J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 39 uitvoeringbesluiten 25 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1990/12/29/1991021311/justel

Titel
29 DECEMBER 1990. - Wet houdende sociale bepalingen.
(NOTA : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB 2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-03-1991 en tekstbijwerking tot 28-04-2017)

Bron : EERSTE MINISTER
Publicatie : 09-01-1991 nummer :   1991021311 bladzijde : 299
Dossiernummer : 1990-12-29/30
Inwerkingtreding : 19-01-1991
Opheffing : 01-07-1992 (ART. 137 - ART. 140)

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - SOCIALE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.
AFDELING 1. - Bepalingen betreffende de vaststelling van de staatstoelage ten voordele van de sociale-zekerheidsregelingen voor werknemers.
Art. 1-6
AFDELING 2.
Art. 7-11
AFDELING 3.
Art. 12-13
HOOFDSTUK II. - Sociale zekerheid voor loontrekkenden.
Art. 14
HOOFDSTUK III. - Ziekte- en invaliditeitsverzekering.
AFDELING 1. - Bepalingen betreffende de overeenkomsten en de akkoorden, gesloten tussen de verzekeringsinstellingen en de zorgverleners of verzorgingsinrichtingen. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>
Art. 15-23
AFDELING 2. - Bepalingen betreffende de voordelen welke kunnen worden toegekend aan sommige geneesheren die worden geacht te zijn toegetreden tot de termen van het nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen.
Art. 24-25
AFDELING 3. - Verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.
Art. 26
AFDELING 4. - Bijzondere bepalingen betreffende wijzigingen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en de vermindering van sommige honoraria.
Art. 27
AFDELING 5. - Bepalingen betreffende de in onderaanneming verrichte geneeskundige verstrekkingen.
Art. 28
AFDELING 6. - Bepalingen betreffende de organen voor financiële en begrotingscontrole.
Art. 29
AFDELING 7. - Bepalingen betreffende de werking van de organen die zijn ingesteld bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Art. 30-31
AFDELING 8. - Klinische biologie.
Art. 32
AFDELING 9. - Bepalingen betreffende de revalidatieverstrekkingen.
Art. 33-40
AFDELING 10. - Verruiming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging tot de rechthebbenden van de sociale werken van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.
Art. 41-54
AFDELING 11. - Bepalingen betreffende de inkomsten van de verzekering en de verdeling ervan.
Art. 55-58
AFDELING 12. - Bepalingen inzake farmaceutische geneesmiddelen.
Art. 59-61
AFDELING 13. - Koppeling van bepaalde invaliditeitsuitkeringen aan de evolu
Art. 62
AFDELING 14. - Reclame.
Art. 63
AFDELING 15. - Aanpassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering aan de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
Art. 64-74
HOOFDSTUK IV. - Kinderbijslag.
Art. 75-98
HOOFDSTUK V. - Beroepsziekten.
Art. 99-106
HOOFDSTUK VI. - Arbeidsongevallen.
Art. 107-114
HOOFDSTUK VII. - Bijkomende wijzigingen ingevolge de oprichting van de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.
Art. 115-124
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen aan de ziekenhuiswet.
Art. 125-132
HOOFDSTUK IX. - Wijzigingen van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen.
Art. 133-135
TITEL II. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
Art. 136
HOOFDSTUK II. - Invoering van een selectieve werkgeversbijdrage voor sommige deeltijds tewerkgestelde werknemers.
Art. 137-140
HOOFDSTUK III. - Brugpensioen.
AFDELING 1. - Bijzondere werkgeversbijdrage op het conventioneel brugpensioen bestemd voor de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid.
Art. 141-144
AFDELING 2. - Vervanging van de bruggepensioneerden.
Art. 145
AFDELING 3. - Inwerkingtreding.
Art. 146
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Art. 147
HOOFDSTUK V. - Toelage aan werkgevers voor het in dienst houden van werknemers getroffen door een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval waardoor het voor deze werknemers definitief onmogelijk wordt om het overeengekomen werk te verrichten.
Art. 148-154
HOOFDSTUK VI. - Herintegratie van langdurig werklozen.
Art. 155
HOOFDSTUK VII. - Bevorderen van de Werkgelegenheid.
AFDELING 1. - Wijzigingen van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Art. 156-157
AFDELING 2. - Stortingen aan het Tewerkstellingsfonds bij ontstentenis van akkoorden ter bevordering van de werkgelegenheid in de periode 1983-1990.
Art. 158-162
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van Hoofdstuk II - opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen - van Titel III van de programmawet van 30 december 1988.
Art. 163-164
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van hoofdstuk VII - Tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling - van titel III van de programmawet van 30 december 1988.
Art. 165
HOOFDSTUK X. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren.
Art. 166-169
HOOFDSTUK XI. - Bepalingen betreffende het interprofessioneel akkoord.
AFDELING 1. - Maatregelen ten voordele van de risicogroepen.
Art. 170-174
AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Art. 175
AFDELING 3. - Wijziging van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.
Art. 176
AFDELING 4. - Moederschapsbescherming.
Art. 177-178
AFDELING 5.
Art. 179
TITEL III. - PENSIOENEN.
HOOFDSTUK I. - Maatregelen betreffende de werknemerspensioenen.
AFDELING 1. - Koppeling van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn.
Art. 180
AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn.
Art. 181
AFDELING 3. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling voor werknemers.
Art. 182
HOOFDSTUK II. - Maatregelen betreffende de pensioenen voor zelfstandigen.
Art. 183-185
HOOFDSTUK III. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling voor zelfstandigen.
Art. 186-187
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen betreffende de pensioenen van de openbare sector.
AFDELING 1. - Wijzigingen van de tenlasteneming van de pensioenen toegekend met toepassing van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.
Art. 188-189
AFDELING 2. - (...) <L 2007-04-25/52, art. 67, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 190-192
HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
Art. 193-194
TITEL IV. - MIDDENSTAND.
HOOFDSTUK I. - Sociaal statuut der zelfstandigen.
Art. 195
HOOFDSTUK II. - Centraal Handels- en Ambachtsregister.
Art. 196-197
TITEL V. - MAATSCHAPPELIJKE EMANCIPATIE.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van artikel 2 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.
Art. 198-199
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de artikelen 68bis, 68ter en 68quater, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 200-203
TITEL VI. - DIVERSE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - Verkeerswezen.
AFDELING 1. - (Nationale Maatschappij der luchtwegen (N.M.L.W.)) <W 1991-03-21/30, art. 169, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
Art. 204
AFDELING 2. - Overname van personeel van [2 HR Rail]2 door [1 bpost]1 en [3 Proximus]3 <W 1991-03-21/30, art. 55, 002; Inwerkingtreding : 04-09-1992> <W 1991-03-21/30, art. 130, 002; Inwerkingtreding : 01-10-1992> <KB 2004-10-18/32, art. 26, 017 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Art. 205
HOOFDSTUK II. - Binnenlandse Zaken.
AFDELING 1. - Wijzigingen van de wet van 8 januari 1981 betreffende de consolidatielening ten voordele van de Brusselse ondergeschikte besturen.
Art. 206
AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten.
Art. 207
HOOFDSTUK III. - [1 Proximus]1
Art. 208
HOOFDSTUK IV. - Landbouw.
AFDELING 1. - Wijziging van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
Art. 209-213
AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten.
Art. 214-215

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - SOCIALE BEPALINGEN.

  HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.

  AFDELING 1. - Bepalingen betreffende de vaststelling van de staatstoelage ten voordele van de sociale-zekerheidsregelingen voor werknemers.

  Artikel 1.
  <Opgeheven bij W 2017-04-18/07, art. 41, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 2.
  <Opgeheven bij W 2017-04-18/07, art. 41, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 3.
  <Opgeheven bij W 2017-04-18/07, art. 41, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 4.
  <Opgeheven bij W 2017-04-18/07, art. 41, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 5.
  <Opgeheven bij W 2017-04-18/07, art. 41, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 6.
  <Opgeheven bij W 2017-04-18/07, art. 41, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  AFDELING 2.

  Art. 7. In afwijking van de bepalingen van artikel 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, van de bepalingen van artikel 32, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd, en van de bepalingen van artikel 73, eerste lid, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van zelfstandigen, worden de rijkstoelagen in de regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering voor het dienstjaar 1991 als volgt vastgesteld :
  - algemene regeling (in miljoen frank) :
  - geneeskundige verzorging : 99 093,0
  - uitkeringen : 14 903,0
  - regeling der zelfstandigen (in miljoen frank) :
  - geneeskundige verzorging : 7 592,0
  - uitkeringen : 2 317,0.

  Art. 8. § 1. Een bedrag van 4990 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1991 worden toegewezen aan de Rijksdienst voor kinderbijslag en voor werknemers.
  Dit bedrag wordt toegekend aan de algemene regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, ten belope van 3 645 miljoen frank aan de sector geneeskundige verzorging en ten belope van 1 345 miljoen frank aan de sector uitkeringen, teneinde het nadelig saldo over het jaar 1991 van deze beide sectoren gedeeltelijk te dekken.
  § 2. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoeld bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.

  Art. 9. § 1. Een bedrag van 535 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale-zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1991 worden toegewezen aan het Fonds voor arbeidsongevallen.
  Dit bedrag wordt toegekend aan de sector uitkeringen van de algemene regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering teneinde het nadelig saldo over het jaar 1991 van deze sector gedeeltelijk te dekken.
  § 2. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoeld bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.

  Art. 10. § 1. Een bedrag van 1410 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale-zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1991 worden toegewezen aan het Fonds voor beroepsziekten.
  Dit bedrag wordt toegekend aan de sector uitkeringen van de algemene regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering teneinde het nadelig saldo over het jaar 1991 van deze sector gedeeltelijk te dekken.
  § 2. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoeld bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.

  Art. 11. <wijzigingsbepaling van art. 125, § 1, van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 3.

  Art. 12. <wijzigingsbepaling van art. 36, § 1, van W 1981-06-29/02>

  Art. 13. <wijzigingsbepaling van art. 37 van W 1981-06-29/02>

  HOOFDSTUK II. - Sociale zekerheid voor loontrekkenden.

  Art. 14. <invoeging van een artikel 30quater in de W 1969-06-27/04>

  HOOFDSTUK III. - Ziekte- en invaliditeitsverzekering.

  AFDELING 1. - Bepalingen betreffende de overeenkomsten en de akkoorden, gesloten tussen de verzekeringsinstellingen en de zorgverleners of verzorgingsinrichtingen. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  Art. 15. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 020; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  Art. 16. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 020; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  Art. 17. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 020; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  Art. 18. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 020; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  Art. 19. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 020; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  Art. 20. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 020; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  Art. 21. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 020; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  Art. 22. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 020; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  Art. 23. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 020; Inwerkingtreding : onbepaald; zie W 2007-04-27/35, art. 49, die de datum van inwerkingtreding verandert van 01-04-2007 naar onbepaald>

  AFDELING 2. - Bepalingen betreffende de voordelen welke kunnen worden toegekend aan sommige geneesheren die worden geacht te zijn toegetreden tot de termen van het nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen.

  Art. 24. <wijzigingsbepaling van het opschrift van Titel III, hfdst. 4, afd. 1quater van W 1963-08-09/01>

  Art. 25. <wijzigingsbepaling van art. 34quinquies van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 3. - Verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.

  Art. 26. <wijzigingsbepaling van art. 34undecies van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 4. - Bijzondere bepalingen betreffende wijzigingen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en de vermindering van sommige honoraria.

  Art. 27. <wijzigingsbepaling van Titel III, hfdst. 4, afd. 1decies van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 5. - Bepalingen betreffende de in onderaanneming verrichte geneeskundige verstrekkingen.

  Art. 28. <wijzigingsbepaling van art. 34quaterdecies van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 6. - Bepalingen betreffende de organen voor financiële en begrotingscontrole.

  Art. 29. <wijzigingsbepaling van art. 120bis van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 7. - Bepalingen betreffende de werking van de organen die zijn ingesteld bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.

  Art. 30. <wijzigingsbepaling van art. 79quater van W 1963-08-09/01>

  Art. 31. <wijzigingsbepaling van art. 79quinquies van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 8. - Klinische biologie.

  Art. 32. <wijzigingsbepaling van art. 153 van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 9. - Bepalingen betreffende de revalidatieverstrekkingen.

  Art. 33. <wijzigingsbepaling van art. 12 van W 1963-08-09/01>

  Art. 34. <wijzigingsbepaling van Titel III, hfdst. I, afd. 5, art. 19-19bis, van W 1963-08-09/01>

  Art. 35. <Opheffingsbepaling van art. 19bis van W 1963-08-09/01>

  Art. 36. <wijzigingsbepaling van art. 23, lid 1, 11° van W 1963-08-09/01>

  Art. 37. <wijzigingsbepaling van art. 25, § 5, van W 1963-08-09/01>

  Art. 38. <invoeging van afdeling 1terdecies, art. 34quindecies van hfdst IV, Titel III van W 1963-08-09/01>

  Art. 39. <wijzigingsbepaling van art. 5, § 2, van W 1984-12-28/32>

  Art. 40. Voor het beheer van de taken met betrekking tot de tussenkomst in de individuele verstrekkingen voor revalidatie, die hem werden opgedragen met toepassing van artikel 5 van de wet van 28 december 1984 tot afschaffing of herstructurering van sommige instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, gewijzigd bij de wet van 26 juni 1990, mag het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering voor het jaar 1991 bijzondere overeenkomsten sluiten met het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen.

  AFDELING 10. - Verruiming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging tot de rechthebbenden van de sociale werken van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.

  Art. 41. <wijzigingsbepaling van art. 2, d) van W 1963-08-09/01>

  Art. 42. <invoeging van artikel 5bis in de W 1963-08-09/01>

  Art. 43. <wijzigingsbepaling van art. 21 van W 1963-08-09/01>

  Art. 44. <wijzigingsbepaling van art. 62 van W 1963-08-09/01>

  Art. 45. <invoeging van titel VI, hfdst. 1, afd. 6, art. 90ter van W 1963-08-09/01>

  Art. 46. <wijzigingsbepaling van art. 96, lid 3 van W 1963-08-09/01>

  Art. 47. <wijzigingsbepaling van art. 119 van W 1963-08-09/01>

  Art. 48. <wijzigingsbepaling van art. 120 van W 1963-08-09/01>

  Art. 49. <invoeging van Titel VIIbis, art. 120ter, van W 1963-08-09/01>

  Art. 50. <wijzigingsbepaling van art. 123, § 1, lid 1 van W 1963-08-09/01>

  Art. 51. <wijzigingsbepaling van art. 124, § 1, van W 1963-08-09/01>

  Art. 52. <wijzigingsbepaling van art. 125 van W 1963-08-09/01>

  Art. 53. Voor een overgangsperiode van twee jaar kan de Koning, in het raam van de verruiming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging tot de rechthebbenden van de sociale werken van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen, afwijken van de bepalingen van hoofdstukken I en II van Titel V en de hoofdstukken I en II van Titel VI van de hiervoren bedoelde wet van 9 augustus 1963 of van de bepalingen die daaruit voortvloeien.

  Art. 54. <wijzigingsbepaling van art. 75, § 2, van W 1990-08-06/35>

  AFDELING 11. - Bepalingen betreffende de inkomsten van de verzekering en de verdeling ervan.

  Art. 55. <wijzigingsbepaling van art. 121, lid 1, van W 1963-08-09/01>

  Art. 56. In afwijking van artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1984 betreffende het beheer van de financiële middelen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering door de verzekeringsinstellingen en betreffende de vermeerdering van de administratiekosten van de verzekeringsinstellingen met een percentage van de met toepassing van artikel 70, § 2, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering teruggevorderde sommen, mag, voor de jaren 1982 en 1983, het per kalenderjaar geëvalueerd d

  Art. 57. <wijzigingsbepaling van art. 122, lid 4, 1° van W 1963-08-09/01>

  Art. 58. <wijzigingsbepaling van art. 123, § 1, lid 1, van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 12. - Bepalingen inzake farmaceutische geneesmiddelen.

  Art. 59. <Opheffingsbepaling van art. 25bis van W 1963-08-09/01>

  Art. 60. <wijzigingsbepaling van art. 121, 17° van W 1963-08-09/01>

  Art. 61. <wijzigingsbepaling van art. 121, 18°, van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 13. - Koppeling van bepaalde invaliditeitsuitkeringen aan de evolu

  Art. 62. Een vergoeding van (123,95 EUR) wordt toegekend ten laste van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, aan de gerechtigden aan wie de in artikel 50 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering bedoelde uitkering wordt uitbetaald en van wie de arbeidsongeschiktheid is ingegaan vóór 1 oktober 1974. <KB 2001-06-14/38, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Deze vergoeding wordt uitbetaald samen met de uitkeringen verschuldigd voor de maand januari; zij mag niet meer bedragen dan 50 pct., van het bedrag van de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid verschuldigd voor deze maand.

  AFDELING 14. - Reclame.

  Art. 63. <wijzigingsbepaling van art. 71, § 8, van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 15. - Aanpassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering aan de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.

  Art. 64. <wijzigingsbepaling van art. 91 van W 1963-08-09/01>

  Art. 65. <wijzigingsbepaling van art. 92 van W 1963-08-09/01>

  Art. 66. <wijzigingsbepaling van art. 93 van W 1963-08-09/01>

  Art. 67. <wijzigingsbepaling van art. 97 van W 1963-08-09/01>

  Art. 68. <wijzigingsbepaling van art. 99 van W 1963-08-09/01>

  Art. 69. <wijzigingsbepaling van art. 124, § 1, van W 1963-08-09/01>

  Art. 70. <wijzigingsbepaling van art. 135, lid 1, van W 1963-08-09/01>

  Art. 71. <Opheffingsbepaling van art. 147 van W 1963-08-09/01>

  Art. 72. De bepalingen van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en de besluiten en verordeningen ter uitvoering ervan, blijven van toepassing voor de materies die worden geregeld door de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen totdat de maatregelen ter uitvoering van laatstgenoemde wet in werking treden.

  Art. 73. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 januari 1991.
  Evenwel kan de Koning de inwerkingtreding van de artikelen 33 tot 41 met ten hoogste drie maanden uitstellen.

  Art. 74. Over de uitvoering van de bepalingen van de afdelingen 1, 4 en 6 van dit hoofdstuk wordt om de twee jaar en voor het eerst vóór 30 april 1993 door de Minister van Sociale Zaken verslag uitgebracht bij de Wetgevende Kamers.

  HOOFDSTUK IV. - Kinderbijslag.

  Art. 75. <wijzigingsbepaling van art. 42bis, lid 1, van W 1939-12-19/01>

  Art. 76. <wijzigingsbepaling van art. 44 van W 1939-12-19/01>

  Art. 77. <wijzigingsbepaling van art. 47 van W 1939-12-19/01>

  Art. 78. <wijzigingsbepaling van art. 50ter, lid 1, van W 1939-12-19/01>

  Art. 79. <wijzigingsbepaling van art. 56, § 1, 1° van W 1939-12-19/01>

  Art. 80. <wijzigingsbepaling van art. 56quater, lid 3, van W 1939-12-19/01>

  Art. 81. <wijzigingsbepaling van art. 56quinquies, § 1, van W 1939-12-19/01>

  Art. 82. <wijzigingsbepaling van art. 56septies, lid 1, van W 1939-12-19/01>

  Art. 83. <wijzigingsbepaling van art. 58 van W 1939-12-19/01>

  Art. 84. <wijzigingsbepaling van art. 63 van W 1939-12-19/01>

  Art. 85. <wijzigingsbepaling van art. 73bis, § 1, van W 1939-12-19/01>

  Art. 86. <wijzigingsbepaling van art. 75, 1°, van W 1939-12-19/01>

  Art. 87. <wijzigingsbepaling van art. 76bis, § 1, lid 2, van W 1939-12-19/01>

  Art. 88. <wijzigingsbepaling van art. 107 van W 1939-12-19/01>

  Art. 89. <invoeging van een artikel 173ter in de W 1939-12-19/01>

  Art. 90. <wijzigingsbepaling van art. 2 van W 1971-07-20/02>

  Art. 91. <wijzigingsbepaling van art. 3bis van W 1971-07-20/02>

  Art. 92. <wijzigingsbepaling van art. 7 van W 1971-07-20/02>

  Art. 93. <wijzigingsbepaling van art. 7bis, lid 2, van W 1971-07-20/02>

  Art. 94. <Opheffingsbepaling van art. 13 van W 1971-07-20/02>

  Art. 95. De artikelen 47 en 63 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals ze van toepassing waren vóór de wijziging bij deze wet, blijven van toepassing ten behoeve van de gehandicapte kinderen die ten minste 21 jaar oud waren op 1 juli 1987.

  Art. 96. De niet in artikel 98 bedoelde gerechtigden op bijslag met toepassing van de artikelen 47 en 63 van de gecoördineerde wetten, zoals ze van toepassing waren vóór de wijziging bij deze wet, kunnen vóór 1 april 1992 geen aanvraag indienen tot herziening in het raam van deze wettelijke bepalingen.
  Indien de beslissing de toekenning van een hoger bedrag met zich brengt na een herzieningsaanvraag, heeft ze uitwerking vanaf de eerste dag van de maand in de loop waarvan de feiten zich voordoen, die deze beslissing rechtvaardigen zonder nochtans uitwerking te mogen hebben vóór 1 april 1991.
  Indien de beslissing de toekenning van een lager bedrag met zich brengt na een herzieningsaanvraag, heeft ze uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de kennisgeving van de beslissing.
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder een herziening van ambtswege of een herziening op verzoek wordt gedaan.

  Art. 97. De Koning kan de bepalingen van bestaande wetten in overeenstemming brengen met die welke in dit hoofdstuk zijn vervat.

  Art. 98. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1991 met uitzondering van :
  - de artikelen 77, 82, 84, 95 en 96 die in werking treden op 1 april 1991;
  - artikel 79, dat uitwerking heeft met ingang van 9 januari 1990;
  - (de artikelen 81 en 83 die uitwerking hebben met ingang van 1 april 1990.) <W 1991-04-04/39, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 02-07-1991>

  HOOFDSTUK V. - Beroepsziekten.

  Art. 99. <invoeging van een artikel 5bis in de W 1970-06-03/02>

  Art. 100. <invoeging van een artikel 30bis in de W 1970-06-03/02>

  Art. 101. <wijzigingsbepaling van art. 32 van W 1970-06-03/02>

  Art. 102. <wijzigingsbepaling van art. 35 van W 1970-06-03/02>

  Art. 103. <wijzigingsbepaling van art. 44 van W 1970-06-03/02>

  Art. 104. <wijzigingsbepaling van art. 45, § 2, van W 1970-06-03/02>

  Art. 105. <wijzigingsbepaling van art. 53, lid 2, van W 1970-06-03/02>

  Art. 106. Artikel 99 van dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van op 1 januari 1988.

  HOOFDSTUK VI. - Arbeidsongevallen.

  Art. 107. <wijzigingsbepaling van art. 23 van W 1971-04-10/01>

  Art. 108. <wijzigingsbepaling van art. 24, lid 6, van W 1971-04-10/01>

  Art. 109. <invoeging van een artikel 24bis in de W 1971-04-10/01>

  Art. 110. <invoeging van een artikel 24ter in de W 1971-04-10/01>

  Art. 111. <invoeging van een artikel 27quater in de W 1971-04-10/01>

  Art. 112. <wijzigingsbepaling van art. 58, § 1, van W 1971-04-10/01>

  Art. 113. <wijzigingsbepaling van art. 60bis van W 1971-04-10/01>

  Art. 114. De artikelen 111 en 112 van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang op 1 januari 1988.

  HOOFDSTUK VII. - Bijkomende wijzigingen ingevolge de oprichting van de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.

  Art. 115. In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, laatst gewijzigd bij de wet van 16 juni 1989, worden in het eerste lid, D, na de woorden " Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering " de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen " ingevoegd.

  Art. 116. Artikel 11, § 5, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 3 van 24 december 1980, wordt vervangen door de volgende bepaling : " Dit artikel is niet toepasselijk op de Algemene Spaar- en Lijfrentekas, noch op de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen. "

  Art. 117. <wijzigingsbepaling van art. 1 van W 1963-04-25/01>

  Art. 118. <invoeging van een artikel 3bis in de W 1963-04-25/01>

  Art. 119. <wijzigingsbepaling van art. 6, lid 1 van W 1963-04-25/01>

  Art. 120. <wijzigingsbepaling van art. 9, lid 1 van W 1963-04-25/01>

  Art. 121. <wijzigingsbepaling van art. 18 van W 1963-04-25/01>

  Art. 122. <wijzigingsbepaling van art. 2, § 1, van W 1970-06-03/02>

  Art. 123. <wijzigingsbepaling van art. 4 van W 1971-04-10/01>

  Art. 124. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1991.

  HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen aan de ziekenhuiswet.

  Art. 125. <wijzigingsbepaling van art. 7, lid 1, van W 1987-08-07/32>

  Art. 126. <wijzigingsbepaling van art. 8 van W 1987-08-07/32>

  Art. 127. <invoeging van een artikel 9ter van Titel I, hfdst 1, afd. 9 in de W 1987-08-07/32>

  Art. 128. <wijzigingsbepaling van art. 12 van W 1987-08-07/32>

  Art. 129. <invoeging van artikelen 17bis t/n 17octies in de W 1987-08-07/32>

  Art. 130. De Koning kan voor de toepassing van artikel 17bis, tweede lid, 1°, tweede lid, van de wet op de ziekenhuizen overgangsmaatregelen bepalen.

  Art. 131. De ziekenhuizen moeten aan de bepalingen van Titel I, Hoofdstuk IV van de wet op de ziekenhuizen voldoen op de datum vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit en uiterlijk op 1 juli 1992.

  Art. 132. <invoeging van een artikel 86bis in de W 1987-08-07/32>

  HOOFDSTUK IX. - Wijzigingen van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen.

  Art. 133. <invoeging van een artikel 13bis in de W 1964-03-25/30>

  Art. 134. <wijzigingsbepaling van art. 16, § 2, van W 1964-03-25/30>

  Art. 135. Worden opgeheven :
  1° <Opheffingsbepaling van art. 63 van W 1961-02-14/01>
  2° <Opheffingsbepaling van art. 152, 154 en 155 van W 1976-01-05/07>

  TITEL II. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.

  HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.

  Art. 136. <invoeging van een artikel 12bis in de W 1965-04-08/01>

  HOOFDSTUK II. - Invoering van een selectieve werkgeversbijdrage voor sommige deeltijds tewerkgestelde werknemers.

  Art. 137. (opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 106, 006; Inwerkingtreding : 01-07-1992>

  Art. 138. (opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 106, 006; Inwerkingtreding : 01-07-1992>

  Art. 139. (opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 106, 006; Inwerkingtreding : 01-07-1992>

  Art. 140. (opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 106, 006; Inwerkingtreding : 01-07-1992>

  HOOFDSTUK III. - Brugpensioen.

  AFDELING 1. - Bijzondere werkgeversbijdrage op het conventioneel brugpensioen bestemd voor de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid.

  Art. 141. (§ 1. Een bijzondere maandelijkse werkgeversbijdrage wordt ingevoerd, bestemd voor de sector arbeidsvoorziening en werkloosheid, voor ieder conventioneel brugpensioen dat krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst of collectief akkoord werd toegekend in het kader van de wetgeving op het conventioneel brugpensioen bedoeld in artikel 132 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.
  Het bedrag van de bijzondere maandelijkse werkgeversbijdrage bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op :
  1° 24,80 EUR voor de werknemers waarvan het brugpensioen ingaat vanaf tenminste 60 jaar, met toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 19 december 1974;
  2° 74,40 EUR voor de werknemers met brugpensioen in de ondernemingen die door de minister van Tewerkstelling en Arbeid erkend werden als onderneming in herstructurering in de zin van de wetgeving op het conventioneel brugpensioen, wanneer de leeftijd van het ingaan van het brugpensioen ten minste 52 jaar, maar minder dan de normale in de sector geldende brugpensioenleeftijd bedraagt;
  3° 111,55 EUR voor de werknemers met brugpensioen in de ondernemingen bedoeld in het 2°, wanneer de leeftijd van het ingaan van het brugpensioen minder dan 52 jaar bedraagt;
  4° 49,60 EUR voor de werknemers met brugpensioen niet bedoeld in 1° tot 3°.
  De in het tweede lid, 1° en 4°, bedoelde bedragen zijn slechts verschuldigd voor de bruggepensioneerden aan wie de opzegging ter kennis is gebracht na 31 augustus 1990 en voor wie het brugpensioen ingaat na 31 december 1990.
  De in het tweede lid, 2° en 3°, bedoelde bedragen zijn slechts verschuldigd voor de bruggepensioneerden aan wie de opzegging ter kennis is gebracht na 31 augustus 1990 en voor wie het brugpensioen ingaat na 31 december 1990, voorzover zij tewerkgesteld waren door een onderneming die door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid na 31 december 1990 erkend werd als onderneming in herstructurering in de zin van de wetgeving op het conventioneel brugpensioen.
  (De Koning kan, na advies van de Nationale Arbeidsraad, met het in het eerste lid bedoelde conventioneel brugpensioen gelijkstellen, overeenkomstig bij een in Ministerraad overlegd besluit vastgelegde voorwaarden en nadere regels, alle of sommige van de aanvullende vergoedingen bedoeld in artikel 2, derde lid, 1°, c), van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, voorzover deze aanvullende vergoedingen in toepassing van die wet en zijn uitvoeringsbesluiten niet als loon worden beschouwd (en voorzover de werkgever die de aanvullende vergoeding toekent, onder de toepassing valt van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités). <W 2005-12-23/30, art. 47, 020; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  De Koning kan, voor toepassing van het vorige lid inzonderheid een onderscheid maken naargelang :
  - de aanvullende vergoedingen worden toegekend op basis van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in de Nationale Arbeidsraad, van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in een paritair comité of paritair subcomité geldend voor alle ondernemingen die ressorteren onder het toepassingsgebied van het paritair comité of paritair subcomité, van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in een paritair comité of paritair subcomité niet geldend voor alle ondernemingen die ressorteren onder het toepassingsgebied van het paritair comité of paritair subcomité, van een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in de onderneming, op basis van een individueel akkoord tussen werkgever en werknemer of op basis van een éénzijdige toezegging vanwege de werkgever;
  - de leeftijd van de werknemer op het ogenblik van de eerste toekenning van de aanvullende vergoeding (en de periode gedurende dewelke de aanvullende vergoeding wordt toegekend, waarbij inzonderheid rekening wordt gehouden met het al dan niet doorbetalen tot aan het opnemen van het pensioen of het brugpensioen); <W 2005-12-23/30, art. 52, 020; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  - de hoogte van het bedrag van de aanvullende vergoeding, waarbij wordt rekening gehouden met het maximaal voordeel dat de werknemer zou kunnen ontvangen, zonder dat het vereist is dat de voorwaarden om dit maximaal voordeel te kunnen ontvangen, werkelijk worden vervuld;
  - de datum van regeling bedoeld onder a) waarop de toekenning van de aanvullende vergoeding gebaseerd is;
  - de datum van eerste toekenning aan de werknemer van de aanvullende vergoeding;
  - de regeling bedoeld onder a) waarop de toekenning van de aanvullende vergoeding gebaseerd is al dan niet uitdrukkelijk bepaalt dat de aanvullende vergoeding verder uitbetaald wordt in geval van werkhervatting van de werknemer bij een andere werkgever dan deze in wiens opdracht de aanvullende vergoeding rechtstreeks of onrechtstreeks wordt uitbetaald;
  - de werknemer in de beschouwde maand het werk hervat bij een andere werkgever dan deze in wiens opdracht de aanvullende vergoeding rechtstreeks of onrechtstreeks wordt uitbetaald.
  (- de werkgever bij het toekennen van de aanvullende vergoeding aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties verminderd heeft in een ander stelsel dan dit bedoeld in § 5 :
  a) deze werknemer al of niet vrijstelt van de uitoefening van de normaal, volgens het terzake toegepaste stelsel, nog te verrichten arbeidsprestaties;
  b) al of niet overgaat tot de vervanging van de werknemer voor de niet meer door hem gepresteerde arbeidstijd.) <W 2005-12-23/30, art. 52, 020; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  De Koning kan, voor toepassing van het vijfde lid, het bedrag van de bijzondere maandelijkse werkgeversbijdrage bedoeld in het eerste lid aanpassen en laten variëren in functie van de criteria bedoeld in het vorig lid.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum vanaf wanneer de maandelijkse bijzondere bijdrage kan worden geïnd, de modaliteiten van de storting en, met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde aanvullende vergoeding, de specifieke regels en modaliteiten inzake de berekening en de inning van de verschuldigde bijzondere werkgeversbijdrage, alsmede de betalingsmodaliteiten van de bijzondere bijdrage indien de aanvullende vergoeding door verscheidene debiteuren verschuldigd is, alsook de specifieke modaliteiten voor aanvullende vergoedingen die niet periodiek worden betaald. Hij kan ook, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de in het tweede lid bedoelde bedragen wijzigen, alsook de te betalen maandelijkse bijzondere werkgeversbijdrage uitdrukken in een percentage van het bedrag van de aanvullende vergoeding.) <W 2004-12-27/30, art. 148, 018; Inwerkingtreding : 01-04-2006; wijzigende bepaling opgeheven bij W 2006-12-27/32, art. 146>
  § 2. (De Koning kan onder de voorwaarden en nadere regelen die Hij bepaalt, het bedrag van de in § 1 bedoelde bijzondere bijdrage verminderen, een vrijstelling van bijdrage toekennen of een vervangende niet-periodieke bijdrage voorzien voor :
  1° de ondernemingen die door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid werden erkend als zijnde in moeilijkheden in de zin van de wetgeving op het conventioneel brugpensioen, gedurende de periode van erkenning als onderneming in moeilijkheden;
  2° de " niet-commerciële sector " beperkt tot de hierna vermelde erkende of gesubsidieerde instellingen en diensten voor zover ze zonder winstoogmerk werken :
  - de ziekenhuizen;
  - de psychiatrische verzorgingsinstellingen;
  - de rust- en verzorgingsinstellingen;
  - de polyklinieken;
  - de rustoorden;
  - de diensten voor gezins- en bejaardenhulp;
  - de instellingen en diensten voor gehandicapte personen ten laste van het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten ;
  - de beschutte werkplaatsen, de revalidatiecentra, de centra voor gespecialiseerde beroepsoriëntatie van minder-validen en de centra voor beroepsopleiding van minder-validen die afhangen van het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van personen met een handicap of " l'Agence Wallonne pour l'intégration des personnes handicapées, le Fonds bruxellois francophone pour l'intégration sociale et professionnelle des handicapés, l'Office de la Communauté germanophone pour les personnes handicapées ainsi que pour l'assistance sociale spéciale ";
  - de instellingen of diensten voor minderjarigen waarop de wettelijke of decretale bepalingen betreffende de jeugdbescherming van toepassing zijn;
  - de diensten voor geestelijke gezondheidszorg;
  - de diensten voor thuisverpleging en thuisverzorging;
  - de door de Koning aangewezen instellingen en diensten die bijstand verlenen aan personen, zoals omschreven in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.) <KB 1997-03-21/38, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-04-1997>
  § 3. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en nadere regelen bepalen waaronder de Minister van Tewerkstelling en Arbeid :
  1° aan de in § 2, 1°, bedoelde ondernemingen, gedeeltelijk vrijstelling kan verlenen van de betaling van de in § 1 bedoelde bijzondere bijdrage, na het verstrijken van de periode van erkenning als onderneming in moeilijkheden;
  2° de bedragen van de in § 1 bedoelde bijzondere bijdrage kan verminderen voor de werknemers wier brutoloon het door Hem bepaalde bedrag niet overschrijdt.
  § 4. (De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Nationale Arbeidsraad de bedragen van de in § 1 bedoelde bijzondere bijdrage en vergoeding wijzigen.) <KB 1997-03-21/38, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-04-1997>
  (§ 5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de oudere werknemer die met zijn werkgever een akkoord bereikt om zijn arbeidsprestaties te halveren in het kader van een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, tot instelling van een regeling van aanvullende vergoeding.) <W 1994-03-30/31, art. 48, 008; Inwerkingtreding : 01-01-1994>

  Art. 142. <W 1999-01-25/32, art. 54, 012; Inwerkingtreding : 16-02-1999> De opbrengst van de bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 141, wordt aangewend voor de financiering van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

  Art. 143. (Opgeheven) <W 2003-04-01/48, art. 17, 016; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 144. De bijzondere bijdrage bedoeld in artikel 141, § 1, kan door de Koning, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen die Hij bepaalt, gelijkgesteld worden met sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.

  AFDELING 2. - Vervanging van de bruggepensioneerden.

  Art. 145. <wijzigingsbepaling van art. 132 van W 1985-08-01/31>

  AFDELING 3. - Inwerkingtreding.

  Art. 146. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1991.

  HOOFDSTUK IV. - Wijziging van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

  Art. 147. <wijzigingsbepaling van art. 51, § 3, al. 1 van W 1978-07-03/01>

  HOOFDSTUK V. - Toelage aan werkgevers voor het in dienst houden van werknemers getroffen door een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval waardoor het voor deze werknemers definitief onmogelijk wordt om het overeengekomen werk te verrichten.

  Art. 148. § 1. Binnen de grenzen van de begrotingskredieten, daartoe ingeschreven in de begroting van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, kan een toelage worden toegekend aan de werkgever die gewoonlijk gemiddeld ten hoogste honderd werknemers tewerkstelt en die maatregelen neemt waardoor een werknemer van ten minste vijftig jaar, die ten gevolge van ziekte of ongeval definitief in de onmogelijkheid is om de overeengekomen arbeid te verrichten, in dienst gehouden wordt.
  § 2. Voor de in § 1 bedoelde toelage kunnen in aanmerking komen, de maatregelen waardoor de werkpost aangepast wordt zodat de betrokken werknemer zijn arbeid kan blijven verrichten of waardoor een in § 1 bedoelde werknemer een andere functie bij de werkgever kan uitoefenen.
  Deze toelage wordt slechts toegekend op voorwaarde dat de aanpassing van de werkpost of het overplaatsen naar een andere functie een bijkomende uitgave voor de werkgever tot gevolg heeft.

  Art. 149. De Koning stelt de regels vast voor het bepalen van de in artikel 148, § 1, bedoelde gemiddelde tewerkstelling.

  Art. 150. De toelage wordt forfaitair vastgesteld. Zij kan niet worden gecumuleerd met een ander voordeel dat de werkgever voor dezelfde werknemer en voor hetzelfde doel ontvangt met toepassing van een andere wet, van een decreet, een ordonnantie of een besluit.
  Wanneer de toelage wordt afgewend van het doel waarvoor ze werd toegekend of wanneer aan de toekenningsvoorwaarden niet meer wordt voldaan, kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de toelage eisen.

  Art. 151. De Koning bepaalt in welke gevallen, onder welke voorwaarden en volgens welke nadere regelen de toelage kan worden toegekend, rekening houdend met de aard van de arbeidsongeschiktheid, de beroepssector, de aard van de arbeid en de door te voeren aanpassingen of de te nemen maatregelen.
  Hij bepaalt tevens de nadere regelen tot vaststelling van het bedrag van de toelage en wijst de ambtenaren aan die waken over de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  Art. 152. <wijzigingsbepaling van art. 580 van het Gerechtelijk Wetboek>

  Art. 153. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de aanvragen die vóór 31 december 1991 worden ingediend.
  De Koning kan de geldigheidsduur van deze bepalingen verlengen.
  <NOTA : Door het KB 1991-12-13/33, art. 16, heeft de Koning de geldigheidsduur van deze bepalingen tot 31 december 1992 verlengd.>

  Art. 154. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1991.

  HOOFDSTUK VI. - Herintegratie van langdurig werklozen.

  Art. 155. Binnen de grenzen van de begrotingskredieten daartoe ingeschreven in de begroting van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, kan een premie toegekend worden aan indieners van projecten waarmee de Minister van Tewerkstelling en Arbeid een samenwerkingsakkoord heeft gesloten over initiatieven ten gunste van de inschakeling van werkzoekenden die, gedurende de twee jaar die het opstarten van de inschakeling voorafgaan, zonder onderbreking werkloosheids- of wachtuitkeringen voor alle dagen van de week hebben getrokken.
  De Koning kan bepaalde periodes gelijkstellen met werkloosheidsperiodes alsmede het voordeel van de maatregel uitbreiden tot andere door Hem aangeduide risicogroepen.
  (Elk voorstel van samenwerkingsakkoord wordt vooraf ter advies voorgelegd aan het Comité ter begeleiding, opgericht in uitvoering van artikel 11 van het samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van 5 juni 1991 betreffende de herinschakeling van langdurige werklozen.) <W 1993-06-10/32, art. 23, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De Koning bepaalt het bedrag van de premie bedoeld in het eerste lid. Hij bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen volgens welke deze premie wordt toegekend alsmede de nadere regelen volgens welke zij geheel of gedeeltelijk teruggevorderd wordt bij niet-naleving van de voorwaarden en nadere regelen inzake de toekenning ervan.
  Hij bepaalt eveneens wat verstaan moet worden onder indieners van projecten en onder initiatieven ten gunste van de inschakeling.

  HOOFDSTUK VII. - Bevorderen van de Werkgelegenheid.

  AFDELING 1. - Wijzigingen van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

  Art. 156. <wijzigingsbepaling van art. 35, § 1, van W 1981-06-29/02>

  Art. 157. Deze afdeling treedt in werking op 1 januari 1991.

  AFDELING 2. - Stortingen aan het Tewerkstellingsfonds bij ontstentenis van akkoorden ter bevordering van de werkgelegenheid in de periode 1983-1990.

  Art. 158. § 1. De werkgevers bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 492 van 31 december 1986 houdende sociale bepalingen ter bevordering van de tewerkstelling, die voor de jaren 1987 en 1988, noch gebonden waren door een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, noch, bij ontstentenis van zo een overeenkomst, door een overeenkomst gesloten in de schoot van een onderneming of een groep van ondernemingen, zoals bepaald in artikel 5 van voornoemd koninklijk besluit nr. 492, moeten in 1991 op een bijzondere rekening van het Tewerkstellingsfonds een som storten die overeenstemt met 2,4 pct. van de aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangegeven loonsom verhoogd met de sociale-zekerheidsbijdrage van de werkgever voor 1990.
  § 2. De werkgevers bedoeld in artikel 6 van het voornoemd koninklijk besluit nr. 492 die voor de jaren 1987 en 1988 noch gebonden waren door een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en, bij gebrek aan een dergelijke overeenkomst, noch door een overeenkomst gesloten op het niveau van een onderneming of van een groep van ondernemingen, zoals bepaald in artikel 7 van voornoemd koninklijk besluit nr. 492, moeten in 1991 op een bijzondere rekening van het Tewerkstellingsfonds een som storten die overeenstemt met 1,8 pct. van de aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangegeven loonsom verhoogd met de sociale-zekerheidsbijdrage van de werkgever voor 1990.
  § 3. Het percentage bedoeld in de §§ 1 en 2 kan door de Koning worden gewijzigd bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  § 4. De in de §§ 1 en 2 bedoelde stortingen moeten geschieden binnen dezelfde termijnen als die bepaald voor de betaling van de sociale-zekerheidsbijdragen voor het vierde kwartaal 1991.
  § 5. De in §§ 1 en 2 bedoelde stortingen worden, onder de voorwaarden en volgens de regelen die de Koning bepaalt, gelijkgesteld met sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.

  Art. 159. § 1. Van de in artikel 158 bedoelde stortingen worden vrijgesteld :
  - de werkgevers wier onderneming kan worden beschouwd als een onderneming in moeilijkheden of die in buitengewoon ongunstige economische omstandigheden verkeert in de zin van artikel 160;
  - de werkgevers die voor het eerst personeel hebben tewerkgesteld tijdens het vierde kwartaal 1989;
  - de werkgevers bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité van het bouwbedrijf ressorteren.
  § 2. Van de in artikel 158, § 1, bedoelde storting worden vrijgesteld :
  - de werkgevers van de ondernemingen die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan of in een onderneming en die voldoen aan de bepalingen van artikel 141, § 2, van de programmawet van 30 december 1988;
  - de werkgevers van de ondernemingen gebonden door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan of in een onderneming en neergelegd bij de griffie van de Dienst der collectieve arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tegen uiterlijk 1 april 1991.
  Deze collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, moet voorzien in een gelijkwaardige inspanning als bepaald in het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds met het oog op de aanwending van de bijkomende loonmatiging van de tewerkstelling. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid onderzoekt of aan deze verplichting is voldaan.
  § 3. Van in artikel 158, § 2, bedoelde storting worden vrijgesteld :
  - de werkgevers van de ondernemingen die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan of in een onderneming en die voldoen aan de bepalingen van artikel 141, § 3, van de programmawet van 30 december 1988;
  - de werkgevers van de ondernemingen gebonden door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan of in een onderneming en neergelegd bij de griffie van de Dienst der collectieve arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tegen uiterlijk 1 april 1991.
  Deze collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een gelijkwaardige inspanning als bepaald in hoofdstuk IV, afdeling 3, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid onderzoekt of aan deze verplichting is voldaan;
  - de werkgevers die minder dan 10 werknemers tewerkstellen aangegeven aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid voor het vierde kwartaal van het jaar 1984;
  - de werkgevers die minder dan 10 werknemers tewerkstellen aangegeven aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid voor het vierde kwartaal van het jaar 1990;
  - de werkgevers die beantwoorden aan de criteria bepaald in artikel 52, 1°, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, voor zover zij voor de jaren 1987 en 1988 tenminste hetzelfde aantal werknemers bedoeld in dat artikel, hebben behouden.

  Art. 160. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder onderneming in moeilijkheden of die in buitengewoon ongunstige economische omstandigheden verkeert, verstaan : de ondernemingen die op hun verzoek door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid als dusdanig worden erkend.
  De notie onderneming in moeilijkheden of die in buitengewoon ongunstige economische omstandigheden verkeert, is voor het jaar 1991 dezelfde als die welke voor de jaren 1989 en 1990 is bepaald ter uitvoering van artikel 142 van de programmawet van 30 december 1988.

  Art. 161. De Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, belast met de inning en de invordering van de door de werkgever verschuldigde stortingen, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds.
  De Koning bepaalt de wijze van besteding van deze gelden.

  Art. 162. De bepalingen van dit hoofdstuk, treden in werking op 1 januari 1991.

  HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van Hoofdstuk II - opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen - van Titel III van de programmawet van 30 december 1988.

  Art. 163. <wijzigingsbepaling van Hfdst. II, Titel III, art. 99 van W 1988-12-30/31>

  Art. 164. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1989.

  HOOFDSTUK IX. - Wijziging van hoofdstuk VII - Tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling - van titel III van de programmawet van 30 december 1988.

  Art. 165. <invoeging van een artikel 127bis van Hfdst. VII, Titel III van W 1988-12-30/31>

  HOOFDSTUK X. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren.

  Art. 166. <wijzigingsbepaling van art. 2 van het KB213 1983-09-26/31>

  Art. 167. <wijzigingsbepaling van art. 6 van het KB213 1983-09-26/31>

  Art. 168. <wijzigingsbepaling van art. 9 van het KB213 1983-09-26/31>

  Art. 169. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1991.

  HOOFDSTUK XI. - Bepalingen betreffende het interprofessioneel akkoord.

  AFDELING 1. - Maatregelen ten voordele van de risicogroepen.

  Art. 170. § 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de besluitwetten van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden der koopvaardij toepasselijk zijn.
  De Koning kan, bij een Ministerraad overlegd besluit, bepaalde categorieën van werkgevers aan het toepassingsgebied van dit artikel onttrekken.
  § 2. De werkgevers bedoeld in de vorige paragraaf zijn voor de jaren 1991 en 1992 een inspanning verschuldigd van 0,25 pct., berekend op grond van het volledige loon van de werknemers, zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
  Deze inspanning is bestemd voor de in artikel 169 bedoelde risicogroepen.
  Ten belope van minstens 0,10 pct. berekend op grond van het volledige loon van de werknemers, zoals bedoeld in artikel 23 van de voornoemde wet van 29 juni 1981, wordt de inspanning bestemd voor de risicogroepen vermeld in artikel 173, a).

  Art. 171. § 1. De inspanning bedoeld in artikel 170 wordt geconcretiseerd door middel van een nieuwe of voortgezette collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in een paritair orgaan of gesloten voor een onderneming of een groep van ondernemingen, waarin voor 1991 en 1992 initiatieven afgesproken worden tot bevordering van de tewerkstelling van de in artikel 173, a), en/of b) bedoelde groepen.
  § 2. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid onderzoekt of in deze collectieve arbeidsovereenkomst de inspanning bedoeld in artikel 170, § 2, en de nadere omschrijving ervan werden opgenomen.
  Als inspanning komen onder meer in aanmerking nieuwe of voortgezette vormings- en tewerkstellingsinitiatieven ten voordele van de risicogroepen, positieve acties voor vrouwen, brugbanen, recyclageinitiatieven ten voordele van bedreigde oudere werknemers en uitgroeiloopbaanonderbrekingen.
  § 3. De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in § 1 moet overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités gesloten worden.
  De collectieve arbeidsovereenkomst moet neergelegd en ingediend worden bij de Minister tegen uiterlijk 1 juli van het jaar waarop deze collectieve arbeidsovereenkomst betrekking heeft.
  § 4. De Koning kan, na eensluidend advies van de Nationale Arbeidsraad, de nadere omschrijving van de vereiste inspanning bedoeld in § 2 bepalen.
  Hij kan eveneens de nadere regelen van de indiening van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in § 3 bepalen.

  Art. 172. § 1. De werkgevers die niet of slechts voor een gedeelte van de inspanning bedoeld in artikel 170, onder het toepassingsgebied van een collectieve arbeidsovereenkomst vallen goedgekeurd door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid na het onderzoek bepaald in artikel 171, alsook de werkgevers waarvan vastgesteld wordt dat zij de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst niet naleven, zijn gehouden tot het betalen van een bijdrage, die overeenstemt met het niet-gerealiseerde gedeelte van de inspanning, zoals bepaald in artikel 170.
  § 2. De instellingen belast met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen zijn, ieder wat hen betreft, ook belast met de inning en de invordering van de in § 1 bedoelde bijdrage, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds, opgericht bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid ter uitvoering van artikel 4, van het koninklijk besluit nr. 181, van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds met het oog op de aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.
  Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale-zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht, de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdrage.

  Art. 173. Onder risicogroepen wordt verstaan :
  a) de laaggeschoolde werklozen en de langdurige werklozen, de gehandicapten, de deeltijds leerplichtigen, de herintreders, de bestaansminimumtrekkers en de laaggeschoolde werknemers.
  b) de werklozen van minstens 50 jaar oud, de werknemers van minstens 50 jaar oud die geconfronteerd worden met collectief ontslag, herstructurering of de introductie van nieuwe technologieën en de laaggeschoolde werknemers.
  De Koning kan, na eensluidend advies van de Nationale Arbeidsraad, deze categorieën nader omschrijven en tot andere risicogroepen uitbreiden.

  Art. 174. De opbrengst van de bijdrage, bedoeld in artikel 172 wordt aangewend ter bevordering van initiatieven tot tewerkstelling van risicogroepen, onder de voorwaarden en modaliteiten door de Koning bepaald, na eensluidend advies van de Nationale Arbeidsraad.

  AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

  Art. 175. <wijzigingsbepaling van art. 38, § 3, 3°, van W 1981-06-29/02>

  AFDELING 3. - Wijziging van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.

  Art. 176. <wijzigingsbepaling van art. 113, § 1 van W 1985-01-22/30>

  AFDELING 4. - Moederschapsbescherming.

  Art. 177. <wijzigingsbepaling van art. 39 van W 1971-03-16/02>

  Art. 178. <wijzigingsbepaling van art. 61quinquies van W 1963-08-09/01>

  AFDELING 5.

  Art. 179. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1991.

  TITEL III. - PENSIOENEN.

  HOOFDSTUK I. - Maatregelen betreffende de werknemerspensioenen.

  AFDELING 1. - Koppeling van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn.

  Art. 180. De bedragen van de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor werknemers worden vanaf 1 oktober 1991 vermenigvuldigd met een coëfficiënt gelijk aan 1,02 wanneer het rustpensioen en/of het overlevingspensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal vóór 1 januari 1989 is ingegaan.

  AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn.

  Art. 181. <wijzigingsbepaling van art. 3, § 1 van W 1990-07-20/34>

  AFDELING 3. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling voor werknemers.

  Art. 182. In afwijking van de bepalingen van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, van de bepalingen van artikel 6, tweede en vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1976 tot wijziging van de wetten betreffende het rust- en overlevingspensioen voor arbeiders, bedienden en werknemers, en van de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 95 van 28 september 1982 betreffende het brugrustpensioen voor werknemers, worden de bedragen van de Rijkstoelagen bestemd voor de pensioenregeling voor werknemers, voor 1991, vervangen door een enig en vast bedrag van 44 497 miljoen frank.

  HOOFDSTUK II. - Maatregelen betreffende de pensioenen voor zelfstandigen.

  Art. 183. <wijzigingsbepaling van art. 131bis van W 1984-05-15/30>

  Art. 184. <wijzigingsbepaling van art. 132 van W 1984-05-15/30>

  Art. 185. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 1991, met uitzondering van artikel 183, 1°, dat uitwerking heeft op 1 januari 1990.

  HOOFDSTUK III. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling voor zelfstandigen.

  Art. 186. <wijzigingsbepaling van art. 42, 2°, van het KB72 1967-11-10/04>

  Art. 187. In afwijking van artikel 43 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen wordt de Rijkssubsidie bedoeld in artikel 42, 2°, van hetzelfde besluit, voor het jaar 1991, beperkt tot het bedrag 21 966,3 miljoen frank.

  HOOFDSTUK IV. - Maatregelen betreffende de pensioenen van de openbare sector.

  AFDELING 1. - Wijzigingen van de tenlasteneming van de pensioenen toegekend met toepassing van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.

  Art. 188. Artikel 12, § 1, vierde lid, van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, wordt aangevuld als volgt :
  "3° de bijdragen gestort ter uitvoering van artikel 12bis, § 1."

  Art. 189. In de voormelde wet van 28 april 1958 wordt een artikel 12bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Artikel 12bis. § 1. Wanneer, ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een met toepassing van artikel 1 aangewezen instelling, personeel van deze instelling overgeheveld wordt naar andere machten of instellingen die niet deelnemen aan de door deze wet ingestelde pensioenregeling, zijn deze andere machten of instellingen ertoe gehouden bij te dragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van de met toepassing van artikel 1 aangewezen instelling die in deze hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de herstructurering of de afschaffing van deze instelling.
  De bijdrage van elk van deze andere machten of instellingen wordt jaarlijks en voor het eerst in 1991 door de Administratie der pensioenen vastgesteld. Deze bijdrage is gelijk aan het bedrag dat verkregen wordt door het totaal van de in het eerste lid beoogde en in de loop van het voorgaande jaar betaalde rustpensioenen te vermenigvuldigen met een op de datum van de personeelsoverdracht vastgestelde coëfficiënt die gelijk is aan de verhouding welke de loonsom van het naar de andere macht of de andere instelling overgehevelde personeel vertegenwoordigt ten opzichte van de totale loonsom van de met toepassing van artikel 1 aangewezen instelling. Voor de toepassing van dit lid worden uitsluitend de wedden van het personeel dat bekleed is met een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming, in aanmerking genomen.
  De bedragen die met toepassing van artikel 12, § 1, derde en vierde lid, toegevoegd of afgetrokken worden van het totale bedrag van de te verdelen pensioenen, worden in aanmerking genomen voor de toepassing van het tweede lid ten belope van de verhouding die de som van de in dat lid bedoelde pensioenen vertegenwoordigt ten opzichte van het totale bedrag van de te verdelen pensioenen.
  Artikel 12, § 5, eerste lid, is van rechtswege van toepassing op de krachtens deze paragraaf verschuldigde bedragen.
  § 2. Indien diensten volbracht bij een met toepassing van artikel 1 aangewezen instelling die het voorwerp heeft uitgemaakt van een herstructurering of die afgeschaft werd, in aanmerking genomen worden voor een rustpensioen of een aandeel van een rustpensioen dat ten laste is van de Openbare Schatkist of door deze betaald wordt, dan is, vanaf de ingangsdatum van het pensioen, het op deze diensten betrekking hebbend pensioen of pensioenaandeel ten laste van de macht of van de instelling waarnaar de ambtenaar van de met toepassing van artikel 1 aangewezen instelling overgeheveld werd. In geval van een pensioenaandeel wordt dit berekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.
  Het eerste lid houdt op van toepassing te zijn vanaf de datum waarop de instelling waarnaar het personeelslid werd overgeheveld, aangesloten is bij de door deze wet ingestelde pensioenregeling.
  De in het eerste lid beoogde aandelen worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van § 1, derde lid.
  Indien de in het eerste lid beoogde diensten niet in aanmerking genomen worden voor een rustpensioen of een aandeel van een rustpensioen dat ten laste is van de Openbare Schatkist of door deze betaald wordt, dan moet de instelling die niet aan de door deze wet ingestelde pensioenregeling deelneemt, de helft van de bijdragen betalen die, in het kader van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector, het voorwerp zullen uitmaken van een overdracht.
  § 3. Om de toepassing van de in § 1 vervatte bepalingen mogelijk te maken, zijn de door deze bepalingen bedoelde machten of instellingen ertoe gehouden aan de Administratie der Pensioenen alle inlichtingen mee te delen betreffende de verdeling van de loonsom van de instelling die het voorwerp heeft uitgemaakt van een herstructurering of die afgeschaft werd. Deze mededeling moet ten laatste plaatshebben binnen twee maanden die volgen op de datum van de personeelsoverdracht. Voor de instellingen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een herstructurering of die afgeschaft werden vóór de inwerkingtreding van deze afdeling, moet deze mededeling evenwel ten laatste plaatshebben op het einde van de tweede maand die volgt op die waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
  De bepalingen van artikel 12, § 5, tweede lid, zijn van rechtswege van toepassing op de instelling die de bij deze paragraaf bepaalde verplichtingen niet is nagekomen. "

  AFDELING 2. - (...) <L 2007-04-25/52, art. 67, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 190. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 67, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 191. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 67, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 192. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 67, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden.

  Art. 193. <wijzigingsbepaling van art. 4, § 2, van W 1969-04-01/03>

  Art. 194. <wijzigingsbepaling van art. 11, § 2, van W 1969-04-01/03>

  TITEL IV. - MIDDENSTAND.

  HOOFDSTUK I. - Sociaal statuut der zelfstandigen.

  Art. 195. In afwijking van artikel 6, § 1, eerste lid, 2°, en tweede lid, van de wet van 29 maart 1976 betreffende de gezinsbijslag voor zelfstandigen, wordt de Rijkstoelage voor het begrotingsjaar 1991 vastgesteld op 4 983,1 miljoen frank.

  HOOFDSTUK II. - Centraal Handels- en Ambachtsregister.

  Art. 196. <wijzigingsbepaling van art. 22, lid 1, van W 1964-07-20/32>

  Art. 197. <Wijzigingsbepaling van art. 15, Lid 1, van W 1965-03-18/30>

  TITEL V. - MAATSCHAPPELIJKE EMANCIPATIE.

  HOOFDSTUK I. - Wijziging van artikel 2 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.

  Art. 198. <wijzigingsbepaling van art. 2, § 1, 2°, van W 1974-08-07/01>

  Art. 199. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1991.

  HOOFDSTUK II. - Wijziging van de artikelen 68bis, 68ter en 68quater, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

  Art. 200. <wijzigingsbepaling van art. 68bis van W 1976-07-08/01>

  Art. 201. <wijzigingsbepaling van art. 68ter, § 1 en 68ter, § 7, van W 1976-07-08/01>

  Art. 202. <wijzigingsbepaling van art. 68quater, lid 4, van W 1976-07-08/01>

  Art. 203. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 1991.

  TITEL VI. - DIVERSE BEPALINGEN.

  HOOFDSTUK I. - Verkeerswezen.

  AFDELING 1. - (Nationale Maatschappij der luchtwegen (N.M.L.W.)) <W 1991-03-21/30, art. 169, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 204. De (Nationale Maatschappij der luchtwegen (N.M.L.W.)) wordt ermee belast om, met ingang van 1 januari 1991, de Belgische Staat te vertegenwoordigen bij het Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart met het oog op de uitvoering van het " Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol), in 1981 te Brussel gewijzigd ", goedgekeurd door de wetten van 12 maart 1962, 15 maart 1972, 27 november 1980 en 16 november 1984.
  De (Nationale Maatschappij der luchtwegen (N.M.L.W.)) neemt, enerzijds, de verplichting over om de Belgische bijdrage aan Eurocontrol te betalen en wordt, anderzijds, gerechtigd integraal de inkomsten te genieten van de " en-route "-heffingen die door " Eurocontrol " aan de Belgische Staat worden gestort.
  Wat het dienstjaar 1991 betreft, zal de (Nationale Maatschappij der luchtwegen (N.M.L.W.)) evenwel aan de Belgische Staat een bedrag van 400 miljoen overmaken, dat het aandeel vertegenwoordigt van de ontvangsten die betrekking hebben op de vorige dienstjaren. <W 1991-03-21/30, art. 169, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>

  AFDELING 2. - Overname van personeel van [2 HR Rail]2 door [1 bpost]1 en [3 Proximus]3 <W 1991-03-21/30, art. 55, 002; Inwerkingtreding : 04-09-1992> <W 1991-03-21/30, art. 130, 002; Inwerkingtreding : 01-10-1992> <KB 2004-10-18/32, art. 26, 017 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  ----------
  (1)<W 2010-12-13/07, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 17-01-2011>
  (2)<KB 2013-12-11/02, art. 68, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<W 2015-08-10/26, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 22-06-2015 (zie KB 2015-09-11/02, art. 1)>

  Art. 205.[1 bpost]1 en [3 Proximus]3 worden gemachtigd, binnen de door de begroting gestelde grenzen inzake personeelsbezetting en in afwijking van artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit nr. 437 van 5 augustus 1986 houdende saneringsmaatregelen die toepasselijk zijn op [1 bpost]1, zowel tijdelijke als statutaire personeelsleden van [2 HR Rail]2 over te nemen om volledige taken te vervullen in overeenstemming met een graad van niveau 2, 3 en 4. <W 1991-03-21/30, art. 55, 002; Inwerkingtreding : 04-09-1992> <W 1991-03-21/30, art. 130, 002; Inwerkingtreding : 01-10-1992> <KB 2004-10-18/32, art. 26, 017 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Deze overname zal gebeuren op vrijwillige basis en met inachtneming van de sociale overlegprocedures eigen aan elk van de betrokken maatschappijen.
  Deze personeelsleden worden overgenomen met toekenning van een graad die geacht wordt gelijkwaardig te zijn aan die welke zij bij [2 HR Rail]2 bekleedden. <KB 2004-10-18/32, art. 26, 017 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  De overgenomen personeelsleden genieten in hun nieuwe betrekking, een wedde die nooit lager is dan hun laatste wedde bij de [2 HR Rail]2
  ----------
  (1)<W 2010-12-13/07, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 17-01-2011>
  (2)<KB 2013-12-11/02, art. 68, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<W 2015-08-10/26, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 22-06-2015 (zie KB 2015-09-11/02, art. 1)>

  HOOFDSTUK II. - Binnenlandse Zaken.

  AFDELING 1. - Wijzigingen van de wet van 8 januari 1981 betreffende de consolidatielening ten voordele van de Brusselse ondergeschikte besturen.

  Art. 206. Het enig artikel van de wet van 8 januari 1981 betreffende de consolidatielening ten voordele van de Brusselse ondergeschikte besturen wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Vanaf het jaar 1991 is het bijzonder krediet vermeld in het vorig lid gelijk aan het vermoedelijk bedrag van de intrest- en aflossingslasten van deze lening voor het beschouwde jaar. Dit bijzonder krediet wordt ingeschreven op de Rijksschuldbegroting. "

  AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten.

  Art. 207. <wijzigingsbepaling van art. 7 van W 1987-01-21/35>

  HOOFDSTUK III. - [1 Proximus]1
  ----------
  (1)<W 2015-08-10/26, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 22-06-2015 (zie KB 2015-09-11/02, art. 1)>

  Art. 208.[1 Proximus]1 zal vóór 30 september 1991 aan de Staat een bedrag van (1,8 miljard frank) betalen als gedeeltelijke terugbetaling van de kapitaalsubsidie die eerder door de Staat werd toegekend als tussenkomst in een aanvullend investeringsprogramma van [1 Proximus]1 voor de aankoop van Belgische produkten, waarbij spitstechnologie, onderzoek en ontwikkeling inzake televerbindingen werden ingeschakeld. <W 1991-07-20/30, art. 56, 005; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  ----------
  (1)<W 2015-08-10/26, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 22-06-2015 (zie KB 2015-09-11/02, art. 1)>

  HOOFDSTUK IV. - Landbouw.

  AFDELING 1. - Wijziging van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.

  Art. 209. <wijzigingsbepaling van art. 3 van W 1987-03-24/35>

  Art. 210. <invoeging van een artikel 9bis in de W 1987-03-24/35>

  Art. 211. <invoeging van een artkel 18bis in de W 1987-03-24/35>

  Art. 212. <wijzigingsbepaling van art. 21 van W 1987-03-24/35>

  Art. 213. <wijzigingsbepaling van art. 32, § 2, van W 1987-03-24/35>

  AFDELING 2. - Wijziging van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten.

  Art. 214. <wijzigingsbepaling van art. 3, § 1, van W 1975-03-28/31>

  Art. 215. <invoeging van een nieuw art. 4bis in de W 1975-03-28/31> <Bij arrest nr. 53/92 van 9 juli 1992 (B.St. 27-08-1992, p. 18816) heeft het arbitragehof dit artikel vernietigd; Opheffing : 19-01-1991,in zoverre het de beroepsorganisaties machtigt, door overeenkomsten van het bedrijfsleven, de overdracht van leveringsrechten van bieten afhankelijk te stellen van het schriftelijk akkoord van de titularis van de rechten die het genot van gronden overlaat>

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 18-04-2017 GEPUBL. OP 28-04-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 3; 4; 5; 6)
  • BEELD
  • WET VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 01-09-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 205; .208)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2013 GEPUBL. OP 16-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 205)
  • BEELD
  • WET VAN 13-12-2010 GEPUBL. OP 31-12-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 205)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 11-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 190-192)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 15-23) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 23-12-2005 GEPUBL. OP 30-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 141)
  • BEELD
  • WET VAN 11-07-2005 GEPUBL. OP 12-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2004 GEPUBL. OP 31-12-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 141)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-10-2004 GEPUBL. OP 20-10-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 205)
  • BEELD
  • WET VAN 01-04-2003 GEPUBL. OP 16-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 141; 143) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 08-04-2003 GEPUBL. OP 17-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 141) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 06-05-2002 GEPUBL. OP 30-05-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-06-2001 GEPUBL. OP 30-06-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 62)
  • BEELD
  • WET VAN 03-05-1999 GEPUBL. OP 04-05-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • BEELD
  • WET VAN 25-01-1999 GEPUBL. OP 06-02-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 142)
  • 1997012149; 1997-04-11
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-03-1997 GEPUBL. OP 11-04-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 141; 143)
  • WET VAN 26-07-1996 GEPUBL. OP 01-08-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6)
  • WET VAN 20-12-1995 GEPUBL. OP 23-12-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • WET VAN 30-03-1994 GEPUBL. OP 31-03-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 141)
  • WET VAN 10-06-1993 GEPUBL. OP 30-06-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 155)
  • WET VAN 26-06-1992 GEPUBL. OP 30-06-1992
    (GEWIJZIGD ART. : 137-140)
  • WET VAN 20-07-1991 GEPUBL. OP 01-08-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 208)
  • WET VAN 20-07-1991 GEPUBL. OP 01-08-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 174)
  • WET VAN 04-04-1991 GEPUBL. OP 22-06-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 98)
  • WET VAN 21-03-1991 GEPUBL. OP 27-03-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 204-205; 208)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1990-1991. Senaat. Parlementaire stukken. - Ontwerp van wet, nr. 1115/1. - Verslag (Commissie voor de Sociale Aangelegenheden), nr. 1115/2. - Verslag (Commissie voor de Volksgezondheid en het Leefmilieu), nr. 1115/3. - Verslag (Commissie voor de Landbouw en de Middenstand), nr. 1115/4. - Verslag (Commissie voor de Financiën), nr. 1115/5. - Verslag (Commissie voor het Onderwijs en de Wetenschap), nr. 1115/6. - Verslag (Commissie voor de Infrastructuur), nr. 1115/7. - Verslag (Commissie voor de Binnenlandse Aangelegenheden), nr. 1115/8. - Tekst aangenomen door de Commissie, nr. 1115/9. - Amendementen, nrs. 1115/10 tot 14. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 5 december 1990. - Aanneming. Vergadering van 6 december 1990. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 1386/1. - Amendementen, nr. 1386/2. - Verslag (Commissie voor de Volksgezondheid en het Leefmilieu), nr. 1386/3. - Verslag (Commissie voor de Sociale Zaken), nr. 1386/4. - Verslag (Commissie voor de Landbouw en de Middenstand), nr. 1386/5. - Verslag (Commissie voor de Financiën), nr. 1386/6. - Verslag (Commissie voor de Infrastructuur), nr. 1386/7. - Verslag (Commissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken, de Opvoeding en het Openbaar Ambt), nr. 1386/8. - Amendementen, nr. 1386/9. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 18 december 1990. - Aanneming. Vergadering van 20 december 1990.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 39 uitvoeringbesluiten 25 gearchiveerde versies
    Franstalige versie