J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1983/12/21/1984014004/justel

Titel
21 DECEMBER 1983. - Koninklijk besluit betreffende de goedkeuringseisen waaraan de retroflectoren en retroflecterende banden voor rijwielen en hun aanhangwagens alsook de zijdelingse retroflectoren en retroflecterende banden voor bromfietsen moeten voldoen.

Bron :
VERKEERSWEZEN
Publicatie : 07-02-1984 nummer :   1984014004 bladzijde : 1714
Dossiernummer : 1983-12-21/37
Inwerkingtreding : 01-03-1984

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-13
BIJLAGEN.
Art. N, N1-4N1, N2-12N2
A. RETROFLECTOR.
Art. N3-4N3, N4, N5-3N5, N6-3N6, N7-2N7, N8-5N8, N9-3N9, N10-2N10, N11-2N11, N12-2N12
B. BANDEN.
Art. N13-4N13, N14, N15-2N15, N16-7N16, N17-3N17, N18-6N18

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Vanaf 1 juli 1984 moeten de retroflectoren en retroflecterende banden waarmee de rijwielen moeten uitgerust zijn krachtens artikel 82 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie over het wegverkeer alsook de zijdelingse retroflectoren en retroflecterende banden voor bromfietsen, goedgekeurd worden overeenkomstig de voorschriften van dit besluit en zijn bijlage.

  Art. 2. In de zin van dit besluit, moet worden verstaan onder :
  " retroflector " de inrichting die dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat rijwiel of die bromfiets behorende lichtbron waarbij de waarnemer zich nabij deze lichtbron bevindt.
  Voor de toepassing van dit besluit worden de lichtweerkaatsende inschrijvingsmerktekens, de lichtweerkaatsende snelheidsbeperkingsschijven alsook de retroflecterende tekens, andere dan die van de retroflecterende banden, aangebracht op de zijkant van de rijwielen, de bromfietsen en hun aanhangwagens, niet als retroflectoren beschouwd.

  Art. 3. § 1. Elke aanvraag om goedkeuring moet door de fabrikant of zijn gemachtigde bij het Ministerie van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie, Bestuur van het Vervoer, Directie B1, Kantersteen 12, 1000 Brussel, ingediend worden.
  § 2. a) Voor elk type van retroflector gaat de aanvraag vergezeld van de stukken opgesomd in aanhangsel III van de bijlage bij dit besluit;
  b) Voor elk type van retroflecterende band gaat de aanvraag vergezeld van de stukken opgesomd in aanhangsel XIII van de bijlage bij dit besluit.

  Art. 4. Om het goedkeuringsbewijs voor een type van retroflector of van retroflecterende band te bekomen, moet de fabrikant of zijn mandataris het bewijs leveren dat de voor goedkeuring voorgelegde inrichting overeenstemt met de voorschriften van dit besluit en zijn bijlage.
  Dit bewijs bestaat uit een beproevingsverslag uitgereikt door het Centraal Laboratorium voor Electriciteit te 1640 Sint-Genesius-Rode.

  Art. 5. § 1. De goedkeuring wordt verleend door de Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie of zijn afgevaardigde.
  § 2. De goedkeuring van het type van retroflector of de weigering ervan wordt vastgelegd in een formulier overeenkomstig het model van aanhangsel IV bij dit besluit en voor wat de retroflecterende banden betreft, overeenkomstig het model van aanhangsel XIV van de bijlage bij dit besluit.
  De goedkeuring of de weigering ervan wordt aan de fabrikant of zijn mandataris betekend.
  § 3. Elke goedkeuring behelst de toekenning van een goedkeuringsnummer; dit kan slechts eenmaal worden toegekend en wel voor één enkel type van retroflector of één enkel type van retroflecterende band.

  Art. 6. Elke retroflector of retroflecterende band, goedgekeurd overeenkomstig dit besluit moet voorzien zijn van een merkteken, hetzij zoals afgebeeld in aanhangsel III hetzij zoals afgebeeld in aanhangsel XIII van de bijlage bij dit besluit naargelang het gaat om een retroflector of om een retroflecterende band.

  Art. 7. Iedere fabrikant moet de gelijkvormigheid van zijn produktie met het goedgekeurde type van retroflector of retroflecterende band waarborgen door doeltreffende en regelmatige steekproeven.
  Daarom moet de fabrikant :
  - hetzij beschikken over een laboratorium dat voldoende uitgerust is voor de uitvoering van de noodzakelijke proeven;
  - hetzij de proeven betreffende de gelijkvormigheid van de produktie toevertrouwen aan een aangenomen laboratorium.
  De resultaten van de controles op de gelijkvormigheid van de produktie moeten ingeschreven worden en ter beschikking van de bevoegde overheid gehouden worden gedurende ten minste één jaar.

  Art. 8. De controle op de overeenstemming van de produktie met het goedgekeurde type van retroflector of van retroflecterende band wordt verricht in de omstandigheden en volgens de methoden bepaald in de bijlage bij dit besluit. Zij wordt uitgevoerd door de ambtenaren van het Bestuur van het Vervoer daarvoor aangesteld door de Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie of zijn gemachtigde.
  Als de in het eerste lid van dit artikel bedoelde ambtenaren erom verzoeken, zijn de fabrikanten gehouden de retroflectoren of retroflecterende banden waarvan het type het voorwerp heeft uitgemaakt van een vroegere goedkeuring te hunner beschikking te stellen met het oog op overeenstemmingsproeven of -controles.
  Deze terbeschikkingstelling zomede de proeven en controles gebeuren zo dikwijls als nodig blijkt.
  In het geval van in België gefabriceerde retroflectoren of retroflecterende banden, gebeurt het nemen van monsters bij de fabrikant.
  In het geval van ingevoerde retroflectoren of retroflecterende banden, gebeurt het nemen van monsters hetzij bij de invoerder, hetzij bij de verdelers.

  Art. 9. De voor een type van retroflector of retroflecterende band verleende goedkeuring kan ingetrokken worden door de Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie of zijn afgevaardigde wanneer het type van retroflector of retroflecterende band niet voldoet aan de voorschriften van dit besluit. In dit geval wordt een afschrift van het goedkeuringsformulier, met daarop in vetletters de ondertekende en gedateerde vermelding " GOEDKEURING INGETROKKEN ", naar de fabrikant of zijn gemachtigde gezonden.

  Art. 10. Vanaf 1 juli 1984 is het verboden voor de uitrusting van rijwielen en hun aanhangwagens retroflectoren en retroflecterende banden te leveren alsook voor de uitrusting van bromfietsen, zijdelingse reflectoren en retroflecterende banden te leveren die niet gelijkvormig zijn aan de voorschriften van dit besluit en zijn bijlage.
  Vanaf 1 januari 1985, mogen de voorwaartse retroflectoren-versie A voor de uitrusting van rijwielen en hun aanhangwagens niet meer verkocht worden.

  Art. 11. De personen bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 zijn bevoegd om toe te zien op de naleving van dit besluit.

  Art. 12. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de eerste maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

  Art. 13. Onze Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N. Technische eisen waaraan de zijwaartse, pedaal-, voorwaartse en achterwaartse retroflectoren van fietsen, de zijwaartse, voorwaartse en achterwaartse retroflectoren van hun aanhangwagens, de zijwaartse retroflectoren van de bromfietsen, alsook de retroflecterende banden voor fietsen en bromfietsen moeten voldoen. <Om technische redenen werd deze bijlage als volgt onderverdeeld : art. N1-6N18>

  Art. N1. AANHANGSEL I. - DEFINITIES, GELIJKVORMIGHEID VAN DE PRODUKTIE MET HET GOEDGEKEURDE TYPE, ALGEMENE BEPALINGEN, BIJZONDERE BEPALINGEN.

  Art. 1N1.
  1. DEFINITIES.
  1.1. De definities van de in deze richtlijn gebruikte technische termen staan in aanhangsel II.
  1.2. Een type van retroflector of van retroflecterende band wordt bepaald door de modellen en de beschrijvende documenten die bij het verzoek om goedkeuring zijn overgelegd. Kunnen worden geacht tot een type te behoren :
  - de retroflectoren waarvan een of meer retroflectoroptieken identiek zijn aan die van de type-inrichting en waarvan de bijbehorende delen hiervan slechts verschillen door varianten die geen invloed hebben op de in dit aanhangsel bedoelde eigenschappen;
  - de retroflecterende banden waarbij het materiaal van de band, de aard van de retroflecterende film en zijn vasthechtingswijze identiek zijn aan die van een type-inrichting en waarvan de bijbehorende delen hiervan slechts verschillen door varianten die geen invloed hebben op de in dit aanhangsel bedoelde eigenschappen.

  Art. 2N1.
  2. GELIJKVORMIGHEID VAN DE PRODUKTIE.
  2.1. Elke inrichting, die van het B-goedkeuringsmerk is voorzien, moet overeenstemmen met het onder dit merk goedgekeurde type. De Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde die het goedkeuringsmerk heeft verleend, bewaart twee monsters die samen met het goedkeuringsformulier dienen om vast te stellen of de retroflectoren of de retroflecterende banden, die het B-goedkeuringsmerk dragen en in de handel worden gebracht, aan deze voorwaarde voldoen.
  2.2. Mechanisch en geometrisch bekeken, dient de gelijkvormigheid als voldoende beschouwd te worden wanneer de verschillen niet groter zijn dan die welke onvermijdelijk uit de fabricage voortvloeien.
  2.3. De gelijkvormigheid van de produktie wordt niet betwist wanneer voor een toevallig gekozen monster al de fotometrische opmetingen ten minste 80 pct. van de specificatie belopen. Dezelfde regel is van toepassing op de colorimetrie.
  2.4. Indien de voorwaarde van paragraaf 2.3. niet vervuld is, dient een nieuw staal, bestaande uit vijf toevallig gekozen eenheden, te worden genomen. Het gemiddelde van al de gelijkaardige fotometrische opmetingen moet gelijk zijn aan de specificatie en geen enkele individuele meting mag lager zijn dan 50 pct. van de specificatie. Dezelfde regel is van toepassing op de colorimetrie.

  Art. 3N1.
  3. ALGEMENE BEPALINGEN.
  3.1. De retroflectoren of de retroflecterende banden moeten zodanig zijn geconstrueerd dat de goede werking ervan verzekerd is en blijft wanneer zij normaal worden gebruikt. Bovendien mogen zij geen enkele constructie- of fabricagefout vertonen die schadelijk is voor de goede werking of voor de duurzaamheid ervan.
  3.2. De verschillende samenstellende onderdelen mogen niet met behulp van eenvoudige middelen gedemonteerd kunnen worden.
  3.3. De retroflectoroptieken en de retroflecterende films mogen niet vervangbaar zijn.
  3.4. Het buitenoppervlak van de retroflector en van de retroflecterende films moet gemakkelijk gereinigd kunnen worden. Dit oppervlak mag derhalve niet ruw zijn; eventuele uitsteeksels mogen geen belemmering voor een gemakkelijke reiniging zijn.

  Art. 4N1.
  4. BIJZONDERE BEPALINGEN (PROEVEN).
  4.1. De retroflectoren moeten bovendien voldoen aan voorwaarden inzake afmetingen en vorm, alsook aan de in aanhangsels VI tot en met XII omschreven colorimetrische, fotometrische, fysische en mecanische eisen.
  4.2. Naar gelang van de aard van de in de retroflectoren en in het bijzonder in de retroflectoroptieken verwerkte materialen kan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde de laboratoria toestemming verlenen om bepaalde niet noodzakelijke proeven niet uit te voeren, onder het uitdrukkelijk voorbehoud dat zulks op het B-goedkeuringsformulier wordt vermeld onder de rubriek " opmerkingen ".
  4.3. De retroflecterende banden moeten bovendien voldoen aan de in aanhangsels XV tot en met XVIII omschreven colorimetrische, fotometrische, fysische en mechanische eisen.

  Art. N2. AANHANGSEL II. - DEFINITIES VAN DE TECHNISCHE TERMEN.

  Art. 1N2.
  1. LICHTWEERKAATSING DOOR EEN RETROFLECTOR.
  Onder " lichtweerkaatsing door een retroflector " wordt verstaan : de lichtweerkaatsing, gekenmerkt door de weerkaatsing van het licht in richtingen die om en nabij dezelfde zijn als de richting waaruit het licht afkomstig is. Deze eigenschap blijft behouden bij belangrijke variaties van de lichtinvalshoek.

  Art. 2N2.
  2. RETROFLECTOROPTIEK.
  Onder " retroflectoroptiek " wordt verstaan : een combinatie van optische elementen waarmee de lichtweerkaatsing door de retroflector wordt verkregen.

  Art. 3N2.
  3. RETROFLECTOR.
  Onder " retroflector " wordt in de zin van deze richtlijn verstaan :
  a) retroflector : een retroflecterende inrichting waarvan de achterkant bestaat uit een geheel van prisma's waardoor de retroflectie verzekerd wordt;
  b) retroflecterende banden : banden met op elke zijkant een continue ringvormige retroflecterende film.
  Elke andere aanwending van retroflecterende films wordt in de zin van deze technische richtlijn niet als retroflecterende inrichting beschouwd.

  Art. 4N2.
  4. LICHTDOORLATEND GEDEELTE VAN EEN RETROFLECTOR.
  Onder " lichtdoorlatend gedeelte van een retroflecterende inrichting " wordt verstaan : het lichtdoorlatend gedeelte gelegen in een vlak dat loodrecht staat op de referentie-as van de retroflecterende inrichting en dat begrensd wordt door met deze as evenwijdig lopende raakvlakken aan de buitenste retroflecterende delen. Om de onder-, boven-, en zijranden van de retroflecterende inrichting te bepalen, worden slechts verticale en horizontale vlakken in aanmerking genomen.

  Art. 5N2.
  5. REFERENTIE-AS.
  Onder " referentie-as " verstaat men de voor het lichtsignaal karakteristieke as bepaald door de fabrikant om de richting aan te geven waarin het licht uitstraalt (H = 0°, V = 0°) bij het vaststellen van de hoeken voor fotometrische metingen en het plaatsen van het licht op het voertuig.

  Art. 6N2.
  6. REFERENTIEPUNT.
  Onder " referentiepunt " verstaat men het snijpunt van de referentie-as met het uitvalsvlak van het door de retroflector uitgestraalde licht zoals opgegeven door de fabrikant van de retroflecterende inrichting.

  Art. 7N2.
  7. DIVERGENTIEHOEK.
  Onder " divergentiehoek " wordt verstaan : de hoek tussen de rechten die het referentiepunt verbinden met het middelpunt van de ontvanger en met het middelpunt van de lichtbron.

  Art. 8N2.
  8. LICHTINVALSHOEK.
  Onder " lichtinvalshoek " wordt verstaan : de hoek tussen de referentie-as en de rechte die het referentiepunt verbindt met het middelpunt van de lichtbron.

  Art. 9N2.
  9. DRAAIINGSHOEK.
  Onder " draaiingshoek " wordt verstaan : de verplaatsingshoek van de retroflecterende inrichting om de referentie-as vanuit een bepaalde stand.

  Art. 10N2. 10. OPENINGSHOEK VAN DE RETROFLECTOROPTIEK.
  Onder " openingshoek van de retroflectoroptiek " wordt verstaan : de hoek van waaruit het grootste gedeelte van het zichtbare oppervlak van het lichtdoorlatende gedeelte waarneembaar is, hetzij vanuit het middelpunt van de lichtbron, hetzij vanuit het middelpunt van de ontvanger.

  Art. 11N2. 11. VERLICHTINGSSTERKTE VAN DE RETROFLECTOROPTIEK.
  Onder " verlichtingssterkte van de retroflectoroptiek " wordt verstaan : de verlichtingssterkte, gemeten in een vlak loodrecht op de invallende stralen, dat loopt door het referentiepunt.

  Art. 12N2. 12. LICHTSTERKTECOEFFICIENT (LSC).
  Onder " lichtsterktecoëfficiënt (LSC) " wordt verstaan : het quotiënt van de in de betrokken richting weerkaatste lichtsterkte, gedeeld door de verlichtingssterkte van de retroflectoroptiek voor bepaalde lichtinvals-, divergentie- en draaiingshoeken.
  ADDENDUM 1. - Symbolen en eenheden. <Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1717>
  ADDENDUM 2. - Symbolen. <Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1718>

  A. RETROFLECTOR.

  Art. N3. AANHANGSEL III. - B-GOEDKEURINGSVOORWAARDEN EN HET MERKEN.

  Art. 1N3.
  1. VERZOEK OM GOEDKEURING.
  1.1. Het verzoek om B-goedkeuring wordt door de houder van het fabrieks- of handelsmerk, of door diens gevolmachtigde ingediend.
  1.2. Voor elk type van retroflector, gaat het verzoek vergezeld van :
  1.2.1. een beknopte beschrijving van de technische specificaties van de materialen waaruit de retroflectoroptiek bestaat;
  1.2.2. tekeningen, in drievoud, die voldoende gedetailleerd zijn om het type te kunnen identificeren en waarop de geometrische gegevens voor het aanbrengen van de retroflector op het voertuig zijn aangegeven; de tekeningen moeten de voor het goedkeuringsnummer bestemde plaats en het aanvullende symbool ten opzichte van de rechthoek van het goedkeuringsmerk aangeven;
  1.2.3. monsters van het type retroflector. Het aantal over te leggen monsters is in aanhangsel V aangegeven.

  Art. 2N3.
  2. OPSCHRIFTEN.
  2.1. De monsters van een type van retroflector die ter goedkeuring worden aangeboden, moeten voorzien zijn van :
  - het fabrieks- of handelsmerk van de aanvrager; dit merk moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn;
  - de aanduiding(en) " TOP ", horizontaal aangebracht op het bovenste gedeelte van het lichtdoorlatende deel, voor de voorwaartse en achterwaartse retroflectoren, alsook voor de zijwaartse retroflectoren voor bromfietsen;
  - het type retroflector.
  2.2. Elke retroflector omvat een voldoende grote ruimte voor het B-goedkeuringsmerk, deze ruimte moet worden aangeduid in de onder 1.2.2. genoemde tekeningen.

  Art. 3N3.
  3. B-GOEDKEURING.
  3.1. Wanneer al de overeenkomstig punten 1 en 2 ingediende monsters voldoen aan de punten 3 en 4 van aanhangsel I, wordt de goedkeuring verleend en wordt een goedkeuringsnummer toegekend.
  3.2. Dit nummer wordt niet meer aan een ander type van retroflector toegekend, behalve indien de goedkeuring wordt uitgebreid tot een andere retroflector die geen essentiële verschillen vertoont met de goedgekeurde inrichting.

  Art. 4N3.
  4. CATEGORIEEN EN HET MERKEN.
  4.1. Categorieën :
  In de zin van dit reglement onderscheidt men de volgende categorieën van retroflectoren :

                                             Symbool  Categorie van voertuig
  1. voorwaartse retroflector - versie A        I            fiets
  2. voorwaartse retroflector - versie B        IA           fiets
  3. achterwaartse retroflector                 IA           fiets
  4. zijwaartse wielretroflector                IA           fiets
  5. petaalretroflector                         I            fiets
  6. vaste zijwaartse retroflector              IA       bromfiets


  4.2. Het merken :
  4.2.1. Op elke retroflector die overeenstemt met een op grond van dit reglement goedgekeurd type, moet een B-goedkeuringsmerk zijn aangebracht.
  4.2.2. Dit merk bestaat :
  4.2.2.1. uit een rechthoek met binnenin een letter " B ";
  4.2.2.2. uit een goedkeuringsnummer dat overeenkomt met het nummer van het voor dit type van retroflector opgemaakte goedkeuringsformulier.
  Het goedkeuringsnummer moet worden aangebracht vlak bij de rechthoek waarbinnen de letter " B " is vermeld, in een willekeurige stand ten opzichte van de rechthoek. De cijfers waaruit het goedkeuringsnummer bestaat, moeten dezelfde richting hebben als de letter " B ";
  4.2.2.3. uit een bijkomend symbool dat de klasse omschrijft volgens welke de retroflector werd getest.
  Voor de categorieën 1 en 5, vermeld in punt 4.1., is dit symbool " I ".
  Voor de categorieën 2, 3, 4 en 6, vermeld in punt 4.1., is dit symbool " IA ".
  Het bijkomend symbool wordt t.o.v. de rechthoek symmetrisch geplaatst met het goedkeuringsnummer.
  Het goedkeuringsmerk moet zodanig op de retroflectoroptiek worden aangebracht, dat het onuitwisbaar en goed leesbaar is, ook wanneer de retroflectoren op het voertuig zijn aangebracht.
  Voor de pedaalretroflectoren is het nochtans toegelaten dat het goedkeuringsmerk aangebracht wordt op de achterkant van de retroflector en op een niet afneembaar metalen onderdeel van het pedaal. In dit geval is de rechthoek vermeld in punt 4.2.2.1. niet noodzakelijk voor het merken op het metalen onderdeel.
  Evenwel moet voor de pedalen waarvan de metalen onderdelen afneembaar zijn, het goedkeuringsmerk aangebracht worden op de voorzijde van de retroflector.
  Voor de pedaalretroflectoren moeten de letter " B " en de cijfers die het goedkeuringsnummer samenstellen ten minste 3 mm hoog zijn.
  4.2.4. Een voorbeeld van het B-goedkeuringsmerk is in de addenda opgenomen.
  ADDENDA. - VOORBEELD VAN EEN B-GOEDKEURINGSMERK. <Figuren 1 tot 3 niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1719>

  Art. N4. AANHANGSEL IV. - MODEL VAN HET B-GOEDKEURINGSFORMULIER. (Maximumformaat : A4 (210 X 297 mm).
  Mededeling betreffende de B-goedkeuring voor een type van retroflector voor fietsen en hun aanhangwagens, alsook voor bromfietsen. <Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1720>

  Art. N5. AANHANGSEL V. - BEPROEVINGSMETHODE.

  Art. 1N5.
  1. Aantal voor te leggen monsters.
  1.1. Voor de B-goedkeuring van de pedaalretroflectoren moet de aanvrager 2 volledige monsters en 10 niet gemonteerde retroflectoroptieken overleggen.
  1.2. Voor de B-goedkeuring van de retroflectoren, bestemd hetzij voor montage in de wielen en voor montage vooraan of achteraan op de fietsen, hetzij zijwaarts op de bromfietsen, moet de aanvrager 10 volledige monsters overleggen, samen met de montageuitrusting.
  1.3. De aanvrager moet bij de monsters de montagetekening voegen.

  Art. 2N5.
  2. Na onderzoek van de overeenstemming met de algemene bepalingen (punt 3 van aanhangsel I) en met de bepalingen inzake vorm en afmetingen (aanhangsel VI) worden de 10 monsters onderworpen aan de proef op de warmtevastheid (aanhangsel XI). Na de beëindiging van deze proef en na een wachttijd van ten minste één uur, worden de 10 monsters onderworpen aan de controle van de colorimetrische kenmerken (aanhangsel VII) en van de LSC (aanhangsel VIII) bij een divergentiehoek van 20', een lichtinvalshoek V = H = 0° en voor éénzelfde willekeurig gekozen plaatsing van de 10 monsters wanneer er geen type is.
  De twee monsters die de minimum- en maximumwaarde van de LSC hebben opgeleverd, worden vervolgens volledig beproefd overeenkomstig de aanwijzingen van aanhangsel VIII, punt 3. Bij de zijwaartse wielretroflectoren moet voor elke meting de minimale LSC gezocht worden. Deze waarde wordt dan in overweging genomen om de gelijkvormigheid of de niet-gelijkvormigheid van de retroflecterende inrichting vast te stellen. Overeenkomstig punt 2 van aanhangsel I worden deze twee monsters door de Minister van Verkeerswezen bewaard voor elke verificatie die noodzakelijk mocht blijken. Vier groepen van de overige monsters worden aan de volgende proeven onderworpen :

  1e groep : de 2 retroflectoren of de 2 retroflectoroptieken worden aan de
             waterdichtheidsproef (aanhangsel IX, punt 1) onderworpen.
  2e groep : 2 monsters worden, zo nodig, aan de corrosieproef
             (aanhangsel IX, punt 2) onderworpen; vervolgens wordt overgegaan
             tot de beproeving van de weerstand van de achterkant van de
             retroflectoren (aanhangsel IX, punt 3).
  3e groep : 2 monsters worden, zo nodig, aan de beproeving van de duurzaamhe
             van de optische eigenschappen van de retroflectoren (aanhangsel
             onderworpen.
  4e groep : 2 monsters worden, zo nodig, aan de proef betreffende de
             kleurvastheid (aanhangsel XII) onderworpen.
  Voor de retroflecterende inrichtingen met aan beide zijden een weerkaatsend
    oppervlak, worden de metingen uitgevoerd op elke zijde van de monsters.



  Art. 3N5.
  3. De retroflectoren van de verschillende groepen moeten na het ondergaan van de in aanhangsel V, punt 2 vermelde proeven :
  3.1. een kleur hebben die voldoet aan de bepalingen van aanhangsel VII. De verificatie wordt met een kwalitatieve methode verricht en bij twijfel met een kwantitatieve methode bevestigd;
  3.2. een LSC hebben die voldoet aan de bepalingen van aanhangsel VIII. De verificatie vindt uitsluitend plaats bij een divergentiehoek van 20' en bij een lichtinvalshoek V = H = 0° of zo nodig in de stand als omschreven in aanhangsel VIII, punten 4 en 4.1.

  Art. N6. AANHANGSEL VI. - BEPALINGEN INZAKE VORM, AFMETINGEN EN PLAATSING.

  Art. 1N6.
  1. Vorm en afmetingen van retroflectoren voor fietsen en hun aanhangwagens alsook voor bromfietsen.
  1.1. De lichtdoorlatende gedeelten van retroflectoren van klasse I en IA moeten passen in een cirkel met een diameter van 200 mm.
  1.2. De vorm van de lichtdoorlatende gedeelten moet eenvoudig zijn en bij de gebruikelijke waarnemingsafstand niet kunnen worden verward met een letter, een cijfer, een driehoek.
  1.3. De oppervlakte van de lichtdoorlatende gedeelten moet ten minste 25 cm2 bedragen. Nochtans dienen de pedaalretroflectoren niet aan dit voorschrift te beantwoorden.
  1.4. De lichtdoorlatende gedeelten van de voorwaartse en achterwaartse retroflectoren moeten een rechthoekig, trapeziumvormig of een ongeveer gelijkaardig uitzicht hebben.
  1.5. De lichtdoorlatende gedeelten van de zijwaartse wielretroflectoren moeten de vorm hebben van :
  - hetzij een ringvormige sector waarvan de longitudinale middellijn deel uitmaakt van een met het wiel concentrische cirkel;
  - hetzij een onregelmatige veelhoek, symmetrisch t.o.v. de as die de middelpunten van de veelhoek en het wiel verbindt en waarvan de zijden die het meest verwijderd zijn van het middelpunt van het wiel dezelfde conversiteit hebben als de kromming van het wiel.
  1.6. De lichtdoorlatende gedeelten van de pedaalretroflectoren moeten de vorm hebben van een rechthoek, of een vorm die dit oppervlak benadert.

  Art. 2N6.
  2. Plaatsing van de retroflectoren voor fietsen en bromfietsen.
  2.1. Voorschriften voor de plaatsing van voorwaartse en achterwaartse retroflectoren.
  2.1.1. Plaatsingsvoorschriften voor de voorwaartse en achterwaartse retroflectoren voor tweewielers :
  - de referentie-as van de retroflector is horizontaal geplaatst en bevindt zich :
  - hetzij in het longitudinale middenvlak van de tweewieler;
  - hetzij in een vlak dat hieraan evenwijdig is en ten hoogste 5 cm links of rechts hiervan verwijderd is;
  - de achterwaartse retroflector wordt geplaatst in de meest achteruitgeschoven stand, verenigbaar met zijn montage;
  - de voorwaartse retroflector wordt geplaatst in de meest vooruitgeschoven stand, verenigbaar met zijn montage. Hij mag onder meer aan het stuur of aan het freem van de tweewieler worden bevestigd;
  - de voorwaartse en achterwaartse retroflectoren worden geplaatst in de hoogste stand die met hun montage verenigbaar is;
  - in alle gevallen wordt de retroflector zo gemonteerd dat een van de vermeldingen of de aanduiding " Top " zich bovenaan in de horizontale stand bevindt.
  2.1.2. Plaatsingsvoorschriften voor de voorwaartse en achterwaartse retroflectoren van de drie- en vierwielers.
  - Voor één enkele retroflector bevindt de referentie-as zich hetzij in het longitudinale middenvlak van het rijwiel, hetzij in een evenwijdig vlak dat op ten hoogste 5 cm links of rechts ligt.
  - Wanneer de retroflectoren paarsgewijs gemonteerd zijn, bevindt de referentie-as van elke retroflector zich in een vlak dat evenwijdig is aan het longitudinale middenvlak van het rijwiel en maximum 10 cm van de totale breedte van het rijwiel verwijderd is. Deze evenwijdige vlakken zijn symmetrisch gelegen ten opzichte van het longitudinale middenvlak.
  - Een van de merktekens of de aanduiding " TOP " moet zich bovenaan in de horizontale stand bevinden.
  2.2. Plaatsingsvoorschriften voor de zijwaartse wielretroflectoren.
  - De retroflectoren moeten op elk wiel gemonteerd worden. Het aantal retroflectoren per wiel bedraagt ten minste 2 voor retroflectoren met dubbele bruikbare zijde en ten minste 4 voor retroflectoren met één bruikbare zijde.
  - De paarsgewijs gemonteerde retroflectoren met dubbele bruikbare zijde bevinden zich diametraal tegenover elkaar en op gelijke afstand van het middelpunt van het wiel.
  - De retroflectoren met één bruikbare zijde worden zo opgesteld dat hetzelfde effect als bij retroflectoren met dubbele bruikbare zijde verkregen wordt.
  - Indien het aantal gemonteerde retroflectoren hoger is dan twee (dubbele bruikbare zijde), bevinden de retroflectoren zich op plaatsen die overeenkomen met een regelmatige hoekverdeling (bijvoorbeeld : 3 retroflectoren op 120°, 4 retroflectoren op 90°).
  - Op elk wiel wordt een zelfde aantal retroflectoren gemonteerd.
  - De retroflectoren moeten zodanig uitgevoerd zijn dat hun referentie-as loodrecht staat op het longitudinale middenvlak van de fiets met een tolerantie van +/- 3°.
  2.3. De pedaalretroflectoren worden zo gemonteerd dat de weerkaatsing van de retroflectoren naar voor en naar achter bekomen wordt wanneer het pedaal zich in de horizontale stand bevindt.
  2.4. Plaatsingsvoorschriften voor de zijwaartse retroflectoren van bromfietsen.
  - De retroflectoren worden zijwaarts aan beide kanten van het wiel van de bromfiets bevestigd in de nabijheid van de vertikale vlakken door de as van de voor- en achterwielen.
  - De referentie-as van de retroflectoren staat loodrecht op het longitudinale middenvlak van de bromfiets.
  - De retroflectoren worden op ten minste 30 cm van de grond gemonteerd.
  2.5. Elke goedgekeurde retroflector, bestemd als wisselstuk, wordt geleverd met een montagetekening die, naargelang van het geval, de voorschriften van de punten 2.1., 2.2., 2.3. of 2.4. bevat.

  Art. 3N6.
  3. De overeenstemming met bovengenoemde bepalingen wordt hoofdzakelijk visueel gecontroleerd.

  Art. N7. AANHANGSEL VII. - COLORIMETRISCHE BEPALINGEN.

  Art. 1N7.
  1. Voor de toepassing van deze bepalingen komen uitsluitend kleurloze, rode of ambergele retroflectoren in aanmerking.
  1.1. De retroflectoren mogen eventueel bestaan uit een combinatie van een retroflectoroptiek en een filter die zo moeten geconstrueerd worden dat zij in normale gebruiksomstandigheden onderling onverbrekelijk verbonden zijn.
  1.2. Retroflectoroptieken en filters mogen niet met verf of vernis worden gekleurd.

  Art. 2N7.
  2. Voor de retroflector die wordt verlicht door standaard A van de ICI bij een divergentiehoek van 20' en een lichtinvalshoek V = H = 0° of, indien een weerkaatsing op het niet-gekleurde invalsvlak plaatsvindt bij V = +/- 5°, H = 0°, moeten de trichromatische coördinaten van de teruggekaatste lichtbundel zich binnen de volgende grenswaarden bevinden :

  Rood :             grenswaarde naar geel :       y < of = 0,335
                     grenswaarde naar purper :     z < of = 0,008
  Ambergeel :        grenswaarde naar geel :       y < of = 0,429
                     grenswaarde naar rood :       y > of = 0,398
                     grenswaarde naar wit :        z < of = 0,007
  Kleurloos :        grenswaarde naar purper :     y > of = 0,387
                     grenswaarde naar groen :      y < of = 0,427
                     grenswaarde naar blauw :      x > of = 0,428
                     grenswaarde naar rood :       x < of = 0,468


  2.1. Voor deze kleuren wordt aan de hand van een vergelijkende visuele proef nagegaan of aan de colorimetrische bepalingen is voldaan.
  2.2. Indien er na deze proef twijfel blijft bestaan, wordt er door de vaststelling van de trichomatische coördinaten van het monster waarvoor de meeste twijfel bestaat, nagegaan of aan de colorimetrische bepalingen is voldaan.

  Art. N8. AANHANGSEL VIII. - FOTOMETRISCHE BEPALINGEN.

  Art. 1N8.
  1. Bij de aanvraag om goedkeuring bepaalt de aanvrager het middelpunt en de referentie-as. Deze komt overeen met de lichtinvalshoek V = H = 0° van de tabel van lichtsterktecoëfficiënten (LSC).

  Art. 2N8.
  2. Voor de fotometrische metingen wordt uitsluitend het lichtdoorlatende gedeelte in aanmerking genomen, beperkt tot het maximumoppervlak van 75 cm2, zonder dat het oppervlak van de retroflectoroptieken noodzakelijk even groot is als dit oppervlak; de fabrikant duidt de omtrek van het te gebruiken oppervlak aan.

  Art. 3N8.
  3. De waarden van de LSC van retroflectoren moeten ten minste gelijk zijn aan de in de onderstaande tabel aangegeven waarden, uitgedrukt in millicandela's per lux voor de aangegeven divergentie- en lichtinvalshoeken.
  <Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1722>
  - De LSC, gemeten voor de lichtinvalshoeken begrepen tussen de opeenvolgende waarden van de tabel, mag niet kleiner zijn dan de meting die overeenstemt met de grootste lichtinvalshoek voor de opeenvolgend beschouwde waarden.
  - Lagere waarden van de LSC dan de respectievelijk in de laatste twee kolommen van de bovenstaande tabel vermelde waarden worden niet toegestaan binnen de ruimtehoek waarvan het referentiepunt de top vormt en die respectievelijk begrensd wordt door de vlakken die elkaar snijden volgens de volgende ribben :
  (V = + en - 5°, H = + en - 20°)
  (V = + en - 5°, H = + en - 45°)
  met uitzondering van de zijwaartse retroflector die gedurende een omwenteling ... rond de referentie-as deze minima slechts moet bereiken in de sectoren ... van elk 20°.

  Art. 4N8.
  4. Wanneer de LSC van een retroflector wordt gemeten bij een hoek ... gelijk aan V = H = 0°, moet nagegaan worden of er geen spiegeleffect optreedt door de inrichting enigszins te draaien. Indien dit verschijnsel plaatsvindt, wordt de meting verricht bij ... gelijk aan V = + of - 5°, H = 0°. De gekozen stand is de stand die overeenkomt met de minimum-LSC voor één van deze standen.
  4.1. Bijzondere voorschriften voor de meting van de wielretroflectoren.
  Voor de lichtinvalshoek ... gelijk aan V = H = 0° of voor de in aanhangsel VIII, punt 4, omschreven hoek en voor de divergentiehoek van 20' worden de wielretroflectoren om hun referentie-as gedraaid tot de minimum-LSC die moet voldoen aan de in aanhangsel VIII, punt 3, genoemde waarde.
  Wanneer de LSC gemeten wordt voor de lichtinvalshoek H +/- 10° en V +/- 10° en de divergentiehoek 20' en 1° 30' wordt de retroflector in de stand geplaatst die overeenkomt met de vastgestelde waarde van draaiingshoek ....
  Wanneer de voorgeschreven waarden niet bereikt worden, kan de retroflector vanuit die stand om zijn referentie-as worden gedraaid tot maximum 5° naar links of naar rechts.
  Nochtans is voor de divergentiehoeken van 20' en 1° 30' en de lichtinvalshoeken van de twee laatste kolommen van de tabel in aanhangsel VIII, punt 3, deze procedure niet van toepassing.
  In deze gevallen wordt, door wijziging van de hoek ..., nagegaan of de vereiste waarden voor de LSC bereikt worden in twee sectoren ... van minstens 20°.
  4.2. Bijzondere voorschriften voor de meting van de voorwaartse, achterwaartse en zijwaartse retroflectoren.
  Voor de lichtinvalshoek ... gelijk aan V = H = 0° of voor de in aanhangsel VIII, punt 4, omschreven hoek en voor de divergentiehoek van 20' worden de retroflectoren, voorzien de aanduiding " TOP ", maximum 5° naar links of naar rechts om hun referentie-as gedraaid. In geen enkele van de standen die de retroflector tijdens deze draaiing inneemt, mag de LSC lager zijn dan de voorgeschreven waarde.

  Art. 5N8.
  5. Voor het verrichten van de metingen wordt de door de ICI aanbevolen methode voor de fotometrie van retroflectoren gevolgd.

  Art. N9. AANHANGSEL IX. - BESTANDHEID TEGEN EXTERNE INVLOEDEN.

  Art. 1N9.
  1. WATERDICHTHEID.
  1.1. De door de fabrikant geleverde retroflectoren of afzonderlijke reflectoroptieken worden gedurende 10 minuten ondergedompeld in een waterbad van 50° + 5 °C, waarbij het hoogste punt van het bovenste deel van het lichtdoorlatende gedeelte zich ongeveer 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
  Deze elementen worden vervolgens onmiddellijk en onder dezelfde voorwaarden in een waterbad van 25° + 5 °C ondergedompeld.
  1.2. Het water mag niet tot aan de lichtweerkaatsende kant van de retroflectoroptiek binnendringen. Indien bij een visueel onderzoek ondubbelzinnig blijkt dat er water aanwezig is, wordt de inrichting geacht niet aan de proef te hebben voldaan.
  1.3. Indien bij het visueel onderzoek geen water is aangetroffen of indien er twijfel bestaat, wordt de LSC gemeten aan de hand van de in aanhangsel V, punt 3.2., omschreven methode na de retroflector licht te hebben geschud om het overtollige water aan de buitenkant te verwijderen.

  Art. 2N9.
  2. CORROSIEVASTHEID.
  De retroflectoren moeten zo geconstrueerd zijn dat ze ondanks de vochtigheid en de corrosie waaraan zij normaal zijn blootgesteld, de opgelegde fotometrische en colorimetrische kenmerken behouden. De bestandheid van de voorkant tegen mat worden en de bestandheid van de bescherming aan de achterkant tegen beschadiging moeten slechts dan worden nagegaan wanneer voor corrosie van een essentieel metalen onderdeel gevreesd wordt.
  De retroflector waarvan de afneembare onderdelen zijn verwijderd of het licht waarmee de retroflector is gegroepeerd wordt onderworpen aan de inwerking van zoute nevel gedurende een periode van 50 uur, zegge twee perioden van elk 24 uur met een tussenpauze van 2 uur voor het laten drogen van het monster.
  De zoute nevel wordt verkregen door verstuiving bij 35 +/- 2 °C van een zoutoplossing, verkregen door 20 +/- 2 gewichtsdelen natriumchloride op te lossen in 80 delen gedistilleerd water dat niet meer dan 0,02 % onzuiverheden bevat.
  Onmiddellijk na afloop van de proef mag het monster geen sporen van uitzonderlijke corrosie vertonen die de goede werking van de inrichting kunnen beïnvloeden.

  Art. 3N9.
  3. BESTANDHEID VAN DE TOEGANKELIJKE ACHTERKANT VAN SPIEGELENDE RETROFLECTOREN.
  Na de achterzijde van de retroflector te hebben afgeborsteld met een borstel met hard hylonhaar, wordt deze zijde gedurende één minuut bestreken of goed bevochtigd met een mengsel van N Heptaan en toluol (verhouding : 7 : 3). Het mengsel wordt vervolgens verwijderd en men laat de retroflector drogen.
  Direct na de verdamping wordt een afschuringsproef verricht door de achterkant met bovengenoemde borstel te bewerken.
  Vervolgens wordt de LSC gemeten (aanhangsel V, punt 3.2.) na bedekking van het gehele spiegelend achteroppervlak met Oostindische inkt.

  Art. N10. AANHANGSEL X. - DUURZAAMHEID VAN DE OPTISCHE EIGENSCHAPPEN.

  Art. 1N10.
  1. De Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde mag doen nagaan in hoeverre de duurzaamheid van de optische eigenschappen van een bepaald type van een in gebruik zijnde retroflector verzekerd is.

  Art. 2N10.
  2. Bij systematisch gebrek aan overeenstemming van een bepaald type van een in gebruik zijnde retroflector, wordt het begrip " systematisch gebrek aan overeenstemming " van een bepaald type van in gebruik zijnde retroflector uitgelegd in de zin van punt 2 van aanhangsel I.

  Art. N11. AANHANGSEL XI. - WARMTEVASTHEID.

  Art. 1N11.
  1. De retroflector wordt gedurende een doorlopende periode van 48 uur in een droge atmosfeer aan een temperatuur van 65 +/- 2 °C blootgesteld.

  Art. 2N11.
  2. Na afloop van de proef mag met het blote oog geen enkele waarneembare vervorming of barst van de retroflector, inzonderheid van de optische onderdelen worden vastgesteld.

  Art. N12. AANHANGSEL XII. - KLEURVASTHEID.

  Art. 1N12.
  1. De Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde mag doen nagaan in hoeverre de kleurvastheid van een bepaald type van in gebruik zijnde retroflector verzekerd is.

  Art. 2N12.
  2. Bij systematisch gebrek aan overeenstemming van een bepaald type van in gebruik zijnde retroflector, wordt het begrip " systematisch gebrek aan overeenstemming " van een bepaald type van in gebruik zijnde retroflector uitgelegd in de zin van punt 2 van aanhangsel I.
  ADDENDUM AAN DE AANHANGSELS. - CHRONOLOGISCHE VOLGORDE VAN DE PROEVEN. <Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1724>

  B. BANDEN.

  Art. N13. AANHANGSEL XIII. - B-GOEDKEURINGSVOORWAARDEN EN HET MERKEN.

  Art. 1N13.
  1. VERZOEK OM GOEDKEURING.
  1.1. Het verzoek om B-goedkeuring wordt door de houder van het fabrieks- of handelsmerk van de banden, of door diens gevolmachtigde ingediend.
  1.2. Voor elk type van retroflecterende band gaat het verzoek vergezeld van :
  1.2.1. een beknopte beschrijving van de technische specificaties van de banden en van de retroflecterende film, alsook de aanbrengingsmethode van de film;
  1.2.2. tekeningen, in drievoud, voldoende gedetailleerd om het type van de band te kunnen identificeren en waarop de afmetingen van de retroflecterende film alsook die van de band en diens aanbevolen maximale vullingsdruk vermeld zijn; de tekeningen moeten de voor het goedkeuringsnummer bestemde plaats vermelden;
  1.2.3. monsters van het bandentype. Het aantal over te leggen monsters is in aanhangsel XV aangegeven.

  Art. 2N13.
  2. OPSCHRIFTEN.
  2.1. De monsters van een type van retroflecterende band die ter goedkeuring worden aangeboden, moeten voorzien zijn van :
  - het fabrieks- of handelsmerk van de aanvrager; dit merk moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn;
  - de afmetingen van de band.
  2.2. Elke band omvat een volgende grote ruimte voor het B-goedkeuringsmerk; deze ruimte moet worden aangeduid in de onder 1.2.2. genoemde tekeningen.

  Art. 3N13.
  3. B-GOEDKEURING.
  3.1. Wanneer al de overeenkomstig punten 1 en 2 ingediende monsters voldoen aan de punten 3 en 4 van aanhangsel I, wordt de goedkeuring verleend en wordt een goedkeuringsnummer toegekend.
  3.2. Dit nummer wordt aan niet meer dan een retroflecterende band toegekend, behalve indien de goedkeuring wordt uitgebreid tot een ander type van band dat geen essentiële verschillen vertoont met de goedgekeurde inrichting.

  Art. 4N13.
  4. HET MERKEN.
  4.1. Op elke retroflecterende band die overeenstemt met een op grond van dit reglement goedgekeurd type, moet een B-goedkeuringsmerk zijn aangebracht.
  4.2. Dit merk bestaat :
  4.2.1. uit een rechthoek met binnenin een letter " B " vermeld;
  4.2.2. uit een goedkeuringsnummer dat overeenkomt met het nummer van het voor dit type retroflecterende band opgemaakte goedkeuringsformulier.
  Het goedkeuringsnummer moet worden aangebracht vlak bij de rechthoek waarbinnen de letter " B " is vermeld, in een willekeurige stand ten opzichte van de rechthoek. De cijfers waaruit het goedkeuringsnummer bestaat, moeten dezelfde richting hebben als de letter " B ";
  4.2.3. Het goedkeuringsmerk moet zodanig op de band worden aangebracht, dat het onuitwisbaar en goed leesbaar is, ook wanneer de band op een velg gemonteerd is;
  4.2.4. Een voorbeeld van het B-goedkeuringsmerk is in de addenda opgenomen.
  ADDENDUM. - VOORBEELDEN VAN HET B-GOEDKEURINGSMERK. <Figuren 1 tot 3 niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1726>

  Art. N14. AANHANGSEL XIV. - MODEL VAN HET B-GOEDKEURINGSFORMULIER. (Maximumformaat : A4 (210 X 297 mm).
  Mededeling betreffende de B-goedkeuring voor een type van band met retroflecterende flanken voor fietsen en hun aanhangwagens alsook voor bromfietsen. <Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1727>

  Art. N15. AANHANGSEL XV. - BEPROEVINGSMETHODE.

  Art. 1N15.
  1. Aantal voor te leggen monsters.
  Voor de B-goedkeuring van de retroflecterende banden moet de aanvrager twee op volledig wiel gemonteerde banden en vijf niet gemonteerde banden overleggen.

  Art. 2N15.
  2. Behoudens andersluidende bepaling, dient de retroflecterende film op de band nog te beantwoorden aan de fotometrische eisen vermeld in punt 4 van aanhangsel XVIII voor een divergentiehoek ... = 20' een lichtinvalshoek ..., H = 0°, V = 5° en de colorimetrische eigenschappen van aanhangsel XVII, na onderwerping aan al in de onderstaande tabel vermelde beproevingen.
  Deze tabel vermeldt eveneens of de beproevingen op een deel van een band of op een gehele band gebeurd zijn. Het gedeelte van een band wordt genomen uit een band die aan geen enkele beproeving uit aanhangsel XVI onderworpen werd.
  <Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1727>

  Art. N16. AANHANGSEL XVI. - FYSISCHE BEPALINGEN.

  Art. 1N16.
  1. De retroflecterende strook van retroflecterende films moet aan beide kanten van de band de vorm van een ononderbroken ring hebben.

  Art. 2N16.
  2. Warmtevastheid.
  a) Na beproeving volgens de hierna vermelde methode mag de retroflecterende film geen barst, verschilfering of blaas vertonen die zijn degelijke werking kunnen verstoren.
  b) Een monster wordt als volgt beproefd :
  1° onderwerping gedurende 24 opeenvolgende uren aan een temperatuur van 65 +/- 2 °C, bij een betrekkelijke vochtigheidsgraad van 10 +/- 5 %;
  2° gedurende 1 uur aan een temperatuur van 23 +/- 5 °C, bij een betrekkelijke vochtigheidsgraad van 50 +/- 10 %;
  3° gedurende 24 opeenvolgende uren aan een temperatuur van - 20 +/- 5 °C;
  4° gedurende 1 uur aan een temperatuur van 23 +/- 5 °C, bij een betrekkelijke vochtigheidsgraad van 50 +/- 10 %.

  Art. 3N16.
  3. Bevestiging.
  De retroflecterende film moet zodanig aan de band bevestigd zijn dat bij onderwerping en beproeving zoals volgt een grotere kracht dan bepaald, nodig is om hem te verwijderen, of dat het materiaal scheurt wanneer getracht wordt het te verwijderen.
  a) Het proefmonster gedurende 30 minuten in een voorverwarmde oven aan een temperatuur van 50 +/- 2 °C onderwerpen, daarna hetzelfde gedurende 30 minuten, maar bij een temperatuur van 23 +/- 5 °C herhalen.
  b) Met een lemmet een strook van de retroflecterende film van de band verwijderen.
  c) Een trekkracht van 1 N per 1 mm strookbreedte uitoefenen in de normale richting om deze los te maken.

  Art. 4N16.
  4. Bestandheid tegen schokken.
  a) Na beproeving volgens de volgende methode mag de retroflecterende film geen scheur vertonen of loskomen buiten een zone overeenstemmend met een halve breedte van de retroflecterende band ten opzichte van het trefpunt.
  b) Het proefmonster wordt gedurende 1 uur aan een temperatuur van - 20 +/- 5 °C onderworpen. Zodra het uit de koude gehaald is, wordt het monster op een vaste basis geplaatst, waarna vanop een hoogte van 2 m een kogel van massief staal met 25 mm diameter op het reflecterende doel wordt losgelaten.

  Art. 5N16.
  5. Bestandheid tegen brandstoffen.
  Het retroflecterend oppervlak van het proefmonster voorzichtig inwrijven met een lap gedrenkt in een oplossing (volumetrische samenstelling) van 70 % n-heptaan en 30 % tolueen.
  Vijf minuten wachten en dan het retroflecterend oppervlak met een detergentoplossing reinigen.

  Art. 6N16.
  6. Bestandheid tegen smeermiddelen.
  Het retroflecterend oppervlak van het proefmonster moet ingewreven worden met een katoenen lap gedrenkt in detergentsmeerolie. Vijf minuten wachten, dan het oppervlak reinigen met een zachte alifatische oplossing van het heptaantype, daarna met een neutraal detergent wassen en met helder water spoelen.

  Art. 7N16.
  7. Beproeving van de watervastheid.
  Het proefmonster wordt gedurende 1 minuut ondergedompeld in water van 23 +/- 5 °C. Dertig seconden nadat het uit het water gehaald werd moet de LSC-waarde gemeten worden bij een divergentiehoek ... = 20' en een lichtinvalshoek ... H = 0, V = 5°. De LSC-waarde mag niet kleiner zijn dan 50 % van de minimumwaarde vermeld in punt 4 van aanhangsel XVIII.

  Art. N17. AANHANGSEL XVII. - COLORIMETRISCHE BEPALINGEN.

  Art. 1N17.
  1. De retroflecterende ring wordt verlicht door standaard A van de ICI bij een divergentiehoek van 20' en een lichtinvalshoek V = H = 0°, waarbij de trichromatische coördinaten van de teruggekaatste lichtbundel zich binnen de volgende grenswaarden moeten bevinden.
  Chromatische grenswaarden voor retroflecterende banden :
  grenswaarde naar groen : y < of = 0,66 + 0,636 X
  grenswaarde naar rood : y > of = 0,382
  grenswaarde naar purper : y > of = 0,052 + 0,750 X
  grenswaarde naar wit : x > of = 0,380.

  Art. 2N17.
  2. Aan de hand van een vergelijkende visuele proef wordt nagegaan of aan de colorimetrische bepalingen is voldaan.

  Art. 3N17.
  3. Indien er na deze proef twijfel blijft bestaan, wordt er door de vaststelling van de trichromatische coördinaten van het monster waarvoor er de meeste twijfel bestaat, nagegaan of aan de colorimetrische bepalingen is voldaan.

  Art. N18. AANHANGSEL XVIII. - FOTOMETRISCHE BEPALINGEN.

  Art. 1N18.
  1. De verlichtingssterkte wordt, het gehele wiel rond, op de retroflecterende strook gemeten met regelmatige intervallen van ten hoogste 45°. Het meettoestel is gericht in de zin van de invallende stralen. Het gemiddelde van de gemeten waarden vertegenwoordigt de gemiddelde verlichtingssterkte van het monster. Indien een meting met meer dan 10 % van de gemiddelde verlichtingssterkte verschilt, dient een eenvormigere bron gezocht te worden.

  Art. 2N18.
  2. Voor de beproeving van het retroflecterende materiaal van een band, dient deze op een wiel gemonteerd te zijn en opgepompt tot de door de fabrikant aanbevolen maximumdruk.

  Art. 3N18.
  3. Het retroflecterende deel op elke kant van de band wordt aan de beproeving onderworpen.

  Art. 4N18.
  4. De waarden van de LSC van de retroflecterende banden moeten ten minste gelijk zijn aan de in de onderstaande tabel aangegeven waarden, uitgedrukt in millicandela's per lux voor de aangegeven divergentie- en lichtinvalshoeken waarin D de in cm uitgedrukte binnendiameter is van de retroflecterende ring.
  <Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07/02/1984, p. 1728>
  Als D kleiner is dan 42 cm, dan is de minimum LSC voor elke divergentie- en lichtinvalshoek gelijk aan de waarde bij D = 42 cm.

  Art. 5N18.
  5. De verhoudingen tussen de gemeten maximum- en minimumwaarden van de LSC bij een divergentiehoek ... = 20' en een lichtinvalshoek ..., V = 0, H = 5° voor ringvormige vlakken van banden met een opening van 15°, mogen niet groter dan 3 : 1 zijn.

  Art. 6N18.
  6. De verhoudingen van de gemiddelde waarden van LSC voor ringvormige vlakken van banden met een opening van 30°, een divergentiehoek ... van 20' en een lichtinvalshoek, ..., V = 0, H = +/- 30°, mogen niet groter zijn dan 6 : 1.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, inzonderheid op artikel 1;
   Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, inzonderheid op de artikelen 29 en 82;
   .....
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende dat het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer vanaf 1 januari 1985 goedgekeurde retroflecterende inrichtingen oplegt voor de rijwielen;
   Overwegende dat het, om de optimale veiligheid van de rijwielen inzake signalisatie te verzekeren, noodzakelijk is produkten te gebruiken waarvan de prestaties enkel door een goedkeuringssysteem gewaarborgd kunnen worden;
   Overwegende dat voor de toepassing van de beproevingsprocedure en de bevoorrading van de markt een periode van ten minste zes maand noodzakelijk is;
   Op de voordracht van Onze Minister van Verkeerswezen en Posterijen, Telegrafie en Telefonie,
   .....

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie