J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
30 JUNI 1994. - Kaderakkoord tot samenwerking tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten over de vertegenwoordiging van het Koninkrijk BelgiŽ bij de Internationale Organisaties waarvan de werkzaamheden betrekking hebben op gemengde bevoegdheden.

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN.VLAAMSE GEMEENSCHAP.FRANSE GEMEENSCHAP.DUITSTALIGE GEMEENSCHAP.WAALSE GEWEST.BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 19-11-1994 nummer :   1994021309 bladzijde : 28706
Dossiernummer : 1994-06-30/48
Inwerkingtreding : 29-11-1994

Inhoudstafel Tekst Begin
I. TOEPASSINGSGEBIED.
Art. 1
II. VERSPREIDING VAN DE INFORMATIE.
Art. 2-3
III. STRUCTUUR VAN DE PERMANENTE VERTEGENWOORDIGINGEN.
Art. 4
IV. INRICHTING VAN EEN BESTENDIGE OVERLEGSTRUCTUUR.
Art. 5-9
V. SAMENSTELLING VAN DE DELEGATIES.
Art. 10
VI. SLOTBEPALINGEN.
Art. 11-12
Bijlage.
Art. N1

Tekst Inhoudstafel Begin
I. TOEPASSINGSGEBIED.

  Artikel 1.
  1. Onderhaving kaderakkoord tot samenwerking is van toepassing op de Internationale Organisaties, waarvan de werkzaamheden betrekking hebben op de zogenaamde gemengde bevoegdheden en waarvan de lijst als bijlage gaat.
  2. De algemene regels van onderhavig samenwerkingsakkoord zijn van toepassing op sommige Internationale Organisaties waarvan de werkzaamheden betrekking hebben op exclusieve bevoegdheden van de Gemeenschappen of de Gewesten, voor zover afzonderlijke samenwerkingsakkoorden er als dusdanig over beschikken.
  3. Onderhavig kaderakkoord tot samenwerking belet niet dat specifieke samenwerkingsakkoorden of toepassingsprotocols worden afgesloten en toegepast indien de eigenheid van sommige Internationale Organisaties een meer gedetailleerde uitwerking vereist van de in onderhavig kaderakkoord opgestelde algemene regeling.
  4. Onderhavig kaderakkoord tot samenwerking heeft niet tot doel regelen vast te stellen betreffende de verplichte bijdragen aan de Internationale Organisaties zoals bedoeld in ß 1.

  II. VERSPREIDING VAN DE INFORMATIE.

  Art. 2. De federale overheid die de vertegenwoordiging van BelgiŽ bij een Internationale Organisatie verzekert, of zo mogelijk de Permanente Vertegenwoordiging, zorgt, in samenwerking met de andere federale, gemeenschaps- of gewestoverheden, voor de organisatie van een snelle en ruime verspreiding van de informatie onder alle betrokkenen. Deze informatie bevat, naast de uitnodiging op de vergaderingen met aanduiding van de datum, de dagorde en de desbetreffende documentatie, ook de basisdocumenten over de algemene activiteiten van de Internatinale Organisatie, over de uitvoering van de projecten of programma's of over andere diverse initiatieven die voor betrokkenen van belang zijn, onverminderd de in de Internatinale Organisaties geldende eigen regels inzake de bescherming van de documenten.

  Art. 3. De betrokken instanties van de Gemeenschappen en/of de Gewesten zullen aan voornoemde federale overheden te gepasten tijde hun bijzondere belangstelling kenbaar maken voor sommige aktiviteiten of voor sommige programma's in het algemeen van de betrokken Internationale Organisatie; alsook in het bijzonder, hun voornemen tot deelname aan specifieke vergaderingen. Zij zullen eveneens de naam van hun respectieve vertegenwoordigers, die naar die vergaderingen worden afgevaardigd, en hun voorstellen van standpunt of hun initiatieven in het algemeen, meedelen.

  III. STRUCTUUR VAN DE PERMANENTE VERTEGENWOORDIGINGEN.

  Art. 4. De Gemeenschappen en/of de Gewesten die dit wensen, kunnen in de schoot van de Permanente Vertegenwoordiging van BelgiŽ bij een Internationale Organisatie, een vertegenwoordiger doen opnemen, overeenkomstig de geldende afspraken met de fedeale Minister van Buitenlandse Zaken betreffende het statuut van de vertegenwoordigers van de Gemeenschappen en Gewesten in Belgische diplomatieke posten in het buitenland.
  Deze vertegenwoordiger ontvangt zijn instructies van zijn communautaire of gewestelijke overheden. Hij brengt de Permanente Vertegenwoordiger hiervan op de hoogte. Wat betreft de materies voorgelegd aan het in de artikelen 5, 6 en 7 voorziene overleg, kunnen enkel de in dit overleg vastgelegde standpunten in de Internationale Organisatie naar voor worden gebracht.

  IV. INRICHTING VAN EEN BESTENDIGE OVERLEGSTRUCTUUR.

  Art. 5.
  1. Met het oog op het bepalen van het Belgische standpunt, zowel in het algemeen als voor elk punt van de dagorde, wordt vůůr iedere ministeriŽle bijeenkomst van een Internationale Organisatie een algemeen overleg gehouden door toedoen van het federale Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat het voorzitterschap en het secretariaat van de bijeenkomsten waarneemt. Een dergelijk overleg kan indien nodig eveneens worden gehouden ter voorbereiding van een technische vergadering.
  2. Dit algemeen overleg heeft plaats op een systematische en horizontaal gestructureerde wijze.
  Te dien einde worden op alle overlegvergaderingen vertegenwoordigers uitgenodigd van de Eerste Minister, van de andere federale Ministers en van de Gemeenschaps- en Gewestministers, die zowel op inhoudelijk vlak als op het gebied van de buitenlandse betrekkingen bevoegd zijn.
  3. Van iedere overlegvergadering wordt een verslag opgesteld dat o.m. de namen van de deelnemers vermeldt.
  Het wordt ambtshalve aan de deelnemers, alsook aan de Voorzitter en de leden van de InterministeriŽle Conferentie " Buitenlands Beleid " overgemaakt.

  Art. 6. SectoriŽle of ad hoc overlegvergaderingen worden gehouden zonder afbreuk te doen aan het in artikel 5 voorziene algemene overleg, dat hierover moet worden ingelicht.
  Zij moeten het voormeld algemeen overleg vatten ingeval zich ofwel blokkeringen zouden voordoen die een verruiming van het debat vereisen, ofwel problemen zouden oprijzen waarin elementen zijn vervat die hetzij een ruimere dimensie hetzij een dimensie van politieke aard inhouden.

  Art. 7.
  1. In de schoot van de InterministeriŽle Conferentie " Buitenlands Beleid " wordt een ad hoc werkgroep " Vertegenwoordiging van het Koninkrijk BelgiŽ bij de Internationale Organisaties " opgericht, die voor de opvolging van hoger geoemde algemene coŲrdinatie zorgt en die op regelmatige tijdstippen samenkomt.
  2. In geval van aanhoudend meningsverschil binnen het algemene overleg dat in de schoot van het federale Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt georganiseerd, wordt de hoger genoemde werkgroep gevat. Deze debatteert over het probleem en zendt het, in geval van akkoord, terug naar het algemene overleg.
  3. In geval van aanhoudende blokkering maakt de Voorzitter van de ad hoc werkgroep " Vertegenwoordiging van het Koninkrijk BelgiŽ bij de Internationale Organisaties " de zaak zo vlug mogelijk aanhangig bij de Voorzitter van de InterministeriŽle Conferentie " Buitenlands Beleid ", die dit punt inschrijft op de dagorde van de eerstvolgende InterministeriŽle Conferentie of van een ad hoc vergadering.

  Art. 8. Zodra binnen het algemene overleg georganiseerd in de schoot van het federale Ministerie van Buitenlandse Zaken of eventueel, krachtens artikel 7, in het raam van de InterministeriŽle Conferentie " Buitenlands Beleid ", een Belgisch standpunt wordt vastgelegd, zendt de federale Minister van Buitenlandse Zaken in die zin opgestelde richtlijnen naar de Permanente Vertegenwoordiging bij de betrokken Internationale Organisatie, en stuurt afschriften ervan naar de betrokken federale, Gemeenschaps- of Gewestministers en naar de betrokken federale, Communautaire of Gewestelijke Departementen.

  Art. 9.
  1. Indien tijdens een zitting het Belgische standpunt, dat overeenkomstig de procedures van onderhavig akkoord werd bepaald, hoogdringend moet worden aangepast ten einde volwaardig te kunnen deelnemen aan de besluitvorming, neemt de Voorzitter van de Belgische delegatie hiertoe de nodige contacten met de betrokken Belgische partijen, en bepaalt een nieuw standpunt.
  2. Bij gebrek aan tijd of bij ontstentenis van akkoord om dit nieuwe standpunt te bepalen, treedt de Voorzitter van de Belgische delegatie " ad referendum " het standpunt bij dat het best de algemene belangen behartigt. Zodrag mogelijk zal, na interne regeling van het probleem en binnen de termijnen en de modaliteiten eigen aan iedere Internationale Organisatie, het definitieve Belgische standpunt worden betekend.
  3. Indien, als gevolg van de in de betrokken Internationale Organisatie geldende regels, of van aanhoudend menigsverschil na overleg, deze procedure niet mogelijk is, kan de Voorzitter van de Belgische delegatie zich uitzonderlijkerwijze onthouden.

  V. SAMENSTELLING VAN DE DELEGATIES.

  Art. 10. Het algemene overleg heeft eveneens betrekking op het bepalen van de samenstelling van de Belgische delegatie. Volgend op de in artikel 3 voorziene notificatie, zal de samenstelling van de Belgische delegatie gebeuren op basis van volgende principes :
  - elke overheid betrokken bij de behandelde materies kan vertegenwoordigd worden in de Belgische delegatie, zowel op technisch als op het ministerieel vlak;
  - voor wat de technische vergaderingen betreft, wordt de Belgische delegatie voorgezeten door de Permanente Vertegenwoordiger of, door de persoon bij consensus aangeduid na voorafgaand overleg, in functie van de overheid die er hoofdzakelijk bij betrokken is;
  - de regelmatige ministeriŽle vergaderingen worden, in functie van de overheid die er hoofdzakelijk bij betrokken is, voorgezeten namens BelgiŽ door hetzij de bevoegde federale Minister, hetzij de Minister van een Gemeenschap of Gewest, indien mogelijk in toepassing van een rotatiesysteem dat vooraf in gemeen overleg tussen de betrokken Gemeenschappen en/of Gewesten werd overeengekomen;
  - de ad-hoc ministeriŽle bijeenkomsten worden in functie van de overheid die er hoofdzakelijk bij betrokken is, namens BelgiŽ voorgezeten door de Minister bij consensus aangeduid in de schoot van het voorafgaandelijk overleg;
  - in geval van stemming wordt de stem uitgebracht door het hoofd van de delegatie, rekening houdend met de besluiten van het voorafgaandelijk overleg, of in overeenstemming met de procedures bepaald in artikel 9.

  VI. SLOTBEPALINGEN.

  Art. 11. Onderhavig kaderakkoord tot samenwerking wordt voor onbepaalde duur afgesloten.

  Art. 12. De bepalingen in onderhavig kaderakkoord tot samenwerking kunnen op verzoek van iedere ondertekenende partij worden herzien.
  Een verzoek tot herziening wordt binnen de drie maanden onderzocht in de InterministeriŽle Conferentie " Buitenlands Beleid ".
  Gedaan te Brussel, op 30 juni 1994, in ťťn origineel in de Nederlandse, Franse en Duitse taal.
  Voor de Federale Regering :
  De Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken,
  W. CLAES
  Voor de Waalse Regering :
  Le Minister-Prťsident du Gouvernement wallon, chargť de l'Economie, des PME, des Relations extťrieures et du Tourisme,
  R. COLLIGNON
  Voor de Vlaamse Regering :
  De Minister-President en Vlaamse Minister van Economie, KMO, Wetenschapsbeleid, Energie en Externe Betrekkingen,
  L. VAN DEN BRANDE
  Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
  Der Minister-Pr›sident und Minister fŁr Finanzien, Gesundheit und Familie, Sport und Tourismus,
  J. MARAITE
  Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
  De Minister van FinanciŽn, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
  J. CHABERT
  Voor de Regering van de Franse Gemeenschap :
  La Ministre-Prťsidente du Gouvernement de la Communautť francaise,
  Mme L. ONKELINX
  Le Ministre de l'Enseignement supťrieur, de la Recherche scientifique, de l'Aide ŗ la Jeunesse et des Relations internationales,
  M. LEBRUN

  Bijlage.

  Art. N1. Bijlage 1. - Lijst van de Internationale Organisaties waarvan de werkzaamheden betrekking hebben op de zogenaamde gemengde bevoegdheden en waarop het kaderakkoord tot samenwerking betreffende de vertegenwoordiging van he Koninkrijk BelgiŽ bij de Internationale Organisaties van toepassing is.
  1. BENELUX.
  2. RAAD VAN EUROPA.
  3. OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).
  4. VN (Organisatie van de Verenigde Naties), met inbegrip van :
  PNUE (VN-Programma voor Leefmilieu).
  UNICEF (VN-Fonds voor Kinderen).
  PNUCID (VN-Programma voor Internationale Drugscontrole).
  FNUAP/UNPF (VN-Volkerenfonds).
  UNITAR (VN-Instituut voor Vorming en Onderzoek).
  ECOSOC (Economische en Sociale Raad van de VN).
  ECE (Economische Commissie voor Europa).
  5. IAO (Internationale Arbeidsorganisatie).
  6. UNCTAD (VN-Conferentie over Handel en Ontwikkeling).
  7. ONUDI (VN-Organisatie voor IndustriŽle Ontwikkeling).
  8. UNESCO (VN-Organisatie voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur).
  9. OMPI (Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom).
  10. OMT (Wereldorganisatie voor het Toerisme).
  11. FAO (Voedsel en Landbouworganisatie).
  12. WHO (Wereld Gezondheidsorganisatie).
  13. GATT (Algemeen akkoord inzake Handel en Tarieven).
  14. IOM (Internationale Organisatie voor Migranten).
  15. IHO (Internationale Hydrografische Organisatie).

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   TOELICHTING.
   1. Artikel 3 van de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten, dat artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 mei 1980 tot hervorming der instellingen wijzigt, voorziet in hoofde van de federale overheid, de Gemeenschapen en de Gewesten de verplichting om elk wat hen betreft, in ieder geval ťťn of meerdere samenwerkingsakkoorden te sluiten over de vertegenwoordiging van BelgiŽ bij de internationale en supranationale organisaties, de procedure i.v.m. de standpuntbepaling en de bij gebreke van concensus aan te nemen houding in deze organisaties.
   Anderzijds voorziet artikel 3 van de bijzondere wet eveneens dat, in afwachting van dit samenwerkingsakkoord of die samenwerkingsakkoorden, overleg gepleegd tussen de nationale overheid en de betrokken executieven, voor de voorbereiding van de onderhandelingen en de beslissingen, evenals voor het opvolgen van de werkzaamheden van de internationale en supranationale organisaties die betrekking hebben op de tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen of de Gewesten behorende aangelegenheden.
   2. Een dergelijk ontwerp van samenwerkingsakkoord werd in 1993 voorbereid door de werkgroep " Vertegenwoordiging van het Koninkrijk BelgiŽ bij de Internationale Organisaties ". Deze werkgroep werd ingesteld in het kader van de InterministeriŽle Conferentie " Buitenlands Beleid " van 25 januari 1993.
   Dit ontwerp van kaderakkoord tot samenwerking omvat vijf hoofdstukken, gewijd aan het toepassingsgebied, de verspreiding van de informatie, de structuur van de Permanente Vertegenwoordigingen, de inrichting van een bestendige overlegstructuur en de samenstelling van de delegaties.
   3. Toepassingsgebied.
   Overeenkomstig artikel 1 is het kaderakkoord tot samenwerking in principe slechts van toepassing op de Internationale Organisaties waarvan de werkzaamheden betrekking hebben op zogenaamde gemengde bevoegdheden, d.w.z. die niet uitsluitend betrekking hebben op aangelegenheden die door of krachtens de Grondwet tot de bevoegdheid behoren van de Gemeenschappen, de Gewesten of de federale Staat, tenzij afzonderlijke samenwerkingsakkoorden er anders over beschikken.
   Een afzonderlijk samenwerkingsakkoord met betrekking tot de Europese Unie werd afgesloten op 8 maart 1994.
   Een lijst van de betrokken Organisaties is bijgevoegd bij het Akkoord. Er wordt niettemin voorzien dat de Organisaties, waarvan de werkzaamheden behoren tot de exclusieve bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten, het voorwerp kunnen uitmaken van gelijkaardige bepalingen, maar enkel indien afzonderlijke samenwerkingsakkoorden er als dusdanig over beschikken.
   Anderzijds sluit het kaderakkoord tot samenwerking niet uit dat specifieke samenwerkingsakkoorden of toepassingsprotocollen worden afgesloten of toegepast in de gevallen waa een sectoriŽle benadering noodzakelijk is, of om rekening te houden met de e
igenheid van sommige Internationale Organisaties.
   Artikel 1 beoogt eigenlijk in deze gevallen een meer gedetailleerde uitwerking toe te laten van de bepalingen van het kaderakkoord, zonder dat deze evenwel in vraag worden gesteld en voor zover een coherente globale benadering behouden blijft, zowel op principeel vlak als op het vlak van de toepassing.
   Ten slotte beoogt onderhavig kaderakkoord tot samenwerking niet de regelen vast te stellen betreffende de verplichte bijdrage aan de betrokken Internationale Organisaties.
   4. Verspreiding van de informatie.
   In de artikelen 2 en 3 werd het principe weerhouden van een ruime en snelle verspreiding tussen alle partijen van de informatie over de betrokken Internationale Organisaties. Het betreft relevante informatie waarover zowel de federale overheid als de overheden van de Gemeenschappen en de Gewesten beschikken.
   5. Structuur van de Permanente Vertegenwoordigingen.
   Artikel 4 van het kaderakkoord tot samenwerking bevestigt de mogelijkheid voor de Gemeenschappen en de Gewesten om bij de Permanente Vertegenwoordigingen bij het Internationale Organisaties een vertegenwoordiger te benoemen volgens de modaliteiten van de terzake geldende afspraken. Onverminderd de noodzakelijke inachtneming van de in onderhavig kaderakkoord vastgelegde overlegprocedures, heeft artikel 4 niet tot doel de werking van de gemeenschaps- en gewestvertegenwoordigers in de Belgische diplomatieke posten in het buitenland te regelen, daar deze aangelegenheid het voorwerp uitmaakt van afzondelijke protocollen met de federale Minister van Buitenlandse Zaken. Dergelijke protocollen, die het statuut van de vertegenwoordigers van de Gemeenschappen en de Gewesten in het buitenland betreffen, werden afgesloten op 25 juli 1988 met de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest, op 9 januari 1990 met de Vlaamse Gemeenschap, op 24 oktober 1991 met de Duitstalige Gemeenschap en op 20 januari 1994 met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en zijn van toepassing.
   6. Inrichting van een bestendige overlegstructuur.
   De artikelen 5 tot 9 organiseren zowel horizontale als verticale overlegstructuren.
   Het komt het federale Ministerie van Buitenlandse Zaken toe, systematisch een algemeen overleg te organiseren. In geval van blijvend meningsveschil binnen dit overleg, wordt een in de schoot van de InterministeriŽle Conferentie " Buitenlands Beleid " (ICBB) opgerichte ad hoc werkgroep gevat. In geval vn blijvende blokkage kan deze laatste op zijn beurt de Voorzitter van de ICBB vatten, die het probleem overeenkomstig eigen procedures inzake verder overleg of eventuele beroepsinstantie behandelt.
   Artikel 6 verduidelijkt dat voormeld algemeen overleg het sectorieel of ad hoc overleg, b.v. de InterministeriŽle Conferentie Wetenschapsbeleid (ICWB), de InterministeriŽle Conferentie Leefmilieu (ICL) en de InterministeriŽle Economische Commissie (IEC), niet uitsluit.
   Het heeft tot doel het verb
and tussen dit sectorieel overleg en onderhavig kaderakkoord tot samenwerking nader te omschrijven door te voorzien in :
   - het inlichten van het algemeen overleg over de activiteiten van het sectorieel overleg;
   - het vatten van het algemeen overleg in geval van blijvende problemen met een meer algemene of politieke dimensie.
   De verschillende bestaande overlegstructuren zullen door de Voorzitter van de ICBB worden ingelicht over deze bepaling.
   Het kaderakkoord beoogt in deze gevallen de gepaste overlegprocedures toe te passen. Deze nemen de vorm aan van informatie van het algemeen overleg of van het vatten van deze laatste in geval van blijvende blokkage of van blijvende problemen met een meer algemene of politieke dimensie.
   Artikel 8 bepaalt dat de Belgische standpunten die in voormeld algemeen overleg werden vastgelegd, worden meegedeeld aan de betrokken Permanente Vertegenwoordigingen.
   Ten einde de standpunten die aldus werden vastgelegd tijdens de zitting te kunnen aanpassen aan het verloop van de onderhandelingen, worden in artikel 9 kontakt- en instemmingsprocedures ad referendum voorzien.
   De onthouding moet een uitzondering blijven. Zij mag slechts in sommige gevallen gebruikt worden, temeer zij dikwijls negatieve gevolgen meebrengt voor de Belgische partijen. Deze moeten er dan ook toe worden aangezet, om eerder een akkoord na te streven over een gemeenschappelijk standpunt.
   7. Samenstelling van de delegaties.
   Iedere betrokken overheid is vertegenwoordigd in de delegaties. Zij worden voorgezeten door een persoon die daartoe, na overleg, is aangeduid in functie van de overheid die er hoofdzakelijk bij betrokken is en de aard van de vergadering en de vraag.
   Artikel 10 bepaalt een zeker aantal regels in functie van voormelde principes.
   Gelet op de artikelen 1, 2, 3, 33, 34, 35, 39 en 167, alsmede op Hoofdstuk IV, Afdelingen I en II van de Grondwet;
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd door de bijzondere wet van 8 augustus 1988, de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten en de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, inzonderheid de artikelen 4, 5, 6, 6bis en 92bis, ß 1 en 4bis;
   Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, gewijzigd door de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten en de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, inzonderheid de artikelen 4, 42, 60 en 63;
   Gelet op artikel 31bis van de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen en gewijzigd
door de wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten;
   Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd door de wet van 18 juli 1990 en de wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten, inzonderheid de artikelen 4, 6, 55bis;
   Overwegende dat er in de interne rechtsorde regels dienen bepaald die een adequate vertegenwoordiging van het Koninkrijk BelgiŽ en van zijn deelgebieden bij de Internationale Organisaties mogelijk maken, en die hun deelname aan de werkzaamheden van voornoemde Internationale Organisaties organiseren;
   De Federale Regering,
   De Waalse Regering,
   De Vlaamse Regering,
   De Regering van de Duitstalige Gemeenschap,
   De Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en
   De Regering van de Franse Gemeenschap,
   zijn overeengekomen wat volgt :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie