J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1998/06/22/1998014160/justel

Titel
22 JUNI 1998. - Koninklijk besluit betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-07-1998 en tekstbijwerking tot 01-09-2015)

Bron : VERKEERSWEZEN
Publicatie : 24-07-1998 nummer :   1998014160 bladzijde : 23990       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 1998-06-22/39
Inwerkingtreding : 24-07-1998

Inhoudstafel Tekst Begin
EERSTE HOOFDSTUK. - Algemeen.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Bestek voor de openbare telecommunicatienetwerken.
Art. 2
Afdeling 1. - Economisch vermogen en technische bekwaamheid.
Art. 3
Afdeling 2. - Essentiële eisen.
Onderafdeling 1. - Algemeen.
Art. 4
Onderafdeling 2. - In het kader van de toegang tot en het gebruik van het netwerk.
Art. 5
Onderafdeling 3. - In het kader van de interconnectie.
Art. 6
Onderafdeling 4. - (Opgeheven) <W 2001-01-02/30, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 03-01-2001>
Art. 6bis
Onderafdeling 5. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 2; Inwerkingtreding : 29-12-2000> - Ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk.
Art. 6ter, 6quater, 6quinquies, 6sexies
Onderafdeling 6. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 3; Inwerkingtreding : 29-12-2000> - In het kader van de toegang tot binair debiet.
Art. 6septies, 6octies, 6nonies
Afdeling 3. - Aard, karakteristieken en dekkingszone.
Art. 7
Afdeling 4. - Permanentie, kwaliteit en beschikbaarheid van het netwerk.
Art. 8
Afdeling 5. - Bescherming van de abonnees en van de gegevens.
Art. 9
Afdeling 6. - Technische normen en specificaties.
Art. 10
Afdeling 7. - Nummeringsplan.
Art. 11
Afdeling 8. - Verschuldigde rechten voor de uitreiking van, het beheer van en het toezicht op de vergunning.
Art. 12-13, 13bis, 14-16
Afdeling 9. - Voorwaarden inzake het gebruik van het openbaar domein en de eigendommen.
Art. 17
Afdeling 10. - Verplichtingen in verband met het toezicht op de naleving van de vergunning.
Art. 18
Afdeling 11. - Rechten en plichten met betrekking tot interconnectie.
Art. 19
Afdeling 12. - Noodzakelijke voorwaarden om de interoperabiliteit van de netwerken, de gelijke behandeling en de informatie aan de gebruikers te garanderen, onder andere de contractuele voorwaarden voor de levering van het netwerk.
Art. 20
Afdeling 13. - Sancties bij niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden.
Art. 21
Afdeling 14. - Voorwaarden ter voorkoming van een concurrentievervalsend gedrag.
Art. 22
Afdeling 15. - Verplichtingen inzake universeledienstverlening.
Art. 23
Afdeling 16. - Nadere regels inzake samenwerking met de nooddiensten, waaronder het meedelen van de identiteit van de oproeper van deze diensten.
Art. 24
Afdeling 17. - Bijdrage tot het wetenschappelijk onderzoek op telecommunicatiegebied en tot de ontwikkeling van de markt, onder andere via de verbetering van de toegang, zonder uitsluitingen, tot die markt teneinde de levering van telecommunicatiediensten te vergemakkelijken.
Art. 25
Afdeling 18. - Voorwaarden die nodig zijn om de gelijke behandeling van internationale operatoren te garanderen.
Art. 26
HOOFDSTUK III. - Procedure voor toekenning, aanpassing en overdracht van de vergunning.
Afdeling 1. - Indienen van de aanvragen.
Art. 27
Afdeling 2. - Onderzoek van de aanvragen.
Art. 28
Afdeling 3. - Toekenning van de vergunning.
Art. 29
Afdeling 4. - Aanpassing van de vergunning.
Art. 30, 30bis
Afdeling 5. - Overdracht van de vergunning.
Art. 31
HOOFDSTUK IIIbis. - (Radio-electrische aspecten voor de openbare telecommunicatienetten met vaste lokale radioverbindingen). <Ingevoegd bij KB 2000-06-27/32, art. 6; Inwerkingtreding : 17-08-2000>
Art. 31bis, 31ter, 31quater, 31quinquies, 31sexies, 31septies, 31octies
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.
Art. 32-33
HOOFDSTUK V. - Overgangs- en slotbepalingen.
Art. 34-37
BIJLAGE.
Art. N, 1N, 2N, 3N, 4N, 5N, 6N, 7N, 8N, 9N, 10N

Tekst Inhoudstafel Begin
EERSTE HOOFDSTUK. - Algemeen.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° wet : wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  2° Minister : de Minister of de Staatssecretaris die de telecommunicatie onder zijn bevoegdheid heeft;
  3° Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort "B.I.P.T.", bedoeld in artikel 71 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  4° operator : persoon die houder is van een individuele vergunning voor de aanleg en exploitatie van een openbaar telecommunicatienetwerk;
  5° individuele vergunning : vergunning verleend op basis van dit besluit;
  6° openbare telecommunicatiedienst : telecommunicatiedienst in de zin van artikel 68, 19° van de wet die aan het publiek aangeboden wordt;
  7° openbaar telecommunicatienet : telecommunicatienet in de zin van artikel 68, 5°bis van de wet;
  (8° vaste lokale radioverbindingen: de transmissiesystemen en, in voorkomend geval, schakelapparatuur en andere hulpmiddelen die het mogelijk maken signalen tussen een welbepaald vast radiostation en eindgebruikers over te brengen via radiogolven;
  9° basisstation: site waar één of meer vaste radiostations zijn geïnstalleerd die door middel van een systeem van vaste lokale radioverbindingen een of meer eindgebruikers met een openbaar telecommunicatienet verbinden;
  10° maximale capaciteit van een basisstation: het maximale numeriek debiet, uitgedrukt in megabit per seconde, dat het basisstation op gelijk welk ogenblik kan verwerken, hierin niet begrepen de capaciteit die door het systeem zelf wordt gebruikt voor de interne signalisatie van het netwerk;
  11° maximale totale capaciteit van het gedeelte van het netwerk dat werkt met vaste lokale radioverbindingen: som van de maximale capaciteiten van elk basisstation dat door de operator wordt geëxploiteerd hierna "maximale totale capaciteit" genoemd.) <KB 2000-06-27/32, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 17-08-2000>
  (12° toegang tot binair debiet : een vorm van bijzondere toegang die bestaat uit het verlenen van toegang tot een bitsnelheid als transmissiecapaciteit naar een eindgebruiker waarbij de toegangsleverancier de technische specificaties van de interface bij de eindgebruiker vastlegt, alsook de apparatuur die bij de toegangsleverancier geïnstalleerd is en direct verbonden is aan het koperpaar.) <KB 2000-12-12/39, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 29-12-2000>

  HOOFDSTUK II. - Bestek voor de openbare telecommunicatienetwerken.

  Art. 2. Het bestek voor de openbare telecommunicatienetwerken bevat alle voorwaarden voor de aanleg en exploitatie van een openbaar telecommunicatienet.

  Afdeling 1. - Economisch vermogen en technische bekwaamheid.

  Art. 3. De operator voorziet in voldoende financiële en technische middelen met het oog op de aanleg, de exploitatie en de duurzaamheid van het net, onder andere inzake voldoende waarborgen met betrekking tot de financiering van de werkingskosten ervan, vastgelegd in het ondernemingsplan.
  (Lid 2 tot 4 opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Afdeling 2. - Essentiële eisen.

  Onderafdeling 1. - Algemeen.

  Art. 4. De operator zorgt ervoor dat de toegang tot de verbindingen die hij wenst aan te leggen of te exploiteren, voldoet aan de essentiële eisen zoals bepaald in artikel 107, § 3, lid 3 van de wet.

  Onderafdeling 2. - In het kader van de toegang tot en het gebruik van het netwerk.

  Art. 5. De operator brengt zijn klanten op de hoogte van de verplichting om enkel gebruik te maken van (apparatuur die voldoet aan alle wettelijke voorwaarden). <KB 2000-10-27/44, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  (Lid 2 opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  Indien de operator vaststelt dat een klant (apparatuur die niet voldoet aan alle wettelijke voorwaarden) op het openbaar telecommunicatienet heeft aangesloten, kan hij deze klant vragen de betreffende apparatuur af te koppelen. Wanneer die klant onbereikbaar is of niet ingaat op dit verzoek kan de operator de toegang tot het netwerk schorsen tot de apparatuur daadwerkelijk is afgekoppeld. De operator brengt deze klant zo vlug mogelijk en uiterlijk de volgende werkdag op de hoogte van deze schorsing. <KB 2000-10-27/44, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Onderafdeling 3. - In het kader van de interconnectie.

  Art. 6. § 1. De operator neemt de maatregelen die hij vermeldt in zijn interconnectieovereenkomsten om de naleving van de essentiële eisen te garanderen, in het bijzonder :
  1° de veiligheid van de werking van het netwerk;
  2° het behoud van de integriteit van het netwerk;
  3° de interoperabiliteit van diensten, onder andere met het oog op het garanderen, samen met de geïnterconnecteerde operatoren, van een eind-tot-eindkwaliteit;
  4° de gegevensbescherming, in de mate dat die nodig is voor het naleven van de geldende bepalingen krachtens artikel 109ter D van de wet, de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en openen van privé-communicatie en -telecommunicatie.
  § 2. De operator specificeert in zijn interconnectieovereenkomsten de genomen maatregelen om de toegang tot zijn netwerk te behouden of te herstellen in geval van storing of onderbreking ten gevolge van een defect in de installaties of infrastructuur of in geval van overmacht.
  § 3. In de interconnectieovereenkomsten die hij met een derde sluit, neemt de operator de nodige maatregelen opdat die interconnectie geen afbreuk kan doen aan de goede werking van het net of aan de naleving van de essentiële eisen. Mocht een dergelijke afbreuk zich voordoen, dan brengt de operator daarvan de leidinggevende ambtenaar van het Instituut op de hoogte die de Kamer voor interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik, gedefinieerd in artikel 79ter, § 1 van de wet, samenstelt. Deze neemt binnen vijf werkdagen een beslissing en staat, indien nodig, na raadpleging van de betrokken derde, de schorsing van de interconnectie toe.
  § 4. Wanneer een storing personen of installaties in gevaar brengt mag de operator onmiddellijk de interconnectie schorsen. Hij brengt het Instituut en de derde onmiddellijk op de hoogte van die schorsing.

  Onderafdeling 4. - (Opgeheven) <W 2001-01-02/30, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 03-01-2001>

  Art. 6bis. (Opgeheven) <W 2001-01-02/30, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 03-01-2001>

  Onderafdeling 5. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 2; Inwerkingtreding : 29-12-2000> - Ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk.

  Art. 6ter. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 2; Inwerkingtreding : 29-12-2000> Elke aangemelde exploitant voldoet aan de voorwaarden inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk die opgelegd worden door de Europese verordeningen inzake deze materie.

  Art. 6quater. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 2; Inwerkingtreding : 29-12-2000> Alle informatie en specificaties die de aangemelde exploitant ter beschikking stelt teneinde de totstandkoming van een overeenkomst van ontbundelde toegang tot het aansluitnet mogelijk te maken, bevat eveneens de voorgenomen wijzigingen die binnen de volgende zes maanden zullen worden ingevoerd.
  De partijen garanderen de vertrouwelijkheid van de in vorig lid vermelde informatie. Ze wordt enkel gebruikt voor het doel waarvoor ze is verstrekt en wordt niet doorgegeven aan andere afdelingen, filialen of partners voor wie dergelijke informatie een concurrentievoordeel zou kunnen inhouden.

  Art. 6quinquies. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 2; Inwerkingtreding : 29-12-2000> De tarieven inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk houden rekening met de kosten van het bestaande netwerk en met de kosten die gemaakt worden om ontbundeling mogelijk te maken.

  Art. 6sexies. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 2; Inwerkingtreding : 29-12-2000> § 1. Het Instituut deelt uiterlijk op 28 februari 2001 zijn opmerkingen mee inzake het referentieaanbod dat de aangemelde exploitant op 31 december 2000 ten laatste publiceert, alsook in voorkomend geval de wijzigingen die moeten worden aangebracht.
  Het Instituut kan onder de partijen die betrokken zijn bij het referentieaanbod hierover een openbare raadpleging houden.
  § 2. Diegene die ontbundelde toegang tot het aansluitnet beoogt, kan op het referentieaanbod ingaan vanaf het ogenblik van de publicatie van het referentieaanbod.
  § 3. Het referentieaanbod is geldig voor het kalenderjaar dat volgt op het jaar van publicatie. Indien de aangemelde exploitant tijdens het lopende kalenderjaar wijzigingen wenst aan te brengen aan dit aanbod, vraagt hij voorafgaandelijk de goedkeuring aan het Instituut.

  Onderafdeling 6. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 3; Inwerkingtreding : 29-12-2000> - In het kader van de toegang tot binair debiet.

  Art. 6septies. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 3; Inwerkingtreding : 29-12-2000> § 1. Elke operator met een sterke positie op de markt voor vaste openbare telefoonnetwerken publiceert uiterlijk op 31 december van ieder jaar, en voor de eerste maal op 31 december 2000, een referentieaanbod voor de toegang tot een binair debiet.
  Dit referentieaanbod voldoet aan de volgende voorwaarden :
  1° het bevat minstens de volgende gegevens :
  A. voorwaarden voor toegang tot binair debiet :
  1. netwerkbestanddelen waartoe toegang tot een binair debiet verleend wordt;
  2. informatie over de netwerkarchitectuur, de locaties van fysieke toegangssites en beschikbaarheid in de specifieke delen van het toegangsnetwerk;
  3. technische voorwaarden met betrekking tot de precieze kenmerken van de aansluitnetwerken en subaansluitnetwerken, de toegang tot de aansluitnetwerken en het gebruik ervan;
  4. procedures inzake bestelling en bevoorrading, beperkingen op het gebruik en, in voorkomend geval, tegensprekelijke procedures inzake onderzoek en testen van de lijnen;
  B. colocatiediensten :
  1. informatie over de relevante sites van de operator van een vast openbaar telefoonnetwerk die door het aantal fysieke verbindingen waarover hij beschikt in staat is de markt van toegang tot de eindgebruiker te controleren, alsook de colocatiemogelijkheden op deze sites;
  2. kenmerken van de apparatuur : eventuele beperkingen op apparatuur die in colocatie kan worden geplaatst;
  3. veiligheidskwesties : maatregelen die worden getroffen om de veiligheid van hun locaties te vrijwaren;
  4. toegangsvoorwaarden voor het personeel van concurrerende operatoren;
  5. veiligheidsnormen;
  6. regels voor de toekenning van ruimte wanneer de colocatieruimte beperkt is;
  7. voorwaarden voor het inspecteren van de locaties waar fysieke colocatie beschikbaar is, of sites waar colocatie geweigerd is wegens gebrek aan capaciteit;
  C. informatiesystemen en leveringsvoorwaarden :
  1. voorwaarden inzake toegang tot de bedrijfsondersteunende systemen, informatiesystemen of databanken voor vooruitbestelling, bevoorrading, bestelling en verloop van uitvoering hiervan, onderhoud alsook verzoeken tot herstel in geval van defect en facturering;
  2. termijn voor de inwilliging van verzoeken tot levering van diensten en voorzieningen; overeenkomsten inzake het niveau van de aangeboden dienst, opheffing van storingen, escalatieprocedures en parameters voor de kwaliteit van de dienst;
  3. standaardcontractvoorwaarden, met, waar nodig, compensatie voor de niet-nakoming van leveringstijden;
  4. prijzen of prijsformules voor elk van de hierboven vermelde kenmerken, functies en voorzieningen;
  2° het wordt actueel gehouden;
  3° het is in voldoende mate ontbundeld zodat diegene die toegang tot binair debiet wenst, niet moet betalen voor netwerkbestanddelen of voorzieningen die hij niet nodig acht voor het verstrekken van zijn diensten;
  4° het bevat een beschrijving van de aanbiedingen voor de verschillende onderdelen alsmede de daarvoor geldende voorwaarden en kosten;
  5° het is goedgekeurd door het Instituut overeenkomstig artikel 6nonies.
  Het Instituut kan de wijzigingen aan het referentieaanbod opleggen die het nodig acht.

  Art. 6octies. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 3; Inwerkingtreding : 29-12-2000> Elke operator met een sterke positie op de markt voor vaste openbare telefoonnetwerken voldoet vanaf 1 januari 2001 aan de volgende verplichtingen :
  1° hij komt tegemoet aan redelijke verzoeken om toegang tot binair debiet onder transparante, billijke en niet-discriminerende voorwaarden en levert hen onder dezelfde voorwaarden en binnen dezelfde termijnen dezelfde voorzieningen als die welke hij aan zichzelf of zijn geassocieerde ondernemingen levert. Verzoeken mogen enkel geweigerd worden op basis van objectieve criteria met betrekking tot technische haalbaarheid of de noodzaak om de netwerkintegriteit te waarborgen;
  2° hij publiceert de tarieven voor toegang tot binair debiet. Deze tarieven zijn kostengebaseerd, niet-discriminerend en leiden niet tot concurrentievervalsing.

  Art. 6nonies. <Ingevoegd bij KB 2000-12-12/39, art. 3; Inwerkingtreding : 29-12-2000> § 1. Behoudens wat bepaald wordt in § 2, wordt het referentieaanbod vermeld in artikel 6septies, § 1, ten laatste op 30 september van ieder jaar door de betreffende operator bezorgd aan het Instituut. Het Instituut beschikt over twee maanden om haar opmerkingen alsook de wijzigingen die aangebracht moeten worden te formuleren.
  § 2. Het Instituut deelt uiterlijk op 28 februari 2001 zijn opmerkingen mee inzake het referentieaanbod dat op 31 december 2000 ten laatste wordt gepubliceerd, alsook in voorkomend geval de wijzigingen die moeten worden aangebracht.
  Diegene die toegang tot een binair debiet beoogt, kan op het referentieaanbod ingaan vanaf het ogenblik van de publicatie van het referentieaanbod.
  § 3. Indien de door het Instituut noodzakelijk geachte wijzigingen niet in het referentieaanbod worden opgenomen, wordt dit aanbod geacht niet te zijn gepubliceerd.
  § 4. Het Instituut kan over het referentieaanbod een openbare raadpleging houden.

  Afdeling 3. - Aard, karakteristieken en dekkingszone.

  Art. 7. De geografische zone waarin de operator zijn netwerk aanlegt en exploiteert, maakt deel uit van de individuele vergunning van de operator.

  Afdeling 4. - Permanentie, kwaliteit en beschikbaarheid van het netwerk.

  Art. 8. Het netwerk is continu operationeel, 24 uur op 24, met inbegrip van zaterdagen, zondagen en feestdagen. De operator verhelpt zo spoedig mogelijk alle defecten van het netwerk.
  De operator past de nodige bescherming en redundantie toe om de instandhouding of de herstelling van de toegang tot zijn netwerk te waarborgen in geval van storing of onderbreking als gevolg van een defect van de installaties of infrastructuren of in geval van overmacht.

  Afdeling 5. - Bescherming van de abonnees en van de gegevens.

  Art. 9. De operator neemt alle nodige en redelijke maatregelen om de naleving te garanderen van artikel 109terD van de wet, de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en openen van privé-communicatie en -telecommunicatie.

  Afdeling 6. - Technische normen en specificaties.

  Art. 10. § 1. De installaties van de operator die voor de toegang tot of de interconnectie met het netwerk van de operator worden gebruikt, moeten beantwoorden aan de in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte Europese normen betreffende "Open Network Provision" of, bij ontstentenis van zulke normen, aan de Europese normen die door het ETSI of het CEN/Cenelec zijn vastgesteld, of, bij ontstentenis van zulke normen, aan internationale normen of aanbevelingen die door de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU), de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) zijn vastgesteld, of, bij ontstentenis van zulke normen, aan nationale normen of specificaties, onverminderd verwijzingen naar Europese normen die verplicht kunnen worden gesteld krachtens artikel 5, paragraaf 3, van Richtlijn 90/387/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP). Het gebruik van installaties die beantwoorden aan andere technische specificaties of normen, kan pas na expliciete toestemming van het Instituut worden toegestaan.
  § 2. (...) <KB 2000-10-27/44, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 3. (...) <KB 2000-10-27/44, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Afdeling 7. - Nummeringsplan.

  Art. 11. De operator neemt alle nodige maatregelen voor de naleving van het koninklijk besluit van 10 december 1997 betreffende het beheer van het nummeringsplan.

  Afdeling 8. - Verschuldigde rechten voor de uitreiking van, het beheer van en het toezicht op de vergunning.

  Art. 12. Elke aanvraag voor een vergunning geeft aanleiding tot de eenmalige en voorafgaande betaling van een recht bestemd om de kosten voor het onderzoek van het dossier te dekken. Dit recht is vastgesteld op 500 000 frank. Dat bedrag is verschuldigd wanneer de vergunning wordt afgegeven.

  Art. 13. § 1. Om de kosten te dekken voor het beheer van de vergunning, betaalt de operator jaarlijks aan het Instituut een recht van 350 000 frank. Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt op 700 000 frank gebracht voor een operator die aangemerkt is als een organisatie met een sterke marktpositie.
  § 2. De eerste betaling geschiedt binnen een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de uitreiking van de individuele vergunning. Het bedrag wordt berekend naar rato van het aantal resterende maanden van het jaar waarin de vergunning wordt uitgereikt. De maand waarin de vergunning wordt uitgereikt, wordt meegerekend als zijnde een volledige maand. De verdere betalingen dienen volledig en ondeelbaar te geschieden voor 31 januari.
  § 3. Rechten die niet zijn betaald op de vastgestelde vervaldatum, geven, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, aanleiding tot een intrest tegen het wettelijke tarief verhoogd met 2 %. Die intrest wordt berekend naar rato van het aantal kalenderdagen achterstand.

  Art. 13bis.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-15/16, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 29-08-2013>

  Art. 14. § 1. De bedragen van de rechten die in dit besluit zijn vermeld worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.
  § 2. De aanpassing geschiedt met behulp van de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand november die voorafgaat aan de maand januari in de loop waarvan de aanpassing zal plaatsvinden, te delen door het indexcijfer van de maand november 1997. Bij de berekening van de coëfficiënt wordt deze afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere honderdtal franken.
  § 3. Uiterlijk tien dagen voor de vervaldag deelt het Instituut aan de operator het geïndexeerde bedrag van de verschuldigde rechten mee. Indien de operator geen bericht van het geïndexeerde bedrag ontvangen heeft, is hij verplicht het niet-geïndexeerde bedrag van de rechten te betalen.
  § 4. Een eventuele betwisting van de berekening van de indexatie schorst geenszins de verplichting om het door het Instituut meegedeelde bedrag te betalen.

  Art. 15. Geen enkele schorsing of intrekking van de vergunning geeft aanleiding tot enige terugbetaling van het geheel of een gedeelte van de rechten bedoeld in dit besluit.

  Art. 16. De rechten bepaald in dit besluit zijn verschuldigd onverminderd de rechten die betaald moeten worden krachtens de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving.

  Afdeling 9. - Voorwaarden inzake het gebruik van het openbaar domein en de eigendommen.

  Art. 17. De operator geniet alle rechten die bij de wet en haar uitvoeringsbesluiten worden toegekend aan de operatoren van een openbaar telecommunicatienet op het stuk van het gebruik van het openbaar domein en de eigendommen.

  Afdeling 10. - Verplichtingen in verband met het toezicht op de naleving van de vergunning.

  Art. 18. Het Instituut controleert de naleving van de individuele vergunningen. De operator verstrekt aan het Instituut de nodige cijfergegevens met betrekking tot de exploitatie van zijn netwerk op financieel, commercieel en technisch gebied.
  Volgens een periodiciteit die het Instituut vaststelt, deelt de operator de gegevens mee inzake verkeer, uitgesplitst volgens de aanwijzingen van het Instituut, alsook inzake de omzet.
  De operator wijst onder zijn personeel een contactpersoon aan voor de betrekkingen met het Instituut teneinde het toezicht op de naleving van de vergunning te vergemakkelijken.

  Afdeling 11. - Rechten en plichten met betrekking tot interconnectie.

  Art. 19. De individuele vergunning verduidelijkt de rechten en plichten van de operator inzake interconnectie. Die rechten en plichten worden op objectieve en niet-discriminerende wijze door het Instituut vastgesteld.
  Overeenkomstig artikel 109ter, § 4 van de wet kan het Instituut specifieke plichten inzake interconnectie opleggen.

  Afdeling 12. - Noodzakelijke voorwaarden om de interoperabiliteit van de netwerken, de gelijke behandeling en de informatie aan de gebruikers te garanderen, onder andere de contractuele voorwaarden voor de levering van het netwerk.

  Art. 20. De voorwaarden voor de toegang tot het netwerk worden vastgelegd in een schriftelijk contract dat afgesloten wordt tussen de operator en zijn klant. De typecontracten worden meegedeeld aan het Instituut.

  Afdeling 13. - Sancties bij niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden.

  Art. 21. § 1. Wanneer het Instituut vaststelt dat een operator de voorwaarden van zijn individuele vergunning niet nakomt, wordt deze door het Instituut gehoord. Overeenkomstig artikel 109quater, § 1 van de wet stelt het Instituut de operator eventueel in gebreke. Volgens de ernst van de tekortkoming en de moeilijkheid om die recht te zetten legt het Instituut de termijn vast waarbinnen orde op zaken moet worden gesteld en brengt het de operator op de hoogte van de boete die hem kan worden opgelegd als hij hieraan niet tegemoet komt.
  § 2. Indien de operator na afloop van de in paragraaf 1 bedoelde termijn nog steeds in gebreke is, legt het Instituut hem binnen een maand na afloop van die termijn een administratieve geldboete op overeenkomstig artikel 109quater, § 2 van de wet. Het Instituut notificeert zijn beslissing aan de operator binnen een week, die volgt op de beslissing.
  § 3. Indien de operator binnen een maand na de notificatie van de in § 2 bedoelde beslissing de tekortkomingen nog steeds niet heeft verholpen, kan het Instituut onverminderd de eventuele toepassing van artikel 109quater, § 3 van de wet aan de Minister voorstellen om de vergunning te schorsen of in te trekken. Die schorsing of die intrekking wordt door de Minister uitgesproken na de operator te hebben gehoord. Die beslissing wordt onmiddellijk aan de operator meegedeeld.
  § 4. De schorsing of de intrekking geeft in geen enkel geval recht op een vergoeding, noch op een volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de rechten bedoeld in de artikels 12 en 13.

  Afdeling 14. - Voorwaarden ter voorkoming van een concurrentievervalsend gedrag.

  Art. 22. Behoudens de toepassing van artikel 64 van de wet is elke operator tegenover zijn klanten als enige aansprakelijk voor fouten bij het leveren van de toegang tot het netwerk. De kosten van deze aansprakelijkheid kunnen in voorkomend geval door de operator verhaald worden op de geïnterconnecteerde operator die verantwoordelijk is voor de fout.

  Afdeling 15. - Verplichtingen inzake universeledienstverlening.

  Art. 23. De operator is verplicht bij te dragen in de financiering van de universeledienstverlening overeenkomstig artikel 86, § 3 van de wet.

  Afdeling 16. - Nadere regels inzake samenwerking met de nooddiensten, waaronder het meedelen van de identiteit van de oproeper van deze diensten.

  Art. 24. De operator neemt alle nodige voorzorgsmaatregelen opdat de communicatie met de nooddiensten met de grootst mogelijke betrouwbaarheid kan tot stand komen.

  Afdeling 17. - Bijdrage tot het wetenschappelijk onderzoek op telecommunicatiegebied en tot de ontwikkeling van de markt, onder andere via de verbetering van de toegang, zonder uitsluitingen, tot die markt teneinde de levering van telecommunicatiediensten te vergemakkelijken.

  Art. 25. (Opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Afdeling 18. - Voorwaarden die nodig zijn om de gelijke behandeling van internationale operatoren te garanderen.

  Art. 26. Met naleving van de internationale overeenkomsten die België ondertekend heeft, zal de in België gemachtigde operator maar worden verplicht om met een in een andere Staat gemachtigde operator een akkoord te sluiten met betrekking tot de koppeling van netwerken indien voor die in België gemachtigde operator wederzijds een gelijke behandeling wordt gegarandeerd in het betrokken land. De weigering om een dergelijk akkoord te sluiten moet vooraf door het Instituut worden goedgekeurd.
  Om toe te zien op de naleving van het voorgaande lid en om de gelijke behandeling te waarborgen deelt de operator aan het Instituut de verdeel- en ontvangsttaksen, alsook de interconnectieovereenkomsten van route tot route mee.
  Indien het Instituut een verschil in behandeling vaststelt tussen de verschillende operatoren, kan het Instituut, indien dat nodig is om het marktevenwicht te herstellen, wijzigingen eisen in die verdeel- en ontvangsttaksen, of in die interconnectieovereenkomsten.

  HOOFDSTUK III. - Procedure voor toekenning, aanpassing en overdracht van de vergunning.

  Afdeling 1. - Indienen van de aanvragen.

  Art. 27. § 1. De individuele vergunning moet worden aangevraagd door een natuurlijke of rechtspersoon gevestigd in één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap of in één van de Lid-Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie of ondertekenaars van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in een Staat waarmee België daartoe een internationale overeenkomst gesloten heeft.
  § 2. De aanvraag wordt gedaan bij een ter post aangetekende brief aan het Instituut. De aanvraag moet gedagtekend en ondertekend zijn door de persoon die de verbindingen wenst uit te baten of door de persoon die in zijn naam optreedt. Een aanvrager die een natuurlijke persoon of een rechtspersoon vertegenwoordigt, moet zijn hoedanigheid specificeren en zijn mandaat rechtvaardigen.
  De aanvraag moet worden ingediend volgens de voorwaarden van de bijlage bij dit besluit.
  § 3. Om als volledig te worden beschouwd, moet de aanvraag de volgende informatie bevatten :
  1° de naam van de aanvrager, het volledige adres van deze persoon alsook het adres van waaruit de uitbating in België zal plaatsvinden;
  2° een functionele, geografische en commerciële beschrijving van de geplande exploitatie en de datum waarop het netwerk commercieel wordt opengesteld;
  3° om het Instituut ertoe in staat te stellen de economische capaciteit van de aanvrager te beoordelen, voegt deze bij zijn vergunningsaanvraag een ondernemingsplan. Aan de hand van dat ondernemingsplan moet het Instituut kunnen nagaan of de aanvrager in staat is om de financiële verbintenissen aan te gaan die eigen zijn aan de beoogde activiteit, in het bijzonder wat interconnectie en duurzaamheid betreft. Hij voegt de statuten van de onderneming, alsook de samenstelling van het kapitaal toe. Indien de aanvrager een maatschappij in oprichting is, voegt de aanvrager bij zijn aanvraag een beschrijving van de structuur die zal worden aangenomen;
  4° de aanvrager moet het bewijs leveren van ervaring op het gebied van telecommunicatienetwerken, telecommunicatiediensten of in een andere dienstensector die verband houdt met telecommunicatie, hetzij in hoofde van de onderneming zelf, hetzij in hoofde van haar aandeelhouders, of van de, al dan niet bezoldigde bedrijfsleiders;
  5° de beschrijving van eventuele andere activiteiten waarvoor exclusieve of bijzondere rechten zijn toegekend aan de aanvrager of aan de eigenaar van de gebruikte verbindingen;
  6° relevante technische informatie over de gebruikte verbindingen en apparatuur, in het bijzonder de netwerkspecificaties. Bovendien toont de aanvrager aan dat hij zijn activiteiten zal ontplooien overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 4. De aanvrager die frequenties wenst te bekomen conform artikel 32, maakt daarvan eveneens melding in zijn aanvraag;
  7° de wijze van transmissie en schakeling met vermelding van de eventueel gebruikte normen;
  8° de bijzonderheden betreffende de manier van interconnectie met telecommunicatie-inrichtingen, andere dan die waarover de aanvrager beschikt;
  (9° de frequentiebanden voor vaste lokale radioverbindingen.) <KB 2000-06-27/32, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 17-08-2000>
  § 4. De inhoud en de presentatie van de aanvraag worden beschreven in de bijlage bij dit besluit. Indien het Instituut van oordeel is dat de aanvraag onvolledig is of indien het bijkomende inlichtingen of verduidelijkingen wenst, brengt het de aanvrager daarvan op de hoogte. De termijn waarover het Instituut, op grond van artikel 28 beschikt, wordt opgeschort gedurende de periode die de aanvrager nodig heeft om zijn aanvraag aan te passen. Die periode mag niet langer zijn dan 30 dagen.
  Tijdens die periode biedt het Instituut de aanvrager de mogelijkheid om zijn standpunt toe te lichten. Indien de aanvrager na afloop van deze periode zijn aanvraag niet heeft aangepast, wordt de aanvraag verworpen.
  § 5. De informatie die krachtens dit besluit wordt meegedeeld, wordt gratis en definitief ter beschikking gesteld van het Instituut. Deze informatie zal vertrouwelijk worden behandeld.

  Afdeling 2. - Onderzoek van de aanvragen.

  Art. 28. § 1. Het Instituut formuleert een aanbeveling en maakt deze bekend binnen ten hoogste (28 dagen) na de indiening van de aanvraag, eventueel verlengd met de periode bepaald in artikel 27, § 4. Wanneer de aanbeveling gunstig is, neemt zij de vorm aan van een ontwerp van individuele vergunning. Dit ontwerp wordt door het Instituut opgesteld op grond van de elementen die de aanvrager heeft verstrekt, na de aanvrager te hebben gehoord, indien hij daarom verzocht heeft. <KB 2000-10-27/44, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 2. De bekendmaking geschiedt aan de aanvrager en aan de Minister.
  § 3. De aanvrager beschikt over ten hoogste (7 dagen) om zijn opmerkingen op de aanbeveling van het Instituut aan de Minister en aan het Instituut mee te delen. <KB 2000-10-27/44, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 4. Bij het verstrijken van de termijn bedoeld in § 3, beschikt de Minister over ten hoogste (7 dagen) om zich uit te spreken over deze aanbeveling en om de individuele vergunning al dan niet toe te kennen. <KB 2000-10-27/44, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Afdeling 3. - Toekenning van de vergunning.

  Art. 29. § 1. De rechten en plichten van de operator worden opgenomen in de individuele vergunning. Zij hebben minstens betrekking op de punten bedoeld in hoofdstuk II.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van § 4 van artikel 27 kan de individuele vergunning worden geweigerd indien dat vereist is omwille van de openbare orde of om redenen met betrekking tot landsverdediging of openbare veiligheid of voor de vrijwaring van een onvervalste marktstructuur en een niet-discriminerende toegang voor de eindgebruikers of in gerechtvaardigde gevallen en met naleving van het principe van proportionaliteit, wanneer de aanvrager niet over de technische of financiële capaciteit beschikt om op duurzame wijze te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de voorwaarden inzake de uitvoering van zijn activiteit of wanneer hem een van de in artikel 21 bedoelde sancties is opgelegd.

  Afdeling 4. - Aanpassing van de vergunning.

  Art. 30. § 1. (Elke operator die een wijziging in zijn individuele vergunning wenst, dient daartoe een verzoek in bij het Instituut. De aanpassing van de vergunning geschiedt volgens de procedure bepaald in artikel 30bis.) <KB 2000-10-27/44, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  (§ 2.) Teneinde aan de voorwaarden, bepaald in de artikelen 107 en 108 van de wet te voldoen, kan de Minister, op voorstel van het Instituut, in de loop van de exploitatie beslissen dat een aanpassing van de individuele vergunning zich opdringt. <KB 2001-07-16/35, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 14-08-2001>
  De Minister maakt zijn beslissing aan de operator bekend bij een ter post aangetekende brief. De operator beschikt over een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de postdatum, om een voorstel in te dienen bij het Instituut betreffende alle maatregelen die noodzakelijk zijn om zijn situatie te regulariseren.
  (§ 3.) Het hierboven vermelde voorstel wordt behandeld overeenkomstig de procedure van artikel 30bis. <KB 2000-10-27/44, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000> <KB 2001-07-16/35, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 14-08-2001>

  Art. 30bis. <Ingevoegd bij KB 2000-10-27/44, art. 15; Inwerkingtreding : 28-11-2000> § 1. Het Instituut doet een aanbeveling en maakt deze bekend binnen ten hoogste 15 dagen, eventueel verlengd met de periode bepaald in artikel 27, § 4, na de indiening van ofwel de aanvraag bedoeld in artikel 30, § 1, ofwel van het voorstel bedoeld in artikel 30, § 2, tweede lid, ofwel na het verstrijken van de periode die aan de betrokken operator is toegestaan om het genoemde voorstel te bezorgen.
  Wanneer de aanbeveling gunstig is, neemt zij de vorm aan van een ontwerp van individuele vergunning. Dat ontwerp wordt door het Instituut opgesteld op grond van de elementen die de aanvrager heeft verstrekt, na de aanvrager te hebben gehoord, indien hij daarom verzocht heeft.
  § 2. De aanvrager beschikt over ten hoogste 7 dagen om zijn opmerkingen over de aanbeveling van het Instituut aan de Minister mee te delen.
  § 3. Bij het verstrijken van de termijn bedoeld in (§ 2), beschikt de Minister over ten hoogste 7 dagen om zich uit te spreken over deze aanbeveling en om de individuele vergunning al dan niet toe te kennen. <KB 2001-07-16/35, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 14-08-2001>

  Afdeling 5. - Overdracht van de vergunning.

  Art. 31. De individuele vergunning mag worden overgedragen mits de voorgaande toestemming van de Minister, op voorstel van het Instituut. Het verzoek om overdracht bevat de inlichtingen die bedoeld zijn in artikel 27, § 3, 1°, 3°, 4°, 5° en 8°.
  De procedure van artikel 28 is op de overdracht van toepassing.
  Het verzoek om overdracht geeft aanleiding tot de betaling van een éénmalig dossierrecht ten bedrage van 400 000 frank.

  HOOFDSTUK IIIbis. - (Radio-electrische aspecten voor de openbare telecommunicatienetten met vaste lokale radioverbindingen). <Ingevoegd bij KB 2000-06-27/32, art. 6; Inwerkingtreding : 17-08-2000>

  Art. 31bis.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-15/16, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 29-08-2013>

  Art. 31ter.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-15/16, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 29-08-2013>

  Art. 31quater.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-15/16, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 29-08-2013>

  Art. 31quinquies. <Ingevoegd bij KB 2000-06-27/32, art. 6; Inwerkingtreding : 17-08-2000> § 1. Iedere operator die een capaciteit wil krijgen in een of meer frequentiebanden vermeld in artikel 31bis kan daartoe bij het instituut een aanvraag indienen, via aangetekende zending, uiterlijk de laatste dag van de (...) maand die volgt op de maand waarin in het Belgisch Staatsblad de mededeling is bekendgemaakt waarmee het instituut de termijn voor het indienen van aanvragen voor geopend verklaart. <KB 2001-07-16/35, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 14-08-2001>
  § 2. Indien op het einde van de termijn die vastgesteld werd in §1 de beschikbare frequentiecapaciteit niet kan voldoen aan alle aanvragen die op een geldige wijze zijn ingediend, stelt het instituut een rangschikking op van de aanvragen, in dalende volgorde, gebaseerd op maximale totale capaciteit die wordt geïntegreerd in het gedeelte van het netwerk dat werkt met vaste lokale radioverbindingen tijdens elk van de drie jaren volgend op de toekenning van de vergunning.
  De weging voor elk van deze drie jaren in het voorgaande lid is de volgende :
  - eerste jaar : 60;
  - tweede jaar : 30;
  - derde jaar : 10.
  Het instituut behandelt vervolgens de aanvragen in volgorde van de rangschikking die is opgesteld overeenkomstig het eerste lid. indien twee verschillende aanvragen eenzelfde maximale totale capaciteit, wordt voorrang gegeven aan de aanvraag waarvoor het geplande aantal basisstations voor de drie jaren die volgen op de toekenning van de vergunning het hoogst is.
  Indien de aanvraag van een operator de overblijvende capaciteit in één van de frequentiebanden overschrijdt, deelt het instituut, via aangetekende zending en binnen een termijn van (achtentwintig) dagen, aan de operator mee welke capaciteit hem nog kan worden toegestaan. De operator brengt het instituut, binnen (zeven) dagen, via aangetekende zending, op de hoogte van zijn beslissing om de overblijvende capaciteit in de frequentieband te aanvaarden of om zijn aanvraag voor die frequentieband of voor het geheel in te trekken. Indien het instituut op het einde van die termijn geen antwoord ontvangen heeft, wordt de aanvraag als in zijn geheel ingetrokken beschouwd. <KB 2001-07-16/35, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 14-08-2001>
  § 3. Indien op het einde van de in § 1 vastgestelde termijn, niet alle frequenties zijn toegekend, gaat het Instituut over tot de toekenning van de resterende frequenties, waarbij de procedure van dit artikel wordt gevolgd.
  In dat geval wordt de mededeling waarvan sprake in § 1, waarmee het instituut de termijn voor de indiening van aanvragen open verklaart, in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen veertien dagen na de ontvangst op het instituut van de eerste aanvraag die door een operator is ingediend.

  Art. 31sexies. <Ingevoegd bij KB 2000-06-27/32, art. 6; Inwerkingtreding : 17-08-2000> Bij uitputting van de beschikbare capaciteit in de in artikel 31bis vermelde frequentiebanden, kan het instituut bijkomende capaciteit vrijmaken in één of meer andere frequentiebanden. De capaciteiten in de nieuwe beschikbare frequentiebanden worden toegewezen volgens de regels beschreven in artikel 31quinquies.

  Art. 31septies. <Ingevoegd bij KB 2000-06-27/32, art. 6; Inwerkingtreding : 17-08-2000> Het radionetwerk moet worden geïnstalleerd in de frequentiebanden die in de individuele vergunning zijn vermeld. Voor de toekenning van de frequenties is het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen van toepassing, uitgezonderd de artikelen 6 en 9. Indien aan de aanvrager frequenties worden toegekend op basis van dit besluit, coördineert het instituut de frequentietoekenning met de procedure van individuele vergunning, vastgelegd in hoofdstuk III. In dat geval kan de termijn, bedoeld in artikel 28, worden verlengd met maximaal drie maanden.
  Alle voorwaarden gebonden aan de toekenning en intrekking van de individuele vergunningen zijn eveneens van toepassing op de exploitatie van de frequenties.
  Het toegewezen spectrum dat per basisstation aan de operator is toegekend wordt in een bijlage bij de individuele vergunning vastgelegd.
  De toekenning van een frequentie die aan een basisstation van een operator is toegewezen, verstrijkt automatisch wanneer dat station niet in werking is gesteld binnen een termijn van een jaar vanaf de geplande inwerkingtreding van dat basisstation.
  De operator deelt aan het instituut, op diens verzoek, het volledige frequentieplan van zijn netwerk mee.
  De operator deelt, tijdens de drie jaar die volgen op de toekenning van de capaciteit, aan het instituut elke maand de volledige lijst mee van in de werking zijnde basisstations, en nadien driemaandelijks.

  Art. 31octies. <Ingevoegd bij KB 2000-06-27/32, art. 6; Inwerkingtreding : 17-08-2000> Het gebruik van de radioapparatuur die bij een eindgebruiker wordt geïnstalleerd voor het realiseren van de vaste lokale radioverbinding met een basisstation van het openbaar telecommunicatienet van de operator, wordt vrijgesteld van de vergunning bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving.

  HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.

  Art. 32. De operator kan frequenties aanvragen voor het tot stand brengen van één of meer verbindingen tussen vaste punten. In dat geval is het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen van toepassing, uitgezonderd de artikelen 6 en 9. Indien frequenties worden toegekend aan de aanvrager van een individuele vergunning op basis van dit besluit, zal het Instituut de frequentietoekenning coördineren met de procedure van individuele vergunning, bedoeld in hoofdstuk III. In dat geval kan de termijn, bedoeld in artikel 28, worden verlengd met maximaal drie maanden.
  Alle voorwaarden gebonden aan de toekenning en intrekking van de individuele vergunningen zijn eveneens van toepassing op de exploitatie van de frequenties.

  Art. 33. Het Instituut publiceert jaarlijks de lijst van de operatoren.

  HOOFDSTUK V. - Overgangs- en slotbepalingen.

  Art. 34. De Minister reikt op grond van dit besluit een vergunning uit aan iedere persoon die op de dag waarop dit besluit in werking treedt, rechtsgeldig een openbaar telecommunicatienet exploiteert op voorwaarde dat die persoon binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit een dossier indient dat de in artikel 27, § 3 bedoelde gegevens bevat en in de vorm die in de bijlage vermeld staat.
  De in het eerste lid bedoelde personen die een vergunning hebben gekregen overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de voorwaarden waaronder kan worden afgeweken van artikel 92, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, en die de rechten hebben betaald die vastgesteld zijn bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 juni 1997 betreffende de dossierkosten verbonden aan de aanvraag en het beheer van een vergunning voor het uitbaten van verbindingen voor het al dan niet zelf aanbieden van openbare telecommunicatiediensten, worden vrijgesteld van de betaling van het recht, bedoeld in artikel 12. Het bedrag van het in artikel 13 bedoelde recht dat voor het jaar waarin dit besluit in werking treedt verschuldigd is door diezelfde personen, wordt verminderd met het bedrag dat betaald is krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 juni 1997 betreffende de dossierkosten verbonden aan de aanvraag en het beheer van een vergunning voor het uitbaten van verbindingen voor het al dan niet zelf aanbieden van openbare telecommunicatiediensten.

  Art. 35. De artikelen 1 tot 17 en 21 tot 24 van het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de voorwaarden waaronder kan worden afgeweken van artikel 92, § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven alsook het koninklijk besluit van 18 juni 1997 betreffende de dossierkosten verbonden aan de aanvraag en het beheer van een vergunning voor het uitbaten van verbindingen voor het al dan niet zelf aanbieden van openbare telecommunicatiediensten, worden opgeheven.

  Art. 36. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 37. Onze Minister van Telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N. Bijlage tot vaststelling van de vorm en de inhoud van de aanvragen voor een individuele vergunning om openbare telecommunicatienetten aan te leggen en te exploiteren overeenkomstig artikel 27, § 2 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetten.
  Overeenkomstig artikel 27, § 2 van het koninklijk besluit van 22 juni 1998 betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetten en de procedure met betrekking tot de toekenning van individuele vergunningen, moeten de aanvragen die bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (B.I.P.T.) worden ingediend om een dergelijke vergunning te bekomen ten minste de volgende elementen bevatten en gestructureerd zijn volgens het hierna beschreven schema.

  Art. 1N. 0. Algemene beschouwingen.
  0.1. Formaat en voorstelling van het aanvraagdossier.
  Het aanvraagdossier telt niet meer dan 200 bladzijden in A4-formaat, jaarverslagen en informatiebrochures niet meegerekend.
  Het aanvraagdossier moet noodzakelijk nauwgezet de structuur volgen die in deze bijlage beschreven staat, met name wat betreft de onderverdeling van het document in hoofdstukken (A), afdelingen (A,B), paragrafen (A,B,C) en subparagrafen (A,B,C,D) : alle eventuele afwijkingen van deze structuur moet de kandidaat volledig motiveren.
  De aandacht van de aanvragers wordt gevestigd op het feit dat het ontbreken van voorstellen van een aanvrager voor een van de onderwerpen die in deze bijlage worden aangekaart, en meer in het bijzonder het niet-verstrekken van een van de gevraagde prognosetabellen, een reden tot weigering kan vormen krachtens artikel 27, § 4 van het koninklijk besluit.
  0.2. Taal.
  Overeenkomstig de van toepassing zijnde wetgeving terzake, moeten de aanvraagdossiers opgesteld worden in het Frans of in het Nederlands.
  Niettemin mogen de aanvragers een Engelse vertaling van hun dossier bijvoegen.
  0.3. Vertrouwelijkheid.
  Vooraan in hun aanvraagdossier vermelden de aanvragers duidelijk de delen die als vertrouwelijk moeten worden beschouwd.
  0.4. Allerlei.
  Indien een aanvrager relevante stukken informatie wil verstrekken die niet overeenstemmen met een van de hieronder aangegeven rubrieken, mag hij die opnemen in een deel acht van zijn dossier met de titel "Allerlei".
  0.5. Einddata.
  Voor alle vooruitzichten die van de aanvrager worden gevraagd, met name wat zijn ondernemingsplan betreft, wordt onder de einddatum verstaan 31 december van het jaar waarin de exploitatie van het openbare telecommunicatienet aanvangt.
  0.6. Te verstrekken tabellen.
  (Alle gevraagde prognoses moeten een periode van ten minste vijf jaar bestrijken) <KB 2000-10-27/44, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  De verschillende tabellen die in deze bijlage worden gevraagd moeten als volgt worden voorgesteld :
  - een kolom voor elk van de (...) jaren in de prognose; <KB 2000-10-27/44, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  - een regel voor elk van de gevraagde elementen van de prognose.
  Elke tabel mag vergezeld zijn van uitleg die voor de interpretatie nodig wordt geacht.
  0.7. Geldbedragen.
  Alle in het aanvraagdossier vermelde geldbedragen (tarieven, ondernemingsplan, enz) moeten in courante Belgische franken worden uitgedrukt, exclusief BTW.

  Art. 2N. 1. Samenvatting.
  De samenvatting van het aanvraagdossier mag niet meer bedragen dan twintig bladzijden in A4-formaat. Die samenvatting moet ten minste de volgende onderwerpen dekken :
  1.1. de prognose van de ontwikkeling van de Belgische markt voor openbare telecommunicatienetten en van het aandeel dat de aanvrager van plan is daarvan in te nemen;
  1.2. de financiële aspecten, in het bijzonder met betrekking tot de nodige investeringen, alsook de financiering en verhoopte rendabiliteit van het project;
  1.3. de configuratie en de prestaties van het openbare telecommunicatienet, met name wat de ontplooiing betreft;
  1.4. de beoogde handelsstrategie, meer in het bijzonder wat betreft de tarieven die zullen worden voorgesteld;
  bovendien bevat de samenvatting de volgende stukken :
  1.5. de vermelding van de naam van de aanvrager en van de personen namens wie hij optreedt, alsook het volledige postadres en de telecommunicatienummers (telefoon en telefax) van het contactpunt waaraan het Instituut zich kan richten om bijkomende informatie en verduidelijking te krijgen;
  1.6. het document waaruit blijkt dat de aanvrager aanvaardt of weigert een beroep te doen op de Kamer voor interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik, overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 juni 1997 betreffende de werking en de procedure van de Kamer voor interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik.

  Art. 3N. 2. Juridische aspecten.
  2.1. De partners.
  Het dossier beschrijft de aard van de entiteiten die de aanvrager controleren of zullen controleren, en meer in het bijzonder de strategische, economische en financiële gevolgen voor elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten van de maatschappij of de toekomstige nog op te richten maatschappij.
  Een afschrift van de statuten van elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten wordt bij het aanvraagdossier gevoegd alsook een afschrift van hun laatste drie jaarverslagen.
  2.2. Participatie.
  Het dossier maakt melding van :
  2.2.1. het participatieniveau van elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten alsook de graad van invloed van elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten in de verschillende gebieden die verbonden zijn met de aanleg en exploitatie van een openbaar telecommunicatienet;
  2.2.2. de vooruitzichten op latere openstelling voor nieuwe partners.
  2.3. Statuten van de maatschappij of toekomstige maatschappij.
  Het dossier omvat de volgende elementen :
  2.3.1. de statuten van de aanvrager indien het een maatschappij betreft of het ontwerp van statuten van de toekomstige nog op te richten maatschappij of bij gebrek aan een dergelijk ontwerp een document waarin haar rechtsvorm beschreven staat, mocht zij de vergunning krijgen;
  2.3.2. de werkwijze bij eventuele terugtrekking van één van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten;
  2.3.3. de vertegenwoordiging van de verschillende deelgenoten of toekomstige deelgenoten in de samenstellende organen van de maatschappij.
  2.4. Structuur van de controle en besluitvorming.
  Het aanvraagdossier beschrijft het controle- en besluitvormingsproces binnen de maatschappij of toekomstige maatschappij, met name wat betreft :
  2.4.1. de betrekkingen tussen de verschillende deelgenoten of toekomstige deelgenoten;
  2.4.2. de verdeling van de verantwoordelijkheden;
  2.4.3. de eventuele banden via strategische allianties.

  Art. 4N. 3. Commerciële aspecten.
  3.1. Commerciële ontwikkeling van het openbare telecommunicatienet.
  3.1.1. Marktprognoses.
  De aanvrager geeft zijn voorspellingen wat betreft de toekomstige ontwikkeling van de markt voor openbare telecommunicatie-netten in België door middel van een tabel nr. 3.1 die de volgende elementen bevat :
  a) het totale aantal abonnees van openbare telecommunicatienetten in België;
  b) het marktaandeel dat wordt voorspeld voor elk van de operatoren die op het ogenblik van de aanvraag bekend zijn of dat de aanvrager redelijk acht om in zijn ondernemingsplan op te nemen;
  c) de verhouding professionele abonnees/privé-abonnees die voorzien wordt op de gehele Belgische markt;
  d) de verhouding professionele abonnees/privé-abonnees die de operator voorziet op zijn eigen openbaar telecommunicatienet.
  3.1.2. Vooruitzichten met betrekking tot het gebruik van openbare telecommunicatienetten.
  De aanvrager stelt zijn verwachtingen voor wat betreft het gebruik van zijn openbaar telecommunicatienet door middel van twee tabellen nr. 3.2 met de volgende elementen :
  a) de diensten die hij voornemens is zelf aan te bieden door middel van dat openbaar telecommunicatienet;
  b) het aantal klanten die van zijn openbaar telecommunicatienet gebruik zullen maken om telecommunicatiediensten te verrichten.
  3.1.3. Segmentering van de markt.
  De aanvrager identificeert op grond van zijn marktanalyse de verschillende categorieën van gebruikers die mogelijk geïnteresseerd kunnen zijn in het gebruik van zijn openbaar telecommunicatienet en de verschillende daaraan verbonden diensten en geeft voor elk van die segmenten het volgende aan :
  3.1.3.1. de commerciële aanpak die hij op het oog heeft;
  3.1.3.2. het tariefplan dat hij voorstelt;
  3.1.3.3. het gemiddelde verkeersvolume of de beschikbaar gestelde transmissiecapaciteit.
  3.2. Voorgesteld tariefbeleid.
  3.2.1. Formules voor de tarifering van de toegang tot het openbare telecommunicatienet.
  De aanvrager geeft zijn vooruitzichten aan met betrekking tot het maximumniveau van de tarieven die hij overweegt toe te passen.
  3.2.2. Ristorno's.
  De aanvrager beschrijft zijn plannen in verband met de toepassing van ristorno's en promoties.

  Art. 5N. 4. Financiële aspecten.
  4.1. Financieel vermogen van de aanvrager.
  4.1.1. Financiering.
  Op grond van het in afdeling 4.2 beschreven ondernemingsplan beschrijft de aanvrager zijn plannen met betrekking tot de financiering van zijn project en geeft hij door middel van tabel nr. 4.1 de ontwikkeling aan van de verschillende parameters die hierna volgen :
  a) de inbreng van eigen middelen door de deelgenoten of toekomstige deelgenoten;
  b) de behoeften inzake externe financiering;
  c) het beroep op extern kapitaal via bank- en obligatieleningen;
  d) de eventuele beursgang van een deel van de maatschappij.
  De aanvrager beschrijft bovendien :
  4.1.2. de kapitalisatie op de beurs van de maatschappij, of in voorkomend geval, de mogelijkheden en voorwaarden inzake kapitalisatie op de beurs van de toekomstige maatschappij;
  4.1.3. zijn geschiktheid om op de kapitaalmarkt geld vrij te maken;
  4.1.4. de nuttige bekwaamheid waarover hij beschikt in het beheer van gelijkaardige investeringen;
  4.1.5. de aard van de financiële waarborgen (eventuele bankwaarborg, alsook waarborgen die door de deelgenoten of toekomstige deelgenoten worden geboden);
  4.1.6. een beoordeling van de financiële risico's die door de deelgenoten of toekomstige deelgenoten worden aangegaan;
  4.1.7. Financiële toestand van de aanvrager en van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten.
  Het aanvraagdossier bevat een tabel nr. 4.2 waarin voor elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten melding wordt gemaakt van :
  a) zijn participatie of kapitaalinbreng in de maatschappij of toekomstige maatschappij;
  b) zijn nettoresultaat van het laatste boekjaar;
  c) zijn eigen middelen;
  d) zijn nettoschulden;
  e) zijn banknotering.
  Indien de aanvrager op het ogenblik van de aanvraag reeds als maatschappij bestaat, verstrekt hij over zichzelf de inlichtingen bedoeld onder b) tot e) van het voorgaande lid.
  4.2. Ondernemingsplan ("business plan").
  Het ondernemingsplan is gebaseerd op de volgende financiële veronderstellingen :
  a) inflatiecijfer op lange termijn = 2,5 % per jaar;
  b) bedragen uitgedrukt in courante franken;
  c) stabiliteit van de wisselkoersen;
  d) gelijkblijvend niveau van vennootschapsbelasting;
  e) lineaire afschrijving van de investeringen met de volgende percentages :
  - 4 % per jaar voor onroerende goederen (25 jaar);
  - 12,5 % per jaar voor de schakeluitrustingen (8 jaar);
  - 20 % per jaar voor materiaal op het gebied van informatica en kantoorautomatisering, alsook voor de voertuigen (5 jaar).
  4.2.1. Investeringen.
  Tabel nr. 4.3 beschrijft de voorziene investeringen met de volgende rubrieken :
  a) transmissiesysteem, schakelsysteem en systeem voor database;
  b) systeem voor het beheer van het openbare telecommunicatienet;
  c) transmissieapparatuur;
  d) onroerend goed (terreinen en gebouwen);
  e) facturatie- en andere computer-systemen;
  f) meetapparatuur;
  g) voertuigen;
  h) vervangingsinvesteringen;
  i) overige investeringen (te verduidelijken);
  j) totaal van de investeringen.
  4.2.2. Vooruitzichten met betrekking tot de balans.
  Tabel nr. 4.4 beschrijft de evolutie van de balans met de volgende rubrieken :
  a) lichamelijke vaste activa;
  b) voorraden, schuldvorderingen en overige activa in omloop;
  c) totaal van de activa (c = a + b);
  d) belegd kapitaal;
  e) reserves;
  f) nettoresultaat van het boekjaar;
  g) eigen vermogen (g = d + e + f);
  h) voorzieningen voor risico's en lasten;
  i) bankleningen;
  j) schulden op korte termijn;
  k) vlottende schuld;
  1. totaal van de passiva (l = g + h + i + j + k).
  4.2.3. Exploitatiekosten.
  Tabel nr. 4.5 beschrijft de voorziene exploitatiekosten :
  a) kosten voor het gebruik van het openbaar telecommunicatienet;
  b) interconnectiekosten;
  c) personeelskosten;
  d) sociale en werkgeverslasten;
  e) commissie op de distributiekanalen;
  f) kosten voor marketing en reclame;
  g) huren van sites en andere kosten van onroerende aard (verwarming, elektriciteit, enz);
  h) kosten voor het onderhoud van de uitrustingen;
  i) rechten aan het BIPT;
  j) administratieve en algemene kosten;
  k) voorzieningen voor dubieuze vorderingen;
  l) allerlei (te verduidelijken);
  m) totaal van de exploitatiekosten.
  4.2.4. Omzet (structuur van de inkomsten).
  Tabel nr. 4.6 geeft de evolutie weer van de verwachte inkomsten :
  a) kosten inzake aansluiting of abonnering;
  b) abonnementen;
  c) inkomsten uit oproepen;
  d) inkomsten uit interconnectie;
  e) bijkomende diensten en diensten met toegevoegde waarde;
  f) verkoop van eindtoestellen;
  g) andere inkomsten (te verduidelijken);
  h) totale omzet.
  4.2.5. Winst- en verliesrekening.
  Tabel nr. 4.7 bevat de cijfers met betrekking tot de evolutie van de resultatenrekening van het lopende boekjaar :
  a) omzet;
  b) exploitatiekosten;
  c) resultaat vóór afschrijvingen, financiële lasten en belastingen (c = a - b);
  d) afschrijvingen;
  e) financiële lasten;
  f) vennootschapsbelasting;
  g) nettoresultaat (g = c - d - e - f);
  h) gecumuleerd nettoresultaat.
  4.2.6. Analyse van de jaarlijkse en gecumuleerde cashflow.
  Tabel nr. 4.8 verduidelijkt de evolutie van de parameters die de cashflow van de onderneming bepalen :
  a) totale investeringsuitgaven;
  b) schommelingen in het bedrijfskapitaal;
  c) resultaat vóór afschrijvingen, financiële lasten en belastingen;
  d) financiële lasten en belastingen;
  e) kapitaalinbreng;
  f) leningen;
  g) terugbetalingen van leningen;
  h) nettocashflow (h = - a + b + c - d + e + f - g);
  f) gecumuleerde nettocashflow.
  4.2.7. Termijnen voor rentabilisering.
  De aanvrager preciseert de termijnen die in zijn project vereist zijn om te komen tot :
  a) het "break-even point" waarop de "cashflow" van het lopende boekjaar positief wordt;
  b) het grote evenwicht van het project wanneer de gecumuleerde "cashflow" positief wordt;
  c) de terugverdientijd inzake investeringen ("payback").
  4.2.8. Coëfficiënten inzake beheer.
  Tabel nr. 4.9 vat de ontwikkeling doorheen de tijd samen van de verschillende hierna volgende coëfficiënten waarmee het financiële beheer van het project kan worden samengevat :
  a) solvabiliteitscoëfficiënt = eigen vermogen/totale activa;
  b) liquiditeitscoëfficiënt = (voorraden + realiseerbare of beschikbare waarden)/opvorderbare passiva (schulden op korte termijn);
  c) rentabiliteitscoëfficiënt van eigen kapitaal = nettowinst na belastingen/eigen kapitaal;
  d) "Return On Investment" (R.O.I.) = nettoresultaat van het boekjaar/ totaal van de activa.
  4.2.9. Rentabiliteitsindicatoren.
  De aanvrager geeft de waarden aan van de verschillende parameters waarmee de rentabiliteit van zijn project kan worden ingeschat :
  a) netto-actuele waarde (N.P.V.) voor een actualiseringsgraad van 10 %;
  b) interne rendementsgraad (I.R.R.).
  4.3. Gevoeligheid van het ondernemingsplan.
  4.3.1. Analyses inzake de gevoeligheid van het ondernemingsplan.
  De aanvrager geeft de invloed aan op de netto-geactualiseerde waarde en op de interne rendementsgraad van de afwijkingen van de volgende parameters ten opzichte van de veronderstellingen die hij in zijn ondernemingsplan heeft gedaan :
  4.3.1.1. aantal abonnees van de operator = - 10 % ten opzichte van de prognoses;
  4.3.1.2. kosten van de apparatuur = + 10 %;
  4.3.1.3. kosten van de kapitalen = + 5 %;
  4.3.1.4. vertraging in het opstarten van het openbare telecommunicatienet = zes maanden;
  4.3.1.5. exploitatiekosten = + 10 %;
  4.3.1.6. verlaging met 10 % van het gemiddelde tariefniveau ten opzichte van de prognoses.
  4.3.2. Wijzigingen op de markt.
  De aanvrager zet de gevolgen uiteen op zijn hypotheses en zijn ondernemingsplan van mogelijke aanzienlijke wijzigingen van de concurrentiesituatie op de markt voor spraaktelefonie, met name :
  4.3.2.1. eventuele intrede van nieuwe operatoren op de Belgische markt voor openbare telecommunicatienetten;
  4.3.2.2. mogelijke wijzigingen in het regelgevingskader, met name wat betreft de infrastructuur, de interconnectie-voorwaarden en de "service providers";
  4.3.2.3. andere mogelijke invloeden.

  Art. 6N.5. Technische aspecten.
  5.1. Architectuur van het openbare telecommunicatienet.
  De aanvrager geef een gedetailleerde beschrijving van de beoogde architectuur van zijn openbaar telecommunicatienet. Hij preciseert door middel van een tabel nr. 5.1 de ontwikkeling van het aantal aangewende uitrustingen, wat betreft :
  a) de transmissieapparatuur;
  b) in voorkomend geval, de bij derden gehuurde aansluitingslijnen.
  Voor elke soort uitrusting die met categorie a hierboven overeenstemt worden de geschatte kosten per eenheid vermeld.
  5.2. Dekking.
  Tabel nr. 5.2 geeft de beoogde dekkingszones aan. De aanvrager voegt kaarten van België op schaal 1/300 000 bij waarop de dekkingszones van het grondgebied aangegeven zijn na respectievelijk één, twee, drie, vier en vijf jaar (te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning is toegekend).
  5.3. Tijdschema voor de ontplooiing.
  De aanvrager verduidelijkt de beoogde planning voor de verschillende etappes in de ontplooiing van de uitrustingen die nodig zijn voor de exploitatie van zijn openbaar telecommunicatienet.
  5.4. Dimensionering van het openbare telecommunicatienet.
  De aanvrager zet de methode uiteen die hij voornemens is toe te passen om de verschillende uitrustingen correct te dimensioneren op basis van zijn commerciële vooruitzichten teneinde een gepaste kwaliteit van de dienst te waarborgen.
  Tabel nr. 5.3 geeft de evolutie aan met betrekking tot het totale verkeer dat het openbare telecommunicatienet correct zal kunnen verwerken op het piekuur.
  5.5. Technische interconnectie.
  Wat betreft de interconnectie van zijn openbaar telecommunicatienet met andere openbare telecommunicatienetten of -diensten geeft de aanvrager een beschrijving van :
  5.5.1. de technische interfaces en protocols van zijn apparatuur die onderling met die telecommunicatienetten of -diensten gekoppeld is;
  5.5.2. de maatregelen die hij van plan is te treffen om een optimale interoperabiliteit te garanderen met de interfaces van de betrokken netwerken of diensten;
  5.5.3. de menselijke middelen, en hun deskundigheid, die hij voornemens is in te zetten om zijn betrekkingen met [1 Proximus]1 te beheren op het stuk van interconnectie.
  5.6. Nummeringsplan.
  De aanvrager vermeldt de nummeringsfuncties die in zijn netwerk opgenomen zijn en de regels die hij toepast om in het nationale nummeringsplan te worden geïntegreerd.
  5.7. Levering van de apparatuur.
  De aanvrager geeft een beknopte beschrijving van de apparatuur die hij overweegt aan te kopen om zijn openbaar telecommunicatienet aan te leggen, in het bijzonder wat betreft de mogelijke leveranciers, de procedure voor de selectie van die leveranciers en de technische karakteristieken.
  De aanvrager vermeldt duidelijk de maatregelen die hij van plan is te nemen om zich te vergewissen van de perfecte overeenstemming van de uitrustingen met de relevante technische normen.
  5.8. Vermogen van het openbare telecommunicatienet.
  De aanvrager evalueert zijn geschiktheid om de doelstellingen inzake kwaliteit van het openbare telecommunicatienet te behalen die hij in zijn aanvraag vastlegt, alsook de eventuele implicaties ingeval hij die doelstellingen niet verwezenlijkt.
  ----------
  (1)<W 2015-08-10/26, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 22-06-2015 (zie KB 2015-09-11/02, art. 1)>

  Art. 7N. 6. Organisatorische aspecten.
  6.1. Beheer van human resources.
  6.1.1. Organisatie van de human resources.
  De aanvrager geeft in zijn dossier :
  6.1.1.1. een gedetailleerde beschrijving van het voorziene organigram voor de toekomstige entiteit van de operator en van de mechanismen met betrekking tot de besluitvorming;
  6.1.1.2. een aanwijzing van de evolutie van het aantal personen die rechtstreeks worden tewerkgesteld op grond van hun kwalificatie- en specialisatieniveau;
  6.1.1.3. een beschrijving van de human resources, die gekwalificeerd zijn op technisch, commercieel en operationeel vlak, die de deelgenoten of toekomstige deelgenoten zullen kunnen ter beschikking stellen van de operator om hem bij te staan bij de ontplooiing van zijn activiteiten;
  6.1.1.4. een schatting van zijn vermogen om bijkomend personeel aan te werven en de daartoe beoogde procedure;
  6.1.1.5. een opgave van de vormingsprogramma's die hij zijn personeel wil laten volgen in de verschillende domeinen die verband houden met de aanleg en de exploitatie van zijn openbaar telecommunicatienet;
  6.1.1.6. een demonstratie van het feit dat zijn organisatie het hem mogelijk zal maken om zijn verbintenissen na te komen in verband met de ontplooiing van zijn dienstenaanbod, alsook inzake de kwaliteit en betrouwbaarheid van de aangeboden dienst door de eventuele onderbrekingen in de werking zoveel mogelijk te beperken.
  6.1.2. Tewerkstelling.
  De aanvrager geeft in de vorm van "manjaren" een raming van de werkgelegenheid die in België door zijn bedrijvigheid wordt geschapen door middel van een tabel nr. 6.1 met daarin de volgende gegevens :
  a) rechtstreekse tewerkstelling (personeel dat rechtstreeks afhangt van de operator);
  b) kanalen voor commercialisatie en distributie;
  c) fabrikanten en invoerders van apparatuur;
  d) installatiewerkzaamheden in verband met apparatuur;
  e) allerlei (te preciseren);
  f) totaal.
  6.2. Commercialisering van het openbare telecommunicatienet.
  6.2.1. Marketing.
  De aanvrager beschrijft zijn plannen in verband met :
  6.2.1.1. de organisatie van de promotie- en reclamecampagnes en de promotie van zijn imago;
  6.2.1.2. de methode voor de identificatie van de abonnees waarop wordt gedoeld en voor de ontwikkeling van de aangepaste handels-strategieën (dienstenpakketten, tarieven, distributiekanalen, enz.);
  6.2.1.3. de analyse van de opportuniteit van de regionale markten.
  6.2.2. Diensten aan de cliënteel.
  De aanvrager beschrijft zijn aanpak van de organisatie en de dienstverlening van zijn dienst voor bijstand aan de cliënteel, met name wat betreft :
  6.2.2.1. de termijn voor de activering van de nieuwe abonnees;
  6.2.2.2. de nadere regels in verband met de toegang tot de hulpdienst, de antwoordtermijnen van die dienst, de openingsuren en de taalkennis van het personeel;
  6.2.2.3. de behandeling van de klachten van de gebruikers;
  6.2.2.4. het beheer van de fraude en slechte betalers;
  6.3. Onderhoud en technisch beheer.
  De aanvrager beschrijft zijn plannen met name in verband met :
  6.3.1. de controle van de verschillende parameters met betrekking tot de werking van het openbare telecommunicatienet;
  6.3.2. de organisatie van het technische onderhoud van het openbare telecommunicatienet voor gecentraliseerd toezicht, technische inter-ventieploegen, procedures en termijnen);
  6.3.3. het verzamelen en verwerken van de gegevens in verband met het afgewikkelde verkeer met het oog op de instandhouding en verbetering van de kwaliteit van het openbare telecommunicatienet;
  6.3.4. de beoogde meetapparatuur;
  6.3.5. het beheer van de voorraad reservemateriaal.
  6.4. Facturering.
  De aanvrager geeft een aanwijzing van het beoogde computersysteem voor het beheer van de database met betrekking tot de cliënteel en voor de facturering van het gebruik van zijn openbaar telecommunicatienet.

  Art. 8N. 7. Aspecten in verband met ervaring.
  De aanvrager beschrijft zijn ervaring of die van zijn deelgenoten of toekomstige deelgenoten en van zijn partners wat de technische, commerciële en operationele aspecten betreft op de volgende gebieden :
  7.1. het opzetten en het beheer van telecommunicatienetten, en van openbare telecommunicatienetten in het bijzonder;
  7.2. de mededinging op een voor concurrentie opengestelde markt;
  7.3. de kennis van de ontwikkeling van de Belgische en de Europese markt voor openbare telecommunicatienetten;
  7.4. de vooruitzichten inzake technische en/of commerciële vernieuwing op grond van de ervaring die de deelgenoten of toekomstige deelgenoten hebben opgedaan.

  Art. 9N. 8. (Opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Art. 10N.
  <Opgeheven bij KB 2013-07-15/16, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 29-08-2013>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 22 juni 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Telecommunicatie,
E. DI RUPO

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, inzonderheid op artikel 3, vervangen bij richtlijn 96/19/EG van de Europese Commissie van 13 maart 1996 tot wijziging van Richtlijn 90/388/EEG van de Commissie met betrekking tot de invoering van volledige mededinging op de markten voor telecommunicatie;
   Gelet op richtlijn 90/387/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision, zoals gewijzigd bij artikel 1 van richtlijn 97/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 tot wijziging van de richtlijnen 90/387/EEG en 92/44/EEG met het oog op de aanpassing aan een door concurrentie gekenmerkte context in de telecommunicatie;
   Gelet op richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten;
   Gelet op richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP);
   Gelet op de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, inzonderheid op artikel 92bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 oktober en vervangen bij de wet van 19 december 1997;
   Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 17 november 1997;
   Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 20 november 1997;
   Gelet op het advies van de Europese Commissie;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Telecommunicatie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 01-09-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 6N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-12-2009 GEPUBL. OP 30-12-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 13bis; 31bis; 31ter; 31quater; 10N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-03-2009 GEPUBL. OP 16-04-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 13BIS; 31BIS; 31TER; 31QUATER; 10N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 23-10-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 13BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-07-2001 GEPUBL. OP 14-08-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 13BIS; 30; 30BIS; 31BIS-31QUIN)
    (GEWIJZIGD ART. : 10N)
  • originele versie
  • WET VAN 02-01-2001 GEPUBL. OP 03-01-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 6BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-12-2000 GEPUBL. OP 29-12-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6BIS-6QUI; 6SEX-6OCT)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-10-2000 GEPUBL. OP 28-11-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5; 10; 25; 28; 30; 30BIS; 1N; 9N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-06-2000 GEPUBL. OP 17-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 6BIS; 13BIS; 27; 31BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 31TER-31OCT; 10N)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING.
       Sire,
       De wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven bepaalt in artikel 92bis zoals gewijzigd door de wet van 19 december 1997 tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven teneinde het reglementaire kader aan te passen aan de verplichtingen die inzake vrije mededinging en harmonisatie op de markt voor telecommunicatie, voortvloeien uit de van kracht zijnde beslissingen van de Europese Unie, dat de aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken onderworpen is aan een vergunning. Dit besluit regelt de uitvoering en de praktische uitwerking van dit artikel.
       Sinds de liberalisering van de telecommunicatie op 1 januari 1998 kunnen netwerken door verschillende marktoperatoren worden geleverd. Het is dus van belang om het gemeenschappelijke kader vast te stellen dat door de verschillende operatoren moet worden nageleefd opdat de te vervullen verplichtingen billijk zijn en de kwaliteit die aan de consument wordt verstrekt, over het gehele grondgebied gelijk is. Dit is het doel van het besluit dat U heden wordt voorgelegd.
       Dit besluit vervangt grotendeels het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de voorwaarden waaronder afgeweken kan worden van artikel 92, § 1 van wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven aan het gewijzigde reglementaire kader. Dit laatste besluit regelde immers een gedeeltelijke liberalisatie van de telecommunicatie-infrastructuur in die zin dat het voor openbare netwerken beperkt werd tot bestaande infrastructuren. In onderhavig besluit wordt de volledige liberalisering voor wat betreft de aanleg en de exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken ingevoerd en wordt uitvoering gegeven aan het nieuwe artikel 92bis van de wet van 21 maart 1991.
       Artikelsgewijze commentaar.
       Artikel 1 verduidelijkt de terminologie die in dit besluit wordt gebruikt.
       Artikel 2 omschrijft uitdrukkelijk het begrip bestek. In dit bestek moeten die voorwaarden verstaan worden waaraan een vergunninghouder zich moet houden bij de aanleg en exploitatie van zijn net.
       Artikel 3 legt aan de operator de verplichting op om technisch, economisch, financieel en qua personeel de nodige middelen in te zetten zodat hij de voorwaarden die in dit bestek worden opgelegd, kan naleven. Tevens moet uit het ondernemingsplan blijken dat de operator een duurzaam netwerk beoogt.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State wordt erop gewezen dat richtlijn 97/13/EG het daadwerkelijk mogelijk maakt om, in gerechtvaardigde gevallen en met naleving van het principe van proportionaliteit het uitbaten van openbare netten te onderwerpen aan eisen met betrekking tot de financiële en technische capaciteit. Daar openbare telecommunicatienetten ertoe dienen aan het publiek diensten te leveren is het gerechtvaardigd dat zij een zekere omvang moeten hebben. De criteria inzake minimale investering of minimumniveau van ontplooiing moeten in het artikel behouden blijven om de doorzichtigheid en juridische zekerheid te garanderen en om discriminatie te vermijden.
       Met "werkingskosten" wordt in dit artikel bedoeld : alle kosten die nodig zijn voor het aanleggen en het instandhouden van het netwerk.
       Artikel 4 behoeft geen commentaar.
       Artikel 5 legt een informatieplicht op van operator naar klant toe in verband met de reglementering van het gebruik van eindapparaten. Een algemene vaststelling is immers dat heel wat eindgebruikers niet op de hoogte zijn van het feit dat eindapparaten enkel mogen gebruikt worden op openbare telecommunicatienetwerken wanneer zij goedgekeurd zijn. De band tussen operator en klant is voor het verspreiden van deze reglementen een uiterst geschikt informatiekanaal.
       Wanneer een eindapparaat goedgekeurd is en niet valt onder de bepalingen van artikel 95 van de wet van 21 maart 1991 (het eindapparaat stemt dus overeen met het oorspronkelijk goedgekeurde type, het beantwoordt aan de van kracht zijnde specificaties, het veroorzaakt geen storingen, berokkent geen schade aan de openbare telecommunicatieinfrastructuur en betekent geen gevaar voor de gebruikers of het personeel van de operatoren en de voorwaarden waaronder de goedkeuring is verleend en die betrekking hebben op het gebruik waarvoor het eindapparaat is goedgekeurd, worden nageleefd), dan kan de operator zich niet verzetten tegen de aansluiting van dergelijk apparaat. In de praktijk zal deze bepaling voornamelijk van belang zijn voor de operatoren die de toegang tot de eindgebruiker controleren.
       Aangezien niet-goedgekeurde apparatuur of apparatuur die valt onder de bepalingen van artikel 95 van de wet de goede werking van het netwerk in het gedrang kan brengen, geeft dit artikel de operator de mogelijkheid om zich tegen het aansluiten van dergelijke apparatuur te verzetten. Bovendien kan de operator vragen om dergelijke apparatuur, indien ze reeds aangesloten is, af te koppelen. Is de klant onbereikbaar of weigert de klant op deze vraag in te gaan dan kan de operator de toegang tot het net schorsen. De operator moet de klant natuurlijk op de hoogte stellen van de schorsing.
       Hierbij kan nog opgemerkt worden dat de operator ten allen tijde de controlediensten van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (het Instituut) op de hoogte kan brengen van het feit dat niet goedgekeurde apparatuur is aangesloten op zijn netwerk. Deze diensten kunnen dan optreden op grond van artikel 110 van de wet.
       Als antwoord op de opmerking van de Raad van State, kan worden benadrukt dat de klant wiens eindtoestel afgekoppeld werd, beroep kan aantekenen bij de ombudsdienst.
       Artikel 6, § 1 legt, ter bescherming van de belangen van de eindgebruikers, de nadruk op het belang van het verzorgen van een eind-tot-eind kwaliteit van de dienst in geïnterconnecteerde netwerken en op het respect voor de reglementering van de bescherming van gegevens.
       Artikel 6, § 2 vereist dat de operator duidelijk maakt in het kader van interconnectie met een andere operator welke maatregelen hij voorzien heeft die de continuïteit van de dienst zullen verzekeren in geval de installaties of de infrastructuur die in normale omstandigheden de dienst verzorgen niet naar behoren functioneren.
       Artikel 6, § 3 voorziet een tussenkomst van de Kamer voor interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik in geval een interconnectie met een derde de goede werking van het netwerk van de operator in het gedrang brengt en dit niet alleen wat betreft de aspecten vervat in de essentiële eisen, maar eveneens wat de hogere functies in het netwerk aangaat.
       Artikel 6, § 4 geeft de operator de mogelijkheid om, wanneer een storing gevaar oplevert voor personen of voor installaties, de interconnectie onmiddellijk te schorsen. Het spreekt immers voor zich dat een dergelijke storing zo snel mogelijk verholpen moet worden.
       Inzake interconnectie mag niet uit het oog verloren worden dat wanneer een operator zijn installaties wijzigt in die zin dat de geïnterconnecteerde operator gedwongen wordt zijn installaties eveneens te wijzigen, deze operatoren onderworpen zijn aan het koninklijk besluit tot regeling van de termijnen en principes die van toepassing zijn op de commerciële onderhandelingen die worden gevoerd om interconnectieakkoorden te sluiten.
       Artikel 7 behoeft geen commentaar.
       De bedoeling van artikel 8 is dat de operator ervoor zorgt dat het netwerk permanent operationeel is. Dit betekent niet dat er zich geen onderbrekingen of storingen kunnen voordoen. Dergelijke mankementen zijn immers onvermijdbaar. Het is de operator echter niet toegelaten de werking van het net te onderbreken bijvoorbeeld bij wijze van "pauze". Om defecten te vermijden past de operator de nodige bescherming en redundantie toe om de instandhouding of het herstel van de toegang tot zijn netwerk te garanderen in geval van onderbreking of storing als gevolg van een defect van de installaties of infrastructuren of in geval van overmacht.
       Artikel 9 legt de operator de verplichting op om erop toe te zien dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bescherming van het privé-leven worden nageleefd. De operator is gemachtigd om alle nodige en redelijke maatregelen te nemen om die naleving te garanderen.
       Artikel 10 bepaalt dat, ter bescherming van de belangen van de eindgebruiker, goedgekeurde eindapparatuur binnen de voorwaarden bepaald door goedkeuringsspecificaties, probleemloos toegang moet kunnen nemen tot het netwerk ongeacht het openbare net waar het op aangesloten wordt. De samenwerking tussen het Instituut en de operator, heeft tot doel in problematische gevallen de gewenste overdraagbaarheid te bereiken. Deze samenwerking houdt onder andere ook in dat de operator noodzakelijke informatie zoals de netwerkspecificaties ter beschikking stelt van het Instituut en dit reeds bij de aanvraag voor het bekomen van een individuele vergunning.
       Artikel 11 behoeft geen commentaar.
       De artikels 12 tot 16 regelen de rechten die betaald moeten worden voor een vergunning. Deze bepalingen zijn grotendeels overgenomen uit het koninklijk besluit van 18 juni 1997 betreffende de dossierkosten verbonden aan de aanvraag en het beheer van een vergunning voor het uitbaten van verbindingen voor het al dan niet zelf aanbieden van openbare telecommunicatiediensten. Als antwoord op de opmerking van de Raad van State is verduidelijkt dat de bedragen pas na de uitreiking van de vergunning verschuldigd zijn.
       De bedragen die in dit besluit worden voorgesteld zijn hoger dan deze in het eerdervernoemde besluit daar door de algehele liberalisatie inzake het aanleggen en exploiteren van netwerken veel meer dossiers door het Instituut onderzocht zullen moeten worden. Het besluit van 18 juni 1997 was immers beperkt tot bestaande openbare infrastructuren waardoor het aantal dossiers eerder gering was.
       Als antwoord op de opmerking van de Raad van State zijn de kosten voor het beheer van het dossier voor operatoren met een sterke marktpositie hoger omdat zal moeten worden nagegaan of zij hebben voldaan aan de meer omvangrijke verplichtingen die op hen rusten.
       Artikel 17 komt tegemoet aan een verplichting van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, inzonderheid artikel 4quinquies, ingevoegd bij richtlijn 96/19/EG van 13 maart 1996.
       Dit artikel kent aan de operatoren dezelfde rechten toe als deze voorzien in de wet. Niettemin kan, als antwoord op de opmerking van de Raad van State, gesteld worden dat dit artikel nuttig is daar het de operatoren duidelijk wijst op hun rechten en plichten terzake. Bovendien past dit artikel in een overzichtelijke uitvoering van artikel 92bis, § 1 a) tot r) van de wet.
       Artikel 18 legt de operator de verplichting op om het Instituut regelmatig de nodige gegevens ter beschikking te stellen zodat het Instituut kan nagaan of de operator voldoet aan de bepalingen van zijn vergunning.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State moet worden benadrukt dat het Instituut krachtens artikel 75 § 3 belast is met een algemene controleopdracht. Het eerste lid van artikel 18 geeft uitvoering aan die bepaling.
       Artikel 19 is geherformuleerd om tegemoet te komen aan het advies van de Raad van State.
       Artikel 20 behoeft geen commentaar.
       Artikel 21 (het vroegere artikel 24) behandelt de sancties ingeval van niet-naleving van de vergunning. Nadat het Instituut de inbreuk heeft vastgesteld, hoort het de operator en maant hem eventueel aan om binnen een maand de tekortkomingen te verhelpen; het deelt hem tevens de boete mee die hij zal moeten betalen wanneer de overtreding blijft bestaan. Die boete zal worden vastgesteld volgens artikel 109quater van de wet en kan dus gaan van 0,5 % tot 5 % van de omzet van de operator in de sector waarin de overtreding zich heeft voorgedaan. Indien de operator zich niet voegt naar het verzoek van het Instituut legt dit na de operator te hebben gehoord, hem de voorgestelde sanctie op. De beslissing van het Instituut moet worden genomen voor het einde van de tweede maand die volgt op de eerste ingebrekestelling. Die beslissing wordt binnen een week aan de operator meegedeeld.
       Indien de operator na afloop van de daaropvolgende maand nog steeds in gebreke blijft, kan de Minister op advies van het Instituut hetzij de vergunning schorsen, hetzij de vergunning intrekken. Uiteraard zal de Minister vooraleer hij tot een dergelijke beslissing overgaat, de betrokken operator horen.
       § 1 geeft aan het BIPT de mogelijkheid om zelf de termijn te bepalen waarbinnen de operator de tekortkomingen moet verhelpen. De door de Raad van State voorgestelde termijn van één maand kan in een aantal gevallen immers te lang zijn : wanneer bijvoorbeeld het slecht functioneren van het netwerk de goede werking van bepaalde diensten of van een ander netwerk al te zeer in het gedrang brengt, of de operator laat storende niet-goedgekeurde apparatuur op zijn netwerk toe. In dergelijke flagrante gevallen moet het euvel binnen de kortst mogelijke tijd verholpen worden.Bovendien wordt in dit artikel, in tegenstelling tot in het voorstel van de Raad van State, uitdrukkelijk verwezen naar artikel 109quater van de wet, dit omwille van de rechtszekerheid.
       De strafsancties waarin artikel 114 van de wet voorziet kunnen echter cumulatief toegepast worden met de sancties van dit artikel.
       Artikel 22 bepaalt dat de operator als enige aansprakelijk is tegenover zijn klanten voor fouten van het netwerk. Deze bepaling beoogt de klanten te beschermen in die zin dat een klant die geconfronteerd wordt met een slecht functionerende netwerk zich rechtstreeks tot zijn operator kan wenden en van deze een schadevergoeding kan verkrijgen. Indien deze operator niet of niet geheel verantwoordelijk is voor de verstoring van het netwerk kan hij de schadevergoeding die hij aan zijn klant heeft betaald, geheel respectievelijk gedeeltelijk verhalen op diegene die verantwoordelijk is voor de betreffende fout. Als antwoord op het advies van de Raad van State, geeft deze maatregel wel degelijk uitvoering aan de bepalingen van Hoofdstuk IXter van Titel III van de wet over de bescherming van de gebruikers en in het bijzonder artikel 105octies met betrekking tot de regelingen voor schadeloosstelling.
       Artikel 23 herinnert de operator aan de verplichtingen en mogelijkheden inzake universele dienstverlening.
       Artikel 24 behoeft geen commentaar.
       Artikel 25 is de uitvoering van artikel 87, s) van de wet van 21 maart 1991 (ingevoegd door de wet van (...)). Het bepaalt dat van de jaaromzet inzake de activiteit die gedekt is door de vergunning 0,70 % gaat naar onderzoek en ontwikkeling, 0, 15 % ten goede komt aan de terbeschikkingstelling van informatietechnologieën in KMO's en 0,15 % aan jongeren en sociaal minder begunstigden. Bijgevolg moeten de operatoren 1 % van hun jaaromzet aanwenden om de algemene ontwikkeling van de informatiemaatschappij zo harmonieus mogelijk te laten verlopen. Deze bepaling beoogt in feite dat, in een geest van partnership met de ondernemingen, een driedubbele waarborg zou geconcretiseerd worden :
       - in de eerste plaats, de waarborg dat de liberalisering van de markt zal gebeuren met eerbiediging van de consumentenbelangen. Dit houdt in dat, door onderzoek en ontwikkeling, de operatoren elk op hun niveau, een blijvend proces op gang brengen en verderzetten voor de verbetering van hun producten en diensten, in aansluiting op de behoeften en verwachtingen van de consumenten;
       - vervolgens past het te waken over een harmonieuze spreiding van de economische weerslag van de ontwikkeling van de telecommunicatiesector. Met andere woorden, de kleine en middelgrote ondernemingen, als belangrijke vector bij de tewerkstellingsontwikkeling, mogen het slachtoffer niet zijn van een verstoord evenwicht of van vertragingen bij de toegang tot de integratie van de diensten die voortvloeien uit de informatietechnologieën;
       - ten slotte zou het ondenkbaar en onaanvaardbaar zijn dat de liberalisering van de telecommunicatiemarkt zou leiden tot een verscherping van de sociale uitsluiting. Daarom, teneinde een dergelijke perverse weerslag te voorkomen, zal elke operator in zijn bewerkingen een sociale dimensie moeten inbouwen om het verwekken van sociaal onrecht te vermijden. Deze dimensie zal gericht zijn op de toegang van kwetsbare sociale groepen tot de informatiemaatschappij.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State moet worden benadrukt dat andere Europese landen soortgelijke bepalingen in hun reglementering opnemen.
       Artikel 26 heeft betrekking op de reciprociteit van de interconnectierechten van binnenlandse operatoren ten overstaan van buitenlandse operatoren.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State is verduidelijkt dat de internationale overeenkomsten die België ondertekend heeft, uiteraard zullen worden nageleefd. De leden 2 en 3 van artikel 26 specificeren de nadere regels volgens dewelke het Instituut de gelijke behandeling van Belgische en buitenlandse operatoren zal nagaan op gebied van interconnectie, met name via het onderzoek van de verdeel- en ontvangsttaksen.
       Artikel 27 bepaalt de nadere regels die betrekking hebben op het aanvragen van de vergunning. In § 1 wordt vastgesteld wie de vergunning kan aanvragen terwijl § 2 de formele regels van de aanvraag vastlegt. In §§ 3 en 4 wordt bepaald welke informatie de aanvraag moet bevatten en hoe deze moet gepresenteerd worden.
       Bovendien legt § 4 een procedure vast voor het geval dat de verstrekte informatie ontoereikend zou zijn.
       In antwoord op het advies van de Raad van State moet opgemerkt worden dat de gevraagde informatie noodzakelijk is om te kunnen nagaan of de operator redelijkerwijze aan alle wettelijke en reglementaire verplichtingen zal kunnen voldoen.
       Artikel 28 bepaalt hoe de vergunning formeel en binnen welke termijnen tot stand komt :
       1. het Instituut onderzoekt het dossier;
       2. binnen een termijn van 60 dagen formuleert het Instituut een aanbeveling;
       3. deze aanbeveling wordt overgemaakt aan de aanvrager en aan de Minister; indien de aanbeveling gunstig is neemt zij de vorm aan van een ontwerp-vergunning;
       4. de Minister neemt binnen de 30 dagen na ontvangst van de aanbeveling een beslissing; Hij is niet gebonden door het advies van het Instituut.
       Bij punt 2 moet opgemerkt worden dat deze termijn wordt geschorst indien het Instituut van oordeel is dat het dossier onvolledig is of wanneer bijkomende inlichtingen noodzakelijk zijn. Deze schorsing kan hoogstens 30 dagen duren. Indien het dossier binnen deze periode niet vervolledigd of verduidelijkt is, wordt de aanvraag geweigerd.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State wordt erop gewezen dat richtlijn 97/13/EG inzake vergunningen in een mogelijkheid voorziet om de termijn in gerechtvaardigde gevallen uit te breiden tot vier maanden. Een verlenging van de termijn voor openbare telecommunicatienetten wordt gerechtvaardigd door het belang van die netten voor de Belgische economie en door het feit dat het belangrijk is te vermijden dat onbetrouwbare operatoren hun intrede doen op de markt, hetgeen een grondig onderzoek van de kandidatuurdossiers rechtvaardigt. In elk geval is de termijn van vier maanden een maximumtermijn die enkel maar in gerechtvaardigde gevallen zal worden toegepast.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State wat artikel 29 betreft, wordt erop gewezen dat de verwijzing naar de vrijwaring van een onvervalste marktstructuur behouden is omdat die betekent dat het industriële project dat door de kandidaat-operator wordt voorgesteld, verenigbaar moet zijn met de mededingingsregels die door het Verdrag en de nationale reglementering zijn uitgevaardigd.
       Artikel 30 legt de regels vast waaraan de operator moet voldoen bij een wijziging van zijn vergunning. Een dergelijke wijziging dringt zich immers op bij elke wijziging van het netwerk.
       De Minister heeft de mogelijkheid om, op voorstel van het Instituut, de vergunning eenzijdig te wijzigen indien een wijziging nodig is om aan de bepalingen van de artikelen 107 (toegang tot huurlijnen) en 108 (publicatie van de technische kenmerken) van de wet te voldoen.
       Artikel 31 : om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State inzake de bijkomende werklast die dergelijke dossiers voor het BIPT met zich meebrengen, en inzake de gelijke behandeling van de operatoren, brengt de overdracht van de vergunning de betaling van een éénmalig dossierrecht met zich mee.
       Artikel 32 laat het gebruik van frequenties toe bij het tot stand brengen van verbindingen. Voor het verkrijgen en het gebruik van deze frequenties wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen.
       Artikel 33 behoeft geen commentaar.
       Vergunningen die verkregen werden voor de inwerkingtreding van dit besluit, of aangiften die rechtsgeldig gedaan werden voor deze datum, worden in artikel 34 geregulariseerd.
       Operatoren die reeds over een vergunning voor openbare netwerken beschikken op basis van een andere reglementaire tekst dan onderhavige, worden verplicht aan het Instituut een dossier in de zin van artikel 30 van dit besluit over te maken. De bedoeling hiervan is dat het Instituut voor iedere netwerkoperator over een gelijkaardig dossier beschikt. Na ontvangst van het dossier zal het Instituut aan de betreffende operator een vergunning op grond van dit besluit afleveren.
       De artikelen 35 tot 37 behoeven geen commentaar.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State wat betreft het volume van de informatie die wordt gevraagd in de bijlage tot vaststelling van de vorm en de inhoud van de aanvragen voor een individuele vergunning, zij erop gewezen dat de ervaring met de procedures voor de toekenning van voorlopige vergunningen het belang aantoont om over al die inlichtingen te beschikken en dat vooral voor de kandidaat-operator die op die manier verplicht is om de aard, de omvang en de implicaties van zijn industrieel project beter te verduidelijken.
       Aan alle opmerkingen van de Raad van State is tegemoetgekomen, met uitzondering van die welke in het verslag aan de Koning becommentarieerd zijn.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Telecommunicatie,
       E. DI RUPO
       ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
       De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 3 februari 1998 door de Minister van Telecommunicatie verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetwerken, heeft op 18 maart 1998 het volgende advies gegeven :
       Algemene opmerking.
       Overeenkomstig artikel 2, lid 4, en artikel 3, vijfde alinea, van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, is van het ontwerp kennis gegeven aan de Commissie die haar opmerkingen bij brief van 18 december 1997 heeft meegedeeld.
       De afdeling wetgeving kan echter niet anders dan vaststellen dat daarmee geenszins rekening is gehouden in de tekst van het ontwerp dat haar op 3 februari 1998 is voorgelegd, wat de gemachtigde ambtenaar trouwens heeft bevestigd.
       Bijzondere opmerkingen.
       Opschrift.
       Teneinde het opschrift in overeenstemming te brengen met de bewoordingen van artikel 92bis van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, welk artikel de rechtsgrond van het ontworpen besluit vormt, wordt voorgesteld om het opschrift als volgt te redigeren "koninklijk besluit betreffende de voorwaarden inzake aanleg en exploitatie van openbare telecommunicatienetten", zoals dat opschrift overigens in de bijlage bij het ontworpen besluit wordt geciteerd.
       Aanhef.
       Eerste lid.
       In plaats van te verwijzen naar de wijzigingsrichtlijn, behoort de oorspronkelijke richtlijn te worden vermeld (1). Er behoort ook te worden verwezen naar het precieze artikel van die tekst met toepassing waarvan het ontworpen besluit wordt uitgevaardigd. Het lid zou dan ook als volgt moeten worden gesteld :
       "Gelet op richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, inzonderheid op artikel 3, vervangen bij richtlijn 96/19/EG van de Commissie van 13 maart 1996;".
       (1) De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft reeds herhaaldelijk aan deze regel van de wetgevingstechniek moeten herinneren, inzonderheid in advies L. 26.588/4, dat op 29 september 1997 is gegeven over een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de satellietgrondstations en netwerken via satellietgrondstations.
       Tweede lid.
       Er behoort te worden geschreven : "inzonderheid op artikel 92bis, ingevoegd door het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 en vervangen bij de wet van 19 december 1997" in plaats van "inzonderheid op artikel 92bis, ingevoegd bij de wet tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven om het reglementaire kader aan te passen aan de verplichtingen inzake vrije mededinging en harmonisatie op de markten voor telecommunicatiediensten, die voortvloeien uit de van kracht zijnde richtlijnen van de Commissie van de Europese Unie".
       Vijfde lid.
       Om zich te gedragen naar het bepaalde in artikel 5 van het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole, dient men te schrijven : "Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting van 20 november 1997".
       Zesde lid (nieuw).
       Er dient een als volgt luidend nieuw lid te worden ingevoegd :
       "Gelet op het advies van de Europese Commissie;".
       Bepalend gedeelte.
       Voorafgaande opmerkingen.
       Wat de nummering betreft van de hoofdstukken en afdelingen, alsook het opschrift ervan, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen :
       1. In het Nederlands worden alle hoofdstukken, afdelingen en onderafdelingen genummerd met hoofdtelwoorden in Romeinse cijfers. Deze regel geldt ook voor het Frans, met uitzondering weliswaar van hoofdstuk I, afdeling I en onderafdeling I, die als "Chapitre premier", "Section première" en "Sous-section première" moeten worden aangeduid, waarbij "premier" en "première" met een kleine letter worden geschreven.
       2. Men dient erop toe te zien dat de opschriften van hoofdstukken en afdelingen bij elkaar aansluiten. Men dient ofwel te opteren voor het gebruik van het bepaald lidwoord (zoals bijvoorbeeld in hoofdstuk II, afdelingen 7 tot 12, 14 tot 16 en 18) ofwel af te zien van het gebruik van het bepaald lidwoord (zoals in hoofdstuk II, afdelingen 1 tot 6, 13 en 17), en zich ervoor te hoeden die beide werkwijzen door elkaar te gebruiken.
       In het Nederlands is het gebruikelijk geen bepaald lidwoord te bezigen.
       3. Men behoort ervoor te zorgen dat de opschriften van de afdelingen in hoofdstuk II zo goed mogelijk overeenstemmen met de bewoordingen van artikel 92bis, § 1, tweede lid, a) tot r) van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven of er op zijn minst op toe te zien dat de bewoordingen van die opschriften stroken met de teneur van de bepalingen die in het voormelde artikel 92bis, § 1, tweede lid, staan. Zo bijvoorbeeld zou men ervoor moeten zorgen dat het opschrift van afdeling 14 van hoofdstuk II overeenstemt met punt n) van het voormelde artikel 92bis, § 1, tweede lid.
       - Hoofdstuk I.
       Het aantal artikelen waaruit dit hoofdstuk bestaat en de aard van de daarin behandelde aangelegenheden zijn geen reden om het in afdelingen op te splitsen (2). Er wordt voorgesteld dit hoofdstuk niet in afdelingen op te splitsen en het als opschrift "Definities" te geven..
       (2) Temeer daar zal worden voorgesteld de artikelen 2 tot 4 te schrappen.
       - Artikel 1.
       In onderdeel 3 schrijve men : "afgekort : als "B.I.P.T" in plaats van "afgekort : "B.I.P.T".".
       De definitie die in onderdeel 4 wordt gegeven, hoort veeleer vooraan in hoofdstuk II thuis. Het eerste artikel van dat hoofdstuk zou kunnen bepalen dat het bestek alle voorwaarden bevat waaraan een persoon moet voldoen om een vergunning voor de exploitatie van een openbaar telecommunicatienetwerk te kunnen verkrijgen.
       - Artikel 2.
       Deze bepaling is niets meer dan een parafrase van artikel 92bis van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
       Die bepaling behoort dan ook als overbodig te vervallen.
       - Artikelen 3 en 4.
       Er wordt voorgesteld deze beide artikelen te laten vervallen.
       Artikel 4 bevat immers geen enkele nieuwe regel en de in artikel 3 vervatte bepaling kan worden opgenomen in de definitie van de individuele vergunning die in artikel 1, 6°, wordt gegeven.
       - Hoofdstuk II.
       In het opschrift dient het woord "voor" te worden ingevoegd tussen het woord "bestek" en de woorden "openbare telecommunicatienetwerken".
       - Afdeling I.
       1. Er wordt verwezen naar de voorafgaande opmerking betreffende de nummering van de afdelingen.
       Met het oog op de overeenstemming met de bewoordingen van artikel 92bis, § 1, tweede lid, a) van de voormelde wet van 21 maart 1991, dient in de Franse tekst "compétence technique" in het enkelvoud te worden geschreven.
       - Artikel 5.
       Er wordt verwezen naar de opmerkingen die infra over artikel 32 van het ontwerp worden gemaakt.
       Onder voorbehoud van een en ander schrijve men in het tweede lid, tweede streepje, "totstandbrenging" in plaats van "ontplooiing", dat in deze context ongebruikelijk is.
       Wat het derde lid betreft, zou het woord "residentieel", dat in het ontwerp een betekenis heeft die niet overeen lijkt te komen met de betekenis die er in de woordenboeken aan wordt gegeven, beter vervangen worden door het woord "particulier". Voorts schrijve men "in het vorige lid" in plaats van "in vorig lid".
       - Artikel 6.
       Artikel 107, § 3, van de voornoemde wet van 21 maart 1991 bevat drie leden. Wellicht verwijst de steller van het ontwerp bij vergissing respectievelijk naar het tweede en het eerste lid van die bepaling, in plaats van naar het derde en het tweede lid ervan.
       - Artikel 7.
       Deze bepaling, die in wezen voorschrijft dat de operator zich ertoe verbindt artikel 13 van het ontwerp na te leven, heeft geen eigen verordenende waarde en behoort dus te vervallen.
       - Artikel 8.
       Over deze bepaling kan men in de commentaar van de Europese Commissie op het onderhavige ontworpen koninklijk besluit het volgende lezen :
       "L'article 8 du projet d'arrêté permet à l'opérateur de deconnecter du reseau public un utilisateur qui aurait connecte au reseau public un equipement non agréé. L'article 13, § 1er, de la directive amendant la directive 95/62/CE prévoit une telle éventualité, mais dispose qu,une procédure spécifique "d'urgence" doit. être mise en oeuvre par l'ARN dans ce type de cas, "sans préjudice de la procédure de reglement national des litiges prévue à l'article 26 § 1". Cette procédure doit prévoir "un processus de décision transparent et respectant le droit des parties". Ni la Loi telle que modifiee par le projet de loi ni le projet d'arrete ne semblent toutefois prévoir une telle procédure, necessaire pour permettre à l'utilisateur concerné de faire entendre son point de vue, le cas échéant.".
       Artikel 13, lid 1, waarvan hierboven sprake is, is artikel 13 van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de toepassing van Open Network Provision (ONP) op spraaktelefonie en de universele telecommunicatiedienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat (ter vervanging van richtlijn 95/62/EG van het Europees Parlement en de Raad), een artikel dat als volgt luidt :
       "Onverminderd de procedure voor de beslechting van geschillen op nationaal niveau overeenkomstig artikel 26, § 1), beschikken de nationale regelgevende instanties over procedures om situaties het hoofd te bieden waarin organisaties die vaste openbare telefoonnetwerken en/of vaste openbare telefoondiensten aanbieden, of althans die organisaties die spraaktelefoniediensten aanbieden en die een aanzienlijke macht op de markt bezitten of overeenkomstig artikel 5 zijn aangewezen en een aanzienlijke macht op de markt hebben, maatregelen nemen zoals onderbreking, beëindiging, aanzienlijke wijziging of beperking van de dienst op zijn minst ten aanzien van organisaties die telecommunicatienetwerken en/of -diensten leveren.".
       Het interne recht zal moeten worden herzien teneinde rekening te houden met deze nieuwe bepaling van gemeenschapsrecht, die zeer binnenkort zal worden aangenomen.
       Overigens dienen in het eerste lid de woorden "is verplicht om... op de hoogte te brengen" te worden vervangen door de woorden "brengt... op de hoogte", overeenkomstig de formulering van artikel 5.
       - Artikel 9.
       1. In paragraaf 1 schrijve men : "De operator neemt de maatregelen die hij in zijn interconnectieovereenkomsten vermeldt teneinde de naleving van de essentiële eisen te garanderen,...".
       Wat onderdeel 4 betreft, wordt erop gewezen dat het Franse "données à caractère personnel" op twee verschillende manieren is weergegeven. Men schrijve tweemaal "persoonsgegevens".
       2. Vooraan in paragraaf 2 schrijve men "De operator" in plaats van "Hij".
       3. Paragraaf 3, waarin aan het Instituut de bevoegdheid wordt opgedragen de operator te machtigen zijn interconnectie met een derde te schorsen, strookt niet met de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
       Krachtens artikel 75, § 8, van die wet kan het Instituut immers alleen als bemiddelaar optreden in geval van geschillen tussen personen die telecommunicatienetwerken exploiteren of telecommunicatiediensten aanbieden.
       Overigens wordt in artikel 79ter, § 2, van dezelfde wet, aan de "Kamer voor Interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik" de bevoegdheid toegekend een administratieve beslissing te nemen bij geschillen inzake interconnectie.
       Artikel 79ter, paragraaf 4, van de voormelde wet bepaalt dat "(de Kamer, in geval van een zware en onmiddellijke inbreuk op de voorschriften die de telecommunicatiesector regelen... (,) na de betrokken partijen te hebben gehoord (,) bewarende maatregelen (kan) opleggen met name met het oog op de garantie van de continuïteit van de werking van de telecommunicatiediensten".
       Ten slotte bepaalt artikel 109ter, § 5, van de voornoemde wet dat de betrokken partijen een overeenkomst betreffende de interconnectie sluiten. In principe staat het dan ook aan de partijen de voorwaarden te regelen waarop een interconnectie kan worden geschorst. De Koning kan weliswaar, ofwel op basis van artikel 87, § 2, tweede lid, k), ofwel op basis van artikel 109ter, § 5, van de wet clausules vaststellen die zeker in die interconnectieovereenkomsten moeten voorkomen. Hij kan dan ook eisen dat die overeenkomsten regels bevatten die gelden voor de schorsing van de interconnectie als die de goede werking van de dienst of de naleving van de "essentiële eisen" in het gedrang brengt.
       Het ontworpen artikel 9, § 3, behoort dan ook te worden opgesteld op basis van de wettelijke bepalingen waaraan hierboven herinnerd is en de vorm aan te nemen van een verplichting die de operator in de interconnectieovereenkomsten die hij met derden sluit, moet naleven.
       - Artikel 11.
       1. In het tweede lid zijn de woorden "moet de nodige maatregelen treffen opdat de permanentie bepaald in lid 1 van dit artikel gegarandeerd blijft" overbodig in het licht van het eerste lid. Het feit dat het netwerk continu operationeel moet zijn, houdt immers in dat de operator daartoe de noodzakelijke maatregelen moet treffen. Voor dit lid wordt dan ook de volgende redactie voorgesteld :
       "De operator verhelpt zo spoedig mogelijk elk defect van het netwerk.".
       2. De draagwijdte van het derde lid is geenszins duidelijk in het licht van het tweede lid. Heeft het derde lid tot doel aan te geven welke specifieke verplichtingen de operator in geval van overmacht dient na te komen. Als dat het geval is, zou het derde lid anders moeten worden geformuleerd en zou de overmacht moeten worden benadrukt. Anders valt niet goed in te zien in welk opzicht het derde lid aan het tweede lid iets toevoegt.
       - Artikel 13.
       Paragraaf 1.
       1. De woorden "die, in uitvoering van het huidig bestek, de van toepassing zijnde normen moet respecteren" dienen als overbodig te vervallen. Met het oog op een eenvoudiger formulering wordt voorgesteld om van de eerste twee zinnen eén enkele zin te maken, luidende :
       "De installaties die in het netwerk van de operator worden gebruikt, moeten beantwoorden aan de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte Europese normen betreffende "Open Network Provision" of, bij ontstentenis van zulke normen, aan Europese normen die... of, bij ontstentenis van zulke normen, aan internationale normen...".
       2. Voorts dient in dezelfde paragraaf richtlijn 90/387/EEG te worden vermeld met opgave van de datum en het volledige opschrift ervan, namelijk "richtlijn 90/387/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de totstandkoming van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP)".
       3. In de laatste zin van die paragraaf behoort te worden geschreven : "Het gebruik van installaties die beantwoorden aan andere technische specificaties... kan pas na..." in plaats van "Het gebruik van andere technische specificaties... kan slechts na...".
       Paragraaf 2.
       In de Franse tekst dient het woord "les" te worden ingevoegd tussen de woorden "notifier à l'Institut" en het woord "caractéristiques".
       In de Nederlandse tekst behoren de woorden "bekend" en "maken" aan elkaar te worden geschreven.
       Paragraaf 3.
       Deze paragraaf is nodeloos ingewikkeld gesteld doordat daarin kruisverwijzingen voorkomen. De redactie van deze paragraaf behoort dan ook te worden herzien.
       - Artikel 14.
       Men dient de datu
       m te vermelden van het koninklijk besluit betreffende het beheer van het nummeringsplan dat voor of uiterlijk tegelijk met dit besluit moet worden bekendgemaakt.
       - Artikelen 15 en 16.
       1. De Europese Commissie heeft in haar commentaar verscheidene opmerkingen gemaakt over de artikelen 15 en 16 van dit ontwerp. Die opmerkingen zijn de volgende :
       "L'article 15 du projet d'arrêté fixe le montant de la redevance à payer pour couvrir les frais d' examen du dossier (500 000 FB), et l'article 16, la redevance annuellé pour la gestion de la licence (350 000 FB). L'article 19 précise que ces paiements sont "sans préjudice de ceux applicables en vertu de la loi du 30 juillet 1979 relative aux radiocommunications.".
       Ces disposit ions semblent conformes à cel les de l'article 11 de la directive 97/13/CE. Toutefois, aux termes de l'article 11 paragraphe 1 de cette directive, il est précisé que "les taxes applicables a une licence individuel le sont proportionnel les au volume de travail requis (...)".
       En tout état de cause, les articles 15 et 16 du projet d'arrêté ne distinguent pas le cas des opérateurs puissants ou opérateurs soumis à une obligation de fourniture du service universel, lesquels sont néanmoins soumis à nombre d'obligations supplémentaires, dont le contrôle devrait occasionner une charge de travail supplémentaire. L'application effective de la disposition susmentionnée de la directive 97/13/CE devrait entraîner l'imposition de redevances d'un montant inférieur pour les opérateurs qui ne sont ni puissants, ni opérateurs de service universel. Des clarifications sur ce point seraient nécessaires.
       En outre, les articles 15 et 16 du projet augmentent les redevances dues pour la délivrance, la gestion et le contrôle de tels réseaux respectivement de 275 000 à 500 000 FB et de 275 000 à 350 000 FB par rapport à l'arrêté royal du 18 juin 1997 relatif aux frais de dossiers. Dans le rapport au Roi concernant les réseaux publics, cette augmentation est expliquée ainsi : "à cause de la libéralisation globale en ce qui concerne l'établissement et l'exploitation de réseaux, l'Institut sera appelé à examiner beaucoup plus de dossiers". Cette justification plaiderait plutôt pour une baisse des redevances, compte tenu des économies d'échelle qui doivent pouvoir être réalisées du fait de la spécialisation au sein du personnel de l'IBPT que cela permettra. En l'occurrence, il convient de rappeler qu'en vertu de l'article 6 de la directive 90/388/CEE les redevances doivent être basées sur des critères objectifs.".
       Met die opmerkingen is geen rekening gehouden.
       2. In tegenstelling tot de artikelen 87 en 89 van de wet van 21 maart 1991, die voor de vergunningen voor de exploitatie van respectievelijk een spraaktelefoondienst of een aan het publiek aangeboden mobiele telefoondienst voorzien in zowel ``verschuldigde rechten voor de uitreiking, het beheer en het toezicht op de vergunning'' als in een "recht (verschuldigd) voor het onderzoek van de kandidatuurdossiers", voorziet artikel 92bis, dat de rechtsgrond van het onderhavige ontwerp vormt, niet in het laatstgenoemde recht.
       In artikel 15 zou dan ook moeten worden bepaald dat het daarin vermelde recht slechts verschuldigd is als de vergunning wordt afgegeven.
       Voor het overige heeft het geen zin om in artikel 15 en in artikel 16, § 1 (dat het eerste lid wordt), te preciseren dat het om Belgische frank gaat.
       In paragraaf 2, die het tweede lid wordt, schrijve men "geschiedt" in plaats van "gebeurt". Een soortgelijke opmerking geldt voor heel het ontwerp.
       - Artikel 17.
       De vraag rijst of het niet verkieslijk is om als referentie-indexcijfer een recenter indexcijfer te gebruiken dan dat van november 1995 (bij wijze van voorbeeld : het indexcijfer gebruikt in het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het bestek van toepassing op de spraaktelefoondienst en de procedure inzake de toekenning van individuele vergunningen is dat van november 1997).
       - Artikel 19.
       In de Franse tekst schrijve men "Les redevances... de celles" in plaats van "ceux".
       In de Nederlandse tekst behoort "bepaald" te worden geschreven in plaats van "voorzien", alsook "met toepassing van" in plaats van "in toepassing van".
       - Artikel 20.
       Deze bepaling houdt voor de operatoren geen verplichting in. Ze kent hen geen enkel ander recht toe dan de rechten waarin de wet reeds voorziet. Het is dan ook verkieslijk de bepaling te laten vervallen.
       - Artikel 21.
       1. Het eerste lid is overbodig en behoort te vervallen.
       2. Het is verkieslijk de Franse tekst van het derde lid te laten beginnen met "Selon", in plaats van "Avec".
       In de Nederlandse tekst schrijve men : "Zo frequent als het Instituut bepaalt, deelt...".
       3. In het vierde lid behoort het woord "verantwoordelijke" te vervallen.
       De wending "aanwijzen... onder", die letterlijk uit het Frans vertaald is, wordt niet als correct aangemerkt. Men schrijve : "... benoemt uit de leden van zijn personeel...".
       - Artikel 22.
       1. De redactie van paragraaf 1 is onbegrijpelijk, doordat niet is aangegeven waarvan de rechten en plichten inzake interconnectie afhangen. Bovendien heeft artikel 109ter, § 4, derde lid, waarnaar wordt verwezen, alleen betrekking op de organisaties met een sterke marktpositie.
       2. In verband met paragraaf 2 geeft de Europese Commissie de volgende commentaar :
       "L'article 22 paragraphe 2 du projet d'arrêté dispose que la licence "précise les droits et obligations en matière d'interconnexion de l'opérateur, notamment en tenant compte de la couverture de son réseau e
       t les relations avec d'éventuels droits et obligations en matière d'interconnexion liés à une autre autorisation". Cette disposition devrait être clarifiee. En tout état de cause, toute distinction opéree doit être basée sur des critères objectifs et ne peut avoir d'effets discriminatoires.".
       Met die opmerking is geen rekening gehouden.
       - Artikel 23.
       Men schrijve "modelcontracten" in plaats van "typecontracten".
       - Artikel 24.
       Om artikel 9, lid 4, van de voormelde richtlijn 97/13/CE en het algemene beginsel van de rechten van verdediging in acht te nemen, wordt voorgesteld de procedure als volgt aan te passen :
       1° Na de betrokken operator te hebben gehoord, maant het Instituut hem aan de vastgestelde tekortkomingen te herstellen binnen een termijn van één maand en stelt het hem in kennis van de boete die hem kan worden opgelegd indien hij de voorwaarden niet nakomt.
       2° Indien de operator na afloop van de termijn van één maand nog steeds in gebreke is, legt het Instituut, na hem te hebben gehoord, de aangekondigde sanctie op, voor het einde van de tweede maand die volgt op de eerste ingebrekestelling. Het Instituut stelt de operator in kennis van zijn beslissing binnen een termijn van één week te rekenen vanaf de beslissing.
       3° Indien de operator binnen de maand die volgt op de kennisgeving van de beslissing de tekortkomingen nog steeds niet heeft hersteld, kan het Instituut aan de minister voorstellen de vergunning te schorsen of in te trekken. Die schorsing of intrekking wordt uitgesproken door de minister, nadat hij de operator heeft gehoord.
       De in paragraaf 2 bepaalde mogelijkheid om bij de minister beroep aan te tekenen heeft geen zin. Het Instituut is immers een instelling van openbaar nut van categorie A, die door de minister vertegenwoordigd en beheerd wordt, zodat het hem toebehoort, behoudens delegatie, de beslissing te nemen om de in dit artikel bepaalde sancties op te leggen.
       Hij kan hoe dan ook niet de beroepsinstantie zijn die onafhankelijk is van de nationale regelgevende instantie, die genoemd wordt in artikel 9, lid 4, van de voormelde richtlijn 97/13/EG. De operatoren beschikken over de mogelijkheden van beroep waarin de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorzien.
       In paragraaf 4, die het vierde lid wordt, schrijve men "artikelen" in plaats van "artikels".
       - Artikel 25.
       Deze bepaling houdt een regeling inzake aansprakelijkheid in en geen maatregel die de naleving waarborgt van de bepalingen van de hoofdstukken IXter en X van titel II van de bovengenoemde wet van 21 maart 1991. Het artikel behoort dan ook te vervallen.
       - Artikel 28.
       In haar commentaar schrijft de Europese Commissie het volgende :
       "A la lecture de l'article 28 du présent projet d'arrêté relatif à la contribution de l' opérateur à la recherche sc
       ientifique dans le domaine des télécommunications et à l'amélioration de l'acces de certaines catégories aux services de télécommunications (PME et jeunes et groupes sociaux défavorisés), la Commission confirme que l'imposition de telles obligations n'est conforme ni à l'article 3 de la directive 90/388/CEE amendée par la directive 96/19/CE, ni à la directive 97/13/CE, qui ne prévoient pas de conditions de cette nature.".
       In de ontworpen bepaling wordt geen rekening gehouden met die opmerking van de Commissie.
       - Artikel 29.
       De Europese Commissie heeft de volgende commentaar gegeven bij het eerste lid van dat artikel :
       "L'article 29, 1er alinéa, du projet d'arrêté subordonne l'obligation d'interconnexion avec un opérateur autorisé dans un autre Etat à une clause de réciprocité de traitement. II est toutefois précisé que tout "refus de conclure un tel accord doit être préalablement approuvé par l'Institut". Une telle disposition semble contraire aux dispositions de l'article 6 de la directive 97/33/CE qui interdit toute discrimination pour ce qui est de l'interconnexion avec un opérateur autorisé dans un autre Etat membre. Le même principe de non-discrimination devrait, en principe, être appliqué aux opérateurs en provenance d'Etats tiers signataires des accords de l'OMC...".
       Voor het overige wordt in het ontwerp niets toegevoegd aan het bepaalde in artikel 109ter, § 6, van de wet van 21 maart 1991.
       Die bepaling behoort dan ook te vervallen.
       - Artikel 30.
       1. In paragraaf 1 zijn de woorden "behoudens andere internationale overeenkomsten" dubbelzinnig. Ze behoren te worden vervangen door de woorden "of in een Staat waarmee België te dien einde een internationale overeenkomst heeft gesloten.".
       2. De tweede zin van paragraaf 2 behoort als volgt te worden herschreven : "... ondertekend zijn door de persoon die de verbindingen wenst te exploiteren of door de persoon die handelt in diens naam". Indien het de bedoeling van de steller van de ontworpen tekst is het als bijlage bij het ontworpen besluit gevoegde model op te leggen voor het indienen van een aanvraag om individuele vergunning, moet die bedoeling in die paragraaf worden aangegeven (3).
       (3) Cf. trouwens in dit verband het eerste lid van de ontworpen bijlage.
       3. In haar commentaar op artikel 30 van het ontwerp van, besluit merkt de Europese Commissie op dat "het aantal (aan de operatoren) gevraagde inlichtingen en de details ervan niet afgestemd lijken op het beoogde doel" en acht ze het nuttig eraan te herinneren dat in artikel 9, lid 3, van richtlijn 97/13/EG uitsluitend sprake is van "de informatie die redelijkerwijs nodig is om aan te tonen dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden".
       Een andere vaststelling : in paragraaf 4 wordt bepaald dat indien het Instituut van oordeel is dat de aanvraag onvolledig is of bijkomende inlichtingen of verduidelijkingen wenst en de aanvrager zijn aanvraag niet heeft aangepast binnen dertig dagen, die aanvraag "als onbestaande wordt beschouwd" (4), terwijl in artikel 9, lid 3, van de voormelde richtlijn 97/13/EG wordt bepaald dat indien de aanvrager niet de informatie verstrekt die redelijkerwijs nodig is om aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden, de vergunning geweigerd mag worden.
       (4) Zonder dat trouwens wordt gepreciseerd door wie en volgens welke procedure die aanvraag aldus als niet bestaande zou worden beschouwd.
       Al is het denkbaar dat de vergunning geweigerd wordt indien de aanvraag onvolledig is, ondanks een verzoek om ze aan te vullen, kan daarentegen niet worden aangenomen dat de aanvraag als niet bestaande wordt beschouwd om de eenvoudige reden dat bijkomende informatie die het Instituut heeft gevraagd, niet verstrekt zou zijn. Indien de aanvraag volledig is, mag de vergunning alleen geweigerd worden indien niet voldaan is aan een van de voorwaarden voor de toekenning van de vergunning.
       In ieder geval mag de vergunning dan ook alleen geweigerd worden na afloop van een procedure die de aanvrager in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt te doen gelden.
       Onder voorbehoud van de hierboven gemaakte opmerkingen schrijve men in paragraaf 3, die het derde lid wordt, in onderdeel 1°, "exploitatie" in plaats van "uitbating". Een soortgelijke opmerking geldt voor heel het ontwerp. In verband met onderdeel 3 wordt erop geattendeerd dat het Franse "plan d'affaires" in de Nederlandse versie van het ontwerp twee tegenhangers heeft, namelijk "ondernemingsplan" en "businessplan". In onderdeel 4 van dezelfde paragraaf schrijve men telkens "ten aanzien van" in plaats van "in hoofde van", dat als niet correct beschouwd wordt.
       - Artikel 31.
       1. De Commissie heeft in haar commentaar opgemerkt dat de termijn voor de behandeling van de aanvragen (maximaal zes weken, behoudens objectief gerechtvaardigde gevallen, waarin die mag worden verlengd met vier maanden), welke termijn bepaald is in artikel 9, lid 2, van de voormelde richtlijn 97/13/EG, niet wordt nageleefd.
       2. Bovendien is paragraaf 4, die bepaalt dat het ontwerp van individuele vergunning in werking treedt indien de minister geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van dertig dagen, in strijd met artikel 87 van de wet van 21 maart 1991, volgens hetwelk de vergunning wordt verleend door de minister, wat een stilzwijgende vergunning uitsluit.
       3. In de paragrafen 1, 3 en 4, ten slotte, dienen de woorden "ten hoogste" als overbodig te vervallen.
       - Artikel 32.
       De Europese Commissie geeft de volgende commentaar op die bepaling :
       "Aux termes de l'article 32 du projet d'arrêté cette licence peut etre refusée "dans la mesure requise :
       - par "la sauvegarde de lòrdre public, les besoins de la défense ou de la sécurité publique";
       - "la sauvegarde d'une structure de marché non faussée et d'accès non discriminatoire des utilisateurs";
       - "ou (lorsque le demandeur) a fait l'objet d'une des sanctions visées a l'article 24 du présent arrêté";
       - "ou lors que le demandeur n'a pas la capacité technique ou financière de faire face durablement aux obligations résultant des conditions d'exercice de son activité". A cet égard, l'article 5 du présent projet d'arrêté précise que l'opérateur doit démontrer dans son dossier de demande d'autorisation qu'il dispose des capacités techniques et financières nécessaires "à l'installation, à l'exploitation et à la pérennité du réseau", et que la pérennité ne peut être établie "que si le plan d'affaires prévoit pour les trois premières années :
       soit un investissement d'au moins 400 millions de francs en moyens de transmissions et de commutation en Belgique (ou de 200 millions sur 5 ans si l'opérateur prouve "que le réseau pour le quel il demande une autorisation individuelle est en mesure de servir 50 % des besoins du marché résidentiel dans la zone de couverture du réseau");
       soit le déploiement d'au moins 500 km de liaison en Belgique".
       En outre, il est précisé dans l'annexe que "l'absence de propositions d'un demandeur pour un des sujets abordés dans la présente annexe (...) peut constituer un motif de refus aux termes de l'article 28 paragraphe 2 du présent arrêté" (cette référence n'est par ailleurs pas claire).
       En ce qui concerne la condition liée à la sauvegarde de la structure du marché, il semble utile de rappeler, de facon liminaire, que conformément aux dispositions de la directive 90/388/CEE et de la directive 97/13/CE, le nombre de licences pour une catégorie de services donnée ne peut être limité qu'en liaison avec les exigences essentielles applicables dans la mesure nécessaire pour garantir une utilisation efficace du spectre des fréquences.
       A cet égard, il semble nécessaire de souligner qu'en aucun cas "la sauvegarde d'une structure de marché non faussée et d'accès non discriminatoire des utilisateurs" ne sauraient permettre au régulateur de limiter, de facto, le nombre des opérateurs de réseaux publics de télécommunications. Ce critère devrait donc être abandonné dans la version finale de l'arrêté.
       Compte tenu du mode d'application envisagé à l'article 5 du critère relatif à la capacité de l'opérateur de faire face durablement à ses obligations, ce critère n'est pas davantage acceptable, en ce qu'il impose des conditions disproportionnées et injustifiees au regard de l'objectif poursuivi, à savoir, la pérennité du réseau. Conformément au point 4.8 de l'annexe de la directive 97/13/CE, les opérateurs soumis à licence individuelle peuvent en effet être soumis à des exigences "touchant notamment aux capacités financières et techniques du candidat", mais, ainsi que le précise le point 4 de la même annexe, ces exigences ne doivent être imposées que "dans les cas justifiés et dans le respect du principe de proportionnalité". En tout état de cause, un tel critère ne devrait pas être appliqué de telle sorte qu'il conduise à écarter des opérateurs nouveaux entrants de petite taille.
       Si la Belgique devait refuser d'autoriser des opérateurs d'infrastructures publiques qui envisagent d'établir de tels réseaux, elle enfreindrait l'obligation de libéraliser l'établissement et la fourniture d'infrastructures publiques prescrite par l'article 2 de la directive 90/388/CEE, telle qu'amendée par la directive 96/19/CE.
       Enfin, en ce qui concerne la possibilité de refuser une licence au motif que le candidat n'a pas fait de propositions sur certains des sujets abordés à l'annexe du projet d'arrêté, un tel refus ne devrait, le cas échéant, n'être opposé au candidat qu'à l'issue de la procédure décrite à l'article 30 paragraphe 4.".
       Er is evenmin rekening gehouden met die opmerking.
       - Artikel 33.
       Paragraaf 1 is onbegrijpelijk. Het is de Raad van State niet duidelijk wat het verschil is tussen wijzigingen die in een vergunning worden aangebracht en de aanpassing van die vergunning.
       - Artikel 34.
       Er dient te worden opgemerkt dat voor het onderzoek van een aanvraag om overdracht geen recht hoeft te worden betaald, hoewel dat onderzoek voor het Instituut normalerwijze een bijkomende werklast betekent. Indien dat wel degelijk de bedoeling is van de steller van het ontwerp, moet dat verschil in behandeling ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel gerechtvaardigd worden.
       Onder voorbehoud van deze opmerking wordt erop gewezen dat de formulering "overgedragen op voorwaarde van de... toestemming" stuntelig is. Men schrijve : "overgedragen met voorafgaande toestemming van...".
       - Artikel 38.
       In dit artikel wordt het koninklijk besluit opgeheven van 28 oktober 1996 betreffende de voorwaarden waaronder kan worden afgeweken van artikel 92, § 1, eerste zin, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Dat koninklijk besluit bevat bepalingen betreffende het aanleggen van niet-openbare telecommunicatienetwerken (zie inzonderheid de artikelen 18 tot 20 van het voormelde koninklijk besluit van 28 oktober 1996). Die laatste bepalingen zouden moeten worden opgeheven in het ontwerp van koninklijk besluit betreffende de voorwaarden voor de aanleg en de exploitatie van niet-openbare telecommunicatienetwerken. Op die manier zouden elk van de twee ontworpen teksten in het voormelde koninklijk besluit van 28 oktober 1996 de bepalingen opheffen die verband houden met de materie die in dat besluit gereglementeerd wordt. Het ontworpen besluit zal immers niet noodzakelijkerwijs in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt worden op dezelfde dag als het besluit betreffende de niet-openbare telecommunicatienetwerken (5).
       (5) In de twee ontworpen besluiten wordt bepaald dat ze in werking treden de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt worden.
       - Artikel 39.
       In de Franse tekst dient te worden geschreven "le jour de sa publication" in plaats van "au jour de sa publication".
       - Bijlage.
       De Europese Commissie geeft de volgende commentaar :
       "L'annexe de ce projet d'arrêté doit dès lors être revue à la lumière de l'article 9, paragraphe 3, de la directive 97/13/CE et les informations demandées, limitées à celles strictement nécessaires pour s'assurer du respect par le demandeur des conditions d'autorisation. Demander des informations relatives aux "implications stratégiques, économiques et financières pour chacun des associés ou futurs associés de la société ou de la future société" (point 2.1), à "la prévision de l'évolution du marché belge des réseaux publics de télécommunications et des parts de marché des différents opérateurs" (point 3.1.1), aux "prévisions concernant l'usage des réseaux publics de télécommunications en Belgique (point 3.1.2), à l'évolution du marché (point 4.3.2), à l'impact sur l'emploi (point 6.1.2), et aux activités de marketing (point 6.2.1) n'est aucunement requis pour une telle appréciation. En outre, demander des prévisions sur quinze ans (point 0.6), notamment en ce qui concerne l'état du marché et les comptes prévisionnels de l'opérateur est un exercice sans intérêt, puisque de telles prévisions ne sauraient avoir de sens sur une telle période.
       Enfin, l'obligation relative au format des informations demandées devrait être assouplie afin de ne pas retarder, sans raison impérative, l'introduction de demandes d'autorisation par de nouveaux entrants.".
       Bij het opstellen van dit ontwerp is evenmin aandacht besteed aan die opmerking van de Europese Commissie als aan de vorige opmerkingen.
       Slotopmerkingen.
       De redactie van de Franse tekst dient aanzienlijk te worden verbeterd uit een oogpunt van correct taalgebruik en met het oog op een vlotte stijl, alsmede om de grammaticale en wetgevingstechnische regels in acht te nemen, welke laatstgenoemde regels bekendgemaakt zijn in het Belgisch Staatsblad van 2 juni 1982.
       Deze opmerking geldt mutatis mutandis ook voor de Nederlandse tekst ten aanzien waarvan in het advies bij wijze van voorbeeld opmerkingen worden gemaakt en voorstellen worden gedaan.
       Er behoort inzonderheid op te worden toegezien dat de volgende regels in acht worden genomen :
       1. In de Franse tekst dient "Article 1er" te worden geschreven met een rangtelwoord in Arabische cijfers, in plaats van "Article Ier".
       2. Een artikel mag alleen in paragrafen worden ingedeeld als minstens een van die paragrafen meer dan één lid bevat.
       3. In het Frans behoort de eerste paragraaf van een artikel te worden aangeduid met een rangtelwoord, namelijk "§ 1er".
       4. Het begin van een lid moet worden aangegeven door in te springen op de kantlijn van de tekst.
       5. Na ieder onderdeel van een opsomming behoort een puntkomma te worden geplaatst, behalve na het laatste, dat wordt afgesloten met een punt.
       6. De getallen moeten voluit in letters geschreven worden.
       7. Wanneer een artikel van een besluit geciteerd wordt in een ander artikel van datzelfde besluit, is er geen reden om de woorden "van dit besluit" of "van het besluit" te gebruiken, behalve wanneer in een zelfde bepaling verschillende besluiten geciteerd worden en daardoor verwarring kan bestaan, zoals in artikel 37 van het ontwerp. Evenzo is het raadzaam, wanneer een deel van een artikel geciteerd wordt in een ander deel van hetzelfde artikel, niet de woorden "van dit artikel" of "van dat artikel" te gebruiken.
       8. Aan het slot van de bijlage bij een besluit dient de vermelding "Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van..." voor te komen, gevolgd door handtekeningen.
       De kamer was samengesteld uit :
       De heren :
       R. Andersen, kamervoorzitter;
       C. Wettinck en P. Liénardy, staatsraden;
       F. Delperée en J.-M. Favresse, assessoren van de afdeling wetgeving;
       Mevr. M. Proost, griffier.
       Het verslag werd uitgebracht door de heer L. Detroux, adjunct-auditeur.
       De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer C. Amelynck, adjunct-referendaris.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer R. Andersen.
       De griffier,
       M. Proost.
       De voorzitter,
       R. Andersen.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 6 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
    Franstalige versie