J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 216 uitvoeringbesluiten 35 gearchiveerde versies
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1988/12/30/1989021219/justel

Titel
30 DECEMBER 1988. - Programmawet.
(NOTA : Bij arrest van 13-07-1989 (B.St. 21-07-1989), heeft het Arbitragehof beslist : 1. Artikel 17 is geschorst in zoverre het de bepalingen van artikel 3, § 2, tweede lid, en § 4 invoegt in het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982; 2. Artikel 24 is geschorst in zoverre het betrekking heeft op de bepalingen van artikel 3, § 2, tweede lid, en § 4, van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-07-1989 en tekstbijwerking tot 10-07-2018)

Bron : EERSTE MINISTER
Publicatie : 05-01-1989 nummer :   1989021219 bladzijde : 75
Dossiernummer : 1988-12-30/31
Inwerkingtreding :
01-01-1987 (ART. 5)
01-01-1988 (ART. 148 - ART. 151)
01-04-1988 (ART. 7 - ART. 11)     (ART. 79 - ART. 80)
15-11-1988 (ART. 109)
01-01-1989 (ART. 110 - ART. 144)     (ART. 12 - ART. 15)     (ART. 30 - ART. 47)     (ART. 72 - ART. 78)     (ART. 82 - ART. 108)     (Art.198)
15-01-1989 (Art.17)     (Art.18)     (Art.19)     (Art.20)     (Art.21)     (Art.22)     (Art.23)
01-02-1989 (ART. 159)
onbepaald (ART. (16))     (ART. 170 - ART. 189)

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - BEPALINGEN HOUDENDE SOCIALE MAATREGELEN.
HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.
Art. 1-6
HOOFDSTUK II. - Sociale zekerheid voor loontrekkenden.
Afdeling 1. - Aanpassing van sommige wetteksten die verwijzen naar het gemiddeld gewaarborgd minimum maandinkomen.
Art. 7-11
Afdeling 2. - Bepalingen inzake de loonmatigingsbijdrage.
Art. 12-15
Afdeling 3. - Integratie van het dubbel vakantiegeld voor twee dagen van de vierde vakantieweek in de jaarlijkse vakantieregeling van de werknemers.
Art. 16
HOOFDSTUK III. - Klinische biologie.
Afdeling 1. - Voorwaarden waaraan de laboratoria van klinische biologie moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering.
Art. 17-24
Afdeling 2. - Prestaties van klinische biologie.
Art. 25-29
HOOFDSTUK IV. - Ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Afdeling 1. - Jaarlijkse bijdragebescheiden inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Art. 30-47
Afdeling 2. - Bepaling betreffende de prijzen van de farmaceutische produkten en andere geneesmiddelen.
Art. 48
Afdeling 3. - Financiering.
Art. 49-50
Afdeling 4. - Diverse bepalingen.
Art. 51-52
HOOFDSTUK V. - Beroepsziekten.
Art. 53
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen aan de ziekenhuiswet en aan de wet op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 54-71
TITEL II. - MIDDENSTAND. - Zelfstandigen.
HOOFDSTUK I. - Consolideringsbijdrage.
Art. 72
HOOFDSTUK II. - Sociaal statuut.
Art. 73-78
HOOFDSTUK III. - Aanpassing van verwijzingen naar het gemiddeld minimum maandinkomen.
Art. 79-81
TITEL III. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
Art. 82-92
HOOFDSTUK II. - Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen.
Art. 93
Art. 93 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 94
Art. 94 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 94bis
Art. 94bis DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 95
Art. 95 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 96
Art. 96 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 97
Art. 97 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 98
Art. 98 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 99
Art. 99 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 100
Art. 100 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 101
Art. 101 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK IIbis. - Regels betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van toepassing zijn. <Ingevoegd bij ORD 2003-07-17/32, art. 2; Inwerkingtreding : 08-08-2003>
Art. 101bis, 101ter
HOOFDSTUK IIter. [1 ...]1
Art. 101quater DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit nr 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces.
Art. 102-103
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk besluit nr 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren.
Art. 104-105
HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk besluit nr 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité van het bouwbedrijf ressorteren.
Art. 106-108
HOOFDSTUK VI. - Bepalingen betreffende de werkloosheid.
Afdeling 1. - Bepalingen betreffende de financiering van de werkloosheidsverzekering.
Onderafdeling 1. - Behoud van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor het aanslagjaar 1989.
Art. 109
Onderafdeling 2. - Lening van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers.
Art. 110
Afdeling 2. - Toekenning onder voorbehoud van werkloosheidsuitkeringen aan sommige ontslagen werknemers.
Art. 111
Afdeling 3. - Verjaring van rechtsvorderingen inzake de betaling van werkloosheidsuitkeringen.
Art. 112-113
HOOFDSTUK VII. - Tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling.
Art. 114-115, 115bis, 116-127, 127bis, 128-131
HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen betreffende het interprofessioneel akkoord.
Afdeling 1. - Wijzigingen aan de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Art. 132-136
Afdeling 2. - Instelling van een bijdrage aan het Tewerkstellingsfonds.
Art. 137-139
Afdeling 3. - Stortingen aan het Tewerkstellingsfonds bij ontstentenis van akkoorden ter bevordering van de werkgelegenheid in de periode 1983-1988.
Art. 140-143
HOOFDSTUK IX. - Inwerkingtreding.
Art. 144
TITEL IV. - PENSIOENEN.
HOOFDSTUK I. - Brugrustpensioen voor werknemers.
Art. 145
HOOFDSTUK II. - Maatregelen met betrekking tot het financieel evenwicht van de sociale zekerheid.
Afdeling 1. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling voor werknemers.
Art. 146
Afdeling 2. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling van de zelfstandigen.
Art. 147
Afdeling 3. - Wijzigingen aan de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood.
Art. 148-151
HOOFDSTUK III. - Bijzondere bijdrage.
Art. 152-154
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen betreffende de pensioenen.
Afdeling 1. - Pensioenen van de zelfstandigen.
Art. 155-157
Afdeling 2. - Pensioenen van de openbare sector.
Art. 158-162
Afdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besluit nr 33 van 30 maart 1982 betreffende de inhouding op invaliditeitsuitkeringen en brugpensioenen.
Art. 163
TITEL V. - VERKEERSWEZEN.
HOOFDSTUK I. - N.M.B.S.
Afdeling 1. - Herstructurering van de balans van de N.M.B.S.
Art. 164
Afdeling 2. - Verhoging van de leningscapaciteit van de N.M.B.S.
Art. 165
Afdeling 3. - Alternatieve financiële verrichtingen.
Art. 166
Afdeling 4. - Recht van vervreemding.
Art. 167
HOOFDSTUK II. - Overname van het tijdelijk personeel van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen door [1 bpost]1. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
Art. 168
HOOFDSTUK III. - Kwijtschelden van 1.500 miljoen F aan de Regie voor maritiem transport.
Art. 169
TITEL VI. - FISCALE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - Inkomstenbelastingen.
Afdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Onderafdeling 1. - Personenbelasting.
Art. 170-173
Onderafdeling 2. - Vennootschapsbelasting.
Art. 174
Onderafdeling 3. - Onroerende voorheffing.
Art. 175
Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen.
Onderafdeling 1. - Tewerkstellingszones.
Art. 176-178
Onderafdeling 2. - Bijzondere heffing op roerende inkomsten.
Art. 179
Onderafdeling 3. - Innovatievennootschappen.
Art. 180-183
Onderafdeling 4. - Vennoten in optievennootschappen.
Art. 184
Onderafdeling 5. - Bijkomend personeel.
Art. 185
Onderafdeling 6. - Fictieve onroerende voorheffing.
Art. 186
Afdeling 3. - Overgangsbepalingen.
Art. 187-188
Afdeling 4. - Inwerkingtreding.
Art. 189
HOOFDSTUK II. - Goedkeuring van het Besluit van 24 juni 1988 van de Ministerraad van de Europese Gemeenschappen betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen alsmede van het Intergouvernementeel Akkoord gesloten door de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lidstaten in het kader van de Raad bijeen.
Art. 190
HOOFDSTUK III. - Bepalingen inzake indirecte belastingen.
Afdeling 1. - Douane en accijnzen.
Art. 191-193
Afdeling 2. - Belasting over de toegevoegde waarde.
Art. 194
Afdeling 3. - Successierechten.
Art. 195
TITEL VII. - OPENBAAR AMBT.
Art. 196-199
TITEL VIII. - DIVERSE MAATREGELEN.
HOOFDSTUK I. - Economische Zaken.
Afdeling 1. - Verlenging van de wet van 9 juli 1975 op de prijzen van de farmaceutische specialiteiten en andere medicamenten.
Art. 200-203
Afdeling 2. - Raad van Beheer van de Nationale Delcrederedienst.
Art. 204
Afdeling 3. - Bevestiging van de Commissie tot regeling der prijzen.
Art. 205-206
Afdeling 4. - Nationale Investeringsmaatschappij.
Art. 207
HOOFDSTUK II. - (Opgeheven) <KB 1992-08-19/43, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 04-09-1992>
Art. 208
HOOFDSTUK III. - [1 bpost]1. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
Art. 209-210
HOOFDSTUK IV. - Beursvennootschappen.
Art. 211-213
HOOFDSTUK V. - Koninklijke Muntschouwburg.
Art. 214, N, 0N, 1N, 2N, 3N, 4N, 5N, 6N, 7N, 8N, 9N, 10N, 11N

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - BEPALINGEN HOUDENDE SOCIALE MAATREGELEN.

  HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.

  Artikel 1. § 1. Bedragen van 12 400 miljoen frank en van 13 500 miljoen frank worden afgenomen van de opbrengst van de sociale zekerheidsbijdragen die respectievelijk voor het jaar 1988 en het jaar 1989 worden toegekend aan de sector uitkeringen van de algemene regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  § 2. Bedragen van 4.000 miljoen frank en van 5.100 miljoen frank worden afgenomen van de opbrengst van de sociale zekerheidsbijdragen die respectievelijk voor het jaar 1988 en het jaar 1989 worden toegekend aan het stelsel der kinderbijslagen voor werknemers.
  § 3. De in §§ 1 en 2 vermelde bedragen worden toegewezen aan de sector geneeskundige verzorging van de algemene regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering teneinde de nadelige saldi over de jaren 1988 en 1989 van deze sector te dekken.
  § 4. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd de in § 2 bedoelde bedragen in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale zekerheidsinstellingen.

  Art. 2. § 1. De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie stelt een bedrag van 2.000 miljoen frank renteloos ter beschikking van de Rijksdienst voor Pensioenen, hetwelk zal worden aangewend voor de betaling van de door laatstgenoemde instelling voor het jaar 1989 uit te keren vakantiegelden.
  § 2. De uitvoeringsmodaliteiten van deze verrichting worden door de Koning bepaald, op voorstel van de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Pensioenen en na advies van de beheersorganen van de betrokken instellingen.

  Art. 3. (opgeheven) <KB 1997-03-21/38, art. 14, 019; Inwerkingtreding : 01-07-1997>

  Art. 4. In afwijking van de bepalingen van artikel 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, van de bepalingen van artikel 32, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd, en van de bepalingen van artikel 73, eerste lid, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, worden de Rijkstoelagen in de regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering voor de dienstjaren 1988 en 1989 als volgt vastgesteld :

    --  voor het dienstjaar 1988 :
        - algemene regeling :
           - geneeskundige verzorging :
                   96.889,0 miljoen F.
           - uitkeringen :
                   40.339,0 miljoen F.
        - regeling der zelfstandigen :
           - geneeskundige verzorging :
                    7.061,5 miljoen F.
           - uitkeringen :
                    2.424,0 miljoen F.
    --  voor het dienstjaar 1989 :
        - algemene regeling :
         [- geneeskundige verzorging :   ]
                 100.484 miljoen frank;  ]
          - uitkeringen :                ] <W 1989-07-06/30, art. 1,
                    34.704 miljoen frank.]  002; Inwerkingtreding : 18-07-1989>
        - regeling der zelfstandigen :
          - geneeskundige verzorging :
                     7.768,0 miljoen F.
           - uitkeringen :
                    2.132,0 miljoen F.
  -------------



  Art. 5. <wijzigingsbepaling van artikel 125, § 1, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering>

  Art. 6. De bepalingen van artikel 5 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1987.

  HOOFDSTUK II. - Sociale zekerheid voor loontrekkenden.

  Afdeling 1. - Aanpassing van sommige wetteksten die verwijzen naar het gemiddeld gewaarborgd minimum maandinkomen.

  Art. 7. <wijzigingsbepaling van artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit nr 227 van 9 december 1983 tot instelling voor de loon- en weddetrekkenden van de openbare en van de privé sector, van een bijzondere bijdrage ten laste van de alleenstaanden en van de gezinnen zonder kinderen>

  Art. 8. <wijzigingsbepaling van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren>

  Art. 9. <wijzigingsbepaling van artikel 2, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 498 van 31 december 1986 houdende tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever, ter bevordering van de indienstneming van jonge werkzoekenden en van langdurig werklozen>

  Art. 10. <wijzigingsbepaling van artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 228 van 9 december 1983 houdende de vermindering van de kinderbijslag voor werknemers en voor de personeelsleden van de openbare sector>

  Art. 11. De bepalingen van deze afdeling hebben uitwerking met ingang van 1 april 1988.

  Afdeling 2. - Bepalingen inzake de loonmatigingsbijdrage.

  Art. 12. § 1. <wijzigingsbepaling van artikel 38, § 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers>
  § 2. <wijzigingsbepaling van artikel 2, § 3bis, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden>
  § 3. <wijzigingsbepaling van artikel 3, § 3bis, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij>

  Art. 13. <wijzigingsbepaling van artikel 38, § 3bis, derde lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers>

  Art. 14. <wijzigingsbepaling van artikel 38, § 3bis, vijfde lid, van W 29-06-1981/02>

  Art. 15. De bepalingen van de onderhavige afdeling treden in werking op 1 januari 1989.

  Afdeling 3. - Integratie van het dubbel vakantiegeld voor twee dagen van de vierde vakantieweek in de jaarlijkse vakantieregeling van de werknemers.

  Art. 16. § 1. <wijzigingsbepaling van artikel 9bis, in de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 28 juni 1971>
  § 2. <wijzigingsbepaling van artikel 65, § 1, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 28 juni 1971>
  § 3. <wijzigingsbepaling van artikel 65, § 2, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 28 juni 1971>
  § 4. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de bestaande wetsbepalingen wijzigen ten einde ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van onderhavig artikel.
  § 5. Onderhavig artikel is voor het eerst van toepassing voor de berekening van het vakantiegeld van het jaar 1989.

  HOOFDSTUK III. - Klinische biologie.

  Afdeling 1. - Voorwaarden waaraan de laboratoria van klinische biologie moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering.

  Art. 17. <wijzigingsbepaling van artikel 3 van het koninklijk besluit nr 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor verstrekkingen van klinische biologie> <NOTA : Bij arrest van van 13-07-1989 (B.St. 21-07-1989) van het Arbitragehof is artikel 17 geschorst in zoverre het de bepalingen van artikel 3, § 2, tweede lid, en § 4 invoegt in het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982>

  Art. 18. <wijzigingsbepaling van art. 4 van het KB143 30-12-1982/47>

  Art. 19. <wijzigingsbepaling van art. 5 van het KB143 30-12-1982/47>

  Art. 20. <wijzigingsbepaling van art. 6 van het KB143 30-12-1982/47>

  Art. 21. <wijzigingsbepaling van art. 7 van het KB143 30-12-1982/47>

  Art. 22. <wijzigingsbepaling van art. 9 van het KB143 30-12-1982/47>

  Art. 23. <opheffingsbepalingen van artikelen 2, derde lid, en 11 van het KB143 30-12-1982/47>

  Art. 24. <NOTA : Bij arrest van 13-07-1989 (B.St. 21-07-1989) van het Arbitragehof, is artikel 24 geschorst in zoverre het betrekking heeft op de bepalingen van artikel 3, § 2, tweede lid, en § 4, van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982> Aan het bepaalde in artikel 3 van het voormeld koninklijk besluit nr 143, zoals het gewijzigd is bij deze wet, moet zijn voldaan uiterlijk de eerste dag van de zesde maand volgende op die gedurende dewelke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

  Afdeling 2. - Prestaties van klinische biologie.

  Art. 25. <wijzigingsbepaling van artikel 34quater van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering>

  Art. 26. <wijzigingsbepaling van art. 34octies van W 09-08-1963/01>

  Art. 27. <wijzigingsbepaling van art. 34decies van W 09-08-1963/01>

  Art. 28. <wijzigingsbepaling van art. 34undecies van W 09-08-1963/01>

  Art. 29. <opheffingsbepaling van artikel 71 van de wet van 7 november 1987 waarbij voorlopige kredieten worden geopend voor de begrotingsjaren 1987 en 1988 en houdende financiële en diverse bepalingen>

  HOOFDSTUK IV. - Ziekte- en invaliditeitsverzekering.

  Afdeling 1. - Jaarlijkse bijdragebescheiden inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering.

  Art. 30. <wijzigingsbepaling van de opschriften van hoofdstuk II, III, en IV van titel V van W 09-08-1963/01>

  Art. 31. <opheffingsbepaling van art. 63 van W 09-08-1963/01>

  Art. 32. <wijzigingsbepaling van art. 66 van W 09-08-1963/01>

  Art. 33. <wijzigingsbepaling van art. 67 van W 09-08-1963/01>

  Art. 34. <wijzigingsbepaling van art. 68 van W 09-08-1963/01>

  Art. 35. <wijzigingsbepaling van art. 69 van W 09-08-1963/01>

  Art. 36. <wijzigingsbepaling van art. 70 van W 09-08-1963/01>

  Art. 37. Artikel 74 van dezelfde wet (W 09-08-1963/01) wordt artikel 71.

  Art. 38. <wijzigingsbepaling van art. 72 van W 09-08-1963/01>

  Art. 39. <wijzigingsbepaling van art. 73 van W 09-08-1963/01>

  Art. 40. <wijzigingsbepaling van art. 74 van W 09-08-1963/01>

  Art. 41. <wijzigingsbepaling van art. 75bis van W 09-08-1963/01>

  Art. 42. Artikel 70, § 3, tweede lid, van dezelfde wet (W 09-08-196/01) wordt artikel 76bis.

  Art. 43. Artikel 69 van dezelfde wet (W 09-08-1963/01) wordt artikel 76ter.

  Art. 44. Artikel 70 van dezelfde wet (W 09-08-1963/01) met uitzondering van § 3, tweede lid, wordt artikel 76quater.
  <wijzigingsbepaling van art. 76quinquies van W 09-08-1963/01>

  Art. 45. <wijzigingsbepaling van art. 71bis van W 09-08-1963/01>

  Art. 46. De Koning mag de bestaande wettelijke bepalingen wijzigen teneinde deze in overeenstemming te brengen met de bepalingen vervat in deze afdeling.

  Art. 47. De bepalingen van deze afdeling hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1989.

  Afdeling 2. - Bepaling betreffende de prijzen van de farmaceutische produkten en andere geneesmiddelen.

  Art. 48. <wijzigingsbepaling van art. 25bis van W 09-08-1963/01>

  Afdeling 3. - Financiering.

  Art. 49. <wijzigingsbepaling van art. 121 van W 09-08-1963/01>

  Art. 50. <wijzigingsbepaling van art. 122 van W 09-08-1963/01>

  Afdeling 4. - Diverse bepalingen.

  Art. 51. <wijzigingsbepaling van art. 34duodecies van W 09-08-1963/01>

  Art. 52. <wijzigingsbepaling van art. 34terdecies van W 09-08-1963/01>

  HOOFDSTUK V. - Beroepsziekten.

  Art. 53. <wijzigingsbepaling van artikel 6 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970>

  HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen aan de ziekenhuiswet en aan de wet op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

  Art. 54. <wijzigingsbepaling van art. 6 van de wet op de ziekenhuizen gecoördineerd bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987>

  Art. 55. <wijzigingsbepaling van art. 9bis van W 07-08-1987/32>

  Art. 56. <wijzigingsbepaling van art. 19 van W 07-08-1987/32>

  Art. 57. <wijzigingsbepaling van het opschrift van Titel III, Hoofdstuk I, Afdeling I, onderafdeling 1 van W 07-08-1987/32>

  Art. 58. <wijzigingsbepaling van art. 23 van W 07-08-1987/32>

  Art. 59. <wijzigingsbepaling van art. 32bis van W 07-08-1987/32>

  Art. 60. <wijzigingsbepalingen van art. 33 en 34 van W 07-08-1987/32>

  Art. 61. <wijzigingsbepaling van art. 46bis van W 07-08-1987/32>

  Art. 62. <wijzigingsbepaling van art. 69, 3° van W 07-08-1987/32>

  Art. 63. <wijzigingsbepaling van art. 76bis van W 07-08-1987/32>

  Art. 64. <wijzigingsbepaling van art. 88 van W 07-08-1987/32>

  Art. 65. <wijzigingsbepaling van art. 97bis van W 07-08-1987/32>

  Art. 66. <wijzigingsbepaling van art. 107bis van W 07-08-1987/32>

  Art. 67. <wijzigingsbepaling van art. 109 van W 07-08-1987/32>

  Art. 68. § 1. Voor de toepassing van artikel 109, 1°, tweede lid, van dezelfde wet, gelden met betrekking tot de dienstjaren 1983, 1984 en 1985 dezelfde regelen als deze voorzien in artikel 1 en 2 van het koninklijk besluit van 20 december 1982 tot vaststelling van de maatstaven voor het bepalen van de ziekenhuistekorten bedoeld in artikel 13, § 2, van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen.
  § 2. Artikel 109, 3°, tweede lid, van dezelfde wet treedt in werking vanaf het dienstjaar 1983.

  Art. 69. <wijzigingsbepaling van art. 113 van W 07-08-1987/32>

  Art. 70. <wijzigingsbepaling van art. 114 van W 07-08-1987/32>

  Art. 71. <wijzigingsbepaling van artikel 94 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn>

  TITEL II. - MIDDENSTAND. - Zelfstandigen.

  HOOFDSTUK I. - Consolideringsbijdrage.

  Art. 72. <wijzigingsbepalingen van de artikelen 2, 4 en 8 van het KB464 van 25 september 1986 die de maatregelen die betrekking hebben op de matiging van de inkomsten van zelfstandigen consolideert.>

  HOOFDSTUK II. - Sociaal statuut.

  Art. 73. <wijzigingsbepaling van artikel 11, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen>

  Art. 74. <wijzigingsbepaling van artikel 11, § 5 van het KB38 27-07-1967/01>

  Art. 75. <wijzigingsbepaling van art. 12 van het KB38 27-07-1967/01>

  Art. 76. <wijzigingsbepaling van art. 13 van het KB38 27-07-1967/01>

  Art. 77. <wijzigingsbepaling van art. 14 van het KB38 27-07-1967/01>

  Art. 78. <wijzigingsbepaling van artikel 20, § 1, vierde lid, van het KB38 27-07-1967/01>

  HOOFDSTUK III. - Aanpassing van verwijzingen naar het gemiddeld minimum maandinkomen.

  Art. 79. <wijzigingsbepaling van artikel 3 van het koninklijk besluit nr 290 van 31 maart 1984 tot vaststelling, in de sektor van de zelfstandigen, van een bijzondere bijdrage ten laste van de alleenstaanden en van de gezinnen zonder kinderen>

  Art. 80. <wijzigingsbepaling van artikel 5 van het koninklijk besluit nr 291 van 31 maart 1984 houdende vermindering van de kinderbijslag voor zelfstandigen>

  Art. 81. De artikelen van titel II treden in werking op 1 januari 1989 met uitzondering van de artikelen 79 en 80 die uitwerking hebben op 1 april 1988.

  TITEL III. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.

  HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.

  Art. 82. <wijzigingsbepaling van artikel 1 van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten>

  Art. 83. <wijzigingsbepaling van art. 1, 2°, en 8° van W 30-06-1971/01>

  Art. 84. <wijzigingsbepalingen van art. 1, 17° en 1bis van W 30-06-1971/01>

  Art. 85. <wijzigingsbepaling van art. 4 van W 30-06-1971/01>

  Art. 86. <wijzigingsbepaling van art. 6, tweede lid, van W 30-06-1971/01>

  Art. 87. <wijzigingsbepaling van art. 8 van W 30-06-1971/01>

  Art. 88. <wijzigingsbepaling van art. 9 van W 30-06-1971/01>

  Art. 89. <wijzigingsbepaling van art. 10 van W 30-06-1971/01>

  Art. 90. <wijzigingsbepaling van art. 11 van W 30-06-1971/01>

  Art. 91. <wijzigingsbepaling van art. 12 van W 30-06-1971/01>

  Art. 92. <wijzigingsbepaling van art. 13, eerste lid, van W 30-06-1971/01>

  HOOFDSTUK II. - Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen.

  Art. 93.[Voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaat men onder openbare besturen :
  1. [de administratie en andere diensten van de Staat, de openbare instellingen die onder zijn gezag, zijn controle of zijn toezicht vallen, met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;] <KB 1997-04-03/37, art. 41, 018; Inwerkingtreding : 10-05-1997>
  2. de administraties en diensten van de Gemeenschappen en de openbare instellingen die eronder ressorteren;
  3. de administraties en diensten van de Gewesten en de openbare instellingen die eronder ressorteren;
  4. de administraties en diensten van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare instellingen die eronder ressorteren;
  5. de instellingen voor onderwijs dat door de Gemeenschappen wordt georganiseerd, erkend of gesubsidieerd;
  6. de diensten van de Nederlandse en de Franse Gemeenschapscommissies van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.] <W 1993-07-22/33, art. 33, § 1, 012; Inwerkingtreding : 1993-08-14>
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gelijkgesteld met openbare besturen :
  a) onverminderd het bepaalde in het derde lid, a), de instellingen van openbaar nut en de verenigingen zonder winstoogmerk beheerst door de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstoogmerk en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, en die een sociaal, humanitair of cultureel doel nastreven;
  b) de plaatselijke maatschappijen voor sociale woningen.
  Worden uitgesloten van het toepassingsgebied van dit hoofdstuk :
  a) de verenigingen zonder winstoogmerk waarin de plaatselijke overheid een overwegende rol speelt in de oprichting of de leiding ervan;
  b) de ziekenhuizen;
  c) de openbare kredietinstellingen.
  De Koning kan voornoemd toepassingsgebied beperken of verruimen tot andere openbare besturen.

  Art. 93_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 94.§ 1. Onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden, kunnen de in artikel 93 omschreven openbare besturen, voor de indienstneming van de in dit hoofdstuk bedoelde contractuelen, een premie ontvangen binnen de grenzen van de daartoe uitgetrokken begrotingskredieten.
  De personeelsleden waarvoor de bovenvermelde openbare besturen de premie bekomen, worden " gesubsidieerde contractuelen " genoemd.
  Zij worden in dienst genomen bij arbeidsovereenkomst gesloten voor een bepaalde of onbepaalde tijd.
  De Koning kan, voor de openbare besturen bedoeld in artikel 93, eerste lid, een model van schriftelijke overeenkomst bepalen.
  § 2. [opgeheven] <W 1993-07-22/33, art. 33, § 2, 012; Inwerkingtreding : 1993-08-14>

  Art. 94_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 94bis.(VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <ingevoegd bij DVR 2002-12-20/42, art. 31; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Regeling voor het Vlaamse Gewest.
  De Vlaamse regering kan, onder de voorwaarden die zij bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, subsidies verlenen aan een organisatie die ondersteunende of dienstverlenende taken verricht voor de organisaties die opleiding en begeleiding aanbieden aan personen met een zwakke arbeidsmarktpositie met het oog op een duurzame inschakeling in het economisch circuit.
  

  Art. 94bis_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 95. § 1. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wordt belast met het storten van de in artikel 94 bedoelde premie ten gunste van de openbare besturen die een overeenkomst hebben gesloten :
  a) met de Minister van Tewerkstelling en Arbeid voor wat betreft de openbare besturen bedoeld in artikel 93, eerste lid, 1;
  b) met de bevoegde Gewestexecutieve voor wat betreft de andere openbare besturen bedoeld in artikel 93.
  Deze overeenkomst bepaalt de referentiebasis voor de toekenning van de premie.
  Het model van de overeenkomst en de uitbetalingsmodaliteiten van de premie worden voor wat de openbare besturen betreft bedoeld bij artikel 93, eerste lid, 1 en 5 bepaald door de Koning en voor wat de andere openbare besturen betreft bedoeld bij artikel 93 bepaald door de Gewestexecutieve.
  § 2. (Voor wat betreft de openbare besturen bedoeld in artikel 94, § 2, moet deze overeenkomst worden voorgelegd aan het akkoord van de inspecteur van Financiën die bij de betrokken Minister is geaccrediteerd, van de Regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de Minister van Financiën bij de betrokken instelling van openbaar nut, alsook, voor wat de overeenkomsten betreffende de gevallen bedoeld bij artikel 94, § 2, a, betreft, aan het akkoord van de inspecteur van Financiën die geaccrediteerd is bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.( <W 1991-07-20/31, art. 151, 007; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  § 3. Voor wat betreft de onderwijsinstellingen bedoeld in artikel 93, eerste lid, 4, moet de overeenkomst gesloten worden voor het geheel van onderwijsinstellingen met de Gemeenschapsexecutieven.
  De premie bedoeld in artikel 94 wordt uitbetaald aan de Gemeenschapsexecutieven.
  (lid 3 opgeheven) <W 1991-07-20/31, art. 152, 007; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  § 4. Voor wat betreft de verenigingen zonder winstoogmerk bedoeld in artikel 93, tweede lid, a), moet de overeenkomst gesloten worden met de bevoegde Gewestexecutieve.
  (NOTA : Artikel 95 opgeheven voor het Waalse Gewest door DWG 2002-04-25/43, art. 37; Inwerkingtreding : 31-12-2003)

  Art. 95_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 96. § 1. De premie bedoeld bij artikel 94 wordt slechts toegekend onder de volgende voorwaarden :
  1° het openbaar bestuur moet de voordelen van de loopbaanonderbreking ingevoerd door de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen op zijn personeel toepassen;
  2° het openbaar bestuur moet het aantal stagiairs opgelegd bij het koninklijk besluit nr 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces in dienst hebben genomen;
  3° de gesubsidieerde contractuelen moeten werkzaamheden verrichten in de niet-commerciële sector zoals bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector.
  § 2. De Koning bepaalt de modaliteiten voor de toekenning van de premie en stelt het bedrag ervan vast in functie van de bijdrage van het openbaar bestuur tot het realiseren van het tewerkstellingsbeleid.
  § 3. Het bedrag van de premie per in dienst genomen gesubsidieerde contractueel wordt vastgesteld op jaarbasis. De uitbetaling geschiedt in verhouding tot de duur van de arbeidsovereenkomst, de loonkost en het arbeidsstelsel.
  (NOTA : Artikel 96 opgeheven voor het Waalse Gewest door DWG 2002-04-25/43, art. 37; Inwerkingtreding : 31-12-2003)

  Art. 96_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 97. § 1. Een betrekking van gesubsidieerde contractueel kan worden bekleed door :
  1° de werklozen die sedert ten minste zes maanden uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn of de uitkeringsgerechtigd volledig werklozen die in de loop van het jaar dat hun indienstneming voorafgaat ten minste zes maanden, uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn geweest;
  2° de volledig werklozen bedoeld bij artikel 123, § 5, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid die sedert ten minste zes maanden werkloos zijn of die in de loop van het jaar dat hun indienstneming voorafgaat zes maanden werkloos zijn geweest;
  3° de tewerkgestelde werklozen, de werknemers van het " Bijzonder tijdelijk kader " en van het " Derde arbeidscircuit " tewerkgesteld door het betrokken openbaar bestuur;
  4° de personen bedoeld bij artikel 2, § 5° en 6°, en § 3, van het koninklijk besluit nr 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 255 van 31 december 1983 en de wet van 1 augustus 1985.
  Onder de hierboven opgesomde categorieën wordt voorrang verleend aan de laureaten van het Vast Wervingssecretariaat en in ondergeschikte orde aan ieder personeelslid behorend tot dezelfde categorieën dat zich in een tijdelijk statuut bevond bij de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
  § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de tewerkstellingsduur van de door de openbare besturen tewerkgestelde werklozen of van de in het " Bijzonder tijdelijk kader " of het " Derde arbeidscircuit " tewerkgestelde werknemers beschouwd als de werkloosheidsduur van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze.
  § 3. De Koning kan het voornoemd toepassingsgebied beperken of verruimen tot andere categorieën van werknemers in functie van de evolutie van de arbeidsmarkt.

  Art. 97_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 98. § 1. De gesubsidieerde contractuelen werken onder de verantwoordelijkheid en het gezag van het openbaar bestuur dat hen tewerkstelt en betaalt.
  De gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld door de onderwijsinstellingen bedoeld in artikel 93, eerste lid, 4, worden evenwel betaald door de Vlaamse Executieve respectievelijk de Franse Gemeenschapsexecutieve.
  § 2. De contractuelen tewerkgesteld door de openbare besturen bedoeld bij artikel 93, eerste lid, ontvangen :
  a) een bezoldiging die gelijk is aan de wedde die aan een lid van het Rijkspersoneel wordt toegekend voor hetzelfde ambt of voor een overeenkomstig ambt, alsook de daaraan verbonden weddeschaalverhogingen;
  b) een eindejaarstoelage onder dezelfde voorwaarden als het vastbenoemd personeel van de Rijksbesturen.
  De contractuelen tewerkgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 93, tweede lid, a) en b), ontvangen dezelfde bezoldiging, verhogingen en toelagen als deze toegekend voor hetzelfde ambt of een overeenkomstig ambt in deze instellingen, verenigingen of maatschappijen.
  § 3. Onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden, worden de door de contractuele werknemer gepresteerde diensten als tewerkgestelde werkloze, werknemer in het " Bijzonder tijdelijk kader " en het " Derde arbeidscircuit " meegerekend voor het toekennen van de baremieke verhogingen.
  § 4. Wat betreft de jaarlijkse vakantie, genieten de gesubsidieerde contractuelen hetzelfde stelsel als de contractuelen die door hetzelfde openbaar bestuur worden tewerkgesteld.
  (NOTA : Artikel 98 opgeheven voor het Waalse Gewest door DWG 2002-04-25/43, art. 37; Inwerkingtreding : 31-12-2003)

  Art. 98_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 99.
  <Opgeheven bij W 2014-04-24/44, art. 26, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 99_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 100. <wijzigingsbepaling van artikel 101, derde lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders>

  Art. 100_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 101. De Koning wijst de ambtenaren en beambten aan belast met het toezicht op de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan.

  Art. 101_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  HOOFDSTUK IIbis. - Regels betreffende het stelsel van de gesubsidieerde contractuelen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van toepassing zijn. <Ingevoegd bij ORD 2003-07-17/32, art. 2; Inwerkingtreding : 08-08-2003>

  Art. 101bis. <Ingevoegd bij ORD 2003-07-17/32, art. 2; Inwerkingtreding : 08-08-2003> In afwijking van artikel 95, § 4, kan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering overeenkomsten sluiten met de regeringen van de Vlaamse Gemeenschap of de Franse Gemeenschap voor een totaalpakket van verenigingen uit de door de Gemeenschappen gereglementeerde activiteitensectoren, waaronder in ieder geval :
  1° de door de Vlaamse of de Franse Gemeenschap erkende sportfederaties;
  2° de sectoren die vóór 1 januari 2003 een tussenkomst hadden verkregen van het Interdepartementaal begrotingsfonds ter Bevordering van de Werkgelegenheid ingericht door het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciele sector.
  De in het eerste bedoelde overeenkomsten zullen ter advies aan het Beheerscomité van de BGDA worden voorgelegd.

  Art. 101ter.<Ingevoegd bij ORD 2003-07-17/32, art. 2; Inwerkingtreding : 08-08-2003> Volgens de door haar vastgelegde bepalingen, mag de Brusselse Hoofdstedelijk Regering het bedrag van de ten gunste van de regeringen van de Vlaamse en van de Franse Gemeenschap uitgekeerde premies, jaarlijks indexeren.

  HOOFDSTUK IIter. [1 ...]1
  ----------
  (1)<DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 101quater_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij DDG 2018-05-28/07, art. 46, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit nr 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces.

  Art. 102. <wijzigingsbepaling van artikel 2 van het koninklijk besluit nr 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces>

  Art. 103. <wijzigingsbepaling van art. 6 van het KB230 van 21-12-1983/30>

  HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk besluit nr 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren.

  Art. 104. <wijzigingsbepaling van artikel 1, eerste lid, b, van het koninklijk besluit nr 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren>

  Art. 105. <wijzigingsbepaling van art. 5, § 3, van het KB495 31-12-1986/42>

  HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk besluit nr 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité van het bouwbedrijf ressorteren.

  Art. 106. <wijzigingsbepaling van artikel 2 van het koninklijk besluit nr 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité van het bouwbedrijf ressorteren>

  Art. 107. <wijzigingsbepaling van art. 6 van het KB213 26-09-1983/31>

  Art. 108. <wijzigingsbepaling van art. 9 van het KB213 26-09-1983/31>

  HOOFDSTUK VI. - Bepalingen betreffende de werkloosheid.

  Afdeling 1. - Bepalingen betreffende de financiering van de werkloosheidsverzekering.

  Onderafdeling 1. - Behoud van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor het aanslagjaar 1989.

  Art. 109. § 1. <wijzigingsbepalingen van artikelen 60, 62 en 70 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen>

  Onderafdeling 2. - Lening van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers.

  Art. 110. Het Fonds tot vergoeding van de ingeval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, opgericht bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, stelt vanaf 1 januari 1989 onder de vorm van een renteloze lening voor onbepaalde duur een bedrag van één miljard vijfhonderd miljoen frank ter beschikking aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter betaling van de werkloosheidsuitkeringen.
  De Koning kan, na advies van het Beheerscomité van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, voor een door Hem te bepalen periode aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de terugbetaling opleggen van het geheel of een gedeelte van die lening aan dit Fonds om het toe te laten het hoofd te bieden aan onvoorziene uitgaven.

  Afdeling 2. - Toekenning onder voorbehoud van werkloosheidsuitkeringen aan sommige ontslagen werknemers.

  Art. 111. <wijzigingsbepaling van artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders>

  Afdeling 3. - Verjaring van rechtsvorderingen inzake de betaling van werkloosheidsuitkeringen.

  Art. 112. <wijzigingsbepaling van art. 7 van de B 28-12-1944/01>

  Art. 113. De wet van 11 maart 1977 tot invoering van een verjaringstermijn voor schulden jegens de uitbetalingsinstellingen voor werkloosheidsuitkeringen wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK VII. - Tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling.

  Art. 114. (NOTA : Opgeheven. Zie L 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995>) Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers uit de privé sector op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders toepasselijk is.
  (De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen die Hij bepaalt :
  1° bij aanwerving van een persoon bedoeld in artikel 118, § 1, 7°, de toepassing van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk beperken tot de categorieën van werkgevers en werknemers van de privé-sector die Hij bepaalt;
  2° de toepassing van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot de categorieën van werkgevers en werknemers van de openbare sector die Hij bepaalt.) <W 1992-12-30/40, art. 141, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 115. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> § 1. De werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in § 2 zijn niet verschuldigd tot beloop van het bedrag van die bijdragen berekend op het gemiddeld minimum maandinkomen gewaarborgd door artikel 3 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst nr 43 gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 2 mei 1988 en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988, voor de nieuw in dienst genomen werknemer, bedoeld in de artikelen 118 tot 121, vanaf het begin van de tewerkstelling tot het einde van het achtste kwartaal volgend op dat waarin de tewerkstelling een aanvang heeft genomen.
  De nieuw in dienst genomen werknemer moet vanaf 1 januari 1989 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangenomen worden en hij moet een netto-aangroei van het personeelsbestand uitmaken.
  § 2. De werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in § 1 omvatten de bijdragen vastgesteld in artikel 38, § 3, 1° tot 7° en 9°, en § 3bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
  § 3. In geval van deeltijdse arbeid, wordt het gemiddeld minimum maandinkomen waarop de vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in § 1 van toepassing is, proportioneel berekend op het in § 1 bedoelde gemiddeld minimum maandinkomen van de voltijdse werknemer, naar rato van de arbeidsduur in de onderneming.

  Art. 115bis. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> <Ingevoegd bij KB 1993-12-24/34, art. 43; Inwerkingtreding : 01-01-1994> § 1. Indien de werkgever voldoet aan één van beide in artikel 117, § 1, bedoelde voorwaarden, geniet hij onder de voorwaarden bepaald in § 2, vrijstelling van de in artikel 115, § 2, bepaalde werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid.
  Deze vrijstelling loopt vanaf het begin van de tewerkstelling tot en met het einde van het twaalfde kwartaal dat volgt op dat waarin de tewerkstelling een aanvang heeft genomen.
  § 2. De vrijstelling bedoeld in § 1 is volledig vanaf het begin van de tewerkstelling tot het einde van het vierde kwartaal volgend op dat waarin de tewerkstelling een aanvang heeft genomen.
  Zij bedraagt 75 % vanaf het vijfde tot en met het achtste kwartaal volgens op dat waarin de tewerkstelling een aanvang heeft genomen en 50 % vanaf het negende tot en met het twaalfde kwartaal volgend op dat waarin de tewerkstelling een aanvang heeft genomen.

  Art. 116. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> De aangroei van het personeelsbestand wordt beschouwd als een netto aangroei indien de in artikel 115 bedoelde indienstneming tot gevolg heeft :
  1°) dat op het einde van elk van de eerste vier kwartalen van de tewerkstelling van de nieuw in dienst genomen werknemer, het aantal door de werkgever tewerkgestelde werknemers en de loonmassa aan 100 pct door deze bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangegeven, hoger liggen dan die op het einde van het overeenstemmend kwartaal van het jaar voordien;
  2°) dat op het einde van elk van de vier kwartalen volgend op de eerste vier kwartalen van de tewerkstelling van de nieuw in dienst genomen werknemer, het aantal door die werkgever tewerkgestelde werknemers en de loonmassa aan 100 pct door deze bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangegeven tegelijk hoger zijn dan of gelijk aan die op het einde van het overeenstemmend kwartaal van het jaar voordien en hoger dan die op het einde van het overeenstemmend kwartaal van het jaar voorafgaand aan het jaar voordien;
  3°) dat op het einde van het negende kwartaal van de tewerkstelling van de nieuw in dienst genomen werknemer, het aantal door die werkgever tewerkgestelde werknemers en de loonmassa aan 100 pct door deze bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangegeven minstens gelijk zijn aan deze op het einde van de overeenstemmende kwartalen van de twee vorige jaren en hoger dan die op het einde van het overeenstemmend kwartaal van het jaar dat die twee jaren voorafgaat.

  Art. 117. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  (§ 1. De vereiste van de netto-aangroei van het personeelsbestand bedoeld in de artikelen 115 en 116 wordt geacht gerealiseerd te zijn voor de eerste werknemer die in dienst genomen wordt, wanneer de werkgever :
  1° ofwel nooit onderworpen is geweest aan voornoemde wet van 27 juni 1969 wegens tewerkstelling van werknemers andere dan dienstboden, leerlingen of gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  2° ofwel sedert ten minste twaalf ononderbroken kalendermaanden die de datum van de indienstneming voorafgaan niet meer aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 onderworpen is wegens de tewerkstelling van werknemers andere dan dienstboden, leerlingen, stagiairs in het kader van de vorming tot ondernemingshoofd of gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 8bis van het voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969.) <W 1998-02-13/32, art. 37, 020; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  § 2. De in § 1 bedoelde werkgever geniet niet van de bepalingen van dit hoofdstuk indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam geweest is, behalve indien deze werknemer de voorwaarden van artikel 119, c, vervult.

  Art. 118. <NOTA : Opgeheven maar blijft van toepassing in sommige gevallen. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> § 1. Onder nieuw indienstgenomen werknemer wordt verstaan :
  1°) een werkzoekende tussen 18 en 25 jaar die gedurende de 12 maanden die aan de indienstneming voorafgaan zonder onderbreking genoten heeft van werkloosheids- of wachtuitkeringen voor alle dagen van de week;
  2°) een werkzoekende die op het ogenblik van de indienstneming gedurende de 18 maanden voorafgaand aan de indienstneming zonder onderbreking genoten heeft van werkloosheids- of wachtuitkeringen voor alle dagen van de week;
  3°) een werkzoekende van minstens 40 jaar oud die gedurende de 12 maanden die aan de indienstneming voorafgaan, zonder onderbreking genoten heeft van werkloosheidsuitkeringen voor alle dagen van de week;
  4°) (een werkzoekende die gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, gerekend van datum tot datum, die aan de indienstneming voorafgaan, ingeschreven is als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en die op het ogenblik van de indienstneming hetzij :
  a) het bestaansminimum geniet, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
  b) financiële sociale bijstand genieten en :
  - ofwel ingeschreven is in het bevolkingsregister;
  - ofwel beschikt over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
  - ofwel beschikt over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
  - ofwel gerechtigd of toegelaten is, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.
  Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als werkzoekende bij een gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling :
  a) de periodes tijdens welke de werkzoekenden het bestaansminimum of financiële sociale bijstand, zoals bedoeld in het vorige lid, genoten;
  b) een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  c) een tewerkstelling in een doorstromingsprogramma met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
  d) een tewerkstelling in een erkende arbeidspost met toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;) <W 2001-01-02/30, art. 30, 025; Inwerkingtreding : 03-01-2001>
  5°) een werkzoekende die op het ogenblik van de indienstneming een bij het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen ingeschreven minder-valide is;
  6°) een werkzoekende die zonder onderbreking werkloosheidsuitkeringen genoten heeft volgens de bepalingen (van artikel 103 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering) : <W 1992-12-30/40, art. 38, 011; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  - gedurende de 18 maanden die aan de indienstneming voorafgaan;
  - gedurende de 12 maanden die aan de indienstneming voorafgaan indien hij minstens 40 jaar oud is.
  7°) (een werkzoekende die tijdens een inschakelingsparcours bedoeld in hoofdstuk II van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers of binnen de 3 maanden na het beëindigen van dit inschakelingsparcours in dienst wordt genomen.) <W 2001-12-30/30, art. 57, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (8° een werknemer die het bewijs levert, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, dat hij bij dezelfde werkgever tewerkgesteld geweest is als uitzendkracht overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers gedurende minstens drie maanden die zijn aanwerving voorafgaan.
  De periode van terbeschikkingstelling van drie maanden moet gelegen zijn tijdens de twaalf maanden voor de aanwerving.) <W 1999-12-24/43, art. 14, 023; Inwerkingtreding : 27-01-2000>
  (Voor de toepassing van het eerste lid wordt de tewerkstelling met een startbaanovereenkomst, met toepassing van hoofdstuk VIII van titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, van een werknemer die geen getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs bezit, beschouwd als een periode van uitkeringsgerechtigde volledige werkloosheid en van inschrijving als werkzoekende. <KB 2001-11-30/51, art. 3, 028; Inwerkingtreding : 01-04-2000>
  § 2. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder " onderbreking " voor de toepassing van § 1, 1°, 2°, 3°, 4° en 6°.

  Art. 119. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> Wanneer de werkgever een van de twee voorwaarden bedoeld in artikel 117, § 1, vervult, wordt onder nieuw in dienst genomen werknemer eveneens verstaan :
  a) een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze;
  b) een volledig werkloze die sedert meer dan één jaar bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening als werkzoekende is ingeschreven en die gedurende die periode niet uitkeringsgerechtigd geweest is;
  c) een werknemer die een leertijd beëindigd heeft en voldoet aan de voorwaarden (van de artikelen 36, met uitzondering van § 1, 4°, of 39 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering); <W 1992-12-30/40, art. 39, 011; Inwerkingtreding : 01-06-1992>
  d) een bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening als werkzoekende ingeschreven volledig werkloze die, gedurende de twee jaar voor de indienstneming, gedurende minstens één jaar onderworpen is geweest aan het sociaal statuut der zelfstandigen als zelfstandige in de zin van artikel 3 van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
  (e) de werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 8 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering of op basis van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
  f) de personen die zich wensen terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  - zij leveren het bewijs dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van 18 maanden, of ze tonen aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van hun arbeidsprestaties, buiten de periode bedoeld onder het tweede streepje;
  - op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens 24 maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;
  - zij zijn op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende.) <W 2000-08-12/62, art. 176, 024; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
  (Voor de toepassing van het eerste lid wordt de tewerkstelling met een startbaanovereenkomst, met toepassing van hoofdstuk VIII van titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, van een werknemer die geen getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs bezit, beschouwd als een periode van uitkeringsgerechtigde volledige werkloosheid en van inschrijving als werkzoekende.) <KB 2001-11-30/51, art. 4, 028; Inwerkingtreding : 01-04-2000>

  Art. 120. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden wijzigen waaraan de werknemers wier indienstneming recht geeft op de in artikel 115 bedoelde voordelen moeten voldoen.

  Art. 121. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> § 1. In afwijking van de bepalingen van artikel 115, §§ 1 en 3, met betrekking tot de vereiste van de netto aangroei van het personeelsbestand komen ook de indienstnemingen in aanmerking die gebeuren voor de vervanging van werknemers die vrijwillig hun ontslag hebben gegeven, wier wettelijk pensioen een aanvang heeft genomen of die overleden zijn, voor zover deze vervanging gebeurt door de indienstneming van een werkzoekende bedoeld in artikel 118 binnen de drie maanden na het vertrek van de te vervangen werknemer.
  § 2. Komen eveneens in aanmerking voor de toepassing van § 1, de indienstneming die plaatsvinden in uitvoering van de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, met het oog op de vervanging van een werknemer die met zijn werkgever is overeengekomen de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig op te schorten of zijn arbeidsprestaties te beperken.
  In dit geval is de bepaling van artikel 115, § 1, tweede lid, met betrekking tot de verplichting tot indienstneming van de werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet van toepassing.
  § 3. De afwijkingen bedoeld onder §§ 1 en 2, eerste lid, zijn uitsluitend van toepassing voor de kwartalen vande tewerkstelling waarin op het einde van elk kwartaal het aantal door de werkgever tewerkgestelde werknemers en de loonmassa aan 100 pct door deze bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven, ten minste gelijk zijn aan die op het einde van het kwartaal dat de indienstneming voorafgaat.
  § 4. De Koning kan, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, het voordeel bedoeld onder § 1, uitbreiden tot de indienstnemingen die plaatsvinden met het oog op de vervanging van een werknemer wiens vertrek te wijten is aan andere oorzaken dan die bedoeld onder §§ 1 en 2.

  Art. 122. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> De in artikel 117, § 1, bedoelde werkgever kan genieten van de bepalingen van dit hoofdstuk uit hoofde van de indienstneming van twee nieuw in dienst genomen halftijdse werknemers. Voor de toepassing van de artikelen 124 en 125 worden deze twee halftijdse werknemers geacht de eerste werknemer te zijn die in dienst genomen wordt.

  Art. 123. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> Wanneer de tewerkstelling van de nieuw in dienst genomen werknemer eindigt voor het verstrijken van de in artikel 115, § 1, vermelde periode, blijft de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid tot bij het verstrijken van die periode behouden ten aanzien van de werknemer die ter vervanging in dienst wordt genomen overeenkomstig, volgens het geval, de bepalingen van één van de artikelen 118, 119, 121 en 122.
  De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder " vervanging " voor de toepassing van het eerste lid.
  Wanneer een werknemer ontslagen wordt in de periode die te zijnen aanzien aanleiding geeft tot de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid en recht heeft op een vergoeding wegens beëindiging van de overeenkomst, worden de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid op die vergoeding niet verminderd.

  Art. 124. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> Wanneer de werkgever de voorwaarden van artikel 117, § 1, vervult, worden de bijdragen voor de administratiekosten die hij aan een erkend sociaal secretariaat voor werkgevers verschuldigd is voor de werknemer bedoeld in één van de artikelen 118, 119, 122 en 123, door de Rijksdienst voor sociale zekerheid ten laste genomen volgens de regels, vastgesteld bij ministerieel besluit zolang hij geniet van de voordelen bedoeld in artikel 115.

  Art. 125. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> § 1. De in artikel 124 bedoelde tenlasteneming van administratiekosten wordt aan de werkgever toegekend voor de tweede werknemer die met een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst overeenkomstig de artikelen 118, 119 of 123 in dienst genomen wordt, in zoverre hij voor zijn eerste werknemer geniet of genoten heeft:
  - ofwel van de bepalingen van het koninklijk besluit nr 111 van 15 december 1982 tot tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ten voordele van sommige natuurlijke personen of rechtspersonen die voor het eerst een werknemer in dienst nemen;
  - ofwel van het in artikel 124 bedoelde voordeel.
  § 2. Het in § 1 bedoelde voordeel wordt aan de werkgever toegekend gedurende een periode die loopt vanaf het begin van de tewerkstelling van de tweede werknemer tot het einde van het achtste kwartaal volgend op dat tijdens hetwelk deze tewerkstelling een aanvang genomen heeft.
  § 3. Bij in Ministerraad overlegd besluit en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, kan de Koning de tenlasteneming van de in artikel 124 bedoelde administratiekosten toekennen voor de derde, de vierde en de vijfde werknemer in dienst genomen door de werkgever.

  Art. 126. <KB 2001-11-30/52, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2000> Van de toepassing van dit hoofdstuk zijn uitgesloten, de werkgevers die de verplichtingen bedoeld in artikel 39, §§ 1, 2 en 3, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid niet nakomen, zelfs indien dit gebeurt met toepassing van artikel 40 van voormelde wet.

  Art. 127. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> <W 1994-03-30/31, art. 132, 014; Inwerkingtreding : 10-04-1994> Om de voordelen van dit hoofdstuk te genieten, moet de werkgever aan het bevoegd gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening een of meer getuigschriften opsturen die aantonen dat de werknemer de vereiste voorwaarden vervult voor de toepassing van dit hoofdstuk. Hij moet bovendien in zijn driemaandelijkse aangifte aan de instelling die belast is met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen, de juiste identiteit vermelden van de werknemer voor wie hij de werkgeversbijdragen vermindert.
  De Koning bepaalt de voorwaarden, nadere regelen en de termijnen binnen welke de werkgevers deze getuigschriften moeten vragen en opsturen.

  Art. 127bis. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> <Ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 165, 005; Inwerkingtreding : 19-01-1991> Om de voordelen van dit hoofdstuk te genieten, moet de werkgever voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, § 1, 1°, 2°, 3° en 6° en (119, a), c), e) en f)), bij het bevoegd gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, een getuigschrift verkrijgen waaruit blijkt dat deze werknemer voldoet aan de voorwaarden vereist voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk. <W 2001-01-02/30, art. 31, 025; Inwerkingtreding : 10-09-2000>
  De Koning bepaalt de voorwaarden, de nadere regelen en de termijnen binnen welke de werkgevers dit getuigschrift moeten aanvragen.

  Art. 128. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> § 1. De werkgevers die het voordeel van de bepalingen van dit hoofdstuk genieten voor de in één van de artikelen 118, 119, 121, 122 of 123 bedoelde werknemers, kunnen voor diezelfde werknemer niet het voordeel genieten :
  a) van de bepalingen van artikel 35 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  b) van de bepalingen vastgesteld krachtens de artikelen 1, d, en 11, van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering;
  c) van de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 januari 1987 houdende nieuwe maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling in de non profit-sector, en van Afdeling 5 van het koninklijk besluit nr 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet commerciële sector, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 493 van 31 december 1986 betreffende de bevordering van de werkgelegenheid in de sociale sector;
  d) van de bepalingen van het koninklijk besluit nr 111 van 15 december 1982 tot tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ten voordele van sommige natuurlijke of rechtspersonen die voor het eerst een werknemer in dienst nemen;
  e) van de bepalingen van het koninklijk besluit nr 498 van 31 december 1986 houdende tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever, ter bevordering van de indienstneming van jonge werkzoekenden en van langdurig werklozen;
  f) van de bepalingen van het koninklijk besluit nr 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden;
  g) van de bepalingen van het koninklijk besluit nr 494 van 31 december 1986 houdende tijdelijke tenlasteneming door de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de bijdragen voor de administratiekosten verschuldigd door sommige werkgevers met betrekking tot de tewerkstelling van een tweede werknemer.
  (h) van de bepalingen van hoofdstuk III van titel IV van de wet van 20 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 1992-12-30/40, art. 143, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (i) van de bepalingen van titel IV. - Bedrijfsplannen tot herverdeling van de arbeid van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen;) <W 1999-03-26/30, art. 24, 022; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  (j) van de bepalingen van Titel III - Ingroeibanen - van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.) <KB 1993-12-24/34, art. 44, 013; Inwerkingtreding : 10-01-1994>
  (§ 2. De voordelen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de werknemers aangeworven met een startbaanovereenkomst krachtens hoofdstuk VIII van titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.) <KB 2001-11-30/52, art. 5, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2000>

  Art. 129. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> De artikelen 115 en 116 zijn niet van toepassing op de toename van het aantal werknemers die voortvloeit uit fusie, splitsing, omzetting of opslorping van ondernemingen.

  Art. 130. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> <wijzigingsbepaling van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit nr 111 van 15 december 1982 tot tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ten voordele van sommige natuurlijke of rechtspersonen die voor het eerst een werknemer in dienst nemen>

  Art. 131. <NOTA : Opgeheven. Zie W 1994-12-21/31, art. 65, 015; Inwerkingtreding : 02-01-1995> <wijzigingsbepaling van artikel 4 van het koninklijk besluit nr 494 van 31 december 1986 houdende tijdelijke tenlasteneming door de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de bijdragen voor de administratiekosten verschuldigd door sommige werkgevers met betrekking tot de tewerkstelling van een tweede werknemer>

  HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen betreffende het interprofessioneel akkoord.

  Afdeling 1. - Wijzigingen aan de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

  Art. 132. <wijzigingsbepaling van artikel 35, § 1 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers>

  Art. 133. <wijzigingsbepaling van art. 35, § 3 van W 29-06-1981/02>

  Art. 134. <wijzigingsbepaling van art. 35 van W 29-06-1981/02>

  Art. 135. <wijzigingsbepaling van art. 37 van W 29-06-1981/02>

  Art. 136. <wijzigingsbepaling van art. 38, § 3, 3° van W 29-06-1981/02>

  Afdeling 2. - Instelling van een bijdrage aan het Tewerkstellingsfonds.

  Art. 137. § 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en de besluitwetten van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden der koopvaardij toepasselijk zijn.
  De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, bepaalde categorieën van werkgevers uit het toepassingsgebied van deze sectie onttrekken.
  § 2. De werkgevers bedoeld in vorige paragraaf zijn voor de jaren 1989 en 1990 en bijdrage verschuldigd van 0,18 %, berekend op grond van het volledige loon van de werknemer, zoals bedoeld bij artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
  § 3. De inningsinstellingen voor sociale zekerheid zijn, ieder wat hen betreft, belast met de inning en de invordering van de in § 2 bedoelde bijdrage, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds, opgericht bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid in uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds met het oog op de aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling. Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht, de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.

  Art. 138. De opbrengst van de bijdrage, bedoeld in artikel 137 wordt aangewend ter bevordering van initiatieven tot tewerkstelling van risicogroepen onder de werkzoekenden, onder de voorwaarden door de Koning bepaald bij in Ministerraad overlegd besluit.
  Onder deze risicogroepen wordt verstaan deeltijds leerplichtigen, laaggeschoolde en langdurig werklozen. De Koning kan deze categorieën nader omschrijven en tot andere risicogroepen uitbreiden.

  Art. 139. § 1. Van de bijdrage bedoeld bij artikel 137 zijn vrijgesteld, de werkgevers die ingevolge een nieuwe of voortgezette collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan of gesloten voor een onderneming of een groep van ondernemingen of een collectief akkoord, voor 1989 en 1990 gelijkwaardige initiatieven genomen hebben tot bevordering van de tewerkstelling van de in artikel 138 bedoelde groepen.
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid onderzoekt of deze collectieve arbeidsovereenkomst of dit collectief akkoord voor vrijstelling in aanmerking komen, rekening houdend met de modaliteiten van vrijstelling die door de Koning worden bepaald.
  § 2. De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in § 1 moet overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités gesloten worden.
  De collectieve arbeidsovereenkomst of het collectief akkoord moeten neergelegd worden tegen uiterlijk 1 april van het jaar waarop deze collectieve arbeidsovereenkomst of het collectief akkoord betrekking heeft.

  Afdeling 3. - Stortingen aan het Tewerkstellingsfonds bij ontstentenis van akkoorden ter bevordering van de werkgelegenheid in de periode 1983-1988.

  Art. 140. § 1. De werkgevers bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit nr 492 van 31 december 1986 houdende sociale bepalingen ter bevordering van de tewerkstelling, die voor de jaren 1987 en 1988, noch gebonden waren door een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, noch, bij ontstentenis van zo een overeenkomst, door een overeenkomst gesloten in de schoot van een onderneming of een groep van ondernemingen, zoals voorzien in artikel 5 van voornoemd koninklijk besluit nr 492, moeten in 1989 en 1990 op een bijzondere rekening van het Tewerkstellingsfonds een som storten die overeenstemt met 2,4 % van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven loonsom verhoogd met de werkgeversbijdrage van sociale zekerheid voor respectievelijk 1988 en 1989.
  § 2. De werkgevers bedoeld in artikel 6 van het voornoemd koninklijk besluit nr 492 die voor de jaren 1987 en 1988, noch gebonden waren door een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en bij gebrek van dergelijke overeenkomst, noch door een overeenkomst gesloten op het niveau van een onderneming of van een groep van ondernemingen, zoals voorzien in artikel 7 van voornoemd koninklijk besluit nr 492, moeten in 1989 en 1990 op een bijzondere rekening van het Tewerkstellingsfonds een som storten die overeenstemt met 1,8 % van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven loonsom verhoogd met de werkgeversbijdrage van sociale zekerheid voor respectievelijk 1988 en 1989.
  § 3. Het percentage bedoeld in de §§ 1 en 2 kan door de Koning worden gewijzigd bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  § 4. De in de §§ 1 en 2 bedoelde stortingen moeten geschieden binnen dezelfde termijnen als de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen voor respectievelijk het vierde kwartaal 1989 en het vierde kwartaal 1990.
  § 5. De in §§ 1 en 2 bedoelde stortingen worden gelijkgesteld met sociale zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.

  Art. 141. § 1. Van de in artikel 140 bedoelde stortingen worden vrijgesteld :
  - de werkgevers wiens onderneming kan worden beschouwd als een onderneming in moeilijkheden of die in buitengewoon ongunstige economische omstandigheden verkeert in de zin van artikel 142;
  - de werkgevers die voor het eerst personeel tewerkstellen sinds het vierde kwartaal 1987;
  - de werkgevers bedoeld bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité van het bouwbedrijf ressorteren.
  § 2. Van de in artikel 140, § 1 bedoelde storting worden vrijgesteld :
  - de werkgevers van de ondernemingen gebonden door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan of in een onderneming en neergelegd bij de Griffie van de Dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tegen uiterlijk 1 april 1989.
  Deze collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, moet voorzien in een gelijkwaardige inspanning als voorzien in het koninklijk besluit nr 181 van 30 december 1982.
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid onderzoekt of aan deze verplichting is voldaan.
  § 3. Van de in artikel 140, § 2 bedoelde storting worden vrijgesteld :
  - De werkgevers van de ondernemingen gebonden door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan of in een onderneming en neergelegd bij de Griffie van de Dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid tegen uiterlijk 1 april 1989.
  Deze collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een gelijkwaardige inspanning als voorzien in hoofdstuk IV, afdeling 3 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid onderzoekt of aan deze verplichting is voldaan;
  - De werkgevers die minder dan 10 werknemers tewerkstellen aangegeven aan de Rijksdienst voor Sociale zekerheid voor het vierde kwartaal van het jaar 1984;
  - De werkgevers die beantwoorden aan de criteria voorzien in artikel 52, 1°, van de Herstelwet van 22 januari 1985 en voor zover zij voor de jaren 1987 en 1988 tenminste hetzelfde aantal werknemers bedoeld in dit artikel, hebben tewerkgesteld.

  Art. 142. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder onderneming in moeilijkheden of die in buitengewoon ongunstige economische omstandigheden verkeert, verstaan : degene die op hun verzoek door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid als dusdanig worden erkend.
  De Koning bepaalt het begrip onderneming in moeilijkheden of die in buitengewoon ongunstige economische omstandigheden verkeert.

  Art. 143. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, belast met de inning en de invordering van de door de werkgever verschuldigde bijdragen, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds.
  De Koning bepaalt de wijze van vereffening van de uitgaven van het Fonds.

  HOOFDSTUK IX. - Inwerkingtreding.

  Art. 144. De bepalingen van deze titel treden in werking op 1 januari 1989, met uitzondering van artikel 109, dat uitwerking heeft met ingang van 15 november 1988.

  TITEL IV. - PENSIOENEN.

  HOOFDSTUK I. - Brugrustpensioen voor werknemers.

  Art. 145. <wijzigingsbepaling van artikel 5bis, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers>

  HOOFDSTUK II. - Maatregelen met betrekking tot het financieel evenwicht van de sociale zekerheid.

  Afdeling 1. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling voor werknemers.

  Art. 146. <wijzigingsbepaling van artikel 10 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen>

  Afdeling 2. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling van de zelfstandigen.

  Art. 147. <W 1989-07-06/30, art. 49, 002; Inwerkingtreding : 18-07-1989> In afwijking van artikel 42, 2°, van het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, gewijzigd bij de wetten van 15 mei 1984, 7 november 1987 en 30 december 1988, wordt de rijkstoelage voor het jaar 1988 vastgesteld op 8 741,8 miljoen frank en voor het jaar 1989 op 9 019,2 miljoen frank, tegen index 142,75 (1971 = 100).

  Afdeling 3. - Wijzigingen aan de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood.

  Art. 148. <wijzigingsbepaling van artikel 2, tweede lid, van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels, ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood>

  Art. 149. <wijzigingsbepaling van art. 8 van W 28-05-1971/02>

  Art. 150. De Rijkstoelage voorzien bij artikel 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers wordt, wat de werknemerspensioenen betreft, voor 1988 verminderd met het globaal bedrag van de reservefondsen, zoals deze op 31 december 1988 zouden gevestigd geweest zijn in toepassing van artikel 2, tweede lid, van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood zoals het vóór zijn wijziging door artikel 148 van deze wet was gesteld.

  Art. 151. Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1988.

  HOOFDSTUK III. - Bijzondere bijdrage.

  Art. 152. <wijzigingsbepaling van artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid der werknemers>

  Art. 153. <wijzigingsbepaling van artikel 2 van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden>

  Art. 154. <wijzigingsbepaling van artikel 3 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de sociale zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij>

  HOOFDSTUK IV. - Maatregelen betreffende de pensioenen.

  Afdeling 1. - Pensioenen van de zelfstandigen.

  Art. 155. <wijzigingsbepaling van artikel 131 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen>

  Art. 156. <wijzigingsbepaling van art. 132 van W 15-04-1984/30>

  Art. 157. <wijzigingsbepaling van artikel 42, 2°, van het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen>

  Afdeling 2. - Pensioenen van de openbare sector.

  Art. 158. <wijzigingsbepaling van artikel 15, laatste lid, van de wetten betreffende de afgevaardigden-werklieden bij het toezicht in de steenkolenmijnen, samengeordend op 31 december 1958>

  Art. 159. De personen die op 31 december 1960 in dienst waren in het onderwijs en die, krachtens de op die datum van kracht zijnde bepalingen, de mogelijkheid hadden om hun opruststelling te vragen vóór de leeftijd van 60 jaar, alsook de personen bedoeld in artikel 23 van het koninklijk besluit nr 23 van 27 november 1978 tot uitvoering van artikel 71 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, kunnen hun rustpensioen bekomen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van hun 55ste verjaardag, op voorwaarde dat zij 30 pensioenaanspraakverlenende dienstjaren tellen (en hun loopbaan in het kleuter-, lager of secundair gemeenschapsonderwijs beëindigen.) <W 1992-06-26/30, art. 146, 008; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
  De in het eerste lid bedoelde personen die krachtens andere bepalingen hun rustpensioen op een lagere leeftijd kunnen bekomen, behouden deze mogelijkheid.

  Art. 160. § 1. Artikel 159 treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
  § 2. De beslissingen tot toekenning van een rustpensioen die, vóór de inwerkingtreding van artikel 159, genomen werden ten aanzien van personen die bij hun opruststelling de in datzelfde artikel gestelde voorwaarden vervulden, worden bekrachtigd.

  Art. 161. <wijzigingsbepalingen van artikelen 46ter en 50 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen>

  Art. 162. <wijzigingsbepaling van artikel 30 van de wet 1 augustus 1988 houdende dringende maatregelen terzake van onderwijs>

  Afdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besluit nr 33 van 30 maart 1982 betreffende de inhouding op invaliditeitsuitkeringen en brugpensioenen.

  Art. 163. <KB 1997-03-21/38, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 01-04-1997> De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van het Beheerscomité van de rijksdienst voor Pensioenen of van de Nationale Arbeidsraad, de bedragen verhogen die voorzien zijn in artikel 1, eerste lid, 4° en tweede lid van het koninklijk besluit nr. 33 van 30 maart 1982 betreffende de inhouding op invaliditeitsuitkeringen en de brugpensioenen, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 52 van 2 juli 1982 en bij de wet van 30 maart 1994.

  TITEL V. - VERKEERSWEZEN.

  HOOFDSTUK I. - N.M.B.S.

  Afdeling 1. - Herstructurering van de balans van de N.M.B.S.

  Art. 164. § 1. De balans van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen op 31 december 1988 wordt opgemaakt op basis van de volgende herwerkingen :
  1° een provisie voor risico's en lasten van 15 miljard F, wordt onder vrijstelling van elke inkomstenbelasting aangelegd door afneming van een gelijkwaardig bedrag van de " rechtzettingsrekening van de waarde van de materiële vaste activa " vermeld in rubriek II op het passiva van de balans;
  2° het saldo van de rechtzettingsrekening op 31 december 1988 na de in 1° bedoelde afneming, alsook het fonds voor afschrijving van de leningen die ten belope van een bedrag van 2.316.357.000 F vermeld onder rubriek IV.B.2 van de reserves beschikbaar onder de passiva van de balans, worden overgedragen naar de resultatenrekening; zij zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting;
  3° de schuldvorderingen van de Staat, die onder de passiva van de balans van de Maatschappij zijn ingeschreven onder de rubriek : " Overige Schulden - Schulden op meer dan één jaar " worden omgezet in gewone kapitaalaandelen met een maximale waarde van 100 F, ten gunste van de Staat.
  De in het eerste lid, 3°, bedoelde schuldvorderingen bestaan uit :
  1° het in 1983 toegestane voorschot van 3 miljard F;
  2° de renteloze leningen die terugbetaalbaar zijn bij het vereffenen van de Maatschappij en toegestaan zijn in het kader van de overeenkomsten van 4 oktober 1985, 15 oktober 1986, 11 maart 1987 aangepast met het aanhangsel van 12 januari 1988, en 15 juli 1988;
  3° een bedrag gelijk aan de vermindering van de normaliseringskredieten die voortkomen uit de afbetaling van het netto rechtzettingsbedrag van de waarde van de vaste activa door overdracht naar de opbrengsten van de resultatenrekening.
  De herstructureringskosten die vanaf 1 februari 1988 zijn gemaakt, worden in mindering gebracht van de in het eerste lid, 1°, bedoelde provisie voor risico's en lasten.
  § 2. (...) <W 1995-12-20/31, art. 60, 016; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  § 3. (...) <W 1995-12-20/31, art. 60, 016; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (§ 4. De balans van de N.M.B.S. wordt op 30 juni 1992 opgesteld in functie van de volgende verrichtingen :
  - Een voorziening voor risico's en kosten van twaalf miljard frank wordt via de balans aangelegd door de afname van eenzelfde bedrag van het door de staat geplaatste kapitaal; deze voorziening is ten belope van negen miljard frank bestemd voor de modernisering en de herstructurering van de N.M.B.S., voor de modernisering van het vervoermaterieel alsook voor de opleiding van het personeel en ten belope van drie miljard frank voor de dekking van de hieraan verbonden financiële kosten.
  - Het saldo van de hierna vermelde tegoeden, schuldvorderingen en wederzijdse schulden tussen de Staat en de N.M.B.S. wordt bij het maatschappelijk kapitaal gevoegd :
  1° de boekwaarde van het uitbatingsrecht van het net;
  2° het bedrag met betrekking tot het normaliseringskrediet genoteerd onder de rubriek X van de activa;
  3° het saldo van het door de Staat toegestane voorschot bij de oprichting van de Maatschappij;
  4° de schuldvordering van honderdnegenenvijftig miljoen driehonderdachtenveertigduizend zeshonderdeenenvertig frank met betrekking tot investeringswerken, uitgevoerd in het kader van de overeenkomsten van 4 oktober 1985, 15 oktober 1986, 11 maart 1987, aangepast door het bijvoegsel van 12 januari 1988, en van 15 juli 1988 waarvoor de Staat aandelen ontvangen heeft krachtens artikel 164, § 1 van de programmawet van 30 december 1988.) <KB 1992-09-30/31, art. 10, 010; Inwerkingtreding : 14-10-1992>

  Afdeling 2. - Verhoging van de leningscapaciteit van de N.M.B.S.

  Art. 165. De Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen wordt ertoe gemachtigd in België of in het buitenland, in Belgische of in vreemde munt, één of meer leningen uit te schrijven voor een totaal bedrag van 5.000.000.000 F en die leningen ten vroegste één jaar vóór de vervaldag van de terugbetaling te vernieuwen.
  De Koning kan de staatswaarborg verlenen voor de betaling van de interesten en de terugbetaling van het kapitaal van die leningen.
  Het tijdstip en de modaliteiten van de leningen worden door de Koning vastgesteld, op voordracht van de Minister van Verkeerswezen en van de Minister van Financiën, na de Maatschappij te hebben gehoord.

  Afdeling 3. - Alternatieve financiële verrichtingen.

  Art. 166. § 1. De Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen wordt ertoe gemachtigd in de vorm van leasing of door andere financieringstechnieken, financiële verrichtingen met betrekking tot rollend materieel aan te gaan of aan zulke verrichtingen deel te nemen.
  De Koning kan de staatswaarborg verlenen aan de betaling van de interesten, de huren en de terugbetalingen van het kapitaal met inbegrip van de bijkomende kosten.
  (De Koning kan de waarborg bedoeld in het tweede lid kosteloos verlenen voor de verrichtingen vanaf het dienstjaar 1990.) <W 1990-12-28/32, art. 64, 004; Inwerkingtreding : 08-01-1991>
  § 2. Voor het nieuw rollend materieel geleverd in 1988, wordt de Maatschappij gemachtigd deel te nemen aan een " sale and lease back " verrichting voor een maximum bedrag van 1.350 miljoen F.
  (§ 2bis. Voor het nieuw rollend materieel geleverd in 1989, wordt de Maatschappij gemachtigd deel te nemen aan een verrichting waarvan sprake in § 1 voor een bedrag van 1 miljard.) <W 1989-07-06/30, art. 65, 002; Inwerkingtreding : 18-07-1989>
  § 3. De aankopen van rollend materieel die deel uitmaken van het programma van selectieve relance van de openbare investeringen, voor een maximum bedrag van 3,5 miljard F, kunnen gefinancierd worden volgens één van de mechanismen bedoeld onder § 1.
  § 4. Voor de verrichtingen bedoeld onder §§ 2, (2bis) en 3, worden de lasten van interesten, huur en terugbetaling van kapitaal, waaronder ook de bijkomende onkosten, aan de Maatschappij door de Staat terugbetaald; hun bedragen worden ingeschreven op de begroting van het Ministerie van Verkeerswezen. De staatswaarborg wordt toegekend zonder kosten voor de Maatschappij. <W 1989-07-06/30, art. 65, 002; Inwerkingtreding : 18-07-1989>

  Afdeling 4. - Recht van vervreemding.

  Art. 167. <wijzigingsbepaling van art. 4 van W 23-07-1926/30>

  HOOFDSTUK II. - Overname van het tijdelijk personeel van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen door [1 bpost]1. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  ----------
  (1)<W 2010-12-13/07, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 17-01-2011>

  Art. 168.[1 bpost]1 wordt gemachtigd binnen de door de begroting gestelde grenzen inzake personeelsbezetting en in afwijking van artikel 13, § 1 van het koninklijk besluit nr 437 van 5 augustus 1986 houdende saneringsmaatregelen die toepasselijk zijn op [1 bpost]1, gedurende een periode van 12 maanden, tijdelijke personeelsleden van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen over te nemen om volledige taken te vervullen in overeenstemming met een graad van niveau 2, 3 of 4. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  Die tijdelijke personeelsleden worden door [1 bpost]1 volgens het stelsel van de arbeidsovereenkomst overgenomen met toekenning van een graad die geacht wordt gelijkwaardig te zijn aan die welke zij bij de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen bezaten. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  De overgenomen personeelsleden genieten in hun nieuwe betrekking bij [1 bpost]1 een wedde die nooit lager is dan hun laatste wedde bij de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  ----------
  (1)<W 2010-12-13/07, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 17-01-2011>

  HOOFDSTUK III. - Kwijtschelden van 1.500 miljoen F aan de Regie voor maritiem transport.

  Art. 169. <wijzigingsbepaling van artikel 22.02 van de begroting van het Ministerie van Verkeerswezen voor het begrotingsjaar 1986>

  TITEL VI. - FISCALE BEPALINGEN.

  HOOFDSTUK I. - Inkomstenbelastingen.

  Afdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

  Onderafdeling 1. - Personenbelasting.

  Art. 170. <wijzigingsbepaling van artikel 67, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen>

  Art. 171. <wijzigingsbepaling van artikel 71, § 1, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen>

  Art. 172. <wijzigingsbepaling van artikel 83 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen>

  Art. 173. <wijzigingsbepaling van artikel 92bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen>

  Onderafdeling 2. - Vennootschapsbelasting.

  Art. 174. <wijzigingsbepaling van artikel 124, § 1, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen>

  Onderafdeling 3. - Onroerende voorheffing.

  Art. 175. <wijzigingsbepaling van artikel 162, § 6, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen>

  Afdeling 2. - Bijzondere bepalingen.

  Onderafdeling 1. - Tewerkstellingszones.

  Art. 176. <wijzigingsbepaling van artikel 4 van het koninklijk besluit nr 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones>

  Art. 177. <wijzigingsbepaling van art. 5 van het KB118 23-12-1982/07>

  Art. 178. <wijzigingsbepaling van art. 7, § 1 van het KB118 23-12-1982/07>

  Onderafdeling 2. - Bijzondere heffing op roerende inkomsten.

  Art. 179. <wijzigingsbepaling van artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen>

  Onderafdeling 3. - Innovatievennootschappen.

  Art. 180. <wijzigingsbepaling van artikel 68, 4°, van de herstelwet van 31 juli 1984>

  Art. 181. <wijzigingsbepaling van art. 69, § 1 van W 31-07-1984/30>

  Art. 182. <wijzigingsbepaling van art. 72, § 1 van W 31-07-1984/30>

  Art. 183. <wijzigingsbepaling van art. 75, § 2 van W 31-07-1984/30>

  Onderafdeling 4. - Vennoten in optievennootschappen.

  Art. 184. <wijzigingsbepaling van art. 51, § 1 van W 04-08-1986>

  Onderafdeling 5. - Bijkomend personeel.

  Art. 185. § 1. Winst van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven die op 31 december 1988 of op het einde van het jaar waarin het bedrijf is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan vijftig werknemers, in de zin van artikel 20, 2°, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, tewerkstellen, en baten, onder welke naam ook, van vrije beroepen, ambten of posten, en van elke winstgevende bezigheid die niet bedoeld is in artikel 20, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek, worden van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belastingen der niet-verblijfhouders vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan 150.000 F per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid.
  § 2. De vrijstelling is van toepassing op de winst en op de baten van het belastbaar tijdperk dat samenvalt met het jaar 1989 of, wanneer de belastingplichtigen anders dan per kalenderjaar boekhouden, met het eerste boekjaar dat na 31 december 1989 wordt afgesloten.
  § 3. Het bijkomende personeel wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens het jaar 1989 te vergelijken met dat van het jaar 1988.
  Er wordt evenwel geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van een overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1989 waren aangeworven ofwel door een onderneming waarmede de belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt ofwel door een belastingplichtige waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet ingevolge een gebeurtenis die niet bedoeld is in § 6.
  § 4. Indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het jaar 1990 is verminderd ten opzichte van het jaar 1989, wordt het totaal bedrag van de voordien krachtens paragraaf 1 vrijgestelde winsten of baten echter verminderd met 150.000 F per afgevloeid personeelslid; de voordien vrijgestelde winst of baten worden in dat geval als winst of baten van het volgende belastbare tijdperk beschouwd.
  Het eerste lid vindt geen toepassing indien en in de mate dat de betrokkene aantoont dat de aanvullende tewerkstelling het erop volgende jaar behouden is gebleven bij de werkgever die zijn personeel heeft overgenomen in omstandigheden bedoeld in § 3, tweede lid.
  § 5. Dit artikel is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige voor dezelfde bijkomende personeelseenheden de toepassing vraagt van artikel 23, § 2, van hetzelfde Wetboek, of van artikel 47 van de herstelwet van 31 juli 1984.
  § 6. Ten aanzien van belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 40 en 124 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden.

  Onderafdeling 6. - Fictieve onroerende voorheffing.

  Art. 186. <wijzigingsbepaling van artikel 189 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen>

  Afdeling 3. - Overgangsbepalingen.

  Art. 187. In afwijking van de artikelen 89 en 129 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt geen vermeerdering toegepast op de bedragen die de instellingen van openbaar nut te laatste binnen de maand na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en onder de voorwaarden en volgens de regelen bepaald ter uitvoering van artikel 90 van hetzelfde Wetboek, op de voor het aanslagjaar 1989 verschuldigde vennootschapsbelasting hebben gestort, ten belope van een bedrag dat gelijk is aan de fictieve onroerende voorheffing waarvan de toekenning is geschrapt bij artikel 186 van deze wet.

  Art. 188. Onverminderd het bepaalde van artikel 277 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, moeten de aanvragen tot de verminderingen waarop de bepaling, waarbij artikel 162, § 6, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen ingetrokken wordt, recht geeft, binnen de zes maanden na de bekendmaking van deze wet, worden gericht aan de directeur der belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslagen zijn gevestigd. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ambtshalve ontlasting van de desbetreffende verminderingen.

  Afdeling 4. - Inwerkingtreding.

  Art. 189. Deze titel is van toepassing :
  1° met betrekking tot de artikelen 174, 176 tot 178 en 186, met ingang van het aanslagjaar 1989;
  2° met betrekking tot artikel 181, op de winsten behaald door innovatievennootschappen, die zijn opgericht gedurende de jaren 1984 tot en met 1993;
  3° met betrekking tot artikel 172, met ingang van het aanslagjaar 1990.

  HOOFDSTUK II. - Goedkeuring van het Besluit van 24 juni 1988 van de Ministerraad van de Europese Gemeenschappen betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen alsmede van het Intergouvernementeel Akkoord gesloten door de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lidstaten in het kader van de Raad bijeen.

  Art. 190. Het Besluit van 24 juni 1988 van de Ministerraad van de Europese Gemeenschappen betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen alsmede het Intergouvernementeel Akkoord gesloten door de Vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten in het kader van de Raad bijeen zullen volkomen uitwerking hebben.

  HOOFDSTUK III. - Bepalingen inzake indirecte belastingen.

  Afdeling 1. - Douane en accijnzen.

  Art. 191. § 1. Inzake accijnzen, waaronder mede begrepen zijn de bijzondere accijnzen en verbruikstaks, worden de tarieven die voorlopig zijn vastgesteld bij de hier volgende koninklijke besluiten, definitief voor de periode gedurende welke die accijnzen van kracht zijn geweest :
  1° de koninklijke besluiten van 26 september 1974, 29 oktober 1974, 15 december 1975, 16 mei 1980 en 4 juli 1980 die betrekking hebben op de accijnzen van ethylalcohol;
  2° de koninklijke besluiten van 27 november 1973, 24 januari 1974 en 28 november 1974 die betrekking hebben op de accijnzen van bier;
  3° de koninklijke besluiten van 28 juni 1973, 29 maart 1974, 1 oktober 1974, 10 februari 1976, 30 maart 1976, 5 mei 1976, 10 september 1976, 20 december 1976, 15 april 1977, 10 oktober 1977, 21 december 1977, 19 juli 1978, 29 juli 1980, 15 juni 1981, 12 maart 1982, 21 september 1982, 30 december 1982, 21 juni 1983 en 15 februari 1984 die betrekking hebben op de accijnzen van gefabriceerde tabak;
  4° de koninklijke besluiten van 7 maart 1974, 13 mei 1974, 30 mei 1974, 10 juli 1974, 26 september 1974, 21 november 1974, 25 maart 1977, 21 december 1977, 28 september 1979, 27 november 1979, 27 juni 1980, 23 september 1980, 18 juni 1981, 14 december 1981, 18 maart 1982 en 25 maart 1983 die betrekking hebben op de accijnzen van minerale olie;
  5° de koninklijke besluiten van 25 maart 1977, 21 december 1977, 28 september 1979, 27 november 1979, 27 juni 1980, 23 september 1980, 18 juni 1981, 14 december 1981, 18 maart 1982 en 25 maart 1983 die betrekking hebben op de accijnzen van benzol;
  6° het koninklijk besluit van 24 juni 1981 tot wijziging van het accijnsstelsel van vloeibaar gas.
  § 2. De accijnzen van vloeibaar aardgas en van andere vloeibare koolwaterstofgassen die voorlopig niet werden geheven ingevolge het koninklijk besluit van 23 september 1980, zijn definitief als niet verschuldigd aan te merken voor de periode waarin die accijnzen niet geheven werden.

  Art. 192. § 1. Inzake accijnzen, waaronder mede begrepen zijn de aanvullende accijnzen en bijzondere accijnzen, worden de tarieven die voorlopig zijn vastgesteld bij de hiernavolgende koninklijke besluiten, definitief vanaf de inwerkingtreding van die besluiten :
  1° het koninklijk besluit van 2 augustus 1978 tot wijziging van het accijnsstelsel voor suiker vervaardigd in den lande;
  2° het koninklijk besluit van 24 juni 1981 betreffende de bijzondere accijns van ethylalcohol;
  3° het koninklijk besluit van 24 juni 1981 tot wijziging van het accijnsstelsel van bier;
  4° het koninklijk besluit van 24 juni 1981 tot wijziging van het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken;
  5° het koninklijk besluit van 8 juni 1983 tot wijziging van het accijnsstelsel van minerale olie, alsmede van het accijnsstelsel van benzol en van soortgelijke produkten;
  6° het koninklijk besluit van 29 december 1983 tot wijziging van het accijnsstelsel van gegiste vruchtendranken en van mousserende gegiste dranken;
  7° het koninklijk besluit van 18 december 1984 tot wijziging van het accijnsstelsel van tabak.
  § 2. De vrijstelling van accijns op ethylalcohol die voorlopig is verleend bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 november 1980 tot invoering van een speciale taks op luxe-produkten, wordt definitief vanaf de inwerkingtreding van dat besluit.
  § 3. De accijnzen van vloeibaar aardgas en van andere vloeibare koolwaterstofgassen die voorlopig niet werden geheven ingevolge het koninklijk besluit van 21 juni 1983, zijn definitief als niet verschuldigd aan te merken vanaf de inwerkingtreding van dat besluit.

  Art. 193. In artikel 311 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 1, eerste lid, wordt het getal "12" vervangen door het getal "9,60";
  2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "§ 2. De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, dit tarief aanpassen".

  Afdeling 2. - Belasting over de toegevoegde waarde.

  Art. 194. Met gevolg vanaf de dag van hun inwerkingtreding zijn bekrachtigd :
  1° het koninklijk besluit van 23 december 1983 tot wijziging van het koninklijk besluit nr 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
  2° het koninklijk besluit van 29 december 1983 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs 4 en 20 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en van de Algemene Verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen, met uitzondering van de artikelen 1, 7 en 8;
  3° het koninklijk besluit van 16 september 1985 tot wijziging van het koninklijk besluit nr 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
  4° het koninklijk besluit van 23 april 1986 tot wijziging van het koninklijk besluit nr 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
  5° het koninklijk besluit van 18 juli 1986 tot wijziging van het koninklijk besluit nr 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.

  Afdeling 3. - Successierechten.

  Art. 195. <wijzigingsbepaling van artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten>

  TITEL VII. - OPENBAAR AMBT.

  Art. 196. <wijzigingsbepaling van hoofdstuk I van KB56 16-07-1982>

  Art. 197. <wijzigingsbepaling van hoofdstuk II van KB56 16-07-1982>

  Art. 198. <wijzigingsbepaling van artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel>

  Art. 199. Artikel 198 treedt in werking op 1 januari 1989.

  TITEL VIII. - DIVERSE MAATREGELEN.

  HOOFDSTUK I. - Economische Zaken.

  Afdeling 1. - Verlenging van de wet van 9 juli 1975 op de prijzen van de farmaceutische specialiteiten en andere medicamenten.

  Art. 200. Het opschrift van de wet van 9 juli 1975 tot opheffing van artikel 62 van de wet van 14 februari 1961 voor de economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel en tot instelling van een regime betreffende de prijzen van de farmaceutische produkten en andere medicamenten, luidt voortaan :
  " Wet betreffende de prijzen van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering terugbetaalbare farmaceutische produkten en andere geneesmiddelen ".

  Art. 201. <wijzigingsbepalingen van artikelen 1, 2, 2bis en 6 van W 09-07-1975/01>

  Art. 202. <wijzigingsbepaling van artikel 1, b, van het koninklijk besluit van 11 december 1975 tot vaststelling van de criteria voor de vaststelling van de prijzen van de farmaceutische specialiteiten>

  Art. 203. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op 1 januari 1989.

  Afdeling 2. - Raad van Beheer van de Nationale Delcrederedienst.

  Art. 204. <wijzigingsbepaling van artikel 12 van de wet van 31 augustus 1939 op de Nationale Delcrederedienst>

  Afdeling 3. - Bevestiging van de Commissie tot regeling der prijzen.

  Art. 205. <wijzigingsbepaling van artikel 2, § 4, van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen>

  Art. 206.
  <Opgeheven bij W 2010-04-28/01, art. 45, 032; Inwerkingtreding : 20-05-2010>

  Afdeling 4. - Nationale Investeringsmaatschappij.

  Art. 207. <wijzigingsbepalingen van de wet van 2 april 1962 tot oprichting van de Nationale Investeringsmaatschappij>

  HOOFDSTUK II. - (Opgeheven) <KB 1992-08-19/43, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 04-09-1992>

  Art. 208. (Opgeheven) <KB 1992-08-19/43, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 04-09-1992>

  HOOFDSTUK III. - [1 bpost]1. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  ----------
  (1)<W 2010-12-13/07, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 17-01-2011>

  Art. 209. <wijzigingsbepaling van artikelen 2 en 8 van KB521 van 31-03-1987>

  Art. 210.Opgeheven worden :
  1° Artikel 12 van het koninklijk besluit nr 437 van 5 augustus 1986 houdende saneringsmaatregelen die toepasselijk zijn op [1 bpost]1. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  2° Artikel 7 van het koninklijk besluit nr 521 van 31 maart 1987 tot het bepalen bij [1 bpost]1 van de voorwaarden van toekenning van een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheid voorafgaand aan het rustpensioen. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen die aangenomen zijn op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit nr 521, in dienst tot bij de pensionering van het personeelslid dat zij vervangen.
  Indien zij hun betrekking bij [1 bpost]1 vóór die datum verlaten, wordt in hun vervanging voorzien overeenkomstig het koninklijk besluit nr 56 van 16 juli 1982 betreffende de werving in sommige overheidsdiensten, zoals het door deze wet wordt gewijzigd. <W 1991-03-21/30, art. 130, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  ----------
  (1)<W 2010-12-13/07, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 17-01-2011>

  HOOFDSTUK IV. - Beursvennootschappen.

  Art. 211. <wijzigingsbepaling van artikel 71 van Titel V van Boek I van het Wetboek van Koophandel>

  Art. 212. <wijzigingsbepaling van artikel 73 van Titel V van Boek I van het Wetboek van Koophandel>

  Art. 213. <wijzigingsbepaling van artikel 114 van Titel V van Boek I van het Wetboek van Koophandel>

  HOOFDSTUK V. - Koninklijke Muntschouwburg.

  Art. 214. <Wijzigingsbepaling van KB 545 31-03-1987>

  Art. N. Bijlage bij artikel 190. BESLUIT VAN DE RAAD van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (88/376/EEG, Euratom). <Wegens praktische redenen werd die bijlage in fiktieve artikelen onderverdeeld : 0N - 11N>

  Art. 0N. De Raad van de Europese Gemeenschappen,
  Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 199 en 201,
  Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, inzonderheid op de artikelen 171, lid 1, en 173,
  Gezien het voorstel van de Commissie,
  Gezien het advies van het Europese Parlement,
  Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comite,
  Overwegende dat bij Besluit 85/257/EEG, Euratom van de Raad van 7 mei 1985 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, laatstelijk gewijzigd bij de Europese Akte, het op de uniforme grondslag van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) toe te passen maximumpercentage, dat bij besluit van de Raad van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen, hierna te noemen " besluit van 21 april 1970 ", op 1 was vastgesteld, voor elke Lid-Staat tot 1,4 werd verhoogd;
  Overwegende dat het maximumpercentage van 1,4 ontoereikend is gebleken om de geraamde uitgaven van de Gemeenschap te dekken;
  Overwegende dat de Europese Akte nieuwe perspectieven voor de Gemeenschap heeft geopend; dat artikel 8A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap voorziet in de voltooiing van de interne markt op 31 december 1992;
  Overwegende dat de Gemeenschap over stabiele, gegarandeerde ontvangsten moet beschikken om de huidige situatie te kunnen saneren en het gemeenschappelijk beleid ten uitvoer te kunnen leggen; dat deze middelen gebaseerd moeten zijn op de daartoe nodig geachte uitgaven die zijn vastgesteld in de financiële vooruitzichten van het interinstitutioneel akkoord tussen het Europese Parlement, de Raad en de Commissie, dat op 1 juli 1988 van kracht wordt;
  Overwegende de conclusies van de Europese Raad van 11, 12 en 13 februari 1988 te Brussel;
  Overwegende dat de Gemeenschap luidens deze conclusies tussen nu en 1992 kan beschikken over een maximumbedrag aan eigen middelen ten belope van 1,2 % van het totaal van de bruto nationale produkten van de Lid-Staten tegen marktprijzen, hierna te noemen " BNP ";
  Overwegende dat, om de hand te houden aan dit maximum, het totale bedrag van de aan de Gemeenschap ter beschikking gestelde eigen middelen voor elk jaar van de periode 1988-1992 niet meer mag belopen dan een bepaald percentage van de som van de BNP's van de Gemeenschap voor dat jaar; dat dit percentage in overeenstemming dient te zijn met de richtsnoeren die voor de stijging van de communautaire uitgaven zijn overeengekomen in de conclusies van de Europese Raad betreffende de begrotingsdiscipline en het beheer van de begroting, met een veiligheidsmarge van 0,03 % van het BNP van de Gemeenschap om het hoofd te bieden aan onvoorziene uitgaven;
  Overwegende dat voor de vastleggingskredieten een algemeen maximum van 1,30 % van de BNP's van de Lid-Staten is vastgesteld en dat ervoor moet worden gezorgd dat de ontwikkeling van de kredieten voor vastleggingen en de kredieten voor betalingen geordend verloopt;
  Overwegende dat deze maxima van toepassing moeten blijven totdat dit besluit wordt gewijzigd;
  Overwegende dat, ten einde de middelenafdrachten van de Lid-Staten beter met hun bijdragevermogen te doen overeenstemmen, de samenstelling van de eigen middelen van de Gemeenschappen dient te worden gewijzigd en uitgebreid; dat daartoe :
  - het op de uniforme grondslag van de belasting over de toegevoegde waarde, van iedere Lid-Staat toe te passen maximumpercentage dient te worden vastgesteld op 1,4 % waarbij de grondslag eventueel wordt afgetopt op 55 % van het BNP,
  - een aanvullende middelenbron op basis van de som van de BNP's van de Lid-Staten moet worden ingevoerd om het begrotingsevenwicht tussen ontvangsten en uitgaven te verzekeren; daartoe zal de Raad een richtlijn vaststellen betreffende de harmonisatie van de opstelling van het bruto nationaal produkt tegen marktprijzen;
  Overwegende dat de douanerechten op de produkten die onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallen, ook tot de eigen middelen van de Gemeenschappen moeten worden gerekend;
  Overwegende dat de conclusies van de Europese Raad van 25 en 26 juni 1984 betreffende het corrigeren van de begrotingsonevenwichtigheden tijdens de geldigheidsduur van onderhavig besluit van toepassing blijven; dat het huidige compensatiemechanisme evenwel moet worden aangepast om rekening te houden met de aftopping van de BTW-grondslag en de invoering van een aanvullende middelenbron en dat in dat compensatiemechanisme moet worden bepaald dat de correctie moet worden gefinancierd op basis van een BNP-sleutel; dat via deze aanpassing moet worden verzekerd dat het BTW-aandeel van het Verenigd Koninkrijk wordt vervangen door het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de betalingen uit hoofde van de derde en vierde middelenbron (respectievelijk afkomstig van de BTW en het BNP) en dat het, voor een bepaald jaar, door deze verandering niet gecompenseerde effect voor het Verenigd Koninkrijk van de aftopping van de BTW-grondslag en van invoering van de vierde middelenbron door een aanpassing van de compensatie voor het betrokken jaar zal worden gecorrigeerd; dat de bijdragen van Spanje en Portugal dienen te worden verlaagd overeenkomstig de artikelen 187 en 374 van de Akte van Toetreding van 1985;
  Overwegende dat er bij de correctie van de begrotingsonevenwichtigheden voor moet worden gezorgd dat de voor het beleid van de Gemeenschap beschikbare eigen middelen onverlet blijven;
  Overwegende dat krachtens de conclusies van de Europese Raad van 11, 12 en 13 februari 1988 in de communautaire begroting een monetaire reserve is opgenomen, hierna te noemen " monetaire reserve EOGFL ", ter compensatie van de gevolgen van aanzienlijke en onverwachte schommelingen in de dollar/Ecu-pariteit voor de uitgaven van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie; dat voor deze reserve specifieke bepalingen moeten worden vastgesteld;
  Overwegende dat voorzien dient te worden in bepalingen die de overgang mogelijk maken van het bij Besluit 85/257/EEG, Euratom ingevoerde stelsel naar het uit dit besluit voortvloeiende stelsel;
  Overwegende dat de Europese Raad van 11, 12 en 13 februari 1988 heeft bepaald dat dit besluit op 1 januari 1988 in werking treedt,
  HEEFT DE VOLGENDE BEPALINGEN VASTGESTELD WAARVAN HIJ DE AANNEMING DOOR DE LID-STATEN AANBEVEELT :

  Art. 1N. Aan de Gemeenschappen worden ter financiering van hun begroting eigen middelen toegekend overeenkomstig de in de volgende artikelen vastgestelde regels.
  De begroting van de Gemeenschappen wordt, onverminderd de andere ontvangsten, geheel gefinancierd uit eigen middelen van de Gemeenschappen.

  Art. 2N. 1. De ontvangsten uit :
  a) de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige door de Instellingen van de Gemeenschappen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-Lid-Staten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld;
  b) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de Instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-Lid-Staten, alsmede de douanerechten op de onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende produkten;
  c) de toepassing van een voor alle Lid-Staten geldend uniform percentage op de BTW-grondslag die op uniforme wijze voor de Lid-Staten is vastgesteld volgens communautaire voorschriften, met dien verstande dat de voor de doeleinden van dit besluit in aanmerking te nemen grondslag van een Lid-Staat niet meer dan 55 % van zijn BNP mag bedragen;
  d) de toepassing van een, met inachtneming van alle andere ontvangsten, in het kader van de begrotingsprocedure vast te stellen percentage op de som van de BNP's van alle Lid-Staten die worden vastgesteld volgens communautaire voorschriften welke zullen worden neergelegd in een op basis van artikel 8, lid 2, van dit besluit aan te nemen richtlijn, vormen eigen middelen die op de begroting van de Gemeenschappen worden opgevoerd.
  2. Bovendien vormen de ontvangsten uit andere belastingen die in het kader van een gemeenschappelijk beleid overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap of het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden ingesteld, eigen middelen die op de begroting van de Gemeenschappen worden opgevoerd, voor zover de procedure van artikel 201 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of van artikel 173 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie is voltooid.
  3. De Lid-Staten houden 10 % van de overeenkomstig lid 1, onder a) en b), over te maken bedragen in als inningskosten.
  4. Het in lid 1, onder c), bedoelde uniforme percentage wordt berekend :
  a) door toepassing van 1,4 % op de BTW-grondslag voor alle Lid-Staten,
  b) verminderd met het brutobedrag van de in artikel 4, lid 2, bedoelde referentiecompensatie. Dit brutobedrag is het compensatiebedrag dat wordt aangepast omdat het Verenigd Koninkrijk niet zal bijdragen in de financiering van zijn eigen compensatie en het aandeel van de Bondsrepubliek Duitsland met een derde wordt verminderd. Het wordt berekend alsof het bedrag van de referentiecompensatie werd gefinancierd door de Lid-Staten op basis van hun overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder c), vastgestelde BTW-grondslagen. Voor 1988 wordt het brutobedrag van de referentiecompensatie met 780 miljoen Ecu verminderd.
  5. Het overeenkomstig lid 1, onder d), vastgestelde percentage is van toepassing op het BNP van elke Lid-Staat.
  6. Indien de begroting bij het begin van het begrotingsjaar niet is vastgesteld, blijven het voordien vastgestelde uniforme BTW-percentage en het op de BNP's van de Lid-Staten toe te passen percentage, onverminderd de bepalingen die overeenkomstig artikel 8, lid 2, kunnen worden vastgesteld in verband met de opneming van een monetaire reserve EOGFL in de begroting, van toepassing tot de inwerkingtreding van de nieuwe percentages.
  7. Indien op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar de voorschriften inzake de berekening van de uniforme grondslag voor de bepaling van de BTW nog niet in alle Lid-Staten worden toegepast, wordt in afwijking van lid 1, onder c), de in plaats van de BTW te storten financiële bijdrage aan de begroting van de Gemeenschappen van een Lid-Staat die deze uniforme grondslag nog niet toepast, bepaald op grond van het aandeel van zijn BNP tegen marktprijzen in de eerste drie jaren van de periode van vijf jaren die aan het betrokken jaar voorafgaat, in het totaal van de BNP's tegen marktprijzen van de Lid-Staten. Deze afwijking treedt buiten werking, zodra de voorschriften inzake de berekening van de uniforme grondslag voor de bepaling van de BTW in alle Lid-Staten worden toegepast.
  8. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder BNP het bruto nationaal produkt van het jaar tegen marktprijzen verstaan.

  Art. 3N. 1. Het totale bedrag van de aan de Gemeenschappen toegewezen eigen middelen mag voor de betalingskredieten niet meer belopen dan 1,20 % van het totale BNP van de Gemeenschap.
  Het totale bedrag van de aan de Gemeenschappen toegewezen eigen middelen mag voor elk jaar van de periode 1988-1992 niet meer belopen dan de volgende percentages van het totale BNP van de Gemeenschap voor dat jaar :
  - 1988 : 1,15
  - 1989 : 1,17
  - 1990 : 1,18
  - 1991 : 1,19
  - 1992 : 1,20.
  2. De in de periode 1988-1992 in de algemene begroting van de Gemeenschappen opgevoerde kredieten voor vastleggingen moeten een geordende ontwikkeling te zien geven tot een bedrag wordt bereikt van ten hoogste 1,30 % van het totale BNP van de Gemeenschap in 1992. Er wordt een strikte verhouding tussen vastleggingskredieten en betalingskredieten in acht genomen, om ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn en om het mogelijk te maken de hand te houden aan het in lid 1 vermelde maximum voor de volgende jaren.
  3. De in de leden 1 en 2 bedoelde algemene maxima blijven van toepassing totdat dit besluit wordt gewijzigd.

  Art. 4N. Aan het Verenigd Koninkrijk wordt een correctie voor begrotingsonevenwichtigheden toegestaan. Deze correctie bestaat uit een basisbedrag en een aanpassing. Met de aanpassing wordt het basisbedrag in overeenstemming gebracht met een referentiecompensatie.
  1. Het basisbedrag wordt bepaald :
  a) door het verschil in het voorafgaande begrotingsjaar te berekenen tussen :
  - het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de som van de bedragen die tijdens dat begrotingsjaar overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder c) en d), zouden zijn overgemaakt, met inbegrip van de aanpassingen van het uniforme percentage uit hoofde van voorafgaande begrotingsjaren, en
  - het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het totaal van de toegerekende uitgaven;
  b) door het aldus verkregen verschil toe te passen op het totaal van de toegerekende uitgaven;
  c) door het resultaat te vermenigvuldigen met 0,66.
  2. De referentiecompensatie is de uit de toepassing van de onderstaande punten a), b), c) voortvloeiende correctie, aangepast overeenkomstig het effect dat de overgang naar de afgetopte BTW en de in artikel 2, lid 1, onder d), bedoelde overmakingen voor het Verenigd Koninkrijk met zich brengt.
  Zij wordt bepaald :
  a) door het verschil in het voorafgaande begrotingsjaar te berekenen tussen :
  - het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de totale BTW-afdrachten die, met inbegrip van de aanpassingen uit hoofde van voorafgaande begrotingsjaren, tijdens dat begrotingsjaar voor de bedragen gefinancierd uit de middelen bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c) en d), zouden zijn overgemaakt, indien het uniforme BTW-percentage was toegepast op de niet afgetopte grondslagen, en
  - het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het totaal van de toegerekende uitgaven;
  b) door het aldus verkregen verschil toe te passen op het totaal van de toegerekende uitgaven;
  c) door het resultaat te vermenigvuldigen met 0,66;
  d) door de overmakingen van het Verenigd Koninkrijk op grond van punt 1, onder a), eerste streepje, af te trekken van de overmakingen op grond van punt 2, onder a), eerste streepje;
  e) door het onder c) verkregen bedrag het onder d) verkregen bedrag af te trekken.
  3. Het basisbedrag wordt zodanig aangepast dat het overeenstemt met de referentiecompensatie.

  Art. 5N. 1. De financiële last van de correctie wordt als volgt door de overige Lid-Staten gedragen :
  De verdeling van de last wordt eerst berekend volgens het aandeel van iedere Lid-Staat in de in artikel 2, lid 1, onder d), bedoelde overmakingen, waarbij het Verenigd Koninkrijk buiten beschouwing wordt gelaten; vervolgens wordt de verdeling zodanig aangepast dat de deelneming van de Bondsrepubliek Duitsland wordt beperkt tot twee derde van haar aldus berekende aandeel.
  2. De correctie wordt aan het Verenigd Koninkrijk toegekend in de vorm van een vermindering van zijn afdrachten ingevolge de toepassing van artikel 2, lid 1, onder c). De door de overige Lid-Staten gedragen financiële last wordt toegevoegd aan hun afdrachten ingevolge de toepassing voor elke Lid-Staat van artikel 2, lid 1, onder c), tot 1,4 % van de BTW-grondslag en artikel 2, lid 1, onder d).
  3. De Commissie voert de voor de toepassing van artikel 4 en dit artikel vereiste berekeningen uit.
  4. Indien de begroting bij het begin van het begrotingsjaar niet is vastgesteld, blijven de correctie ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk en de door de overige Lid-Staten gedragen financiële lasten van toepassing zoals zij in de laatste, definitief vastgestelde begroting waren opgenomen.

  Art. 6N. De in artikel 2 bedoelde ontvangsten dienen zonder onderscheid te worden gebruikt voor de financiering van alle uitgaven die op de begroting van de Gemeenschappen zijn opgevoerd. De in de begroting van de Europese Gemeenschappen opgevoerde ontvangsten die noodzakelijk zijn voor de gehele of gedeeltelijke dekking van de monetaire EOGFL-reserve, worden evenwel pas bij de Lid-Staten afgeroepen op het tijdstip waarop de reserve wordt aangelegd. De bepalingen inzake de werking van deze reserve zullen, indien nodig, worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 2.
  Met de eerste alinea wordt niet vooruitgelopen op de behandeling van de bijdragen van sommige Lid-Staten voor de in artikel 130 L van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde aanvullende programma's.

  Art. 7N. Het eventuele overschot van de ontvangsten van de Gemeenschappen ten opzichte van de totale werkelijke uitgaven gedurende een begrotingsjaar wordt naar het volgende begrotingsjaar overgeboekt. Een overschot als gevolg van een overschrijving van EOGFL-Garantie-hoofdstukken naar de monetaire reserve zal evenwel als eigen middelen worden beschouwd.

  Art. 8N. 1. De in artikel 2, lid 1, onder a) en b), bedoelde eigen middelen van de Gemeenschappen worden door de Lid-Staten geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die in voorkomend geval aan de communautaire voorschriften worden aangepast. De Commissie onderzoekt regelmatig de nationale bepalingen, waarvan de Lid-Staten haar in kennis stellen, deelt aan de Lid-Staten aanpassingen mee die zij noodzakelijk acht om ze in overeenstemming te brengen met de communautaire voorschriften, en brengt verslag uit aan de begrotingsautoriteit. De Lid-Staten stellen de middelen overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), ter beschikking van de Commissie.
  2. Onverminderd het in artikel 206bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap bedoelde onderzoek van de rekeningen en van de wettigheid en de regelmatigheid, waarbij met name de betrouwbaarheid en doelmatigheid van de nationale stelsels en methoden voor de vaststelling van de grondslag voor de eigen middelen uit de BTW en het BNP worden onderzocht, en onverminderd de krachtens artikel 209, onder c) van dat Verdrag georganiseerde controles, stelt de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europese Parlement, de bepalingen vast die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit besluit, alsmede de bepalingen betreffende het toezicht op de inning van de in de artikelen 2 en 5 bedoelde ontvangsten, de wijze waarop deze ter beschikking van de Commissie worden gesteld en de storting ervan.

  Art. 9N. Het tot en met 1991 geldende mechanisme voor de degressieve restitutie van de eigen middelen uit de BTW of de op het BNP gebaseerde financiële bijdragen dat bij de artikelen 187 en 374 van de Toetredingsakte van 1985 ten gunste van deze landen werd ingesteld, is van toepassing op de eigen middelen uit de BTW en de op het BNP gebaseerde eigen middelen bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c) en d), van dit besluit. Het is ook van toepassing op de overmakingen van deze twee Lid-Staten ingevolge artikel 5, lid 2, van dit besluit. In het laatste geval geldt het restitutiepercentage dat van toepassing was in het jaar uit hoofde waarvan de correctie is toegekend.

  Art. 10N. De Commissie brengt voor het einde van 1991 verslag uit over de werking van de bij dit besluit ingevoerde regeling. Dit verslag omvat tevens een heronderzoek van de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende correctie voor de budgettaire onevenwichtigheden.

  Art. 11N. 1. Dit besluit wordt ter kennis gebracht van de Lid-Staten door de Secretaris-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
  De Lid-Staten stellen de Secretaris-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen onverwijld in kennis van de voltooiing van de volgens hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen voor de aanvaarding van dit besluit vereiste procedures.
  Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van ontvangst van de laatste van de in de tweede alinea bedoelde kennisgevingen. Het is van kracht met ingang van 1 januari 1988.
  2.
  a) Behoudens de bepalingen van de onderstaande punten b) en c), wordt Besluit 85/257/EEG, Euratom per 1 januari 1988 ingetrokken. Zo nodig worden verwijzingen naar het besluit van 21 april 1970 of Besluit 85/257/EEG, Euratom opgevat als verwijzingen naar het onderhavige besluit.
  b) Artikel 3 van Besluit 85/257/EEG, Euratom blijft van toepassing op de berekening en de aanpassingen van de ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van percentages op de op uniforme wijze zonder aftopping voor het begrotingsjaar 1987 en de voorafgaande begrotingsjaren vastgestelde BTW-grondslag. De vermindering ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van voorafgaande jaren wordt in 1988 berekend overeenkomstig artikel 3, lid 3, onder b), i), ii) en iii), van het voornoemde besluit. De verdeling van de financiering van deze vermindering wordt berekend overeenkomstig artikel 5, lid 1, van het onderhavige besluit. De bedragen die met de vermindering en de financiering ervan overeenstemmen, worden overeenkomstig artikel 5, lid 2, van dit besluit toegerekend. Wanneer artikel 2, lid 7, dient te worden toegepast, worden voor iedere betrokken Lid-Staat bij de in dit lid bedoelde berekeningen financiële bijdragen in de plaats gesteld van de BTW-afdrachten en de betaling van de aanpassingen van de correcties betreffende de voorafgaande begrotingsjaren.
  c) Artikel 4, lid 2, van Besluit 85/257/EEG, Euratom blijft van toepassing op de financiële bijdragen die de voltooiing van het Aanvullende Programma 1984-1987 " Exploitatie van de HFR " vergt.
Erratum Tekst Begin

originele versie
1989021015
PUBLICATIE :
1989-02-01
bladzijde : 1949

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 28-05-2018 GEPUBL. OP 10-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 93-101; 101quater)
  • originele versie
  • WET VAN 24-04-2014 GEPUBL. OP 23-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 99)
  • originele versie
  • WET VAN 13-12-2010 GEPUBL. OP 31-12-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 168; 210)
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 19-04-2010 GEPUBL. OP 28-05-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 93; 94)
  • originele versie
  • WET VAN 28-04-2010 GEPUBL. OP 10-05-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 206)
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 27-04-2009 GEPUBL. OP 15-06-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 93; 94)
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 25-06-2007 GEPUBL. OP 26-10-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 101QUATER)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 99)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 17-07-2003 GEPUBL. OP 29-07-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 101BIS; 101TER)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 20-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 94BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 99)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 25-04-2002 GEPUBL. OP 24-05-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 95; 96; 98)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-11-2001 GEPUBL. OP 29-01-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 126; 128)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-11-2001 GEPUBL. OP 29-01-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 118; 119)
  • originele versie
  • WET VAN 30-12-2001 GEPUBL. OP 31-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 118)
  • originele versie
  • WET VAN 02-01-2001 GEPUBL. OP 03-01-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 118; 127BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 12-08-2000 GEPUBL. OP 31-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 119)
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-1999 GEPUBL. OP 27-01-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 118)
  • originele versie
  • WET VAN 26-03-1999 GEPUBL. OP 01-04-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 128; 118)
  • originele versie
  • WET VAN 25-01-1999 GEPUBL. OP 06-02-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 126)
  • originele versie
  • WET VAN 13-02-1998 GEPUBL. OP 19-02-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 117; 118)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-08-1997 GEPUBL. OP 29-08-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • 1997022273; 1997-04-30
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-04-1997 GEPUBL. OP 30-04-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 93)
  • 1997012149; 1997-04-11
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-03-1997 GEPUBL. OP 11-04-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 163)
  • WET VAN 20-12-1995 GEPUBL. OP 23-12-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 164)
  • WET VAN 21-12-1994 GEPUBL. OP 23-12-1994
    (GEWIJZIGDE ART. : 114-115BIS; 116-127BIS)
    (GEWIJZIGD ART. : 128-131)
  • WET VAN 30-03-1994 GEPUBL. OP 31-03-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 127)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-12-1993 GEPUBL. OP 31-12-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 115BIS; 128)
  • WET VAN 22-07-1993 GEPUBL. OP 14-08-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 93; 94)
  • WET VAN 30-12-1992 GEPUBL. OP 09-01-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 114; 118; 119; 128)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-09-1992 GEPUBL. OP 14-10-1992
    (GEWIJZIGD ART. : 164)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-08-1992 GEPUBL. OP 04-09-1992
    (GEWIJZIGD ART. : 208)
  • WET VAN 26-06-1992 GEPUBL. OP 30-06-1992
    (GEWIJZIGD ART. : 159)
  • WET VAN 20-07-1991 GEPUBL. OP 01-08-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 95)
  • WET VAN 21-03-1991 GEPUBL. OP 27-03-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 168; 208; 210)
  • WET VAN 29-12-1990 GEPUBL. OP 09-01-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 99; 127BIS)
  • WET VAN 28-12-1990 GEPUBL. OP 29-12-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 166)
  • WET VAN 22-12-1989 GEPUBL. OP 30-12-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 208)
  • ARREST ARBITRAGEHOF VAN 13-10-1989 GEPUBL. OP 08-11-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 24)
  • ARREST ARBITRAGEHOF VAN 13-07-1989 GEPUBL. OP 21-07-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 24)
  • WET VAN 06-07-1989 GEPUBL. OP 08-07-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 94; 126; 147; 166)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 1988-1989. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Ontwerp van wet + advies van de Raad van State, nr. 609/1. - Bijlage, nr. 609/2. - Amendementen, nrs. 609/3 t.e.m. 15. - Verslag Commissie Bedrijfsleven, nr. 609/16. - Amendement, nr. 609/17. - Verslagen van de Commissies Buitenlandse Betrekkingen, nr. 609/18; Financiën, nr. 609/19; Handelsrecht, nr. 609/20; Landbouw en Middenstand, nr. 609/21; Infrastructuur, nr. 609/22; Tewerkstelling en sociaal beleid, nr. 609/23; Binnenlandse Zaken, nr. 609/24; Justitie, nr. 609/25; Volksgezondheid, nr. 609/26. - Aanvullend Verslag (Commissie Bedrijfsleven), nr. 609/27. - Tekst aangenomen door de Commissies, nr. 609/28. - Amendementen, nrs. 609/29 en 30. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 8 en 9 december 1988. - Aanneming. Vergadering van 9 december 1988. Senaat. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, nr. 527/1. - Verslagen van de Commissies : Justitie, nr. 527/2; Landbouw en Middenstand, nr. 527/3; Binnenlandse Aangelegenheden, nr. 527/4; Volksgezondheid en Leefmilieu, nr. 527/5; Sociale Aangelegenheden, nr. 527/6; Financiën, nr. 527/7; Buitenlandse Betrekkingen, nr. 527/8; Infrastructuur, nr. 527/9. - Amendementen, nr. 527/10. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 21, 22 en 23 december 1988. - Aanneming. Vergadering van 23 december 1988.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 216 uitvoeringbesluiten 35 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie