J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 16 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1995/12/20/1995021463/justel

Titel
20 DECEMBER 1995. - WET houdende fiscale, financiėle en diverse bepalingen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-12-1995 en tekstbijwerking tot 05-09-2018)

Bron : EERSTE MINISTER
Publicatie : 23-12-1995 nummer :   1995021463 bladzijde : 34578
Dossiernummer : 1995-12-20/31
Inwerkingtreding : 02-01-1996
Opheffing : 31-12-1996 (ART. 35 - ART. 38)

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepaling.
Art. 1
TITEL II. - Fiscale en financiėle bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Inkomstenbelastingen.
Art. 2-28
HOOFDSTUK II. - Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
Art. 29-32
TITEL III. - Financiėle bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Overdracht van activa van het Rijk.
Art. 33-39
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan de wet van 17 juni 1991.
Art. 40-43
TITEL IV. - Diverse bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Wetenschapsbeleid.
Art. 44
HOOFDSTUK II. - Binnenlandse Zaken.
Art. 45-47
HOOFDSTUK III. - Landsverdediging.
Art. 48-49
HOOFDSTUK IV. - Justitie.
Art. 50-52
HOOFDSTUK V. - Financiėn.
Art. 53
HOOFDSTUK VI. - Autonome Overheidsbedrijven.
Afdeling 1. - Dienst " ombudsman ".
Art. 54
Afdeling 2. - Pensioenfonds voor BELGACOM.
Art. 55
Afdeling 3. - Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.
Art. 56-61
Afdeling 4. - De Post.
Art. 62
HOOFDSTUK VII. - Landbouw.
Art. 63
HOOFDSTUK VIII. - Ambtenarenzaken.
Afdeling 1. Wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.
Art. 64-73
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
Art. 74-76
Afdeling 3. - Eindejaarstoelage.
Art. 77-79
Afdeling 4. - Toewijzingsfonds.
Art. 80
HOOFDSTUK IX. - Telecommunicatie.
Art. 81-104

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepaling.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  TITEL II. - Fiscale en financiėle bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Inkomstenbelastingen.

  Art. 2. Artikel 21, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd door artikel 2 van de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " 9° inkomsten die zijn begrepen in kapitalen en afkoopwaarden betreffende levensverzekeringscontracten gesloten door een natuurlijke persoon, zoals die in artikel 19, § 1, 3°, worden omschreven, in elk van de volgende gevallen:
  a) wanneer de belastingplichtige die het contract heeft aangegaan alleen zichzelf heeft verzekerd en de voordelen van het contract bij leven bedongen zijn ten eigen gunste en het contract voorziet in het betalen bij het overlijden van een kapitaal gelijk aan ten minste 130 % van het totaal van de gestorte premies;
  b) wanneer het contract gesloten is voor meer dan acht jaar en de kapitalen of afkoopwaarden effectief worden betaald meer dan acht jaar na het sluiten van het contract. "

  Art. 3. In artikel 52, 11°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " het inschrijven op, of " geschrapt.

  Art. 4. Artikel 53 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 30 maart 1994 en bij artikel 2 van de wet van 7 april 1995, wordt aangevuld met een 18°, luidend als volgt:
  " 18° de interest van schulden aangegaan door bestuurders of werkende vennoten voor het inschrijven op aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van een vennootschap ".

  Art. 5. Artikel 69, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 11 van de wet van 28 juli 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " 2° het basispercentage wordt verhoogd met 10 percentpunten wanneer het gaat om octrooien, vaste activa die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieėn die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken, of vaste activa die dienen voor een rationeler energieverbruik, voor de verbetering van de industriėle processen uit energetische overwegingen en, in het bijzonder, voor de terugwinning van energie in de industrie. "

  Art. 6. In artikel 77 van hetzelfde Wetboek, worden tussen de woorden " de kenmerken waaraan " en de woorden "de vaste activa " de woorden " de octrooien en " ingevoegd.

  Art. 7. In artikel 115, 1°, c, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " sedert ten minste 20 jaar " vervangen door de woorden " sedert ten minste 15 jaar ".

  Art. 8. In artikel 158 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " en het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting " vervangen door de woorden ", het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingkrediet ".

  Art. 9. In artikel 171 2°bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door artikel 30, 2°, van de wet van 24 december 1993 en vervangen door artikel 13, 1°, van de wet van 30 maart 1994, wordt de aanslagvoet van " 13 % " vervangen door de aanslagvoet van " 15 % ".

  Art. 10. In artikel 175, 1°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " en als forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting " vervangen door de woorden ", als forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en als belastingkrediet ".

  Art. 11. Artikel 198 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 17 van de wet van 28 juli 1992, bij artikel 5 van de wet van 22 juli 1993, bij artikel 7 van de wet van 27 december 1993 en bij artikel 28 van de wet van 6 juli 1994, wordt aangevuld als volgt:
  " 10° onverminderd de toepassing van artikel 55, de interest, tot een bedrag gelijk aan dat van de krachtens de artikelen 202 tot 204 aftrekbare dividenden verkregen uit aandelen door een vennootschap welke die aandelen, op het ogenblik van hun overdracht, niet gedurende een ononderbroken periode van minstens een jaar heeft behouden.
  Het eerste lid, 10°, is evenwel niet van toepassing op de aandelen in verbonden vennootschappen of in vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, zelfs al hebben die aandelen de aard van geldbeleggingen, noch op de andere aandelen die onder de financiėle vaste activa zijn opgenomen. "

  Art. 12. In artikel 205, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 20 van de wet van 28 juli 1992, worden de woorden " artikel 198, 1° tot 3° en 7° " vervangen door de woorden " artikel 198, eerste lid, 1° tot 3°, 7° en 10° ".

  Art. 13. In artikel 269, eerste lid, 1°, tweede lid, 2°, derde lid en vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 20 van de wet van 30 maart 1994, wordt de aanslagvoet van " 13 % " telkens vervangen door de aanslagvoet van " 15 % ".

  Art. 14. In artikel 276 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " en het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting " vervangen door de woorden ", het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingkrediet " .

  Art. 15. In titel VI, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling IVbis ingevoegd met als opschrift " Belastingkrediet " die een artikel 289bis bevat luidend als volgt:
  " Art. 289bis. - Met betrekking tot de in artikel 23, § 1, 1° en 2°, vermelde winst en baten, wordt met de personenbelasting een belastingkrediet verrekend van 10 %, met een maximum van 150 000 frank, van het meerdere van:
  - het op het einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de in artikel 41 vermelde vaste activa en het bedrag van de schulden die betrekking hebben op de uitgeoefende beroepswerkzaamheid die winst of baten opbrengt;
  - ten opzichte van het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil.
  Met de overeenkomstig artikel 215, tweede lid, berekende vennootschapsbelasting wordt een belastingkrediet verrekend van 7,5 %, met een maximum van 800 000 frank, van het positieve verschil tussen:
  - het in geld gestorte kapitaal op het einde van het belastbare tijdperk;
  - en het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van het in geld gestorte kapitaal.
  Om recht te kunnen hebben op het belastingkrediet, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen voor het aanslagjaar waarvoor bij de verrekening vraagt, een ingevulde, gedagtekende en ondertekende opgave voegen, waarvan het model door de minister van Financiėn of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
  Het verlenen van het in het eerste lid vermelde belastingkrediet is bovendien onderworpen aan de voorwaarde dat de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen een attest voegt waarvan het model door de minister die bevoegd is voor het sociaal statuut van de zelfstandigen wordt vastgesteld en waarbij bevestigd wordt dat hij in orde is met de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen als zelfstandige. " In de gevallen vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en 3°, wordt het in het eerste lid vermelde belastingkrediet bepaald alsof er geen verandering van belastingplichtige is geweest.

  Art. 16. In titel VI, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van afdeling V vervangen door het volgende opschrift: " Mate van verrekening van de onroerende voorheffing, de roerende voorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingkrediet ".

  Art. 17. Artikel 290 van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 13 van de wet van 22 juli 1993 en gewijzigd bij artikel 22 van de wet van 30 maart 1994, wordt aangevuld als volgt:
  " 3° mogen de als in artikel 289bis, eerste lid, vermeld belastingkrediet verrekenbare sommen niet meer bedragen dan het deel van de personenbelasting dat evenredig betrekking heeft op het bedrag van de nettowinst en -baten waarvoor het is verleend.

  Art. 18. Artikel 291 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt:
  " Wanneer het belastingkrediet niet is kunnen verrekend worden bij gebrek aan of ontoereikende personenbelasting verschuldigd voor een aanslagjaar, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende belastingkrediet overgedragen op het overeenkomstig artikel 290, eerste lid, 3°, bepaalde deel van de personenbelasting van de volgende drie aanslagjaren.
  In de gevallen vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en 3°, wordt het belastingkrediet overgedragen alsof er geen verandering van belastingplichtige is geweest, zonder dat hieruit een verlenging van de oorspronkelijke termijn kan voortvloeien. "

  Art. 19. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 292bis ingevoegd, luidend als volgt:
  " Art. 292bis. - Het in artikel 289bis, tweede lid, vermeld belastingkrediet wordt volledig met de vennootschapsbelasting verrekend en het eventuele teveel wordt niet terugbetaald.
  Wanneer voor een aanslagjaar geen vennootschapsbelasting verschuldigd is of wanneer de vennootschapsbelasting ontoereikend is, wordt het voor dat aanslagjaar niet verrekende belastingkrediet overgedragen op de overeenkomstig artikel 215, tweede lid, berekende vennootschapsbelasting met betrekking tot de volgende drie aanslagjaren.
  Wanneer een vennootschap de inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid van goederen heeft verkregen of een andere vennootschap door fusie of splitsing geheel of gedeeltelijk heeft overgenomen met toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, en derde lid of van artikel 211, § 1, wordt het belastingkrediet dat de overnemende of verkrijgende vennootschap voor die inbreng of die overneming niet heeft kunnen verrekenen, overgedragen in dezelfde verhouding dan die bepaald in artikel 206, § 2, eerste lid, zonder dat hieruit čen verlenging van de oorspronkelijke termijn kan voortvloeien.
  In geval van fusie met toepassing van artikel 211, § 1, wordt het belastingkrediet dat de overgenomen vennootschap vóór de fusie niet heeft kunnen verrekenen, overgedragen op de overnemende vennootschap, in dezelfde verhouding dan die bepaald in artikel 206, § 2, tweede lid, zonder dat hieruit een verlenging van de oorspronkelijke termijn kan voortvloeien.
  In geval van splitsing met toepassing van artikel 211, § 1, is het vierde lid van toepassing op het gedeelte van het belastingkrediet dat is bepaald naar verhouding van de fiscale nettowaarde van de overgenomen bestanddelen in de totale fiscale nettowaarde van de overgenomen vennootschap."

  Art. 20. In artikel 296 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " en het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting" vervangen door de woorden ", het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingkrediet ".

  Art. 21. In artikel 463bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door artikel 22 van de wet van 22 juli 1993 en gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 30 maart 1994 en bij artikel 106 van de wet van 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1, eerste lid, 1°, worden tussen de woorden " op de personenbelasting " en de woorden ", op de vennootschapsbelasting " de woorden ", met uitzondering van de in artikel 171, 2°bis, 3° en 3°bis, vermelde afzonderlijke aanslagen " ingevoegd;
  2° in § 1, eerste lid, 1°, eerste streepje, worden de woorden " en van het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting " vervangen door de woorden ", van het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en van het belastingkrediet ";
  3° paragraaf 1, eerste lid, 2° en 4° en § 3 worden opgeheven.

  Art. 22. In artikel 466 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " en het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting" vervangen door de woorden ", het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingkrediet ".

  Art. 23. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 523 ingevoegd, luidend als volgt:
  " Art. 523. - In afwijking van artikel 289bis, tweede lid, wordt het belastingkrediet nochtans niet verleend in zoverre de verhoging van het gestorte kapitaal de naleving tot doel heeft, door naamloze vennootschappen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen bestonden, van het voorschrift van artikel 8 van die wet.
  Artikel 52, 11°, zoals het bestond alvorens door artikel 3 van de wet van 20 december 1995 te zijn gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre het kapitaalverhogingen betreft als vermeld in het eerste lid. "

  Art. 24. In artikel 42, § 2, eerste lid, van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, vervangen door artikel 38 van de wet van 7 december 1988 en gewijzigd bij artikel 32 van de wet van 24 december 1993, wordt de aanslagvoet van " 13 % " vervangen door de aanslagvoet van " 15 % ".

  Art. 25. In artikel 35, § 1, van de wet van 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen, gewijzigd bij artikel 33 van de wet van 28 december 1992, wordt de aanslagvoet van " 11,5 % " vervangen door de aanslagvoet van " 14 % ".

  Art. 26. Voor de toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden de bezoldigingen van de maand december 1994, die door de provincie Brabant in de loop van de maand december 1994 zijn betaald, behandeld als bezoldigingen betaald tijdens het belastbaar tijdperk 1995.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 371 en 376 van hetzelfde Wetboek, wordt ontheffing verleend van de aanslagen verbonden aan het aanslagjaar 1995 die in strijd met het eerste lid zijn gevestigd, hetzij ambtshalve wanneer de overbelasting door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie werd bekendgemaakt binnen een termijn van drie jaar vanaf de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, hetzij ingevolge een gemotiveerd bezwaarschrift ingediend binnen de termijn van 6 maanden vanaf dezelfde datum bij de directeur der directe belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag is gevestigd.
  Geen moratoriumintresten worden toegekend bij teruggaven van belasting overeenkomstig het tweede lid.

  Art. 27. Artikel 171, 5°, b, van hetzelfde Wetboek is niet van toepassing op de eindejaarstoelage voor het jaar 1996 die de openbare overheid tijdens het jaar 1997 uitbetaalt.

  Art. 28. De artikelen 11 en 12 treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1996.
  De artikelen 5, 6, 8, 9, 10, 14 tot 21, 1° en 2°, 22 en 25, treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1997.
  De artikelen 3 en 4 zijn van toepassing op de vanaf 17 oktober 1995 aangegane schulden.
  De artikelen 13, 21, 3° en 24, zijn van toepassing op de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 1996.
  Voor de toepassing van artikel 5, 2°, van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten is, in afwijking van het vierde lid, het in aanmerking te nemen tarief van de roerende voorheffing dat welke geldt op de dag van de terugtrekking van de effecten.
  Elke wijziging die vanaf 17 oktober 1995 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de artikelen 11, 12, 18 en 19.
  Artikel 2 is van toepassing op de vanaf 27 oktober 1995 gesloten contracten.
  Artikel 7 is van toepassing op de vanaf 1 november 1995 aangegane hypothecaire leningen.

  HOOFDSTUK II. - Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.

  Art. 29. In het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt een nieuwe titel VI ingevoegd, luidend als volgt:
  " TITEL VI. - Accijnscompenserende belasting.
  Art. 108. - Er wordt ten bate van de Staat een accijnscompenserende belasting geheven op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen met gasoliemotor.
  Art. 109. - De accijnscompenserende belasting wordt vastgesteld naar de volgende aanslagvoeten in functie van de belastbare kracht, berekend overeenkomstig artikel 7 en de voor zijn uitvoering genomen besluiten:

   Aantal PK                    Bedrag van de belasting
                                in frank
   4 en minder                         978
   5                                 1 224
   6                                 1 770
   7                                 2 310
   8                                 2 856
   9                                 3 402
  10                                 3 942
  11                                 5 118
  12                                 6 288
  13                                11 184
  14                                17 268
  15                                19 608
  16                                25 692
  17                                31 764
  18                                37 836
  19                                43 908
  20                                49 992


  Wanneer de belastbare kracht 20 paardekracht te boven gaat, is de belasting vastgesteld op 49 992 frank, verhoogd met 2 724 frank per paardekracht boven 20.
  Art. 110. - De accijnscompenserende belasting is niet van toepassing op de voertuigen bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1° en 3°, op de ziekenauto's en op de voertuigen die als persoonlijk vervoermiddel gebruikt worden door groot-oorlogsinvaliden of door gebrekkigen.
  Art. 111. - De belasting wordt beheerst door de bepalingen van dit Wetboek die van toepassing zijn op de verkeersbelasting, met uitzondering echter van de bepalingen van artikel 6, § 1, eerste lid, 4°, 6° en 8°, en van de artikelen 11, 15 en 42, § 2. "

  Art. 30. In artikel 98, § 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door artikel 2 van de wet van 25 mei 1993, worden het tweede en het derde lid opgeheven.

  Art. 31. Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, is de accijnscompenserende belasting, ingevoerd bij artikel 29 van deze wet, niet opgenomen in het berekende en benoemde indexcijfer waarvan sprake in artikel 2, eerste lid, van dat besluit.

  Art. 32. Artikel 29 treedt in werking vanaf het aanslagjaar 1996.
  Artikel 30 treedt in werking op 1 januari 1996.

  TITEL III. - Financiėle bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Overdracht van activa van het Rijk.

  Art. 33. Artikel 98 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiėle bepalingen, gewijzigd door de wet van 21 december 1994, wordt opgeheven.

  Art. 34. Artikel 99 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " Art. 99. - De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de Federale Participatiemaatschappij gelasten aan elke Belgische of buitenlandse natuurlijke of rechtspersoon in één of meer schijven alle of een deel van de deelnemingen over te dragen die zij bezit in het maatschappelijk kapitaal van de NV Landbouwkrediet, de Nationale Kas voor Beroepskrediet en het Centraal Bureau voor Hypothecair Krediet, alsmede in iedere andere vennootschap of instelling waarin de Federale Participatiemaatschappij een deelneming bezit die haar door de Staat werd overgedragen of die zij, met de toestemming van de Staat, heeft verworven.

  Art. 35. Met het oog op de voorbereiding en de totstandbrenging van de overdrachten bedoeld in artikel 99 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiėle bepalingen, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegde besluiten:
  1° de regelen vastleggen ter voorbereiding en voor de totstandkoming van de nodige verrichtingen, met inbegrip van:
  a) de overdrachten of omwisselingen van schuldvorderingen, roerende waarden of verhandelbare rechten en de overdrachten van overeenkomsten, alsook alle vormen van overdracht in het kader van een verrichting van effectisering;
  b) de afstand van het voorkeurrecht van de aandeelhouders of obligatiehouders in geval van:
  - kapitaalverhoging,
  - inschrijving op een converteerbare lening,
  - inschrijving op een lening met inschrijvingsrecht;
  c) de kapitaalverhogingen tegen inbreng van schuldvorderingen, roerende waarden of verhandelbare rechten;
  d) alle fusies of splitsingen, inbrengen of overdrachten van een bedrijfstak of een algemeenheid van goederen, inbreng of overdracht van een portefeuille van schuldvorderingen, al dan niet in het kader van een verrichting die aanleiding geeft tot de uitgifte van verhandelbare effecten;
  e) de uitgifte van obligaties, converteerbare obligaties, omwisselbare obligaties of inschrijvingsrechten en van al dan niet stemrechtverlenende verhandelbare rechten of roerende waarden die al dan niet het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen;
  f) de ontbinding of vereffening van bedoelde vennootschappen of instellingen, alsook van hun publiekrechtelijke dochters of kleindochters en alle publiekrechtelijke vennootschappen waarin zij rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemingen bezitten;
  g) iedere oprichting of deelneming in de hoedanigheid van oprichter van vennootschappen of entiteiten met het oog op de latere overdracht van de effecten;
  2° de bepalingen wijzigen betreffende de benaming, oprichting, organisatie, taak, werkwijze, financiering, waarborg, controle, ontbinding en vereffening van bedoelde vennootschappen en instellingen, alsook van hun publiekrechtelijke dochters of kleindochters en van alle publiekrechtelijke vennootschappen waarin zij rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemingen bezitten, alsmede alle vormen en modaliteiten van erkenning van vennootschappen, werkzaam in de kredietsector door de kredietinstellingen bedoeld in artikel 99 van de wet van 22 juli 1993.

  Art. 36. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, en teneinde de markt van het hypothecaire krediet op een meer efficiėnte wijze te organiseren en de overdracht van het Centraal Bureau voor hypothecair krediet voor te bereiden, de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935, het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, bevestigd door de wet van 4 mei 1936, de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten, de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, wijzigen en coördineren, met inbegrip van de oprichting van nieuwe instellingen van organisatie of van toezicht en de afschaffing van de bestaande waarborgen.

  Art. 37. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiėle vennootschappen, coördineren en, teneinde over te gaan tot de aanpassing van de organisatie van de openbare kredietsector in het kader van de reeds verwezenlijkte of nog uit te voeren overdrachten van deelnemingen in bepaalde openbare kredietinstellingen of privaatrechtelijke financiėle vennootschappen, dezelfde wet wijzigen.

  Art. 38. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de bepalingen wijzigen betreffende de oprichting, organisatie, taak, werkwijze, financiering, waarborg en controle van de Federale Investeringsmaatschappij met het oog op de aanpassing ervan aan de nieuwe structuur van deze vennootschap na haar omvorming overeenkomstig het koninklijk besluit van 16 juni 1994 houdende diverse bepalingen betreffende de Federale Investeringsmaatschappij en de privatisering van de Nationale Investeringsmaatschappij, en het koninklijk besluit van 20 juli 1994 tot regeling van de wijze waarop de deelneming van de Staat in de Nationale Investeringsmaatschappij ingebracht wordt in de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Holding.

  Art. 39. § 1. De bij de artikelen 35 tot 38 aan de Koning verleende bevoegdheden vervallen de laatste dag van de twaalfde maand die volgt op de maand tijdens dewelke deze artikelen in werking zijn getreden.
  § 2. De krachtens deze bevoegdheden genomen besluiten kunnen de geldende wetsbepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen en vervangen of ervan afwijken.
  § 3. Wanneer de bij deze wet verleende bevoegdheden zijn vervallen, kunnen deze besluiten enkel bij wet worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen.
  § 4. De ontwerpbesluiten bedoeld in de artikelen 35 tot 38 worden besproken in een verslag aan de Koning en voor advies voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State.
  De met toepassing van de artikelen 35 tot 38 genoemde koninklijke besluiten zullen onverwijld aan de Wetgevende Kamers worden meedegedeeld.
  § 5. De Minister van Financiėn zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een verslag uitbrengen over de overdrachten bedoeld in artikel 34.

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan de wet van 17 juni 1991.

  Art. 40. In de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiėle vennootschappen, gewijzigd door de wet van 19 juli 1991, de wet van 22 juli 1991, de wet van 28 juli 1992, de wet van 28 december 1992, de wet van 22 maart 1993, het koninklijk besluit van 29 september 1993, de wet van 27 december 1993, de wet van 6 juli 1994, het koninklijk besluit van 20 juli 1994, de wet van 12 december 1994, de wet van 23 december 1994, de wet van 4 april 1995 en het koninklijk besluit van 7 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in artikel 4, eerste lid, 1°, worden de woorden " en de Nationale Maatschappij voor krediet aan de nijverheid " geschrapt;
  2° in artikel 6, tweede lid, wordt het 3° geschrapt;
  3° er wordt een artikel 6bis ingevoegd, luidend als volgt:
  " Art. 6bis. - De gedelegeerd bestuurders en de bestuurders belast met bijzondere opdrachten mogen tegelijkertijd met en gedurende een periode van drie jaar na het beėindigen van hun mandaat, geen bezoldigde activiteit uitoefenen in dienst van een onderneming met dewelke de Federale Participatiemaatschappij onderhandelt over de overdracht van activa of aan dewelke de Federale Participatiemaatschappij activa heeft overgedragen, of van een vennootschap die verbonden is met zulk een onderneming. ";
  4° artikel 11 wordt door de volgende bepaling vervangen:
  " Art. 11. - De gedelegeerd bestuurders staan gezamenlijk in voor het dagelijks bestuur van de vennootschap.
  De gedelegeerd bestuurders kunnen een aantal van hun bevoegdheden overdragen aan personeelsleden. Zij kunnen toestaan dat deze verder worden overgedragen.
  Voor de aansprakelijkheid van de gedelegeerd bestuurders gelden de aansprakelijkheidsregels voor de bestuurders, onverminderd de toepassing van de regels inzake lastgeving met betrekking tot het bestuur in het kader van de bevoegdheidsdelegatie van de ra ad van bestuur aan de gedelegeerd bestuurders overeenkomstig artikel 8, tweede lid. ";
  5° in artikel 73, tweede lid, worden de woorden " of, wegens de speciale aard van de vennootschap, door haar statuten " geschrapt;
  6° in artikel 74, eerste lid, wordt de laatste zin opgeheven;
  7° artikel 79, derde lid, wordt vervangen door het volgende lid:
  De in het tweede lid, 2°, bedoelde leden tellen ten minste twee leden meer dan het aantal in het tweede lid, 3°, bedoelde leden. De in het tweede lid, 2°, bedoelde leden worden benoemd door de algemene vergadering op voordracht van beide aandeelhoudersgroepen als bedoeld in artikel 75, tweede lid, naar verhouding van hun aandeel in de stemrechten. Voor de andere door de algemene vergadering benoemde leden geschiedt dit op voordracht van de andere aandeelhouders. De statuten regelen de voordrachtsmodaliteiten voor de algemene vergadering. ";
  8° artikel 178, eerste lid, wordt opgeheven;
  9° de artikelen 198, 199, 200 en 201 worden opgeheven;
  10° artikel 197 wordt aangevuld met een derde lid, luidend als volgt:
  "De statuten van de in Titel I bedoelde publiekrechtelijke vennootschappen kunnen geen afwijking voorzien van de bepalingen van de artikelen 60 en 60bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen. ".

  Art. 41. De in dit hoofdstuk bedoelde vennootschappen wijzigen hun statuten binnen de drie maanden met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze bepalingen.

  Art. 42. De bepalingen van de artikelen 33 tot en met 41 treden in werking op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Evenwel, treden wat de Nationale Maatschappij voor krediet aan de nijverheid betreft de artikelen 33 en 40, 1°, in werking op het ogenblik dat de aandelen die de Federale Participatiemaatschappij bezit in het kapitaal van de Nationale Maatschappij voor krediet aan de nijverheid, effectief zijn overgedragen aan een privaatrechtelijk rechtspersoon.

  Art. 43. Artikel 40, 2° en 7° van deze wet zal slechts in werking treden op een datum te bepalen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

  TITEL IV. - Diverse bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Wetenschapsbeleid.

  Art. 44. De wet van 28 december 1990 tot oprichting van het Koninklijk Instituut voor nationale wetenschappelijke en culturele instellingen en van het Koninklijk Instituut voor aarde- en ruimtewetenschappen, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK II. - Binnenlandse Zaken.
  Wijzigingen van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht.

  Art. 45. In artikel 11, § 3, tweede lid, van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht, gewijzigd bij de wet van 9 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden " na 1 januari 1995 " worden vervangen door de woorden " na 1 januari 1998 ";
  2° de woorden " op datum van 1 januari 1995 " worden vervangen door de woorden " uiterlijk op 1 januari 1998 ".

  Art. 46. Artikel 70bis van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 18 juli 1991, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
  " Art. 70bis. - In de gevallen waarin het beroep op de rijkswacht niet krachtens de wet is geregeld, mogen, personeelsleden en goederen van de rijkswacht worden ingezet in het raam van tegen betaling uitgevoerde prestaties van openbaar nut, voor zover:
  1° de wettelijke opdrachten niet in het gedrang worden gebracht;
  2° de prestaties een humanitair of cultureel oogmerk hebben of strekken tot hulp aan de natie;
  3° de prestaties bestaan in de terbeschikkingstelling van personeel of onroerende goederen, de lening van goederen, de levering van verbruiksgoederen of de levering van diensten.
  De nadere regels betreffende de betaling van de prestaties worden bepaald door de Koning. "

  Art. 47. Een artikel 54bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
  " Art. 54bis. - De Minister van Binnenlandse Zaken wordt gemachtigd om, op vraag van een gemeente, onder de voorwaarden bepaald bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, tijdelijk tegen betaling prestaties te laten leveren door de rijkswacht ten voordele van de gemeenten, die om redenen die hen niet kunnen worden toegeschreven, over een minder omvangrijk politiecorps beschikken dan dat vastgesteld bij de bepalingen genomen in uitvoering van artikel 189 van de nieuwe gemeentewet. "

  HOOFDSTUK III. - Landsverdediging.

  Art. 48. De Minister van Landsverdediging wordt gemachtigd tot en met het jaar 2000 om het door de uitvoering van het herstructureringsplan van de Krijgsmacht overtollig geworden materieel, dat deel uitmaakt van het aan zijn beheer toevertrouwde patrimonium, te verkopen.
  De opbrengst van deze verkoop zal aangerekend worden op de rekening 87.07.06.30 B van de sectie " Thesaurieverrichtingen voor orde " om aangewend te worden ter dekking van investeringsuitgaven ten behoeve van de Krijgsmacht.
  Deze rekening zal geen debetstand mogen vertonen in vastleggingen noch in ordonnanceringen.
  De uitgavenverrichtingen op deze rekening worden, vóór elke juridische vastlegging, onderworpen aan het voorafgaand advies van de Inspecteur van Financiėn en aan het voorafgaand visum van de Controleur der vastleggingen, alsook aan het visum van het Rekenhof bedoeld in artikel 14 van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof.

  Art. 49. Artikel 156 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK IV. - Justitie.

  Art. 50. In artikel 241, tweede lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen door de wet van 6 augustus 1993, worden de woorden " Minister van Justitie " vervangen door de woorden " Griffier van de Kamer van Volksvertegenwoordigers ".

  Art. 51. In artikel 2 van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de naturalisatieprocedure en van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het tweede lid wordt aangevuld als volgt:
  " Artikel 241, tweede lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zoals het luidde voor de wijziging ervan bij artikel 50 van de wet van 20 december 1995 houdende fiscale, financiėle en diverse bepalingen, blijft van toepassing op de aanvragen die werden ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet.";
  2° het derde lid wordt aangevuld als volgt:
  " Indien de aanvrager gebruik maakt van die mogelijkheid, wordt hij ervan vrijgesteld om de rechten bepaald bij de artikelen 238 en 239 van het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten nogmaals te betalen, voor zover hij aantoont die rechten te hebben betaald, wegens een naturalisatieaanvraag die werd ingediend voor de inwerkingtreding van deze wet. ".

  Art. 52. Dit hoofdstuk treedt in werking op 31 december 1995.

  HOOFDSTUK V. - Financiėn.

  Art. 53. De toepassing van de bepalingen in artikel 11 en 12 van de Overeenkomst voor de regeling van de aangelegenheden betreffende de openbare schuld en de portefeuille van de Kolonie Belgisch Kongo, goedgekeurd door de wet van 23 april 1965, en van de bepalingen in artikel 7 van de wet van 5 januari 1977 houdende de uitgifte van een tweede tranche van de lening van het Belgisch-Kongolees Fonds voor delging en beheer, wordt opgeschort voor het begrotingsjaar 1996.

  HOOFDSTUK VI. - Autonome Overheidsbedrijven.

  Afdeling 1. - Dienst " ombudsman ".

  Art. 54. In artikel 44bis, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993, wordt aangevuld met een lid, luidend als volgt:
  " De renten en vergoedingen, alsook de procedurekosten, behalve bij roekeloze en tergende vordering, komen ten last van het overheidsbedrijf. "

  Afdeling 2. - Pensioenfonds voor BELGACOM.

  Art. 55. Artikel 59/6 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd bij de wet van 21 december 1994, wordt aangevuld met een derde lid, luidend als volgt:
  " De Koning stelt de bezoldiging van de regeringscommissaris vast. "

  Afdeling 3. - Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.

  Art. 56. (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, art. 461, 003; Inwerkingtreding : 30-12-2004>

  Art. 57. (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, art. 461, 003; Inwerkingtreding : 30-12-2004>

  Art. 58. (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, art. 461, 003; Inwerkingtreding : 30-12-2004>

  Art. 59. (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, art. 461, 003; Inwerkingtreding : 30-12-2004>

  Art. 60. De paragrafen 2 en 3 van artikel 164 van de programmawet van 30 december 1988, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 september 1992 houdende goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen en tot vaststelling van maatregelen met betrekking tot deze Maatschappij, worden opgeheven.

  Art. 61. (Opgeheven) <W 2003-12-22/42, art. 461, 003; Inwerkingtreding : 30-12-2004>

  Afdeling 4. - De Post.

  Art. 62. Artikel 147 van de wet van 21 maart 1991 tot hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, wordt aangevuld met de volgende bepaling:
  " De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de Staat en onder de overheid ressorterende vennootschappen machtigen om, in gedelegeerde opdracht van de Staat, het kapitaal van De Post te verhogen. "

  HOOFDSTUK VII. - Landbouw.

  Art. 63. In artikel 32, § 2, van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990, 20 juli 1991, 6 augustus 1993 en 21 december 1994, worden tussen het tiende en het elfde lid, volgende leden ingevoegd:
  " Ingeval de in dit artikel bedoelde verplichte bijdragen, retributies of rechten niet worden betaald door de betalingsplichtige, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, worden de erkenning of de licentie zoals bedoeld in artikel 12, 13, 15 en 18bis van deze wet en artikel 3 van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten en in voorkomend geval de aflevering van certificaten in toepassing van artikel 19 van deze wet en artikel 3 van de voornoemde wet van 28 maart 1975, geschorst vanaf de vijftiende werkdag volgend op die waarop de ingebrekestelling bij een ter post aangetekende brief werd betekend.
  De ingebrekestelling herneemt de tekst van het voorgaande lid.
  De voornoemde maatregel neemt van rechtswege een einde op de werkdag volgend op die waarop de verschuldigde verplichte bijdragen, retributies of rechten effectief op de rekening van het Fonds voor de gezondheid en de produktie van de dieren werden gecrediteerd. "

  HOOFDSTUK VIII. - Ambtenarenzaken.

  Afdeling 1. Wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.

  Art. 64. Artikel 1 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, gewijzigd bij de wetten van 12 juni 1973, 31 juli 1991 en 20 mei 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " Artikel 1. - De bij deze wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten wordt door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden en binnen de perken die Hij bepaalt, toepasselijk verklaard op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen door een arbeidsovereenkomst, die behoren tot:
  1° de federale besturen en andere rijksdiensten, met inbegrip van de rechterlijke macht;
  2° de instellingen van openbaar nut die onder het gezag, de controle of het toezicht vallen van de Staat;
  3° de besturen en andere diensten van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, alsook de besturen en andere diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;
  4° de besturen en andere diensten van de Colleges van de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
  5° de onderwijsinrichtingen georganiseerd door of namens de Gemeenschappen of de Gemeenschapscommissies;
  6° de gesubsidieerde onderwijsinrichtingen;
  7° de gesubsidieerde psychisch-medisch-sociale centra en de gesubsidieerde diensten voor school- en beroepsoriėntering;
  8° de instellingen van openbaar nut die onder het gezag, de controle of het toezicht van een Gemeenschap, een Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of de Franse Gemeenschapscommissie vallen;
  9° de provincies, de gemeenten, de intercommunales en de inrichtingen die aan de provincies en de gemeenten ondergeschikt zijn, de agglomeraties en federaties van gemeenten.
  In afwijking van het eerste lid, blijven voor de militairen en daarmee gelijkgestelden de op 5 oktober 1948 gecoördineerde wetten op de vergoedingspensioenen, gelden.
  Echter, voor de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar en van het werk en de beroepsziekten waarvan zij het slachtoffer zijn tijdens de periode van hun beziging, worden de bij artikel 5, § 6, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de beziging van militairen buiten de krijgsmacht, bedoelde militairen voor de toepassing van deze wet, evenwel gelijkgesteld met de leden van het vast benoemd personeel van het bestuur, de dienst of de instelling waarbij zij gebezigd worden. "

  Art. 65. Artikel 1bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 juni 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " Artikel 1bis. - Volgens de in artikel 1 vastgestelde modaliteiten wordt deze wet toepasselijk gemaakt op:
  1° de bedienaars van de katholieke, protestantse, orthodoxe, anglikaanse, israėlitische erediensten en de imams van de islamitische eredienst;
  2° de leden van het wetenschappelijk personeel van de universitaire instellingen opgesomd in artikel 2 van de wet van 21 juni 1985 betreffende het onderwijs, alsook op de leden van het wetenschappelijk, administratief en technisch personeel van de Universitaire Instelling Antwerpen en van het Universitair Centrum Limburg, bedoeld in artikel 10 van dezelfde wet. "

  Art. 66. In artikel 6 van dezelfde wet, wordt § 2 vervangen door de volgende bepaling:
  " § 2. De getroffene die ongeschikt is bevonden om zijn ambt uit te oefenen maar die andere, met zijn gezondheidstoestand verenigbare ambten kan vervullen, kan volgens de regelen en binnen de grenzen die zijn statuut bepaalt, weder tewerkgesteld worden in een betrekking welke met zulk een ambt overeenkomt.
  De wedertewerkgestelde getroffene behoudt het voordeel van de bezoldigingsregeling welke hij genoot toen het ongeval zich voordeed of de beroepsziekte werd vastgesteld. "

  Art. 67. In artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 juli 1973, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1°
  § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " § 1. De kinderen die halve wezen zijn, hebben recht op een tijdelijke rente indien het ongeval of de beroepsziekte het overlijden van de getroffene tot gevolg heeft gehad. De tijdelijke rente is voor ieder kind gelijk aan 15 % van de in artikel 4 bepaalde bezoldiging zonder dat het totaal 45 % van die bezoldiging mag overschrijden. Dit, indien de kinderen:
  1. wettige kinderen zijn, geboren of verwekt voor het overlijden van de getroffene;
  2. wettige kinderen zijn, geboren uit een vorig huwelijk van de overlevende echtgenoot;
  3. kinderen zijn, door de getroffene of zijn echtgenoot uiterlijk op de datum van het overlijden erkend;
  4. niet-erkende kinderen zijn, die een pensioen hebben verkregen in toepassing van artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek;
  2° in § 2 wordt het woord " natuurlijke " geschrapt;
  3° in § 3 wordt het woord " natuurlijke " geschrapt;
  4° in § 4 wordt het voorlaatste lid vervangen door het volgende lid:
  " Zo de belangen van de geadopteerde kinderen samenvallen met die van in § 1 bedoelde kinderen mag de rente toegekend aan de geadopteerden niet hoger zijn dan deze toegekend aan de andere kinderen. " "

  Art. 68. Het opschrift van Hoofdstuk III van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende opschrift:
  "Hoofdstuk III. - Cumulaties en burgerlijke aansprakelijkheid ".

  Art. 69. Artikel 14, § 3, van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 21 december 1994, wordt opnieuw ogenomen in de volgende lezing:
  "§ 3. Toepassing van het bepaalde in deze wet brengt van rechtswege mede dat de hierboven bedoelde rechtspersonen of instellingen die de last van de rente dragen, in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treden welke de getroffene of zijn rechthebbenden, overeenkomstig § 1 mochten kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte en zulks tot het bedrag van de renten en vergoedingen door deze bepaald en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt.
  Bovendien treden de hierboven bedoelde rechtspersonen of instellingen die de last van de bezoldiging dragen van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen die de getroffene overeenkomstig § 1 mocht kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte tot het bedrag van de bezoldiging uitgekeerd gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid.
  Wat de in artikel 1, 5°, 6° en 7°, van deze wet vermelde personeelsleden betreft, treedt de Gemeenschap of de Gemeenschapscommissie van rechtswege in hun plaats tot beloop van het bedrag van de weddetoelage, die gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid ten gunste van de getroffenen wordt uitgekeerd. "

  Art. 70. In dezelfde wet wordt een artikel 14bis ingevoegd, luidend als volgt:
  " Art. 14bis. - § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, blijven de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen verplicht de uit deze wet voortvloeiende vergoedingen en renten uit te betalen.
  § 2. De overeenkomstig artikel 29bis van de voormelde wet van 21 november 1989 toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen.
  § 3. De in artikel 1 bedoelde rechtspersonen of instellingen kunnen een rechtsvordering instellen tegen de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar of de houder van het motorvoertuig of tegen het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, tot beloop van de krachtens § 1 gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen.
  Ze kunnen die vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en worden vervangen in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig § 1 hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de voormelde wet van 21 november 1989. "

  Art. 71. Artikel 16 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 31 juli 1991, wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " Art. 16. - De renten en vergoedingen toegekend aan de personeelsleden van de besturen, diensten of instellingen, vermeld in artikel 1, 1°, 3°, 4°, 5°, 6° en 7°, alsook aan de in artikel 1bis bedoelde personen, vallen ten laste van de Schatkist. Dit geldt eveneens voor de procedurekosten, behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis.
  De rechtspersonen vermeld in artikel 1, 2°, 8° en 9°, dragen de last van de renten en vergoedingen, toegekend aan hun personeelsleden met toepassing van deze wet. Dit geldt eveneens voor de procedure kosten behalve wanneer het gaat om een tergende en roekeloze eis. De Koning legt daartoe, indien nodig, de verplichting op een verzekering aan te gaan. "

  Art. 72. In dezelfde wet wordt een artikel 20quater ingevoegd, luidend als volgt:
  " Art. 20quater. - De verzekeringscontracten die zijn afgesloten om de in artikel 1bis bedoelde personen te dekken, worden van rechtswege ontbonden uiterlijk binnen de twaalf maanden na de datum waarop deze wet ten opzichte van deze van kracht wordt. "

  Art. 73. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 1996, met uitzondering van:
  - de artikelen 64, 69 en 70, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1995;
  - artikel 66, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1989.

  Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.

  Art. 74. Artikel 160 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, waarvan de huidige tekst de § 1 zal zijn, wordt aangevuld met een § 2 luidend als volgt:
  " § 2. § 1 is van toepassing op het geheel van de federale overheidsdiensten, ongeacht zij al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten."

  Art. 75. Artikel 166, 5°, van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 76. Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1995.

  Afdeling 3. - Eindejaarstoelage.

  Art. 77.Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden van de volgende overheidsdiensten:
  1° de federale ministeries en de andere diensten van de ministeries;
  2° de in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut vermelde en onder het gezag, de controle- of de voogdijbevoegdheid van de Staat vallende instellingen van openbaar nut, met uitzondering van:
  a) de instellingen van categorie A, met uitzondering van:
  - het Hulp- en Informatiebureau voor gezinnen van militairen;
  - de Regie der gebouwen;
  - de Regie voor maritiem transport;
  - het Instituut voor veterinaire keuring;
  - de Dienst voor regeling van de binnenvaart;
  - het Federaal Planbureau;
  - de Regie der luchtwegen;
  - het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  b) de instellingen van categorie C, met uitzondering van:
  - de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  - de Controledienst voor de verzekeringen;
  - de Nationale Loterij;
  [1 ...]1
  3° de volgende overheidsdiensten:
  - de Krijgsmacht;
  - de Rijkswacht;
  - de Rechterlijke Orde;
  - de Raad van State;
  4° de volgende andere overheidsdiensten:
  - het secretariaat van de Nationale Arbeidsraad;
  - het secretariaat van de Centrale Raad voor het bedrijfsleven;
  - het secretariaat van de Hoge Raad voor de middenstand;
  5° het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding;
  6° - de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de adjunct-gouverneur van Vlaams Brabant;
  - de arrondissementscommissarissen en de adjunct-arrondissementscommissarissen;
  - de gewestelijke ontvangers.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 59, 004; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Art. 78. Voor het jaar 1996 wordt de eindejaarstoelage, toegekend aan de in artikel 77 bedoelde personeelsleden, gelijk met de wedde van de maand december vereffend.

  Art. 79. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 1996.

  Afdeling 4. - Toewijzingsfonds.

  Art. 80. De ontvangsten afkomstig van inschrijvingsrechten worden ten behoeve van het Vast Wervingssecretariaat gestort op een toewijzingsfonds zoals bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de rijkscomptabiliteit.

  HOOFDSTUK IX. - Telecommunicatie.

  Art. 81. In artikel 59/2 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd bij de wet van 12 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° § 2 wordt aangevuld door het volgend lid:
  " De statuten van BELGACOM kunnen afwijken van artikel 18, § 3. ";
  2° in § 4, eerste lid, worden de woorden " en, in voorkomend geval, " ingevoegd tussen de woorden "de bevoegdheden van de gedelegeerd bestuurder " en " de rol en de werking van het directiecomité ";
  3° in dezelfde § 4 wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd:
  " In artikel 17, §§ 1 en 2, wordt, wat BELGACOM betreft, het woord " directiecomité " vervangen door de woorden " gedelegeerd bestuurder ". "

  Art. 82. In dezelfde wet wordt een artikel 59/7 ingevoegd, luidend als volgt:
  " Art. 59/7. - Artikel 3, § 2, 6°, 8° en 10°, artikel 10, § 1, tweede lid, artikel 11, § 2, tweede en derde lid, en de tweede zin van artikel 12, § 3, zijn niet van toepassing op BELGACOM. "

  Art. 83. In dezelfde wet wordt een artikel 59/8 ingevoegd, luidend als volgt:
  " Art. 59/8. - In artikel 13, § 3, eerste lid, zijn de woorden " en statutair recht geeft op meer dan 75 % van de stemmen en mandaten in alle organen van de bedoelde dochteronderneming " niet van toepassing op BELGACOM. "

  Art. 84. In artikel 60/1 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 12 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " § 1. Artikel 39, § 1, derde lid, § 2 en § 5, en artikel 40, § 2, zijn niet van toepassing op BELGACOM. ";
  2°
  § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " § 3. De Staat mag de aandelen die hem ter gelegenheid van de omzetting werden toegekend of waarop hij zou inschrijven bij een latere kapitaalverhoging, slechts overdragen aan personen daartoe aangewezen door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, en voor zover de directe deelneming van de overheid daardoor niet daalt tot beneden 50 percent van de aandelen plus één aandeel. ";
  3° § 4 wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " § 4. Onverminderd artikel 39, § 3, in geval van plaatsing van aandelen bij andere personen dan de overheid, mag een gedeelte van de uitgifte bij voorkeur worden aangeboden aan de personeelsleden van BELGACOM en haar dochterondernemingen onder voorwaarden welke kunnen afwijken van deze bepaald in artikel 52septies, § 1, eerste lid, en § 2, 4°, van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935. "

  Art. 85. Wat BELGACOM betreft, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit artikel 29, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wijzigen op voorstel gedaan door de raad van bestuur van BELGACOM na overleg met de representatieve vakorganisaties van haar personeel.

  Art. 86. § 1. De machten toegekend aan de Koning door artikel 85 verstrijken op 31 december 1996. Na deze datum kunnen de besluiten genomen krachtens deze machten enkel worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen door een wet.
  § 2. De ontwerpen van besluiten bedoeld in artikel 85 maken het voorwerp uit van een verslag aan de Koning en worden voorgelegd aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State.

  Art. 87. In artikel 68 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  A) een 16° wordt ingevoegd, luidend als volgt:
  " 16° universele dienstverlening: het verlenen van telecommunicatiediensten waardoor de toegang mogelijk wordt gemaakt tot een welbepaald minimumpakket van diensten van een bepaalde kwaliteit aan alle gebruikers, ongeacht hun geografische locatie en voor een betaalbare prijs;";
  B) een 17° wordt ingevoegd, luidend als volgt:
  " 17° kosten van de universele dienstverlening: de reėle nettokosten die de betrokken leverancier draagt om de universele dienst te verlenen, zoals die door het Instituut zijn berekend. ".

  Art. 88. Artikel 75 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 8, luidend als volgt:
  " § 8. In geval van geschillen tussen personen die telecommunicatie-infrastructuren of -diensten aanbieden, wordt door het Instituut, op verzoek van een van de partijen in het geschil of indien een overheidsbepaling daarin uitdrukkelijk voorziet, advies verstrekt ten einde de partijen met elkaar te verzoenen. Dat advies heeft eén dwingend karakter indien de partijen dat overeengekomen zijn.
  Voor die opdracht mag het Instituut een beroep doen op externe expertise. "

  Art. 89. Een artikel 85bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
  " Art. 85bis. - BELGACOM is verplicht de universele dienst op het gehele grondgebied te verlenen. De Koning legt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de lijst vast van de diensten die worden gepresteerd bij wijze van universele dienstverlening, alsmede technische en financiėle voorwaarden voor het verstrekken van die universele dienst. "

  Art. 90. Een artikel 85ter, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
  " Art. 85ter. - De Koning bepaalt, op voorstel van het Instituut, de kosten van de universele dienstverlening, die elk jaar opnieuw worden berekend.
  Ten einde die kosten van de universele dienstverlening te bepalen, verstrekt de leverancier van die dienst aan het Instituut of zijn gevolmachtigden alle noodzakelijke inlichtingen. "

  Art. 91. Een artikel 85quater, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
  "Art. 85quater. - § 1. Ten einde de financiering van de universele dienstverlening te verzekeren, wordt een fonds opgericht, genaamd " fonds voor de universele dienstverlening ". Buiten de personen bedoeld in artikel 113 van deze wet, zijn de personen die aan het publiek telecommunicatie-infrastructuren aanbieden of niet-gereserveerde telecommunicatiediensten die door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit worden aangeduid, verplicht deel te nemen aan de samenstelling van dat fonds in verhouding tot hun omzet in de sector van de telecommunicatiediensten .
  § 2. Onverminderd § 1 bepaalt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, op advies van het BIPT, de graad van deelneming alsook de voorwaarden met betrekking tot de tussenkomst door het fonds voor de universele dienstverlening inzake telecommunicatie, zodat het verschil wordt gedekt tussen de ontvangsten die voortvloeien uit de krachtens artikel 85bis vastgelegde voorwaarden en de kosten van de universele dienstverlening, zoals bepaald in artikel 68, 17°. Het fonds wordt door het Instituut beheerd. "

  Art. 92. Artikel 90 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 93. In artikel 92 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  A) § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " § 2. De Koning kan op advies van het Instituut bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden een afwijking kan worden verleend van de regel bepaald in § 1.";
  B) § 3 van dezelfde wet wordt opgeheven;
  C) in § 5 wordt de zin " De afwijking verleend in uitvoering van deze paragraaf sluit elke andere afwijking in uitvoering van § 2 uit. " geschrapt.

  Art. 94. In artikel 94, § 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 december 1994, worden de woorden " de voorwaarden voor de installatie en het onderhoud van huisschakelaars " vervangen door de woorden " de contractuele en technische voorwaarden voor diensten inzake installatie, onderhoud, interventie en herstelling in geval van een defect of storingen van huisschakelaars ".

  Art. 95. In artikel 109 van dezelfde wet, waarvan de tegenwoordige tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 ingevoegd, luidend als volgt:
  " § 2. Ten einde toe te zien op de naleving van de verplichtingen van dit hoofdstuk, legt de Koning, op advies van het Instituut, de boekhoudkundige principes vast die de leverancier van de dienst moet toepassen. In dat kader verstrekt deze aan het Instituut of zijn gevolmachtigden alle noodzakelijke inlichtingen. De vertrouwelijkheid van die inlichtingen wordt door het Instituut gegarandeerd. "

  Art. 96. Een artikel 109bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
  " Art. 109bis. - Geen enkele subsidiėring wordt toegestaan vanuit een sector waarin een persoon exclusieve of gereserveerde rechten geniet of een dominante positie heeft, naar niet-gereserveerde diensten.
  Eenieder die niet-gereserveerde telecommunicatiediensten wenst aan te bieden en die bovendien exclusieve of gereserveerde rechten geniet of een dominante positie heeft, is verplicht een gescheiden boekhouding te voeren voor zijn telecommunicatieactiviteiten. Ten einde toe te zien op de naleving van de verplichtingen van dit artikel legt de minister, op advies van het Instituut, de boekhoudkundige principes vast die moeten worden toegepast.
  In dat kader heeft het Instituut of zijn gevolmachtigden toegang tot alle boekhoudkundige personen en mogen zij alle documenten laten overleggen en alle inlichtingen vragen die het Instituut nodig acht voor deze verificatie. De vertrouwelijkheid van die inlichtingen wordt door het Instituut gegarandeerd. ".

  Art. 97. Een artikel 109ter, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd:
  " Art. 109ter. - De Koning legt op advies van het Instituut de termijnen en de principes vast die van toepassing zijn op de commerciėle onderhandelingen die worden gevoerd om interconnectie akkoorden te sluiten. "

  Art. 98. Het opschrift van hoofdstuk XI van dezelfde wet wordt door het volgend opschrift vervangen:
  " HOOFDSTUK XI - Sancties, toezicht, geheimhouding en strafbepalingen ".

  Art. 99. Een artikel 109quater, luidend als volgt, wordt in hoofdstuk XI van dezelfde wet ingevoegd:
  "Art. 109quater. - Onverminderd de bepalingen van artikel 114 § 2, kan het Instituut, in geval van niet-nakoming van de door of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, een gemotiveerde ingebrekestelling richten aan de overtreders. Indien de overtreders zich binnen de opgelegde termijn niet naar de ingebrekestelling schikken, kan het Instituut alle nodige maatregelen treffen, met inbegrip van het bevel aan alle betrokken personen om de aansluitingen op de openbare telecommunicatie-infrastructuur af te koppelen. "

  Art. 100. Artikel 110, § 2, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt:
  "3° alle documenten, stukken, boeken en voorwerpen in beslag nemen, voor zover dit nodig is om aan de overtreding een einde te maken. "

  Art. 101. Artikel 114, § 2 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende tekst:
  " § 2. Met geldboete van 50 tot 500 frank wordt gestraft de persoon die de artikelen 84, 85, tweede en derde lid, 88, 89, §§ 2 tot 7, 92, §§ 1,2 en 5, 94, § 1, 95, 96, 99, § 3, 104, 109, 109bis en 113, overtreedt. "

  Art. 102. In artikel 122 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  A) in § 1 worden de woorden " 1 januari 1995 " vervangen door de woorden " 31 maart 1998 ";
  B) in dezelfde § 1 worden de woorden " inzake open network provision " ingevoegd tussen de woorden " van de eindapparatuur voor telecommunicatie " en de woorden " inzake de vrije mededinging op de markten voor telecommunicatiediensten. "

  Art. 103. Artikel 7 van de wet van 6 februari 1987 betreffende de radio- en teledistributienetten en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie, vervangen door de wet van 21 maart 1991, wordt vervanger door volgende bepaling:
  " Art. 7. - § 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de voorwaarden bepalen waaronder de netten van de instanties, vermeld in artikel 92, § 5, van de wet van 21 maart 1991 tot hervorming van sommige economische overheidsbedrijven kunnen worden gebruikt voor de uitbating van de niet-gereserveerde diensten in de zin van titel III van dezelfde wet, wanneer dit verenigbaar is met de vrijwaring van de universele dienstverlening en met de verplichtingen inzake tarieven en inzake geografische verspreiding die eruit voortvloeien.
  Deze voorwaarden zullen onder meer betrekking hebben op:
  1° de essentiėle voorschriften, zoals bepaald in artikel 107, § 3, derde lid, van dezelfde wet;
  2° de minimumvoorwaarden van gelijke en regelmatige beschikbaarheid, geografische bedekking, betrouwbaarheid van de dienst, toegang tot de hulpdiensten, voorzienningen voor klanten met speciale noden en facturatie;
  3° de voorwaarden met betrekking tot de bescherming van de abonnees en van de gegevens;
  4° de minimale normen en specificaties van het net die moeten worden nageleefd;
  5° het nummeringsplan;
  6° de voorwaarden met betrekking tot de financiėle status en technische competentie;
  7° de duur, de voorwaarden met betrekking tot de beėindiging, de verlenging en de overdracht van de vergunning;
  8° de sancties bij niet-naleving van de voorwaarden van de vergunning;
  9° de rechten, te betalen aan het Instituut voor het beheer van het dossier en het eventuele gebruik van frequenties.
  § 2. Ingeval van een radiodistributie- of teledistributienet, mogen de langs het net overgebrachte klank- en televisieprogramma's niet worden gehinderd.
  § 3. In ieder geval zijn de bepalingen van titel III van dezelfde wet van toepassing, met uitzondering van het artikel 83, 5°, en de artikelen 88 en 92, § 1, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 1994. "

  Art. 104. Artikel 2 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving wordt opgeheven.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 20 december 1995.
ALBERT
Van Koningswege:
De Eerste Minister,
J.-L. DEHAENE
De Minister van Telecommunicatie,
E. DI RUPO
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Financiėn,
Ph. MAYSTADT
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY
De Minister van Wetenschapsbeleid
Y. YLIEFF
De Minister van Pensioenen,
M. COLLA
De Minister van Landbouw,
K. PINXTEN
De Minister van Vervoer,
M. DAERDEN
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
De Minister van Ambtenarenzaken,
A. FLAHAUT
De Minister van Landsverdediging,
J.-P. PONCELET
Met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 30-07-2018 GEPUBL. OP 05-09-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 77)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 56; 57-59; 61)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-05-1999 GEPUBL. OP 01-07-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 56)
  • 1997021133; 1997-04-25
  • ARREST ARBITRAGEHOF VAN 17-04-1997 GEPUBL. OP 25-04-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 91)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-12-1996 GEPUBL. OP 31-12-1996
    (GEWIJZIGD ART. : 34)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 1995-1996. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Wetsontwerp, nr. 208/1. - Advies van de Raad van State, nr. 208/2. - Amendementen nr. 208/3 tot 7. - Verslagen namens de Commissies, nr. 208/8 tot 13. - Tekst aangenomen door de Commissies, nr. 208/14. - Amendementen nr. 208/15 en 16. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, nr. 208/17. Beslissingen van de Parlementaire Overlegcommissie, nr. 82/5 (B.Z.) (Kamer), 1-82/5 (Senaat). Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 28 en 30 november 1995. Senaat. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers, nr. 1-187/1. - Amendementen nr. 1-187/2 en 3. - Verslagen nr. 1-187/4 tot 7. - Amendementen nr. 1-187/8 en 9. - Beslissing om niet te amenderen, nr. 1-187/10. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 14 en 18 december 1995.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 16 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
    Franstalige versie