J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
17 DECEMBER 1994. - Protocol bij het energiehandvest betreffende energie-efficiŽntie en daarmee samenhangende milieuaspecten.

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL.INTERNATIONALE SAMENWERKING
Publicatie : 21-10-1999 nummer :   1998C15128 bladzijde : 39896   BEELD
Dossiernummer : 1994-12-17/32
Inwerkingtreding : 06-08-1998

Inhoudstafel Tekst Begin
DEEL I. - Inleiding.
Art. 1-2
DEEL II. - Beleidsbeginselen.
Art. 3-8
DEEL III. - Internationale samenwerking.
Art. 9
DEEL IV. - Bestuurlijke en juridische regelingen.
Art. 10-13
DEEL V. - Slotbepalingen.
Art. 14-22
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
DEEL I. - Inleiding.

  Artikel 1. Werkingssfeer en doelstellingen van het Protocol
  1. In dit Protocol worden de beleidsbeginselen vastgelegd voor het streven naar een verbetering van de energie-efficiŽntie als belangrijke bron van energie en voor de daaruit voortvloeiende vermindering van de schadelijke milieu-effecten van energiesystemen. Bovendien worden richtsnoeren gegeven voor de opstelling van programma's voor energie-efficiŽntie, worden gebieden voor samenwerking vermeld en wordt een kader gecreŽerd om tot samenwerking en een gecoŲrdineerd optreden te komen. Deze kunnen betrekking hebben op prospectie, exploitatie, productie, omzetting, opslag, vervoer, distributie en verbruik van energie en kunnen voor elke economische sector gelden.
  2. De doelstellingen van dit Protocol zijn :
  a) de bevordering van een beleid voor energie-efficiŽntie dat verenigbaar is met duurzame ontwikkeling;
  b) het creŽren van randvoorwaarden die producenten en consumenten ertoe aanzetten energie zo zuinig, zo efficiŽnt en zo milieuvriendelijk mogelijk te gebruiken, met name door te zorgen voor goed functionerende energiemarkten en een situatie waarin de kosten en baten voor het milieu beter tot uitdrukking komen, en
  c) de aanmoediging van samenwerking op het gebied van energie-efficiŽntie.

  Art. 2. Definities In dit Protocol wordt verstaan onder :
  1. " Handvest " : het Europees Energiehandvest dat is aangenomen als onderdeel van het op 17 december 1991 in 's-Gravenhage ondertekende Slotdocument van de Conferentie van 's-Gravenhage over het Europese Energiehandvest; ondertekening van het Slotdocument wordt beschouwd als ondertekening van het Handvest;
  2. " partij bij dit Protocol " : een Staat of regionale organisatie voor economische integratie die ermee heeft ingestemd door dit Protocol te worden gebonden en waarvoor het Protocol in werking is;
  3. " regionale organisatie voor economische integratie " : een organisatie gevormd door soevereine Staten, waaraan haar Lid-Staten bevoegdheden hebben overgedragen ten aanzien van een aantal zaken, waarvan sommige onder dit Protocol vallen, met inbegrip van de bevoegdheid aangaande die aangelegenheden besluiten te nemen welke voor haar Lid-Staten bindend zijn;
  4. " energiecyclus " : de gehele energieketen met inbegrip van activiteiten in verband met prospectie, exploratie, productie, omzetting, opslag, vervoer, distributie en verbruik van de verschillende vormen van energie, alsmede de behandeling en verwijdering van afvalstoffen en het niet langer verrichten, beŽindigen en afsluiten van deze activiteiten met zo weinig mogelijk schadelijke milieu-effecten;
  5. " met een goede kosten/baten-verhouding " : het bereiken van een gesteld doel tegen de laagste kosten of het bereiken van het beste resultaat tegen gegeven kosten;
  6. " verbetering van de energie-efficiŽntie " : een zodanig optreden, dat dezelfde hoeveelheid van een goed of een dienst wordt geproduceerd zonder dat de kwaliteit of prestatie ervan wordt verminderd, doch de voor die productie vereiste hoeveelheid energie wordt verminderd;
  7. " milieu-effecten " : alle door een bepaalde activiteit veroorzaakte effecten op het milieu met inbegrip van gezondheid en veiligheid van de mens, flora, fauna, bodem, lucht, water, klimaat, landschap en historische monumenten of andere fysieke structuren of de onderlinge beÔnvloeding van deze factoren; dit begrip omvat tevens effecten op het cultureel erfgoed of de sociaal-economische omstandigheden ten gevolge van wijzigingen van die factoren.

  DEEL II. - Beleidsbeginselen.

  Art. 3. Hoofdbeginselen
  De partijen bij het Protocol laten zich leiden door de volgende beginselen :
  1. de partijen bij dit Protocol werken samen en helpen elkaar in voorkomend geval bij de formulering en uitvoering van beleidslijnen, wetten en voorschriften op het gebied van de energie-efficiŽntie;
  2. de partijen bij dit Protocol formuleren een beleid voor energie-efficiŽntie en scheppen een passend wettelijk en regelgevend kader voor de bevordering van onder andere :
  a) een efficiŽnt functioneren van het marktmechanisme met een op de markt gerichte prijsvorming waarbij de kosten en baten voor het milieu beter tot uitdrukking komen;
  b) de vermindering van belemmeringen voor energie-efficiŽntie om op die manier investeringen te stimuleren;
  c) regelingen voor de financiering van initiatieven ten behoeve van de energie-efficiŽntie;
  d) educatie en bewustmaking;
  e) de verspreiding en overdracht van technologie;
  f) de doorzichtigheid van het wettelijke en regelgevende kader;
  3. de partijen bij dit Protocol streven ernaar de energie-efficiŽntie in de hele energiecyclus te optimaliseren. Daartoe zorgen zij naar beste kunnen voor de formulering en uitvoering van beleid en samenwerking of een gecoŲrdineerd optreden ten behoeve van de energie-efficiŽntie op basis van maatregelen met een goede kosten/baten-verhouding en economisch rendement, waarbij voldoende rekening wordt gehouden met milieuaspecten;
  4. het beleid ten behoeve van energie-efficiŽntie omvat zowel maatregelen op korte termijn om gangbare gewoonten aan te passen als maatregelen op lange termijn om de energie-efficiŽntie in de hele energiecyclus te verbeteren;
  5. wanneer de partijen bij dit Protocol samenwerken om de doelstellingen van dit Protocol te verwezenlijken, houden zij rekening met de tussen de partijen bestaande verschillen in nadelige effecten en bestrijdingskosten;
  6. de partijen bij dit Protocol beseffen dat de particuliere sector een cruciale rol speelt. Zij stimuleren maatregelen van nutsbedrijven in de energiesector, verantwoordelijke instanties en gespecialiseerde organisaties en nauwe samenwerking tussen de industrie en de overheid;
  7. bij samenwerking of een gecoŲrdineerd optreden wordt rekening gehouden met relevante beginselen die zijn vastgelegd in internationale overeenkomsten voor de bescherming en verbetering van het milieu waarbij partijen bij dit Protocol partij zijn;
  8. de partijen bij dit Protocol maken volledig gebruik van de werkzaamheden en de deskundigheid van bevoegde internationale of andere organen en dragen er zorg voor dat dubbel werk wordt voorkomen.

  Art. 4. Taakverdeling en coŲrdinatie
  Elke partij bij dit Protocol tracht ervoor te zorgen dat het beleid ten behoeve van de energie-efficiŽntie tussen al haar bevoegde instanties wordt gecoŲrdineerd.

  Art. 5. StrategieŽn en beleidsdoelstellingen
  De partijen bij dit Protocol formuleren strategieŽn en beleidsdoelstellingen om op een manier die past bij hun eigen specifieke energiesituatie de energie-effciŽntie te verbeteren en daardoor de milieu-effecten van de energiecyclus te verminderen. Deze strategieŽn en beleidsdoelstellingen worden zodanig geformuleerd dat zij voor alle betrokken partijen doorzichtig zijn.

  Art. 6. Financiering en financiŽle stimuleringsmaatregelen
  1. De partijen bij dit Protocol stimuleren de invoering van nieuwe benaderingen en methoden voor de financiering van investeringen in energie-efficiŽntie en met energie samenhangende milieubescherming, zoals samenwerking in een gemeenschappelijke onderneming tussen energiegebruikers en externe investeerders (hierna te noemen " financiering door derden ").
  2. De partijen bij dit Protocol trachten gebruik te maken van en de toegang te bevorderen tot particuliere kapitaalmarkten en bestaande internationale financieringsinstellingen teneinde investeringen in de verbetering van de energie-efficiŽntie en in milieubescherming die samenhangt met de energie-efficiŽntie, te vergemakkelijken.
  3. De partijen bij dit Protocol kunnen, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest en van hun overige verplichtingen uit hoofde van het internationale recht, voorzien in fiscale of financiŽle stimuleringsmaatregelen voor energiegebruikers om de marktpenetratie van energie-efficiŽnte technologie, producten en diensten te vergemakkelijken. Zij streven ernaar dit op een zodanige manier te doen dat de doorzichtigheid gewaarborgd is en de verstoring van internationale markten tot een minimum wordt beperkt.

  Art. 7. Bevordering van energie-efficiŽnte technologie
  1. Met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest bevorderen de partijen bij dit Protocol de handel in en commerciŽle samenwerking bij energie-efficiŽntie en milieuvriendelijke technologie, met energie samenhangende diensten en beheersmethoden.
  2. De partijen bij dit Protocol bevorderen het gebruik van deze technologie, diensten en beheersmethoden in de hele energiecyclus.

  Art. 8. Binnenlandse programma's
  1. Om de in artikel 5 geformuleerde beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, zorgt elke partij bij dit Protocol voor de opstelling, uitvoering en regelmatige bijwerking van programma's ten behoeve van energie-efficiŽntie die zo goed mogelijk bij haar omstandigheden aansluiten.
  2. In deze programma's van scenario's kunnen bij voorbeeld de volgende activiteiten worden opgenomen :
  a) ontwikkeling van scenario's voor de vraag naar en het aanbod van energie op lange termijn als leidraad voor de besluitvorming;
  b) evaluatie van de effecten van genomen maatregelen op de energiesituatie, het milieu en de economie;
  c) normstelling om de efficiŽntie van uitrusting die energie gebruikt, te verbeteren en pogingen om deze normen internationaal te harmoniseren om verstoring van de handel te voorkomen;
  d) ontwikkeling en aanmoediging van particulier initiatief en industriŽle samenwerking, met inbegrip van joint ventures;
  e) bevordering van het gebruik van de beste energie-efficiŽnte technologieŽn die economisch levensvatbaar en milieuvriendelijk zijn;
  f) stimulering van innoverende benaderingen voor investeringen in verbetering van de energie-efficiŽntie, zoals financiering door derden en co-financiering;
  g) ontwikkeling van adequate energiebalansen en databases, bij voorbeeld met gegevens over de vraag naar energie op een voldoende gedetailleerd niveau en over technologie voor verbetering van de energie-efficiŽntie;
  h) bevordering van de oprichting van adviesdiensten, geleid door de overheid, particuliere bedrijven of nutsbedrijven, die informatie geven over programma's en technologie ten behoeve van energie-efficiŽntie en consumenten, en het bedrijfsleven helpen;
  i) steun voor en bevordering van warmte/krachtkoppeling en van maatregelen om de efficiŽntie van produktie- en distributiesystemen voor stadsverwarming voor gebouwen en de industrie op te voeren;
  j) instelling van gespecialiseerde organen voor energie-efficiŽntie op de daarvoor in aanmerking komende niveaus, met voldoende financiŽle middelen en personeel om beleid te ontwikkelen en uit te voeren.
  3. De partijen bij dit Protocol zorgen voor een adequate institutionele en wettelijke infrastructuur bij de uitvoering van hun programma's voor energie-efficiŽntie.

  DEEL III. - Internationale samenwerking.

  Art. 9. Gebieden van samenwerking
  Voor de samenwerking tussen partijen bij dit Protocol kan elke daarvoor in aanmerking komende vorm worden gekozen. Mogelijke gebieden van samenwerking zijn vermeld in de bijlage.

  DEEL IV. - Bestuurlijke en juridische regelingen.

  Art. 10. Rol van de Conferentie over het Handvest
  1. Alle besluiten die door de Conferentie over het Handvest overeenkomstig dit Protocol worden genomen, worden uitsluitend genomen door de partijen bij het Verdrag inzake het Energiehandvest die tevens partij bij dit Protocol zijn.
  2. De Conferentie over het Handvest streeft ernaar binnen 180 dagen na de inwerkingtreding van dit Protocol procedures vast te stellen om de uitvoering van de bepalingen daarvan, met inbegrip van de eisen inzake de verstrekking van informatie, te volgen en te vergemakkelijken en om overeenkomstig artikel 9 gebieden van samenwerking te identificeren.

  Art. 11. Secretariaat en financiering
  1. Het bij artikel 35 van het Verdrag inzake het Energiehandvest ingestelde secretariaat verleent de Conferentie over het Handvest alle nodige bijstand voor de vervulling van haar taken krachtens dit Protocol en vervult de andere taken die van tijd tot tijd voor de ondersteuning van het Protocol vereist kunnen zijn, mits hiervoor door de Conferentie over het Handvest toestemming wordt verleend.
  2. De uit dit Protocol voortvloeiende kosten van het secretariaat en de Conferentie over het Handvest worden naar draagkracht door de partijen bij dit Protocol gedragen volgens de verdeelsleutel die is vastgesteld in bijlage B van het Verdrag inzake het Energiehandvest.

  Art. 12. Stemprocedure
  1. Eenparigheid van stemmen van de partijen bij dit Protocol die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen tijdens de vergadering van de Conferentie over het Handvest waar over dergelijke aangelegenheden wordt besloten, is vereist voor besluiten inzake :
  a) de aanneming van wijzigingen op dit Protocol, en
  b) de goedkeuring van toetredingen tot dit Protocol uit hoofde van artikel 17.
  De partijen bij dit Protocol streven er zoveel mogelijk naar bij consensus overeenstemming te bereiken over alle andere aangelegenheden waarvoor uit hoofde van dit Protocol hun besluit vereist is. Indien geen overeenstemming bij consensus kan worden bereikt, worden besluiten over andere zaken dan begrotingsaangelegenheden genomen met een meerderheid van drie vierde van de stemmen van de partijen bij dit Protocol die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen tijdens de vergadering van de Conferentie over het Handvest waar over dergelijke aangelegenheden wordt besloten.
  Besluiten over begrotingsaangelegenheden worden genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen van de partijen bij dit Protocol waarvan de krachtens artikel 11, lid 2, vastgestelde bijdragen samen ten minste drie vierde van de totale vastgestelde bijdragen vertegenwoordigen.
  2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder " partijen bij dit Protocol die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen " verstaan de partijen bij dit Protocol die aanwezig zijn en voor- of tegenstemmen, met dien verstande dat de Conferentie over het Handvest in het reglement van orde kan bepalen dat die besluiten door de partijen bij dit Protocol via de schriftelijke procedure kunnen worden genomen.
  3. Onverminderd lid 1 is een in dit artikel bedoeld besluit uitsluitend geldig wanneer het wordt gesteund door een gewone meerderheid van de partijen bij dit Protocol.
  4. Een regionale organisatie voor economische integratie beschikt bij stemmingen over een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van haar lid-staten dat partij bij dit Protocol is, met dien verstande dat een dergelijke organisatie haar stemrechten niet uitoefent indien de lid-staten hun stemrechten uitoefenen en omgekeerd.
  5. Ingeval een partij bij dit Protocol aanhoudend in gebreke blijft bij het voldoen aan haar financiŽle verplichtingen uit hoofde van dit Protocol, kan de Conferentie over het Handvest de stemrechten van die partij geheel of gedeeltelijk schorsen.

  Art. 13. Verhouding tot het Verdrag inzake Energiehandvest
  1. Wanneer de bepalingen van dit Protocol onverenigbaar zijn met de bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest, geven de bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest de doorslag voor zover de onverenigbaarheid strekt.
  2. Artikel 10, lid 1, en artikel 12, leden 1, 2 en 3, zijn niet van toepassing op stemmingen in de Conferentie over het Handvest over wijzigingen op dit Protocol waarbij taken of functies worden toebedeeld aan de Conferentie over het Handvest of het secretariaat dat krachtens de bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest wordt ingesteld.

  DEEL V. - Slotbepalingen.

  Art. 14. Ondertekening
  Dit Protocol staat vanaf 17 december 1994 tot en met 16 juni 1995 te Lissabon open voor ondertekening door de Staten en regionale organisaties voor economische integratie waarvan de vertegenwoordigers het Handvest en het Verdrag inzake het Energiehandvest hebben getekend.

  Art. 15. Bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring
  Dit Protocol is onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de ondertekenende partijen. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de depositaris.

  Art. 16. Toetreding
  Dit Protocol staat vanaf de sluitingsdatum voor de ondertekening van het Protocol, op voor de Conferentie over het Handvest goed te keuren voorwaarden, open voor toetreding door Staten en regionale organisaties voor economische integratie die het Handvest hebben getekend en partij zijn bij het Verdrag inzake het Energiehandvest. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de depositaris.

  Art. 17. Wijzigingen
  1. Elke partij bij dit Protocol kan wijzigingen op dit Protocol voorstellen.
  2. De tekst van elk voorstel tot wijziging van dit Protocol wordt ten minste drie maanden vůůr de datum waarop het ter aanneming aan de Conferentie over het Handvest wordt voorgelegd, door het secretariaat aan de partijen bij dit Protocol medegedeeld.
  3. Door de Conferentie over het Handvest aangenomen teksten tot wijziging van dit Protocol worden door het secretariaat medegedeeld aan de depositaris, die ze ter bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring aan alle partijen bij dit Protocol voorlegt.
  4. Instrumenten ter bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van wijzigingen op dit Protocol worden neergelegd bij de depositaris. Wijzigingen worden tussen de partijen die ze hebben bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, van kracht op de dertigste dag nadat ten minste drie vierde van de partijen bij dit Protocol de instrumenten ter bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring hebben neergelegd bij de depositaris. Daarna worden de wijzigingen voor elke andere partij van kracht op de dertigste dag nadat deze partij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van de wijzigingen heeft nedergelegd.

  Art. 18. Inwerkingtreding
  1. Dit Protocol treedt in werking op de dertigste dag na de datum waarop de vijftiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd door een Staat of een regionale organisatie voor economische integratie die het Handvest heeft getekend en partij is bij het Energiehandvest, of indien deze later valt, de datum waarop het Verdrag inzake het Energiehandvest in werking treedt.
  2. Voor elke Staat of regionale organisatie voor economische integratie waarvoor het Verdrag inzake het Energiehandvest in werking is getreden en die dit Protocol bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, dan wel ertoe toetreedt nadat het Protocol overeenkomstig lid 1 in werking is getreden, treedt het Protocol in werking op de dertigste dag na de datum waarop deze Staat of regionale organisatie voor economische integratie zijn respectievelijk haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding heeft nedergelegd.
  3. Voor de toepassing van lid 1 wordt een akte die door een regionale organisatie voor economische integratie wordt nedergelegd, niet opgeteld bij die welke door de lid-staten van deze organisatie zijn nedergelegd.

  Art. 19. Voorbehouden
  Ten aanzien van dit Protocol kunnen geen voorbehouden worden gemaakt.

  Art. 20. Opzegging
  1. Een partij bij dit Protocol kan te allen tijde nadat het Protocol voor deze partij in werking is getreden, het Protocol door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris opzeggen.
  2. Een partij bij dit Protocol die het Verdrag inzake het Energiehandvest opzegt, wordt geacht tevens dit Protocol te hebben opgezegd.
  3. Een opzegging overeenkomstig lid 1 wordt negentig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de depositaris van kracht. Een opzegging overeenkomstig lid 2 wordt van kracht op de datum waarop de opzegging van het Verdrag inzake het Energiehandvest van kracht wordt.

  Art. 21. Depositaris
  De Regering van de Portugese Republiek is de depositaris van dit Protocol.

  Art. 22. Authentieke teksten
  Ten blijke waarvan de ondergetekende, hiertoe naar behoren gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend in de Duitse, de Engelse, de Franse, de Italiaanse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, in ťťn exemplaar dat zal worden nedergelegd bij de Regering van de Portugese Republiek.
  Gedaan te Lissabon, de zeventiende december negentienhonderd vierennegentig.

  BIJLAGE.

  Art. N. Illustratieve en niet-uitputtende lijst van mogelijke gebieden van samenwerking als bedoeld in artikel 9
  Ontwikkeling van programma's ten behoeve van energie-efficiŽntie, waarbij belemmeringen en mogelijkheden voor de energie-efficiŽntie worden aangegeven, en uitwerking van normen voor energie-etikettering en -efficiŽntie.
  Evaluatie van de milieu-effecten van de energiecyclus.
  Formulering van economische maatregelen, wetgeving en regelgeving.
  Overdracht van technologie, technische bijstand en industriŽle joint ventures die vallen onder internationale regelingen voor eigendomsrechten en andere toepasselijke internationale overeenkomsten.
  Onderzoek en ontwikkeling.
  Educatie, opleiding, voorlichting en statistische informatie.
  Specificatie en evaluatie van maatregelen zoals fiscale of andere op de markt gerichte instrumenten, bij voorbeeld verhandelbare vergunningen om rekening te houden met externe kosten en baten, met name voor het milieu.
  Energieanalyses en beleidsformulering :
  - evaluatie van mogelijkheden voor energie-efficiŽntie;
  - analyses en statistische gegevens van de vraag naar energie;
  - formulering van wetgeving en regelgeving;
  - geÔntegreerde capaciteitsplanning en regulering van de vraag;
  - milieu-effectrapportage, ook voor grote energieprojecten.
  Evaluatie van economische instrumenten voor de verbetering van de energie-efficiŽntie en milieudoelstellingen.
  Analyse van de energie-efficiŽntie bij de raffinage, de omzetting, het vervoer en de distributie van koolwaterstoffen.
  Verbetering van de energie-efficiŽntie bij elektriciteitsopwekking en -transport :
  - warmte/krachtkoppeling;
  - onderdelen van installaties (ketels, turbines, generatoren, enz.);
  - netwerkintegratie.
  Verbetering van de energie-efficiŽntie in de bouwsector :
  - thermische isolatienormen, passieve zonne-energie en ventilatie;
  - ruimteverwarming en klimaatregeling;
  - branders met een hoog rendement en een lage NOx -emissie;
  - technologie voor verbruiksmeting en individuele verbruiksmeters;
  - huishoudelijke apparatuur en verlichting.
  Voorzieningen in gemeenten en lokale gemeenschappen :
  - systemen voor stadsverwarming;
  - efficiŽnte systemen voor gasdistributie;
  - technologie voor energieplanning;
  - stedenbanden of banden tussen andere relevante gebiedsdelen;
  - energiehuishouding in steden en in openbare gebouwen;
  - afvalbeheer en terugwinning van energie uit afval.
  Verbetering van de energie-efficiŽntie in de industriŽle sector :
  - joint ventures;
  - energiecascades, warmte/krachtkoppeling en terugwinning van afvalwarmte;
  - energieaccountancy.
  Verbetering van de energie-efficiŽntie in de vervoerssector :
  - rendementsnormen voor motorvoertuigen;
  - opbouw van een efficiŽnte vervoersinfrastructuur.
  Voorlichting :
  - bewustmaking;
  - databases : toegang, technische specificaties, informatiesystemen;
  - verspreiding, verzameling en vergelijking van technische informatie;
  - gedragsonderzoek.
  Opleiding en educatie :
  - uitwisseling van energiemanagers, ambtenaren, ingenieurs en studenten;
  - organisatie van internationale cursussen.
  Financiering :
  - ontwikkeling van een wettelijk kader;
  - financiering door derden;
  - joint ventures;
  - co-financiering

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Preambule
   De partijen bij dit Protocol,
   Gelet op het Europees Energiehandvest dat is aangenomen in de slotverklaring van de Conferentie van 's-Gravenhage over het Europees Energiehandvest, die op 17 december 1991 te 's-Gravenhage is getekend, met name op de daarin opgenomen verklaringen dat samenwerking op het gebied van de energie-efficiŽntie en daarmee samenhangende milieuaspecten noodzakelijk is,
   Gelet op het verdrag inzake het Energiehandvest, dat van 17 december 1994 tot en met 16 juni 1995 voor ondertekening is opengesteld,
   Indachtig de werkzaamheden die door internationale organisaties en overlegorganen op het gebied van de energie-efficiŽntie en de milieuaspecten van de energiecyclus worden verricht,
   Zich bewust van de verbetering in de zekerheid van de voorziening en de aanzienlijke winst voor economie en milieu die voortvloeien uit de invoering van maatregelen met een goede kosten/baten-verhouding ter verbetering van de energie-efficiŽntie; zich bewust van het belang van deze maatregelen voor de herstructurering van economieŽn en de verhoging van de levensstandaard,
   Erkennend dat een verbetering van de energie-efficiŽntie de negatieve gevolgen van de energiecyclus voor het milieu, met inbegrip van het broeikaseffect en verzuring,
   Ervan overtuigd dat de energieprijzen zoveel mogelijk in overeenstemming moeten zijn met een concurrerende markt, waarbij er sprake is van een op de markt gerichte prijsvorming en de kosten en baten voor het milieu beter tot uitdrukking komen; erkennend dat een dergelijke prijsvorming van vitaal belang is voor een verbetering van de energie-efficiŽntie en de daarmee gepaard gaande bescherming van het milieu,
   Beseffend de cruciale rol van de particuliere sector, waaronder het midden- en kleinbedrijf, bij de bevordering en uitvoering van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiŽntie; voornemens te zorgen voor een institutioneel kader dat gunstig is voor economisch verantwoorde investeringen in energie-efficiŽntie,
   Erkennend dat als aanvulling op commerciŽle samenwerkingsvormen wellicht ook intergouvernementele samenwerking nodig is, vooral op het gebied van de formulering en analyse van het energiebeleid en op andere gebieden die van essentieel belang zijn voor de verbetering van de energie-efficiŽntie maar niet particulier gefinancierd kunnen worden, en
   Geleid door de wens zich te verbinden tot samenwerking en een gecoŲrdineerd optreden op het gebied van de energie-efficiŽntie en de daarmee samenhangende bescherming van het milieu en een protocol vast te stellen dat een kader biedt om energie zo zuinig en efficiŽnt mogelijk te gebruiken.
   Zijn het volgende overeengekomen :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie