J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 37 uitvoeringbesluiten 31 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1993/10/27/1993036402/justel

Titel
27 OKTOBER 1993. - Besluit van de Vlaamse regering tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen.
(NOTA 1 : zie ook BVR 1995-06-12/57, B.St. 20.09.1995, p. 26727)
(NOTA 2 : zie ook BVR 1995-06-12/58, B.St. 20.09.1995, p. 26729)
(NOTA 3 : zie ook BVR 1995-05-16/47, B.St. 29.09.1995, p. 27854)
(NOTA 4 : Zie ook BVR 1995-06-01/55; B.St. 29.09.1995, p. 27852)
(NOTA 5 : zie ook BVR 1995-06-01/56; B.St. 29.09.1995, p. 27858)
(NOTA 6 : zie ook BVR 1995-06-12/59, B.St. 20.09.1995, p. 26731)
(NOTA 7: zie ook BVR 1995-06-12/60, B.St. 21.09.1995, p. 26874)
(NOTA 8: zie ook BVR 1995-06-01/54, B.St. 29.09.1995, p. 27851)
(NOTA 9: zie ook BVR 1995-06-12/63, B.St. 29.09.1995, p. 27860)
(NOTA 10: zie ook BVR 1995-06-12/64, B.St. 29.09.1995, p. 27862)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-07-1995 en tekstbijwerking tot 18-04-2017)

Bron : VLAAMSE GEMEENSCHAP
Publicatie : 23-12-1993 nummer :   1993036402 bladzijde : 28479
Dossiernummer : 1993-10-27/33
Inwerkingtreding : 01-11-1993

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
Art. 2-3
HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de premie.
Art. 4-6, 6bis, 6ter, 7, 7bis, 8-15
HOOFDSTUK IV. - Procedure.
Art. 16-29
HOOFDSTUK V. - Garantiebepalingen ten voordele van de werknemers.
Art. 30-31, 31bis
HOOFDSTUK VI. - Toezicht en naleving.
Art. 32-36
HOOFDSTUK VII. - (Overgangs- en slotbepalingen.) <BVR 1998-12-08/59, art. 5; Inwerkingtreding : 01-11-1998>
Art. 37, 37bis, 37ter, 37quater, 37quinquies, 37sexies, 37septies, 38-41

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities.

  Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :
  1° de wet : de Programmawet van 30 december 1988;
  2° de minister : de Vlaamse minister tot wiens bevoegdheid het tewerkstellingsbeleid behoort;
  3° de werkgever : de openbare besturen, de instellingen of de verenigingen, zoals bepaald in artikel 2 van dit besluit;
  4° [6 Departement WSE: het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie;]6
  5° (risicogroepen op de arbeidsmarkt :
  a) langdurig werklozen : de werklozen die op de dag voor de indiensttreding minstens één jaar uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn;
  b) niet-werkende werkzoekenden : de werkzoekenden die op de dag voor de indiensttreding minstens één jaar als werkzoekende ingeschreven zijn bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en in het bezit zijn van maximum een einddiploma, studiegetuigschrift of getuigschrift van het algemeen, technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs. De minister kan de studievoorwaarden beperken of verruimen in functie van de noodwendigheden van de arbeidsmarkt;
  c) kansengroepen;
  d) (leefloongerechtigden;) <BVR 2004-05-14/55, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  e) (gerechtigden op financiële maatschappelijke hulp;) <BVR 2004-05-14/55, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  f) (Uitkeringsgechtigd volledig werklozen, niet-werkende werkzoekenden, leefloongerechtigden en gerechtigden op financiële maatschappelijke hulp die maximaal een diploma behaalden van het hoger secundair onderwijs en die als begeleider worden aangeworven in een initiatief buitenschoolse opvang zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 houdende erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden van initiatieven voor buitenschoolse opvang;) <BVR 2004-05-14/55, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  6° langdurig werkloze jongeren : jongeren die op de dag van de aanwerving de leeftijd van 25 jaar niet hebben bereikt, die de duur van twee jaar uitkeringsgerechtigd volledige werkloosheid bereiken en op grond van deze duur door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding toegeleid worden naar een tewerkstellingproject of een begeleid werkervaringsproject.
  7° (kansengroepen : die groepen in de samenleving die ondervertegenwoordigd zijn binnen de actieve beroepsbevolking, met name :
  a) migranten: alle legaal in ons land verblijvende personen die etnisch afkomstig zijn van buiten de Europese Unie, ongeacht of zij de Belgische nationaliteit hebben;
  b) arbeidsgehandicapten : - personen met een handicap die erkend zijn door het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap en ingeschreven zijn als werkzoekende bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
  - personen die door de bemiddelingsdienst van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding zijn ondergebracht in de categorie 'gedeeltelijk' of 'zeer beperkt' arbeidsgeschikt;
  - personen met maximaal een diploma van buitengewoon secundair onderwijs die ingeschreven zijn als werkzoekende bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
  c) ouderen : personen ouder dan 45 jaar;
  d) laaggeschoolden : ongeschoold, lager secundair technisch onderwijs of tweede graad technisch onderwijs, algemeen secundair onderwijs, beroeps secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs;) <BVR 2001-07-06/47, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 01-02-2001>
  8° kansarm publiek : de personen die zowel moeilijkheden van materiële als van sociale, medische, psychologische of educatieve aard kennen;
  9° hoger premiebedrag : het bedrag dat overeenkomt met de wedde van een personeelslid van de diensten van de Vlaamse regering bezoldigd in een wervingsgraad op 1 januari 1990, evenwel beperkt tot 90 % voor de wervingsgraden waarvoor een diploma van het universitair onderwijs of van het hoger onderwijs van het lange type vereist is en tot 95 % voor de wervingsgraden waarvoor een diploma van het hoger onderwijs van het korte type, het hoger kunstonderwijs of het technisch hoger onderwijs van de derde graad vereist is. Dit bedrag mag echter de loonkost van de gesubsidieerde contractueel niet overtreffen;
  [1 Voor topsportprojecten wordt het hoger premiebedrag vastgesteld op :
   a) 28.778,34 euro (premiebedrag op 1 januari1990 : 780.300 BEF of 19.346,25 euro) voor een elitesporter A en een sportassistent A;
   b) 22.051,31 euro (premiebedrag op 1 januari1990 : 626.000 BEF of 15.518,13 euro) voor een elitesporter B en een sportassistent B;
   c) 21.283,17 euro (premiebedrag op 1 januari1990 : 573.000 BEF of 14.204,30 euro) voor een beloftevolle jongere A en een sportassistent C;
   d) 19.757,34 euro (premiebedrag op 1 januari1990 : 531.000 BEF of 13.163,15 euro) voor een beloftevolle jongere B en een sportassistent D. Het bedrag van de loonpremie evolueert op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de gezondheidsindex met als basismaand november 2006.]1
  10° jongerenpremie : het bedrag dat overeenkomt met het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen zoals bepaald in de terzake geldende collectieve arbeidsovereenkomsten, afgesloten in de Nationale Arbeidsraad;
  11° begeleidingsplan : plan dat een overzicht bevat van de inspanningen waartoe de werkgever zich verbindt op het vlak van begeleiding en/of opleiding van de gesubsidieerde contractuelen in het algemeen en van iedere gesubsidieerde contractueel in het bijzonder;
  12° overeenkomst : overeenkomst die tussen de minister en de werkgever wordt gesloten met het oog op de aanwerving van gesubsidieerde contractuelen met premies zoals bedoeld in artikel 94, § 1 van de wet;
  13° werkervaringsovereenkomst : overeenkomst die tussen de minister en de werkgever wordt gesloten met het oog op de aanwerving van personen uit de risicogroepen op de arbeidsmarkt en langdurig werkloze jongeren als gesubsidieerde contractuelen in werkervaringsprojecten en met premies zoals bedoeld in artikel 7 van dit besluit;
  14° opleidingsovereenkomst : overeenkomst die tussen de minister en de werkgever wordt gesloten met het oog op de aanwerving van gesubsidieerde contractuelen in opleidigsprojecten en met premies zoals bedoeld in artikel 8 van dit besluit;
  15° bijzondere overeenkomst : overeenkomst die de minister sluit in toepassing van artikel 94, § 2 van de wet.
  16° [7 [9 ...]9]7
  17° [8 [9 maatwerkbedrijf: de onderneming, vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, voordien erkend als een sociale werkplaats, conform het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van het voormelde decreet van 12 juli 2013;]9]8 ) <BVR 1998-12-08/59, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-11-1998>
  (18° zeer langdurig werklozen : de werklozen die op de dag voor de indiensttreding zonder onderbreking minstens 24 maanden volledig vergoede werklozen zijn;
  19° zeer langdurig werkzoekenden : de niet-werkende werkzoekenden die op de dag voor de indiensttreding minstens :
  - 24 maanden als werkzoekende ingeschreven zijn bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
  - gedurende deze periode niet volledig vergoede werklozen waren;
  - gedurende deze periode noch in loondienst werkten, noch een zelfstandig beroep uitoefenden;
  20° (gerechtigden op financiële maatschappelijke hulp : personen van vreemde nationaliteit, die zijn ingeschreven in het vreemdelingenregister met een machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd, en die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie maar wel gerechtigd zijn op financiële maatschappelijke hulp.) <BVR 2004-05-14/55, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  (21° begeleidingsactie : elke collectieve of individuele begeleidingsactie vanwege de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding of een door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding erkende derde zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 2 van het Charter van de Werkzoekende, zoals gevoegd bij het decreet van 31 maart 1993 houdende de vaststelling van het Charter van de Werkzoekende;
  22° [3 ...]3;
  23° voltijdse uurregeling : de voltijdse uurregeling op de werknemer van toepassing en bepaald in het arbeidsreglement of in elk ander document dat hiertoe wordt bijgehouden wanneer de werkgever geen arbeidsreglement moet opmaken.) <BVR 1997-06-17/39, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-06-1997>
  (24° opleider : gesubsidieerde contractueel die wordt aangeworven binnen een opleidingsproject, zoals bedoeld in artikel 8 van dit besluit, voor het verzorgen van opleiding en begeleiding van de cursisten in het eigen opleidingsproject. Daarnaast kan hij opleiding en/of begeleiding verzorgen in opdracht van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en/of van externe promotoren;
  25° herintreder : persoon die wenst in te treden of her in te treden in de arbeidsmarkt en aan volgende voorwaarden voldoet :
  - is ingeschreven als werkzoekende;
  - heeft geen beroepsactiviteit uitgeoefend gedurende de periode van 3 jaar die de intreding in de arbeidsmarkt voorafgaat;
  - heeft geen werkloosheids-, wacht- of onderbrekingsuitkering genoten gedurende de periode van 3 jaar die de intreding in de arbeidsmarkt voorafgaat;
  26° gedetineerden : personen in hechtenis, vanaf 18 maanden voor de mogelijke invrijheidstelling;
  27° politieke vluchtelingen : asielzoekers die het statuut van erkende vluchteling hebben verkregen of wier aanvraag tot erkenning ontvankelijk is verklaard en die beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt;
  28° [4 ...]4
  (29° knelpuntberoepen : een beroep dat voorkomt op de jaarlijkse lijst knelpuntberoepen van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;) <BVR 2001-07-06/47, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-02-2001>
  (30° arbeidszorgmedewerker : persoon die omwille van persoonsgebonden redenen niet of niet meer kan werken onder een arbeidscontract in het reguliere of beschermd tewerkstellingscircuit en die toegeleid wordt via de geïntegreerde basisdienstverlening van de Lokale Werkwinkel of de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding om binnen een productieve en/of dienstverlenende setting arbeidsmatige activiteiten uit te voeren die reële kansen bieden tot sociale interactie en participatie in de samenleving en daartoe met een sociale werkplaats een arbeidszorgovereenkomst heeft afgesloten;
  31° arbeidszorgovereenkomst : overeenkomst tussen een sociale werkplaats en een arbeidszorgmedewerker die geen arbeidsovereenkomst is en waarbij de volgende elementen bepaald worden :
  - de tijdsbesteding van de arbeidszorgmedewerker
  - de frequentie, aard en de omvang van de activiteiten
  - de plaats waar de activiteiten plaatsvinden
  - de eventuele onkostenvergoeding
  - de regelingen met betrekking tot de verzekeringen, werkkledij, veiligheidsinstructies en hygiëne
  - de modaliteiten van begeleiding
  - de wijze van beëindigen van de overeenkomst.) <BVR 2001-12-14/74, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
  32° [3 ...]3;
  (33° begeleidingsorganisatie : de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding of de instantie aan wie de begeleiding van de gesubsidieerde contractuelen in het kader van artikel 7bis toegewezen werd;
  34° trajecttoewijzer : dienst binnen de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding die het traject van de gesubsidieerde contractueel naar het reguliere arbeidscircuit bepaalt;
  35° [3 ...]3;
  [2 36° overeenkomst voor een topsportproject : overeenkomst met :
   a) een elitesporter of beloftevolle jongere van minstens 18 jaar oud, die geen of onvoldoende middelen genereert uit de beoefening van een sport. De elitesporter of de beloftevolle jongere kan worden tewerkgesteld in categorie A en B;
   b) een sportassistent als de persoon die ondersteunend instaat voor de omkadering van de elitesporter of beloftevolle jongere, vermeld in punt a). De sportassistent kan worden tewerkgesteld in categorie A tot en met D.]2
  [3 37° leerwerkbedrijf : promotor als vermeld in artikel 1, 7° van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende werkervaring;
   38° werkervaring : project in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende werkervaring.]3
  [4 39° jobcoaching : de begeleiding op de werkvloer van een nieuwe werknemer die behoort tot de kansengroepen, met uitzondering van een werknemer die de inschakelingsmodule, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende werkervaring, volgt of gevolgd heeft, en van zijn werkgever, door een bedrijfsexterne coach. De werknemer wordt begeleid met het oog op het behoud van zijn tewerkstelling. De jobcoaching duurt maximaal zes maanden. De minister bepaalt de periode waarin de jobcoaching aangeboden kan worden.]4
  [5 40° WIP- doelgroep :
   a) de niet-werkende werkzoekende die in het kader en voor de duur van het WIP wordt tewerkgesteld en die op de dag voor zijn indiensttreding minstens twaalf maanden als werkzoekende ingeschreven is bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. De niet-werkende werkzoekenden is gedurende die periode geen volledig vergoede werkloze geweest, en heeft niet in loondienst gewerkt of een zelfstandig beroep uitgeoefend;
   b) de werkzoekende die in het kader en voor de duur van het WIP wordt tewerkgesteld, en die op de dag voor zijn indiensttreding minstens twaalf maanden volledig vergoede werkloze is;
   41° WIP : het Werkgelegenheidsplan en krachtlijnen voor het Investeringsplan van 18 december 2009.]5
  ----------
  (1)<BVR 2008-02-01/49, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (2)<BVR 2008-02-01/49, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (3)<BVR 2008-07-10/92, art. 1, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (4)<BVR 2009-03-06/52, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (5)<BVR 2010-03-12/05, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 10-03-2010>
  (6)<BVR 2014-06-20/29, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>
  (7)<BVR 2014-12-19/B4, art. 90, 031; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (8)<BVR 2014-12-19/B4, art. 91, 031; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (9)<BVR 2017-02-17/18, art. 91, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.

  Art. 2. In toepassing van artikel 93, vierde lid van de wet wordt het toepassingsgebied betreffende de werkgevers als volgt bepaald :
  1° de diensten van de Vlaamse regering en de instellingen van openbaar nut die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest;
  2° de door de Vlaamse Gemeenschap ingerichte, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstellingen;
  3° de Polders en Wateringen;
  4° de kerkfabrieken;
  5° de instellingen van openbaar nut en de verenigingen zonder winstoogmerk beheerst door de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstoogmerk en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, en die een sociaal, humanitair of cultureel doel nastreven, evenals de plaatselijke maatschappijen voor sociale woningen, met uitzondering van de verenigingen zonder winstoogmerk waarin de plaatselijke overheid een overwegende rol speelt in de oprichting of de leiding ervan, de ziekenhuizen en de openbare kredietinstellingen.

  Art. 3.§ 1. (In toepassing van artikel 97, § 3, van de wet wordt het toepassingsgebied betreffende de werknemers als volgt bepaald :
  1. de werklozen die op de dag voor hun indiensttreding sedert ten minste zes maanden uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn of uitkeringsgerechtigd volledig werklozen die in de loop van het jaar dat hun indiensttreding voorafgaat, ten minste zes maanden uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn geweest;
  2. de niet-werkende werkzoekenden, die op de dag voor hun indiensttreding sedert ten minste zes maanden binnen de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ingeschreven zijn als werkzoekende;
  3. (leefloongerechtigden;) <BVR 2004-05-14/55, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  4. (gerechtigden op financiële maatschappelijke hulp.) <BVR 2004-05-14/55, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  5. de werknemers van het Derde Arbeidscircuit;
  6. de gesubsidieerde contractuelen;
  7. [3 [4 de doelgroepwerknemers van het maatwerkbedrijf, vermeld in artikel 3, 2°, b), van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;]4]3
  8. [2 de werknemers tewerkgesteld op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende werkervaring;]2
  9. de werknemers tewerkgesteld op basis van artikel 63 tot en met artikel 69 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding;
  10. de herintreders;
  11. de uitkeringsgerechtigde volledige werklozen die worden aangeworven als opleider in een opleidingsproject, zoals bepaald in artikel 8;
  12. [3 [4 de niet-werkende werkzoekenden die worden aangeworven als werkvloerbegeleider als vermeld in artikel 46 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;]4]3
  13. [1 de niet-werkende werkzoekenden of uitkeringsgerechtigd volledig werklozen die behoren tot de kansengroepen, die tewerkgesteld worden in een knelpuntberoep of die tewerkgesteld worden in een topsportproject.]1) <BVR 2001-07-06/47, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 01-02-2001>
  § 2. In toepassing van artikel 97, § 3 van de wet kan de minister de periodes bepalen die met de werkloosheidsduur van een uitkeringsgerechtigd volledig werkloze of met de periode van inschrijving als werkzoekende gelijkgesteld worden.
  ----------
  (1)<BVR 2008-02-01/49, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (2)<BVR 2008-07-10/92, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (3)<BVR 2014-12-19/B4, art. 92, 031; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (4)<BVR 2017-02-17/18, art. 92, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de premie.

  Art. 4. In toepassing van artikel 94 van de wet wordt het jaarbedrag van de premie vastgesteld op 203 112 F per gesubsidieerde contractueel.

  Art. 5. Voor de contractuelen die worden aangeworven om ambtenaren te vervangen, anderen dan gesubsidieerde contractuelen, die hun loopbaan onderbreken krachtens het koninklijk besluit van 3 juli 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en de andere diensten van de ministeries, is geen premie verschuldigd.

  Art. 6.In toepassing van artikel 94 van de wet kan de minister een hoger premiebedrag vaststellen voor de aanwerving van personen uit de risicogroepen op de arbeidsmarkt [1 , voor de aanwerving van personen in een overeenkomst voor een topsportproject]1 en, binnen de perken van een daartoe bestemd begrotingskrediet, een jongerenpremie voor de aanwerving van langdurig werkloze jongeren, in tewerkstellingsprojecten.
  ----------
  (1)<BVR 2008-02-01/49, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 6bis.<BVR 1998-12-08/59, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 01-11-1998> § 1. [3 [6 Met toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van het begrotingskrediet kan een maatwerkbedrijf aanspraak maken op de loonpremie, vermeld in artikel 12 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, voor de werknemers, vermeld in artikel 3, § 1, 7°, van dit besluit.]6]3
  § 1bis. [3 [6 ...]6]3
  § 2. [4 [6 n toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van het begrotingskrediet kan een maatwerkbedrijf aanspraak maken op de omkaderingspremie voor het omkaderingspersoneelslid volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 15, 16 en 17 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling en de uitvoeringsbesluiten van de bepalingen van het voormelde decreet.]6]4
  (§ 2bis. In toepassing van artikel 94 van de wet en van artikel 20 van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen en binnen de perken van een begrotingskrediet kunnen de erkende sociale werkplaatsen, aan wie minimaal 10 voltijds equivalente werknemers toegekend zijn, aanspraak maken op een omkaderingspremie à rato van één voltijds omkaderingspersoneelslid per 5 voltijds equivalente arbeidszorgmedewerkers die arbeidsmatige activiteiten uitvoeren in de sociale werkplaats.
  Het maximum aantal arbeidszorgmedewerkers waarmee rekening gehouden wordt voor het bepalen van deze omkaderingspremie bedraagt 1 voltijds equivalente arbeidszorgmedewerker per 5 voltijds equivalente erkende werknemers.
  Het jaarbedrag van de omkaderingspremie zoals bepaald in het eerste lid wordt vastgesteld op 22.000 euro per voltijds equivalent omkaderingspersoneelslid.
  De arbeidszorgmedewerkers worden toegeleid door de geïntegreerde basisdienstverlening van de Lokale Werkwinkel of de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding op basis van een verslag waaruit blijkt dat de arbeidszorgmedewerker omwille van persoonsgebonden redenen niet of niet meer kan werken onder een arbeidscontract in het regulier of beschermd tewerkstellingscircuit.
  Om aanspraak te kunnen maken op de omkaderingspremie zoals bepaald in het eerste lid verbindt de sociale werkplaats zich ertoe :
  1° een arbeidszorgovereenkomst af te sluiten met elke arbeidszorgmedewerker die aan de sociale werkplaats werd toegewezen en werd toegeleid door de geïntegreerde basisdienstverlening van de Lokale Werkwinkel of de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
  2° een verzekering aan te gaan voor de burgerlijke aansprakelijkheid van elke arbeidszorgmedewerker voor schade toegebracht tijdens de arbeidsmatige activiteiten uitgevoerd in de sociale werkplaats of op weg naar en van de sociale werkplaats;
  3° een verzekering aan te gaan voor de lichamelijke en materiële schade geleden door elke arbeidszorgmedewerker tijdens de arbeidsmatige activiteiten uitgevoerd in de sociale werkplaats of op weg naar en van de sociale werkplaats;
  4° binnen de 3 maanden na het sluiten van de arbeidszorgovereenkomst in overleg met de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding een individueel begeleidingsplan op maat van de arbeidszorgmedewerker op te stellen, waarin een overzicht gegeven wordt van de inspanningen waartoe de werkgever zich verplicht op het vlak van de begeleiding;
  5° de omkaderingspremie uitsluitend in te zetten voor de begeleiding van de arbeidszorgmedewerkers;
  6° externe doelgroepbewaking van de arbeidszorgmedewerkers te aanvaarden;
  7° zich in te schakelen in een regionaal netwerk van arbeidszorginitiatieven.
  Om aanspraak te kunnen maken op de omkaderingspremie zoals bepaald in het eerste lid dient de sociale werkplaats een aanvraag in op een door [1 het [2 Departement WSE]2 ]1 ter beschikking gesteld formulier. Het onderzoek van de aanvraag gebeurt door [1 het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie]1 die ten aanzien van de minister een advies verleent. De minister bepaalt de maximale omkaderingspremie op basis van het aantal voltijds equivalente arbeidszorgmedewerkers zoals bepaald in het tweede lid.
  De minister kan de toekenning van de omkaderingspremie zoals bepaald in het eerste lid stopzetten, indien de voorwaarden zoals vermeld in deze paragraaf niet vervuld worden. Deze beslissing kan een aanvang nemen vanaf de dag waarop de inbreuk werd vastgesteld. Onrechtmatig verkregen omkaderingspremies worden ingevorderd of ingehouden op de later aan de sociale werkplaats verschuldigde bedragen.) <BVR 2001-12-14/74, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
  (§ 2ter. [5 [6 Als aanvulling op de omkaderingspremie, vermeld in paragraaf 2bis, eerste lid, en binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen aanspraak maken op een toelage voor de eindejaarspremie op basis van het aantal door de minister erkende omkaderingspersoneelsleden, belast met de begeleiding van de arbeidszorgmedewerkers.
   De toelage bedraagt 803,92 euro per voltijdsequivalent van een erkend omkaderingspersoneelslid.]6]5
  § 2quater. [5 [6 In het kader van de managementondersteuning en binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen aanspraak maken op een managementsubsidie op basis van het aantal door de minister erkende omkaderingspersoneelsleden, belast met de begeleiding van de arbeidszorg medewerkers.
   Die managementsubsidie bedraagt 200 euro per voltijds equivalent van een erkend omkaderingspersoneelslid;]6]5 ) <DVR 2006-09-22/38, art. 1, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 3. Het bedrag van de loonpremie en de omkaderingspremie evolueert op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de gezondheidsindex, met als basismaand november 1998.
  (Het bedrag van de toelage voor de eindejaarspremie en de managementsubsidie evolueert op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de gezondheidsindex, met als basismaand januari 2006.) <DVR 2006-09-22/38, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 4. (In toepassing van artikel 94 van de wet en van artikel 20 van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen stelt de minister maandelijks het bedrag vast dat [1 het [2 Departement WSE]2]1 stort voor de tiende van de lopende kalendermaand.
  (Het bedrag van de loonpremie en van de toelage voor de eindejaarspremie, vermeld in § 1bis, wordt binnen het kader van de toegekende premie van de betrokken maand berekend op basis van de effectieve tewerkstelling. Er is slechts recht op een loonpremie en een toelage voor de eindejaarspremie voor de werkelijk verrichte en daarmee gelijkgestelde arbeidsprestaties.) <DVR 2006-09-22/38, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  Het bedrag van de omkaderingspremie, zoals bedoeld in § 2, wordt binnen het kader van de toegekende premie van de betrokken maand en rekening houdend met de bepalingen van § 2, berekend op basis van de tewerkstelling van een omkaderingspersoneelslid.
  Het bedrag van de omkaderingspremie, zoals bedoeld § 2bis, wordt binnen het kader van de toegekende premie van de betrokken maand en rekening houdend met de bepalingen van § 2bis, berekend op basis van de tewerkstelling van een omkaderingspersoneelslid. Er is evenwel slechts recht op een premie in verhouding tot de werkelijk verrichte arbeidsmatige activiteit vanwege arbeidszorgmedewerkers. Voor het berekenen van deze arbeidsmatige activiteit vanwege arbeidszorgmedewerkers worden 30 uren arbeidsmatige activiteit gelijkgesteld met een voltijds equivalente activiteit, ten opzichte waarvan de effectief gepresteerde uren op evenredige wijze verrekend worden.) <BVR 2001-12-14/74, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
  (Het bedrag van de toelage voor de eindejaarspremie, vermeld in § 2ter, wordt binnen het kader van de toegekende premie van de betrokken maand berekend op basis van de effectieve tewerkstelling van het erkende omkaderingspersoneelslid. Er is slechts recht op een toelage voor de eindejaarspremie voor de werkelijk verrichte en daarmee gelijkgestelde arbeidsprestaties.
  Het bedrag van de managementsubsidie wordt binnen het kader van de toegekende premie van de betrokken maand forfaitair vastgesteld op basis van de effectieve tewerkstelling met daarbij een geleverde arbeidsprestatie of gelijkgestelde arbeidsprestatie van de erkende werknemer of het omkaderingspersoneelslid.) <DVR 2006-09-22/38, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 5. [5 [6 ...]6]5
  § 6. De loonpremie kan in geen geval gecumuleerd worden met een andere tussenkomst in de loonkosten die bij decreet of besluit aan eenzelfde tewerkstelling wordt toegekend. De sociale werkplaats moet de minister onmiddellijk op de hoogte brengen, wanneer hij een andere tussenkomst in de loonkost van een werknemer ontvangt.
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (2)<BVR 2014-06-20/29, art. 6, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>
  (3)<BVR 2014-12-19/B4, art. 93, 031; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (4)<BVR 2014-12-19/B4, art. 94, 031; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (5)<BVR 2014-12-19/B4, art. 95, 031; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (6)<BVR 2017-02-17/18, art. 93, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 6ter. <ingevoegd bij BVR 1996-03-26/35, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-03-1996> § 1. In toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van een daartoe bestemd begrotingskrediet kan de minister het jaarbedrag van de premie vaststellen op 500 000 F voor de aanwerving van laaggeschoolde langdurig werklozen of laaggeschoolde langdurig werkzoekenden of laaggeschoolde bestaansminimumtrekkers.
  § 2. Aanwervingen op basis van premietoekenningen zoals voorzien in § 1, kunnen slechts gebeuren ten laatste tot (31 december 1997). Per individuele tewerkstelling wordt de premie vastgesteld voor een periode die niet meer bedraagt dan 12 maanden. <BVR 1997-01-21/33, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 3. Per bevoegdheidsgebied van (een Sociaal-Economische Raad van de Regio) moeten de laaggeschoolde langdurig werklozen en de laaggeschoolde bestaansminimumtrekkers tenminste 95 % van het totaal aantal toegekende arbeidsplaatsen bezetten. <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 1°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>

  Art. 7.§ 1. In toepassing van artikel 94 van de wet kan de minister een hoger premiebedrag vaststellen voor de aanwerving van personen uit de risicogroepen op de arbeidsmarkt en, binnen de perken van een daartoe bestemd begrotingskrediet, een jongerenpremie voor de aanwerving van langdurig werkloze jongeren, die worden tewerkgesteld in begeleide werkervaringsprojecten.
  In het kader van deze projecten verbindt de werkgever zich ertoe de betrekkingen te laten bekleden door personen die toegeleid worden via een begeleidingsactie. De minister bepaalt de begeleidingsacties die hiervoor in aanmerking komen.
  De werkgever moet voor de gesubsidieerde contractuelen, tewerkgesteld in een werkervaringsproject, een begeleidingsplan indienen. Dit begeleidingsplan wordt jaarlijks door [1 het [2 Departement WSE]2 geëvalueerd]1.
  (§ 2. Voor de tewerkstelling van personen uit risicogroepen in werkervaringsprojecten wordt per individuele tewerkstelling het hoger premiebedrag vastgesteld voor een periode die niet meer bedraagt dan 12 maanden. Enkel wanneer (de bevoegde Sociaal-Economische Raad van de Regio) dit toestaat, kan deze individuele tewerkstelling met behoud van het hoger premiebedrag voor onbepaalde duur worden verlengd.) <BVR 1999-06-08/66, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 2°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>
  § 3. Per bevoegdheidsgebied van (een Sociaal-Economische Raad van de Regio) moeten de (vrouwen, migranten en arbeidsgehandicapten) worden tewerkgesteld in verhouding tot hun aandeel in de beroepsbevolking van dit gebied. <BVR 2001-07-06/47, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 01-02-2001> <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 1°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>
  Per bevoegdheidsgebied van een subregionaal tewerkstellingscomité moeten langdurig werklozen en (leefloongerechtigden) tezamen minimun 95 % van het aantal toegekende arbeidsplaatsen bezetten. <BVR 2004-05-14/55, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  § 4. In het kader van de begeleide werkervaringsprojecten en binnen het door de minister vastgestelde contingent wordt een aantal arbeidsplaatsen voorbehouden voor gemeenten erkend door het Vlaams Fonds voor de Integratie van Kansarmen; per gemeente wordt enerzijds 25 % hiervan voorbehouden voor migranten die niet tot de Europese Gemeenschap behoren en anderzijds 25 % voor (leefloongerechtigden). <BVR 2004-05-14/55, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  § 5. In de werkervaringsovereenkomst kan door de minister een mnimumnorm van vertegenwoordiging van deze doelgroepen worden vastgesteld.
  § 6. De minister kent een omkaderingspremie toe aan de werkgever van een project zoals bedoeld in dit artikel. De omkaderingspremie bedraagt maximaal 20 % van de voor de gesubsidieerde contractuelen verschuldigde premiebedragen. Zij kan slechts worden verworven in zoverre het begeleidingsplan werd uitgevoerd en maximaal ten bedrage van de omkaderingsuitgaven. Enkel omkaderingsuitgaven waarvoor een bewijs geleverd wordt en die in hoofde van de werkgever een meerkost vertegenwoordigen die een rechtstreeks gevolg is van de tewerkstelling in het werkervaringsproject, worden aanvaard.
  De werkgever maakt, op straffe van terugvordering, de bewijzen van de omkaderingsuitgaven van ieder kalenderjaar over aan [1 het [2 Departement WSE]2 geëvalueerd]1 vóór 31 januari van het daarop volgende kalenderjaar, indien een overeenkomst van onbepaalde duur gesloten werd, en vóór de laatste dag van de maand, volgend op de beëindiging van het project, indien een overeenkomst van bepaalde duur gesloten werd.
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (2)<BVR 2014-06-20/29, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>

  Art. 7bis.[1 § 1. Met toepassing van artikel 94 van de wet en binnen de perken van een daartoe bestemd begrotingskrediet kan de minister in het kader van werkervaring een loon- en omkaderingspremie toekennen voor de aanwerving van de volgende categorieën van personen :
   1° de zeer langdurig werkzoekenden;
   2° de niet-werkende werkzoekenden deeltijds lerenden met draaglast;
   3° de niet-werkende werkzoekenden met een psychologische, psychiatrische, medische, mentale of sociale beperking;
   4° de personen die minder dan 12 maanden recht hebben op een leefloon en de personen die minder dan 12 maanden recht hebben op financiële maatschappelijke hulp;
  [2 5° de WIP- doelgroep.]2
   § 2. De loonpremie bedraagt jaarlijks :
   1° maximaal 8.600 euro bij een tewerkstelling waarvan de uurregeling minstens halftijds is;
   2° maximaal 13.760 euro bij een tewerkstelling die minstens vier vijfde bedraagt van de voltijdse uurregeling;
   3° maximaal 17.200 euro bij een voltijdse tewerkstelling.
   § 3. De omkaderingspremie, toegekend aan de werkgevers, vermeld in artikel 2, 3°, 4° en 5°, bedraagt per toegekende gesubsidieerde contractueel maximaal 25 % van de loonpremie.
   De aanvullende omkaderingspremie, toegekend aan de leerwerkbedrijven, bedraagt op jaarbasis :
   1° maximaal 1.000 euro bij een tewerkstelling waarvan de uurregeling minstens halftijds is;
   2° maximaal 1.600 euro bij een tewerkstelling die minstens vier vijfde bedraagt van de voltijdse uurregeling;
   3° maximaal 2.000 euro bij een voltijdse tewerkstelling.
   § 4. De premies, vermeld in § 1, § 2 en § 3, worden alleen verworven als de reglementering, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van DATUM betreffende de werkervaring integraal wordt nageleefd.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 5, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<BVR 2010-03-12/05, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 10-03-2010>

  Art. 8.[1 § 1. Met toepassing van artikel 94 van de wet kan de minister een hoger premiebedrag vaststellen voor de opleiders tewerkgesteld in projecten die :
   1° tot doelstelling hebben :
   a) of voor de cursisten doelgroepgerichte opleidingen te organiseren die een schakelfunctie vervullen naar tewerkstelling;
   b) of cursisten te begeleiden;
   c) of cursisten te begeleiden door middel van jobcoaching;
   2° zich prioritair richten tot werkzoekenden die behoren tot de doelgroepen, vermeld in de beheersovereenkomst die gesloten is tussen de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en de Vlaamse Regering;
   3° aan volgende voorwaarden beantwoorden :
   a) een resultaatsverbintenis aangaan inzake uitstroom uit de werkloosheid als vermeld in de beheersovereenkomst gesloten tussen de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en de Vlaamse Regering. Als de specificiteit van de doelgroep dat vereist, kan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding voorafgaand een afwijking van die verbintenis toestaan. Die afwijking wordt vastgelegd in de overeenkomst tussen de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en de werkgever;
   b) voldoen aan de voorwaarden voor op te leiden, te begeleiden en te coachen personen, zoals vermeld in de overeenkomst tussen de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en de werkgever;
   c) zich inschrijven in het kwaliteitsvoortgangscontrolesysteem zoals opgelegd door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;
   4° acties omvatten die beantwoorden aan de jaaractieplannen van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding waarin rekening wordt gehouden met de regionale input van de Sociaal-Economische Raad van de Regio of het Regionaal Sociaal-Economisch Overlegcomité;
   5° zich inschakelen in een lokaal netwerk van organisaties die zich richten op de doelgroepen vermeld in punt 2°;
   6° de acties registreren in het voortgangscontrolesysteem dat de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding daartoe ter beschikking stelt;
   7° alle noodzakelijke gegevens over het project bezorgen aan het [2 Departement WSE]2 op de wijze die wordt bepaald door de minister.
   § 2. De minister kan binnen de perken van een specifiek begrotingskrediet een werkingspremie toekennen aan de werkgever van een project, die met de minister een opleidingsovereenkomst sluit.
   De werkingspremie bedraagt maximaal 20 % van de krachtens de opleidingsovereenkomst verschuldigde premiebedragen, maar kan slechts verworven worden voor de bewezen uitgaven en als de opleidingsovereenkomst werd nageleefd. De werkingspremie kan alleen worden aangewend voor uitgaven om de werkingskosten voor het opleidingsproject te dekken, met uitzondering van de aankoop van uitrustingsgoederen, van door of krachtens de wet aan werkgevers opgelegde uitgaven, van het loon van de gesubsidieerde contractuelen en van premies aan personeel en/of cursisten.
   De werkgever bezorgt op straffe van terugvordering, en uiterlijk op 31 maart, een overzicht van de werkingsuitgaven van het voorbije kalenderjaar aan het [2 Departement WSE]2. De bewijzen van die werkingsuitgaven moeten door en bij de werkgever vanaf 31 maart ter inzage ter beschikking worden gesteld.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-03-06/52, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<BVR 2014-06-20/29, art. 8, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>

  Art. 9. In toepassing van artikel 94 van de wet kan de minister een hoger premiebedrag op jaarbasis vaststellen voor de aanwerving van gesubsidieerde contractuelen in geselecteerde onderwijsprojecten.

  Art. 10. Van de beperking van het hoger premiebedrag tot 90 % of tot 95 % zoals bepaald in artikel 1, 9° van dit besluit, kan worden afgeweken als het bewijs wordt geleverd dat het project zich richt tot een kansarm publiek en de werkgever zich in de onmogelijkheid bevindt om het verschil tussen de premies en de loonkosten te betalen.

  Art. 11. <BVR 1997-06-17/39, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 01-06-1997> Onverminderd de bepalingen van artikel 38, tweede lid, zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995, kan de minister een premiebedrag toestaan lager dan het hoger premiebedrag of de jongerenpremie of de premie zoals vermeld in de artikelen 6ter en 7bis van dit besluit wanneer de werkgever door middel van de tewerkstelling van gesubsidieerde contractuelen inkomsten kan verwerven.

  Art. 12. Het hoger premiebedrag, met uitzondering van het hoger premiebedrag zoals bepaald in toepassing van artikel 11, evolueert op dezelfde wijze en in dezelfde mate als het loon van een personeelslid van de diensten van de Vlaamse regering.
  (Voor de werkgevers bedoeld in artikel 2, 3°, 4° en 5° van dit besluit evolueert het bedrag van de premie zoals bepaald in de §§ 1 en 2 van artikel 7bis van dit besluit en van de omkaderingspremie zoals bepaald in § 4 van hetzelfde artikel, met uitzondering van het premiebedrag zoals bepaald in artikel 11 van dit besluit, op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de gezondheidsindex.) <BVR 1997-06-17/39, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-06-1997>

  Art. 13. Het hoger premiebedrag, toegekend aan een arbeidsplaats die het resultaat is van de omzetting van het Derde Arbeidscircuit naar het stelsel van gesubsidieerde contractuelen, wordt verhoogd met maximum de anciënniteit verworven door de betrokkene in het Derde Arbeidscircuit.

  Art. 14. De aanwerving van gesubsideerde contractuelen in toepassing van dit besluit mag geen aanleiding geven tot het verminderen van het gemiddeld aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, dat volledig ten laste valt van de werkgever, zoals tewerkgesteld in het jaar dat de aanvraag voorafgaat.
  De minister kan van deze bepalng afwijken, voor zover de werkgever hiertoe een gemotiveerde aanvraag indient.

  Art. 15.<BVR 1997-06-17/39, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-06-1997> (Het totaal van alle tussenkomsten in de loonkosten, van om het even welke oorsprong, die aan eenzelfde tewerkstelling worden toegekend, mag nooit de totale loonkost van die tewerkstelling overschrijden.) <BVR 2000-11-17/52, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  De werkgever moet de minister onmiddellijk op de hoogte brengen, wanneer hij een andere tussenkomst in de loonkost van een gesubsidieerde contractueel ontvangt.

  HOOFDSTUK IV. - Procedure.

  Art. 16.§ 1. De werkgever die gesubsidieerde contractuelen wenst aan te werven, richt een aanvraag tot [1 het [2 Departement WSE]2 geëvalueerd]1, gebruik makend van een formulier dat ter beschikking wordt gesteld door [1 het [2 Departement WSE]2 geëvalueerd]1.
  § 2. Het onderzoek van de aanvraag geschiedt door de bevoegde dienst van [1 het [2 Departement WSE]2 geëvalueerd]1.
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (2)<BVR 2014-06-20/29, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>
  

  Art. 17. § 1. De aanvraag tot tewerkstelling van gesubsidieerde contractuelen van een werkgever, zoals bepaald in artikel 2, 3°, 4° en 5° van dit besluit, wordt aan het advies onderworpen van (de Sociaal-Economische Raad van de Regio) [1 met uitzondering van de tewerkstelling van gesubsidieerde contractuelen in een overeenkomst voor een topsportproject]1. <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 4°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>
  § 2. ((De Sociaal-Economische Raad van de Regio) in wiens ambtsgebied de plaats van tewerkstelling van de gesubsidieerde contractuelen is gelegen, brengt ten aanzien van de minister een gemotiveerd advies uit binnen zevenentwintig dagen te rekenen vanaf de derde dag nadat de adviesaanvraag is verstuurd. Indien er verschillende plaatsen van tewerkstelling zijn, is (het Sociaal-Economische Raad van de Regio) bevoegd in wiens ambtsgebied de plaats ligt van waaruit het project wordt gecoördineerd, met uitzondering van de projecten bedoeld in de artikelen [2 6bis en 7]2 waarover elk subregionaal tewerkstellingscomité een advies uitbrengt. <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 3°, en art. 2, 4°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>
  Dit advies heeft inzonderheid betrekking op het belang van het project in het kader van de regionale tewerkstellingspolitiek, op de waarborgen inzake een goede voltooiing van de geplande werkzaamheden en op het eventueel samenvallen of de eventuele concurrentie van die werkzaamheden met andere regionale initiatieven en met de commerciële sector, op de complementariteit ten aanzien van andere herinschakelingsinitiatieven en op het begeleidingsplan.
  Dit advies heeft wat betreft de projecten vermeld in de artikelen 6bis, 6ter, 7 en 8 bovendien betrekking op de vertegenwoordiging op subregionaal niveau van de (vrouwen, migranten en arbeidsgehandicapten). <BVR 2001-07-06/47, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 01-02-2001>
  [2 ...]2.
  Indien de minister binnen deze termijn het advies van (de Sociaal-Economische Raad van de Regio) niet heeft ontvangen, wordt het geacht te zijn uitgebracht.) <BVR 1997-06-17/39, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 01-06-1997> <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 4°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>
  § 3. De minister deelt de beslissing een overeenkomst te sluiten mee aan (de Sociaal-Economische Raad van de Regio) en motiveert wanneer het advies niet wordt gevolgd of geacht werd uitgebracht overeenkomstig de voorgaande paragraaf. <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 4°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>
  ----------
  (1)<BVR 2008-02-01/49, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (2)<BVR 2008-07-10/92, art. 7, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 18. Wat de werkgever, zoals bepaald in artikel 2, 1° van dit besluit betreft, moet de overeenkomst aan het voorafgaand akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoren, worden onderworpen, voor zover de Vlaamse regering het personeelsstatuut ervan vaststelt.

  Art. 19.[1 Eerste lid opgeheven.]1
  De minister legt de werkgever een voorstel tot overeenkomst of bijzondere overeenkomst voor.
  De minister en deze werkgever ondertekenen de overeenkomst of de bijzondere overeenkomst.
  In de overeenkomsten en de bijzondere overeenkomsten worden de overeengekomen werkzaamheden, het aantal gesubsidieerde contractuelen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, de tewerkstellingsduur, de kwalificaties, het bedrag van de premie op jaarbasis en in voorkomend geval het begeleidingsplan vermeld.
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 8, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 20.De minister betekent, [1 ...]1 de beslissing over de toekenning van de premie aan de Vlaamse Dienst vor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding. In deze beslissing worden de overeengekomen werkzaamheden, het aantal gesubsidieerde contractuelen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, de tewerkstellingsduur, de kwalificaties en het bedrag van de premie vermeld.
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 9, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2006>

  Art. 21. De werkgever dient een nieuwe aanvraag in voor elke bijkomende aanwerving van gesubsidieerde contractuelen. Nieuwe aanvragen voor bijkomende aanwervingen vanwege een werkgever, zoals bepaald in artikel 17, worden aan het advies van (de bevoegde Sociaal-Economische Raad van de Regio) voorgelegd, wanneer deze betrekking hebben op ten minste twee bijkomende aanwervingen. <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 5°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>
  De toekenning van een premie geschiedt pas na de goedkeuring van de aanvraag door de minister. De beslissing over de bijkomende aanwerving wordt als bijvoegsel bij de bestaande overeenkomst en bijzondere overeenkomst gevoegd.

  Art. 22. De werkgever dient een aanvraag in voor elke wijziging aan de overeenkomst en voor elke geplande wijziging van de werkzaamheden. Vooraleer er enig begin van uitvoering wordt aan gegeven, is de goedkeuring van de minister vereist.

  Art. 23.<BVR 1998-03-10/45, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-06-1997> § 1. In toepassing van artikel 95, § 1 van de wet stelt de minister maandelijks het bedrag vast dat de [2 het [3 Departement WSE]3 ]2 stort voor de tiende van de lopende kalendermaand. De premie wordt verrekend op basis van de effectieve tewerkstelling binnen het kader van de toegekende premies voor de betrokken maand. Er is slechts recht op een premie voor de werkelijk verrichte of daarmee gelijkgestelde arbeidsprestaties. [1 De bepalingen van deze § zijn niet van toepassing op de overeenkomst met het Departement Cultuur, Jeugd, Sport en Media]1
  § 2. Voor gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld in het kader van de artikelen 7 en 8 van dit besluit wordt de omkaderingspremie of de opleidingspremie verrekend op basis van de effectieve tewerkstelling en de werkelijk verrichte of de daarmee gelijkgestelde arbeidsprestaties.
  [2 Tweede lid opgeheven.]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-02-01/49, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (2)<BVR 2008-07-10/92, art. 10, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (3)<BVR 2014-06-20/29, art. 9, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>

  Art. 24.<NOTA : Opgeheven, wat de instelling betreft, bij BVR 1995-05-10/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 31-07-1995> (NOTA : opgeheven wat de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs betreft bij BVR 1995-05-10/41, art. M, Inwerkingtreding : 14-08-1995> (NOTA : Zie ook BVR 1995-06-12/31, B.St. 09.08.1995, p. 23075) <zie NOTA'S 1 tot 10 onder title> § 1. Voor het loon van de gesubsideerde contractuelen aangeworven door een werkgever, zoals bepaald in artikel 2, 1°, 2°, 3° en 4° van dit besluit worden de volledige prestaties, met inbegrip van de periodes die krachtens het statuut van het rijkspersoneel overeenstemmen met een toestand waarbij een ambtenaar zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt, die de gesubsidieerde contractueel heeft verricht als tewerkgestelde werkloze in diensten, zoals bepaald in artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries, tot maximum zes jaar meegerekend voor het toekennen van baremieke verhogingen.
  De in het eerste lid bedoelde prestaties worden berekend per kalendermaand; prestaties die geen volle maand bedragen worden niet meegeteld.
  Voor het berekenen van het loon worden de diensten als werknemer in het " Bijzonder tijdelijk kader " en het " Derde arbeidscircuit " verricht door de gesubsidieerde contractueel bij een werkgever zoals bepaald in artikel 2, 1°, 2°, 3° en 4° van dit besluit voor het toekennen van de baremieke verhogingen in aanmerking genomen volgens de regels die gelden voor het vastbenoemd personeel van de rijksbesturen.
  § 2. Indien bij aanwerving van een gesubsidieerde contractueel het loon lager is dan het loon dat het personeelslid bij de inwerkingtreding van deze bepaling genoot op grond van zijn tewerkstelling als " Interdepartementaal begrotingsfonds ", in het " Programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector " of als gesubsidieerde contractueel bij dezelfde werkgever, blijft de gesubsidieerde contractueel dat hogere loon genieten totdat hij, overeenkomstig de geldende bezoldigingsregeling, ten minste een loon bekomt gelijk aan dat bedrag.

  Art. 25. In toepassing van artikel 94, § 1, vierde lid van de wet moet een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten worden tussen de werkgever en de gesubsidieerde contractueel.

  Art. 26.<BVR 2004-05-14/55, art. 8, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2004> § 1. De indienstneming van de gesubsidieerde contractueel dient te geschieden binnen zes maanden te rekenen vanaf de dag van de betekening van de overeenkomst of de bijzondere overeenkomst. Voor projecten waarvoor een tewerkstelling in fases zich opdringt, gaan de aanwervingstermijnen slechts in op de in de overeenkomst of de bijzondere overeenkomst aangegeven data. Na deze termijn vervalt het recht op de toegekende premie voor de arbeidsplaatsen die niet zijn ingenomen.
  § 2. Met iedere wijziging aan de overeenkomst gaat een nieuwe aanwervingsof vervangingstermijn in van drie maanden voor alle arbeidsplaatsen waarop de wijziging betrekking heeft [2 ...]2. Bij verlenging van de overeenkomst gaat een nieuwe aanwervings- of vervangingstermijn in van zes maanden voor alle arbeidsplaatsen.
  § 3. Een uitdienstgetreden gesubsidieerde contractueel kan, met behoud van de toegekende premie, worden vervangen indien deze vervanging gebeurt binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag van de uitdiensttreding van de te vervangen contractueel [2 ...]2.
  De minister kan een eenmalige verlenging van de vervangingstermijn van maximaal drie maanden toestaan [2 ...]2, indien de werkgever het bewijs levert dat het verstrijken van de vervangingstermijn zonder indienstname van een gesubsidieerde contractueel niet aan hem te wijten is.
  Indien de gesubsidieerde contractueel niet binnen de vervangingstermijn in dienst werd genomen, vervalt het recht op de toegekende premie.
  [1 § 4. De bepalingen van § 1 en § 3 zijn niet van toepassing voor de gesubsidieerde contractuelen, die tewerkgesteld zijn met een overeenkomst voor een topsportproject, als vermeld in artikel 1, 36°.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-02-01/49, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (2)<BVR 2008-07-10/92, art. 11, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 27.<BVR 1997-06-17/39, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 01-06-1997> De directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding draagt de werknemers voor die als gesubsidieerde contractueel zullen worden tewerkgesteld, rekening houdend met de structuur van de werkloosheid in het ambtsgebied van de subregionale tewerkstellingsdienst, met de toelatingsvoorwaarden zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van dit besluit en met de in artikel 7 [2 ...]2 vermelde bepalingen.
  [1 Het eerste lid is niet van toepassing op de werknemers die als gesubsidieerde contractuelen zullen tewerkgesteld worden met een overeenkomst voor een topsportproject, als vermeld in artikel 1, 36°.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-02-01/49, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (2)<BVR 2008-07-10/92, art. 12, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 28.Om een functie uit te oefenen moet de gesubsidieerde contractueel het overeenstemmende diploma, getuigschrift of brevet dat aanleiding gegeven heeft tot de inschrijving als werkzoekende, bezitten.
  [1 Om tewerkgesteld te worden als elitesporter, beloftevolle jongere of sportassistent en in afwijking van het eerste lid, maar rekening houdend met het reglementaire kader, moet de gesubsidieerde contractueel die tewerkgesteld is met een overeenkomst voor een topsportproject, minstens voldoen aan de criteria die de Vlaamse minister bevoegd, voor de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven daarvoor bepaald heeft.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-02-01/49, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 29.De werkgever vult bij de aanwerving van iedere gesubsidieerde contractueel een door [1 het [2 Departement WSE]2 geëvalueerd]1 ter beschikking gesteld inlichtingenblad in en maakt dit over aan [1 het [2 Departement WSE]2 geëvalueerd]1. Telkens zich een wijziging in de verstrekte gegevens voordoet, dient de werkgever onverwijld een vervangend inlichtingenblad over te maken.
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (2)<BVR 2014-06-20/29, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>

  HOOFDSTUK V. - Garantiebepalingen ten voordele van de werknemers.

  Art. 30. De gesubsidieerde contractuelen mogen afwezig zijn met behoud van hun loon om in te gaan op een werkaanbieding; zij moeten in dit geval een attest voorleggen waarop het uur van het bezoek wordt vermeld.

  Art. 31. De werkgever moet een vacant verklaarde voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking in een overeenstemmende functie bij voorrang laten innemen door een bij hem tewerkgestelde gesubsidieerde contractueel.

  Art. 31bis.[1 De aanwerving van de werknemers, vermeld in artikel 3, § 1, 7°, is niet onderworpen aan de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk IV, met uitzondering van artikel 19 en 30.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-02-17/18, art. 94, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  HOOFDSTUK VI. - Toezicht en naleving.

  Art. 32.§ 1. De [1 sociaalrechtelijke inspecteurs van de afdeling Inspectie van het departement Werk en Sociale Economie]1 zien toe op de naleving door de werkgever van de tewerkstelling van de gesubsidieerde contractuelen onder de voorwaarden voorzien in de wet en in dit besluit.
  Zij zien er tevens op toe dat de werkgever de gesubsidieerde contractuelen tewerkstelt voor de taken zoals omschreven in de overeenkomst of de bijzondere overeenkomst.
  Bij dringende en dwingende omstandigheden kunnen de [1 sociaalrechtelijke inspecteurs van de afdeling Inspectie van het departement Werk en Sociale Economie]1 als voorlopig bewarende maatregel beslissen niet-ingenomen arbeidsplaatsen binnen een project niet meer te laten opvullen. Deze maatregel wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de minister en (de Sociaal-Economische Raad van de Regio) en blijft gelden tot op de datum waarop de minister over de grond van de bewarende maatregel een beslissing neemt. <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 4°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>
  § 2. (De Sociaal-Economische Raad van de Regio) onder wiens bevoegdheid de goedgekeurde overeenkomst valt, kan steeds een verzoek tot controle richten tot [1 het [2 Departement WSE]2 ]1. [1 Het [2 Departement WSE]2 ]1 informeert (de Sociaal-Economische Raad van de Regio) over de bevindingen van het onderzoek. <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 4°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 13, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (2)<BVR 2014-06-20/29, art. 10, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>

  Art. 33. In uitvoering van artikel 94, § 1 van de wet kan de minister de overeenkomst beëindigen mits de beslissing tot stopzetting zes volle maanden vóór de beëindiging aan de werkgever wordt betekend.

  Art. 34.§ 1. De minister kan de overeenkomst beëindigen indien de werkgever de voordelen van de loopbaanonderbreking ingevoerd door de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen op zijn personeel niet toepast of het aantal stagiairs opgelegd bij het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces niet in dienst heeft.
  Deze beslissing kan een aanvang nemen vanaf de dag waarop de inbreuk werd vastgesteld.
  § 2. In toepassing van artikel 94, § 2 van de wet, kan de minister de overeenkomst beëindigen indien de werkgever, zoals bepaald in artikel 2, 1°, 2°, 3° en 4° van dit besluit, de gesubsidieerde contractuelen andere werkzaamheden laat uitvoeren dan om :
  a) aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen; het betreft ofwel in de tijd beperkte acties ofwel een buitengewone toename van het werk;
  b) ambtenaren te vervangen die hun betrekking niet of slechts deeltijds bekleden, met inbegrip van de ambtenaren die hun loopbaan onderbreken in de zin van het koninklijk besluit van 3 juli 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en de andere diensten van de ministeries, onverminderd de reeds voorziene mogelijkheid om een statutair personeelslid door een ander statutair personeelslid te vervangen;
  c) bijkomende of specifieke opdrachten te vervullen.
  § 3. In toepassing van artikel 96, § 1, 3° van de wet, kan de minister de overeenkomst beëindigen of het daarin overeengekomen aantal gesubsidieerde contractuelen verminderen indien de werkgever de gesubsidieerde contractuelen andere werkzaamheden laat verrichten dan werkzaamheden in de niet-commerciële sector.
  Onder niet-commerciële sector wordt de sector van werkzaamheden verstaan die terzelfdertijd :
  a) van sociaal of openbaar nut zijn of van cultureel belang;
  b) geen winst beogen;
  c) voldoen aan collectieve behoeften waaraan anders niet voldaan had kunnen worden.
  § 4. De beëindiging van de overeenkomst, bedoeld in § 2 en 3, kan een aanvang nemen vanaf de dag waarop de inbreuk werd vastgesteld. De beslissing tot beëindiging van de overeenkomst of vermindering van het aantal gesubsidieerde contractuelen geldt uitsluitend voor die gesubsidieerde contractuelen die tewerkgesteld worden voor niet toegelaten werkzaamheden.
  § 5. De minister kan de overeenkomst beëindigen indien de werkgever nalaat melding te maken van een ontvangen tussenkomst in de loonkost die aan eenzelfde tewerkstelling wordt toegekend. De beslissing kan een aanvang nemen vanaf de dag waarop de arbeidsplaats werd gesubsidieerd.
  § 6. De minister kan de overeenkomst beëindigen of het daarin overeengekomen aantal gesubsidieerde contractuelen verminderen indien de werkgever zijn gesubsidieerde contractuelen andere taken laat uitvoeren dan deze toegestaan in de overeenkomst en de bijzondere overeenkomst.
  De beslissing kan een aanvang nemen vanaf de dag waarop de inbreuk werd vastgesteld en geldt uitsluitend voor die gesubsidieerde contractuelen die tewerkgesteld worden voor niet-toegestane werkzaamheden.
  § 7. De minister kan de overeenkomst beëindigen indien de werkgever [1 het [3 Departement WSE]3 geëvalueerd]1 niet tijdig de nodige gegevens zoals bepaald in artikel 29, meedeelt.
  § 8. De minister kan de overeenkomst beëindigen indien vastgesteld werd dat de werkgever zware of herhaalde inbreuken heeft gepleegd tegen de regelen van de arbeids- en sociale wetgeving.
  § 9. [2 ...]2.
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<BVR 2008-07-10/92, art. 14, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (3)<BVR 2014-06-20/29, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>

  Art. 35. De minister betekent de beslissing tot beëindiging van de overeenkomst of de vermindering van het aantal gesubsidieerde contractuelen aan de werkgever, aan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, aan (de Sociaal-Economische Raad van de Regio) en, in voorkomend geval, aan de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoren. <BVR 2005-06-10/33, art. 2, 4°, 023; Inwerkingtreding : 15-07-2005>

  Art. 36.Onrechtmatig verkregen premies, omkaderingspremies en opleidingspremies worden ingevorderd of ingehouden op de later aan de werkgever verschuldigde bedragen. Zo nodig laat [1 de leidend ambtenaar van het [2 Departement WSE]2 ]1 de dossiers van de weerspannige debiteurs overzenden aan het Bestuur van de BTW en van de registratie en domeinen.
  De door hogergenoemd Bestuur in te stellen vervolgingen geschieden overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949, zoals bij decreet van 23 december 1986 toepasbaar gesteld voor het Vlaamse Gewest; de aldus ingevorderde bedragen worden na aftrek van de eventuele kosten aan [1 het [2 Departement WSE]2 ]1 terugbetaald.
  ----------
  (1)<BVR 2008-07-10/92, art. 15, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (2)<BVR 2014-06-20/29, art. 7, 030; Inwerkingtreding : 30-10-2014>

  HOOFDSTUK VII. - (Overgangs- en slotbepalingen.) <BVR 1998-12-08/59, art. 5; Inwerkingtreding : 01-11-1998>

  Art. 37. De premie die werd overeengekomen in een overeenkomst of bijzondere overeenkomst gesloten vóór 16 februari 1990 voor een gesubsidieerde contractueel, tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst gesloten vóór 16 februari 1990, blijft verschuldigd.

  Art 37bis. <Ingevoegd bij BVR 1998-12-08/59, art. 6; Inwerkingtreding : 01-11-1998> § 1. De premiebetaling in toepassing van artikel 6bis van dit besluit zoals van kracht voor de gelding van onderhavig wijzigingsbesluit aan een instelling die uiterlijk op 31 december 1998 geen aanvraag tot erkenning in het kader van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen heeft ingediend, stopt van rechtswege op 31 december 1998 tenzij de instelling aantoont dat de werknemers vóór deze datum in opzeg werden geplaatst. In dit geval wordt de premie verder uitbetaald gedurende de opzeggingstermijn.
  § 2. De premiebetaling in toepassing van artikel 6bis van dit besluit blijft in ongewijzigde vorm van toepassing voor de instellingen die uiterlijk op 31 december 1998 een aanvraag tot erkenning in het kader van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen hebben ingediend tot over de aanvraag is beslist.

  Art. 37ter. <Ingevoegd bij BVR 1998-12-08/59, art. 6; Inwerkingtreding : 01-11-1998> De personen die in toepassing van artikel 6bis van dit besluit zoals van kracht voor de gelding van dit wijzigingsbesluit als omkaderingspersoneelslid werden tewerkgesteld worden gelijkgesteld met de personen zoals bepaald in artikel 3, § 1, 7° van dit besluit.

  Art. 37quater.<Ingevoegd bij BVR 1998-12-08/59, art. 6; Inwerkingtreding : 01-11-1998> (Voor de aanwervingen in het kader van artikel 6bis van dit besluit zijn enkel artikel 1, 16°, 17°, 30° en 31°, artikel 3, § 1, 12°, artikel 6bis, artikel 19, artikel 20, artikel 21, artikel 37, artikel 37bis en artikel 37ter van dit besluit van toepassing.) <BVR 2001-12-14/74, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
  De bepalingen van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen en het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1998 tot uitvoering van het decreet inzake sociale werkplaatsen met uitzondering van de artikelen 2, 18 tot en met 24 en 27 zijn van toepassing op werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 6bis van dit besluit.

  Art. 37quinquies. <Ingevoegd bij BVR 2001-12-14/74, art. 5; Inwerkingtreding : 01-11-2001> De personen die voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit in een sociale werkplaats werden tewerkgesteld als persoonlijke en dagdagelijkse begeleider van arbeidszorgmedewerkers worden gelijkgesteld met de personen zoals bepaald in artikel 3, § 1, 12° van dit besluit.

  Art. 37sexies. <Ingevoegd bij BVR 2001-12-14/74, art. 5; Inwerkingtreding : 01-11-2001> Vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 6bis, § 2bis tot en met 31 december 2001 geldt in de plaats van het bedrag "22.000 euro", vermeld in artikel 6bis, § 2bis, het bedrag van "887.478 Belgische frank

  Art. 37septies. [1 De premie, vermeld in artikel 7bis, die werd toegekend aan een gesubsidieerde contractueel, tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst, gesloten voor 1 januari 2009, blijft onveranderd verschuldigd tot aan zijn uitdiensttreding.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2008-07-10/92, art. 16, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 38.<BVR 1995-12-21/57, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1996> Dit besluit is van toepassing op alle overeenkomsten en bijzondere overeenkomsten.
  De beschikkingen die betrekking hebben op de jongerenpremie zoals bepaald in artikel 1, 10°, van dit besluit voor projecten in toepassing van de artikelen 6 en 7 van dit besluit hebben gelding tot 31 december 1995, uitgezonderd voor die jongerenpremies waarvan de duur van de arbeidsovereenkomst van de titularis op 31 december 1995 een termijn van twaalf maanden niet heeft overschreden. Deze arbeidsovereenkomsten mogen voor dezelfde titularis verlengd worden tot maximaal een duur van twaalf maanden wordt bereikt. Geen enkele vervanging wordt nog toegestaan.
  (Aanwervingen in projecten, zoals bedoeld bij artikel 7 van dit besluit, kunnen slechts gebeuren ten laatste op 31 december 1997, met uitzondering van tijdelijke vervangingen en van aanwervingen in projecten van buitenschoolse kinderopvang.) <BVR 1997-06-17/39, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-06-1997>

  Art. 39. <Opheffingsbepaling van BVE 1991-07-03/35>

  Art. 40. Dit besluit treedt in werking op 1 november 1993.

  Art. 41. De Vlaamse minister van Tewerkstelling en Sociale Aangelegenheden is belast met de uitvoering van dit besluit.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Vlaamse regering,
   Gelet op de Programmawet van 30 december 1988;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse [regering] van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
   Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor begroting, gegeven op 25 oktober 1993;
   .....
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende dat het noodzakelijk is het beleidsinstrumentarium inzake de tewerkstellingsprogramma's af te stemmen op de problematiek van de langdurig werklozen, van de stijgende werkloosheid, meer bepaald bij jongeren, en van de integratie van de risicogroepen op de arbeidsmarkt in aansluiting op de besluiten van de Vlaamse Werkgelegenheidsconferentie;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Tewerkstelling en Sociale Aangelegenheden;
   .....

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 17-02-2017 GEPUBL. OP 18-04-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 6bis; 31bis; )
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 16-03-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 6bis; 31bis)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 20-06-2014 GEPUBL. OP 20-10-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6bis; 7; 16; 29; 34; 36; 8; 23; 32)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 12-03-2010 GEPUBL. OP 08-04-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7bis)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 06-03-2009 GEPUBL. OP 23-04-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 8)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-07-2008 GEPUBL. OP 26-11-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 6BIS; 7; 16; 29; 34; 7BIS; 8)
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 19; 20; 23; 26; 27; 32; 34; 36)
    (GEWIJZIGD ART. : 37SEPTIES)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 01-02-2008 GEPUBL. OP 26-03-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 6; 23; 26; 27; 28)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 22-09-2006 GEPUBL. OP 24-10-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 6BIS)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 08-07-2005 GEPUBL. OP 23-08-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7BIS)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-06-2005 GEPUBL. OP 15-07-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 6TER; 7; 7BIS; 17; 19; 8; 32; 35; 21)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 14-05-2004 GEPUBL. OP 31-08-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 7; 7BIS; 8; 26)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 13-12-2002 GEPUBL. OP 21-01-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 6BIS)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 14-12-2001 GEPUBL. OP 15-02-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6BIS; 37QUA; 37QUI; 37SEX)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 24-07-2001 GEPUBL. OP 08-02-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 06-07-2001 GEPUBL. OP 04-10-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 7; 17)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 17-11-2000 GEPUBL. OP 03-01-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 15)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 26-05-2000 GEPUBL. OP 29-06-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 01-06-1999 GEPUBL. OP 26-08-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 8)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 08-06-1999 GEPUBL. OP 24-08-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7; 7BIS)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 08-06-1999 GEPUBL. OP 12-08-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-03-1998 GEPUBL. OP 24-02-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6BIS; 23)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 08-12-1998 GEPUBL. OP 23-02-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 6BIS; 37BIS; 37TER; 37QUA)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 27-10-1998 GEPUBL. OP 31-12-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7BIS)
  • 1997061751; 1997-08-08
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 17-06-1997 GEPUBL. OP 08-08-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7BIS; 11; 12; 15; 17; 19; 26; 27)
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 38)
  • 1997035181; 1997-02-19
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 21-01-1997 GEPUBL. OP 19-02-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 6BIS; 6TER)
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 26-03-1996 GEPUBL. OP 29-05-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6TER; 11; 26)
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 05-03-1996 GEPUBL. OP 24-05-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6BIS)
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 21-12-1995 GEPUBL. OP 14-03-1996
    (GEWIJZIGD ART. : 38)
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 19-07-1995 GEPUBL. OP 13-02-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6BIS)
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-05-1995 GEPUBL. OP 04-08-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 24)
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 20-07-1994 GEPUBL. OP 01-08-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6BIS)
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-05-1995 GEPUBL. OP 21-07-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 24)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 37 uitvoeringbesluiten 31 gearchiveerde versies
    Franstalige versie