beschikkingen tot herstelbetaling
  Regel 217
  Samenwerking en maatregelen met het oog op de tenuitvoerlegging van geldboeten, maatregelen houdende verbeurdverklaring of beschikkingen tot herstelbetaling
  Met het oog op de tenuitvoerlegging van geldboeten, maatregelen houdende verbeurdverklaring of beschikkingen tot herstelbetaling doet het Voorzitterschap naar gelang van het geval een beroep op samenwerking en maatregelen inzake de tenuitvoerlegging overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk IX : het bezorgt een afschrift van de relevante beslissingen aan enige Staat waarmee de veroordeelde persoon een rechtstreekse band schijnt te hebben op grond van zijn nationaliteit, zijn woonplaats, zijn gewone verblijfplaats of de plaats van zijn vermogensbestanddelen of goederen, of waarmee het slachtoffer een gelijkaardige band heeft. Het Voorzitterschap brengt indien van toepassing de Staat op de hoogte van enig verzoek gedaan door een derde of van het gegeven dat de personen die een kennisgeving van krachtens artikel 75 gevoerde procedures hebben ontvangen, geen enkel verzoek hebben gedaan.
  Regel 218
  Beschikkingen tot verbeurdverklaring en tot herstelbetaling
  1. Opdat de Staten gevolg zouden kunnen geven aan een beschikking tot verbeurdverklaring, bevat zij de volgende gegevens :
  a) de identiteit van de persoon tegen wie ze is gegeven;
  b) de inkomsten, goederen en vermogensbestanddelen waarvan het Hof de verbeurdverklaring beveelt; en
  c) ingeval een Staat die Partij is geen gevolg kan geven aan de beschikking tot verbeurdverklaring met betrekking tot de bedoelde opbrengsten, goederen of vermogensbestanddelen, maatregelen moet treffen om de waarde ervan te recupereren.
  2. Ingeval het Hof de Staten verzoekt om samenwerking of om de goedkeuring van maatregelen inzake de tenuitvoerlegging, verschaft het hen eveneens de informatie waarover het beschikt met betrekking tot de plaats waar de in de beschikking tot verbeurdverklaring bedoelde opbrengsten, goederen en vermogensbestanddelen zich bevinden.
  3. Opdat de Staten gevolg zouden kunnen geven aan een beschikking tot herstelbetaling, bevat zij de volgende gegevens :
  a) de identiteit van de persoon tegen wie ze is gegeven;
  b) in geval van herstelbetalingen van financiŽle aard, de identiteit van de slachtoffers aan wie individuele herstelbetalingen zijn toegekend of, ingeval het bedrag van de herstelbetalingen aan het Trustfonds moet worden gestort, de gegevens van de rekening van het Fonds waarin het moet worden gestort; en
  c) de omvang en de aard van de door het Hof bevolen herstelbetalingen, daaronder begrepen de goederen en vermogensbestanddelen waarvan de teruggave werd bevolen.
  4. Ingeval het Hof individuele herstelbetalingen toekent, krijgt het slachtoffer een afschrift van de beschikking.
  Regel 219
  Niet-wijziging van de beschikkingen tot herstelbetaling
  Ingeval het Voorzitterschap krachtens regel 217 een afschrift van de beschikkingen tot herstelbetaling overzendt aan de Staten die Partij zijn, brengt het hen ter kennis dat hun nationale autoriteiten op het tijdstip dat zij gevolg geven aan een beschikking tot herstelbetaling, noch de door het Hof bepaalde herstelbetalingen, noch de aard of de omvang van de schade, het verlies of het letsel zoals bedoeld door het Hof, en evenmin de in de beslissing vermelde beginselen mogen wijzigen, alsmede dat zij de tenuitvoerlegging ervan moeten vergemakkelijken.
  Regel 220
  Niet-wijziging van de vonnissen waarbij geldboetes worden opgelegd
  Ingeval het Voorzitterschap met het oog op de tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 109 en regel 217, aan de Staten die Partij zijn een afschrift overzendt van de vonnissen waarin een geldboete wordt opgelegd, brengt het hen ter kennis dat hun nationale autoriteiten op het tijdstip dat zij het vonnis ten uitvoer laten leggen, de opgelegde geldboetes niet mogen wijzigen.
  Regel 221
  Beslissing betreffende de verkoop ofde beslissing.
  Afdeling V. - Onderzoek van een strafvermindering bedoeld in artikel 110
  Regel 223
  Criteria voor het onderzoek van een strafvermindering
  Bij het onderzoek van een strafvermindering krachtens artikel 110, derde en vijfde punt, houden de drie rechters van de Kamer van beroep rekening met de criteria opgesomd in artikel 110, vierde punt, a) en b), alsook met de volgende criteria :
  a) het gegeven dat de gedraging van de veroordeelde persoon in detentie aantoont dat betrokkene zijn misdaad verloochent;
  b) de kansen op een geslaagde resocialisatie en reÔntegratie van de veroordeelde persoon;
  c) het gegeven dat de vervroegde invrijheidstelling van de veroordeelde persoon geen aanleiding kan geven tot aanzienlijke maatschappelijke instabiliteit;
  d) enige belangrijke handeling van de veroordeelde persoon ten voordele van de slachtoffers en de mogelijke gevolgen van de vervroegde invrijheidstelling voor de slachtoffers en hun familieleden;
  e) de persoonlijke situatie van de veroordeelde persoon, te weten de verslechtering van zijn lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand of zijn gevorderde leeftijd.
  Regel 224
  Procedure van toepassing op het onderzoek van een strafvermindering
  1. Met het oog op de toepassing van artikel 110, derde punt, houden drie rechters van de Kamer van beroep, aangewezen door die kamer, een zitting, behalve indien zij daarover uitzonderlijk anders beslissen. De zitting vindt plaats in aanwezigheid van de veroordeelde persoon, die indien nodig kan worden bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk. De drie rechters van de Kamer van beroep vragen de aanklager, de Staat belast met de tenuitvoerlegging van een krachtens artikel 77 uitgesproken straf of een krachtens artikel 75 gegeven beschikking tot herstelbetaling, alsook, voor zover mogelijk, de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die aan de procedure hebben deelgenomen, aan de zitting deel te nemen of schriftelijke opmerkingen over te leggen. In uitzonderlijke omstandigheden kan de zitting door middel van videoconferentie plaatsvinden of in de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf worden gehouden door een rechter afgevaardigd door de Kamer van beroep.
  2. Dezelfde drie rechters delen hun beslissing en hun overwegingen zo spoedig mogelijk mee aan al degenen die aan de onderzoeksprocedure hebben deelgenomen.
  3. Met het oog op de toepassing van artikel 110, vijfde punt, onderzoeken drie rechters van de Kamer van beroep, aangewezen door die Kamer, om de drie jaar een strafvermindering, behalve ingeval de kamer een kortere tussentijd heeft bepaald in een beslissing genomen krachtens artikel 110, derde punt. In geval van een aanzienlijke wijziging van de omstandigheden kunnen deze drie rechters de veroordeelde persoon machtigen een nieuw onderzoek te vragen tijdens deze periode van drie jaar of enige kortere tussentijd die zij hebben bepaald.
  4. Met het oog op een nieuw onderzoek krachtens artikel 110, vijfde punt, vragen drie rechters van de Kamer van beroep, aangewezen door die kamer, de schriftelijke opvattingen van de veroordeelde persoon of van zijn raadsman, van de aanklager, van de Staat belast met de tenuitvoerlegging van een krachtens artikel 77 uitgesproken straf of een krachtens artikel 75 gegeven beschikking tot herstelbetaling, alsook, voor zover mogelijk, van de slachtoffers of hun wettelijke vertegenwoordigers die aan de procedure hebben deelgenomen. De drie rechters kunnen eveneens beslissen een zitting te houden.
  5. Dezelfde drie rechters delen hun beslissing en hun overwegingen zo spoedig mogelijk mee aan al degenen die aan de onderzoeksprocedure hebben deelgenomen.
  Afdeling VI. - Ontvluchting
  Regel 225
  Maatregelen krachtens artikel 111 in geval van ontvluchting1. Ingeval de veroordeelde persoon ontvlucht is, brengt de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf de griffier zo spoedig mogelijk hiervan op de hoogte aan de hand van enig middel dat een schriftelijk bewijs oplevert. Het Voorzitterschap treedt vervolgens op overeenkomstig Hoofdstuk IX.2. Ingeval de Staat waarin de veroordeelde persoon zich bevindt evenwel erin toestemt hem over te dragen aan de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf, hetzij op grond van internationale overeenkomsten, hetzij op grond van zijn nationale wetgeving, brengt de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf de griffier schriftelijk hiervan op de hoogte. De overdracht van de betrokkene aan de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf gebeurt zo spoedig mogelijk, indien nodig na raadpleging van de griffier, die alle nodige bijstand verleent. Indien nodig worden de verzoeken om doortocht voorgelegd aan de betrokken Staten, overeenkomstig regel 207. Ingeval geen enkele Staat de kosten in verband met de overdracht van de veroordeelde persoon draagt, worden ze gedragen door het Hof.3. Ingeval de veroordeelde persoon aan het Hof wordt overgedragen op grond van Hoofdstuk IX, gaat het Hof over tot zijn overbrenging naar de Staat belast met de tenuitvoerlegging van de straf. Overeenkomstig artikel 103 en de regels 203 tot 206 kan het Voorzitterschap ambtshalve of op verzoek van de aanklager of van de aanvankelijk met de tenuitvoerlegging van de straf belaste Staat evenwel een andere Staat aanwijzen, eventueel de Staat naar welke de veroordeelde persoon gevlucht is.4. De detentie ondergaan op het grondgebied van de Staat waar de veroordeelde persoon na zijn ontvluchting in detentie is gehouden en, ingeval het bovenstaand derde punt van toepassing is, de detentie ondergaan op de zetel van het Hof na de overdracht van betrokkene, wordt in alle gevallen volledig in mindering gebracht op de nog te vervullen straf.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Preambule
   Zich bewust van het feit dat alle volken verenigd zijn door nauwe banden en hun culturen zijn samengebracht in een gemeenschappelijk erfgoed, en bezorgd dat dit broze mozaÔek ieder moment kan uiteenvallen,
   Indachtig het feit dat in de loop van deze eeuw miljoenen kinderen, vrouwen en mannen het slachtoffer zijn geweest van onvoorstelbare wreedheden die het geweten van de mensheid hevig schokken,
   Erkennend dat dergelijke zware misdaden een gevaar vormen voor de vrede, de veiligheid en het welzijn van de wereld,
   Bevestigend dat de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen niet onbestraft mogen blijven en dat een doeltreffende vervolging daarvan moet worden verzekerd door het treffen van maatregelen op nationaal niveau en door het versterken van de internationale samenwerking,
   Vastbesloten paal en perk te stellen aan de straffeloosheid van de daders van deze misdaden en daardoor bij te dragen aan het voorkomen van dergelijke misdaden,
   In herinnering brengend dat het de plicht is van elke Staat om zijn rechtsmacht in strafzaken uit te oefenen over degenen die verantwoordelijk zijn voor internationale misdrijven,
   Opnieuw bevestigend de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en meer in het bijzonder het feit dat alle Staten zich moeten onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld ten aanzien van de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een Staat, of van elke andere daad die onverenigbaar is met de doeleinden van de Verenigde Naties,
   Benadrukkend in dit verband dat niets in dit Statuut mag worden beschouwd als een machtiging aan een Staat die Partij is om te interveniŽren in een gewapend conflict in de binnenlandse aangelegenheden van een Staat,
   Vastbesloten hiertoe, alsmede in het belang van de huidige en toekomstige generaties, een onafhankelijk permanent Internationaal Strafgerechtshof in samenhang met het systeem van de Verenigde Naties op te richten, met rechtsmacht ten aanzien van de ernstigste misdaden die de gehele internationale gemeenschap met zorg vervullen,
   Benadrukkend dat het krachtens dit Statuut opgerichte Internationale Strafgerechtshof complementair zal zijn aan de nationale rechtsmacht in strafzaken,
   Vastbesloten een duurzame eerbiediging van de naleving van internationale rechtspleging te waarborgen,
   Zijn overeengekomen als volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • VERDRAG VAN 11-06-2010 GEPUBL. OP 03-03-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 8bis; 15bis; 15ter; 25; 9; 20)
  • BEELD
  • VERDRAG VAN 10-06-2010 GEPUBL. OP 03-03-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 8)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie