J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
28 JULI 1994. - Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van Deel XI van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee van 10 december 1982 (Vertaling).

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL.INTERNATIONALE SAMENWERKING
Publicatie : 16-09-1999 nummer :   1999J15103 bladzijde : 34622       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 1994-07-28/33
Inwerkingtreding : 16-11-1994

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-10
Bijlagen.
Art. N1-8N1, N2

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Tenuitvoerlegging van Deel XI.
  1. De Staten die Partij zijn bij de Overeenkomst verbinden zich ertoe Deel XI dienovereenkomstig ten uitvoer te leggen.
  2. De Bijlage maakt integrerend deel uit van de Overeenkomst.

  Art. 2. Verhouding tussen de Overeenkomst en Deel XI.
  1. De bepalingen van de Overeenkomst en Deel XI worden uitgelegd en toegepast als vormden zij ťťn akte. In geval van onverenigbaarheid tussen de Overeenkomst en Deel XI, zijn de bepalingen van de Overeenkomst doorslaggevend.
  2. De artikelen 309 tot 319 zijn gelijkelijk van toepassing op de Overeenkomst en het Verdrag.

  Art. 3. Ondertekening.
  De Overeenkomst staat gedurende 12 maanden, te rekenen vanaf de datum van aanneming, op de zetel van de Verenigde Naties open voor ondertekening door de Staten en lichamen als bedoeld in artikel 305, lid 1 a), c), d), e) en f) van het Verdrag.

  Art. 4. Instemming te worden gebonden.
  1. Na de aanneming van de Overeenkomst wordt de instemming door de Overeenkomst te worden gebonden ook in elke akte van bekrachtiging of formele bevestiging van of toetreding tot het Verdrag tot uitdrukking gebracht.
  2. Geen Staat of lichaam mag zijn instemming door de Overeenkomst te worden gebonden vastleggen zonder zijn instemming door het Verdrag te worden gebonden vooraf dan wel tegelijkertijd tot uitdrukking te brengen.
  3. Een Staat of lichaam als bedoeld in artikel 3 mag zijn instemming door de Overeenkomst te worden gebonden vastleggen door :
  a) ondertekening, niet onderworpen aan bekrachtiging, formele bevestiging of de in artikel 5 beschreven procedure;
  b) ondertekening, onderworpen aan bekrachtiging of formele bevestiging, gevolgd door bekrachtiging of formele bevestiging;
  c) ondertekening, onderworpen aan de in artikel 5 beschreven procedure; of
  d) toetreding.
  4. De formele bevestiging door de in artikel 305, lid (1) f) van het Verdrag bedoelde lichamen, dient in overeenstemming met Bijlage IX van het Verdrag te geschieden.
  5. De akten van bekrachtiging, formele bevestiging of toetreding worden bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties nedergelegd.

  Art. 5. Vereenvoudigde procedure.
  1. Een Staat die of een lichaam dat vůůr de datum van aanneming van deze Overeenkomst een akte van bekrachtiging of formele bevestiging van dan wel toetreding tot het Verdrag heeft nedergelegd en de Overeenkomst heeft ondertekend overeenkomstig artikel 4, lid 3 c), wordt geacht zijn instemming door de Overeenkomst te worden gebonden 12 maanden na de datum van aanneming te hebben vastgelegd, tenzij de Staat of het lichaam de depositaris vůůr die datum schriftelijk ter kennis heeft gebracht dat hij geen gebruik maakt van de in dit artikel omschreven vereenvoudigde procedure.
  2. Na bedoelde kennisgeving wordt de instemming door de Overeenkomst te worden gebonden vastgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 3 b).

  Art. 6. Inwerkingtreding.
  1. Deze Overeenkomst treedt in werking 30 dagen na de datum waarop 40 Staten hun instemming te worden gebonden, overeenkomstig de artikelen 4 en 5 tot uitdrukking hebben gebracht, met dien verstande dat daaronder minstens zeven Staten zijn als bedoeld in lid 1 a van resolutie II van de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (hierna te noemen " resolutie II ") waarvan ten minste vijf industrielanden. Indien vůůr 16 november 1994 aan deze voorwaarden voor de inwerkingtreding is voldaan, treedt de Overeenkomst op die datum in werking.
  2. Voor elke Staat die of elk lichaam dat zijn instemming door de Overeenkomst te worden gebonden tot uitdrukking brengt nadat is voldaan aan het vereiste in het eerste lid, treedt de Overeenkomst in werking op de dertigste dag na de datum waarop de instemming te worden gebonden, tot uitdrukking is gebracht.

  Art. 7. Voorlopige toepassing.
  1. Indien de Overeenkomst niet op 16 november 1994 van kracht is geworden, wordt ze in afwachting van haar inwerkingtreding voorlopig toegepast door :
  a) de Staten die op de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met de aanneming hebben ingestemd, met uitzondering van de Staat die vůůr 16 november 1994 de depositaris schriftelijk in kennis stelt dat hij deze Overeenkomst ofwel niet zal toepassen, ofwel alleen na de ondertekening of de schriftelijke kennisgeving zal instemmen met de toepassing.
  b) de Staten en lichamen die deze Overeenkomst tekenen, met uitzondering van de Staat die of het lichaam dat op het tijdstip van de ondertekening de depositaris er schriftelijk van in kennis stelt dat hij deze Overeenkomst niet zal toepassen.
  c) de Staten en lichamen die instemmen met de voorlopige toepassing en de depositaris daarvan schriftelijk in kennis stellen; en
  d) de Staten die toetreden tot deze Overeenkomst.
  2. Al deze Staten en lichamen passen de Overeenkomst voorlopig toe overeenkomstig hun nationale of interne wetten en voorschriften, met ingang van 16 november 1994 of vanaf een latere datum van ondertekening, kennisgeving van instemming of toetreding.
  3. De voorlopige toepassing eindigt op de dag van inwerkingtreding van de Overeenkomst. De voorlopige toepassing eindigt in elk geval op 16 november 1998 indien op die datum aan de in het eerste lid van artikel 6 bepaalde vereiste is voldaan dat ten minste zeven van de in lid 1 a) van resolutie II bedoelde Staten (waaronder ten minste vijf industrielanden), ermee hebben ingestemd door de Overeenkomst te worden gebonden.

  Art. 8. Staten die Partij zijn.
  1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst, betekent " Staten die Partij zijn " de Staten die ermee hebben ingestemd door de Overeenkomst te worden gebonden en voor wie de Overeenkomst in werking is getreden.
  2. Deze Overeenkomst is mutatis mutandis van toepassing op de in artikel 305, lid 1 c), d), e) en f) van het Verdrag bedoelde lichamen die Partij worden bij de Overeenkomst, overeenkomstig de voor elk van hen geldende voorwaarden, en in die zin worden met " Staten die Partij zijn " deze lichamen bedoeld.

  Art. 9. Depositaris.
  De Secretaris-Generaal der Verenigde Naties is depositaris van de Overeenkomst.

  Art. 10. Authentieke teksten.
  Het origineel van deze Overeenkomst, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, zal bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties worden nedergelegd.
  Ten blijke waarvan de ondergetekende Gevolmachtigden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.
  Gedaan te New York, op 28 juli negentienhonderd vierennegentig.

  Bijlagen.

  Art. N1. Bijlage 1. Afdeling 1. - Kosten voor de Staten die partij zijn en institutionele regelingen.
  1. De Internationale Zeebodemautoriteit (hierna te noemen " de Autoriteit ") is de organisatie door middel waarvan de Staten die Partij zijn bij het Verdrag, overeenkomstig de bij Deel XI en deze Overeenkomst ingevoerde regeling voor het Gebied, de werkzaamheden in het Gebied regelen en er toezicht op uitoefenen, hoofdzakelijk met het oog op het beheer van de rijkdommen in het Gebied. De bevoegdheden en functies van de Autoriteit zijn die welke haar uitdrukkelijk zijn toegekend door het Verdrag. De Autoriteit bezit de nadere bevoegdheden, verenigbaar met het Verdrag, welke inherent zijn aan en noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden en functies met betrekking tot de werkzaamheden in het Gebied.
  2. Ten einde de kosten voor de Staten die Partij zijn zo laag mogelijk te houden, dienen alle organen en ondergeschikte lichamen die krachtens het Verdrag en deze Overeenkomst worden opgericht, zo kostenbesparend mogelijk te werken. Dit beginsel is ook van toepassing op de regelmaat, de duur en de agenda van vergaderingen.
  3. Voor de instelling en het functioneren van de organen en ondergeschikte lichamen van de Autoriteit wordt een trapsgewijze benadering gevolgd, waarbij rekening wordt gehouden met de functionele noden van bedoelde organen en ondergeschikte lichamen, opdat zij hun respectieve taken in de verschillende fasen van de werkzaamheden in het Gebied op doeltreffende wijze zouden kunnen vervullen.
  4. De eerste functies van de Autoriteit na de inwerkingtreding van het Verdrag worden vervuld door de Vergadering, de Raad, het Secretariaat, de Juridische en Technische Commissie en de Commissie voor FinanciŽn. De functies van de Commissie inzake Economische Planning worden uitgeoefend door de Juridische en Technische Commissie tot wanneer de Raad anderszins beslist of tot wanneer het eerste werkplan voor exploitatie is goedgekeurd.
  5. Tussen de inwerkingtreding van het Verdrag en de goedkeuring van het eerste werkplan voor exploitatie, neemt de Autoriteit hoofdzakelijk de volgende taken waar :
  a) het behandelen van de aanvragen om goedkeuring van werkplannen voor exploratie, overeenkomstig Deel XI en de Overeenkomst;
  b) de uitvoering van de besluiten van de Voorbereidende Commissie voor de Internationale Zeebodemautoriteit en voor het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee (hierna te noemen de " Voorbereidende Commissie ") met betrekking tot de geregistreerde pionier-investeerders en de Staten die borg voor hen staan, met inbegrip van hun rechten en verplichtingen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 308, lid 5, van het Verdrag en lid 13 van resolutie II;
  c) het toezicht houden op de correcte uitvoering van werkplannen voor exploratie die in de vorm van een contract zijn goedgekeurd;
  d) het volgen en beoordelen van tendensen en ontwikkelingen op het gebied van diepzeemijnbouw, alsmede van een geregelde analyse van de wereldmarkt voor metaal, metaalprijzen, marktontwikkelingen en vooruitzichten;
  e) het bestuderen van de mogelijke gevolgen van mineralenwinning in het Gebied voor de economie van ontwikkelingslanden die deze mineralen uit mijnen op het land winnen en het risico lopen in ernstige mate getroffen te worden, met het doel de moeilijkheden die zij ondervinden tot een minimum te herleiden en hen te helpen bij de economische aanpassing, waarbij het werk dat dienaangaande door de Voorbereidende Commissie wordt gedaan voor ogen wordt gehouden;
  f) het aannemen van de vereiste regels, voorschriften en procedures, naarmate de uitvoering van werkzaamheden in het Gebied vordert. Onverminderd het bepaalde in Bijlage III, artikel 17 (2) b) en c) van het Verdrag, worden bij het vastleggen van bedoelde regels, voorschriften en procedures de bepalingen van deze Overeenkomst, de lange aanlooptijd voor commerciŽle diepzeemijnbouw en het vermoedelijk ritme van de werkzaamheden in het Gebied, in acht genomen;
  g) het aannemen van regels, voorschriften en procedures die toepasbare normen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu bevatten;
  h) het bevorderen en aanmoedigen van wetenschappelijk zeeonderzoek met betrekking tot de werkzaamheden in het Gebied en het verzamelen en bekendmaken van de resultaten van het onderzoek en de analyses, wanneer deze beschikbaar zijn, waarbij in het bijzonder de nadruk wordt gelegd op onderzoek naar de gevolgen voor het milieu van de werkzaamheden in het Gebied;
  i) het verwerven van wetenschappelijke kennis en het toezicht houden op de ontwikkelingen van de mariene technologie met betrekking tot de werkzaamheden in het Gebied, met name technologie voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu;
  j) het beoordelen van beschikbare gegevens met betrekking tot prospectie en exploratie;
  k) het te gelegener tijd opstellen van regels, voorschriften en procedures voor de exploitatie waaronder regels, voorschriften en procedures met betrekking tot de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
  6. a) De Raad onderzoekt een aanvrage om goedkeuring van een werkplan voor exploratie na ontvangst van een door de Juridische en Technische Commissie geformuleerde aanbeveling met betrekking tot de aanvrage. De behandeling van een aanvrage om goedkeuring van een werkplan voor exploratie dient te gebeuren overeenkomstig de Verdragsbepalingen, alsmede overeenkomstig Bijlage III en de onderhavige Overeenkomst, en met inachtneming van het volgende :
  (i) Een werkplan voor exploratie, ingediend namens een Staat of lichaam, of enig onderdeel van zodanig lichaam, als bedoeld in resolutie II, lid 1 (1) (ii) en (iii), welke geen geregistreerd pionierinvesteerder is die reeds aanzienlijke werkzaamheden in het Gebied heeft verricht vůůr de inwerkingtreding van het Verdrag, dan wel namens hun rechtsopvolgers, wordt geacht aan de nodige financiŽle en technische voorwaarden voor de goedkeuring van een werkplan te voldoen, indien door de Staat of Staten die borg staan wordt bevestigd dat de aanvrager het equivalent van ten minste 30 miljoen USį heeft besteed aan onderzoek en exploratie en niet minder dan tien percent van dat bedrag aan de plaatsbepaling, de plaatsbeschrijvingen, de evaluatie van het in het werkplan bedoelde gebied. Indien het werkplan verder voldoet aan de bepalingen van het Verdrag en aan enigerlei regels, voorschriften en procedures, aangenomen ter uitvoering van dit Verdrag, wordt het door de Raad goedgekeurd in de vorm van een contract. Het bepaalde in afdeling 3, lid 11, van deze Bijlage wordt dienovereenkomstig uitgelegd en toegepast.
  (ii) Onverminderd het bepaalde in resolutie II, lid 8 a), mag een geregistreerd pionier-investeerder de goedkeuring van een werkplan voor exploratie vragen binnen 36 maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag. Het werkplan voor exploratie bestaat uit documenten, rapporten en andere gegevens die voor en na de registratie aan de Voorbereidende Commissie werden voorgelegd, en gaat vergezeld van een nalevingscertificaat dat bestaat uit een feitenrapport waarin wordt uiteengezet op welke wijze aan de verplichtingen van de pionier-investeerder is voldaan en dat is afgegeven door de Voorbereidende Commissie overeenkomstig resolutie II, lid 11 a). Dergelijk werkplan wordt geacht te zijn goedgekeurd. Zodanig goedgekeurd werkplan bestaat in de vorm van een contract dat tussen de Autoriteit en de geregistreerde pionier-investeerder wordt gesloten, overeenkomstig Deel XI en deze Overeenkomst. De heffing ten bedrage van 250 000 USį die overeenkomstig resolutie II, lid 7(a. werd betaald, wordt geacht de heffing te zijn voor de exploratiefase, als bepaald in afdeling 8, lid 3, van deze Bijlage. Afdeling 3, lid 11, van deze Bijlage wordt dienovereenkomstig uitgelegd en toegepast;
  (iii) Overeenkomstig het non-discriminatiebeginsel dient een contract met een Staat of lichaam of enig onderdeel van zodanig lichaam, als bedoeld onder letter a) (i), bepalingen te bevatten die gelijk zijn aan en niet minder gunstig dan die welke met een geregistreerde pionier-investeerder, als bedoeld onder letter a) (ii), zijn overeengekomen. Indien voor de onder a) (i) bedoelde Staten of lichamen, dan wel onderdelen van zodanige lichamen, gunstiger regelingen worden getroffen, treft de Raad gelijkaardige en niet minder gunstige regelingen met betrekking tot de rechten en verplichtingen van de onder letter a) (ii) bedoelde pionier-investeerders, op voorwaarde dat zodanige regelingen geen afbreuk doen aan of nadelig zijn voor de belangen van de Autoriteit.
  (iv) Een Staat die borg staat voor een aanvrage voor een werkplan, overeenkomstig het bepaalde in letter a) (i) en (ii), is ofwel een Staat die Partij is ofwel een Staat die deze Overeenkomst voorlopig toepast, als bedoeld in artikel 7 of een Staat die voorlopig lid is van de Autoriteit, als bedoeld in lid 12.
  (v) Resolutie II, lid 8 c), wordt uitgelegd en toegepast overeenkomstig letter a) (iv).
  b) De goedkeuring van een werkplan voor exploratie geschiedt in overeenstemming met artikel 153, lid 3, van het Verdrag.
  7. Een aanvrage om goedkeuring van een werkplan dient vergezeld te gaan van een opgave van de mogelijke gevolgen voor het milieu van de vermelde werkzaamheden en van een uitgeschreven programma voor oceanografische en verkennende ecologische studies, overeenkomstig de door de Autoriteit aangenomen regels, voorschriften en procedures.
  8. Een aanvrage om goedkeuring van een werkplan voor exploratie als bedoeld in lid (6) a) (i) en (ii), wordt behandeld volgens de in afdeling 3, lid 11, van deze Bijlage bedoelde procedures.
  9. Een werkplan voor exploratie wordt voor 15 jaar goedgekeurd. Na het vervallen van het werkplan voor exploratie dient de contractant een aanvrage voor een werkplan voor exploitatie in, tenzij hij dit reeds gedaan heeft of een verlenging van het werkplan voor exploratie heeft verkregen. Contractanten mogen een verlenging aanvragen voor perioden van niet meer dan vijf jaar. Een verlenging wordt toegekend indien de contractant heeft aangetoond dat hij naar goede trouw de nodige inspanning heeft gedaan om aan de voorschriften van het werkplan te voldoen maar dat hij om redenen die hij niet in de hand had, niet in staat was het nodige voorbereidende werk te doen om tot exploitatie over te gaan, dan wel dat de overstap naar exploitatie economisch niet verantwoord was.
  10. De aanwijzing van een voor de Autoriteit gereserveerd gebied, overeenkomstig artikel 8 van Bijlage III van het Verdrag, gebeurt tegelijkertijd met de goedkeuring van een aanvrage voor een werkplan voor exploratie of de goedkeuring van een aanvrage voor een werkplan voor exploratie en exploitatie.
  11. Onverminderd het bepaalde in lid 9 eindigt een goedgekeurd werkplan voor exploratie waarvoor ten minste ťťn Staat die deze Overeenkomst voorlopig toepast borg staat, indien deze Staat een einde stelt aan de voorlopige toepassing van de Overeenkomst en geen voorlopig lid is geworden, als bedoeld in lid 12, of indien deze Staat geen Partij bij deze Overeenkomst is geworden.
  12. Bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst kunnen de in artikel 3 bedoelde Staten en lichamen die de Overeenkomst voorlopig toepassen overeenkomstig artikel 7 en waarvoor ze niet van kracht is, voorlopig lid blijven van de Autoriteit tot wanneer de Overeenkomst voor deze Staten en lichamen in werking is getreden overeenkomstig de volgende letters :
  a) Indien de Overeenkomst in werking treedt vůůr 16 november 1996, mogen deze Staten en lichamen voorlopig lid blijven van de Autoriteit, mits zij hun voornemen voorlopig lid te zijn ter kennis brengen van de depositaris van de Overeenkomst. Dit lidmaatschap eindigt ofwel op 16 november 1996 ofwel bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst en het Verdrag voor bedoeld lid, ongeacht welke van beide datums de vroegste is. Op verzoek van de betrokken Staat of het betrokken lichaam mag de Raad dit lidmaatschap na 16 november 1996 met ťťn of meerdere perioden van ten hoogste twee jaar verlengen, op voorwaarde dat de Staat of het lichaam ten overstaan van de Raad heeft aangetoond te goeder trouw de nodige stappen te hebben gedaan om Partij te worden bij de Overeenkomst en het Verdrag;
  b) Indien deze Overeenkomst van kracht wordt na 15 november 1996 mogen zodanige Staten en lichamen de Raad verzoeken voorlopig lid te blijven van de Autoriteit voor ťťn of meerdere perioden die ten laatste op 16 november 1998 eindigen. De Raad verleent zodanig lidmaatschap met ingang van de datum van het verzoek indien naar behoren is aangetoond dat de Staat of het lichaam te goeder trouw de nodige stappen heeft gedaan om Partij te worden bij de Overeenkomst en het Verdrag;
  c) Staten en lichamen die voorlopig lid zijn van de Autoriteit, overeenkomstig de letters a) of b), passen het bepaalde in Deel XI en de Overeenkomst toe volgens hun nationale of interne wetten en voorschriften en volgens hun jaarlijkse begrotingskredieten; zij hebben dezelfde rechten en verplichtingen als andere leden, met name :
  (i) de verplichting bij te dragen aan de administratiebegroting van de Autoriteit volgens een vastgestelde schaal; en
  (ii) het recht borg te staan voor een aanvrage om goedkeuring van een werkplan voor exploratie. De goedkeuring van een werkplan voor exploratie, gevraagd door lichamen waarvan de onderdelen natuurlijke of rechtspersonen zijn die nationaliteit van meer dan ťťn Staat bezitten, gebeurt alleen indien alle Staten waarvan de natuurlijke of rechtspersonen deze lichamen vormen, voorlopig lid zijn of Staten dit Partij zijn;
  d) Onverminderd het bepaalde in lid 9, wordt een einde gesteld aan een in de vorm van een contract goedgekeurd werkplan voor exploratie waarvoor een Staat die voorlopig lid was borg stond, als bedoeld in letter c) (ii), indien dit lidmaatschap ten einde loopt en de Staat of het lichaam geen Staat die Partij is, is geworden;
  e) Indien een zodanig lid de vastgestelde bijdragen niet heeft betaald of anderszins niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen, overeenkomstig dit lid, wordt een einde gesteld aan het voorlopig lidmaatschap.
  13. De verwijzing in artikel 10 van bijlage III van het Verdrag naar een niet bevredigende uitvoering van een goedgekeurd werkplan, dient te worden uitgelegd als zou de contractant hebben nagelaten te voldoen aan de voorschriften van een goedgekeurd werkplan, ondanks een schriftelijke aanmaning of aanmaningen daartoe van de Autoriteit.
  14. De Autoriteit heeft een eigen begroting. De administratiekosten van de Autoriteit zijn ten laste van de Verenigde Naties tot op het eind van het jaar volgend op het jaar van inwerkingtreding van de Overeenkomst. Nadien worden de administratiekosten van de Autoriteit gedekt door vastgestelde bijdragen van de leden, met inbegrip van de voorlopige leden, overeenkomstig artikelen 171 a) en 173 van het Verdrag en deze Overeenkomst, tot wanneer de Autoriteit voldoende middelen heeft uit andere bronnen. De Autoriteit zal de in artikel 174, lid 1 van het Verdrag bedoelde bevoegdheid om leningen aan te gaan ter financiering van haar administratiekosten, niet uitoefenen.
  15. Overeenkomstig lid 2 (o) (ii) van artikel 162 van het Verdrag worden door de Autoriteit regels, voorschriften en procedures opgesteld en aangenomen op grond van de beginselen, vervat in de afdelingen 2, 5, 6, 7 en 8 van deze Bijlage, alsmede bijkomende regels, voorschriften en procedures welke nodig zijn om de goedkeuring van werkplannen voor exploratie en exploitatie te vergemakkelijken, overeenkomstig de volgende letters :
  a) De Raad kan met de opstelling van alle of enkele van de regels, voorschriften of procedures beginnen wanneer hij zulks nodig acht voor het verrichten van werkzaamheden in het Gebied, of wanneer volgens hem eerlang met de commerciŽle exploitatie kan worden begonnen, ofwel op verzoek van een Staat waarvan een onderdaan de bedoeling heeft een aanvrage om goedkeuring van een werkplan voor exploitatie in te dienen;
  b) Indien een verzoek wordt ingediend door een in letter a) bedoelde Staat neemt de Raad deze regels, voorschriften en procedures binnen twee jaar na het verzoek aan, overeenkomstig lid 2 (o) van artikel 162;
  c) Indien de Raad de regels, voorschriften en procedures voor exploitatie niet binnen de voorgeschreven tijdspanne heeft opgesteld, en er een aanvraag om goedkeuring van een werkplan voor exploitatie aanhangig is, zal hij het werkplan toch bestuderen en voorlopig goedkeuren op grond van de bepalingen van het Verdrag en van regels, voorschriften en procedures die de Raad voorlopig zou hebben aangenomen, dan wel op grond van de normen uit het Verdrag en de bedingen en beginselen uit deze Bijlage, ofwel op grond van het beginsel van non-discriminatie tussen contractanten.
  16. De ontwerp-regels, -voorschriften en -procedures alsmede enigerlei aanbevelingen betreffende bepalingen in Deel XI, die vervat zijn in de rapporten en aanbevelingen van de Voorbereidende Commissie worden door de Autoriteit meegewogen bij de aanneming van enigerlei regels, voorschriften en procedures, overeenkomstig Deel XI en deze Overeenkomst.
  17. De toepasselijke bepalingen in Deel XI, afdeling 4 van het Verdrag worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig deze Overeenkomst.

  Art. 1N1. Afdeling 2. - De onderneming.
  1. In afwachting dat de Onderneming haar werkzaamheden onafhankelijk van het Secretariaat van de Autoriteit verricht, worden haar functies waargenomen door het Secretariaat. De Secretaris-Generaal van de Autoriteit stelt onder zijn personeel een waarnemend Directeur-Generaal aan, belast met het uitoefenen van toezicht op de wijze waarop het Secretariaat bedoelde functies vervult.
  Onder functies wordt verstaan :
  a) Volgen en bestuderen van de tendensen en ontwikkelingen op het gebied van de werkzaamheden in de diepzeemijnbouw, alsmede een geregelde analyse van de wereldmarkt voor metaal, metaalprijzen, marktontwikkeling en vooruitzichten;
  b) Evaluatie van de resultaten van het wetenschappelijk zeeonderzoek dat in het kader van werkzaamheden in het Gebied wordt verricht en waarbij in het bijzonder de nadruk wordt gelegd op onderzoek naar de gevolgen voor het milieu van werkzaamheden in het Gebied;
  c) Evaluatie van de beschikbare gegevens in verband met prospectie en exploratie alsmede van de criteria die daarbij worden gehanteerd;
  d) Volgen van de technologische ontwikkelingen met betrekking tot de werkzaamheden in het Gebied, inzonderheid de technologie in verband met de bescherming en het behoud van het mariene milieu;
  e) Evaluatie van informatie en gegevens betreffende de voor de Autoriteit gereserveerde gebieden;
  f) Beoordelen van de wijze waarop joint venture-activiteiten worden uitgevoerd;
  g) Verzamelen van gegevens omtrent de beschikbaarheid van geschoolde werkkrachten;
  h) Bestuderen van de beleidslijnen met betrekking tot het beheer dat de Onderneming in de verschillende stadia van haar werkzaamheden kan voeren.
  2. Aanvankelijk verricht de Onderneming haar werkzaamheden in de diepzeemijnbouw via joint ventures. Na goedkeuring van een werkplan voor exploitatie ten behoeve van een ander lichaam dan de Onderneming of na ontvangst door de Raad van een aanvrage voor een joint venture-activiteit met de Onderneming, bekijkt de Raad het functioneren van de Onderneming los van het Secretariaat van de Autoriteit. Indien joint venture-activiteiten met de Onderneming beantwoorden aan gezonde commerciŽle beginselen, vaardigt de Raad overeenkomstig aritkel 170, lid 2 van het Verdrag een richtlijn uit waarbij dit autonoom functioneren wordt vastgelegd.
  3. De voor de Staten die Partij zijn geldende verplichting een mijngebied van de Onderneming te financieren als bepaald in Bijlage IV, artikel 11, lid 3 van het Verdrag is niet van toepassing. Daarnaast zijn Staten die Partij zijn niet verplicht de werkzaamheden van de Onderneming in gelijk welk mijngebied te financieren en zijn ze evenmin gebonden door joint venture-overeenkomsten.
  4. De verplichtingen die van toepassing zijn op de contractanten gelden ook voor de Onderneming. Onverminderd het bepaalde in artikel 153, lid 3 en Bijlage III, artikel 3, lid 5 van het Verdrag heeft elk goedgekeurd werkplan voor de Onderneming de vorm van een tussen de Autoriteit en de Onderneming gesloten contract.
  5. Een contractant die een bepaald gebied als gereserveerd gebied aan de Autoriteit heeft afgestaan, heeft als eerste het recht te weigeren een joint venture-overeenkomst aan te gaan met de Onderneming voor de exploratie en exploitatie van dat gebied. Wanneer, hetzij binnen een termijn van vijftien jaar nadat de Onderneming onafhankelijk van het Secretariaat van de Autoriteit haar functies is beginnen vervullen, hetzij binnen een termijn van vijftien jaar vanaf de datum waarop een gebied voor de Autoriteit werd gereserveerd, ongeacht welke van beide data de laatste is, de Onderneming geen aanvrage indient voor de goedkeuring van een werkplan voor het verrichten van werkzaamheden in het desbetreffende gebied, heeft de contractant die het gebied heeft afgestaan het recht om een aanvrage tot goedkeuring van een werkplan voor het desbetreffende gebied in te dienen. Het werkplan dient dan wel naar goede trouw te voorzien in de mogelijkheid de Onderneming als deelgenoot in de joint venture op te nemen.
  6. Artikel 170, lid 4, bijlage IV en andere bepalingen van het Verdrag met betrekking tot de Onderneming worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig deze afdeling.

  Art. 2N1. Afdeling 3. - Besluitvorming.
  1. Het algemeen beleid van de Autoriteit wordt door de Vergadering in samenwerking met de Raad vastgelegd.
  2. Als algemene regel geldt dat binnen de organen van de Autoriteit bij consensus wordt beslist.
  3. Wanneer alle middelen om bij consensus tot een besluit te komen zijn uitgeput, wordt door de Vergadering omtrent procedurele aangelegenheden beslist met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen en besluiten omtrent inhoudelijke aangelegenheden worden genomen met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen als bepaald in artikel 159, lid 8 van het Verdrag.
  4. Bij haar besluitvorming omtrent aangelegenheden die mede onder de bevoegdheid vallen van de Raad of omtrent aangelegenheden van administratieve, budgettaire of financiŽle aard, laat de Vergadering zich leiden door de aanbevelingen van de Raad. Indien de Vergadering de aanbeveling die de Raad inzake een bepaalde aangelegenheid heeft geformuleerd niet wenst op te volgen, gaat de aanbeveling terug naar de Raad die ze opnieuw overweegt in het licht van de door de Vergadering naar voren gebrachte zienswijzen.
  5. Wanneer alle middelen om bij consensus tot een besluit te komen zijn uitgeput, wordt door de Raad omtrent procedurele aangelegenheden beslist met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen en worden besluiten omtrent inhoudelijke aangelegenheden genomen met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, tenzij het aangelegenheden betreft waarover volgens het Verdrag bij consensus binnen de Raad moet worden beslist. Voorwaarde hierbij is evenwel dat deze besluiten niet op het verzet stuiten van de meerderheid in elk van beide kamers waarvan sprake in lid 9. Bij zijn besluitvorming streeft de Raad er naar de belangen van alle leden van de Autoriteit te bevorderen.
  6. De Raad kan het nemen van een besluit uitstellen met het oog op verdere onderhandelingen, wanneer blijkt dat alle middelen om bij consensus te besluiten over een bepaalde aangelegenheid nog niet zijn uitgeput.
  7. Voor het nemen van besluiten met financiŽle of budgettaire gevolgen, volgt de Vergadering of de Raad de aanbevelingen van de Commissie voor FinanciŽn op.
  8. Het bepaalde in artikel 161, lid 8, letters b) en c) van het Verdrag is niet van toepassing.
  9. a) Bij stemming binnen de Raad wordt elke groep Staten gekozen volgens de in lid 15, letters a), b) en c) omschreven criteria beschouwd als een kamer, terwijl de Ontwikkelingsstaten gekozen volgens de in lid 15, letters d) en e) omschreven criteria worden beschouwd als ťťn enkele kamer.
  b) Vooraleer tot de verkiezing van de leden van de Raad over te gaan, legt de Vergadering lijsten aan van landen die beantwoorden aan de criteria voor lidmaatschap van de groepen Staten waarnaar verwezen wordt in lid 15, letters a) tot en met d). Beantwoordt een Staat aan de criteria van meer dan ťťn groep, dan mag hij slechts door ťťn groep worden voorgedragen voor verkiezing voor de Raad en vertegenwoordigt hij alleen die groep bij het stemmen in de Raad.
  10. Elke groep Staten gekozen volgens de criteria omschreven in lid 15, letters a) tot en met d), wordt in de Raad vertegenwoordigd door de leden die hij daartoe heeft voorgedragen. Het aantal door iedere groep voor te dragen kandidaten mag niet meer bedragen dan het aantal zetels dat door desbetreffende groep moet worden ingenomen. Indien het aantal potentiŽle kandidaten in elk van de groepen bedoeld in lid 15, letters a) tot en met e) groter is dan het aantal zetels dat in elk van deze groepen beschikbaar is, wordt in de regel het beginsel van toerbeurt toegepast. Staten die deel uitmaken van elk van deze groepen beslissen over de wijze waarop dit beginsel wordt toegepast in de respectieve groepen.
  11. a) Wanneer een werkplan ter goedkeuring wordt voorgelegd, laat de Raad zich leiden door de aanbeveling van de Juridische en Technische Commissie, tenzij met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, met inbegrip van een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen in elk van de kamers van de Raad, wordt beslist het werkplan af te keuren. Komt de Raad binnen een vooropgestelde termijn niet tot een besluit omtrent een aanbeveling tot goedkeuring van een werkplan, dan wordt de aanbeveling bij het verstrijken van die termijn geacht de goedkeuring te hebben van de Raad. Deze termijn bedraagt normalerwijze 60 dagen, tenzij de Raad tot een verlenging van de termijn besluit. Wanneer de Commissie aanbeveelt het werkplan af te keuren of terzake geen aanbeveling doet, kan de Raad desalniettemin zijn goedkeuring hechten aan het werkplan overeenkomstig de besluitvormingsprocedure omtrent inhoudelijke aangelegenheden.
  b) De bepalingen van artikel 162, lid 2 (j) van het Verdrag zijn niet van toepassing.
  12. Wanneer naar aanleiding van het afkeuren van een werkplan een geschil ontstaat, wordt dit geschil geregeld volgens de procedures voor de regeling van geschillen waarin het Verdrag voorziet.
  13. Binnen de Juridische en Technische Commissie worden besluiten genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
  14. Deel XI, afdeling 4, onderafdelingen B en C, van het Verdrag wordt uitgelegd en toegepast overeenkomstig deze afdeling.
  15. De Raad bestaat uit 36 leden van de Autoriteit die door de Vergadering worden gekozen in de onderstaande volgorde :
  a) vier leden uit de Staten die Partij zijn die, gedurende de laatste vijf jaar waarover statistieken beschikbaar zijn, hetzij meer dan 2 procent berekend naar waarde van het totale wereldverbruik hebben verbruikt, hetzij een netto-invoer hebben gehad van meer dan 2 procent berekend naar waarde van de totale wereldinvoer van de basisproducten, geproduceerd uit de categorieŽn in het Gebied te winnen delfstoffen. Wel is het zo dat zich onder deze vier leden ten minste ťťn Staat uit de Oosteuropese regio dient te bevinden die, uitgedrukt in bruto nationaal product, de grootste economie van de regio heeft alsmede de Staat die, uitgedrukt in bruto nationaal product, de grootste economie heeft op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Verdrag, voor zover deze Staten in deze groep wensen vertegenwoordigd te zijn;
  b) vier leden uit de acht Staten die Partij zijn die het meest geÔnvesteerd hebben in de voorbereiding en het verrichten van werkzaamheden in het Gebied, hetzij rechtstreeks hetzij via hun onderdanen;
  c) vier leden uit de Staten die Partij zijn die op basis van de productie in onder hun rechtsmacht vallende gebieden (areas under their jurisdiction) grote netto-exporteurs zijn van de categorieŽn delfstoffen die zullen worden gewonnen in het Gebied, waaronder ten minste twee ontwikkelingsstaten wier exporten van zulke delfstoffen van aanzienlijk belang zijn de economie;
  d) zes leden uit ontwikkelingsstaten die bijzondere belangen vertegenwoordigen. De te vertegenwoordigen bijzondere belangen omvatten die van Staten met een grote bevolking, Staten zonder zeekust of Staten met een ongunstige geografische ligging, eilandstaten, Staten die grote importeurs zijn van de categorieŽn delfstoffen die uit het Gebied zullen worden gewonnen, Staten die potentiŽle producenten van zulke delfstoffen zijn en de minst ontwikkelde Staten;
  e) achttien leden, gekozen volgens het beginsel dat een billijke geografische verdeling van zetels in de Raad als geheel moet worden verzekerd, met dien verstande dat elke geografische regio ten minste ťťn op grond van deze letter gekozen lid heeft. Voor de toepassing van deze bepaling zijn de geografische regio's Afrika, AziŽ, Oost-Europa, Latijns-Amerika en de CaraÔben alsmede West-Europa en andere Staten.
  16. De bepalingen van artikel 161, lid 1, van het Verdrag zijn niet van toepassing.

  Art. 3N1. Afdeling 4. - De herzieningsconferentie.
  Het bepaalde in artikel 155, lid 1, 3 en 4, van het Verdrag met betrekking tot de Herzieningsconferentie is niet van toepassing. Onverminderd het bepaalde in artikel 314, lid 2, van het Verdrag, kan de Vergadering op aanbeveling van de Raad de aangelegenheden bedoeld in artikel 155, lid 1, van het Verdrag aan herziening onderwerpen. Wijzigingen met betrekking tot deze Overeenkomst en Deel XI zijn onderworpen aan de procedures vervat in de artikelen 314, 315 en 316 van het Verdrag, met dien verstande dat de beginselen, de regeling en de andere voorwaarden vastgelegd in artikel 155, lid 2, van het Verdrag behouden blijven en de rechten waarvan sprake in lid 5 van bedoeld artikel niet worden aangetast.

  Art. 4N1. Afdeling 5. - Overdracht van technologie.
  1. Benevens het bepaalde in artikel 144 van het Verdrag, wordt de overdracht van technologie voor de toepassing van Deel XI door volgende beginselen geregeld :
  a) De Onderneming en Ontwikkelingsstaten die de technologie inzake diepzeemijnbouw wensen te verwerven, streven ernaar deze technologie te verwerven tegen billijke en redelijke commerciŽle voorwaarden en bedingen op de vrije markt of via joint venture-overeenkomsten.
  b) Indien de Onderneming of de Ontwikkelingsstaten niet in staat zijn de technologie inzake diepzeemijnbouw te verwerven, kan de Autoriteit alle of een aantal contractanten alsmede de Staat of Staten die voor hen borg staan verzoeken met haar samen te werken door het verwerven van technologische kennis inzake diepzeemijnbouw te vergemakkelijken voor de Onderneming of haar joint venture of voor de Ontwikkelingsstaat of -staten die deze technologie wensen te verwerven tegen billijke en redelijke commerciŽle voorwaarden en -bedingen, die verenigbaar zijn met de efficiŽnte bescherming van de intellectuele eigendomsrechten. De Staten die Partij zijn gaan de verbintenis aan de Autoriteit hun volledige en daadwerkelijke medewerking te verlenen om dit doel te bereiken en ervoor te zorgen dat de contractanten voor wie zij borg staan eveneens hun algehele medewerking verlenen aan de Autoriteit.
  c) Als algemene regel geldt dat de Staten die Partij zijn zich zullen inzetten om de internationale technische en wetenschappelijke samenwerking met betrekking tot de werkzaamheden in het Gebied te bevorderen zowel tussen de betrokken partijen als door het opstellen van programma's voor de opleiding, technische bijstand en wetenschappelijke samenwerking op het gebied van mariene wetenschap en technologie en de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
  2. Het bepaalde in Bijlage III, artikel 5, van het Verdrag is niet van toepassing.

  Art. 5N1. Afdeling 6. - Productiebeleid.
  1. Het productiebeleid van de Autoriteit steunt op volgende beginselen :
  a) De ontginning van de rijkdommen in het Gebied geschiedt volgens gezonde commerciŽle beginselen.
  b) De bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, de desbetreffende voorschriften alsmede de vervolgovereenkomsten of de overeenkomsten die ervan in de plaats treden zijn van toepassing met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied.
  c) Dit houdt meer bepaald in dat in het Gebied verrichte werkzaamheden niet worden gesubsidieerd, behalve wanneer de onder letter b) bedoelde overeenkomsten zulks toestaan. Voor de toepassing van deze beginselen dient het begrip " subsidiŽring " te beantwoorden aan de definitie als vastgelegd in de overeenkomsten bedoeld onder letter b).
  d) Er is geen discriminatie tussen delfstoffen gewonnen in het Gebied en die afkomstig van andere bronnen. Deze delfstoffen of de invoer van uit deze delfstoffen geproduceerde basisproducten genieten geen enkele voorrang wat de toegang tot de markten betreft, met name :
  (i) door het heffen van invoerrechten of andere belemmeringen; en
  (ii) vanwege de Staten die Partij zijn ten opzichte van deze delfstoffen en de hieruit vervaardigde basisproducten geproduceerd door hun staatsondernemingen dan wel door natuurlijke of rechtspersonen die de nationaliteit bezitten van de Staten die Partij zijn of onder het toezicht staan van deze Staten of hun onderdanen.
  e) Het door de Autoriteit goedgekeurde werkplan voor de exploitatie van elk mijngebied afzonderlijk, dient een productieschema te bevatten met opgave van de geraamde maximum hoeveelheid delfstoffen die uit hoofde van het werkplan jaarlijks zal worden gewonnen.
  f) Wat de regeling betreft van geschillen met betrekking tot de bepalingen van de onder letter b) bedoelde overeenkomsten, worden de volgende procedures gevolgd :
  (i) de desbetreffende tot deze overeenkomsten toegetreden Staten die Partij zijn kunnen gebruik maken van de procedures voor regeling van geschillen waarin deze overeenkomsten voorzien;
  (ii) wanneer een of meerdere desbetreffende Staten die Partij zijn niet tot deze overeenkomsten zijn toegetreden, kunnen zij gebruik maken van de procedures voor regeling van geschillen waarin het Verdrag voorziet.
  g) Wanneer uit hoofde van de overeenkomsten bedoeld onder letter b) wordt vastgesteld dat een Staat die Partij is zich leent tot ongeoorloofde subsidiŽring of wanneer de belangen van een andere Staat die Partij is daardoor worden geschaad zonder dat door de desbetreffende Staat of Staten die Partij is of zijn hiertegen de nodige stappen werden ondernomen, kan een Staat die Partij is de Raad verzoeken passende maatregelen te nemen.
  2. De beginselen vervat in lid 1 mogen geen afbreuk doen aan de rechten en verplichtingen vastgelegd in de onder 1 b) bedoelde overeenkomsten en in de desbetreffende vrijhandels- en douane-overeenkomsten, wat de betrekkingen betreft tussen Staten die Partij zijn en die tot de bedoelde overeenkomsten zijn toegetreden.
  3. De aanvaarding door een contractant van andere subsidies dan die welke op grond van de onder 1 b) bedoelde overeenkomsten worden toegestaan, is een inbreuk op de hoofdvoorwaarden van het contract dat een werkplan vormt voor de uitvoering van de werkzaamheden in het Gebied.
  4. Iedere Staat die Partij is die reden heeft om aan te nemen dat de bepalingen vermeld onder punt 1, b) tot en met d) en punt 3 werden geschonden, kan procedures instellen voor de regeling van geschillen conform lid 1, letter f) of g).
  5. Een Staat die Partij is kan te allen tijde de aandacht van de Raad vestigen op activiteiten die zijns inziens niet verenigbaar zijn met de bepalingen van lid 1, b) tot en met d).
  6. De Autoriteit werkt regels, voorschriften en procedures uit met het oog op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze afdeling. Ook ter zake dienende regels, voorschriften en procedures waaraan de goedkeuring van werkplannen is onderworpen.
  7. Het bepaalde in artikel 151, lid 1 tot en met 7, en lid 9, artikel 162, lid 2 (q), artikel 165, lid 2 (n), en bijlage III, artikel 6, lid 5 en artikel 7, van het Verdrag is niet van toepassing.

  Art. 6N1. Afdeling 7. - Economische steun.
  1. Het beleid van de Autoriteit dat erop gericht is steun te verlenen aan de ontwikkelingslanden die ernstige nadelige gevolgen voor hun inkomsten uit export of hun economie ondervinden als gevolg van een verlaging van de prijs van een delfstof die behoort tot die welke in het Gebied worden gewonnen of een vermindering van de omvang van de export van die delfstof, voor zover deze verlaging of vermindering wordt veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied, steunt op de volgende beginselen :
  a) De Autoriteit richt een fonds op voor economische steunverlening, dat gefinancierd wordt met de middelen die overblijven na betaling van de administratiekosten van de Autoriteit. Het voor dit doel te reserveren bedrag wordt op bepaalde tijdstippen vastgesteld door de Raad op aanbeveling van de Commissie voor FinanciŽn. Alleen gelden afkomstig van stortingen van de contractanten, met inbegrip van de Onderneming, en vrijwillige bijdragen worden aangewend voor de oprichting van het fonds voor economische steunverlening.
  b) Op het vasteland producerende Ontwikkelingsstaten wier economie ernstige nadelen blijkt te ondervinden van de winning van delfstoffen uit de diepzeebodem ontvangen steun uit het fonds voor economische steunverlening van de Autoriteit.
  c) De Autoriteit verleent de op het vasteland producerende getroffen Ontwikkelingsstaten steun uit het fonds voor economische steunverlening, zo nodig in samenwerking met bestaande internationale of regionale ontwikkelingsorganisaties die over de nodige infrastructuur en know-how beschikken om soortgelijke hulpprogramma's ten uitvoer te brengen.
  d) Omvang en looptijd van de steunverlening worden van geval tot geval vastgesteld. Zodoende wordt de nodige aandacht besteed aan de aard en omvang van de problemen die de op het vasteland producerende getroffen ontwikkelingsstaten ondervinden.
  2. Artikel 151, lid 10, van het Verdrag wordt ten uitvoer gelegd door middel van economische steunverlening zoals omschreven in lid 1. Artikel 160, lid 2 l), artikel 162, lid 2 n), artikel 164, lid 2 d), artikel 171, letter f), en artikel 173, lid 2 c), van het Verdrag worden dienovereenkomstig uitgelegd.

  Art. 7N1. Afdeling 8. - FinanciŽle voorwaarden van contracten.
  1. De hierna volgende beginselen vormen de grondslag voor het vaststellen van regels, voorschriften en procedures betreffende de financiŽle voorwaarden van een contract :
  a) De betalingen aan de Autoriteit geschieden volgens een systeem dat zowel voor de contractant als voor de Autoriteit billijk is. In dit systeem zijn de nodige controlemiddelen ingebouwd om na te gaan of de contractant zich eraan houdt.
  b) De bedragen waarin het betalingssysteem voorziet zijn afgestemd op die welke van toepassing zijn in de mijnbouw op het vasteland voor de exploitatie van dezelfde of soortgelijke delfstoffen, ten einde te voorkomen dat de diepzeemijnbouw een kunstmatig concurrentievoordeel verkrijgt of in een nadelige concurrentiepositie terechtkomt.
  c) Er moet worden vermeden het systeem ingewikkeld te maken of de Autoriteit of de contractant met hoge administratiekosten te belasten. Een systeem van royalty's of een combinatie van royalty's en winstdeelneming zou in overweging moeten worden genomen. Indien verschillende systemen worden ingevoerd, heeft de contractant de mogelijkheid het systeem te kiezen dat op zijn contract moet worden toegepast. Wanneer die keuze later gewijzigd wordt, moet dit evenwel bij overeenkomst tussen de Autoriteit en de contractant worden vastgelegd.
  d) Er dient een jaarlijkse vaste heffing te worden betaald vanaf de datum van aanvang van de commerciŽle productie. Deze heffing kan evenwel worden verrekend met andere betalingen die verschuldigd zijn ingevolge het overeenkomstig letter c) aangenomen systeem. Het bedrag van de heffing wordt vastgesteld door de Raad.
  e) In het licht van de veranderde omstandigheden kan het betalingssysteem aan een periodieke herziening worden onderworpen. Wijzigingen worden op non-discriminatoire wijze toegepast en kunnen, enkel naar keuze van de contractant, worden toegepast op reeds bestaande contracten. Elke latere wijziging in de keuze tussen andere systemen wordt bij overeenkomst vastgelegd tussen de Autoriteit en de contractant.
  f) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de regels en voorschriften waaraan deze beginselen ten grondslag liggen worden beslecht via de procedures voor de regeling van geschillen waarin het Verdrag voorziet.
  2. Het bepaalde in Bijlage III, artikel 13, leden 3 tot 10, van het Verdrag is niet van toepassing.
  3. Wat de tenuitvoerlegging van Bijlage III, artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreft, is de heffing voor de behandeling van aanvragen om goedkeuring van een werkplan dat beperkt is tot ťťn fase, hetzij de exploratie-fase hetzij de exploitatie-fase, vastgesteld op 250 000 USį.

  Art. 8N1. Afdeling 9. - De Commissie voor FinanciŽn.
  1. Hierbij wordt een Commissie voor FinanciŽn ingesteld. Ze bestaat uit 15 leden die onderlegd zijn in financiŽle aangelegenheden. De Staten die Partij zijn dragen kandidaten voor die beantwoorden aan de hoogste vereisten van bekwaamheid en integriteit.
  2. Een Staat die Partij is kan geen twee onderdanen afvaardigen in de Commissie voor FinanciŽn.
  3. Leden van de Commissie voor FinanciŽn worden gekozen door de Vergadering. Daarbij wordt naar behoren rekening gehouden met de vereiste van een billijke geografische verdeling en de vertegenwoordiging van bijzondere belangen. Elke groep Staten bedoeld in afdeling 3, lid 15 a), b), c) en d), van deze Bijlage is met ten minste ťťn lid vertegenwoordigd in de Commissie. In afwachting dat de Autoriteit over voldoende andere middelen dan de vastgestelde bijdragen beschikt om haar administratiekosten te dekken, zijn lid van de Commissie de vertegenwoordigers van de vijf Staten die de grootste bijdragen storten aan de administratieve begroting van de Autoriteit. Van dan af aan wordt per groep een lid gekozen op voordracht van de leden van de desbetreffende groep, onverminderd de mogelijkheid om per groep meerdere leden te kiezen.
  4. Leden van de Commissie voor FinanciŽn hebben zitting voor een termijn van vijf jaar. Zij zijn herkiesbaar voor een volgende termijn.
  5. In geval van het overlijden, de onbekwaamheid tot handelen of de ontslagneming van een lid van de Commissie vůůr het verstrijken van de ambtstermijn, kiest de Vergadering uit dezelfde geografische regio of dezelfde groep Staten een lid voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn.
  6. Leden van de Commissie voor FinanciŽn mogen geen financieel belang hebben in activiteiten waarover de Commissie aanbevelingen dient te doen. Het is hun verboden, ook na de beŽindiging van hun functies, vertrouwelijke informatie die te hunner kennis komt op grond van hun functies voor de Autoriteit, openbaar te maken.
  7. De Vergadering en de Raad volgen de aanbevelingen op van de Commissie voor FinanciŽn bij de besluitvorming over volgende aangelegenheden :
  a) ontwerp van financiŽle regels, voorschriften en procedures van de organen van de Autoriteit, alsmede het financieel beheer en de interne financiŽle administratie van de Autoriteit;
  b) het vaststellen van de bijdragen van de leden aan de administratieve begroting van de Autoriteit overeenkomstig artikel 160, lid 2 e), van het Verdrag;
  c) alle desbetreffende financiŽle aangelegenheden met inbegrip van de jaarlijkse ontwerp-begroting die door de Secretaris-generaal van de Autoriteit wordt opgesteld overeenkomstig artikel 172 van het Verdrag en de financiŽle aspecten van de tenuitvoerlegging van de werkprogramma's van het Secretariaat;
  d) de administratieve begroting;
  e) financiŽle verplichtingen van de Staten die Partij zijn voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en Deel XI alsmede de administratieve en budgettaire gevolgen van voorstellen en aanbevelingen die uitgaven ten laste van de Autoriteit met zich brengen;
  f) regels, voorschriften en procedures met het oog op de billijke verdeling van financiŽle en andere economische voordelen voortvloeiend uit de werkzaamheden in het Gebied alsmede de beslissingen die daaromtrent moeten worden genomen.
  8. Besluiten inzake procedurele aangelegenheden worden in de Commissie voor FinanciŽn genomen bij meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen. Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden worden genomen bij consensus.
  9. Het vereiste in artikel 162, lid 2 (y), van het Verdrag betreffende het instellen van een ondergeschikt orgaan belast met de financiŽle aangelegenheden, wordt geacht vervuld te zijn ingevolge de instelling van de Commissie voor FinanciŽn overeenkomstig deze afdeling.
  Nota.
  (1) Zie ook het Decreet van het Vlaamse Gewest van 14 juli 1998 (Belgisch Staatsblad van 22 augustus 1998), het Decreet van het Waalse Gewest van 5 februari 1998 (Belgisch Staatsblad van 27 februari 1998) en de Ordonnantie van het Brusselse hoofdstedelijke Gewest van 29 oktober 1998 (Belgisch Staatsblad van 10 december 1998).

  Art. N2. Bijlage 2. LIJST MET DE GEBONDEN STATEN.

  STATEN                    ONDERTEKENING      VOORLOPIGE TOEPASSING
                                                KRACHTENS EEN KENNISGEVING,
                                                DE ONDERTEKENING VAN DE
                                                GOEDKEURING VAN HET AKKOORD
                                                OF DE TOETREDING TOT HET
                                                AKKOORD
  AFGHANISTAN                                  16 november 1994
  ALBANIE                                      16 november 1994
  ALGERIJE                  29 juli 1994       16 november 1994
  ANDORRA                                      16 november 1994
  ARGENTINIE                29 juli 1994       16 november 1994
  ARMENIE                                      16 november 1994
  AUSTRALIE                 29 juli 1994       16 november 1994
  BAHAMA'S                  29 juli 1994       16 november 1994
  BAHREIN                                      16 november 1994
  BANGLADESH                                   16 november 1994
  BARBADOS                  15 november 1994   16 november 1994
  BELGIE                    29 juli 1994       16 november 1994
  BELIZE                                       16 november 1994
  BENIN                                        16 november 1994
  BHUTAN                                       16 november 1994
  BOLIVIE                                      16 november 1994
  BOTSWANA                                     16 november 1994
  BRAZILIE                  29 juli 1994
  BRUNEI DARUSSALAM                            16 november 1994
  BULGARIJE
  BURKINA FASO              30 november 1994   30 november 1994
  BURUNDI                                      16 november 1994
  CAMBODJA                                     16 november 1994
  CANADA                    29 juli 1994       16 november 1994
  CHILI                                        16 november 1994
  CHINA                     29 juli 1994       16 november 1994
  CONGO                                        16 november 1994
  COOKEILANDEN
  CUBA                                         16 november 1994
  CYPRUS                     1 november 1994   27 juli 1995
  DEMOCRATISCHE             27 oktober 1994    16 november 1994
   VOLKSREPUBIEK LAO
  DENEMARKEN                29 juli 1994
  DUITSLAND                 29 juli 1994       16 november 1994
  EGYPTE                    22 maart 1995      16 november 1994
  EQUATORIAAL GUINEA
  ERYTHREA                                     16 november 1994
  ESTLAND                                      16 november 1994
  ETHIOPIE                                     16 november 1994



  STATEN                    KENNISGEVING VAN   RATIFICATIE (R), FORMELE
                             DE                 BEVESTIGING (B),
                             " NIET-VOORLOPIGE  TOETREDING (T),
                             TOEPASSING "       ONDERTEKENING (O)
                             KRACHTENS          VEREENVOUDIGDE PROCEDURE (P)
                             ART 7 1) b)        OF DEELNEMING NA DE
                                                NEERLEGGING VAN EEN
                                                BEKRACHTIGINGS-,
                                                TOETREDINGSINSTRUMENT
                                                OF STATENOPVOLGING (S)
  AFGHANISTAN
  ALBANIE
  ALGERIJE                                     11 juni 1996        S
  ANDORRA
  ARGENTINIE                                    1 december 1994
  ARMENIE
  AUSTRALIE                                     5 oktober 1994
  BAHAMA'S                                     28 juli 1995        P
  BAHREIN
  BANGLADESH
  BARBADOS                                     28 juli 1995        P
  BELGIE                                       13 november 1998
  BELIZE                                       21 oktober 1994     O
  BENIN                                        16 oktober 1997     S
  BHUTAN
  BOLIVIE                                      28 april 1995       S
  BOTSWANA
  BRAZILIE                  29 juli 1994
  BRUNEI DARUSSALAM                             5 november 1996    S
  BULGARIJE                 15 november 1994   15 mei 1996         T
  BURKINA FASO
  BURUNDI
  CAMBODJA
  CANADA
  CHILI                                        25 augustus 1997    T
  CHINA                                         7 juni 1996        S
  CONGO
  COOKEILANDEN                                 15 februari 1995    T
  CUBA 
  CYPRUS                    15 november 1994   27 juli 1995
  DEMOCRATISCHE                                 5 juni 1998        S
   VOLKSREPUBLIEK LAO
  DENEMARKEN                29 juli 1994
  DUITSLAND                                    14 oktober 1994
  EGYPTE
  EQUATORIAAL GUINEA                           21 juli 1997        S
  ERYTHREA
  ESTLAND
  ETHIOPIE



  STATEN                    ONDERTEKENING      VOORLOPIGE TOEPASSING
                                                KRACHTENS EEN KENNISGEVING,
                                                DE ONDERTEKENING VAN DE
                                                GOEDKEURING VAN HET AKKOORD
                                                OF DE TOETREDING TOT HET
                                                AKKOORD
  EUROPESE GEMEENSCHAPPEN   29 juli 1994       16 november 1994
  FIDJI                     29 juli 1994       16 november 1994
  FILIPIJNEN                15 november 1994   16 november 1994
  FINLAND                   29 juli 1994       16 november 1994
  FRANKRIJK                 29 juli 1994       16 november 1994
  GABON                      4 april 1995      16 november 1994
  GEORGIE
  GHANA                                        16 november 1994
  GRENADA                   14 november 1994   16 november 1994
  GRIEKENLAND               29 juli 1994       16 november 1994
  GUATEMALA
  GUINEE                    26 augustus 1994   16 november 1994
  GUYANA                                       16 november 1994
  HAITI
  HONDURAS                                     16 november 1994
  HONGARIJE                                    16 november 1994
  IERLAND                   29 juli 1994
  IJSLAND                   29 juli 1994       16 november 1994
  INDIA                     29 juli 1994       16 november 1994
  INDONESIE                 29 juli 1994       16 november 1994
  IRAN (Islamitische
   Republiek)
  IRAK                                         16 november 1994
  ITALIE                    29 juli 1994       16 november 1994
  IVOORKUST                 25 november 1994   16 november 1994
  JAMAICA                   29 juli 1994       16 november 1994
  JAPAN                     29 juli 1994       16 november 1994
  JOEGOSLAVIE               12 mei 1995
  JORDANIE
  KAAPVERDISCHE EILANDEN    29 juli 1994       16 november 1994
  KAMEROEN                  24 mei 1995        24 mei 1995
  KENYA                                        16 november 1994
  KOEWEIT                                      16 november 1994
  KOREA (Republiek)          7 november 1994   16 november 1994
  KROATIE
  LIBANON



  STATEN                    KENNISGEVING VAN   RATIFICATIE (R), FORMELE
                             DE                 BEVESTIGING (B),
                             " NIET-VOORLOPIGE  TOETREDING (T),
                             TOEPASSING "       ONDERTEKENING (O)
                             KRACHTENS          VEREENVOUDIGDE PROCEDURE (P)
                             ART 7 1) b)        OF DEELNEMING NA DE
                                                NEERLEGGING VAN EEN
                                                BEKRACHTIGINGS-,
                                                TOETREDINGSINSTRUMENT
                                                OF STATENOPVOLGING (S)
  EUROPESE GEMEENSCHAPPEN                       1 april 1998       B
  FIDJI                                        28 juli 1995
  FILIPIJNEN                                   23 juli 1997
  FINLAND                                      21 juni 1996
  FRANKRIJK                                     1 april 1996
  GABON                                        11 maart 1998       S
  GEORGIE                                      21 maart 1996       S
  GHANA
  GRENADA                                      28 juli 1995        P
  GRIEKENLAND                                  21 juli 1995
  GUATEMALA                                    11 februari 1997    S
  GUINEE                                       28 juli 1995        P
  GUYANA
  HAITI                                        31 juli 1996        S
  HONDURAS
  HONGARIJE
  IERLAND                   29 juli 1994       21 juni 1996
  IJSLAND                                      28 juli 1995        P
  INDIA                                        29 juni 1995
  INDONESIE
  IRAN (Islamitische         1 november 1994
   Republiek)
  IRAK 
  ITALIE                    19 juli 1994       13 januari 1995
  IVOORKUST                                    28 juli 1995        P
  JAMAICA                                      28 juli 1996        P
  JAPAN                                        20 juni 1996
  JOEGOSLAVIE                                  28 juli 1995        P
  J0RDANIE                  14 november 1994   27 november 1995    S
  KAAPVERDISCHE EILANDEN
  KAMEROEN                  15 november 1994
  KENYA                                        29 juli 1994        O
  KOEWEIT
  KOREA (Republiek)                            29 januari 1996
  KROATIE                                       5 april 1995       S
  LIBANON                                       5 januari 1995     S



  STATEN                    ONDERTEKENING      VOORLOPIGE TOEPASSING
                                                KRACHTENS EEN KENNISGEVING,
                                                DE ONDERTEKENING VAN DE
                                                GOEDKEURING VAN HET AKKOORD
                                                OF DE TOETREDING TOT HET
                                                AKKOORD
  LIECHTENSTEIN                                16 november 1994
  LIBISCH-ARABISCHE                            16 november 1994
   VOLKS-JAMAHIRIYAH
  LUXEMBURG                 29 juli 1994       16 november 1994
  MADAGASKAR                                   16 november 1994
  MALDIVEN                  10 oktober 1994    16 november 1994
  MALEISIE                   2 augustus 1994   16 november 1994
  MALTA                     29 juli 1994       16 november 1994
  MAROKKO                   19 oktober 1994
  MARSHALL-EILANDEN                            16 november 1994
  MAURITANIE                 2 augustus 1994   16 november 1994
  MAURITIUS                                    16 november 1994
  MEXICO
  MICRONESIA                10 augustus 1994   16 november 1994
   (Federale Staten van)
  MOLDAVIE (Rep.)                              16 november 1994
  MONACO                    30 november 1994   16 november 1994
  MONGOLIE                  17 augustus 1994   16 november 1994
  MOZAMBIQUE                                   16 november 1994
  MYANMAR                                      16 november 1994
  NAMIBIE                   29 juli 1994       16 november 1994
  NAURU
  NEDERLAND                 29 juli 1994       16 november 1994
  NEPAL                                        16 november 1994
  NIEUW-ZEELAND             29 juli 1994       16 november 1994
  NIGERIA                   25 oktober 1994    16 november 1994
  NOORWEGEN                                    16 november 1994
  OEKRAINE                  28 februari 1995   16 november 1994
  OMAN                                         16 november 1994
  OOSTENRIJK                29 juli 1994       16 november 1994
  PAKISTAN                  10 augustus 1994   16 november 1994
  PALAOS
  PANAMA
  PAPOEA-NIEUW-GUINEA                          16 november 1994
  PARAGUAY                  29 juli 1994       16 november 1994
  POLEN                     29 juli 1994       23 februari 1995
  PORTUGAL                  29 juli 1994
  QUATAR                                       16 november 1994



  STATEN                    KENNISGEVING VAN   RATIFICATIE (R), FORMELE
                             DE                 BEVESTIGING (B),
                             " NIET-VOORLOPIGE  TOETREDING (T),
                             TOEPASSING "       ONDERTEKENING (O)
                             KRACHTENS          VEREENVOUDIGDE PROCEDURE (P)
                             ART 7 1) b)        OF DEELNEMING NA DE
                                                NEERLEGGING VAN EEN
                                                BEKRACHTIGINGS-,
                                                TOETREDINGSINSTRUMENT
                                                OF STATENOPVOLGING (S)
  LIECHTENSTEIN
  LIBISCH-ARABISCHE
   VOLKS-JAMAHIRIYAH
  LUXEMBURG
  MADAGASKAR
  MALDIVEN
  MALEISIE                                     14 oktober 1996     S
  MALTA                                        26 juni 1996
  MAROKKO                   19 oktober 1994
  MARSHALL-EILANDEN
  MAURITANIE                                   17 juli 1996        S
  MAURITIUS                                     4 november 1994    S
  MEXICO                     2 november 1994
  MICRONESIA                                    6 september 1995
   (Federale Staten van)
  MOLDAVIE (Rep.)
  MONACO                                       20 maart 1996       S
  MONGOLIE                                     13 augustus 1996    S
  MOZAMBIQUE                                   13 maart 1997       T
  MYANMAR                                      21 mei 1996         T
  NAMIBIE                                      28 juli 1995        P
  NAURU                                        23 januari 1996     S
  NEDERLAND                                    28 juni 1996
  NEPAL                                         2 november 1998    S
  NIEUW-ZEELAND                                19 juli 1996
  NIGERIA                                      28 juli 1995        P
  NOORWEGEN                                    24 juni 1996        T
  OEKRAINE
  OMAN                                         26 februari 1997    T
  OOSTENRIJK                                   14 juli 1995
  PAKISTAN                                     26 februari 1997    S
  PALAOS                                       30 september 1996   S
  PANAMA                                        1 juli 1996        S
  PAPOEA-NIEUW-GUINEA                          14 januari 1997     S
  PARAGUAY                                     10 juli 1995
  POLEN                                        13 november 1998
  PORTUGAL                  29 juli 1994        3 november 1997
  QATAR



  STATEN                    ONDERTEKENING      VOORLOPIGE TOEPASSING
                                                KRACHTENS EEN KENNISGEVING,
                                                DE ONDERTEKENING VAN DE
                                                GOEDKEURING VAN HET AKKOORD
                                                OF DE TOETREDING TOT HET
                                                AKKOORD
  ROEMENIE
  RUSSISCHE FEDERATIE                          11 januari 1995
  SALOMONS-EILANDEN                             8 februari 1995
  SAOUDI-ARABIE
  SAMOA                      7 juli 1995       16 november 1994
  SENEGAL                    9 augustus 1994   16 november 1994
  SEYCHELLEN                29 juli 1994       16 november 1994
  SIERRA LEONE                                 16 november 1994
  SINGAPORE                                    16 november 1994
  SLOVAKIJE                 14 november 1994   16 november 1994
  SLOVENIE                  19 januari 1995    16 juni 1995
  SPANJE                    29 juli 1994
  SRI LANKA                 29 juli 1994       16 november 1994
  SUDAN                     29 juli 1994       16 november 1994
  SURINAME                                     16 november 1994
  SWAZILAND                 12 oktober 1994    16 november 1994
  TANZANIA                   7 oktober 1994    16 november 1994
   (Verenigde Republiek)
  TOGO                       3 augustus 1994   16 november 1994
  TONGA
  TRINIDAD EN TOBAGO        10 oktober 1994    16 november 1994
  TSJECHIE (Rep.)           16 november 1994   16 november 1994
  TUNESIE                   15 mei 1995        16 november 1994
  UGANDA                     9 augustus 1994   16 november 1994
  URUGUAY                   29 juli 1994
  VANUATU                   29 juli 1994       16 november 1994
  VIETNAM                                      16 november 1994
  VERENIGDE ARABISCHE                          16 november 1994
   EMIRATEN
  VERENIGD KONINKRIJK       29 juli 1994       16 november 1994
  VERENIGDE STATEN VAN      29 juli 1994       16 november 1994
   AMERIKA
  VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE                    16 november 1994
   REPUBLIEK MACEDONIE
  WIT RUSLAND                                  16 november 1994
  ZAMBIA                    13 oktober 1994    16 november 1994
  ZIMBABWE                  28 oktober 1994    16 november 1994
  ZUID-AFRIKA                3 oktober 1994    16 november 1994
  ZWEDEN                    29 juli 1994
  ZWITSERLAND               26 oktober 1994    16 november 1994



  STATEN                    KENNISGEVING VAN   RATIFICATIE (R), FORMELE
                             DE                 BEVESTIGING (B),
                             " NIET-VOORLOPIGE  TOETREDING (T),
                             TOEPASSING "       ONDERTEKENING (O)
                             KRACHTENS          VEREENVOUDIGDE PROCEDURE (P)
                             ART 7 1) b)        OF DEELNEMING NA DE
                                                NEERLEGGING VAN EEN
                                                BEKRACHTIGINGS-,
                                                TOETREDINGSINSTRUMENT
                                                OF STATENOPVOLGING (S)
  ROEMENIE                   4 oktober 1994    17 december 1996    T
  RUSSISCHE FEDERATIE                          12 maart 1997       T
  SALOMONS-EILANDEN                            23 juni 1997        S
  SAOUDI-ARABIE              9 november 1994   26 april 1996       S
  SAMOA                                        14 augustus 1995    S
  SENEGAL                                      25 juli 1995
  SEYCHELLEN                                   15 december 1994
  SIERRA LEONE                                 12 december 1994    S
  SINGAPORE                                    17 november 1994
  SLOVAKIJE                                     8 mei 1996
  SLOVENIE                  15 november 1994   16 juni 1995
  SPANJE                                       15 januari 1997
  SRI LANKA                                    28 juli 1995        P
  SUDAN
  SURINAME                                      9 juli 1998        S
  SWAZILAND
  TANZANIA                                     25 juni 1998
   (Verenigde Republiek)
  TOGO                                         28 juli 1995        P
  TONGA                                         2 augustus 1995    S
  TRINIDAD EN TOBAGO                           28 juli 1995        P
  TSJECHIE (Rep.)                              21 juni 1996
  TUNESIE
  UGANDA                                       28 juli 1995        S
  URUGUAY                   29 juli 1994
  VANUATU
  VIETNAM
  VERENIGDE ARABISCHE
   EMIRATEN
  VERENIGD KONINKRIJK                          25 juli 1997
  VERENIGDE STATEN VAN
   AMERIKA
  VOORMALIGE JOEGOSLAVISCHE                    19 augustus 1994    S
   REPUBLIEK MACEDONIE
  WIT RUSLAND
  ZAMBIA                                       28 juli 1995        P
  ZIMBABWE                                     28 juli 1995        P
  ZUID-AFRIKA                                  23 december 1997
  ZWEDEN                    29 juli 1994       25 juni 1996
  ZWITSERLAND


Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst,
   Zich ervan bewust dat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 (hierna te noemen " het Verdrag ") een belangrijke bijdrage heeft geleverd tot de handhaving van vrede, rechtvaardigheid en vooruitgang voor alle volkeren van de wereld;
   Opnieuw bevestigend dat de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (hierna te noemen " het Gebied ") alsmede de rijkdommen van het Gebied het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid zijn;
   Zich bewust van het belang van het Verdrag voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu en de groeiende bezorgdheid om het mondiale milieu;
   Na bestudering van het rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties waarin de resultaten zijn neergelegd van de informele besprekingen die tussen 1990 en 1994 tussen Staten werden gevoerd omtrent onbesliste punten betreffende Deel XI en de daarop betrekking hebbende Verdragsbepalingen (hierna te noemen " Deel XI ");
   Nota nemend van de politieke en economische veranderingen, met inbegrip van de marktgerichte benadering, die van invloed zijn op de tenuitvoerlegging van Deel XI;
   Wensende de wereldwijde toetreding tot het Verdrag te vergemakkelijken;
   Overwegende dat een Overeenkomst inzake de tenuitvoerlegging van Deel XI het best beantwoordt aan deze doelstelling;
   Zijn het volgende overeengekomen :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie