J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 137 uitvoeringbesluiten 13 gearchiveerde versies
Errata Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State

Titel
30 JUNI 1994. - Wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten.
(NOTA : art. 22, 4° en 5°, 46, 4°, 55, 56, 58, 59, 61 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij <W 2005-05-22/33 ; 005; 006; Inwerkingtreding : onbepaald>).
(NOTA : art. 22, § 1, ook gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij <W 2006-12-04/38, art. 7, 007; Inwerkingtreding : onbepaald>)
(NOTA : art. 22, § 1, 4°bis ook gewijzigd met uitwerking op een onbepaalde datum. <W 2009-05-06/03, art. 133; Inwerkingtreding : onbepaald>)
(NOTA : art. 22, §1, 4bis, nog gewijzigd met uitwerking op een onbepaalde datum bij W 2009-12-30/01, art. 169)
(NOTA : art. 61, L3, gewijzigd met uitwerking op een onbepaalde datum bij W 2009-12-10/21, art. 6, 014; de artikelen 65ter,65quater,66sexies,68quater,76bis, 78ter ingevoegd met uitwerking op een onbepaalde datum bij W 2009-12-10/21; evenals de invoeging van art. 78bis, waarvan §1, 2°, 3°, 6° en 7°, §3 en §4 uitwerking hebben op een onbepaalde datum; evenals de vervanging van art. 67, waarvan §1 tot §3 uitwerking hebben op een onbepaalde datum)
(NOTA : art. 22 ; 46 ; 55 ; 56 ; 57 ; 58 ; 59 en 61 gewijzigd met uitwerking op een onbepaalde datum bij W 2012-12-31/01, art. 5 tot 13; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-04-1995 en tekstbijwerking tot 23-12-2009) Zie wijziging(en)

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 27-07-1994 nummer :   1994009586 bladzijde : 19297
Dossiernummer : 1994-06-30/35
Inwerkingtreding : 01-08-1994

Inhoudstafel Tekst Begin

HOOFDSTUK I. - Auteursrecht.
Afdeling 1. - Auteursrecht in het algemeen.
Art. 1-7
Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen betreffende de werken van letterkunde.
Art. 8
Afdeling 3. - (Bijzondere bepalingen betreffende de werken van grafische of beeldende kunst.) <W 2006-12-04/38, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art. 9-13
Afdeling 4. - Bijzondere bepalingen betreffende de audiovisuele werken.
Art. 14-20
Afdeling 4bis. - Bijzondere bepalingen betreffende databanken. <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
Art. 20bis, 20ter, 20quater
Afdeling 5. - Uitzonderingen op de vermogensrechten van de auteur.
Art. 21-22, 22bis, 23, 23bis
Afdeling 6. - Gemeenschappelijke bepaling betreffende de geluidswerken en audiovisuele werken.
Art. 24
Afdeling 7. - Het uitgavecontract.
Art. 25-30
Afdeling 8. - Het opvoeringscontract.
Art. 31-32
HOOFDSTUK II. - Naburige rechten.
Afdeling 1. - Algemene bepaling.
Art. 33
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de uitvoerende kunstenaars.
Art. 34-38
Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de producenten van fonogrammen en van de eerste vastleggingen van films.
Art. 39
Afdeling 4. - Bepaling betreffende de verhuring van fonogrammen en van de eerste vastleggingen van films.
Art. 40
Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de uitvoerende kunstenaars en de producenten.
Art. 41-43
Afdeling 6. - Bepalingen betreffende de omroeporganisaties.
Art. 44-45
Afdeling 7. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de afdelingen 1 tot 6.
Art. 46-47, 47bis
HOOFDSTUK III. - Mededeling aan het publiek per satelliet en doorgifte per kabel.
Afdeling 1. - Mededeling aan het publiek per satelliet.
Art. 48-50
Afdeling 2. - Doorgifte via kabel.
Art. 51-54
HOOFDSTUK IV. - (Het kopiëren voor eigen gebruik van werken en prestaties.) <W 2OO5-05-22/33, art. 13, 006 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
Art. 55, 55bis, 56-58
HOOFDSTUK V. - (De reproductie voor privé-gebruik of ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek) van werken die op grafische of soortgelijke wijze zijn vastgelegd. <W 1998-08-31/41, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
Art. 59-60, 60bis, 61
HOOFDSTUK Vbis. - <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> De reproductie en/of de mededeling van werken of prestaties ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek.
Art. 61bis, 61ter, 61quater
HOOFDSTUK VI. - Bepalingen inzake openbare uitlening.
Art. 62-64
HOOFDSTUK VII. - Vennootschappen voor het beheer van de rechten.
Art. 65, 65bis, 65ter, 65quater, 65quinquies, 65sexies, 66, 66bis, 66ter, 66quater, 66quinquies, 66sexies, 67, 67bis, 68, 68bis, 68ter, 68quater, 69, 69bis, 70-75, 75bis, 76, 76bis, 76ter, 77, 77bis, 77ter, 77quater, 77quinquies, 78, 78bis, 78ter
HOOFDSTUK VIII. - Algemene bepalingen.
Afdeling 1. - Toepassingsgebied.
Art. 79
Afdeling 1bis. - Rechtsbescherming van technische voorzieningen en informatie betreffende het beheer van rechten. <ingevoegd bij W 2OO5-05-22/33, art. 25 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
Art. 79bis, 79ter
Afdeling 2. - Strafbepalingen.
Art. 80-86
Afdeling 3. - Burgerlijke rechtsvordering ter zake van auteursrecht.
Art. 86bis, 86ter, 87
Afdeling 3bis. - Vorderingen betreffende de toepassing van technische voorzieningen. <ingevoegd bij W 2005-05-22/33, art. 29 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
Art. 87bis
Afdeling 4. - Overgangsbepalingen.
Art. 88
Afdeling 5. - Opheffingsbepalingen.
Art. 89-90
Afdeling 6. - Wijzigingsbepalingen.
Art. 91
Afdeling 7. - Inwerkingtreding.
Art. 92

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Auteursrecht.

  Afdeling 1. - Auteursrecht in het algemeen.

  Artikel 1. § 1. Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook (, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk) te reproduceren of te laten reproduceren. <W 2005-05-22/33, art. 2, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  Dat recht omvat onder meer het exclusieve recht om toestemming te geven (tot het bewerken of het vertalen van het werk). (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  Dat recht omvat ook het exclusieve recht om toestemming te geven tot het verhuren of het uitlenen van het werk.
  Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het werk volgens (ongeacht) welk procédé (, met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn,) aan het publiek mede te delen. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5) <W 2005-05-22/33, art. 2, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  (Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht de distributie van het origineel van het werk of van kopieën ervan aan het publiek, door verkoop of anderszins, toe te staan.
  De eerste verkoop of andere eigendomsoverdracht in de Europese Gemeenschap van het origineel of een kopie van een werk van letterkunde of kunst door de auteur of met diens toestemming leidt tot uitputting van het distributierecht van dat origineel of die kopie in de Europese Gemeenschap.) <W 2005-05-22/33, art. 2, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  § 2. De auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft op dat werk een onvervreemdbaar moreel recht.
  De globale afstand van de toekomstige uitoefening van dat recht is nietig.
  Het omvat ook het recht om het werk bekend te maken.
  Niet bekendgemaakte werken zijn niet vatbaar voor beslag.
  De auteur heeft het recht om het vaderschap van het werk op te eisen of te weigeren.
  Hij heeft recht op eerbied voor zijn werk en dat maakt het hem mogelijk zich te verzetten tegen elke wijziging ervan.
  Niettegenstaande enige afstand, behoudt hij het recht om zich te verzetten (tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dit werk dan wel tegen enige andere aantasting van het werk, die zijn eer of zijn reputatie kunnen schaden). (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  Art. 2. § 1. Na het overlijden van de auteur blijft het auteursrecht gedurende zeventig jaar bestaan ten voordele van de persoon die hij daartoe heeft aangewezen of, indien dat niet is gebeurd, ten voordele van zijn erfgenamen, overeenkomstig artikel 7.
  § 2. Onverminderd het tweede lid van deze paragraaf, wanneer een werk door twee of meer personen samen is gemaakt, genieten al hun rechtverkrijgenden het auteursrecht tot zeventig jaar na de dood van de langstlevende der auteurs.
  De beschermingstermijn van een audiovisueel werk verstrijkt zeventig jaar na de dood van de langstlevende van de volgende personen : de hoofdregisseur, de scenarioschrijver, de (tekstschrijver) en de auteur van muziekwerken met of zonder woorden die speciaal voor het werk zijn gemaakt. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  § 3. Voor anonieme of pseudonieme werken bedraagt de duur van de rechten van de auteur zeventig jaar vanaf het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.
  Indien evenwel het door de auteur aangenomen pseudoniem geen enkele twijfel over zijn identiteit laat of de auteur zijn identiteit tijdens de in het eerste lid vermelde termijn kenbaar maakt, geldt de in § 1, vastgestelde beschermingstermijn.
  (Voor anonieme of pseudonieme werken die niet binnen zeventig jaar na hun totstandkoming op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt, vervalt de bescherming bij de uitputting van die termijn.) <W 1995-04-03/41, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 09-05-1995>
  § 4. Voor werken die in verschillende banden, delen, nummers of afleveringen gepubliceerd zijn en waarvan de termijn van zeventig jaar ingaat op het tijdstip waarop het werk voor het publiek toegankelijk is gemaakt, loopt de beschermingstermijn voor elk onderdeel afzonderlijk.
  § 5. De beschermingstermijn van foto's die oorspronkelijk zijn, in de zin dat zij een eigen intellectuele schepping van de auteur zijn, wordt (vastgesteld) overeenkomstig de voorgaande paragrafen. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  § 6. Een ieder die na het verstrijken van de auteursrechtelijke bescherming een niet eerder gepubliceerd werk voor het eerst op geoorloofde wijze publiceert of op geoorloofde wijze aan het publiek meedeelt, geniet een bescherming die gelijkwaardig is (met die van de vermogensrechten) van de auteur. De beschermingstermijn van deze rechten bedraagt vijfentwintig jaar vanaf het tijdstip waarop het werk voor het eerst op geoorloofde wijze gepubliceerd of op geoorloofde wijze aan het publiek meegedeeld is. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  § 7. De in dit artikel gestelde termijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat (de rechten) doet ontstaan. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  Art. 3. § 1. De vermogensrechten zijn roerende rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor gehele of gedeeltelijke overdracht, volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Zij kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie worden ondergebracht.
  Ten aanzien van de auteur worden alle contracten schriftelijk bewezen.
  De contractuele bedingen met betrekking tot het auteursrecht en de exploitatiewijzen ervan moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De overdracht van het voorwerp dat een werk omvat, (leidt niet tot het recht om het werk te exploiteren); met het oog op de uitoefening van zijn vermogensrechten moet de auteur op een redelijke manier toegang tot zijn werk behouden. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  Voor elke exploitatiewijze moeten de vergoeding voor de auteur, de reikwijdte en de duur van de overdracht uitdrukkelijk worden bepaald.
  De verkrijger van het recht moet het werk overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken exploiteren.
  De overdracht van de rechten betreffende nog onbekende exploitatienormen is nietig, niettegenstaande enige daarmee strijdige bepaling.
  § 2. De overdracht van de vermogensrechten betreffende toekomstige werken geldt slechts voor een beperkte tijd en voor zover het genre van de werken waarop de overdracht betrekking heeft, bepaald is.
  § 3. Wanneer een auteur werken tot stand brengt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de creatie van het werk binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt.
  Wanneer een auteur werken tot stand brengt ter uitvoering van een bestelling, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan degene die de bestelling heeft geplaatst voor zover deze laatste een activiteit uitoefent in de niet-culturele sector of in de reclamewereld, voor zover het werk bestemd is voor die activiteit en uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien.
  In die gevallen zijn § 1, vierde tot zesde lid, en § 2 niet van toepassing.
  Het beding waarbij aan de verkrijger van een auteursrecht het recht wordt toegekend om het werk te exploiteren in een vorm die onbekend is op de datum van de arbeidsovereenkomst of van de aanwerving onder statuut, moet uitdrukkelijk zijn en bepalen dat daaraan een aandeel gekoppeld is in de door die exploitatie gemaakte winst.
  De strekking van die overdracht en de wijze waarop ze plaatsvindt, kunnen bij collectieve overeenkomst worden bepaald.

  Art. 4. Wanneer het auteursrecht onverdeeld is, wordt de uitoefening ervan bij overeenkomst geregeld. Bij gebreke van een overeenkomst mag geen van de auteurs het recht afzonderlijk uitoefenen, behoudens rechterlijke beslissing in geval van onenigheid.
  Iedere auteur blijft echter vrij om, in zijn naam en zonder tussenkomst van de andere (auteurs), wegens inbreuk op het auteursrecht een rechtsvordering in te stellen en voor zijn deel schadevergoeding te eisen. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  De rechter kan te allen tijde de machtiging tot publikatie van het werk afhankelijk stellen van de maatregelen die hij nuttig acht; hij kan, op verzoek van de auteur die zich tegen de publikatie verzet, beslissen dat deze niet zal delen in de kosten en baten van de exploitatie of dat zijn naam niet op het werk zal voorkomen.

  Art. 5. Wanneer een werk door twee of meer personen samen is gemaakt, waarbij duidelijk kan worden opgemaakt welke de individuele bijdrage van ieder der auteurs is, mogen de auteurs behoudens andersluidende bepaling in het kader van dit werk met niemand anders samenwerken.
  Zij hebben evenwel het recht om hun bijdrage afzonderlijk te exploiteren, voor zover deze exploitatie het gemeenschappelijke werk niet in het gedrang brengt.

  Art. 6. De oorspronkelijke (auteursrechthebbende) is de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  (Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als auteur aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op het werk, op een reproductie van het werk, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.) <W 2007-05-09/30, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 10-05-2007>
  De uitgever van een anoniem werk of van een werk onder pseudoniem wordt ten aanzien van derden geacht de auteur daarvan te zijn.

  Art. 7. Na het overlijden van de auteur worden de rechten bedoeld in artikel 1, § 1, tijdens de duur van de bescherming van het auteursrecht, uitgeoefend door zijn erfgenamen of legatarissen, tenzij de auteur (ze aan een bepaald persoon heeft toegekend, met inachtneming van het wettelijk voorbehouden erfdeel dat aan de erfgenamen toekomt.) (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  De rechten, bedoeld in artikel 1, § 2, worden na het overlijden van de auteur, uitgeoefend door zijn erfgenamen of legatarissen, tenzij hij daartoe een welbepaald persoon heeft aangewezen.
  Bij onenigheid geldt de regeling van artikel 4.

  Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen betreffende de werken van letterkunde.

  Art. 8. § 1. Onder werken van letterkunde wordt verstaan de geschriften van welke aard ook, alsmede lessen, voordrachten, redevoeringen, preken of andere mondelinge uitingen van de gedachte.
  Redevoeringen uitgesproken in vergaderingen van vertegenwoordigende lichamen, in openbare terechtzittingen van rechtscolleges of in politieke bijeenkomsten mogen evenwel vrijelijk worden gereproduceerd en aan het publiek medegedeeld; alleen de auteur heeft echter het recht om ze afzonderlijk uit te geven.
  § 2. Er bestaat geen auteursrecht op officiële akten van de overheid.

  Afdeling 3. - (Bijzondere bepalingen betreffende de werken van grafische of beeldende kunst.) <W 2006-12-04/38, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2007>

  Art. 9. Tenzij anders is overeengekomen, wordt bij de overdracht van een werk van (grafische of) beeldende kunst aan de verkrijger het recht overgedragen het werk als dusdanig tentoon te stellen, in omstandigheden die geen afbreuk doen aan de eer of de faam van de auteur; de andere auteursrechten worden echter niet overgedragen. <W 2006-12-04/38, art. 3, 1°, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  Tenzij anders is overeengekomen of tenzij andere gebruiken heersen, heeft de overdracht van een werk van (grafische of) beeldende kunst het verbod tot gevolg om er andere identieke exemplaren van te maken. <W 2006-12-04/38, art. 3, 2°, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2007>

  Art. 10. De auteur of de eigenaar van een portret dan wel enige andere persoon die een portret bezit of voorhanden heeft, heeft niet het recht het te reproduceren of aan het publiek mede te delen zonder toestemming van de geportretteerde of, gedurende twintig jaar na diens overlijden, zonder toestemming van zijn rechtverkrijgenden.

  Art. 11. <W 2006-12-04/38, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2007> § 1. Bij elke doorverkoop van een oorspronkelijk kunstwerk waarbij actoren uit de professionele kunsthandel betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon, na de eerste overdracht door de auteur, is door de verkoper aan de auteur een onvervreemdbaar, op de doorverkoopprijs berekend volgrecht verschuldigd, waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet op voorhand.
  Onder " oorspronkelijk kunstwerk " wordt verstaan, een werk van grafische of beeldende kunst, zoals afbeeldingen, collages, schilderingen, tekeningen, gravures, prenten, lithografieën, beeldhouwwerk, tapisserieën, keramische werken, glaswerk en foto's, voorzover dit werk een schepping is van de kunstenaar zelf, of het gaat om een exemplaar dat als oorspronkelijk kunstwerk wordt aangemerkt.
  Kopieën van kunstwerken die onder deze afdeling vallen en die door de kunstenaar zelf of in zijn opdracht in beperkte oplage zijn vervaardigd, worden als oorspronkelijk kunstwerk in de zin van deze afdeling beschouwd. Dergelijke kopieën zijn in de regel genummerd, gesigneerd of door de kunstenaar op andere wijze als authentiek gemerkt.
  § 2. Het volgrecht is evenwel niet van toepassing op een doorverkoop waarbij de verkoper het werk minder dan drie jaar voor de doorverkoop rechtstreeks heeft verkregen van de kunstenaar en de doorverkoopprijs maximaal 10.000 EUR bedraagt. De bewijslast dat aan deze voorwaarden is voldaan, rust op de verkoper.
  § 3. Het volgrecht komt toe aan de erfgenamen en andere rechtverkrijgenden van de auteurs overeenkomstig de artikelen 2 en 7.
  § 4. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten is de reciprociteit van toepassing op het volgrecht.

  Art. 12. <W 2006-12-04/38, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2007> Het volgrecht wordt berekend op de verkoopprijs exclusief belasting, op voorwaarde dat die minimum 1.250 EUR bedraagt. Teneinde verschillen weg te werken die negatieve effecten hebben op de werking van de interne markt, kan de Koning dit bedrag van 1.250 EUR wijzigen, zonder evenwel een bedrag hoger dan 3.000 EUR te kunnen bepalen. Het bedrag van het volgrecht wordt bepaald als volgt :
  - 4 % van het deel van de verkoopprijs tot en met 50.000 EUR;
  - 3 % van het deel van de verkoopprijs van 50.000,01 EUR tot en met 200.000 EUR;
  - 1 % van het deel van de verkoopprijs van 200.000,01 EUR tot en met 350.000 EUR;
  - 0,5 % van het deel van de verkoopprijs van 350.000,01 EUR tot en met 500.000 EUR;
  - 0,25 % van het deel van de verkoopprijs boven 500.000 EUR.
  Het maximumbedrag van het recht mag evenwel niet hoger liggen dan 12.500 EUR.

  Art. 13. <W 2006-12-04/38, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2007> § 1. Voor de doorverkopen die plaatsvinden in het kader van een openbare veiling zijn de actoren uit de professionele kunsthandel die bij de doorverkoop betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon, de openbare ambtenaar, en de verkoper hoofdelijk verplicht de auteur of de vennootschap belast met het beheer van zijn rechten, of indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen, binnen een maand na de verkoop in kennis te stellen van die verkoop. Zij zijn tevens hoofdelijk verplicht de verschuldigde rechten binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving te betalen.
  Voor de doorverkopen die niet plaatsvinden in het kader van een openbare veiling, met inbegrip van de verkopen die aanleiding hebben gegeven tot de toepassing van artikel 11, § 2, zijn de actoren uit de professionele kunsthandel die bij de doorverkoop betrokken zijn als verkoper, koper, of tussenpersoon, en de verkoper hoofdelijk verplicht de auteur of de vennootschap belast met het beheer van zijn rechten, of indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen, binnen de termijn en op de wijze bepaald door de Koning in kennis te stellen van die verkoop. Zij zijn tevens hoofdelijk verplicht de verschuldigde rechten binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving te betalen.
  § 2. De vordering van de auteur verjaart door verloop van drie jaren te rekenen van het verstrijken van de betalingstermijn bedoeld in § 1, eerste en tweede lid.
  § 3. Bij het verstrijken van de betalingstermijnen bepaald in § 1, eerste en tweede lid, worden de bedragen die niet betaald konden worden, aan de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen betaald. De Koning kan nadere regels betreffende deze betaling bepalen. Bij het verstrijken van de verjaringstermijn bepaald in § 2, zullen de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen de rechten verdelen op de door de Koning bepaalde wijze.
  § 4. Gedurende een periode van drie jaren na de doorverkoop, kunnen de beheersvennootschappen met betrekking tot de werken waarvan het beheer hen werd toevertrouwd, van de actoren uit de professionele kunsthandel overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels alle inlichtingen opvragen die noodzakelijk zijn om de inning en verdeling van het volgrecht veilig te stellen.
  Met betrekking tot de werken waarvan het beheer niet werd toevertrouwd aan een beheersvennootschap, bepaalt de Koning de voorwaarden voor uitoefening van het recht op inlichtingen bepaald in het vorige lid. Hij kan onder meer bepalen dat het in het vorige lid bepaalde recht op inlichtingen enkel kan uitgeoefend worden via de door Hem aangewezen beheersvennootschappen, overeenkomstig de door Hem bepaalde regels.
  De auteurs kunnen tevens overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels van de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen alle inlichtingen opvragen die noodzakelijk zijn om de inning en verdeling van het volgrecht veilig te stellen. n de verkoper zijn hoofdelijk verplicht de auteur of de vennootschap belast met het beheer van zijn rechten binnen drie maanden na de verkoop in kennis te stellen van die verkoop, en de verschuldigde rechten binnen dezelfde periode te betalen.
  Bij het verstrijken van die termijn worden de bedragen die niet konden worden uitgekeerd, betaald aan de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen die de rechten zullen verdelen op de door de Koning bepaalde wijze.
  De vordering van de auteur verjaart door verloop van drie jaren te rekenen van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid.

  Afdeling 4. - Bijzondere bepalingen betreffende de audiovisuele werken.

  Art. 14. Naast de hoofdregisseur worden ook de natuurlijke personen die tot het werk hebben bijgedragen als auteurs van een audiovisueel werk beschouwd.
  Behoudens tegenbewijs worden geacht auteurs te zijn van een in samenwerking tot stand gebracht audiovisueel werk :
  a) de scenarioschrijver;
  b) de bewerker;
  c) de tekstschrijver;
  d) de grafische ontwerper van animatiewerken of van animatiesequenties in een audiovisueel werk, die een belangrijk deel van dat werk uitmaken;
  e) de auteur van muziekwerken met of zonder woorden die speciaal voor het audiovisueel werk gemaakt zijn.
  De auteurs van het oorspronkelijke werk worden gelijkgesteld met de auteurs van het nieuwe werk als de bijdrage van eerstgenoemden in het nieuwe werk (wordt) gebruikt. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  Art. 15. De auteur die weigert zijn bijdrage tot het audiovisueel werk af te maken of niet bij machte is dat te doen, kan zich niet verzetten tegen het gebruik van zijn bijdrage met het oog op de voltooiing van het werk.
  Voor die bijdrage wordt hij beschouwd als auteur en geniet hij de rechten die daaruit voortvloeien.

  Art. 16. Een audiovisueel werk wordt als voltooid beschouwd wanneer de regisseur en de producent de definitieve versie ervan in onderlinge overeenstemming hebben vastgesteld.
  De auteurs kunnen hun morele rechten pas laten gelden na voltooiing van het audiovisueel werk.
  Het is verboden de moederband van die versie te vernietigen.

  Art. 17. Het verlenen van het recht om van een bestaand werk een audiovisuele bewerking te maken, moet geregeld worden in een afzonderlijk contract, los van het uitgavecontract betreffende het werk.
  Degene die het recht heeft verkregen, verbindt zich het werk overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken te exploiteren en, behoudens andersluidend beding, aan de auteur een vergoeding uit te keren die in verhouding staat tot zijn bruto-ontvangsten.

  Art. 18. De auteurs van een audiovisueel werk alsmede de auteurs van een creatief element dat op geoorloofde wijze in een audiovisueel werk is opgenomen of erin is verwerkt, met uitzondering van de auteurs van muziekwerken dragen, behoudens andersluidend beding, aan de producenten het exclusieve recht op de audiovisuele exploitatie van het werk over, met inbegrip van de rechten die voor deze exploitatie noodzakelijk zijn, zoals het recht (om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren), onverminderd de bepalingen van artikel 16 van deze wet. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  Art. 19. Behoudens wat betreft de audiovisuele werken die tot de niet-culturele sector (of tot de reclamewereld) behoren, hebben de auteurs voor elke wijze van exploitatie recht op een afzonderlijke vergoeding. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  Behoudens enig andersluidend beding wordt het bedrag van de vergoeding bepaald in verhouding tot de bruto-ontvangsten die uit de exploitatie voortvloeien. In dat geval bezorgt de producent ten minste eenmaal per jaar aan alle auteurs een overzicht van hetgeen hij voor elke wijze van exploitatie heeft ontvangen.

  Art. 20. Het faillissement van de producent, het gerechtelijk akkoord dat hij heeft verkregen of de invereffeningstelling van zijn bedrijf hebben niet de ontbinding van de contracten met de auteurs van het audiovisueel werk tot gevolg.
  Wanneer de vervaardiging of de exploitatie van het werk wordt voortgezet, moet de curator of de vereffenaar, naar gelang van het geval, alle verplichtingen van de producent ten aanzien van de auteurs nakomen.
  Wordt het bedrijf geheel of gedeeltelijk overgedragen dan wel vereffend, dan moet de curator of de vereffenaar, naar gelang van het geval, een afzonderlijke kavel opmaken voor elk audiovisueel werk waarvan de exploitatierechten kunnen worden overgedragen of geveild.
  Hij moet, op straffe van nietigheid, elke andere producent van het werk, de regisseur en de andere auteurs bij aangetekende brief op de hoogte brengen, ten minste één maand voor de overdracht tot stand komt of voor enige andere verkoop- of veilingsprocedure wordt ingezet.
  De (koper) is tot dezelfde verplichtingen gehouden als de overdrager. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  De regisseur en, bij diens ontstentenis, de andere auteurs hebben een recht van voorrang op het werk, behalve indien een van de co-producenten verklaart koper te zijn. Bij gebreke van overeenstemming wordt de koopprijs vastgesteld bij rechterlijke beslissing.
  Heeft een van de co-producenten niet verklaard koper te zijn binnen één maand te rekenen van de kennisgeving, dan kan de regisseur gedurende een maand zijn recht van voorrang uitoefenen. Na het verstrijken van die termijn hebben de gezamenlijke auteurs een maand om hun recht van voorrang uit te oefenen.
  Uitoefening van dat recht geschiedt bij deurwaardersexploot of bij aangetekende brief gericht aan de curator of de vereffenaar, naar gelang van het geval.
  Degenen die een recht van voorrang genieten, kunnen daarvan afzien bij deurwaardersexploot of (bij ter post aangetekende brief) gericht aan de curator. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  Wanneer de producent zijn werkzaamheden sedert meer dan twaalf maanden heeft stopgezet of wanneer de vereffening is bekendgemaakt en meer dan twaalf maanden na de bekendmaking nog niet is overgegaan tot de verkoop van het audiovisueel werk, kan elk van de auteurs van dat werk de ontbinding van zijn contract vorderen.

  Afdeling 4bis. - Bijzondere bepalingen betreffende databanken. <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>

  Art. 20bis. <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> Databanken die door de keuze of de rangschikking van de stof een eigen intellectuele schepping van de auteur vormen, worden als zodanig door het auteursrecht beschermd.
  De bescherming van databanken op grond van het auteursrecht geldt niet voor de werken, de gegevens of de elementen zelf en laat de bestaande rechten op de werken, gegevens of andere elementen vervat in de databank onverlet.
  Onder "databank" wordt een verzameling verstaan van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, die systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk zijn.

  Art. 20ter. <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> Behoudens een andersluidende contractuele of statutaire bepaling, wordt alleen de werkgever geacht verkrijger te zijn van de vermogensrechten met betrekking tot databanken die in de niet culturele nijverheid zijn gemaakt door een of meer werknemers of ambtenaren bij de uitoefening van hun taken, of volgens de onderrichtingen van hun werkgever.
  In verband met het vermoeden van overdracht kunnen de collectieve overeenkomsten de omvang en de wijze daarvan bepalen.

  Art. 20quater. <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> De rechtmatige gebruiker van een databank of van kopieën daarvan kan zonder toestemming van de auteur van de databank alle in artikel 1, § 1, bedoelde handelingen verrichten die noodzakelijk zijn om toegang te krijgen tot en normaal gebruik te maken van de inhoud van de databank.
  Voor zover de rechtmatige gebruiker slechts toestemming heeft om een deel van de databank te gebruiken, geldt het eerste lid van dit artikel ook alleen voor dat deel.
  De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn van dwingend recht.
  Onder "rechtmatige gebruiker" wordt eenieder verstaan die handelingen verricht welke door de auteur of bij wet zijn toegestaan.

  Afdeling 5. - Uitzonderingen op de vermogensrechten van de auteur.

  Art. 21. <W 2005-05-22/33, art. 3, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005> § 1. Het citeren uit een werk dat op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, ten behoeve van kritiek, polemiek, recensie, onderwijs, of in het kader van wetenschappelijke werkzaamheden, maakt geen inbreuk op het auteursrecht, voorzover zulks geschiedt overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken en het beoogde doel zulks wettigt.
  Het citeren bedoeld in het vorige lid moet de bron en de naam van de auteur vermelden, tenzij dit niet mogelijk blijkt.
  § 2. Voor het samenstellen van een bloemlezing bestemd voor het onderwijs dat niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreeft is de toestemming vereist van de auteurs uit wier werk op die manier uittreksels worden samengebracht. Is de auteur echter overleden, dan is de toestemming van de rechthebbende niet vereist, op voorwaarde dat de keuze van het uittreksel, alsmede de presentatie en de plaats ervan de morele rechten van de auteur in acht nemen en dat een billijke vergoeding wordt betaald, die door de partijen wordt overeengekomen of anders door de rechter overeenkomstig de eerlijke gebruiken worden vastgesteld.
  § 3. De auteur kan zich niet verzetten tegen tijdelijke reproductiehandelingen van voorbijgaande of bijkomstige aard die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procédé dat wordt toegepast met als enig doel :
  - de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon; of
  - een rechtmatig gebruik,
  van een beschermd werk, waarbij die handelingen geen zelfstandige economische waarde bezitten.

  Art. 22.§ 1. Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen :
  1° de reproduktie en de mededeling aan het publiek, met het oog op informatie, van korte fragmenten uit werken of van integrale werken van beeldende kunst in (een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht); (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  2° de reproduktie en de mededeling aan het publiek van een werk tentoongesteld in een voor het publiek toegankelijke plaats, wanneer het doel van de reproduktie of van de mededeling aan het publiek niet het werk zelf is;
  3° (de kosteloze privé-uitvoering in familiekring of in het kader van schoolactiviteiten;) <W 2005-05-22/33, art. 4, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  4° (de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie uitsluitend bestemd is voor privé-gebruik en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;) <W 1998-08-31/41, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  (4°bis de gedeeltelijke of integrale reproductie van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;)<W 1998-08-31/41, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  (NOTA : punt 4°bis werd vervangen door W 2008-12-22/33, art. 83, 013; Inwerkingtreding : 29-12-2008.
  Maar bij arrest nr. 69/2009 van 23-04-2009 (B.St. 27-04-2009, p. 32967-32969), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 83 van W 2008-12-22/33 geschorst
  En bij arrest nr. 127/2009 van 16-07-2009 (B.St. 24-08-2009, p. 56339), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 83 van W 2008-12-22/33 vernietigd)
  Artikel 4, c) van de W 2005-05-22/33, dat onderhavig punt 4°bis wijzigde, wordt opgeheven met uitwerking op 19-05-2009 bij de W 2009-05-06/03, art. 135.
   Artikel 7, c) van de W 2006-12-04/38, dat onderhavig punt 4°bis wijzigde, wordt opgeheven met uitwerking op 19-05-2009 bij de W 2009-05-06/03, art. 138.
  Onderhavig punt 4°bis wordt gewijzigd bij dezelfde W 2009-05-06/03, art. 133, met uitwerking op een onbepaalde datum.
  Onderhavig punt 4°bis wordt ook gewijzigd bij W 2009-12-30/01, art. 169, met uitwerking op de dag van inwerkingtreding van art. 133 van de W 2009-05-06/03 : op de datum bepaald door de Koning (art. 134).)

  4°ter [1 de gedeeltelijke of integrale reproductie op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager, van artikelen of van werken van beeldende kunst, of van korte fragmenten uit andere werken, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, voor zover zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, en voorzover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt;]1
  (4°quater. de mededeling van werken wanneer deze mededeling wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht en voorzover deze mededeling verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling, plaatsvindt in het kader van de normale activiteiten van de instelling, enkel wordt uitgevoerd door de gesloten transmissienetwerken van de instelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk, en voor zover de bron, waaronder de naam van de auteur, wordt vermeld, tenzij dit niet mogelijk blijkt;) <W 2005-05-22/33, art. 4, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  5° de (reproduktie) van geluidswerken en audiovisuele werken gemaakt (die in familiekring geschiedt en alleen daarvoor bestemd is); (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  6° een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken;
  7° de kosteloze uitvoering van een werk tijdens een publiek examen, wanneer het doel van de uitvoering niet het werk zelf is, maar het beoordelen van de uitvoerder of de uitvoerders van het werk met het oog op het verlenen van een kwalificatiegetuigschrift, diploma of titel binnen een erkende onderwijsvorm.
  8° (de reproductie die is beperkt tot een aantal kopieën, bepaald in functie van en gerechtvaardigd door het voor de bewaring van het culturele en wetenschappelijke patrimonium gestelde doel, door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, musea, of door archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de auteur.
  De materialen die aldus worden vervaardigd blijven eigendom van deze instellingen, die zichzelf ieder commercieel of winstgevend gebruik ervan ontzeggen.
  De auteur kan hiertoe toegang krijgen, onder strikte inachtneming van de bewaring van het werk en tegen een billijke vergoeding van het werk verricht door deze instellingen;) <W 2005-05-22/33, art. 4, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  (9° de mededeling, met inbegrip van de beschikbaarstelling van niet te koop aangeboden of aan licentievoorwaarden onderworpen werken die onderdeel uitmaken van de verzamelingen van voor het publiek toegankelijke bibliotheken, wetenschappelijke- en onderwijsinstellingen, musea of archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, hierin bestaande dat het werk, via speciale terminals in de gebouwen van die instellingen, voor onderzoek of privé-studie medegedeeld wordt aan of beschikbaar gesteld wordt voor individuele leden van het publiek;
  10° tijdelijke opnamen van werken, gemaakt door omroeporganisaties met hun eigen middelen, met inbegrip van de middelen van een persoon die optreedt namens en onder de verantwoordelijkheid van de omroeporganisaties, ten behoeve van hun eigen uitzendingen;
  11° de reproductie en mededeling aan het publiek van werken ten behoeve van mensen met een handicap, die rechtstreeks met deze handicap verband houden en van niet-commerciële aard zijn en voorzover het wegens de betrokken handicap noodzakelijk is, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het werk en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de auteur;
  12° de reproductie en de mededeling aan het publiek voor reclamedoeleinden, voor openbare tentoonstellingen of openbare verkopen van artistieke werken, voorzover het noodzakelijk is voor de promotie van die gebeurtenissen, met uitsluiting van enig ander commercieel gebruik;
  13° de reproductie van uitzendingen, door erkende ziekenhuizen, gevangenissen en instellingen voor jeugd- of gehandicaptenzorg, voor zover deze instellingen geen winstoogmerk nastreven en dat deze reproductie is voorbehouden voor het exclusieve gebruik van de daar verblijvende natuurlijke personen. <W 2005-05-22/33, art. 4, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  § 2. (De reproductie en de mededeling aan het publiek van het werk bij gelegenheid van een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht overeenkomstig § 1, 1°, moeten uit een oogpunt van voorlichting gerechtvaardigd zijn, en de bron, waaronder de naam van de auteur, moet vermeld worden, tenzij dit niet mogelijk blijkt.) <W 2005-05-22/33, art. 4, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>
  

  Art. 22bis. <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> § 1. In afwijking van artikel 22 kan de auteur wanneer de databank wettig openbaar is gemaakt, zich niet verzetten tegen :
  1° (de gedeeltelijke of integrale reproductie op papier of op een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, van databanken die op papier of op een soortgelijke drager zijn vastgelegd, wanneer die reproductie uitsluitend bestemd is voor privé-gebruik en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;) <W 2005-05-22/33, art. 5, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  2° (de gedeeltelijke of integrale reproductie op papier of op een soortgelijke drager, met behulp van een fotografische techniek of een andere werkwijze die een soortgelijk resultaat oplevert, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, en zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk;) <W 2005-05-22/33, art. 5, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  3° (de gedeeltelijke of integrale reproductie, op eender welke drager andere dan papier of soortgelijke drager, wanneer die reproductie wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, en zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk) <W 2005-05-22/33, art. 5, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  4° (de mededeling van databanken wanneer deze mededeling wordt verricht ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht en voorzover deze verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling, plaatsvindt in het kader van de normale activiteiten van de instelling, enkel wordt uitgevoerd door de gesloten transmissienetwerken van de instelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het werk.) <W 2005-05-22/33, art. 5, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  5° de reproductie en de mededeling aan het publiek van een databank wanneer die handelingen worden verricht om de openbare veiligheid te waarborgen of om in een administratieve of gerechtelijke procedure aan te wenden en geen afbreuk doen aan de normale exploitatie van de databank.
  Artikel 22, § 1, 1 tot 3°, 6° en 7°, is op analoge wijze van toepassing op databanken.
  § 2. Wanneer de databank wordt gereproduceerd of medegedeeld ter illustratie van onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, moeten de naam van de auteur en de benaming van de databank worden vermeld (, behalve indien dit onmogelijk blijkt). <W 2005-05-22/33, art. 6, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>

  Art. 23. § 1. De auteur kan de uitlening van werken van letterkunde, (databanken, fotografische werken,) partituren van muziekwerken, geluidswerken en audiovisuele werken niet verbieden wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doel door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht. <W 1998-08-31/41, art. 22, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  § 2. De uitlening van geluidswerken en audiovisuele werken kan pas plaatsvinden zes maanden na de eerste verspreiding van het werk onder het publiek.
  Na raadpleging van de instellingen en vennootschappen voor het beheer van de rechten, kan de Koning voor alle fonogrammen en eerste vastleggingen van films of voor bepaalde daarvan de in het vorige lid bedoelde termijn verlengen of verkorten.
  (§ 3. De in § 1 bedoelde instellingen die door de Koning worden aangewezen, mogen werken van letterkunde, (databanken, fotografische werken,) geluids- en audiovisuele werken alsook partituren van muziekwerken invoeren die voor het eerst buiten de Europese Unie rechtmatig zijn verkocht en die op het grondgebied van die Unie niet aan het publiek worden verdeeld, ingeval die invoer geschiedt voor openbare uitleningen met een educatief of cultureel doel en voor zover zulks geen betrekking heeft op meer dan vijf exemplaren of partituren van het werk.) <W 1995-04-03/41, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 09-05-1995>

  Art. 23bis. <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 23, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> De bepalingen van de artikelen 21, 22, 22bis en 23, §§ 1 en 3, zijn van dwingend recht.
  (Er kan evenwel op contractuele basis afgeweken worden van de bepalingen van de artikelen bedoeld in het eerste lid, wanneer het werken betreft die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld op grond van overeengekomen bepalingen op zodanige wijze dat leden van het publiek daartoe toegang hebben op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.) <W 2005-05-22/33, art. 7, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>

  Afdeling 6. - Gemeenschappelijke bepaling betreffende de geluidswerken en audiovisuele werken.

  Art. 24. De auteur die zijn recht betreffende de verhuring van een geluidswerk of audiovisueel werk overdraagt of afstaat, behoudt het recht op een billijke vergoeding voor de verhuring.
  Van dat recht kan de auteur geen afstand doen.

  Afdeling 7. - Het uitgavecontract.

  Art. 25. Het uitgavecontract moet bepalen uit hoeveel exemplaren de eerste oplage minimum zal bestaan.
  Deze verplichting geldt evenwel niet voor het contract waarin bedongen is dat een gewaarborgd minimum van auteursrechten ten laste komt van de uitgever.

  Art. 26. § 1. De uitgever moet de exemplaren van het werk binnen de overeengekomen termijn produceren of laten produceren.
  Is in het contract die (termijn) niet vastgesteld, dan wordt (die) bepaald overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  Indien de uitgever (zijn verplichting) niet nakomt binnen de hierboven gestelde termijnen en daarvoor geen wettige reden van verschoning heeft, kan de auteur zijn overgedragen rechten terugnemen, indien binnen zes maanden geen gevolg is gegeven aan een ingebrekestelling die bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs is opgestuurd. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  § 2. De uitgever verbindt zich ertoe, tenzij anders is bepaald, aan de auteur een vergoeding uit te keren die in verhouding staat tot de bruto-ontvangsten.
  Indien de auteur de uitgaverechten aan de uitgever heeft overgedragen op zodanige voorwaarden dat, gelet op het succes van het werk, de bedongen forfaitaire vergoeding kennelijk niet evenredig is aan de winst bij de exploitatie van dat werk, moet de uitgever, op verzoek van de auteur, de vergoeding wijzigen teneinde hem op billijke wijze te laten delen in de winst. De auteur kan vooraf geen afstand doen van dat recht.
  § 3. De uitgever kan zijn contract niet overdragen zonder instemming van de (auteursrechthebbende), tenzij hij tegelijkertijd zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk overdraagt. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  Art. 27. De uitgever kan na afloop van het contract, gedurende drie jaar de exemplaren die hij nog voorradig heeft, blijven verkopen tegen de normale prijs, tenzij de auteur verkiest die exemplaren zelf op te kopen tegen een prijs die, bij gebreke van overeenstemming, vastgesteld wordt door de rechtbank.

  Art. 28. Niettegenstaande enige daarmee strijdige overeenkomst (bezorgt de uitgever, ten minste eenmaal per jaar, aan de auteur een overzicht van hetgeen) hij voor elke wijze van exploitatie heeft verkocht, ontvangen en overdragen. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  Behoudens in geval van wederuitgave, vervalt deze verplichting voor de uitgever, indien het werk gedurende vijf opeenvolgende jaren op geen enkele wijze wordt geëxploiteerd.

  Art. 29. Afgezien van alle andere redenen die de ontbinding van het uitgavecontract rechtvaardigen, kan de auteur de ontbinding (vorderen) wanneer de uitgever overgaat tot de volledige vernietiging van de exemplaren. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  In geval van ontbinding van het contract heeft de auteur het recht de nog voorradige exemplaren aan te kopen tegen een prijs die door de rechtbank wordt vastgesteld, wanneer de uitgever en de auteur daarover niet tot overeenstemming zijn gekomen.
  Het feit dat de auteur de ontbinding van het contract vordert, kan geen afbreuk doen aan de exploitatiecontracten die de uitgever op geldige wijze met derden heeft gesloten, zij het dat de auteur tegen deze laatsten een rechtstreekse vordering kan instellen tot betaling van de eventueel overeengekomen vergoeding (die hem op grond daarvan toekomt).

  Art. 30. In geval van faillissement, gerechtelijk akkoord of in vereffeningstelling van het bedrijf van de uitgever kan de auteur het oorspronkelijk contract onmiddellijk opzeggen bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
  Alle exemplaren, kopieën of reprodukties waarop het auteursrecht van toepassing is, moeten bij voorrang aan de auteur te koop worden aangeboden tegen een prijs die, ingeval de curator en de auteur het niet eens kunnen worden, vastgesteld wordt door de rechter bij wie de zaak aanhangig is, op verzoek van de meest gerede partij, nadat de curator of de auteur behoorlijk zijn opgeroepen en, in voorkomend geval, op advies van een of meer deskundigen.
  De auteur verliest zijn recht van voorrang indien hij, binnen dertig dagen na de ontvangst van het aanbod, aan de curator niet te kennen geeft dat hij er gebruik van wil maken. Het aanbod en de aanvaarding moeten, op straffe van nietigheid, worden gedaan bij deurwaardersexploot of bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs. De auteur van het werk kan van zijn recht van voorrang afzien bij deurwaardersexploot of bij ter post aangetekende brief gericht aan de curator.
  Wordt de in het tweede lid bepaalde procedure gevolgd, dan kan de auteur op dezelfde wijze afzien van het hem gedane aanbod, binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de dag waarop hij door de deskundige of de deskundigen bij ter post aangetekende brief in kennis is gesteld van het voor eensluidend verklaard afschrift van het rapport.
  De kosten van het deskundigenonderzoek worden verdeeld onder de gezamenlijke schuldeisers en de auteur.

  Afdeling 8. - Het opvoeringscontract.

  Art. 31. Het opvoeringscontract wordt gesloten voor bepaalde tijd of voor het aantal keren dat het werk aan het publiek wordt meegedeeld.
  De vervreemding of de exclusieve licentie die wordt verleend door een auteur met het oog op live-voorstellingen blijft ten hoogste drie jaar gelden; onderbreking van de opvoeringen gedurende twee opeenvolgende jaren doet die rechten van rechtswege vervallen.
  De begunstigde van een opvoeringscontract kan dat contract niet aan een derde overdragen zonder instemming van de auteur, tenzij hij tegelijkertijd zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk overdraagt.

  Art. 32. De begunstigde van het opvoeringscontract moet aan de auteur of zijn rechtverkrijgenden het exacte programma van de openbare opvoeringen of uitvoeringen meedelen en hun een met bewijsstukken gestaafde staat van zijn bruto-ontvangsten bezorgen.
  Indien de auteur toestemming heeft gegeven voor de openbare opvoering van een live-voorstelling op zodanige voorwaarden dat, gelet op het succes van het werk, de bedongen forfaitaire vergoeding kennelijk niet evenredig is aan de winst bij de exploitatie van dat werk, moet de begunstigde van het opvoeringscontract, op verzoek van de auteur, de vergoeding wijzigen teneinde hem op billijke wijze te laten delen in de winst. De auteur kan (vooraf geen afstand) doen van dat recht. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  HOOFDSTUK II. - Naburige rechten.

  Afdeling 1. - Algemene bepaling.

  Art. 33. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan het auteursrecht. Geen van deze bepalingen mag op zodanige wijze worden uitgelegd dat zij de uitoefening van het auteursrecht beperkt.
  De in dit hoofdstuk erkende naburige rechten zijn roerende rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor gehele of gedeeltelijke overdracht, overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Ze kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie worden ondergebracht.

  Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de uitvoerende kunstenaars.

  Art. 34. De uitvoerende kunstenaar heeft een onvervreemdbaar moreel recht op zijn prestatie.
  De globale afstand van de toekomstige uitoefening van dat recht is nietig.
  De uitvoerende kunstenaar heeft het recht zijn naam vermeld te zien overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken, almede een onjuiste toeschrijving te verbieden.
  Niettegenstaande enige afstand behoudt de uitvoerende kunstenaar het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking (of andere wijziging) van zijn prestatie, dan wel tegen enige andere aantasting ervan die zijn eer of zijn reputatie kunnen schaden. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  Art. 35. § 1. Alleen de uitvoerende kunstenaar heeft het recht om zijn prestatie te reproduceren of de reproduktie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook (, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk). <W 2005-05-22/33, art. 8, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  Dat recht omvat onder meer het exclusieve recht om de verhuring of de uitlening ervan toe te staan.
  Alleen hij heeft het recht om zijn prestatie volgens om het even welk procédé (, met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn,) aan het publiek mede te delen. <W 2005-05-22/33, art. 8, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  (De rechten van de uitvoerende kunstenaar omvatten onder meer het exclusieve distributierecht dat slechts wordt uitgeput in geval van een eerste verkoop of eerste andere eigendomsoverdracht door de uitvoerende kunstenaar van de reproductie van zijn prestatie in de Europese Gemeenschap of met diens toestemming.) <W 2005-05-22/33, art. 8, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  Ook variété- en circusartiesten worden als uitvoerende kunstenaars beschouwd. Aanvullende kunstenaars die volgens de beroepsgebruiken als dusdanig zijn erkend, worden niet als uitvoerende kunstenaars beschouwd.
  (§ 1bis. Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als uitvoerend kunstenaar aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.) <W 2007-05-09/30, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 10-05-2007>
  § 2. Ten aanzien van de uitvoerende kunstenaar worden alle contracten schriftelijk bewezen.
  De contractuele bedingen met betrekking tot de rechten van de uitvoerende kunstenaar en de exploitatiebewijzen ervan moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De overdracht van het voorwerp waarin een vastlegging van de prestatie is geïncorporeerd, leidt niet tot het recht om de prestatie te exploiteren.
  De verkrijger van het recht moet de prestatie overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken exploiteren.
  De overdracht van de rechten betreffende nog onbekende (exploitatievormen) is nietig, niettegenstaande enige daarmee strijdige bepaling. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  De overdracht van de vermogensrechten betreffende toekomstige prestaties geldt slechts voor een beperkte tijd en voor zover het genre van de prestaties waarop de overdracht betrekking heeft, bepaald is.
  § 3. Wanneer een uitvoerend kunstenaar een prestatie levert ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de prestatie binnen het (toepassingsgebied) van de overeenkomst of het statuut valt. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  Wanneer een uitvoerend kunstenaar een prestatie levert ter uitvoering van een bestelling, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan degene die de bestelling heeft geplaatst voor zover deze laatste een activiteit uitoefent in de niet-culturele sector of in de reclamewereld, voor zover de prestatie bestemd is voor die activiteit en uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien.
  In die gevallen is § 2, derde tot vijfde lid, niet van toepassing.
  De strekking van die overdracht en de wijze waarop ze plaatsvindt, kunnen bij collectieve overeenkomst worden bepaald.

  Art. 36. Tenzij anders is overeengekomen, draagt de uitvoerende kunstenaar aan de producent het exclusieve recht van audiovisuele exploitatie van zijn prestatie over, met inbegrip van de voor deze exploitatie noodzakelijke rechten, zoals het recht om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren, onverminderd de bepalingen van artikel 34.
  De uitvoerende kunstenaar die weigert zijn aandeel in de verwezenlijking van het audiovisuele werk af te maken of niet bij machte is dat te doen, kan zich niet verzetten tegen het gebruik van zijn aandeel met het oog op de voltooiing van het werk. Voor die medewerking wordt hij beschouwd als uitvoerend kunstenaar en geniet hij de rechten die daaruit voortvloeien.
  Behoudens wat betreft de prestaties met het oog op de verwezenlijking van audiovisuele werken die tot de niet-culturele sector (of tot de reclamewereld) behoren, hebben de uitvoerende kunstenaars voor elke wijze van exploitatie recht op een afzonderlijke vergoeding. Wanneer de overeengekomen vergoeding evenredig is met de ontvangsten, bezorgt de producent de uitvoerende kunstenaars overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken een overzicht van hetgeen hij voor elke wijze van exploitatie heeft ontvangen. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  Art. 37. Gaat het om een live-voorstelling door een ensemble, dan wordt de toestemming gegeven door de solisten, de dirigenten, de regisseurs en, voor de andere uitvoerende kunstenaars, door de directeur van hun groep.

  Art. 38. De rechten van de uitvoerende kunstenaar vervallen vijftig jaar na de datum van de prestatie. Indien een vastlegging van de prestatie, op geoorloofde wijze gepubliceerd of aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten vijftig jaar na de datum van het eerste feit.
  Deze termijn wordt berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
  Na het overlijden van de uitvoerende kunstenaar worden de rechten uitgeoefend door diens erfgenamen of legatarissen, tenzij de uitvoerende kunstenaar ze aan een bepaald persoon heeft toegekend, rekening houdend met het wettelijk voorbehouden erfdeel dat aan de erfgenamen toekomt.

  Afdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de producenten van fonogrammen en van de eerste vastleggingen van films.

  Art. 39. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 41 en onverminderd het recht van de auteur en van de uitvoerende kunstenaar heeft alleen de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films het recht om zijn prestatie te reproduceren of de reproduktie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook (, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk.) <W 2005-05-22/33, art. 9, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  Dat recht omvat tevens het recht om de verhuring of de uitlening ervan toe te staan.
  (Het omvat ook het exclusieve distributierecht, dat slechts wordt uitgeput in geval van een eerste verkoop of eerste andere eigendomsoverdracht door de producent van de reproductie van zijn prestatie in de Europese Gemeenschap of met diens toestemming.) <W 2005-05-22/33, art. 9, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  Alleen de producent heeft het recht om het fonogram of de eerste vastlegging van de film volgens ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen (", met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn.) <W 2005-05-22/33, art. 9, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  De rechten van de producenten (...) van eerste vastleggingen van films vervallen vijftig jaar na de vastlegging. Indien (...) de eerste vastlegging van de film binnen deze termijn evenwel op geoorloofde wijze gepubliceerd of aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten vijftig jaar na de datum van het eerste feit. <W 2OO5-05-22/33, art. 9, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005 ; zie ook haar art. 39>
  (De rechten van producenten van fonogrammen vervallen vijftig jaar na de vastlegging. Indien het fonogram echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd is, vervallen de rechten vijftig jaar na de datum van de eerste geoorloofde publicatie. Indien binnen de in de eerste zin bedoelde termijn geen geoorloofde publicatie heeft plaatsgevonden en het fonogram tijdens deze termijn op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld, vervallen de rechten vijftig jaar na de datum van de eerste geoorloofde mededeling aan het publiek.) <W 2005-05-22/33, art. 9, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005 ; zie ook haar art. 39>
  Deze termijn wordt berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
  (§ 2. Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.) <W 2007-05-09/30, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 10-05-2007>

  Afdeling 4. - Bepaling betreffende de verhuring van fonogrammen en van de eerste vastleggingen van films.

  Art. 40. De uitvoerende kunstenaar die zijn recht betreffende de verhuring van een fonogram of van een eerste vastlegging van een film overdraagt of afstaat, behoudt het recht op een billijke vergoeding voor de verhuring.
  Van dat recht kan geen afstand worden gedaan.

  Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de uitvoerende kunstenaars en de producenten.

  Art. 41. Wanneer de prestatie van een uitvoerende kunstenaar op geoorloofde wijze wordt gereproduceerd of door de radio uitgezonden, mogen de uitvoerende kunstenaar en de producent zich onverminderd het recht van de auteur niet verzetten :
  1° tegen de mededeling ervan op een openbare plaats, op voorwaarde dat die prestatie niet voor een voorstelling wordt gebruikt en van het publiek geen toegangsgeld of vergoeding wordt gevraagd om die prestatie te kunnen bijwonen;
  2° tegen de radio-uitzending ervan.

  Art. 42. Het gebruik van (prestaties) geeft, overeenkomstig artikel 41, de uitvoerende kunstenaars en de producenten recht op een billijke vergoeding, ongeacht de plaats waar die fonogrammen zijn vastgelegd. <W 1995-04-03/41, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 09-05-1995>
  De vergoeding wordt door de personen die de handelingen bepaald in artikel 41 verrichten betaald aan de in hoofdstuk VII van deze wet bedoelde vennootschappen voor het beheer van de rechten.
  Is er binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet omtrent die vergoeding geen overeenstemming tussen die beheersvennootschappen en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, dan wordt het bedrag ervan bepaald door een commissie (die voltallig of in gespecialiseerde afdelingen zetelt en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht). <W 1998-08-31/41, art. 24, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  (Deze commissie zetelt voltallig of in afdelingen die gespecialiseerd zijn in een of meerdere activiteitssectoren. Elke afdeling wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht. In deze commissie beschikken de vennootschappen voor het beheer van de rechten, enerzijds, en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, anderzijds, over een gelijk aantal stemmen. Deze gelijke verdeling van het aantal stemmen tussen, enerzijds, de vennootschappen voor het beheer van de rechten en, anderzijds, de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, is eveneens van toepassing wanneer de commissie in gespecialiseerde afdelingen zetelt.) <W 2008-12-22/33, art. 76, 013; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  De vennootschappen voor het beheer van de rechten en de organisaties van hen die de vergoeding verschuldigd zijn, worden aangewezen door de minister die bevoegd is voor het auteursrecht.
  Degenen die de vergoeding verschuldigd zijn, meten overeenkomstig de eisen van de redelijkheid de inlichtingen meedelen die nuttig zijn voor de inning en de verdeling van de rechten.
  De commissie (die voltallig of in gespecialiseerde afdelingen zetelt) bepaalt op welke wijze die inlichtingen en stukken worden verstrekt. <W 1998-08-31/41, art. 24, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  De commissie (die voltallig of in gespecialiseerde afdelingen zetelt) beslist bij meerderheid van de stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. <W 1998-08-31/41, art. 24, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  De beslissingen van de commissie worden bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  (De Koning kan de nadere regels met betrekking tot de werking en de organisatie van de Commissie bepalen.) <W 1998-08-31/41, art. 24, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  (De beslissingen van de Commissie worden bij koninklijk besluit bindend verklaard ten aanzien van derden. De minister, bevoegd voor het auteursrecht, kan weigeren de Koning voor te stellen een beslissing bindend te maken op grond van het feit dat die beslissing kennelijk onwettige bepalingen bevat, of bepalingen die indruisen tegen het algemeen belang. Hij brengt de commissie op de hoogte van de redenen daarvoor.) <W 1998-08-31/41, art. 24, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>

  Art. 43. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten wordt de in artikel 42 bedoelde vergoeding door de vennootschappen voor het beheer van de rechten verdeeld onder de uitvoerende kunstenaars en de producenten, ieder voor de helft.
  De duur van de in artikel 42 bedoelde rechten op vergoeding is telkens gelijk aan deze voorzien in de artikelen 38 en 39, laatste lid.

  Afdeling 6. - Bepalingen betreffende de omroeporganisaties.

  Art. 44. (Alleen de omroeporganisatie heeft het recht volgende handelingen toe te staan) : <W 2005-05-22/33, art. 10, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  a) het rechtstreeks of later heruitzenden van haar uitzendingen daaronder begrepen de doorgifte via de kabel en de mededeling aan het publiek per satelliet;
  b) de reproduktie van haar uitzendingen door welk procédé ook, (, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk) daaronder begrepen de distributie van vastleggingen van haar uitzendingen; <W 2OO5-05-22/33, art. 10, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  c) de mededeling van haar uitzendingen op een voor het publiek toegankelijke plaats tegen betaling van toegangsgeld.
  (d) de beschikbaarstelling voor het publiek van de vastleggingen van haar uitzendingen op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn.) <W 2OO5-05-22/33, art. 10, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  (Het distributierecht bedoeld in het eerste lid, b ), wordt slechts uitgeput in geval van een eerste verkoop of eerste andere eigendomsoverdracht door de omroeporganisatie van de vastlegging van haar uitzending in de Europese Gemeenschap of met haar toestemming.) <W 2OO5-05-22/33, art. 10, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  (§ 2. Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als de omroeporganisatie aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.) <W 2007-05-09/30, art. 12, 009; Inwerkingtreding : 10-05-2007>

  Art. 45. De bescherming bedoeld in artikel 44 blijft gelden gedurende vijftig jaar te rekenen van de eerste uitzending.
  Deze duur wordt berekend vanaf de eerste januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.

  Afdeling 7. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de afdelingen 1 tot 6.

  Art. 46. De artikelen 35, 39, 42 en 44 zijn niet van toepassing wanneer de handelingen bedoeld in die artikelen verricht worden met een van de hierna volgende doelstellingen :
  1° (het citeren uit een prestatie, ten behoeve van kritiek, polemiek, recensie, onderwijs, of in het kader van wetenschappelijke werkzaamheden, maakt geen inbreuk op het auteursrecht, voor zover zulks geschiedt overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken en het beoogde doel zulks wettigt;) <W 2005-05-22/33, art. 11, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  2° de vastlegging, de reproduktie en de mededeling aan het publiek, met het oog op informatie, van korte fragmenten van de prestaties van de rechthebbenden bedoeld in de afdelingen 2 tot 6, in een verslag dat over actuele gebeurtenissen wordt uitgebracht;
  3° de kosteloze privé-uitvoering in familiekring of in het kader van schoolactiviteiten;
  3°bis (de reproductie van korte fragmenten van een prestatie wanneer deze reproductie wordt verricht op om het even welke drager ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek, indien zulks verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van de prestatie;) <W 2005-05-22/33, art. 11, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  (3°ter. de mededeling van prestaties voorzover deze mededeling wordt uitgevoerd ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht en voorzover deze mededeling verantwoord is door de nagestreefde niet-winstgevende doelstelling, plaatsvindt in het kader van de normale activiteiten van de instelling, enkel wordt uitgevoerd door de gesloten transmissienetwerken van de instelling en geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van de prestatie;) <W 2005-05-22/33, art. 11, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  4° de reproduktie van prestaties van de houders van de naburige rechten, die in familiekring geschiedt en alleen daarvoor bestemd is;
  (4°bis. tijdelijke reproductiehandelingen van voorbijgaande of bijkomstige aard die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procédé dat wordt toegepast met als enig doel :
  - de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon; of
  - een rechtmatig gebruik van een prestatie,
  waarbij die handelingen geen zelfstandige economische waarde bezitten;) <W 2005-05-22/33, art. 11, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  5° een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken;
  6° de kosteloze uitvoering van een werk tijdens een publiek examen, wanneer het doel van de uitvoering niet het werk zelf is, maar het beoordelen van de uitvoerder of uitvoerders van het werk met het oog op het verlenen van een kwalificatiegetuigschrift, diploma of titel binnen een erkende onderwijsinstelling.
  7° (de reproductie beperkt tot een aantal kopieën, bepaald in functie van en gerechtvaardigd door het doel het culturele en wetenschappelijke patrimonium te bewaren, door voor het publiek toegankelijke bibliotheken, musea, of door archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van de prestatie en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de houders van naburige rechten.
  De materialen die aldus worden vervaardigd blijven eigendom van deze instellingen, die zichzelf ieder commercieel of winstgevend gebruik ervan ontzeggen.
  De houders van naburige rechten kunnen hiertoe toegang krijgen, onder strikte inachtneming van de bewaring van het werk en tegen een billijke vergoeding van het werk verricht door deze instellingen;) <W 2005-05-22/33, art. 11, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  (8° de mededeling en de beschikbaarstelling van niet te koop aangeboden of aan licentievoorwaarden onderworpen prestaties die onderdeel uitmaken van de verzamelingen van voor het publiek toegankelijke bibliotheken, wetenschappelijke- en onderwijsinstellingen, musea of archieven die niet het behalen van een direct of een indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, hierin bestaande dat het werk, via speciale terminals in de gebouwen van die instellingen, voor onderzoek of privé-studie medegedeeld wordt aan of beschikbaar gesteld wordt voor individuele leden van het publiek;) <W 2005-05-22/33, art. 11, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  9° tijdelijke opnamen van prestaties, gemaakt door omroeporganisaties met hun eigen middelen, met inbegrip van de middelen van een persoon die optreedt namens en onder de verantwoordelijkheid van de omroeporganisaties, ten behoeve van hun eigen uitzendingen;
  10° de reproductie en mededeling aan het publiek van prestaties ten behoeve van mensen met een handicap, die rechtstreeks met deze handicap verband houdt en van niet-commerciële aard is en voorzover het wegens de betrokken handicap noodzakelijk is, voor zover hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van de prestatie en geen onredelijke schade wordt berokkend aan de wettige belangen van de houders van naburige rechten;
  11° de reproductie en de mededeling aan het publiek voor reclamedoeleinden, voor openbare tentoonstellingen of openbare verkopen van prestaties, voorzover het noodzakelijk is voor de promotie van die gebeurtenissen, met uitsluiting van enig ander commercieel gebruik;
  12° de reproductie van uitzendingen, door erkende ziekenhuizen, gevangenissen en instellingen voor jeugd- of gehandicaptenzorg, voor zover deze instellingen geen winstoogmerk nastreven en dat deze reproductie is voorbehouden voor het exclusieve gebruik van de daar verblijvende natuurlijke personen.) <W 2005-05-22/33, art. 11, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>

  Art. 47. § 1. De uitvoerende kunstenaar en de producent kunnen de uitlening van fonogrammen en van eerste vastleggingen van films niet verbieden, wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doe door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht.
  § 2. De uitlening van fonogrammen en van eerste vastleggingen van films kan pas plaatsvinden zes maanden na de eerste verspreiding van het werk onder het publiek.
  Na raadpleging van de instellingen en vennootschappen voor het beheer van de rechten, kan de Koning voor alle fonogrammen en eerste vastleggingen van films of voor bepaalde daarvan de in het vorige lid bedoelde termijn verlengen of verkorten.
  (§ 3. De in § 1 bedoelde instellingen die door de Koning worden aangewezen, mogen fonogrammen of eerste vastleggingen van films invoeren die voor het eerst buiten de Europese Unie rechtmatig zijn verkocht en die op het grondgebied van die Unie niet aan het publiek worden verdeeld, ingeval die invoer geschiedt voor openbare uitleningen met een of cultureel doel en voor zover zulks geen betrekking heeft op meer dan vijf exemplaren van het fonogram of de eerste vastlegging van de film.) <W 1995-04-03/41, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 09-05-1995>

  Art. 47bis. <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> De bepalingen van de artikelen 46 en 47, §§ 1 en 3, zijn van dwingend recht.
  (Er kan evenwel op contractuele basis afgeweken worden van de bepalingen bedoeld in het eerste lid, wanneer het prestaties betreft die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld op grond van overeengekomen bepalingen op zodanige wijze dat leden van het publiek daartoe toegang hebben op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.) <W 2005-05-22/33, art. 11, 005 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>

  HOOFDSTUK III. - Mededeling aan het publiek per satelliet en doorgifte per kabel.

  Afdeling 1. - Mededeling aan het publiek per satelliet.

  Art. 48. Overeenkomstig de voorafgaande hoofdstukken en rekening houdend met de hierna volgende bepalingen geldt de bescherming van het auteursrecht en van de naburige rechten tevens voor de radio-uitzendingen per satelliet.

  Art. 49. De mededeling aan het publiek per satelliet vindt slechts plaats in de Lid-Staat van de Europese Unie waar de programmadragende signalen onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde loopt.
  Indien de mededeling aan het publiek per satelliet plaatsvindt in een Staat die niet tot de Unie behoort en die niet het niveau van bescherming biedt waarin de voorafgaande hoofdstukken voorzien, wordt zij niettemin geacht in de hierna omschreven Lid-Staat te hebben plaatsgevonden en kunnen de rechten er, naar gelang van het geval, tegen de persoon die het grondstation exploiteert of tegen de omroeporganisatie worden uitgeoefend :
  - indien de programmadragende signalen per satelliet worden doorgezonden vanuit een grondstation op het grondgebied van een Lid-Staat, of
  - indien de omroeporganisatie die tot de mededeling aan het publiek opdracht heeft gegeven, haar hoofdvestiging op het grondgebied van een Lid-Staat heeft.

  Art. 50. Voor de artikelen 48 en 49 wordt onder mededeling aan het publiek per satelliet de handeling verstaan waarbij de programmadragende signalen voor ontvangst door het publiek onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde loopt. Indien de programmadragende signalen in gecodeerde vorm worden uitgezonden, is er sprake van mededeling aan het publiek per satelliet wanneer de middelen voor het decoderen van de uitzending door of met toestemming van de omroeporganisatie ter beschikking van het publiek worden gesteld.

  Afdeling 2. - Doorgifte via kabel.

  Art. 51. Overeenkomstig de voorafgaande hoofdstukken en rekening houdend met de hierna omschreven nadere regels beschikken alleen de auteur en de houders van de naburige rechten over het recht de doorgifte via de kabel van hun werken en prestaties toe te staan.

  Art. 52. Onder doorgifte via de kabel wordt verstaan de gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, door middel van een kabel- of microgolfsysteem, aan het publiek, van een eerste uitzending, al dan niet via de ether, ook per satelliet, van televisie- of radioprogramma's die voor ontvangst door het publiek bestemd zijn.

  Art. 53. § 1. Het recht van de auteur en van de houders van naburige rechten om de doorgifte via de kabel toe te staan of te verbieden, kan uitsluitend door vennootschappen voor het beheer van de rechten worden uitgeoefend.
  § 2. Indien de auteur of de houders van naburige rechten het beheer van hun rechten niet aan een vennootschap voor het beheer van de rechten hebben opgedragen, is de vennootschap die rechten van dezelfde categorie beheert, geacht met het beheer van hun rechten te zijn belast.
  Indien de rechten van die categorie door meer dan één vennootschap voor het beheer van de rechten worden beheerd, staat het de auteur of de houders van naburige rechten vrij te kiezen welke van die vennootschappen geacht wordt hun rechten te beheren. Voor hen gelden dezelfde rechten en plichten uit de overeenkomst tussen de kabelmaatschappij en de vennootschap voor het beheer van de rechten als voor de rechthebbenden die het beheer van hun rechten aan deze vennootschap hebben opgedragen. Zij kunnen die rechten doen gelden binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de datum van doorgifte via de kabel van hun werk of van hun prestatie.
  § 3. De §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing op de rechten die een omroeporganisatie in het kader van haar eigen uitzendingen uitoefent.

  Art. 54. § 1. Indien er geen overeenkomst betreffende de toestemming voor doorgifte via de kabel kan worden gesloten, kunnen de partijen een beroep doen op drie bemiddelaars.
  § 2. De bemiddelaars worden aangewezen volgens de bepalingen van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek, die van toepassing zijn op de aanwijzing van scheidslieden. Zij moeten hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen waarborgen. Zij moeten bijstand verlenen bij het voeren van onderhandelingen en kunnen voorstellen doen na de betrokken partijen te hebben gehoord. De voorstellen worden ter kennis gebracht door een te post aangetekende brief met ontvangbewijs.
  § 3. Indien binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de kennisgeving geen van de betrokken partijen zich door middel van een kennisgeving aan de andere partijen in dezelfde vorm tegen de voorstellen heeft verzet, worden zij geacht die voorstellen te hebben aanvaard.

  HOOFDSTUK IV. - (Het kopiëren voor eigen gebruik van werken en prestaties.) <W 2OO5-05-22/33, art. 13, 006 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>

  Art. 55. De auteurs, de uitvoerende kunstenaars en de producenten van fonogrammen en van audiovisuele werken hebben recht op een vergoeding voor de reproduktie voor eigen gebruik van hun werken en prestaties, inclusief voor de gevallen bedoeld in artikel 22, § 1, 5, en artikel 46, eerste lid, 4, van deze wet.
  De vergoeding wordt betaald door de fabrikant, de intracommunautaire invoerder of aankoper van dragers die gebruikt kunnen worden voor het reproduceren van geluidswerken en audiovisuele werken dan wel van apparaten waarmee de reproduktie mogelijk wordt op de datum waarop die dragers en die apparaten op het nationale grondgebied in de handel worden gebracht.
  De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de inning en de verdeling van en de controle op de vergoeding, alsmede het tijdstip waarop die vergoeding is verschuldigd.
  Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten verdelen de vennootschappen voor het beheer van de rechten overeenkomstig artikel 58 de vergoeding onder de auteurs, de uitvoerende kunstenaars en de producenten.
  Krachtens de door Hem bepaalde voorwaarden en nadere regels gelast de Koning een voor alle vennootschappen voor het beheer van de auteursrechten representatieve vennootschap met de inning en de verdeling van de vergoeding.
  Wanner een auteur of een uitvoerende kunstenaar zijn recht op een vergoeding voor het kopiëren voor eigen gebruik van geluidswerken of audiovisuele werken heeft afgestaan, behoudt hij het recht op een billijke vergoeding voor het kopiëren voor eigen gebruik.
  De auteurs of de uitvoerende kunstenaars kunnen geen afstand doen van dat recht op een billijke vergoeding.
  Het in het eerste lid bedoelde recht op vergoeding kan niet in aanmerking komen voor de bij de artikelen 18 en 36 bedoelde vermoedens.

  Art. 55bis. [1 De in het kader van dit hoofdstuk door de Koning aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten kan de nodige inlichtingen voor het uitvoeren van haar opdracht in naleving van artikel 78 bekomen bij :
   - de Administratie der Douane en Accijnzen met toepassing van artikel 320 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen vervangen bij de wet van 27 december 1993;
   - de Administratie van de BTW met toepassing van artikel 93bis van het BTW-Wetboek van 3 juli 1969;
   - en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in toepassing van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
   Onverminderd artikel 78 kan de aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten inlichtingen doorgeven aan de Administratie der Douane en Accijnzen en aan de BTW-Administratie op hun verzoek.
   Onverminderd artikel 78 kan de aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten inlichtingen doorgeven aan en krijgen van :
   - de dienst Controle en Bemiddeling van de FOD Economie;
   - de vennootschappen voor het beheer van de rechten die een gelijkaardige activiteit uitoefenen in het buitenland, mits wederkerigheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 56.[1 De vergoeding bedoeld in artikel 55 wordt vastgesteld bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]1
  Bij ontstentenis van zodanig besluit wordt de vergoeding vastgesteld op :
  - 3 procent op de aankoopprijs zoals bepaald in het eerste lid voor toestellen waarmee de beschermde werken gereproduceerd kunnen worden;
  - 2 frank per uur voor analoge dragers;
  - 5 frank per uur voor numerieke dragers.
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2010>

  Art. 57. De vergoeding bedoeld in artikel 55 wordt terugbetaald op de wijze bepaald door de Koning :
  1° aan de producenten van geluidswerken en audiovisuele werken;
  2° aan de omroeporganisaties;
  3° (aan de instellingen die door de overheid officieel erkend en gesubsidieerd worden met het oog op de bewaring van geluidsmateriaal of audiovisueel materiaal. De vergoeding wordt enkel terugbetaald voor de dragers die zijn bestemd om geluidsmateriaal en audiovisueel materiaal te bewaren en ter plaatse beluisterd of bekeken te worden;) <W 2008-06-08/31, art. 35, 1°, 012; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  4° aan blinden, slechtzienden, doven en slechthorenden, evenals aan de erkende instellingen, opgericht ten behoeve van deze personen;
  5° aan de erkende onderwijsinstellingen, die geluidsmateriaal en audiovisueel materiaal gebruiken voor didactische of wetenschappelijke doeleinden.
  (6° aan de erkende ziekenhuizen, gevangenissen en instellingen voor jeugdzorg.) <W 2005-05-22/33, art. 16, 006 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  (Tweede lid opgeheven). <W 2008-06-08/31, art. 35, 2°, 012; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  (Bovendien kan de Koning na advies van de commissie van de betrokken milieus, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld koninklijk besluit, de categorieën van fysieke personen en rechtspersonen bepalen die :
  1° hetzij genieten van een gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de vergoeding die is geïnd en doorgerekend op de computers die zij verworven hebben;
  2° hetzij voor deze waarvoor de betalingsplichtigen van de vergoeding zoals bedoeld in artikel 55, geheel of gedeeltelijk hiervan zijn vrijgesteld of worden terugbetaald voor de computers verworven door deze personen.
  De terugbetaling of de vrijstelling van de vergoeding bedoeld in het vorige lid, dient behoorlijk met redenen omkleed te zijn :
  1° hetzij door de noodzaak om, zonder afbreuk te doen aan de creatie, de meest gelijke toegang te waarborgen voor elkeen tot de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, daar de vergoeding in kwestie een obstakel zou vormen voor deze toegang;
  2° hetzij door de noodzaak om de verwerving van computers te waarborgen door personen die dit materieel kennelijk niet aanwenden voor de reproducties bedoeld in artikel 55.
  De Koning bepaalt de voorwaarden van de terugbetaling of de vrijstelling.) <W 2005-05-22/33, art. 16, 006 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>

  Art. 58. § 1. De in artikel 55 bedoelde vergoeding wordt, naar rata van een derde, toegewezen aan elk van de volgende categorieën :
  - de auteurs;
  - de uitvoerende kunstenaars;
  - de producenten van fonogrammen en van audiovisuele werken.
  § 2. De Gemeenschappen en de federale Staat kunnen beslissen dertig procent van de opbrengst van de vergoeding waarvan sprake is in de voorgaande paragraaf, te gebruiken ter aanmoediging van de schepping van werken, en zulks door middel van een samenwerkingsakkoord met toepassing van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

  HOOFDSTUK V. - (De reproductie voor privé-gebruik of ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek) van werken die op grafische of soortgelijke wijze zijn vastgelegd. <W 1998-08-31/41, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>

  Art. 59. (De auteurs en de uitgevers van werken die op een grafische of soortgelijke drager zijn vastgelegd, hebben recht op een vergoeding voor de reproductie van die werken, ook wanneer die reproductie plaatsvindt onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 22, § 1, 4° en 4°bis, en 22bis, § 1,1° en 2°.) <W 1998-08-31/41, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  De vergoeding wordt betaald door de fabrikant, de invoerder of de intracommunautaire koper van de apparaten waarmee de beschermde werken gereproduceerd kunnen worden, op de datum waarop die apparaten op het nationale grondgebied in de handel worden gebracht.

  Art. 60. Bovendien moeten de natuurlijke personen of de rechtspersonen die kopieën van werken vervaardigen, een vergoeding betalen die evenredig is aan het aantal vervaardigde kopieën of, desgevallend, met décharge van eerstgenoemden, door hen die onder bezwarende titel of gratis een reproduktieapparaat ter beschikking stellen van anderen.

  Art. 60bis. [1 De in het kader van dit hoofdstuk door de Koning aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten kan de nodige inlichtingen voor het uitvoeren van haar opdracht in naleving van artikel 78 bekomen bij :
   - de Administratie der Douane en Accijnzen met toepassing van artikel 320 van de algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977, vervangen bij de wet van 27 december 1993;
   - de Administratie van de BTW met toepassing van artikel 93bis van het BTW-wetboek van 3 juli 1969;
   - en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in toepassing van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
   Onverminderd artikel 78 kan de aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten inlichtingen doorgeven aan de Administratie der Douane en Accijnzen en BTW-Administratie op hun verzoek.
   Onverminderd artikel 78 kan de aangewezen vennootschap voor het beheer van de rechten inlichtingen doorgeven aan en krijgen van :
   - de dienst Controle en Bemiddeling en van de FOD Economie;
   - de vennootschappen voor het beheer van de rechten die een gelijkaardige activiteit uitoefenen in het buitenland, mits wederkerigheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 61.De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de in de artikelen 59 en 60 bedoelde vergoedingen. (De vergoeding bedoeld in artikel 60 kan worden aangepast naar gelang van de betrokken sectoren.) <W 1995-04-03/41, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 09-05-1995>
  Hij bepaalt de nadere regels voor de inning en verdeling van en de controle op die vergoedingen, alsmede het tijdstip waarop ze verschuldigd zijn.
  Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten worden de in de artikelen 59 en 60 bedoelde vergoedingen in gelijke delen toegewezen aan de auteurs en de uitgevers.
  Overeenkomstig de voorwaarden en de nadere regels die Hij stelt, belast Hij een vennootschap die representatief is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten met de inning en de verdeling van de vergoeding.
  
  TOEKOMSTIGE RECHT
  (NOTA : Op een door de Koning te bepalen datum luidt dit art. als volgt:
  Art. 61. [Op vraag van de minister of van een van haar leden, brengt de Adviescommissie van de betrokken milieus aan de Koning een advies uit omtrent het statuut van de apparaten bedoeld in artikel 59 en omtrent de vergoedingen bedoeld in de artikelen 59 en 60. In voorkomend geval, verduidelijkt dit advies de verschillende standpunten van de leden van de commissie.
  Het advies van de commissie wordt uitgebracht binnen zes maanden na het aanhangig maken van het verzoek bij de commissie. Eens deze termijn is verstreken, wordt het advies geacht te zijn uitgebracht.
  (Binnen drie maanden na de mededeling van het advies, stelt de Koning vast, per categorieën van technische gelijkaardige apparaten die Hij definieert, of deze kennelijk gebruikt worden voor het reproduceren op papier of soortgelijke drager van werken.) <W 2009-12-10/21, art. 6, 014; Inwerkingtreding : onbepaald>
  Binnen dezelfde termijn, kan de Koning, op een specifieke lijst, de categorieën van technisch gelijkaardige apparaten vaststellen die niet kennelijk worden gebruikt voor het reproduceren op papier of soortgelijke drager van werken en die niet onderworpen zijn aan de vergoeding voor reprografie.
  Hij bepaalt de nadere regels voor de inning en verdeling van en de controle op die vergoedingen, alsmede het tijdstip waarop ze verschuldigd zijn.
  Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten worden de in de artikelen 59 en 60 bedoelde vergoedingen in gelijke delen toegewezen aan de auteurs en de uitgevers.
  Overeenkomstig de voorwaarden en de nadere regels die Hij stelt, belast Hij een vennootschap die representatief is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten met de inning en de verdeling van de vergoeding.
  Het bedrag van deze vergoeding kan om de drie jaar worden herzien.
  Indien de omstandigheden die het bepalen van het bedrag hebben gerechtvaardigd, kennelijk en duurzaam gewijzigd zijn, kan dit bedrag vlugger worden herzien.
  Te dien einde, kan enkel de Koning dit aanhangig maken bij de commissie van de betrokken milieus, die een advies uitbrengt binnen de termijnen bedoeld in het tweede lid. Indien de Koning het bedrag binnen de termijn van drie jaar herziet, motiveert Hij zijn beslissing door de wijziging van de initiële omstandigheden.] <W 2005-05-22/33, art. 20, 006; Inwerkingtreding : onbepaald>
  


  HOOFDSTUK Vbis. - <Ingevoegd bij W 1998-08-31/41, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> De reproductie en/of de mededeling van werken of prestaties ter illustratie bij onderwijs of voor wetenschappelijk onderzoek.

  Art. 61bis. <W 1998-08-31/41, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> (De auteurs en de uitgevers van werken hebben recht op een vergoeding voor de reproductie en de mededeling van die werken onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 22, § 1, 4°ter en 4°quater en 22bis, § 1, 3°.) <W 2OO5-05-22/33, art. 21, 006 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  De auteurs van databanken hebben recht op een vergoeding voor de mededeling ervan onder de voorwaarden bepaald in artikel 22bis, § 1, 4°.
  (De uitvoerende kunstenaars, de producenten van fonogrammen en de producenten van eerste vastleggingen van films hebben recht op een vergoeding voor de reproductie en de mededeling van hun prestaties onder de voorwaarden bepaald in artikel 46, 3°bis en 3°ter.) <W 2005-05-22/33, art. 21, 006 ; ED : 27-05-2005>

  Art. 61ter. <W 1998-08-31/41, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998> De natuurlijke personen of de rechtspersonen die exploitatiehandelingen in verband met de werken of prestaties verrichten of, desgevallend, met décharge van eerstgenoemden, de onderwijsinstellingen en de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek welke de werken of prestaties kosteloos of onder bezwarende titel ter beschikking stellen van anderen, moeten een evenredige vergoeding betalen die wordt vastgesteld op grond van de exploitatiehandelingen.

  Art. 61quater. <W 2005-05-22/33, art. 22, 006 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005> De vergoeding bedoeld in artikel 61bis, wordt vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De Koning stelt de modaliteiten van inning, verdeling en toezicht van de vergoeding vast, evenals het tijdstip waarop deze verschuldigd is.
  De Koning kan, op de door Hem bepaalde voorwaarden en wijze, een of meer vennootschappen die alleen of gezamenlijk representatief zijn voor alle vennootschappen die de rechten beheren, ermee belasten de inning en de verdeling van de vergoeding te verzekeren.
  De Koning kan tevens de verdeelsleutel van de vergoeding vaststellen, tussen de categorieën van rechthebbenden enerzijds, en tussen de categorieën van werken anderzijds.

  HOOFDSTUK VI. - Bepalingen inzake openbare uitlening.

  Art. 62. § 1. (In geval van uitlening van werken van letterkunde, databanken, fotografische werken of partituren van muziekwerken onder de voorwaarden genoemd in artikel 23, hebben de auteur en de uitgever recht op een vergoeding.) <W 2005-05-22/33, art. 23, 006 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  § 2. In geval van uitlening van geluidswerken of audiovisuele werken onder de voorwaarden genoemd in de artikelen 23 en 47, hebben de auteur, de uitvoerende kunstenaar en de producent recht op een vergoeding.

  Art. 63. Na raadpleging van de instellingen en vennootschappen voor het beheer van de rechten bepaalt de Koning het bedrag van de in artikel 62 bedoelde vergoedingen. Deze worden geïnd door de vennootschappen voor het beheer van de rechten.
   De Koning kan, overeenkomstig de door Hem gestelde voorwaarden en nadere regels, een vennootschap die representatief is voor alle vennootschappen voor het beheer van de rechten, ermee belasten de vergoedingen voor openbare uitlening te innen en te verdelen.
  Bij de vaststelling van de in artikel 62 bedoelde vergoeding bepaalt de Koning, na raadpleging van de Gemeenschappen en, in voorkomend geval, op hun initiatief, voor sommige categorieën van instellingen die door de overheid zijn erkend of opgericht, een vrijstelling of een forfaitair vastgesteld bedrag per uitlening.

  Art. 64. § 1. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten wordt de in artikel 62, § 1, bedoelde vergoeding verdeeld tussen de auteurs (en de uitgevers naar rata van 70 % voor de auteurs en 30 % voor de uitgevers.) <W 2005-05-22/33, art. 24, 006 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>
  § 2. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten wordt de in artikel 62, § 2, bedoelde vergoeding verdeeld tussen de auteurs, de uitvoerende kunstenaars en de producenten naar rata van een derde voor elk.

  HOOFDSTUK VII. - Vennootschappen voor het beheer van de rechten.

  Art. 65.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op al wie de bij deze wet erkende rechten int of verdeelt voor rekening van verschillende rechthebbenden.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 65bis. [1 § 1. Het beheer moet worden waargenomen door een vennootschap met rechtspersoonlijkheid en beperkte aansprakelijkheid die op regelmatige wijze is opgericht in een van de landen van de Europese Unie waar zij op geoorloofde wijze als vennootschap voor de inning of de verdeling van de genoemde rechten werkzaam is.
   Indien de vennootschap gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Unie, dient zij haar activiteiten in België te verrichten via een in België gevestigd bijkantoor.
   Behoudens andersluidende bepaling zijn de beheersvennootschappen die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn, enkel voor wat betreft hun in België gevestigde bijkantoren onderworpen aan alle verplichtingen die uit deze wet voortvloeien en aan de controle door de controledienst van de vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en naburige rechten bij de Federale overheidsdienst die het auteursrecht onder zijn bevoegdheden heeft, hierna de Controledienst.
   Behoudens andersluidende bepaling in deze wet en onverminderd het derde lid, betekent het woord " beheersvennootschap " zowel beheersvennootschappen die in België gevestigd zijn, als beheersvennootschappen die in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigd zijn voor wat betreft hun bijkantoor dat gevestigd is in België.
   § 2. De vennoten van beheersvennootschappen die in België gevestigd zijn, moeten de hoedanigheid bezitten van auteur, uitvoerend kunstenaar, producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films, uitgever of rechtverkrijgende van de voormelde personen, die het beheer van alle of een gedeelte van hun rechten hebben toevertrouwd aan de betrokken beheersvennootschap. De in België gevestigde beheersvennootschappen kunnen tussen hun vennoten ook andere beheersvennootschappen hebben.
   Onverminderd de artikelen 55, vijfde lid, 61, vierde lid, 61quater, derde lid, 63, tweede lid, en 65ter, § 1, eerste lid, kan een in België gevestigde beheersvennootschap de aanvaarding van individuele rechthebbenden als vennoten niet weigeren.
   De statuten van de in België gevestigde beheersvennootschappen verlenen aan de personen beoogd in het eerste lid waarvan zij de rechten beheren, het recht om hun vennoot te worden, op grond van objectieve criteria vastgelegd in de statuten die op niet-discriminatoire wijze worden toegepast en om vertegenwoordigd te zijn in de organen van de vennootschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 8, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 65ter.[1 § 1. De beheersvennootschap heeft de plicht om de rechten te beheren die door deze wet worden erkend, wanneer de rechthebbende daarom verzoekt en dat verzoek overeenstemt met de doelstelling en de statuten van de vennootschap.
   Dit beheer moet worden uitgevoerd op billijke en niet-discriminatoire wijze.
   § 2. De beheersvennootschappen beheren de rechten in het belang van de rechthebbenden.
   De beheersvennootschappen zijn zodanig georganiseerd en gestructureerd dat er een minimaal risico wordt gelopen dat belangenconflicten tussen de vennootschap en de rechthebbenden van wie zij de rechten beheren, of tussen die laatsten onderling, afbreuk doen aan de belangen van de rechthebbenden waarvan zij de rechten beheren.
   Zij werken regels uit met betrekking tot de verrichtingen die uitgevoerd worden in het kader van hun functie door de personeelsleden, het uitvoerend personeel en de vertegenwoordigers van de beheersvennootschap en waarbij deze een manifest persoonlijk belang hebben.
   § 3. De beheersvennootschap maakt een onderscheid tussen enerzijds het vermogen dat gevormd wordt door de rechten die geïnd en beheerd worden voor rekening van de houders van de door deze wet erkende rechten, en anderzijds haar eigen vermogen dat gevormd wordt door de vergoeding voor haar diensten van beheer en door de inkomsten van haar andere activiteiten of van haar eigen vermogen.
   De sommen die geïnd en beheerd worden voor rekening van de houders van de door deze wet erkende rechten, en welke nog niet betaald werden aan de rechthebbende, worden voor rekening van de rechthebbenden, onder een afzonderlijke rubriek gestort op een bijzondere rekening bij een kredietinstelling ingeschreven op een van de lijsten bedoeld in de artikelen 13 en 65 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. Deze kredietinstelling dient daarbij vooraf te verzaken aan het principe van eenheid van rekeningen en aan de wettelijke en conventionele compensatie tussen de verschillende rekeningen van de beheersvennootschap.
   De in het tweede lid bedoelde sommen mogen van de kant van de beheersvennootschappen slechts het voorwerp zijn van niet-speculatieve beleggingen.
   § 4. De beheersvennootschappen beschikken over een aan hun werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.
   Na overleg met de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, het Instituut der bedrijfsrevisoren en de beheersvennootschappen die zetelen in het overlegcomité opgericht door artikel 78ter, bepaalt de Koning de minimale eisen in verband met de boekhoudkundige organisatie en de interne controle van de in het eerste lid bedoelde beheersvennootschappen.
   De Controledienst voor de beheersvennootschappen kan ten allen tijde de nodige gegevens opvragen inzake de beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle van een beheersvennootschap.
   Indien de Controledienst ernstige of herhaalde inbreuken door een beheersvennootschap op de bepalingen van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten ervan of van de bepalingen van haar statuten of reglementen vaststelt en hij op basis van de gegevens waarover hij beschikt duidelijke aanwijzingen heeft dat deze inbreuken een gevolg zijn van een niet aan haar werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur of administratieve organisatie, zal de Controledienst aanbevelingen terzake kunnen doen aan de beheersvennootschap.
   Binnen een termijn van 3 maanden kan de beheersvennootschap besluiten deze aanbevelingen al dan niet op te volgen. Indien zij de aanbevelingen weigert op te volgen, dient zij de redenen hiervoor binnen dezelfde termijn op te geven aan de Controledienst.
   Indien de Controledienst vaststelt, nadat de beheersvennootschap geweigerd heeft de aanbevelingen op te volgen, dat een ernstige of herhaaldelijke inbreuk op de bepalingen van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten ervan of van de bepalingen van haar statuten of reglementen niet is verholpen of stopgezet, en aantoont dat dit te wijten is aan een niet aan haar werkzaamheden aangepaste beleidsstructuur of administratieve organisatie, zal hij de nodige maatregelen zoals voorzien in de artikelen 77, 77ter, 77quater, 77quinquies van deze wet, kunnen nemen.
   § 5. Als de beheersvennootschap nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor een passend individueel of geconsolideerd toezicht op de beheersvennootschap.
   Onder nauwe banden dient te worden verstaan :
   1° een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat of;
   2° een situatie waarin vennootschappen verbonden vennootschappen zijn in de zin van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999;
   3° een band van dezelfde aard als bedoeld in bovenstaande 1° en 2° tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;
   Niettegenstaande het tweede lid, worden de volgende situaties vermoed nauwe banden te creëren : de bestuursorganen zijn voor ten minste de meerderheid uit dezelfde personen samengesteld, de zetel of de exploitatiezetel is op hetzelfde adres gevestigd, er bestaan duurzame en relevante, rechtstreekse of onrechtstreekse banden op het vlak van administratieve, financiële of logistieke bijstand, dan wel van bijstand inzake human resources of infrastructuur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 9, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010; met uitzondering voor § 4 dat in werking treedt op 14-04-2010 (zie KB 2010-04-06/07, art. 2, 1°) en § 3 dat in werking treedt op een door de Koning te bepalen datum>

  Art. 65quater.[1 § 1. De beheersvennootschappen kunnen hun jaarrekening niet opmaken volgens het verkort schema bepaald in artikel 93 van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999.
   Na overleg met de Commissie voor de Boekhoudkundige Normen, het Instituut der bedrijfsrevisoren en de beheersvennootschappen die zetelen in het overlegcomité ingesteld door artikel 78ter, past de Koning de regels vastgesteld bij toepassing van artikel 4, zesde lid van de wet van 17 juli 1975 betreffende de boekhouding van ondernemingen en de regels vastgesteld bij toepassing van artikel 92 van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 aan en vervolledigt ze naar de vereisten van het wettelijk statuut van de beheersvennootschappen.
   De Koning kan bij de vaststelling van de regels die Hij bepaalt bij toepassing van het tweede lid, een onderscheid maken in functie van de betrokken rechten.
   § 2. Ongeacht de rechtsvorm of grootte van de beheersvennootschap stellen de bestuurders of zaakvoerders van de beheersvennootschappen een jaarverslag op waarin zij rekenschap geven van hun beleid. Dit jaarverslag bevat de in artikel 96 van het Wetboek van vennootschappen bepaalde elementen, alsook alle gegevens die volgens deze wet in het jaarverslag moeten worden opgenomen.
   Het eerste lid geldt ook voor in een andere Europese lidstaat gevestigde beheersvennootschappen voor wat hun in België gevestigde bijkantoren betreft. Het jaarverslag wordt opgesteld door de persoon die in België met het bestuur van een bijkantoor van een in een andere Europese lidstaat gevestigde beheersvennootschap is belast.
   § 3. Onverminderd de artikelen 95, 96 en 119 van het Wetboek van vennootschappen worden in het jaarverslag van de beheersvennootschap volgende gegevens opgenomen :
   1° voor elke inningsrubriek die op eenduidige wijze gedefinieerd is :
   a) het bedrag aan geïnde rechten;
   b) het bedrag van de directe kosten verbonden aan die inningen alsook het bedrag van de indirecte kosten van de beheersvennootschap, die aan die rubriek toegewezen worden;
   c) het bedrag van de onder de rechthebbenden verdeelde rechten, aan de rechthebbenden betaalde rechten, alsook het bedrag van de nog te verdelen rechten.
   2° de vergoeding die de rechthebbenden aan de beheersvennootschap moeten betalen voor de diensten van beheer die door de beheersvennootschap verricht werden;
   3° de financiële gegevens op basis waarvan de vergoeding bepaald onder 2° berekend wordt;
   4° de vaststelling van enerzijds het geheel van de middelen van de beheersvennootschap en anderzijds de geïnde rechten, en het in overeenstemming brengen ervan met hun respectieve aanwending.
   § 4. De beheersvennootschappen delen voor elk boekjaar, binnen de zes maanden na de afsluiting van het betrokken boekjaar, de in § 3 bedoelde informatie mee aan de Controledienst.
   Binnen dezelfde termijn wordt de informatie bedoeld in § 3, 1°, bovendien opgenomen op de internetpagina van de beheersvennootschap op een duidelijk leesbare plaats en met duidelijke verwijzing in het hoofdmenu van de internetpagina.
   § 5. Na overleg met de Commissie voor de Boekhoudkundige Normen, het Instituut der bedrijfsrevisoren en de beheersvennootschappen die zetelen in het overlegcomité ingesteld door artikel 78ter, kan de Koning nadere regels bepalen betreffende de wijze waarop de in § 3 vermelde gegevens worden weergegeven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 10, 014; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 65quinquies. [1 De personen die onderworpen zijn aan een gerechtelijk verbod als bedoeld door de artikelen 1 tot 3, 3bis, §§ 1 en 3, en 3ter van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, mogen binnen een beheersvennootschap feitelijk en/of juridisch geen functie van zaakvoerder, bestuurder, persoon die in België met het bestuur van een bijkantoor van een buitenlandse vennootschap is belast of directeur uitoefenen, noch vennootschappen vertegenwoordigen die dergelijke functies uitoefenen.
   De in het eerste lid opgesomde functies mogen evenmin worden uitgeoefend door :
   1° personen die werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van minder dan drie maanden of een geldboete voor een misdrijf bedoeld in voornoemd koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934;
   2° personen die strafrechtelijk werden veroordeeld wegens overtreding van :
   a) de artikelen 148 en 149 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;
   b) de artikelen 104 en 105 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;
   c) de artikelen 38, vierde lid, en 42 tot 45 van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten;
   d) de artikelen 31 tot 35 van de bepalingen betreffende de private spaarkassen, gecoördineerd op 23 juni 1962;
   e) de artikelen 13 tot 16 van de wet van 10 juni 1964 op het openbaar aantrekken van spaargelden;
   f) de artikelen 110 tot 112ter van titel V van boek I van het Wetboek van Koophandel of de artikelen 75, 76, 78, 150, 175, 176, 213 en 214 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten;
   g) artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 41 van 15 december 1934 tot bescherming van het gespaard vermogen door reglementering van de verkoop, op afbetaling, van premie-effecten;
   h) de artikelen 18 tot 23 van het koninklijk besluit nr. 43 van 15 december 1934 betreffende de controle op de kapitalisatieondernemingen;
   i) de artikelen 200 tot 209 van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935;
   j) de artikelen 67 tot 72 van het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen of artikel 34 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;
   k) de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit nr. 71 van 30 november 1939 betreffende het leuren met roerende waarden en demarchage met roerende waarden en goederen of eetwaren;
   l) artikel 31 van het koninklijk besluit nr. 72 van 30 november 1939 tot regeling van de beurzen voor de termijnhandel in goederen en waren, van het beroep van de makelaars en tussenpersonen die zich met deze termijnhandel inlaten en van het regime van de exceptie van spel;
   m) artikel 29 van de wet van 9 juli 1957 tot regeling van de verkoop op afbetaling en van zijn financiering of de artikelen 101 en 102 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;
   n) artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 64 van 10 november 1967 tot regeling van het statuut van de portefeuillemaatschappijen;
   o) de artikelen 53 tot 57 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
   p) de artikelen 11, 15, § 4, en 18 van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen;
   q) artikel 139 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;
   r) afdeling 2 van hoofdstuk VIII van deze wet of artikel 10 van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's;
   3° personen die werden veroordeeld door een buitenlandse rechtbank voor een van de misdrijven als bepaald in 1° en 2°; in deze gevallen is artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 van toepassing.
   De Koning kan de bepalingen van dit artikel aanpassen om ze in overeenstemming te brengen met de wetten die de erin opgesomde teksten wijzigen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 11, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 65sexies. [1 De bestuurders en de dagelijkse bestuurders van een vennootschap voor het beheer van de rechten zijn onderworpen aan het bepaalde in de artikelen 527 en 528 van het Wetboek van Vennootschappen, waarbij een overtreding van hoofdstuk VII van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gelijkgesteld met een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 12, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 66.[1 § 1. De vennootschappen voor het beheer van de rechten stellen tariferingsregels en innings- en verdelingsregels vast voor alle exploitatiewijzen waarvoor zij rechten van de rechthebbenden beheren, behalve in de gevallen waarin zij door of krachtens de wet zijn of moeten worden vastgesteld.
   De beheersvennootschappen beschikken steeds over een bijgewerkte en gecoördineerde versie van hun regels van tarifering, inning en verdeling van de rechten. De bijgewerkte en gecoördineerde versie van hun regels van tarifering en inning worden bekendgemaakt op de website van de beheersvennootschap binnen een maand na hun laatste bijwerking.
   Elke rechthebbende die het beheer van zijn rechten heeft toevertrouwd aan een beheersvennootschap heeft het recht binnen een termijn van drie weken na zijn verzoek een bijgewerkte en gecoördineerde versie te verkrijgen van de regels van tarifering, inning en verdeling van die vennootschap.
   § 2. De beheersvennootschappen nemen maatregelen om de rechten die zij innen binnen de vierentwintig maanden na inning te verdelen. In het jaarverslag wordt aangegeven welke rechten niet binnen de vierentwintig maanden na hun inning verdeeld werden, en worden de redenen daarvoor aangegeven.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 13, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 66bis. [1 § 1. Na overleg met de beheersvennootschappen, de organisaties die de debiteuren van de rechten vertegenwoordigen en de organisaties die de consumenten vertegenwoordigen, die zetelen in het overlegcomité ingesteld door artikel 78ter, bepaalt de Koning :
   1° de minimuminformatie die de documenten betreffende de inning van rechten die door de beheersvennootschappen ter kennis van het publiek worden gebracht onverminderd andere wettelijke bepalingen moeten bevatten;
   2° de minimuminformatie die de facturen afkomstig van de beheersvennootschappen onverminderd andere wettelijke bepalingen moeten bevatten.
   De Koning kan een onderscheid maken betreffende de minimuminformatie bepaald in het eerste lid, 1° en 2° in functie van de betreffende rechten.
   § 2. Na overleg met de beheersvennootschappen, de organisaties die de debiteuren van de rechten vertegenwoordigen en de organisaties die de consumenten vertegenwoordigen, die zetelen in het overlegcomité ingesteld door artikel 78ter en onverminderd het exclusieve recht van auteurs en houders van naburige rechten, kan de Koning, rekening houdend met de verschillende categorieën van werken en de verschillende exploitatiewijzen, nadere regels bepalen voor de administratieve vereenvoudiging van de inning van de vergoedingen voor de openbare uitvoering van muzikale werken, alsook voor de inningen die verricht worden door de vennootschappen aangesteld door de Koning overeenkomstig de artikelen 55, 59 en 63.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 14, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 66ter. [1 De Koning kan na overleg met de Commissie voor de boekhoudkundige Normen, het Instituut der Bedrijfsrevisoren en de beheersvennootschappen die zetelen binnen het overlegcomité ingesteld door artikel 78ter de minimuminformatie bepalen die de stukken inzake het beheer van de rechten die door de beheersvennootschappen ter kennis worden gebracht van of worden gebruikt ten aanzien van de rechthebbenden moeten bevatten, onverminderd andere wettelijke bepalingen, om zo de rechthebbenden duidelijke, volledige en precieze informatie te verschaffen over de onderwerpen die in deze documenten worden behandeld.
   De Koning kan een onderscheid maken inzake de minimuminformatie bepaald in het eerste lid, in functie van de betreffende rechten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 15, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 66quater. [1 § 1. Niettegenstaande ieder andersluidend beding, kunnen de statuten, reglementen of overeenkomsten van de vennootschappen een rechthebbende niet beletten het beheer van de rechten die betrekking hebben op een of meer categorieën van werken of prestaties van zijn repertoire toe te vertrouwen aan een andere vennootschap van zijn keuze of om het beheer zelf uit te oefenen.
   Voor zover de rechthebbende een opzegging van zes maanden voor het einde van het boekjaar geeft, tenzij een kortere termijn voorzien wordt in de overeenkomst met de rechthebbende, zal de terugtrekking van de rechten uitwerking hebben de eerste dag van het volgende boekjaar. Indien de opzegging van de terugtrekking minder dan zes maanden voor het einde van het boekjaar wordt gegeven of minder dan de termijn die voorzien wordt in de overeenkomst met de rechthebbende indien deze korter is dan zes maanden, heeft de terugtrekking uitwerking de eerste dag van het boekjaar dat volgt op het daarop volgende boekjaar.
   De terugtrekking van de rechten gebeurt zonder afbreuk te doen aan de rechtshandelingen die voordien door de vennootschap zijn gesteld.
   § 2. De persoon die van een wettig belang doet blijken heeft het recht om de gehele repertoires die de beheersvennootschappen beheren, ter plaatse of schriftelijk te raadplegen. Indien een persoon met een wettig belang een schriftelijk verzoek richt aan de beheersvennootschap teneinde zich te informeren of een bepaald werk tot het repertoire van de beheersvennootschap behoort, dient deze laatste de verzoeker binnen de termijn van drie weken vanaf de ontvangst van het verzoek een volledig en schriftelijk antwoord te verschaffen.
   De beheersvennootschappen maken aan het einde van hun boekjaar een geactualiseerde lijst met alle namen van de rechthebbenden die hen bij overeenkomst het beheer van hun rechten hebben toevertrouwd, met uitzondering van de rechthebbenden waarvan de rechten beheerd worden in uitvoering van overeenkomsten gesloten met andere Belgische of buitenlandse beheersvennootschappen, over aan de Controledienst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 16, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 66quinquies. [1 § 1. De beheersvennootschappen mogen noch op rechtstreekse noch op onrechtstreekse wijze kredieten of leningen toestaan. Ze mogen zich evenmin op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze borg stellen voor de verbintenissen aangegaan door derden.
   § 2. Zij mogen enkel voorschotten op de rechten toekennen als elk van de volgende voorwaarden vervuld is :
   - zij worden verleend op grond van niet-discriminatoire regels. Deze regels maken een wezenlijk bestanddeel van de verdelingsregels van de beheersvennootschap uit;
   - het verlenen van voorschotten brengt het resultaat van de definitieve verdeling niet in het gedrang.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 17, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 66sexies. [1 § 1. Onverminderd artikel 58, § 2, kan enkel de algemene vergadering van de in België gevestigde beheersvennootschap met een meerderheid van twee derden van de stemmen van de aanwezige of vertegenwoordigde vennoten, tenzij de statuten in strengere bepalingen voorzien, beslissen dat ten hoogste 10 % van de geïnde rechten door de beheersvennootschap kan worden bestemd voor sociale, culturele of educatieve doeleinden. De algemene vergadering kan daarbij een algemeen kader of algemene richtlijnen vastleggen betreffende de aanwending van die sommen.
   Het beheer van de rechten bestemd voor sociale, culturele of educatieve doeleinden wordt uitgevoerd door de beheersvennootschap zelf.
   De in België gevestigde beheersvennootschappen die overeenkomstig het eerste lid een deel van hun geboekte rechten bestemmen voor sociale, culturele of educatieve doeleinden, scheiden de rekeningen zodat blijkt welke middelen voor die doelstellingen bestemd worden, alsmede hun daadwerkelijke aanwending.
   De toekenning en het gebruik van rechten door de beheersvennootschap ten behoeve van sociale, culturele en educatieve doeleinden maakt elk jaar het voorwerp uit van een verslag van de raad van bestuur, waarin de toekenning en het gebruik van die rechten aangegeven worden. Dit verslag wordt voorgelegd aan de algemene vergadering en wordt ter informatie overgemaakt aan de Controledienst.
   § 2. Onverminderd artikel 58, § 2 en strengere wettelijke bepalingen van de lidstaat waar zij gevestigd zijn, kunnen in een andere Europese lidstaat gevestigde beheersvennootschappen ten hoogste 10 % van de in België geïnde rechten bestemmen voor sociale, culturele of educatieve doeleinden.
   Het beheer van de rechten bestemd voor sociale, culturele of educatieve doeleinden wordt uitgevoerd door de beheersvennootschap zelf.
   De in een andere Europese lidstaat gevestigde beheersvennootschappen die overeenkomstig het eerste lid een deel van hun geboekte rechten bestemmen voor sociale, culturele of educatieve doeleinden, scheiden de rekeningen waaruit blijkt welke middelen voor die doelstellingen bestemd worden, alsmede hun daadwerkelijke aanwending.
   De toekenning en het gebruik van rechten door de beheersvennootschap ten behoeve van sociale, culturele en educatieve doeleinden maakt elk jaar het voorwerp uit van een verslag van het beheers- of bestuursorgaan, waarin de toekenning en het gebruik van die rechten aangegeven worden. Dit verslag wordt voorgelegd aan de algemene vergadering en wordt ter informatie overgemaakt aan de Controledienst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 18, 014; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 67.[1 § 1. De vennootschappen bedoeld in artikel 65 die hun activiteiten in België willen uitoefenen, moeten alvorens met hun activiteiten te starten een vergunning krijgen van de minister die bevoegd is voor het auteursrecht.
   § 2. De vergunning wordt verleend aan vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 65bis tot 65quinquies, 66, 66quater, 66quinquies en 66sexies.
   De vergunningsvoorwaarden voor een beheersvennootschap opgericht in een ander land van de Europese Unie mogen gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare eisen en controles waaraan de beheersmaatschappij al in dat land onderworpen is, niet overlappen.
   § 3. Alle aanvragen om vergunning worden per aangetekende zending naar de minister gestuurd.
   De Koning bepaalt de inlichtingen en de stukken die bij de aanvraag om vergunning moeten worden gevoegd.
   Binnen twee maanden na de indiening van de aanvraag bezorgt de minister of zijn afgevaardigde de aanvrager een ontvangstbewijs indien het dossier volledig is. In het tegengestelde geval, informeert hij deze dat het dossier niet volledig is met vermelding van de ontbrekende documenten of gegevens. De minister of zijn afgevaardigde levert het ontvangstbewijs van het volledige dossier af binnen twee maanden na ontvangst van de ontbrekende documenten of gegevens.
   De minister spreekt zich uit binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van de volledigheid van het dossier. Indien de aanvrager binnen deze termijn bijkomende gegevens of documenten bij zijn aanvraag voegt, wordt de termijn van drie maanden met twee maanden verlengd. De beslissing wordt binnen vijftien dagen ter kennis gebracht van de aanvrager bij aangetekende zending.
   De vergunning wordt binnen dertig dagen bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
   Als de weigering van de vergunning wordt beoogd, deelt de minister of de hiertoe aangewezen persoon vooraf aan de betrokken beheersvennootschap, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee. Hij deelt de beheersvennootschap mee dat zij vanaf deze kennisgeving over een termijn van twee maanden beschikt om het dossier dat werd opgemaakt, in te kijken, om te worden gehoord door de minister of de hiertoe aangewezen persoon en om zijn middelen te doen gelden. Deze termijn van twee maanden schort de termijn van drie maanden bedoeld in het vierde lid op. De beslissing wordt binnen vijftien dagen ter kennis gebracht bij aangetekende zending.
   § 4. De minister kan een vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken wanneer de vennootschap niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de vergunning alsook wanneer de vennootschap zware of herhaalde inbreuken op de bepalingen van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten ervan of van de bepalingen van haar statuten of reglementen begaat of heeft begaan.
   Als de intrekking van de vergunning wordt beoogd, deelt de minister vooraf aan de betrokken beheersvennootschap, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee. Hij deelt de beheersvennootschap mee dat zij vanaf deze kennisgeving over een termijn van twee maanden beschikt om het dossier dat werd opgemaakt, in te kijken, om te worden gehoord door de minister of de hiertoe aangewezen persoon en om haar middelen te doen gelden.
   De minister bepaalt vanaf welke datum de intrekking in werking treedt. Elke intrekking wordt binnen dertig dagen na de intrekkingsbeslissing in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Tussen de datum van kennisgeving van de intrekkingsbeslissing aan de beheersvennootschap en de datum van inwerkingtreding van de intrekking neemt de beheersvennootschap onverminderd artikel 67bis de voorzichtige en zorgzame maatregelen om de beheersactiviteiten waarvoor de vergunning is ingetrokken stop te zetten. Met name verwittigt zij onmiddellijk volgens de nadere regels bepaald door de minister de houders van rechten die haar het beheer van hun rechten hebben toevertrouwd van de beslissing tot intrekking en van de datum van inwerkingtreding ervan.
   Op de datum van inwerkingtreding van de intrekking van de vergunning geldt deze als ontbinding van de overeenkomsten waarbij de houders van de rechten het beheer van hun rechten toevertrouwen aan de beheersvennootschap. In geval van gedeeltelijke intrekking,
   worden de overeenkomsten ontbonden in de mate dat zij betrekking hebben op de activiteit waarvoor de vergunning werd ingetrokken.
   § 5. Vanaf de bekendmaking van de beslissing tot intrekking van de vergunning in het Belgisch Staatsblad worden in de deposito- en consignatiekas gestort, op een rekening geopend op initiatief van de commissaris(sen) bepaald in artikel 67bis, waarbij in de rubriek de naam wordt vermeld van de vennootschap waarvan de vergunning werd ingetrokken :
   1° de rechten die nog verschuldigd zijn voor de periodes vóór de inwerkingtreding van de intrekkingsbeslissing;
   2° de rechten die onderworpen zijn aan een verplicht collectief beheer die nog verschuldigd zijn voor de periodes na deze inwerkingtreding indien op de datum van inwerkingtreding van de beslissing tot intrekking van de vergunning geen andere beheersmaatschappij gemachtigd is om deze rechten voor dezelfde categorie van rechthebbenden te beheren.
   Het beheer van de in het vorige lid bedoelde rekening berust uitsluitend bij de bijzondere commissaris(sen) bedoeld in artikel 67bis.
   § 6. De handelingen en beslissingen van de vennootschap waarvan de vergunning werd ingetrokken, verricht met inbreuk van de intrekkingsbeslissing, zijn nietig.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 19, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010; met uitzondering voor §1, §2 en §3 die in werking treden op 14-04-2010 (zie KB 2010-04-06/07, art. 2, 2°) >

  Art. 67bis. [1 Vanaf de beslissing tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de vergunning van een beheersvennootschap, kan de minister één of meer bijzondere commissarissen aanstellen voor de duur die hij bepaalt die over de vereiste juridische, financiële en boekhoudkundige bekwaamheden beschikken, ter vervanging van de bevoegde organen met het oog op en binnen de beperkingen van de uitvoering van de stopzetting van de beheersactiviteiten waarvoor de vergunning is ingetrokken. De bijzondere commissarissen kunnen zich voor de uitvoering van hun opdracht laten bijstaan door elke deskundige.
   De bijzondere commissaris of commissarissen bepaald in het eerste lid hebben als opdracht over te gaan tot de verdeling van de rechten bedoeld in artikel 67, § 5, volgens de verdelingsregels van de beheersvennootschap of indien deze niet conform blijken te zijn met de wet of met de statuten van de beheersvennootschap volgens de verdelingsregels die zij vaststellen. Voor zij worden vastgesteld worden de ontwerpen van verdelingsregels voor advies meegedeeld aan de Controledienst. Deze geeft haar advies binnen een termijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van de ontwerpen. Met het oog op en binnen de beperkingen van de uitvoering van de stopzetting van de beheersactiviteiten waarvoor de vergunning wordt ingetrokken, mogen de in het eerste lid bepaalde commissarissen de overeenkomsten inzake inning en beheer van rechten verlengen.
   De bezoldiging van de bijzondere commissaris(sen) wordt vastgesteld door de minister volgens een door de Koning vastgestelde loonschaal en is verschuldigd door de vennootschap van wie de vergunning werd ingetrokken. Zij wordt voorgeschoten door het organiek fonds opgericht overeenkomstig artikel 76bis en worden gerecupereerd door de Federale Overheidsdienst die de auteursrechten tot zijn bevoegdheid heeft ten laste van de vennootschap waarvan de erkenning werd ingetrokken.
   De bijzondere commissaris(sen) brengen minimum driemaandelijks schriftelijk verslag uit over hun werkzaamheden aan de minister bevoegd voor het auteursrecht.
   De taak van de bijzondere commissarissen eindigt bij beslissing van de minister.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 20, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 68.[1 § 1. De controle bij in België gevestigde beheersvennootschappen, op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, ten aanzien van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten, de statuten en de verdelingsregels, van de in de jaarrekening en geconsolideerde rekeningen weergegeven verrichtingen, wordt opgedragen aan een of meer commissarissen gekozen onder de leden van het Instituut der bedrijfsrevisoren, ongeacht de grootte van de beheersvennootschap.
   Alle bepalingen van het Wetboek van vennootschappen die betrekking hebben op de commissarissen, op hun opdracht, hun taken en bevoegdheden, op de benoeming- en ontslagmodaliteiten, zijn van toepassing op de commissarissen bepaald in het eerste lid.
   § 2. De controle bij in een andere Europese lidstaat gevestigde beheersvennootschappen voor wat hun in België gevestigde bijkantoren betreft, op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, ten aanzien van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten, de statuten en de verdelingsregels, en van de in de jaarrekening weergegeven verrichtingen, wordt opgedragen aan een of meer revisoren gekozen onder de leden van het Instituut der bedrijfsrevisoren, ongeacht de grootte van de beheersvennootschap.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 21, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 68bis. [1 De Controledienst kan op elk ogenblik aan de bij een beheersvennootschap aangestelde commissaris of revisor een bewijs vragen dat de commissaris of revisor niet het voorwerp uitmaakt van een tuchtsanctie.
   De commissaris of revisor die het voorwerp heeft uitgemaakt van een tuchtsanctie, brengt de Controledienst alsmede de betrokken beheersvennootschap van die tuchtsanctie op de hoogte binnen vijf werkdagen na de betekening van die tuchtmaatregel door het Instituut der Bedrijfsrevisoren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 22, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 68ter. [1 Wanneer een commissaris of revisor ontslag neemt uit de beheersvennootschap, dan brengt deze de Controledienst hiervan op de hoogte binnen de vijf werkdagen die volgen op de kennisgeving van het ontslag.
   Binnen vijf werkdagen die volgen op de herroeping door de beheersvennootschap van het mandaat van commissaris of revisor, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen, brengt de beheersvennootschap die herroeping ter kennis van de Controledienst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 23, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 68quater. [1 § 1. Onverminderd de taken die aan de commissaris of revisor worden opgedragen door of op grond van andere wettelijke bepalingen, bestaat de opdracht van de bij een beheervennootschap aangestelde commissaris of revisor er in om :
   1° zich ervan te vergewissen dat de beheersvennootschap passende maatregelen heeft getroffen voor de administratieve en boekhoudkundige organisatie en voor de interne controle met het oog op de naleving van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan. Die taak maakt ieder jaar het voorwerp uit van een bijzonder verslag aan de raad van bestuur dat ter informatie wordt bezorgd aan de Controledienst;
   2° in het kader van hun opdracht bij een beheersvennootschap of van een opdracht als revisor bij een natuurlijke persoon of rechtspersoon waarmee de beheersvennootschap nauwe banden heeft, in de zin van artikel 65ter, § 5, tweede lid, op eigen initiatief verslag uit te brengen aan de bestuurders of zaakvoerders van de beheersvennootschap, wanneer zij kennis krijgen van :
   a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de beheersvennootschap op financieel vlak, op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op beduidende wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;
   b) beslissingen of feiten die een schending van het Wetboek van vennootschappen, van de boekhoudwetgeving, van de statuten van de vennootschap, van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten kunnen uitmaken;
   c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een verklaring met voorbehoud, een afkeurende verklaring, of een onthoudende verklaring.
   Een kopie van de in het vorige lid, onder 1° en 2° bedoelde verslagen wordt door de commissaris tegelijkertijd bezorgd aan de Controledienst. De Controledienst zal geen verdere acties ondernemen in verband met de in de verslagen vermelde gegevens gedurende een termijn van 15 dagen na het versturen van deze verslagen teneinde de beheersvennootschap toe te laten haar opmerkingen aan de commissaris of revisor en aan de Controledienst over te maken.
   § 2. Geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of disciplinaire vordering kan worden ingesteld noch een professionele sanctie kan worden uitgesproken tegen de commissarissen of revisoren die te goeder trouw de informatie bepaald in § 1, eerste lid, 2° verstrekt hebben.
   De commissarissen en revisoren zijn ten aanzien van de minister en van de Controledienst vrijgesteld van hun beroepsgeheim wanneer zij een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, van de boekhoudwetgeving, van de statuten van de vennootschap, van de bepalingen van dit hoofdstuk of van de uitvoeringsbesluiten ervan vaststellen.
   § 3. De commissaris kan eisen van het bestuursorgaan van de vennootschap waarop hij controle uitoefent, dat het hem ter zetel van de vennootschap in het bezit stelt van inlichtingen betreffende natuurlijke of rechtspersonen waarmee de beheersvennootschap nauwe banden heeft, in de zin van artikel 65ter, § 5, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 24, 014; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 69.[1 § 1. De sommen die worden geïnd en waarvan met zekerheid blijkt dat ze niet kunnen worden toegewezen, worden door de in België gevestigde beheersvennootschappen verdeeld onder de rechthebbenden van de betrokken categorie, op de wijze die bij tweederde meerderheid van de algemene vergadering wordt bepaald.
   Bij gebreke van een dergelijke meerderheid wordt met dit doel speciaal een nieuwe algemene vergadering bijeengeroepen, die bij gewone meerderheid beslist.
   Over de aanwending van die sommen maakt de commissaris jaarlijks een bijzonder verslag op.
   § 2. De sommen die in België door in een andere Europese lidstaat gevestigde beheersvennootschappen worden geïnd en waarvan met zekerheid blijkt dat ze niet kunnen worden toegewezen, moeten door de in een andere Europese lidstaat gevestigde beheersvennootschappen worden verdeeld onder de rechthebbenden van de betrokken categorie.
   Over de aanwending van die sommen maakt de revisor jaarlijks een bijzonder verslag op.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 25, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 69bis. [1 Onverminderd specifieke afwijkende bepalingen verjaren de vorderingen tot betaling van de rechten geïnd door de beheersvennootschappen na tien jaar te rekenen van de dag van hun inning. Deze termijn wordt geschorst vanaf de inning tot de datum van hun inverdelingstelling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 26, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 70.Onverminderd de informatie die medegedeeld moet worden krachtens de wetten en de statuten, kan elke vennoot of zijn gemachtigde, binnen een maand te rekenen van de dag van zijn verzoek, een afschrift krijgen van de stukken van de laatste drie jaren die betrekking hebben op :
  1° de door de algemene vergadering goedgekeurde jaarrekeningen en de financiële structuur van de vennootschap;
  2° de bijgewerkte lijst van de bestuurders;
  3° de verslagen van de raad van bestuur en van de commissaris-revisor aan de algemene vergadering;
  4° de tekst van en de toelichting bij de aan de algemene vergadering voorgestelde resoluties, alsmede alle inlichtingen betreffende de kandidaten voor de raad van bestuur;
  5° het door de commissaris-revisor voor juist verklaarde totale bedrag van de bezoldigingen, forfaitaire kosten en voordelen van welke aard ook, die werden uitgekeerd aan de bestuurders;
  6° de geactualiseerde tarieven van de vennootschap;
  7° de bestemming van de sommen die, overeenkomstig de [1 artikelen 13, § 3]1, en 69, verdeeld moesten worden.
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 27, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 71. De vennootschappen kunnen, binnen de perken van de hen op grond van hun statuten verleende bevoegdheden, algemene contracten sluiten met betrekking tot de exploitatie van auteursrechten en naburige rechten.

  Art. 72. Deze wet doet geen afbreuk aan de contracten inzake vertegenwoordiging die de in deze wet bedoelde vennootschappen hebben gesloten, noch aan de contracten die zij, onder de gelding van vroegere wetten, met derden hebben gesloten.
  Deze bepaling geldt enkel in zoverre die vennootschappen de in artikel 67 bedoelde vergunning hebben aangevraagd binnen zes maanden te rekenen van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in dat artikel.
  Die aanvraag moet vergezeld gaan van een kopie van de statuten en van de laatste drie goedgekeurde balansen.
  De vergunning wordt van rechtswege toegekend op verzoek van de vennootschappen die, sedert ten minste drie jaar vóór de inwerkingtreding van deze wet, de werkzaamheden bedoeld in artikel 65 werkelijk hebben verricht, of die dergelijke werkzaamheden hebben overgenomen van een vennootschap of van een vereniging die ze even lang heeft verricht.

  Art. 73. De vennootschappen zijn bevoegd om in rechte op te treden met het oog op de verdediging van de rechten die zij krachtens de statuten beheren.

  Art. 74. Het bewijs van een opvoering, uitvoering, reproduktie of enige andere exploitatie, alsook het bewijs van een onjuiste verklaring over de opgevoerde, uitgevoerde of gereproduceerde werken of over de ontvangsten kan niet alleen door de processen-verbaal van de officieren of de agenten van de gerechtelijke politie worden geleverd, maar ook door de vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder of tot het tegendeel bewezen is van een door beheersvennootschappen aangewezen persoon die erkend is door de Minister bevoegd voor het auteursrecht en beëdigd is overeenkomstig artikel 572 van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 75.[1 Niettegenstaande iedere andersluidende bepaling brengen de beheersvennootschappen de Controledienst op de hoogte van de voorstellen tot wijziging van de statuten, de tarifering-, inning- en verdelingregels minstens zestig dagen vóór onderzoek ervan door het bevoegde orgaan.
   De Controledienst kan eisen dat de opmerkingen die hij over die voorstellen maakt, ter kennis van het bevoegde orgaan van de vennootschap worden gebracht. Deze opmerkingen en de desbetreffende antwoorden moeten worden opgenomen in het proces-verbaal van het bevoegde orgaan.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 28, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 75bis. [1 § 1. De in België gevestigde beheersvennootschappen bezorgen aan de Controledienst een kopie van de boekhoudkundige staat die, overeenkomstig artikel 137, § 2, derde lid van het Wetboek van vennootschappen, halfjaarlijks aan de commissarissen wordt bezorgd.
   De in een andere Europese lidstaat gevestigde beheersvennootschappen bezorgen aan de Controledienst ten minste halfjaarlijks een boekhoudkundige staat met betrekking tot de activiteit van de in België gevestigde bijkantoren en opgesteld volgens het schema van balans en resultatenrekening.
   § 2. De beheersvennootschappen bezorgen aan de Controledienst een maal per jaar een gecoördineerde en bijgewerkte versie van hun tariferings-, inings- en verdelingsregels.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 29, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 76.[1 § 1. De controledienst van de vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en naburige rechten bij de Federale overheidsdienst die het auteursrecht onder zijn bevoegdheden heeft, hierna de Controledienst, oefent toezicht uit op de toepassing van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan door de beheersvennootschappen, alsmede op de toepassing van hun statuten en hun regels van tarifering, inning en verdeling.
   § 2. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de ambtenaren van de Controledienst, hiertoe aangewezen door de minister, eveneens bevoegd voor het opsporen en vaststellen van de inbreuken bedoeld in artikel 78bis.
   § 3. Onverminderd de paragrafen 4 tot 6, zijn de ambtenaren van de Controledienst gehouden tot een vertrouwelijkheidsplicht ten aanzien van vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis hebben in het kader van de uitoefening van hun functie. Zij mogen na de beëindiging van hun functie gedurende één jaar geen enkele functie uitoefenen in een vennootschap die onderworpen is aan de controle bepaald in deze wet of in een grote vennootschap in de zin van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen waarvan meer dan de helft van de bedrijfsopbrengsten rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie in België van beschermde werken of prestaties.
   § 4. De Controledienst kan zich bij het verrichten van de opdrachten die hem zijn toegekend, laten bijstaan door onafhankelijke deskundigen die aan hem verslag uitbrengen. Deze deskundigen zijn gehouden tot een vertrouwelijkheidsplicht ten aanzien van vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis hebben in het kader van de uitoefening van hun opdracht.
   § 5. De Controledienst kan :
   1° vertrouwelijke gegevens meedelen in het kader van gerechtelijke procedures ingesteld nadat een beheersvennootschap failliet is verklaard of een gerechtelijk akkoord heeft verkregen;
   2° vertrouwelijke gegevens meedelen over de beheersvennootschappen :
   a) op bevel van een rechtbank;
   b) aan de Belgische of Europese autoriteiten belast met het toezicht op de naleving van de wetgeving inzake de bescherming van de economische mededinging;
   c) aan de organen betrokken bij de vereffening en het faillissement van beheersvennootschappen of bij andere soortgelijke procedures;
   d) aan de personen belast met de wettelijke controle van de rekeningen van beheersvennootschappen;
   e) aan de autoriteiten belast met het toezicht op de organen betrokken bij de vereffening en het faillissement van beheersvennootschappen of bij andere soortgelijke procedures.
   Gegevens mogen slechts meegedeeld worden met het oog op de uitoefening door de ontvanger ervan van zijn wettelijke opdracht zoals omschreven in het eerste lid.
   Voor zover dit voor de ontvanger van de informatie die meegedeeld werd door de Controledienst geen afbreuk doet aan de vervulling van zijn opdracht, wordt een kopie hiervan meegedeeld aan de raad van bestuur van de betrokken beheersvennootschap.
   § 6. Elk jaar wordt een activiteitenverslag bekendgemaakt, met gegevens opgesplitst in functie van de wettelijke bepalingen die een controleopdracht toekennen aan de Federale overheidsdienst die het auteursrecht onder zijn bevoegdheden heeft ten aanzien van de beheersvennootschappen. Dit verslag zal per categorie van werken en exploitatiewijzen een onderscheid maken tussen de vragen om inlichtingen, de klachten van debiteuren en van rechthebbenden, en de ambtshalve tussenkomsten van de Controledienst alsmede hun resultaten. De gegronde klachten worden bekendgemaakt per beheersvennootschap.
   Het verslag geeft een getrouw beeld van de sector van het collectief beheer en zal verslag uitbrengen van de specifieke rol en de financiële toestand van de beheersvennootschappen alsook van de recente ontwikkelingen binnen deze sector.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 30, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 76bis.[1 § 1. Er wordt een organiek fonds opgericht voor de controle van de vennootschappen voor het beheer van rechten.
   De ontvangsten toegewezen aan het fonds bedoeld in het eerste lid, alsook de mogelijke uitgaven ten laste van het fonds, zijn vermeld bij het genoemde fonds, in de bij organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen gevoegde tabel.
   § 2. Om het fonds bedoeld in § 1 te spijzen en volgens de nadere regels bepaald door de Koning is elke vennootschap ertoe gehouden een jaarlijkse bijdrage te betalen.
   In geval van intrekking van de vergunning in toepassing van deze wet blijft de beheersvennootschap onderworpen aan de verplichting tot bijdrage tot 31 december van het jaar waarin de beslissing van intrekking in werking is getreden.
   De jaarlijkse bijdrage is eenmalig en ondeelbaar verschuldigd.
   § 3. De bijdrage van elke beheersvennootschap wordt berekend op grond van de auteursrechten en van de naburige rechten die ze int op het nationale grondgebied en op grond van de auteursrechten en van de naburige rechten die ze in het buitenland int voor rekening van personen die op het nationale grondgebied verblijven.
   § 4. De bijdrage verschuldigd door iedere beheersvennootschap bestaat in een percentage van de berekeningsgrondslag zoals bepaald in § 3.
   Dit percentage moet aan de volgende voorwaarden voldoen :
   1° onverminderd het derde lid, gelijk zijn voor alle beheersvennootschappen;
   2° ervoor zorgen dat met de totale opbrengst van de bijdragen het geheel van de kosten kan worden gedekt die voortvloeien uit het toezicht op grond van hoofdstuk VII van deze wet;
   3° 0,4 % van de berekeningsgrondslag bepaald in § 3 niet overschrijden.
   De Koning bepaalt het percentage van de berekeningsbasis, in overeenstemming met de voorwaarden bepaald in het vorige lid.
   Het percentage mag 0,1 % niet overschrijden van de in § 3 bepaalde berekeningsgrondslag, voor de bijdrage verschuldigd door de beheersvennootschappen die representatief zijn voor alle beheersvennootschappen, aangeduid door de Koning overeenkomstig de artikelen 55, vijfde lid, 61, vierde lid, 61quater, derde lid en 63, tweede lid, voor wat betreft de vergoedingsrechten geïnd door deze vennootschappen, respectievelijk bepaald in de artikelen 55, 59, 60, 61bis en 62.
   § 5. Zijn niet begrepen in de in § 3 bepaalde berekeningsgrondslag, de rechten geïnd door beheersvennootschappen, voor zover :
   1° die rechten uitsluitend betrekking hebben op exploitatiedaden verricht in het buitenland;
   2° de rechten integraal moeten worden doorgestort, in voorkomend geval na inhouding van een commissie voor het beheer, door de beheersvennootschap die de zetel van haar economische bedrijvigheid of een bijkantoor in België heeft, naar een of meerdere beheersvennootschappen die de zetel van hun economische bedrijvigheid in het buitenland hebben, en
   3° enkel de beheersvennootschap of beheersvennootschappen bepaald in het 2° die de zetel van hun economische bedrijvigheid in het buitenland hebben, voor de verdeling van deze rechten instaat.
   § 6. Het organieke fonds mag een debetstand vertonen mits deze debetstand nog in de loop van hetzelfde begrotingsjaar wordt aangezuiverd in functie van de verwezenlijkte ontvangsten zodat het begrotingsjaar met een positief saldo kan worden afgesloten.
   § 7. Onverminderd de andere sancties bepaald door hoofdstuk VII, kan de Minister van Financiën op verzoek van de minister bevoegd voor het auteursrecht, de Federale Overheidsdienst Financiën belasten met de invordering van de onbetaald gebleven bijdragen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 31, 014; Inwerkingtreding : 30-01-2012 (zie KB 2011-12-05/31, art. 5, 1°)>

  Art. 76ter. [1 De vennootschappen voor het beheer van rechten moeten alle gegevens betreffende de tarifering, de inning en de verdeling van de rechten bewaren, hetzij op de maatschappelijke zetel van de Belgische vennootschappen, hetzij op het bijkantoor in België van de in een andere Europese lidstaat gevestigde vennootschappen, hetzij op enige andere plaats die de minister of de daartoe aangestelde ambtenaar vooraf heeft toegestaan.
   In het geval van in een andere Europese lidstaat gevestigde vennootschappen, betreft de verplichting bedoeld in het vorige lid de documenten met betrekking tot de tarifering, de inning en de verdeling van de rechten ontstaan in België en van de rechten van de rechthebbenden gevestigd of verblijvend in België.
   Onverminderd andere wettelijke bepalingen die een langere termijn voorschrijven, bedraagt de termijn gedurende welke de in het eerste en het tweede lid bedoelde documenten moeten worden bewaard, tien jaar te rekenen vanaf de inverdelingstelling van de bedragen waarop zij betrekking hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 32, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 77.[1 § 1. Wanneer na hen te hebben gehoord, vastgesteld wordt dat de beheersvennootschap de bepalingen van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten ervan, van de statuten of tarifering-, innings- en verdelingsregels schendt of dat een persoon zonder de in toepassing van artikel 67 vereiste vergunning een beheersactiviteit in de zin van artikel 65 uitoefent, kan de Controledienst een waarschuwing richten aan de beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning, waarbij tot het verhelpen van de vastgestelde tekortkoming aangemaand wordt.
   § 2. De waarschuwing wordt aan de beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning ter kennis gebracht door middel van een aangetekende zending met ontvangstbericht of door de overhandiging van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld.
   De waarschuwing vermeldt :
   1° de ten laste gelegde feiten en de overtreden bepalingen;
   2° de termijn waarbinnen de vastgestelde tekortkoming verholpen moet worden;
   3° dat indien de vastgestelde tekortkoming niet verholpen werd :
   a) de minister één van de rechtsvorderingen bedoeld in artikel 77quinquies kan instellen en/of de administratieve sancties bedoeld in de artikelen 67 en 77quater kan treffen;
   b) dat in geval van inbreuk bedoeld in artikel 78bis, zonder afbreuk te doen aan de maatregelen bedoeld in a) de door de minister aangestelde ambtenaren de procureur des Konings kunnen inlichten, of de regeling in der minne bepaald in artikel 77ter kunnen toepassen.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-10/21, art. 33, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 77bis. [1 § 1. In de uitoefening van hun ambt bedoeld in artikel 76, §§ 1 en 2, mogen de ambtenaren van de Controledienst, aangesteld door de minister :
   1° zich op eerste verzoek zonder verplaatsing de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
   2° na voorafgaande verwittiging van ten minste vijf werkdagen, of zonder voorafgaande verwittiging indien zij redenen hebben te geloven in het bestaan van een inbreuk bedoeld in artikel 78bis, tijdens de gewone openings- of werkuren binnentreden in de kantoren, lokalen, werkplaatsen, gebouwen, belendende binnenplaatsen waartoe zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben en er alle dienstige vaststellingen doen en indien nodig tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op de onder punt 1° bedoelde documenten, noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk bedoeld in artikel 76, §§ 1 en 2, of om de daders, mededaders of medeplichtigen van een dergelijke inbreuk op te sporen;
   3° zonder voorafgaande verwittiging, indien zij redenen hebben te geloven in het bestaan van een inbreuk bedoeld in artikel 78bis, de bewoonde gebouwen bezoeken met de voorafgaande toestemming van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, voor zover de bewoonde gebouwen lokalen omvatten die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor het uitoefenen van de in artikel 65 bepaalde activiteit; de bezoeken in de bewoonde lokalen geschieden tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk.
   Om na te gaan of een persoon zonder de vergunning voorzien in artikel 67 een beheersactiviteit bedoeld in artikel 65 uitoefent, beschikken de door de minister aangestelde ambtenaren van de Controledienst in dezelfde omstandigheden over de bevoegdheden die hen door deze paragraaf worden toegekend.
   § 2. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren bijstand van de politie vorderen.
   § 3. Onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur, oefenen de in § 1 bedoelde ambtenaren de hen op grond van § 1 en § 2 verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal en van de federale procureur voor wat betreft de taken tot opsporing en vaststelling van overtredingen bedoeld in artikel 78bis.
   § 4. Wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 77, wordt het proces-verbaal tot vaststelling van een overtreding bedoeld in artikel 78bis pas aan de procureur des Konings toegezonden als geen gevolg is gegeven aan de waarschuwing. Wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 77ter, wordt het proces-verbaal pas aan de procureur des Konings toegezonden wanneer de overtreder niet op het voorstel tot minnelijke schikking is ingegaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 34, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 77ter. [1 De hiertoe door de minister aangestelde ambtenaar kan, op inzage van de processen-verbaal die een inbreuk op de in artikel 78bis, §§ 1 en 2 genoemde voorschriften vaststellen, aan de overtreders de betaling van een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen.
   De Koning stelt de tarieven alsook de wijze van betaling en inning vast.
   Het in het eerste lid bedoelde bedrag mag niet meer bedragen dan het maximum van de bij artikel 78bis bepaalde geldboete, verhoogd met de opcentiemen.
   De binnen de aangegeven termijn uitgevoerde betaling doet de strafvordering vervallen, behalve indien tevoren een klacht gericht werd aan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter verzocht werd een onderzoek in te stellen of indien het feit bij de rechtbank aanhangig gemaakt werd. In deze gevallen worden de bedragen teruggestort aan de overtreder.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 35, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 77quater. [1 § 1. Onverminderd de andere maatregelen bepaald door de wet en indien op het einde van de in toepassing van artikel 77 vastgestelde termijn, de vastgestelde tekortkoming niet werd verholpen, kan de minister voor zover de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning hun middelen hebben kunnen laten gelden overeenkomstig het tweede lid :
   1° bekendmaken dat niettegenstaande de termijn bepaald in toepassing van artikel 77, de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning zich niet gedragen heeft in overeenstemming met de bepalingen van de huidige wet, de ter uitvoering ervan genomen besluiten, haar statuten, of haar tariferings-, innings- en verdelingsregels;
   2° de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van de in artikel 65 bedoelde beheersactiviteit zonder vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of deze activiteit verbieden.
   Wanneer een van de in het eerste lid bepaalde maatregelen beoogd wordt, deelt de minister of de hiertoe aangestelde ambtenaar vooraf aan de betrokken beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee. Hij deelt de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning mee dat zij vanaf deze kennisgeving over een termijn van twee maanden beschikt om het dossier dat werd opgemaakt, in te kijken, om te worden gehoord door de minister of de hiertoe aangewezen ambtenaar, en om hun middelen te doen gelden.
   De persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning die handelingen stelt of beslissingen neemt in strijd met de schorsing of met het verbod, is aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.
   Wanneer de persoon bedoeld in het vorige lid een rechtspersoon is, zijn de leden van de bestuurs en beheerorganen en de personen belast met het beheer die handelingen stellen of beslissingen nemen in strijd met de schorsing of het verbod, hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat daaruit voor derden voortvloeit.
   De beslissing tot schorsing of tot verbod wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De daarmee strijdige handelingen en beslissingen zijn nietig.
   § 2. De beslissingen van de minister bedoeld in § 1 hebben ten aanzien van de beheersvennootschap of van de betrokken persoon gevolgen te rekenen vanaf hun betekening aan bedoelde vennootschap of persoon bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, en ten aanzien van derden, te rekenen vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad overeenkomstig het bepaalde in § 1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 36, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 77quinquies. [1 § 1. Als op het einde van de termijn bepaald in artikel 77 de vastgestelde inbreuk niet is verholpen kan de minister, onverminderd de andere maatregelen bepaald in de wet, aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, of, indien de verweerder een handelaar is, naar de keuze van de minister aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel of aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, vragen om :
   1° het bestaan vast te stellen en de staking te bevelen van de inbreuk op de bepalingen van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten alsook van de statuten van de beheersvennootschap en haar regels van tarifering, inning en verdeling;
   2° indien de niet-overeenstemming van de beheersvennootschap met de wettelijke verplichtingen de belangen van de rechthebbenden ernstig dreigt te benadelen, de bestuurs- en beheersorganen van de vennootschap te vervangen door één of verschillende tijdelijke bestuurders of beheerders, die alleen of in collegiaal verband, al naargelang het geval, beschikken over de bevoegdheden van de personen die zij vervangen. De voorzitter van de rechtbank bepaalt de duur van de opdracht van de tijdelijke bestuurders of beheerders.
   § 2. De vorderingen bepaald in § 1 worden ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
   Ze mogen worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034ter tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
   Er wordt uitspraak gedaan over de vordering, niettegenstaande vervolging voor dezelfde feiten voor een strafrechtelijk rechtscollege.
   De voorzitter van de bevoegde rechtbank kan bevelen dat het vonnis of de samenvatting ervan wordt aangeplakt gedurende de termijn die hij bepaalt, en zowel binnen als buiten de inrichtingen van de verweerder en op diens kosten, evenals de bekendmaking van het vonnis of van de door hem opgestelde samenvatting ervan, op kosten van de verweerder, in dagbladen of op een andere wijze.
   Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
   Elke uitspraak wordt, binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege, aan de minister meegedeeld, tenzij het vonnis gewezen is op zijn verzoek. Bovendien is de griffier verplicht de minister onverwijld in te lichten over het beroep tegen een uitspraak die krachtens dit artikel gewezen is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 37, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 78. De personeelsleden van de (vennootschappen voor het beheer van de rechten) alsmede alle andere personen die zijn betrokken bij de inning van de krachtens de hoofdstukken IV tot VI verschuldigde vergoedingen, moeten het beroepgsgheim bewaren over alle inlichtingen waarvan ze kennis hebben door of naar aanleiding van de uitvoering van hun opdracht. Schending van dat beroepsgeheim wordt gestraft met de straffen gesteld bij artikel 458 van het Strafwetboek. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  Art. 78bis.[1 § 1. Met een geldboete van 250 tot 50.000 euro worden gestraft, zij die de voorschriften overtreden voorzien door of krachtens de artikelen :
   1° 65bis, § 1;
   2° 65ter, § 3;
   3° 65quater, § 1 en § 2;
   4° 65quinquies;
   5° 66quinquies, § 1;
   6° 66sexies;
   7° 67, § 1.
   § 2. Met een geldboete van 1.000 tot 20.000 euro worden gestraft, zij die met opzet de personen vermeld in artikel 77bis hinderen of beletten bij de uitvoering van hun opdracht om overtredingen of niet-naleving van de bepalingen van deze wet op te sporen en vast te stellen.
   § 3. Met een geldboete van 250 tot 20.000 euro worden gestraft zij die in de hoedanigheid van commissaris of van onafhankelijke deskundige rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultaatsrekeningen of geconsolideerde rekeningen, periodieke staten, verrichtingen of inlichtingen hebben geattesteerd, goedgekeurd of bevestigd terwijl niet is voldaan aan de bepalingen van hoofdstuk VII of van de uitvoeringsbesluiten, en hij daarvan kennis heeft.
   § 4. Met een geldboete van 250 tot 20.000 euro worden gestraft zij die de bijdragen verschuldigd aan het organiek fonds voor de controle van de vennootschappen voor het beheer van rechten niet, niet volledig of niet tijdig betalen.
   § 5. Wanneer de feiten voorgelegd aan de rechtbank het voorwerp zijn van een vordering tot staking, kan maar over de strafvordering beslist worden nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen over de vordering tot staking.
   § 6. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit artikel.
   Onverminderd de toepassing van de gewone regelen inzake herhaling, worden de in § 1 genoemde straffen verdubbeld wanneer de inbreuk zich voordoet binnen vijf jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wegens dezelfde inbreuk.
   In afwijking van artikel 43 van het Strafwetboek, oordeelt de rechtbank, zo deze een veroordeling uitspreekt naar aanleiding van een van de inbreuken bedoeld in dit artikel, of de bijzondere verbeurdverklaring bevolen moet worden. Deze bepaling is niet van toepassing in het geval van herhaling als bedoeld in het tweede lid van deze paragraaf.
   Na het verstrijken van een termijn van tien dagen na de uitspraak, brengt de griffier van de rechtbank of van het hof de minister elk vonnis of arrest betreffende een inbreuk bedoeld in dit artikel ter kennis bij een gewone brief.
   De griffier licht de minister eveneens onverwijld in over elke voorziening tegen een dergelijke uitspraak.
   § 7. De rechtbank kan de aanplakking van het vonnis of van de door haar opgestelde samenvatting ervan bevelen gedurende de door haar bepaalde termijn zowel buiten als binnen de inrichting van de overtreder, evenals de bekendmaking van het vonnis of van de samenvatting ervan door middel van dagbladen of op enige andere wijze, en dit alles op kosten van de overtreder; zij kan bovendien de verbeurdverklaring bevelen van onrechtmatige winsten die met behulp van de inbreuk werden gemaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 38, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2010, met uitzondering voor § 4 die in werking treden op 30-01-2012 (zie KB 2011-12-05/31, art. 5, 2°) , met uitzondering voor § 1, 2°, 3°, 6° en 7°, § 3 , die in werking treden op een voor elk van hen door de Koning nader te bepalen datum>

  Art. 78ter.[1 Binnen de Federale overheidsdienst die het auteursrecht onder zijn bevoegdheden heeft, wordt een comité opgericht met als doel het overleg te organiseren voor de uitwerking van de uitvoeringsmaatregelen van de bepalingen van hoofdstuk VII.
   Dit comité vergadert ten minste een maal per jaar en is samengesteld uit vertegenwoordigers :
   1° van beheersvennootschappen die gemachtigd zijn hun activiteiten op het Belgische grondgebied uit te oefenen;
   2° van organisaties die de debiteuren van de rechten vertegenwoordigen, aangewezen door de minister;
   3° van organisaties die de consumenten vertegenwoordigen, aangewezen door de minister;
   4° van het Instituut der bedrijfsrevisoren;
   5° van de Commissie voor de Boekhoudkundige Normen.
   De Koning bepaalt de samenstelling, de benoemingsvoorwaarden van de leden, alsook de organisatie en werking van het comité.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-10/21, art. 39, 014; Inwerkingtreding : 06-06-2011>

  HOOFDSTUK VIII. - Algemene bepalingen.

  Afdeling 1. - Toepassingsgebied.

  Art. 79. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten gelden de bij deze wet gewaarborgde rechten in België ook voor de buitenlandse auteurs en de buitenlanders die naburige rechten genieten, maar niet voor een langere termijn dan bij de Belgische wet is bepaald.
  Indien evenwel die rechten in hun eigen land vervallen na een kortere termijn, vervallen zij ook in België na het verstrijken van die termijn.
  Zijn de Belgische auteurs en de (Belgische houders van naburige rechten) in mindere mate beschermd in een vreemd land, dan gelden de voordelen van deze wet voor de onderdanen van dat land slechts in gelijke mate. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  (Niettegenstaande het eerste lid is de reciprociteit van toepassing op de rechten op vergoeding van uitgevers, uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen, alsook van eerste vastleggingen van films bedoeld in de artikelen 55, 59 en 61bis, zulks onverminderd het Verdrag over de Europese Unie.) <W 1998-08-31/41, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>

  Afdeling 1bis. - Rechtsbescherming van technische voorzieningen en informatie betreffende het beheer van rechten. <ingevoegd bij W 2OO5-05-22/33, art. 25 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>

  Art. 79bis. <ingevoegd bij W 2005-05-22/33, art. 26 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005> § 1. Eenieder die een doeltreffende technische voorziening omzeilt en dat weet of redelijkerwijs behoort te weten en die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat deze omzeiling het plegen van inbreuken bedoeld (in artikel 80) kan vergemakkelijken, is schuldig aan een misdrijf dat wordt bestraft overeenkomstig de artikelen 81 en 83 tot 86. De omzeiling van technische voorzieningen getroffen, overeenkomstig of krachtens dit artikel of overeenkomstig artikel 87bis, § 1, wordt geacht het plegen van inbreuken bedoeld (in artikel 80) te vergemakkelijken. <W 2008-06-08/31, art. 36, 1°, 012; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  Eenieder die inrichtingen, producten of onderdelen vervaardigt, invoert, verdeelt, verkoopt, verhuurt, er reclame voor verkoop of verhuur voor maakt, of voor commerciële doeleinden bezit, of die diensten verricht die :
  1° gestimuleerd, aangeprezen of in de handel worden gebracht om de bescherming van een doeltreffende technische voorziening te omzeilen, of
  2° slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben naast het omzeilen van de bescherming van een doeltreffende technische voorziening, of
  3° in het bijzonder ontworpen, vervaardigd of aangepast zijn met het doel het omzeilen van een doeltreffende technische voorziening mogelijk of gemakkelijker te maken,
  is schuldig aan een misdrijf dat wordt bestraft overeenkomstig de artikelen 81 en 83 tot 86.
  De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de misdrijven bedoeld in het eerste en tweede lid.
  Onder " technische voorzieningen " wordt verstaan : technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of prestaties, die door de houders van auteursrechten of naburige rechten niet zijn toegestaan.
  Technische voorzieningen worden geacht doeltreffend te zijn in de zin van het eerste en tweede lid indien het gebruik van een werk of prestatie wordt beheerst door de rechthebbende, door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocédé zoals encryptie, versluiering of andere transformatie van het werk of prestatie of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt.
  § 2. (De rechthebbenden nemen binnen een redelijke termijn afdoende vrijwillige maatregelen, waaronder overeenkomsten met andere betrokken partijen, om ervoor te zorgen dat de nodige middelen verschaft worden aan de gebruiker van een werk of een prestatie om van de uitzonderingen bepaald in artikel 21, § 2, in artikel 22, § 1, 4°, 4°bis, 4°ter, 4°quater, 8°, 10°, 11° en 13°, in artikel 22bis, § 1, eerste lid, 1° tot 5°, en in artikel 46, 3°bis, 3°ter, 7°, 9°, 10° en 12°, te kunnen genieten mits de gebruiker op rechtmatige wijze toegang heeft tot het door de technische voorziening beschermde werk of prestatie.) <W 2008-06-08/31, art. 36, 2°, 012; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, volgens de voorwaarden die Hij vaststelt, de lijst van bepalingen bedoeld in het eerste lid, uitbreiden tot de artikelen 22, § 1, 5°, en 46, 4°, voor zover dit geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van werken of van prestaties, noch de wettige belangen van de rechthebbenden onredelijk schaadt.
  § 3. De § 2 geldt niet voor werken of prestaties voor het publiek beschikbaar gesteld op grond van overeengekomen bepalingen op zodanige wijze dat leden van het publiek daartoe toegang hebben op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.
  § 4. De technische voorzieningen bedoeld in § 1 mogen de rechtmatige verkrijgers van werken en prestaties niet beletten deze werken en prestaties overeenkomstig hun beoogde doel te gebruiken.

  Art. 79ter. <ingevoegd bij W 2005-05-22/33, art. 27 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005> § 1. Eenieder die opzettelijk op ongeoorloofde wijze een van de volgende handelingen verricht :
  1° de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten;
  2° de verspreiding, de invoer ter verspreiding, de uitzending, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling voor het publiek van werken of van prestaties, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd,
  en die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot een inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt, is schuldig aan een misdrijf dat wordt bestraft overeenkomstig de artikelen 81 en 83 tot 86.
  De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op dit misdrijf.
  § 2. In de zin van dit artikel wordt onder " informatie betreffende het beheer van rechten " verstaan alle door de rechthebbenden verstrekte informatie op grond waarvan het werk of prestatie, dan wel de auteur of andere rechthebbende kunnen worden geïdentificeerd. Deze term wijst ook op informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk of prestatie, alsook op de cijfers en codes waarin die informatie vervat ligt.
  Het eerste lid is van toepassing, wanneer bestanddelen van deze informatie zijn verbonden met een kopie van een werk of prestatie of kenbaar worden bij de mededeling aan het publiek ervan.

  Afdeling 2. - Strafbepalingen.

  Art. 80. Hij die kwaadwillig of bedrieglijk inbreuk pleegt op het auteursrecht en de naburige rechten, is schuldig aan het misdrijf van namaking.
  Hetzelfde geldt voor de kwaadwillige of bedrieglijke aanwending van de naam van een auteur of van een persoon die een naburig recht geniet, of voor enig door hem gebruik distinctief kenmerk om zijn werk of prestatie aan te duiden. De aldus tot stand gebrachte voorwerpen worden als nagemaakt beschouwd.
  Hij die voorwerpen, wetende dat zij nagemaakt zijn, verkoopt, verhuurt, te koop of te huur stelt, in voorraad heeft voor de verkoop of de verhuur of in België invoert voor commerciële doeleinden, is schuldig aan hetzelfde misdrijf.
  De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op het misdrijf van namaking.
  De bepalingen van hoofdstuk XI van de wet van 3 juli 1969 houdende invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde zijn van toepassing op de overtredingen van de bepalingen van de hoofdstukken IV tot VI en op de overtredingen van hun uitvoeringsbesluien, waarbij de term " belasting " wordt vervangen door " vergoeding ".
  (Wanneer de feiten voorgelegd aan de rechtbank, het voorwerp zijn van een vordering tot staking in toepassing van artikel 87, § 1, kan er niet over de strafvordering beslist worden dan nadat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen over de vordering tot staking.) <W 2007-05-15/59, art. 28, 010; Inwerkingtreding : 01-10-2007>

  Art. 81. <L 2008-06-08/31, art. 37, 012; Inwerkingtreding : 26-06-2008>De misdrijven bepaald in de artikelen 79bis, § 1, 79ter en 80 worden gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en met een geldboete van 100 tot 100 000 EUR of met een van die straffen alleen. In geval van herhaling binnen vijf jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wegens dezelfde inbreuk, worden de opgelopen straffen op het dubbele van het maximum gebracht.

  Art. 82. Ingeval een uitvoering of een opvoering inbreuk maakt op het auteursrecht of op de naburige rechten, kunnen de ontvangsten in beslag genomen worden als zaken die uit het misdrijf voortkomen. Zij worden aan de eiser toegewezen naar evenredigheid van hetgeen zijn werk of zijn prestatie heeft bijgedragen tot de uitvoering of opvoering en worden bij de raming van de schadevergoeding in aanmerking genomen.

  Art. 83. De rechter kan bevelen dat de vonnissen gewezen met toepassing van artikel 81 moeten worden aangeplakt voor de duur die hij bepaalt, zowel binnen als buiten de gebouwen van de overtreder en op diens kosten, of dat het vonnis op kosten van de overtreder in nieuwsbladen of op enige andere wijze bekendgemaakt moet worden.

  Art. 84. De rechtspersonen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de veroordeling tot het betalen van schadevergoeding, boeten, kosten, verbeurdverklaringen, teruggaven en geldstraffen van welke aard ook, die wegens overtreding van deze wet worden uitgesproken tegen hun bestuurders, vertegenwoordigers of aangestelden.
  De leden van handelsverenigingen zonder rechtspersoonlijkheid kunnen in dezelfde mate burgerlijk aansprakelijk worden gesteld wanneer de overtreding door een (vennoot), zaakvoerder, aangestelde of (lasthebber) is begaan naar aanleiding van een verrichting die tot de activiteit van de vereniging behoort. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)

  Art. 85. <W 1995-04-03/41, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 09-05-1995> In geval van herhaling van de in deze wet omschreven misdrijven kan de rechtbank hetzij de definitieve, hetzij de tijdelijke sluiting bevelen van de inrichting van de veroordeelde.

  Art. 86. De ontvangsten en de verbeurdverklaarde voorwerpen kunnen aan de burgerburgerlijke partij worden toegewezen, in mindering of ten belope van het geleden nadeel.

  Afdeling 3. - Burgerlijke rechtsvordering ter zake van auteursrecht.

  Art. 86bis. <ingevoegd bij W 2007-05-09/30, art. 13, Inwerkingtreding : 10-05-2007> § 1. Onverminderd § 3 heeft de benadeelde recht op de vergoeding van elke schade die hij door een inbreuk op een auteursrecht of naburig recht lijdt.
  § 2. Wanneer de omvang van de schade op geen andere wijze kan bepaald worden, kan de rechter de schadevergoeding in redelijkheid en billijkheid vaststellen op een forfaitair bedrag.
  De rechter kan bij wijze van schadevergoeding de afgifte bevelen aan de eiser van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt, en die nog in het bezit van de verweerder zijn. Indien de waarde van die goederen, materialen en werktuigen de omvang van de werkelijke schade overschrijdt, bepaalt de rechter de door de eiser te betalen opleg.
  In geval van kwade trouw kan de rechter bij wijze van schadevergoeding de afdracht bevelen van het geheel of een deel van de ten gevolge van de inbreuk genoten winst alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording dienaangaande. Bij het bepalen van de af te dragen winst worden enkel de kosten in mindering gebracht die rechtstreeks verbonden zijn aan de betrokken inbreukactiviteiten.
  § 3. In geval van kwade trouw kan de rechter de verbeurdverklaring uitspreken ten voordele van de eiser van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt, en die nog in het bezit van de verweerder zijn. Indien de goederen, materialen en werktuigen niet meer in het bezit van de verweerder zijn kan de rechter een vergoeding toekennen waarvan het bedrag gelijk is aan de voor de verkochte goederen, materialen en werktuigen ontvangen prijs. De aldus uitgesproken verbeurdverklaring slorpt de schadevergoeding op ten belope van de waarde van het verbeurdverklaarde.

  Art. 86ter. <ingevoegd bij W 2007-05-09/30, art. 14, Inwerkingtreding : 10-05-2007> § 1. Wanneer de rechter een inbreuk op het auteursrecht of een naburig recht vaststelt, beveelt hij tegenover elke inbreukmaker de staking van deze inbreuk.
  De rechter kan eveneens een bevel tot staking uitvaardigen tegenover tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht te plegen.
  § 2. Onverminderd de aan de benadeelde wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, kan de rechter op vordering van de partij die een vordering inzake namaak kan instellen de terugroeping uit het handelsverkeer, de definitieve verwijdering uit het handelsverkeer of de vernietiging gelasten van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt.
  Deze maatregelen worden uitgevoerd op kosten van de inbreukmaker, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
  Bij de beoordeling van een vordering als bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste maatregelen, alsmede met de belangen van derden.
  § 3. Wanneer de rechter in de loop van een procedure een inbreuk vaststelt, kan hij, op verzoek van de partij die een vordering inzake namaak kan instellen, de inbreukmaker bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de inbreukmakende goederen of diensten aan de partij die de vordering instelt mee te delen en haar alle daarop betrekking hebbende gegevens te verstrekken, voor zover die maatregel gerechtvaardigd en redelijk voorkomt.
  Eenzelfde bevel kan worden opgelegd aan de persoon die de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit heeft, de diensten waardoor een inbreuk wordt gemaakt op commerciële schaal heeft gebruikt, of op commerciële schaal diensten die bij inbreukmakende handelingen worden gebruikt, heeft verleend.
  § 4. De rechter kan bevelen dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de inbreukmaker en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de inbreukmaker.

  Art. 87. § 1. (In aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, stellen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en de voorzitter van de rechtbank van koophandel, het bestaan vast van elke inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht en bevelen ze de staking ervan.) <W 2007-05-10/33, art. 5, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  (Ze kunnen eveneens een bevel tot staking uitvaardigen tegenover tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht te plegen.) <W 2007-05-10/33, art. 5, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding.
  Op de vordering wordt uitspraak gedaan, niettegenstaande enige vervolging die voor de strafrechter wordt ingesteld wegens dezelfde feiten.
  Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande voorziening en zonder borgstelling, tenzij de rechter heeft bevolen dat een borg moet worden gesteld.
  De vordering wordt ingesteld op verzoek van elke betrokkene, van een gemachtigde (vennootschap voor het beheer van de rechten) of van een beroepsvereniging of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  De voorzitter kan bevelen dat een einde moet worden gemaakt aan de betwiste handeling en dat het vonnis, op de wijze die hij geschikt acht, geheel of gedeeltelijk wordt bekendgemaakt op kosten van de verweerder.
  § 2. (De vordering die samenhangt met de vordering bepaald in § 1, en die de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel 95 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt eveneens uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens § 1 bevoegde rechtbank gebracht.) <W 2007-05-10/33, art. 5, 3°, 008; Inwerkingtreding : 01-11-2007>

  Afdeling 3bis. - Vorderingen betreffende de toepassing van technische voorzieningen. <ingevoegd bij W 2005-05-22/33, art. 29 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005>

  Art. 87bis. <ingevoegd bij W 2OO5-05-22/33, art. 30 ; Inwerkingtreding : 27-05-2005> § 1. (Niettegenstaande de rechtsbescherming voorzien in artikel 79bis zijn de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en de voorzitter van de rechtbank van koophandel in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, bevoegd voor het vaststellen van elke overtreding van artikel 79bis, §§ 2 en 4 en naargelang het geval :
  1° ofwel het opleggen aan de rechthebbenden van het nemen van passende maatregelen die de begunstigden van de uitzonderingen voorzien in artikel 21, § 2, artikel 22, § 1, 4°, 4°bis, 4°ter, 4°quater, 8°, 10°, 11° en 13°, artikel 22bis, § 1, eerste lid, 1° tot 5°, en artikel 46, 3°bis, 3°ter, 7°, 9°, 10° en 12°, of in de bepalingen door de Koning bepaald krachtens artikel 79bis, § 2, tweede lid, toelaten te kunnen genieten van deze uitzonderingen ingeval die begunstigde op rechtmatige wijze toegang heeft tot het werk of de beschermde prestatie;
  2° ofwel het bevelen aan de rechthebbenden om de technische voorzieningen aan te passen aan artikel 79bis, § 4.) <W 2007-05-10/33, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  § 2. De vordering gegrond op § 1 wordt ingesteld op verzoek van :
  1° de belanghebbenden;
  2° de minister bevoegd voor het auteursrecht;
  3° een beroeps- of interprofessionele vereniging met rechtspersoonlijkheid;
  4° een vereniging ter verdediging van de consumentenbelangen die rechtspersoonlijkheid bezit en voor zover zij in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigd is of door de minister bevoegd voor het auteursrecht, volgens criteria bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, erkend is.
  In afwijking van de bepalingen in de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de verenigingen en groepen bedoeld in de punten 3° en 4° in rechte optreden voor de verdediging van hun statutair omschreven collectieve belangen.
  § 3. De vordering gegrond op § 1 wordt ingesteld en behandeld zoals in kortgeding.
  Zij mag worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034ter tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
  De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg (of de voorzitter van de rechtbank van koophandel) kan bevelen dat de beschikking of de samenvatting ervan wordt aangeplakt gedurende de termijn die hij bepaalt, en zowel binnen als buiten de inrichtingen van de overtreder en op diens kosten, evenals de bekendmaking van de beschikking of van de samenvatting ervan, op kosten van de overtreder, in dagbladen of op een andere wijze. <W 2007-05-10/33, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgtocht.
  Elke uitspraak wordt, binnen acht dagen en door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege, aan de minister bevoegd voor het auteursrecht meegedeeld, tenzij het vonnis gewezen is op zijn verzoek. Bovendien is de griffier verplicht de minister bevoegd voor het auteursrecht onverwijld in te lichten over het beroep tegen een uitspraak die krachtens dit artikel gewezen is.
  (§ 4. De vordering die samenhangt met de vordering bepaald in § 1, en die de staking tot voorwerp heeft van een handeling bedoeld in artikel 95 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, of in artikel 18 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen, wordt eveneens uitsluitend voor de voorzitter van de krachtens § 1 bevoegde rechtbank gebracht.) <W 2007-05-10/33, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-11-2007>

  Afdeling 4. - Overgangsbepalingen.

  Art. 88. § 1. Deze wet is van toepassing op de werken en de prestaties (die tot stand zijn gebracht vóór de inwerkingtreding ervan en die op dat tijdstip niet tot het openbaar domein behoren). (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  (De wet is van toepassing op databanken die tot stand zijn gebracht voor de inwerkingtreding van artikel 20bis en die op dat tijdstip niet tot het openbaar domein behoren.) <W 1998-08-31/41, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 14-11-1998>
  § 2. Zij is eveneens van toepassing op de werken en de prestaties die op 1 juli 1995 in ten minste één Lid-Staat van de Europese Unie door het auteursrecht worden beschermd.
  De rechten worden evenwel niet opnieuw van kracht ten aanzien van personen die werken of prestaties welke vóór 1 juli 1995 tot het openbaar domein behoorden, te goeder trouw hebben geëxploiteerd, zulks voor zover zij dezelfde exploitatiebewijzen aanwenden.
  § 3. Deze wet doet geen afbreuk aan de rechten verkregen op grond van de wet of van rechtshandelingen, noch aan de exploitatiehandelingen (verricht) voor de inwerkingtreding ervan. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  § 4. Voor overeenkomsten betreffende de exploitatie van werken en andere beschermde prestaties, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet van kracht zijn, (gelden de artikelen 49 en 50 vanaf 1 januari 2000), indien deze overeenkomsten na die datum verstrijken. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  § 5. Indien een voor 1 januari 1995 gesloten internationale coproduktie-overeenkomst tussen een coproducent uit een Lid-Staat van de Europese Unie en een of meer coproducenten uit andere Lid-Staten of derde landen uitdrukkelijk voorziet in een regeling waarbij de exploitatierechten voor alle vormen van mededeling aan het publiek naar geografisch gebied tussen de coproducenten worden verdeeld, zonder dat de regeling die van toepassing is op de mededeling aan het publiek per satelliet onderscheiden wordt van de voorschriften die van toepassing zijn op de andere vormen van mededeling, en indien de mededeling van de coproduktie aan het publiek per satelliet de exclusiviteit, met name de taalexclusiviteit, van een van de coproducenten of van zijn rechtverkrijgenden op een bepaald grondgebied zou aantasten, is voor het verlenen van toestemming door een van de coproducenten of zijn rechtverkrijgenden voor een mededeling aan het publiek per satelliet de voorafgaande toestemming vereist van degene die recht op die exclusiviteit kan doen gelden, ongeacht of hij een coproducent dan wel een rechtverkrijgende is.

  Afdeling 5. - Opheffingsbepalingen.

  Art. 89. § 1. De auteurswet van 22 maart 1986 wordt opgeheven.
  § 2. De wet van 25 juni 1921 tot het innen van een recht op de openbare kunstveilingen, ten bate der kunstenaars, auteurs der verkochte werken, wordt opgeheven op de dag van de inwerkingtreding van de artikelen 11 tot 13 van deze wet.

  Art. 90. In artikel 1 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van het wettelijk depot bij de Koninklijke Bibliotheek van België vervallen de woorden " de fonografische en ".

  Afdeling 6. - Wijzigingsbepalingen.

  Art. 91. Artikel 572 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met een 11°, luidend als volgt :
  " 11° de personen die door vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en van naburige rechten worden aangewezen teneinde alle mogelijke exploitatievormen van een werk of van een prestatie, evenals enige onjuiste verklaring in verband met een dergelijke exploitatie vast te stellen ".
  In artikel 19 van de hypotheekwet van 16 december 1851 die titel XVIII van het Burgerlijk Wetboek vormt, wordt een 4°decies ingevoegd, luidend als volgt :
  " 4°decies. De vorderingen van de auteurs, zoals omschreven in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten. "
  (Aan artikel 96, eerste lid, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument worden de woorden "en de naburige rechten" toegevoegd.)

  Afdeling 7. - Inwerkingtreding.

  Art. 92. § 1. Met uitzondering van de bepalingen bedoeld in §§ 2 tot 7 van dit artikel treedt deze wet in werking de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke zij in het Belgisch Staatsblad is bekengemaakt.
  § 2. De artikelen 11 tot 13 treden in werking de dag van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 13, tweede lid.
  (De volgrechten met betrekking tot de doorverkopen bij openbare veiling van werken, in de zin van artikel 1 van de wet van 25 juni 1921 tot het innen van een recht op de openbare kunstveilingen, ten bate der kunstenaars, auteurs der verkochte werken, die plaatsvonden voor 2 februari 1999, waarvoor de verschuldigde rechten op de dag van inwerkingtreding van dit lid nog niet betaald werden aan de auteur of de vennootschap belast met het beheer van zijn rechten, zullen verdeeld worden door de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen.
  Ongeacht het ogenblik waarop de in het vorige lid voorziene doorverkopen plaatsvonden, verjaart de vordering van de auteur met betrekking tot de volgrechten bepaald in het vorige lid, door verloop van drie jaren te rekenen van het ogenblik bepaald door de Koning. De bedragen die na het verstrijken van deze verjaringstermijn niet konden betaald worden aan de auteur of de vennootschap belast met het beheer van zijn rechten, worden verdeeld onder de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen in verhouding tot het bedrag aan volgrechten dat elk van hen tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft geïnd. Deze bedragen worden vervolgens herverdeeld onder de rechthebbenden van de betrokken categorie, overeenkomstig de regels bepaald in artikel 69.) <W 2006-12-04/38, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  § 3. De artikelen 42 en 43 treden in werking de dag van de inwerkingtreding van het ministerieel besluit bedoeld in artikel (42), vijfde lid. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5) (NOTA : Voor art. 42 gaat het om MB 1996-06-18/33, dat op 08-07-1996 in werking treedt.)
  § 4. De (artikelen 22, § 1, 5°, 46, punt 4), en 55 tot 58 treden in werking de dag van de inwerkingtreding van de koninklijke besluiten bedoeld in de artikelen 55, derde en vijfde lid, en 57 en (uiterlijk) de eerste dag van de dertiende maand volgend op (die gedurende welke) deze wet in het Belgisch Staatsblad (is) bekendgemaakt. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  § 5. De artikelen (22, § 1, 4°), en 59 tot 61 treden in werking de dag van de inwerkingtreding van de uitvoeringsbesluiten bedoeld in artikel 61. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  § 6. De artikelen 62 tot 64 treden in werking de dag van de inwerkingtreding van de koninklijke besluiten bedoeld in artikel 63, eerste en derde lid.
  § 7. 1. De artikelen 65, 66, 68, 69 en 70 treden in werking de eerste dag van de twaalfde maand volgend op die gedurende welke (deze wet) in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. (Err. B.St. 22-11-1994, pp. 28832-5)
  2. De artikelen 67 en 72 treden in werking de dag van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 67, tweede lid.
  3. De artikelen 76 en 77 treden in werking de dag van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 76, (zevende) lid. "<W 1995-04-03/41, art. 10, 002; Inwerkingtreding : 09-05-1995>
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 30 juni 1994.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Justitie,
  M. WATHELET
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  M. WATHELET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Errata Tekst Begin

BEELD
1994009723
PUBLICATIE :
1994-11-05
bladzijde : 27467

Erratum


BEELD
1994009952
PUBLICATIE :
1994-11-22
bladzijde : 28832

Errata


Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 31-12-2012 GEPUBL. OP 31-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 22; 46; 55; 56; 57; 58; 59; 61) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 30-12-2009 GEPUBL. OP 31-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 22) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 10-12-2009 GEPUBL. OP 23-12-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 56; 61; 65ter; 65quater; 66sexies; 67; 68quater; 78bis; 78ter) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 10-12-2009 GEPUBL. OP 23-12-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 22; 55bis; 60bis; 65; 65bis; 65ter; 65quinquies; 65sexies; 66; 66bis-66quinquies; 67; 67bis; 68; 68bis-68ter; 69; 69bis; 70; 75; 75bis; 76; 76bis; 76ter; 77; 77bis-77quinquies; 78bis)
  • BEELD
  • WET VAN 06-05-2009 GEPUBL. OP 19-05-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 22) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 42; 22)
  • BEELD
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 57; 79BIS; 81)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-08-2007 GEPUBL. OP 10-09-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 12)
  • BEELD
  • WET VAN 15-05-2007 GEPUBL. OP 18-07-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 80; 81)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2007 GEPUBL. OP 10-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 87; 87BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 09-05-2007 GEPUBL. OP 10-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 35; 39; 44; 86BIS; 86TER)
  • BEELD
  • WET VAN 04-12-2006 GEPUBL. OP 23-01-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 9; 11; 12; 13; 22; 92)
  • BEELD
  • WET VAN 04-12-2006 GEPUBL. OP 23-01-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 22) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 22-05-2005 GEPUBL. OP 27-05-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 22; 46; 55; 56; 58; 59; 61) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 22-05-2005 GEPUBL. OP 27-05-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 21; 22; 22BIS; 23BIS; 35; 39)
    (GEWIJZIGDE ART. : 44; 46; 47BIS; 57; 61BIS; 61QUA)
    (GEWIJZIGDE ART. : 62; 64; 79BIS; 79TER; 81; 87BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 12)
  • BEELD
  • WET VAN 31-08-1998 GEPUBL. OP 14-11-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 20BIS-2OQUA; 22; 22BIS; 23)
    (GEWIJZIGDE ART. : 23BIS; 42; 46; 47BIS; 59)
    (GEWIJZIGDE ART. : 61BIS-61QUA; 62; 79; 88)
  • WET VAN 03-04-1995 GEPUBL. OP 29-04-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 22; 23; 42; 46; 47; 61; 76; 85)
    (GEWIJZIGDE ART. : 91; 92)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gedr. St. van de Senaat : 145 (B.Z. 1991-1992) : Nr. 1 : Voorstel van wet. - Nr. 2 : Verslag. - Nrs. 3 tot 9 : Amendementen. - Nr. 10 : Artikelen in eerste lezing aangenomen. Handelingen van de Senaat : 19, 20 en 21 mei 1992. Gedr. St. van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 450 (B.Z. 1991-1992) : Nr. 1 : Voorstel van wet. - Nr. 2 : Verslag, 473 (B.Z. 1991-1992) : Nr. 1 : Ontwerp overgezonden door de Senaat. - Nrs. 2 tot 26 : Amendementen. - Nr. 27 : Advies van de Raad van State. - Nrs. 28 en 29 : Amendementen. - Nr. 30 : Advies van de Raad van State. - Nrs. 31 en 32 : Amendementen. - Nr. 33 : Verslag. - Nr. 34 : Tekst aangenomen door de commissie. - Nrs. 35 tot 38 : Amendementen. [- Nr. 39 : Artikels gewijzigd in pleniaire vergadering.] (Err. B.St. 05-11-1994, p. 27467) Handelingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 30 en 31 maart 1994. [Gedr. St. van de Senaat : 145 (B.Z. 1991-1992) : Nr. 11 : Ontwerp geamendeerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers. - Nr. 12 : Verslag. - Nrs. 13 tot 15 : Amendementen. Handelingen van de Senaat : 23 juni 1994.] (Err. B.St. 05-11-1994, p. 27467)

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 137 uitvoeringbesluiten 13 gearchiveerde versies
    Errata Franstalige versie