J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 262 uitvoeringbesluiten 75 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1985/01/22/1985021271/justel

Titel
22 JANUARI 1985. - Herstelwet houdende sociale bepalingen.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-08-1985 en tekstbijwerking tot 02-07-2019)

Bron : EERSTE MINISTER
Publicatie : 24-01-1985 nummer :   1985021271 bladzijde : 699
Dossiernummer : 1985-01-22/30
Inwerkingtreding : 01-01-1985
Opheffing : onbepaald (ART. 100 - ART. 101)    ***    01-01-2001 (ART. 104BIS - ART. §1,L3)    ***    onbepaald (ART. 146 - ART. 153)

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. MATIGING VAN HUURPRIJZEN.
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE HUUR VAN ONROERENDE GOEDEREN DIE DE HUURDER TOT HOOFDVERBLIJF DIENEN.
Art. 5-9
HOOFDSTUK III. - SOCIALE ZEKERHEID.
AFDELING 1. - Maatregelen betreffende het financieel evenwicht van de sociale zekerheid voor 1985.
Art. 10-15
AFDELING 2. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 278 van 30 maart 1984 houdende bepaalde maatregelen inzake loonmatiging met het oog op de bevordering van de tewerkstelling, de vermindering van de openbare lasten en het financieel evenwicht van de stelsels van sociale zekerheid.
Art. 16-17
AFDELING 3. - Maatregelen tot bestrijding van de koppelbazen.
Art. 18
AFDELING 4. - Maatregelen betreffende de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Art. 19-21
AFDELING 5. - Maatregelen betreffende de pensioenen.
Art. 22-25
HOOFDSTUK IV. - TEWERKSTELLING EN CONCURRENTIEVERMOGEN.
AFDELING 1. - Handhaving van het concurrentievermogen.
Art. 26
AFDELING 2. - Verlenging van de akkoorden 1983-1984.
Onderafdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds met het oog op de aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.
Art. 27-38
Onderafdeling 2. - Specifieke regeling voor het bouwbedrijf en de aanverwante sectoren.
Art. 39-42
Onderafdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 185 van 30 december 1982 houdende de organisatie, voor de kleine en middelgrote ondernemingen, van een specifiek stelsel voor de aanwending van de loonmatiging voor de tewerkstelling, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 236 van 31 december 1983.
Art. 43
Onderafdeling 4. - Verlenging van de maatregelen inzake loonmatiging.
Art. 44
Onderafdeling 5. - Verlenging van de maatregelen tot vermindering van de sociale-zekerheidsbijdragen
Art. 45
AFDELING 3. - Wettelijk kader voor de nieuwe onderhandelingen ter bevordering van de werkgelegenheid.
Art. 46-57
AFDELING 4. - Versoepeling van het arbeidsrecht.
Onderafdeling 1. - Wijzigingen in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Art. 58-64
Onderafdeling 2. - Wijzigingen in de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en de werkplaatsen.
Art. 65-66
Onderafdeling 3. - Wijzigingen in de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.
Art. 67-69
Onderafdeling 4. - Wijzigingen in het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces.
Art. 70-75
Onderafdeling 5. - Wijzigingen in de arbeidswet van 16 maart 1971.
Art. 76-83
Onderafdeling 6. - Wijzigingen in de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
Art. 84-85
Onderafdeling 7. - Wijzigingen in de wet van 8 april 1965 tot instelling van arbeidsreglementen.
Art. 86-88
Onderafdeling 8. - Wijzigingen in de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen.
Art. 89-91
Onderafdeling 9. - Wijzigingen in de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers.
Art. 92-94
Onderafdeling 10. - Wijzigingen in de wet van 12 mei 1975 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers.
Art. 95
Onderafdeling 11. - Wijzigingen in de hypotheekwet van 16 december 1851.
Art. 96
Onderafdeling 12. - Opheffing van de wet van 20 juli 1968 betreffende de toekenning van wachtgelden aan de werknemers die getroffen worden door sommige sluitingen van ondernemingen.
Art. 97-98
AFDELING 5. - Onderbreking van de beroepsloopbaan.
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied.
Art. 99
Art. 99 VLAAMS GEWEST
Art. 99bis
Onderafdeling 2. - Onderbreking van de beroepsloopbaan.
Art. 100, 100bis, 100ter, 101, 101bis
Onderafdeling 3. - Het verminderen van de arbeidsprestaties. <KB424 1986-08-01/31, art. 5, 007>
Art. 102, 102bis, 102ter, 103
Onderafdeling 3bis. <Ingevoegd bij W 2001-08-10/59, art. 16; Inwerkingtreding : 01-01-2002> - Toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en halvering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking.
Art. Art.103bis, 103ter, 103quater, 103quinquies
Onderafdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 104, 104bis, 105-106, 106bis
Art. 106ter VLAAMS GEWEST
Art. 107
Art. 107 VLAAMS GEWEST
Onderafdeling 5. - Recht op deeltijdse arbeid. <ingevoegd bij W 1995-12-22/38, art. 17, 023; Inwerkingtreding : 09-01-1996>
Art. 107bis
AFDELING 6. - Toekenning van betaald educatief verlof in het kader van de voortdurende vorming van de werknemers.
Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied.
Art. 107ter VLAAMS GEWEST
Art. 108
Art. 108 VLAAMS GEWEST
Art. 108 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 108 WAALS GEWEST
Art. 108 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 109
Art. 109 VLAAMS GEWEST
Art. 109 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 110
Art. 110 VLAAMS GEWEST
Art. 110 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 110 WAALS GEWEST
Art. 110 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 110bis WAALS GEWEST
Onderafdeling 2. - Betaald educatief verlof.
Art. 111
Art. 111 VLAAMS GEWEST
Art. 111 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 111 WAALS GEWEST
Art. 111 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 112
Art. 112 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 113-116
Art. 116 VLAAMS GEWEST
Art. 116 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 117
Art. 117 VLAAMS GEWEST
Art. 118-119, 119bis
Onderafdeling 3. - Verdeling van de lasten.
Art. 120
Art. 120 VLAAMS GEWEST
Art. 120 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 120 WAALS GEWEST
Art. 120 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 121
Art. 121 VLAAMS GEWEST
Art. 121 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 121 WAALS GEWEST
Art. 122
Art. 122 VLAAMS GEWEST
Art. 123
Art. 123 VLAAMS GEWEST
Art. 123 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Onderafdeling 4. - Toezicht en strafbepalingen.
Onderafdeling 4. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST. - Toezicht en strafbepalingen [1 , strafbepalingen en administratieve geldboeten]1.
1. Toezicht.
Art. 124
Art. 124 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 124 WAALS GEWEST
Art. 124 VLAAMS GEWEST
Art. 124 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 125-130
Art. 130 DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
2. Strafbepalingen.
2. Strafbepalingen [1 en administratieve geldboeten]1. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
Art. 131
Art. 131 VLAAMS GEWEST
Art. 131 WAALS GEWEST
Art. 131 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 132
Art. 132 VLAAMS GEWEST
Art. 132 BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 133
Art. 133 VLAAMS GEWEST
Art. 134
Art. 134 VLAAMS GEWEST
Art. 135
Art. 135 VLAAMS GEWEST
Art. 136
Art. 136 VLAAMS GEWEST
Onderafdeling 5. - Verjaring.
Art. 137
Art. 137 VLAAMS GEWEST
Art. 137bis
Art. 137bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Art. 137bis DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Art. 137bis WAALS GEWEST
Art. 137bis VLAAMS GEWEST
Onderafdeling 5bis WAALS GEWEST. [1 - Verwerking van de persoonsgegevens]1
Art. 137ter WAALS GEWEST
Onderafdeling 5bis BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST. - [1 Handhaving.]1
Art. 137ter BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Onderafdeling 6. - Slotbepalingen.
1. Wijzigings- en opheffingsbepalingen.
Art. 138-140
2. Overgangsbepalingen.
Art. 141-143
3. Inwerkingtreding.
Art. 144
AFDELING 7. - Arbeidsduur voor jeugdige werknemers.
Art. 145
AFDELING 8. - Herintegratiepremie voor personen van vreemde nationaliteit.
Art. 146-153
HOOFDSTUK V. - VERTEGENWOORDIGING VAN HET KADERPERSONEEL.
Art. 154-161
HOOFDSTUK VI. - ANDERE MAATREGELEN.
AFDELING 1. - Vakbondspremie.
Art. 162-164
AFDELING 2. - Militievergoeding.
Art. 165-166
AFDELING 3. - Verlenging van het mandaat van de Algemene Afvaardiging tot hervorming van de Rijkscomptabiliteit.
Art. 167
AFDELING 4. - Verkeerswezen. - Sabena.
Art. 168-170
AFDELING 5. - Economische Zaken. - Wijziging van de wet van 2 april 1962.
Art. 171-172
AFDELING 6. - Cumulatie van openbare mandaten.
Art. 173
HOOFDSTUK VII. - SLOTBEPALINGEN.
Art. 174-176
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. MATIGING VAN HUURPRIJZEN.

  Artikel 1. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle huur-, leasing- of andere overeenkomsten onder bezwarende titel betreffende onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen dienstig voor bewoning, voor industriële, commerciële, administratieve of professionele doeleinden, met inbegrip onder meer van de vestiging van erfpacht of van het recht van opstal.
  Het is eveneens van toepassing op de aanhorigheden en de roerende goederen waarvan het onroerend goed voorzien is.
  § 2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de handelshuurovereenkomsten. Zij zijn niet toepasselijk op de pacht, het jachtrecht en het visrecht.
  Van toepassing blijven evenwel de bijzondere wettelijke bepalingen inzake de mogelijkheid tot driejaarlijkse herziening en tot vernieuwing van de handelshuurovereenkomsten.
  § 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de overeenkomsten bedoeld in § 1, wanneer de twee partijen rechtspersonen zijn.

  Art. 2. Gedurende elk van de jaren 1985, 1986, 1987 worden de huurprijzen, cijnzen, canons of de vergoedingen aangepast overeenkomstig de contractuele bedingen die voorzien in hun aanpassing aan welke factor ook, verminderd. De vermindering is gelijk aan 2 pct. van het bedrag dat wettelijk eisbaar is in de maand december van het kalenderjaar dat aan de aanpassing voorafgaat.

  Art. 3. Indien de Koning met toepassing van artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit nr. 278 van 30 maart 1984 houdende bepaalde maatregelen inzake loonmatiging met het oog op de bevordering van de tewerkstelling, de vermindering van de openbare lasten en het financieel evenwicht van de stelsels van sociale zekerheid, besluit dat de voor 1986 in uitzicht gestelde loonmatiging niet of slechts gedeeltelijk wordt toegepast, houdt de in artikel 2 voor de jaren 1986 en 1987 bedoelde beperking van de aanpassing op gevolg te hebben of heeft zij slechts gevolg naar evenredigheid.

  Art. 4. Wanneer voor een woning die de huurder tot hoofdverblijf dient, met dezelfde huurder een nieuwe huurovereenkomst wordt aangegaan gedurende de periode van de aanpassing bepaald in de artikelen 2 en 3, mag de huurprijs niet hoger zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van artikel 2.
  De partijen kunnen evenwel aan de vrederechter herziening vragen van de huurprijs, mits zij bewijzen dat de normale huurwaarde van het gehuurde goed ten minste 10 pct. hoger of lager is dan de huurprijs die volgt uit de bepalingen van artikel 2.

  HOOFDSTUK II. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE HUUR VAN ONROERENDE GOEDEREN DIE DE HUURDER TOT HOOFDVERBLIJF DIENEN.

  Art. 5. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 6. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 7. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 8. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 9. § 1. Artikel 1758bis is niet van toepassing op de huurovereenkomst verlengd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 29 december 1983 betreffende de huur van onroerende goederen, indien de opzegging is gedaan vóór 1 november 1984.
  § 2. Artikel 1758ter is niet van toepassing op de huurovereenkomsten verlengd overeenkomstig de bepalingen van voormelde wet va, met dien verstande dat hiervoor het maatschappelijk kapitaal niet mag worden verminderd en dat de prijs niet lager mag zijn dan 80 pct. van hun nominale waarde. De aldus terugbetaalde aandelen worden van onwaarde gemaakt.n 29 december 1983, noch op de huurovereenkomsten die vervallen vóór 1 maart 1985.

  HOOFDSTUK III. - SOCIALE ZEKERHEID.

  AFDELING 1. - Maatregelen betreffende het financieel evenwicht van de sociale zekerheid voor 1985.

  Art. 10. (De uitgaven van (1985, 1986, 1987, 1988 en 1989) die met toepassing van artikel 8, 1°, van het koninklijk besluit nr. 95 van 28 september 1982 betreffende het brugpensioen voor werknemers, ten laste vallen van de Staat en de door de Staat in 1985 met toepassing van artikel 104 van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978, terug te storten uitgaven worden tot beloop van 80% door de pensioenregeling der werknemers gedragen.) <W 1985-08-01/31, art. 88, 002> <W 1988-12-30/31, art. 146, 012; Inwerkingtreding : 1989-01-15>
  Het totaal van de aldus vastgestelde bedragen wordt niettemin beperkt tot het bedrag van het boni van het dienstjaar dat, zonder die lastenoverdracht, zou gebleken zijn uit de op respectievelijk (31 december 1985, 31 december 1986, 31 december 1987, 31 december 1988 en 31 december 1989) opgemaakte balans voor het beheer van de pensioenregeling der werknemers. <W 1988-12-30/31, art. 146, 012; Inwerkingtreding : 1989-01-15>

  Art. 11. De opbrengst van de bijdragen ontvangen in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 289 van 31 maart 1984 houdende tijdelijke maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen met het oog op de vermindering van de openbare lasten en het financieel evenwicht van het sociaal statuut van de zelfstandigen, wordt, na aftrek van de administratiekosten van de met de uitvoering van genoemd besluit belaste instellingen, in (1984, 1985 en 1986) aangewend voor de regeling inzake rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen. <W 1985-01-22/30, art. 36, 005>
  De voor die regeling bestemde staatssubsidie wordt voor de beschouwde jaren verminderd ten belope van het krachtens vorig lid aangewende bedrag, vermeerderd met het excedent van de inkomsten beperkt tot de besparing voortspruitende uit de toepassing op de pensioenregeling der zelfstandigen van het koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984 houdende bepaalde tijdelijke wijzigingen in de regeling inzake de koppeling van sommige sociale uitkeringen van de maatschappelijke zekerheid en uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, en tot toekenning van een inhaalpremie aan sommige gerechtigden op sociale uitkeringen.
  De in artikel 42.03 van de begroting der Pensioenen voor (de jaaren 1985 en 1986) voorziene subsidie wordt ten belope van een tiende per maand uitbetaald gedurende de eerste tien maanden van het jaar. <W 1985-01-22/30, art. 36, 005>

  Art. 12. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 13. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 14. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 15. In afwijking van artikel 6, § 1, 2°, van de wet van 29 maart 1976 betreffende de gezinsbijslag voor zelfstandigen, wordt de Rijkstoelage voor het begrotingsjaar 1985 vastgesteld op 4 289,7 miljoen frank tegen spilindex 125,00.

  AFDELING 2. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 278 van 30 maart 1984 houdende bepaalde maatregelen inzake loonmatiging met het oog op de bevordering van de tewerkstelling, de vermindering van de openbare lasten en het financieel evenwicht van de stelsels van sociale zekerheid.

  Art. 16. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 17. <wijzigingsbepaling>.

  AFDELING 3. - Maatregelen tot bestrijding van de koppelbazen.

  Art. 18. <wijzigingsbepaling>.

  AFDELING 4. - Maatregelen betreffende de ziekte- en invaliditeitsverzekering.

  Art. 19. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 20. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 21. <wijzigingsbepaling>.

  AFDELING 5. - Maatregelen betreffende de pensioenen.

  Art. 22. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 23. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 24. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 25. Deze afdeling treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 23 en 24 die respectievelijk uitwerking hebben met ingang van 1 april 1982 en 1 januari 1984.

  HOOFDSTUK IV. - TEWERKSTELLING EN CONCURRENTIEVERMOGEN.

  AFDELING 1. - Handhaving van het concurrentievermogen.

  Art. 26. § 1. De norm inzake het concurrentievermogen, geldig voor 1985 en 1986, wordt als volgt bepaald : het concurrentievermogen moet voor het jaar 1985 en voor het jaar 1986 tenminste behouden blijven op het gemiddelde peil van de jaren 1982 tot en met 1984.
  De ontwikkeling van het concurrentievermogen wordt beoordeeld aan de hand van twee criteria :
  1° enerzijds, de arbeidskosten uitgedrukt in gemeenschappelijke munt, in vergelijking met het gewogen gemiddelde van de zeven voornaamste handelspartners van België. De keuze van die partners en hun relatief aandeel worden bepaald volgens het model van het Internationaal Muntfonds voor de wereldhandel. Om de ontwikkeling van de arbeidskosten van de zeven handelspartners te berekenen, wordt gebruik gemaakt van de bronnen van de Commissie der Europese Gemeenschappen voor de E.E.G.-landen en van de O.E.S.O. voor de andere landen;
  2° anderzijds, de verbetering van de soepelheid van de aanwending van de produktiefactoren. Onder de verbetering van de soepelheid moet het wegwerken verstaan worden van een zekere strakheid, zoals onder meer wordt nagestreefd door de afdeling 4 van dit hoofdstuk. Dat kan de kosten verminderen van de aanwending van de produktiefactoren voor een gegeven produktievolume.
  § 2. De Koning stelt na overleg met de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de werknemers, van de ondernemingen, van de middenstand en van de landbouw vast of de norm inzake het concurrentievermogen wordt geëerbiedigd. Dit overleg vindt plaats :
  a) bij de aanvang van het tweede semester van het jaar 1985, bij de aanvang van het jaar 1986 en bij de aanvang van het tweede semester van het jaar 1986;
  b) telkens wanneer uitzonderlijke omstandigheden in de loop van het jaar 1985 en van het jaar 1986 het concurrentievermogen in het gedrang brengen.
  § 3. Indien voor het jaar 1985 en/of voor het jaar 1986 de norm inzake het concurrentievermogen niet wordt geëerbiedigd, wordt de Koning gemachtigd om gedurende de periode van 1 januari 1985 tot en met 31 december 1986, bij in Ministerraad overlegd besluit :
  1° het verlies van het concurrentievermogen geheel of ten dele op te vangen door een verhoging van de forfaitaire vermindering van de sociale-zekerheidsbijdragen der werkgevers, zoals bepaald in artikel 35 van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, voor de werknemers tewerkgesteld in sectoren onderhevig aan de internationale mededinging en in de kleine en middelgrote ondernemingen. Deze forfaitaire vermindering van de sociale-zekerheidsbijdragen kan evenwel slechts geschieden op voorwaarde dat de gevolgen ervan op het netto te financieren saldo van de Schatkist en van de sociale zekerheid volledig worden gecompenseerd door andere maatregelen ter vermindering van de uitgaven van de Schatkist;
  2° alle andere nuttige maatregelen te nemen met het oog op de vermindering van de arbeidskosten zoals omschreven in § 1, 1°.
  § 4. Ten einde een evenwicht van de inspanningen van alle sociale categorieën te verzekeren die in alle opzichten gelijkwaardig zijn aan die welke gevraagd worden met toepassing van § 3, 2°, mag de Koning de maatregelen nemen omschreven in artikel 35, § 2, van de wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen.
  § 5. De onder de § 3, 2°, en § 4 genomen maatregelen moeten de koopkracht van de minstbedeelde personen waarborgen.
  § 6. De maatregelen bedoeld in de § 3 en 4 worden niet genomen dan na overleg met de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de werknemers, van de ondernemingen, van de middenstand en van de landbouw.
  § 7. De aan de Koning opgedragen bevoegdheid op basis van de § 3 en 4 neemt een einde op 31 december 1986. Niettemin kunnen de door de Koning op basis van deze bevoegdheid vast te stellen maatregelen, ook na 31 december 1986 gelding hebben.

  AFDELING 2. - Verlenging van de akkoorden 1983-1984.

  Onderafdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds met het oog op de aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.

  Art. 27. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 28. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 29. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 30. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 31. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 32. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 33. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 34. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 35. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 36. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 37. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 38. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 2. - Specifieke regeling voor het bouwbedrijf en de aanverwante sectoren.

  Art. 39. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 40. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 41. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 42. Voor de werkgevers die ressorteren onder een aan het bouwbedrijf verwante sector en die niet gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan en die in hun onderneming(en) geen collectieve arbeidsovereenkomst hebben gesloten zoals bedoeld bij koninklijk besluit nr. 181, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, maatregelen treffen inzake de arbeidstijdverkorting en, eventueel, de compenserende indienstneming.
  De Koning stelt de nadere regels vast voor de vrijstelling van storting aan het Tewerkstellingsfonds.

  Onderafdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 185 van 30 december 1982 houdende de organisatie, voor de kleine en middelgrote ondernemingen, van een specifiek stelsel voor de aanwending van de loonmatiging voor de tewerkstelling, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 236 van 31 december 1983.

  Art. 43. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 4. - Verlenging van de maatregelen inzake loonmatiging.

  Art. 44. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 5. - Verlenging van de maatregelen tot vermindering van de sociale-zekerheidsbijdragen

  Art. 45. <wijzigingsbepaling>.

  AFDELING 3. - Wettelijk kader voor de nieuwe onderhandelingen ter bevordering van de werkgelegenheid.

  Art. 46. § 1. Deze afdeling is van toepassing :
  1° op de werkgevers die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  2° op de openbare instellingen, de instellingen van openbaar nut en de verenigingen van gemeenten die hoofdzakelijk een commerciële of industriële activiteit uitoefenen.
  § 2. Onder de toepassing van deze afdeling vallen evenwel niet :
  1° de diensten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de verenigingen waartoe zij behoren, alsook van de openbare instellingen die van de voornoemde diensten afhangen, die niet bedoeld zijn in § 1, 2°, de instellingen van openbaar nut die als hoofdactiviteit geen commerciële of industriële activiteit uitoefenen;
  2° de buitenlandse of internationale openbare diensten;
  3° de ondernemingen voor uitzendarbeid wat de uitzendkrachten betreft;
  4° de instellingen van het vrij onderwijs, de diensten voor school- of beroepsoriëntering en de vrije psycho-medisch-sociale centra, de particuliere en openbare instellingen voor geneeskundige, profylactische en hygiënische verzorging;
  5° de beschutte werkplaatsen;
  6° de lichamen en verenigingen met of zonder rechtspersoonlijkheid waarvan het niet op winst gericht doel van openbaar, cultureel, sociaal of humanitair nut is en waarvan de activiteiten niet in concurrentie komen met die van nijverheids-, handels- of dienstondernemingen.
  Te dien einde moet er een individuele of collectieve aanvraag worden ingediend bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. De beslissing wordt genomen door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid na overleg in het Ministerieel comité voor economische en sociale coördinatie.
  7° de instellingen bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 292 van 31 maart 1984 betreffende sommige instellingen van openbaar nut die afhangen van het Ministerie van Verkeerswezen, evenals die bedoeld in artikel 28, § 1, van de herstelwet van 31 juli 1984.

  Art. 47. Onverminderd wat bij afdeling 2 van dit hoofdstuk is bepaald, wordt voor de jaren 1985 en 1986 in de paritaire comités en subcomités onderhandeld over een collectieve arbeidsovereenkomst ter bevordering van de tewerkstelling.

  Art. 48. Die overeenkomst moet uiterlijk op 15 december 1984 ingediend zijn. In geval van absolute noodzaak, kan de Koning deze termijn verlengen. De algemeenverbindendverklaring dient te worden gevraagd voor die collectieve arbeidsovereenkomsten.
  De bepalingen van die overeenkomst betreffende de verkorting, de verdeling of de aanpassing van de arbeidstijd zijn slechts toepasselijk met het akkoord van de werkgevers op de ondernemingen die minder dan 10 werknemers tewerkstellen die worden aangegeven aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid voor het vierde kwartaal van het voorgaande jaar.
  Voor de toepassing van de artikelen 50 tot 52 van deze wet moeten die collectieve arbeidsovereenkomsten door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid worden goedgekeurd.

  Art. 49. Bij gebreke van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten door het paritair orgaan waaronder zij ressorteren, onderhandelen de ondernemingen of groepen van ondernemingen over een collectieve arbeidsovereenkomst.
  Deze overeenkomst moet betrekking hebben op een of meer van de volgende maatregelen :
  a) indienstneming van werknemers met of zonder arbeidstijdverkorting;
  b) indienstneming van leerlingen met een industriële leerovereenkomst bedoeld bij de wet van 19 juli 1983 op het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst of aanwerving van leerlingen in het regime bepaald bij koninklijk besluit van 4 oktober 1976 betreffende de voortdurende vorming in de middenstand;
  c) mogelijkheid van onderbreking van de loopbaan met vervanging zoals bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk;
  d) indienstneming van deeltijdse werknemers met toepassing van de wet van 23 juni 1981 tot invoering in de arbeidswetgeving van sommige bepalingen betreffende de deeltijdse arbeid;
  e) organisatie van halftijdse arbeid voor werknemers van 50 jaar en ouder met evenredige indienstneming van werknemers die halftijds werken, zoals bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk;
  f) oprichting van duobanen zoals bedoeld in afdeling 5 van dit hoofdstuk;
  g) andere systemen, door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid als gelijkwaardig beschouwd.
  Deze collectieve arbeidsovereenkomsten moeten uiterlijk op 31 januari 1985 worden ingediend. In geval van absolute noodzaak kan de Koning deze termijn verlengen.
  Voor de toepassing van de artikelen 50 tot 52 van deze wet moeten die collectieve arbeidsovereenkomsten door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid worden goedgekeurd.

  Art. 50. <KB 1986-04-18/33, art. 1, 006> De werkgevers die niet gebonden zijn door de in de vorige artikelen bedoelde collectieve arbeidsovereenkomsten moeten in 1986 en 1987 op een bijzondere rekening van het Tewerkstellingsfonds een som storten die overeenstemt met een percentage van de aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangegeven loonsom voor respectievelijk 1984 en 1985 (,verhoogd met de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid). <KB433 1986-08-05/32, art. 1, 008>
  Deze percentages worden voor ieder trimester door de Koning vastgelegd bij in Ministerraad overlegd besluit.
  De in het vorig lid bedoelde stortingen moeten geschieden binnen dezelfde termijnen als de betaling van de sociale-zekerheidsbijdragen voor respektievelijk het derde kwartaal 1986 en het derde kwartaal 1987.
  De in het eerste lid bedoelde bedragen worden gelijkgesteld met sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen en het voorrecht.

  Art. 51. Van de in de artikelen 50 en 56 bedoelde storting worden evenwel vrijgesteld :
  1° de werkgevers die minder dan 10 werknemers tewerkstellen die worden aangegeven aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid voor het vierde kwartaal van het jaar 1984;
  2° de werkgevers van de ondernemingen gebonden door de in de artikelen 48 en 49 bepaalde collectieve arbeidsovereenkomst wier onderneming kan worden beschouwd als een onderneming in moeilijkheden in de zin van artikel 54, 1°, of de werkgevers die in buitengewoon ongunstige economische omstandigheden verkeren in de zin van artikel 54, 2°.

  Art. 52. De ondernemingen die 10 tot minder dan 50 werknemers tewerkstellen die worden aangegeven aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid voor het vierde kwartaal van het jaar 1984 en waarop geen collectieve arbeidsovereenkomst, afgesloten met toepassing van de artikelen 48 en 49, van toepassing is, worden vrijgesteld van de stortingen bepaald bij de artikelen 50 en 56 :
  1° indien zij kunnen bewijzen aan de hand van hun aangifte bij de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid voor het vierde kwartaal van de jaren 1985 en 1986 in verhouding tot hun aangifte voor het vierde kwartaal 1984, een arbeidskracht meer in dienst genomen te hebben of twee arbeidskrachten meer in verhouding tot hun aangifte voor het vierde kwartaal van het jaar 1982;
  2° indien zij kunnen worden geacht hetzij in moeilijkheden, hetzij in buitengewoon ongunstige economische omstandigheden te verkeren in de zin van artikel 54.

  Art. 53. De in de artikelen 48 en 49 bedoelde collectieve arbeidsovereenkomsten moeten volgens de normen bepaald in de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités worden gesloten.

  Art. 54. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° ondernemingen in moeilijkheden : die welke, op hun verzoek, door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, samen met de Minister van Economische Zaken, of indien het een onderneming van minder dan 50 werknemers betreft, samen met de Minister van Middenstand, zullen worden erkend als ondernemingen in moeilijkheden, omdat hun nettoresultaten vóór aftrek van belastingen, verhoogd met de afschrijvingen, negatief zijn voor het vorige jaar en hun resultaten van de twee vorige dienstjaren een verlies vertonen;
  2° ondernemingen die in buitengewoon ongunstige economische omstandigheden verkeren : die welke, op hun verzoek en op voorstel van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en van de Minister van Economische Zaken, of indien het een onderneming van minder dan 50 werknemers betreft, op voorstel van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de Minister voor de Middenstand, door het Ministerieel Comité voor economische en sociale coördinatie als dusdanig worden erkend.

  Art. 55. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid wordt, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, belast met de inning en de invordering van de door de werkgever verschuldigde bedragen, alsook met de overdracht daarvan op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds.
  De Koning bepaalt de wijzen van vereffening van de uitgaven van het Fonds.

  Art. 56. De werkgevers die de verplichtingen bepaald bij de in de artikelen 48 en 49 bedoelde overeenkomst niet of niet helemaal zijn nagekomen, storten een percentage van het in artikel 50 bedoelde bedrag, dat evenredig is aan het deel van de verplichtingen dat niet is verwezenlijkt, op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds en dit ten laatste op het einde van het eerste semester volgend op dat tijdens hetwelk de verplichtingen moesten worden nageleefd.

  Art. 57. Voor de berekening van de bijkomende aanwerving voorzien bij de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in de artikelen 48 en 49, wordt de aanwerving, verricht tijdens het vierde kwartaal van 1984 boven de aanwervingen vermeld in de overeenkomsten gesloten met toepassing van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 of het koninklijk besluit nr. 185 van 30 december 1982, aangemerkt als een aanwerving verricht tijdens de jaren 1985 en 1986.

  AFDELING 4. - Versoepeling van het arbeidsrecht.

  Onderafdeling 1. - Wijzigingen in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

  Art. 58. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 59. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 60. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 61. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 62. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 63. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 64. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 2. - Wijzigingen in de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en de werkplaatsen.

  Art. 65. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 66. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 3. - Wijzigingen in de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.

  Art. 67. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 68. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 69. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 4. - Wijzigingen in het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces.

  Art. 70. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 71. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 72. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 73. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 74. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 75. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 5. - Wijzigingen in de arbeidswet van 16 maart 1971.

  Art. 76. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 77. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 78. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 79. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 80. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 81. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 82. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 83. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 6. - Wijzigingen in de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

  Art. 84. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 85. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 7. - Wijzigingen in de wet van 8 april 1965 tot instelling van arbeidsreglementen.

  Art. 86. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 87. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 88. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 8. - Wijzigingen in de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen.

  Art. 89. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 90. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 91. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 9. - Wijzigingen in de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers.

  Art. 92. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 93. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 94. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 10. - Wijzigingen in de wet van 12 mei 1975 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers.

  Art. 95. <wijzigingsbepaling>.

  Onderafdeling 11. - Wijzigingen in de hypotheekwet van 16 december 1851.

  Art. 96. <wijziging van 1851-12-16/01, art. 19, 3°bis en 4°quinquies>.

  Onderafdeling 12. - Opheffing van de wet van 20 juli 1968 betreffende de toekenning van wachtgelden aan de werknemers die getroffen worden door sommige sluitingen van ondernemingen.

  Art. 97. De wet van 20 juli 1968 betreffende de toekenning van wachtgelden aan de werknemers die getroffen worden door sommige sluitingen van ondernemingen, wordt opgeheven.

  Art. 98. Het voordeel van dezelfde wet en van haar uitvoeringsbesluiten wordt gewaarborgd aan de werknemers die het slachtoffer zijn van een sluiting van de onderneming vóór de inwerkingtreding van deze wet.

  AFDELING 5. - Onderbreking van de beroepsloopbaan.

  Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied.

  Art. 99.(De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de werknemers en de werkgevers.) <W 2001-08-10/59, art. 14, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2002> (NOTA : De vorige versie van het eerste lid werd aangepast door KB 2001-11-30/52, art. 2; Inwerkingtreding : 01-04-2000)
  Voor de toepassing van deze bepalingen worden gelijkgesteld met :
  1° werknemers : de personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon, met uitzondering van de leerlingen;
  2° werkgevers : de personen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen.
  (De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de nadere regelen en voorwaarden die Hij bepaalt, de bij deze afdeling bepaalde voordelen uitbreiden tot het vastbenoemd of het tijdelijk personeel van de besturen en andere diensten van de administraties en van de organismen van openbaar nut die krachtens de bepalingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, beheersautonomie verkregen hebben.) <W 1994-12-21/31, art. 71, 020; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  (De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de nadere regelen en voorwaarden die Hij bepaalt, de bij deze afdeling bepaalde voordelen geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot alle of bepaalde personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten bedoeld in artikel 116 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, of tot die van één van beide voornoemde kaders en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie bedoeld in artikel 143 van diezelfde wet van 7 december 1998.) <W 2000-12-27/32, art. 31, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  Onder voorbehoud van de bijzondere toepassingsbepalingen en van de uitzonderingen vastgesteld door de Koning, zijn de besluiten tot uitvoering van het derde lid van rechtswege van toepassing, vanaf de eerste dag van de tweede maand volgend op die van het in werking treden van dit lid, op het personeel van de instellingen van openbaar nut die onder het gezag, de controle of het toezicht van de Staat vallen, zonder dat de door de wets- of verordeningsbepalingen voorgeschreven adviezen of voorstellen respectievelijk ingewonnen of afgewacht behoeven te worden.
  De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de regeling betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan uitbreiden of een gelijkaardige regeling invoeren die van toepassing is op :
  1° de personeelsleden van de Rijksonderwijsinrichtingen, de psycho-medisch-sociale centra van de Staat en van de Rijksvormingscentra;
  2° de gesubsidieerde personeelsleden van de door de Staat gesubsidieerde onderwijsinrichtingen en psycho-medisch-sociale centra;
  3° de personeelsleden van de andere diensten van de Staat, met uitzondering evenwel (...) , van de personeelsleden van de krijgsmacht, en van de magistraten van de rechterlijke orde, van het [1 Grondwettelijk Hof]1, van de Raad van State en van het Rekenhof. <KB424 1986-08-01/31, art. 1, 007>
  (Onverminderd de hiernavolgende leden worden de provincies, de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, evenals de openbare inrichtingen en de publiekrechtelijke verenigingen die ervan afhangen, gemachtigd op hun personeel anders dan bedoeld in het vijfde lid, de regeling inzake loopbaanonderbreking toe te passen die is vastgesteld met toepassing van [2 de artikelen 100, 100bis, 100ter, 102, 102bis en 102ter van deze wet]2.)) <W 1985-08-01/30, art. 19, 003> <W 1998-02-13/32, art. 34, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  (De statutaire en contractuele personeelsleden van de provincies en de gemeenten hebben recht op een onderbreking van de beroepsloopbaan voor zover zij voldoen aan de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld met toepassing van artikel 100, derde lid.
  De personeelsleden bedoeld in het vorig lid hebben eveneens recht op een vermindering van hun voltijdse arbeidsprestaties met één vijfde of de helft voor zover zij voldoen aan de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld met toepassing van artikel 102, § 1, tweede lid.
  Zijn uitgesloten van het voordeel van het zevende en achtste lid :
  1° de provinciegriffier, de gemeentesecretaris en zijn adjunct, de ontvanger en de door de bevoegde provinciale of gemeentelijke overheid bepaalde leidinggevende functies;
  2° de brandweerman-ambulancier en de aangestelde van de 100-centrales vermeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand en in artikel 5 van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten.
  De bevoegde provincieoverheid of gemeentelijke overheid kan andere ambten bepalen waarvan de titularissen uitgesloten zijn van het voordeel van het zevende en achtste lid om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst.
  De bevoegde provincieoverheid of gemeentelijke overheid kan evenwel in de gevallen waarin de goede werking van de dienst hierdoor niet wordt verstoord, de titularissen van de in het negende en tiende lid bedoelde ambten die erom verzoeken, toestaan aanspraak te maken op de toepassing van de bepalingen van het zevende en achtste lid.
  Alle periodes van afwezigheid van het provincie- of gemeentepersoneel met toepassing van deze afdeling worden in aanmerking genomen voor de berekening van de anciënniteiten die in het statuut of het reglement voorzien zijn. Tijdens die periodes van afwezigheid kan het personeelslid zijn of haar aanspraken op bevordering doen gelden.) <W 1998-02-13/32, art. 34, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  ----------
  (1)<W 2010-02-21/03, art. 10, 054; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<W 2019-05-17/36, art. 21, 076; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 99_VLAAMS_GEWEST.
   (De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de werknemers en de werkgevers.) <W 2001-08-10/59, art. 14, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2002>(NOTA : De vorige versie van het eerste lid werd aangepast door KB 2001-11-30/52, art. 2; Inwerkingtreding : 01-04-2000)
  Voor de toepassing van deze bepalingen worden gelijkgesteld met :
  1° werknemers : de personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon, met uitzondering van de leerlingen;
  2° werkgevers : de personen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen.
  (De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de nadere regelen en voorwaarden die Hij bepaalt, de bij deze afdeling bepaalde voordelen uitbreiden tot het vastbenoemd of het tijdelijk personeel van de besturen en andere diensten van de administraties en van de organismen van openbaar nut die krachtens de bepalingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, beheersautonomie verkregen hebben.) <W 1994-12-21/31, art. 71, 020; Inwerkingtreding : 02-01-1995>
  (De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de nadere regelen en voorwaarden die Hij bepaalt, de bij deze afdeling bepaalde voordelen geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot alle of bepaalde personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten bedoeld in artikel 116 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, of tot die van één van beide voornoemde kaders en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie bedoeld in artikel 143 van diezelfde wet van 7 december 1998.) <W 2000-12-27/32, art. 31, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  Onder voorbehoud van de bijzondere toepassingsbepalingen en van de uitzonderingen vastgesteld door de Koning, zijn de besluiten tot uitvoering van het derde lid van rechtswege van toepassing, vanaf de eerste dag van de tweede maand volgend op die van het in werking treden van dit lid, op het personeel van de instellingen van openbaar nut die onder het gezag, de controle of het toezicht van de Staat vallen, zonder dat de door de wets- of verordeningsbepalingen voorgeschreven adviezen of voorstellen respectievelijk ingewonnen of afgewacht behoeven te worden.
  De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de regeling betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan uitbreiden of een gelijkaardige regeling invoeren die van toepassing is op :
  1° de personeelsleden van de Rijksonderwijsinrichtingen, de psycho-medisch-sociale centra van de Staat en van de Rijksvormingscentra;
  2° de gesubsidieerde personeelsleden van de door de Staat gesubsidieerde onderwijsinrichtingen en psycho-medisch-sociale centra;
  3° de personeelsleden van de andere diensten van de Staat, met uitzondering evenwel (...) , van de personeelsleden van de krijgsmacht, en van de magistraten van de rechterlijke orde, van het [1 Grondwettelijk Hof]1, van de Raad van State en van het Rekenhof. <KB424 1986-08-01/31, art. 1, 007>
  (Onverminderd de hiernavolgende leden worden de provincies, de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, evenals de openbare inrichtingen en de publiekrechtelijke verenigingen die ervan afhangen, gemachtigd op hun personeel anders dan bedoeld in het vijfde lid, de regeling inzake loopbaanonderbreking toe te passen die is vastgesteld met toepassing van de artikelen 100, 100bis, 102 en 102bis van deze wet.)) <W 1985-08-01/30, art. 19, 003> <W 1998-02-13/32, art. 34, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  ([2 De statutaire en contractuele personeelsleden van de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de publiekrechtelijke agentschappen en verenigingen die ervan afhangen, alsook de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, hebben recht op een onderbreking van de beroepsloopbaan voor zover zij voldoen aan de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld met toepassing van artikel 100, derde lid.]2
  De personeelsleden bedoeld in het vorig lid hebben eveneens recht op een vermindering van hun voltijdse arbeidsprestaties met één vijfde of de helft voor zover zij voldoen aan de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld met toepassing van artikel 102, § 1, tweede lid.
  Zijn uitgesloten van het voordeel van het zevende en achtste lid :
  1° de provinciegriffier, de gemeentesecretaris en zijn adjunct, [2 de secretaris van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, de financieel beheerder]2 en de door de bevoegde [2 ...]2 overheid bepaalde leidinggevende functies;
  2° de brandweerman-ambulancier en de aangestelde van de 100-centrales vermeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand en in artikel 5 van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten.
  De bevoegde [2 ...]2 overheid kan andere ambten bepalen waarvan de titularissen uitgesloten zijn van het voordeel van het zevende en achtste lid om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst.
  De bevoegde [2 ...]2 overheid kan evenwel in de gevallen waarin de goede werking van de dienst hierdoor niet wordt verstoord, de titularissen van de in het negende en tiende lid bedoelde ambten die erom verzoeken, toestaan aanspraak te maken op de toepassing van de bepalingen van het zevende en achtste lid.
  Alle periodes van afwezigheid van het [2 personeel, vermeld in het zevende lid,]2 met toepassing van deze afdeling worden in aanmerking genomen voor de berekening van de anciënniteiten die in het statuut of het reglement voorzien zijn. Tijdens die periodes van afwezigheid kan het personeelslid zijn of haar aanspraken op bevordering doen gelden.) <W 1998-02-13/32, art. 34, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  
----------
  (1)<W 2010-02-21/03, art. 10, 054; Inwerkingtreding : 08-03-2010>
  (2)<DVR 2016-07-15/21, art. 2, 068; Inwerkingtreding : 02-09-2016>
  

  Art. 99bis. (opgeheven) <KB422 1986-08-14/33, art. 1, 009>

  Onderafdeling 2. - Onderbreking van de beroepsloopbaan.

  Art. 100. <KB424 1986-08-01/31, art. 2, 007> (Een uitkering wordt toegekend aan de werknemers die met zijn werkgever overeenkomt de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig te schorsen, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke schorsing voorziet, ofwel beroep doet op de bepalingen van artikel 100bis. (...).)) <W 1994-12-21/31, art. 72, 020; Inwerkingtreding : 02-01-1995> <W 1999-03-26/30, art. 76, 029; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2001-12-30/30, art. 72, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De overeenkomst, gesloten in het kader van het eerste lid, moet schriftelijk worden vastgesteld.
  De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de uitkeringen alsmede de nadere voorwaarden en regelen tot toekenning van deze uitkering.
  (...) (Lid 4) <W 2001-12-30/30, art. 72, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 100bis.<Ingevoegd bij W 1994-12-21/31, art. 73; Inwerkingtreding : 02-01-1995> § 1. Een werknemer heeft recht op de volledige schorsing van zijn arbeidsovereenkomst, in geval van palliatieve verzorging van een persoon.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder palliatieve verzorging verstaan, elke vorm van bijstand en inzonderheid medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand aan en verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden.
  § 3. [1 De periode tijdens welke de werknemer de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst kan schorsen, wordt vastgesteld op één maand. Deze periode kan twee keer worden verlengd met één maand.]1
  § 4. Het bewijs van de in § 2 aangehaalde reden van de schorsing van de arbeidsovereenkomst is ten laste van de werknemer.
  De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad ovelegd besluit, de nadere regelen met betrekking tot het leveren van dit bewijs.
  ----------
  (1)<W 2017-03-05/03, art. 76, 069; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 100ter.[1 § 1. Een werknemer die erkend mantelzorger is van een zorgbehoevende persoon, heeft recht op de volledige schorsing van zijn arbeidsovereenkomst.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder erkend mantelzorger verstaan, de persoon van wie de hoedanigheid van mantelzorger erkend is overeenkomstig hoofdstuk 3 van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger die een persoon met een grote zorgbehoefte bijstaat.
   § 3. De periode tijdens welke de werknemer de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst kan schorsen, wordt vastgesteld op één maand per zorgbehoevende persoon als bedoeld in § 1.
   De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de duur van deze periode verlengen tot maximum zes maanden en hiervoor de nadere voorwaarden en regels vastleggen.
   Het recht op de volledige schorsing bedraagt maximum zes maanden over de gehele beroepsloopbaan.
   § 4. De werknemer die van het recht gebruik wenst te maken, dient hiervan schriftelijk kennis te geven aan de werkgever. Deze kennisgeving gebeurt minstens zeven dagen vóór de ingangsdatum van de schorsing van zijn arbeidsovereenkomst, tenzij de partijen schriftelijk een andere termijn overeenkomen.
   Deze kennisgeving kan gebeuren door de overhandiging van een geschrift aan de werkgever waarbij deze laatste een duplicaat tekent als bericht van ontvangst of bij middel van een aangetekend schrijven dat geacht wordt ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte ervan bij de post.
   In dit geschrift dient de werknemer de periode te vermelden waarin hij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst schorst en hij dient er het bewijs bij te voegen van de erkenning van zijn hoedanigheid van mantelzorger van de in § 1 bedoelde zorgbehoevende persoon.
   § 5. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de nadere voorwaarden en regelen voor de toekenning en uitoefening van dit recht vaststellen.
   § 6. Een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig schorst in toepassing van dit artikel.
   De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de uitkeringen alsmede de nadere voorwaarden en regelen tot toekenning van deze uitkering bepalen.
   Bij gebrek aan besluit bedoeld in het voorgaande lid, worden dezelfde bedragen, voorwaarden en regelen tot toekenning toegepast zoals voor de uitkeringen in geval van volledige schorsing van de arbeidsovereenkomst voor het verlenen van bijstand of verzorging aan een gezinslid of familielid dat lijdt aan een zware ziekte in toepassing van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.]1
  ----------
  (1)<W 2019-05-17/36, art. 22, 076; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 101.<KB424 1986-08-01/31, art. 3, 007> (Wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt geschorst (met toepassing van de artikelen 100, eerste lid, [1 100bis en 100ter]1) of wanneer de arbeidsprestaties worden verminderd met toepassing van artikel 102, § 1 [1 , 102bis en 102ter]1, mag de werkgever geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of om een voldoende reden. <W 2001-03-23/31, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Dit verbod gaat in :
  - de dag van het akkoord of,
  (- de dag van de aanvraag (in geval van toepassing van de artikelen 100bis en 105, § 1), evenals in alle gevallen waarbij de werknemer een recht op loopbaanonderbreking kan inroepen;) <W 1998-02-13/32, art. 33, 025; Inwerkingtreding : 01-03-1998> <W 2001-03-23/31, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Als voldoende reden geldt een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan (de in de artikelen 100 en 100bis bedoelde schorsing) of de in de artikelen 102 en 102bis bedoelde vermindering. <W 2001-03-23/31, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Als voldoende reden wordt beschouwd het ontslag dat gegeven is om het conventioneel brugpensioen te bekomen.
  Dit verbod eindigt drie maanden na het einde van de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties.) <W 1995-12-22/38, art. 10, 023; Inwerkingtreding : 09-01-1996>
  De werkgever die, ondanks de bepalingen van het eerste lid, de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder een dringende reden of een voldoende reden, is gehouden om aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden, onverminderd de vergoedingen die bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer moeten worden betaald.
  De bij het derde lid bedoelde vergoeding mag niet worden gecumuleerd met de vergoedingen bepaald door artikel 63, derde lid, van de wet van 3 juli 1978, bij artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971, (in de artikelen 16 tot 18 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden) of de vergoeding die moet worden betaald ingeval een vakbondsafgevaardigde wordt ontslagen. <KB 1991-05-21/31, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 01-05-1991>
  ----------
  (1)<W 2019-05-17/36, art. 23, 076; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 101bis. (Opgeheven) <W 2004-07-09/30, art. 266, 042; Inwerkingtreding : 25-07-2004>

  Onderafdeling 3. - Het verminderen van de arbeidsprestaties. <KB424 1986-08-01/31, art. 5, 007>

  Art. 102.<KB424 1986-08-01/31, art. 6, 007> § 1. (Een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die met zijn werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen met 1/5, 1/4, 1/3 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet, ofwel een beroep doet op de bepalingen van artikel 102bis. ((...).) <W 1999-03-26/30, art. 77, 029; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2001-12-30/30, art. 73, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 Onverminderd de bepalingen van het eerste lid, wordt een uitkering toegekend aan de werknemer die met zijn werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen met 1/10 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking in het kader van ouderschapsverlof.]1
  (...) <W 2001-12-30/30, art. 73, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de uitkering, alsmede de nadere voorwaarden en regelen tot toekenning van deze uitkering.
  (...) <W 2001-12-30/30, art. 73, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. De bij § 1 bedoelde overeenkomst wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978".
  ----------
  (1)<W 2018-09-02/12, art. 2, 072; Inwerkingtreding : 06-10-2018>

  Art. 102bis.<Ingevoegd bij W 1994-12-21/31, art. 75; Inwerkingtreding : 02-01-1995> Een werknemer heeft recht op een vermindering van zijn arbeidsprestaties ((met 1/5 of 1/2) van het normaal anntal arbeidsuren van een voltijdse betrekking) voor de palliatieve verzorging van een persoon, onder de voorwaarden bepaald bij artikel 100bis, §§ 2 tot en met 4. <W 1995-12-22/38, art. 13, 023; Inwerkingtreding : 09-01-1996> <W 2001-08-10/59, art. 15, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 Tijdens de uitoefening van het recht op een vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in het eerste lid, wordt de werknemer tewerkgesteld op grond van een deeltijdse arbeidsregeling vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   Onverminderd artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, kan de werknemer, in het kader van een vermindering van de arbeidsprestaties voor de palliatieve verzorging van een persoon, in overeenstemming met zijn werkgever, ervoor kiezen om de vermindering van zijn arbeidsprestaties te spreiden over een periode van één maand. Deze spreiding is mogelijk voor zover het gemiddelde van de verminderde arbeidsprestaties overeenkomt met de in het eerste lid en door de wetgeving en uitvoeringsbesluiten toegestane vermindering van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking.]1
  ----------
  (1)<W 2018-09-02/13, art. 2, 073; Inwerkingtreding : 06-10-2018>

  Art. 102ter. [1 § 1. Een werknemer die erkend mantelzorger is van een zorgbehoevende persoon, heeft het recht om zijn voltijdse arbeidsprestaties te verminderen met 1/5 of de helft, onder de voorwaarden bepaald bij artikel 100ter, § § 2 tot 5.
   Voor de toepassing van dit artikel moet rekening worden gehouden met het principe dat de in artikel 100ter, § 3, eerste lid, vastgestelde periode van een maand schorsing, gelijk is aan twee maanden vermindering van de arbeidsprestaties.
   Voor de toepassing van dit artikel moet rekening worden gehouden met het principe dat de in artikel 100ter, § 3, derde lid, vastgestelde maximumduur van zes maanden schorsing gelijk is aan twaalf maanden vermindering van de arbeidsprestaties.
   § 2. De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de deeltijdse werknemers die erkend mantelzorger zijn van een zorgbehoevende persoon recht hebben op een vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5 of de helft van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking.
   § 3. Tijdens de uitoefening van het recht op een vermindering van. de arbeidsprestaties, bedoeld in § 1, wordt de werknemer tewerkgesteld op grond van een deeltijdse arbeidsregeling vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   Onverminderd artikel 11 bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, kan de werknemer, in het kader van een vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in § 1, in overeenstemming met zijn werkgever, ervoor kiezen om de vermindering van zijn arbeidsprestaties te spreiden over de overeengekomen periode. Deze spreiding is mogelijk voor zover het gemiddelde van de verminderde arbeidsprestaties overeenkomt met de door de wetgeving en uitvoeringsbesluiten toegestane vermindering van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking.
   § 4. Een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die zijn voltijdse arbeidsprestaties met 1/5 of de helft vermindert in toepassing van dit artikel.
   De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de uitkeringen alsmede de nadere voorwaarden en regelen tot toekenning van deze uitkering bepalen.
   Bij gebrek aan besluit bedoeld in het voorgaande lid, worden dezelfde bedragen, voorwaarden en regelen tot toekenning toegepast zoals voor de uitkeringen in geval van vermindering van de arbeidsprestaties voor het verlenen van bijstand of verzorging aan een gezinslid of familielid dat lijdt aan een zware ziekte in toepassing van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-05-17/36, art. 24, 076; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Art. 103.<KB424 1986-08-01/31, art. 7, 007> De termijn van de opzegging ter kennis gebracht aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig artikel 102 (en 102bis) [1 en 102ter]1 heeft verminderd (...), zal ingeval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd. Met de duur van deze opzeggingstermijn moet eveneens rekening worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding, bedoeld bij artikel 39 van de wet van 3 juli 1978. <W 1991-07-20/31, art. 106, 017; Inwerkingtreding : 11-08-1991> <W 1995-12-22/38, art. 15, 023; Inwerkingtreding : 09-01-1996>
  ----------
  (1)<W 2019-05-17/36, art. 25, 076; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Onderafdeling 3bis. <Ingevoegd bij W 2001-08-10/59, art. 16; Inwerkingtreding : 01-01-2002> - Toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en halvering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking.

   Art.103bis. <Ingevoegd bij W 2001-08-10/59, art. 16; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Deze onderafdeling is van toepassing op de werkgevers en de werknemers bedoeld door de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking.

  Art. 103ter. <Ingevoegd bij W 2001-08-10/59, art. 15, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De artikelen 100 en 102 zijn niet van toepassing op de in artikel 103bis bedoelde werknemers, in de mate dat die bepalingen eenzelfde voorwerp hebben als de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking.

  Art. 103quater. <W 2006-12-27/32, art. 217, 048; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Aan de in artikel 103bis bedoelde werknemers kan een uitkering toegekend worden wanneer zij de toepassing vragen van het recht zoals bepaald en of krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad de toekenningsvoorwaarden van deze uitkering, het bedrag van de uitkering alsmede de nadere voorwaarden en regelen.
  (Derde lid opgeheven) <W 2007-05-17/48, art. 2, 050; Inwerkingtreding : 29-06-2007>

  Art. 103quinquies. [1 Behoudens wanneer de Nationale Arbeidsraad voor 1 februari 2017 een collectieve arbeidsovereenkomst sluit in het kader van artikel 103bis, waarin het recht op tijdskrediet met motief overeenkomstig de bepalingen van het tweede en derde lid wordt uitgebreid uiterlijk op 1 april 2017, maken de werknemers die onder het toepassingsgebied vallen van voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst, aanspraak op het in het tweede en derde lid bedoelde bijkomende tijdskrediet vanaf een door de Koning vastgestelde datum en uiterlijk op 1 april 2017.
   Het recht op een voltijds tijdskrediet, een halftijdse of eenvijfde vermindering met motief, zoals geregeld door de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 103bis, wordt verhoogd met 12 maanden voor de werknemers die hun arbeidsprestaties volledig schorsen of verminderen :
   - om voor hun kind te zorgen tot de leeftijd van 8 jaar;
   - om bijstand of verzorging te geven aan een zwaar ziek gezins- of familielid;
   - voor het verlenen van palliatieve verzorging, zoals gedefinieerd in artikel 100bis, § 2.
   Bovenop de verhoging bedoeld in het tweede lid, wordt het recht op een voltijds tijdskrediet, een halftijdse of eenvijfde vermindering met motief, zoals geregeld door de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 103bis, verhoogd met 3 maanden voor de werknemers die hun arbeidsprestaties volledig schorsen of verminderen :
   - om voor hun kind te zorgen tot de leeftijd van 8 jaar;
   - om bijstand of verzorging te geven aan een zwaar ziek gezins- of familielid;
   - voor het verlenen van palliatieve verzorging, zoals gedefinieerd in artikel 100bis, § 2;
   - om zorg te dragen voor hun gehandicapt kind tot de leeftijd van 21 jaar;
   - voor het verlenen van bijstand of verzorging aan hun minderjarig zwaar ziek kind.
   De in het tweede en derde lid bedoelde uitbreiding van het recht op tijdskrediet doet geen afbreuk aan de opname- en uitoefeningsvoorwaarden die zijn vastgesteld door de in artikel 103bis bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-03-05/03, art. 77, 069; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  

  Onderafdeling 4. - Gemeenschappelijke bepalingen.

  Art. 104.<KB424 1986-08-01/31, art. 8, 007> De werkgever kan de werknemer die geniet van [1 de toepassing van de artikelen 100, 100ter, 102, 102ter en van onderafdeling 3bis]1 vervangen door een werknemer aangeworven met een vervangingsovereenkomst, bepaald bij artikel 11ter van de wet van 3 juli 1978, voor zover ingeval van toepassing van artikel 102 de wijziging van de arbeidsvoorwaarden niet voor een onbepaalde tijd werd gesloten. <W 2001-08-10/59, art. 17, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  In afwijking op dit artikel 11ter kan, in geval van toepassing van het eerste lid, de duur van de vervangingsovereenkomst twee jaar overschrijden.
  ----------
  (1)<W 2019-05-17/36, art. 26, 076; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 104bis. <ingevoegd bij W 1995-12-22/38, art. 16, 023; Inwerkingtreding : 09-01-1996> § 1. (De werkgevers die in toepassing van de artikelen 100 en 102 overgaan tot de vervanging van de werknemer door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week, kunnen voor de vervangers die zij in dienst nemen gedeeltelijk vrijgesteld worden van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3, 1° tot 7°, en 9°, en 3bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers of in artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, in artikel 56, 1° en 2° van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
  De vrijstelling bedoeld in het eerste lid wordt, voor zover de vervanger deeltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 50 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen en op 25 % gedurende het 5e tot en met het 8e kwartaal volgend op dat van de aanwerving als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 50 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden en op 25 % gedurende de 15e tot en met de 26e maand volgend op deze van de aanwerving als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.
  In afwijking van het tweede lid wordt, voor zover de vervanger in dienst wordt genomen na 31 december 1996 en deeltijds wordt tewerkgesteld in een onderneming met minder dan 50 werknemers, de vrijstelling bedoeld in het eerste lid vastgesteld op 75 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen en op 50 % gedurende het 5e tot en met het 8e kwartaal volgend op dat van de aanwerving als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 75 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden en op 50 % gedurende de 15e tot en met de 26e maand volgend op deze van de aanwerving als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is. De periode die in acht genomen moet worden voor het bepalen van het aantal werknemers tewerkgesteld in de onderneming, word door de Koning bepaald. (Dit lid heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997 en houdt op van kracht te zijn op 1 januari 2001.) <W 1999-01-25/32, art. 41, 028; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
  De vrijstelling bedoeld in het eerste lid, wordt, voor zover de vervanger voltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 25 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 25 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden als de werkgever bij het National Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.) <W 1998-02-22/43, art. 181, 027; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
  § 2. (...) <W 1999-01-25/32, art. 75, 1°, 028; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  § 3. (Voor de toepassing van dit artikel zijn uitgesloten de werkgevers die de verplichtingen voorgeschreven door hoofdstuk VIII van de wet van 24 december 1999 tot bevordering van de werkgelegenheid niet nakomen.) <W 2001-08-10/59, art. 18, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (NOTA : Deze paragraaf wordt gewijzigd door KB 2001-11-30/52, art. 3; Inwerkingtreding : 01-04-2000 onder voorbehoud)
  § 4. (Om de voordelen van dit artikel te genieten, moet de werkgever in zijn driemaandelijkse of maandelijkse aangifte aan de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen, de juiste identiteit vermelden van de werknemer voor wie hij de werkgeversbijdragen vermindert en bewijzen dat de werknemer voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel.
  De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid vermelde formaliteiten en bewijsstukken.) <W 1998-02-22/43, art. 181, 027; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
  § 5. De werkgevers die de voordelen van de bepalingen van dit artikel genieten, kunnen voor dezelfde werknemer niet het voordeel genieten van :
  1° de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 januari 1987 houdende nieuwe maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, en van afdeling 5 van hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de nietcommerciële sector;
  2° de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden;
  3° de bepalingen van hoofdstuk II van titel III van de programmawet van 30 december 1988;
  4° de bepalingen van hoofdstuk VII van titel III van de programmawet van 30 december 1988;
  5° de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren;
  6° de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 499 van 31 december 1986 tot regeling van de sociale zekerheid van sommige kansarme jongeren;
  7° de bepalingen van titels III, IV en VI van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd door de wet van 30 maart 1994;
  8° de bepalingen van hoofdstuk II van titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen;
  9° de bepalingen van titel I van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling.
  § 6. De voordelen van dit artikel zijn niet van toepassing op de werknemers tewerkgesteld in een programma voor wedertewerkstelling, zoals bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2° van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot hervorming der instellingen.
  (§ 7. De voordelen van dit artikel zijn niet van toepassing wat de vervangers van de in onderafdeling 3bis bedoelde werknemers betreft en wat de vervangingen bedoeld in artikel 105, § 3, betreft.) <W 2001-08-10/59, art. 18, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 105.§ 1. (De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regelen er een recht wordt toegekend op de onderbreking van de beroepsloopbaan en op het verminderen van de arbeidsprestaties zoals bedoeld in de onderafdelingen 2 en 3.) <W 1999-03-26/30, art. 78, 029; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  (Het recht op een vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in het eerste lid, kan enkel ten belope van 1/5 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking.) [2 In het kader van ouderschapsverlof kan dit recht eveneens ten belope van 1/10 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking worden uitgeoefend. Tijdens de uitoefening van het recht op een vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in het eerste lid, wordt de werknemer tewerkgesteld op grond van een deeltijdse arbeidsregeling, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]2 <W 2001-08-10/59, art. 19, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [2 Het in het eerste lid bedoelde besluit kan bepalen dat de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof ten belope van 1/10 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking voor akkoord moet worden voorgelegd aan de werkgever.]2
  [3 Het in het eerste lid bedoelde koninklijk besluit kan verder bepalen dat :
   1° het recht op ouderschapsverlof ten belope van de helft van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking in overeenstemming tussen de werkgever en de werknemer kan worden opgesplitst in maanden;
   2° het recht op een onderbreking van de beroepsloopbaan in het kader van ouderschapsverlof of voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid in overeenstemming tussen de werkgever en werknemer kan worden opgesplitst in weken.]3
  [4 § 1/1. Onverminderd artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, kan de werknemer, in het kader van een vermindering van de arbeidsprestaties wegens verlof voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid of ouderschapsverlof, in overeenstemming met zijn werkgever, ervoor kiezen om de vermindering van zijn arbeidsprestaties te spreiden over de overeengekomen periode. Deze spreiding is mogelijk voor zover het gemiddelde van de verminderde arbeidsprestaties overeenkomt met de door de wetgeving en uitvoeringsbesluiten toegestane vermindering van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking en voor zover de overeengekomen periode minstens een maand of een veelvoud daarvan bedraagt.]4
  § 2. (De Koning neemt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nodige maatregelen met het oog op de aanpassing van de sociale-zekerheidswetgeving ten behoeve van de werknemers bedoeld in deze afdeling.) <W 2001-08-10/59, art. 19, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. [1 Wanneer de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd gedurende een periode van vermindering van arbeidsprestaties in het kader van een ouderschapsverlof genomen in toepassing van deze afdeling, wordt onder " lopend loon " in de zin van artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten begrepen het loon dat de werknemer krachtens zijn arbeidsovereenkomst zou hebben verdiend indien hij zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 90, 053; Inwerkingtreding : 10-01-2010>
  (2)<W 2018-09-02/12, art. 3, 072; Inwerkingtreding : 06-10-2018>
  (3)<W 2018-09-02/13, art. 3, 073; Inwerkingtreding : 06-10-2018>
  (4)<W 2018-09-02/13, art. 4, 073; Inwerkingtreding : 06-10-2018>

  Art. 106. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 106bis.<Hersteld bij W 2004-07-09/30, art. 267, 042; Inwerkingtreding : 25-07-2004; zie ook W 2004-07-09/30, art. 268> Ingeval van opzegging gegeven door de werkgever, loopt de opzeggingstermijn niet gedurende de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst bedoeld in de artikelen 100, 100bis [1 , 100ter]1 en in het kader van de onderafdeling 3bis.
  ----------
  (1)<W 2019-05-17/36, art. 27, 076; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 106ter_VLAAMS_GEWEST.
  [1 De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2016-12-23/67, art. 21, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 107. [1 De inbreuken op de bepalingen van deze afdeling en van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 68, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 107_VLAAMS_GEWEST.
   [1 De inbreuken op de bepalingen van deze afdeling en van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
  [2 § 2. Het toezicht en de controle op de uitvoering van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.]2

  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 68, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (2)<DVR 2016-12-23/67, art. 22, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Onderafdeling 5. - Recht op deeltijdse arbeid. <ingevoegd bij W 1995-12-22/38, art. 17, 023; Inwerkingtreding : 09-01-1996>

  Art. 107bis. <ingevoegd bij W 1995-12-22/38, art. 17, 023; Inwerkingtreding : 09-01-1996> § 1. De werknemer die de in artikel 102 van deze wet voorziene wettelijke mogelijkheden om zijn arbeidsprestaties te verminderen heeft uitgeput, heeft aansluitend op de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties het recht om over te gaan naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst die voorziet in hetzelfde arbeidsregime als op de werknemer van toepassing was tijdens de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties in toepassing van artikel 102 van deze wet.
  De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de nadere regelen en voorwaarden betreffende de uitoefening van dit recht.
  § 2. Wanneer met toepassing van dit artikel de werknemer overgaat naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst, mag de werkgever vanaf het begin van een periode van drie maanden voor de overgang naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst tot drie maanden na de overgang naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst, geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of om een voldoende reden.
  Als voldoende reden geldt een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de in dit artikel bedoelde overgang naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst.
  De werkgever die, ondanks de bepalingen van het eerste lid, de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder een dringende reden of een voldoende reden, is gehouden om aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden, onverminderd de vergoedingen die bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer moeten worden betaald.
  De bij het derde lid bedoelde vergoeding mag niet worden gecumuleerd met de vergoedingen bepaald bij artikel 63, derde lid van de wet van 3 juli 1978, bij artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971, bij de artikelen 16 tot 18 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaatpersoneelsafgevaardigden, of de vergoeding die moet worden betaald ingeval een vakbondsafgevaardigde wordt ontslagen.

  AFDELING 6. - Toekenning van betaald educatief verlof in het kader van de voortdurende vorming van de werknemers.

  Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied.

  Art. 107ter_VLAAMS_GEWEST.
  [1 In deze afdeling wordt verstaan onder :
   1° opleidingen : het onderricht dat niet bedrijfsspecifiek is, maar op de huidige of toekomstige functie van de werknemer gericht is, maar door middel waarvan bekwaamheden worden verkregen die naar andere ondernemingen of andere werkgebieden overdraagbaar kunnen zijn, zodat de brede inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt rechtstreeks of onrechtstreeks wordt verbeterd. Het leren vindt plaats binnen een georganiseerde en gestructureerde omgeving die ontworpen is als leeromgeving. De opleiding leidt tot een certificaat;
   2° arbeidsmarktgerichte opleidingen : de opleidingen die tot doel hebben de loopbanen van werknemers duurzaam te versterken of arbeidsmarktgerichte transities te faciliteren met het oog op de uitdagingen en knelpunten van de huidige en toekomstige arbeidsmarkt;
   3° loopbaangerichte opleidingen : de opleidingen die gevolgd worden als gevolg van loopbaanbegeleiding en die vastgelegd zijn in een persoonlijk ontwikkelingsplan als vermeld in artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 mei 2013 betreffende de loopbaanbegeleiding;
   4° Vlaams opleidingsverlof : het betaald educatief verlof;
   5° SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, vermeld in het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
   6° Opleidingscommissie : de Vlaamse opleidingscommissie, vermeld in artikel 110;
   7° certificaat : een door de opleidingsverstrekker uitgereikt attest dat de cursist de opleiding met goed gevolg heeft beëindigd en waarop bij voorkeur vermeld staat welke competenties de cursist heeft behaald;
   8° VESOC : Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité;
   9° vestigingseenheid : de vestigingseenheid, vermeld in artikel I.2, 16°, van het Wetboek Economisch Recht.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-10-12/10, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 01-05-2019>

  Art. 108.(§ 1. Deze afdeling is van toepassing :
  1° - op de werknemers die voltijds tewerkgesteld zijn in het kader van één of verscheidene arbeidsovereenkomsten;
  - op de ten minste 4/5-tijds tewerkgestelde werknemers;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de op basis van een variabele werktijdregeling deeltijds tewerkgestelde werknemers in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die een bij artikel 109 bedoelde opleiding volgen;
  [1 - op de deeltijdse werknemers bedoeld in Hoofdstuk 2 van Titel 2 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
  2° op de werkgevers.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld :
  1° met werknemers : de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van één of meer personen op basis van :
  - een volledige dagtaak;
  - 4/5e arbeidsprestaties;
  - artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - een deeltijdse variabele werktijdregeling in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  2° met werkgevers : de personen die de bij 1° bedoelde personen tewerkstellen.) <W 1999-03-26/30, art. 29, 029; Inwerkingtreding : onbepaald>
  § 3. Deze afdeling is niet van toepassing op :
  1° de werknemers tewerkgesteld door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de verenigingen van provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de openbare instellingen die eronder ressorteren en de instellingen van openbaar nut (behalve de werknemers tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bij de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.) <W 2002-08-02/45, art. 47, 017 ; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  2° het onderwijzend personeel.
  § 4. Bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies te hebben ingewonnen van de Nationale Arbeidsraad, kan de Koning :
  1° voor bepaalde categorieën van werknemers bijzondere toepassingsregels vaststellen;
  2° de toepassing van deze afdeling ofwel zonder meer, ofwel met enige aanpassingen, tot andere categorieën van werknemers verruimen;
  3° bepaalde categorieën van werknemers van de toepassing van deze afdeling of van sommige bepalingen ervan uitsluiten.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 146, 053; Inwerkingtreding : 01-09-2009>

  Art. 108_VLAAMS_GEWEST.
  [1 § 1. Deze afdeling is van toepassing op de werkgevers en de werknemers die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
   De werknemers, vermeld in het eerste lid, zijn werknemers die op basis van een of meer arbeidsovereenkomsten in een in het Vlaamse Gewest gelegen vestigingseenheid op een van de volgende wijzen tewerkgesteld zijn :
   1° voltijds tewerkgesteld;
   2° ten minste 4/5 tewerkgesteld;
   3° ten minste halftijds tewerkgesteld met een variabele werktijdregeling als vermeld in artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of ten minste halftijds tewerkgesteld met een vast uurrooster en die tijdens de werkuren een opleiding volgt.
   De volgende personen worden met werknemers als vermeld in het tweede lid gelijkgesteld : de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een of meer andere personen.
   De werkgevers, vermeld in het eerste lid, zijn de werkgevers met een vestigingseenheid in het Vlaamse Gewest die de personen, vermeld in het eerste en tweede lid, tewerkstellen.
   § 2. De Vlaamse Regering kan, na het advies te hebben ingewonnen van de SERV :
   1° voor bepaalde categorieën van werknemers bijzondere toepassingsregels vaststellen;
   2° het toepassingsgebied verruimen tot andere categorieën van werknemers;
   3° bepaalde categorieën van werknemers uitsluiten van het toepassingsgebied of bepaalde delen ervan.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-05-2019>
  

  Art. 108_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   (§ 1. Deze afdeling is van toepassing :
  1° - op de werknemers die voltijds tewerkgesteld zijn in het kader van één of verscheidene arbeidsovereenkomsten;
  - op de ten minste 4/5-tijds tewerkgestelde werknemers;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de op basis van een variabele werktijdregeling deeltijds tewerkgestelde werknemers in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die een bij artikel 109 bedoelde opleiding volgen;
  [1 - op de deeltijdse werknemers bedoeld in Hoofdstuk 2 van Titel 2 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
  2° [2 op de werkgevers die een vestiging hebben in het Duitse taalgebied en die personen als bedoeld in 1° tewerkstellen.]2
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld :
  1° met werknemers : de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van één of meer personen op basis van :
  - een volledige dagtaak;
  - 4/5e arbeidsprestaties;
  - artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - een deeltijdse variabele werktijdregeling in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  2° met werkgevers : de personen die de bij 1° bedoelde personen tewerkstellen.) <W 1999-03-26/30, art. 29, 029; Inwerkingtreding : onbepaald>
  § 3. Deze afdeling is niet van toepassing op :
  1° de werknemers tewerkgesteld door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de verenigingen van provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de openbare instellingen die eronder ressorteren en de instellingen van openbaar nut (behalve de werknemers tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bij de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.) <W 2002-08-02/45, art. 47, 017 ; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  2° het onderwijzend personeel.
  § 4. [2 De Regering kan:]2
  1° voor bepaalde categorieën van werknemers bijzondere toepassingsregels vaststellen;
  2° de toepassing van deze afdeling ofwel zonder meer, ofwel met enige aanpassingen, tot andere categorieën van werknemers verruimen;
  3° bepaalde categorieën van werknemers van de toepassing van deze afdeling of van sommige bepalingen ervan uitsluiten.
  
----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 146, 053; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  (2)<DDG 2016-04-25/10, art. 20, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 108_WAALS_GEWEST.
   (§ 1. Deze afdeling is van toepassing :
  1° - op de werknemers die voltijds tewerkgesteld zijn in het kader van één of verscheidene arbeidsovereenkomsten;
  - op de ten minste 4/5-tijds tewerkgestelde werknemers [2 in een inrichtingseenheid gevestigd op het grondgebied van het Franse taalgebied]2;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen [2 in een inrichtingseenheid gevestigd op het grondgebied van het Franse taalgebied]2;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen [2 in een inrichtingseenheid gevestigd op het grondgebied van het Franse taalgebied]2;
  - op de op basis van een variabele werktijdregeling deeltijds tewerkgestelde werknemers in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die een bij artikel 109 bedoelde opleiding volgen [2 in een inrichtingseenheid gevestigd op het grondgebied van het Franse taalgebied]2;
  [1 - op de deeltijdse werknemers bedoeld in Hoofdstuk 2 van Titel 2 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis [2 tewerkgesteld in een inrichtingseenheid gevestigd op het grondgebied van het Franse taalgebied]2.]1
  2° op de werkgevers [2 die onder 1°) bedoelde personen tewerkstellen]2.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld :
  1° met werknemers : de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, [2 op het grondgebied van het Franse taalgebied]2 arbeid verrichten onder het gezag van één of meer personen op basis van :
  - een volledige dagtaak;
  - 4/5e arbeidsprestaties;
  - artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - een deeltijdse variabele werktijdregeling in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  2° met werkgevers : de personen die de bij 1° bedoelde personen tewerkstellen.) <W 1999-03-26/30, art. 29, 029; Inwerkingtreding : onbepaald>
  § 3. Deze afdeling is niet van toepassing op :
  1° de werknemers tewerkgesteld door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de verenigingen van provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de openbare instellingen die eronder ressorteren en de instellingen van openbaar nut (behalve de werknemers tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bij de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.) <W 2002-08-02/45, art. 47, 017 ; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  2° het onderwijzend personeel.
  § 4. Bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies te hebben ingewonnen van de [3 Conseil économique et social de Wallonie " (Sociaal-economische raad van Wallonië)]3, kan de Koning :
  1° voor bepaalde categorieën van werknemers bijzondere toepassingsregels vaststellen;
  2° de toepassing van deze afdeling ofwel zonder meer, ofwel met enige aanpassingen, tot andere categorieën van werknemers verruimen;
  3° bepaalde categorieën van werknemers van de toepassing van deze afdeling of van sommige bepalingen ervan uitsluiten.
  
----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 146, 053; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  (2)<DWG 2016-04-28/08, art. 16,1° en 2°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (3)<DWG 2016-04-28/08, art. 16,3°, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>

  Art. 108_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  (§ 1. Deze afdeling is van toepassing :
  1° - op de werknemers die voltijds tewerkgesteld zijn in het kader van één of verscheidene arbeidsovereenkomsten;
  - op de ten minste 4/5-tijds tewerkgestelde werknemers;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de werknemers tewerkgesteld op basis van het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - op de op basis van een variabele werktijdregeling deeltijds tewerkgestelde werknemers in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die een bij artikel 109 bedoelde opleiding volgen;
  [1 - op de deeltijdse werknemers bedoeld in Hoofdstuk 2 van Titel 2 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.]1
  2° op de werkgevers.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld :
  1° met werknemers : de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van één of meer personen op basis van :
  - een volledige dagtaak;
  - 4/5e arbeidsprestaties;
  - artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2, en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
  - een deeltijdse variabele werktijdregeling in de zin van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  2° met werkgevers : de personen die de bij 1° bedoelde personen tewerkstellen.) <W 1999-03-26/30, art. 29, 029; Inwerkingtreding : onbepaald>
  § 3. Deze afdeling is niet van toepassing op :
  1° de werknemers tewerkgesteld door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de verenigingen van provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de openbare instellingen die eronder ressorteren en de instellingen van openbaar nut (behalve de werknemers tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bij de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.) <W 2002-08-02/45, art. 47, 017 ; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  2° het onderwijzend personeel.
  § 4. Bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies te hebben ingewonnen van de [2 Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]2, kan de Koning :
  1° voor bepaalde categorieën van werknemers bijzondere toepassingsregels vaststellen;
  2° de toepassing van deze afdeling ofwel zonder meer, ofwel met enige aanpassingen, tot andere categorieën van werknemers verruimen;
  3° bepaalde categorieën van werknemers van de toepassing van deze afdeling of van sommige bepalingen ervan uitsluiten.

  ----------
  (1)<W 2009-12-30/01, art. 146, 053; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  (2)<ORD 2015-07-02/06, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 20-07-2015>
  

  Art. 109.§ 1. Voor de toepassing van deze afdeling, worden als beroepsopleiding beschouwd :
  1° de cursussen gegeven in het kader van het onderwijs voor sociale promotie en georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Staat;
  2° de cursussen gegeven in het kader van het onderwijs in de plastische kunsten met beperkt leerplan, kunstonderwijs voor sociaal-culturele promotie genaamd, en waarvan de Koning de lijst vaststelt;
  2°bis (de cursussen van het korte type en met volledig leerplan, die 's avonds of in het weekeinde worden gegeven, in inrichtingen voor hoger onderwijs overeenkomstig artikel 5bis van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs;) <KB 1985-07-23/34, art. 4, 004>
  3° de cursussen op universitair niveau van het lange type en met volledig leerplan, 's avonds of tijdens het weekeinde gegeven in inrichtingen voor hoger onderwijs, overeenkomstig artikel 5bis van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs;
  4° (de universitaire cursussen van de eerste en de tweede cyclus, die 's avonds of in het weekeinde worden gegeven in universiteiten of in de met universiteiten gelijkgestelde inrichtingen met het oog op het verkrijgen van een wettelijke of wetenschappelijke titel, bedoeld bij de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs (evenals de cursussen die leiden tot de graad van bachelor of master die 's avonds of tijdens het weekend worden georganiseerd in instellingen voor hoger onderwijs); ) <KB 1985-07-23/34, art. 5, 004> <KB 2005-08-10/67, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 01-09-2004>
  (In afwijking op het eerste lid kunnen de cursussen die gewoonlijk 's avonds of tijdens het weekend worden gegeven en waarvan de organisatie voorziet dat zij maximum éénmaal per week overdag zullen worden gegeven, door de werknemers worden gevolgd indien hun arbeidsregime nacht- of weekendprestaties inhoudt.) <KB 1999-05-31/37, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 1999-09-01>
  5° de opleidingen geregeld door de reglementen betreffende de voortdurende vorming in de middenstand en waarvan de Koning de lijst vaststelt bij in Ministerraad overlegd besluit;
  6° de opleidingen geregeld door de reglementen betreffende de scholing van de personen die in de landbouw werkzaam zijn en waarvan de Koning de lijst vaststelt bij in Ministerraad overlegd besluit;
  [1 6° bis. de opleidingen die voorbereiden op de uitoefening van een knelpuntberoep en georganiseerd worden door de bevoegde gewestelijke dienst voor beroepsopleiding;]1
  7° de voorbereiding op en het afleggen van examens voor de centrale examencommissie, onder voorbehoud van bijzondere toepassingsregels die de Koning vaststelt;
  (7°bis. De voorbereiding en het afleggen van de examens georganiseerd door de gefedereerde overheden in het kader van een systeem van herkenning, erkenning of certificering van verworven competenties [2 alsook de opleidingen tot mentor bedoeld in artikel 20/2, 2°, eerste gedachtestreepje, van hoofdstuk Vbis van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van socialezekerheidsbijdragen]2, volgens de toepassingsmodaliteiten vastgesteld door de Koning.) <W 2001-12-30/30, art. 67, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  8° de opleidingen per bedrijfstak georganiseerd bij een beslissing van het bevoegde paritaire comité;
  (8°bis. de beroepsopleidingen die zijn uitgesloten in toepassing van § 3, 3°, maar die niettemin nuttig verklaard werden bij een beslissing van het bevoegd paritaire comité; deze opleidingen behoeven een nieuwe erkenning van de Erkenningscommissie;) <W 1993-06-10/32, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  9° de hierboven niet opgenomen opleidingen waarvan het programma erkend is door de bij artikel 110 opgerichte erkenningscommissie.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling, worden als algemene opleiding beschouwd :
  1° de cursussen georganiseerd door de representatieve werknemersorganisaties, zoals bedoeld bij artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  2° de cursussen georganiseerd door de jeugd- en volwassenenorganisaties en de instellingen voor werknemersvorming, opgericht binnen de representatieve werknemersorganisaties of door hen erkend;
  3° de hierboven niet opgenomen opleidingen waarvan het programma erkend is door de erkenningscommissie.
  De bij 1° en 2° bedoelde organisaties en instellingen delen de programma's van de georganiseerde cursussen mee aan het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en aan de erkenningscommissie.
  § 3. (Bij een in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies te hebben ingewonnen van de Erkenningscommissie, kan de Koning :
  1° de lijst van de bij de §§ 1 en 2 bedoelde opleidingen wijzigen;
  2° voor bepaalde opleidingen bijzondere uitvoeringsregels vaststellen en het minimumaantal uren bepalen dat die opleidingen moeten bevatten om het recht op betaald educatief verlof te openen;
  3° de opleidingen uitsluitend bedoeld in § 1, 1° en 2°, die geen direct verband houden met de beroepssituatie of met de beroepsperspectieven van de werknemers.) <W 1993-06-10/32, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  ----------
  (1)<W 2012-03-29/01, art. 59, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2012>
  (2)<KB 2013-02-11/46, art. 1, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 109_VLAAMS_GEWEST.
  [1 § 1. Voor de toepassing van deze afdeling worden de volgende opleidingen in zoverre ze voldoen aan de voorwaarden bepaald in paragraaf 2 of 3 als arbeidsmarktgerichte opleidingen beschouwd :
   1° de opleidingen en trajecten die georganiseerd, gesubsidieerd of erkend worden door de Vlaamse Gemeenschap :
   a) de opleidingen, vermeld in artikel 4, 9 en 17 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs;
   b) de opleidingen, vermeld in artikel II.170 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013;
   c) de trajecten die gericht zijn op de voorbereiding op en het afleggen van examens voor de examencommissie secundair onderwijs, vermeld in artikel 256/1 van de codex secundair onderwijs en de examencommissie basisonderwijs, vermeld in artikel 56 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;
   d) de trajecten die gericht zijn op de voorbereiding en het afleggen van examens georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap in het kader van een systeem van erkenning en certificering van verworven competenties;
   e) de ondernemerschapstrajecten, vermeld in artikel 2, 3°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";
   2° de opleidingen die georganiseerd worden door de representatieve werknemersorganisaties, vermeld in artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en de opleidingen die georganiseerd worden door de jeugd- en volwassenenorganisaties en de instellingen voor werknemersvorming, die opgericht zijn binnen de representatieve werknemersorganisaties of door hen erkend zijn;
   3° de opleidingen die goedgekeurd zijn door het bevoegde paritair comité wat de opleidingen per bedrijfstak betreft;
   4° de opleidingen die goedgekeurd zijn door de Vlaamse opleidingscommissie.
   § 2. De arbeidsmarktgerichte opleidingen, vermeld in paragraaf 1, 1°, a), b) en e), 2°, 3° en 4°, geven recht op Vlaams opleidingsverlof als ze voldoen aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
   De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, hebben minstens betrekking op de minimale duurtijd van de opleiding, de vorm van de opleiding, de kwaliteitsvereisten van de opleidingsverstrekker, de beoordelingscriteria naar arbeidsmarktgerichtheid en de aanmelding bij de dienst die aangeduid wordt door de Vlaamse Regering.
   De arbeidsmarktgerichte opleidingen, vermeld in paragraaf 1, 1°, c) en d), geven recht op Vlaams opleidingsverlof als ze voldoen aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
   De voorwaarden, vermeld in het derde lid, hebben minstens betrekking op de beoordelingscriteria naar arbeidsmarktgerichtheid en de aanmelding bij de dienst die aangeduid wordt door de Vlaamse Regering.
   § 3. De loopbaangerichte opleidingen, vermeld in artikel 107ter, 3°, geven recht op Vlaams opleidingsverlof als ze voldoen aan de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.
   De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, hebben minstens betrekking op de minimale duurtijd van de opleiding, de vorm van de opleiding en de kwaliteitsvereisten van de opleidingsverstrekker.
   § 4. De arbeidsmarktgerichte opleidingen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, worden geregistreerd in een opleidingsdatabank. De Vlaamse Regering regelt de inhoud, de werking en het beheer van de opleidingsdatabank.
   De Vlaamse Regering bepaalt de verdere voorwaarden, de procedure voor de registratie en de procedure voor de goedkeuring, weigering, schorsing en intrekking van de registratie.
   § 5. De dienst die aangeduid wordt door de Vlaamse Regering stelt jaarlijks een evaluatierapport op dat nagaat in welke mate de doelstellingen zijn bereikt en of de arbeidsmarktgerichte opleidingen voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2. Dat evaluatierapport wordt bezorgd aan de Vlaamse Regering en de SERV en wordt besproken binnen het VESOC. Het rapport wordt daarna overhandigd aan het Vlaams Parlement]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 4, 075; Inwerkingtreding : 01-05-2019>
  

  Art. 109_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   § 1. Voor de toepassing van deze afdeling, worden als beroepsopleiding beschouwd :
  1° [3 de cursussen in het kader van het onderwijs voor sociale promotie die gegeven worden door onderwijsinstellingen voor sociale promotie georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Duitstalige Gemeenschap of door een andere Gemeenschap;]3
  2° de cursussen gegeven in het kader van het onderwijs in de plastische kunsten met beperkt leerplan, kunstonderwijs voor sociaal-culturele promotie genaamd, en [3 waarvan de Regering]3 de lijst vaststelt;
  2°bis [3 de cursussen van het korte type en met volledig leerplan, die 's avonds of in het weekeinde in instellingen voor hoger onderwijs gegeven worden en die door de Duitstalige Gemeenschap of een andere Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend worden;]3
  3° [3 de cursussen op universitair niveau van het lange type en met volledig leerplan die 's avonds of tijdens het weekeinde in instellingen voor hoger onderwijs gegeven worden en die door de Duitstalige Gemeenschap of een andere Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend worden;]3
  4° [3 de universitaire cursussen van de eerste en de tweede cyclus die 's avonds of tijdens het weekend worden gegeven in universiteiten die door de Duitstalige Gemeenschap of een andere Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend worden of in met die universiteiten gelijkgestelde instellingen, evenals de cursussen die leiden tot de graad van bachelor of master die 's avonds of tijdens het weekend worden gegeven in instellingen voor hoger onderwijs die door de Duitstalige Gemeenschap of een andere Gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend worden;]3
  (In afwijking op het eerste lid kunnen de cursussen die gewoonlijk 's avonds of tijdens het weekend worden gegeven en waarvan de organisatie voorziet dat zij maximum éénmaal per week overdag zullen worden gegeven, door de werknemers worden gevolgd indien hun arbeidsregime nacht- of weekendprestaties inhoudt.) <KB 1999-05-31/37, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 1999-09-01>
  5° [3 de opleidingen die geregeld worden door de reglementen betreffende de voortdurende vorming in de middenstand en waarvan de Regering de lijst vaststelt;]3
  6° [3 de opleidingen die geregeld worden door de reglementen betreffende de scholing van de personen die in de landbouw werkzaam zijn en waarvan de Regering de lijst vaststelt;]3
  [1 6° bis. [3 de opleidingen die voorbereiden op de uitoefening van een knelpuntberoep en georganiseerd worden door de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap;]3]1
  7° [3 de voorbereiding op en het afleggen van examens voor de examencommissie van de Duitstalige Gemeenschap of van de andere Gemeenschappen of Gewesten, onder voorbehoud van bijzondere toepassingsregels die de Regering vaststelt;]3
  (7°bis. De voorbereiding en het afleggen van de examens georganiseerd door de gefedereerde overheden in het kader van een systeem van herkenning, erkenning of certificering van verworven competenties [2 alsook de opleidingen tot mentor bedoeld in artikel 20/2, 2°, eerste gedachtestreepje, van hoofdstuk Vbis van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van socialezekerheidsbijdragen]2, volgens de toepassingsmodaliteiten vastgesteld [3 door de Regering]3.) <W 2001-12-30/30, art. 67, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  8° de opleidingen per bedrijfstak georganiseerd bij een beslissing van het bevoegde paritaire comité;
  (8°bis. de beroepsopleidingen die zijn uitgesloten in toepassing van § 3, 3°, maar die niettemin nuttig verklaard werden bij een beslissing van het bevoegd paritaire comité; deze opleidingen behoeven een nieuwe erkenning [3 ...]3;) <W 1993-06-10/32, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  9° [3 de hierboven niet opgenomen opleidingen waarvan het programma erkend is door de Regering.]3
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling, worden als algemene opleiding beschouwd :
  1° de cursussen georganiseerd door de representatieve werknemersorganisaties, zoals bedoeld bij artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  2° de cursussen georganiseerd door de jeugd- en volwassenenorganisaties en de instellingen voor werknemersvorming, opgericht binnen de representatieve werknemersorganisaties of door hen erkend;
  3° [3 ...]3
  [3 De bij 1° en 2° bedoelde organisaties en instellingen delen de programma's van de georganiseerde cursussen mee aan het departement van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dat bevoegd is voor Opleiding;]3
  § 3. ([3 De Regering kan:]3
  1° de lijst van de bij de §§ 1 en 2 bedoelde opleidingen wijzigen;
  2° voor bepaalde opleidingen bijzondere uitvoeringsregels vaststellen en het minimumaantal uren bepalen dat die opleidingen moeten bevatten om het recht op betaald educatief verlof te openen;
  3° de opleidingen uitsluitend bedoeld in § 1, 1° en 2°, die geen direct verband houden met de beroepssituatie of met de beroepsperspectieven van de werknemers.) <W 1993-06-10/32, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  
----------
  (1)<W 2012-03-29/01, art. 59, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2012>
  (2)<KB 2013-02-11/46, art. 1, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (3)<DDG 2016-04-25/10, art. 21, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 110.§ 1. Bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid wordt een paritair samengestelde erkenningscommissie opgericht, verder de Commissie genaamd.
  § 2. De Commissie spreekt zich uit, bij een met redenen omklede beslissing :
  1° over de erkenning van het programma van de opleidingen bedoeld bij artikel 109, § 1, 9°, en § 2, 3°, alsmede over de intrekking of de schorsing van die erkenning;
  2° over de intrekking of de schorsing van de erkenning van de bij artikel 109, § 1, 1° tot 8°, en § 2, 1° en 2°, bedoelde opleidingen.
  Volgens de door de Koning te bepalen regels, oefent zij de controle uit op de in artikel 109 bedoelde opleidingen.
  (...) <W 2001-09-05/32, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 15-09-2001>
  (De Erkenningscommissie volgt minstens halfjaarlijks de ontwikkeling van de budgettaire situatie van de regeling inzake betaald educatief verlof op in aanwezigheid van de inspecteur van Financiën bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid geaccrediteerd, (...). Wanneer zij een overschrijding vaststelt van het budgettair objectief of een dreiging van overschrijding van dit objectief stelt zij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid hiervan onverwijld op de hoogte. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid neemt, na dringend advies van de Nationale Arbeidsraad, de nodige initiatieven om het budgettaire evenwicht te vrijwaren.) <KB 1995-03-28/53, art. 1, b), 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2001-09-05/32, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  Zij brengt, uit eigen beweging of op verzoek van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, een advies uit in verband met vraagstukken betreffende het betaald educatief verlof.
  § 3. De Commissie wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  De Koning benoemt de voorzitter en de leden.
  Enkel de leden hebben stemrecht.
  De voorzitter beschikt over een termijn van vier vrije dagen om beroep in te stellen tegen de beslissingen van de Commissie betreffende de erkenningen, schorsingen of intrekkingen bedoeld in § 2, eerste lid. Het beroep is opschortend.
  De voorzitter tekent beroep aan bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. De beslissing van de Minister tot vernietiging hoort met redenen te zijn omkleed.
  Indien binnen een termijn van twintig vrije dagen, de Minister de vernietiging van de beslissing niet heeft uitgesproken, wordt de beslissing definitief.
  (§ 3bis. Indien de Commissie geen beslissing genomen heeft met betrekking tot de erkenning van een programma op de derde vergadering en uiterlijk 4 maanden volgend op deze tijdens welke zij in het bezit gesteld werd van al de inlichtingen die zij bij de organisator van dit programma aangevraagd heeft, kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid zich uitspreken over de erkenning van het bedoelde programma.
  De Minister spreekt zich uit bij een met redenen omklede beslissing. Hij brengt zijn beslissing ter kennis van de Commissie op haar eerstvolgende vergadering.) <W 1989-12-22/31, art. 146, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  § 4. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de Nationale Arbeidsraad, de samenstelling en de werking van de Commissie.
  In de Commissie heeft een vertegenwoordiger zitting, met raadgevende stem, van elk van de Ministers die het Onderwijs onder hun bevoegdheid hebben.

  Art. 110_VLAAMS_GEWEST.
  [1 § 1. De Vlaamse Regering richt een paritair samengestelde Vlaamse Opleidingscommissie op, samengesteld uit een gelijk aantal leden van de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties.
   De Opleidingscommissie spreekt zich uit, bij een met redenen omklede beslissing :
   1° of de arbeidsmarktgerichte opleiding, vermeld in artikel 109, § 1, eerste lid, 4°, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 109, § 2;
   2° of de door haar goedgekeurde opleiding moet worden ingetrokken als die opleiding niet langer voldoet aan de opgelegde voorwaarden.
   De Opleidingscommissie volgt minstens halfjaarlijks de ontwikkeling van de budgettaire situatie van de regeling over het Vlaams opleidingsverlof.
   De Opleidingscommissie kan een advies uitbrengen in verband met vraagstukken over het Vlaams opleidingsverlof.
   De Vlaamse Regering bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de SERV, de organisatie, de samenstelling en de werking van de Opleidingscommissie en benoemt de voorzitter en de leden.
   § 2. Het bevoegde paritair comité spreekt zich uit bij een met redenen omklede beslissing :
   1° of de arbeidsmarktgerichte opleiding, vermeld in artikel 109, § 1, eerste lid, 3°, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 109, § 2;
   2° of de door hem goedgekeurde opleiding moet worden ingetrokken, als die opleiding niet langer voldoet aan de opgelegde voorwaarden.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 5, 075; Inwerkingtreding : 01-05-2019>
  

  Art. 110_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   § 1. [1 De Regering spreekt zich volgens de door haar vastgestelde regels uit:
   1° over de erkenning van het programma van de opleidingen vermeld in artikel 109, § 1, 9°, en over de intrekking of schorsing van die erkenning;
   2° over de intrekking of schorsing van de erkenning van de opleidingen vermeld in artikel 109, § 1, 1° tot 8°bis, en § 2, 1° en 2°.]1
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 3bis. [1 ...]1.)
  § 4. [1 ...]1

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 22, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 110_WAALS_GEWEST.
   § 1. [1 Binnen de 'Conseil économique et social de Wallonie', die er het secretariaat van waarneemt,]1 wordt een paritair samengestelde erkenningscommissie opgericht, verder de Commissie genaamd.
  § 2. De Commissie spreekt zich uit, bij een met redenen omklede beslissing :
  1° over de erkenning van het programma van de opleidingen bedoeld bij artikel 109, § 1, 9°, en § 2, 3°, alsmede over de intrekking of de schorsing van die erkenning;
  2° over de intrekking of de schorsing van de erkenning van de bij artikel 109, § 1, 1° tot 8°, en § 2, 1° en 2°, bedoelde opleidingen.
  Volgens de door de Koning te bepalen regels, oefent zij de controle uit op de in artikel 109 bedoelde opleidingen.
  (...) <W 2001-09-05/32, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 15-09-2001>
  (De Erkenningscommissie volgt minstens halfjaarlijks de ontwikkeling van de budgettaire situatie van de regeling inzake betaald educatief verlof op in aanwezigheid van de inspecteur van Financiën bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid geaccrediteerd, (...). Wanneer zij een overschrijding vaststelt van het budgettair objectief of een dreiging van overschrijding van dit objectief stelt zij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid hiervan onverwijld op de hoogte. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid neemt, na dringend advies van de Nationale Arbeidsraad, de nodige initiatieven om het budgettaire evenwicht te vrijwaren.) <KB 1995-03-28/53, art. 1, b), 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2001-09-05/32, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  Zij brengt, uit eigen beweging of op verzoek van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, een advies uit in verband met vraagstukken betreffende het betaald educatief verlof.
  § 3. De Commissie wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  De Koning benoemt de voorzitter en de leden.
  Enkel de leden hebben stemrecht.
  De voorzitter beschikt over een termijn van vier vrije dagen om beroep in te stellen tegen de beslissingen van de Commissie betreffende de erkenningen, schorsingen of intrekkingen bedoeld in § 2, eerste lid. Het beroep is opschortend.
  De voorzitter tekent beroep aan bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. De beslissing van de Minister tot vernietiging hoort met redenen te zijn omkleed.
  Indien binnen een termijn van twintig vrije dagen, de Minister de vernietiging van de beslissing niet heeft uitgesproken, wordt de beslissing definitief.
  (§ 3bis. Indien de Commissie geen beslissing genomen heeft met betrekking tot de erkenning van een programma op de derde vergadering en uiterlijk 4 maanden volgend op deze tijdens welke zij in het bezit gesteld werd van al de inlichtingen die zij bij de organisator van dit programma aangevraagd heeft, kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid zich uitspreken over de erkenning van het bedoelde programma.
  De Minister spreekt zich uit bij een met redenen omklede beslissing. Hij brengt zijn beslissing ter kennis van de Commissie op haar eerstvolgende vergadering.) <W 1989-12-22/31, art. 146, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  § 4. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de Nationale Arbeidsraad, de samenstelling en de werking van de Commissie.
  In de Commissie heeft een vertegenwoordiger zitting, met raadgevende stem, van elk van de Ministers die het Onderwijs onder hun bevoegdheid hebben.

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 17, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>
  

  Art. 110_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   § 1. Bij de [2 Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]2 wordt een paritair samengestelde erkenningscommissie opgericht, verder de Commissie genaamd.
  § 2. De Commissie spreekt zich uit, bij een met redenen omklede beslissing :
  1° over de erkenning van het programma van de opleidingen bedoeld bij artikel 109, § 1, 9°, en § 2, 3°, alsmede over de intrekking of de schorsing van die erkenning;
  2° over de intrekking of de schorsing van de erkenning van de bij artikel 109, § 1, 1° tot 8°, en § 2, 1° en 2°, bedoelde opleidingen.
  Volgens de door de Koning te bepalen regels, oefent zij de controle uit op de in artikel 109 bedoelde opleidingen.
  (...) <W 2001-09-05/32, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 15-09-2001>
  (De Erkenningscommissie volgt minstens halfjaarlijks de ontwikkeling van de budgettaire situatie van de regeling inzake betaald educatief verlof op in aanwezigheid van de inspecteur van Financiën bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid geaccrediteerd, (...). Wanneer zij een overschrijding vaststelt van het budgettair objectief of een dreiging van overschrijding van dit objectief stelt zij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid hiervan onverwijld op de hoogte. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid neemt, na dringend advies van de [1 Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]1, de nodige initiatieven om het budgettaire evenwicht te vrijwaren.) <KB 1995-03-28/53, art. 1, b), 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> <W 2001-09-05/32, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  Zij brengt, uit eigen beweging of op verzoek van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, een advies uit in verband met vraagstukken betreffende het betaald educatief verlof.
  § 3. De Commissie wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  De Koning benoemt de voorzitter en de leden.
  Enkel de leden hebben stemrecht.
  De voorzitter beschikt over een termijn van vier vrije dagen om beroep in te stellen tegen de beslissingen van de Commissie betreffende de erkenningen, schorsingen of intrekkingen bedoeld in § 2, eerste lid. Het beroep is opschortend.
  De voorzitter tekent beroep aan bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid. De beslissing van de Minister tot vernietiging hoort met redenen te zijn omkleed.
  Indien binnen een termijn van twintig vrije dagen, de Minister de vernietiging van de beslissing niet heeft uitgesproken, wordt de beslissing definitief.
  (§ 3bis. Indien de Commissie geen beslissing genomen heeft met betrekking tot de erkenning van een programma op de derde vergadering en uiterlijk 4 maanden volgend op deze tijdens welke zij in het bezit gesteld werd van al de inlichtingen die zij bij de organisator van dit programma aangevraagd heeft, kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid zich uitspreken over de erkenning van het bedoelde programma.
  De Minister spreekt zich uit bij een met redenen omklede beslissing. Hij brengt zijn beslissing ter kennis van de Commissie op haar eerstvolgende vergadering.) <W 1989-12-22/31, art. 146, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  § 4. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de [1 Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]1, de samenstelling en de werking van de Commissie.
  In de Commissie heeft een vertegenwoordiger zitting, met raadgevende stem, van elk van de Ministers die het Onderwijs onder hun bevoegdheid hebben.

  ----------
  (1)<ORD 2015-07-02/06, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 20-07-2015>
  (2)<ORD 2015-07-02/06, art. 3, 061; Inwerkingtreding : 20-07-2015>
  

  Art. 110bis_WAALS_GEWEST.
  [1 § 1. De Vlaamse Regering richt een commissie op met als opdracht te beslissen over beroepen die worden ingediend tegen de beslissing van de Opleidingscommissie en de paritaire comités, vermeld in artikel 110. Het beroep wordt ingediend binnen een vervaltermijn van dertig dagen die ingaat de dag na de betekening van de beslissing.
   § 2. In de volgende gevallen kan de commissie, vermeld in paragraaf 1, het recht op Vlaams opleidingsverlof van een opleiding intrekken :
   1° de opleiding voldoet niet langer aan de voorwaarden, vermeld in artikel 109, § 2;
   2° de opleiding is strijdig met de openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid of met de algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de organisatie, de samenstelling en de werking van de commissie, vermeld in paragraaf 1.
   Het beroep en de intrekking worden behandeld binnen de termijn en volgens de procedure die de Vlaamse Regering bepaalt.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2018-10-12/10, art. 6, 075; Inwerkingtreding : 01-05-2019>
  

  Onderafdeling 2. - Betaald educatief verlof.

  Art. 111.<KB 1995-03-28/53, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> § 1. Voor opleidingen die zijn gevolgd voor 1 september 1993 heeft de werknemer het recht om, met behoud van zijn normaal loon dat op het gewone tijdstip moet worden uitbetaald, op het werk afwezig te zijn gedurende een aantal uren dat overeenstemt met het aantal theoretische lesuren van de buiten de normale werkuren gevolgde lessen en met het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren voor de opleidingen die tijdens de normale werkuren worden gegeven.
  Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1993 wordt enkel het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren in aanmerking genomen voor het bepalen van het betaald educatief verlof dat aan de werknemer wordt toegekend.
  Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1995 bedraagt het maximum per jaar in ieder geval :
  1° 120 uren indien de werknemer een beroepsopleiding volgt;
  2° 80 uren indien hij een algemene opleiding volgt;
  3° 120 uren indien hij tijdens éénzelfde jaar, een algemene- en een beroepsopleiding volgt.
  § 2. In afwijking van § 1 kunnen taalcursussen enkel aanleiding geven tot globaal 80 verlofuren.
  Indien deze opleidingen gevolgd worden samen met een andere beroepsopleiding wordt het maximum op te nemen verlofuren gebracht op 120 uren.
  § 3. (De verlofuren kunnen opgenomen worden boven de maxima bedoeld in § 1, zodanig dat er in totaal 120 verlofuren kunnen worden opgenomen hetzij voor het volgen van beroepsopleidingen hetzij voor het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard, als de lesuren - ondanks de toepassing van wat bij de collectieve planning werd betracht - toch samenvallen met de voorziene arbeidstijd van de betrokken werknemer.) <W 2007-05-17/48, art. 11, 050; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  § 4. Op voorstel van de sectoren en na advies van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor de sectorgebonden beroepsopleidingen die tegemoet komen aan tekorten op de arbeidsmarkt het maximum aantal uren op 180 vastgesteld wordt.
  § 5. (Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van academisch gerichte bachelor georganiseerd in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en tot de graad van bachelor georganiseerd in een cursus van lange type van het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op 180.
  Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van master georganiseerd in het hoger onderwijs, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op 180.) <W 2006-07-20/39, art. 267, 046; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  [1 § 5bis. In afwijking van §§ 1, 2, 3 en 5 bedraagt het maximum per jaar 180 uren, ongeacht of de opleiding samenvalt met de werkuren en ook indien ze in combinatie met andere opleidingen wordt gevolgd, voor :
   1. opleidingen die voorbereiden op de uitoefening van knelpuntberoepen zoals bepaald in de werkloosheidsreglementering en op voorwaarde dat de opleiding aangevat wordt in een jaar waarin ze voorkomt op de lijst van knelpuntberoepen;
   2. opleidingen in het secundair onderwijs of in sociale promotie die leiden, voor wat betreft de Vlaamse Gemeenschap, tot een diploma van hoger secundair onderwijs, en, voor wat betreft de Franse Gemeenschap, tot een certificaat van het hoger secundair onderwijs, voor zover de werknemer nog geen diploma of getuigschrift van hoger secundair onderwijs heeft;
   3. opleidingen " formation de base " (Franse Gemeenschap) erkend door de Erkenningscommissie en opleidingen basiseducatie (Vlaamse Gemeenschap), voor zover de werknemer nog geen diploma of getuigschrift van hoger secundair onderwijs heeft;
   4. de in punt 1 van deze paragraaf bedoelde opleidingen die leiden tot een graad van bachelor of een diploma van niet-universitair hoger onderwijs, voor zover de werknemer nog geen gelijkwaardige graad of diploma heeft.]1
  § 6. Op gemotiveerd voorstel van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor opleidingen inzake elementaire basisvaardigheden voor laaggeschoolde werknemers het maximum aantal uren op 180 vastgesteld wordt.
  § 7. (De Koning kan, vanaf het schooljaar 2007-2008, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord voor de schooljaren die beginnen tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord :
  a) de in §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen;
  b) de lijst van de in artikel 109, §§ 1 en 2, bedoelde opleidingen wijzigen.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord zoals bedoeld in het eerste lid, kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de in de §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen voor de schooljaren beginnend in een kalenderjaar waarop geen voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord is.) <W 2006-12-27/32, art. 196, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 8. De Koning bepaalt de nadere regels inzake toepassing van dit artikel.
  (NOTA : In uitvoering van artikel 111, § 7, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1995 worden voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 2006, de maxima voorzien in :
  - artikel 111, § 1, derde lid, gebracht op 100 uur indien de werknemer een beroepsopleiding volgt, op 80 uur indien hij een algemene opleiding volgt en op 100 uur indien de hij tijdens éénzelfde jaar, een algemene en een beroepsopleiding volgt;
  - artikel 111, § 2, tweede lid op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 3, voor beroepsopleidingen gebracht op 105 uur, voor algemene opleidingen op 85 uur en bij het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard op 105 uur;
  - artikel 111, § 4, op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 5, op 120 uur gebracht; zie KB 2006-09-01/38, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 01-09-2006)
  ----------
  (1)<W 2012-03-29/01, art. 60, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2012>

  Art. 111_VLAAMS_GEWEST.
  [1 § 1. Het Vlaams opleidingsverlof heeft als doel het volgen van arbeidsmarktgerichte en loopbaangerichte opleidingen door werknemers te stimuleren. Een werknemer heeft daarbij het recht om op het werk afwezig te zijn, met behoud van het geplafonneerde loon dat op het gewone tijdstip moet worden uitbetaald, om opleiding te volgen of om te studeren of om examens af te leggen. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de afwezigheid op het werk.
   § 2. Per werknemer wordt een maximum aantal uren voor het volgen van een arbeidsmarktgerichte en loopbaangerichte opleiding vastgelegd, waarop de werknemer een beroep kan doen binnen het Vlaams opleidingsverlof gedurende een bepaalde periode. De Vlaamse Regering bepaalt dat aantal uren, de start- en einddatum van die periode en legt de modaliteiten van toekenning vast.
   § 3. De Vlaamse Regering bepaalt met welke steunmaatregelen voor werknemers en werkgevers het Vlaams opleidingsverlof niet gecumuleerd mag worden.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 7, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 111_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <KB 1995-03-28/53, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> § 1. [2 ...]2
  Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1993 wordt enkel het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren in aanmerking genomen voor het bepalen van het betaald educatief verlof dat aan de werknemer wordt toegekend.
  Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1995 bedraagt het maximum per jaar in ieder geval :
  1° [2 100]2 uren indien de werknemer een beroepsopleiding volgt;
  2° 80 uren indien hij een algemene opleiding volgt;
  3° [2 100]2 uren indien hij tijdens éénzelfde jaar, een algemene- en een beroepsopleiding volgt.
  § 2. In afwijking van § 1 kunnen taalcursussen enkel aanleiding geven tot globaal 80 verlofuren.
  Indien deze [2 taalcursussen]2 gevolgd worden samen met een andere beroepsopleiding wordt het maximum op te nemen verlofuren gebracht op [2 100]2 uren.
  § 3. [2 Als de lesuren samenvallen met de arbeidstijd van de betrokkene kunnen verlofuren boven de maxima bedoeld in § 1, 1° en 3°, opgenomen worden, zodat de volgende verlofuren kunnen worden toegekend:
   1° in totaal 120 verlofuren voor het volgen van beroepsopleidingen;
   2° in totaal 120 verlofuren voor het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard.]2
  § 4. [2 Op voorstel van de sectoren kan de Regering beslissen dat voor de sectorgebonden beroepsopleidingen die tegemoetkomen aan tekorten op de arbeidsmarkt het maximum aantal uren op 100 vastgesteld wordt.]2
  § 5. [2 In afwijking van de paragrafen 1, 2, 3 en 4 bedraagt het maximum 120 uren per jaar, ongeacht of de opleiding met de arbeidstijd samenvalt en ook als de opleiding in verbinding met andere opleidingen gevolgd wordt voor:
   1° de opleidingen vermeld in artikel 109, § 1, 2°bis, 3° en 4°;
   2° de opleidingen vermeld in artikel 109, § 1, 9°, die tot de graad van bachelor of master leiden.]2
  [1 § 5bis. [2 In afwijking van de § § 1, 2, 3, 4 en 5]2 bedraagt het maximum per jaar 180 uren, ongeacht of de opleiding samenvalt met de werkuren en ook indien ze in combinatie met andere opleidingen wordt gevolgd, voor :
   1. opleidingen die voorbereiden op de uitoefening van knelpuntberoepen zoals bepaald in de werkloosheidsreglementering en op voorwaarde dat de opleiding aangevat wordt in een jaar waarin ze voorkomt op de lijst van knelpuntberoepen;
   2. opleidingen in het secundair onderwijs of in sociale promotie die leiden, voor wat betreft de Vlaamse Gemeenschap, tot een diploma van hoger secundair onderwijs, en, voor wat betreft de Franse Gemeenschap, tot een certificaat van het hoger secundair onderwijs, voor zover de werknemer nog geen diploma of getuigschrift van hoger secundair onderwijs heeft;
   3. opleidingen " formation de base " (Franse Gemeenschap) [2 ...]2 en opleidingen basiseducatie (Vlaamse Gemeenschap), voor zover de werknemer nog geen diploma of getuigschrift van hoger secundair onderwijs heeft;
   4. de in punt 1 van deze paragraaf bedoelde opleidingen die leiden tot een graad van bachelor of een diploma van niet-universitair hoger onderwijs, voor zover de werknemer nog geen gelijkwaardige graad of diploma heeft;]1
  [2 5° opleidingen inzake elementaire basisvaardigheden voor laaggeschoolde werknemers.]2
  § 6. [2 ...]2
  § 7. ([2 De Regering kan:]2
  a) de in §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen;
  b) de lijst van de in artikel 109, §§ 1 en 2, bedoelde opleidingen wijzigen.
  [2 ...]2
  § 8. [2 De Regering]2 bepaalt de nadere regels inzake toepassing van dit artikel.
  (NOTA : In uitvoering van artikel 111, § 7, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1995 worden voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 2006, de maxima voorzien in :
  - artikel 111, § 1, derde lid, gebracht op 100 uur indien de werknemer een beroepsopleiding volgt, op 80 uur indien hij een algemene opleiding volgt en op 100 uur indien de hij tijdens éénzelfde jaar, een algemene en een beroepsopleiding volgt;
  - artikel 111, § 2, tweede lid op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 3, voor beroepsopleidingen gebracht op 105 uur, voor algemene opleidingen op 85 uur en bij het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard op 105 uur;
  - artikel 111, § 4, op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 5, op 120 uur gebracht; zie KB 2006-09-01/38, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 01-09-2006)
  
----------
  (1)<W 2012-03-29/01, art. 60, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2012>
  (2)<DDG 2016-04-25/10, art. 23, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111_WAALS_GEWEST.
   <KB 1995-03-28/53, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> § 1. Voor opleidingen die zijn gevolgd voor 1 september 1993 heeft de werknemer het recht om, met behoud van zijn normaal loon dat op het gewone tijdstip moet worden uitbetaald, op het werk afwezig te zijn gedurende een aantal uren dat overeenstemt met het aantal theoretische lesuren van de buiten de normale werkuren gevolgde lessen en met het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren voor de opleidingen die tijdens de normale werkuren worden gegeven.
  [2 ...]2 wordt enkel het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren in aanmerking genomen voor het bepalen van het betaald educatief verlof dat aan de werknemer wordt toegekend.
  [2 Het maximum bedraagt per jaar :
   1° 100 uren indien de werknemer een beroepsopleiding volgt;
   2° 80 uren indien hij een algemene opleiding volgt;
   3° 100 uren indien hij in de loop van hetzelfde jaar een algemene opleiding en een beroepsopleiding volgt.]2
  § 2. In afwijking van § 1 kunnen taalcursussen enkel aanleiding geven tot globaal 80 verlofuren.
  Indien deze opleidingen gevolgd worden samen met een andere beroepsopleiding wordt het maximum op te nemen verlofuren gebracht op [2 100]2 uren.
  § 3. (De verlofuren kunnen opgenomen worden boven de maxima bedoeld in § 1, zodanig dat er in totaal 120 verlofuren kunnen worden opgenomen hetzij voor het volgen van beroepsopleidingen hetzij voor het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard, als de lesuren - ondanks de toepassing van wat bij de collectieve planning werd betracht - toch samenvallen met de voorziene arbeidstijd van de betrokken werknemer.) <W 2007-05-17/48, art. 11, 050; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  § 4. Op voorstel van de sectoren en na advies van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor de sectorgebonden beroepsopleidingen die tegemoet komen aan tekorten op de arbeidsmarkt het maximum aantal uren op [2 100]2 vastgesteld wordt.
  § 5. (Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van academisch gerichte bachelor georganiseerd in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en tot de graad van bachelor georganiseerd in een cursus van lange type van het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op [2 120]2.
  Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van master georganiseerd in het hoger onderwijs, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op [2 120]2.) <W 2006-07-20/39, art. 267, 046; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  [1 § 5bis. [2 In afwijking van de §§ 1, 2, 3 en 5, bedraagt het maximum per jaar 180 uren, ongeacht of de opleiding al dan niet samenvalt met de werkuren en ook indien ze in combinatie met andere opleidingen wordt gevolgd, voor :
   1. opleidingen die voorbereiden op de uitoefening van een beroep opgenomen op de lijst van de knelpuntberoepen die jaarlijks wordt opgemaakt door de " Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi " of door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en op voorwaarde dat de opleiding aangevat wordt in de loop van een jaar waarin ze voorkomt op de lijst van knelpuntberoepen, met uitzondering van de opleidingen die leiden naar een graad van bachelor of een diploma van het niet-universitaire hoger onderwijs als de werkenmer al over een gelijkwaardige graad of diploma beschikt;
   2. opleidingen in het secundair onderwijs of in sociale promotie die leiden tot een certificaat van het hoger secundair onderwijs, voor zover de werknemer nog geen diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs heeft;
   3. de basisopleidingen erkend door de Commissie voor zover de werknemer nog geen diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs heeft.]2 ]1
  § 6. Op gemotiveerd voorstel van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor opleidingen inzake elementaire basisvaardigheden voor laaggeschoolde werknemers het maximum aantal uren op 180 vastgesteld wordt.
  § 7. (De Koning kan, vanaf het schooljaar 2007-2008, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord voor de schooljaren die beginnen tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord :
  a) de in §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen;
  b) de lijst van de in artikel 109, §§ 1 en 2, bedoelde opleidingen wijzigen.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord zoals bedoeld in het eerste lid, kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en na advies van de [3 Conseil économique et social de Wallonie]3, de in de §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen voor de schooljaren beginnend in een kalenderjaar waarop geen voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord is.) <W 2006-12-27/32, art. 196, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 8. De Koning bepaalt de nadere regels inzake toepassing van dit artikel.
  (NOTA : In uitvoering van artikel 111, § 7, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1995 worden voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 2006, de maxima voorzien in :
  - artikel 111, § 1, derde lid, gebracht op 100 uur indien de werknemer een beroepsopleiding volgt, op 80 uur indien hij een algemene opleiding volgt en op 100 uur indien de hij tijdens éénzelfde jaar, een algemene en een beroepsopleiding volgt;
  - artikel 111, § 2, tweede lid op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 3, voor beroepsopleidingen gebracht op 105 uur, voor algemene opleidingen op 85 uur en bij het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard op 105 uur;
  - artikel 111, § 4, op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 5, op 120 uur gebracht; zie KB 2006-09-01/38, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 01-09-2006)
  
----------
  (1)<W 2012-03-29/01, art. 60, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2012>
  (2)<DWG 2016-04-28/08, art. 18,1°-7°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (3)<DWG 2016-04-28/08, art. 18,8°, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>

  Art. 111_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <KB 1995-03-28/53, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> § 1. Voor opleidingen die zijn gevolgd voor 1 september 1993 heeft de werknemer het recht om, met behoud van zijn normaal loon dat op het gewone tijdstip moet worden uitbetaald, op het werk afwezig te zijn gedurende een aantal uren dat overeenstemt met het aantal theoretische lesuren van de buiten de normale werkuren gevolgde lessen en met het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren voor de opleidingen die tijdens de normale werkuren worden gegeven.
  Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1993 wordt enkel het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren in aanmerking genomen voor het bepalen van het betaald educatief verlof dat aan de werknemer wordt toegekend.
  Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1995 bedraagt het maximum per jaar in ieder geval :
  1° 120 uren indien de werknemer een beroepsopleiding volgt;
  2° 80 uren indien hij een algemene opleiding volgt;
  3° 120 uren indien hij tijdens éénzelfde jaar, een algemene- en een beroepsopleiding volgt.
  § 2. In afwijking van § 1 kunnen taalcursussen enkel aanleiding geven tot globaal 80 verlofuren.
  Indien deze opleidingen gevolgd worden samen met een andere beroepsopleiding wordt het maximum op te nemen verlofuren gebracht op 120 uren.
  § 3. (De verlofuren kunnen opgenomen worden boven de maxima bedoeld in § 1, zodanig dat er in totaal 120 verlofuren kunnen worden opgenomen hetzij voor het volgen van beroepsopleidingen hetzij voor het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard, als de lesuren - ondanks de toepassing van wat bij de collectieve planning werd betracht - toch samenvallen met de voorziene arbeidstijd van de betrokken werknemer.) <W 2007-05-17/48, art. 11, 050; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  § 4. Op voorstel van de sectoren en na advies van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor de sectorgebonden beroepsopleidingen die tegemoet komen aan tekorten op de arbeidsmarkt het maximum aantal uren op 180 vastgesteld wordt.
  § 5. (Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van academisch gerichte bachelor georganiseerd in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en tot de graad van bachelor georganiseerd in een cursus van lange type van het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op 180.
  Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van master georganiseerd in het hoger onderwijs, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op 180.) <W 2006-07-20/39, art. 267, 046; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  [1 § 5bis. In afwijking van §§ 1, 2, 3 en 5 bedraagt het maximum per jaar 180 uren, ongeacht of de opleiding samenvalt met de werkuren en ook indien ze in combinatie met andere opleidingen wordt gevolgd, voor :
   1. opleidingen die voorbereiden op de uitoefening van knelpuntberoepen zoals bepaald in de werkloosheidsreglementering en op voorwaarde dat de opleiding aangevat wordt in een jaar waarin ze voorkomt op de lijst van knelpuntberoepen;
   2. opleidingen in het secundair onderwijs of in sociale promotie die leiden, voor wat betreft de Vlaamse Gemeenschap, tot een diploma van hoger secundair onderwijs, en, voor wat betreft de Franse Gemeenschap, tot een certificaat van het hoger secundair onderwijs, voor zover de werknemer nog geen diploma of getuigschrift van hoger secundair onderwijs heeft;
   3. opleidingen " formation de base " (Franse Gemeenschap) erkend door de Erkenningscommissie en opleidingen basiseducatie (Vlaamse Gemeenschap), voor zover de werknemer nog geen diploma of getuigschrift van hoger secundair onderwijs heeft;
   4. de in punt 1 van deze paragraaf bedoelde opleidingen die leiden tot een graad van bachelor of een diploma van niet-universitair hoger onderwijs, voor zover de werknemer nog geen gelijkwaardige graad of diploma heeft.]1
  § 6. Op gemotiveerd voorstel van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor opleidingen inzake elementaire basisvaardigheden voor laaggeschoolde werknemers het maximum aantal uren op 180 vastgesteld wordt.
  § 7. (De Koning kan, vanaf het schooljaar 2007-2008, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord voor de schooljaren die beginnen tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord :
  a) de in §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen;
  b) de lijst van de in artikel 109, §§ 1 en 2, bedoelde opleidingen wijzigen.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord zoals bedoeld in het eerste lid, kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en na advies van de [2 Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]2, de in de §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen voor de schooljaren beginnend in een kalenderjaar waarop geen voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord is.) <W 2006-12-27/32, art. 196, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 8. De Koning bepaalt de nadere regels inzake toepassing van dit artikel.
  (NOTA : In uitvoering van artikel 111, § 7, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 maart 1995 worden voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 2006, de maxima voorzien in :
  - artikel 111, § 1, derde lid, gebracht op 100 uur indien de werknemer een beroepsopleiding volgt, op 80 uur indien hij een algemene opleiding volgt en op 100 uur indien de hij tijdens éénzelfde jaar, een algemene en een beroepsopleiding volgt;
  - artikel 111, § 2, tweede lid op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 3, voor beroepsopleidingen gebracht op 105 uur, voor algemene opleidingen op 85 uur en bij het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard op 105 uur;
  - artikel 111, § 4, op 100 uur gebracht;
  - artikel 111, § 5, op 120 uur gebracht; zie KB 2006-09-01/38, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 01-09-2006)

  ----------
  (1)<W 2012-03-29/01, art. 60, 056; Inwerkingtreding : 01-09-2012>
  (2)<ORD 2015-07-02/06, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 20-07-2015>
  

  Art. 112. De werknemer die gebruik wenst te maken van het betaald educatief verlof, licht zijn werkgever hierover in door middel van een getuigschrift waarin wordt bevestigd dat hij regelmatig ingeschreven is om een of verschillende bij deze afdeling bedoelde opleidingen te volgen. Hij deelt hem de voorziene afwezigheden mede. Hij verwittigt hem van het opgeven of het onderbreken van de opleidingen.
  Deze inlichtingen en dat getuigschrift worden meegedeeld binnen de termijn en volgens de regels bepaald door de Koning.

  Art. 112_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   De werknemer die gebruik wenst te maken van het betaald educatief verlof, licht zijn werkgever hierover in door middel van een getuigschrift waarin wordt bevestigd dat hij regelmatig ingeschreven is om een of verschillende bij deze afdeling bedoelde opleidingen te volgen. Hij deelt hem de voorziene afwezigheden mede. Hij verwittigt hem van het opgeven of het onderbreken van de opleidingen.
  Deze inlichtingen en dat getuigschrift worden meegedeeld binnen de termijn en volgens de regels bepaald [1 door de Regering]1.

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 24, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 113.§ 1. Het betaald educatief verlof wordt op het vlak van de onderneming gepland door de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, in gemeen overleg tussen de werkgever en de vakbondsafvaardiging van de onderneming of, bij ontstentenis hiervan, in gemeen overleg tussen de werkgever en de werknemers.
  (Bij de planning wordt rekening gehouden zowel met de vereisten inzake interne organisatie van de onderneming als met de specifieke belangen en situaties van iedere werknemer, hierbij moet er zoveel mogelijk over gewaakt worden dat de lesuren niet samenvallen met de arbeidsuren). De hierna volgende regels worden daarbij in acht genomen : <KB 1995-03-28/53, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  1° in de ondernemingen die minder dan 20 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van het totaal aantal werknemers; ten minste één werknemer moet evenwel de toestemming krijgen om wegens die reden afwezig te zijn;
  2° in de ondernemingen die 20 tot 50 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van de werknemers die dezelfde functie uitoefenen; ten minste één werknemer per functie moet evenwel de toestemming krijgen om wegens die reden afwezig te zijn.
  (3° in de ondernemingen die meer dan 50 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van de werknemers die dezelfde functie uitoefenen met dien verstande dat ten minste één werknemer per functie de toestemming moet krijgen om wegens die reden afwezig te zijn en op voorwaarde dat vooraf de ondernemingsraad of, bij ontstentenis van een akkoord in die raad, het bevoegde paritair comité, heeft vastgesteld wat onder " dezelfde functie " moet worden verstaan.) <W 1989-12-22/31, art. 147, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  Het aantal werknemers dat in aanmerking komt voor de toepassing van het tweede lid is dat van de driemaandelijkse aangifte die de werkgever op 30 september van het betrokken jaar aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid moet opsturen.
  (Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing wanneer de planning van de afwezigheden in de onderneming voorzien werd in een collectieve arbeidsovereenkomst, ondertekend door alle organisaties vertegenwoordigd in de syndicale afvaardiging in de ondernemingen met meer dan 100 werknemers, voor zover deze collectieve arbeidsovereenkomst gesloten werd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.) <W 1990-12-29/30, art. 176, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (De collectieve planning heeft voorrang op de individuele planning.) <W 1993-06-10/32, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  § 2. In geval van onvoorziene gebeurtenissen of van omstandigheden van dwingende aard kan, op gemotiveerd verzoek van de werkgever of van de werknemer, van de planning opgemaakt met toepassing van § 1, worden afgeweken; bijzondere regels inzake gebruikmaking van het betaald educatief verlof kunnen dan worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de werkgever en de betrokken werknemers die op hun verzoek kunnen worden bijgestaan door vakbondsafgevaardigden.
  § 3. In geval van blijvende onenigheid, worden de geschillen betreffende § 1 en § 2 van dit artikel aan de inspectie van de sociale wetten van de Administratie van de arbeidsbetrekkingen en -reglementering van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voorgelegd, die, wanneer haar verzoeningsopdracht mislukt, een beslissing zal nemen.
  § 4. De Koning kan, na het advies te hebben ingewonnen van de Nationale Arbeidsraad, andere regels inzake planning en verzoening vaststellen dan die bepaald bij dit artikel.
  
  Art. 113. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  § 1. Het betaald educatief verlof wordt op het vlak van de onderneming gepland door de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, in gemeen overleg tussen de werkgever en de vakbondsafvaardiging van de onderneming of, bij ontstentenis hiervan, in gemeen overleg tussen de werkgever en de werknemers.
  (Bij de planning wordt rekening gehouden zowel met de vereisten inzake interne organisatie van de onderneming als met de specifieke belangen en situaties van iedere werknemer, hierbij moet er zoveel mogelijk over gewaakt worden dat de lesuren niet samenvallen met de arbeidsuren). De hierna volgende regels worden daarbij in acht genomen : <KB 1995-03-28/53, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  1° in de ondernemingen die minder dan 20 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van het totaal aantal werknemers; ten minste één werknemer moet evenwel de toestemming krijgen om wegens die reden afwezig te zijn;
  2° in de ondernemingen die 20 tot 50 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van de werknemers die dezelfde functie uitoefenen; ten minste één werknemer per functie moet evenwel de toestemming krijgen om wegens die reden afwezig te zijn.
  (3° in de ondernemingen die meer dan 50 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van de werknemers die dezelfde functie uitoefenen met dien verstande dat ten minste één werknemer per functie de toestemming moet krijgen om wegens die reden afwezig te zijn en op voorwaarde dat vooraf de ondernemingsraad of, bij ontstentenis van een akkoord in die raad, het bevoegde paritair comité, heeft vastgesteld wat onder " dezelfde functie " moet worden verstaan.) <W 1989-12-22/31, art. 147, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  Het aantal werknemers dat in aanmerking komt voor de toepassing van het tweede lid is dat van de driemaandelijkse aangifte die de werkgever op 30 september van het betrokken jaar aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid moet opsturen.
  (Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing wanneer de planning van de afwezigheden in de onderneming voorzien werd in een collectieve arbeidsovereenkomst, ondertekend door alle organisaties vertegenwoordigd in de syndicale afvaardiging in de ondernemingen met meer dan 100 werknemers, voor zover deze collectieve arbeidsovereenkomst gesloten werd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.) <W 1990-12-29/30, art. 176, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (De collectieve planning heeft voorrang op de individuele planning.) <W 1993-06-10/32, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 10-07-1993>
  § 2. In geval van onvoorziene gebeurtenissen of van omstandigheden van dwingende aard kan, op gemotiveerd verzoek van de werkgever of van de werknemer, van de planning opgemaakt met toepassing van § 1, worden afgeweken; bijzondere regels inzake gebruikmaking van het betaald educatief verlof kunnen dan worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de werkgever en de betrokken werknemers die op hun verzoek kunnen worden bijgestaan door vakbondsafgevaardigden.
  § 3. In geval van blijvende onenigheid, worden de geschillen betreffende § 1 en § 2 van dit artikel aan de [2 Directie Gewestelijke werkgelegenheidsinspectie bij de Algemene Directie Brussel Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]2 voorgelegd, die, wanneer haar verzoeningsopdracht mislukt, een beslissing zal nemen.
  § 4. De Koning kan, na het advies te hebben ingewonnen van de [1 Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]1, andere regels inzake planning en verzoening vaststellen dan die bepaald bij dit artikel.

  ----------
  (1)<ORD 2015-07-02/06, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 20-07-2015>
  (2)<ORD 2015-07-02/06, art. 4, 061; Inwerkingtreding : 20-07-2015>

  Art. 114.§ 1. Het normale loon wordt berekend overeenkomstig de wetgeving betreffende de betaalde feestdagen.
  § 2. (De Koning kan, vanaf het schooljaar 2007-2008, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord, voor de schooljaren die beginnen tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord het bedrag bepalen waartoe, voor de toepassing van deze afdeling, het normale loon begrensd wordt.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord, kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en na advies van de Nationale Arbeidsraad, bepalen het bedrag bepalen waartoe, voor de toepassing van deze afdeling het normale loon begrensd wordt.) <W 2006-12-27/32, art. 197, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Hij bepaalt de regels inzake omrekening van de maandlonen in week-, dag- en uurlonen.
  (§ 3. In afwijking van § 2 is het bedrag waarop de normale bezoldiging begrensd is vastgelegd op [1 2.760 euro]1 voor de beroepsopleidingen wat betreft :
  1° de werknemers die ten minste 45 jaar oud zijn op 1 januari van het jaar waarin de opleiding gegeven wordt;
  2° de werknemers betrokken bij de sluiting van een onderneming, voor zover een collectieve arbeidsovereenkomst, zoals in de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wordt verstaan, dat een sociaal plan omvat, voorziet dat er een beroep gedaan wordt op het betaald educatief verlof.
  De Koning kan de beroepsopleidingen bedoeld in het eerste lid vaststellen en het bedrag wijzigen dat vastgelegd is in hetzelfde lid.) <W 2003-04-08/33, art. 57, 041; Inwerkingtreding : 01-05-2003>
  ----------
  (1)<KB 2013-11-07/03, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 115. De uren gedurende welke de werknemer afwezig is krachtens de bepalingen van deze onderafdeling, worden gelijkgesteld met werkelijke arbeidsuren voor de toepassing van de sociale wetgeving.

  Art. 116. § 1. Het voordeel van het betaald educatief verlof wordt alleen toegekend aan de werknemer die de cursussen met nauwgezetheid volgt.
  § 2. Het voordeel van het betaald educatief verlof wordt gedurende een periode van zes maanden niet meer toegekend aan de werknemer die in de cursussen ongewettigd afwezig was voor meer dan één tiende van de duur ervan.
  Deze periode vangt aan :
  1° wanneer de cursussen minder dan drie maanden duren, op de einddatum van die cursussen;
  2° wanneer de cursussen langer dan drie maanden duren, zonder echter bij wijze van schooljaar te zijn georganiseerd, op het einde van de periode van drie maanden tijdens welke een door het eerste lid bepaald ongewettigde afwezigheid werd vastgesteld;
  3° wanneer de cursussen bij wijze van schooljaar zijn georganiseerd, op het einde van het schoolkwartaal tijdens hetwelk een door het eerste lid bepaalde ongewettigde afwezigheid werd vastgesteld.
  § 3. Inzake opleidingen die geen regelmatige aanwezigheid van de betrokkenen impliceren, bepaalt de Koning de normen inzake nauwgezetheid waaraan de werknemer moet voldoen.

  Art. 116_VLAAMS_GEWEST.
  [1 § 1. Het voordeel van het Vlaams opleidingsverlof wordt alleen toegekend aan de werknemer die de opleiding nauwgezet volgt. De Vlaamse Regering bepaalt de normen voor de nauwgezetheid, de wijze van attestering door de opleidingsverstrekker en de procedure nader.
   § 2. Voor de opleidingen die geen regelmatige aanwezigheid van de betrokkenen vereisen, bepaalt de Vlaamse Regering de normen voor de nauwgezetheid waaraan de werknemer moet voldoen, de wijze van attestering door de opleidingsverstrekker of exameninstantie en de procedure nader.
   § 3. Het maximum aantal uren waarop de werknemer een beroep kan doen, vermeld in artikel 111, § 2, kan verminderd worden met 25% voor de werknemer die de opleiding, vermeld in paragraaf 1 en 2, niet nauwgezet volgt en die meer opleidingsverlof opneemt dan de uren waarop de werknemer recht heeft, vermeld in artikel 111, volgens de modaliteiten en de procedure bepaald door de Vlaamse Regering.
   § 4. Het maximum aantal uren waarop de werknemer een beroep kan doen, vermeld in artikel 111, § 2, kan verminderd worden met 25% voor de werknemer die de opleiding, vermeld in paragraaf 2, niet nauwgezet volgt volgens de modaliteiten en de procedure bepaald door de Vlaamse Regering.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 8, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 116_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   § 1. Het voordeel van het betaald educatief verlof wordt alleen toegekend aan de werknemer die de cursussen met nauwgezetheid volgt.
  § 2. Het voordeel van het betaald educatief verlof wordt gedurende een periode van zes maanden niet meer toegekend aan de werknemer die in de cursussen ongewettigd afwezig was voor meer dan één tiende van de duur ervan.
  Deze periode vangt aan :
  1° wanneer de cursussen minder dan drie maanden duren, op de einddatum van die cursussen;
  2° wanneer de cursussen langer dan drie maanden duren, zonder echter bij wijze van schooljaar te zijn georganiseerd, op het einde van de periode van drie maanden tijdens welke een door het eerste lid bepaald ongewettigde afwezigheid werd vastgesteld;
  3° wanneer de cursussen bij wijze van schooljaar zijn georganiseerd, op het einde van het schoolkwartaal tijdens hetwelk een door het eerste lid bepaalde ongewettigde afwezigheid werd vastgesteld.
  § 3. Inzake opleidingen die geen regelmatige aanwezigheid van de betrokkenen impliceren, bepaalt [1 de Regering]1 de normen inzake nauwgezetheid waaraan de werknemer moet voldoen.

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 25, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 117. Het voordeel van het betaald educatief verlof wordt niet meer toegekend :
  1° gedurende een periode van twaalf maanden, ingaande vanaf de dag waarop de feiten worden vastgesteld, aan de werknemer die tijdens zijn betaald educatief verlof een winstgevende activiteit als zelfstandige of als werknemer uitoefent;
  2° voor dezelfde cursus of voor hetzelfde cursusjaar, aan de werknemer die, nadat hij reeds tweemaal dezelfde cursus of datzelfde cursusjaar heeft gevolgd, het beoordelingsgetuigschrift niet heeft behaald, zonder dat deze dubbele mislukking kan toegeschreven worden aan omstandigheden buiten zijn wil.

  Art. 117_VLAAMS_GEWEST.
   Het voordeel van het betaald educatief verlof wordt niet meer toegekend :
  1° gedurende een periode van twaalf maanden, ingaande vanaf de dag waarop de feiten worden vastgesteld, aan de werknemer die tijdens zijn betaald educatief verlof een winstgevende activiteit als zelfstandige of als werknemer uitoefent;
  2° [1 aan de werknemer die meer dan twee keer dezelfde opleiding of hetzelfde opleidingsjaar volgt, tenzij het certificaat telkens niet werd behaald door overmacht. De Vlaamse Regering kan de gevallen van overmacht specificeren en een procedure bepalen.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 9, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 118. § 1. De werkgever mag de werknemer niet ontslaan vanaf het ogenblik waarop hij zijn aanvraag om van het betaald educatief verlof te genieten heeft ingediend overeenkomstig artikel 112, en dit tot op het einde van de opleiding, behalve om redenen die vreemd zijn aan die aanvraag.
  De werkgever dient te bewijzen dat zodanige redenen voorhanden zijn.
  § 2. De werknemer verliest het voordeel van de bescherming, ingesteld door dit artikel, gedurende de periode bedoeld bij artikel 117, 1°, en wanneer hij het normale verloop van zijn studiecyclus onderbreekt.
  § 3. Wanneer de aangevoerde ontslagredenen niet vreemd zijn aan de aanvraag van de werknemer of wanneer er geen redenen zijn aangevoerd, betaalt de werkgever aan de werknemer een vergoeding gelijk aan drie maanden loon, onverminderd de vergoedingen die in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer verschuldigd zijn.

  Art. 119. De werknemer die op het werk afwezig is en ten onrechte het voordeel van het recht op betaald educatief verlof inroept, kan voor die afwezigheid de uitbetaling van zijn normaal loon niet eisen.
  Wanneer het bedrog van de werknemer pas vastgesteld wordt nadat deze zijn normaal loon reeds ontvangen heeft, kan de werkgever de terugbetaling eisen van dat loon (...). <W 1989-12-22/31, art. 148, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 119bis. (Opgeheven) <W 1998-02-10/33, art. 58, 026; Inwerkingtreding : 21-08-1998>

  Onderafdeling 3. - Verdeling van de lasten.

  Art. 120.<KB 1995-03-28/53, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> De werkgevers kunnen bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid de terugbetaling verkrijgen van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, (...), binnen de termijnen en overeenkomstig de overige voorwaarden en modaliteiten terzake door de Koning bepaald, (...). <W 2001-09-05/32, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  (...) <W 2001-09-05/32, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  (De Koning kan, ten vroegste met ingang van het schooljaar 2006-2007, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in de voorwaarden en modaliteiten die hij bepaalt, de terugbetaling tot een forfaitair bedrag beperken dat kan variëren in functie van de leeftijd van de werknemer.) <W 2005-12-27/30, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  (De Koning kan, in afwijking van de vorige leden en ten vroegste voor de opleidingen gevolgd vanaf het schooljaar 2005-2006, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden en modaliteiten die hij bepaalt, de terugbetaling beperken tot een forfaitair bedrag dat kan variëren naargelang het type opleiding.
  Voor de toepassing van het voorgaand lid, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord, tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord :
  1° wat dient te worden verstaan onder type van opleiding;
  2° welk percentage van het in het begrotingsjaar beschikbare middelen aan elk type van opleiding wordt toegewezen.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord zoals bedoeld in het voorgaande lid bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Nationale Arbeidsraad :
  1° wat dient te worden verstaan onder type van opleiding;
  2° welk percentage van het in het begrotingsjaar beschikbare middelen aan elk type van opleiding wordt toegewezen.) <W 2006-12-27/32, art. 198, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 120_VLAAMS_GEWEST.
  [1 De werkgevers kunnen bij het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie de terugbetaling verkrijgen van de uren betaald educatief verlof binnen de termijnen en overeenkomstig de overige voorwaarden en modaliteiten die ter zake door de Vlaamse Regering zijn bepaald. De Vlaamse Regering kan de terugbetaling beperken tot een forfaitair bedrag.]1
  

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 23, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 120_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <KB 1995-03-28/53, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> [1 De werkgevers kunnen de terugbetaling van de lonen met betrekking tot het betaald educatief verlof verkrijgen binnen de voorwaarden die de Regering bepaalt en binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen.]1
  (...) <W 2001-09-05/32, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  [1 ...]1
  ([1 De Regering kan de terugbetaling beperken tot een forfaitair bedrag dat kan variëren naargelang het type opleiding.]1
  [1 Voor de toepassing van het voorgaand lid bepaalt de Regering:]1
  1° wat dient te worden verstaan onder type van opleiding;
  2° welk percentage van het in het begrotingsjaar beschikbare middelen aan elk type van opleiding wordt toegewezen.
  [1 ...]1) <W 2006-12-27/32, art. 198, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 26, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 120_WAALS_GEWEST.
   <KB 1995-03-28/53, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> De werkgevers kunnen bij [1 l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi]1 de terugbetaling verkrijgen van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, (...), binnen de termijnen en overeenkomstig de overige voorwaarden en modaliteiten terzake door de Koning bepaald, (...). <W 2001-09-05/32, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  (...) <W 2001-09-05/32, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  (De Koning kan, ten vroegste met ingang van het schooljaar 2006-2007, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in de voorwaarden en modaliteiten die hij bepaalt, de terugbetaling tot een forfaitair bedrag beperken dat kan variëren in functie van de leeftijd van de werknemer.) <W 2005-12-27/30, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  (De Koning kan, in afwijking van de vorige leden en ten vroegste voor de opleidingen gevolgd vanaf het schooljaar 2005-2006, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden en modaliteiten die hij bepaalt, de terugbetaling beperken tot een forfaitair bedrag dat kan variëren naargelang het type opleiding. [2 Het vaste bedrag wordt bepaald op grond van de beschikbare begrotingskredieten. Als die begrotingskredieten overschreden dreigen te worden, kan hij, na dringend advies van de " Conseil économique et social de Wallonie " en van de Commissie bedoeld in artikel 110, de nodige maatregelen nemen om het begrotingsevenwicht te handhaven.]2
  Voor de toepassing van het voorgaand lid, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord, tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord :
  1° wat dient te worden verstaan onder type van opleiding;
  2° welk percentage van het in het begrotingsjaar beschikbare middelen aan elk type van opleiding wordt toegewezen.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord zoals bedoeld in het voorgaande lid bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de [2 Conseil économique et social de Wallonie]2 :
  1° wat dient te worden verstaan onder type van opleiding;
  2° welk percentage van het in het begrotingsjaar beschikbare middelen aan elk type van opleiding wordt toegewezen.) <W 2006-12-27/32, art. 198, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 19,1°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<DWG 2016-04-28/08, art. 19,2°,3°, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>

  Art. 120_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <KB 1995-03-28/53, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995> De werkgevers kunnen bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid de terugbetaling verkrijgen van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, (...), binnen de termijnen en overeenkomstig de overige voorwaarden en modaliteiten terzake door de Koning bepaald, (...) [2 die, wat de toepassing van het derde lid, tweede zin, betreft, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in acht nemen ten aanzien van de betrokken aanvragers]2. <W 2001-09-05/32, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  (...) <W 2001-09-05/32, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  (De Koning kan, ten vroegste met ingang van het schooljaar 2006-2007, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in de voorwaarden en modaliteiten die hij bepaalt, de terugbetaling tot een forfaitair bedrag beperken dat kan variëren in functie van de leeftijd van de werknemer.) <W 2005-12-27/30, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  (De Koning kan, in afwijking van de vorige leden en ten vroegste voor de opleidingen gevolgd vanaf het schooljaar 2005-2006, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden en modaliteiten die hij bepaalt, de terugbetaling beperken tot een forfaitair bedrag dat kan variëren naargelang het type opleiding. [2 Het forfaitaire bedrag wordt bepaald in functie van de beschikbare begrotingskredieten. Bij overschrijding of dreigende overschrijding van die begrotingskredieten kan hij, na dringend advies van de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Commissie als bedoeld in artikel 110, de nodige initiatieven nemen om het budgettaire evenwicht te vrijwaren.]2
  Voor de toepassing van het voorgaand lid, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord, tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord :
  1° wat dient te worden verstaan onder type van opleiding;
  2° welk percentage van het in het begrotingsjaar beschikbare middelen aan elk type van opleiding wordt toegewezen.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord zoals bedoeld in het voorgaande lid bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de [1 Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]1 :
  1° wat dient te worden verstaan onder type van opleiding;
  2° welk percentage van het in het begrotingsjaar beschikbare middelen aan elk type van opleiding wordt toegewezen.) <W 2006-12-27/32, art. 198, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  ----------
  (1)<ORD 2015-07-02/06, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 20-07-2015>
  (2)<ORD 2015-07-02/06, art. 5, 061; Inwerkingtreding : 20-07-2015>
  

  Art. 121.<W 2006-12-27/32, art. 199, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De kosten verbonden aan de in artikel 120 bedoelde terugbetaling aan de werkgevers worden deels gedragen door de werkgevers en deels door de Belgische Staat, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
  § 2. Voor het deel ten laste van de werkgevers, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkgevers een bijdrage opleggen [2 , voor een periode die afloopt op 31 december 2014]2.
  Het bedrag van die bijdrage wordt vastgesteld op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de bijdrage, na advies van de Nationale Arbeidsraad.
  (In de loop van de maand september van elk jaar raamt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, op basis van de overeenkomstig de vorige leden vastgestelde bijdrage, de voor het volgend kalenderjaar vermoedelijke opbrengst van die bijdrage.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 1°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 3. Het aandeel van de Belgische Staat wordt elk kalenderjaar vastgesteld op hetzelfde bedrag als dit geraamd overeenkomstig § 2, laatste lid.
  (In afwijking van het voorgaande lid wordt het aandeel van de Belgische Staat voor het kalenderjaar 2007 vastgesteld op 84.360.000 euro.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 2°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [1 In afwijking van het eerste lid wordt het aandeel van de Belgische Staat voor het kalenderjaar 2011 verminderd met 30 miljoen euro.]1
  § 4. Het overeenkomstig de voorgaande paragrafen in elk kalenderjaar vastgesteld globaal bedrag wordt ingeschreven in de begroting van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de vereffening van de schuldvorderingen van de werkgevers met betrekking tot het betaald educatief verlof, met toepassing van artikel 7, § 1, derde lid, h, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  (Het in het vorig lid bedoelde globaal bedrag wordt in de jaren 2007 en 2008 verhoogd met het bedrag van de renteloze lening vanwege het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, toegekend in uitvoering van afdeling 2 van Hoofdstuk VI van Titel II van de wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 3°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (§ 5. (Het overeenkomstig de voorgaande paragrafen in elk kalenderjaar vastgesteld globaal bedrag wordt, vanaf het kalenderjaar 2009, aangewend voor de terugbetalingen van de schuldvorderingen die betrekking hebben op het schooljaar dat eindigt het kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar.) <W 2008-12-22/33, art. 199, 051; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  Het overeenkomstig de voorgaande paragrafen in elk kalenderjaar vastgesteld globaal bedrag wordt, voor de kalenderjaren 2007 en 2008, aangewend voor de terugbetalingen die betrekking hebben op de schooljaren voorafgaand aan het schooljaar 2007-2008.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere voorwaarden en modaliteiten bepalen met betrekking tot de uitvoering van de vorige leden.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 4°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 101, 052; Inwerkingtreding : 09-01-2010>
  (2)<W 2014-04-25/77, art. 58, 059; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 121_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2018-10-12/10, art. 10, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>

  Art. 121_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 27, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  
Art. 121_WAALS_GEWEST.
   <W 2006-12-27/32, art. 199, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De kosten verbonden aan de in artikel 120 bedoelde terugbetaling aan de werkgevers worden deels gedragen door de werkgevers en deels door de Belgische Staat, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
  § 2. Voor het deel ten laste van de werkgevers, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkgevers een bijdrage opleggen [2 , voor een periode die afloopt op 31 december 2014]2.
  Het bedrag van die bijdrage wordt vastgesteld op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord.
  Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de bijdrage, na advies van de Nationale Arbeidsraad.
  (In de loop van de maand september van elk jaar raamt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, op basis van de overeenkomstig de vorige leden vastgestelde bijdrage, de voor het volgend kalenderjaar vermoedelijke opbrengst van die bijdrage.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 1°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 3. Het aandeel van de Belgische Staat wordt elk kalenderjaar vastgesteld op hetzelfde bedrag als dit geraamd overeenkomstig § 2, laatste lid.
  (In afwijking van het voorgaande lid wordt het aandeel van de Belgische Staat voor het kalenderjaar 2007 vastgesteld op 84.360.000 euro.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 2°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [1 In afwijking van het eerste lid wordt het aandeel van de Belgische Staat voor het kalenderjaar 2011 verminderd met 30 miljoen euro.]1
  § 4. Het overeenkomstig de voorgaande paragrafen in elk kalenderjaar vastgesteld globaal bedrag wordt ingeschreven in de begroting van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voor de vereffening van de schuldvorderingen van de werkgevers met betrekking tot het betaald educatief verlof, met toepassing van artikel 7, § 1, derde lid, h, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  (Het in het vorig lid bedoelde globaal bedrag wordt in de jaren 2007 en 2008 verhoogd met het bedrag van de renteloze lening vanwege het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, toegekend in uitvoering van afdeling 2 van Hoofdstuk VI van Titel II van de wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 3°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (§ 5. [3 De begrotingskredieten die jaarlijks op de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest uitgetrokken worden en waarvan het bedrag in de begroting van de " Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi " opgenomen wordt met het oog op de terugbetaling bedoeld in artikel 120, worden aangewend voor de terugbetalingen van de schuldvorderingen betreffende de betaalde educatieve verloven i.v.m. de opleidingen die plaatsvinden in de loop van het schooljaar, grote zomervakantie inbegrepen, dat verstrijkt in de loop van het kalenderjaar dat aan het begrotingsjaar voorafgaat, ongeacht of de opleidingen al dan niet in schooljaar georganiseerd worden.]3 ) <W 2008-12-22/33, art. 199, 051; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [3 ...]3
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere voorwaarden en modaliteiten bepalen met betrekking tot de uitvoering [3 van het vorige lid]3.) <W 2007-05-17/48, art. 18, 4°, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  
----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 101, 052; Inwerkingtreding : 09-01-2010>
  (2)<W 2014-04-25/77, art. 58, 059; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<DWG 2016-04-28/08, art. 20, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>
  

  Art. 122. (lid opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 200, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (De bijdragen, verschuldigd krachtens artikel 121) zijn te betalen volgens de nadere regels en binnen de termijnen die door de Koning worden vastgesteld, respectievelijk aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, aan het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers of aan de (Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden) naargelang de bijdrageplichtige werkgevers onder toepassing vallen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en ermede gelijkgestelden, of van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij. (De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de werkgevers van de sectoren die gelegenheidswerknemers tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 en voor de categorieën werknemers die Hij bepaalt, vrijstellen van deze bijdrage.) <KB 1995-05-19/56, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 13-08-1995> <W 2006-12-27/32, art. 200, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2007> <W 2007-04-27/35, art. 46, 049; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  De niet-betaling binnen de aldus vastgestelde termijnen brengt de toepassing mede van de bijdrageopslagen en van de nalatigheidsintresten, berekend volgens dezelfde bedragen en onder dezelfde voorwaarden als die welke vastgesteld zijn door de voornoemde wet van 27 juni 1969 en de besluitwetten van 10 januari 1945 en 7 februari 1945 en door hun uitvoeringsbesluiten.

  Art. 122_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2018-10-12/10, art. 10, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>

  Art. 123. De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers en de (Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden) maken de opbrengst van de bij het artikel 122, eerste en derde lid, bedoelde bijdragen, bijdrageopslagen en nalatigheidsintresten over (aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening), na aftrek van de bedragen die nodig zijn om de administratiekosten te dekken die voortspruiten uit de toepassing van dit artikel. <KB 1995-05-19/56, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 13-08-1995> <W 2001-07-19/38, art. 20, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en de inningsinstellingen stellen het bedrag van de administratiekosten in gemeen overleg vast.

  Art. 123_VLAAMS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DVR 2018-10-12/10, art. 10, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>

  Art. 123_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <Opgeheven bij DDG 2016-04-25/10, art. 27, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>


  Onderafdeling 4. - Toezicht en strafbepalingen.

  Onderafdeling 4. BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. - Toezicht en strafbepalingen [1 , strafbepalingen en administratieve geldboeten]1.
  ----------
  (1)<ORD 2015-07-09/04, art. 33, 067; Inwerkingtreding : 01-09-2016 (BESL 2016-07-14/05, art. 10,1°)>

  1. Toezicht.

  Art. 124.[1 De inbreuken op de bepalingen van deze afdeling en van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
   De sociaal inspecteurs beschikken over de in de artikelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-06/06, art. 69, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 124_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   [1 De daartoe door de Regering aangewezen personen mogen alle onderzoeken, controles en opsporingen uitvoeren en alle inlichtingen verzamelen die zij noodzakelijk achten om zich te vergewissen dat de bepalingen van deze afdeling en van de uitvoeringsbesluiten ervan nageleefd worden.]1
  

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 28, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 124_WAALS_GEWEST.
   [1 De controle en het toezicht op de naleving van afdeling 6 en van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende het tewerkstellingsbeleid.]1
  

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 21, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>

  Art. 124_VLAAMS_GEWEST.
   [1 Het toezicht en de controle op de uitvoering van hoofdstuk IV, afdeling 6, van deze wet [2 , met uitzondering van de bepalingen van artikel [3 113,]3 115, 118 en 119,]2 en de uitvoeringsbesluiten ervan verlopen conform het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.]1

  ----------
  (1)<DVR 2015-04-24/05, art. 6, 060; Inwerkingtreding : 01-05-2015>
  (2)<DVR 2016-12-23/67, art. 24, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (3)<DVR 2017-07-07/19, art. 3, 071; Inwerkingtreding : 11-08-2017>

  Art. 124_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 De door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen ambtenaren controleren de uitvoering van deze afdeling en de uitvoeringsmaatregelen daarvan, en houden toezicht op de naleving ervan.
   Deze ambtenaren oefenen die controle of dit toezicht uit in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-07-09/17, art. 21, 065; Inwerkingtreding : 01-08-2016 (BESL 2016-06-09/15, art. 42, 1°)>

  Art. 125.
  <Opgeheven door W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 126. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 127. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 128. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 129. (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 215, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 130. De Koning kan de inrichtingshoofden en de verantwoordelijken voor het onderwijs in de bij artikel 109 bedoelde organisaties, bezocht door personen die het voordeel van deze afdeling genieten, verplichten documenten en inlichtingen betreffende het verloop van het onderwijs bij te houden en te verstrekken.

  Art. 130_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   [1 De Regering]1 kan de inrichtingshoofden en de verantwoordelijken voor het onderwijs in de bij artikel 109 bedoelde organisaties, bezocht door personen die het voordeel van deze afdeling genieten, verplichten documenten en inlichtingen betreffende het verloop van het onderwijs bij te houden en te verstrekken.

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 29, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  2. Strafbepalingen.

  2. Strafbepalingen [1 en administratieve geldboeten]1._ BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  ----------
  (1)<ORD 2015-07-09/04, art. 34, 067; Inwerkingtreding : 01-09-2016 (BESL 2016-07-14/05, art. 10,1°)>

  Art. 131.
  <Opgeheven door W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 131_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een strafrechtelijke geldboete van 125 tot 1250 euro, of met een van die straffen alleen : de personen die onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd met het oog op de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van deze wet.
   Voor de inbreuken, vermeld in het eerste lid, die werden begaan door de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 11, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 131_WAALS_GEWEST.
   [1 § 1. Met een administratieve geldboete van tien tot honderd euro wordt bestraft, eenieder die onjuiste inlichtingen verschaft met het oog op de toepassing van de regels betreffende het betaald educatief verlof vermeld in onderhavige afdeling en in de uitvoeringsmaatregelen van deze wet.
   § 2. De geldboete als bedoeld in paragraaf 1 wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.
   § 3. De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdécimes op de strafrechtelijke geldboeten zijn ook toepasselijk op de administratieve geldboeten bedoeld in dit artikel. De bevoegde administratie vermeldt in haar beslissing de vermenigvuldiging krachtens voornoemde wet van 5 maart 1952 alsook het getal dat uit de verhoging resulteert.
   § 4. Bij herhaling in de loop van het jaar na een administratieve beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd, kan het bedrag van de de administratieve geldboete op het dubbele van het maximum gebracht worden. Die termijn van een jaar gaat in de dag waarop de administratieve beslissing niet meer het voorwerp van een beroep kan uitmaken.
   De termijn wordt gerekend van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste, vanaf de dag na die van de handeling of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan.
   § 5. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers werden veroordeeld krachtens deze afdeling.]1
  

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 22, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>
  

  Art. 131_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 § 1. Met een administratieve geldboete van 10 tot 100 euro wordt bestraft, eenieder die onjuiste inlichtingen verschaft met het oog op de toepassing van de regels betreffende het educatief verlof vermeld in onderhavige afdeling en in de uitvoeringsmaatregelen van deze wet.
   § 2. Met een administratieve geldboete van 10 tot 100 euro wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die, in strijd met onderhavige afdeling 6, een werknemer die naar behoren een aanvraag tot educatief verlof heeft ingediend, het recht weigert afwezig te zijn met het oog op het volgen van de cursus.
   § 3. De geldboete als bedoeld in §§ 1 en 2 wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-07-09/17, art. 22, 065; Inwerkingtreding : 01-08-2016 (BESL 2016-06-09/15, art. 42, 1°)>

  Art. 132.<Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 132_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met een geldboete van 250 euro tot 2500 euro, of met een van die straffen alleen :
   1° de personen die wetens en willens onjuiste of onvolledige verklaringen hebben afgelegd met het oog op de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van deze wet;
   2° de personen die wetens en willens hebben nagelaten of geweigerd om noodzakelijke verklaringen af te leggen of de inlichtingen te verstrekken die ze moeten verstrekken, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van deze wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden;
   3° de personen die wetens en willens de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van deze wet, ten onrechte hebben verkregen of behouden waarop ze geen of maar gedeeltelijk recht hebben, door onjuiste of onvolledige verklaringen af te leggen, of door na te laten of te weigeren om noodzakelijke verklaringen af te leggen of inlichtingen te verstrekken;
   4° de personen die, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van deze wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
   a) valsheid in geschrifte hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of in een akte in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die in de akte opgenomen of vastgesteld moeten worden;
   b) zich bediend hebben van een valse akte of een vals stuk, terwijl ze wisten dat de gebruikte akte of het gebruikte stuk vals was;
   5° de personen die, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van deze wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden :
   a) bedrog hebben gepleegd door gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een informaticasysteem, in te brengen in een informaticasysteem, te wijzigen of te wissen, of met een ander technologisch middel de mogelijke aanwending van gegevens in een informaticasysteem te veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert;
   b) hebben gebruikgemaakt van die gegevens, terwijl ze weten dat de aldus verkregen gegevens vals zijn;
   6° de personen die, om de toepassing van de regels van het Vlaams opleidingsverlof, vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van deze wet, ten onrechte te verkrijgen of te doen verkrijgen, te behouden of te doen behouden, hebben gebruikgemaakt van valse namen, valse hoedanigheden of valse adressen of die een andere frauduleuze handeling hebben gesteld om te doen geloven in het bestaan van een fictieve persoon, een fictieve onderneming of een fictieve gebeurtenis, of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen.
   Voor de inbreuken, vermeld in het eerste lid, die werden begaan door de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, wordt de geldboete vermenigvuldigd met het aantal werknemers dat betrokken is bij de inbreuk. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 12, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 132_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  [1 De bepalingen van de ordonnantie van [...] houdende geharmoniseerde regels betreffende de administratieve geldboeten bepaald bij de wetgeving op het vlak van werkgelegenheid en economie zijn van toepassing op de administratieve geldboeten bepaald in deze onderafdeling.]1
  
----------
  (1)<ORD 2015-07-09/04, art. 35, 067; Inwerkingtreding : 01-09-2016 (BESL 2016-07-14/05, art. 10,1°)>
  

  Art. 133.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 133_VLAAMS_GEWEST.
  [1 In geval van herhaling binnen vijf jaar kan de maximale straf, vermeld in artikel 131 en 132, op het dubbele van het maximum worden gebracht.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 13, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 134.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 134_VLAAMS_GEWEST.
  [1 De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 14, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 135.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 135_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Onrechtmatig ontvangen vergoedingen of betalingen worden ambtshalve teruggevorderd.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de terugvordering van de onrechtmatig ontvangen vergoedingen of betalingen.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 15, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 136.
  <Opgeheven bij W 2010-06-06/06, art. 109, 34°, 055; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Art. 136_VLAAMS_GEWEST.
  [1 Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, uitgezonderd hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de bij deze wet vastgestelde overtredingen. In geval van herhaling is artikel 85 van het Strafwetboek niet van toepassing.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 16, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Onderafdeling 5. - Verjaring.

  Art. 137. De rechtsvorderingen die de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers en de (Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden) kunnen instellen tegen werkgevers wegens het niet-betalen van de bijdragen, de bijdrageopslagen en de nalatigheidsinteresten binnen de opgelegde termijnen, verjaren na verloop van (drie jaar). <KB 1995-05-19/56, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 13-08-1995> <W 1999-12-24/36, art. 100, 031; Inwerkingtreding : 01-04-1997> <W 2005-07-03/46, art. 42, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De rechtsvorderingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bijdragen, die tegen de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers en de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag zijn ingesteld, verjaren na verloop van (drie jaar), die ingaan op de betaaldatum. <W 2005-07-03/46, art. 42, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De rechtsvorderingen van de werknemers tegen de werkgevers in verband met het toekennen van het betaald educatief verlof verjaren na verloop van drie jaren, die ingaan op de datum waarop het recht is ontstaan.
  De rechtsvorderingen die, met toepassing van artikel 119, tweede lid, door de werkgevers kunnen worden ingesteld tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, verjaren na verloop van drie jaren, die ingaan op de betaaldatum.

  Art. 137_VLAAMS_GEWEST.
   De rechtsvorderingen die de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers en de (Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden) kunnen instellen tegen werkgevers wegens het niet-betalen van de bijdragen, de bijdrageopslagen en de nalatigheidsinteresten binnen de opgelegde termijnen, verjaren na verloop van (drie jaar). <KB 1995-05-19/56, art. 11, 022; Inwerkingtreding : 13-08-1995> <W 1999-12-24/36, art. 100, 031; Inwerkingtreding : 01-04-1997> <W 2005-07-03/46, art. 42, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De rechtsvorderingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bijdragen, die tegen de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers en de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag zijn ingesteld, verjaren na verloop van (drie jaar), die ingaan op de betaaldatum. <W 2005-07-03/46, art. 42, 043; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De rechtsvorderingen van de werknemers tegen de werkgevers in verband met het toekennen van het betaald educatief verlof verjaren na verloop van drie jaren, die ingaan op de datum waarop het recht is ontstaan.
  De rechtsvorderingen die, met toepassing van artikel 119, tweede lid, door de werkgevers kunnen worden ingesteld tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, verjaren na verloop van drie jaren, die ingaan op de betaaldatum.
  [1 De rechtsvorderingen die ontstaan uit de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaren na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.]1

  ----------
  (1)<DVR 2018-10-12/10, art. 17, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
  

  Art. 137bis. <ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 149, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990> § 1. Het recht van de werkgever om terugbetaling te verkrijgen van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, zoals bepaald in artikel 120, en waarvoor de schuldvorderingen met betrekking tot de bewuste betalingen en stortingen niet werden ingediend volgens de nadere regelen vastgesteld door de Koning, binnen een termijn van (twee jaar) te rekenen vanaf 1 januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij ontstonden, vervalt. <KB 1995-03-28/53, art. 6, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  (De in het vorige lid bedoelde termijn van twee jaar wordt vanaf het schooljaar 2006-2007 herleid tot anderhalf jaar.) <W 2007-05-17/48, art. 17, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Voor de toepassing van deze paragraaf, worden de schuldvorderingen betreffende het betaald educatief verlof, toegekend in de loop van een opleiding, geacht ontstaan te zijn de laatste dag van de opleiding of, wanneer de opleiding zich uitstrekt over meerdere jaren, de laatste dag van elk jaar van de opleiding.
  § 2. Vervallen zijn de vorderingen in terugbetaling welke door de Minister niet betaalbaar zijn gesteld binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin ze zijn ingediend.

  Art. 137bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
   <ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 149, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990> § 1. Het recht van de werkgever om terugbetaling te verkrijgen van de lonen en de sociale bijdragen met betrekking tot het betaald educatief verlof, zoals bepaald in artikel 120, en waarvoor de schuldvorderingen met betrekking tot de bewuste betalingen en stortingen niet werden ingediend volgens de nadere regelen vastgesteld door de Koning, binnen een termijn van (twee jaar) te rekenen vanaf 1 januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij ontstonden, vervalt. <KB 1995-03-28/53, art. 6, 021; Inwerkingtreding : 01-09-1995>
  (De in het vorige lid bedoelde termijn van twee jaar wordt vanaf het schooljaar 2006-2007 herleid tot anderhalf jaar.) <W 2007-05-17/48, art. 17, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [1 De termijn, vermeld in het eerste lid, bedraagt één jaar vanaf het schooljaar 2017-2018.]1
  Voor de toepassing van deze paragraaf, worden de schuldvorderingen betreffende het betaald educatief verlof, toegekend in de loop van een opleiding, geacht ontstaan te zijn de laatste dag van de opleiding of, wanneer de opleiding zich uitstrekt over meerdere jaren, de laatste dag van elk jaar van de opleiding.
  § 2. Vervallen zijn de vorderingen in terugbetaling welke door de Minister niet betaalbaar zijn gesteld binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin ze zijn ingediend.

  ----------
  (1)<ORD 2018-06-14/01, art. 2, 074; Inwerkingtreding : 01-06-2018>
  

  Art. 137bis_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 149, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990> § 1. [1 Het recht van de werkgever om terugbetaling te verkrijgen van de lonen met betrekking tot het betaald educatief verlof, zoals bepaald in artikel 120, en waarvoor de schuldvorderingen met betrekking tot de bewuste betalingen en stortingen niet werden ingediend volgens de nadere regelen vastgesteld door de Regering, binnen een termijn van anderhalf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij ontstonden, vervalt.]1
  [1 ...]1
  Voor de toepassing van deze paragraaf, worden de schuldvorderingen betreffende het betaald educatief verlof, toegekend in de loop van een opleiding, geacht ontstaan te zijn de laatste dag van de opleiding of, wanneer de opleiding zich uitstrekt over meerdere jaren, de laatste dag van elk jaar van de opleiding.
  § 2. [1 ...]1

  ----------
  (1)<DDG 2016-04-25/10, art. 30, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 137bis_WAALS_GEWEST.
   [1 § 1. Het recht van de werkgever op de terugbetaling bedoeld in artikel 120 en waarvoor de schuldvorderingen met betrekking tot die terugbetaling niet werden ingediend volgens de nadere regelen vastgesteld door de Regering, vervalt op 30 juni van het jaar dat volgt op het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvorderingen zijn ontstaan.
   Vanaf het schooljaar 2016-2017 vervalt het recht bedoeld in het vorige lid op 31 maart van het jaar dat volgt op het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvorderingen zijn ontstaan.
   § 2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden de schuldvorderingen betreffende de in artikel 120 bedoelde terugbetaling inzake het betaald educatief verlof toegekend voor een in schooljaar georganiseerde opleiding geacht te zijn ontstaan op de laatste dag van de opleiding of, wanneer de opleiding zich over verschillende jaren spreidt, op de laatste dag van elk opleidingsjaar.
   Voor de toepassing van paragraaf 1 worden de schuldvorderingen betreffende de in artikel 120 bedoelde terugbetaling inzake het betaald educatief verlof toegekend voor een opleiding die niet in schooljaar georganiseerd wordt en die in de loop van hetzelfde schooljaar plaatsvindt, grote zomervakantie inbegrepen, geacht te zijn ontstaan op de laatste dag van het schooljaar in de loop waarvan ze eindigt.
   Voor de toepassing van paragraaf 1 worden de schuldvorderingen betreffende de in artikel 120 bedoelde terugbetaling inzake uren betaald educatief verlof toegekend voor een opleiding die niet in schooljaar georganiseerd wordt en die in de loop van opeenvolgende schooljaren plaatsvindt, opgesplitst naar gelang van het schooljaar in de loop waarvan de uren betaald educatief verlof gebruikt werden, en worden ze geacht te zijn ontstaan op de laatste dag van het schooljaar in de loop waarvan de uren betaald educatief verlof gebruikt worden.]1

  ----------
  (1)<DWG 2016-04-28/08, art. 23, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>

  Art. 137bis_VLAAMS_GEWEST.
   [1 § 1. [2 Om de terugbetaling te verkrijgen van de uren Vlaams opleidingsverlof, vermeld in artikel 120, dient de werkgever de aanvraag in binnen een termijn en volgens de procedure die de Vlaamse Regering bepaalt.]2]1
  § 2. Vervallen zijn de vorderingen in terugbetaling welke door de Minister niet betaalbaar zijn gesteld binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin ze zijn ingediend.

  ----------
  (1)<DVR 2016-12-23/67, art. 25, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<DVR 2018-10-12/10, art. 18, 075; Inwerkingtreding : 01-09-2019>

  Onderafdeling 5bis_WAALS_GEWEST. [1 - Verwerking van de persoonsgegevens]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2016-04-28/08, art. 24, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>

  Art. 137ter_WAALS_GEWEST.
   [1 De persoonsgegevens van de werknemers die het betaald educatief verlof genieten en deelnemen aan de opleidingen bedoeld in artikel 109, die door de hoofden van de onderwijsinrichtingen of de in artikel 109 bedoelde verantwoordelijken van de organisaties of hun afgevaardigden aan de Diensten van de Regering overgemaakt worden via rapporten m.b.t. de evaluatie van de door de erkenningscommissie erkende opleidingen, worden verwerkt overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.]1

  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DWG 2016-04-28/08, art. 25, 063; Inwerkingtreding : 21-05-2016>

  Onderafdeling 5bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. - [1 Handhaving.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-10-08/02, art. 8, 066; Inwerkingtreding : 01-06-2016 (BESL 2016-04-14/08, art. 16, 1°)>

  Art. 137ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
  - [1 De bepalingen van de ordonnantie van [...] houdende algemene regels betreffende de inhouding, de terugvordering en de niet-vereffening van subsidies op het vlak van werkgelegenheid en economie zijn van toepassing op de terugbetaling van de lonen en de sociale bijdragen als bedoeld in artikel 120.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2015-10-08/02, art. 8, 066; Inwerkingtreding : 01-06-2016 (BESL 2016-04-14/08, art. 16, 1°)>

  Onderafdeling 6. - Slotbepalingen.

  1. Wijzigings- en opheffingsbepalingen.

  Art. 138. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 139. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 140. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 142 en 143 van deze afdeling, en met uitzondering van haar artikel 25, worden de wet van 10 april 1973 waarbij aan de werknemers kredieturen worden toegekend met het oog op hun sociale promotie, en haar uitvoeringsbesluiten, opgeheven.

  2. Overgangsbepalingen.

  Art. 141. Op het betaald educatief verlof kunnen geen aanspraak maken :
  1° de werknemers die voor dezelfde cursussen om de toekenning verzoeken van de vergoeding, bedoeld bij artikel 1, 1°, van de wet van 1 juli 1963 houdende toekenning van een vergoeding voor sociale promotie;
  2° de werknemers die voor éénzelfde cursussencyclus om de toekenning verzoeken van de vergoeding, bedoeld bij artikel 1, 2°, van dezelfde wet.

  Art. 142. De werknemers die op de datum van het in werking treden van deze afdeling, niet volledig de kredieturen hebben gebruikt waarop zij aanspraak kunnen maken krachtens de wet van 10 april 1973 waarbij aan de werknemers kredieturen worden toegekend met het oog op hun sociale promotie, kunnen voornoemde kredieturen gebruiken tot op het einde van het lopend schooljaar.
  In dit geval, kunnen zij voor ditzelfde schooljaar geen aanspraak maken op het voordeel van de bepalingen van deze afdeling.

  Art. 143. <W 1989-12-22/31, art. 150, 013; Inwerkingtreding : 09-01-1990> In afwijking van artikel 137bis, § 1, vervalt het recht van de werkgever ontstaan in 1986 op 1 januari 1991 en dat ontstaan in respectievelijk de jaren 1987 en 1988, op 1 januari 1992.

  3. Inwerkingtreding.

  Art. 144. De Koning bepaalt de datum waarop deze afdeling in werking treedt.

  AFDELING 7. - Arbeidsduur voor jeugdige werknemers.

  Art. 145. <wijzigingsbepaling>.

  AFDELING 8. - Herintegratiepremie voor personen van vreemde nationaliteit.

  Art. 146. § 1. Een herintegratiepremie wordt op zijn verzoek toegekend aan de persoon van vreemde nationaliteit die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet onderworpen is aan de visumverplichting en die sedert meer dan een jaar in de hoedanigheid verkeert van uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, op voorwaarde dat de bloed- en aanverwanten die met hem samenleven en te zijnen laste zijn hem vergezellen, hetzij naar zijn land van oorsprong, hetzij naar een ander land, met uitzondering van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap, Spanje en Portugal.
  De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, het voordeel van de toekenning van de herintegratiepremie uitbreiden tot de werklozen die burgers van landen zijn die niet in het eerste lid worden bedoeld.
  Als personen ten laste worden beschouwd de personen die geen persoonlijk inkomen hebben van minsten 160 000 frank per jaar. Dit bedrag is gekoppeld aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk.
  Onder persoonlijk inkomen dient te worden verstaan, de inkomens bedoeld bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 26 februari 1964 tot coördinatie van de wetsbepalingen betreffende de inkomstenbelastingen.
  Het bedrag van 160 000 frank is gekoppeld aan het viermaandelijkse indexcijfer van de maand oktober 1984, hetzij 124,97 punten. Het zal aangepast worden de eerste januari van elk jaar rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer van de maand oktober van het voorgaande jaar.
  § 2. (De herintegratiepremie is gelijk aan driehonderd en twaalf maal het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering ontvangen de dag van de indiening van de aanvraag van de herintegratiepremie.) <W 1987-11-07/30, art. 80, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1988>
  Voor de werkloze, tewerkgesteld krachtens artikel 161 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, wordt voor de berekening, bedoeld in het vorige lid, geen rekening gehouden met de verhoogde werkloosheidsuitkering, bedoeld in artikel 166 van hetzelfde besluit, maar met die welke hij ontvangen had indien hij niet tewerkgesteld was.
  § 3. De herintegratiepremie wordt verhoogd met een bedrag van 50 000 frank voor de echtgenoot die tot een verblijf in het Rijk toegelaten is of gemachtigd is zich er te vestigen en die met hem samen woont op het ogenblik van de aanvraag, en 15 000 frank voor ieder ongehuwde wettig, natuurlijk of aangenomen kind, jonger dan 18 jaar op het ogenblik van de aanvraag en onder hetzelfde dak wonend, alsook voor de kinderen ouder dan 18 jaar indien zij beantwoorden aan de voorwaarden vermeld in artikel 63 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loontrekkende werknemers. De verhoging, vermeld in het vorige lid, wordt niet toegekend aan de persoon die zelf begunstigde is van de herintegratiepremie.

  Art. 147. § 1. Op het voordeel van artikel 146 kunnen geen aanspraak maken :
  - de begunstigden van de verordeningen en richtlijnen van de Europese Gemeenschappen, alsook de personen die hiermee gelijkgesteld worden krachtens artikel 40 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  - de vluchtelingen bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980, alsook de vreemdelingen gelijkgesteld met vluchtelingen krachtens artikel 57 van dezelfde wet;
  - de vreemdeling in gevangenschap of die het voorwerp uitmaakt van een ministerieel besluit van terugwijzing of een koninklijk besluit van uitzetting.
  § 2. De beslissing tot toekenning van de herintegratiepremie wordt opgeschort indien de begunstigde het voorwerp uitmaakt van een maatregel waarbij zijn vrijheid ontzegd is tengevolge van een administratieve of gerechtelijke beslissing.

  Art. 148. De toekenning van de herintegratiepremie maakt de arbeids- en verblijfsvergunning van de begunstigde van de premie en de bloed- en aanverwanten bedoeld in artikel 146, § 1, ongeldig.

  Art. 149. De begunstigde van de premie en de bloed- en aanverwanten bedoeld in artikel 146, § 1, mogen niet meer van rechtswege langer dan drie maanden in het Rijk verblijven.
  Zij kunnen echter toegelaten worden er minder dan drie maanden te verblijven, overeenkomstig artikel 6 van de wet van 15 december 1980, of meer dan drie maanden overeenkomstig artikel 9 van dezelfde wet.

  Art. 150. Onverminderd de strafbepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van 8 dagen tot een maand en met geldboete van 1 000 tot 5 000 frank, de persoon die de bepalingen van artikel 149 overtreedt.
  Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van artikel 85, is op de in het eerste lid bedoelde misdrijven van toepassing.

  Art. 151. De herintegratiepremie en de verhogingen bedoeld in artikel 146 komen ten laste van de begroting van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.

  Art. 152. De Koning stelt bij in Ministerraad overlegd besluit nadere regels voor de toekenning en betaling van de herintegratiepremie vast.

  Art. 153. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 149 en 150, houden de bepalingen van deze afdeling op gevolg te hebben (vier jaar) na de inwerkingtreding ervan. <W 1987-11-07/30, art. 81, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1988>
  Zij kunnen evenwel na deze termijn verlengd worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

  HOOFDSTUK V. - VERTEGENWOORDIGING VAN HET KADERPERSONEEL.

  Art. 154. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 155. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 156. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 157. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 158. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 159. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 160. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 161. <wijzigingsbepaling>.

  HOOFDSTUK VI. - ANDERE MAATREGELEN.

  AFDELING 1. - Vakbondspremie.

  Art. 162. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 163. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 164. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze afdeling bij in Ministerraad overlegd besluit.

  AFDELING 2. - Militievergoeding.

  Art. 165. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 166. <wijzigingsbepaling>.

  AFDELING 3. - Verlenging van het mandaat van de Algemene Afvaardiging tot hervorming van de Rijkscomptabiliteit.

  Art. 167. <wijzigingsbepaling>.

  AFDELING 4. - Verkeerswezen. - Sabena.

  Art. 168. De Belgische Naamloze Vennootschap tot exploitatie van het luchtverkeer (Sabena) wordt gemachtigd in haar statuten de wijzigingen aan te brengen opgegeven in bijlage bij deze wet.

  Art. 169. Bij in Ministerraad overlegd besluit kan de Staat de betaling van de intresten en de terugbetaling van de leningen en andere financieringsverrichtingen van de Sabena waarborgen.

  Art. 170. (Opgeheven) <W 1990-06-06/35, art. 3, 2°, 014; Inwerkingtreding : 01-01-1988>

  AFDELING 5. - Economische Zaken. - Wijziging van de wet van 2 april 1962.

  Art. 171. <wijzigingsbepaling>.

  Art. 172. <wijzigingsbepaling>.

  AFDELING 6. - Cumulatie van openbare mandaten.

  Art. 173. § 1. Onverminderd de wetten of verordeningen inzake onverenigbaarheden of ontzeggingen, mag niemand meer dan twee mandaten uitoefenen bij de gezamenlijke instellingen en lichamen die hierna volgen :
  a) de instellingen van openbaar nut onderworpen aan de controle of het toezicht van de Staat;
  b) de openbare instellingen en verenigingen van publiek recht die onderworpen zijn aan de controle of het toezicht van de provincies, van de gemeenten, van de agglomeraties of federaties van gemeenten, of van elke andere publiekrechtelijke rechtspersoon die is opgericht en georganiseerd door of krachtens een wet;
  c) de verenigingen van publiekrechtelijke rechtspersonen;
  d) de verenigingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en van privaatrechtelijke rechtspersonen, evenals de privaatrechtelijke rechtspersonen wanneer deze mandaten in name of voor rekening van een openbare overheid uitgeoefend worden.
  § 2. De mandaten die worden uitgeoefend bij de instellingen van openbaar nut die onder de toezichts- of voogdijbevoegdheid van de Gemeenschappen en Gewesten vallen, worden in aanmerking genomen voor het naleven van de in § 1 gestelde grens.
  § 3. De Koning stelt bij in Ministerraad overlegd besluit nadere regels vast voor de toepassing van en de eventuele uitzonderingen op dit artikel en bepaalt de overheden die belast zijn met het toezicht op de toepassing ervan.
  § 4. De nietigheid van de mandaten die worden verleend met overtreding van deze bepaling, heeft gevolg op de eerste dag van de derde maand volgend op die van de vaststelling van de overtreding door de overheden die de Koning, met toepassing van § 3, bepaalt.

  HOOFDSTUK VII. - SLOTBEPALINGEN.

  Art. 174. De bepalingen van artikel 62 zijn niet van toepassing op de overeenkomsten die lopen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet.

  Art. 175. (opgeheven) <KBN424 1986-08-01/31, art. 14, 007>

  Art. 176. Behoudens de bepalingen waarvoor een bijzondere inwerkingtreding geldt, heeft deze wet uitwerking met ingang van 1 januari 1985.

  BIJLAGE.

  Art. N. <wijzigingsbepaling>.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   ...
Erratum Tekst Begin

originele versie
1990012326
PUBLICATIE :
1990-04-24
bladzijde : 7612

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 17-05-2019 GEPUBL. OP 02-07-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 99, 100ter; 101; 102ter; 103; 104; 106bis)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 28-02-2019 GEPUBL. OP 03-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 124; 131; 132)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 12-10-2018 GEPUBL. OP 13-11-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 107TER; 108; 110; 110bis; 111; 116; 117; 121; 122; 123; 131; 132; 133; 134; 135; 136; 137; 137bis)
  • originele versie
  • WET VAN 02-09-2018 GEPUBL. OP 26-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 102bis; 105)
  • originele versie
  • WET VAN 02-09-2018 GEPUBL. OP 26-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 102; 105)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 14-06-2018 GEPUBL. OP 20-06-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 137bis)
  • originele versie
  • WET VAN 15-01-2018 GEPUBL. OP 05-02-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 102) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-07-2017 GEPUBL. OP 01-08-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 124)
  • originele versie
  • WET VAN 05-03-2017 GEPUBL. OP 15-03-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 100bis; 103quinquies)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 23-12-2016 GEPUBL. OP 09-02-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 106ter; 107; 120; 124; 137bis)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 15-07-2016 GEPUBL. OP 24-08-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 99)
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 25-04-2016 GEPUBL. OP 14-06-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 108; 109; 110; 111; 112; 116; 120; 121; 122; 124; 130:137bis)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 28-04-2016 GEPUBL. OP 11-05-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 108; 110; 111; 120; 121; 124; 131; 137bis; 137ter)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 29-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 137bis)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 08-10-2015 GEPUBL. OP 13-10-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 137ter)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 09-07-2015 GEPUBL. OP 02-09-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 124; 131)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 09-07-2015 GEPUBL. OP 17-07-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 132)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 02-07-2015 GEPUBL. OP 10-07-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 108; 110; 111; 113; 120)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 24-04-2015 GEPUBL. OP 07-05-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 124)
  • originele versie
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 06-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 121)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-11-2013 GEPUBL. OP 18-11-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 114)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-02-2013 GEPUBL. OP 25-03-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 109)
  • originele versie
  • WET VAN 29-03-2012 GEPUBL. OP 30-03-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 109; 111)
  • originele versie
  • WET VAN 06-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 107; 124)
    (GEWIJZIGDE ART. : 125; 131-134; 135; 136)
  • originele versie
  • WET VAN 21-02-2010 GEPUBL. OP 26-02-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 99)
  • originele versie
  • WET VAN 30-12-2009 GEPUBL. OP 31-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 105)
    (GEWIJZIGD ART. : 108)
  • originele versie
  • WET VAN 23-12-2009 GEPUBL. OP 30-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 121)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 121)
  • originele versie
  • WET VAN 17-05-2007 GEPUBL. OP 19-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 103QUATER; 111; 137BIS; 121)
  • originele versie
  • WET VAN 27-04-2007 GEPUBL. OP 08-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 122)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 111; 114; 120; 121; 122; 137BIS)
    (GEWIJZIGD ART. : 103QUA)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-09-2006 GEPUBL. OP 07-09-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 111)
  • originele versie
  • WET VAN 20-07-2006 GEPUBL. OP 28-07-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 111)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2005 GEPUBL. OP 30-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 120)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-08-2005 GEPUBL. OP 05-09-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 109)
  • originele versie
  • WET VAN 03-07-2005 GEPUBL. OP 19-07-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 137)
  • originele versie
  • WET VAN 09-07-2004 GEPUBL. OP 15-07-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 101BIS; 106BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 08-04-2003 GEPUBL. OP 17-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 114)
  • originele versie
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 29-08-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 108)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-11-2001 GEPUBL. OP 29-01-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 99; 104BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 30-12-2001 GEPUBL. OP 31-12-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 109; 100; 102; 105; 106BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 10-08-2001 GEPUBL. OP 15-09-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 99; 102BIS; 103BIS-103QUA; 104)
    (GEWIJZIGDE ART. : 104BIS; 105)
  • originele versie
  • WET VAN 05-09-2001 GEPUBL. OP 15-09-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 110; 120)
  • originele versie
  • WET VAN 19-07-2001 GEPUBL. OP 28-07-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 121; 123)
  • originele versie
  • WET VAN 23-03-2001 GEPUBL. OP 05-04-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 100TER; 101; 101BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2000 GEPUBL. OP 06-01-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 99)
  • originele versie
  • WET VAN 12-08-2000 GEPUBL. OP 31-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 100TER; 101; 101BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-1999 GEPUBL. OP 31-12-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 137)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-05-1999 GEPUBL. OP 24-07-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 109)
  • originele versie
  • WET VAN 26-03-1999 GEPUBL. OP 01-04-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 108; 100; 102; 105)
  • originele versie
  • WET VAN 25-01-1999 GEPUBL. OP 06-02-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 104BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 22-02-1998 GEPUBL. OP 03-03-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 104BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 10-02-1998 GEPUBL. OP 21-02-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 119BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 13-02-1998 GEPUBL. OP 19-02-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 101; 99; 135)
  • 1997012147; 1997-03-29
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-03-1997 GEPUBL. OP 29-03-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 104BIS)
  • WET VAN 22-12-1995 GEPUBL. OP 30-12-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 99; 101; 101BIS; 102; 102BIS; 105)
    (GEWIJZIGDE ART. : 103; 104BIS; 107BIS)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-05-1995 GEPUBL. OP 03-08-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 122; 123; 137)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-03-1995 GEPUBL. OP 24-05-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 110; 111; 113; 120; 121; 137BIS)
  • WET VAN 21-12-1994 GEPUBL. OP 23-12-1994
    (GEWIJZIGDE ART. : 99; 100; 100BIS; 102; 102BIS)
  • WET VAN 23-03-1994 GEPUBL. OP 30-03-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 136)
  • WET VAN 10-06-1993 GEPUBL. OP 30-06-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 109; 111; 113)
  • WET VAN 20-07-1991 GEPUBL. OP 01-08-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 103)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-05-1991 GEPUBL. OP 28-05-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 101)
  • WET VAN 29-12-1990 GEPUBL. OP 09-01-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 113)
  • WET VAN 06-06-1990 GEPUBL. OP 22-09-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 170)
  • WET VAN 22-12-1989 GEPUBL. OP 30-12-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 107; 110; 113; 119; 124; 125; 126)
    (GEWIJZIGDE ART. : 127; 128; 129; 137BIS; 143)
  • WET VAN 30-12-1988 GEPUBL. OP 05-01-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 10)
  • WET VAN 07-11-1987 GEPUBL. OP 17-11-1987
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-12-1986 GEPUBL. OP 31-12-1986
    (GEWIJZIGD ART. : 10)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-08-1986 GEPUBL. OP 30-08-1986
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-08-1986 GEPUBL. OP 21-08-1986
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-08-1986 GEPUBL. OP 21-08-1986
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-04-1986 GEPUBL. OP 06-05-1986

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1984-1985. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp van wet, nr. 757/1. - Verslagen, nrs. 757/2/1° t.e.m. 7°. - Tekst aangenomen door de commissies, nr. 757/2/8° + corrigendum. - Amendementen, nrs. 757/3 t.e.m. 78. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 4, 5, 7 en 8 december 1984. - Aanneming. Vergadering van 8 december 1984. Kamer van Volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 1075/1. - Amendementen, nrs. 1075/2 t.e.m. 18. - Advies van de Raad van State, nrs. 1075/19 en 20. - Verslag (+ bijlagen) nr. 1075/21. - Amendementen, nrs. 1075/22 en 23. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 7, 8 en 9 januari 1985. - Aanneming. Vergadering van 9 januari 1985.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 262 uitvoeringbesluiten 75 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie