J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1998/06/22/1998014159/justel

Titel
22 JUNI 1998. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het bestek van toepassing op de spraaktelefoondienst en de procedure inzake de toekenning van individuele vergunningen.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-1998 en tekstbijwerking tot 01-09-2015)

Bron : VERKEERSWEZEN
Publicatie : 15-07-1998 nummer :   1998014159 bladzijde : 23299       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 1998-06-22/37
Inwerkingtreding : 15-07-1998

Inhoudstafel Tekst Begin
EERSTE HOOFDSTUK. - Definities.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Bestek voor de spraaktelefoondienst.
Art. 2
Eerste Afdeling. - Economisch vermogen en technische bekwaamheid.
Art. 3
Afdeling 2. - Essentiële eisen.
Eerste Onderafdeling. - In het kader van toegang en gebruik van de dienst.
Art. 4
Onderafdeling 2. - In het kader van interconnectie.
Art. 5
Afdeling 3. - Aard, karakteristieken en dekkingszone.
Art. 6
Afdeling 4. - Permanentie, kwaliteit en beschikbaarheid van de dienst.
Art. 7-8
Afdeling 5. - Bescherming van de abonnees en de gegevens.
Art. 9
Afdeling 6. - Technische normen en specificaties.
Art. 10
Afdeling 7. - Nummeringsplan, rechten, plichten en procedure inzake selectie van de transporteur.
Art. 11
Afdeling 8. - Verschuldigde rechten voor de uitreiking, het beheer en het toezicht op de vergunning.
Art. 12
Afdeling 9. - Levering van de nodige inlichtingen voor de samenstelling van telefoongidsen waaronder de universele telefoongids.
Art. 13
Afdeling 10. - Verplichtingen in verband met het toezicht op de naleving van de vergunning.
Art. 14
Afdeling 11. - Rechten en plichten met betrekking tot interconnectie.
Art. 15
Afdeling 12. - Noodzakelijke voorwaarden om de interoperabiliteit van de diensten, de gelijke behandeling en de informatie aan de gebruikers te garanderen, met name de contractuele voorwaarden voor de dienstverlening en naleving van de toepasselijke verplichtingen door de personen die deze diensten commercialiseren.
Art. 16-17
Afdeling 13. - Duur, voorwaarden met betrekking tot de beëindiging en de hernieuwing van de vergunning.
Art. 18
Afdeling 14. - Sancties bij niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden.
Art. 19
Afdeling 15. - De maatregelen die de naleving waarborgen van de bepalingen van de hoofdstukken IXter en X van Titel III van de wet.
Art. 20
Afdeling 16. - Verplichtingen inzake universele dienstverlening.
Art. 21
Afdeling 17. - Kosteloze toegang van noodoproepen en de nadere regels inzake samenwerking met de hulp- en veiligheidsdiensten, waaronder het meedelen van de identiteit en de adresgegevens van de oproepers van deze diensten.
Art. 22
Afdeling 18. - Samenwerking met de ombudsdienst.
Art. 23
Afdeling 19. - De bijdrage tot het wetenschappellijk onderzoek op telecommunicatiegebied en tot de ontwikkeling van de markt, met name via de verbetering van de toegang, zonder uitsluitingen, tot die markt teneinde de levering van telecommunicatiediensten te vergemakkelijken.
Art. 24
Afdeling 20. - Voorwaarden die nodig zijn om de gelijke behandeling van internationale operatoren te garanderen.
Art. 25
HOOFDSTUK III. - Procedure voor toekenning, aanpassing en overdracht van de vergunning.
Afdeling 1. - Doel van de procedure.
Art. 26
Afdeling 2. - Indienen van de aanvragen.
Art. 27
Afdeling 3. - Onderzoek van de aanvragen.
Art. 28
Afdeling 4. - Toekenning van de vergunning.
Art. 29
Afdeling 5. - Aanpassing van de vergunning.
Art. 30, 30bis
Afdeling 6. - Recht voor het onderzoek van de aanvraag.
Art. 31
Afdeling 7. - Overdracht van de vergunning.
Art. 32
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
Art. 33-37
BIJLAGE.
Art. N, 1N, 2N, 3N, 4N, 5N, 6N, 7N, 8N, 9N

Tekst Inhoudstafel Begin
EERSTE HOOFDSTUK. - Definities.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° Minister : de Minister of de Staatssecretaris die de telecommunicatie onder zijn bevoegdheid heeft;
  2° Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort : "B.I.P.T.", bedoeld in artikel 71 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  3° dienst : de spraaktelefoondienst bedoeld in artikel 68, 10° van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  4° operator : persoon die houder is van een individuele vergunning voor de levering van een spraaktelefoondienst;
  5° individuele vergunning : vergunning verleend op basis van dit besluit die het opzetten en de exploitatie van een spraaktelefoondienst dekt;
  6° wet : wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
  7° CLI : identificatie van de lijn van de oproeper (Calling Line Identification);
  8° transporteur : operator die tijdens een oproep geen controle heeft over de toegang tot de eindgebruiker die aan de oorsprong van de oproep is.

  HOOFDSTUK II. - Bestek voor de spraaktelefoondienst.

  Art. 2. Het bestek voor de spraaktelefoondienst bevat alle voorwaarden waaraan de operator zich moet houden.

  Eerste Afdeling. - Economisch vermogen en technische bekwaamheid.

  Art. 3. De operator voorziet in voldoende financiële en technische middelen met het oog op de levering, de exploitatie en de duurzaamheid van de dienst, onder andere inzake voldoende waarborgen met betrekking tot de financiering van de werkingskosten van die dienst vastgelegd in het ondernemingsplan.

  Afdeling 2. - Essentiële eisen.

  Eerste Onderafdeling. - In het kader van toegang en gebruik van de dienst.

  Art. 4. De operator brengt zijn klanten op de hoogte van de verplichting om enkel gebruik te maken van (apparatuur die voldoet aan alle wettelijke voorwaarden). <KB 2000-10-27/44, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  (Lid 2 opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  Indien de operator vaststelt dat een klant (apparatuur die niet voldoet aan alle wettelijke voorwaarden) op het openbaar telecommunicatienet heeft aangesloten, kan hij deze klant vragen de betreffende apparatuur af te koppelen. Wanneer die klant onbereikbaar is of niet ingaat op dit verzoek kan de operator de dienstverlening schorsen tot de apparatuur daadwerkelijk is afgekoppeld. De operator brengt deze klant zo vlug mogelijk en uiterlijk de volgende werkdag op de hoogte van deze schorsing. <KB 2000-10-27/44, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Onderafdeling 2. - In het kader van interconnectie.

  Art. 5. § 1. De operator neemt de maatregelen die hij vermeldt in zijn interconnectieovereenkomsten om de naleving van de essentiële eisen te garanderen, in het bijzonder :
  1° de interoperabiliteit van de spraaktelefoondiensten, meer bepaald met het oog op het, samen met de geïnterconnecteerde operatoren, garanderen van een eind-tot-eind kwaliteit;
  2° de gegevensbescherming, in de mate dat die nodig is voor het naleven van de geldende bepalingen krachtens het artikel 109ter D van de wet, de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en openen van privé-communicatie en telecommunicatie.
  § 2. De operator specificeert in zijn interconnectie-overeenkomsten de genomen maatregelen om de toegang tot de spraaktelefoondiensten te behouden of te herstellen in geval van storing of onderbreking van de dienst tengevolge van een defect in de installaties of infrastructuur of tengevolge van overmacht.
  In de interconnectieovereenkomsten die hij met een derde sluit, neemt de operator de nodige maatregelen opdat die interconnectie geen afbreuk kan doen aan de goede werking van de dienst of aan de naleving van de essentiële eisen. Mocht een dergelijke afbreuk zich voordoen, dan brengt de operator daarvan de leidinggevende ambtenaar van het Instituut op de hoogte die de Kamer voor interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik, waarvan sprake in artikel 79ter, § 1 van de wet, samenstelt. Deze neemt binnen vijf werkdagen een beslissing en staat, indien nodig, na raadpleging van de betrokken derde, de schorsing van de interconnectie toe.
  Wanneer een storing personen of installaties in gevaar brengt mag de operator onmiddellijk de interconnectie schorsen. Hij brengt het Instituut en de derde onmiddellijk op de hoogte van die schorsing.

  Afdeling 3. - Aard, karakteristieken en dekkingszone.

  Art. 6. § 1. De dienst die wordt verleend door de operator die de toegang tot de eindgebruiker controleert, moet het mogelijk maken om vanaf of naar apparatuur die op een aansluitpunt van een openbaar net aangekoppeld is de volgende communicatie tot stand te brengen :
  a) met elke gebruiker van een andere operator van een spraaktelefoondienst in België of in het buitenland;
  b) met elke gebruiker van een mobiele telefoondienst aangeboden aan het publiek in België of in het buitenland;
  c) met elke gebruiker van de door de operator geleverde dienst.
  Die verschillende mogelijkheden mogen geen afbreuk doen aan eventuele beperkingen van de toegang in één van de betrokken spraaktelefoondiensten, op verzoek van de gebruikers of overeenkomstig reglementaire bepalingen.
  § 2. De geografische zone waarin de operator zijn dienst aanbiedt, maakt deel uit van de individuele vergunning van de operator.
  § 3. De door het Instituut aangewezen operatoren leveren de mogelijkheid tot toonkiezen (DTMF/Dual Tone Multi Frequency) met naleving van de ETSI-aanbeveling ETR 207. Bovendien voorziet de operator op verzoek in :
  - gedetailleerde facturen;
  - het selectieve verbod op uitgaande oproepen.
  § 4. De operator die als een organisatie met een sterke marktpositie is aangemerkt, levert de volgende dienstfaciliteiten :
  a) identificatie van de oproepende lijn;
  b) direct inkiezen;
  c) automatische oproepdoorschakeling.

  Afdeling 4. - Permanentie, kwaliteit en beschikbaarheid van de dienst.

  Art. 7. De dienst is continu operationeel, 24 uur op 24, met inbegrip van zaterdagen, zondagen en feestdagen.

  Art. 8. § 1. De operator neemt de nodige maatregelen zodat de doelstellingen met betrekking tot de kwaliteitsindicatoren van de dienst die door de Minister worden vastgesteld in uitvoering van artikel 105sexies, § 4 van de wet, worden nageleefd ten laatste vanaf 18 maanden na de commerciële opening van zijn dienst.
  § 2. De operator die sedert 18 maanden of meer zijn dienst commercieel heeft opengesteld, deelt elk jaar, uiterlijk op 31 januari aan het Instituut de waarden mee die hij in de loop van het voorgaande jaar heeft bereikt voor de kwaliteitsindicatoren, bedoeld in artikel 105sexies, § 4 van de wet.
  Het Instituut bepaalt de vorm van die mededelingen en zorgt voor de publicatie ervan.
  § 3. De operator evalueert tevens elk kalenderjaar de adequaatheid van de definities en meetmethodes van de kwaliteitsindicatoren bedoeld in het artikel 105sexies, § 4 van de wet, en maakt zijn bevindingen over aan het Instituut uiterlijk één maand na afloop van het betrokken kalenderjaar.

  Afdeling 5. - Bescherming van de abonnees en de gegevens.

  Art. 9. § 1. De operator neemt alle nodige en redelijke maatregelen om de naleving te garanderen van artikel 109ter D van de wet, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en openen van privé-communicatie en telecommunicatie.
  § 2. De operator waarborgt het recht van iedereen om niet te worden vermeld in de lijsten van eindgebruikers die dienen voor de vervaardiging van telefoongidsen. Die mogelijkheid wordt kosteloos geboden of tegen een prijs die gebaseerd is op de rechtstreekse netto-kosten die voortvloeien uit de weglating van de eindgebruikergegevens van de personen die dat recht hebben uitgeoefend. Die prijs zal voor akkoord aan het Instituut worden voorgelegd.
  Bovendien laat de operator op de lijst van de eindgebruikers die niet dient voor de levering van de dienst, noch voor de vervaardiging van telefoongidsen en die aan derden ter beschikking wordt gesteld, de gegevens weg van de personen die niet hebben aanvaard om op die lijst te worden vermeld. Die weglating is gratis.
  § 3. (Wanneer presentatie van de identificatie van het oproepende nummer als dienst wordt aangeboden staat de operator alle oproepende gebruikers toe om zich kosteloos en op eenvoudige wijze voor elke oproep apart of op bestendige wijze te verzetten tegen de identificatie van hun nummer en naam op het opgeroepen toestel. De oproepende abonnee moet over deze mogelijkheid beschikken voor elke afzonderlijke lijn.
  Wanneer presentatie van de identificatie van het oproepende nummer als dienst wordt aangeboden, moet de opgeroepen abonnee:
  1° eenvoudig en bij redelijk gebruik van deze voorziening kosteloos de presentatie van de identificatie van het oproepende nummer van inkomende oproepen kunnen opheffen;
  2° de mogelijkheid hebben om eenvoudig en kosteloos de doorgifte van de identificatie van het opgeroepen nummer naar de oproepende partij te verhinderen.
  Wanneer presentatie van de identificatie van het oproepende nummer als dienst wordt aangeboden en die identificatie wordt gepresenteerd alvorens de oproep wordt gedaan, moet de opgeroepen abonnee eenvoudig inkomende oproepen kunnen weigeren wanneer de presentatie van de identificatie van het oproepende nummer door de oproepende gebruiker of abonnee ongedaan is gemaakt.
  De operator stelt het publiek in kennis van deze diensten en van de mogelijkheden waarin dit artikel voorziet.) <KB 1999-07-08/40, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
  § 4. (De operator ziet er op toe dat zijn abonnees kosteloos en op eenvoudige wijze de automatische doorschakeling van oproepen door een derde naar hun eindtoestel kunnen voorkomen.) <KB 2001-09-05/60, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 05-10-2001>
  § 5. In geval van kwaadwillige oproepen identificeert de operator op verzoek van de klant die daarvan het slachtoffer is, het nummer van waaruit is opgebeld. Hij neemt contact op met de houder van dat nummer en vraagt hem daarbij om die kwaadwillige oproepen stop te zetten.
  Indien de klant kwaadwillige oproepen blijft ontvangen en de ombudsdienst het verzoek van de klant, overeenkomstig artikel 43bis, § 3, 7° van de wet inwilligt, worden de identiteit en het adres van de houder van het nummer van waaruit de kwaadwillige oproepen tot stand zijn gebracht aan de ombudsdienst meegedeeld met het oog op de bekendmaking ervan aan de klant.

  Afdeling 6. - Technische normen en specificaties.

  Art. 10. (Opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Afdeling 7. - Nummeringsplan, rechten, plichten en procedure inzake selectie van de transporteur.

  Art. 11. § 1. De operator neemt alle nodige maatregelen voor de naleving van het koninklijk besluit van 10 december 1997 betreffende het beheer van het nummeringsplan.
  De operator mag zijn abonnees een specifieke retributie vragen :
  - voor het reserveren en gebruiken van nummers die de abonnee heeft gekozen;
  - voor het reserveren en gebruiken van een nummeringscapaciteit.
  Het tarief van deze laatste dienst moet op de kosten gebaseerd zijn.
  § 2. De operator die door het Instituut, overeenkomstig artikel 105unodecies van de wet, als een organisatie met een sterke marktpositie is aangemerkt, evenals de operator die 3 jaar na de toekenning van zijn individuele vergunning de toegang tot de eindgebruiker controleert, biedt de functies voor de selectie van de transporteur onder de onderstaande voorwaarden :
  - vanaf 1 januari 1998 een keuze per oproep;
  - vanaf 1 januari 2000 een preselectie met de mogelijkheid tot afwijking van oproep tot oproep.
  § 3. De operator heeft het recht om aan het Instituut te vragen om een code voor de selectie van de transporteur toe te wijzen.

  Afdeling 8. - Verschuldigde rechten voor de uitreiking, het beheer en het toezicht op de vergunning.

  Art. 12. § 1. De operator is verplicht om een enig recht van 100 000 frank te betalen voor de uitreiking van zijn vergunning.
  § 2. De operator is verplicht een jaarlijks recht te betalen voor het beheer van en de controle op zijn vergunning ten bedrage van 300 000 frank. Dat recht is verschuldigd voor een volledig jaar, zonder mogelijkheid tot terugbetaling, zelfs in geval van een stopzetting van de activiteiten of schorsing of intrekking van de vergunning in de loop van het jaar waarvoor het recht is betaald. Het eerste jaar moet dat recht uiterlijk een maand na de uitreiking van de vergunning worden betaald. Voor de overige jaren moet het recht uiterlijk op 31 januari van het betrokken jaar worden betaald.
  Het bedrag vermeld in het eerste lid, wordt op 500 000 frank gebracht voor een operator die aangemerkt wordt als een organisatie met een sterke marktpositie.
  § 3. De bedragen van de krachtens dit besluit verschuldigde rechten worden elk jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.
  De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand november die voorafgaat aan de maand januari in de loop waarvan de aanpassing plaatsvindt, te delen door het indexcijfer van de maand november 1997. Bij de berekening van de coëfficiënt wordt deze afgerond tot het hogere of lagere tienduizendste naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al of niet vijf bereikt. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere duizendtal franken.
  Uiterlijk tien dagen voor de vervaldag deelt het Instituut aan de operator het geïndexeerde bedrag van de verschuldigde rechten mee. Indien de operator geen bericht van het geïndexeerde bedrag ontvangen heeft, is hij verplicht het niet-geïndexeerde bedrag van de rechten te betalen. Het Instituut deelt hem het verschil mee.
  Een eventuele betwisting van de berekening van de indexatie schorst geenszins de verplichting om het door het Instituut meegedeelde bedrag te betalen.

  Afdeling 9. - Levering van de nodige inlichtingen voor de samenstelling van telefoongidsen waaronder de universele telefoongids.

  Art. 13. Onverminderd artikel 9 deelt de operator aan elke uitgever van een telefoongids, met inbegrip van de uitgever van een universele telefoongids de inlichtingen mee die nodig zijn om de reglementaire verplichtingen met betrekking tot de voorwaarden tot vervaardiging, uitgave en verspreiding van telefoongidsen na te komen.

  Afdeling 10. - Verplichtingen in verband met het toezicht op de naleving van de vergunning.

  Art. 14. § 1. De operator verstrekt aan het Instituut de cijfergegevens met betrekking tot de exploitatie van zijn dienst op financieel, commercieel en technisch gebied. Hij deelt onder andere de wijzigingen mee in de leveringsvoorwaarden voor de spraaktelefoondienst, met inbegrip van de bijkomende faciliteiten.
  § 2. Volgens een periodiciteit die het Instituut vaststelt, deelt de operator de gegevens mee inzake verkeer, uitgesplitst volgens de aanwijzingen van het Instituut, alsook inzake omzet.
  § 3. De operator wijst onder zijn personeel een contactpersoon aan voor de betrekkingen met het Instituut teneinde het toezicht op de naleving van de vergunning te vergemakkelijken.
  § 4. De operator stelt het Instituut, volgens bepalingen waarover samen met het Instituut onderhandeld is, gratis een representatief staal van zijn diensten ter beschikking.

  Afdeling 11. - Rechten en plichten met betrekking tot interconnectie.

  Art. 15. § 1. De rechten en plichten van de operatoren op het stuk van interconnectie kunnen worden gedifferentieerd, overeenkomstig artikel 109ter, § 4, van de wet.
  § 2. De interconnectieovereenkomsten tussen operatoren die aangemerkt zijn als organisaties met een sterke marktpositie moeten de in artikel 11, § 2 bedoelde selectie van de transporteur mogelijk maken.
  § 3. De operator ziet erop toe dat bij de interconnectie met andere operatoren met name gezorgd wordt voor :
  1° de mogelijkheid tot identificatie van kwaadwillige oproepen;
  2° de identificatie van de oproepende lijn;
  3° de bescherming van de abonnees en de gegevens, met in het bijzonder het respecteren van de bepalingen van de paragrafen 3 en 4 van het artikel 9;
  4° het versturen van noodoproepen en van de inlichtingen bedoeld in artikel 22, § 2.
  § 4. De individuele vergunning preciseert op objectieve en niet-discriminerende wijze de rechten en verplichtingen van de operator met betrekking tot interconnectie, in het bijzonder rekening houdend met de dekking van zijn dienst en de relaties met eventuele andere rechten en verplichtingen verbonden met een andere vergunning.

  Afdeling 12. - Noodzakelijke voorwaarden om de interoperabiliteit van de diensten, de gelijke behandeling en de informatie aan de gebruikers te garanderen, met name de contractuele voorwaarden voor de dienstverlening en naleving van de toepasselijke verplichtingen door de personen die deze diensten commercialiseren.

  Art. 16. De voorwaarden voor de dienstverlening worden vastgelegd in een schriftelijk contract dat afgesloten wordt tussen de operator en zijn klant. De typecontracten worden meegedeeld aan het Instituut en voor advies voorgelegd aan het Raadgevend Comité voor de Telecommunicatie.

  Art. 17. Indien de operator een beroep doet op één of meer ondernemingen om zijn diensten te commercialiseren, waakt hij erover dat het contract tussen hemzelf en die onderneming(en) bepalingen bevat die de naleving opleggen van de verplichtingen die uit dit besluit voortvloeien.
  Die contracten worden aan het Instituut overgezonden.

  Afdeling 13. - Duur, voorwaarden met betrekking tot de beëindiging en de hernieuwing van de vergunning.

  Art. 18. De individuele vergunning is geldig gedurende een periode van vijftien jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die vergunning is uitgereikt.
  Na het verstrijken van die eerste periode kan de vergunning stilzwijgend verlengd worden voor opeenvolgende termijnen van tien jaar.
  De Minister en de operator mogen afzien van de stilzwijgende verlenging, mits inachtneming van een opzegtermijn van twee jaar betekend met een ter post aangetekende brief. Na de operator te hebben gehoord beslist de Minister eventueel om de vergunning niet te verlengen, na rekening te hebben gehouden met onder andere de omstandigheden waarin de operator voldaan heeft aan zijn vergunning en de inhoud van het bestek heeft uitgevoerd.

  Afdeling 14. - Sancties bij niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden.

  Art. 19. § 1. Wanneer het Instituut vaststelt dat een operator de voorwaarden van zijn individuele vergunning niet nakomt, wordt deze door het Instituut gehoord. Overeenkomstig artikel 109quater, § 1 van de wet stelt het Instituut de operator eventueel in gebreke. Volgens de ernst van de vastgestelde tekortkoming en de moeilijkheid om die recht te zetten legt het Instituut de termijn vast waarbinnen orde op zaken moet worden gesteld en brengt de operator op de hoogte van de boete die hem kan worden opgelegd als hij hieraan niet tegemoet komt.
  § 2. Indien de operator na afloop van de in paragraaf 1 bedoelde termijn nog steeds in gebreke is, legt het Instituut hem binnen een maand na afloop van die termijn een administratieve geldboete op overeenkomstig artikel 109quater, § 2 van de wet. Het Instituut notifieert zijn beslissing aan de operator binnen een week, te rekenen vanaf de beslissing.
  § 3. Indien de operator binnen een maand na de notificatie van de in § 2 bedoelde beslissing de tekortkomingen nog steeds niet heeft verholpen, kan het Instituut onverminderd de eventuele toepassing van artikel 109quater, § 3 van de wet aan de Minister voorstellen om de vergunning te schorsen of in te trekken. Die schorsing of die intrekking wordt door de Minister uitgesproken na de operator te hebben gehoord. Die beslissing wordt onmiddellijk aan de operator meegedeeld.

  Afdeling 15. - De maatregelen die de naleving waarborgen van de bepalingen van de hoofdstukken IXter en X van Titel III van de wet.

  Art. 20. § 1. Elke operator is tegenover zijn klanten als enige aansprakelijk voor fouten bij het leveren van de dienst. De kosten van deze aansprakelijkheid kunnen in voorkomend geval door de operator verhaald worden op de geïnterconnecteerde operator die verantwoordelijk is voor de fout.
  § 2. De operator deelt aan het Instituut alle maatregelen mee die hij aanneemt om de verplichtingen na te komen van hoofdstuk IXter van de wet. De operator richt een dienst op voor de behandeling van klachten die gemakkelijk en gratis toegankelijk is voor al zijn klanten.
  De operator is verplicht om het publiek in te lichten over zijn tarieven en zijn algemene voorwaarden voor de levering van de dienst. Overeenkomstig artikel 105sexies, § 3 van de wet deelt hij deze mee aan het Instituut uiterlijk op het ogenblik dat hij deze ter kennis van het publiek brengt of ze publiceert.
  § 3. Met het oog op de naleving van artikel 105octies deelt de operator aan het Instituut de algemene voorwaarden mee van de levering van zijn dienst en meer in het bijzonder de nadere regels inzake schadeloosstelling of terugbetaling in geval van niet-naleving van de kwaliteitsniveaus.
  § 4. Samen met de verzameling van de inlichtingen die nodig zijn voor de samenstelling van de universele telefoongids bij het nemen van het abonnement op de dienst, is de operator die de toegang tot de eindgebruiker controleert, verplicht om de documenten uit te delen aan de hand waarvan eindgebruikers die natuurlijke personen zijn en geen handelaar, bijzondere vermeldingen kunnen aanvragen in de verschillende universele telefoongidsen, indien de uitgever van een dergelijke telefoongids dat heeft gevraagd.

  Afdeling 16. - Verplichtingen inzake universele dienstverlening.

  Art. 21. § 1. De operator is verplicht bij te dragen in de financiering van de universele dienstverlening overeenkomstig artikel 86, § 3 van de wet.
  § 2. Overeenkomstig artikel 83, § 2 mag de operator vragen om de universele dienst te verlenen, hetzij bij de indiening van zijn aanvraag, hetzij tijdens de exploitatie van de dienst die door zijn individuele vergunning wordt gedekt. Hij deelt het Instituut alle nodige inlichtingen mee om zijn vermogen na te gaan om de universele dienst te verlenen. In dat geval verricht hij de universele dienst overeenkomstig de bijlagen 1 en 2 van de wet.

  Afdeling 17. - Kosteloze toegang van noodoproepen en de nadere regels inzake samenwerking met de hulp- en veiligheidsdiensten, waaronder het meedelen van de identiteit en de adresgegevens van de oproepers van deze diensten.

  Art. 22. § 1. De operator zorgt voor de oproeper en de opgeroepene gratis toegang voor de afwikkeling van de oproepen naar de volgende noodnummers : 100, 101, 102, 103, 104, 106, 107, 108, 110 en 112, alsook naar het antigifcentrum en het centrum voor zelfmoordpreventie.
  § 2. In afwijking van artikel 9, § 3, stelt de operator een bijzonder mechanisme in werking voor de onderdrukking van de functie voor niet-identificatie van de nummers en personen die oproepen wanneer de oproepen gericht zijn aan de nooddiensten die aangegeven worden met de volgende oproepnummers : 100, 101, 110 en 112.
  Bovendien kan het Instituut andere nooddiensten aanwijzen die het voordeel kunnen krijgen van de onderdrukking van de functie voor niet-identificatie.
  § 3. Zo ook is de operator verplicht om in geval van oproepen naar deze nooddiensten de adresgegevens van de oproeper mee te delen, zelfs indien de houder van de aansluiting zijn recht heeft uitgeoefend om niet te worden opgenomen op de lijst van eindgebruikers.

  Afdeling 18. - Samenwerking met de ombudsdienst.

  Art. 23. § 1. De operator wijst een persoon aan die verantwoordelijk is voor de betrekkingen met de ombudsdienst voor telecommunicatie.
  § 2. De operator licht zijn klanten in over de mogelijkheden om een beroep te doen op de ombudsdienst. Die informatie wordt in overeenstemming met de ombudsdienst verstrekt.
  § 3. Met het oog op een efficiënte behandeling van de geschillen die bij de ombudsdienst aanhangig zijn gemaakt, wordt tussen de operator en de voormelde ombudsdienst een protocol gesloten. Dit protocol bepaalt de nadere regels voor de behandeling van klachten en bevat met name de arbitrageovereenkomst waarvan sprake in artikel 43bis, § 3, 4° van de wet. Dit protocol wordt aan het Instituut overgezonden.

  Afdeling 19. - De bijdrage tot het wetenschappellijk onderzoek op telecommunicatiegebied en tot de ontwikkeling van de markt, met name via de verbetering van de toegang, zonder uitsluitingen, tot die markt teneinde de levering van telecommunicatiediensten te vergemakkelijken.

  Art. 24. (Opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Afdeling 20. - Voorwaarden die nodig zijn om de gelijke behandeling van internationale operatoren te garanderen.

  Art. 25. Met naleving van de internationale overeenkomsten die België ondertekend heeft zal de in België gemachtigde operator maar worden verplicht om met een in een andere Staat gemachtigde operator een akkoord te sluiten met betrekking tot de afwikkeling van internationale verbindingen indien voor die in België gemachtigde operator wederzijds een gelijke behandeling wordt gegarandeerd in het betrokken land. De weigering om een dergelijk akkoord te sluiten moet vooraf door het Instituut worden goedgekeurd.
  Om toe te zien op de naleving van het voorgaande lid en om de gelijke behandeling te waarborgen deelt de operator, wat de internationale gesprekken betreft, aan het Instituut de verdeel- en ontvangsttaksen, alsook de interconnectieovereenkomsten van route tot route mee.
  Indien het Instituut een verschil in behandeling vaststelt tussen de verschillende operatoren, kan het Instituut, indien dat nodig is om het marktevenwicht te herstellen, wijzigingen eisen in die verdeel- of ontvangsttaksen, of in de interconnectieovereenkomsten.

  HOOFDSTUK III. - Procedure voor toekenning, aanpassing en overdracht van de vergunning.

  Afdeling 1. - Doel van de procedure.

  Art. 26. Iedere persoon die een spraaktelefoondienst wenst uit te baten moet daartoe beschikken over een individuele vergunning, verleend volgens de in dit hoofdstuk beschreven procedure.

  Afdeling 2. - Indienen van de aanvragen.

  Art. 27. § 1. De individuele vergunning moet worden aangevraagd door een natuurlijke of rechtspersoon gevestigd in één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap of in één van de Lid-Staten van de Europese Vrijhandelsassociatie of ondertekenaars van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in een Staat waarmee België daartoe een internationale overeenkomst gesloten heeft.
  § 2. De aanvraag wordt gedaan bij een ter post aangetekende brief aan het Instituut. De aanvraag moet gedagtekend en ondertekend zijn door de persoon die de dienst wenst uit te baten of door de persoon die in zijn naam optreedt.
  Een aanvrager die een natuurlijke persoon of een rechtspersoon vertegenwoordigt, moet zijn hoedanigheid specificeren en zijn mandaat rechtvaardigen.
  De aanvraag moet worden ingediend volgens de voorwaarden van de bijlage bij dit besluit.
  § 3. Om als volledig te worden beschouwd, moet de aanvraag de volgende informatie bevatten :
  1° de naam van de aanvrager, het volledige adres van deze persoon alsook eventueel het adres van exploitatie in België;
  2° een functionele, geografische en commerciële beschrijving van de geplande exploitatie, de maatregelen die de aanvrager zal nemen om de verplichtingen die voortvloeien uit het Hoofdstuk IXter van de wet na te komen en de datum waarop de dienst commercieel wordt opengesteld;
  3° om het Instituut ertoe in staat te stellen de economische capaciteit van de aanvrager te beoordelen, voegt deze bij zijn vergunningsaanvraag een ondernemingsplan. Aan de hand van dat ondernemingsplan moet het Instituut kunnen nagaan of de aanvrager in staat is om de financiële verbintenissen aan te gaan die eigen zijn aan de beoogde activiteit, in het bijzonder wat interconnectie en duurzaamheid betreft. Hij voegt de statuten van de onderneming, alsook de samenstelling van het kapitaal toe. Indien de aanvrager een maatschappij in oprichting is, voegt de aanvrager bij zijn aanvraag een beschrijving van de structuur die zal worden aangenomen;
  4° de aanvrager moet het bewijs leveren van ervaring op het gebied van telecommunicatiediensten of in een andere dienstensector die verband houdt met telecommunicatie, hetzij in hoofde van de onderneming zelf, hetzij in hoofde van haar aandeelhouders, of van de, al dan niet bezoldigde bedrijfsleiders;
  5° de beschrijving van eventuele andere activiteiten waarvoor uitsluitende of bijzondere rechten zijn toegekend aan de aanvrager;
  6° de relevante technische informatie over de gebruikte verbindingen en apparatuur, in het bijzonder de netwerkspecificaties. Bovendien toont de aanvrager aan dat hij zijn activiteiten zal ontplooien overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de artikelen 5, 10 en 11;
  7° de wijze van transmissie en schakeling met vermelding van de eventueel gebruikte normen;
  8° de bijzonderheden betreffende de manier van interconnectie met telecommunicatie-inrichtingen, andere dan die waarover de aanvrager beschikt;
  9° het bewijs van betaling van het recht voor het onderzoek van het dossier, bedoeld in artikel 31.
  De inhoud en de presentatie van de aanvraag wordt beschreven in de bijlage bij dit besluit. Indien het Instituut van oordeel is dat de aanvraag onvolledig is of indien het bijkomende inlichtingen of verduidelijkingen wenst, brengt het de aanvrager daarvan op de hoogte. De termijn waarover het Instituut, op grond van artikel 28 beschikt, wordt opgeschort gedurende de periode die de aanvrager nodig heeft om zijn aanvraag aan te passen. Die periode mag niet langer zijn dan 30 dagen. Tijdens die periode biedt het Instituut de aanvrager de mogelijkheid om zijn standpunt toe te lichten. Indien de aanvrager na afloop van deze periode zijn aanvraag niet heeft aangepast, wordt de aanvraag verworpen.
  § 4. De informatie die krachtens dit besluit wordt meegedeeld, wordt gratis en definitief ter beschikking gesteld van het Instituut. Deze informatie zal vertrouwelijk worden behandeld.
  § 5. Indien de aanvrager van een individuele vergunning, bedoeld om de spraaktelefoondienst te leveren, zelf het netwerk dat voor die dienst nodig is, wil aanleggen en exploiteren, kan hij de vergunningsaanvraag voor dat netwerk tezamen met deze aanvraag indienen.

  Afdeling 3. - Onderzoek van de aanvragen.

  Art. 28. § 1. Het Instituut formuleert een aanbeveling en maakt deze bekend binnen ten hoogste (28 dagen) na de indiening van de aanvraag, eventueel verlengd met de periode voorzien in artikel 27, § 3. Wanneer de aanbeveling gunstig is, neemt zij de vorm aan van een ontwerp van individuele vergunning. Dit ontwerp wordt door het Instituut opgesteld op grond van de elementen die de aanvrager heeft verstrekt, na de aanvrager te hebben gehoord, indien hij daarom verzocht heeft. <KB 2000-10-27/44, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 2. De bekendmaking gebeurt aan de aanvrager en aan de Minister.
  § 3. De aanvrager beschikt over ten hoogste (7 dagen) om zijn opmerkingen op de aanbeveling van het Instituut aan de Minister mee te delen. <KB 2000-10-27/44, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 4. Bij het verstrijken van de termijn bedoeld in § 3, beschikt de Minister over ten hoogste (7 dagen) om zich uit te spreken over deze aanbeveling en om de individuele vergunning al dan niet toe te kennen. <KB 2000-10-27/44, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Afdeling 4. - Toekenning van de vergunning.

  Art. 29. § 1. De rechten en plichten van de operator worden opgenomen in de individuele vergunning. Zij slaan minstens op de punten bedoeld in hoofdstuk II.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van het laatste lid van paragraaf 3 van artikel 27, kan de individuele vergunning worden geweigerd indien dat vereist is omwille van de openbare orde of om redenen met betrekking tot landsverdediging of openbare veiligheid, voor de vrijwaring van een onvervalste marktstructuur en een niet-discriminerende toegang voor de eindgebruikers of in gerechtvaardigde gevallen en met naleving van het principe van proportionaliteit, wanneer de aanvrager niet over de technische of financiële capaciteit beschikt om op duurzame wijze te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de voorwaarden inzake de uitvoering van zijn activiteit of wanneer hem een van de in artikel 18, § 3 van dit besluit bedoelde sancties is opgelegd.

  Afdeling 5. - Aanpassing van de vergunning.

  Art. 30. § 1. (Elke operator die in zijn dienstenaanbod een wijziging wenst aan te brengen die een aanpassing van zijn individuele vergunning met zich meebrengt, dient daartoe een verzoek in bij het Instituut. De aanpassing van de vergunning geschiedt volgens de procedure bepaald in artikel 30bis.) <KB 2000-10-27/44, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 2. (Opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  § 3. (Opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  (§ 2.) Teneinde aan de voorwaarden, bepaald in de artikelen 107 en 108 van de wet te voldoen, kan de Minister, op voorstel van het Instituut, in de loop van de exploitatie beslissen dat een aanpassing van de individuele vergunning zich opdringt, in het bijzonder voor de maatregelen genomen in het kader van de artikelen 4 en 5 van het besluit. <KB 2000-10-27/44, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  De Minister maakt zijn beslissing aan de operator bekend bij een ter post aangetekende brief. De operator beschikt over een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de postdatum, om een voorstel in te dienen bij het Instituut betreffende alle maatregelen die noodzakelijk zijn om zijn situatie te regulariseren.
  (Het hierboven vermelde voorstel wordt behandeld overeenkomstig de procedure van artikel 30bis.) <KB 2000-10-27/44, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>

  Art. 30bis. <Ingevoegd bij KB 2000-10-27/44, art. 6; Inwerkingtreding : 28-11-2000> § 1. Het Instituut doet een aanbeveling en maakt deze bekend binnen ten hoogste 15 dagen, eventueel verlengd met de periode bepaald in artikel 27, § 3, na de indiening van ofwel de aanvraag bedoeld in artikel 30, § 1, ofwel van het voorstel bedoeld in artikel 30, § 2, tweede lid, ofwel na het verstrijken van de periode die aan de betrokken operator is toegestaan om het genoemde voorstel te bezorgen.
  Wanneer de aanbeveling gunstig is, neemt zij de vorm aan van een ontwerp van individuele vergunning. Dat ontwerp wordt door het Instituut opgesteld op grond van de elementen die de aanvrager heeft verstrekt, na de aanvrager te hebben gehoord, indien hij daarom verzocht heeft.
  § 2. De aanvrager beschikt over ten hoogste 7 dagen om zijn opmerkingen over de aanbeveling van het Instituut aan de Minister mee te delen.
  § 3. Bij het verstrijken van de termijn bedoeld in § 2, beschikt de Minister over ten hoogste 7 dagen om zich uit te spreken over deze aanbeveling en om de individuele vergunning al dan niet toe te kennen.

  Afdeling 6. - Recht voor het onderzoek van de aanvraag.

  Art. 31. De aanvrager van een individuele vergunning is verplicht een recht te betalen voor het onderzoek van zijn dossier ten belope van 250 000 frank.
  Er is geen recht voor het onderzoek van het dossier verschuldigd wanneer een vergunning wordt aangepast.

  Afdeling 7. - Overdracht van de vergunning.

  Art. 32. De individuele vergunning mag worden overgedragen op voorwaarde van de voorgaande toestemming van de Minister, op voorstel van het Instituut.
  Het verzoek om overdracht bevat de inlichtingen die bedoeld zijn in artikel 27, 1°, 3°, 4° en 5°.
  De procedure van artikel 28 is op de overdracht van toepassing.
  Het verzoek om overdracht geeft aanleiding tot de betaling van een recht voor het onderzoek van het dossier ten bedrage van 150 000 frank.

  HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.

  Art. 33. De Minister kan, op voorstel van het Instituut en na afdoend gemotiveerde vraag van een betrokken operator, op de bepalingen van de artikelen 6, § 4, 9, §§ 3, en 4 en 11, § 2 een afwijking toestaan op grond van technische of economische overwegingen.

  Art. 34. De Minister reikt op grond van dit besluit een vergunning uit aan iedere persoon die op de dag waarop dit besluit in werking treedt, rechtsgeldig een spraaktelefoondienst uitbaat op voorwaarde dat die persoon binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit een dossier indient dat de in artikel 27, § 3 bedoelde gegevens bevat en in de vorm die in de bijlage vermeld staat.

  Art. 35.[1 Proximus]1 dient haar vergunningsaanvraag voor de spraaktelefoondienst die zij exploiteert op de dag waarop dit besluit van kracht wordt, in binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit.
  ----------
  (1)<W 2015-08-10/26, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 22-06-2015 (zie KB 2015-09-11/02, art. 1)>

  Art. 36. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

  Art. 37. Onze Minister van Telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N. Bijlage tot vaststelling van de vorm en de inhoud van de aanvragen voor een individuele vergunning om de spraaktelefoondienst te verrichten, overeenkomstig artikel 27, § 2 van het koninklijk besluit van XX XX 1998 tot vaststelling van het bestek voor de spraaktelefoondienst en de procedure met betrekking tot de toekenning van individuele vergunningen.
  Overeenkomstig artikel 27, § 2 van het koninklijk besluit van XX XX 1998 betreffende het bestek voor de spraaktelefoondienst en de procedure met betrekking tot de toekenning van individuele vergunningen, moeten de aanvragen die bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (B.I.P.T.) worden ingediend om een dergelijke vergunning te bekomen ten minste de volgende elementen bevatten en gestructureerd zijn volgens het hierna beschreven schema.

  Art. 1N. 0. Algemene beschouwingen.
  0.1. Formaat en voorstelling van het aanvraagdossier.
  Het aanvraagdossier telt niet meer dan 200 bladzijden in A4-formaat, jaarverslagen en informatiebrochures niet meegerekend.
  Het aanvraagdossier moet noodzakelijk nauwgezet de structuur volgen die in deze bijlage beschreven staat, met name wat betreft de onderverdeling van het document in hoofdstukken (A), afdelingen (A,B), paragrafen (A,B,C) en subparagrafen (A,B,C,D) : alle eventuele afwijkingen van deze structuur moet de kandidaat volledig motiveren.
  De aandacht van de kandidaten wordt gevestigd op het feit dat het ontbreken van voorstellen van een aanvrager voor een van de onderwerpen die in deze bijlage worden aangekaart, en meer in het bijzonder het niet-verstrekken van een van de gevraagde prognosetabellen, een reden tot weigering kan vormen krachtens artikel 28, § 2 van het koninklijk besluit.
  0.2. Taal.
  Overeenkomstig de van toepassing zijnde wetgeving terzake, moeten de aanvraagdossiers opgesteld worden in het Frans of in het Nederlands.
  Niettemin mogen de aanvragers een Engelse vertaling van hun dossier bijvoegen.
  0.3. Vertrouwelijkheid.
  Vooraan in hun aanvraagdossier vermelden de aanvragers duidelijk de delen die als vertrouwelijk moeten worden beschouwd.
  0.4. Allerlei.
  Indien een aanvrager relevante stukken informatie wil verstrekken die niet overeenstemmen met een van de hieronder aangegeven rubrieken, mag hij die opnemen in een deel acht van zijn dossier met de titel "Allerlei".
  0.5. Einddata.
  Voor alle vooruitzichten die van de aanvrager worden gevraagd, met name wat zijn ondernemingsplan betreft, wordt onder de einddatum verstaan 31 december van het jaar waarin de exploitatie van de dienst aanvangt.
  0.6. Te verstrekken tabellen.
  (Alle gevraagde prognoses moeten een periode van ten minste vijf jaar bestrijken.) <KB 2000-10-27/44, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  De verschillende tabellen die in deze bijlage worden gevraagd moeten als volgt worden voorgesteld :
  - een kolom voor elk van de (...) jaren in de prognose; <KB 2000-10-27/44, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  - een regel voor elk van de gevraagde elementen van de prognose.
  Elke tabel mag vergezeld zijn van uitleg die voor de interpretatie nodig wordt geacht.
  0.7. Geldbedragen.
  Alle in het aanvraagdossier vermelde geldbedragen (tarieven, ondernemingsplan, enz.) moeten in courante Belgische franken worden uitgedrukt, exclusief BTW.

  Art. 2N. 1. Samenvatting.
  De samenvatting van het aanvraagdossier mag niet meer bedragen dan twintig bladzijden in A4-formaat. Die samenvatting moet ten minste de volgende onderwerpen dekken :
  1.1. de prognose van de ontwikkeling van de Belgische markt voor spraaktelefonie en het aandeel dat de aanvrager van plan is daarvan in te nemen,
  1.2. de financiële aspecten, in het bijzonder met betrekking tot de nodige investeringen, alsook de financiering en verhoopte rendabiliteit van het project,
  1.3. de configuratie en de prestaties van de dienst, met name wat de ontplooiing betreft,
  1.4. de beoogde handelsstrategie, meer in het bijzonder wat betreft de tarieven die zullen worden voorgesteld,
  bovendien bevat de samenvatting de volgende stukken :
  1.5. de vermelding van de naam van de aanvrager en van de personen namens wie hij optreedt, alsook het volledige postadres en de telecommunicatienummers (telefoon, telefax en mail) van het contactpunt waaraan het Instituut zich kan richten om bijkomende informatie en verduidelijking te krijgen;
  1.6. het bewijs van betaling van het recht dat in artikel 31 van het koninklijk besluit is vastgelegd;
  1.7. het document waaruit blijkt dat de aanvrager aanvaardt of weigert een beroep te doen op de Kamer voor interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik, overeenkomstig het koninklijk besluit van XX XX 1997 betreffende de werking en de procedure van de Kamer voor interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik.

  Art. 3N. 2. Juridische aspecten.
  2.1. De partners.
  Het dossier beschrijft de aard van de entiteiten die de aanvrager controleren of zullen controleren, en meer in het bijzonder de strategische, economische en financiële gevolgen voor elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten van de maatschappij of de toekomstige nog op te richten maatschappij.
  Een afschrift van de statuten van elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten wordt bij het aanvraagdossier gevoegd alsook een afschrift van hun laatste drie jaarverslagen.
  2.2. Participatie.
  Het dossier maakt melding van :
  2.2.1. het participatieniveau van elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten alsook de graad van invloed van elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten in de verschillende gebieden die verbonden zijn met de aanleg en exploitatie van de spraaktelefoondienst;
  2.2.2. de vooruitzichten op latere openstelling voor nieuwe partners.
  2.3. Statuten van de maatschappij of toekomstige maatschappij.
  Het dossier omvat de volgende elementen :
  2.3.1. de statuten van de aanvrager indien het een maatschappij betreft of het ontwerp van statuten van de toekomstige nog op te richten maatschappij of bij gebrek aan een dergelijk ontwerp een document waarin haar rechtsvorm beschreven staat, mocht zij de vergunning krijgen;
  2.3.2. de werkwijze bij eventuele terugtrekking van één van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten;
  2.3.3. de vertegenwoordiging van de verschillende deelgenoten of toekomstige deelgenoten in de samenstellende organen van de maatschappij.
  2.4. Structuur van de controle en besluitvorming.
  Het aanvraagdossier beschrijft het controle- en besluitvormingsproces binnen de maatschappij of toekomstige maatschappij, met name wat betreft :
  2.4.1. de betrekkingen tussen de verschillende deelgenoten of toekomstige deelgenoten;
  2.4.2. de verdeling van de verantwoordelijkheden;
  2.4.3. de eventuele banden via strategische allianties.

  Art. 4N. 3. Commerciële aspecten.
  3.1. Commerciële ontwikkeling van de spraaktelefoondienst.
  3.1.1. Vooruitzichten inzake aantal abonnees.
  De aanvrager geeft zijn voorspellingen wat betreft de toekomstige ontwikkeling van de markt voor spraaktelefonie in België door middel van een tabel nr. 3.1 die de volgende elementen bevat :
  a) het totale aantal abonnees van spraaktelefonie in België;
  b) het marktaandeel (uitgedrukt in aantal abonnees en in procent) dat wordt voorspeld voor elk van de operatoren die op het ogenblik van de aanvraag bekend zijn of dat de aanvrager redelijk acht om in zijn ondernemingsplan op te nemen;
  c) het jaarlijkse percentage van de opzeggingen ("churn") van elke operator;
  d) de verhouding professionele abonnees/privé-abonnees die voorzien wordt op de gehele Belgische markt;
  e) de verhouding professionele abonnees/privé-abonnees die de operator voorziet op zijn eigen spraaktelefoondienst.
  3.1.2. Vooruitzichten met betrekking tot het gebruik van spraaktelefonie.
  De aanvrager stelt zijn verwachtingen voor wat betreft het gebruik van zijn spraaktelefoondienst door middel van drie tabellen nr. 3.2 met de volgende elementen :
  a) het gemiddelde aantal gesprekken per abonnee en per maand;
  b) het gemiddelde aantal gespreksminuten per abonnee en per maand.
  Tabel nr. 3.2 wordt gegeven voor drie hypotheses :
  * tabel nr. 3.2a : alle abonnees zijn professionele gebruikers;
  * tabel nr. 3.2b : alle abonnees zijn privé-personen;
  * tabel nr. 3.2c : de verhouding professionele abonnees/privé-abonnees stemt overeen met de evolutie die in tabel nr. 3.1 is voorzien.
  3.1.3. Elasticiteit van de markt voor spraaktelefonie.
  3.1.3.1. Globale kosten van de dienst.
  Op grond van de door hem gemaakte marktanalyses geeft de aanvrager in de vorm van een curve de betrekking tussen de voorzienbare penetratiegraad van de spraaktelefoondienst in België en de gemiddelde jaarlijkse kosten van de betrokken dienst.
  3.1.4. Segmentering van de markt.
  De aanvrager identificeert op grond van zijn marktanalyse de verschillende categorieën van gebruikers die mogelijk geïnteresseerd kunnen zijn in de spraaktelefoondienst en de verschillende daaraan verbonden diensten en geeft voor elk van die segmenten het volgende aan :
  3.1.4.1. de commerciële aanpak die hij op het oog heeft;
  3.1.4.2. het tariefplan dat hij voorstelt;
  3.1.4.3. het gemiddelde verkeersvolume uitgedrukt in de vorm van het maandelijkse gemiddelde aantal gesprekken en gespreksminuten.
  3.2. Voorgesteld tariefbeleid.
  3.2.1. Formules voor de tarifering van de basisdiensten.
  De aanvrager geeft zijn vooruitzichten aan met betrekking tot het maximumniveau van de tarieven die hij overweegt toe te passen waarbij hij voor elke beoogde tariefformule een tabel nr. 3.4 voorstelt met de volgende elementen :
  a) de eenmalige kosten voor activering (of voor aansluiting);
  b) het maandabonnement;
  c) de gesprekskosten, ongeacht of dat tussen abonnees van de dienst van de operator is, of tegenover de andere operatoren inzake spraaktelefonie of mobiele telefonie of semafonie die in België of in het buitenland gemachtigd zijn, respectievelijk tijdens de piekuren ("peak") en de daluren tegen verminderd tarief ("off-peak"), indien van toepassing.
  De vastgelegde afbakening tussen piek- en daluren wordt voor de verschillende tariefformules en de verschillende gesprekken aangegeven.
  Onder maximumniveau van de tarieven verstaat men de prijs die de abonnee betaalt vooraleer eventuele kortingen te genieten.
  3.2.2. Berekening van een tariefkorf.
  Voor elke in afdeling 3.2.1. beschreven tariefformule verstrekt tabel nr. 3.5 de vooruitzichten inzake het niveau van een vereenvoudigde tariefkorf, uitgedrukt op maandbasis en samengesteld, uitgaande van de volgende veronderstellingen :
  - afschrijving van de aansluitings- of activeringskosten op 36 maanden;
  - maandabonnement;
  - 10 minuten lokale gesprekken, verdeeld over 2 gesprekken van 6 en 4 minuten per dag tussen 8 en 18 uur;
  - 15 minuten lokale gesprekken, verdeeld over 3 gesprekken waaronder één van 10 minuten, één van 3 en één van 2 minuten per dag tussen 18 en 8 uur;
  - 5 minuten gesprekken per dag in een gesprek over meer dan 50 kilometer tussen 8 en 18 uur;
  - 10 minuten gesprekken over meer dan 50 kilometer per dag, verdeeld over 2 gesprekken van 8 en 2 minuten tussen 8 en 18 uur;
  - internationale gesprekken, zijnde 5 minuten per maand naar Frankrijk, 4 minuten per maand naar Nederland, 3 minuten per maand naar Duitsland, 2 minuten naar het Verenigd Koninkrijk, 1 minuut naar Italië en 45 seconden naar de Verenigde Staten.
  3.2.3. Ristorno's.
  De aanvrager beschrijft zijn plannen in verband met de toepassing van ristorno's en promoties, bijvoorbeeld op basis van het verkeersvolume en/of het aantal genomen abonnementen.
  3.2.4. Tarieven van de bijkomende diensten.
  De aanvrager zet zijn plannen uiteen in verband met de praktische voorwaarden, de toegangsprocedures en de tarifering van de volgende bijkomende diensten (niet beperkende lijst) :
  - gedetailleerde factuur;
  - oproepafleiding;
  - identificatie van de oproepende lijn.
  3.3. Strategie voor de verspreiding van de diensten.
  De aanvrager beschrijft zijn aanpak met betrekking tot :
  3.3.1. de selectie van de distributiekanalen en kanalen voor commercialisering;
  3.3.2. het eventuele beroep op "service providers".
  De aanvrager preciseert de aard van de voorziene overeenkomsten met de dienstenleveranciers, de doorverkopers en de verschillende kanalen voor de commercialisering.
  Indien de aanvrager het voornemen heeft om zijn diensten op de markt te brengen via "service providers" voegt hij bij zijn aanvraagdossier een exemplaar van het "type-contract" dat hij van plan is voor te stellen en beschrijft hij de maatregelen die hij voornemens is toe te passen om zich te vergewissen van de betrouwbaarheid van de commerciële houding van de betrokken ondernemingen tegenover hun klanten.

  Art. 5N. 4. Financiële aspecten.
  4.1. Financieel vermogen van de aanvrager.
  4.1.1. Financiering.
  Op grond van het in afdeling 4.2 beschreven ondernemingsplan beschrijft de aanvrager zijn plannen met betrekking tot de financiering van zijn project en geeft hij door middel van tabel nr. 4.1 de ontwikkeling aan van de verschillende parameters die hierna volgen :
  a) de inbreng van eigen middelen door de deelgenoten of toekomstige deelgenoten;
  b) de behoeften inzake externe financiering;
  c) het beroep op extern kapitaal via bank- en obligatieleningen;
  d) de eventuele beursgang van een deel van de maatschappij.
  De aanvrager beschrijft bovendien :
  4.1.2. de kapitalisatie op de beurs van de maatschappij, of in voorkomend geval, de mogelijkheden en voorwaarden inzake kapitalisatie op de beurs van de toekomstige maatschappij;
  4.1.3. zijn geschiktheid om op de kapitaalmarkt geld vrij te maken;
  4.1.4. de nuttige bekwaamheid waarover hij beschikt in het beheer van gelijkaardige investeringen;
  4.1.5. de aard van de financiële waarborgen (eventuele bankwaarborg, alsook waarborgen die door de deelgenoten of toekomstige deelgenoten worden geboden);
  4.1.6. een beoordeling van de financiële risico's die door de deelgenoten of toekomstige deelgenoten worden aangegaan;
  4.1.7. financiële toestand van de aanvrager en van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten.
  Het aanvraagdossier bevat een tabel nr. 4.2 waarin voor elk van de deelgenoten of toekomstige deelgenoten melding wordt gemaakt van :
  a) zijn participatie of kapitaalinbreng in de maatschappij of toekomstige maatschappij;
  b) zijn nettoresultaat van het laatste boekjaar;
  c) zijn eigen middelen;
  d) zijn nettoschulden;
  e) zijn banknotering.
  Indien de aanvrager op het ogenblik van de aanvraag reeds als maatschappij bestaat, verstrekt hij over zichzelf de inlichtingen bedoeld onder b) tot e) van het voorgaande lid.
  4.2. Ondernemingsplan ("business plan").
  Het ondernemingsplan is gebaseerd op de volgende financiële veronderstellingen :
  a) inflatiecijfer op lange termijn = 2,5 % per jaar;
  b) bedragen uitgedrukt in courante franken;
  c) stabiliteit van de wisselkoersen;
  d) gelijkblijvend niveau van vennootschapsbelasting;
  e) lineaire afschrijving van de investeringen met de volgende percentages :
  - 4 % per jaar voor onroerende goederen (25 jaar);
  - 12,5 % per jaar voor de schakeluitrustingen (8 jaar);
  - 20 % per jaar voor materiaal op het gebied van informatica en kantoorautomatisering, alsook voor de voertuigen (5 jaar).
  4.2.1. Investeringen.
  Tabel nr. 4.3 beschrijft de voorziene investeringen met de volgende rubrieken :
  a) schakelsysteem en systeem voor database;
  b) systeem voor netwerkbeheer;
  c) transmissieapparatuur;
  d) onroerend goed (terreinen en gebouwen);
  e) facturatie- en andere computersystemen;
  f) meetapparatuur;
  g) voertuigen;
  h) vervangingsinvesteringen;
  i) overige investeringen (te verduidelijken);
  j) totaal van de investeringen.
  4.2.2. Vooruitzichten met betrekking tot de balans.
  Tabel nr. 4.4 beschrijft de evolutie van de balans met de volgende rubrieken :
  a) lichamelijke vaste activa;
  b) voorraden, schuldvorderingen en overige activa in omloop;
  c) totaal van de activa (c = a + b);
  d) belegd kapitaal;
  e) reserves;
  f) netto-resultaat van het boekjaar;
  g) eigen vermogen (g = d + e + f);
  h) voorzieningen voor risico's en lasten;
  i) bankleningen;
  j) schulden op korte termijn;
  k) vlottende schuld;
  l) totaal van de passiva (l = g + h + i + j + k).
  4.2.3. Exploitatiekosten.
  Tabel nr. 4.5 beschrijft de voorziene exploitatiekosten :
  a) huren van aansluitingslijnen, indien van toepassing, of kosten voor het gebruik van een eigen net;
  b) interconnectiekosten;
  c) personeelskosten;
  d) sociale en werkgeverslasten;
  e) commissie op de distributiekanalen;
  f) kosten voor marketing en reclame;
  g) huren van sites en andere kosten van onroerende aard (verwarming, elektriciteit, enz);
  h) kosten voor het onderhoud van de uitrustingen;
  i) rechten aan het instituut;
  j) administratieve en algemene kosten;
  k) voorzieningen voor dubieuze vorderingen;
  l) allerlei (te verduidelijken);
  m) totaal van de exploitatiekosten.
  4.2.4. Omzet (structuur van de inkomsten).
  Tabel nr. 4.6 geeft de evolutie weer van de verwachte inkomsten :
  a) kosten inzake aansluiting of abonnering;
  b) abonnementen;
  c) inkomsten uit oproepen;
  d) inkomsten uit interconnectie;
  e) bijkomende diensten en diensten met toegevoegde waarde;
  f) verkoop van eindtoestellen;
  g) andere inkomsten (te verduidelijken);
  h) totale omzet.
  4.2.5. Winst- en verliesrekening.
  Tabel nr. 4.7 neemt de cijfers over met betrekking tot de evolutie van de resultatenrekening van het lopende boekjaar :
  a) omzet;
  b) exploitatiekosten;
  c) resultaat vóór afschrijvingen, financiële lasten en belastingen (c = a - b);
  d) afschrijvingen;
  e) financiële lasten;
  f) vennootschapsbelasting;
  g) nettoresultaat (g = c - d - e - f);
  h) gecumuleerd nettoresultaat.
  4.2.6. Analyse van de jaarlijkse en gecumuleerde cash-flow.
  Tabel nr. 4.8 verduidelijkt de evolutie van de parameters die de cash-flow van de onderneming bepalen :
  a) totale investeringsuitgaven;
  b) schommelingen in het bedrijfskapitaal;
  c) resultaat vóór afschrijvingen, financiële lasten en belastingen;
  d) financiële lasten en belastingen;
  e) kapitaalinbreng;
  f) leningen;
  g) terugbetalingen van leningen;
  h) nettocash-flow (h = - a + b + c - d + e + f - g);
  i) gecumuleerde nettocash-flow.
  4.2.7. Termijnen voor rentabilisering.
  De aanvrager preciseert de termijnen die in zijn project vereist zijn om te komen tot :
  a) het "break-even point" waarop de "cash-flow" van het lopende boekjaar positief wordt;
  b) het grote evenwicht van het project wanneer de gecumuleerde "cash-flow" positief wordt;
  c) de terugverdientijd inzake investeringen ("payback").
  4.2.8. Coëfficiënten inzake beheer.
  Tabel nr. 4.9 vat de ontwikkeling doorheen de tijd samen van de verschillende hierna volgende coëfficiënten waarmee het financiële beheer van het project kan worden samengevat :
  a) solvabiliteitscoëfficiënt = eigen vermogen/totale activa;
  b) liquiditeitscoëfficiënt = (voorraden + realiseerbare of beschikbare waarden)/opvorderbare passiva (schulden op korte termijn);
  c) rentabiliteitscoëfficiënt van eigen kapitaal = nettowinst na belastingen/eigen kapitaal;
  d) "Return On Investment" (R.O.I.) = nettoresultaat van het boekjaar/totaal van de activa.
  4.2.9. Rentabiliteitsindicatoren.
  De aanvrager geeft de waarden aan van de verschillende parameters waarmee de rentabiliteit van zijn project kan worden ingeschat :
  a) netto-actuele waarde (N.P.V.) voor een actualiseringsgraad van 10 %;
  b) interne rendementsgraad (I.R.R.).
  4.3. Gevoeligheid van het ondernemingsplan.
  4.3.1. Analyses inzake de gevoeligheid van het ondernemingsplan.
  De aanvrager geeft de invloed aan op de netto-geactualiseerde waarde en op de interne rendementsgraad van de afwijkingen van de volgende parameters ten opzichte van de veronderstellingen die hij in zijn ondernemingsplan heeft gedaan :
  4.3.1.1. aantal abonnees van de operator = - 10 % ten opzichte van de prognoses;
  4.3.1.2. kosten van de apparatuur = + 10 %;
  4.3.1.3. kosten van de kapitalen = + 5 %;
  4.3.1.4. vertraging in het opstarten van de dienst = zes maanden;
  4.3.1.5. gemiddeld gebruik per abonnee = + 20 % en - 20 %;
  4.3.1.6. exploitatiekosten = + 10 %;
  4.3.1.7. verlaging met 10 % van het gemiddelde tariefniveau ten opzichte van de prognoses.
  4.3.2. Wijzigingen op de markt.
  De aanvrager zet de gevolgen uiteen op zijn hypotheses en zijn ondernemingsplan van mogelijke aanzienlijke wijzigingen van de concurrentiesituatie op de markt voor spraaktelefonie, met name :
  4.3.2.1. eventuele intrede van nieuwe operatoren op de Belgische markt voor spraaktelefonie;
  4.3.2.2. toegenomen concurrentie van de cellulaire netten (cf. GSM- DCS 1800) met een gepaste en concurrentiële tarifering voor spraaktelefoontoepassingen;
  4.3.2.3. opkomst van nieuwe technologieën (met name nieuwe satellietsystemen of telefonie op Internet);
  4.3.2.4. mogelijke wijzigingen in het regelgevingskader, met name wat betreft de infrastructuur, de interconnectie-voorwaarden en de "service providers";
  4.3.2.5. andere mogelijke invloeden.

  Art. 6N.5. Technische aspecten.
  5.1. Architectuur van de dienst.
  De aanvrager geef een gedetailleerde beschrijving van de beoogde architectuur voor de levering van zijn dienst. Hij preciseert door middel van een tabel nr. 5.1 de ontwikkeling van het aantal aangewende uitrustingen, wat betreft :
  a) de schakeleenheden;
  b) de eigen transmissieapparatuur;
  c) de bij derden gehuurde aansluitingslijnen.
  Voor elke soort uitrusting die met de categorieën a en b hierboven overeenstemt worden de geschatte kosten per eenheid vermeld.
  5.2. Dekking.
  Tabel nr. 5.2 geeft de beoogde dekkingszones aan. De aanvrager voegt kaarten van België op schaal 1/300 000 bij waarop de dekkingszones van het grondgebied aangegeven zijn na respectievelijk één, twee en drie jaar (te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning is toegekend).
  5.3. Tijdschema voor de ontplooiing.
  De aanvrager verduidelijkt de beoogde planning voor de verschillende etappes in de ontplooiing van de uitrustingen die nodig zijn voor de levering van de spraaktelefoondienst en in de commercialisering van zijn diensten.
  5.4. Dimensionering van het netwerk.
  De aanvrager zet de methode uiteen die hij voornemens is toe te passen om de verschillende uitrustingen correct te dimensioneren op basis van zijn commerciële vooruitzichten teneinde een gepaste kwaliteit van de dienst te waarborgen.
  Tabel nr. 5.3 geeft de evolutie aan van de volgende parameters met betrekking tot het totale verkeer dat het netwerk correct zal kunnen verwerken op het piekuur :
  a) aantal oproepen;
  b) intensiteit (in Erlang).
  5.5. Bijkomende diensten.
  De voorwaarden in verband met de eventuele aanbieding van bijkomende diensten worden door de aanvrager uiteengezet, alsook de technische implicaties. De veronderstelde gevolgen voor de ontwikkeling van het afgewikkelde verkeer worden voorgesteld.
  5.6. Transmissienet.
  De aanvrager beschrijft zijn plannen met betrekking tot de onderlinge aansluiting van de verschillende uitrustingen die nodig zijn voor het verrichten van de spraaktelefoondienst, waarbij hij met name een onderscheid maakt tussen :
  5.6.1. de vaste verbindingen die hij voornemens is van [1 Proximus]1 te huren;
  5.6.2. de vaste verbindingen die hij voornemens is te huren van leveranciers van alternatieve infrastructuren;
  5.6.3. de verbindingen die hij van plan is tot stand te brengen door middel van eigen infrastructuur en waarvoor hij een individuele vergunning gekregen of aangevraagd heeft.
  5.7. Technische interconnectie.
  Wat betreft de interconnectie van zijn spraaktelefoondienst met andere openbare telecommunicatienetten of -diensten, in het bijzonder met de overige operatoren inzake spraaktelefonie, geeft de aanvrager een beschrijving van :
  5.7.1. de technische interfaces en protocols van zijn apparatuur die onderling met die tele-communicatienetten of -diensten gekoppeld is;
  5.7.2. de maatregelen die hij van plan is te treffen om een optimale interoperabiliteit te garanderen met de interfaces van de betrokken netwerken of diensten;
  5.7.3. de menselijke middelen, en hun deskundigheid, die hij voornemens is in te zetten om zijn betrekkingen met [1 Proximus]1 te beheren op het stuk van interconnectie.
  5.8. Nummeringsplan.
  De aanvrager formuleert gepaste beschouwingen in verband met de integratie van zijn diensten in het nationale nummeringsplan en aangaande de toekomstige evolutie van zijn behoeften op dat gebied.
  5.9. Kwaliteit van de dienst.
  De aanvrager verduidelijkt zijn doelstellingen in verband met de technische kwaliteit van de dienst die hij van plan is in België aan te bieden. Daartoe geeft tabel nr. 5.4 de voorziene evolutie aan van de kwaliteitsparameters waarvan de definitie en de meetmethode door het Instituut worden vastgesteld en gepubliceerd.
  5.10. Vermogen van het netwerk.
  De aanvrager evalueert zijn geschiktheid om de doelstellingen inzake kwaliteit van de dienst te behalen die hij in zijn aanvraagdossier zal hebben voorgesteld, alsook de eventuele implicaties ingeval hij die doelstellingen niet verwezenlijkt.
  5.11. Levering van de apparatuur.
  De aanvrager geeft een beknopte beschrijving van de apparatuur die hij overweegt aan te kopen om zijn spraaktelefoondienst aan te bieden, in het bijzonder wat betreft de mogelijke leveranciers, de procedure voor de selectie van die leveranciers en de technische karakteristieken.
  De aanvrager vermeldt duidelijk de maatregelen die hij van plan is te nemen om zich te vergewissen van de perfecte overeenstemming van de uitrustingen met de relevante technische normen.
  ----------
  (1)<W 2015-08-10/26, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 22-06-2015 (zie KB 2015-09-11/02, art. 1)>

  Art. 7N. 6. Organisatorische aspecten.
  6.1. Beheer van human resources.
  6.1.1. Organisatie van de human resources.
  De aanvrager geeft in zijn dossier :
  6.1.1.1. een gedetailleerde beschrijving van het voorziene organigram voor de toekomstige entiteit van de operator en van de mechanismen met betrekking tot de besluitvorming;
  6.1.1.2. een aanwijzing van de evolutie van het aantal personen die rechtstreeks worden tewerkgesteld op grond van hun kwalificatie- en specialisatieniveau;
  6.1.1.3. een beschrijving van de human resources, die gekwalificeerd zijn op technisch, commercieel en operationeel vlak, die de deelgenoten of toekomstige deelgenoten zullen kunnen ter beschikking stellen van de operator om hem bij te staan bij de ontplooiing van zijn activiteiten;
  6.1.1.4. een schatting van zijn vermogen om bijkomend personeel aan te werven en de daartoe beoogde procedure;
  6.1.1.5. een opgave van de vormingsprogramma's die hij zijn personeel wil laten volgen in de verschillende domeinen die verband houden met de aanleg en de exploitatie van zijn spraaktelefoondienst;
  6.1.1.6. een demonstratie van het feit dat zijn organisatie het hem mogelijk zal maken om zijn verbintenissen na te komen in verband met de ontplooiing van zijn dienstenaanbod, alsook inzake de kwaliteit en betrouwbaarheid van de aangeboden dienst door de eventuele onderbrekingen in de werking zoveel mogelijk te beperken.
  6.1.2. Tewerkstelling.
  De aanvrager geeft in de vorm van "manjaren" een raming van de werkgelegenheid die in België door zijn bedrijvigheid wordt geschapen door middel van een tabel nr. 6.1 met daarin de volgende gegevens :
  a) rechtstreekse tewerkstelling (personeel dat rechtstreeks afhangt van de operator);
  b) kanalen voor commercialisatie en distributie;
  c) fabrikanten en invoerders van apparatuur;
  d) installatiewerkzaamheden in verband met het net;
  e) allerlei (te preciseren);
  f) totaal.
  6.2. Commercialisering van de diensten.
  6.2.1. Marketing.
  De aanvrager beschrijft zijn plannen in verband met :
  6.2.1.1. de organisatie van de promotie- en reclamecampagnes en de promotie van zijn imago;
  6.2.1.2. de methode voor de identificatie van de abonnees waarop wordt gedoeld en voor de ontwikkeling van de aangepaste handels-strategieën (dienstenpakketten, tarieven, distributiekanalen, enz.);
  6.2.1.3. de analyse van de opportuniteit van de regionale markten.
  6.2.2. Diensten aan de cliënteel.
  De aanvrager beschrijft zijn aanpak van de organisatie en de dienstverlening van zijn dienst voor bijstand aan de cliënteel, met name wat betreft :
  6.2.2.1. de termijn voor de activering van de nieuwe abonnees;
  6.2.2.2. de nadere regels in verband met de toegang tot de hulpdienst, de antwoordtermijnen van die dienst, de openingsuren en de taalkennis van het personeel;
  6.2.2.3. de behandeling van de klachten van de gebruikers;
  6.2.2.4. het beheer van de fraude en slechte betalers;
  6.2.2.5. zijn voornemen om zelf of onder zijn toezicht al dan niet een telefoongids te verstrekken.
  6.3. Onderhoud en technisch beheer.
  De aanvrager beschrijft zijn plannen met name in verband met :
  6.3.1. de controle van de verschillende parameters met betrekking tot de werking van de dienst;
  6.3.2. de organisatie van het technische onderhoud van de diensten (systeem voor gecentraliseerd toezicht, technische interventieploegen, procedures en termijnen);
  6.3.3. het verzamelen en verwerken van de gegevens in verband met het afgewikkelde verkeer met het oog op de instandhouding en verbetering van de kwaliteit van de dienst;
  6.3.4. de beoogde meetapparatuur;
  6.3.5. het beheer van de voorraad reserve-materiaal.
  6.4. Facturering.
  De aanvrager geeft een aanwijzing van het beoogde computersysteem voor het beheer van de database met betrekking tot de cliënteel en voor de facturering van zijn diensten.

  Art. 8N. 7. Aspecten in verband met ervaring.
  De aanvrager beschrijft zijn ervaring of die van zijn deelgenoten of toekomstige deelgenoten en van zijn partners wat de technische, commerciële en operationele aspecten betreft op de volgende gebieden :
  7.1. het opzetten en het beheer van telecommunicatiediensten, en van spraaktelefonie in het bijzonder;
  7.2. de mededinging op een voor concurrentie opengestelde markt;
  7.3. de kennis van de ontwikkeling van de Belgische en de Europese markt voor spraaktelefonie;
  7.4. de vooruitzichten inzake technische en/of commerciële vernieuwing op grond van de ervaring die de deelgenoten of toekomstige deelgenoten hebben opgedaan.

  Art. 9N. 8. (Opgeheven) <KB 2000-10-27/44, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 28-11-2000>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT{BR}
Van Koningswege :{BR}
De Minister van Telecommunicatie,{BR}
E. DI RUPO

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, inzonderheid op artikel 4bis, ingevoegd bij richtlijn 96/19/EG van 13 maart 1996;
   Gelet op richtlijn 90/387/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision, zoals gewijzigd bij artikel 1 van richtlijn 97/51/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijnen 90/387/EEG en 92/44/EEG met het oog op de aanpassing aan een door concurrentie gekenmerkte context in de telecommunicatie;
   Gelet op richtlijn 95/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1995 inzake de toepassing van "Open Network Provision" (ONP) op spraaktelefonie;
   Gelet op richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten;
   Gelet op richtlijn 98/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 1998 inzake de toepassing van Open Network Provision (ONP) op spraaktelefonie en inzake de universele telecommunicatiedienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat;
   Gelet op de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, inzonderheid op artikel 87, vervangen bij de wet van 19 december 1997;
   Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 23 september 1997;
   Gelet op het advies van de Minister van Begroting, gegeven op 29 september 1997;
   Gelet op het advies van de Europese Commissie;
   Gelet op het besluit van de Ministerraad van 26 september 1997 over het verzoek om advies binnen de termijn van een maand;
   Gelet op het advies van de Raad van State gegeven op 11 maart 1998 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Telecommunicatie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 01-09-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 35; 6N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-09-2001 GEPUBL. OP 05-10-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 9)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-10-2000 GEPUBL. OP 28-11-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 10; 24; 28; 30; 30BIS; 1N; 9N)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-07-1999 GEPUBL. OP 01-09-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 9)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING.
       Sire,
       De spraaktelefoondienst is van alle telecommunicatiediensten ongetwijfeld degene die het dichtst bij de bevolking staat. Het is namelijk de spraaktelefoondienst die op dit ogenblik de basis vormt van de universele dienstverlening, dit is de toegang voor iedereen, tegen een betaalbare prijs tot een pakket diensten van een welbepaalde kwaliteit. En het is de spraaktelefoondienst die voor de meesten onder ons de concrete verwijzing vormt naar de wereld van de telecommunicatie.
       Met de liberalisering van de telecommunicatie op 1 januari 1998 zal de spraaktelefoondienst door verschillende marktoperatoren kunnen worden geleverd. Het is dus van belang om het gemeenschappelijke kader vast te stellen dat door de verschillende operatoren moet worden nageleefd opdat de te vervullen verplichtingen billijk zijn en de kwaliteit van de dienst die aan de consument wordt verstrekt, over het gehele grondgebied gelijk is. Dit is het doel van het besluit dat U heden wordt voorgelegd.
       Het besluit bepaalt dat de levering van de spraaktelefoondienst onderworpen is aan de toekenning van een individuele vergunning aan de operator die deze dienst wenst aan te bieden. Om die vergunning te krijgen moet de operator het bewijs leveren van zijn financiële en technische capaciteit. Hij zal een zeker aantal algemene verantwoordelijkheden op zich moeten nemen inzake aansluiting van eindapparatuur en interconnectieovereenkomsten met andere operatoren. Een operator moet over zijn eigen schakelcapaciteit beschikken en moet de transmissie verzekeren over zijn eigen infrastructuur of over huurlijnen.
       Het besluit stelt tevens verplichtingen op inzake permanentie en kwaliteit van de dienst, bescherming van gegevens en abonnees, alsook de naleving van technische normen en specificaties.
       De tekst specificeert bovendien een zeker aantal bepalingen inzake nummering. De operator met een sterke marktpositie zal vanaf 1 januari 1998 aan zijn klanten een functionaliteit moeten bieden die selectie van de transporteur per oproep wordt genoemd. Die functionaliteit die de abonnee de mogelijkheid biedt om het net te kiezen waarlangs hij zijn internationale communicatie of lange-afstandsgesprekken wil laten verlopen zal op 1 januari 2000 worden aangevuld met de preselectie van de transporteur waarmee automatisch een lange-afstandstransporteur kan worden gekozen, zonder dat deze de transporteur is van het lokale net waarop men geabonneerd is en zonder een toegangscode te moeten vormen voor elke oproep.
       Een spraaktelefoondienst is ondenkbaar zonder de beschikbaarstelling van een gepaste telefoongidsdienst; de operatoren moeten de uitgevers van telefoongidsen dus de gegevens verstrekken die betrekking hebben op hun abonnees.
       De individuele vergunning zal worden toegekend tegen betaling van een enig recht voor de uitreiking ervan en van een jaarlijks recht voor beheer en controle. Er is geopteerd voor het behoud van het bedrag van die rechten op een betrekkelijk bescheiden niveau om het verschijnen van nieuwe operatoren op de markt niet te belemmeren. Het toezicht op de naleving van de vergunning houdt in dat de operator een zeker aantal inlichtingen verstrekt aan het controleorgaan. Het besluit voorziet in mogelijkheden voor de wijziging van de vergunning en in geval van niet-naleving van de bepalingen van de vergunning, in de schorsing of intrekking ervan.
       Het besluit behandelt ook de kwestie van de naleving door de operatoren op de markt van de verplichtingen inzake universele dienstverlening, het versturen van gesprekken naar de nummers van de spoeddiensten alsook inzake de samenwerking met de ombudsdienst voor telecommunicatie, de medewerking met wetenschappelijk onderzoek en de beschikbaarstelling van informatietechnologieën aan sommige groepen van gebruikers.
       Het derde hoofdstuk van het besluit verduidelijkt de procedure die zal gelden voor de uitreiking, aanpassing of overdracht van de vergunning. Deze procedure stemt overeen met de bepalingen die op Europees niveau zijn vastgesteld. Om net als de overige operatoren te worden behandeld zal ook Belgacom een vergunning moeten krijgen voor de levering van een spraaktelefoondienst.
       Artikelsgewijze commentaar.
       Artikel 1 verduidelijkt de terminologie die in dit besluit wordt gebruikt.
       Artikel 2 omschrijft uitdrukkelijk het begrip bestek. De individuele vergunning dekt enkel het opzetten en exploiteren van een spraaktelefoondienst en doet geen afbreuk aan het recht van de operator om, overeenkomstig en binnen de grenzen van het toepasselijke regelgevingskader, alle overige telecommunicatiediensten aan te bieden.
       Artikel 3 legt aan de operator de verplichting op om bij de vergunningsaanvraag aan te tonen dat hij technisch, voornamelijk qua personeel, economisch en financieel over de nodige middelen beschikt of kan beschikken zodat hij de voorwaarden die in dit bestek worden opgelegd, kan naleven.
       Artikel 4 legt een informatieplicht op van operator naar klant toe in verband met de reglementering van het gebruik van eindapparaten. Een algemene vaststelling is immers dat heel wat eindgebruikers niet op de hoogte zijn van het feit dat eindapparaten enkel mogen gebruikt worden op openbare telecommunicatienetwerken wanneer zij conform de essentiële eisen werden bevonden. Men spreekt in dit laatste geval van goedgekeurde eindapparatuur. De band tussen operator en klant is voor het verspreiden van deze reglementen een uiterst geschikt informatiekanaal.
       Wanneer een eindapparaat goedgekeurd is en niet valt onder de bepalingen van artikel 95 van de wet van 21 maart 1991 (het eindapparaat stemt dus overeen met het oorspronkelijk goedgekeurde type, het beantwoordt aan de van kracht zijnde specificaties, het veroorzaakt geen storingen, berokkent geen schade aan de openbare telecommunicatieinfrastructuur en betekent geen gevaar voor de gebruikers of het personeel van de operatoren en de voorwaarden waaronder de goedkeuring is verleend en die betrekking hebben op het gebruik waarvoor het eindapparaat is goedgekeurd, worden nageleefd), dan kan de operator zich niet verzetten tegen de aansluiting van dergelijk apparaat. In de praktijk zal deze bepaling voornamelijk van belang zijn voor de operatoren die de toegang tot de eindgebruiker controleren.
       Aangezien niet-goedgekeurde apparatuur of apparatuur die valt onder de bepalingen van artikel 95 van de wet de goede werking van het netwerk in het gedrang kan brengen, geeft dit artikel de operator de mogelijkheid om zich tegen het aansluiten van dergelijke apparatuur te verzetten. Bovendien kan de operator vragen om dergelijke apparatuur, indien ze reeds aangesloten is, af te koppelen. Is de klant onbereikbaar of weigert de klant op deze vraag in te gaan dan kan de operator de dienstverlening schorsen. De operator moet de klant natuurlijk op de hoogte stellen van de schorsing. Hierbij kan nog opgemerkt worden dat de operator ten allen tijde de controlediensten van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (het Instituut) op de hoogte kan brengen van het feit dat niet goedgekeurde apparatuur is aangesloten op zijn netwerk. Deze diensten kunnen dan optreden op grond van artikel 114, § 2 van de Wet.
       Als antwoord op de opmerking van de Raad van State, kan worden benadrukt dat de klant wiens eindtoestel afgekoppeld werd, beroep kan aantekenen bij de ombudsdienst.
       Artikel 5, § 1 legt, ter bescherming van de belangen van de eindgebruikers, de nadruk op het belang van het verzorgen van een eind-tot-eind kwaliteit van de dienst in geïnterconnecteerde netwerken en op het respect voor de reglementering van de bescherming van gegevens.
       Artikel 5, § 2 vereist dat de operator duidelijk maakt in het kader van interconnectie met een andere operator welke maatregelen hij voorzien heeft die de continuïteit van de dienst zullen verzekeren in geval de installaties of de infrastructuur die in normale omstandigheden de dienst verzorgen niet naar behoren functioneren.
       Artikel 5, § 3 voorziet een oplossing via de Kamer voor interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik ingeval een interconnectie met een derde de goede werking van de dienst van de operator in het gedrang brengt en dit niet alleen wat betreft de aspecten vervat in de essentiële eisen, maar eveneens wat de hogere functies in het netwerk aangaat.
       Inzake interconnectie mag niet uit het oog verloren worden dat wanneer een operator zijn installaties wijzigt in die zin dat de geïnterconnecteerde operator gedwongen wordt zijn installaties eveneens te wijzigen, deze operatoren onderworpen zijn aan het koninklijk besluit tot regeling van de termijnen en principes die van toepassing zijn op de commerciële onderhandelingen die worden gevoerd om interconnectieakkoorden te sluiten.
       Artikel 6, § 1 verplicht de operator die de toegang tot de eindgebruiker controleert, te voorzien in interconnectie met andere spraaktelefoniediensten, hetzij direct, hetzij indirect, teneinde de abonnees van zijn dienst toe te laten elke andere abonnee, hetzij van dezelfde dienst, hetzij van een andere dienst in België of in het buitenland, hetzij van een aan het publiek aangeboden mobiele telefoondienst in België of in het buitenland te bereiken.
       De § 2 van artikel 6 behoeft geen commentaar.
       Overeenkomstig met de principes van ONP spraaktelefonie regelen de §§ 3 en 4 de levering van sommige aanvullende faciliteiten.
       De bedoeling van artikel 7 is dat de operator ervoor zorgt dat de dienst permanent operationeel is. Dit betekent niet dat er zich geen onderbrekingen of storingen kunnen voordoen. Dergelijke mankementen zijn immers onvermijdbaar. Het is de operator echter niet toegelaten de dienst te onderbreken bijvoorbeeld bij wijze van "pauze".
       Artikel 8 regelt de verplichtingen in verband met de kwaliteit van de dienst. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een aantal grootheden, kwaliteitsindicators genoemd. Het Instituut bepaalt de gepaste definities en meetmethodes voor deze kwaliteitsindicators met het oog op een optimale afstemming van deze op de noden van de eindgebruikers. Eén van de informatiekanalen die het Instituut zal gebruiken om feedback te verkrijgen over de mate waarin bovenvermeld doel wordt bereikt is de operator zelf. Deze laatste moet de definities en meetmethodes jaarlijks evalueren in functie van hun nut voor de eindgebruiker en zijn bevindingen overmaken aan het Instituut. Het Instituut publiceert de door de operator te hanteren definities en meetmethodes bij het bepalen van de jaarlijkse waarden die moeten meegedeeld worden aan het Instituut. Deze van verschillende operatoren afkomstige, maar door het gebruik van zelfde definities en meetmethodes vergelijkbare waarden, worden door het Instituut jaarlijks gepubliceerd teneinde de eindgebruikers de mogelijkheid te bieden een meer gefundeerde keuze te maken tussen de verschillende operatoren. Weliswaar worden slechts de waarden van de operatoren die reeds 18 maanden commerciële activiteit achter de rug hebben, gepubliceerd.
       Artikel 9, § 1 legt de operator de verplichting op om erop toe te zien dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de vertrouwelijkheid van de telefonische privé-gesprekken worden nageleefd. De operator is gemachtigd om alle nodige en redelijke maatregelen te nemen om die naleving te garanderen.
       Artikel 9, § 2 bepaalt dat de operator aan iedereen het recht waarborgt om hetzij kosteloos, hetzij tegen een redelijke prijs die door het BIPT is goedgekeurd, niet voor te komen op de lijsten die dienen voor de vervaardiging van telefoongidsen.
       Artikel 9, § 3 bepaalt dat de operator de gebruikers de kans moet geven om zich gratis te verzetten tegen de identificatie van hun nummer door de opgeroepen lijn.
       Artikel 9, § 4 verplicht de operator ertoe de nadere regels vast te stellen volgens dewelke een abonnee een eind kan maken aan de afleiding van oproepen naar zijn telefoonaansluiting.
       Artikel 9, § 5 stelt dat de operator in geval van kwaadwillige oproepen en op verzoek van het slachtoffer het nummer identificeert dat aan de oorsprong van die oproepen ligt. Hij neemt contact op met de houder van het nummer en verzoekt hem zijn manipulaties stop te zetten. Indien deze volhardt en de ombudsdienst het verzoek van het slachtoffer overeenkomstig artikel 43bis, § 3, 7° van de wet inwilligt, deelt de operator aan de klant de identiteit en het adres mee van de houder van het nummer van waaruit de kwaadwillige oproepen tot stand worden gebracht.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State wordt erop gewezen dat die voorwaarden geïnterpreteerd moeten worden als de beschrijving van de manier waarop de feiten worden vastgesteld, zoals bepaald door de a) van de 7° van § 3 van artikel 43 van de Wet.
       Artikel 10 bepaalt dat, ter bescherming van de belangen van de eindgebruiker, goedgekeurde eindapparatuur binnen de voorwaarden bepaald door goedkeuringsspecificaties, probleemloos toegang moet kunnen nemen tot de dienst ongeacht het openbare telefoonnet waar het op aangesloten wordt wanneer het Instituut dit nodig acht. De samenwerking tussen het Instituut en de operator die de toegang tot de eindgebruiker controleert, heeft tot doel in die gevallen de gewenste overdraagbaarheid te bereiken. Deze samenwerking houdt onder andere ook in dat de operator die de toegang tot de eindgebruiker controleert noodzakelijke informatie zoals de netwerkspecificaties ter beschikking stelt van het Instituut en dit reeds bij de aanvraag voor het bekomen van een individuele vergunning voor spraaktelefonie.
       Artikel 11, § 1 bepaalt dat de operator wat de door hem gewenste nummers betreft, gebonden is aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 december 1997 betreffende het beheer van het nummeringsplan. Voor de toekenning van bijzondere nummers of een nummercapaciteit aan bepaalde klanten, mag de operator aan deze klanten een bijzondere retributie vragen die op de kosten gebaseerd is.
       Het tijdschema van artikel 11, § 2 stemt overeen met de ontwerprichtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 1998 tot wijziging van Richtlijn 97/33/EG voor wat betreft nummerportabiliteit tussen exploitanten en carriervoorkeuze.
       Artikel 12 regelt in § 1 de rechten die verschuldigd zijn voor de uitreiking van de vergunning, dat wil zeggen het eigenlijke opstellen van de tekst van de vergunning.
       In § 2 wordt het jaarlijks recht vastgesteld. Dit artikel moet gelezen worden in samenhang met artikel 31. In dit artikel wordt de som bepaald die door de aanvrager voor de analyse van het dossier moet worden betaald.
       Artikel 13 bepaalt dat de operator wat de uitgave van een telefoongids betreft gebonden is aan de bepalingen van het koninklijk besluit houdende de voorwaarden tot vervaardiging, uitgave en verspreiding van de telefoongidsen, dat verplichtingen invoert voor zowel de operatoren als de uitgevers van telefoongidsen.
       Artikel 14 legt de operator de verplichting op om het Instituut regelmatig de nodige gegevens ter beschikking te stellen zodat het Instituut kan nagaan of de operator voldoet aan de bepalingen van zijn vergunning.
       Het representatief staal waarvan sprake in § 4 van dit artikel kan bestaan uit bijvoorbeeld een gratis krediet of een gratis aansluiting. De manier waarop de operator het representatief staal ter beschikking stelt van het Instituut, wordt door het Instituut en de operator onderling afgesproken.
       Artikel 15, §1 verwijst naar artikel 109ter, § 4 van de Wet.
       Artikel 15, § 2 garandeert dat interconnectie-overeenkomsten tussen operatoren die aangemerkt zijn als organisaties met een sterke machtspositie voorzien in het behoud van de mogelijkheid van selectie van de transporteurs.
       Artikel 15, § 3 moet gelezen worden in samenhang met de artikelen 6, § 4, 9, § 3 en 22, §§ 2 en 3 dewelke zonder deze bepaling zinloos zouden zijn.
       De Wet heeft de mogelijkheid ingevoerd om tussen de actoren binnen de telecommunicatiesector een differentiatie te maken inzake hun recht op interconnectie. Die differentiatie is gebaseerd op de aard van de actor : operator van een openbaar net, operator inzake spraaktelefonie, leveranciers van andere diensten. Om elke operator inzake spraaktelefonie in staat te stellen om te interconnecteren onder de voorwaarden waarop hij recht heeft, bepaalt artikel 15, § 4 dat de individuele vergunning zijn rechten en plichten terzake moet verduidelijken, waarbij rekening wordt gehouden met de dekkingszone van zijn dienst. Daar een operator inzake spraaktelefonie tevens een operator van een openbaar net kan zijn, moet zijn vergunning preciseren dat voor de door zijn netwerkvergunning gedekte zones, hij recht zal hebben op een interconnectie die gebaseerd is op die hoedanigheid voor zover die voordeliger is.
       Artikel 16 behoeft geen commentaar.
       Wat artikel 17 betreft spreekt het voor zich dat de naleving van verplichtingen die aan de operator in dit bestek worden opgelegd, niet in het gedrang gebracht mag worden door contracten die de operator afsluit met ondernemingen die zich ertoe verbinden zijn diensten te commercialiseren (zoals bijvoorbeeld bij "outsourcing"). Artikel 17 legt dan ook aan de operator de verplichting op om hierop toe te zien. Bovendien moet een kopie van een dergelijk contract aan het Instituut worden bezorgd zodat deze kan nagaan of de bepalingen van het bestek inderdaad kunnen nageleefd blijven.
       Artikel 18 behandelt de periode voor dewelke de vergunning geldt. Na afloop van de eerste periode van 15 jaar is een stilzwijgende verlenging voor 10 jaar mogelijk.
       Indien de operator of de Minister willen afzien van deze verlenging kunnen zij ten laatste 2 jaar voor de beëindiging van de eerste periode al naargelang de Minister of de operator hiervan op de hoogte brengen. De Minister kan deze beslissing slechts treffen rekening houdend met de naleving door de operator van het bestek en de vergunning.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State inzake de elementen waarmee de Minister rekening moet houden om de hernieuwing van de vergunning te weigeren, is het woord "met name" behouden om de Minister de mogelijkheid te geven om op dat moment rekening te houden met onder andere de omstandigheden, vermeld in artikel 29, § 2.
       Artikel 19 behandelt de sancties in geval van niet-naleving van de vergunning. Nadat het Instituut de inbreuk heeft vastgesteld, hoort het de operator en maant deze in voorkomend geval aan om binnen een termijn die het Instituut bepaalt, de tekortkomingen te verhelpen. Het Instituut stelt de operator ook op de hoogte van de boete die deze zal moeten betalen wanneer de overtreding blijft bestaan. Die boete wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 109quater, § 2 van de Wet en kan dus gaan van 0,5 % tot 5 % van de omzet van de operator in de sector waarop de overtreding betrekking heeft. Indien de operator zich niet naar het verzoek van het Instituut voegt, legt dit, na de operator te hebben gehoord, de vooropgestelde sanctie op. De beslissing van het Instituut moet worden genomen voor het einde van de maand die volgt op de dag waarop de in § 1 van artikel 19 vastgestelde termijn verstrijkt. De beslissing wordt binnen een week aan de operator meegedeeld. Indien de operator in de maand die op de mededeling volgt nog steeds in gebreke blijft, kan de Minister op advies van het Instituut hetzij de vergunning schorsen, hetzij de vergunning intrekken. Uiteraard zal de Minister vooraleer hij tot een dergelijke beslissing overgaat, de betrokken operator horen.
       De strafsancties waarin artikel 114 van de Wet voorziet kunnen echter cumulatief toegepast worden met de sancties van dit artikel.
       Artikel 20 bepaalt dat de operator als enige aansprakelijk is tegenover zijn klanten voor fouten bij het leveren van de dienst. Deze bepaling beoogt de klanten te beschermen in die zin dat een klant die geconfronteerd wordt met een slecht functionerende dienst zich rechtstreeks tot zijn operator kan wenden en van deze een schadevergoeding kan verkrijgen. Indien deze operator niet of niet geheel verantwoordelijk is voor de verstoring van de dienstverlening kan hij de schadevergoeding die hij aan zijn klant heeft betaald, geheel respectievelijk gedeeltelijk verhalen op diegene die verantwoordelijk is voor de betreffende fout.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State geeft deze maatregel wel degelijk uitvoering aan de bepalingen van Hoofdstuk IXter van Titel III van de Wet, gewijd aan de bescherming van de gebruiker en in het bijzonder artikel 105octies, gewijd aan de regelingen voor schadeloosstelling.
       Artikel 20, § 2 legt de operator de verplichting op om een klachtendienst op te richten. Deze dienst is eenvoudig en gratis bereikbaar voor zijn klanten. Voor klanten van een andere operator mag de toegankelijkheid van deze dienst aan voorwaarden onderworpen worden. De §§ 3 en 4 behoeven geen commentaar.
       Artikel 21 herinnert de operator aan de verplichtingen en mogelijkheden inzake universele dienstverlening.
       Artikel 22 geeft aan welke nooddiensten gratis toegankelijk moeten zijn. Teneinde misbruiken en misverstanden bij het oproepen van dergelijke nummers te voorkomen, kan het Instituut nooddiensten aanwijzen die bij oproep de oproeper kunnen identificeren.
       Artikel 23 § 1 bepaalt dat de operator een persoon aanwijst die verantwoordelijk is voor de betrekkingen met de ombudsdienst voor telecommunicatie.
       Artikel 23 § 2 bepaalt dat de operator in overeenstemming met de ombudsdienst, zijn klanten inlicht over de mogelijkheden tot beroep bij die dienst.
       Artikel 23, § 3 verduidelijkt dat de operatoren met de ombudsdienst een akkoord moeten sluiten om hun samenwerking te regelen.
       Artikel 24 is de uitvoering van artikel 87, s) van de Wet van 21 maart 1991. Het bepaalt dat van de jaaromzet inzake spraaktelefonie 0,70 % gaat naar onderzoek en ontwikkeling, 0, 15 % ten goede komt aan de terbeschikkingstelling van informatietechnologieën in KMO's en 0,15 % aan jongeren en sociaal minder begunstigden. Bijgevolg moeten de operatoren 1 % van hun jaaromzet aanwenden om de algemene ontwikkeling van de informatiemaatschappij zo harmonieus mogelijk te laten verlopen. Deze bepaling beoogt in feite dat, in een geest van partnership met de ondernemingen, een driedubbele waarborg zou geconcretiseerd worden :
       - in de eerste plaats, de waarborg dat de liberalisering van de markt zal gebeuren met eerbiediging van de consumentenbelangen. Dit houdt in dat, door onderzoek en ontwikkeling, de operatoren elk op hun niveau, een blijvend proces op gang brengen en verderzetten voor de verbetering van hun producten en diensten, in aansluiting op de behoeften en verwachtingen van de consumenten;
       - vervolgens past het te waken over een harmonieuze spreiding van de economische weerslag van de ontwikkeling van de telecommunicatiesector. Met andere woorden, de kleine en middelgrote ondernemingen, als belangrijke vector bij de tewerkstellingsontwikkeling, mogen het slachtoffer niet zijn van een verstoord evenwicht of van vertragingen bij de toegang tot de integratie van de diensten die voortvloeien uit de informatietechnologieën;
       - tenslotte zou het ondenkbaar en onaanvaardbaar zijn dat de liberalisering van de telecommunicatiemarkt zou leiden tot een verscherping van de sociale uitsluiting. Daarom, teneinde een dergelijke perverse weerslag te voorkomen, zal elke operator in zijn bewerkingen een sociale dimensie moeten inbouwen om het verwekken van sociaal onrecht te vermijden. Deze dimensie zal gericht zijn op de toegang van kwetsbare sociale groepen tot de informatiemaatschappij.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State moet worden benadrukt dat andere Europese landen soortgelijke bepalingen in hun reglementering opnemen.
       Artikel 25 heeft betrekking op de reciprociteit van de interconnectierechten van binnenlandse operatoren ten overstaan van buitenlandse operatoren.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State is verduidelijkt dat de internationale overeenkomsten die België ondertekend heeft, uiteraard zullen worden nageleefd. De leden 2 en 3 van artikel 25 specificeren de nadere regels volgens dewelke het Instituut de gelijke behandeling van Belgische en buitenlandse operatoren zal nagaan op gebied van interconnectie, onder andere via het onderzoek van de verdeel- en ontvangsttaksen.
       Artikel 26 bepaalt het principe van dit bestek : een spraaktelefoondienst kan enkel uitgebaat worden indien men over een rechtsgeldige individuele vergunning beschikt.
       Artikel 27 bepaalt de nadere regels die betrekking hebben op het aanvragen van de vergunning. In § 1 wordt vastgesteld wie de vergunning kan aanvragen terwijl § 2 de formele regels van de aanvraag vastlegt. In § 3 wordt bepaald welke informatie de aanvraag moet bevatten.
       Artikel 28 bepaalt de procedure die wordt gevolgd na het indienen van de aanvraag :
       1. het Instituut onderzoekt het dossier;
       2. binnen een termijn van 60 dagen formuleert het Instituut een aanbeveling;
       3. deze aanbeveling wordt overgemaakt aan de aanvrager en aan de Minister; indien de aanbeveling gunstig is neemt zij de vorm aan van een ontwerp-vergunning;
       4. de Minister neemt binnen de 30 dagen na ontvangst van de aanbeveling een beslissing. Hij is niet gebonden door het advies van het Instituut.
       Bij punt 2 moet opgemerkt worden dat deze termijn wordt geschorst indien het Instituut van oordeel is dat het dossier onvolledig is of wanneer bijkomende inlichtingen noodzakelijk zijn. Deze schorsing kan hoogstens 30 dagen duren. Indien het dossier binnen deze periode niet vervolledigd of verduidelijkt is, wordt de aanvraag geweigerd.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State wordt erop gewezen dat richtlijn 97/13/EG inzake vergunningen in een mogelijkheid voorziet om de termijn in gerechtvaardigde gevallen uit te breiden tot vier maanden. Een verlenging van de termijn voor de spraaktelefonie wordt gerechtvaardigd door het belang van die dienst, zowel voor de residentiële consument als voor de professionele gebruiker en door het feit dat het belangrijk is te verhinderen dat onbetrouwbare operatoren hun intrede doen op de markt, hetgeen een grondig onderzoek van de kandidatuurdossiers rechtvaardigt. In elk geval is de termijn van vier maanden een maximumtermijn die enkel maar in gerechtvaardigde gevallen zal worden toegepast.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State wat artikel 29 betreft, wordt erop gewezen dat de verwijzing naar de vrijwaring van een onvervalste marktstructuur behouden is omdat die betekent dat het industriële project dat door de kandidaat-operator wordt voorgesteld, verenigbaar moet zijn met de mededingingsregels die door het Verdrag en de nationale reglementering zijn uitgevaardigd.
       Artikel 30 legt de regels vast waaraan de operator moet voldoen bij een wijziging van zijn vergunning. Een dergelijke wijziging dringt zich immers op bij elke wijziging van de dienst.
       De Minister heeft de mogelijkheid om, op voorstel van het Instituut, de vergunning eenzijdig te wijzigen indien een wijziging nodig is om aan de bepalingen van de artikelen 107 (toegang tot huurlijnen) en 108 (publicatie van de technische kenmerken) van de wet te voldoen.
       Artikel 31 werd reeds behandeld bij de bespreking van artikel 12. Het behoeft geen verdere commentaar.
       Artikel 32 behoeft geen commentaar.
       Artikel 33 voert de mogelijkheid in tot afwijkingen op grond van behoorlijk door de operator gemotiveerde rechtvaardigingen die bovendien beperkt zijn tot technische of economische overwegingen, tot bepalingen met betrekking tot faciliteiten, tot de identificatie van nummers, tot het doorschakelen van oproepen, tot carrierkeuze en carriervoorkeuze.
       In verband met dit laatste punt en als antwoord op het advies van de Raad van State, staat artikel 1, § 4 van de ontwerprichtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 1998 tot wijziging van richtlijn 97/33/EG wat betreft nummeroverdraagbaarheid en carriervoorkeuze een afwijking toe wanneer die verplichtingen voor bepaalde organisaties een buitensporige last zou veroorzaken, waarbij de Commissie aan de Raad van 1 december 1997 verduidelijkt heeft dat die last zowel technisch als financieel kon zijn : het laatste lid van paragraaf 2 van artikel 11 is behouden met uitzondering van een aanpassing die erop gericht is de kwestie van een subdelegatie te regelen en van een andere aanpassing bedoeld om rekening te houden met de economische overweging.
       De artikelen 34 en 35 regelen het stelsel voor de toekenning van machtigingen voor Belgacom en voor de operatoren die over een voorlopige spraaktelefoonvergunning beschikken welke op grond van de ministeriële omzendbrief van 5 december 1997 is afgegeven.
       De artikelen 36 en 37 behoeven geen commentaar.
       Als antwoord op het advies van de Raad van State wat betreft het volume van de informatie die wordt gevraagd in de bijlage tot vaststelling van de vorm en de inhoud van de aanvragen voor een individuele vergunning, zij erop gewezen dat de ervaring met de procedures voor de toekenning van voorlopige vergunningen het belang aantoont om over al die inlichtingen te beschikken en dat vooral voor de kandidaat-operator die op die manier verplicht is om de aard, de omvang en de implicaties van zijn industrieel project beter te verduidelijken.
       Er is tegemoetgekomen aan alle opmerkingen van de Raad van State met uitzondering van die welke in het Verslag aan de Koning becommentarieerd zijn.
       Ik heb de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaar,
       De Minister van Telecommunicatie,
       E. DI RUPO
       ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
       De Raad van State, afdeling wetgeving, vierde Kamer, op 12 januari 1998 door de Minister van Telecommunicatie verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogete een maand, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende het bestek van toepassing op de spraaktelefoondienst en de procedure inzake de toekenning van individuele vergunningen", heeft op 11 maart 1998 het volgende advies gegeven :
       Algemene opmerking.
       Overeenkomstig artikel 2, lid 4, en artikel 3, vijfde alinea, van richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, is van het ontwerp kennis gegeven aan de Commissie die haar opmerkingen bij brief van 18 december 1997 heeft meegedeeld.
       De afdeling wetgeving kan echter niet anders dan vaststellen dat daarmee geenszins rekening is gehouden in de tekst van het ontwerp dat haar op 12 januari 1998 is voorgelegd, wat de gemachtigde ambtenaar trouwens heeft bevestigd.
       Bijzondere opmerkingen.
       Opschrift.
       Teneinde het opschrift in overeenstemming te brengen met de bewoordingen van artikel 87, § 2, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd door de wet van 19 december 1997, welk artikel de rechtsgrond van het ontworpen besluit vormt, wordt voorgesteld om in plaats van "betreffende" "tot vaststelling van" te schrijven en in de Franse tekst het woord "licences" te vervangen door het woord "autorisations".
       Deze opmerking geldt tevens voor de bijlage bij het ontworpen besluit.
       Aanhef.
       Eerste lid.
       In plaats van te verwijzen naar de wijzigingsrichtlijn, behoort de oorspronkelijke richtlijn te worden vermeld (1). Er behoort ook te worden verwezen naar het precieze artikel van die tekst met toepassing waarvan het ontworpen besluit wordt uitgevaardigd. Het lid zou dan ook als volgt moeten worden gesteld :
       "Gelet op richtlijn 90/388/EEG van de Commissie van 28 juni 1990 betreffende de mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten, inzonderheid op artikel 4bis, ingevoegd door richtlijn 96/19/EG van de Commissie van 13 maart 1996;".
       ( (1) De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft reeds herhaaldelijk aan deze regel van de wetgevingstechniek moeten herinneren, inzonderheid in advies L. 26.588/4, dat op 29 september 1997 is gegeven over een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de satellietgrondstations en netwerken via satellietgrondstations.)
       Tweede lid.
       Er behoort te worden geschreven : "inzonderheid op artikel 87, vervangen bij de wet van 19 december 1997" in plaats van "inzonderheid op artikel 87, ingevoegd bij de wet tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven om het reglementaire kader aan te passen aan de verplichtingen inzake vrije mededinging en harmonisatie op de markten voor telecommunicatiediensten, die voortvloeien uit de van kracht zijnde richtlijnen van de Commissie van de Europese Gemeenschap".
       Zesde lid (nieuw).
       Er dient een als volgt luidend nieuw lid te worden ingevoegd :
       "Gelet op het advies van de Europese Commissie;".
       Zesde lid (dat het zevende en het achtste lid wordt).
       Wanneer wordt gevraagd dat het advies binnen een termijn van een maand wordt gegeven, behoren de twee volgende leden in de aanhef te worden opgenomen (2) :
       "Gelet op het besluit van de Ministerraad van (datum vermelden) over de aanvraag om een binnen de termijn van een maand te geven advies;
       Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 11 maart 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;".
       ( (2) De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft reeds herhaaldelijk aan deze regel van de wetgevingstechniek moeten herinneren, inzonderheid in het voormelde advies L. 26.588/4.)
       Bepalend gedeelte.
       Voorafgaande opmerkingen.
       Wat de nummering betreft van de hoofdstukken en afdelingen, alsook het opschrift ervan, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen :
       1. In het Nederlands worden alle hoofdstukken en afdelingen genummerd met hoofdtelwoorden in Romeinse cijfers. Deze regel geldt ook voor het Frans, met uitzondering weliswaar van hoofdstuk I en afdeling I, die als "Chapitre premier" en "Section première" moeten worden aangeduid.
       2. Men dient erop toe te zien dat de opschriften van hoofdstukken en afdelingen bij elkaar aansluiten. Men dient ofwél te opteren voor het gebruik van het bepaald lidwoord (zoals bijvoorbeeld in hoofdstuk II, afdelingen 7 tot 10, 12, 14 tot 16, 19 en 20) ofwél af te zien van het gebruik van het bepaald lidwoord (zoals in hoofdstuk II, afdelingen 1 tot 6, 11, 13, 17 en 18), en zich ervoor te hoeden die beide werkwijzen door elkaar te gebruiken.
       In het Nederlands is het gebruikelijk geen bepaalde lidwoorden te bezigen.
       3. Men behoort ervoor te zorgen dat de opschriften van de afdelingen in hoofdstuk II zo goed mogelijk overeenstemmen met de bewoordingen van artikel 87, § 2, tweede lid, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven en er op zijn minst op toe te zien dat de bewoordingen van die opschriften stroken met de teneur van de bepalingen die in het voormelde artikel 87, § 2, tweede lid, staan. Zo bijvoorbeeld zou het opschrift van afdeling 9 van hoofdstuk II moeten luiden : verschaffing van de nodige inlichtingen voor de samenstelling van de universele telefoongids in plaats van : De levering van de nodige inlichtingen voor de samenstelling van telefoongidsen waaronder de universele telefoongids.
       4. Voorgesteld wordt ervoor te zorgen dat de volgorde van de afdelingen in hoofdstuk II overeenstemt met de volgorde van de bepalingen in de punten a) tot t) van het voormelde artikel 87, § 2, tweede lid. Zo zou afdeling 14 (die overeenstemt met punt m) van het voormelde artikel 87, § 2, tweede lid) moeten voorafgaan aan afdeling 13 (die overeenstemt met punt n) van het voormelde artikel 87, § 2, tweede lid).
       - Artikel 1.
       De definitie die in onderdeel 3° wordt gegeven, hoort veeleer vooraan in hoofdstuk II thuis. Het eerste artikel van dat hoofdstuk zou kunnen bepalen dat het bestek alle voorwaarden bevat waaraan een persoon moet voldoen om een vergunning voor de exploitatie van een spraaktelefoondienst te kunnen verkrijgen.
       - Artikel 2.
       Er wordt voorgesteld dit artikel te laten vervallen. Het tweede lid bevat immers geen enkele nieuwe regel en de in het eerste lid vervatte bepaling kan worden opgenomen in de definitie van de individuele vergunning die in artikel 1, 6°, wordt gegeven.
       Als dit artikel vervalt, dient men het opschrift van hoofdstuk I, namelijk "Algemeen", te wijzigen in "Definities" en behoort de opdeling van dat hoofdstuk in afdelingen te vervallen.
       - Artikel 4.
       Over deze bepaling kan men in de commentaar van de Europese Commissie op het onderhavige ontworpen koninklijk besluit het volgende lezen :
       "L'article 4 du projet d'arrêté permet à l'opérateur de suspendre la fourniture du service à un utilisateur qui aurait connecté au réseau public un équipement non agrée. L'article 13, § 1er, de la directive amendant la directive 95/62/CE prévoit une telle éventualité, mais dispose qu'une procédure spécifique "d'urgence" doit être mise en oeuvre par l'ARN dans ce type de cas, "sans préjudice de la procédure de règlement national des litiges prévue a l'article 26 paragraphe 1er". Cette procédure doit prévoir "un processus de décision transparant et respectant le droit des parties". Ni la Loi telle que modifiée par le projet de loi ni le projet d'arrêté, ne semblent toutefois prévoir une telle procédure, nécessaire pour permettre à l'utilisateur concerns, de faire entendre son point de vue, le cas échéant.".
       Artikel 13, lid 1, waarvan hierboven sprake is, is artikel 13 van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de toepassing van Open Network Provision (ONP) op spraaktelefonie en de universele telecommunicatiedienst in een door concurrentie gekenmerkt klimaat (ter vervanging van richtlijn 95/62/EG van het Europees Parlement en de Raad), waarvan lid 1, eerste alinea, als volgt luidt :
       "Onverminderd de procedure voor de beslechting van geschillen op nationaal niveau overeenkomstig artikel 26, punt 1), beschikken de nationale regelgevende instanties over procedures om situaties het hoofd te bieden waarin organisaties die vaste openbare telefoonnetwerken en/of vaste openbare telefoondiensten aanbieden, of althans die organisaties die spraaktelefoniediensten aanbieden en die een aanzienlijke macht op de markt bezitten of overeenkomstig artikel 5 zijn aangewezen en een aanzienlijke macht op de markt hebben, maatregelen nemen zoals onderbreking, beëindiging, aanzienlijke wijziging of beperking van de dienst op zijn minst ten aanzien van organisaties die telecommunicatienetwerken en/of diensten leveren.".
       Het interne recht zal moeten worden herzien teneinde rekening te houden met deze nieuwe bepaling van gemeenschapsrecht, die zeer binnenkort zal worden aangenomen.
       Overigens dienen in het eerste lid de woorden "is verplicht om... op de hoogte te brengen" te worden vervangen door de woorden "brengt... op de hoogte", overeenkomstig de formulering van artikel 3.
       - Artikel 5.
       1. In paragraaf 1 schrijve men : "De operator neemt de maatregelen die hij in zijn interconnectieovereenkomsten vermeldt teneinde de naleving van de essentiële eisen te garanderen,...".
       2. Vooraan in paragraaf 2 schrijve men "De operator" in plaats van "Hij".
       3. Paragraaf 3, waarin aan het Instituut de bevoegdheid wordt opgedragen de operator te machtigen zijn interconnectie met een derde te schorsen, strookt niet met de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
       Krachtens artikel 75, § 8, van die wet kan het Instituut immers alleen als bemiddelaar optreden in geval van geschillen tussen personen die telecommunicatienetwerken exploiteren of telecommunicatiediensten aanbieden.
       Overigens wordt in artikel 79ter, § 2, van dezelfde wet, aan de "Kamer voor Interconnectie, bijzondere toegang en gedeeld gebruik" de bevoegdheid toegekend een administratieve beslissing te nemen bij geschillen inzake interconnectie.
       Artikel 79ter, paragraaf 4, van de voormelde wet bepaalt dat "(de Kamer) in geval van een zware en onmiddellijke inbreuk op de voorschriften die de telecommunicatiesector regelen...(,) na de betrokken partijen te hebben gehoord(,) bewarende maatregelen (kan) opleggen met name met het oog op de garantie van de continuïteit van de werking van de telecommunicatiediensten".
       Ten slotte bepaalt artikel 109ter, § 5, van de voornoemde wet dat de betrokken partijen een overeenkomst betreffende de interconnectie sluiten. In principe staat het dan ook aan de partijen de voorwaarden te regelen waarop een interconnectie kan worden geschorst. De Koning kan weliswaar, ofwel op basis van artikel 87, § 2, tweede lid, k), ofwel op basis van artikel 109ter, § 5, van de wet clausules vaststellen die zeker in die interconnectieovereenkomsten moeten voorkomen. Hij kan dan ook eisen dat die overeenkomstenregels bevatten die gelden voor de schorsing van de interconnectie als die de goede werking van de dienst of de naleving van de "essentiële eisen" in het gedrang brengt.
       Het ontworpen artikel 5, § 3, behoort dan ook te worden opgesteld op basis van de wettelijke bepalingen waaraan hierboven herinnerd is en de vorm aan te nemen van een verplichting die de operator in de interconnectieovereenkomsten die hij met derden sluit, moet naleven.
       - Artikel 6.
       1. In paragraaf 1, tweede lid, hebben de woorden "of overeenkomstig de contractuele... bepalingen" tot gevolg dat de verplichting die in het eerste lid van dezelfde paragraaf vervat zit, zinloos wordt wanneer de operator zulk een sterke marktpositie heeft dat hij in staat is zijn contractuele voorwaarden aan de gebruikers op te dringen.
       2. De Europese Commissie heeft op de ontworpen paragraaf 3 de volgende commentaar gegeven :
       "L'article 6, paragraphe 3, du projet d'arrêté impose à tous les operateurs de téléphonie vocale la fourniture de la numérotation au clavier et, sur Bemande, de la facturation détaillée et de l'interdiction sélective des appels sortants. Aux termes de l'article 14, paragraphe 1er, de la directive amendant la directive 96/62/CE, files Etats Membres peuvent designer un ou plusieurs operateurs pour fournir ces compléments de service (...). Toutefois, l'imposition de telles obligations à tous les operateurs, y compris aux nouveaux entrants, pourraît être contraire au principe de proportionnalité.".
       De Raad van State merkt op dat aan die kritiek geen gevolg is gegeven.
       3. In paragraaf 4, eerste lid, worden aan de operator die als een organisatie met een sterke marktpositie is aangemerkt bijzondere verplichtingen opgelegd, maar het tweede lid stelt het Instituut in staat een afwijking toe te staan.
       Artikel 87 van de voormelde wet voorziet niet in de mogelijkheid om afwijkingen toe te staan van de door de Koning in het bestek vastgelegde algemene voorwaarden. A fortiori kan een subdelegatie in die zin aan het Instituut niet worden aanvaard.
       Deze opmerking geldt ook voor de artikelen 9, §§ 3 en 4, en 11, § 2, tweede lid.
       Bovendien is het tweede lid aldus gesteld dat de operator zelf zou moeten oordelen of voldaan is aan de voorwaarden die voor zulk een afwijking gelden.
       Artikel 6, paragraaf 4, tweede lid, dient dan ook te vervallen.
       - Afdeling 4.
       Het is niet raadzaam deze afdeling in twee onderafdelingen op te splitsen.
       - Artikel 8.
       Paragraaf 2 zou beter als volgt worden gesteld :
       "§ 2. De operator wiens dienst sedert 18 maanden of langer commercieel geopend is, deelt jaarlijks uiterlijk op 31 januari de waarden mee die tijdens het voorgaande jaar bereikt zijn voor de kwaliteitsindicatoren bedoeld in artikel 105sexies, § 4, van de wet.
       Het Instituut bepaalt de vorm van die mededelingen en zorgt voor de publicatie ervan.".
       - Artikel 9.
       De ontworpen paragraaf 5, eerste lid, strookt niet met artikel 43bis, § 3, 7°, van de voormelde wet, doordat hij in een andere procedure voorziet dan die welke deze wetsbepaling voorschrijft. Men dient zich aan de wetsbepaling te houden. Artikel 9, paragraaf 5, dient te vervallen.
       - Artikel 10.
       In paragraaf 2, tweede lid, schrijve men gewoon : "De overdraagbaarheid houdt een gemakkelijker toegang in tot de dienst,...".
       - Artikel 11.
       In paragraaf 1 moet men uiteraard de datum vermelden van het koninklijk besluit betreffende het beheer van het nummeringsplan dat voor of uiterlijk tegelijk met dit besluit moet worden bekendgemaakt.
       - Artikel 12.
       De Europese Commissie heeft in haar commentaar verscheidene opmerkingen gemaakt over de artikelen 12 en 13 van dit ontwerp. Die opmerkingen zijn de volgende :
       "Ces dispositions semblent conformes à celles de l'article 11 de la directive 97/13/CE. Toutefois, aux termes de l'article 11, paragraphe 1er, de cette directive, il est précisé, que "les taxes applicables à une licence individuelle sont proportionnelles au volume de travail requis (...)". En tout état de cause, les articles 12 et 31 du projet d'arrêté ne distinguent pas le cas des opérateurs puissants ou opérateurs soumis à une obligation de fourniture du service universel, lesquels sont néanmoins soumis à nombre d'obligations supplémentaires, dont le contrôle devrait occasionner une charge de travail supplémentaire. L'application effective de la disposition susmentionnée de la directive 97/13/CE devrait entraîner l'imposition de redevances d'un montant inférieur pour les opérateurs qui ne sont ni puissants, ni opérateurs de service universel. Des clarifications sur ce point seraient nécessaires.
       En outre, afin de refléter effectivement la charge de travail occasionnée par la gestion et le contrale de la licence concernée lors de la premiere année d'autorisation, des dispositions similaires à celles prévues à l'article 16, paragraphe 2, du projet d'arrêté royal (relatif) aux conditions d'installation et de l'exploitation de réseaux publics de télécommunications devraient être ajoutées, afin que le montant de la redevance annuelle prévue à l'article 12, paragraphe 2, de ce projet d'arrêté soit calculé, la première année, au pro rata temporis du nombre de mois restant dans l'année au cours de laquelle l'autorisation a été délivrée.
       Enfin, il devrait être précisé, à l'article 31 qu'une redevance pour l'analyse de la demande n'est pas due en cas de simple modification d'une licence déjà existante selon la procédure décrite à l'article 30 de ce projet d'arrêté. A cet égard, la référence, au second paragraphe de cet article, aux modifications destinées à satisfaire aux conditions fixées à l'article 107 de la Loi telle que modifiée par le projet de loi (organismes puissants sur le marché des lignes louées) ne semble pas d'application, et devrait, par conséquent, être supprimée. En outre, la disposition selon laquelle la redevance annuelle déjà payée ne peut pas être remboursée en cas de cessation des activités, suspension ou retrait de la licence, pourrait ne pas être conforme aux termes de l'article 11, paragraphe 1er, de la directive 97/13/CE.".
       Met die opmerkingen is geen rekening gehouden.
       - Artikel 13.
       1. Artikel 109ter van de voormelde wet van 21 maart 1991 (3) luidt als volgt :
       "De in de artikelen 87 en 89, § 1, bedoelde personen zijn verplicht de abonneegegevens beschikbaar te stellen aan personen die een telefoongids vervaardigen, verkopen of verspreiden en hieromtrent verzoeken, onder billijke, redelijke en niet-discriminerende, technische, financiële en commerciële voorwaarden. De prijs van die abonneegegevens moet op de kosten gebaseerd zijn.
       ( (3) Ingevoegd bij artikel 74 van de wet van l9 december 1997.)
       Die voorwaarden moeten vóór de publicatie ervan door het Instituut zijn goedgekeurd.".
       Het eerste lid van het onderzochte artikel 13 behoort dan ook als overbodig te vervallen.
       2. Het tweede lid behoort dienovereenkomstig te worden herschreven en voorts dient het koninklijk besluit houdende de voorwaarden tot vervaardiging, uitgave en verspreiding van de telefoongidsen (4) nader te worden bepaald door de datum ervan op te geven.
       ( (4) Over welk besluit de afdeling wetgeving van de Raad van State op 18 februari 1998 advies L. 27.310/4 heeft gegeven.)
       - Artikel 15.
       1. De redactie van paragraaf 1 is onbegrijpelijk, doordat niet is aangegeven waarvan de rechten en plichten inzake interconnectie afhangen. Bovendien heeft artikel 109ter, § 4, derde lid, waarnaar wordt verwezen, alleen betrekking op de organisaties met een sterke marktpositie.
       2. Uit een oogpunt van verzorgd taalgebruik behoort paragraaf 3 te worden herschreven. De operator kan immers niet toezien op het "koninklijk besluit dat genomen is krachtens artikel 109ter, § 5, van de wet", waarvan sprake is in het begin van deze paragraaf.
       3. In verband met paragraaf 4 geeft de Europese Commissie de volgende commentaar :
       "L'article 15, paragraphe 4, du projet d'arreté dispose que la licence "précise les droits et obligations en mattere d'interconnexion de l'opérateur, en tenant compte en particulier de la couverture de son service et les relations avec d'éventuels droits et obligations en mattere d'interconnexion liés à une autre autorisation". Cette disposition devra etre clarifiée. En tout état de cause, boute distinction opérée dolt 8tre basée sur des criteres objectifs et ne peut avoir d'effets discriminatoire.".
       Met die opmerking is geen rekening gehouden.
       - Artikel 17.
       Eveneens uit een oogpunt van verzorgd taalgebruik schrijve men "het contract gesloten tussen hem en die onderneming of die ondernemingen" in plaats van "het contract met die ondernemingen".
       - Artikel 18.
       Om zowel artikel 9, lid 4, van de voormelde richtlijn 97/13/EG als het algemene beginsel van de rechten van verdediging in acht te nemen, wordt voorgesteld de procedure als volgt aan te passen :
       1° Na de betrokken operator te hebben gehoord, maant het Instituut hem aan de vastgestelde tekortkomingen te herstellen binnen een termijn van één maand en stelt het hem in kennis van de boete die hem kan worden opgelegd indien hij de voorwaarden niet nakomt.
       2° Indien de operator na afloop van de termijn van één maand nog steeds in gebreke is, legt het Instituut, na hem te hebben gehoord, de aangekondigde sanctie op, voor het einde van de tweede maand die volgt op de eerste ingebrekestelling. Het Instituut stelt de operator in kennis van zijn beslissing binnen een termijn van één week te rekenen vanaf de beslissing.
       3° Indien de operator binnen de maand die volgt op de kennisgeving van de beslissing de tekortkomingen nog steeds niet heeft hersteld, kan het Instituut aan de minister voorstellen de vergunning te schorsen of in te trekken. Die schorsing of intrekking wordt uitgesproken door de minister, nadat hij de operator heeft gehoord.
       De in paragraaf 2 bepaalde mogelijkheid om bij de minister beroep aan te tekenen heeft geen zin. Het Instituut is immers een instelling van openbaar nut van categorie A, die door de minister vertegenwoordigd en beheerd wordt, zodat het hem toebehoort, behoudens delegatie, te beslissen om de in dit artikel bepaalde sancties op te leggen.
       Hij kan hoe dan ook niet de beroepsinstantie zijn die onafhankelijk is van de nationale regelgevende instantie, die genoemd wordt in artikel 9, lid 4, van de voormelde richtlijn 97/13/EG. De operatoren beschikken over de mogelijkheden van beroep waarin de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorzien.
       - Artikel 19.
       1. Gelet op artikel 9, lid 3, van de voormelde richtlijn 97/13/EG, krachtens hetwelk eenieder die aan de voorwaarden van het bestek voldoet, het recht (heeft) om een vergunning te ontvangen, behoren de woorden "met name" in het derde lid te vervallen.
       De weigering om de vergunning te verlengen, is een besluit met vergaande gevolgen voor de betrokkene, zodat hij op zijn minst in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn oordeel te geven.
       Tegen die beslissing kan bij de Raad van State beroep worden ingesteld.
       2. In het eerste lid zijn de woorden "die op basis van dit bestek wordt verleend" overbodig gezien de definitie die in artikel 1, 6°, wordt gegeven. Ze behoren dus te vervallen.
       3. In het derde lid dient het woord "gemotiveerde" te vervallen omdat het overbodig is, rekening houdende met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
       - Afdeling 15.
       De hoofdstukken IXter en X waarvan sprake is in het opschrift van die afdeling zijn vervat in Titel II van de wet van 21 maart 1991. Bijgevolg dient in dat opschrift "Titel II" in plaats van "Titel III" te worden geschreven.
       - Artikel 20.
       Paragraaf 1 houdt een regeling inzake aansprakelijkheid in en geen maatregel die de naleving waarborgt van de bepalingen van de hoofdstukken IXter en X van titel II van de bovengenoemde wet. Die bepaling behoort dan ook te vervallen.
       - Artikel 22.
       In paragraaf 1 behoort, om overeenstemming te bereiken met artikel 87, § 2, tweede lid, q), van de voormelde wet, geschreven te worden "het kosteloze versturen van oproepen naar de volgende noodoproepnummers : (die nummers dienen te worden vermeld met inachtneming van de volgorde van de natuurlijke getallen)" in plaats van "gratis toegang voor de gesprekken naar de hulpdiensten die aangegeven worden met de volgende oproepnummers :".
       - Artikel 23.
       Paragraaf 1 (die het eerste lid wordt) behoort als volgt te worden geredigeerd :
       "Art.... De operator wijst in zijn diensten een persoon aan die belast wordt met de betrekkingen met de ombudsdienst voor telecommunicatie.".
       - Artikel 24.
       In haar commentaar schrijft de Europese Commissie het volgende :
       "A la lecture de l'article 24 du présent projet d'arrêté relatif à la contribution de l'opérateur à la recherche scientifique dans le domaine des télécommunications et à l'amélioration de l'accès à certaines catégories aux services de télécommunications (PME et jeunes et groupes sociaux défavorisés), la Commission confirme que l'imposition de telles obligations n'est conforme ni à l'article 3 de la directive 90/388/CEE amendée par la directive 96/19/CE, ni à la directive 97/13/CE, qui ne prévoient pas de conditions de cette nature.".
       In de ontworpen bepaling wordt geen rekening gehouden met die opmerking van de Commissie.
       - Artikel 25.
       De Europese Commissie heeft de volgende commentaar gegeven bij het eerste lid van dat artikel :
       "L'article 25, 1er alinéa du projet d'arrêté subordonne l'obligation d'interconnexion avec un opérateur autorisé dans un autre Etat à une clause de réciprocité de traitement. Il est toutefois précisé que tout "refus de conclure un tel accord doit être préalablement approuvé par l'Institut". Une telle disposition semble contraire aux dispositions de l'article 6 de la directive 97/33/CE qui interdit toute discrimination pour ce qui est de l'interconnexion avec un opérateur autorisé dans un autre Etat membre. Le même principe de non-discrimination devrait, en principe, être appliqué aux opérateurs en provenance d'Etats tiers signataires des accords de l'OMC....".
       Voor het overige wordt in het ontwerp niets toegevoegd aan het bepaalde in artikel 109ter, § 6, van de wet van 21 maart 1991.
       Die bepaling behoort dan ook te vervallen.
       - Artikel 26.
       Uit een oogpunt van verzorgd taalgebruik behoort in de Franse tekst te worden geschreven "doit obtenir une autorisation" in plaats van "doit avoir une autorisation".
       - Artikel 27.
       1. In paragraaf 1 zijn de woorden "behoudens andere internationale overeenkomsten" dubbelzinnig. Ze behoren te worden vervangen door de woorden "of in een Staat waarmee België te dien einde een internationale overeenkomst heeft gesloten.".
       2. De tweede zin van paragraaf 2 behoort als volgt te worden herschreven : "... ondertekend zijn door de persoon die de dienst wenst te exploiteren of door de persoon die handelt in diens naam". Indien het de bedoeling van de steller van de ontworpen tekst is het als bijlage bij het ontworpen besluit gevoegde model op te leggen voor het indienen van een aanvraag om individuele vergunning, moet die bedoeling in die paragraaf worden aangegeven (5).
       ( (5) Zie trouwens in dit verband het eerste lid van de ontworpen bijlage.)
       3. In haar commentaar op artikel 27, § 3, van het ontwerp van besluit merkt de Europese Commissie op dat het aantal (aan de operatoren) gevraagde inlichtingen en de details ervan niet afgestemd lijken op het beoogde doel en acht ze het nuttig eraan te herinneren dat in artikel 9, lid 3, van richtlijn 97/13/EG uitsluitend sprake is van "de informatie die redelijkerwijs nodig is om aan te tonen dat de aanvrager voldoet aan de voorwaarden".
       Een andere vaststelling : in paragraaf 3, tweede lid, wordt bepaald dat indien het Instituut van oordeel is dat de aanvraag onvolledig is of indien het bijkomende inlichtingen of verduidelijkingen wenst en de aanvrager zijn aanvraag niet heeft aangepast binnen dertig dagen, die aanvraag "als onbestaande wordt beschouwd" (6), terwijl in artikel 9, lid 3, van de voormelde richtlijn 97/13/EG wordt bepaald dat indien de aanvrager niet de informatie verstrekt die redelijkerwijs nodig is om aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden, de vergunning geweigerd mag worden.
       ( (6) Zonder dat trouwens wordt gepreciseerd door wie en volgens welke procedure die aanvraag aldus als niet bestaande zou worden beschouwd.)
       Al is het denkbaar dat de vergunning geweigerd wordt indien de aanvraag onvolledig is, ondanks een verzoek om ze aan te vullen, kan daarentegen niet worden aangenomen dat de aanvraag als niet bestaande wordt beschouwd om de eenvoudige reden dat de bijkomende informatie die het Instituut heeft gevraagd, niet verstrekt zou zijn. Indien de aanvraag volledig is, mag de vergunning alleen geweigerd worden indien niet voldaan is aan een van de voorwaarden voor de toekenning van de vergunning.
       In ieder geval mag de vergunning dan ook alleen geweigerd worden na afloop van een procedure die de aanvrager in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt te doen gelden.
       - Artikel 28.
       1. De Commissie heeft in haar commentaar opgemerkt dat de termijn voor de behandeling van de aanvragen (maximaal zes weken, behoudens objectief gerechtvaardigde gevallen, waarin die mag worden verlengd met vier maanden) welke termijn bepaald is in artikel 9, lid 2, van de voormelde richtlijn 97/13/EG, niet wordt nageleefd.
       2. Bovendien is paragraaf 4, waarin wordt bepaald dat het ontwerp van individuele vergunning in werking treedt indien de minister geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van dertig dagen, in strijd met artikel 87 van de wet van 21 maart 1991, volgens hetwelk de vergunning wordt verleend door de minister, wat een stilzwijgende vergunning uitsluit.
       3. In de paragrafen 1, 3 en 4, ten slotte, dienen de woorden "ten hoogste" als overbodig te vervallen.
       - Artikel 29.
       De Europese Commissie geeft de volgende commentaar op die bepaling :
       "Aux termes de l'article 29 du projet d'arrêté, cette licence peut être refusée "dans la mesure requise par la sauvegarde de l'ordre public, les besoins de la défense ou de la sécurité publique, la sauvegarde d'une structure de marché non faussée et d'accès non discriminatoire des utilisateurs ou lorsque le demandeur n'a pas la capacité, technique ou financiere de faire face durablement aux obligations résultant des conditions d'exercice de son activité ou a fait l'objet d'une des sanctions visées à l'article 18, § 3, du présent arreté.
       En outre, il est précisé dans l'annexe que "l'absence de propositions d'un demandeur pour un des sujets abordés dans la présente annexe (...) peut constituer un motif de refus".
       En ce qui concerne la condition liée à la sauvegarde de la structure de marché, il semble utile de rappeler, de facon liminaire, que conformément aux dispositions de la directive 90/388/CEE et de la directive 97/13/CE, le nombre de licences pour une catégorie de services donnée ne peut être limité qu'en liaison avec les exigences essentielles applicables dans la mesure nécessaire pour garantir une utilisation efficace du spectre des fréquences. A cet égard, il semble nécessaire de souligner qu'en aucun cas "la sauvegarde d'une structure de marché non faussée et d'accès non discriminatoire des utilisateurs" ne sauraient permettre au régulateur de limiter, de facto, le nombre des opérateurs de téléphonie vocale. Ce critère devrait donc etre abandonné, dans la version finale de l'arreté.
       En ce qui concerne le critere relatif à la capacité de l'opérateur de faire face durablement à ses obligations, si l'imposition d'exigences "touchant notamment aux capacités financieres et techniques du candidat" est possible conformément au point 4.8 de l'annexe de la directive 97/13/CE, le point 4 de la même annexe précise que de telles exigences ne peuvent être imposées que "dans les cas justifiés et dans le respect du principe de proportionnalité". En tout état de cause, un tel critère ne devrait pas être appliqué de telle sorte qu'il conduise à écarter des opérateurs nouveaux entrants de petite taille notamment en imposant des obligations disproportionnées. L'application de ce critere devrait par conséquent être précisée.
       Enfin, en ce qui concerne la possibilité de refuser une licence au motif que le candidat n'a pas fait de propositions sur certains des sujets abordés à l'annexe du projet d'arrêté, un tel refus ne devrait, le cas échéant, n'être opposé au candidat qu'à l'issue de la procédure décrite à l'article 27 paragraphe 2.".
       Er is evenmin rekening gehouden met die opmerking.
       - Artikel 30.
       Paragraaf 1 is onbegrijpelijk. Het is de Raad van State niet duidelijk wat het verschil is tussen wijzigingen die in een vergunning worden aangebracht en de aanpassing van die vergunning.
       - Artikel 31.
       De laatste zin van dit artikel behoort te vervallen. In die zin wordt niets toegevoegd aan het in de eerste zin vervatte voorschrift. In die eerste zin wordt immers reeds bepaald dat voor het "onderzoek" van het dossier een recht dient te worden betaald.
       - Artikel 32.
       De verwijzingen naar de artikelen 28 en 29 zijn onjuist. Er dient te worden verwezen naar respectievelijk artikel 27, § 3, eerste lid, 1°, 3°, 4°, 5° en artikel 28.
       Er dient te worden opgemerkt dat voor het onderzoek van een aanvraag om overdracht geen recht hoeft te worden betaald, hoewel dat onderzoek voor het Instituut normalerwijze een bijkomende werklast betekent. Indien dat wel degelijk de bedoeling is van de steller van het ontwerp, moet dat verschil in behandeling ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel gerechtvaardigd worden.
       - Artikel 34.
       In de Franse tekst dient te worden geschreven "le jour de sa publication au Moniteur belge" in plaats van "au jour de sa publication au Moniteur".
       - Bijlage.
       De Europese Commissie geeft de volgende commentaar :
       "L'annexe de ce projet d'arrêté doit dès lors être revue à la lumière de l'article 9, paragraphe 3, de la directive 97/13/CE et les informations demandées limitées à celles strictement nécessaires pour s'assurer du respect par le demandeur des conditions d'autorisation. Demander des informations relatives aux "implications stratégiques, économiques et financières pour chacun des associés ou futurs associés de la société ou de la future société" (point 2.1), à "la prévision de l'évolution du marché belge de la téléphonie vocale et des parts de marché des différents opérateurs" (point 3.1.1), aux "prévisions concernant l'usage de la téléphonie vocale en Belgique" (point 3.1.2), à l'élasticité, de la demande (point 3.1.3), à l'évolution du marché, (point 4.3.2), à l'impact sur l'emploi en Belgique point 6.1.2), et aux activités de marketing (point 6.2.1) n'est aucunement requis pour une telle appréciation. En outre, demander des prévisions sur quinze ans (point 0.6), notamment en ce qui concerne l'état du marché et les comptes prévisionnels de l'opérateur est un exercice sans intéret, puisque de telles prévisions ne sauraient avoir de sens sur une telle période.
       Enfin, l'obligation relative au format des informations demandées devrait etre assouplie afin de ne pas retarder, sans raison impérative, l'introduction de demandes d'autorisation par de nouveaux entrants.".
       Bij het opstellen van dit ontwerp is evenmin rekening gehouden met die opmerking van de Europese Commissie als met de vorige opmerkingen.
       Slotopmerkingen.
       De redactie van de Franse tekst dient aanzienlijk te worden verbeterd uit een oogpunt van correct taalgebruik en met het oog op een vlotte stijl, alsmede om de wetgevingstechnische regels in acht te nemen die bekendgemaakt zijn in het Belgisch Staatsblad van 2 juni 1982.
       Deze opmerking geldt ook voor de Nederlandse tekst, die uit een oogpunt van correct taalgebruik eveneens voor verbetering vatbaar is.
       Er behoort inzonderheid op te worden toegezien dat de volgende regels in acht worden genomen :
       1. In de Franse tekst dient "Article 1er" te worden geschreven met een rangtelwoord in Arabische cijfers, in plaats van "Article Ier".
       2. Een artikel mag alleen in paragrafen worden ingedeeld als minstens een van die paragrafen meer dan één lid bevat.
       3. Voor de indeling van een volzin behoort een nummering met 1°, 2°, 3°, enz., te worden gebruikt; deze onderafdelingen kunnen desnoods verder worden ingedeeld in a), b), c), enz.
       4. Na ieder onderdeel van een opsomming, behoort een puntkomma te worden geplaatst, behalve na het laatste, dat wordt afgesloten met een punt.
       5. De getallen moeten voluit in letters geschreven worden, behalve wat de noodoproepnummers betreft, in welk geval dit om dwingende redenen niet mag.
       6. Aan het slot van de bijlage bij een besluit dient de vermelding "Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van..." voor te komen, gevolgd door handtekeningen.
       De kamer was samengesteld uit :
       De heren :
       R. Andersen, kamervoorzitter;
       C. Wettinck en P. Lienardy, staatsraden;
       F. Delperée en J.-M. Favresse, assessoren van de afdeling wetgeving;
       Mevr. M. Proost, griffier.
       Het verslag werd uitgebracht door de heer L. Detroux, adjunct-auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer C. Amelynck, adjunct-referendaris.
       De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer R. Andersen.
       De griffier,
       M. Proost.
       De voorzitter,
       R. Andersen.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
    Franstalige versie