J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 270 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1995/04/03/1995012237/justel

Titel
3 APRIL 1995. - Wet houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-04-1995 en tekstbijwerking tot 01-07-2010)

Bron : TEWERKSTELLING EN ARBEID.SOCIALE VOORZORG
Publicatie : 22-04-1995 nummer :   1995012237 bladzijde : 10564
Dossiernummer : 1995-04-03/35
Inwerkingtreding : 02-05-1995

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Tewerkstellingsakkoorden.
Art. 1-9
TITEL II. - Brugpensioen en halftijds brugpensioen.
Art. 10-13
TITEL III. - Specifieke tewerkstellingsmaatregelen.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
Art. 14
HOOFDSTUK II. - Maatregelen ten voordele van de werkgelegenheid en de vorming.
Art. 15-17
HOOFDSTUK III. - Stage en inschakeling der jongeren in het arbeidsproces.
Art. 18
HOOFDSTUK IV. - Begeleiding van werklozen.
Art. 19-21
HOOFDSTUK V. - Betaald educatief verlof.
Art. 22
HOOFDSTUK VI. - Kinderopvang.
Art. 23-24
HOOFDSTUK VII. - Jaarlijkse vakantie.
Art. 25
HOOFDSTUK VIII. - Diverse bepalingen.
Art. 26
TITEL IV. - Bedrijfsplannen.
Art. 27-28

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Tewerkstellingsakkoorden.

  Artikel 1. § 1. Deze titel is van toepassing op de werkgevers en de werknemers op wie de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, van toepassing is.
  § 2. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de toepassing van deze titel uitbreiden tot de overheden en de werkgevers op wie de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, van toepassing is.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en nadere regelen bepalen overeenkomstig welke, in het kader van de toepassing van deze titel, de in artikel 2 vermelde voordelen worden toegekend aan de werkgevers, bedoeld in het vorige lid. Hij kan tevens het toezicht op die toekenning regelen.

  Art. 2. § 1. De werkgevers die ter uitvoering van een akkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 60 gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 20 december 1994, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven tenminste een gelijkwaardig arbeidsvolume aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van 1994, hebben voor elke nieuw aangeworven werknemer, aangeworven na 31 december 1994, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid van 37 500 frank per trimester. Indien de vermindering van 37 500 frank hoger is dan het bedrag van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7° en 9°, en § 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, die voor de bijkomende werknemer verschuldigd zijn, wordt het bedrag van de vermindering beperkt tot het bedrag dat overeenstemt met een volledige vrijstelling van de voornoemde werkgeversbijdragen, verschuldigd voor deze werknemer.
  De voordelen bedoeld in het vorige lid kunnen enkel worden toegekend tijdens de geldigheidsduur van het tewerkstellingsakkoord en uiterlijk tot 31 december 1996.
  (Het voordeel van de vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in het eerste lid moet uiterlijk op 30 juni 1998 aangevraagd worden bij de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen.) <W 1998-02-13/32, art. 31, 004; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wat dient te worden verstaan onder gelijkwaardig arbeidsvolume en onder nettoaangroei van het aantal werknemers.
  Worden evenwel niet beschouwd als een nieuw aangeworven werknemer :
  - de werknemer, aangeworven in het kader van het banenplan, bedoeld in de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, gedurende de periode van de bijdragevermindering;
  - de werknemer, aangeworven in het kader van de bepalingen in hoofdstuk VII van Titel III van de programmawet van 30 december 1988, gedurende de periode van voorstelling van de werkgeversbijdragen.
  De akkoorden bedoeld in dit artikel moeten worden neergelegd op de Griffie van de Dienst van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
  De vermindering van de werkgeversbijdrage wordt toegekend voor zover het bewijs wordt geleverd, volgens de modaliteiten vastgesteld door de Koning op voorstel van de Ministers van Tewerkstelling en Arbeid en Sociale Zaken, dat in hoofde van de werkgever en werknemer voldaan is aan de vastgestelde toekenningsvoorwaarden.
  § 2. (...) <W 1999-01-25/32, art. 73, 006; Inwerkingtreding : 01-04-1999>

  Art. 3. Een paritair comité of subcomité kan in zijn midden een beperkt comité oprichten waaraan het de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 60 van 20 december 1994, kan overdragen.
  Het paritair comité of het subcomité of in voorkomend geval het overeenkomstig het eerste lid opgericht beperkt comité, moet zich binnen de drie maanden na ontvangst van het volledige dossier door de Voorzitter van het paritair comité of subcomité, uitspreken. De Voorzitter brengt de werkgever in kennis van de beslissing van het paritair comité of subcomité of beperkt comité, binnen een termijn van acht dagen.
  Bij ontstentenis van kennisgeving van een beslissing binnen een termijn van drie maanden en acht dagen, wordt het akkoord geacht te zijn goedgekeurd.

  Art. 4. De Commissie Bedrijfsplannen, opgericht met toepassing van artikel 34 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, zoals bekrachtigd door de wet van 30 maart 1994, is belast met de goedkeuring van de akkoorden gesloten met toepassing van artikel 8 van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 60 van 20 december 1994.

  Art. 5. De controle op de naleving van de bepalingen van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten ervan gebeurt door de ambtenaren die door de Koning worden aangewezen.
  [1 Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 109, 8°, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 6. Indien wordt vastgesteld dat akkoorden gesloten met toepassing van deze Titel niet zijn nagekomen of indien wordt vastgesteld dat de netto-aangroei van het aantal werknemers (het gevolg is van de opslorping of de fusie van één of meerdere werkgevers of van de overdracht van personeel die in hoofde van de overdragende werkgever aanleiding gaf tot een vermindering van het arbeidsvolume in vergelijking met het kwartaal dat aan de overdracht voorafgaat,) zal de werkgever tot terugbetaling gehouden zijn van het geheel of gedeelte van de ten onrechte ontvangen voordelen. <W 1998-02-13/32, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (Lid 2 ingetrokken) <W 1998-02-13/32, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 02-05-1995>

  Art. 7. In het kader van de akkoorden, bedoeld in deze Titel I, kan worden afgeweken van de bepaling van artikel 28, § 1 en § 3, van de arbeidswet van 16 maart 1971.

  Art. 8. Een werkgever die geniet van de vermindering bedoeld in artikel 2, kan voor dezelfde werknemer gedurende dezelfde periode niet genieten van de vermindering bedoeld in artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 24 december 1993 of van de vrijstelling bedoeld in artikel 61 van de voornoemde wet van 21 december 1994.
  Een werkgever die geniet van de vermindering, bedoeld in artikel 2, kan voor dezelfde werknemer gedurende dezelfde periode in voorkomend geval genieten van de vermindering bedoeld in :
  1° de bepalingen van artikel 35 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  2° de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 483 van 31 december 1986 tot vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden;
  3° de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever, verschuldigd in hoofde van deze jongeren;
  4° de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren;
  5° de bepalingen van Titel VII van het voormeld koninklijk besluit van 24 december 1993.
  (6° de bepalingen van het koninklijk besluit nr 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces.) <W 1998-02-22/43, art. 69, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1995; Opheffing : 31-12-1996; zie ook W 1998-02-22/43, art. 72, § 2.>
  De gelijktijdige toepassing van de verschillende verminderingen kan nooit tot gevolg hebben dat een werkgever voor dezelfde werknemer een vermindering van werkgeversbijdragen geniet die hoger is dan het bedrag van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid, bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7° en 9° en § 3bis van de voornoemde wet van 29 juni 1981, voor het betrokken trimester.

  Art. 9. Artikel 64, § 1, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt aangevuld als volgt :
  "9° van de bepalingen van Titel I van de wet 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling."

  TITEL II. - Brugpensioen en halftijds brugpensioen.

  Art. 10. § 1. Voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1996 kunnen in de paritaire comités of subcomités, collectieve arbeidsovereenkomsten worden gesloten die voorzien in de invoering van een stelsel van conventioneel brugpensioen, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen, voor de ontslagen werknemers die 55 jaar of ouder zijn tijdens de looptijd van deze collectieve arbeidsovereenkomsten en op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en die op dat ogenblik 33 jaar beroepsverleden als loontrekkende kunnen rechtvaardigen berekend overeenkomstig artikelen 114, § 4, tweede lid en 117, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsuitkeringen.
  Voor de toepassing van dit artikel worden voor de berekening van het beroepsverleden gelijkgesteld met arbeidsdagen :
  - de periode van actieve dienst als dienstplichtige met toepassing van de artikelen 2bis en 66 van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962 en als gewetensbezwaarde met toepassing van de artikelen 18 en 19, van de wet houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;
  - de dagen van beroepsloopbaanonderbreking overeenkomstig de bepalingen van de herstelwet van 22 januari 1985 en de periodes tijdens dewelke de werknemer zijn loondienst heeft onderbroken om een kind op te voeden dat de leeftijd van zes jaar niet heeft bereikt. Deze gelijkstellingen kunnen in totaal voor maximaal 3 jaar in rekening worden gebracht;
  - de dagen tijdens welke de werknemer zijn loondienst onderbroken heeft om een tweede of een volgend kind op te voeden dat de leeftijd van zes jaar nog niet heeft bereikt, met een maximum van 3 jaar;
  - de dagen van volledige werkloosheid met een maximum van 5 jaar.
  § 2. Met ingang van 1 januari 1997 wordt de leeftijd, waarop de ondernemingen en de paritaire comités of subcomités bij collectieve arbeidsovereenkomst, voor de ontslagen werknemers kunnen voorzien in de invoering van een stelsel van conventioneel brugpensioen zoals bedoeld in het voornoemd koninklijk besluit van 7 december 1992, op minimum 58 jaar gebracht.
  De Koning kan hierop een afwijking toestaan voor enerzijds, de ondernemingen en sektoren waarvoor op 1 december 1994 een brugpensioenregeling geldt op grond waarvan de datum vanaf wanneer het brugpensioen slechts kan worden toegekend vanaf de leeftijd van 58 jaar is vastgesteld op een tijdstip na 1 januari 1997, en, anderzijds, de ondernemingen in moeilijkheden en in herstructurering.
  § 3. De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen tot uitvoering van dit artikel.

  Art. 11. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 12. In de ondernemingen en de paritaire comités of subcomités kunnen voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1996 collectieve arbeidsovereenkomsten worden gesloten die voorzien in de invoering van een stelsel van halftijds brugpensioen zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 55 gesloten op 13 juli 1993 in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 november 1993 voor de oudere werknemers bedoeld in artikel 46 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, vanaf de leeftijd van 55 jaar.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen tot uitvoering van de bepalingen van dit artikel.

  Art. 13. § 1. In artikel 268 van de programmawet van 22 december 1989, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 1991 en 30 maart 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid van § 1 wordt de tweede volzin geschrapt;
  2° het artikel wordt aangevuld met een § 4, luidend als volgt :
  "§ 4. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de oudere werknemer die met zijn werkgever een akkoord heeft bereikt om zijn arbeidsprestaties te halveren in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in de invoering van een stelsel van halftijds brugpensioen zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 55 van 13 juli 1993, gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 november 1993."

  TITEL III. - Specifieke tewerkstellingsmaatregelen.

  HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.

  Art. 14. Deze Titel is van toepassing op de werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de besluitwetten van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden der koopvaardij toepasselijk zijn.

  HOOFDSTUK II. - Maatregelen ten voordele van de werkgelegenheid en de vorming.

  Art. 15. De werkgevers bedoeld in artikel 14 zijn voor het jaar 1995 een inspanning van 0,15 % verschuldigd berekend op grond van het volledige loon van de werknemers, zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en de uitvoeringsbesluiten van deze wet. Voor het jaar 1996 wordt het bovengenoemde percentage (vastgesteld op 0,15 %). <W 1995-12-22/38, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 09-01-1996>
  De Koning kan de categorieën, die Hij bepaalt, geheel of gedeeltelijk aan het toepassingsgebied van dit hoofdstuk onttrekken.
  Deze inspanning is bestemd voor de personen die behoren tot de risicogroepen of op wie een begeleidingsplan van toepassing is.
  Het begrip risicogroepen wordt bij de collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 16, bepaald.

  Art. 16. § 1. De inspanning bedoeld in artikel 15 wordt geconcretiseerd door middel van een nieuwe of voortgezette collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in een paritair orgaan of gesloten voor een onderneming of een groep van ondernemingen, voor 1995 en 1996.
  § 2. De in § 1 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst moet gesloten worden overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
  De collectieve arbeidsovereenkomst moet neergelegd worden op de Griffie van de Dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tegen uiterlijk 1 juli van het jaar waarop ze betrekking heeft of tegen een andere datum, bepaald door de Koning. Deze collectieve arbeidsovereenkomsten moeten uitdrukkelijk vermelden dat ze gesloten werden in toepassing van dit hoofdstuk.
  § 3. Jaarlijks wordt door de partijen, die de collectieve arbeidsovereenkomst hebben ondertekend, een evaluatieverslag en een financieel overzicht van de uitvoering van de in § 1 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst neergelegd op de Griffie van de Dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tegen uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de collectieve arbeidsovereenkomst betrekking heeft of tegen een andere datum, bepaald door de Koning. Deze evaluatieverslagen worden overgezonden aan de Federale Kamers.

  Art. 17. § 1. De werkgevers die niet of slechts voor een gedeelte van hun werknemers onder het toepassingsgebied van een collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 16, § 1, vallen, zijn gehouden tot betaling van een bijdrage van 0,15 % voor 1995 en (...) voor 1996, zoals bedoeld in artikel 15 voor het gedeelte van de werknemers dat niet onder het toepassingsgebied valt van een dergelijke collectieve arbeidsovereenkomst. <W 1995-12-22/38, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 09-01-1996>
  In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, is de bijdrage van 0,15 % niet verschuldigd voor het eerste kwartaal 1995 en wordt de bijdrage voor het tweede kwartaal 1995 vastgesteld op 0,30 %.
  § 2. De instellingen belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen zijn, ieder wat haar betreft, ook belast met de inning en de invordering van de in § 1 bedoelde bijdrage, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds, opgericht bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, ter uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds met het oog op de aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.
  Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.

  HOOFDSTUK III. - Stage en inschakeling der jongeren in het arbeidsproces.

  Art. 18. Artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 10bis. § 1. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid kan op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, ondernemingen of het geheel van de ondernemingen die behoren tot eenzelfde sector, die een redelijke inspanning hebben gedaan in het voordeel van de tewerkstelling geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de verplichting om stagiairs tewerk te stellen zoals voorzien in artikel 7, § 1, voor zover :
  1° deze ondernemingen of sectoren gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 16 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, die voorziet in een inspanning van gemiddeld minstens 0,20 % voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1996;
  2° en het bewijs leveren dat zij :
  a) ofwel zich verbonden hebben bij collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, werklozen tewerk te stellen op wie een begeleidingsplan van toepassing is;
  b) of wel dat zij een overeenkomst hebben gesloten met één van de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling of beroepsopleiding met het oog op het opleiden of het tewerkstellen van werklozen die genieten van het bedoelde begeleidingsplan;
  3° deze vrijstelling geen negatief effect heeft op de tewerkstelling.
  § 2. De Koning bepaalt na advies van de Nationale Arbeidsraad de voorwaarden en nadere regelen van deze vrijstelling. Hij bepaalt tevens wat dient te worden verstaan onder negatief effect op de tewerkstelling.
  Als het gaat over een vrijstelling ten gunste van het geheel van de ondernemingen die behoren tot dezelfde sector, bepaalt de Koning eveneens de wijze van berekening van het theoretische aantal stagiairs die door deze ondernemingen aan te werven zijn."

  HOOFDSTUK IV. - Begeleiding van werklozen.

  Art. 19. De werkgevers bedoeld in artikel 14 zijn voor de periode van 1 april 1995 tot 31 december 1996, een bijdrage verschuldigd van 0,05 %, berekend op grond van het volledige loon van de werknemers, bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en de uitvoeringsbesluiten van deze wet.
  De Koning kan de categorieën, die Hij bepaalt, geheel of gedeeltelijk aan het toepassingsgebied van dit hoofdstuk onttrekken.
  De instellingen belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen zijn, ieder wat haar betreft, ook belast met de inning en de invordering van deze bijdrage, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds, opgericht bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, in uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.
  Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling, belast met de inning en de invordering van de bijdragen.

  Art. 20. § 1. De opbrengst van de bijdrage, bedoeld in artikel 19, wordt aangewend voor de begeleiding van werklozen op wie een individueel begeleidingsplan van toepassing is.
  § 2. In afwijking van artikel 138 van de programmawet van 30 december 1988, artikel 174 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen en artikel 4 van de wet van 10 juni 1993 tot omzetting van sommige bepalingen van het interprofessioneel akkoord van 9 december 1992, worden de middelen, die vanaf 1 februari 1995 in het Tewerkstellingsfonds beschikbaar zijn, aangewend voor de begeleiding van werklozen op wie een individueel begeleidingsplan van toepassing is.

  Art. 21. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit : 1° voor welke werklozen, in welke gevallen, onder welke voorwaarden en volgens welke nadere regelen de bijdragen, bedoeld in artikel 20, worden aangewend. Hij voorziet ondermeer in de toekenning van voorschotten waarvan Hij het bedrag bepaalt;
  2° de nadere regelen voor de verdeling van de opbrengst van de bijdragen, bedoeld in artikel 20, onder de openbare instellingen, belast met de arbeidsbemiddeling, de beroepsopleiding of de controle van de werklozen;
  3° elke andere maatregel die nodig is om de uitvoering van dit hoofdstuk te waarborgen.

  HOOFDSTUK V. - Betaald educatief verlof.

  Art. 22. Een bedrag van 700 miljoen frank, afgenomen van de opbrengst van de werkgeversbijdrage voor de bevordering van initiatieven inzake kinderopvang, bedoeld in artikel 15 van de voornoemde wet van 10 juni 1993, wordt toegewezen aan het stelsel van educatief verlof, bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen met betrekking tot deze overdracht.

  HOOFDSTUK VI. - Kinderopvang.

  Art. 23. § 1. De werkgevers bedoeld in artikel 14 zijn voor de jaren 1995 en 1996 een bijdrage verschuldigd van 0,05 % berekend op grond van het loon van de werknemer, zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en de uitvoeringsbesluiten van deze wet.
  In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, is deze bijdrage voor het 1e kwartaal 1995 niet verschuldigd en wordt deze bijdrage voor het 2e kwartaal 1995 vastgesteld op 0,10 % Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939 en is bestemd voor (de tussenkomst in de loonkosten en in de werkingskosten) voor de opvang van kinderen van 0 tot 3 jaar alsmede voor buitenschoolse opvang, zoals bepaald door de Koning. <W 1995-12-20/32, art. 89, 002; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  § 2. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de categorieën van werkgevers die Hij bepaalt, geheel of gedeeltelijk aan het toepassingsgebied van dit hoofdstuk onttrekken.
  (§ 3. De bijdragen bedoeld in § 1 zijn bestemd voor het subsidiëren van de opvangprojecten krachtens onderhavige wet, de wet van 10 juni 1993 tot omzetting van een aantal bepalingen van het interprofessioneel akkoord van 9 december 1992 en de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.) <W 1995-12-20/32, art. 89, 002; Inwerkingtreding : 02-01-1996>

  Art. 24. De instellingen belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen zijn, ieder wat haar betreft, ook belast met de inning en de invordering van de in artikel 23, § 1, bedoelde bijdrage, evenals met de storting daarvan aan het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten ingesteld bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, bij toepassing van artikel 107, § 1, van de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
  Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.

  HOOFDSTUK VII. - Jaarlijkse vakantie.

  Art. 25. In artikel 19, § 1, vierde lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie voor werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1993, worden de woorden "voortvloeiend uit het interprofessioneel akkoord 1993-1994" vervangen door de woorden "voortvloeiend uit de interprofessionele akkoorden 1993-1994 en 1995-1996".

  HOOFDSTUK VIII. - Diverse bepalingen.

  Art. 26. De Koning wijst de ambtenaren aan die waken over de naleving van de bepalingen van deze Titel en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
  [1 Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 81, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  TITEL IV. - Bedrijfsplannen.

  Art. 27. In artikel 36, § 1, van Titel IV van het voormelde koninklijk besluit van 24 december 1993 wordt het bedrag "25 000" vervangen door het bedrag "37 500". (NOTA van JUSTEL : de onderhavige wijziging werd als nietig beschouwd, gelet op de W 1998-02-22/43, art. 179 en 185, 6°.)

  Art. 28. Deze titel treedt in werking op 1 april 1995. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 3 april 1995.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
  Mevr. M. SMET
  De Minister van Sociale Zaken,
  Mevr. M. DE GALAN
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  M. WATHELET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 06-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 26)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 11)
  • BEELD
  • WET VAN 01-04-2003 GEPUBL. OP 16-05-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 11) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 08-04-2003 GEPUBL. OP 17-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 11) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 25-01-1999 GEPUBL. OP 06-02-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 11; 2)
  • BEELD
  • WET VAN 22-02-1998 GEPUBL. OP 03-03-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 8)
  • BEELD
  • WET VAN 13-02-1998 GEPUBL. OP 19-02-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 2)
  • WET VAN 22-12-1995 GEPUBL. OP 30-12-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 15; 17)
  • WET VAN 20-12-1995 GEPUBL. OP 23-12-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 23)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1994-1995. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, nr. 1721/1, 94/95. Amendementen, nr. 1721/2, 94/95. - Verslag, nr. 1721/3, 94/95. - Tekst aangenomen door de Commissie, nr. 1721/4, 94/95. Parlementaire handelingen. - Vergadering van 8 maart 1995. Zitting 1994-1995. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers, nr. 1346/1 (1994-1995). - Verslag, nr. 1346/2 (1994-1995). - Amendement, nr. 1346/3 (1994-1995). Parlementaire Handelingen. - Vergaderingen van 29 en 30 maart 1995.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 270 uitvoeringbesluiten 8 gearchiveerde versies
    Franstalige versie