J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
5 APRIL 1995. - Samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot het internationaal milieubeleid.

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN.ONTWIKKELINGSSAMENWERKING.VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU.VLAAMSE GEMEENSCHAP.WAALSE GEWEST.BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 13-12-1995 nummer :   1995021438 bladzijde : 33436
Dossiernummer : 1995-04-05/94
Inwerkingtreding : 23-12-1995

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-17

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Overeenkomstig punt 5.2 van de Omzendbrief van de Eerste Minister van 31 maart 1992 betreffende de interministeriële conferenties wordt een permanente werkgroep met de titel " Coordinatiecomité International Milieubeleid " (afgekort : CCIM) opgericht in het kader van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu en, wat haar specifieke bevoegheden betreft, van de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid.
  Dit Comité is belast met de volgende taken :
  1° Het voorbereiden van de standpunten die dienen te worden ingenomen door de Belgische delegaties in de instanties van de internationale organisaties, met uitzondering van de Raad van de Europese Unie, in de andere organen opgericht door verdragen waarbij het Koninkrijk België partij is, en in internationale ministeriële conferenties, in aangelegenheden bedoeld in artikel 6, § 1, II en III, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, met inbegrip van de financiële implicaties van de internationale samenwerking, uitgezonderd de bestaande verplichte bijdrage aan de internationale organisaties, en de interne verdeling van de lasten ervan.
  2° Het bepalen van de samenstelling van de Belgische delegatie en de aanduiding van de woordvoerder in de sub 1° bedoelde gevallen, overeenkomstig de in onderhavig akkoord bepaalde principes.
  3° Het plegen van overleg om te komen tot een gecoördineerde uitvoering van de aanbevelingen en beslissingen van internationale organisaties.
  4° Het voorbereiden van de vergaderingen van de Interministeriële Conferentie Leefmilieu, wat de agendapunten betreft die binnen het toepassingsgebied van dit akkoord vallen.
  5° Het toezicht op het verzamelen van de nodige gegevens om te kunnen antwoorden op de vragen om informatie uitgaande van internationale organisaties en, waar nodig, gemeenschappelijke rapporten op te stellen ten behoeve van deze organisaties, rekening houdend met de structuren voor het verzamelen van gegevens die reeds op intergewestelijk niveau ingesteld werden.
  Wanneer in het kader van een instantie van een internationale organisatie onderhandelingen worden gevoerd over het sluiten van een gemengd verdrag, voert het CCIM de taken bedoeld sub 1° en 2° uit onverminderd de bevoegdheden van de werkgroep " gemengde verdragen " van de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid, zoals bepaald in het samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994 tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten over de nadere regelen voor het sluiten van gemengde verdragen.
  Het CCIM is niet bevoegd voor de aangelegenheden die krachtens artikel 2, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994 tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in de Ministerraad van de Europese Unie tot de bevoegdheid behoren van de coördinatie in het kader van de Bestuursdirectie Europese Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Niettemin kunnen, overeenkomstig artikel 3 van voormeld samenwerkingsakkoord, in het kader van het CCIM ad hoc coördinaties plaatsvinden over technische materies, met inbegrip van de technische aspecten van de uitvoering van de Europese wetgeving, die betrekking hebben op aangelegenheden bedoeld in artikel 6, § 1, II en III, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen. Het resultaat van deze coördinaties wordt ter kennis gebracht van de voormelde Bestuursdirectie Europese Zaken.
  Het CCIM voert de taken bedoeld sub 1° en 2° uit in het kader van artikel 6 van het voormelde kaderakkoord tot regeling van de samenwerking tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in internationale organisaties, en onverminderd de bevoegdheden van de werkgroep " vertegenwoordiging van België bij de internationale organisaties " van de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid.

  Art. 2. § 1. Zijn lid van het CCIM :
  1° één afgevaardigde van elke federale en gewestelijke administratie die belast is met taken inzake leefmilieu en/of natuurbehoud;
  2° één afgevaardigde van elke federale of gewestelijke Minister of Staatssecretaris die het leefmilieu en/of het natuurbehoud onder zijn bevoegdheid heeft;
  3° één afgevaardigde van het federale ministerie van Buitenlandse Zaken;
  4° één afgevaardigde van het Algemeen Bestuur voor Ontwikkelingssamenwerking;
  5° één afgevaardigde van de federale Minister bevoegd voor buitenlandse Zaken;
  6° één afgevaardigde van de federale Minister of Staatssecretaris bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking;
  7° één afgevaardigde van de Permanente Vertegenwoordiging van België bij de E.U.
  Wanneer het CCIM moet beraadslagen over aangelegenheden die raken aan de bevoegdheden van andere leden van de federale of Gewestregeringen dan deze vermeld sub 2°, 5° en 6° hierboven, dan worden zij uitgenodigd om voor de behandeling van de desbetreffende agendapunten hun vertegenwoordiger af te vaardigen.
  § 2. De namen van de leden worden door de bevoegde Minister of Staatssecretaris meegedeeld aan de secretaris van het CCIM.
  § 3. Elk lid kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een of meer deskundigen waarvan de naam (namen) in de mate van het mogelijke aan de secretaris wordt (worden) medegedeeld voor de vergadering waarvoor hij wordt opgeroepen.
  § 4. Behalve wanneer zij een lid krachtens § 3 vertegenwoordigen, kunnen de in de § 3 bedoelde deskundigen aan de vergaderingen van het CCIM slechts deelnemen met raadgevende stem.

  Art. 3. Het voorzitterschap van het Comité wordt waargenomen door een ambtenaar van het federale departement van Leefmilieu.

  Art. 4. Het Secretariaat van de vergaderingen van het Comité wordt waargenomen door het federale departement van Leefmilieu.

  Art. 5. Het Comité komt samen na oproeping door zijn voorzitter, bij voorkeur op een vaste dag.
  Het moet worden bijeengeroepen binnen een termijn van maximaal 10 dagen wanneer een der leden hierom schriftelijk verzoekt en de punten vermeldt die hij op de agenda wenst te plaatsen.

  Art. 6. § 1. Het Comité kan niet geldig beraadslagen over een agendapunt indien van elk betrokken Minister of Staatssecretaris geen afgevaardigde of vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 2 aanwezig is.
  In voorkomend geval, roept de voorzitter binnen een termijn van één week een nieuwe vergadering samen, die geldig zal kunnen beraadslagen ongeacht de afwezigheid van sommige leden van het Comité.
  § 2. In alle gevallen beslist het Comité bij consensus tussen de betrokken vertegenwoordigde Partijen.
  Wanneer verscheidene leden van eenzelfde Partij aanwezig of vertegenwoordigd zijn, kan slechts één van hen deelnemen aan de vorming van de consensus.

  Art. 7. § 1. Indien binnen het Comité geen consensus wordt bereikt, wordt de zaak op ministerieel niveau beslecht door de Interministeriële Conferentie Leefmilieu, die zo nodig wordt uitgebreid met de andere betrokken leden van de federale Regering of Gewestregeringen.
  Als de zaak implicaties heeft voor horizontale beleidsstandpunten eigen aan het buitenlands beleid van België, wordt ze naar de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid verwezen.
  § 2. Indien tijdens een vergadering van een internationale instantie het Belgisch standpunt, dat overeenkomstig het onderhavige akkoord werd bepaald, hoogdringend moet worden aangepast ten einde volwaardig te kunnen deelnemen aan de besluitvorming, dan worden de bepalingen van artikel 9 van het voormelde kaderakkoord tot samenwerking tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten over de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in internationale organisaties mutatis mutandis toegepast.

  Art. 8. § 1. Het CCIM kan beslissen :
  1° deskundigengroepen op te richten ten einde hem adviezen en aanbevelingen voor te leggen of bestaande deskundigengroepen hiermee te belasten;
  2° zijn bevoegdheden voor de voorbereiding van welbepaalde internationale vergaderingen onder zijn verantwoordelijkheid te delegeren aan een ad hoc groep van deskundigen, samengesteld uit vertegenwoordigers van alle betrokken regeringen en administraties en onder leiding van een coördinator die door het CCIM wordt aangeduid;
  3° voor zijn vergaderingen afgevaardigden van andere federale of gewestelijke administraties uit te nodigen dan deze bedoeld in artikel 2, § 1, alsook afgevaardigden van representatieve federale of gewestelijke adviesraden en niet-gouvernementele organisaties.
  § 2. De in § 1 bedoelde deskundigen en afgevaardigden kunnen aan de vergaderingen van het CCIM slechts deelnemen met raadgevende stem. Ze nemen alleen deel aan de besprekingen voor de punten op de dagorde waarvoor ze uitgenodigd werden.

  Art. 9. Het CCIM voert op eigen initiatief de taken uit die hem krachtens artikel 1 zijn toevertrouwd.
  Iedere Minister of Staatssecretaris die in het Comité vertegenwoordigd is kan bovendien om het advies van het comité verzoeken m.b.t. de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren.

  Art. 10. De vergaderingen van het CCIM zijn niet openbaar.
  Enkel de leden, hun vertegenwoordigers en in de artikel 8 bedoelde deskundigen of krachtens artikel 8, § 1, 3°, uitgenodigde afgevaardigden en de ambtenaren belast met het secretariaat zijn bevoegd om de vergaderingen van het Comité bij te wonen evenals die van de eventuele deskundigengroepen die zouden zijn opgericht in toepassing van artikel 8, § 1, 1° en 2°.

  Art. 11. § 1. Van de beslissingen van het CCIM worden notulen opgesteld in het Nederlands en in het Frans. Op expliciet verzoek van een delegatie kan haar standpunt eveneens in de notulen vermeld worden.
  Deze notulen worden, zowel in hun ontwerp-vorm als in hun goedgekeurde vorm, door het secretariaat van het CCIM ambtshalve overgemaakt aan het secretariaat van de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid.
  § 2. De werkdocumenten met betrekking tot de agendapunten worden in de taal van de indiener verspreid. Er zijn door het secretariaat geen vertalingen voorzien.
  De documenten afkomstig van internationale organisaties worden verspreid in de vorm waarin zij door deze organisaties ter beschikking worden gesteld.

  Art. 12. § 1. Indien nodig, inzonderheid wanneer de beschikbaarheid van de betrokken leden het onmogelijk maakt het in artikel 6 bedoelde aanwezigheidsquorum te waarborgen, kan het advies, het voorstel, de aanbeveling of de beslissing van het Comité door middel van een schriftelijke procedure worden ingewonnen.
  Daartoe deelt de Voorzitter het ontwerp van maatregel waarover het standpunt van het Comité wordt gevraagd door middel van een brief of telefax aan de leden mee, waarbij het/de motief(ven) wordt(en) verantwoord waarom de geschreven procedure werd aangewend en waarbij aan de leden een antwoordtermijn wordt opgelegd.
  § 2. Indien de geschreven procedure gericht is op het inwinnen van een advies of van een beslissing voor of tegen een ontwerp, een stellingname of een samenstelling van een delegatie, dan wordt het advies of de beslissing geacht gunstig te zijn, indien binnen de tien dagen volgend op het verstrijken van de in § 1 beoogde termijn geen reactie komt.
  § 3. Indien een lid schriftelijk vraagt dat het ontwerp tijdens een vergadering van het Comité zou worden onderzocht, wordt de geschreven procedure opgeschort en roept de Voorzitter een vergadering samen.
  Wanneer echter blijkt dat deze vergadering niet kan plaatsvinden of dat het aanwezigheidsquorum niet voor de in § 1 bedoelde termijn kan worden samengebracht, dan wordt de schorsing opgeheven, zonder dat men zich opnieuw kan beroepen op het vorige lid.

  Art. 13. § 1. Tijdens een internationale vergadering is de Belgische delegatie samengesteld hetzij uit vertegenwoordigers van de federale overheid alleen, hetzij uit vertegenwoordigers van zowel de federale overheid als de Gewesten, hetzij uit vertegenwoordigers van de Gewesten alleen.
  Het CCIM bepaalt voor iedere instantie welke van deze 3 formules wordt toegepast.
  § 2. In internationale instanties waarvan België lid is, vertegenwoordigen de aangeduide afgevaardigden steeds het Koninkrijk België of zij nu in dienst zijn van een Gewest of van de federale overheid. Zij dienen hun optreden dan ook aan deze situatie aan te passen.

  Art. 14. Na iedere vergadering van een internationale instantie wordt, binnen een termijn van één maand, aan de betrokken leden van het CCIM verslag uitgebracht, wanneer de overheden die zij vertegenwoordigen niet op de vergadering vertegenwoordigd waren.

  Art. 15. De Permanente Vertegenwoordigingen van België bij de betrokken internationale organisaties verstrekken aan de federale en gewestelijke administraties rechtstreeks alle nuttige informatie, voor zover deze de coördinaten van hun correspondenten hebben medegedeeld.
  Behalve wanneer zij het CCIM vooraf op de hoogte brengen van hun bedoeling anders te beslissen onthouden de Gewesten zich ervan individueel te reageren t.o.v. de Permanente Vertegenwoordigingen.
  Indien de informatie of het verzoek een reactie vergt, moet de betrokken afgevaardigde die aangelegenheid op de dagorde plaatsen van een vergadering van het CCIM, opdat op Belgisch vlak een gecoördineerd standpunt naar voren kan worden gebracht.

  Art. 16. Het Comité stelt zelf zijn huishoudelijk reglement vast en legt het ter goedkeuring voor aan de Interministeriële Conferentie Leefmilieu.
  In afwachting van de goedkeuring van dit huishoudelijk reglement wordt het huishoudelijk reglement van het Overlegcomité Federale regering, Regeringen van de Gemeenschappen en Gewesten mutatis mutandis toegepast.

  Art. 17. De geschillen tussen de partijen met betrekking tot de interpretatie of de uitvoering van dit akkoord woden beslecht door het rechtscollege bedoeld in artikel 92bis, §§ 5 en 6, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  Aldus opgesteld te Brussel in negenvoud, op 5 april 1995.
  Voor de Federale Regering :
  De Minister van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking,
  E. DERYCKE
  De Minister van Sociale Integratie, Volksgezondheid en Leefmilieu,
  J. SANTKIN
  Voor de Vlaamse Regering :
  De Minister-President van de Vlaamse Regering en Vlaamse Minister van Economie, KMO, Wetenschapsbeleid, Energie en Externe Betrekkingen,
  L. VAN DEN BRANDE
  De Minister Vice-President van de Vlaamse Regering en Vlaamse Minister van Leefmilieu en Huisvesting :
  N. DE BATSELIER
  Voor de Waalse Regering :
  De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, KMO, Externe Betrekkingen en Toerisme,
  R. COLLIGNON
  De Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw voor het Waalse Gewest,
  G. LUTGEN
  Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
  De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstelijke Regering, belast met Ruimtelijke Ordening, Ondergeschikte besturen en Tewerkstelling,
  Ch. PICQUE
  De Brusselse Minister van Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
  J. CHABERT
  De Brusselse Minister van Huisvesting, Leefmilieu, Natuurbehoud, Waterbeleid en Monumenten en Landschappen,
  D. GOSUIN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de artikelen 35, 39 en 167 van de Grondwet;
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op de artikelen 6, § 1, II en III, zoals gewijzigd door de bijzondere wetten van 8 augustus 1988 en 16 juli 1993, en 92bis, § 4bis, ingevoegd door de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten;
   Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, inzonderheid op de artikelen 4 en 42;
   Gelet op de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 31bis, tweede lid, ingevoegd door de wet van 16 juli 1989 houdende diverse institutionele hervormingen en gewijzigd door de wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten;
   Gelet op de beslissing van het Overlegcomité Regering-Executieven van 9 mei en 13 juni 1989, tot oprichting van een Interministeriële Conferentie Leefmilieu;
   Gelet op het protocol van 31 maart 1992 tot regeling van de onderscheiden vormen van samenwerking tussen de Regering en de Executieven;
   Gelet op het samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994 tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in de Ministerraad van de Europese Unie;
   Gelet op het samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994 tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten over de nadere regelen voor het sluiten van gemengde verdragen;
   Gelet op het kaderakkoord van 30 juni 1994 tot samenwerking tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten over de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België bij de internationale organisaties waarvan de werkzaamheden betrekking hebben op gemengde bevoegheden, inzonderheid de artikelen 1, § 3, 6 en 9;
   Overwegende dat artikel 1, § 3, van voormeld kaderakkoord bepaalt dat specifieke samenwerkingsakkoorden kunnen worden gesloten indien de eigenheid van sommige internationale organisaties een meer gedetailleerde uitwerking vereist van de in het kaderakkoord opgestelde algemene regeling;
   Overwegende dat in het kader van tal van internationale organisaties en instellingen waarvan het Koninkrijk België lid is, onderhandelingen worden gevoerd, verdragen worden gesloten, beslissingen worden genomen of aanbevelingen worden uitgebracht met betrekking tot aangelegenheden in verband met leefmilieu, natuurbehoud en duurzame ontwikkeling, die, naargelang van het geval, behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de Gewesten, tot de exclusieve bevoegdheid van de federale Staat, of tot de gemengde bevoegdheid van de Gewesten en de federale Staat;
   Overwegende dat, wanneer de structuren van deze organisaties niet toelaten dat de Gewesten in eigen naam aan deze werkzaamheden deelnemen, het bepalen van een gezamenlijk Belgisch standpunt noodzakelijk blijft en
dat, overeenkomstig artikel 92bis, § 4bis, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, regels moeten worden overeengekomen voor de bepaling van dit standpunt en de vertegenwoordiging van België in deze organisaties, rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de Gewesten en de federale Staat;
   Overwegende dat krachtens artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, de Gewesten bevoegd zijn voor het leefmilieu en het waterbeleid, en dat zij bijgevolg, krachtens artikel 167, § 1, eerste lid, van de Grondwet, eveneens bevoegd zijn om de internationale samenwerking met betrekking tot deze aangelegenheden te regelen, met uitzondering evenwel van de aangelegenheden vermeld in het tweede lid van deze bepaling, die behoren tot de bevoegdheid van de federale Staat en waarvoor deze bevoegd blijft om de internationale samenwerking te regelen;
   Overwegende dat krachtens artikel 6, § 1, III, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de Gewesten bevoegd zijn voor het natuurbehoud, met inbegrip van de bossen, de jacht, de vogelvangst, de visvangst en de visteelt, en dat zij bijgevolg, krachtens artikel 167, § 1, eerste lid, van de Grondwet, eveneens bevoegd zijn om de internationale samenwerking met betrekking tot deze aangelegenheden te regelen, met uitzondering evenwel van de in-, uit- en doorvoer van uitheemse plantensoorten evenals uitheemse diersoorten en hun krengen, een aangelegenheid die krachtens artikel 6, § 1, III, 2°, behoort tot de bevoegdheid van de federale Staat en waarvoor deze bevoegd blijft om de internationale samenwerking te regelen;
   Overwegende dat, gelet op de eigenheid en grote techniciteit van de werkzaamheden van internationale organisaties op het vlak van leefmilieu, natuurbehoud en duurzame ontwikkeling en de vele wisselwerkingen en verbanden tussen de werkzaamheden van de verschillende bevoegde organisaties, het sluiten van een specifiek samenwerkingsakkoord als bedoeld in artikel 1, § 3, van het voormelde kaderakkoord en de oprichting van een specifiek overlegorgaan voor het internationaal milieubeleid opportuun zijn;
   Overwegende dat, wat de vertegenwoordiging van België in de Raad van de Europese Unie betreft, gelet op de bijzondere juridische en institutionele context, het bijzondere wenselijk is niet af te wijken van de horizontale regeling inzake coördinatie en vertegenwoordiging, zoals bepaald in het samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994 tussen de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in de Ministerraad van de Europese Unie;
   de federatie Staat, vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de heren Erik Derycke, Minister van Buitenlanse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, en Jacques Santkin, Minister van Sociale Integratie, Volksgezondheid en Leefmilieu;
   het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de heren Luc Van Den Brande, Mi
nister-President van de Vlaamse Regering en Vlaamse Minster van Economie, KMO, Wetenschapsbeleid, Energie en Externe Betrekkingen en Norbert De Batselier, Minister Vice-President van de Vlaamse Regering en Vlaamse Minister van Leefmilieu en Huisvesting;
   het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de heren Robert Collignon, Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, KMO, Externe Betrekkingen en Toerisme en Guy Lutgen, Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw voor het Waalse Gewest;
   het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de heren Charles Picqué, Minister-Voorzitter van de Regering van het Brusselse Hoofdstelijke Gewest, belast met Ruimtelijke Ordening, Ondergeschikte besturen en Tewerkstelling, Jos Chabert, Brusselse Minister van Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen, en Didier Gosuin, Brusselse Minister van Huisvesting, Leefmilieu, Natuurbehoud, Waterbeleid en Monumenten en Landschappen,
   zijn overeengekomen wat volgt :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie