J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 149 uitvoeringbesluiten 29 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/ordonnantie/1997/06/05/1997031238/justel

Titel
5 JUNI 1997. - Ordonnantie betreffende de milieuvergunningen.
(NOTA : art. 79 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij ORD 2016-06-23/15, art. 2; Inwerkingtreding : onbepaald, van kracht bij de volgende hernieuwing van minstens drie volledige mandaten in het Milieucollege)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-06-1997 en tekstbijwerking tot 13-07-2017) Zie wijziging(en)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 26-06-1997 nummer :   1997031238 bladzijde : 17055   BEELD
Dossiernummer : 1997-06-05/33
Inwerkingtreding : 06-07-1997

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Definities en algemene bepalingen.
Art. 1-7bis., 7ter, 8-9
TITEL II. - Indiening en onderzoek van de aanvragen om een milieu-attest en een milieuvergunning.
HOOFDSTUK I. - Bepalingen die gelden voor alle inrichtingen of voor verschillende klassen van inrichtingen.
Afdeling 1. - Aanvragen om een milieu-attest en een milieuvergunning.
Art. 10-13, 13bis, 13ter
Afdeling 2. - Vergunningen en attesten aangevraagd door een publiekrechtelijke rechtspersoon of betreffende inrichtingen van openbaar nut.
Art. 14-17
HOOFDSTUK II. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.A.
Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.
Art. 18-20
Afdeling 2. - Bestek van de effectenstudie.
Art. 21-25
Afdeling 3. - De effectenstudie.
Art. 26-29
Afdeling 4. - Speciale regelen van openbaarmaking.
Art. 30-31
Afdeling 4bis. - <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 5; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Informatieverspreiding voor de omwonenden van Seveso-bedrijven.
Art. 31bis
Afdeling 5. - Afgifte van het attest of de vergunning.
Onderafdeling 1. - Afgifte van het milieu-attest of van de milieuvergunning zonder voorafgaand attest.
Art. 32
Onderafdeling 2. - Afgifte van de milieuvergunning na de toekenning van het milieu-attest.
Art. 33-36
HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.B.
Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.
Art. 37-39
Afdeling 2. - Speciale regelen van openbaarmaking.
Art. 40-42
Afdeling 3. - Afgifte van het milieu-attest of van de milieuvergunning zonder voorafgaand attest.
Art. 43
Afdeling 4. - Aanvraag om een milieuvergunning ingevolge de toekenning van een milieu-attest.
Art. 44-47
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse II [1 , van klasse ID]1 en de tijdelijke inrichtingen.
Afdeling 1. - Indiening en onderzoek van de aanvragen betreffende de inrichtingen van klasse II.
Art. 48-51
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de tijdelijke inrichtingen [1 en de inrichtingen van klasse ID.]1
Art. 52-53, 53bis
HOOFDSTUK V. - Rechtsgeldigheid van de beslissingen en de voorwaarden voor de afgifte van milieu-attesten en milieuvergunningen.
Art. 54-65
TITEL III. - Activiteiten onderworpen aan voorafgaande aangifte.
Art. 66-69
TITEL IV. - Personen onderworpen aan de erkenning.
HOOFDSTUK I. - Indiening van de aanvraag.
Art. 70-71
HOOFDSTUK II. - Onderzoek van de aanvraag.
Art. 72-73
HOOFDSTUK III. - Inhoud van de erkenning.
Art. 74-76, 76bis, 77-78
TITEL IVbis. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> - Personen onderworpen aan registratie.
Art. 78/1, 78/2, 78/3, 78/4, 78/5, 78/6, 78/7
TITEL V. - De administratieve rechtsmiddelen.
Art. 79-84
TITEL VI. - Openbaarmaking van de beslissingen.
Art. 85-87
TITEL VII. - Toezicht, dwang- en strafmaatregelen.
Art. 88-99
TITEL VIII. - Slotbepalingen.
Art. 100-104
BIJLAGE
Art. N1

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Definities en algemene bepalingen.

  Artikel 1. Grondwettelijke machtiging.
  Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

  Art. 2. Doelstellingen.
  (Deze ordonnantie strekt ertoe een rationeel energiegebruik te waarborgen, evenals de bescherming tegen elke vorm van gevaar, hinder of ongemak die een inrichting of een activiteit rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen veroorzaken aan het leefmilieu, de gezondheid of de veiligheid van de bevolking, met inbegrip van elke persoon die zich binnen de ruimte van een inrichting bevindt, zonder er als werknemer beschermd te kunnen zijn.) <ORD 2007-06-07/70, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 02-07-2008>

  Art. 3.Definities.
  Voor de toepassing van deze ordonnantie, verstaat men onder :
  1° inrichting : elke inrichting die door een natuurlijke persoon of door een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon wordt uitgebaat en waarvan de activiteit in een klasse is ondergebracht;
  2° tijdelijke inrichting : elke inrichting die niet langer uitgebaat wordt dan :
  a) (drie jaar, wanneer het gaat over een inrichting die nodig is voor een werf voor asbestverwijdering); <ORD 2007-07-19/65, art. 2, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  b) drie maanden, in de andere gevallen,
  en waarvan de gevaren, de hinder of de nadelen beperkt zijn tot de duur van de vergunning;
  3° mobiele inrichting : een inrichting die gemakkelijk verplaatsbaar is om op verschillende sites te worden uitgebaat;
  4° uitbating : de vestiging, de indienststelling, de instandhouding, het gebruik of het onderhoud van een inrichting, alsook elke vorm van emissie afkomstig van een inrichting;
  5° project : de inrichting waarvoor een aangifte, een aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning wordt ingediend;
  6° gemengd project : een project waarvoor op het ogenblik van de indiening ervan tegelijkertijd een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.A of I.B en een stedenbouwkundige vergunning nodig is;
  7° dossier :
  a) de aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning (, de aangifte) en de aanvullingen die in de loop van het onderzoek van de aanvraag door de aanvrager zijn aangebracht; <ORD 2007-07-19/65, art. 2, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  b) alle stukken die door het bestuur naar aanleiding van het onderzoek van de aanvraag worden opgesteld;
  8° aanvrager : de natuurlijke persoon of de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die een milieu-attest of milieuvergunning aanvraagt (of een aangifte verricht); <ORD 2007-07-19/65, art. 2, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  9° uitbater : elke persoon die een inrichting uitbaat of voor wiens rekening een inrichting wordt uitgebaat;
  10° Instituut : Brussels Instituut voor Milieubeheer;
  11° bevoegde overheid : de overheid die gemachtigd is om een milieu-attest of milieuvergunning uit te reiken (of een aangifte te ontvangen); <ORD 2007-07-19/65, art. 2, 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  12° Overlegcommissie : de territoriaal bevoegde commissie opgericht bij (artikel 9 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening); <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  13° openbaar onderzoek : de maatregelen waarvan de nadere regels vastgesteld zijn in (artikel 6 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening); <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  14° speciale regelen van openbaarmaking : de procedure bepaald (in de artikelen 150 en 151 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening); <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  15° effecten van een project : de rechtstreekse en indirecte, tijdelijke, toevallige en permanente effecten op korte en lange termijn van een project op :
  a) de mens, de fauna en de flora;
  b) (de bodem, het water, de lucht, het klimaat, het energieverbruik, de geluidsomgeving en het landschap;) <ORD 2007-06-07/70, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 02-07-2008>
  c) de stedenbouw en het onroerend erfgoed;
  d) de globale mobiliteit;
  e) het sociale en economische vlak;
  f) de wisselwerking tussen deze factoren;
  16° definitieve beslissing : een beslissing is definitief wanneer alle in deze ordonnantie of in (het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening) voorziene administratieve beroepen of termijnen om ze in te stellen zijn uitgeput. <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  17° (" emissierecht ", het recht om in de loop van de opgegeven periode een ton kooldioxide-equivalent uit te stoten, dat enkel geldig is voor de naleving van de eisen van de ordonnantie van tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, en dat overdraagbaar is volgens de bepalingen van deze zelfde ordonnantie.) <ORD 2008-01-31/31, art. 25, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  18° (" vergunning voor broeikasgasemissies " : deel van de milieuvergunning dat de houder ervan uitdrukkelijk toelating geeft tot het uitstoten van gespecificeerde broeikasgassen op de betreffende inrichting, onder de voorwaarden van de ordonnantie van tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, en dit voor een maximumduur van vijf jaar, die verlengd kan worden, maar die niet langer kan zijn dan de geldigheidsduur van de milieuvergunning.) <ORD 2008-01-31/31, art. 25, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  (19° publiek : een of meerdere natuurlijke of rechtspersonen en de verenigingen, organisaties of groepen die samengesteld zijn uit deze personen;
  20° betrokken publiek : het publiek dat de gevolgen ondervindt of zou kunnen ondervinden van een project, of dat belanghebbende is bij een beroep in de zin van de artikelen 80 en 81. Voor het doel van deze defi nitie, wordt de vereniging die ten gunste van milieubescherming werkt op het grondgebied van het Gewest geacht belang te hebben bij het indienen van een beroep, op voorwaarde dat :
  a) de vereniging een VZW is;
  b) de VZW reeds bestaat op het ogenblik dat het aanvraagdossier voor de in het kader van het beroep betwiste milieuvergunning wordt ingediend;
  c) het statutaire doel van de VZW de bescherming van het leefmilieu is;
  d) het geschade belang dat in het beroep ingeroepen wordt, past in het kader van het statutair doel van de VZW zoals dat omschreven is op de datum van de indiening van het dossier.) <ORD 2008-07-10/41, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  [1 21° " beste beschikbare technieken " : het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatie-methoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden te vormen, is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dat niet mogelijk blijkt, algemeen te beperken. Onder :
   a) " technieken " : wordt verstaan : zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
   b) " beschikbare " : wordt verstaan : op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van de betrokken lidstaat worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant onder redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;
   c) " beste " : wordt verstaan : de meest doeltreffende technieken voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.
   Bij de bepaling van de beste beschikbare technieken moeten de in bijlage 1 vermelde punten speciaal in aanmerking worden genomen.]1
  ----------
  (1)<ORD 2012-06-14/02, art. 66, 022; Inwerkingtreding : 07-07-2012>

  Art. 4.Klassen van inrichtingen.
  De inrichtingen worden in [2 zes]2 klassen ingedeeld naargelang de aard en de omvang van het gevaar en de hinder die zij zouden kunnen veroorzaken : (de klassen I.A, I.B, II, I.C [2 , ID]2 en III). <ORD 2007-07-19/65, art. 3, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  De lijst der inrichtingen van klasse I.A wordt vastgelegd bij wege van ordonnantie.
  De lijst van de inrichtingen van de klassen I.B, II [, I.C] [2 , ID]2 en III wordt door de Regering vastgelegd. <ORD 2007-07-19/65, art. 3, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [1 De lijst van de inrichtingen van klasse I.B, II, IC [2 , ID]2 en III wordt vastgelegd rekening houdend met hun aard, hun afmetingen of hun ligging evenals met de volgende relevante selectiecriteria :
   1° Kenmerken van de inrichtingen. Deze kenmerken worden beschouwd ten opzichte van :
   a) de afmetingen van de inrichting;
   b) de samenvoeging met andere inrichtingen;
   c) het gebruik van natuurlijke rijkdommen;
   d) de productie van afval;
   e) verontreiniging en hinder;
   f) ongevalrisico's, ten opzichte van gebruikte stoffen of technologie.
   2° Ligging van de inrichtingen. De milieugevoeligheid van de geografische zones die door de inrichtingen geraakt kunnen worden moet in beschouwing worden genomen rekening houdend met :
   a) het bestaande grondgebruik;
   b) de betrekkelijke rijkdom, de kwaliteit en de capaciteit van herstel van de natuurlijke rijkdommen van de zone;
   c) de belastingscapaciteit van de natuurlijke omgeving, met bijzondere aandacht voor volgende zones :
   - vochtige zones;
   - kustzones;
   - berg- en woudzones;
   - natuurreservaten en natuurparken;
   - zones die ingedeeld of beschermd zijn door de wetgeving en de reglementering in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   - bijzondere beschermingszones aangewezen door de wetgeving en de reglementering van toepassing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   - zones waarin de door de wetgeving van de Gemeenschap milieukwaliteits-normen al overschreden zijn;
   - zones met hoge bevolkingsdichtheid;
   - historisch, cultureel en archeologisch waardevolle landschappen.
   3° Kenmerken van de potentiële impact. De aanzienlijke effecten die een inrichting zou kunnen hebben dienen beschouwd te worden aan de hand van de bij 1° en 2° opgesomde criteria, meer bepaald ten opzichte van :
   - de omvang van de impact (geografische zone en omvang van de geraakte bevolking);
   - de grensoverschrijdende aard van de impact;
   - de omvang en de complexiteit van de impact;
   - de probabiliteit van de impact;
   - de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van de impact.]1
  Onverwijld, wordt het ontwerp van besluit aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad door de Regering overgezonden. Het advies van de Raad voor het leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt hier bijgevoegd.
  ----------
  (1)<BESL 2010-06-17/03, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 09-07-2010>
  (2)<ORD 2014-04-03/16, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 5. Bevoegde ambtenaren.
  De Regering stelt de leidinggevende ambtenaren van het Instituut aan die gemachtigd zijn de milieu-attesten en milieuvergunningen af te geven (of de aangiften te ontvangen en de uitbatingsvoorwaarden voorzien in artikel 68 voor te schrijven). <ORD 2007-07-19/65, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>

  Art. 6.Uitbatingsvoorwaarden.
  § 1. De Regering stelt elke bepaling vast die van toepassing is op elke inrichting of categorie van inrichtingen, om de bescherming van het leefmilieu, de gezondheid of de veiligheid, overeenkomstig artikel 2, te waarborgen.
  Hiertoe kan zij :
  1° een categorie van bepaalde inrichtingen of bepaalde aspecten van een categorie van inrichtingen verbieden;
  2° alle reglementeringen of algemene voorwaarden vaststellen betreffende de uitbating van inrichtingen.
  3° (broeikasgasemissierechten vaststellen die zij bepaalt in het toewijzingsplan.) <ORD 2008-01-31/31, art. 26, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  [1 Bij de vaststelling door de Regering van algemene bindende voorwaarden of voorschriften moeten deze :
   1° zorgen voor een geïntegreerde aanpak en een hoog niveau van bescherming van het milieu dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door middel van milieuvergunningen kan worden bereikt
   2° gebaseerd zijn op de beste beschikbare technieken, zonder dat het gebruik van een techniek of een specifieke technologie wordt voorgeschreven;
   3° gelijke tred houden met de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken.]1
  § 2. Vóór de inschrijving van een inrichting in klasse (I.C of) III, kan de Regering de algemene uitbatingsvoorwaarden van (deze categorieën) van inrichtingen bepalen overeenkomstig paragraaf 1, 2°. <ORD 2007-07-19/65, art. 5, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (De bevoegde overheid), die een voorafgaande aangifte ontvangt, kan tevens bijzondere uitbatingsvoorwaarden opleggen, rekening houdende met de bijzondere eigenschappen en de omgeving van een bepaalde inrichting en overeenkomstig artikel 68. <ORD 2007-07-19/65, art. 5, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  ----------
  (1)<BESL 2013-11-21/12, art. 74, 025; Inwerkingtreding : 19-12-2013>

  Art. 7.Handelingen onderworpen aan een vergunning en een aangifte.
  § 1. De volgende handelingen zijn onderworpen aan een milieuvergunning wanneer ze betrekking hebben op de inrichtingen van [3 klasse IA, IB, ID en II]3 :
  1° de uitbating van een inrichting;
  2° de verplaatsing van een inrichting;
  3° het opstarten van een inrichting waarvan de vergunning niet binnen de overeenkomstig artikel 59 voorgeschreven termijn werd gebruikt;
  4° het heropstarten van een inrichting waarvan de uitbating gedurende twee opeenvolgende jaren werd onderbroken;
  5° het voortzetten van de uitbating van een inrichting waarvan de vergunning is vervallen;
  6° het voortzetten van de uitbating van een niet aan een vergunning onderworpen inrichting die thans in een klasse is opgenomen.
  De krachtens het eerste lid, 6° vereiste vergunning voor de exploitatie van een inrichting moet uiterlijk binnen zes maanden na de inwerkingtreding van het besluit tot indeling van de inrichting aangevraagd worden. De uitbating kan gedurende die termijn zonder vergunning voortgezet worden tot de beslissing over de vergunningsaanvraag ter kennis wordt gebracht.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. De volgende handelingen worden onderworpen aan een voorafgaande aangifte wanneer zij inrichtingen betreffen van klasse (I.C of) III : <ORD 2007-07-19/65, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  1° de uitbating van een inrichting;
  2° de verplaatsing van een inrichting;
  3° het heropstarten van een inrichting waarvan de uitbating gedurende twee opeenvolgende jaren werd onderbroken;
  4° het voortzetten van de uitbating van een niet aan een aangifte onderworpen inrichting die thans is opgenomen in de lijst; de aangifte, die in dit geval is vereist, moet uiterlijk binnen zes maanden na inwerkingtreding van het besluit tot indeling van de inrichting in een klasse worden verstuurd; de uitbating kan zonder voorafgaande aangifte gedurende deze termijn worden voortgezet;
  5° de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting die aan een aangifte is onderworpen voor zover zij niet tot gevolg heeft dat de inrichting in een hogere klasse moet worden ondergebracht;
  6° het heropstarten van de uitbating van een vernielde inrichting of een inrichting die tijdelijk buiten gebruik werd gesteld.
  [2 § 4. Het beheerplan aangenomen door de Regering overeenkomstig artikelen 29, 32, 37 of 50 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud geldt als milieuvergunning of aangifte voor de installaties die het plan identificeert, noodzakelijk voor de handelingen voorzien in artikelen 29 § 1, lid 5, 3° of 49, lid 2, 9° van dezelfde ordonnantie]2
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2012-03-01/15, art. 108, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (3)<ORD 2014-04-03/16, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 7bis. [1 Wijziging van de vergunning.
   § 1. Vóór elke verbouwing of uitbreiding van een inrichting waarvoor een milieuvergunning afgeleverd is, of van meerdere inrichtingen die al dan niet een technische en geografische uitbatingseenheid vormen waarvoor een milieuvergunning afgeleverd is, of vóór elke heropstart van een vernielde inrichting of een inrichting die tijdelijk wegens uitbatingsredenen buiten gebruik gesteld is, maakt de uitbater zijn voornemen per aangetekende brief [2 of per drager]2 kenbaar :
   1° aan het college van burgemeester en schepenen, indien de vergunning en de verbouwing of uitbreiding betrekking hebben op een of meerdere inrichtingen van klasse II of van klasse III, met uitsluiting van de vergunningen bedoeld in artikel 14;
   2° aan het Instituut in alle andere gevallen.
   De verbouwing bestaat uit de wijziging van een van de elementen die vervat zijn in de vergunningsaanvraag, met uitzondering van de elementen bedoeld in artikel 10, 1° of 2°.
   De uitbreiding bestaat uit de toevoeging van een of meerdere ingedeelde inrichtingen.
   De uitbreiding of de verbouwing heeft betrekking op inrichtingen die toegestaan zijn vóór of na hun ingebruikname.
  [2 Zodra de bevoegde overheid de aanvraag van de wijziging van de vergunning ontvangt per aangetekende brief of per drager geeft zij een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]2
   § 2. De in § 1 bedoelde overheid beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf die kennisgeving om te beslissen of er een vergunningsaanvraag ingediend moet worden, of de vergunningsvoorwaarden gewijzigd moeten worden, dan wel of de uitbater kan overgaan tot de verbouwing, de uitbreiding of de heropstart van de uitbating.
   Indien de uitbater binnen de in het eerste lid gestelde termijn geen dergelijke beslissing ontvangen heeft, mag de uitbater tot de verbouwing, de uitbreiding of de heropstart overgaan.
   In afwijking op het tweede lid, als de verbouwing, de uitbreiding of de heropstart op zich betrekking heeft op de opstart van een of meerdere inrichtingen van klasse IA of IB, bij het uitblijven van een beslissing in de tijdspanne voorzien in het eerste lid, moet een milieuvergunningsaanvraag ingediend worden.
   § 3. De in § 1 bedoelde overheid legt de indiening van een vergunningsaanvraag op indien de verbouwing of de uitbreiding leidt tot de toepassing van een rubriek van een hogere klasse in vergelijking met de klasse van de initiële vergunning of van dien aard is dat ze de hinder of de ongemakken die uit de uitbating van de vergunde inrichting(en) voortvloeien ernstig vergroot.
   De in § 1 bedoelde overheid legt de indiening van een vergunningsaanvraag op indien de vernietiging of het buiten gebruik stellen van de vergunde inrichting het gevolg is van gevaren, hinder of ongemakken die voortvloeien uit de uitbating en waarmee geen rekening is gehouden bij de aflevering van de oorspronkelijke vergunning.
   De vergunning wordt afgeleverd door :
   1° het college van burgemeester en schepenen, indien de vergunning die de uitbater wenst te wijzigen en de verbouwing of de uitbreiding betrekking hebben op inrichtingen van klasse II of van klasse III, met uitsluiting van de vergunningen bedoeld in artikel 14;
   2° het Instituut in alle andere gevallen.
   § 4. De in § 1 bedoelde overheid beslist dat de uitbatingsvoorwaarden van de vergunning gewijzigd moeten worden indien de verbouwing, de uitbreiding of de heropstart van dien aard is dat ze de hinder of de ongemakken die uit de uitbating van de vergunde inrichting voortvloeien niet ernstig vergroot.
   De in § 1 bedoelde overheid beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf de in § 2 bedoelde beslissing om de uitbatingsvoorwaarden van de vergunning te wijzigen, in overeenstemming met artikel 64. De termijn van 30 dagen wordt met 20 dagen verlengd wanneer krachtens artikel 64 een openbaar onderzoek opgelegd wordt.
   Indien de wijziging van de uitbatingsvoorwaarden niet aan de uitbater bekendgemaakt werd, dan mag hij de verbouwing, de uitbreiding of de heropstart alleen volgens de voorwaarden die vervat zijn in de oorspronkelijke vergunning uitvoeren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2009-03-26/10, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2011-02-03/01, art. 12, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 7ter [1 Splitsing van de milieuvergunning.
   De splitsing van een milieuvergunning is de handeling waarbij een vergunning die meerdere inrichtingen dekt, wordt gesplitst in twee of meer vergunningen die elk een of meerdere verschillende inrichtingen dekken.
   Vóór elke splitsing van een milieuvergunning maakt de uitbater per aangetekende brief [2 of per drager]2 aan de bevoegde overheid zijn voornemen bekend en preciseert hij de inrichtingen die na de splitsing door elk van de toekomstige vergunninghouders uitgebaat zullen worden.
  [2 Zodra de bevoegde overheid de splitsingsaanvraag ontvangt per aangetekende brief of per drager geeft zij een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]2
   De bevoegde overheid staat deze splitsing toe indien zij vaststelt dat de eenheden van inrichtingen die uit de splitsing voortvloeien, verschillende technische en geografische uitbatingseenheden als dusdanig vormen.
   De bevoegde overheid beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf de in het tweede lid bedoelde kennisgeving om de splitsing toe te staan of te weigeren. Indien de uitbater binnen deze termijn geen beslissing ontvangen heeft, dan stuurt hij een herinnering aan de overheid. Die beschikt over een nieuwe termijn van 30 dagen vanaf de kennisgeving van de herinnering om de splitsing toe te staan of te weigeren. Na deze termijn wordt de splitsing geacht geweigerd te zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2009-03-26/10, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2011-02-03/01, art. 13, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 8. Milieu-attest.
  Een milieu-attest kan worden aangevraagd voor de inrichtingen van klasse I.A en I.B. Het houdt geen vrijstelling in van het verkrijgen van de milieuvergunning.
  Onder voorbehoud van de resultaten van het grondige onderzoek dat zou plaatsvinden indien een dergelijke vergunningsaanvraag zou worden ingediend, bepaalt het milieu-attest in hoeverre en onder welke voorwaarden een milieuvergunning voor de in de aanvraag bedoelde inrichting mag worden afgegeven. De in het milieu-attest gestelde voorwaarden zijn de basisvoorwaarden waardoor de gevaren, hinder of ongemakken veroorzaakt door de inrichting kunnen worden voorkomen, verminderd of verholpen.
  Het akkoord en de voorwaarden, vastgesteld in het milieu-attest, blijven twee jaar geldig na afgifte van het attest, tenzij ze :
  a) ofwel niet meer conform de toe te passen dwingende bepalingen zijn, welk ook het juridisch instrument is dat hen vermeldt;
  b) ofwel geen specifieke aangepaste maatregelen inhouden of niet meer inhouden om gevaren, hinder of ongemakken te voorkomen, te verminderen of te verhelpen, met inbegrip van de aanwending van de beste beschikbare technologiën.

  Art. 9.<ORD 2008-07-10/41, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008> Vormen van de mededelingen
  § 1. Alle stukken en documenten worden bij ter post aangetekend schrijven verstuurd of per drager afgeleverd tegen een afgifte- of een ontvangstbewijs.
  De Regering kan andere vormen van mededeling toestaan of opleggen, meer bepaald elektronische vormen. [1 In geval van indiening via elektronische weg van een aanvraag krachtens deze ordonnantie bezorgt de bevoegde overheid zodra ze die aanvraag ontvangen heeft via elektronische weg een afgiftebewijs waarop de behandelingstermijnen en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]1
  § 2. Buiten het aanplakken van de milieuvergunning, kan de Regering andere vormen van mededeling toestaan of opleggen, meer bepaald elektronische vormen.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 14, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  TITEL II. - Indiening en onderzoek van de aanvragen om een milieu-attest en een milieuvergunning.

  HOOFDSTUK I. - Bepalingen die gelden voor alle inrichtingen of voor verschillende klassen van inrichtingen.

  Afdeling 1. - Aanvragen om een milieu-attest en een milieuvergunning.

  Art. 10.Inhoud van de aanvraag.
  De aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning bevat de volgende gegevens :
  1° als de aanvrager een natuurlijke persoon is : zijn naam, voornaam en woonplaats; als het om een rechtspersoon gaat : de naam van de firma of van de vennootschap, de rechtsvorm, het adres van de zetel van de vennootschap, alsook de hoedanigheid van de ondertekenaar van de aanvraag;
  2° de beschrijving van de plaats waar het project gepland is en van de directe omgeving, met name met behulp van plannen;
  3° de voorstelling van het project of, voor een attestaanvraag, de voorstelling van de voornaamste bestanddelen ervan, met name met behulp van plannen;
  4° in geval van een gemengd project, een afschrift van het aanvraagformulier voor een stedenbouwkundig attest of een stedenbouwkundige vergunning.
  5° [2 ...]2.
  (NOTA : een punt 5° wordt ook toegevoegd onder de volgende vorm : "[5° Voor de uitbating van een tankstation zoals gedefinieerd in artikel 2, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations, een attest van het Fonds vermeld in het voornoemde samenwerkingsakkoord, behalve wanneer de aanvraag betrekking heeft op een van de handelingen vermeld in artikel 7, § 2.]" < ORD 2007-07-09/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 20-09-2007>)
  [1 6° het advies van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp in de door de Regering vastgelegde gevallen.]1
  De Regering kan de gegevens die moeten worden vermeld in de aanvragen om een milieu-attest of een milieuvergunning nader omschrijven en aanvullen. Zij bepaalt de vorm van de aanvraag.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Art. 11. Technische en geografische uitbatingseenheid.
  Wanneer verschillende inrichtingen een technische en geografische uitbatingseenheid vormen, dienen zij het voorwerp uit te maken van één enkele aangifte of één enkele aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning.
  Als de inrichtingen tot verschillende klassen behoren, wordt de aanvraag ingediend en onderzocht volgens de regels die van toepassing zijn op de inrichting van de meest strikte klasse.
  (In voorkomend geval en als afwijking van de twee voorgaande leden, moeten de inrichtingen van klasse I.C bij het Instituut aangegeven worden.) <ORD 2007-07-19/65, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>

  Art. 12.Gemengd project.
  In geval van een gemengd project :
  1° moeten de aanvragen om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning en een milieu-attest of -vergunning tegelijkertijd worden ingediend, ofwel in de vorm van een milieu-attest en een stedenbouwkundig attest, ofwel in de vorm van een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning;
  2° is het dossier van de aanvraag om een milieu-attest of -vergunning onvolledig indien geen overeenkomstige aanvraag om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning werd ingediend;
  3° maken de aanvragen om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning en een milieu-attest of -vergunning, naargelang het geval, het voorwerp uit van [1 een advies van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,]1 een voorbereidende nota op de effectenstudie, een bestek, een effectenverslag of een studie van enige effecten;
  4° worden de aanvragen om een milieu-attest of -vergunning en een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning tegelijkertijd door de bevoegde overheid voor advies voorgelegd aan de personen of diensten die worden geraadpleegd krachtens artikel 13 wanneer de geraadpleegde personen of diensten dezelfde zijn in de twee procedures;
  5° worden de aanvragen om een stedenbouwkundig attest of een stedenbouwkundige vergunning en een milieu-attest of milieuvergunning samen onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking;
  6° gaan de bevoegde overheden, krachtens deze ordonnantie en (het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening), [1 parallel]1 over tot het onderzoek van de aanvragen om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning en een milieu-attest of milieuvergunning; de Regering legt de regels vast van deze samenwerking; <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  7° worden het milieu-attest of de milieuvergunning geschorst zolang geen definitief stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning werd verkregen;
  8° houdt de definitieve beslissing tot weigering van het stedenbouwkundig attest of de stedenbouwkundige vergunning van rechtswege de nietigheid in van het milieu-attest of de milieuvergunning;
  9° begint de vervaltermijn enkel te lopen vanaf het ogenblik waarop de stedenbouwkundige vergunning aan de milieuvergunninghouder wordt uitgereikt;
  10° wordt door het Instituut een afschrift van alle administratieve stukken of documenten aan de aanvrager gestuurd en tegelijkertijd ook aan de overheid die bevoegd is krachtens (het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening); <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  11° [1 ...]1
  [1 Indien de aanvraag van een milieuattest of een milieuvergunning betrekking heeft op inrichtingen van klasse IB en de aanvraag van een stedenbouwkundig attest of een stedenbouwkundige vergunning een effectenstudie vereist, dan wordt de aanvraag van een milieuattest of een milieuvergunning ingediend en onderzocht volgens de regels die van toepassing zijn op de aanvragen van een milieuattest of een milieuvergunning betreffende de inrichtingen van klasse IA.]1
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  Art. 13.Geraadpleegde administraties en instanties.
  [§ 1.] De Regering wijst de administraties of instanties aan waarvan het advies is vereist in de loop van het onderzoek van de aanvragen om een milieu-attest of een milieuvergunning [of waarvan het advies in de loop van het onderzoek van de aangiften van klasse [I.C of] III kan worden ingewonnen]. Zij legt de raadplegingsprocedure vast. <ORD 2001-12-06/57, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 8, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Wanneer bij de aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning de betrokken administraties of instanties worden geraadpleegd, worden de adviezen aan de bevoegde overheid meegedeeld :
  1° binnen 60 dagen na het doorgeven van het dossier aan de geraadpleegde administraties en instanties voor de inrichtingen van klasse I.A en I.B;
  2° binnen 30 dagen na het doorgeven van het dossier aan de geraadpleegde administraties en instanties voor de inrichtingen van klasse II;
  [3° binnen vijftien dagen na het doorgeven van het dossier aan de geraadpleegde administraties en instanties voor de voorlopige inrichtingen.] [Deze raadpleging is evenwel niet vereist, wanneer de exploitatieduur van de tijdelijke inrichting niet hoger ligt dan drie maanden.] <ORD 2001-12-06/57, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 8, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Zodra deze termijnen zijn verstreken, worden de adviezen geacht gunstig te zijn en wordt de procedure voortgezet.
  De adviezen maken integraal deel uit van het dossier.
  [1 § 2. Wanneer de bevoegde overheid vaststelt dat een project aanzienlijke impact zou kunnen hebben op het milieu van een ander Gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband, of wanneer een met impact bedreigd ander Gewest, andere Lidstaat of andere Staat van het genoemde verdrag erom vraagt, dan zorgt de bevoegde overheid voor het overmaken aan de bevoegde instantie van het mogelijk bedreigde Gewest of de mogelijk bedreigde Staat, uiterlijk op het ogenblik waarop de openbare onderzoeken geregeld door de ordonnantie in de artikelen 30, 40 en 50 aanvangen, van alle beschikbare informatie over het project en zijn eventuele grensoverschrijdende effecten, alsook de aard van de beslissing die genomen zou kunnen worden. De bevoegde overheid verleent aan de bestemmeling van deze informatie een redelijke termijn om aan te geven of er een wens is aan de beslissingsprocedure deel te nemen.
   In dit geval, overhandigt de bevoegde overheid bovendien zo spoedig mogelijk het volgende, met opdracht de participatie van het bedoelde publiek te organiseren :
   a) de relevante inhoud van het aanvraagdossier in verband met het project;
   b) de gegevens van de overheid waarbij relevante inlichtingen kunnen worden verkregen en waaraan opmerkingen kunnen worden gericht;
   c) de juiste modaliteiten van de participatie van het publiek;
   d) de termijn waarbinnen de beslissing dient te worden genomen.
   De bevoegde overheid houdt rekening met de bemerkingen die tijdens deze procedure worden geformuleerd en maakt haar beslissing bekend aan de instantie die aan het beslissingsproces heeft deelgenomen.
   Wanneer een project dat gelegen is op een grondgebied van een ander Gewest, een andere lidstaat of een andere Staat die deel uitmaakt van het genoemde verdrag, aanzienlijke effecten op het leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou kunnen hebben, dan wordt, in de optiek van wederkerigheid, het project, samen met de documenten over de evaluatie van de effecten die aan de bevoegde instanties van dit andere Gewest of van deze andere Staat werden overgemaakt, ter beschikking gesteld van het publiek volgens de regels die van toepassing zijn op het gebied van openbare enquête. Het Instituut centraliseert de opmerkingen van het publiek en maakt ze over aan de bevoegde instantie van de plaats waar het project wordt uitgevoerd.
   De Regering bepaalt de procedure van deze uitwisseling van gegevens, en zorgt ervoor dat de raadpleging van het betroffen publiek in aanmerking wordt genomen voordat de bevoegde overheid haar beslissing vastlegt.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-06-17/03, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 09-07-2010>

  Art. 13bis. [1 Parkeerplaatsen
   Een milieucertificaat of -vergunning voor parkeerplaatsen bij een gebouw of deel van een gebouw mag slechts worden uitgereikt binnen de grens van het aantal plaatsen voortvloeiend uit de toepassing van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Art. 13ter. [1 § 1. De houder van een lopende milieuvergunning op de dag van de inwerkingtreding van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing die overtollige parkeerplaatsen in de zin van dat Wetboek toestaat kan, te allen tijde, volledig of gedeeltelijk afzien van het behoud van deze overtollige parkeerplaatsen.
   Deze verzaking neemt de vorm aan, hetzij van een volledige of gedeeltelijke afschaffing van die plaatsen, of van een omzetting van alle of een deel van die plaatsen in parkeerplaatsen die exclusief ter beschikking gesteld worden van de buurtbewoners, via verhuur, verkoop of enig ander mechanisme dat hun een exclusief gebruiksrecht verleent, of een combinatie van beide, of van hun herbestemming voor de andere doeleinden beschreven in artikel 2.3.52, § 3, punt 4°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
   De gevolgen van die verzaking zijn definitief en onherroepbaar.
   De verzaking wordt betekend overeenkomstig artikel 7bis.
   § 2. Zolang hij niet heeft afgezien van de overtollige parkeerplaatsen, mag de houder van een milieuvergunning bedoeld in § 1 echter de verlenging ervan aanvragen mits behoud van alle toegestane of overtollige parkeerplaatsen op voorwaarde dat hij de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing betaalt.
   § 3. Voor de installaties die gedekt zijn door een milieuvergunning bedoeld in § 1 kan de bevoegde overheid, bij het verstrijken van de vergunning en als de exploitant daarom verzoekt, een nieuwe milieuvergunning uitreiken die betrekking heeft op bestaande en voordien toegekende overtollige plaatsen, mits betaling van de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing. In zover ze betrekking heeft op overtollige plaatsen in de zin van dit Wetboek, kan de Regering de duur van deze vergunning beperken vanaf de uitreiking ervan.
   § 4. De houders van vergunningen bedoeld in §§ 2 en 3 hiervoor mogen, naar aanleiding van hun vraag tot verlenging of aanvraag van een nieuwe milieuvergunning, de bepalingen van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing inroepen.
   In voorkomend geval zal de persoon die om de verlenging of de nieuwe milieuvergunning verzoekt, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen opgeven dat opnieuw moet worden aangewend voor de functies bepaald in artikel 2.3.52, § 3, punt 3°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
   In zover ze op toegestane parkeerplaatsen in toepassing van de voorgaande leden betrekking heeft, is de duur van de nieuwe vergunning niet beperkt in toepassing van § 3 van onderhavig artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Afdeling 2. - Vergunningen en attesten aangevraagd door een publiekrechtelijke rechtspersoon of betreffende inrichtingen van openbaar nut.

  Art. 14.(Het milieuattest of de milieuvergunning wordt door het Instituut afgegeven in de volgende gevallen :
  1° wanneer zij wordt aangevraagd door een door de regering aangewezen publiekrechtelijk rechtspersoon;
  2° wanneer zij betrekking heeft op handelingen en werken van openbaar nut, bepaald door de regering;
  3° wanneer zij betrekking heeft op een beschermd, of op de bewaarlijst ingeschreven goed of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is;
  4° (...);) <ORD 2002-07-18/37, art. 72, 005; Inwerkingtreding : 31-05-2003> <ORD 2004-02-19/44, art. 126, 007; Inwerkingtreding : 08-04-2004>
  (5° wanneer liet een in de inventaris opgenomen niet-uitgebate bedrijfsruimte betreft) <ORD 2003-12-18/48, art. 29, 006; Inwerkingtreding : 12-01-2004>
  De aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning kan bij het Instituut worden ingediend. Er wordt dadelijk een indieningsbewijs afgegeven [1 waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van het Instituut vermeld staan]1. De aanvraag kan eveneens gericht worden aan het Instituut met een ter post aangetekende brief.
  [1 Indien de aanvraag per aangetekende brief wordt ingediend, geeft het Instituut zodra het die aanvraag ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]1
  Wanneer het dossier volledig is, verricht het Instituut binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag de volgende handelingen :
  1° het bezorgt de aanvrager een ontvangbewijs vergezeld van het dossiernummer en de gegevens van de ambtenaar die het dossier behandelt;
  2° het stuurt een afschrift van het volledige dossier door aan de personen of diensten die krachtens artikel 13 worden geraadpleegd.
  Indien het dossier onvolledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte, onder dezelfde voorwaarden, en vermeldt het de ontbrekende documenten en inlichtingen. Binnen twintig dagen, na ontvangst hiervan, verricht het Instituut de in het derde lid aangegeven handelingen.
  Indien de in het derde lid, 1° bedoelde kennisgeving niet binnen de voorgeschreven termijn gebeurt, richt de aanvrager een afschrift van het dossier aan de personen en diensten die krachtens artikel 13 een advies moeten verstrekken. De verzendingsdatum van het afschrift van het dossier dient als aanvangsdatum voor de berekening van de proceduretermijnen.
  In geval van een gemengd project, gaan het Instituut en de gemachtigde ambtenaar, bedoeld in (artikel 175 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening), gezamenlijk over tot het onderzoek van de attest- of vergunningsaanvragen. De Regering regelt de wijze waarop deze samenwerking gebeurt. <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 15, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 15. Onderzoeksprocedure.
  Voor de aanvragen om een milieu-attest of -vergunning betreffende een inrichting van klasse I.A of klasse I.B, wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk II en van Hoofdstuk III van Titel II.

  Art. 16.Speciale regelen van openbaarmaking voor een inrichting van klasse II.
  [2 Alvorens het ontvangstbewijs voor de aanvraag uit te reiken, zal het Instituut, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten.]2
  Voor de aanvraag om een vergunning betreffende een inrichting van klasse II, wanneer het dossier volledig is, stelt het Instituut, binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag, volgende handelingen :
  1° het bezorgt de aanvrager een ontvangbewijs vergezeld van het dossiernummer en de gegevens van de beambte die het dossier behandelt;
  2° het verstuurt een afschrift van het volledige dossier aan de krachtens artikel 13 geraadpleegde personen of diensten.
  Indien het dossier onvolledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte, onder dezelfde voorwaarden, en vermeldt het de ontbrekende documenten en inlichtingen. Binnen tien dagen, na ontvangst hiervan, stelt het Instituut de in het eerste lid aangegeven handelingen.
  Het Instituut stuurt gelijktijdig, met de verzending van het ontvangbewijs aan de aanvrager, het volledige dossier aan het College van burgemeester en schepenen om het voor openbaar onderzoek voor te leggen. [1 Het Instituut legt de uiterste datum vast waarop het openbaar onderzoek afgesloten moet zijn.]1
  Indien de in het eerste lid, 1° bedoelde kennisgeving niet binnen de voorgeschreven termijn gebeurt, richt de aanvrager een afschrift van het dossier aan de personen en diensten die krachtens artikel 13 een advies moeten verstrekken en aan het College van burgemeester en schepenen. De verzendingsdatum van het afschrift van het dossier dient als aanvangsdatum voor de berekening van de proceduretermijnen.
  Wanneer een project het voorwerp uitmaakt van een aanvraag om een milieuvergunning en een aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning die speciale regelen van openbaarmaking vereisen, kan het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de twee aanvragen gelijktijdig aan hetzelfde openbaar onderzoek onderwerpen.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2012-03-01/15, art. 109, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>

  Art. 17.Afgifte van de milieuvergunning van klasse II.
  Het Instituut geeft de milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse II af en betekent zijn beslissing aan de aanvrager [1 binnen 60 dagen]1 na de datum van het ontvangbewijs van de aanvraag of, bij gebrek hieraan, na het versturen van het afschrift van het dossier zoals voorgeschreven in artikel 16, vierde lid.
  [1 Indien echter het openbaar onderzoek, rekening houdend met de uiterste datum waarop het krachtens de beslissing van het Instituut afgesloten moet zijn, gedeeltelijk tijdens een schoolvakantie gehouden wordt, dan wordt de in het eerste lid bedoelde termijn verlengd met :
   1. 10 dagen indien het de paasvakantie of de kerstvakantie betreft;
   2. 45 dagen indien het de zomervakantie betreft.]1
  Het uitblijven van een beslissing betekend [1 binnen de termijn voorzien in het eerste lid, eventueel verlengd overeenkomstig het tweede lid,]1 komt neer op een weigering van de vergunning.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  HOOFDSTUK II. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.A.

  Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.

  Art. 18.Inhoud van de aanvraag.
  § 1. De aanvraag om een milieu-attest of -vergunning bevat de gegevens die vereist zijn overeenkomstig artikel 10, alsook een voorbereidende nota op de effectenstudie.
  § 2. De voorbereidende nota bestaat ten minste uit de volgende elementen :
  1° de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;
  2° de aanduiding van de elementen en het geografische gebied waarvoor het project gevolgen kan hebben;
  3° een eerste inventaris van de voorspelbare effecten van het project en van het bouwterrein [1 ...]1; <ORD 2007-06-07/70, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 02-07-2008>
  4° de opsomming van de wettelijke en reglementaire bepalingen en voorschriften die van toepassing zijn;
  [2 5° in voorkomend geval, de vermelding van een afwijkingsaanvraag krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en energiebeheersing alsook van de redenen die tot staving ervan worden ingeroepen;]2
  6° (oud 5°) de beschrijving van de voornaamste geplande maatregelen om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of af te remmen;
  7° (oud 6°) voorstellen in verband met de inhoud van het bestek van de effectenstudie en de keuze van de opdrachthouder;
  8° (oud 7°) een niet-technische samenvatting van de voormelde elementen.
  De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aanvullen; ze kan tevens de wijze van voorstelling van de voorbereidende nota bepalen.
  ----------
  (1)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, § 2, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>
  (2)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, § 5, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Art. 19.Indiening van de aanvraag.
  § 1. De aanvraag om een milieu-attest of -vergunning wordt ingediend in de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.
  Het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde overhandigt onmiddellijk aan de aanvrager een indieningsbewijs [1 , waarop de behandelingstermijnen van de aanvraag en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van het Instituut vermeld staan]1 en bezorgt het Instituut een afschrift van de aanvraag en van het ontvangbewijs.
  § 2. De aanvraag mag eveneens aan het College van burgemeester en schepenen worden gericht bij een ter post aangetekende brief. Na ontvangst, stuurt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de aanvraag aan het Instituut.
  [1 Indien de aanvraag via elektronische weg wordt ingediend, geeft het college van burgemeester en schepenen zodra het die aanvraag ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]1
  [2 § 2bis. Bij de indiening van een elektronische aanvraag, wordt de aanvraag rechtstreeks aan het Instituut gericht. Het Instituut stuurt onmiddellijk een afschrift van deze aanvraag en het bijbehorende indieningsbewijs aan de gemeente op het grondgebied waarvan het grootste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.]2
  § 3. Indien het om een gemengd project gaat, stuurt het Instituut een afschrift van het aanvraagdossier voor het milieu-attest of milieuvergunning aan het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting.
  Het Instituut vraagt aan de gemeente een afschrift van het aanvraagdossier voor het stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning.
  § 4. Zodra het Instituut de aanvraag heeft ontvangen, deelt het aan de aanvrager een dossiernummer en de gegevens van de behandelende ambtenaar mee.
  Als de aanvrager deze informatie niet heeft ontvangen binnen 10 dagen na afgifte van het indieningsbewijs of het bewijs van verzending van de aanvraag, stuurt hij een afschrift van de aanvraag aan het Instituut. Onmiddellijk na ontvangst van dit afschrift, deelt het Instituut hem de in het eerste lid bedoelde elementen mee.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<BESL 2012-07-19/47, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 28-08-2012>

  Art. 20.Ontvangbewijs en ontwerp van bestek.
  § 1. Wanneer het dossier volledig is, stuurt het Instituut, binnen twintig dagen na ontvangst van het aanvraagdossier, bij ter post aangetekende brief een ontvangbewijs aan de aanvrager.
  Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte, binnen twintig dagen na ontvangst van het dossier, en vermeldt het welke stukken of inlichtingen ontbreken.
  Binnen 30 dagen na ontvangst hiervan, verricht het Instituut de in paragraaf 2 vermelde handelingen.
  [1 ...]1
  § 2. Binnen 30 dagen na afgifte van het ontvangbewijs of, bij ontstentenis, [1 binnen de 50 dagen na ontvangst van het aanvraagdossier]1, stelt het Instituut het ontwerp van bestek van de effectenstudie op en zendt het het gehele dossier, met zijn eventuele opmerkingen, aan de aanvrager en aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.
  Binnen tien dagen na verzending van het ontvangbewijs of, bij ontstentenis, [1 binnen de 40 dagen na ontvangst van het aanvraagdossier]1, bepaalt het Instituut, naast de leden aangesteld overeenkomstig artikel 22, de samenstelling van het Begeleidingscomité en roept het dit bijeen. Het Instituut houdt het regelmatig op de hoogte van de uitwerking van het ontwerp van bestek.
  De Regering kan een typebestek opmaken voor elke categorie van projecten van klasse I.A.
  [1 § 3. Wanneer de effectenstudie betrekking heeft op een project gelegen in de perimeter van een geldige verkavelingsvergunning of een bijzonder bestemmingsplan die het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaande evaluatie van de effecten of van een effectenstudie, dan zal het bestek van de studie zich tot de specifieke aspecten van de attestaanvraag of de vergunningsaanvraag moeten beperken die niet in overweging werden genomen in de voorafgaande evaluatie van de effecten of de effectenstudie betreffende de geldige verkavelingsvergunning of het bijzondere bestemmingsplan.]1
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  Afdeling 2. - Bestek van de effectenstudie.

  Art. 21. Openbaar onderzoek.
  Binnen een termijn van 15 dagen na ontvangst van het dossier, onderwerpt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking.
  Het openbaar onderzoek duurt vijftien dagen.
  Bij het niet-naleven door het College van de in het vorige lid bedoelde termijn, maant het Instituut het College aan over te gaan tot de speciale regelen van openbaarmaking.
  Binnen dertig dagen na afloop van het openbaar onderzoek, moet de Overlegcommissie :
  1° advies uitbrengen over het ontwerp van bestek;
  2° advies uitbrengen over de voorstellen inzake de keuze van de opdrachthouder;
  3° in voorkomend geval, de door het Instituut bepaalde samenstelling van het Begeleidingscomité vervolledigen.
  Indien de Overlegcommissie haar adviezen over de in het derde lid bedoelde punten 1° en 2° niet binnen de vereiste termijn heeft betekend, wordt de procedure voortgezet, zonder dat rekening moet worden gehouden met de adviezen, indien het niet wordt uitgebracht binnen 30 dagen na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn van 30 dagen.

  Art. 22. Begeleidingscomité.
  § 1. Het Begeleidingscomité wordt ermee belast de procedure tot uitvoering van de effectenstudie te volgen.
  Het bestaat ten minste uit één vertegenwoordiger van iedere gemeente op het grondgebied waarvan het project moet worden uitgevoerd, één vertegenwoordiger van het Instituut en één vertegenwoordiger van het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting.
  Het secretariaat van het Begeleidingscomité wordt door het Instituut waargenomen.
  Indien het om een gemengd project gaat, wordt het secretariaat door het Instituut en door het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting gezamenlijk waargenomen.
  § 2. De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling en de werking van het Begeleidingscomité, alsook de onverenigbaarheidsregels.

  Art. 23. Beslissingen van het Begeleidingscomité.
  § 1. Binnen 5 dagen na ontvangst van de adviezen van de Overlegcommissie of na het verstrijken van de aan de Commissie toegekende termijn om haar adviezen uit te brengen, wordt het Begeleidingscomité door het Instituut bijeengeroepen.
  Binnen de 10 daaropvolgende dagen :
  1° stelt het Begeleidingscomité het bestek van de effectenstudie definitief vast;
  2° bepaalt het Begeleidingscomité de termijn waarbinnen de effectenstudie moet worden verricht;
  3° spreekt het Begeleidingscomité zich uit over de keuze van de opdrachthouder;
  4° deelt het Begeleidingscomité zijn beslissing mee aan de aanvrager.
  § 2. Indien het Begeleidingscomité niet instemt met de keuze van de opdrachthouder, verzoekt het de aanvrager nieuwe voorstellen te doen. Het Begeleidingscomité spreekt zich uit over de keuze van de opdrachthouder en brengt zijn beslissing ter kennis van de aanvrager binnen 15 dagen na de ontvangst van de nieuwe voorstellen.
  § 3. De Regering erkent de natuurlijke of de publiek- of de privaatrechtelijke rechtspersonen die kunnen worden aangewezen als opdrachthouder.
  De Regering bepaalt de voorwaarden van deze erkenning, alsook de onverenigbaarheidsregels.

  Art. 24. Aanhangigmaking bij de Regering.
  § 1. Indien het Begeleidingscomité zijn beslissing niet heeft meegedeeld binnen de in artikel 23 voorziene termijn, kan de aanvrager het dossier bij de Regering aanhangig maken.
  Binnen 60 dagen na de aanhangigmaking :
  1° stelt de Regering het bestek van de effectenstudie definitief vast;
  2° bepaalt de Regering de termijn waarbinnen de effectenstudie moet worden verricht;
  3° spreekt de Regering zich uit over de keuze van de opdrachthouder;
  4° deelt de Regering haar beslissing mee aan de aanvrager.
  § 2. Indien de Regering niet instemt met de keuze van de opdrachthouder, verzoekt zij de aanvrager om nieuwe voorstellen te doen. De Regering spreekt zich uit over de keuze van de opdrachthouder en brengt haar beslissing ter kennis van de aanvrager binnen 15 dagen na ontvangst van de nieuwe voorstellen.
  § 3. Indien de beslissing van de Regering niet binnen de termijn wordt betekend, kan de aanvrager, bij ter post aangetekende brief, een aanmaning richten aan de Regering.
  Indien de Regering haar beslissing niet heeft meegedeeld na het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen die loopt vanaf de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met de aanmaning, worden het ontwerp van bestek opgesteld door het Instituut, alsook de keuze van de opdrachthouder door de aanvrager als bevestigd geacht.
  De termijn, waarbinnen de effectenstudie moet worden uitgevoerd, bedraagt hoogstens 6 maanden.

  Art. 25. Verhouding aanvrager-opdrachthouder.
  In de overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachthouder, moeten de beslissingen, die overeenkomstig artikel 23 of artikel 24 zijn genomen, worden nageleefd.
  De kosten van de effectenstudie zijn voor rekening van de aanvrager.

  Afdeling 3. - De effectenstudie.

  Art. 26.Inhoud van de effectenstudie.
  De effectenstudie moet uit volgende elementen bestaan :
  1° de door de aanvrager verstrekte gegevens met betrekking tot de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;
  2° de opgave van de voltooide prestaties, de vermelding van de gebruikte analysemethodes en de beschrijving van de ondervonden moeilijkheden, met inbegrip van de gegevens gevraagd door de opdrachthouder en die, zonder enige rechtvaardiging, door de aanvrager niet werden meegedeeld;
  3° de uitvoerige en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de elementen waarop het project gevolgen kan hebben binnen het geografische gebied zoals afgebakend in het bestek;
  4° de inventaris en de uitvoerige en nauwkeurige beoordeling van de effecten van het project en het bouwterrein;
  5° de door de aanvrager verstrekte gegevens omtrent de maatregelen die worden gepland om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of af te remmen, [alsook de maatregelen die ertoe strekken zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan de beperken]; <ORD 2001-12-06/57, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  6° de beoordeling van de doelmatigheid van de in punt 5° vermelde maatregelen, met name ten opzichte van de bestaande normen;
  [3 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen;]3
  8° (oud 7°) de vergelijking van de vervangingsoplossingen die redelijkerwijs in aanmerking kunnen komen, met inbegrip, in voorkomend geval, van het verzaken aan het project, alsook de beoordeling van hun effecten [1 en de voornaamste redenen van de keuze van de aanvrager aan]1;
  9° (oud 8°) een niet-technische samenvatting van de voormelde elementen.
  [2 Wanneer het project het voorwerp moet uitmaken van een passende beoordeling van zijn effecten op een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, dan zal de milieueffectenstudie die passende beoordeling omvatten]2
  De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aanvullen; ze kan tevens de wijze van voorstelling van de effectenstudie bepalen.
  ----------
  (1)<BESL 2010-06-17/03, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 09-07-2010>
  (2)<ORD 2012-03-01/15, art. 110, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (3)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Art. 27. Uitvoering van de effectenstudie.
  De opdrachthouder houdt het Begeleidingscomité regelmatig op de hoogte van het verloop van de effectenstudie.
  Hij beantwoordt de vragen en de opmerkingen van het Begeleidingscomité.
  De Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel.

  Art. 28. Einde van de studie.
  Wanneer de opdrachthouder van oordeel is dat de effectenstudie volledig is, bezorgt de aanvrager een exemplaar ervan aan het Begeleidingscomité.
  Indien het Begeleidingscomité beslist dat de effectenstudie niet overeenstemt met het bestek, deelt het binnen 30 dagen na ontvangst van de effectenstudie aan de aanvrager mee welke aanvullende elementen bestudeerd moeten worden of welke wijzigingen aan de studie moeten worden aangebracht, met beschrijving van de elementen ter verantwoording van zijn beslissing. In dit geval, deelt het de aanvrager de termijn mee waarbinnen deze aanvullende studie of wijzigingen moeten worden bezorgd.
  Wanneer het Begeleidingscomité van oordeel is dat de effectenstudie volledig is, moet het binnen 30 dagen na ontvangst van bedoelde studie :
  1° de effectenstudie afsluiten;
  2° de lijst vastleggen van de bij de effecten van het project betrokken gemeenten van het Gewest waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben;
  3° zijn beslissing aan de aanvrager ter kennis brengen met vermelding van het aantal exemplaren van het dossier dat aan het Instituut moet worden bezorgd met het oog op het openbaar onderzoek.
  Indien het Begeleidingscomité de in het tweede en in het derde lid bedoelde termijn niet in acht neemt, kan de aanvrager zijn dossier bij de Regering aanhangig maken. Hij beschikt eveneens over die mogelijkheid indien het Begeleidingscomité heeft beslist de effectenstudie als onvolledig te verklaren.
  De Regering treedt op in de plaats van het Begeleidingscomité. Zij deelt haar beslissing mee binnen 30 dagen na de aanhangigmaking ervan.

  Art. 29.Wijziging van de aanvraag.
  De aanvrager wordt geacht zijn aanvraag te handhaven, tenzij hij binnen 15 dagen na de kennisgeving van de beslissing waarbij het Begeleidingscomité, of bij ontstentenis, de Regering de studie afsluit, aan het Instituut zijn beslissing meedeelt om :
  1° hetzij zijn aanvraag in te trekken;
  2° hetzij ze te wijzigen teneinde ervoor te zorgen dat het project verenigbaar is met de conclusies van de effectenstudie.
  In dit laatste geval, zendt de aanvrager de wijzigingen in zijn aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning [1 , alsook het advies van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp indien de wijzigingen een wijziging van de plannen inhouden,]1 aan het Begeleidingscomité of aan de Regering, alsook aan het Instituut binnen 6 maanden na de kennisgeving van de afsluiting van de effectenstudie.
  Indien de aanvrager de wijzigingen in zijn aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning niet binnen deze termijn heeft bezorgd, wordt hij geacht zijn aanvraag te hebben ingetrokken.
  De termijn van afgifte van het milieu-attest of de milieuvergunning wordt opgeschort [1 vanaf de datum waarop de aanvrager zijn voornemen om zijn aanvraag te wijzigen aan het Instituut bekendgemaakt heeft]1 totdat de wijzigingen zijn ingediend.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  Afdeling 4. - Speciale regelen van openbaarmaking.

  Art. 30. Openbaar onderzoek.
  § 1. Na ontvangst van de door de aanvrager geleverde exemplaren van het dossier dat in voorkomend geval overeenkomstig artikel 29, eerste lid, 2° werd gewijzigd, bezorgt het Instituut of, in het in artikel 28, vierde en vijfde lid bedoelde geval, de Regering een exemplaar ervan aan het College van burgemeester en schepenen van elke gemeente die bij de effecten van het project betrokken is en waar het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking onderworpen dient te worden.
  Het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier moet bestaan uit :
  1° de attest- of vergunningsaanvraag;
  2° het bestek van de effectenstudie;
  3° de effectenstudie;
  4° de beslissing tot afsluiting van de effectenstudie;
  5° in voorkomend geval, de beslissing van de aanvrager om de aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning te wijzigen;
  6° de eventuele wijzigingen in de attest- of vergunningsaanvraag.
  § 2. Het College van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente of zijn gemachtigde onderwerpt het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking.
  Het openbaar onderzoek vindt plaats in elke gemeente en duurt 30 dagen.
  Het Instituut bepaalt de datum waarop de verschillende openbare onderzoeken uiterlijk moeten worden afgesloten.

  Art. 31. Overleg.
  § 1. Het College van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd of zijn gemachtigde maakt het dossier aanhangig bij de Overlegcommissie die uitgebreid wordt tot de vertegenwoordigers van elke gemeente die betrokken is bij de effecten van het project en dit binnen vijftien dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek bedoeld in (artikel 151 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening). <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  § 2. De Overlegcommissie betekent haar advies aan het Instituut binnen dertig dagen na afloop van het openbaar onderzoek overeenkomstig (artikel 151 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening). <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  Wanneer de Overlegcommissie geen advies binnen de gestelde termijn heeft uitgebracht, wordt de procedure voortgezet zonder dat het Instituut verplicht is rekening te houden met het advies, indien het niet wordt uitgebracht binnen 30 dagen na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.
  § 3. Binnen dezelfde termijn als die toegekend aan de Overlegcommissie, brengen het College van burgemeester en schepenen van elke gemeente waar het project aan openbare onderzoeken werd onderworpen en het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting hun advies uit en brengen dit ter kennis van het Instituut. Wanneer de adviezen niet binnen de voorgeschreven termijn worden betekend, worden deze gunstig geacht.

  Afdeling 4bis. - <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 5; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Informatieverspreiding voor de omwonenden van Seveso-bedrijven.

  Art. 31bis. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 5; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Het Instituut bezorgt de omwonenden van bedrijven van het Seveso-type eenmaal per jaar een vereenvoudigd verslag dat krachtens artikel 63, § 1, 7 aan de vergunninghouders opgelegd wordt.

  Afdeling 5. - Afgifte van het attest of de vergunning.

  Onderafdeling 1. - Afgifte van het milieu-attest of van de milieuvergunning zonder voorafgaand attest.

  Art. 32.Afgiftetermijn.
  § 1. Het Instituut geeft het milieu-attest of de milieuvergunning af.
  § 2. [1 Eerste lid opgeheven]1
  Het stuurt [1 ...]1 een kennisgeving van zijn beslissing binnen een termijn van 450 dagen na de betekening van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 20, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier niet volledig is, ontbreken, binnen een termijn van 450 dagen na de 31ste dag na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan de gemeente of na de 11de dag na de verzendingsdatum van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan het Instituut.
  [1 Indien het echter een gemengd project betreft, dan moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 450 dagen na de laatste kennisgeving binnen de daartoe voorziene termijnen van, enerzijds, het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor het milieuattest of de milieuvergunning door het Instituut en van, anderzijds, het ontvangstbewijs van de volledigheid van het aanvraagdossier voor het stedenbouwkundige attest of de stedenbouwkundige vergunning door de gemeente of de gemachtigde ambtenaar.
   Bij het uitblijven van een kennisgeving binnen de daartoe voorziene termijnen van het bewijs van ontvangst of van onvolledigheid van de in het tweede lid bedoelde dossiers, moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 450 dagen hetzij na de 31e dag vanaf de indienings- of verzenddatum van de aanvraag van het milieuattest of de milieuvergunning aan de gemeente, hetzij na de 11e dag vanaf de verzenddatum van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan elke bevoegde afleverende overheid voor het deel dat op haar betrekking heeft.]1
  (Wanneer de aanvrager van een attest of een vergunning voor een inrichting van klasse I.A onderworpen is aan de inachtneming van de regelgeving betreffende de overheidsopdrachten om de persoon te kiezen die belast is met de effectenstudie, begint de voormelde termijn van 450 dagen te lopen op de datum waarop het Begeleidingscomité de definitieve keuze van bovenvermelde persoon aanvaardt.) <ORD 2001-12-06/57, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  § 3. Het uitblijven van een beslissing betekend binnen de in § 2 gestelde termijnen komt neer op de weigering van het milieu-attest of van de milieuvergunning.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  Onderafdeling 2. - Afgifte van de milieuvergunning na de toekenning van het milieu-attest.

  Art. 33.Inhoud van de aanvraag.
  § 1. De aanvraag om een milieuvergunning wordt ingediend bij de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project wordt uitgevoerd. Ze bevat de gegevens die vereist zijn overeenkomstig artikel 10, alsook een afschrift van het milieu-attest.
  Het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde overhandigt onmiddellijk aan de aanvrager een indieningsbewijs [1 , waarop de behandelingstermijnen van de aanvraag en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van het Instituut vermeld staan]1 en stuurt een afschrift van de aanvraag en van het indieningsbewijs door aan het Instituut.
  § 2. De aanvraag kan tevens bij een ter post aangetekende brief aan het College van burgemeester en schepenen worden gericht. Na ontvangst, stuurt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de aanvraag door aan het Instituut.
  [1 Indien de aanvraag per aangetekende brief wordt ingediend, geeft het college van burgemeester en schepenen zodra het die brief ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]1
  [2 § 2bis. Bij de indiening van een elektronische aanvraag, wordt de aanvraag rechtstreeks aan het Instituut gericht. Het Instituut stuurt onmiddellijk een afschrift van deze aanvraag en het bijbehorende indieningsbewijs aan de gemeente op het grondgebied waarvan het grootste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.]2
  § 3. Indien het om een gemengd project gaat, bezorgt het Instituut aan het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting een afschrift van het aanvraagdossier voor de milieuvergunning.
  Het Instituut vraagt aan de gemeente een afschrift van het aanvraagdossier voor de stedenbouwkundige vergunning.
  § 4. Na ontvangst van de aanvraag, deelt het Instituut aan de aanvrager een dossiernummer mee en de gegevens van de ambtenaar die het dossier behandelt.
  Indien de aanvrager deze inlichtingen niet binnen 10 dagen na de datum van het indieningsbewijs of na het versturen van de aanvraag heeft ontvangen, richt hij een afschrift van de aanvraag aan het Instituut. Na ontvangst, deelt het Instituut de in het eerste lid bedoelde elementen mee.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<BESL 2012-07-19/47, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 28-08-2012>

  Art. 34. Ontvangbewijs.
  § 1. Wanneer het dossier volledig is, stuurt het Instituut binnen twintig dagen na ontvangst voor het aanvraagdossier van de milieuvergunning een ontvangbewijs aan de aanvrager.
  § 2. Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het Instituut binnen twintig dagen na ontvangst van het aanvraagdossier voor de milieuvergunning de aanvrager hiervan op de hoogte met vermelding van de ontbrekende stukken of inlichtingen.
  Binnen 10 dagen na ontvangst hiervan, stuurt het Instituut een ontvangbewijs aan de aanvrager.
  Betreft het een gemengd project, dan wordt het dossier voor de aanvraag van een milieuvergunning als onvolledig beschouwd, indien de overeenkomstige aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning niet werd ingediend.

  Art. 35. Vrijstelling van de speciale regelen van openbaarmaking en raadpleging.
  De aanvraag om een milieuvergunning wordt vrijgesteld van de speciale regelen van openbaarmaking en van het advies van de geraadpleegde personen of diensten aan wie de aanvraag om een milieu-attest werd voorgelegd, op voorwaarde dat er geen nieuwe redenen zijn die dergelijke regelen of adviezen zouden verantwoorden.

  Art. 36.Afgifte van de vergunning na de toekenning van het attest.
  § 1. Het Instituut geeft de milieuvergunning af.
  § 2. Het stuurt de aanvrager een kennisgeving van zijn beslissing binnen een termijn van 45 dagen na de dag van de betekening van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 34, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier niet volledig is, ontbreken, binnen diezelfde termijn van 45 dagen na de 31ste dag hetzij na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan de gemeente, hetzij na de verzendingsdatum van de ontbrekende stukken en inlichtingen aan het Instituut.
  [1 Indien het echter een gemengd project betreft, dan moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 45 dagen na de laatste kennisgeving, binnen de daartoe voorziene termijnen, van enerzijds het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor de milieuvergunning door het Instituut, en van anderzijds het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor de stedenbouwkundige vergunning door de gemeente of de gemachtigde ambtenaar.
   Bij het uitblijven van een kennisgeving binnen de daartoe voorziene termijnen van het bewijs van ontvangst of van onvolledigheid van de in het tweede lid bedoelde dossiers, moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 45 dagen hetzij na de 31e dag vanaf de indienings- of verzenddatum van de aanvraag van het milieuattest of de milieuvergunning aan de gemeente, hetzij na de verzending van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan het Instituut.]1
  [1 De termijn bedoeld in het eerste tot en met het derde lid hierboven]1 kan, bij een met redenen omklede beslissing, een enkele maal voor een maximumduur van 45 dagen worden verlengd.
  [1 § 2bis. Indien echter de milieuvergunningsaanvraag onderworpen is aan bijzondere regelen van openbaarmaking, dan wordt de in § 2, eerste tot en met derde lid, bedoelde termijn van 45 dagen op 160 dagen gebracht.]1
  § 3. Bij het uitblijven van een beslissing, betekend binnen de in § 2 [1 of in § 2bis]1 gestelde termijn, geldt het attest als milieuvergunning uitgereikt voor een duur van 15 jaar.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.B.

  Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.

  Art. 37.Inhoud van de aanvraag.
  De aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning zonder voorafgaand attest betreffende de inrichtingen van klasse I.B bevat de gegevens die vereist zijn overeenkomstig artikel 10, alsook een effectenverslag.
  Het effectenverslag bestaat ten minste uit volgende elementen :
  1° de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;
  2° de samenvatting van de verschillende geplande oplossingen die ten grondslag hebben gelegen aan de keuze van het door de aanvrager ingediende project [1 evenals de voornaamste redenen van deze keuze]1, gelet op het milieu;
  3° de beschrijving van de elementen en het geografische gebied waarvoor het project gevolgen kan hebben, met name met behulp van plannen;
  4° de inventaris van de voorspelbare effecten van het project en van het bouwterrein [3 ...]3;
  5° de beoordeling van deze effecten in vergelijking met de bestaande toestand;
  6° de opsomming van de wettelijke en reglementaire bepalingen en voorschriften van toepassing;
  [4 7° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen;]4
  8° (oud 7°) de beschrijving van de geplande maatregelen om de negatieve effecten van het project en het bouwterrein te vermijden, weg te werken of af te remmen, onder meer ten opzichte van de bestaande normen;
  9° (oud 8°) een niet-technische samenvatting van de voormelde elementen.
  [4 Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het in het vorige lid bedoelde effectenrapport worden opgemaakt door een daartoe erkende persoon.]4
  [2 Wanneer het project het voorwerp moet uitmaken van een passende beoordeling van zijn effecten op een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, dan zal het milieueffectenrapport die passende beoordeling omvatten]2
  De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aanvullen; ze kan tevens de wijze van voorstelling van het effectenverslag bepalen.
  ----------
  (1)<BESL 2010-06-17/03, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 09-07-2010>
  (2)<ORD 2012-03-01/15, art. 111, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (3)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, § 3, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>
  (4)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, § 7, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Art. 38.Indiening van de aanvraag.
  § 1. De aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning wordt ingediend bij de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.
  Het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde overhandigt onmiddellijk aan de aanvrager een indieningsbewijs [1 waarop de behandelingstermijnen van de aanvraag en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van het Instituut vermeld staan]1 en stuurt een afschrift van de aanvraag en van het indieningsbewijs door aan het Instituut.
  § 2. De aanvraag kan tevens bij een ter post aangetekende brief aan het College van burgemeester en schepenen worden gericht. Na ontvangst hiervan, stuurt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de aanvraag door aan het Instituut.
  [1 Indien de aanvraag per aangetekende brief wordt ingediend, geeft het college van burgemeester en schepenen zodra het die brief ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van het Instituut vermeld staan.]1
  [2 § 2bis. Bij de indiening van een elektronische aanvraag, wordt de aanvraag rechtstreeks aan het Instituut gericht. Het Instituut stuurt onmiddellijk een afschrift van deze aanvraag en het bijbehorende indieningsbewijs aan de gemeente op het grondgebied waarvan het grootste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.]2
  § 3. Indien het gaat om een gemengd project, doet het Instituut aan het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting een afschrift van het aanvraagdossier voor de milieuvergunning toekomen.
  Het Instituut vraagt aan de gemeente een afschrift van het aanvraagdossier voor de stedenbouwkundige vergunning.
  § 4. Na ontvangst van de aanvraag, deelt het Instituut aan de aanvrager een dossiernummer mee en de gegevens van de ambtenaar die het dossier behandelt.
  Indien de aanvrager deze inlichtingen niet binnen 10 dagen na de datum van het indieningsbewijs of het versturen van de aanvraag heeft ontvangen, richt hij een afschrift van de aanvraag aan het Instituut. Na ontvangst hiervan, deelt het Instituut de in het eerste lid bedoelde elementen mee.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 18, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<BESL 2012-07-19/47, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 28-08-2012>

  Art. 39.Ontvangbewijs.
  § 1. Wanneer het dossier volledig is, stuurt het Instituut binnen twintig dagen na ontvangst van het aanvraagdossier bij ter post aangetekende brief een ontvangbewijs aan de aanvrager.
  Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het Instituut binnen twintig dagen na ontvangst van het dossier de aanvrager hiervan op de hoogte en vermeldt het welke stukken en inlichtingen ontbreken.
  Binnen 30 dagen na ontvangst hiervan, verricht het Instituut de in paragraaf 2 vermelde handelingen.
  [1 ...]1
  § 2. Binnen 30 dagen na afgifte van het ontvangbewijs of, bij ontstentenis, [1 binnen de 50 dagen na ontvangst van het aanvraagdossier]1, gaat het Instituut over tot :
  1° het onderzoeken van het effectenverslag [1 en het volledig of onvolledig verklaart]1;
  2° het verzenden, aan de administraties en instanties die overeenkomstig artikel 13 moeten worden geraadpleegd, van een afschrift van het volledige dossier;
  3° het vastleggen van de lijst van de bij de effecten van het project betrokken gemeenten waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben en het aanwijzen van de gemeente die ermee belast wordt de Overlegcommissie samen te roepen;
  4° het meedelen aan de aanvrager van het aantal te leveren exemplaren van het dossier met het oog op het openbaar onderzoek.
  [1 § 2bis. Indien het Instituut oordeelt dat het effectenverslag volledig is, dan geeft het van deze beslissing kennis aan de aanvrager binnen de in § 2 bedoelde termijnen.]1
  § 3. Wanneer het Instituut oordeelt dat het effectenverslag moet worden vervolledigd, geeft het van deze beslissing kennis aan de aanvrager binnen de in § 2 bedoelde termijnen en vermeldt het de ontbrekende stukken of inlichtingen.
  Binnen 10 dagen na ontvangst hiervan, verricht het Instituut de in paragraaf 2 voorgeschreven handelingen.
  § 4. Indien het Instituut zijn beslissing niet binnen de termijnen heeft betekend, kan de aanvrager het dossier bij de Regering aanhangig maken.
  Binnen zestig dagen na de aanhangigmaking :
  1° verstuurt de Regering bij een ter post aangetekende brief een ontvangbewijs aan de aanvrager;
  2° onderzoekt ze het effectenverslag;
  3° verzendt ze, aan de administraties en instanties die overeenkomstig artikel 13 moeten worden geraadpleegd, een afschrift van het volledige dossier;
  4° legt ze de lijst vast van de bij de effecten van het project betrokken gemeenten waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben en wijst de gemeente aan die ermee belast wordt de Overlegcommissie samen te roepen;
  5° deelt aan de aanvrager het aantal te leveren exemplaren van het dossier mee met het oog op het openbaar onderzoek.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  Afdeling 2. - Speciale regelen van openbaarmaking.

  Art. 40. Openbaar onderzoek.
  § 1. Het Instituut of, overeenkomstig artikel 39, § 4, de Regering bezorgt, aan elke bij de effecten van het project betrokken gemeente waar een openbaar onderzoek moet plaatshebben, een exemplaar van het volledige dossier.
  § 2. Binnen 15 dagen na ontvangst van het dossier, onderwerpt het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente of zijn gemachtigde het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking.
  Het openbaar onderzoek vindt plaats in elke gemeente en duurt vijftien dagen. Het Instituut bepaalt de datum waarop de verschillende openbare onderzoeken uiterlijk moeten worden afgesloten.
  § 3. Het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier moet bestaan uit :
  1° de aanvraag om een milieu-attest of -vergunning, met inbegrip van het effectenverslag;
  2° indien het om een gemengd project gaat, de aanvraag om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning;
  3° de stukken of inlichtingen die de aanvrager heeft verstrekt met toepassing van artikel 39, § 2.

  Art. 41. Overleg.
  § 1. Het College van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd of zijn gemachtigde maakt het dossier aanhangig bij de Overlegcommissie die uitgebreid wordt tot de vertegenwoordigers van elke gemeente die betrokken is bij de effecten van het project en dit binnen 15 dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek bedoeld in (artikel 151 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening). <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  § 2. De Overlegcommissie brengt haar advies uit binnen 30 dagen na afloop van het openbaar onderzoek overeenkomstig (artikel 151 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening). <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  Wanneer de Overlegcommissie geen advies binnen de gestelde termijn heeft uitgebracht, wordt de procedure voortgezet zonder dat er rekening wordt gehouden met de adviezen, indien ze niet worden uitgebracht binnen dertig dagen na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.
  § 3. Binnen dezelfde termijn als die toegekend aan de Overlegcommissie, brengen het College van burgemeester en schepenen van elke gemeente waar het project aan openbare onderzoeken werd onderworpen en het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting hun advies uit en delen het mee aan het Instituut. Indien deze adviezen niet binnen de voorgeschreven termijn worden betekend, worden ze gunstig geacht.

  Art. 42. Aanvraag tot uitvoering van een effectenstudie.
  § 1. In uitzonderlijke omstandigheden, kan de Overlegcommissie in een bijzonder omkleed advies de Regering aanbevelen een effectenstudie te laten uitvoeren.
  § 2. Indien de Regering oordeelt dat een effectenstudie moet worden uitgevoerd, beschikt ze over 30 dagen na ontvangst van het dossier om de aanvrager in kennis te stellen van haar beslissing.
  In dit geval :
  1° verzoekt de Regering de aanvrager om één of meer voorstellen betreffende de keuze van de opdrachthouder aan het Instituut te doen toekomen;
  2° belast ze het Instituut met het opstellen van het ontwerp van bestek van de effectenstudie binnen dertig dagen; betreft het een gemengd project, dan regelt de Regering de wijze van samenwerking tussen het Instituut en het Bestuur van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting;
  3° bepaalt ze, naast de leden aangesteld overeenkomstig artikel 22, paragraaf 1, tweede lid, de samenstelling van het Begeleidingscomité.
  Binnen 10 dagen na ontvangst van de beslissing van de Regering, roept het Instituut het Begeleidingscomité samen. Het houdt het Begeleidingscomité regelmatig op de hoogte van de uitwerking van het ontwerp van bestek van de effectenstudie.
  Na het opmaken van het ontwerp van bestek, bezorgt het Instituut het dossier, met zijn eventuele opmerkingen, aan de aanvrager en aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.
  Binnen 5 dagen na het opmaken van het ontwerp van bestek, roept het Instituut het Begeleidingscomité opnieuw samen en wordt de procedure overeenkomstig de artikelen 21 en volgende voortgezet.
  Indien de Regering een dergelijke studie niet geraden acht, motiveert zij haar beslissing en bezorgt ze het dossier aan het Instituut.
  § 3. Indien er binnen de in § 2 bedoelde termijn geen beslissing wordt genomen, moet de effectenstudie niet worden uitgevoerd.
  § 4. Wanneer de effectenstudie is verwezenlijkt, moet het dossier dat overeenkomstig artikel 30 aan het openbaar onderzoek wordt onderworpen, bovendien volgende gegevens bevatten :
  1° de bezwaren en opmerkingen die in het kader van het in artikel 40 bedoelde openbaar onderzoek aan het College van burgemeester en schepenen zijn gericht, alsook het proces-verbaal van sluiting van dit onderzoek;
  2° de notulen van de Overlegcommissie;
  3° het advies van de in dit artikel bedoelde Overlegcommissie.

  Afdeling 3. - Afgifte van het milieu-attest of van de milieuvergunning zonder voorafgaand attest.

  Art. 43.Afgifte van het attest of van de vergunning.
  § 1. Het Instituut geeft het milieu-attest of de milieuvergunning af.
  § 2. [1 Eerste lid opgeheven]1
  Het stuurt [1 ...]1 een kennisgeving van zijn beslissing binnen een termijn van 160 dagen na de dag van de betekening van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 39, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier niet volledig is, ontbreken, binnen een termijn van 160 dagen na de 31ste dag na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan de gemeente of na de 11de dag na verzendingsdatum van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan het Instituut.
  [1 Indien het echter een gemengd project betreft, wanneer er zowel voor de aanvraag van het milieuattest of de milieuvergunning als voor de aanvraag van het stedenbouwkundige attest of de stedenbouwkundige vergunning een effectenverslag vereist is, dan moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 160 dagen na de laatste kennisgeving binnen de daartoe voorziene termijnen van de volledigheid van het effectenverslag door het Instituut of, bij ontstentenis, door de Regering, en door het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting of, bij ontstentenis, door de Regering.
   Indien het een gemengd project betreft, wanneer er alleen voor de aanvraag van het milieuattest of de milieuvergunning een effectenverslag vereist is, dan moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 160 dagen na de kennisgeving binnen de daartoe voorziene termijn van het bewijs van ontvangst en van volledigheid van het effectenverslag door het Instituut of, bij ontstentenis, door de Regering.
   Bij het uitblijven van een kennisgeving binnen de daartoe voorziene termijnen van de volledigheid of de onvolledigheid van het effectenverslag door het Instituut of, bij ontstentenis, door de Regering, en door het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting of, bij ontstentenis, door de Regering, moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 160 dagen hetzij na de 31e dag vanaf de indienings- of verzenddatum van de aanvraag aan de gemeente, hetzij na de 11e dag vanaf de verzenddatum van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan het Instituut.]1
  § 3. Het uitblijven van een beslissing, betekend binnen de in § 2 gestelde termijnen, komt neer op een weigering van het milieu-attest of -vergunning.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 14, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  Afdeling 4. - Aanvraag om een milieuvergunning ingevolge de toekenning van een milieu-attest.

  Art. 44.Inhoud en indiening van de aanvraag.
  § 1. De aanvraag om een milieuvergunning wordt ingediend bij de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd. Ze bevat de gegevens die vereist zijn overeenkomstig artikel 10, alsook een afschrift van het milieuattest.
  Het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde geeft onmiddellijk aan de aanvrager een indieningsbewijs af [1 waarop de behandelingstermijnen van de aanvraag en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van het Instituut vermeld staan]1 en stuurt een afschrift van de aanvraag en van het indieningsbewijs aan het Instituut.
  § 2. De aanvraag kan tevens bij een ter post aangetekende brief aan het College van burgemeester en schepenen worden gericht. Na ontvangst hiervan, stuurt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de aanvraag aan het Instituut.
  [1 Indien de aanvraag per aangetekende brief wordt ingediend, geeft het college van burgemeester en schepenen zodra het die brief ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van het Instituut vermeld staan.]1
  [2 § 2bis. Bij de indiening van een elektronische aanvraag, wordt de aanvraag rechtstreeks aan het Instituut gericht. Het Instituut stuurt onmiddellijk een afschrift van deze aanvraag en het bijbehorende indieningsbewijs aan de gemeente op het grondgebied waarvan het grootste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.]2
  § 3. Indien het om een gemengd project gaat, bezorgt het Instituut aan het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting een afschrift van het dossier voor de aanvraag van de milieuvergunning.
  Het Instituut vraagt aan de gemeente een afschrift van het aanvraagdossier voor de stedenbouwkundige vergunning.
  § 4. Na ontvangst hiervan, deelt het Instituut aan de aanvrager een dossiernummer mee en de gegevens van de ambtenaar die het dossier behandelt.
  Indien de aanvrager deze inlichtingen niet binnen 10 dagen na de datum van het indieningsbewijs of na het versturen van de aanvraag heeft ontvangen, richt hij een afschrift van de aanvraag aan het Instituut. Na ontvangst hiervan, deelt het Instituut de in het eerste lid bedoelde elementen mee.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 19, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<BESL 2012-07-19/47, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 28-08-2012>

  Art. 45. Ontvangbewijs.
  § 1. Wanneer het dossier volledig is, richt het Instituut binnen twintig dagen na ontvangst van het dossier voor de aanvraag van de milieuvergunning een ontvangbewijs aan de aanvrager.
  § 2. Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte binnen twintig dagen na ontvangst van het dossier voor de aanvraag van de milieuvergunning met vermelding van de ontbrekende stukken en inlichtingen.
  Binnen 10 dagen na ontvangst hiervan, richt het Instituut een ontvangbewijs aan de aanvrager.
  Betreft het een gemengd project, dan wordt het dossier van de aanvraag om een milieuvergunning als onvolledig geacht, indien de overeenkomstige aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning niet werd ingediend.

  Art. 46. Vrijstelling van speciale regelen van openbaarmaking en raadpleging.
  De aanvraag om een milieuvergunning wordt vrijgesteld van de speciale regelen van openbaarmaking en van het advies van de geraadpleegde personen en diensten aan wie de aanvraag om een milieu-attest wordt voorgelegd, op voorwaarde dat er geen nieuwe redenen zijn die dergelijke regelen en adviezen zouden verantwoorden.

  Art. 47.Afgifte van de vergunning na de toekenning van een attest.
  § 1. Het Instituut geeft de milieuvergunning af.
  § 2. Het stuurt de aanvrager een kennisgeving van zijn beslissing binnen een termijn van 45 dagen na de dag van de kennisgeving van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 45, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier niet volledig is, ontbreken, binnen diezelfde termijn van 45 dagen na de 31ste dag hetzij na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan de gemeente, hetzij na de datum van verzending van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan het Instituut.
  [1 Indien het echter een gemengd project betreft, dan moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 45 dagen na de laatste kennisgeving binnen de daartoe voorziene termijnen van enerzijds het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor de milieuvergunning door het Instituut en van anderzijds het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor de stedenbouwkundige vergunning door de gemeente of de gemachtigde ambtenaar.
   Bij het uitblijven van een kennisgeving binnen de daartoe voorziene termijnen van het bewijs van ontvangst of van onvolledigheid van de in het tweede lid bedoelde dossiers, moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 45 dagen hetzij na de 31e dag vanaf de indienings- of verzenddatum van de aanvraag aan de gemeente, hetzij na de verzending van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan het Instituut.]1
  [1 De termijn bedoeld in het eerste tot en met derde lid hierboven]1 kan, bij een met redenen omklede beslissing, een enkele maal met een maximumduur van 45 dagen worden verlengd.
  [1 § 2bis. Indien echter de milieuvergunningsaanvraag onderworpen is aan speciale regelen van openbaarmaking, dan wordt de in § 2, eerste tot en met derde lid bedoelde termijn van 45 dagen op 160 dagen gebracht.]1
  § 3. Bij het uitblijven van een beslissing, betekend binnen de in § 2 [1 of in § 2bis]1gestelde termijn, geldt het milieu-attest als een milieuvergunning met een geldigheidsduur van 15 jaar.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 15, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse II [1 , van klasse ID]1 en de tijdelijke inrichtingen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-04-03/16, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Afdeling 1. - Indiening en onderzoek van de aanvragen betreffende de inrichtingen van klasse II.

  Art. 48.Inhoud van de aanvraag.
  § 1. De aanvraag om een milieuvergunning bevat de gegevens die vereist zijn overeenkomstig artikel 10. Zij moet worden gestuurd aan het bestuur van de gemeente waar de inrichting is gelegen.
  [2 Indien de aanvraag een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing behelst, bevat ze ook een effectenrapport opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon. Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het effectenrapport worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. Dat effectenrapport bevat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving van de redenen die deze afwijking rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen.]2
  Het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde geeft onmiddellijk aan de aanvrager een indieningsbewijs [1 waarop de behandelingstermijnen van de aanvraag en de rechtsmiddelen tegen zijn beslissing]1.
  § 2. De aanvraag kan tevens bij een ter post aangetekende brief aan het College van burgemeester en schepenen worden gericht.
  [1 Indien de aanvraag per aangetekende brief wordt ingediend, geeft het college van burgemeester en schepenen zodra het die brief ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen zijn beslissing.]1
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 20, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Art. 49.Ontvangbewijs.
  [1 § 1. Alvorens het ontvangstbewijs voor de vergunningsaanvraag uit te reiken, zal het college van burgemeester en schepenen, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten.]1
  [ 1 § 2.]1 Wanneer het dossier volledig is, richt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde binnen 10 dagen na de datum van het indieningsbewijs of na het versturen van de aanvraag aan de gemeente aan de aanvrager een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief.
  [ 1 § 3.]1 Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de aanvrager hiervan op de hoogte binnen 10 dagen na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan de gemeente met vermelding van de ontbrekende stukken of inlichtingen.
  Binnen 10 dagen na ontvangst hiervan, verricht het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de in § 1 vermelde handelingen.
  ----------
  (1)<ORD 2012-03-01/15, art. 112, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>

  Art. 50. Openbaar onderzoek.
  Binnen vijftien dagen na het versturen van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de termijn voor het versturen ervan, indien geen enkele aanvraag om een bijkomend document aan de aanvrager werd gericht, onderwerpt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde het dossier aan een openbaar onderzoek.
  Wanneer een project het voorwerp uitmaakt van een aanvraag om een milieuvergunning en een aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning, waarvoor speciale regelen van openbaarmaking zijn vereist, kan het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de twee aanvragen gelijktijdig aan een openbaar onderzoek onderwerpen.

  Art. 51. Afgifte van de vergunning.
  § 1. Het College van burgemeester en schepenen geeft de milieuvergunning af.
  § 2. Het stuurt de aanvrager bij een ter post aangetekende brief een kennisgeving van zijn beslissing binnen 60 dagen na de datum van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 49, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier onvolledig is, ontbreken, minder dan 60 dagen na de 11de dag hetzij na de datum van het indieningsbewijs of het versturen van de aanvraag, hetzij na de verzendingsdatum van de ontbrekende stukken of inlichtingen.
  De in het tweede lid bedoelde termijn wordt opgeschort telkens als in ongeacht welke fase van de procedure een termijn wordt verlengd.
  § 3. Het uitblijven van een beslissing, betekend binnen de in § 2 gestelde termijn, komt neer op de weigering van de milieuvergunning.

  Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de tijdelijke inrichtingen [1 en de inrichtingen van klasse ID.]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-04-03/16, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 52.Indiening van de aanvraag.
  § 1. (De aanvraag tot milieuvergunning bevat de gegevens die vereist zijn volgens artikel 10. Ze wordt ingediend bij de bevoegde overheid die onmiddellijk een indieningsbewijs aflevert aan de aanvrager [1 waarop de behandelingstermijnen van de aanvraag en de rechtsmiddelen tegen haar beslissing]1.
  De aanvraag kan tevens aan de bevoegde overheid gericht worden aan de hand van een per post aangetekende zending.
  [1 Indien de aanvraag per aangetekende brief wordt ingediend, geeft de bevoegde overheid zodra zij die brief ontvangt een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen haar beslissing vermeld staan.]1
  Het Instituut is de bevoegde overheid voor de aanvragen voor vergunningen voor de tijdelijke inrichtingen van klasse I.A en I.B [3 en voor inrichtingen van klasse ID]3 . Het college van burgemeester en schepenen is de bevoegde overheid voor de aanvragen voor vergunningen voor tijdelijke inrichtingen van klasse II.) <ORD 2007-07-19/65, art. 9, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  § 1bis. (In de gevallen bedoeld in artikel 13, § 1, tweede lid, 3°, wordt het dossier onmiddellijk voor advies overgemaakt aan het Instituut wanneer de bevoegde overheid het college van burgemeester en schepenen is of aan deze laatste overgemaakt wanneer de bevoegde overheid het Instituut is.) <ORD 2007-07-19/65, art. 9, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [2 § 1ter. Alvorens het ontvangstbewijs voor de vergunningsaanvraag uit te reiken, zal de bevoegde autoriteit, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten.]2
  § 2. Wanneer het dossier vollediC is, verstuurt (de bevoegde overheid) binnen (vijfentwintig) dagen na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan de aanvrager een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief. <ORD 2001-12-06/57, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 9, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  § 3. Wanneer het dossier onvolledig is, brengt (de bevoegde overheid) de aanvrager hiervan op de hoogte binnen 10 dagen na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag met vermelding van de ontbrekende stukken of inlichtingen. <ORD 2007-07-19/65, art. 9, 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Binnen 10 dagen na ontvangst hiervan, richt (de bevoegde overheid) aan de aanvrager een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief. <ORD 2007-07-19/65, art. 9, 5°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 21, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2012-03-01/15, art. 113, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (3)<ORD 2014-04-03/16, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 53. Afgifte van de vergunning.
  § 1. (De bevoegde overheid) geeft de milieuvergunning af. <ORD 2007-07-19/65, art. 10, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (Ze) stuurt de aanvrager een kennisgeving per ter post aangetekende brief van (haar) beslissing binnen 30 dagen na de datum van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 52, § 2 en § 3, of, wanneer het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier onvolledig is, ontbreken, binnen 30 dagen (vanaf de 26ste dag) na de datum van het indieningsbewijs of het versturen van de aanvraag of de datum van verzending van de ontbrekende stukken of inlichtingen. <ORD 2001-12-06/57, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 10, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (Derde lid geschrapt) <ORD 2007-07-19/65, art. 10, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  § 2. Indien er geen beslissing ter kennis wordt gebracht binnen de in § 1 gestelde termijn, kan de aanvrager, bij een ter post aangetekende brief, een aanmaning sturen aan (de bevoegde overheid). <ORD 2007-07-19/65, art. 10, 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Indien de aanvrager geen beslissing heeft ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 10 dagen, ingaand op de dag waarop de aangetekende aanmaningsbrief ter post is afgegeven, wordt de vergunning geacht te zijn (geweigerd). <ORD 2001-12-06/57, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (Opgeheven). <ORD 2001-12-06/57, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>

  Art. 53bis. [1 Bijzondere procedure in het geval van een passende beoordeling.
   In het geval het aanvraagdossier voor een milieuvergunning voor een tijdelijke installatie een passende beoordeling omvat in toepassing van artikel 61 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, wordt het aanvraagdossier onderzocht, door de bevoegde autoriteit, volgens de proceduremodaliteiten van artikelen 50 en 51, in afwijking van artikel 53.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2012-03-01/15, art. 114, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>

  HOOFDSTUK V. - Rechtsgeldigheid van de beslissingen en de voorwaarden voor de afgifte van milieu-attesten en milieuvergunningen.

  Art. 54. Definitie.
  Voor de toepassing van deze titel, wordt onder " beslissing " verstaan : elke beslissing die uitspraak doet over een aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning, over een administratief beroep of over een aanvraag tot verlenging van een vergunning die krachtens artikel 62 wordt ingediend.

  Art. 55.<ORD 2001-12-06/57, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> In acht te nemen elementen bij het nemen van de beslissing.
  Naast de in de aanvraag of in het beroep vermelde gegevens en onverminderd alle andere inlichtingen die nuttig kunnen zijn, moet bij het nemen van iedere beslissing met de volgende elementen rekening worden gehouden :
  1° (de beste beschikbare technieken om de behoeften aan primaire energie tot een minimum te beperken en de CO2-uitstoot te verminderen, om de gevaren, hinder of ongemakken van de inrichting te voorkomen, te verminderen of te verhelpen, alsook de concrete gebruiksmogelijkheden van deze technieken;) <ORD 2007-06-07/70, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 02-07-2008>
  2° de wisselwerking tussen de gevaren, hinder en ongemakken van de geplande inrichting en die van bestaande inrichtingen;
  3° de waarschijnlijkheid, de mogelijkheid en de gevolgen van zware ongevallen in de geplande inrichting en de wisselwerking ervan met die van de bestaande inrichtingen (domino-effect);
  4° de dwingende bepalingen die van toepassing zijn, met inbegrip van de programma's ter vermindering van de vervuiling en met name de voorschriften en doelstellingen van het gewestplan en het gewestplan betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen die bindend zijn voor de uitreikende overheid anderzijds;
  5° de adviezen die binnen de termijn worden uitgebracht door de geraadpleegde personen en diensten. Indien er een effectenstudie werd uitgevoerd, zal met de gegevens en de besluiten ervan speciaal rekening worden gehouden.
  6° (Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren krachtens artikel 12, § 3 van de ordonnantie van tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, het vermogen van de exploitant om zijn emissies te bewaken en aan te geven.) <ORD 2008-01-31/31, art. 27, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  7° (het ontvankelijk tegemoetkomingsverzoek voor de sluiting van een tankstation bij het Fonds vermeld in het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations.) 2007-07-09/37, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 20-09-2007>
  [1 Nadat de vergunningsaanvraag aan een passende beoordeling van zijn effecten op een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied is onderworpen, beslist de bevoegde autoriteit om het project toe te staan, met of zonder afwijking, of om het project te weigeren, rekening houdende met de criteria en de modaliteiten bepaald in artikel 64 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud. ]1
  Bij het nemen van elke beslissing, moeten de belangen die in artikel 2 worden genoemd en de belangen van de aanvrager of de uitbater onderling worden afgewogen.
  Deze gegevens moeten naar behoren vermeld staan in de motivering van de beslissing ofwel in het dossier zijn opgenomen.
  ----------
  (1)<ORD 2012-03-01/15, art. 115, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>

  Art. 56.Bijzondere uitbatingsvoorwaarden.
  Ongeacht de andere voorwaarden, kan de overheid, die de milieuvergunning afgeeft, het volgende bepalen :
  1° de voorwaarden voor het sluiten van een verzekeringspolis die de burgerlijke aansprakelijkheid van de uitbater dekt in geval van schade ten gevolge van een toestand van gevaar, hinder of ongemak, zoals bedoeld in artikel 2;
  2° de voorwaarden voor de controle van de inrichting en haar omgeving en in het algemeen voor elke periodieke controle die noodzakelijk is voor de bescherming bedoeld in artikel 2;
  3° de voorwaarden voor de maatregelen die moeten worden genomen, wanneer er zich een ongeluk of een incident voordoet, waardoor schade wordt berokkend aan het leefmilieu en de personen die krachtens artikel 2 beschermd worden;
  4° de voorwaarden voor de door het vrachtvervoer te volgen wegen van of naar de inrichting;
  5° de voorwaarden voor de toestand waarin de plaats zich na het beëindigen van de uitbating moet bevinden en de waarborgen die de uitbater daaromtrent moet geven;
  6° de voorwaarden voor de tijdstippen waarop de inrichting in werking mag zijn.
  (7° Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren krachtens artikel 12, § 3, van de ordonnantie van tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, de geschikte maatregelen om het Instituut in staat te stellen deze emissierechten te beheren.) <ORD 2008-01-31/31, art. 28, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  (8° Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren krachtens artikel 12, § 3, van de ordonnantie van tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, een verplichting om bij het Instituut een hoeveelheid emissierechten in te leveren gelijk aan de totale emissies van de inrichting, alsook eisen inzake bewaking, aangifte en verificatie van de emissies.) <ORD 2008-01-31/31, art. 28, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  (9° de voorwaarden betreffende het rationeel energiegebruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen.) <ORD 2007-06-07/70, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 02-07-2008>
  [1 10° elke verzachtende of corrigerende maatregel die het mogelijk maakt om de doelstellingen van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud te garanderen;]1
  [2 11° Voor de voedingssupermarkten, voorwaarden inzake het beheer van de onverkochte voedingswaren waarvan de vervaldatum niet bereikt is, maar die de zaakvoerder niet meer wenst te verkopen en die voldoen aan de wettelijke normen inzake voedselveiligheid.]2
  ----------
  (1)<ORD 2012-03-01/15, art. 116, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (2)<ORD 2014-03-27/74, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 26-03-2015>

  Art. 57. Wijziging van de plannen.
  Wanneer de uitbatingsvoorwaarden die de bevoegde overheid voornemens is op te leggen, wijzigingen inhouden van de plannen die tot staving van de aanvraag zijn ingediend en geen gevolgen hebben voor zijn doelstelling, kan de milieuvergunning worden toegekend na ontvangst van de gewijzigde plannen, zonder deze opnieuw te moeten onderwerpen aan de behandelingsprocedure waartoe de aanvraag aanleiding gaf.

  Art. 58. Mobiele inrichtingen.
  Wanneer een inrichting mobiel is, wijst de milieuvergunning de plaatsen aan waar zij mag worden uitgebaat. De algemene uitbatingsvoorwaarden of de uitbatingsvoorwaarden, vermeld in de milieuvergunning, moeten worden nageleefd op alle plaatsen waar de inrichting wordt uitgebaat.

  Art. 59.Termijn van verval.
  § 1. De bevoegde overheid bepaalt de termijn waarbinnen de milieuvergunning moet worden uitgevoerd. Deze termijn mag niet langer zijn dan 2 jaar na de kennisgeving van de definitieve beslissing.
  [2 In het geval dat verplichtingen inzake identificatie en de behandeling van de bodemverontreiniging moeten worden vervuld vóór de uitvoering van een milieuvergunning in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, wordt deze termijn van rechtswege opgeschort tot het Instituut heeft vastgesteld dat deze verplichtingen correct uitgevoerd werden.]2
  § 2. De milieuvergunning vervalt indien de vergunninghouder, binnen de gestelde termijn, niet duidelijk met de uitvoering van de vergunning van start is gegaan. Het verval van de vergunning geschiedt van rechtswege.
  § 3. Op verzoek van de vergunninghouder, kan evenwel de termijn waarbinnen aan de milieuvergunning uitvoering moest worden gegeven, worden verlengd met een maximumduur van 1 jaar. [1 Het uitstel kan eveneens jaarlijks verlengd worden telkens als de aanvrager kan verantwoorden dat hij zijn vergunning wegens overmacht niet kon toepassen of indien hij staat maakt op een beroep tot nietigverklaring bij de afdeling administratie van de Raad van State, ingediend tegen zijn vergunning en waarover nog geen uitspraak is gedaan.]1 De verlenging moet, op straffe van verval, worden aangevraagd ten minste 3 maanden vóór het verstrijken van de in § 1 bedoelde termijn.
  De verlenging wordt verleend door de uitreikende overheid. Bij het uitblijven van een beslissing na het verstrijken van de termijn, wordt de verlenging geacht toegekend te zijn.
  § 4. De beslissing tot weigering van de verlenging is niet vatbaar voor beroep.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 16, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2009-03-05/30, art. 79,§1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 60. Duur van het attest.
  § 1. Het milieu-attest is 2 jaar geldig.
  § 2. Op verzoek van de attesthouder, kan het attest evenwel worden verlengd met een periode van 1 jaar. De verlenging moet, op straffe van verval, worden aangevraagd ten minste 6 maanden vóór het verstrijken van de in § 1 bedoelde termijn.
  De verlenging wordt verleend door de uitreikende overheid. Bij het uitblijven van een beslissing 3 maanden vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen aan het attest uitvoering moest worden gegeven, wordt de verlenging geacht toegekend te zijn.
  § 3. De beslissing tot weigering van de verlenging is niet vatbaar voor beroep.

  Art. 61. Duur van de vergunning.
  De vergunning is 15 jaar geldig vanaf het begin van de uitbating van de inrichtingen.
  De bevoegde overheid kan deze termijn verminderen; in dit geval, zal zij haar beslissing speciaal met redenen omkleden.
  In geval van tijdelijke inrichtingen, bedraagt de maximumduur van de vergunning evenwel :
  a) drie jaar, indien het gaat om een inrichting die nodig is voor een bouwterrein;
  b) drie maanden, in de overige gevallen.

  Art. 62.Verlenging van de vergunning.
  § 1. De geldigheidsduur van de milieuvergunning kan voor een nieuwe periode van 15 jaar worden verlengd. De geldigheidsduur van de milieuvergunning voor een tijdelijke inrichting kan evenwel niet worden verlengd.
  § 2. De houder van de milieuvergunning vraagt de verlenging van zijn vergunning aan bij een ter post aangetekende brief [1 of per drager]1 aan de (in eerste instantie) uitreikende overheid en dit uiterlijk 1 jaar vóór het verstrijken van de geldigheidsduur, zoniet, moet hij een nieuwe aanvraag om een milieuvergunning indienen. <ORD 2001-12-06/57, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  [1 De bevoegde overheid geeft zodra ze de aanvraag per aangetekende brief of per drager ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]1
  § 3. De aanvraag tot verlenging bevat de volgende gegevens :
  1° als de aanvrager een natuurlijke persoon is : zijn naam, voornaam en woonplaats; als het om een rechtspersoon gaat : de naam van de firma of van de vennootschap, de rechtsvorm, het adres van de zetel van de vennootschap, alsook de hoedanigheid van de ondertekenaar van de aanvraag;
  2° de lijst van de ingedeelde inrichtingen waarvoor de verlenging van de milieuvergunning wordt aangevraagd;
  3° de wijzigingen die aan de ingedeelde inrichtingen werden aangebracht sinds de afgifte van de milieuvergunning.
  [2 4° in voorkomend geval, een evaluatie opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon dat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving bevat van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. Als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet de effectenevaluatie worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon.]2
  De Regering kan de gegevens die moeten worden vermeld in de aanvraag tot verlenging van de milieuvergunning nader omschrijven en aanvullen.
  § 4. Wanneer het dossier volledig is, richt de bevoegde overheid binnen 30 dagen na de datum van verzending van de verlengingsaanvraag, bij een ter post aangetekende brief, aan de aanvrager een ontvangbewijs.
  (Zodra het dossier volledig is, vraagt de bevoegde overheid de adviezen die vereist zijn krachtens artikel 13 van deze ordonnantie.) <ORD 2001-12-06/57, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (Wanneer de in eerste instantie uitreikende overheid echter overweegt nieuwe exploitatievoorwaarden op te leggen omdat een inrichting, bij het uitvoeren van een of meerdere industriële activiteiten als bedoeld in bijlage I van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 oktober 2007 tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor bepaalde ingedeelde inrichtingen, een dusdanige verontreiniging veroorzaakt dat de emissiegrenswaarden van de milieuvergunning moeten worden herzien of dat nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen, dan worden de verlengingsaanvraag, het ontwerp van nieuwe exploitatievoorwaarden en een toelichtende nota aan een openbaar onderzoek van vijftien dagen onderworpen vóór enige beslissing wordt genomen.
  De toelichtende nota, die is opgesteld door de in eerste instantie uitreikende overheid, moet het mogelijk maken de draagwijdte van de beoogde nieuwe exploitatievoorwaarden te beoordelen.
  Wanneer de verlengingsaanvraag een inrichting van klasse I A of I B betreft, moet de in eerste instantie uitreikende overheid het volledige dossier bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied de inrichting zich bevindt, en moet dit college het openbaar onderzoek organiseren binnen twee weken na ontvangst van voornoemd dossier. Binnen tien dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek, bezorgt het college van burgemeester en schepenen de klachten en opmerkingen aan de in eerste instantie uitreikende overheid.) <ORD 2008-07-10/41, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  § 5. Wanneer het dossier niet volledig is, brengt de bevoegde overheid de aanvrager hiervan op de hoogte binnen 30 dagen na de datum van verzending van de aanvraag tot verlenging, met vermelding van de ontbrekende stukken en inlichtingen.
  Binnen 10 dagen na de datum van verzending hiervan, stuurt de uitreikende overheid een ontvangbewijs aan de aanvrager bij een ter post aangetekende brief.
  § 6. De bevoegde overheid stuurt de aanvrager een kennisgeving van haar beslissing uiterlijk 6 maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning. Zij kan er nieuwe uitbatingsvoorwaarden aan toevoegen [2 en zich, in voorkomend geval, uitspreken over de rechtvaardiging van het aantal parkeerplaatsen toegestaan in toepassing van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing in afwijking van artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van datzelfde Wetboek.]2.
  [2 Onverminderd artikel 13ter, § 2 weigert de bevoegde overheid deels de verlenging voor het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op overtollige parkeerplaatsen in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.]2
  Indien er binnen deze termijn geen beslissing ter kennis wordt gebracht, kan de aanvrager, bij een ter post aangetekende brief, een aanmaning sturen aan de bevoegde overheid. Indien, bij het verstrijken van een nieuwe termijn van twee maanden met ingang op de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending met de aanmaning, de aanvrager geen beslissing heeft ontvangen, wordt de vergunning geacht te worden verlengd voor een duur van 15 jaar. [2 In zover ze verband houdt met het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op parkeerplaatsen die de normen vastgelegd in artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing overschrijden, wordt de vergunning verlengd volgens de voorwaarden die in de verlengingsaanvraag zijn vermeld, onverminderd artikel 13ter, § 2.]2.
  § 7. De verlenging van de duur van de milieuvergunning stelt de vergunninghouder niet vrij van zijn plichten en belemmert de toepassing niet van de maatregelen en strafbepalingen bedoeld in de artikelen 95 en 96 voor de feiten die voorafgaan aan de beslissing, zij het een stilzwijgende, tot verlenging.
  § 8. Iedere beslissing tot verlenging moet (ingeschreven worden in het register bedoeld in artikel 86 en) aangeplakt worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 87. <ORD 2008-07-10/41, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  Bij een stilzwijgende beslissing, moet de aanvrager een bericht aanplakken dat de stilzwijgende verlenging bekendmaakt.
  De Regering stelt de regels voor de toepassing van deze paragraaf vast.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 22, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Art. 63.Verplichtingen van de vergunninghouders.
  § 1. Onverminderd de verplichtingen die hem door andere bepalingen zijn opgelegd, moet elke houder van een milieuvergunning :
  1° zijn vergunning of de hiervoor geldende beslissing, alsook elke beslissing tot wijziging, schorsing of intrekking van de milieuvergunning aanplakken op het gebouw waarin de inrichtingen zich bevinden en, in de buurt van de inrichting, op een van de openbare weg zichtbare plaats;
  2° kennis geven, aan de bevoegde overheid in eerste instantie, ten minste 15 dagen op voorhand, van de datum waarop de uitvoering van de milieuvergunning kan beginnen;
  3° alle nodige maatregelen treffen om de gevaren, hinder of ongemakken ten gevolge van de inrichting te voorkomen, te verminderen of te verhelpen;
  4° onmiddellijk het Instituut en de gemeente op de hoogte brengen van elk ongeval of incident dat het leefmilieu of de gezondheid en de veiligheid van de personen zou kunnen schaden;
  5° onmiddellijk de bevoegde overheid in eerste instantie op de hoogte brengen van de veranderingen die zich sinds de afgifte van de milieuvergunning hebben voorgedaan in één van de gegevens of voorwaarden vermeld in het aanvraagdossier of in de milieuvergunning;
  6° onmiddellijk de bevoegde overheid in eerste instantie inlichten over elke verandering van vergunninghouder, alsook over elke stopzetting van de activiteiten; [1 deze aangifte wordt ondertekend door de overdrager en de overnemer van de vergunning. De overnemer van een milieuvergunning voor een risicoactiviteit in de zin van artikel 3, 3°, van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, moet instaan voor de verplichtingen die worden voorgeschreven in voormelde ordonnantie.[3 ...]3]1
  7° in de door de Regering gestelde gevallen, (regelmatig en ten minste een keer per jaar) een verslag opstellen betreffende de naleving van de dwingende bepalingen die van toepassing zijn en van de voorwaarden van de milieuvergunning en dat gewijd is aan de specifieke maatregelen die werden goedgekeurd voor de verwezenlijking van de in artikel 2 bedoelde doelstellingen, met inbegrip van het aanwenden van de beste beschikbare technologieën. Hiertoe, kan de uitbater een beroep doen op de diensten van de door de Regering erkende personen. (Hij brengt buiten zijn bedrijf de bekendmaking aan dat het verslag opgesteld is en dat een vereenvoudigde versie ervan beschikbaar is bij het Instituut); <ORD 2001-12-06/57, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (8° de bevoegde overheid de gegevens bezorgen die noodzakelijk zijn om toe te zien op de naleving van de in de vergunning gestelde voorwaarden.) <ORD 2001-12-06/57, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  § 2. Elke persoon die de houder is of was van een milieuvergunning, is bovendien verplicht de plaats van een inrichting waarvan de uitbating ten einde loopt of niet meer toegelaten is, opnieuw in een dusdanige toestand te brengen dat er zich geen gevaar, hinder of ongemak voordoet.
  [2 Wanneer het herstel leidt tot de identificatie en behandeling van een bodemverontreiniging, is de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems van toepassing.]2
  § 3. De Regering kan aan de houders van milieuvergunningen andere verplichtingen opleggen.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-05/30, art. 79,§2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<ORD 2009-03-05/30, art. 79,§3, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<ORD 2017-06-23/23, art. 80, 030; Inwerkingtreding : 23-07-2017>

  Art. 64.[1 Wijziging van de uitbatingsvoorwaarden.]1
  § 1. De (in eerste instantie) uitreikende overheid wijzigt de milieuvergunning, wanneer zij vaststelt dat deze vergunning niet of niet meer de passende voorwaarden inhoudt, met inbegrip van het gebruik van de beste beschikbare technologieën, om het gevaar, de hinder of de ongemakken voor het leefmilieu en de gezondheid te vermijden, te beperken of te verhelpen. <ORD 2001-12-06/57, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (Wanneer de in eerste instantie uitreikende overheid overweegt nieuwe exploitatievoorwaarden op te leggen omdat een inrichting, bij het uitvoeren van een of meerdere industriële activiteiten als bedoeld in bijlage I van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 oktober 2007 tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor bepaalde ingedeelde inrichtingen, een dusdanige verontreiniging veroorzaakt dat de emissiegrenswaarden van de milieuvergunning moeten worden herzien of dat nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen, dan worden het ontwerp van nieuwe exploitatievoorwaarden en een toelichtende nota aan een openbaar onderzoek van vijftien dagen onderworpen vóór enige beslissing wordt genomen.
  De toelichtende nota, die is opgesteld door de in eerste instantie uitreikende overheid, moet het mogelijk maken de draagwijdte van de beoogde nieuwe exploitatievoorwaarden te beoordelen.
  Wanneer de milieuvergunning een inrichting van klasse I A of I B betreft, moet de in eerste instantie uitreikende overheid het ontwerp van nieuwe exploitatievoorwaarden en de toelichtende nota bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied de inrichting zich bevindt, en moet dit college het openbaar onderzoek organiseren binnen twee weken na ontvangst van voornoemde documenten. Binnen tien dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek bezorgt het college van burgemeester en schepenen de klachten en opmerkingen aan de in eerste instantie uitreikende overheid.) <ORD 2008-07-10/41, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  Zij kan ze tevens wijzigen op verzoek van de houder van de milieuvergunning op voorwaarde dat ze niet een groter gevaar of grotere hinder voor het leefmilieu en de gezondheid met zich brengt.
  (Het Instituut past de vergunning aan door de broeikasgasemissierechten erin op te nemen of te schrappen.) <ORD 2008-01-31/31, art. 29, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  § 2. Elke beslissing tot wijziging wordt genomen, nadat de houder van de milieuvergunning de kans heeft gekregen zijn opmerkingen ofwel mondeling, ofwel schriftelijk, bekend te maken.
  § 3. De beslissing tot wijziging wordt met redenen omkleed en aan de houder van de milieuvergunning bij een ter post aangetekende brief betekend. (Bovendien dient dit te worden ingeschreven in het in artikel 86 bedoelde register en aangeplakt volgens de bepalingen van artikel 87.) <ORD 2008-07-10/41, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 17, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  Art. 65. Schorsing of intrekking.
  De uitrdt genomen, nadat de houder van eikende overheid kan de milieuvergunning schorsen of intrekken, indien de houder van de milieuvergunning niet naleeft wat volgt :
  1° de algemene uitbatingsvoorwaarden voor de inrichtingen, vastgesteld bij besluit van de Regering;
  2° de bijzondere voorwaarden opgenomen in de milieuvergunning;
  3° de verplichtingen opgesomd in artikel 63.
  Elke beslissing tot schorsing of tot intrekking worde milieuvergunning de kans heeft gekregen zijn opmerkingen ofwel mondeling, ofwel schriftelijk, bekend te maken.
  De beslissing tot schorsing of tot intrekking wordt aan de houder van de milieuvergunning bij een ter post aangetekende brief betekend.

  TITEL III. - Activiteiten onderworpen aan voorafgaande aangifte.

  Art. 66.Aangifteprocedure.
  § 1. De aangifte betreffende de inrichtingen van klasse (I.C. of) III wordt gedaan via een formulier waarvan de inhoud en het model worden vastgesteld door de Regering. Het formulier wordt bij een ter post aangetekende brief [1 of per drager]1 opgestuurd aan (de bevoegde overheid). <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (Het Instituut is de bevoegde overheid voor de aangiften van klasse I.C. Het College van burgemeester en schepenen is de bevoegde overheid voor de aangiften van klasse III.) <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [1 De bevoegde overheid geeft zodra ze de aangifte per aangetekende brief of per drager ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]1
  § 2. Wanneer de aangifte volledig is, stuurt (de bevoegde overheid) een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief aan de aangever en stuurt het een afschrift van de aangifte aan het Instituut (of aan het College van burgemeester en schepenen al naargelang het gaat om een aangifte van klasse III of van klasse 1.C) binnen 20 dagen na ontvangst van de aangifte. <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 3° en 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Wanneer de aangifte niet volledig is, brengt (de bevoegde overheid) de aanvrager hiervan op de hoogte binnen 20 dagen na ontvangst van de aangifte en vermeldt het welke documenten en inlichtingen ontbreken. <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 5°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Binnen 10 dagen na ontvangst ervan, verricht (de bevoegde overheid) de in het eerste lid bedoelde handelingen. <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 6°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 67. Aanvang van de uitbating.
  De uitbating, de verplaatsing, de heropstarting van de uitbating, de verbouwing of de uitbreiding van inrichtingen van klasse (I.C of) III kan worden aangevat na ontvangst van het ontvangbewijs dat akte neemt van de aangifte door de aanvrager of, bij ontstentenis, de dag na het verstrijken van de termijn waarbinnen dit moest worden betekend. <ORD 2007-07-19/65, art. 12, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>

  Art. 68. Bijzondere uitbatingsvoorwaarden.
  Ongeacht andere voorwaarden, kan (de bevoegde overheid) die een voorafgaande aangifte ontvangt, aan de aangever, na hem de mogelijkheid te hebben gegeven om zijn opmerkingen mondeling of schriftelijk uit te drukken, volgende voorwaarden opleggen : <ORD 2007-07-19/65, art. 13, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  1° de voorwaarden voor het sluiten van een verzekeringspolis die de burgerlijke aansprakelijkheid van de uitbater dekt in geval van schade ten gevolge van een toestand van gevaar, hinder of ongemak zoals bedoeld in artikel 2;
  2° de voorwaarden voor de controle van de inrichting en haar omgeving en in het algemeen voor elke periodieke controle die noodzakelijk is voor de bescherming bedoeld in artikel 2;
  3° de voorwaarden voor de maatregelen die moeten worden genomen wanneer er zich een ongeluk of een incident voordoet waardoor schade wordt berokkend aan het leefmilieu en de personen die krachtens artikel 2 beschermd worden;
  4° de voorwaarden voor de door het vrachtvervoer te volgen wegen van of naar de inrichting;
  5° de voorwaarden voor de toestand waarin de plaats zich na het beëindigen van de uitbating moet bevinden en de waarborgen die de uitbater daaromtrent moet geven;
  6° de voorwaarden voor de tijdstippen waarop de inrichting in werking mag zijn.

  Art. 69.Aanplakking van de aangifte of van de uitbatingsvoorwaarden.
  De uitbater van een inrichting van klasse (I.C of van klasse) III is verplicht het ontvangbewijs van zijn aangifte, alsook [1 het in artikel 87 bedoelde advies]1, aan te plakken. Het aanplakbiljet moet worden aangebracht op het gebouw waarin de inrichtingen zich bevinden en, in de buurt van de inrichting, op een van de openbare weg zichtbare plaats.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 18, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  TITEL IV. - Personen onderworpen aan de erkenning.

  HOOFDSTUK I. - Indiening van de aanvraag.

  Art. 70. Personen onderworpen aan de erkenning.
  De Regering wijst de natuurlijke of rechtspersonen aan die wegens hun activiteit aan de voorafgaande erkenning zijn onderworpen.
  Zij kan de bijzondere regels eigen aan elke erkenningscategorie vastleggen.

  Art. 71.Inhoud van de aanvraag.
  § 1. Onverminderd de bepalingen voor elke activiteit die aan een erkenning is onderworpen, wordt de aanvraag ingediend met de volgende stukken en inlichtingen :
  1° indien het gaat om een natuurlijke persoon :
  a) de naam, voornaam en woonplaats van de aanvrager;
  b) een nota, samen met de bewijsstukken, met beschrijving van de bevoegdheden, de diploma's, de beroepservaring en de technische middelen waarover de aanvrager beschikt;
  c) [1 ...]1
  2° indien het gaat om een rechtspersoon :
  a) zijn rechtsvorm, de naam van de firma of van de vennootschap, de zetel van de vennootschap en de hoedanigheid van de ondertekenaar van de aanvraag;
  b) een afschrift van de bekendmaking van zijn statuten en van de laatste akte tot benoeming van de bestuurders of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de aanvraag tot bekendmaking van de statuten;
  c) de lijst van de namen van de bestuurders, de zaakvoerders of personen die voor de vennootschap verbintenissen kunnen aangaan en de personen die de activiteit uitoefenen waarvoor de erkenningsaanvraag wordt ingediend;
  d) een beschrijvende nota met voor elk van deze personen de bevoegdheden, de diploma's en de beroepservaring;
  e) de technische middelen waarover de aanvrager beschikt;
  f) [1 ...]1
  [1 3° indien het gaat om een persoon die houder is van een gelijkwaardig document dat is uitgereikt in een ander Gewest of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte :
   a) een kopie van het document dat is uitgereikt door de bevoegde overheid van het Gewest of van de lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
   b) indien het document in een andere taal werd uitgereikt, een vertaling daarvan in het Nederlands of het Frans, naar gelang van de taal die is gekozen voor de indiening van de erkenningsaanvraag;
   c) elk element op basis waarvan de aanvrager kan aantonen dat de voorwaarden voor de verwerving van het document dat hij bezit gelijk zijn aan de voorwaarden die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest oplegt.]1
  De Regering kan [1 de in 1°, 2° en 3° bedoelde]1 elementen nader omschrijven en aanvullen.
  § 2. De erkenningsaanvraag wordt in 4 exemplaren bij een ter post aangetekende brief [1 of per drager]1 opgestuurd aan het Instituut.
  [1 Het Instituut geeft zodra het de aanvraag per aangetekende brief of per drager ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van de Regering vermeld staan.]1
  § 3. Wanneer het dossier volledig is, verricht het Instituut binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag de volgende handelingen :
  1° het stuurt de aanvrager een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief;
  2° het zendt een afschrift van de aanvraag over aan de personen en diensten waarvan het advies is vereist krachtens artikel 72.
  § 4. Wanneer het dossier niet volledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag en vermeldt het de stukken of inlichtingen die ontbreken.
  Binnen 10 dagen na ontvangst hiervan, verricht het Instituut de in [1 paragraaf 3]1 vermelde handelingen.
  § 5. Bij het uitblijven van de kennisgeving van het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier niet volledig is, wordt de in artikel 73, § 2 bedoelde proceduretermijn berekend vanaf de 31ste dag na de verzendingsdatum van de aanvraag of vanaf de 11de dag na de verzendingsdatum van de in § 3 bedoelde ontbrekende stukken of inlichtingen.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 24, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  HOOFDSTUK II. - Onderzoek van de aanvraag.

  Art. 72. Raadpleging van besturen.
  § 1. Zodra het ontvangbewijs van een erkenningsaanvraag is betekend, vraagt het Instituut naargelang het geval het advies :
  1° van het Bestuur Uitrusting en Vervoerbeleid voor de aspecten verbonden met transport en verkeer;
  2° van de Dienst Monumenten en Landschappen voor de aspecten verbonden met de bescherming van het erfgoed;
  3° van het Bestuur voor Ruimtelijke Ordening en Huisvesting voor de aangelegenheden verbonden met planning en stedenbouw;
  4° van het Bestuur Economie voor de aspecten verbonden met de economische ontwikkeling.
  § 2. De adviezen worden uitgebracht en aan het Instituut meegedeeld binnen 60 dagen na het versturen van het verzoek om advies. Na deze termijn, wordt het advies gunstig geacht.

  Art. 73. Beslissing van de Regering.
  § 1. De Regering geeft de erkenning af in het bijzonder rekening houdende met de elementen van de aanvraag en de ontvangen adviezen.
  § 2. Zij deelt haar beslissing aan de aanvrager mee bij een ter post aangetekende brief binnen 120 dagen na het versturen van de erkenningsaanvraag. Deze termijn kan, bij een met redenen omklede beslissing, eenmalig worden verlengd met een maximumduur van 45 dagen.
  Indien er geen beslissing ter kennis wordt gebracht binnen de termijn, die eventueel wordt verlengd, komt dat neer op de weigering van de erkenning.

  HOOFDSTUK III. - Inhoud van de erkenning.

  Art. 74. Inhoud en openbaarmaking van de erkenning.
  De erkenning bepaalt de activiteiten waarvoor de aanvrager erkend is.
  Zij wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Alle handelingen, facturen, publicaties, brieven, rekeningen van bestellingen en andere stukken afkomstig van de erkende persoon moeten zijn erkenning en de duur ervan vermelden.

  Art. 75. Duur van de erkenning.
  (De erkenning wordt toegekend voor een periode van maximum vijftien jaar. De Regering kan per soort erkenning een kortere maximumperiode bepalen.) <ORD 2001-12-06/57, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>

  Art. 76. Wijziging.
  Onverminderd de verplichtingen die hem door andere bepalingen zijn opgelegd, moet elke erkende persoon de uitreikende overheid onmiddellijk op de hoogte brengen van elke wijziging van één van de elementen van zijn erkenning.

  Art. 76bis. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 14; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Wijziging van de erkenning.
  § 1. De in eerste instantie uitreikende overheid kan, op verzoek van de erkenninghouder, de erkenning wijzigen. Bij die wijziging, dienen de voorwaarden voor de toekenning van de erkenning waarin de bestaande regelgeving voorziet, echter wel te worden nageleefd.
  § 2. Elke beslissing tot wijziging van de erkenning wordt genomen na de erkenninghouder de kans te hebben gegeven zijn opmerkingen schriftelijk of mondeling bekend te maken.
  § 3. De beslissing tot wijziging wordt met redenen omkleed en wordt aan de erkenninghouder bij een ter post aangetekende brief meegedeeld. Ze wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

  Art. 77. Schorsing of intrekking.
  § 1. De uitreikende overheid kan de erkenning op ieder ogenblik schorsen of intrekken indien de erkenninghouder :
  1° zijn erkenningsvoorwaarden niet meer vervult;
  2° prestaties levert waarvoor hij niet is erkend of die ontoereikend zijn.
  § 2. Elke beslissing tot schorsing of intrekking van de erkenning wordt genomen, nadat de erkenninghouder de kans heeft gekregen zijn opmerkingen ofwel mondeling, ofwel schriftelijk, bekend te maken.
  § 3. De beslissing tot schorsing of intrekking wordt aan de erkenninghouder meegedeeld bij een ter post aangetekende brief. Zij wordt bovendien bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

  Art. 78. Lijst van de erkende personen.
  De lijst van de erkende personen en de activiteiten waarvoor zij erkend zijn wordt jaarlijks in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

  TITEL IVbis. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> - Personen onderworpen aan registratie.

  Art. 78/1. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Personen onderworpen aan registratie.
  De Regering stelt de lijst vast van de activiteiten waarvoor de uitoefenaars ervan zich vooraf moeten laten registreren. Ze kan de bijzondere nadere registratievoorschriften bepalen die voor elke activiteitencategorie gelden.

  Art. 78/2.<Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Registratieprocedure.
  § 1. De aan de uitoefening van de activiteit voorafgaande registratie wordt gedaan via een formulier waarvan de inhoud en het model voor de Regering bepaald worden. Het formulier wordt bij een ter post aangetekende zending [1 of per drager]1 aan het Instituut betekend.
  [1 Het Instituut geeft zodra het het formulier per aangetekende brief of per drager ontvangt een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.
   Indien de registratieaanvraag wordt ingediend door een persoon die in het bezit is van een gelijkwaardig document dat is uitgereikt in een ander Gewest of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, moet die aanvraag de volgende stukken bevatten :
   a) een kopie van het document dat is uitgereikt door de bevoegde overheid van het Gewest of van de lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
   b) indien het document in een andere taal werd uitgereikt, een vertaling daarvan in het Nederlands of het Frans, naar gelang van de taal die is gekozen voor de indiening van de registratieaanvraag;
   c) onverminderd punt d), elk element op basis waarvan de aanvrager kan aantonen dat de voorwaarden voor de verwerving van het document dat hij bezit gelijk zijn aan de voorwaarden die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest oplegt;
   d) het bewijs van de naleving van de bijkomende voorwaarden die de Regering vastlegt.]1
  § 2. Als het betekende registratieformulier volledig is, stuurt het Instituut de verzender binnen 20 werkdagen na verzending van het registratieformulier een ter post aangetekend ontvangstbewijs.
  Wanneer het registratieformulier niet volledig is, brengt het Instituut de verzender daarvan op de hoogte binnen 5 dagen na ontvangst van het formulier en vermeldt het welke documenten en inlichtingen ontbreken.
  Binnen drie werkdagen na verzending van de ontbrekende documenten en inlichtingen bij ter post aangetekend schrijven, stuurt het Instituut de verzender een ter post aangetekend ontvangstbewijs.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 25, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>

  Art. 78/3. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Aanvang van de activiteit.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 78/4, kan de activiteit een aanvang nemen na ontvangst van het ontvangstbewijs dat de registratie bevestigd of, bij niet-ontvangst ervan, de dag na het verstrijken van de termijn waarover het Instituut beschikt om het op te sturen.

  Art. 78/4. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Algemene en bijzondere voorwaarden.
  § 1. Vóór een activiteit onderworpen, wordt aan de registratieformaliteit kan de Regering de algemene voorwaarden met betrekking tot de uitoefening van die activiteit bepalen.
  § 2. Het Instituut kan, op het ogenblik dat het in artikel 78/2 bedoelde ontvangstbewijs verstuurt of wanneer het later vaststelt dat de activiteiten waarvan sprake in de registratie een als in artikel 2 bedoeld gevaar, hinder of ongemak veroorzaken, elke verzender ook bijzonder voorwaarden opleggen betreffende de uitoefening van zijn activiteit, met name :
  1. voorwaarden voor het sluiten van een verzekeringspolis die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzender dekt in geval van schade ten gevolge van een vorm van gevaar, hinder of ongemak zoals bedoeld in artikel 2;
  2. voorwaarden voor de maatregelen die moeten worden genomen wanneer er zich een voorval of ongeluk voordoet dat schade kan berokkenen aan het leefmilieu en aan de personen die krachtens artikel 2 beschermd worden;
  3. voorwaarden voor de tijdstippen waarop de inrichting in werking mag zijn.

  Art. 78/5. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Schorsing of intrekking.
  § 1. Het Instituut kan te allen tijde de registratie schorsen of intrekken als de verzender :
  1. de hem opgelegde voorwaarden voor de uitoefening van zijn activiteit niet naleeft;
  2. andere aan een registratie onderworpen prestaties levert, dan die waarvoor hij geregistreerd werd, of prestaties levert die op het vlak van kwaliteit ontoereikend zijn.
  § 2. Elke beslissing tot schorsing of intrekking van de registratie wordt genomen na de verzender de mogelijkheid te hebben gegeven zijn opmerkingen schriftelijk of mondeling bekend te maken.

  Art. 78/6. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> De krachtens artikel 78/1 vereiste registratie moet worden aangevraagd uiterlijk binnen zes maanden na de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de lijst van aan registratie onderworpen activiteiten. Mits aan die voorwaarden voldaan wordt, mag de activiteit zonder registratie worden voortgezet.

  Art. 78/7. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> De registratie wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

  TITEL V. - De administratieve rechtsmiddelen.

  Art. 79.Het Milieucollege.
  Er wordt een Milieucollege opgericht dat bevoegd is voor de behandeling van de beroepen tegen de beslissingen van de bevoegde overheid, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
  [1 Het Milieucollege bestaat uit 9 deskundigen, benoemd door de Regering, op een dubbele lijst van kandidaten voorgedragen door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. De mandaten worden voor 6 jaar toegekend en zijn eenmaal hernieuwbaar. Het Milieucollege wordt om de 3 jaar voor een derde van zijn leden hernieuwd.]1
  De Regering bepaalt de organisatie en de regels voor de werking van het Milieucollege, de vergoeding van zijn leden, alsook de onverenigbaarheidsregels. Het secretariaat wordt door de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waargenomen.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-05/30, art. 79,§4, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 80.Beroep bij het Milieucollege.
  § 1. [1 De aanvrager en elk lid van het betrokken publiek kunnen bij het Milieucollege beroep aantekenen tegen de beslissingen, ook al zijn zij stilzwijgend genomen, die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 7bis, 7ter, 17, 32, 36, 43, 47, 51, 53, 62, 64, 65, 68, 73, 76bis, 77, 78/2, § 2, 78/4, § 2 en 78/5 van deze ordonnantie.]1
  Binnen 5 dagen na ontvangst van het beroep, zendt het Milieucollege een afschrift ervan aan de overheid die de bestreden beslissing heeft genomen, alsook aan de aanvrager wanneer deze niet de verzoeker is.
  De verzoeker of zijn raadsman, alsook de bevoegde overheid of haar gemachtigde worden op hun verzoek door het Milieucollege gehoord. Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen.
  De in het tweede lid bedoelde overheid stuurt het Milieucollege, binnen 10 dagen na ontvangst van het afschrift van het beroep, een afschrift van het dossier.
  § 2. [2 De beslissing van het Milieucollege wordt aan de verzoeker en aan de bevoegde overheid meegedeeld binnen 60 dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending die het eerste beroep bevat. Indien verschillende beroepen worden ingesteld tegen dezelfde beslissing, wordt de termijn van 60 dagen verlengd met het aantal dagen die liggen tussen de datums van afgifte bij de post van de aangetekende zendingen van het eerste en het laatste van die beroepen, met evenwel een maximum van 25 dagen. In dat geval, brengt het Milieucollege de partijen op de hoogte van de datum waarop de kennisgevingstermijn ingaat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn verlengd met 15 dagen. Ingeval de begindatum van de kennisgevingstermijn in de periode van 15 juni tot 15 augustus valt, wordt die termijn verlengd met 45 dagen.]2
  [1 De beslissing van het Milieucollege vervangt de bij hem aanhangig gemaakte beslissing.]1
  § 3. Als er geen kennisgeving van de beslissing wordt verstuurd binnen de voorgeschreven termijn, dan wordt de bestreden beslissing, ook al is zij stilzwijgend genomen, geacht bevestigd te zijn.
  § 4. Tegen beslissing van het Milieucollege betreffende de afgifte, de wijziging, de schorsing of de intrekking van een erkenning, kan geen beroep worden ingesteld bij de Regering.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 19, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2014-05-08/54, art. 127, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 81. Beroep bij de Regering.
  § 1. (De aanvrager en elk lid van het betrokken publiek kunnen) bij de Regering een beroep instellen tegen een beslissing van het Milieucollege of, met toepassing van artikel 80, § 3, tegen de bevestiging van de bestreden beslissing, al is zij stilzwijgend genomen, van de bevoegde overheid. <ORD 2008-07-10/41, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  In afwijking op het eerste lid, wordt geen enkel beroep ingesteld bij de Regering tegen de beslissing van het Milieucollege betreffende de afgifte, de wijziging, de schorsing of de intrekking van een erkenning.
  De Regering of de persoon die zij hiertoe machtigt hoort, op hun aanvraag, de verzoeker of zijn raadsman en het Milieucollege of zijn gemachtigde. Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de andere partijen betrokken bij het beroep opgeroepen.
  § 2. De beslissing van de Regering wordt aan de partijen betekend binnen 60 dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met 15 dagen verlengd.
  (§ 3. De Regering kan het attest, de milieuvergunning of de erkenning afgeven, of de registratie bevestigen, overeenkomstig de bepalingen van de titels II, IV en IVbis.) <ORD 2001-12-06/57, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>

  Art. 82. Geen kennisgeving van de beslissing binnen de termijn.
  Indien de beslissing niet ter kennis wordt gebracht binnen de in artikel 81, § 2 voorgeschreven termijn, kan de aanvrager bij een ter post aangetekende brief de Regering een aanmaning sturen.
  Indien de aanvrager geen beslissing heeft ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen die ingaat op de dag waarop de aangetekende aanmaningsbrief ter post is afgegeven, dan is de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, ook al is zij stilzwijgend genomen, bevestigd.
  Wanneer de aanvrager met de uitvoering van de werken begint of de handelingen verricht, is hij verplicht dit ter kennis te brengen van derden door middel van aanplakking op het goed.

  Art. 83. Termijn van indiening van het beroep.
  Het beroep moet bij ter post aangetekend schrijven aan de bevoegde overheid worden gericht binnen 30 dagen na :
  1° ontvangst van de kennisgeving van de beslissing of bij het verstrijken van de termijn om uitspraak te doen wanneer het beroep uitgaat van de aanvrager;
  2° aanplakking van de beslissing of van de aangifte door de vergunninghouder of door de aangever, in de buurt van de inrichting, op een van de openbare weg zichtbare plaats;
  3° bekendmaking bij uittreksel van de erkenning (of de registratie) in het Belgisch Staatsblad. <ORD 2001-12-06/57, art. 18, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (4° publicatie van de beslissing via elektronische weg door middel van het register bijgehouden door het Instituut en voor het publiek toegankelijk gesteld overeenkomstig artikel 86.) <ORD 2008-07-10/41, art. 10, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>

  Art. 84. Effect van het beroep.
  § 1. Het beroep heeft geen schorsende kracht.
  § 2. Het beroep schorst de bestreden beslissing slechts wanneer ze door ernstig gevaar of onherstelbare schade behoorlijk is gemotiveerd en werd ingediend door :
  1° de gemeente voor de inrichtingen (al dan niet tijdelijk) van klasse I.A. of I.B; <ORD 2007-07-19/65, art. 16, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  2° het Instituut voor de inrichtingen (al dan niet tijdelijk) van klasse II (...); <ORD 2007-07-19/65, art. 16, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  3° de gemachtigde ambtenaar bedoeld in artikel 7 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw.
  In dit geval, wordt tot de schorsing van de bestreden beslissing opdracht gegeven binnen 5 werkdagen na de indiening van het beroep door de voorzitter van het Milieucollege of door het lid dat hij hiertoe aanwijst.
  § 3. Binnen 5 werkdagen vóór de indiening van haar beroep tot schorsing, moet de eisende partij een afschrift hiervan versturen aan de bevoegde overheid en, in voorkomend geval, aan de aanvrager van het milieu-attest of de milieuvergunning. Zij moet het bewijs van haar zendingen bij het beroep voegen.
  Alvorens zich uit te spreken over het schorsende karakter van het beroep, moet de voorzitter van het Milieucollege of het lid van het Milieucollege dat hij hiertoe heeft aangewezen de partijen horen. De verzoeker, de bevoegde overheid en de aanvrager van het milieu-attest of van de milieuvergunning moeten aanwezig zijn of vertegenwoordigd zijn tijdens dit verhoor. Indien de verzoeker noch aanwezig is, noch vertegenwoordigd is, wordt de schorsing verworpen. De andere partijen die noch aanwezig zijn, noch vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de schorsing indien hiertoe opdracht wordt gegeven.

  TITEL VI. - Openbaarmaking van de beslissingen.

  Art. 85.Kennisgeving.
  Elke beslissing tot afgifte of weigering, wijziging, (verlenging,) schorsing of intrekking van het milieu-attest of de milieuvergunning, of (...) elke voorafgaande aangifte (registratie) of beslissing, waarbij aan een inrichting van klasse (I.C of van klasse) III bijzondere uitbatingsvoorwaarden worden opgelegd, wordt aan de bevoegde overheid ter kennis gebracht binnen 8 dagen : <ORD 2001-12-06/57, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 17, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008> <ORD 2008-07-10/41, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  1° (voor al dan niet tijdelijke inrichtingen van [1 klasse IA, IB en ID]1 , of inrichtingen van klasse I.C), aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan het project moet worden uitgevoerd; <ORD 2007-07-19/65, art. 17, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  2° (voor al dan niet tijdelijke inrichtingen van klasse II en inrichtingen van klasse III), aan het Instituut; <ORD 2007-07-19/65, art. 17, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (3° voor de registraties, aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente van de woonplaats of maatschappelijke zetel van de verzender.) <ORD 2001-12-06/57, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  ----------
  (1)<ORD 2014-04-03/16, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 86. Register. (§ 1. Het Instituut houdt een register bij van de milieuattesten en milieuvergunningen, van de aangiften, erkenningen en registraties afgegeven op heel het grondgebied van het Gewest.
  Elke gemeente houdt een register bij van de milieuattesten en milieuvergunningen, en van de aangiften met betrekking tot de inrichtingen die op haar grondgebied zijn gevestigd.) <ORD 2001-12-06/57, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (Binnen de voorwaarden vastgelegd door de Regering, kan het register eveneens de beslissingen bevatten die door het Milieucollege en de Regering werden genomen met toepassing van de artikelen 80 en 81.) <ORD 2008-07-10/41, art. 12, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  § 2. De registers vermelden ten minste de identiteit van de houders, de activiteitensector, de datum en de aard van de beslissing en de vervaldatum ervan.
  (§ 3. Het door het Instituut bijgehouden register wordt door elektronische communicatiemiddelen voor het publiek toegankelijk gemaakt volgens de door de Regering vastgestelde modaliteiten.) <ORD 2008-07-10/41, art. 12, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>

  Art. 87.Aanplakking van de beslissing.
  [1 De ontvanger van de beslissingen, ook al zijn zij stilzwijgend genomen, die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 7bis, 7ter, 17, 32, 36, 43, 47, 51, 53, 62, 64, 65, 68, 73, 76bis, 77, 78/2, § 2, 78/4, § 2 en 78/5 van deze ordonnantie, dient een bekendmaking van het bestaan van deze beslissing aan te plakken op het gebouw waar de inrichtingen zich bevinden en in de buurt van de inrichtingen op een plaats die zichtbaar is vanaf de openbare weg. Bij ontstentenis, mag hij de toestemmingen die eruit voortvloeien niet aanwenden.
   De Regering legt de vorm vast van de aan te plakken bekendmaking.]1
  Het aanplakbiljet moet gedurende 15 dagen in een perfecte staat van zichtbaarheid en leesbaarheid worden gehouden.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 20, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>

  TITEL VII. - Toezicht, dwang- en strafmaatregelen.

  Art. 88.(Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 89. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 90. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 91. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 92. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 93. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 94. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 95. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 96.Overtredingen en strafbepalingen.
  § 1. De persoon die :
  1° een krachtens artikel 6 (of krachtens artikel 78/4) vastgestelde bepaling overtreedt of in strijd met de toekenningsvoorwaarden van de milieuvergunning, van de erkenning of de door de Regering gestelde uitbatingsvoorwaarden handelt, <ORD 2001-12-06/57, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  2° zonder milieuvergunning of voorafgaande aangifte een activiteit uitoefent zoals bedoeld in artikel 7,
  3° zonder erkenning, een activiteit uitoefent die, door de Regering, overeenkomstig artikel 70, aan een voorafgaande erkenning is onderworpen (of, zonder zich te hebben laten registreren, een activiteit uitoefent die, overeenkomstig artikel 78/1, door de Regering, onderworpen werd aan een voorafgaande registratie), <ORD 2001-12-06/57, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (4° zich verzet tegen de organisatie of het verloop van een deel van de onderzoeksprocedure voor een aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning, of voor een erkenningsaanvraag, de uitoefening van de opdracht van de ambtenaren belast met het toezicht op de inrichtingen of van de erkende of aan een registratie onderworpen personen, of de uitoefening van de opdrachten die de rechter aan het Instituut kan toevertrouwen,) <ORD 2001-12-06/57, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  5° een verplichting die aan elke houder van een milieuvergunning of erkenning werd opgelegd niet nakomt,
  6° geen gevolg geeft aan een beslissing tot schorsing of intrekking van een milieuvergunning of erkenning (of registratie), <ORD 2001-12-06/57, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  7° (Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren krachtens artikel 12, § 3, van de ordonnantie van tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, vanaf 2006 uiterlijk op 30 april van elk jaar niet voldoende emissierechten inlevert in verhouding tot de emissies van het voorgaande jaar.
  Wanneer verschillende inrichtingen zich in de zin van artikel 18 van dezelfde ordonnantie verenigd hebben om hun emissierechten te beheren, is de boete ten laste van de door de exploitanten gemachtigde beheerder.
  Indien een gemachtigde beheerder zich niet schikt naar de betaling van de boete, blijft elke exploitant van een inrichting die deel uitmaakt van de pool evenwel aansprakelijk voor de overtollige emissies afkomstig van zijn eigen inrichting.) <ORD 2008-01-31/31, art. 30, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  8° Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren, vanaf 2006 uiterlijk op 28 februari van elk jaar, niet zijn aangifte van broeikasgasemissierechten en zijn keurings- en gelijkvormigheidattest met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar indient, overeenkomstig artikelen 14 en 15 van de ordonnantie van tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto.) <ORD 2008-01-31/31, art. 30, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  wordt [2 de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]2 gestraft.
  § 2. [2 Het minimale bedrag van de geldboete wordt verdubbeld in de volgende gevallen :
   - wanneer het gaat om een inrichting van klasse I.A, I.B. of om een aan erkenning onderworpen activiteit; of
   - wanneer het misdrijf opzettelijk of uit winstbejag werd gepleegd.]2
  § 3. [1 [2 ...]2 ]1
  [1 § 4. [2 ...]2 ]1
  ----------
  (1)<ORD 2012-05-10/01, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 02-06-2012>
  (2)<ORD 2014-05-08/54, art. 128, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>

  Art. 97. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 98. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 99. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  TITEL VIII. - Slotbepalingen.

  Art. 100.Dossierrecht.
  § 1. Een dossierrecht, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor bescherming van het leefmilieu wordt gestort, wordt geheven ten laste van elke natuurlijke of rechtspersoon die een aangifte, een aanvraag bij de overeenkomstig deze ordonnantie bevoegde overheid indient voor het verkrijgen van een milieu-attest, een milieuvergunning of een erkenning, alsook ten laste van elke natuurlijke of rechtspersoon die overeenkomstig de artikelen 80 en 81 van deze ordonnantie een beroep bij de bevoegde overheid indient.
  Het in het eerste lid bedoelde dossierrecht is verschuldigd op de datum waarop de natuurlijke of rechtspersoon een aangifte, een aanvraag om een milieu-attest of -vergunning of het beroep indient.
  Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde dossierrecht wordt vastgesteld als volgt :
  1° (625 EUR) voor een aanvraag om een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.A; <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° (2 500 EUR) voor een aanvraag om een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.A, waaraan geen aanvraag om een milieu-attest is voorafgegaan; <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° (1 250 EUR) voor een aanvraag om een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.A, waaraan een aanvraag om een milieu-attest is voorafgegaan; <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  4° (250 EUR) voor elke aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.B en voor elke aanvraag om een erkenning (ingediend door rechtspersoon); <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <ORD 2001-12-06/57, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  5° ((125 EUR)) voor elke aanvraag om een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse II [1 , een inrichting van klasse ID]1 , (voor elke aanvraag om een erkenning ingediend door een natuurlijke persoon), alsook voor de natuurlijke of rechtspersonen die een beroep indienen. <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <Erratum, B.S. 11-01-2002, p. 858> <ORD 2001-12-06/57, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  § 2. Onverminderd de bevoegdheid van de gemeenten om ter zake belastingen te heffen, mag de regering, binnen de perken van de beschikbare kredieten en volgens de door haar te stellen regels, subsidies toekennen aan de gemeenten voor de uitvoering van de in deze ordonnantie bedoelde opdrachten.
  ----------
  (1)<ORD 2014-04-03/16, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 101. Uitvoering van de Europese richtlijnen.
  De Regering kan de bepalingen van deze ordonnantie opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen om de maatregelen te nemen die nodig zijn voor het nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijnen van de Europese Gemeenschap.

  Art. 102. Opheffings- en wijzigingsbepalingen.
  Opgeheven worden :
  1° de artikelen 1 tot 76 en 82 tot 84 van de ordonnantie van 30 juli 1992 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd door de ordonnantie van 23 november 1993;
  2° de ordonnantie van 30 juli 1992 betreffende de voorafgaande effectenbeoordeling van bepaalde projecten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd bij de ordonnantie van 23 november 1993 en haar bijlagen, voor zover zij van toepassing is op de inrichtingen onderworpen aan een milieuvergunning.
  De bijlage bij de ordonnantie van 30 juli 1992 betreffende de milieuvergunning, zoals ingevoerd door artikel 37 van de ordonnantie van 23 november 1993, wordt gewijzigd als volgt :
  1° in de rubriek nr. 69, worden de woorden " Behalve indien deze uitsluitend dienen voor woningen of kantoren ", ingevoegd vóór de woorden " Garages, overdekte plaatsen waar motorvoertuigen worden geparkeerd ";
  2° in de rubriek nr. 149, worden de woorden " Behalve indien deze uitsluitend dienen voor woningen of kantoren " ingevoegd vóór de woorden " Parkeerplaatsen in open lucht voor motorvoertuigen, buiten de openbare weg ".
  De lijst der inrichtingen van klasse I.B en II kan, overeenkomstig artikel 4, § 1, door de Regering worden vervangen, gewijzigd of aangevuld.
  Deze bepaling is niet van toepassing voor de aanvragen om een milieu-attest of milieuvergunning die werden ingediend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie.

  Art. 103. Overgangsbepalingen.
  De attesten, vergunningen en erkenningen, die werden toegekend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie, blijven geldig voor de gestelde termijn, onverminderd de toepassing van de artikelen 63 tot 65, 76 en 77.
  De procedures voor het onderzoek van de aanvragen en de afgifte van de attesten, vergunningen en erkenningen, alsook de behandeling van de ingestelde administratieve beroepen geschieden overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op het ogenblik van de indiening van de aanvraag of het beroep, wanneer deze werden ingediend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie.

  Art. 104. Codificatie.
  De Regering kan de bepalingen van deze ordonnantie codificeren met de bepalingen die deze uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd en met andere toepasbare ordonnanties inzake leefmilieu, waterbeleid en natuurbehoud.
  Hiertoe kan zij :
  1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de voorstelling van de te codificeren bepalingen wijzigen;
  2° de verwijzingen die in de te codificeren bepalingen zouden zijn vervat, wijzigen, teneinde ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;
  3° de opstelling van de te codificeren bepalingen wijzigen, teneinde de overeenstemming ervan te waarborgen en de terminologie ervan eenvormig te maken zonder dat aan de in deze bepalingen gehuldigde beginselen afbreuk kan worden gedaan.
  De codificatie zal het opschrift " Brussels Milieuwetboek " dragen.
  Het regeringsbesluit tot codificatie zal het voorwerp uitmaken van een ontwerp van ordonnantie tot bekrachtiging dat aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad zal worden voorgelegd.

  BIJLAGE
  

  Art. N1.[1 Bijlage 1. - Overwegingen waarmee in het algemeen of in bijzondere gevallen rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de beste beschikbare technieken, omschreven in artikel 3, 21°, rekening houdend met de eventuele kosten en baten van een actie en met het voorzorgs- en preventiebeginsel :
   1. de toepassing van technieken die weinig afval veroorzaken;
   2. de toepassing van minder gevaarlijke stoffen;
   3. de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en recycling van de in het proces uitgestoten en gebruikte stoffen en van afval;
   4. vergelijkbare processen, apparaten of exploitatiemethoden die met succes op industriële schaal zijn beproefd;
   5. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
   6. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;
   7. de data van ingebruikneming van de nieuwe of bestaande installaties;
   8. de tijd die nodig is voor het omschakelen op een betere beschikbare techniek;
   9. het verbruik en de aard van de grondstoffen (met inbegrip van water) en de energie-efficiëntie;
   10. de noodzaak het algemeen effect van de emissies en de risico's op het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;
   11. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken;
   12. de door de Commissie krachtens artikel 17, § 2 van Richtlijn 2008/1/EG van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging of door internationale organisaties bekendgemaakte informatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2012-06-14/02, art. 67, 022; Inwerkingtreding : 07-07-2012>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 5 juni 1997.
De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Werkgelegenheid, Huisvesting en Monumenten en Landschappen,
Ch. PICQUE
De Minister belast met Economie, Financiën, Begroting, Energie en Externe Betrekkingen,
J. CHABERT
De Minister belast met Ruimtelijke Ordening, Openbare Werken en Vervoer,
H. HASQUIN
De Minister belast met Openbaar Ambt, Buitenlandse Handel, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
R. GRIJP
De Minister belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Renovatie, Natuurbehoud en Openbare Netheid,
D. GOSUIN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 30-11-2017 GEPUBL. OP 20-04-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 22; 31; 33; 38; 41; 42; 43; 44; 72; 3; 4; 5; 7; 7bis; 7ter; 8; 9; 10; 11; 12; 13; 13quater; 14; 15; 16; 18; 19; 20; 20bis; 21; 22; 23; 24; 26; 28; 29; 30; 31; 31bis; 32; 33; 34; 35bis; 36; 37; 38; 39; 40; 41; 42; 43; 44; 45; 46bis; 47; 48; 51; 52; 55; 56; 57; 57bis; 57ter; 59; 61; 62; 63; 64; 66; 67; 68; 69; 69bis; 69ter; 70bis; 71; 72; 73; 74bis; 75; 76; 76bis; 77; 78; 78/1bis; 78/2; 78/4; 78/4bis; 78/4ter; 78/5; 79; 80; 81; 82; 83; 84; 86)
    (GEWIJZIGDE ART. : 87; 96; 104; N2)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 23-06-2017 GEPUBL. OP 13-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 63)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 23-06-2016 GEPUBL. OP 14-07-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 79) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 27-03-2014 GEPUBL. OP 16-03-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 56)
  • BEELD
  • VARIA VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 18-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 88-95; 97-99)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 18-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 80; 96)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 03-04-2014 GEPUBL. OP 30-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 7; 52; 85; 100)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 21-11-2013 GEPUBL. OP 09-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 02-05-2013 GEPUBL. OP 21-05-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 18; 37; 13bis; 13ter; 18; 26; 37; 48; 62)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 19-07-2012 GEPUBL. OP 28-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 33; 38; 44)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 14-06-2012 GEPUBL. OP 27-06-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; N)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 10-05-2012 GEPUBL. OP 23-05-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 96)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 01-03-2012 GEPUBL. OP 16-03-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 16; 26; 37; 49; 52; 53BIS; 55; 56)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 03-02-2011 GEPUBL. OP 04-02-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 7bis; 7ter; 9; 14; 19; 33; 38; 44; 48; 52; 62; 66; 71; 78/2)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 28-10-2010 GEPUBL. OP 25-11-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 7bis; 7ter; 9; 14; 19; 33; 38; 44; 48; 52; 62; 66; 71; 78/2)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 17-06-2010 GEPUBL. OP 29-06-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 13; 26; 37)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 26-03-2009 GEPUBL. OP 16-04-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 7BIS; 7TER; 10; 12; 16; 17; 20; 29; 32; 36; 39; 43; 47; 59; 64; 69; 80; 87)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 05-03-2009 GEPUBL. OP 10-03-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 59; 63; 79)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 10-07-2008 GEPUBL. OP 06-08-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 9; 62; 64; 80; 81; 83; 85; 86)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 31-01-2008 GEPUBL. OP 12-02-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6; 55; 56; 64; 96)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 09-07-2007 GEPUBL. OP 10-09-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 55)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 19-07-2007 GEPUBL. OP 24-08-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 5; 6; 7; 11; 13; 52; 53; 66; 67; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 68; 69; 80; 84; 85; 87)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 07-06-2007 GEPUBL. OP 11-07-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 10; 18; 37; 55; 56)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 13-05-2004 GEPUBL. OP 24-06-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 63)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 03-06-2004 GEPUBL. OP 23-06-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6; 55; 56; 64; 96)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 13-05-2004 GEPUBL. OP 26-05-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 12; 14; 31; 41)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 19-02-2004 GEPUBL. OP 29-03-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 18-12-2003 GEPUBL. OP 12-01-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 18-07-2002 GEPUBL. OP 07-08-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 06-12-2001 GEPUBL. OP 02-02-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 13; 26; 31BIS; 32; 52; 53; 55; 62)
    (GEWIJZIGDE ART. : 63; 64; 75; 76BIS; 78/1-78/7; 80)
    (GEWIJZIGDE ART. : 81; 83; 85; 86; 96; 100)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 08-11-2001 GEPUBL. OP 04-12-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 96; 100)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 25-03-1999 GEPUBL. OP 24-06-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 88-95; 97-99)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 1996-1997 : Documenten van de Raad. - A-138/1 : Ontwerp van ordonnantie. - A-138/2. : Verslag. - A-138/3 : Amendementen na verslag. Volledig verslag. - Bespreking. Vergaderingen van 29 en 30 mei 1997. - Aanneming. Vergadering van 30 mei 1997.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 149 uitvoeringbesluiten 29 gearchiveerde versies
    Franstalige versie