J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 61 uitvoeringbesluiten 59 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1984/05/15/1984022160/justel

Titel
15 MEI 1984. - Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
(NOTA : art. 46 gewijzigd in de toekomst door W 2018-03-30/18, art. 5; Inwerkingtreding : 01-05-2019)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-04-1985 en tekstbijwerking tot 24-10-2017) Zie wijziging(en)

Bron : FINANCIEN.SOCIALE VOORZORG.MIDDENSTAND
Publicatie : 22-05-1984 nummer :   1984022160 bladzijde : 7035
Dossiernummer : 1984-05-15/30
Inwerkingtreding : 01-06-1984 (ART. 1 - ART. 26)    ***    onbepaald (ART. 53 - ART. 58)    ***    01-06-1984 (ART. 45 - ART. 52)    ***    01-06-1984 (ART. 66,a,c)    ***    01-11-1984 (ART. 27 - ART. 44)    ***    01-06-1984 (ART. 67 - ART. 71)    ***    01-07-1979 (ART. 66,b,d)    ***    01-06-1984 (ART. 59 - ART. 65)

Inhoudstafel Tekst Begin
BOEK I. Maatregelen tot harmonisering in de pensioenregeling van de openbare sector.
TITEL I. Overlevingspensioenen.
HOOFDSTUK I. Toepassingsgebied.
Art. 1
HOOFDSTUK II. Het pensioen van de langstlevende echtgenoot.
Art. 2-5
HOOFDSTUK IIbis. [1 - Overgangsuitkering]1
Art. 5/1, 5/2, 5/3, 5/4, 5/5
HOOFDSTUK III. Het pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot.
Art. 6, 6/1, 7-8
HOOFDSTUK IV. Het wezenpensioen.
Art. 9-15, 15bis
HOOFDSTUK V. Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 16-19
HOOFDSTUK VI. Algemene bepalingen.
Art. 20-21
HOOFDSTUK VII. Harmoniseringsmaatregelen.
Art. 22
HOOFDSTUK VIII. Slot- en opheffingsbepalingen.
Art. 23-26
TITEL II. (Opgeheven.) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 27-31, 31bis, 32-44
TITEL III. Onmiddellijk of uitgesteld pensioen. (...) <W 1991-05-21/41, art. 21, 012; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
Art. 45-52
Titel IIIbis. [1 Toepasselijke tantièmes]1
Art. 52/1, 52/2
TITEL IV. Maatregelen om de inzameling van inzake pensioenen noodzakelijke inlichtingen te vergemakkelijken.
HOOFDSTUK I. Individuele gegevenskaart.
Art. 53-56
HOOFDSTUK II. Wijze van identificatie der pensioenen.
Art. 57-58
TITEL V. Persoonlijke bijdragen voor de financiering van de overlevingspensioenen.
Art. 59-61, 61bis, 62
TITEL VI. Diverse wijzigingen van de pensioenwetgeving.
HOOFDSTUK I. Maatregelen ten einde de vereffening der pensioenen te bespoedigen en de regelingen betreffende hun ingangsdatum eenvormig te maken.
Art. 63-66
HOOFDSTUK II. Diensten of periodes die in aanmerking komen voor het pensioen.
Art. 67-82
HOOFDSTUK III. Wijzigingen van verschillende wetten inzake pensioenen.
Art. 83-95
TITEL VII. Slotbepalingen.
Art. 96-98
BOEK II. Maatregelen tot harmonisering in de pensioenregeling voor werknemers.
TITEL I. Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
Art. 99-114
TITEL II. Wijzigingen van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980.
Art. 115-116
TITEL III. Slotbepaling.
Art. 117
BOEK III. Maatregelen tot harmonisering in de pensioenregeling der zelfstandigen.
VOORAFGAANDE BEPALING.
Art. 118
TITEL I. Maatregelen die ertoe strekken de gelijke behandeling van mannen en vrouwen tot stand te brengen.
Art. 119-122
TITEL II. De modaliteiten van opening van het recht op het pensioen van zelfstandige in functie van de loopbaan en de berekening van dit pensioen in evenredigheid met de bedrijfsinkomsten.
Art. 123
HOOFDSTUK I. De opening van het recht op het rustpensioen en op het overlevingspensioen in functie van de loopbaan.
Art. 124-125
HOOFDSTUK II. De berekening van het pensioen in verhouding tot de bedrijfsinkomsten.
Art. 126-130
(TITEL IIBIS. Het minimumpensioen.) <W 1987-11-07/30, art. 89, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1988>
Art. 131, 131bis, 131ter, 131quater, 132
TITEL III. Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Art. 133-134
TITEL IV. Diverse wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.
Art. 135-151
TITEL V. Bijzondere bijslag.
Art. 152
TITEL VI. Algemene en slotbepalingen.
Art. 153-154

Tekst Inhoudstafel Begin
BOEK I. _ Maatregelen tot harmonisering in de pensioenregeling van de openbare sector.

  TITEL I. _ Overlevingspensioenen.

  HOOFDSTUK I. _ Toepassingsgebied.

  Artikel 1.<KB 2004-12-22/32, art. 19, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2005> Een overlevingspensioen ten laste van de Openbare Schatkist wordt, onder de bij deze titel vastgestelde voorwaarden toegekend aan de rechtverkrijgenden van de personen die onderworpen zijn aan een stelsel inzake rustpensioenen waar van de last gedragen wordt door :
  de Openbare Schatkist;
  de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat van toepassing is;
  [1 bpost]1;
  de Regie voor Maritiem Transport;
  de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is.
  Vallen niet onder de toepassing van deze titel, de rechtverkrijgenden van :
  de gewezen pleitbezorgers;
  de vrijwillige redders van het Bestuur van het Zeewezen;
  de bedienaars van de erediensten die niet in het huwelijk mogen treden en die een wedde genieten ten bezware van de Openbare Schatkist;
  de gewezen leden van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika.
  ----------
  (1)<W 2010-12-13/07, art. 4, 042; Inwerkingtreding : 17-01-2011>

  HOOFDSTUK II. _ Het pensioen van de langstlevende echtgenoot.

  Art. 2.§ 1. Heeft recht op het overlevingspensioen, de langstlevende echtgenoot wiens huwelijk ten minste één jaar geduurd heeft en wiens echtgenoot :
  a) overleden is tijdens zijn loopbaan;
  b) overleden is na een rustpensioen ten laste van de Openbare Schatkist of van een in artikel 1 vermelde instelling te hebben verkregen;
  (c) overleden is na definitief uit dienst te zijn getreden en ofwel vijf in aanmerking komende dienstjaren telt in de zin van artikel 46 indien hij zijn loopbaan heeft beëindigd na 31 december 1976 en hij in aanmerking komende diensten of periodes na die datum kan doen gelden, ofwel vijftien voor de berekening van een overlevingspensioen in aanmerking komende dienstjaren overeenkomstig de op 31 mei 1984 van kracht zijnde bepalingen.) <W 1991-05-21/41, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
  Het huwelijk dient nochtans niet één jaar te duren indien een van de volgende voorwaarden vervuld is :
  _ er is een kind geboren uit het huwelijk;
  _ op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor een van de echtgenoten kinderbijslag ontving;
  _ een kind wordt postuum geboren binnen driehonderd dagen na het overlijden;
  _ het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het ambt, van een door de Belgische Regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond.
  [1 Voor de bepaling van de in het eerste lid bedoelde minimumduur van één jaar huwelijk, wordt in voorkomend geval rekening gehouden met de duur van de aan het huwelijk onmiddellijk voorafgaande wettelijke samenwoning tussen de langstlevende echtgenoot en de overleden echtgenoot. Enkel de verklaring van wettelijke samenwoning bedoeld in artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek wordt evenwel in aanmerking genomen.]1
  (§ 2. De langstlevende echtgenoot wiens huwelijk niet ten minste één jaar heeft geduurd en die geen enkele van de in § 1 bepaalde vrijstellingsvoorwaarden vervult, heeft recht op het pensioen gedurende één jaar te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op het overlijden. Indien de toekenning van het pensioen overeenkomstig artikel 21, § 2, afhankelijk is van het indienen van een aanvraag, moet de pensioenaanvraag op straffe van nietigheid bij de Administratie der Pensioenen toekomen binnen het jaar volgend op de overlijdensdatum.) <KB 1998-07-16/58, art. 14, 020; Inwerkingtreding : 01-09-1998>
  (Indien echtgenoten van wie het huwelijk door echtscheiding werd ontbonden, opnieuw met elkaar in het huwelijk treden, en de echtgenoot die recht geeft op een overlevingspensioen minder dan een jaar na dit nieuwe huwelijk overlijdt, zonder dat een van de in § 1, tweede lid opgenomen vrijstellingsvoorwaarden is vervuld, heeft de langstlevende echtgenoot, in voorkomend geval, recht op het pensioen dat hij vóór zijn nieuw huwelijk zou verkregen hebben in de hoedanigheid van uit de echt gescheiden echtgenoot.) <W 2003-02-03/41, art. 68, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (§ 3. [2 De langstlevende echtgenoot kan geen aanspraak maken op de voordelen van dit hoofdstuk indien hij vanwege misdrijven gepleegd ten aanzien van zijn echtgenoot onwaardig is om te erven overeenkomstig artikel 727, § 1, 1° of 3° van het Burgerlijk Wetboek.]2) <W 2003-02-03/41, art. 68, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 90,1°, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2000, uitwerking met ingang van 1 januari 2000 en is het enkel van toepassing op overlijdens die plaatsvinden vanaf deze datum; zie ook W 2014-05-15/35, art. 101>
  (2)<W 2014-05-15/35, art. 90,2°, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3. (§ 1. Het overlevingspensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de echtgenoot overleden is. Indien de toekenning van het pensioen overeenkomstig artikel 21, § 2, afhankelijk is van het indienen van een aanvraag en indien die aanvraag niet bij de Administratie der Pensioenen is toegekomen tijdens het jaar volgend op de overlijdensdatum of op de geboortedatum van het in artikel 2, § 1, bedoelde postuum kind, gaat het overlevingspensioen evenwel in op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke de aanvraag bij de Administratie der Pensioenen is toegekomen.
  De verklaring van afwezigheid overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek geldt als bewijs van het overlijden.) <KB 1998-07-16/58, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 01-09-1998>
  § 2. Indien de langstlevende echtgenoot een nieuw huwelijk aangaat, wordt de uitbetaling van zijn overlevingspensioen geschorst (vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van het nieuwe huwelijk en tot de eerste dag van de maand na het overlijden van de echtgenoot of van de gewezen echtgenoot met wie de langstlevende echtgenoot hertrouwd is). <W 2003-02-03/41, art. 69, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  Indien dit nieuw huwelijk een schorsing van de uitbetaling van het overlevingspensioen van de twee echtgenoten meebrengt en indien het totaal van de geschorste uitbetaling groter is dan het door cumulatie niet verminderd bedrag van het grootste van de twee toegekende overlevingspensioenen, kan de Koning bepalen in welke gevallen en voor welk gedeelte van deze overlevingspensioenen de betaling niet wordt geschorst.
  Deze paragraaf is niet van toepassing op het tijdelijk pensioen waarvan sprake is in artikel 2, § 2.

  Art. 4. § 1. Het overlevingspensioen wordt berekend op grond van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan van de overleden echtgenoot, of van de volledige loopbaan als die minder dan vijf jaar geduurd heeft. Dit gemiddelde wordt vastgesteld op dezelfde wijze als voor de berekening van een rustpensioen (...). Het overlevingspensioen is gelijk aan 60 pct. van die gemiddelde wedde, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het geheel van de in artikel 5 omschreven in aanmerking komende diensten (die in maanden met twee decimalen worden uitgedrukt), en waarvan de noemer gevormd wordt door het aantal maanden begrepen tussen de eerste dag van de maand volgend op de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en de laatste dag van de maand van zijn overlijden, met dien verstande dat dit aantal 480 niet mag overschrijden. Indien het overlijden zich heeft voorgedaan vóór het verstrijken van de maand die volgt op die gedurende welke de overleden echtgenoot zijn twintigste verjaardag heeft of zou hebben bereikt, dan is de voormelde breuk gelijk aan (de verhouding bepaald door artikel 2, § 1, eerste lid, c, van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983) tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht. <W 1991-05-21/41, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984> <W 2003-02-03/41, art. 70, 027; Inwerkingtreding : 01-09-2003> <W 2007-04-25/52, art. 56, 034; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Indien de overleden echtgenoot vóór de leeftijd van 60 jaar (hetzij wegens lichamelijke ongeschiktheid, hetzij ambtshalve om een andere reden) gepensioneerd werd, wordt de noemer van de in het eerste lid omschreven breuk gevormd door het aantal maanden begrepen tussen de eerste dag van de maand volgend op de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en de laatste dag van de maand voorafgaand aan die waarin hij op rust werd gesteld. <W 2003-02-03/41, art. 70, 027; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
  De breuk voortvloeiend uit de toepassing van de vorige leden mag niet groter zijn dan de eenheid of, indien de duur van de in het eerste lid bedoelde in aanmerking komende diensten ingekort werd overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 206, dan de verhouding bepaald door artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dit besluit. <W 1991-05-21/41, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
  § 2. (Het overlevingspensioen mag niet hoger zijn dan 50 pct. van de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad van het overleven personeelslid of van het gemiddelde van de wedde van de laatste vijf jaar indien dit hoger is, vermenigvuldigd met de breuk die uit de toepassing van § 1, voortvloeit. (De voormelde maximumwedde of het voormelde gemiddelde van de wedde wordt echter vervangen) door de laatste wedde van de overleden echtgenoot indien : <W 2003-02-03/41, art. 70, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  1° het pensioen niet voortvloeit uit de uitoefening van een hoofdambt in de zin van het derde lid;
  2° de echtgenoot niet in dienstactiviteit overleden is, zijn pensioenrechten uitsluitend voortvloeiden uit de toepassing van artikel 46 en hij minder dan twintig in aanmerking komende dienstjaren in de zin van voornoemd artikel telde.
  (3° de echtgenoot niet in dienstactiviteit overleden is, hij geen diensten of periodes na 31 december 1976 kon doen gelden en hij minder dan twintig voor de berekening van een overlevingspensioen in aanmerking komende dienstjaren overeenkomstig de op 31 mei 1984 van kracht zijnde bepalingen telde.) <W 2003-02-03/41, art. 70, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De hiervoor omschreven wedden worden in voorkomend geval verhoogd met de voor de berekening van het overlevingspensioen in aanmerking genomen bijkomende weddevoordelen. Bovendien gaat het om de wedden die beantwoorden aan een volledige opdracht indien, voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde breuk, het voornoemde koninklijk besluit nr. 206 toegepast werd.) <W 1991-05-21/41, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
  (Onder hoofdambt moet worden verstaan :
  1° het ambt dat slechts diensten met volledige opdracht heeft omvat;
  2° het ambt dat aanleiding geeft tot de toekenning van een pensioen, vastgesteld overeenkomstig voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 (, beschouwd als hoofdpensioen in de zin van artikel 2, § 1, vijfde lid, van dat besluit) en waarvoor de in artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dat besluit bedoelde verhouding minstens gelijk is aan 5/10; <W 2003-02-03/41, art. 70, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  3° het ambt dat aanleiding geeft tot de toekenning van een pensioen dat niet wordt vastgesteld overeenkomstig voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983, doch dat gedurende de laatste vijf jaar van de loopbaan diensten met onvolledige opdracht heeft omvat waarvan het gemiddelde minstens gelijk is aan 5/10 van dezelfde diensten met volledige opdracht.) <W 1992-06-26/30, art. 143, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  § 3. (Indien de overleden echtgenoot een hoofdambt uitoefende in de zin van § 2, derde lid, mag het pensioenbedrag vastgesteld overeenkomstig de §§ 1 en 2, zolang de langstlevende echtgenoot de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt, het in artikel 122, eerste lid, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen vastgestelde bedrag niet te boven gaan.
  Indien de overleden echtgenoot geen hoofdambt uitoefende in de zin van § 2, derde lid, mag het pensioenbedrag vastgesteld overeenkomstig de §§ 1 en 2, zolang de langstlevende echtgenoot de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt, het in artikel 122 van voormelde wet van 26 juni 1992 vastgestelde minimumbedrag van de overlevingspensioenen, eventueel verminderd met toepassing van artikel 125, § 1, van diezelfde wet, niet te boven gaan.
  In afwijking van het eerste lid, is het tweede lid eveneens van toepassing indien de overleden echtgenoot een hoofdambt uitoefende in de zin van § 2, derde lid, maar hij een pensioen genoot bedoeld in artikel 118, § 2, 2°, 3° of 4°, van voormelde wet van 26 juni 1992 of hij aanspraak had kunnen maken op zo een pensioen als hij niet overleden was voor de ingangsdatum ervan.) <W 2003-02-03/41, art. 70, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De door het eerste en tweede lid bepaalde beperkingen ten aanzien van de langstlevende echtgenoot die de 45-jarige leeftijd niet bereikt heeft, zijn niet van toepassing noch op het in artikel 2, § 2, bepaalde tijdelijk pensioen noch op de langstlevende echtgenoot die het bewijs levert van een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een kind ten laste heeft.
  De Koning stelt nadere regels voor de erkenning van de blijvende ongeschiktheid en bepaalt het begrip kind ten laste in de zin van deze paragraaf.
  De uit de toepassing van deze paragraaf voortvloeiende wijzigingen van het pensioenbedrag hebben uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van de gebeurtenis die er aanleiding toe geeft.
  § 4. Het overlevingspensioen mag in geen enkel geval hoger zijn dan 50 pct. van de maximumwedde van een secretaris-generaal van een ministerie.

  Art. 5.§ 1. Voor de berekening van het overlevingspensioen wordt rekening gehouden met de diensten en periodes die in aanmerking komen voor de berekening van de rustpensioenen. Nochtans worden de bovenvermelde periodes en diensten slechts in aanmerking genomen voor hun enkele duur, met uitzondering van de diensten bedoeld in de wet van 20 april 1971 betreffende de inaanmerkingneming van diensttijd voor de benoeming in vast verband van het onderwijzend personeel voor pensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
  De periodes tijdens welke het personeelslid zijn diensten heeft onderbroken om een activiteit uit te oefenen uit hoofde waarvan de langstlevende echtgenoot effectief aanspraak kan maken op een overlevingspensioen in een andere regeling, komen niet in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de diensten die aanleiding geven tot de toekenning hetzij van een weduwenrente verleend krachtens het decreet van 28 juni 1957 houdende statuut van de Koloniale Verzekeringskas, hetzij van een weduwenpensioen verleend krachtens de wet van 16 juni 1960 dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Kongo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd, of krachtens de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid.
  De sommen die, ten einde periodes en diensten te valideren, gestort werden krachtens beschikkingen die deze wet voorafgingen, geven aanleiding tot een vermeerdering van de teller van de in artikel 4, § 1, omschreven breuk, met een duur die gelijk is aan de duur van de vermindering die zou uitgevoerd zijn indien de validering niet had plaatsgevonden, en in de andere gevallen met een duur die gelijk is aan de gevalideerde periodes en diensten. In voorkomend geval wordt de aldus vergoede duur (vermenigvuldigd met de in artikel 2, § 1, eerste lid, c, van het voormelde koninklijk besluit nr. 206 bedoelde breuk.) De toepassing van dit lid mag niet tot gevolg hebben dat de breuk de eenheid overschrijdt. <W 1991-05-21/41, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
  § 2. [1 ...]1
  (§ 3. In afwijking van § 1 en gelet op het door de overleden echtgenoot behaalde diploma van universitair onderwijs, wordt voor de berekening van het overlevingspensioen rekening gehouden :
  1° met een tijdsbonificatie van vijf jaar, indien het rustpensioen van de overleden echtgenoot vastgesteld werd of vastgesteld zou zijn overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek;
  2° (met een bonificatie die gelijk is aan die welke wordt bepaald bij de artikelen 33, eerste lid, en 34bis van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, indien het rustpensioen van de overleden echtgenoot niet vastgesteld werd of vastgesteld zou zijn met inaanmerkingneming van een diplomabonificatie.) <W 2003-02-03/41, art. 71, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (In voorkomend geval wordt de in het eerste lid voorziene bonificatie verminderd met toepassing van artikel 35, § 1, eerste en derde lid, en § 2, alsook van artikel 37 van de voormelde wet van 9 juli 1969. Indien de rechten op een rustpensioen van de echtgenoot uitsluitend voortvloeien uit de toepassing van artikel 46 van deze wet, wordt de bonificatie bovendien beperkt overeenkomstig de bepalingen van artikel 49, behoudens indien de echtgenoot in dienstactiviteit is overleden.
  De in artikel 35, § 1, tweede lid, van de voormelde wet van 9 juli 1969 voorziene aftrek wordt in voorkomend geval uitgevoerd op de verhoging van het overlevingspensioen die voortvloeit uit de toepassing van het eerste en het tweede lid.) <W 1991-05-21/41, art. 3, § 2, 013; Inwerkingtreding : 01-09-1990>
  In de in het eerste lid bedoelde gevallen en uit hoofde van hetzelfde diploma, kan geen andere bonificatie worden toegekend.) <W 1991-05-21/41, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
  [1 De huidige paragraaf is niet meer van toepassing op de overlevingspensioenen die ingaan vanaf 1 december 2018 behalve indien de overleden echtgenoot voor die datum genoten heeft van een rustpensioen of indien de overleden echtgenoot zou hebben genoten van een rustpensioen berekend in toepassing van artikels 393/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, 36quater, § 3, van de voormelde wet van 9 juli 1969 of 5quater, § 3, van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van de leden van het onderwijs en het diploma bedoeld in de huidige paragraaf niet geheel of gedeeltelijk onder bezwarende titel werd gevalideerd overeenkomstig de wet van 2 oktober 2017 betreffende de harmonisering van het in aanmerking ne-men van studieperioden voor de berekening van het pensioen.]1
  ----------
  (1)<W 2017-10-02/05, art. 22, 060; Inwerkingtreding : 01-12-2018>

  HOOFDSTUK IIbis. [1 - Overgangsuitkering]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 91, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 5/1.[1 § 1. Dit hoofdstuk is slechts van toepassing op de langstlevende echtgenoten van een echtgenoot overleden vanaf 1 januari 2015 en die minder dan 45 jaar oud zijn op het ogenblik van dit overlijden.
   De in het eerste lid bepaalde leeftijd van 45 jaar wordt gebracht op :
   - 45 jaar en 6 maanden wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2016 tot 31 december 2016;
   - 46 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2017 tot 31 december 2017;
   - 46 jaar en 6 maanden wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2018 tot 31 december 2018;
   - 47 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2019 tot 31 december 2019;
   - 47 jaar en 6 maanden wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2020 tot 31 december 2020;
   - 48 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2021 tot 31 december 2021;
   - 48 jaar en 6 maanden wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2022 tot 31 december 2022;
   - 49 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2023 tot 31 december 2023;
   - 49 jaar en 6 maanden wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2024 tot 31 december 2024;
   - 50 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot [2 zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2025 tot 31 december 2025]2 ;
  [2 - 51 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2026 tot 31 december 2026;
   - 52 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2027 tot 31 december 2027;
   - 53 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2028 tot 31 december 2028;
   - 54 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot zich voordoet binnen de periode vanaf 1 januari 2029 tot 31 december 2029;
   - 55 jaar wanneer het overlijden van de echtgenoot plaatsvindt na 31 december 2029.]2
   § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij vastlegt, de langstlevende echtgenoot die de in § 1, eerste lid, bedoelde leeftijd bereikt, toelaten te kiezen voor het voordeel van de bepalingen van dit hoofdstuk inzake de overgangsuitkering.
   § 3. De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij vastlegt, het genot van de overgangsuitkering uitbreiden naar de wettelijke samenwonenden die niet verbonden zijn door een familieband, aanverwantschap of adoptie die een huwelijksverbod voorzien door het Burgerlijk Wetboek inhoudt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 92, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2015-08-10/09, art. 9, 058; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 5/2. [1 Voor de in artikel 5/1 bedoelde langstlevende echtgenoten wordt de betaling van het overeenkomstig hoofdstuk II bepaalde overlevingspensioen geschorst vanaf de ingangsdatum van dit pensioen tot het ogenblik waarop de betrokkene daadwerkelijk een rustpensioen komt te genieten.
   Indien de titularis van het overlevingspensioen aanspraak kan maken op een Belgisch en een buitenlands rustpensioen, wordt voor de toepassing van het eerste lid enkel rekening gehouden met het Belgisch pensioen.
   In geval van oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid van de titularis van het overlevingspensioen, wordt deze betaald vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de periode zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 5/3.
   Indien op de wettelijke leeftijd van de oppensioenstelling, de titularis van het overlevingspensioen geen aanspraak kan maken op een rustpensioen, wordt het overlevingspensioen aan hem betaald vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand tijdens dewelke deze titularis de wettelijke leeftijd bereikt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 93, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 5/3. [1 In de plaats van de betaling van het overlevingspensioen, wordt aan de langstlevende echtgenoot een tijdelijke overgangsuitkering toegekend gelijk aan het bedrag van het overlevingspensioen.
   De overgangsuitkering wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot gedurende een periode van 12 maanden vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze van het overlijden van zijn echtgenoot. Indien er echter op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving of in geval van postume geboorte binnen de 300 dagen na het overlijden, wordt de uitkering toegekend tijdens een periode van 24 maanden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 94, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 5/4. [1 § 1. Een nieuw huwelijk van de titularis van een overgangsuitkering heeft de schorsing van de betaling van deze uitkering tot gevolg vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van het nieuwe huwelijk en tot de eerste dag van de maand die volgt op deze van het overlijden van de echtgenoot of van de gewezen echtgenoot met wie de langstlevende echtgenoot hertrouwd is.
   § 2. Uit hoofde van opeenvolgende huwelijken :
   - mag de langstlevende echtgenoot slechts van één enkele overgangsuitkering tegelijkertijd genieten, de hoogste;
   - is de cumulatie van een overlevingspensioen en een overgangsuitkering niet toegelaten. In dit geval wordt alleen het hoogste voordeel betaald.
   Voor de toepassing van deze paragraaf :
   - wordt rekening gehouden met de pensioenen en uitkeringen toegekend in één van de pensioenregelingen zoals bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen;
   - worden de pensioenen en uitkeringen die voortvloeien uit onderscheiden activiteiten van eenzelfde echtgenoot, daarin begrepen deze uitgeoefend als werknemer of als zelfstandige, geacht één enkel pensioen of uitkering te vormen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 95, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 5/5. [1 § 1. Zijn niet van toepassing op de overgangsuitkering :
   - de artikelen 4, § 3, 8 en 14;
   - het artikel 12 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector;
   - de bepalingen van Titel 8, hoofdstuk 1 van de programmawet van 28 juni 2013.".
   § 2 De artikelen 118 tot en met 133 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zijn van toepassing op de overgangsuitkering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 96, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK III. _ Het pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot.

  Art. 6.De bepalingen betreffende de in de artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden inzake toekenning, ingangsdatum en schorsing van het overlevingspensioen zijn toepasselijk op de uit de echt gescheiden echtgenoot die geen nieuw huwelijk heeft aangegaan vóór het overlijden van degene die zijn echtgenoot was maar de betaling van het pensioen wordt geschorst zolang hij de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt, tenzij hij het bewijs levert van een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of indien hij een kind ten laste heeft. De Koning bepaalt de erkenningsmodaliteiten van de blijvende ongeschiktheid evenals het begrip kind ten laste in de zin van deze paragraaf.
  (Wanneer er bij het overlijden van het personeelslid tegelijk een uit de echt gescheiden echtgenoot is en een langstlevende echtgenoot die recht heeft op het in artikel 2, § 1, bedoelde pensioen, verliest de uit de echt gescheiden echtgenoot, zelfs indien hij de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt, zijn rechten op pensioen als zijn pensioenaanvraag niet bij de Administratie der Pensioenen is toegekomen tijdens het jaar volgend op de overlijdensdatum van zijn ex-echtgenoot. In dat geval wordt het volledige pensioen toegekend aan de langstlevende echtgenoot.) <KB 1998-07-16/58, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-09-1998>
  [1 De uit de echt gescheiden echtgenoot kan geen aanspraak maken op de voordelen van dit hoofdstuk indien hij vanwege misdrijven gepleegd ten aanzien van zijn gewezen echtgenoot onwaardig is om te erven overeenkomstig artikel 727, § 1, 1° of 3° van het Burgerlijk Wetboek.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 97, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 6/1.[1 Wanneer het overlijden van de rechtgever zich voordoet vanaf 1 januari 2015 en de uit de echt gescheiden echtgenoot minder dan 45 jaar oud is op het ogenblik van dit overlijden, wordt het overlevingspensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot geschorst vanaf de ingangsdatum van dit pensioen tot de ingangsdatum van het rustpensioen.
   Hetzelfde geldt voor de uit de echt gescheiden echtgenoot indien er op het ogenblik van het overlijden een langstlevende echtgenoot van minder dan 45 jaar oud is.
   De leeftijd van 45 jaar wordt [2 gebracht op 55 jaar]2 volgens de modaliteiten bepaald in artikel 5/1.
   Geen enkel overlevingspensioen kan worden uitbetaald aan de uit de echt gescheiden echtgenoot zolang hij de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt, ten minste voor zover hij geen blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 % bewijst of geen kind ten laste heeft. De Koning bepaalt de nadere regels voor de erkenning van de blijvende ongeschiktheid en bepaalt het begrip kind ten laste in de zin van dit lid.
   Indien de titularis van het overlevingspensioen aanspraak kan maken op een Belgisch en een buitenlands rustpensioen, wordt voor de toepassing van het eerste lid enkel rekening gehouden met het Belgisch pensioen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-05-15/35, art. 98, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2015-08-10/09, art. 10, 058; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 7.<W 1991-05-21/41, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984> Het pensioen toegekend aan de uit de echt gescheiden echtgenoot wordt verkregen door het bedrag van het overlevingspensioen dat hij zou genieten als overlevende echtgenoot, te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het geheel van de in aanmerking komende diensten en periodes die zich tijdens de duur van het huwelijk bevinden, en waarvan de noemer gevormd wordt door het geheel van de aanneembare diensten en periodes, met dien verstande dat het maandonderdeel dat eventueel in deze totalen zou voorkomen, weggelaten wordt.
  [1 Onder duur van het huwelijk wordt verstaan de periode die begint de dag van het huwelijk en die eindigt op de dag voor de dag van overschrijving van het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/05, art. 20, 049; Inwerkingtreding : 01-08-2014>

  Art. 8. <W 1991-05-21/41, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984> Wanneer er bij het overlijden van het personeelslid tegelijk een uit de echt gescheiden echtgenoot en een langstlevende echtgenoot is, dan wordt tussen deze rechthebbenden een totaal overlevingspensioen verdeeld, waarbij het geheel van de in aanmerking komende diensten en periodes in aanmerking wordt genomen en dat wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 4, §§ 1, 2 en 4.
  Het aan de uit de echt gescheiden echtgenoot toegekende gedeelte van dit totale pensioen is gelijk aan het pensioen dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 7.
  Voor de berekening van het totale pensioen alsmede van het gedeelte dat wordt toegekend aan de uit de echt gescheiden echtgenoot, wordt rekening gehouden met de bepalingen van artikel 5, § 1, tweede lid, ongeacht welke echtgenoot het in dat lid bedoelde voordeel geniet.
  Het aan de langstlevende echtgenoot toegekende gedeelte van het pensioen is gelijk aan het verschil tussen het totale pensioen en het gedeelte dat toekomt aan de uit de echt gescheiden echtgenoot, (zonder echter lager te kunnen zijn dan de helft van het totale pensioen.) <W 1991-05-21/41, art. 5, § 2, 013; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
  Indien het een in artikel 4, § 3, eerste lid, bedoelde langstlevende echtgenoot betreft, wordt het hem toekomende gedeelte echter bepaald, overeenkomstig de bepalingen van dat lid. Indien het een in artikel 4, § 3, tweede lid, bedoelde langstlevende echtgenoot betreft, wordt zijn gedeelte beperkt overeenkomstig dat lid.
  Het pensioen van de langstlevende echtgenoot wordt niet gewijzigd in geval van vermindering of schorsing van het pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot of in geval van overlijden van deze laatste.

  HOOFDSTUK IV. _ Het wezenpensioen.

  Art. 9. De hele wees heeft recht op een overlevingspensioen tot de leeftijd van 18 jaar op voorwaarde dat zijn vader of moeder overleden is in een van de situaties bepaald in artikel 2, § 1, eerste lid, littera a, b of c. Dit recht blijft behouden boven de leeftijd van 18 jaar, zolang de wees recht geeft op kinderbijslag.
  De vaderloze wees wordt met de hele wees gelijkgesteld indien zijn moeder geen recht op pensioen heeft. Hetzelfde geldt voor de moederloze wees indien zijn vader geen recht heeft op pensioen.
  (Wanneer de afstamming van een kind alleen ten aanzien van één ouder vaststaat, wordt het bij diens overlijden gelijkgesteld met een hele wees.) <W 1991-05-21/41, art. 6, 012; Inwerkingtreding : 06-06-1987>
  Indien uit hoofde van het overlijden van ieder van zijn ouders, de wees aanspraak kan maken op pensioenen bedoeld in dit hoofdstuk, dan wordt enkel het pensioen ten laste van de Openbare Schatkist, waaraan eventueel pensioenen toegekend door andere regelingen uit hoofde van het overlijden van dezelfde ouder toegevoegd worden, dat het hoogste voordeel oplevert, toegekend. Het met toepassing van dit lid toegekende pensioen wordt verminderd met het bedrag van de pensioenen waarop de wees in andere regelingen aanspraak kan maken uit hoofde van het overlijden van de andere ouder.
  Indien uit hoofde van het overlijden van ieder van zijn ouders, de wees slechts aanspraak kan maken op een in dit hoofdstuk bedoeld pensioen uit hoofde van de activiteit van één van hen, dan wordt dit pensioen verminderd met het bedrag van de pensioenen toegekend door de andere regelingen uit hoofde van het overlijden van de andere ouder.
  Voor de toepassing van het (vierde en vijfde lid) worden beschouwd als andere regelingen, de krachtens een Belgische wetgeving vastgestelde pensioenregelingen andere dan die welke het voorwerp uitmaken van dit hoofdstuk, de pensioenregelingen vastgesteld krachtens een buitenlandse wetgeving en die van de volkenrechtelijke instellingen. <W 2003-02-03/41, art. 72, 027; Inwerkingtreding : 06-06-1987>
  (De wees kan geen aanspraak maken op de voordelen van dit hoofdstuk indien hij werd veroordeeld om diegene die hem een recht op een overlevingspensioen opent naar het leven te hebben gestaan.) <W 2003-02-03/41, art. 72, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Art. 10. § 1. (Opgeheven.) <W 1991-05-21/41, art. 67, 17°, 012; Inwerkingtreding : 06-06-1987>
  § 2. Het kind aangenomen door een personeelslid of een gewezen personeelslid dat overleden is in een van de situaties bepaald in artikel 2, § 1, eerste lid, littera a, b of c, heeft dezelfde rechten als wanneer het geboren was uit een door het overlijden van de echtgenoot ontbonden huwelijk.
  Indien het eveneens door de echtgenoot van een dergelijk personeelslid aangenomen werd, wordt het geacht geboren te zijn uit het huwelijk van deze echtgenoten.
  Het pensioen van de aangenomen wees wordt niet of niet meer toegekend, indien het aangenomen kind uit hoofde van het overlijden van zijn natuurlijke ouders of van één van hen, een hoger wezenpensioen ontvangt. Indien dit laatste pensioen lager is, wordt het afgetrokken van het voormelde pensioen. Hetzelfde geldt voor het door adoptie gewettigd kind.
  § 3. De cumulatie van voordelen voortvloeiend uit achtereenvolgende adopties is verboden. Alleen het hoogste voordeel wordt toegekend.

  Art. 11. <KB 1998-07-16/58, art. 17, 020; Inwerkingtreding : 01-09-1998> Het wezenpensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin het feit dat het recht doet ontstaan, zich voordeed. Indien de in artikel 21, § 2, bepaalde aanvraag niet bij de Administratie der Pensioenen is toegekomen binnen het jaar volgend op dit feit, gaat het wezenpensioen evenwel in op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke de aanvraag bij de Administratie der Pensioenen is toegekomen.

  Art. 12. Het pensioen van een wees wordt vastgesteld op 6/10 van een overlevingspensioen, berekend overeenkomstig artikel 4, §§ 1, 2 en 4; dat van twee wezen bedraagt 8/10 van hetzelfde pensioen; dat van drie of meer wezen is gelijk aan het gehele pensioen.

  Art. 13. Wanneer er wezen uit verschillende huwelijken bestaan, wordt het pensioen berekend alsof ze allen uit hetzelfde huwelijk waren. Dat pensioen wordt verdeeld onder de groepen pensioengerechtigden evenredig met het aantal kinderen waaruit iedere groep bestaat.

  Art. 14. <W 1991-05-21/41, art. 8, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984> Wanneer er bij het overlijden van het personeelslid tegelijk een langstlevende echtgenoot en niet uit deze echtgenoot en het overleden personeelslid geboren wezen zijn, wordt een overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, §§ 1, 2 en 4, berekend overlevingspensioen tussen de langstlevende echtgenoot enerzijds en de wezen anderzijds verdeeld evenredig met de pensioenen die elk van de twee groepen rechthebbenden, afzonderlijk beschouwd, verkregen zou hebben; in voorkomend geval wordt het gedeelte dat toekomt aan de groep der wezen verdeeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 13.
  Indien het een in artikel 4, § 3, eerste lid, bedoelde langstlevende echtgenoot betreft, wordt het hem toekomende gedeelte echter bepaald overeenkomstig de bepalingen van dat lid. Indien het een in artikel 4, § 3, tweede lid, bedoelde langstlevende echtgenoot betreft, wordt zijn gedeelte beperkt overeenkomstig dat lid.

  Art. 15. <W 1991-05-21/41, art. 9, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984> Wanneer er bij het overlijden van het personeelslid tegelijk een uit de echt gescheiden echtgenoot en niet uit deze echtgenoot en het overleden personeelslid geboren wezen zijn, wordt een overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, §§ 1, 2 en 4, berekend overlevingspensioen tussen de uit de echt gescheiden echtgenoot enerzijds en de wezen anderzijds verdeeld evenredig met de pensioenen die elk van de twee groepen rechthebbenden, afzonderlijk beschouwd, verkregen zou hebben; in voorkomend geval wordt het gedeelte dat toekomt aan de groep der wezen verdeeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 13.
  Het pensioengedeelte dat toekomt aan elk van de twee groepen rechthebbenden wordt beperkt tot het pensioen dat die groep zou hebben verkregen indien er geen twee groepen rechthebbenden zouden zijn geweest.

  Art. 15bis. <Ingevoegd bij W 1991-05-21/41, art. 10, 012; Inwerkingtreding : 01-07-1991> Indien het recht op wezenpensioen voortvloeit uit de toepassing van artikel 9, tweede lid, wordt de uitbetaling van het pensioen geschorst vanaf de eerste dag van de (...) maand die volgt op die van het huwelijk van de langstlevende ouder. Deze schorsing is niet meer van toepassing wanneer de wees de leeftijd van meerderjarigheid bereikt of wanneer de langstlevende ouder overlijdt vooraleer de wees deze leeftijd bereikt. <W 2003-02-03/41, art. 73, 027; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (Het eerste lid is niet van toepassing indien :
  - een voogd aangewezen wordt overeenkomstig artikel 389 van het Burgerlijk Wetboek, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder wettelijk onbekend is of erkend is als zijnde in de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag over de wees uit te oefenen;
  - de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder, zonder uit het ouderlijk gezag te zijn ontzet, het voorwerp uitmaakt van een van de maatregelen bedoeld in de artikelen 29 tot 31 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze maatregel;
  - de jeugdrechtbank een persoon heeft aangewezen of de aanwijzing van een persoon heeft gehomologeerd om bepaalde rechten met betrekking tot de wees uit te oefenen, ten gevolge van het feit dat de overlevende ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet op grond van de artikelen 32 tot 35 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze ontzetting.) <W 2007-04-25/52, art. 35, 034; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  HOOFDSTUK V. _ Gemeenschappelijke bepalingen.

  Art. 16. Indien de langstlevende of de uit de echt gescheiden echtgenoot uit hoofde van opeenvolgende huwelijken aanspraak kan maken op meer dan een van de in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bedoelde pensioenen als rechtverkrijgende, wordt slechts het hoogste pensioen toegekend, behouden of opnieuw toegekend.
  De in artikel 40 van dezelfde wet bedoelde pensioenen als rechtverkrijgende die voortvloeien uit onderscheiden activiteiten van een zelfde echtgenoot, worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als één pensioen.

  Art. 17. (Wanneer de overlevende echtgenoot of de uit de echt gescheiden echtgenoot erkend is als zijnde in de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen over de uit zijn huwelijk met het overleden personeelslid geboren kinderen, worden deze als wezen beschouwd.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing wanneer de daarin bedoelde echtgenoot, zonder uit het ouderlijk gezag te zijn ontzet, het voorwerp uitmaakt van een van de maatregelen bedoeld in de artikelen 29 tot 31 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze maatregel.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing wanneer de daarin bedoelde echtgenoot uit het ouderlijk gezag is ontzet op grond van de artikelen 32 tot 35 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, voor de duur van deze ontzetting.) <W 2007-04-25/52, art. 36, 034; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  In de in het eerste lid bedoelde gevallen wordt het pensioen van de langstlevende of uit de echt gescheiden echtgenoot verdeeld onder de groepen pensioengerechtigden evenredig met de pensioenen die de verschillende groepen, afzonderlijk beschouwd, zouden verkregen hebben, zonder dat iedere groep een hoger pensioen kan verkrijgen dan datgene dat hij afzonderlijk zou verkregen hebben.
  Het aan de kinderen toekomend gedeelte wordt uitbetaald aan de persoon die de kinderbijslag voor de voormelde kinderen ontvangt.

  Art. 18. <W 2003-02-03/41, art. 28, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1. Indien geen enkele van de in artikel 5 bepaalde diensten gelijktijdig werd uitgeoefend, worden de diensten die achtereenvolgens werden volbracht, in aanmerking genomen voor de berekening van een enig overlevingspensioen, zelfs als die diensten rechten hebben doen ontstaan of zouden hebben doen ontstaan op onderscheiden rustpensioenen.
  Indien de diensten die werden gepresteerd bij de macht of de instelling waarbij het personeelslid zijn loopbaan niet beëindigd heeft, op zichzelf rechten op een afzonderlijk rustpensioen hadden doen ontstaan of hadden kunnen doen ontstaan, en indien de gemiddelde wedde die als grondslag zou hebben gediend voor de berekening van het overlevingspensioen hoger is dan de gemiddelde wedde die verbonden is aan de laatste vijf jaar van de loopbaan, kan het enig overlevingspensioen worden vastgesteld op basis van die hogere gemiddelde wedde, maar in dat geval wordt de duur van de diensten gepresteerd bij de macht of de instelling waarbij het personeelslid zijn loopbaan beëindigd heeft, verminderd in evenredigheid met de verhouding tussen enerzijds de gemiddelde wedde verbonden aan de laatste vijf jaar van de loopbaan of aan de volledige duur van de loopbaan in het laatste ambt als die minder dan vijf jaar bedraagt en anderzijds voormelde hogere gemiddelde wedde. Die berekeningswijze wordt enkel toegepast als ze voor betrokkene gunstiger is.
  Als het tweede lid wordt toegepast, wordt de uit de toepassing van artikel 4, § 1, derde lid, voortvloeiende breuk vermenigvuldigd met de verhouding tussen enerzijds de duur van alle diensten die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het enig overlevingspensioen na toepassing van het tweede lid en anderzijds de duur van diezelfde diensten zonder de toepassing van dat lid.
  Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de diensten die werden gepresteerd in het ambt waarin betrokkene zijn loopbaan niet beëindigt, werden volbracht in het kader van een mandaat waaraan een pensioenstelsel verbonden is met (een gunstiger tantième dan 1/50). <W 2007-04-25/52, art. 37, 034; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 2. Gelijktijdig uitgeoefende diensten die de toekenning van onderscheiden rustpensioenen met zich hebben gebracht of zouden hebben gebracht, geven aanleiding tot de toekenning van onderscheiden overlevingspensioenen, die elk vastgesteld worden op grond van dezelfde elementen als die welke in aanmerking werden genomen of zouden genomen zijn voor de berekening van onderscheiden rustpensioenen.
  § 3. Voor de toepassing van §§ 1 en 2 wordt geen rekening gehouden met diensten en perioden waarvan de inaanmerkingneming nadelig zou zijn voor de betrokkene.

  Art. 19. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 38, 034; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  HOOFDSTUK VI. _ Algemene bepalingen.

  Art. 20. § 1. De krachtens deze titel toegekende pensioenen zijn per maand verworven en worden op de eerste werkdag van elke maand uitbetaald.
  § 2. (...) <KB 2000-07-20/64, art. 6, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 21.<KB 1998-07-16/58, art. 18, 020; Inwerkingtreding : 01-09-1998> § 1. De langstlevende echtgenoot is niet verplicht een aanvraag om een overlevingspensioen in te dienen als de overleden echtgenoot reeds gerechtigd was op een rustpensioen dat werd beheerd door de Administratie der Pensioenen.
  De uit de echt gescheiden echtgenoot is niet verplicht een aanvraag om een overlevingspensioen in te dienen indien de overleden gewezen echtgenoot reeds gerechtigd was op een rustpensioen dat werd beheerd door de Administratie der Pensioenen en die administratie, op basis van de in het Rijksregister van de natuurlijke personen beschikbare gegevens, in staat is vast te stellen dat de uit de echt gescheiden echtgenoot de enige potentiële rechthebbende is.
  De wees die jonger is dan 18 jaar is niet verplicht een aanvraag om een overlevingspensioen in te dienen indien de overleden ouder reeds gerechtigd was op een rustpensioen dat werd beheerd door de Administratie der Pensioenen en die administratie, op basis van de in het Rijksregister van de natuurlijke personen beschikbare gegevens, in staat is vast te stellen dat de wees die jonger is dan 18 jaar de enige potentiële rechthebbende is. Hetzelfde geldt indien bij het overlijden van de gerechtigde op een overlevingspensioen uit de in het Rijksregister van de natuurlijke personen beschikbare inlichtingen blijkt dat de wees op dat ogenblik de enige potentiële rechthebbende is geworden.
  [1 Voor de toepassing van het tweede of het derde lid worden meerdere uit de echt gescheiden echtgenoten of meerdere wezen die de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt hebben, zelfs uit verschillende huwelijken, beschouwd als één potentiële rechthebbende.]1
  [2 De Koning kan andere gevallen bepalen waarin geen aanvraag voor een overlevingspensioen moet ingediend worden.
   In de gevallen bedoeld in het eerste tot vijfde lid wordt ambtshalve beslist over de rechten op overlevingspensioen van de rechthebbende.]2
  § 2. In alle andere gevallen is de toekenning van het pensioen afhankelijk van het indienen van een aanvraag.
  § 3. [2 De Koning bepaalt aan welke vereisten een geldige pensioenaanvraag moet voldoen.
   Onverminderd de toepassing van de artikelen 139 tot en met 163 van de wet van 29 december 2010 houdende diverse bepalingen (I) bepaalt de Koning de stukken, bescheiden of elektronische attesten die moeten worden overgelegd tot bewijs van de rechten op een overlevingspensioen.]2
  § 4. [3 ...]3
  ----------
  (1)<KB 2010-01-20/05, art. 16, 040; Inwerkingtreding : 01-04-2010>
  (2)<W 2014-05-05/05, art. 21, 049; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (3)<W 2014-05-05/05, art. 47,3°, 049; Inwerkingtreding : 01-08-2014>

  HOOFDSTUK VII. _ Harmoniseringsmaatregelen.

  Art. 22.De bepalingen betreffende de voorwaarden inzake toekenning, ingangsdatum, schorsing alsook berekeningswijze van de [1 pensioenen of uitkeringen toegekend aan de rechtverkrijgenden]1 van de personeelsleden en van de leden van de beheers-, bestuurs- en directieorganen van de machten en instellingen bedoeld in artikel 38, 2°, van de voormelde wet van 5 augustus 1978, mogen in geen geval tot andere resultaten leiden dan die welke voortvloeien uit de bepalingen waarin deze titel voorziet ten voordele van de rechtverkrijgenden van de in zijn artikel 1 bedoelde personen, die behoren tot dezelfde categorieën van gerechtigden als die welke door deze titel beoogd worden.
  Te dien einde zijn de voormelde machten en instellingen ertoe gehouden de nodige wijzigingen in hun pensioenregeling aan te brengen, met uitwerking op de datum van inwerkingtreding van deze titel.
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/35, art. 99, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK VIII. _ Slot- en opheffingsbepalingen.

  Art. 23. Deze titel is toepasselijk op de rechtverkrijgende van de personen overleden vanaf de eerste dag van de maand van de bekendmaking van deze wet, alsook op de hele wezen wier moeder het voordeel van een overlevingspensioen op de voormelde datum genoot. (Hij is eveneens toepasselijk op de wezen van wie de moeder, die onderworpen was aan een in artikel 1 bedoelde rustpensioenregeling, overleden is vóór 1 mei 1984 en die vanaf die datum hele wezen worden.) <W 1991-05-21/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984>
  De rechten ontstaan vóór de eerste dag van de maand van de bekendmaking van deze wet blijven geregeld door de op die datum van kracht zijnde bepalingen,
  inbegrip van degene die betrekking hebben op de toekenning en de vernieuwing van de overlevingstegemoetkomingen. (Indien een persoon van ten minste 70 jaar een overlevingstegemoetkoming geniet die ten minste reeds eenmaal werd vernieuwd, kan de tegemoetkoming hem evenwel bij de volgende vernieuwing definitief worden toegekend.) <W 1991-05-21/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 01-07-1991>

  Art. 24. De stortingen voortvloeiend uit verbintenissen aangegaan vóór de datum van inwerkingtreding van deze titel zijn vanaf de voormelde datum niet meer toegestaan : de reeds gestorte bedragen geven aanleiding tot de in artikel 5, § 1, derde lid, bepaalde verhoging.
  De stortingen van ontslagnemende, ontslagen, afgedankte, afgezette of ontzette personeelsleden mogen evenwel voortgezet worden tot de in artikel 2, § 1, eerste lid, littera c, bepaalde minimumduur van 15 in aanmerking komende dienstjaren bereikt is.

  Art. 25. <wijzigingsbepaling>

  Art. 26.Opgeheven worden :
  1° het koninklijk besluit van 28 mei 1849 over de grondslagen van vereffening der pensioenen en dergene van de weduwen en wezen;
  2° de artikelen 2 tot en met 5 van het koninklijk besluit van 23 juni 1849 vaststellende de perken binnen welke de verloven aan de ambtenaren en bedienden toegestaan, mogen begrepen worden in de verrekening der pensioenen, gewijzigd en aangevuld bij de koninklijke besluiten van 18 maart 1852 en 15 januari 1898, en door de wet van 10 januari 1974;
  3° het koninklijk besluit van 21 april 1867 waarbij wordt bepaald dat het gedeelte van de wedde dat krachtens de koninklijke besluiten van 23 juni 1849 en 18 maart 1852 aan de weduwen- en wezenkassen wordt toegekend wegens verlof, afwezigheid of tuchtstraffen, niet meer dan één maand van bewuste wedde mag bedragen;
  4° artikel 3 van de wet van 15 mei 1920 waarbij, ten behoeve van de gerechtelijke officieren en agenten, schikkingen worden genomen om hen, met het oog op hun eigen pensioen en dat van hun weduwen en wezen, het voordeel te doen genieten van de diensten door de betrokkenen bij de politie ener gemeente bewezen;
  5° het koninklijk besluit van 1 mei 1928 betreffende de afhoudingen ten bate der kassen voor weduwen en wezen;
  6° de wet van 13 september 1928 waarbij als overgangsmaatregel nieuwe voordelen worden verleend aan de gerechtigden op ten laste van 's Rijks Schatkist en van de Voorzorgskassen komende pensioenen;
  7° de wet van 31 december 1929 houdende verhoging met 10 pct. van de rustpensioenen ten laste van de Voorzorgskassen;
  8° de wet van 27 december 1933 waarbij verschillende wijzigingen worden aangebracht aan de wetten op de pensioenen ten laste van 's Rijks Schatkist, op de pensioenen ten laste van de Voorzorgskassen en aan de wet van 25 april 1933 op het pensioen van het gemeentepersoneel;
  9° artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935, tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat;
  10° de artikelen 2 tot en met 8 van het koninklijk besluit nr. 221 van 27 december 1935 houdende wijziging van de wetgeving op de burgerlijke pensioenen en op de weduwen- en wezenpensioenen;
  11° de artikelen 2 tot en met 9 van het koninklijk besluit nr. 222 van 27 december 1935 houdende wijziging van de wetten op de pensioenen van de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht en herziening van zekere militaire pensioenen wegens diensttijd, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 en bij de wet van 30 juni 1947;
  12° het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk Staatspersoneel en het daarmede gelijkgesteld personeel, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1951, de wet van 13 juli 1957, de wet van 30 april 1958, de wet van 25 februari 1965, de wet van 3 juli 1967, de wet van 10 oktober 1967, de wet van 5 augustus 1968, de wet van 9 juli 1969, de koninklijke besluiten van 27 januari 1970 en 13 november 1972, de wet van 27 maart 1973, het koninklijk besluit van 19 november 1973, de wet van 31 mei 1974, het koninklijk besluit van 23 juli 1974, de wet van 27 maart 1975, de wet van 14 april 1975, de wet van 11 juni 1976, de wet van 27 december 1977 en het koninklijk besluit nr. 30 van 30 maart 1982;
  13° het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot éénmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht, gewijzigd bij de wet van 25 augustus 1947, de wet van 14 juli 1951, de wet van 13 juli 1957, de wet van 30 april 1958, de wet van 25 februari 1965, de wet van 9 juli 1969, het koninklijk besluit van 13 november 1972, de wet van 27 maart 1973, het koninklijk besluit van 19 november 1973, de wet van 31 mei 1974, het koninklijk besluit van 23 juli 1974, de wet van 27 maart 1975, de wet van 14 april 1975, de wet van 11 juni 1976, de wet van 22 december 1977, de wet van 27 december 1977 en het koninklijk besluit nr. 30 van 30 maart 1982;
  14° het koninklijk besluit van 30 mei 1936 tot regeling van de uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk Staatspersoneel en het daarmede gelijkgesteld personeel;
  15° het koninklijk besluit van 1 juli 1936 tot regeling van de uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936, houdende éénmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht;
  16° het koninklijk besluit van 12 september 1936 houdende regeling van de toepassingsmodaliteiten van de artikelen 6, eerste alinea, en 9, tweede alinea, van het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936 betreffende de gebrekkige wezen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 augustus 1939, het besluit van de Regent van 7 juni 1945 en de koninklijke besluiten van 23 november 1951, van 11 december 1956 en van 25 januari 1973;
  17° het koninklijk besluit van 12 september 1936 houdende regeling van de modaliteiten inzake toepassing van artikelen 6, eerste alinea, en 10, tweede alinea, van het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936, tot éénmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht, gewijzigd bij het besluit van de Regent van 2 augustus 1945 en de koninklijke besluiten van 23 november 1951, 2 februari 1957 en 25 januari 1973;
  18° het koninklijk besluit van 19 juni 1937 houdende aanvulling van dat van 12 september 1936 betreffende de gebrekkige wezen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 november 1951 en 11 december 1956;
  19° het koninklijk besluit van 22 oktober 1937 tot regeling van de uitvoering van artikel 7, § 4, van het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk Staatspersoneel en het daarmede gelijkgesteld personeel, met betrekking tot weddevermindering wegens ziekteverloven;
  20° het besluit van de Regent van 1 augustus 1945 tot aanvulling van het koninklijk besluit d.d. 12 september 1936, betreffende de gebrekkige wezen der leden van het leger en van de rijkswacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 2 februari 1957;
  21° het besluit van de Regent van 25 maart 1948 genomen ter uitvoering van de wet van 25 augustus 1947, houdende sommige wijzigingen en toevoegingen aan de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot éénmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht;
  22° artikel 3 van de wet van 30 juni 1951 waarbij voordelen worden verleend aan de officieren en onderofficieren die ingevolge de verjonging van de kaders van het leger op pensioen gesteld worden;
  23° de artikelen 12 en 14 van de wet van 14 juli 1951 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
  24° de artikelen 3 tot en met 6 van de wet van 26 februari 1954 waarbij de wetsbepalingen betreffende de burgerlijke en geestelijke pensioenen van toepassing worden verklaard op bepaalde agenten van de Instelling voor sociale verzekeringen te Eupen-Malmédy en hun rechtverkrijgenden;
  25° het tweede lid van artikel 24 van de wet van 2 augustus 1955 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen;
  26° het koninklijk besluit van 3 oktober 1955 waarbij een nieuwe termijn wordt gesteld voor het indienen van de formulieren van verbintenis bestemd om sommige diensten of voordelen te valideren overeenkomstig artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936, tot éénmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen van de leden van het leger en van de rijkswacht;
  27° artikel 3 van de wet van 9 juli 1956 betreffende het rust- en overlevingspensioen van de ambtenaren en agenten der buitendiensten van de Veiligheid van de Staat;
  28° het koninklijk besluit van 11 december 1956 betreffende de pensioenregeling der gebrekkige wezen van het Rijkspersoneel en daarmede gelijkgesteld personeel;
  29° het derde lid van artikel 23 van het koninklijk besluit van 28 januari 1957 houdende omwerking van het Statuut van de Regie der Belgische Rijkskoel- en -vriesdiensten;
  30° het koninklijk besluit van 2 februari 1957 betreffende de pensioenregeling van de gebrekkige wezen der leden van leger en rijkswacht;
  31° de laatste zin van artikel 3 van de wet van 12 april 1957 betreffende de burgerlijke werklieden van het Ministerie van Landsverdediging, gewijzigd bij de wet van 31 januari 1975;
  32° het koninklijk besluit van 29 april 1957 houdende vaststelling van een termijn voor de onderschrijving van de verbintenissen welke tot voorwerp hebben de diensten te valideren _ ten opzichte van het overlevingspensioen _ welke bewezen werden krachtens een benoeming die bij toepassing van artikel 29 van de wet van 2 augustus 1955 als regelmatig wordt aangezien;
  33° de artikelen 8 tot en met 10 van het koninklijk besluit van 3 oktober 1957 tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 juli 1937 houdende de statuten van de Rijkswerkliedenkas;
  34° de artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 30 april 1958 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 254 en 255 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk rijkspersoneel en van de leden van het leger en van de rijkswacht, en tot instelling van een begrafenisvergoeding ten gunste van de rechthebbenden van de gepensioneerde rijksambtenaren;
  35° artikel 15, zevende lid, van de op 31 december 1958 gecoördineerde wetten betreffende de afgevaardigden-werklieden bij het toezicht in de steenkolenmijnen;
  36° artikel 15, achtste lid, van de wet van 12 april 1960 tot instelling van het ambt van afgevaardigde-werkman bij het toezicht in de groeven en graverijen;
  37° artikel 118 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, gewijzigd bij de wet van 24 februari 1965, de wet van 8 juli 1970, het koninklijk besluit van 13 november 1972 en het koninklijk besluit nr. 30 van 30 maart 1982;
  38° artikel 26 van de wetten betreffende het personeel in Afrika gecoördineerd bij het koninklijk be sluit van 21 mei 1964;
  39° artikel 6bis van het koninklijk besluit nr. 33 van 20 juli 1967 tot vaststelling van het statuut van sommige ambtenaren van de openbare diensten die met een internationale opdracht worden belast, ingevoegd bij de wet van 3 juni 1971;
  40° de artikelen 2 en 25, § 1, van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector, gewijzigd bij de wet van 11 juni 1976;
  41° artikel 38 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector;
  42° artikel 7 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs;
  43° artikel 36ter van de wet van 1 juli 1971 houdende oprichting van de Regie voor Maritiem Transport, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1975;
  44° artikel 22 van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van [1 bpost]1; <W 1991-03-21/30, art. 130, 011; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  45° het koninklijk besluit van 11 september 1972 tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 juli 1937 houdende de statuten van de Rijkswerkliedenkas;
  46° de artikelen 8 tot en met 11 van de wet van 10 januari 1974 tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Staatskas;
  47° het koninklijk besluit van 5 juli 1976 dat, voor de berekening van het ouderdoms- en overlevingspensioen van de personeelsleden van de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid en van hun rechthebbenden, sommige tewerkstellingen voor 1 januari 1950 in aanmerking neemt;
  48° artikel 2 van de wet van 15 juli 1977 betreffende de rust- en overlevingspensioenen van de personeelsleden van de Rijkspsychiatrische ziekenhuizen en van de weldadigheidsgestichten ingesteld door de Staat.
  ----------
  (1)<W 2010-12-13/07, art. 4, 042; Inwerkingtreding : 17-01-2011>

  TITEL II. _ (Opgeheven.) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 27. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 28. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 29. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 30. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 31. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 31bis. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 32. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 33. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 34. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 35. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 36. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 37. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 38. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 39. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 40. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 41. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 42. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 43. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 44. (Opgeheven) <W 1992-06-26/30, art. 142, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  TITEL III. _ Onmiddellijk of uitgesteld pensioen. (...) <W 1991-05-21/41, art. 21, 012; Inwerkingtreding : 01-07-1991>

  Art. 45. Deze titel is van toepassing op de personen wier diensten aanleiding kunnen geven tot de toekenning van een rustpensioen ten laste van de Openbare Schatkist of van een der machten of instellingen waarop de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector van toepassing is.

  Art. 46.[1 § 1. Het pensioen kan worden verleend vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die van hun [5 63ste verjaardag]5 of op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de stopzetting van hun functies indien deze zich later voordoet, aan de personen die :
   1° minstens [5 42 pensioenaanspraakverlenende dienstjaren]5 tellen in het stelsel van de staatsambtenaren [4 en de kalenderjaren waarvoor een pensioen kan worden toegekend als lid van het Europees Parlement, van het federale Parlement of van een Parlement of een Raad van een gemeenschap of een gewest]4;
   2° en hun loopbaan hebben beëindigd na 31 december 1976 en in aanmerking komende diensten of periodes van na die datum kunnen laten gelden op voorwaarde dat zij ten minste vijf pensioenaanspraakverlenende dienstjaren tellen, met uitsluiting van de bonificaties wegens studies en van de periodes vergoed wegens diensten die voor de vaststelling van de wedde meetellen.
  [2 Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, worden :
   1° eveneens in aanmerking genomen, de kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend op een vervroegd pensioen in de regeling van de werknemers of in een ander wettelijk Belgisch pensioenstelsel;
   2° gelijkgesteld met jaren als beroepsbrandweerman, de loopbaanjaren als vrijwillige brandweerman voor zover deze vrijwillige brandweerman rechtstreeks deelneemt aan de brandbestrijding en op rust gesteld wordt als beroepsbrandweerman. Onder " vrijwillige brandweerman " dient te worden verstaan de brandweerman die verbonden is door een dienstnemingscontract zoals bedoeld in artikel 11 of 16 van bijlage 3 " Modelreglement voor de organisatie van een gemeentelijke vrijwilligersbrandweerdienst " van het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten en die deel uitmaakt van een brandweerdienst of een intercommunale brandweervereniging opgericht krachtens de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming en die niet de hoedanigheid bezit van lid van het gemeentepersoneel. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het begrip " vrijwillige brandweerman " wijzigen om het in overeenstemming te brengen met de regelgeving betreffende de rechtspositie van de vrijwillige brandweerman.]2
  [6 3° eveneens in aanmerking genomen de periodes doorgebracht in non-activiteit voorafgaand aan de pensionering door het lid van het operationeel kader van de geïntegreerde politie verleend krachtens artikel XII.XIII.1. van de RPPol zoals ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 november 2015 houdende bepalingen inzake het eindeloopbaanregime voor personeelsleden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie.]6
   In afwijking van het eerste lid, wordt de leeftijd van [5 63 jaar]5 vervangen door :
   - 60 jaar voor de personen die minstens [5 44 dienstjaren]5 vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   - 61 jaar voor de personen die minstens [5 43 dienstjaren]5 vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, 1°, kunnen laten gelden.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt de leeftijd vastgesteld :
   1° Voor de rustpensioenen die ingaan tussen 1 januari 2013 en 31 december 2013 :
   - op 60 jaar en 6 maanden voor de personen die minstens 38 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1° , kunnen laten gelden;
   - op 60 jaar voor de personen die minstens 40 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden.
   2° Voor de rustpensioenen die ingaan tussen 1 januari 2014 en 31 december 2014 :
   - op 61 jaar voor de personen die minstens 39 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   - op 60 jaar voor de personen die minstens 40 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden.
   3° Voor de rustpensioenen die ingaan tussen 1 januari 2015 en 31 december 2015 :
   - op 61 jaar en 6 maanden voor de personen die minstens 40 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   - op 60 jaar voor de personen die minstens 41 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
  [5 4° Voor de rustpensioenen die ingaan tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016 :
   - op 62 jaar voor de personen die minstens 40 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   - op 61 jaar voor de personen die minstens 41 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   - op 60 jaar voor de personen die minstens 42 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   5° Voor de rustpensioenen die ingaan tussen 1 januari 2017 en 31 december 2017 :
   - op 62 jaar en 6 maanden voor de personen die minstens 41 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   - op 61 jaar voor de personen die minstens 42 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   - op 60 jaar voor de personen die minstens 43 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   6° Voor de rustpensioenen die ingaan tussen 1 januari 2018 en 31 december 2018 :
   - op 63 jaar voor de personen die minstens 41 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   - op 61 jaar voor de personen die minstens 42 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden;
   - op 60 jaar voor de personen die minstens 43 dienstjaren vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, kunnen laten gelden.]5
  [2 § 2/1. In afwijking van §§ 1 en 2 en onverminderd § 1, eerste lid, 2°, wordt voor de personen die vóór 1 januari 1956 geboren zijn, de leeftijd op 62 jaar vastgesteld voor zover zij minstens 37 kalenderjaren tellen zoals bepaald in § 1, tweede lid, 1°.]2
   § 3. [5 De in § 1, eerste lid, 1°, § 2 en § 2/1 bepaalde voorwaarde inzake duur van de diensten dient niet vervuld te worden door de persoon geboren vóór 1 januari 1953 of door de persoon die de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft.
   In afwijking van het eerste lid wordt de in dat lid bedoelde leeftijd van 65 jaar gebracht op :
   1° ) 66 jaar indien het pensioen ingaat tussen 1 februari 2025 en 31 januari 2030;
   2° ) 67 jaar indien het pensioen ingaat vanaf 1 februari 2030.
   De pensioenen die ingaan tijdens de maand januari van de jaren 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 of 2019 worden, voor de toepassing van paragraaf 2, geacht respectievelijk in te gaan in 2013, 2014, 2015, 2016, 2017 of 2018.
   De pensioenen die ingaan tijdens de maand januari van de jaren 2017, 2018, 2019, 2020, 2021 of 2022 worden, voor de toepassing van paragraaf 3/1, geacht respectievelijk in te gaan in 2016, 2017, 2018, 2019, 2020 of 2021.]5
  [2 § 3/1. Om te bepalen of het vereiste minimumaantal pensioenaanspraakverlenende dienstjaren bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en derde lid, § 2 en [5 § 3, derde lid]5, wordt bereikt, wordt de duur van de in het tweede lid bedoelde diensten verstrekt in een ambt waaraan de wet, voor de pensioenberekening, een gunstiger tantième dan 1/60e verbindt, vermenigvuldigd met de in het vijfde lid vastgestelde coëfficiënt die overeenstemt met het aan die diensten verbonden tantième, de ingangsdatum van het pensioen en het minimumaantal vereiste dienstjaren.
   De in het eerste lid bedoelde diensten zijn de werkelijk gepresteerde pensioenaanspraakverlenende diensten, de verloven met behoud van bezoldiging en de situaties vermeld in de lijst bedoeld bij artikel 88, vijfde lid, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, die aanneembaar zijn voor de opening van het recht op pensioen, evenals de in § 1, tweede lid, 2 °, bedoelde loopbaanjaren als vrijwillige brandweerman. Ook indien, voor de berekening van het pensioen, het voordeliger tantième niet behouden blijft tijdens de situaties opgesomd in de hierboven bedoelde lijst, moet de in het vijfde lid bedoelde coëfficiënt toegepast worden op deze periode op basis van het tantième dat aan deze periode zou verbonden geweest zijn indien de betrokkene werkelijke diensten was blijven presteren in de functie die hij vóór die situatie uitoefende.
   Het eerste lid is eveneens van toepassing op de in het tweede lid bedoelde diensten gepresteerd bij de NMBS-Holding [3 of bij HR Rail]3.
   Het eerste lid is niet van toepassing op de diensten gepresteerd bij instellingen waarvan het pensioenstelsel wordt geregeld bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.
   De coëfficiënt of coëfficiënten bedoeld in het eerste lid worden als volgt vastgesteld :
  

  
Jaar waarin het pensioen ingaatTantième 1/55Tantième 1/50 en andere gunstigere tantièmes
Minimumaantal vereiste dienstjarenMinimumaantal vereiste dienstjaren
  
  
 38 jaar39 jaar40 jaar41 jaar[1 42 jaar of meer]138 jaar39 jaar40 jaar41 jaar[1 42 jaar of meer]1
  
  
20131,0910-1,0908--1,1999-1,2001--
20141,09101,09091,0908--1,19991,20001,2001--
2015-1,09091,09081,0910--1,20001,20011,1999-
2016--1,09081,09101,0909--1,20011,19991,2000
2017--1,06441,06491,0654--1,17061,17141,1722
2018--1,03901,04011,0500--1,14291,14431,1454
2019--1,03901,04011,0500--1,11641,11811,1200
2020--1,03901,04011,0500--1,09081,09331,0957
2021--1,03901,04011,0500--1,06671,06971,0722
Vanaf 2022 -1,03901,04011,0500 -1,04361,04671,0500
(1)<W 2015-08-10/09, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2017>


  Elke ononderbroken pensioenaanspraakverlenende periode, desgevallend onderverdeeld in afzonderlijke perioden naargelang het aan de diensten verbonden tantième, wordt geteld van de begin- tot en met de einddatum. De dagen die deel uitmaken van een onvolledige kalendermaand worden in aanmerking genomen ten belope van het gedeelte dat zij vertegenwoordigen in verhouding tot het aantal dagen dat werkelijk begrepen is in die volledige kalendermaand. Het resultaat van deze telling wordt, voor elke afzonderlijke periode, uitgedrukt in maanden met vier decimalen waarbij naar boven wordt afgerond indien de vijfde decimaal gelijk of groter is dan vijf. Dezelfde afronding wordt toegepast op het product dat wordt verkregen nadat de som van deze, per tantième samengetelde, afzonderlijke perioden werd vermenigvuldigd met de coëfficiënt bedoeld in het vijfde lid. De som van deze producten wordt uitgedrukt in maanden met vier decimalen.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen om de coëfficiënt 1,1200 vastgesteld in de laatste kolom van de tabel in het vijfde lid, voor de in die kolom bedoelde gevallen, te behouden voor de jaren na 2019.
   § 3/2. De toepassing van § 1, tweede lid, 1°, kan niet meebrengen dat voor een bepaald kalenderjaar meer dan 12 maanden in aanmerking genomen worden voor de opening van het recht op het pensioen.]2
   § 4. De paragrafen 1 tot 3 zijn evenwel niet van toepassing :
   1° op de personen van wie de diensten werden beëindigd als gevolg van de zwaarste in hun statuut bepaalde tuchtstraf of, indien ze geen statuut hebben of indien geen tuchtregeling erin is opgenomen, ten gevolge van een ontslag om een dringende reden waardoor ze hun betrekking zonder opzeggingstermijn, noch opzeggingsvergoeding verloren, voor zover dit ontslag, indien het gerechtelijk werd betwist, geldig werd verklaard door de bevoegde rechtbanken en geen enkele schadeloosstelling aan de betrokkene werd toegekend;
   2° op de militairen die verplicht werden het leger te verlaten ten gevolge van de artikelen 19, 31, 32 of 33 van het Strafwetboek of van artikel 5 van het Militair Strafwetboek.
   Wanneer een persoon zijn loopbaan in de in het eerste lid bedoelde omstandigheden beëindigd heeft en later opnieuw pensioenaanspraakverlenende diensten verricht, kunnen enkel de vanaf de nieuwe indiensttreding verrichte diensten in aanmerking komen voor de toekenning van het rustpensioen.
   § 5. Voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt geen rekening gehouden met de diensten reeds in aanmerking genomen voor een pensioen in de werknemersregeling door toepassing van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privésector.]1
  ----------
  (1)<W 2011-12-28/01, art. 85, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<W 2012-12-13/13, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (3)<KB 2013-12-11/02, art. 37, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (4)<W 2014-05-05/05, art. 22, 049; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (5)<W 2015-08-10/09, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (6)<W 2015-12-18/04, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 25-11-2015>

  Art. 47. Behoudens andersluidende bepalingen in deze titel en onverminderd de toepassing, in geval van een gemengde loopbaan, van de wet van 14 april 1965, wordt het ter uitvoering van artikel 46 toegekende pensioen onderworpen aan de bepalingen die de rustpensioenen regelen in de regeling waaraan de betrokkene onderworpen is geweest, zoals zij van kracht zijn op de ingangsdatum van het pensioen. (Het wordt vastgesteld volgens de berekeningswijze die van toepassing is in geval van lichamelijke ongeschiktheid. Het mag evenwel drie vierde van de wedde die als grondslag heeft gediend voor de vereffening ervan, niet overschrijden, tenzij voor de berekening van dit pensioen tijdsbonificaties in aanmerking komen die toegekend worden uit hoofde van hechtenis, deportatie, militaire oorglogsdiensten of daarmee gelijkgestelde diensten.) <W 1991-05-21/41, art. 23, 012; Inwerkingtreding : 01-07-1991>

  Art. 48. Deze titel wijkt niet af, wat het recht op het pensioen en de uitbetaling ervan betreft, van (de sancties die bepaald worden door de pensioenregeling die overeenkomstig artikel 47 van toepassing is op de betrokkene :
  a) in geval van veroordeling tot een criminele straf;
  b) in geval van opsluiting in een gevangenis of van internering in een inrichting tot bescherming van de maatschappij;
  c) wanneer de gepensioneerde zich niet aanmeldt om zijn opsluiting of internering te ondergaan). <W 2007-04-25/52, art. 12, 034; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 49.<W 1991-05-21/41, art. 24, 012; Inwerkingtreding : 01-06-1984> (§ 1. Voor de personen die geen twintig pensioenaanspraakverlenende dienstjaren tellen, met uitsluiting van de bonificaties wegens studies alsmede van perioden die worden vergoed wegens diensten die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking komen, worden de diensten en perioden tijdens welke deze personen rechten hebben doen ontstaan, hetzij op een niet in artikel 45 bedoeld pensioen, hetzij op een pensioen als gewezen lid van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika, niet in aanmerking genomen voor de berekening van het pensioen.
  § 2. Voor de personen die geen twintig voor de berekening van het pensioen in aanmerking komende dienstjaren tellen, met uitsluiting van de bonificaties wegens studies alsmede van perioden die worden vergoed wegens diensten die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking komen :
  1° wordt de tijdsbonificatie wegens diploma of voorafgaande studies, die niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een validering ten bezwarende titel, slechts in aanmerking genomen ten belope van de verhouding tussen de in maanden uitgedrukte duur van voormelde aanneembare diensten en het getal tweehonderd veertig;
  2° worden de tantièmes [1 voordeliger dan 1/50e]1 vervangen door het tantième 1/50e;
  3° worden de aanneembare diensten en perioden slechts voor hun enkelvoudige duur in aanmerking genomen.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de duur van de aanneembare diensten vastgesteld zonder rekening te houden met de in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 bepaalde tijdsinkorting.) <W 2003-02-03/41, art. 56, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing op de diensten gepresteerd als lid van het rijdend personeel van de NMBS-Holding [2 of van HR Rail ]2.]1
  ((§ 3.) (oude § 2) Voor de toepassing van deze titel worden de in artikel 393 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde bijkomende diensten als bonificaties wegens studies beschouwd.) <W 1991-05-21/41, art. 24, § 2, 013; Inwerkingtreding : 01-07-1991> <WL 2003-02-03/41, art. 56, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<W 2012-12-13/13, art. 8, 045; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<KB 2013-12-11/02, art. 38, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 50. Voor de berekening van het krachtens deze titel toegekende pensioen kan de Koning fictieve weddeschalen vaststellen voor ambten die niet meer bestaan of waarvan de wedde de algemene evolutie van de bezoldigingen niet heeft gevolgd. Deze koninklijke besluiten worden genomen op de in artikel 15 van de wet van 14 april 1965 bepaalde wijze.

  Art. 51.<W 2003-02-03/41, art. 57, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Het genot van deze titel is afhankelijk van het indienen van een aanvraag die gericht moet worden aan het bestuur waartoe de betrokkene het laatst behoord heeft of aan de instelling belast met de berekening van zijn pensioen.
  In de aanvraag, die niet meer dan een jaar voor de ingangsdatum van het pensioen mag worden ingediend, vermeldt de betrokkene de datum waarop hij wenst dat het pensioen ingaat.
  Het pensioen gaat evenwel op zijn vroegst in de eerste dag van de maand na die waarin de aanvraag werd ingediend :
  - indien de aanvraag niet werd ingediend in het jaar dat volgt op de [1 62ste]1 verjaardag van de aanvrager;
  - indien de aanvraag niet werd ingediend in het jaar dat volgt op het neerleggen van zijn ambt als de aanvrager zijn ambt na zijn [1 62ste]1 verjaardag neerlegt.
  [1 Voor de betrokkene die overeenkomstig artikel 46, §§ 1 of 2, aanspraak kan maken op een rustpensioen voor de leeftijd van 62 jaar, wordt de in het derde lid vermelde leeftijd vervangen door de leeftijd vanaf dewelke hij overeenkomstig die paragrafen aanspraak kan maken op een rustpensioen.]1
  ----------
  (1)<W 2011-12-28/01, art. 86, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 52. De personen die zich tussen 1 juli 1982 en daags voor de inwerkingtreding van deze titel in disponibiliteit wegens leeftijdsgrens bevonden hebben met een wachtgeld gelijk aan het pensioenbedrag kunnen, op hun aanvraag, op rust gesteld worden de eerste dag van de maand die volgt op die tijdens welke zij in deze administratieve stand geplaatst werden, doch ten vroegste op 1 juli 1982, indien zij de in artikel 46 bepaalde voorwaarde inzake dienstanciënniteit vervullen.

  Titel IIIbis. [1 Toepasselijke tantièmes]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-12-28/01, art. 93, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 52/1.[1 Deze titel is van toepassing op de pensioenen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen of in artikel 80 van de wet van 3 februari 2003 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-12-28/01, art. 94, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 52/2. [1 Indien in de berekening van een rustpensioen diensten worden opgenomen gepresteerd na 31 december 2011, worden de eventuele tantièmes voordeliger dan 1/48ste verbonden aan deze diensten vervangen door het tantième 1/48ste.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-12-28/01, art. 95, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  TITEL IV. _ Maatregelen om de inzameling van inzake pensioenen noodzakelijke inlichtingen te vergemakkelijken.

  HOOFDSTUK I. _ Individuele gegevenskaart.

  Art. 53. De in artikel 38, 1° en 2° van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bedoelde machten en instellingen moeten, zonder afbreuk te doen aan de persoonlijke levenssfeer, voor ieder van de in dat artikel bedoelde personen, een individuele gegevenskaart opstellen waarin de volgende gegevens voorkomen : de burgerlijke stand van de betrokkene, de samenstelling van zijn gezin, zijn woonplaats, evenals alle inlichtingen in verband met zijn administratieve en geldelijke loopbaan, die nodig zijn voor het vaststellen van de pensioenen.
  De Koning preciseert de inhoud van de individuele gegevenskaart. Hij bepaalt eveneens onder welke voorwaarden de in het eerste lid bedoelde personen kennis kunnen krijgen van de gegevens vervat in de kaart die hen betreft, ten einde de juistheid ervan na te gaan en ze, in voorkomend geval, te doen wijzigen of aanvullen.

  Art. 54. De overheid belast met het bijhouden van de individuele gegevenskaart is bevoegd om er, kosteloos, afschriften of voor eensluidend verklaarde uittreksels van af te leveren op aanvraag van de machten en instellingen die de dienst der pensioenen verzekeren.
  Behoudens tegenbewijs wat de juistheid betreft van de in de individuele gegevenskaart voorkomende gegevens, hebben deze kracht van bewijs inzake de rechtvaardiging van de rechten op pensioen.

  Art. 55. De Koning kan, voor de personeelscategorieën die Hij aanduidt, het bijhouden en het beheer van de individuele gegevenskaarten centraliseren bij een administratie of bij een bestaande of nog op te richten instelling. In dat geval worden de in artikel 53 bedoelde machten en instellingen ontlast van deze taak maar ze zijn gehouden deze dienst kosteloos in het bezit te stellen van de voor het vervullen van zijn opdracht noodzakelijke inlichtingen.

  Art. 56. De in dit hoofdstuk bedoelde koninklijke besluiten worden in de Ministerraad overlegd.

  HOOFDSTUK II. _ Wijze van identificatie der pensioenen.

  Art. 57. Ten einde inlichtingen betreffende één zelfde persoon te groeperen en daarvan een permanente inventaris te kunnen bijhouden, moeten de publiek- en privaatrechtelijke instellingen evenals de feitelijke verenigingen een op de door de Koning bepaalde wijze vastgesteld identificatienummer geven aan de rechthebbenden op prestaties waarvan zij de dienst verzekeren en die bestaan uit :
  _ wettelijke of reglementaire ouderdoms-, rust-, anciënniteits-, invaliditeits- en overlevingspensioenen en de desbetreffende renten en toelagen;
  _ enig voordeel tot aanvulling van de bovenvermelde pensioenen, dat toegekend wordt ofwel krachtens wettelijke, reglementaire of statutaire beschikkingen ofwel krachtens bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een bedrijfsreglement, een collectieve bedrijfs- of sectorovereenkomst;
  _ de invaliditeitspensioenen, -renten, -vergoedingen en -toelagen die aan de betrokkenen of aan hun rechtverkrijgenden toegekend worden tot herstel van een arbeidsongeval, een beroepsziekte of een oorlogsfeit;
  _ de toelagen voor minder-validen;
  _ andere door de Koning vastgestelde voordelen.

  Art. 58. Aan de in artikel 57 bedoelde instellingen en verenigingen wordt een op de door de Koning bepaalde manier vastgesteld identificatienummer gegeven. Deze instellingen en verenigingen stellen het door de Koning aangeduide overheidsbestuur kosteloos in het bezit van alle inlichtingen waarvan sprake is in het even genoemde artikel.
  De aldus bijeengebrachte inlichtingen mogen alleen gebruikt worden voor de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen die de in artikel 57 bedoelde prestaties regelen.

  TITEL V. _ Persoonlijke bijdragen voor de financiering van de overlevingspensioenen.

  Art. 59. De bepalingen van deze titel zijn toepasselijk op de personen die aanspraak zullen kunnen maken op een rustpensioen ten laste van :
  a) de Openbare Schatkist [3 ...]3;
  b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is (...)); <KB 2004-12-22/32, art. 20, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  c) [1 bpost]1; <W 1991-03-21/30, art. 130, 011; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  d) de Regie voor Maritiem Transport;
  e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is.
  Zijn niet aan deze bepalingen onderworpen de vrijwillige redders, de bedienaars van de erediensten die niet in het huwelijk mogen treden en die een wedde ten laste van de Openbare Schatkist genieten en de gewezen leden van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika.
  ----------
  (1)<W 2010-12-13/07, art. 4, 042; Inwerkingtreding : 17-01-2011>
  (2)<KB 2013-12-11/02, art. 39, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<W 2016-03-18/03, art. 108, 056; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 60. De aan de in artikel 59 bedoelde personen toegekende wedden evenals de andere bezoldigingselementen die in aanmerking genomen worden voor de berekening der rustpensioenen, zijn onderworpen aan een verplichte afhouding vastgesteld op 7,5 pct.

  Art. 61.<W 2006-01-12/45, art. 43, 031 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006> De opbrengst van de in artikel 60 bepaalde persoonlijke bijdrage wordt gestort aan de [1 Federale Pensioendienst]1 en is bestemd voor de financiering van de pensioenen van de rechtverkrijgenden van de in artikel 59 bedoelde pensioenen. Het overschot van de opbrengst van deze bijdrage ten opzichte van de last van deze pensioenen is bestemd voor de financiering van de rustpensioenen ten laste van de Staatskas.
  ----------
  (1)<W 2016-03-18/03, art. 109, 056; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 61bis.<Ingevoegd bij W 1991-05-21/41, art. 25, 012; Inwerkingtreding : 01-07-1991> § 1. De opbrengst van de in artikel 60 bedoelde persoonlijke bijdrage die moet worden gestort door de openbare besturen, diensten en instellingen, alsmede door de onderwijsinrichtingen, die instaan voor de betaling van de bezoldiging van de in artikel 59 bedoelde personen, moet bij de [1 Federale Pensioendienst]1 toekomen uiterlijk (de vijfde werkdag die volgt op de dag van de uitbetaling van de bezoldiging aan de betrokken personen). <W 1999-12-24/36, art. 109, 1°, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2006-01-12/45, art. 44, 1°, 031 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  Indien het totaal van de door een jaar verschuldigde bijdragen echter minder bedraagt dan (12 394,68 EUR), mogen zij er zich in de loop van het volgende jaar toe beperken slechts één enkele storting per kwartaal te verrichten. In dat geval moet het geheel van de voor een kwartaal verschuldigde bijdragen bij de Openbare Schatkist toekomen uiterlijk de laatste werkdag van de maand volgend op dat kwartaal. <KB 2000-07-20/64, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. De in § 1 bedoelde besturen, diensten, instellingen en inrichtingen zijn verplicht om, vóór 1 maart van elk jaar, aan de Administratie der Pensioenen van het Ministerie van Financiën de lijst toe te sturen van de personen aan wie zij tijdens het voorbije jaar een bezoldiging hebben gestort die onderworpen is aan de in artikel 60 bepaalde afhouding. Deze lijst moet de verschillende vermeldingen bevatten voorgeschreven door de Minister die de Administratie der Pensioenen onder zijn bevoegdheid heeft.
  § 3. Indien de in § 1 bedoelde besturen, diensten, instellingen en inrichtingen niet voldoen aan de bij die paragraaf voorgeschreven verplichtingen, zijn zij van rechtswege aan de [1 Federale Pensioendienst]1 nalatigheidsinteresten op de niet-gestorte sommen verschuldigd. Deze interesten, waarvan het percentage op elk ogenblik gelijk is aan (de wettelijke rentevoet,) verhoogd met 2 pct., beginnen te lopen (vanaf de zesde werkdag die volgt op de dag van de uitbetaling van de bezoldiging aan de betrokken personen. Indien het bestuur, de dienst, de instelling of de inrichting het bewijs levert dat het niet-storten van de bijdragen binnen de bepaalde termijn aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de minister van Pensioenen een vrijstelling verlenen voor het betalen van voormelde nalatigheidsintresten. De aanvraag tot vrijstelling moet bij de minister van Pensioenen toekomen binnen de maand die volgt op de dag waarop het bestuur, de dienst, de instelling of de inrichting door de administratie der Pensioenen op de hoogte werd gebracht van het feit dat niet voldaan werd aan voormelde verplichtingen). <W 1991-07-20/30, art. 12, 014; Inwerkingtreding : 01-07-1991> <W 1999-12-24/36, art. 109, 2°, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2006-01-12/45, art. 44, 2°, 031 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  Indien zij niet hebben voldaan aan de in § 2 voorgeschreven verplichtingen, zijn zij van rechtswege aan de Openbare Schatkist een boete verschuldigd die per maand vertraging gelijk is aan 0,1 pct. van het totale bedrag van de bezoldigingen die betrekking hebben op het beschouwde jaar. De toepassing van dit lid sluit de toepassing uit van artikel 12, § 5, tweede lid, van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut van hun rechtverkrijgenden. (De voorgaande zin wordt, met ingang van 1 januari 1995, opgeheven.) <W 1991-07-20/30, art. 15, 014>
  De opbrengst van deze interesten en boeten is bestemd voor de financiering van de pensioenen van de rechtverkrijgenden van de in artikel 59 bedoelde personen.
  ----------
  (1)<W 2016-03-18/03, art. 110, 056; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 62. <W 1991-05-21/41, art. 26, 012; Inwerkingtreding : 01-07-1991> Alle andere personen dan die bedoeld in artikel 59 die een activiteit uitoefenen die hen recht geeft op een pensioen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, zijn ertoe gehouden persoonlijk bij te dragen in de financiering van de pensioenregeling die uit hoofde van deze activiteit op hen toepasselijk is, door een verplichte afhouding die ten minste gelijk is aan die bepaald in artikel 60.

  TITEL VI. _ Diverse wijzigingen van de pensioenwetgeving.

  HOOFDSTUK I. _ Maatregelen ten einde de vereffening der pensioenen te bespoedigen en de regelingen betreffende hun ingangsdatum eenvormig te maken.

  Art. 63.
  <Opgeheven bij W 2014-05-05/05, art. 47,3°, 049; Inwerkingtreding : 01-08-2014>

  Art. 64. <wijzigingsbepaling>

  Art. 65. <wijzigingsbepaling>

  Art. 66. <wijzigingsbepaling>

  HOOFDSTUK II. _ Diensten of periodes die in aanmerking komen voor het pensioen.

  Art. 67. <wijzigingsbepaling>

  Art. 68. <wijzigingsbepaling>

  Art. 69. <wijzigingsbepaling>

  Art. 70. <wijzigingsbepaling>

  Art. 71. De in artikel 1, littera b), van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector bedoelde machten en instellingen, alsook de krachtens littera e) van hetzelfde artikel aangewezen instellingen zijn er, voor zover noodzakelijk, toe gehouden, in de organieke bepalingen die hun pensioenstelsel regelen de nodige wijzigingen aan te brengen om de effectieve diensten, ongeacht de leeftijd op welke zij werden volbracht, voor het pensioen in aanmerking te doen komen.

  Art. 72. <wijzigingsbepaling>

  Art. 73. <wijzigingsbepaling>

  Art. 74. De termijn van 6 maanden waarvan sprake is in de bepalingen van artikel 72 gaat in vanaf de datum van de bekendmaking van deze wet ten aanzien van personen die op deze datum de leeftijd van 65 jaar reeds bereikt hebben en na het bereiken van deze leeftijd als invalide erkend werden.

  Art. 75. <wijzigingsbepaling>

  Art. 76. <wijzigingsbepaling>

  Art. 77. Zij die een ambt uitoefenen op grond waarvan aanspraak kan ontstaan op een rustpensioen ten laste van een macht of een instelling waarop de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector van toepassing is, mogen voor de toekenning en de berekening van dat pensioen de diensten doen meetellen welke zij vroeger bij de tijdens de oorlog 1940-1945 opgerichte agglomeraties van gemeenten in het kader van een voltijdse administratieve opdracht hebben verstrekt, hetzij krachtens een regelmatige benoeming, hetzij krachtens een benoeming die bij de besluitwet van 5 mei 1944 ongeldig werd verklaard, voor zover deze diensten niet reeds krachtens een vroegere wettelijke of reglementaire bepaling in aanmerking komen.
  Valt de overeenkomstig dit artikel meetellende tijd in de periode die in aanmerking komt voor het vaststellen van het gemiddelde der wedden op grond waarvan het pensioen wordt berekend, dan wordt er voor deze tijd rekening gehouden met de wedden die aan de betrokkenen werden toegekend door de agglomeratie waartoe zij behoorden, onverminderd de toepassing van artikel 11 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.
  Wanneer het pensioen toegekend wordt door een van de machten of instellingen waarop de wet van 14 april 1965 van toepassing is, de Openbare Schatkist uitgezonderd, draagt deze laatste de last van het pensioenaandeel voortvloeiend uit de inaanmerkingneming van de in dit artikel vermelde diensten en berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 van de bedoelde wet.

  Art. 78. § 1. Artikel 1 van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector is niet van toepassing uit hoofde van de krachtens artikel 77 in aanmerking genomen diensten, indien de betrokkenen of hun rechtverkrijgenden bij de inwerkingtreding van artikel 77 in aanmerking kwamen voor het rust- of overlevingspensioen voor werknemers.
  Indien de betrokkenen of hun rechtverkrijgenden bij de inwerkingtreding van artikel 77 uit hoofde van de eerder vermelde diensten in aanmerking kwamen voor de ouderdoms- of overlevingsrente, worden de artikelen 1 en 15 van de wet van 5 augustus 1968 slechts toegepast nadat een aanvraag is ingediend binnen een termijn van 6 maanden, ingaande op de datum van de bekendmaking van deze wet.
  § 2. In de gevallen bedoeld in § 1, eerste lid, wordt de Staatskas die het rustpensioen uitbetaalt of een deel van de lasten draagt, gesubrogeerd in de voordelen inzake pensioen die uit de toepassing van de wetten inzake de werknemerspensioenen volgen uit hoofde van de in artikel 77 bedoelde diensten en dit vanaf de datum waarop deze diensten worden in aanmerking genomen om het bedrag ervan vast te stellen.

  Art. 79. De op de datum van inwerkingtreding van artikel 77 lopende rust- en overlevingspensioen ten laste van één van de pensioenregelingen waarop de wet van 14 april 1965 van toepassing is, worden op aanvraag van de betrokkenen herzien rekening houdend met het bepaalde in dit artikel, en volgens de door de Koning bepaalde regels.
  Deze aanvraag tot herziening heeft uitwerking :
  a) op de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke deze wet zal zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, voor zover zij binnen zes maanden na deze bekendmaking wordt ingediend;
  b) op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de aanvraag werd ingediend, in de andere gevallen.

  Art. 80. Niettegenstaande elke andere wettelijke, reglementaire of contractuele bepaling, komen voor de berekening van de in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bedoelde rustpensioenen niet in aanmerking, de diensten bewezen door de leden van het beroepspersoneel der kaders in Afrika, indien het gaat om personen die in dienst zijn getreden bij een in voormeld artikel 38 bedoelde macht of instelling, nadat zij 15 of meer jaren dienst bewezen hebben in Afrika zonder er een volledige loopbaan te hebben volbracht of nadat zij uit hun ambt werden ontheven wegens lichamelijke ongeschiktheid voor Afrikadienst na minstens 15 jaren dienst.

  Art. 81. <wijzigingsbepaling>

  Art. 82. De op de datum van inwerkingtreding van artikel 80 lopende rustpensioenen worden met ingang van 1 januari 1983 ambtshalve herzien rekening houdend met de bepalingen van voormeld artikel.

  HOOFDSTUK III. _ Wijzigingen van verschillende wetten inzake pensioenen.

  Art. 83. <wijzigingsbepaling>

  Art. 84. <wijzigingsbepaling>

  Art. 85. <wijzigingsbepaling>

  Art. 86. <wijzigingsbepaling>

  Art. 87. Volle uitwerking hebben de beslissingen tot oppensioenstelling wegens ongeschiktheid, genomen vóór de bekendmaking van deze wet met betrekking tot aan artikel 117 van dezelfde wet van 14 februari 1961 onderworpen personen die niet wedertewerkgesteld konden worden in een aan hun geschiktheden aangepast ambt, alsmede met betrekking tot hen die hun ambt hebben voortgezet gedurende de procedure van beroep tegen een beslissing van lichamelijke ongeschiktheid.

  Art. 88. <wijzigingsbepaling>

  Art. 89. <wijzigingsbepaling>

  Art. 90. <wijzigingsbepaling>

  Art. 91. <wijzigingsbepaling>

  Art. 92. <wijzigingsbepaling>

  Art. 93. <wijzigingsbepaling>

  Art. 94. <wijzigingsbepaling>

  Art. 95. <Wijzigingsbepaling van art. 32 van de W 1976-07-13/30>

  TITEL VII. _ Slotbepalingen.

  Art. 96. De Koning kan, in de op de datum van bekendmaking van deze wet geldende wets- en verordenende bepalingen, de verwijzingen naar bepalingen die zij opheft vervangen door verwijzingen naar de nieuwe bepalingen die in hun plaats komen.

  Art. 97. De Koning kan alle maatregelen treffen die nodig zijn om de moeilijkheden op te lossen die bij de toepassing van de bepalingen van dit Boek zouden rijzen.

  Art. 98. Boek I treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad zal zijn bekendgemaakt, met uitzondering van :
  a) Titel II die in werking treedt op de eerste dag van de zesde maand die volgt op de datum van deze bekendmaking;
  b) Titel IV die in werking treedt op de datum die door de Koning zal worden vastgesteld;
  c) artikel 66, b en d, die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 1979;
  d) de artikelen 72 tot en met 74 en artikel 88 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1979;
  e) de artikelen 80 tot en met 82 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1983;
  f) de artikelen 84 en 85 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1968;
  g) artikel 86, § 1, dat in werking treedt op 1 september 1984;
  h) de artikelen 86, § 2, 3°, 89 en 90 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1978.

  BOEK II. _ Maatregelen tot harmonisering in de pensioenregeling voor werknemers.

  TITEL I. _ Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.

  Art. 99. <wijzigingsbepaling>

  Art. 100. <wijzigingsbepaling>

  Art. 101. <wijzigingsbepaling>

  Art. 102. <wijzigingsbepaling>

  Art. 103. <wijzigingsbepaling>

  Art. 104. <wijzigingsbepaling>

  Art. 105. <wijzigingsbepaling>

  Art. 106. <wijzigingsbepaling>

  Art. 107. <wijzigingsbepaling>

  Art. 108. <wijzigingsbepaling>

  Art. 109. <wijzigingsbepaling>

  Art. 110. <wijzigingsbepaling>

  Art. 111. <wijzigingsbepaling>

  Art. 112. <wijzigingsbepaling>

  Art. 113. <wijzigingsbepaling>

  Art. 114. <wijzigingsbepaling>

  TITEL II. _ Wijzigingen van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980.

  Art. 115. <wijzigingsbepaling>

  Art. 116. <wijzigingsbepaling>

  TITEL III. _ Slotbepaling.

  Art. 117. Boek II treedt in werking op 1 januari 1984.

  BOEK III. _ Maatregelen tot harmonisering in de pensioenregeling der zelfstandigen.

  VOORAFGAANDE BEPALING.

  Art. 118. Voor de toepassing van deze wet moet onder "koninklijk besluit nr 72" worden verstaan het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.

  TITEL I. _ Maatregelen die ertoe strekken de gelijke behandeling van mannen en vrouwen tot stand te brengen.

  Art. 119. <wijzigingsbepaling>

  Art. 120. <wijzigingsbepaling>

  Art. 121. <wijzigingsbepaling>

  Art. 122. § 1. Het recht op een overlevingspensioen dat door het koninklijk besluit nr. 72 aan de weduwen wordt erkend, wordt onder dezelfde voorwaarden, uitgebreid ten gunste van de weduwnaar.
  Dit artikel is nochtans slechts van toepassing wanneer de vrouw overleden is na 31 december 1983 of wanneer, na deze datum, haar afwezigheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 115 van het Burgerlijk Wetboek.
  § 2. De Koning kan het koninklijk besluit nr. 72 aanpassen in functie van de uitbreiding van het recht op overlevingspensioen bepaald in dit artikel.

  TITEL II. _ De modaliteiten van opening van het recht op het pensioen van zelfstandige in functie van de loopbaan en de berekening van dit pensioen in evenredigheid met de bedrijfsinkomsten.

  Art. 123. In afwijking op de artikelen 9, 11, 13, 16, 16bis, 17 en 17bis van het koninklijk besluit nr. 72 beogen (de artikelen 124 tot 130 van deze wet) de berekeningswijze in functie van de loopbaan en van de bedrijfsinkomsten van het rustpensioen in de hoedanigheid van zelfstandige en van het overlevingspensioen in de hoedanigheid van langstlevende echtgenoot van een zelfstandige wanneer deze pensioenen effectief voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 1985. <W 1987-11-07/30, art. 88, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1988>

  HOOFDSTUK I. _ De opening van het recht op het rustpensioen en op het overlevingspensioen in functie van de loopbaan.
  A. Rustpensioen.

  Art. 124. Het rustpensioen dat kan worden toegekend in functie van de loopbaan wordt uitgedrukt door een breuk.
  De noemer van deze breuk is 45 of 40, naargelang het een man of een vrouw betreft.
  De teller van deze breuk wordt verkregen door het getal dat het totaal van de kwartalen uitdrukt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het rustpensioen en die gelegen zijn vóór het jaar waarin het pensioen een aanvang zal nemen, te delen door vier.
  Wanneer een kalenderjaar slechts in aanmerking kan komen voor de opening van het recht op het rustpensioen ingeval de betrokkene, voor het betrokken jaar, een bezigheid van een door de Koning bepaalde duur bewijst en wanneer hij aan deze voorwaarde voldoet, wordt genoemd jaar in rekening gebracht voor vier kwartalen.
  De Koning bepaalt hoe de loopbaan berekend wordt die betrekking heeft op de jaren bedoeld in artikel 15, § 5, van het koninklijk besluit nr. 72. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden waaronder de kwartalen gelegen vóór het jaar gedurende hetwelk de aanvrager de leeftijd van 20 jaar bereikt heeft in aanmerking komen met het oog op de vaststelling van de in deze paragraaf bedoelde teller.
  De Koning bepaalt de gevallen waarin de teller die verkregen is door toepassing van de vorige leden kan worden verhoogd.
  De toepassing van deze paragraaf mag niet tot gevolg hebben dat een breuk in aanmerking wordt genomen die de eenheid overschrijdt.
  B. Het overlevingspensioen.

  Art. 125. § 1. Wanneer de echtgenoot overleden is na 31 december van het jaar voorafgaand aan datgene waarin hij de leeftijd van 65 jaar of van 60 jaar heeft bereikt, naargelang het de man of de vrouw betreft, of wanneer hij een vervroegd rustpensioen in de hoedanigheid van zelfstandige genoot, is de breuk die het overlevingspensioen uitdrukt dat kan worden toegekend in functie van de loopbaan van de overleden echtgenoot gelijk aan de breuk die in aanmerking werd genomen voor de berekening van het rustpensioen van de overleden echtgenoot of die, ingeval de overleden echtgenoot geen rustpensioen genoot, voor de berekening van een rustpensioen ingaande op de eerste dag van de maand van het overlijden, zou kunnen in aanmerking worden genomen met toepassing van artikel 124.
  § 2. In de andere gevallen wordt de breuk die het overlevingspensioen uitdrukt als volgt vastgesteld :
  1° de teller drukt het getal uit dat verkregen wordt door het totaal van de kwartalen, die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het overlevingspensioen en die gelegen zijn vóór het jaar waarin de echtgenoot is overleden, te delen door vier.
  De bepalingen van artikel 124, vierde tot zesde lid, worden bij analogie toegepast met het oog op de vaststelling van deze teller;
  2° de noemer drukt het aantal jaren uit die begrepen zijn in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin hij overleden is.
  De toepassing van dit lid kan niet tot gevolg hebben dat een breuk wordt in aanmerking genomen die de eenheid overschrijdt.
  § 3. De Koning bepaalt nadere regels voor de opening van het recht op het overlevingspensioen wanneer de echtgenoot is overleden vóór het einde van het jaar waarin hij de leeftijd van 20 jaar heeft of zou hebben bereikt.

  HOOFDSTUK II. _ De berekening van het pensioen in verhouding tot de bedrijfsinkomsten.
  A. De bedrijfsinkomsten.

  Art. 126. § 1. Het rustpensioen en het overlevingspensioen worden berekend in functie van de bedrijfsinkomsten.
  § 2. Onder bedrijfsinkomsten moet worden verstaan :
  1° voor de jaren vóór 1984 : forfaitaire bedrijfsinkomsten van (8 133,63 EUR). Dit bedrag is gebonden aan het indexcijfer der consumptieprijzen 142,75 (1971 = 100); <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° voor de jaren vanaf 1984 : de geherwaardeerde bedrijfsinkomsten die in aanmerking werden genomen met het oog op de inning, voor het betrokken jaar, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
  Deze inkomsten worden niet in aanmerking genomen voor het gedeelte dat het bedrag overschrijdt bedoeld in artikel 12, § 1, 2°, a), van het voormeld koninklijk besluit nr. 38, zoals het wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen voor het betrokken jaar.
  § 3. De Koning bepaalt :
  1° op welke wijze de bedrijfsinkomsten, op het ogenblik waarop over de pensioenaanvraag wordt beslist, aangepast worden aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen;
  2° de fictieve inkomsten waarmee rekening dient te worden gehouden voor de tijdvakken na 1983 die door de Koning worden gelijkgesteld ter uitvoering van artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr. 72.
  B. Het rustpensioen.

  Art. 127. § 1. Met het oog op de berekening van het rustpensioen wordt het gedeelte van het pensioen dat kan worden toegekend in functie van de loopbaan en dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 124, in twee delen opgesplitst :
  1° een eerste deel drukt een aantal 45sten of 40sten uit, naar gelang het een man of een vrouw betreft, gelijk aan het aantal jaren en kwartalen gelegen na 1983, waarbij elk kwartaal 0,25/45 of 0,25/40 vertegenwoordigt, naar gelang van het geval;
  2° het saldo dat verondersteld wordt uitsluitend overeen te komen met het gedeelte van de loopbaan vóór 1984.
  § 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
  1° 1/45 of 1/40, naar gelang het een man of een vrouw betreft. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naar gelang 1, 2 of 3 kwartalen konden worden in aanmerking genomen;
  2° 75 pct. of 60 pct. naar gelang de betrokkene al of niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72.
  3° een breuk die ieder jaar bepaald wordt door de Koning en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergeeft tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal der percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
  § 3. Het gedeelte van het pensioen bedoeld in § 1, 2°, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van § 2, 1° en 2°.
  § 4. Wanneer de teller van de breuk die de jaren uitdrukt die het recht op het rustpensioen kunnen openen verlaagd wordt krachtens artikel 124, laatste lid, of krachtens artikel 142, zal deze vermindering, voor de berekening van het pensioen, slaan op de jaren die aanleiding geven tot de toekenning van het laagste pensioen.
  § 5. Het tweede tot vierde lid van artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 72, zijn van overeenkomstige toepassing bij de berekening van het pensioen ingevolge dit artikel.
  C. Het overlevingspensioen.

  Art. 128. § 1. Het overlevingspensioen dat voor elk loopbaanjaar kan worden toegekend, wordt verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
  1° een breuk waarvan de teller gelijk is aan de eenheid en waarvan de noemer die is van de breuk bedoeld in artikel 125, § 1, of § 2, naar gelang van het geval;
  2° 60 pct.
  Wanneer het betrokken jaar niet volledig in rekening wordt gebracht, wordt de teller van deze breuk herleid tot 0,25, 0,50 of 0,75 naar gelang 1, 2 of 3 kwartalen konden worden in aanmerking genomen.
  Wat de jaren betreft na 1983, wordt het bedrag dat verkregen wordt met toepassing van de twee vorige leden vermenigvuldigd met de breuk bedoeld in artikel 127, § 2, 3°.
  Het loopbaangedeelte, dat wordt toegevoegd krachtens de analoge toepassing van artikel 124, zesde lid, wordt, met het oog op de berekening van het erop betrekking hebbende overlevingspensioen, geacht overeen te komen met loopbaanjaren vóór 1984.
  § 2. Wanneer de teller van de breuk die de jaren uitdrukt die het recht op het overlevingspensioen kunnen openen verlaagd wordt, overeenkomstig de artikelen 124, laatste lid, en 142, in de veronderstelling bedoeld in artikel 125, § 1, of overeenkomstig de artikelen 125, § 2, laatste lid, en 142, zal deze vermindering, voor de berekening van het pensioen, slaan op de jaren die aanleiding geven tot het laagste pensioen.

  Art. 129. Wanneer de echtgenoot overleden is vóór het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar of van 60 jaar zou hebben bereikt, naar gelang het de man of de vrouw betreft, en op het ogenblik van zijn overlijden geen vervroegd rustpensioen in de hoedanigheid van zelfstandige genoot, mag het overlevingspensioen, in afwijking van artikel 128, niet hoger zijn dan het bedrag verkregen door de toepassing, op het bedrag van een fictief rustpensioen, van de breuk die werd verkregen na toepassing van de artikelen 125, § 2, en 142.
  Dit fictief rustpensioen is datgene dat zou bekomen worden door een gerechtigde, wiens echtgenoot voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72, die verondersteld wordt de leeftijd van 65 jaar of van 60 jaar te hebben bereikt op de dag van het overlijden van de man of van de vrouw, naar gelang van het geval, een volledige loopbaan als zelfstandige te bewijzen en, voor de jaren na 1983, het bedrijfsinkomen te hebben gehad dat voor dezelfde jaren werd in aanmerking genomen voor de overleden echtgenoot.
  De Koning bepaalt wat het inkomen is waarmee, met het oog op de berekening van het fictief rustpensioen bedoeld in het vorige lid, rekening moet worden gehouden voor de jaren of gedeelten van jaren na 1983 die niet in aanmerking konden worden genomen in de loopbaan van de overleden echtgenoot.

  Art. 130. De Koning bepaalt hoe het overlevingspensioen wordt berekend in de gevallen bedoeld in artikel 125, § 3.

  (TITEL IIBIS. _ Het minimumpensioen.) <W 1987-11-07/30, art. 89, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1988>

  Art. 131. <W 1987-11-07/30, art. 90, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1988> § 1. Het voor een volledige loopbaan toegekend rustpensioen ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen mag niet kleiner zijn dan een gewaarborgd minimum van (6 456,91 EUR) per jaar indien de betrokkene voldoet aan de voorwaarden beoogd in artikel 9, § 1, 1, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen of van (5 086,73 EUR) per jaar indien de betrokkene aan deze voorwaarden niet voldoet. <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Het rustpensioen toegekend ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen op grond van een beroepsloopbaan die tenminste gelijk is aan twee derde van een volledige beroepsloopbaan, mag niet kleiner zijn dan een breuk van het basisbedrag vastgesteld overeenkomstig het eerste lid. Deze breuk is gelijk aan deze die voor de berekening van het rustpensioen ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen heeft gediend.
  § 2. Het overlevingspensioen toegekend ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen op grond van een volledige loopbaan van de overleden echtgenoot, mag niet lager zijn dan een gewaarborgd minimum van (5 086,73 EUR) per jaar.
  Het overlevingspensioen toegekend ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen op grond van een beroepsloopbaan die tenminste gelijk is aan twee derde van een volledige beroepsloopbaan mag niet kleiner zijn dan een breuk van het basisbedrag vastgesteld in het eerste lid. Deze breuk is gelijk aan deze die voor de berekening van het overlevingspensioen ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen heeft gediend.
  § 3. (De bedragen (6 456,91 EUR) en (5 086,73 EUR) vermeld in de §§ 1 en 2, worden vanaf 1 januari 1989 respectievelijk op (6 852,97 EUR) en (5 322,72 EUR) gebracht.) <W 1988-12-30/31, art. 155, 005; Inwerkingtreding : 15-01-1989> <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 4. De bedragen van de gewaarborgde minima worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen zoals de pensioenen, toegekend wanneer niet werd voldaan aan de loopbaanvoorwaarden beoogd bij dit artikel. (De bedragen vastgesteld in dit artikel zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)) <KB 2001-07-13/48, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 5. De Koning bepaalt :
  1° wat moet worden verstaan onder volledige loopbaan;
  2° wat moet worden verstaan onder twee derde loopbaan;
  3° de modaliteiten voor de berekening van het gewaarborgd minimum wanneer het pensioen een vermindering heeft ondergaan.) <Oud § 3, W 1988-12-30/31, art. 155, 005>

  Art. 131bis.<Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 266, 006; Inwerkingtreding : 09-01-1990> § 1. Met ingang van 1 januari 1990 :
  1° worden de bedragen van (6 456,91 EUR) en van (5 086,73 EUR) beoogd bij artikel 131, §§ 1 en 2, gebracht op respectievelijk (7 302,57 EUR) en (5 598,95 EUR); <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° wordt aan de gerechtigde op een rust- of overlevingspensioen als zelfstandige, een minimumpensioen verleend wanneer hij, naar gelang van het geval, in zijn hoofde of in hoofde van de overleden echtgenoot, een beroepsloopbaan bewijst die hetzij in de regeling voor zelfstandigen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en werknemers samen, ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan; het minimumpensioen is gelijk aan een breukgedeelte van één van de onder 1° bedoelde bedragen, dat naar gelang van het geval gelijk is aan de breuk die voor de berekening van het rust- of het overlevingspensioen in de regeling voor zelfstandigen in aanmerking werd genomen;
  3° (wanneer de gerechtigde op een rustpensioen eveneens aanspraak kan maken op een rustpensioen in de regeling voor werknemers of wanneer de gerechtigde op een overlevingspensioen eveneens aanspraak kan maken op een overlevingspensioen in de regeling voor werknemers, mag de toepassing van de bepalingen van deze titel niet tot gevolg hebben dat het totaal van die voordelen van dezelfde aard, toegekend in de pensioenregelingen voor zelfstandigen en werknemers, hoger is dan :
  - (8 201,78 EUR) wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, 1°, van het voormeld koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967; <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  - (6 151,35 EUR) in de andere gevallen; <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Wanneer deze grens wordt overschreden, wordt het minimumrustpensioen of het minimumoverlevingspensioen, naargelang van het geval, in de regeling voor zelfstandigen tot het vereiste bedrag verminderd, zonder dat deze vermindering evenwel tot gevolg mag hebben dat in deze regeling een pensioen wordt toegekend dat kleiner is dan de uitkering die zou zijn toegekend indien de belanghebbende geen aanspraak had kunnen maken op het minimumpensioen. De Koning kan van deze bepaling afwijken indien de voormelde grens wordt overschreden naar aanleiding van de verhoging van het werknemerspensioen ingevolge de aanpassing aan het algemeen welzijn.) <W 1990-12-29/30, art. 183, 010; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
  (§ 1bis. Vanaf 1 juli 1991 worden de in § 1, 1° en 3°, beoogde bedragen van (7 302,57 EUR), (5 598,95 EUR), (8 201,78 EUR) en (6 151,35 EUR) gebracht op respectievelijk (7 834,20 EUR), (5 936,60 EUR), (8 365,76 EUR) en (6 274,33 EUR).) <W 1990-12-29/30, art. 183, 010; Inwerkingtreding : 01-07-1991> <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 1ter. Vanaf 1 juli 1993 worden de in § 1bis bedoelde bedragen van (7 834,20) en (5 936,60 EUR) gebracht op respectievelijk (8 100,02 EUR) en (6 105,47 EUR). <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Vanaf 1 juli 1994 worden de in het vorige lid beoogde bedragen van (8 100,02 EUR) en (6 105,47 EUR) gebracht op respectievelijk (8 365,76 EUR) en (6 274,33 EUR). <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (Elke verhoging van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, ingesteld door de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, geeft op de datum van die verhoging aanleiding tot een proportionele verhoging van de in het vorig lid bepaalde bedragen, alsmede van de in § 1bis bedoelde bedragen van (8 365,76 EUR) en (6 274,33 EUR).))<W 1992-12-30/40, art. 71, 016; Inwerkingtreding : 19-01-1993> <L 1994-03-30/31, art. 65, 018; Inwerkingtreding : 10-04-1994> <KB 2001-07-13/48, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 1quater. Met ingang van 1 april 2003 worden de bedragen van 7.302,57 EUR, 5.598,95 EUR, 8.201,78 EUR en 6.151,35 EUR, beoogd in § 1, gebracht op respectievelijk 9.307,77 EUR, 6.981,78 EUR, 9.307,77 EUR en 6.981,78 EUR.) <W 2002-12-24/31, art. 40, 026; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  § 1quinquies. (De in § 1quater bedoelde bedragen van 9.307,77 euro en 6.981,78 euro worden respectievelijk gebracht op :
  - op 1 september 2004, op 9.673,62 euro en 7.281,11 euro;
  - op 1 december 2005, op 10.039,47 euro en 7.580,44 euro;
  - op 1 december 2006, op 10.405,32 euro en 7.879,77 euro;
  - op 1 april 2007, op 10.503,82 euro en 7.879,77 euro.) <KB 2007-04-09/32, art. 3, § 2, 1°, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (§ 1sexies. Op 1 september 2007 worden de in § 1quinquies bedoelde bedragen van 10.503,82 euro en 7.879,77 euro respectievelijk gebracht op 10.713,90 EUR en 8.037,37 euro.) <KB 2007-04-09/32, art. 3, § 2, 2°, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  § 1septies. (De in § 1sexies bedoelde bedragen van 10 713,90 euro en 8 037,37 euro worden respectievelijk gebracht :
  1° op 1 december 2007, op 11 080,38 euro en 8 336,70 euro;
  2° op 1 juli 2008, op 11 301,99 euro en 8 503,43 euro;
  3° op 1 oktober 2008, op 11 400,43 euro en 8 601,87 euro;
  4° op 1 mei 2009, op 11 597,31 euro en 8 798,75 euro;
  [1 5° au 1er août 2009, à 11.945,23 euros et 9.062,72 euros;]1
  [2 6° op 1 augustus 2010, op 12.142,12 euro en 9.308,83 euro;]2
  [3 7° op 1 september 2011, op 12.398,32 euro en 9.529,45 euro;]3
  [4 8° op 1 april 2013, op 12.608,39 euro en 9.529,45 euro;]4
  [5 9° op 1 september 2013, op 12.765,99 euro en 9.648,57 euro;]5
  [7 10° op 1 april 2015, op 12.765,99 euro, wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72, 9.739,51 euro wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 72 en 9.713,78 euro voor een overlevingspensioen;]7
  [8 11° op 1 september 2015, op 13.021,30 euro, wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72, 9.934,31 euro wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 72 en 9.908,06 euro voor een overlevingspensioen.]8
  De Koning kan bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het eerste lid wijzigen en aanvullen, om op de data die Hij bepaalt de in dat lid bedoelde bedragen te verhogen.
  Vanaf een datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad waarbij rekening wordt gehouden met de budgettaire beschikbaarheid, zullen de in § 1sexies bedoelde bedragen van 10 713,90 euro en 8 037,37 euro, zoals aangepast overeenkomstig de vorige leden, minstens gelijk zijn aan het bedrag bedoeld in artikel 6, § 1, van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, vermenigvuldigd met respectievelijk vermenigvuldigingsfactor 2 voor een gezin en met vermenigvuldigingsfactor 1,5 voor een alleenstaande.) <W 2008-12-22/32, art. 203, 038; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [6 § 1octies. Vanaf 1 augustus 2016, zijn de in § 1sexies bedoelde bedragen van 10 713,90 euro en 8 037,37 euro gelijk aan de in artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 bedoelde bedragen, voor wat betreft het rustpensioen, en aan het in artikel 153 van dezelfde wet bedoelde bedrag, voor wat betreft het overlevingspensioen.]6
  § 2. De Koning stelt vast wat moet worden verstaan onder een beroepsloopbaan die ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan, hetzij in de regeling voor zelfstandigen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en werknemers samen.
  Hij stelt eveneens de berekeningsmodaliteiten van het minimumpensioen vast, wanneer het pensioen een vermindering heeft ondergaan.
  § 3. (De bedragen vastgesteld in het huidige artikel zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100).) <KB 2001-07-13/48, art. 5, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Zij variëren volgens de schommelingen van dit indexcijfer, overeenkomstig de bepalingen van het artikel 43 van het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, zoals de toegekende pensioenen waarvoor niet aan de toekenningsvoorwaarden van het minimumpensioen is voldaan.
  § 4. (De toepassing van de bepalingen van dit artikel mag niet tot gevolg hebben dat een bedrag wordt toegekend dat lager is dan het bedrag verkregen overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn tijdens de maand voorafgaand aan die waarin de wet in een verhoging van het minimumpensioen voorziet.) <W 1990-12-29/30, art. 183, 010; Inwerkingtreding : 01-07-1991>
  ----------
  (1)<KB 2009-02-13/33, art. 1, 039; Inwerkingtreding : 01-08-2009>
  (2)<KB 2010-03-03/04, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 01-08-2010>
  (3)<KB 2011-07-08/02, art. 4, 043; Inwerkingtreding : 01-09-2011>
  (4)<KB 2013-03-12/03, art. 1, 046; Inwerkingtreding : 01-04-2013>
  (5)<KB 2013-09-19/10, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (6)<W 2014-12-19/07, art. 207, 052; Inwerkingtreding : 08-01-2015>
  (7)<KB 2015-03-27/08, art. 1, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (8)<KB 2015-06-07/02, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 131ter.[1 § 1. Met ingang van 1 januari 2015 :
   1° worden de bedragen bedoeld in artikel 131bis, § 1septies, 9°, respectievelijk gebracht op 12.765,99 euro en op 9.648,57 euro;
   2° wordt aan de gerechtigde op een rust- of overlevingspensioen als zelfstandige, een minimumpensioen verleend wanneer hij, naargelang van het geval, in zijn hoofde of in hoofde van de overleden echtgenoot, een beroepsloopbaan bewijst die hetzij in de regeling voor zelfstandigen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en werknemers samen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en in een of meerdere regelingen waarop de Europese Verordeningen van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en werknemers en in een of meerdere regelingen waarop de Europese Verordeningen van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is, samen ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan; het minimumpensioen is gelijk aan een breukgedeelte van één van onder 1° bedoelde bedragen, dat naargelang van het geval gelijk is aan de breuk die nà de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 in aanmerking genomen werd voor de berekening van het rust- of overlevingspensioen in de regeling voor zelfstandigen;
   3° wanneer de gerechtigde op een rustpensioen eveneens aanspraak kan maken op een rustpensioen in de regeling voor werknemers of wanneer de gerechtigde op een overlevingspensioen eveneens aanspraak kan maken op een overlevingspensioen in de regeling voor werknemers, mag de toepassing van de bepalingen van deze titel niet tot gevolg hebben dat het totaal van die voordelen van dezelfde aard, toegekend in de pensioenregelingen voor zelfstandigen en werknemers, hoger is dan :
   - 12.765,99 EUR wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72;
   - 9.648,57 EUR in de andere gevallen.
   Wanneer deze grens wordt overschreden, wordt het minimumrustpensioen of het minimumoverlevingspensioen, naargelang van het geval, in de regeling voor zelfstandigen tot het vereiste bedrag verminderd, zonder dat deze vermindering tot gevolg mag hebben dat in deze regeling een pensioen wordt toegekend dat kleiner is dan de uitkering die zou zijn toegekend indien de belanghebbende geen aanspraak had kunnen maken op het minimumpensioen. De Koning kan van deze bepaling afwijken indien de voormelde grens wordt overschreden naar aanleiding van de verhoging van het werknemerspensioen ingevolge de aanpassing aan het algemeen welzijn.
  [3 Op 1 april 2015 worden de in het eerste lid, 1° en 3° bedoelde bedragen van 12.765,99 euro en 9.648,57 euro respectievelijk gebracht op :
   1° 12.765,99 euro wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72;
   2° 9.739,51 euro wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 72;
   3° 9.713,78 euro voor een overlevingspensioen.]3
  [4 Op 1 september 2015 worden de in het eerste lid, 1° en 3° bedoelde bedragen van 12.765,99 euro en 9.648,57 euro respectievelijk gebracht op :
   1° 13.021,30 euro wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72;
   2° 9.934,31 euro wanneer de belanghebbende de voorwaarden vervult beoogd in artikel 9, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 72;
   3° 9.908,06 euro voor een overlevingspensioen.]4
   De Koning kan bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, [3 deze paragraaf]3 wijzigen en aanvullen, om op de data die Hij bepaalt de in dat lid bedoelde bedragen te verhogen.
  [2 § 1bis. Vanaf 1 augustus 2016 zijn de in § 1, eerste lid, 1° en 3°, bedoelde bedragen van 12 765,99 euro en 9 648,57 euro, gelijk aan de in artikel 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 bedoelde bedragen, voor wat betreft het rustpensioen, en aan het in artikel 153 van dezelfde wet bedoelde bedrag, voor wat betreft het overlevingspensioen.]2
   § 2. De Koning stelt vast wat moet worden verstaan onder een beroepsloopbaan die ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan, hetzij in de regeling voor zelfstandigen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en werknemers samen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en in regelingen waarop de Europese Verordeningen van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is, samen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en werknemers of regelingen waarop de Europese Verordeningen van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is, samen.
   Hij stelt eveneens de berekeningsmodaliteiten van het minimumpensioen vast, wanneer het pensioen een vermindering heeft ondergaan.
   § 3. De bedragen vastgesteld in het huidige artikel zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100).
   Zij variëren volgens de schommelingen van dat indexcijfer, overeenkomstig de bepalingen van artikel 43 van het koninklijk besluit nr. 72, zoals de toegekende pensioenen waarvoor niet aan de toekenningsvoorwaarden van het minimumpensioen is voldaan.
   § 4. De toepassing van de bepalingen van dit artikel mag niet tot gevolg hebben dat een bedrag wordt toegekend dat lager is dan het bedrag verkregen overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn tijdens de maand voorafgaand aan die waarin de wet in een verhoging van het minimumpensioen voorziet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-24/64, art. 2, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2015. Is van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2015 ingaan>
  (2)<W 2014-12-19/07, art. 208, 052; Inwerkingtreding : 08-01-2015>
  (3)<KB 2015-03-27/08, art. 2, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (4)<KB 2015-06-07/02, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 01-09-2015>

  Art. 131quater.[1 Vanaf 1 januari 2017 worden de rust- en overlevingspensioenen toegekend krachtens, naar gelang het geval, artikel 131, 131bis of 131ter verhoogd met 0,7 % voor zover de breuk die in aanmerking genomen werd voor de berekening van het rust- of overlevingspensioen in de pensioenregeling voor zelfstandigen, desgevallend vermeerderd met de breuk gebruikt of die gebruikt zou moeten worden voor de berekening van het gewaarborgd minimumpensioen van dezelfde aard ten laste van de pensioenregeling voor werknemers toegekend, naargelang het geval, overeenkomstig de artikelen 152 of 153 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 of de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, op dezelfde noemer gebracht, de eenheid bereikt.
   De Koning kan:
   1° de breuk vereist voor de toepassing van het eerste lid verlagen zonder dat deze lager kan zijn dan 43/45 of een gelijkwaardige breuk;
   2° het in het eerste lid bedoelde percentage verhogen zonder dat dit percentage 10 % kan overschrijden.]1
  [2 Wanneer een rust- of overlevingspensioen toegekend krachtens, naar gelang van het geval, artikel 131, 131bis of 131ter, niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, zijn de bedragen bedoeld in artikel 131, 131bis, § 1octies, en 131ter, § 1bis gelijk aan de in artikel 33 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector bedoelde bedragen wanneer het gaat om een rustpensioen en aan het in artikel 34 van dezelfde wet bedoelde bedrag wanneer het gaat om een overlevingspensioen.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2016-07-06/04, art. 13, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<W 2017-09-03/04, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 01-09-2017>

  Art. 132.<W 1990-12-29/30, art. 184, 010; Inwerkingtreding : 01-07-1991> Zonder dat een nieuwe beslissing ter kennis wordt gebracht van de gerechtigde, gaat [2 de Federale Pensioendienst]2 ambtshalve over tot de aanpassing van de rust- en overlevingspensioenen die daadwerkelijk zijn ingegaan vóór de datum waarop het door deze titel beoogde minimumpensioen of een verhoging van dat pensioen van toepassing is en waarvoor hem vóór die datum een betalingsopdracht werd overgezonden.
  [1 Zonder dat een nieuwe beslissing ter kennis wordt gebracht van de gerechtigde, gaat [2 de Federale Pensioendienst]2 ambtshalve over tot de verhoging van de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal zijn ingegaan na 31 december 2014 en waarop het door artikel 131ter beoogde minimumpensioen van toepassing is en waarvoor hem een betalingsopdracht werd overgezonden.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-24/64, art. 3, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2015. Is van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2015 ingaan>
  (2)<W 2016-03-18/03, art. 111, 056; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  TITEL III. _ Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.

  Art. 133. <wijzigingsbepaling>

  Art. 134. <wijzigingsbepaling>

  TITEL IV. _ Diverse wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.

  Art. 135. <wijzigingsbepaling>

  Art. 136. <wijzigingsbepaling>

  Art. 137. <wijzigingsbepaling>

  Art. 138. <wijzigingsbepaling>

  Art. 139. <wijzigingsbepaling>

  Art. 140. <wijzigingsbepaling>

  Art. 141. <wijzigingsbepaling>

  Art. 142. <wijzigingsbepaling>

  Art. 143. De Koning kan de bepalingen van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 72 aanpassen ten einde deze toepasselijk te maken op de door Titel II van deze wet vastgestelde berekeningswijze van het pensioen.

  Art. 144. <wijzigingsbepaling>

  Art. 145. <wijzigingsbepaling>

  Art. 146. <wijzigingsbepaling>

  Art. 147. <wijzigingsbepaling>

  Art. 148. <wijzigingsbepaling>

  Art. 149. <wijzigingsbepaling>

  Art. 150. <wijzigingsbepaling>

  Art. 151. <wijzigingsbepaling>

  TITEL V. _ Bijzondere bijslag.

  Art. 152.<W 1992-12-30/40, art. 72, 016; Inwerkingtreding : 19-01-1993> § 1. Er wordt jaarlijks in de loop van de maand juli door [1 de Federale Pensioendienst]1 een bijzondere bijslag uitgekeerd aan de personen die, voor de betrokken maand, in de pensioenregeling voor zelfstandigen effectief een uitkering genieten, op voorwaarde dat het niet gaat om een uitkering bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit nr. 72. (De toepassing van de sancties voorzien in artikel 30bis, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 72 heeft geen weerslag op het recht op bijzondere bijslag.) <W 1995-04-07/42, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De bijzondere bijslag bedraagt 3 585 frank voor de gerechtigden op een rustpensioen die beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72, en 2 868 frank voor de andere gerechtigden.
  Deze bijslag mag echter 20 pct. van het pensioen over de maand juli niet te boven gaan.
  De in het tweede lid bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex die het pensioenbedrag bepaalt voor de maand juli 1992. Ze worden, wat de volgende jaren betreft, aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen, zoals de pensioenen voor de maand juli van het betrokken jaar.
  De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de bijzondere bijslag wordt uitgekeerd aan de gerechtigden die van tafel en bed of feitelijk gescheiden zijn.
  § 2. (Op 1 juli 1993 worden de bedragen en het percentage bedoeld in § 1 gehalveerd :
  a) voor de personen die, vóór toepassing van de cumulatieregelen, voor de eerste maal recht hebben op een minimumpensioen krachtens artikel 131bis;
  b) voor de personen die een minimumpensioen genieten dat, vóór toepassing van de cumulatieregelen, effectief verhoogd wordt na eventuele begrenzing overeenkomstig artikel 131bis, § 1, 3°.) <W 1993-08-06/30, art. 40, 1°, 017; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  (§ 3. Vanaf 1 juli 1994 zijn de bepalingen van § 1 niet meer van toepassing op de personen die voldoen aan de sub a) en b) van § 2 bepaalde voorwaarden.) <W 1993-08-06/30, art. 40, 2°, 017; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  (§ 4. Met ingang van 1 juli 1994 zijn de bepalingen van § 1 niet meer van toepassing op :
  1° de gerechtigden die voldoen aan de loopbaanvoorwaarden bepaald in artikel 131bis, § 1, 2°;
  2° de gerechtigden op een pensioen waarvan het jaarlijks bedrag groter is dan het bedrag van het in artikel 131bis, § 1ter, tweede en derde lid, en § 3 bedoelde minimumpensioen vermenigvuldigd met de breuk die de loopbaan van de zelfstandige uitdrukt;
  3° de gerechtigden op meerdere pensioenen waarvan het jaarlijks bedrag, hetzij in de regeling voor zelfstandigen alleen, hetzij in de regeling voor zelfstandigen en in iedere andere Belgische regeling inzake rust- en overlevingspensioenen of iedere gelijkaardige regeling van een vreemd land of een regeling die toepasselijk is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling samen, groter is dan het bedrag van het in artikel 131bis, § 1ter, tweede en derde lid, en § 3 bedoelde minimumpensioen.) <L 1994-03-30/31, art. 66, 018; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  ----------
  (1)<W 2016-03-18/03, art. 111, 056; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  TITEL VI. _ Algemene en slotbepalingen.

  Art. 153. De Koning kan de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen coördineren met de bepalingen welke deze, op het tijdstip van de coördinaties, uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd.
  Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde, de nummering van de te coördineren bepalingen en, in het algemeen, de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering overeenbrengen;
  3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen ten einde ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen zonder afbreuk te doen aan de beginselen welke in de bepalingen vervat zijn.
  De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : "Wetten betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen gecoördineerd op ....."

  Art. 154. Boek III treedt in werking op 1 januari 1984, met uitzonderheid van de artikelen 133 en 134 die in werking treden vanaf de eerste dag van het burgerlijk kwartaal volgend op de datum van bekendmaking van deze wet.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 15 mei 1984.
BOUDEWIJN
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
J.-L. DEHAENE
De Staatsscretaris voor Pensioenen,
P. MAINIL
Gezien en met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
J. GOL

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 30-03-2018 GEPUBL. OP 17-04-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 46)
  • BEELD
  • WET VAN 02-10-2017 GEPUBL. OP 24-10-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • BEELD
  • WET VAN 03-09-2017 GEPUBL. OP 13-09-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 131quater)
  • BEELD
  • WET VAN 06-07-2016 GEPUBL. OP 28-07-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 131quater)
  • BEELD
  • WET VAN 18-03-2016 GEPUBL. OP 30-03-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 59; 61; 61bis; 132; 152)
  • BEELD
  • WET VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 24-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 46)
  • BEELD
  • WET VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 21-08-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 5/1; 6/1; 46)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-06-2015 GEPUBL. OP 15-06-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 131bis; 131ter)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-03-2015 GEPUBL. OP 02-04-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 131bis; 131ter)
  • BEELD
  • WET VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 29-12-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 131bis; 131ter)
  • BEELD
  • WET VAN 15-05-2014 GEPUBL. OP 19-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5/1; 5/2; 5/3; 5/4; 5/5; 6; 6/1; 22)
  • BEELD
  • WET VAN 24-04-2014 GEPUBL. OP 05-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 131ter; 132)
  • BEELD
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 02-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 21; 46; 63)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2013 GEPUBL. OP 16-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 46; 49; 59)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-09-2013 GEPUBL. OP 02-10-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 131bis)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-03-2013 GEPUBL. OP 25-03-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 131bis)
  • BEELD
  • WET VAN 13-12-2012 GEPUBL. OP 21-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 46; 49)
  • BEELD
  • WET VAN 28-12-2011 GEPUBL. OP 30-12-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 46; 51; 52/1; 52/2 )
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-07-2011 GEPUBL. OP 20-07-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 131bis)
  • BEELD
  • WET VAN 13-12-2010 GEPUBL. OP 31-12-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 26; 59)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-03-2010 GEPUBL. OP 12-03-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 131bis)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-01-2010 GEPUBL. OP 05-02-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 21)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-02-2009 GEPUBL. OP 09-03-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 131BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 131BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 28-11-2008 GEPUBL. OP 15-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 131BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 131BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 11-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 48; 15BIS; 17; 18; 19; 4)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-04-2007 GEPUBL. OP 17-04-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 131BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-12-2006 GEPUBL. OP 29-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 59)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 131BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 12-01-2006 GEPUBL. OP 03-02-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 61; 61BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-12-2004 GEPUBL. OP 27-12-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 59)
  • BEELD
  • WET VAN 09-07-2004 GEPUBL. OP 15-07-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 131BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 11-12-2003 GEPUBL. OP 15-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 59)
  • BEELD
  • WET VAN 03-02-2003 GEPUBL. OP 13-03-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 49; 51; 2; 3; 4; 5; 9; 15BIS; 18)
  • BEELD
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 126; 131BIS)
  • BEELD
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 29-08-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 59)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2001 GEPUBL. OP 11-08-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 126; 131; 131BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 61BIS; 20)
  • BEELD
  • WET VAN 24-12-1999 GEPUBL. OP 31-12-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 61BIS)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-07-1998 GEPUBL. OP 26-08-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 6; 11; 21)
  • WET VAN 07-04-1995 GEPUBL. OP 29-04-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 152)
  • WET VAN 30-03-1994 GEPUBL. OP 31-03-1994
    (GEWIJZIGDE ART. : 131BIS; 152)
  • WET VAN 06-08-1993 GEPUBL. OP 09-08-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 152)
  • WET VAN 30-12-1992 GEPUBL. OP 09-01-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 131BIS; 152)
  • WET VAN 26-06-1992 GEPUBL. OP 30-06-1992
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • WET VAN 20-07-1991 GEPUBL. OP 01-08-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 61BIS)
  • WET VAN 21-05-1991 GEPUBL. OP 20-06-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 4; 5; 7; 8; 9; 13; 14; 15; 15BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 18; 19; 23; 29; 30; 31; 31BIS; 36)
    (GEWIJZIGDE ART. : 38; 39; 46; 47; 49; 61BIS; 62)
    (GEWIJZIGD ART. : 10)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-12-1990 GEPUBL. OP 26-01-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 32)
  • WET VAN 29-12-1990 GEPUBL. OP 09-01-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 131BIS; 132)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-06-1990 GEPUBL. OP 29-06-1990
    (GEWIJZIGDE ART. : 28; 29; 32; 35)
  • WET VAN 02-01-1990 GEPUBL. OP 26-01-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • WET VAN 22-12-1989 GEPUBL. OP 30-12-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 131BIS; 132)
  • WET VAN 30-12-1988 GEPUBL. OP 05-01-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 131; 132)
  • WET VAN 07-11-1987 GEPUBL. OP 17-11-1987
  • WET VAN 04-06-1987 GEPUBL. OP 27-06-1987
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-04-1985 GEPUBL. OP 19-04-1985

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1982-1983. Senaat. Parlementaire bescheiden. _ Ontwerp van wet, nr. 557/1. _ Amendementen, nrs. 557/2 en 3. _ Verslag, nr. 557/4. _ Amendementen, nrs. 557/5 tot 17. Zitting 1983-1984. Senaat. Parlementaire Handelingen. _ Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 31 januari en 1 februari 1984. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. _ Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 855/1. _ Amendementen, nrs. 855/2 tot 17. _ Verslag, nr. 855/18. _ Amendementen, nrs. 855/19 tot 21. Parlementaire Handelingen. _ Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 26 april, 2 en 10 mei 1984.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 61 uitvoeringbesluiten 59 gearchiveerde versies
    Franstalige versie