J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 84 uitvoeringbesluiten 17 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1983/04/21/1983013164/justel

Titel
21 APRIL 1983. - [Koninklijk besluit tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van artsen-specialisten en van huisartsen.] <KB 2016-02-29/04, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>
(NOTA : art. 1-33 en 44-46 opgeheven voor het Vlaams Gewest bij DVR 2016-07-15/17, art. 36, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2017)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-09-1984 en tekstbijwerking tot 14-02-2018) Zie wijziging(en)

Bron : VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN
Publicatie : 27-04-1983 nummer :   1983013164 bladzijde : 5308
Dossiernummer : 1983-04-21/31
Inwerkingtreding : 07-05-1983

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-3
HOOFDSTUK II. - De organen, hun samenstelling en opdrachten.
Art. 4
Art. 4 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 4bis
Art. 4bis FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 4ter, 5-6
Art. 6 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 7
Art. 7 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 8
Art. 8 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 8bis, 9
Art. 9 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 9bis
Art. 9bis FRANSE GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK III. - De stage en de erkenning van geneesheren-specialisten en huisartsen.
AFDELING I. - De stage.
Art. 10
Art. 10 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 11
Art. 11 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 11bis
Art. 11bis FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 12
Art. 12 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 13
Art. 13 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 14
Art. 14 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 15
Art. 15 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 16
Art. 16 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 17
Art. 17 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 18
Art. 18 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 19
Art. 19 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 20
Art. 20 FRANSE GEMEENSCHAP
Afdeling II. - De erkenning.
Art. 21
Art. 21 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 22
Art. 22 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 23
Art. 23 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 24
Art. 24 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 25
Art. 25 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 25bis
Art. 25bis FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 26
Art. 26 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 27
Art. 27 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 27bis
Art. 27bis FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 28
Art. 28 FRANSE GEMEENSCHAP
Afdeling III. De beroepsprocedure.
Art. 29
Art. 29 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 30
Art. 30 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 31
Art. 31 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 32
Art. 32 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 33
Art. 33 FRANSE GEMEENSCHAP
HOOFDSTUK IV. - De erkenning van de stagemeesters en stagediensten.
Art. 33bis, 34, 34bis, 35-39, 39bis, 40-43
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
Art. 44
Art. 44 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 45
Art. 45 FRANSE GEMEENSCHAP
Art. 46

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° Minister : de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort;
  2° [3 Arts-specialist]3 : de [3 arts]3 die een aanvullende opleiding in een specialiteit heeft gevolgd en die als dusdanig erkend wordt overeenkomstig de van kracht zijnde criteria;
  3° Erkend huisarts : de [3 arts]3 die een aanvullende opleiding in de huisartsgeneeskunde heeft gevolgd en die als dusdanig erkend wordt overeenkomstig de van kracht zijnde criteria;
  4° Bestuur : het bestuur Geneeskundepraktijk van het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin;
  5° Hoge Raad : de Hoge Raad van [3 artsen-specialisten]3 en van huisartsen;
  6° Kandidaat : de kandidaat [3 arts-specialist]3 of de kandidaat erkend huisarts;
  7° Discipline : de geneeskundige praktijk, specialiteit of huisartsgeneeskunde, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 november 1973 tot vaststelling van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen;
  8° Stagemeester : de [3 arts]3 verantwoordelijk voor de gehele of de gedeeltelijke opleiding van de kandidaat en die als dusdanig erkend wordt overeenkomstig de van kracht zijnde criteria;
  (In afwijking van deze bepaling mag de stagemeester verantwoordelijk voor de opleiding in medische chemie een apotheker zijn, erkend voor klinische biologie, op voorwaarde dat het kader van het laboratorium een voltijds [3 arts-specialist]3 erkend voor klinische biologie bevat.) <KB 1985-08-12/51, art. 1, 004>
  9° Stagedienst : de dienst in het raam van dewelke de gehele of gedeeltelijke opleiding van de kandidaat geschiedt en die daartoe wordt erkend, overeenkomstig de van kracht zijnde criteria.
  [1 10° Het coördinatiecentrum voor de huisartsenopleiding : de vereniging zonder winstoogmerk die door de Minister belast werd met de coördinatie van de aanvullende huisartsenopleiding en die hiervoor erkend is, overeenkomstig de geldende criteria.]1
  [2 1° Titel van niveau 2 : een bijzondere beroepstitel voorbehouden aan de titularissen van een diploma van arts zoals bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde;
   12° Titel van niveau 3 : bijzondere beroepstitel voorbehouden aan de titularissen van een titel van niveau 3, zoals bedoeld in artikel 2 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991.]2
  ----------
  (1)<KB 2009-07-17/08, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 31-07-2009>
  (2)<KB 2013-10-24/46, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 22-12-2013>
  (3)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 2.Voor de toepassing van de wetgeving en reglementering betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering komen als [1 arts-specialist]1 en als erkend huisarts slechts in aanmerking zij die overeenkomstig dit besluit als zodanig erkend zijn.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 3. Dit besluit regelt bovendien de erkenning van stagemeesters en stagediensten.
  De criteria voor hun erkenning worden door de Minister bepaald.

  HOOFDSTUK II. - De organen, hun samenstelling en opdrachten.

  Art. 4.Bij het [1 Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu]1 worden opgericht :
  1° een Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen;
  2° een erkenningscommissie van geneesheren-specialisten [2 voor elk van [3 titels van niveau 2]3, zoals door Ons bepaald]2;
  3° een erkenningscommissie van huisartsen.
  ----------
  (1)<KB 2011-06-28/16, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (2)<KB 2011-06-28/16, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (3)<KB 2013-10-24/46, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 22-12-2013>

  Art. 4_FRANSE_GEMEENSCHAP.
   Bij het [1 Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu]1 worden opgericht :
  1° een Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen;
  2° [4 ...]4
  3° [4 ...]4

  ----------
  (1)<KB 2011-06-28/16, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (2)<KB 2011-06-28/16, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (3)<KB 2013-10-24/46, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 22-12-2013>
  (4)<BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>
  

  Art. 4bis.[1 De Minister kan bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een erkenningscommissie van geneesheren-specialisten oprichten voor elk van [2 titels van niveau 3]2.
   Indien er voor een van deze [2 titels van niveau 3]2 geen specifieke erkenningscommissie wordt opgericht, worden de taken van deze commissie door de Minister aan een of meerdere in artikel 4, 2°, bedoelde erkenningscommissies toevertrouwd.]1
  ----------
  (1)<Nieuw artikel 4bis ingevoegd bij KB 2011-06-28/16, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (2)<KB 2013-10-24/46, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 22-12-2013>

  Art. 4bis_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 4ter.[2 Oud artikel 4bis wordt arikel 4ter]2 [1 Bovenop die organen kan de Minister, nadat zij het advies heeft ingewonnen van de Hoge Raad, twee coördinatiecentra erkennen voor de huisartsenopleiding, waarvan één centrum tot de Franstalige taalrol behoort en één centrum tot de Nederlandstalige taalrol.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-07-17/08, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 31-07-2009>
  (2)<KB 2011-06-28/16, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>

  Art. 5.§ 1. De Hoge Raad wordt gevormd door een nederlandstalige en een franstalige kamer die voor het vervullen van de opdrachten opgesomd in § 4 samen vergaderen.
  § 2. [1 De minister duidt een arts-voorzitter en een arts-ondervoorzitter van de Hoge Raad aan. Een van hen is een ambtenaar of ere-ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. De duur van het mandaat van voorzitter en ondervoorzitter valt samen met de duur van de mandaten van de leden.]1
  [1 In afwezigheid van de voorzitter, leidt de ondervoorzitter de plenaire vergadering. In afwezigheid van de ondervoorzitter en de voorzitter, leiden de voorzitters van beide Kamers de vergadering. In afwezigheid van de voorzitter, de ondervoorzitter en een van de voorzitters van de Kamers, leidt de aanwezige voorzitter van een van de Kamers de vergadering. In afwezigheid van al deze personen, wordt de vergadering verdaagd.]1
  § 3. (Het secretariaat van de Raad wordt waargenomen door een ambtenaar, [1 aangewezen door de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Gezondheidszorg van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu]1.) <KB 1999-03-16/56, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 1999-07-04>
  § 4. De Hoge Raad is ermee belast :
  1° aan de Minister voorstellen te doen betreffende het vaststellen van criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, van huisartsen, van stagemeesters en stagediensten;
  2° aan de Minister een met redenen omkleed advies te verstrekken over de aanvragen tot erkenning als stagemeester of als stagedienst;
  3° aan de Minister, op zijn verzoek of op eigen initiatief, adviezen te geven of voorstellen te doen in verband met richtlijnen en aanbevelingen ten behoeve van de erkenningscommissies, de stagemeesters en de kandidaten of betreffende beginselkwesties en algemene aangelegenheden.
  § 5. De Hoge Raad kan werkgroepen oprichten belast met een welbepaalde opdracht. Deze werkgroepen zijn samengesteld uit leden van de Hoge Raad en eventueel uit deskundigen die niet tot de Raad behoren.
  § 6. Om geldig te kunnen beraadslagen moet ten minste de helft van de leden bedoeld in artikel 6, § 1, 3° en 4° enerzijds, en de helft van de leden bedoeld in artikel 6, § 1, 5° en 6° anderzijds aanwezig zijn.
  Indien het aanwezigheidsquorum niet wordt bereikt, belegt de Voorzitter een tweede vergadering met dezelfde agenda; de Hoge Raad kan dan geldig beraadslagen ongeacht het aantal aanwezige leden.
  De Raad spreekt zich uit bij meerderheid der aanwezige leden; indien het punt waarover beraadslaagd wordt, enkel betrekking heeft op de geneesheren-specialisten moet hierover daarenboven een meerderheid bestaan bij de leden bedoeld in artikel 6, § 1, 3° en 4°; indien het punt waarover beraadslaagd wordt, enkel betrekking heeft op de huisartsen moet hierover daarenboven een meerderheid bestaan bij de leden bedoeld in artikel 6, § 1, 5° en 6°.
  Bij staking van stemmen is het punt waarover werd gestemd niet aangenomen.
  De beraadslagingen van de Hoge Raad zijn geheim.
  [1 De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Gezondheidszorg van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, evenals door hem of haar aangeduide ambtenaren, kunnen met raadgevende stem aanwezig zijn op de vergaderingen.]1
  De adviezen moeten met redenen omkleed zijn.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 6.§ 1. Elke kamer van de Hoge Raad bestaat uit :
  1° een voorzitter, doctor in de genees-, heel- en verloskunde, uit een dubbeltal voorgedragen door de Koninklijke Academie voor geneeskunde van België voor de nederlandstalige kamer en door de "Académie royale de médecine de Belgique" voor de franstalige kamer;
  2° een ondervoorzitter, doctor in de genees-, heel- en verloskunde, uit een dubbeltal voorgedragen door de Nationale Raad van de [2 Orde der artsen]2;
  3° twaalf doctors in de genees-, heel- en verloskunde, die een academisch ambt bekleden of hebben bekleed, die als specialist zijn erkend, [1 ...]1 voorgedragen door de faculteiten van geneeskunde;
  4° (tien artsen, erkend als [2 arts-specialist]2, [1 ...]1 voorgedragen door de representatieve beropsverenigingen, en twee artsen hetzij erkende [2 artsen-specialisten]2, hetzij [2 kandidaat-artsen-specialisten]2, die de [2 kandidaat-artsen-specialisten]2 vertegenwoordigen [1 ...]1 voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen.) <KB 1999-03-16/56, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 1999-07-04>
  5° twaalf doctors in de genees-, heel- en verloskunde, die als huisarts erkend zijn, [1 ...]1 voorgedragen door de faculteiten van geneeskunde;
  6° (tien artsen, erkend als huisarts, [1 ...]1 voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen en twee artsen, hetzij erkende huisartsen, hetzij kandidaat-huisartsen, die de kandidaat-huisartsen vertegenwoordigen en [1 ...]1 voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen.) <KB 1999-03-16/56, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 1999-07-04>
  7° een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, voorgedragen door de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort;
  8° een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, vertegenwoordiger van de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort.
  (Ten minste vijfenzeventig percent van de leden bedoeld in het eerste lid beoefenen actief hun respectieve disciplines. De activiteit van het lid wordt geëvalueerd op het moment van zijn benoeming. Het lid dat beschouwd wordt als zijnde actief behoudt deze hoedanigheid tot bij het aflopen van zijn mandaat. De minister stelt de criteria voor de evaluatie van die activiteit vast.) <W 2008-12-10/37, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  De voorzitter, ondervoorzitter en de [1 effectieve en plaatsvervangende]1 leden worden door de Minister benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Zij blijven hun functie waarnemen tot de Minister over de hernieuwing van hun mandaat een beslissing heeft genomen of, in voorkomend geval, totdat in hun vervanging is voorzien.
  In geval van overlijden, van ontslag of van intrekking van het mandaat van een lid benoemt de Minister om het lopend mandaat te voleinden een nieuw lid volgens de in dit artikel bepaalde procedure.
  § 2. De Minister kan, op advies van de Hoge Raad, een einde maken aan het mandaat van de leden van de Kamers van de Hoge Raad, die duidelijk blijk zullen gegeven hebben van gebrek aan regelmatigheid in het bijwonen van de vergaderingen of van gebrek aan belangstelling voor de opdrachten die hen werden toevertrouwd.
  § 3. Bij afwezigheid van de voorzitter en de ondervoorzitter wordt de vergadering van de kamer van de Hoge Raad, voorgezeten door het oudste lid in jaren.
  § 4. Het secretariaat van de kamers wordt waargenomen door ambtenaren, aangewezen door de Minister (, van wie ten minste één jurist per taalrol). <W 2008-12-10/37, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  § 5. De Kamers van de Hoge Raad zijn ermee belast :
  1° uitspraak te doen, bij een met redenen omklede beraadslaging, over de beroepen ingesteld tegen de adviezen van de erkenningscommissies;
  2° op verzoek van de Minister, uitspraak te doen, bij een met redenen omklede beraadslaging over de adviezen van de erkenningscommissies in verband met het stageplan, de opleiding en de erkenning als [2 arts-specialist]2 of als huisarts.
  § 6. De bepalingen van artikel 5, § 6 zijn, mutatis mutandis, van toepassing.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 3,1°,3°, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>
  (2)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 6 TOEKOMSTIG RECHT.


   § 1. Elke kamer van de Hoge Raad bestaat uit :
  1° een voorzitter, doctor in de genees-, heel- en verloskunde, uit een dubbeltal voorgedragen door de Koninklijke Academie voor geneeskunde van België voor de nederlandstalige kamer en door de "Académie royale de médecine de Belgique" voor de franstalige kamer;
  2° een ondervoorzitter, doctor in de genees-, heel- en verloskunde, uit een dubbeltal voorgedragen door de Nationale Raad van de [2 Orde der artsen]2;
  3° twaalf doctors in de genees-, heel- en verloskunde, die een academisch ambt bekleden of hebben bekleed, die als specialist zijn erkend, [1 ...]1 voorgedragen door de faculteiten van geneeskunde;
  4° (tien artsen, erkend als [2 arts-specialist]2, [1 ...]1 voorgedragen door de representatieve beropsverenigingen, en twee artsen hetzij erkende [2 artsen-specialisten]2, hetzij [2 kandidaat-artsen-specialisten]2, die de [2 kandidaat-artsen-specialisten]2 vertegenwoordigen [1 ...]1 voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen.) <KB 1999-03-16/56, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 1999-07-04>
  5° twaalf doctors in de genees-, heel- en verloskunde, die als huisarts erkend zijn, [1 ...]1 voorgedragen door de faculteiten van geneeskunde;
  6° (tien artsen, erkend als huisarts, [1 ...]1 voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen en twee artsen, hetzij erkende huisartsen, hetzij kandidaat-huisartsen, die de kandidaat-huisartsen vertegenwoordigen en [1 ...]1 voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen.) <KB 1999-03-16/56, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 1999-07-04>
  7° een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, voorgedragen door de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort;
  8° een doctor in de genees-, heel- en verloskunde, vertegenwoordiger van de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort.
  [3 Voor de onder het eerste lid, 3°, 4°, 5° en 6°, bedoelde effectieve leden wordt telkens een plaatsvervangend lid aangeduid.]3
  (Ten minste vijfenzeventig percent van de leden bedoeld in het eerste lid beoefenen actief hun respectieve disciplines. De activiteit van het lid wordt geëvalueerd op het moment van zijn benoeming. Het lid dat beschouwd wordt als zijnde actief behoudt deze hoedanigheid tot bij het aflopen van zijn mandaat. De minister stelt de criteria voor de evaluatie van die activiteit vast.) <W 2008-12-10/37, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  De voorzitter, ondervoorzitter en de [1 effectieve en plaatsvervangende]1 leden worden door de Minister benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Zij blijven hun functie waarnemen tot de Minister over de hernieuwing van hun mandaat een beslissing heeft genomen of, in voorkomend geval, totdat in hun vervanging is voorzien.
  In geval van overlijden, van ontslag of van intrekking van het mandaat van een lid benoemt de Minister om het lopend mandaat te voleinden een nieuw lid volgens de in dit artikel bepaalde procedure.
  § 2. De Minister kan, op advies van de Hoge Raad, een einde maken aan het mandaat van de leden van de Kamers van de Hoge Raad, die duidelijk blijk zullen gegeven hebben van gebrek aan regelmatigheid in het bijwonen van de vergaderingen of van gebrek aan belangstelling voor de opdrachten die hen werden toevertrouwd.
  § 3. Bij afwezigheid van de voorzitter en de ondervoorzitter wordt de vergadering van de kamer van de Hoge Raad, voorgezeten door het oudste lid in jaren.
  § 4. Het secretariaat van de kamers wordt waargenomen door ambtenaren, aangewezen door de Minister (, van wie ten minste één jurist per taalrol). <W 2008-12-10/37, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  § 5. De Kamers van de Hoge Raad zijn ermee belast :
  1° uitspraak te doen, bij een met redenen omklede beraadslaging, over de beroepen ingesteld tegen de adviezen van de erkenningscommissies;
  2° op verzoek van de Minister, uitspraak te doen, bij een met redenen omklede beraadslaging over de adviezen van de erkenningscommissies in verband met het stageplan, de opleiding en de erkenning als [2 arts-specialist]2 of als huisarts.
  § 6. De bepalingen van artikel 5, § 6 zijn, mutatis mutandis, van toepassing.
  

----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 3,1°,3°, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>
  (2)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>
  (3)<KB 2016-02-29/04, art. 3,2°; Inwerkingtreding : onbepaald; treedt in werking bij de eerstvolgende volledige hersamenstelling van de Hoge Raad>
  

  Art. 7.§ 1. Elke erkenningscommissie bestaat uit een nederlandstalige en een franstalige kamer.
  § 2. Elke kamer van de erkenningscommissies van geneesheren-specialisten is samengesteld uit :
  1° ten minste drie [1 ...]1 leden, doctors in de genees-, heel- en verloskunde, die een academisch ambt bekleden of hebben bekleed, die als specialist zijn erkend in de specialiteit in kwestie, te benoemen uit een lijst van dubbeltallen voorgedragen door de faculteiten van geneeskunde;
  2° evenveel leden, doctors in de genees-, heel- en verloskunde, die als specialist zijn erkend in de specialiteit in kwestie, te benoemen uit een lijst van dubbeltallen voorgedragen door hun beroepsverenigingen;
  [2 3° [4 wanneer krachtens artikel 4bis, tweede lid, een in artikel 4, 2°, bedoelde commissie door de Minister ook wordt belast met taken met betrekking tot een van de titels van niveau 3, wordt, met het oog op de uitvoering van die taken, de samenstelling van elke kamer van die commissie uitgebreid [5 met twee leden houder van een master in de geneeskunde of van de academische graad van arts, die een academische functie bekleden of hebben bekleed, erkend voor die titel van niveau 3 en voorgedragen op een dubbele lijst door de faculteiten geneeskunde en met twee leden houder van een master in de geneeskunde of van de academische graad van arts, erkend voor die titel van niveau 3 en voorgedragen op een dubbele lijst door de beroepsverenigingen.]5
   Die leden kunnen enkel in de Erkenningscommissie zetelen om de taken met betrekking tot de titel van niveau 3 uit te voeren en waarvoor ze door de Minister zijn benoemd.
   Elke kamer kan tevens leden met een raadgevende stem tellen.]4 ]2
  [3 4° ingeval een commissie wordt opgericht overeenkomstig artikel 4bis voor een van de [4 titels van niveau 3]4, kan de Minister specifieke criteria vastleggen voor de samenstelling van de kamers van deze erkenningscommissie.]3
  § 3. Elke kamer van de erkenningscommissie van huisartsen is samengesteld uit :
  1° ten minste drie en ten hoogste acht leden, doctors in de genees-, heel- en verloskunde, die als huisarts zijn erkend, te benoemen uit een lijst van dubbeltallen voorgedragen door de faculteiten van geneeskunde;
  2° evenveel leden, doctors in de genees-, heel- en verloskunde, die als huisarts zijn erkend, te benoemen uit een lijst van dubbeltallen voorgedragen door hun beroepsverenigingen.
  § 4. De leden van de erkenningscommissies worden door de Minister benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Zij blijven hun functie waarnemen tot de Minister over de hernieuwing van hun mandaat een beslissing heeft genomen of, in voorkomend geval, tot in hun vervanging is voorzien.
  In geval van overlijden, van ontslag of van intrekking van het mandaat van een lid benoemt de Minister om het lopend mandaat te voleinden een nieuw lid volgens de in dit artikel bepaalde procedure.
  § 5. De Minister kan op advies van de Hoge Raad een eind maken aan het mandaat van de leden van de Kamers van de erkenningscommissies, die duidelijk blijk zullen gegeven hebben van gebrek aan regelmatigheid in het bijwonen van de vergaderingen of van gebrek aan belangstelling voor de opdrachten die hen werden toevertrouwd.
  § 6. Elke kamer kiest uit haar midden een voorzitter en een ondervoorzitter.
  Bij afwezigheid van de voorzitter en de ondervoorzitter wordt de vergadering van de Kamer van de erkenningscommissie voorgezeten door het oudste lid in jaren.
  § 7. Het ambt van secretaris wordt uitgeoefend door een ambtenaar aangewezen door de Minister. (De secretaris zorgt voor de administratieve en juridische begeleiding van de dossiers die voor advies aan de kamers van de erkenningscommissies worden voorgelegd en doet een beroep op de juridische experts van de administratie om de dossiers voor te bereiden en te onderzoeken. De minister kan het ambt van secretaris van de kamer van de erkenningscommissie beschrijven.) <W 2008-12-10/37, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  ----------
  (1)<KB 2011-06-28/16, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (2)<KB 2011-06-28/16, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (3)<KB 2011-06-28/16, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (4)<KB 2013-10-24/46, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 22-12-2013>
  (5)<KB 2014-04-19/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 06-06-2014>

  Art. 7_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 8.§ 1. De kamers van de erkenningscommissies van [3 artsen-specialisten]3 en van huisartsen zijn ermee belast :
  1° advies te geven over het stageplan dat door de kandidaat wordt ingediend en eventueel afwijkingen op de criteria voor te stellen binnen de perken van de richtlijnen en aanbevelingen bedoeld in art. 5, § 4, 3°;
  2° toezicht uit te oefenen op de uitvoering van het stageplan in al zijn geledingen zowel door de stagemeester als door de kandidaat, overeenkomstig de vigerende criteria en de bepalingen van dit besluit.
  De Minister kan een [3 arts-ambtenaar]3 van het Ministerie van Volksgezondheid aanstellen om de erkenningscommissies bij het toezicht op de uitvoering van de stageplans behulpzaam te zijn;
  3° de Minister een met redenen omkleed advies te verstrekken betreffende de aanvragen tot de erkenning als [3 arts-specialist]3 of als huisarts en de kwesties in verband met deze erkenning;
  4° de Hoge Raad op diens verzoek een met redenen omkleed advies te verstrekken over de criteria, eigen aan iedere discipline waarmee rekening moet worden gehouden voor de erkenning van [3 artsen-specialisten]3, huisartsen en hun respectieve stagemeesters en stagediensten;
  5° de Hoge Raad, op diens verzoek, een met redenen omkleed advies te verstrekken over de waarde van de stagemeesters en stagediensten met het oog op hun erkenning.
  § 2. Elke erkenningscommissie of elke kamer kan te allen tijde aan de Hoge Raad een nota oversturen met haar advies of opmerkingen over algemene of bijzondere aangelegenheden betreffende haar discipline.
  § 3. [1 Om geldig te beraadslagen moet ten minste de helft van de leden van de kamer aanwezig zijn.
   [2 Indien, krachtens artikel 4bis, tweede lid, de bedoelde commissie door de Minister ook wordt belast met de taken met betrekking tot een van de titels van niveau 3, moet, wanneer de kamer in kwestie wordt opgeroepen om zich uit te spreken over vraagstukken of dossiers betreffende die titel van niveau 3, ten minste de helft van de voor die bewuste titel van niveau 3 erkende leden bedoeld in artikel 7, § 2, 3° ook aanwezig zijn opdat de kamer geldig zou kunnen beraadslagen.]2
   Indien de leden van de kamer niet in voldoende aantal aanwezig zijn, belegt de voorzitter een tweede vergadering met dezelfde agenda; de kamer kan dan geldig beraadslagen ongeacht het aantal aanwezige leden.
   De kamer spreekt zich uit bij meerderheid der aanwezige leden. Bij staking van stemmen is het punt waarover werd gestemd niet aangenomen.
   Ingeval overeenkomstig artikel 4bis een commissie wordt opgericht voor een van de [2 titels van niveau 3]2 , kan de Minister een specifieke wijze van beraadslaging vastleggen voor de kamers van deze erkenningscommissie.
   De beraadslagingen van de kamer zijn geheim. De adviezen moeten met redenen omkleed zijn.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-06-28/16, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (2)<KB 2013-10-24/46, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 22-12-2013>
  (3)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 8_FRANSE_GEMEENSCHAP.
   § 1. De kamers van de erkenningscommissies van [3 artsen-specialisten]3 en van huisartsen zijn ermee belast :
  1° [4 ...]4
  2° [4 ...]4
  3° [4 ...]4
  4° de Hoge Raad op diens verzoek een met redenen omkleed advies te verstrekken over de criteria, eigen aan iedere discipline waarmee rekening moet worden gehouden voor de erkenning van [3 artsen-specialisten]3, huisartsen en hun respectieve stagemeesters en stagediensten;
  5° de Hoge Raad, op diens verzoek, een met redenen omkleed advies te verstrekken over de waarde van de stagemeesters en stagediensten met het oog op hun erkenning.
  § 2. Elke erkenningscommissie of elke kamer kan te allen tijde aan de Hoge Raad een nota oversturen met haar advies of opmerkingen over algemene of bijzondere aangelegenheden betreffende haar discipline.
  § 3. [1 Om geldig te beraadslagen moet ten minste de helft van de leden van de kamer aanwezig zijn.
   [2 Indien, krachtens artikel 4bis, tweede lid, de bedoelde commissie door de Minister ook wordt belast met de taken met betrekking tot een van de titels van niveau 3, moet, wanneer de kamer in kwestie wordt opgeroepen om zich uit te spreken over vraagstukken of dossiers betreffende die titel van niveau 3, ten minste de helft van de voor die bewuste titel van niveau 3 erkende leden bedoeld in artikel 7, § 2, 3° ook aanwezig zijn opdat de kamer geldig zou kunnen beraadslagen.]2
   Indien de leden van de kamer niet in voldoende aantal aanwezig zijn, belegt de voorzitter een tweede vergadering met dezelfde agenda; de kamer kan dan geldig beraadslagen ongeacht het aantal aanwezige leden.
   De kamer spreekt zich uit bij meerderheid der aanwezige leden. Bij staking van stemmen is het punt waarover werd gestemd niet aangenomen.
   Ingeval overeenkomstig artikel 4bis een commissie wordt opgericht voor een van de [2 titels van niveau 3]2 , kan de Minister een specifieke wijze van beraadslaging vastleggen voor de kamers van deze erkenningscommissie.
   De beraadslagingen van de kamer zijn geheim. De adviezen moeten met redenen omkleed zijn.]1

  ----------
  (1)<KB 2011-06-28/16, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (2)<KB 2013-10-24/46, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 22-12-2013>
  (3)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>
  (4)<BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>
  

  Art. 8bis. [1 § 1. Om erkend te worden en de erkenning te behouden als coördinatiecentrum voor de huisartsenopleiding, moet dit centrum ten minste :
   1° beschikken over rechtspersoonlijkheid;
   2° beschikken over een raad van bestuur samengesteld :
   - voor twee derde van de stemgerechtigde leden, uit vertegenwoordigers van de faculteiten geneeskunde bedoeld in artikel 6, § 1, 3°,
   - voor een derde van de stemgerechtigde leden, uit erkende stagemeesters in de huisartsengeneeskunde,
   - uit minstens zes vertegenwoordigers met raadgevende stem, verkozen door de kandidaat-huisartsen;
   3° beschikken over een overlegcomité dat verantwoordelijk is voor het beheer van de uitbetaling van de vergoedingen van de kandidaat-huisartsen, paritair samengesteld uit vertegenwoordigers van de faculteiten geneeskunde bedoeld in artikel 6, § 1, 3° en de beroepsverenigingen bedoeld in artikel 6, § 1, 4°;
   4° een aanvraag indienen per aangetekend schrijven, vergezeld van de statuten en het huishoudelijk reglement, bij de minister die ze ter advies overmaakt aan de Hoge Raad;
   5° in het kader van de specifieke huisartsenopleiding :
   a) op voordracht van het genoemde overlegcomité een model van coördinatieovereenkomst, af te sluiten tussen het coördinatiecentrum en elke kandidaat-huisarts, opstellen en voor eensluidend advies voorleggen aan de Hoge Raad,
   b) op voordracht van het genoemde overlegcomité een model van overeenkomst inzake stagebegeleiding, af te sluiten tussen het coördinatiecentrum en elke erkende stagemeester voor huisartsgeneeskunde, opstellen en voor eensluidend advies voorleggen aan de Hoge Raad,
   c) een model van opleidingsovereenkomst, af te sluiten tussen elke erkende stagemeester voor huisartsgeneeskunde en elke kandidaat-huisarts voor wiens opleiding de stagemeester in kwestie instaat, opstellen en voor eensluidend advies voorleggen aan de Hoge Raad,
   d) toezien op de naleving en de uitvoering van de bovenvermelde afgesloten overeenkomsten, behalve wat betreft de aspecten aangaande de opleiding van de kandidaat-huisartsen. Wanneer wordt vastgesteld dat de vernoemde overeenkomsten niet worden nageleefd of foutief worden uitgevoerd, rapporteert het erkende coördinatiecentrum dit aan de minister.
   Elke aanhoudende onenigheid tussen het erkende coördinatiecentrum en de Hoge Raad wordt beslecht door de Minister;
   § 2. De Minister mag de erkenningsvoorwaarden bedoeld in § 1 uitbreiden.
   § 3. Elk ontwerp van wijziging van de statuten en van het huishoudelijk reglement van het coördinatiecentrum moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Minister;
   § 4. De erkenning kan onmiddellijk worden ingetrokken door de Minister indien de ter uitvoering van dit artikel meegedeelde informatie foutief blijkt, indien de in de erkenning vastgelegde voorwaarden of de bepalingen van dit artikel niet worden nageleefd of indien het coördinatiecentrum een ernstige onregelmatigheid begaat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2009-07-17/08, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 31-07-2009>

  Art. 9. De voorzitters, de ondervoorzitters en de leden van de Hoge Raad en van de erkenningscommissies hebben recht op :
  1° een presentiegeld, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 januari 1960 tot wijziging van het besluit van de Regent van 15 juli 1946 dat het bedrag van de presentiegelden en de kosten bepaalt, welke uitgekeerd worden aan de leden van de vaste commissies die van het departement van Volksgezondheid en van het Gezin afhangen. De leden ambtenaren kunnen alleen aanspraak erop maken in de mate waarin hun aanwezigheid op de vergaderingen prestaties vergt buiten hun gewone diensturen;
  2° de terugbetaling van de reiskosten overeenkomstig het koninklijk besluit van 18 januari 1965, houdende algemene regeling inzake reiskosten;
  3° de terugbetaling van de verblijfkosten, overeenkomstig het koninklijk besluit van 24 december 1964, tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries.
  Voor de toepassing van dit artikel worden de leden niet-ambtenaar van de erkenningscommissies en van de Hoge Raad gelijkgesteld met de ambtenaren die een graad bekleden van rang 15, 16 of 17.

  Art. 9_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 9bis.<Ingevoegd bij KB 1999-05-26/49, art. 1; Inwerkingtreding : 31-08-1999> Per bezoek wordt een vergoeding toegekend aan de artsen niet-ambtenaar, lid van de hoge Raad of van de erkenningscommissies, aangewezen ofwel door voornoemde Raad in het kader van de opdracht die hem is toegewezen overeenkomstig de artikelen 5, § 4, 2° en 36 ofwel door de kamers van de erkenningscommissies in het kader van de opdracht die hun is toevertrouwd overeenkomstig artikel 8, § 1, 5° van dit besluit, om controlebezoeken uit te voeren bij de aanvragers van een erkenning als stagemeester, voor een stagedienst of voor een plaats waar de stages van de [1 kandidaat-artsen-specialisten]1 of -huisartsen plaatsvinden.
  Per bezoek wordt een vergoeding toegekend aan de artsen niet-ambtenaar, lid van een kamer van een Erkenningscommissie van [1 artsen-specialisten]1 of van huisartsen, belast door voornoemde kamer voor een onderzoeksopdracht in toepassing van artikel 18 van dit besluit.
  Per bezoek wordt een vergoeding toegekend aan de artsen niet-ambtenaar, lid van de hoge Raad of van een van zijn werkgroepen die in uitvoering van artikel 5, § 5, door de hoge Raad belast worden met een onderzoek ter plaatse in het kader van de adviesopdracht die hem is toegewezen overeenkomstig artikel 40, § 1 van dit besluit.
  De Minister stelt het bedrag vast van deze vergoedingen.
  De reiskosten worden terugbetaald aan bovenvermelde artsen overeenkomstig het koninklijk besluit van 18 januari 1965, houdende algemene regeling inzake reiskosten.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 9bis_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  HOOFDSTUK III. - De stage en de erkenning van geneesheren-specialisten en huisartsen.

  AFDELING I. - De stage.

  Art. 10. De kandidaat, gemachtigd de geneeskunde in België uit te oefenen, moet uiterlijk binnen de eerste drie maanden van de aanvang van zijn opleiding, bij aangetekend schrijven, aan de Minister een plan ter goedkeuring toesturen met opgave van de stages die hij wenst te verrichten.
  (Het stageplan is vergezeld van een attest dat aantoont dat de kandidaat door een faculteit geneeskunde aanvaard is voor de discipline waarin hij opgeleid wil worden.) <KB 1999-03-16/56, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 1999-07-04>

  Art. 10_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 11. Het stageplan wordt voor advies voorgelegd aan de bevoegde kamer van de erkenningscommissie van de discipline in kwestie. Vooraleer het stageplan aan de bevoegde kamer wordt voorgelegd gaat het bestuur na of de voorschriften van het eerste lid van dit artikel en van artikel 12 volledig zijn nageleefd. Als zulks niet het geval is wordt de belanghebbende daarvan binnen dertig dagen in kennis gesteld.
  Als het stageplan tijdens de eerste drie maanden van de opleiding wordt ingediend wordt de stageperiode gerekend vanaf de datum waarop de opleiding werkelijk begonnen is; als het later wordt ingediend, wordt de datum van het aangetekend schrijven beschouwd als de datum waarop de stage is begonnen.

  Art. 11_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 11bis. <NOTA : Het arrest nr. 31 361 van de Raad van State van 23 november 1988 heeft het artikel 2 van KB 12-08-1985 vernietigd>
  <KB 1985-08-12/51, art. 2, 004> § 1. Voor de kandidaten die de Belgische nationaliteit of de nationaliteit van een ander land van de Europese Economische Gemeenschap bezitten, en die bovendien in het bezit zijn van een wettelijk Belgisch diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, ofwel van een ander certificaat of diploma waarvan de gelijkwaardigheid met het wettelijk Belgisch diploma van doctorin de genees-, heel- en verloskunde bekomen werd, kan een gedeelte van de stages erkend worden, die zijn in België, onder de leiding van een erkend stagemeester en in een erkende stagedienst verricht hebben, vooraleer zij aan de voornoemde voorwaarden van nationaliteit en diploma hebben voldaan.
  § 2. Voor de kandidaten die hun stageplan laattijdig hebben ingediend, kan een gedeelte van de stages erkend worden, die zij in België, onder de leiding van een erkend stagemeester in een erkende stagedienst verricht hebben vooraleer zij hun plan hebben ingediend.

  Art. 11bis_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 12.§ 1. De aanvraag om goedkeuring van het stageplan wordt gedaan door middel van een formulier dat door het bestuur wordt bezorgd en waarvan het model door de Minister wordt bepaald. Zij bevat de volgende gegevens :
  1° de discipline waarop de aanvraag betrekking heeft;
  2° de data van aanvang en van beëindiging van de opleiding, met dien verstande dat het stageplan op de volledige duur van de opleiding betrekking heeft;
  3° de diensten waar de stages zullen gedaan worden;
  4° de naam van de stagemeester (s) en eventueel van de stagemeester-coordinator en zijn (hun) schriftelijk akkoord.
  Wanneer de kandidaat meer dan één stagemeester heeft, moet één van hen fungeren als stagemeester-coordinator.
  De stagemeester-coordinator heeft als opdracht de kandidaat te begeleiden bij het opstellen van zijn stageplan en het geheel van zijn opleiding te coordineren. De stagemeester-coordinator moet erkend zijn in dezelfde discipline als die welke door de kandidaat wordt gekozen voor zijn erkenning.
  5° De opgave van een adres in België voor toezending van de briefwisseling, indien bepaalde stages in het buitenland worden verricht.
  § 2. Bij de aanvraag tot goedkeuring van het stageplan moeten gevoegd zijn :
  1° een attest waaruit blijkt dat de aanvrager ingeschreven is op de lijst van de [3 Orde der artsen]3;
  2° [1 2° Wat de kandidaat-specialisten betreft, voor elk deel van de stage een exemplaar van de schriftelijke overeenkomst, afgesloten tussen de kandidaat en de stagemeester of de verantwoordelijke instelling, met betrekking tot de vergoeding van de kandidaat met nauwkeurige vermelding van de duur van de overeenkomst.]1
  [2 3° Wat de kandidaat-huisartsen betreft, voor elk deel van de stage een exemplaar van de opleidingsovereenkomst, afgesloten tussen de kandidaat en de stagemeester of de verantwoordelijke instelling, met vermelding van alle modaliteiten aangaande de opleiding, waaronder de dienstroosters van de kandidaat, het volume van de huisartsenwachtdiensten die de kandidaat moet uitvoeren, en desgevallend de voorziene specifieke medische handelingen, met nauwkeurige vermelding van de duur van de overeenkomst.]2
  ----------
  (1)<KB 2009-07-17/08, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 31-07-2009>
  (2)<KB 2009-07-17/08, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 31-07-2009>
  (3)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 12_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 13. § 1. De kamer spreekt zich uit over de aanvraag tot goedkeuring van het stageplan of van enige andere vraag in verband met de stage, binnen zestig dagen na de datum waarop de zaak bij haar aanhangig werd gemaakt.
  § 2. (De Kamer doet uitspraak op stukken. Indien haar advies afwijkt van het door de kandidaat ingediende plan, wordt het in beraad gehouden.
  In dat geval wordt de kandidaat, behoudens in geval van spoed, ten minste vijftien dagen vóór de vergadering waarop zijn dossier wordt onderzocht, bij een aangetekende brief tegen afgiftebewijs, opgeroepen om voor de kamer te verschijnen ten einde alle nuttige toelichtingen te verstrekken. Hij mag zich laten bijstaan door één of meer raadslieden; indien de kandidaat, behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, kan de kamer uitspraak doen op stukken, behalve bij gewettigde afwezigheid.) <KB 1985-03-13/30, art. 1, 003>
  § 3. Het dossier wordt op het secretariaat ter beschikking gehouden van de aanvrager of zijn raadsman; het kan er gedurende vijftien dagen vóór de zitting ter plaatse worden geraadpleegd.

  Art. 13_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 14. <KB 1985-03-13/30, art. 2, 003> De met redenen omklede adviezen van de kamer worden aan de Minister medegedeelden en binnen 30 dagen ter kennis gebracht van de kandidaat.
  Indien het advies van de Kamer afwijkt van het ingediende stageplan, dan geschiedt de mededeling aan de kandidaat bij aangetekend schrijven tegen afgiftebewijs.

  Art. 14_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 15. § 1. Bij de aanvang van zijn stage wordt aan de kandidaat een stageboekje afgegeven, waarin hij al zijn werkzaamheden in het kader van zijn opleiding dient te vermelden. Het moet, na verloop van een jaar, aan de bevoegde kamer van de erkenningscommissie worden teruggegeven en door een nieuw vervangen.
  § 2. Daarenboven moet de kandidaat bij de bevoegde kamer van de erkenningscommissie jaarlijks verslag uitbrengen nopens het verloop van zijn opleiding.

  Art. 15_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 16. De kandidaat moet elke wijziging aan zijn stageplan vooruit ter goedkeuring meedelen aan de Minister; alvorens een beslissing te nemen vraagt de Minister hierover het advies van de bevoegde Kamer van de erkenningscommissie.
  Noch de kandidaat noch de stagemeester mogen eenzijdig veranderingen aanbrengen of voortijdig een einde maken aan de overeenkomst tussen de twee partijen met betrekking tot de stage. In geval van een meningsverschil zijn de bepalingen van artikel 18 van dit besluit van toepassing.
  (Alle bepalingen die betrekking hebben op een nieuw stageplan zijn eveneens van toepassing op een wijziging van een stageplan.) <KB 1985-03-13/30, art. 3, 003>

  Art. 16_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 17. Een onderbreking van de stage mag in geen geval de totale duur van de opleiding verkorten. Wanneer de kandidaat gedurende minstens drie maanden, zijn opleiding heeft moeten onderbreken, dient hij onmiddellijk de bevoegde kamer van de erkenningscommissie daarvan in kennis te stellen met opgave van de redenen van onderbreking. De kandidaat zal aan de bevoegde kamer voorstellen doen met het oog op een aanvullende stageperiode.
  De kamer deelt binnen de dertig dagen haar advies over dit voorstel mede aan de kandidaat en zijn stagemeester, en zendt het voorstel, met haar advies, ter goedkeuring naar de Minister.

  Art. 17_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 18.In geval van een meningsverschil tussen een stagemeester en een kandidaat kan elk van beiden het geschil aanhangig maken bij de bevoegde kamer van de erkenningscommissie.
  De kamer hoort de beide partijen.
  Indien het geschil aanhoudt belast de kamer een commissie, bestaande uit één of meerderen van haar leden en een [1 arts-ambtenaar]1 van het Ministerie van Volksgezondheid met een onderzoek ter plaatse.
  Na inzage van het verslag opgesteld door de onderzoekscommissie adviseert de kamer. Zij deelt binnen dertig dagen haar advies mede aan de stagemeester en aan de kandidaat en stuurt het ter goedkeuring naar de Minister.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 18_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 19.Wanneer de stagemeester oordeelt dat de kandidaat niet geschikt is voor de gekozen discipline, of ongewenst is geworden in zijn dienst, deelt hij zulks mede aan de bevoegde kamer van de erkenningscommissie en aan de kandidaat, met opgave van de redenen waarop hij zijn oordeel steunt.
  De kamer hoort de beide partijen.
  Indien de stagemeester bij zijn mening blijft, gelast de kamer een commissie, samengesteld uit één of meerderen van haar leden en een [1 arts-ambtenaar]1 van het Ministerie van Volksgezondheid met een onderzoek ter plaatse.
  Na inzage van het verslag opgesteld door de onderzoekscommissie, adviseert de kamer ofwel een einde te maken aan de stage of het gedeelte van de stage, ofwel op voorstel van de kandidaat, een andere stagemeester aan te stellen; in dit laatste geval bepaalt zij in hoeverre de bij de eerste stagemeester gedane stage in aanmerking komt voor de berekening van de totale duur van de stage die voor de discipline vereist wordt.
  Indien de tweede stagemeester eveneens een ongunstig advies uitbrengt, mag de kamer advizeren de kandidaat niet toe te laten zijn opleiding in de discipline in kwestie verder te zetten.
  De bepalingen van artikel 13 zijn in dit geval toepasselijk.
  De kamer deelt binnen dertig dagen haar advies mede aan de kandidaat en zijn stagemeester, en stuurt het ter goedkeuring over naar de Minister.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 19_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 20. <KB 1985-03-13/30, art. 4, 003> Indien binnen de termijn bepaald in artikel 30 geen beroep wordt aangetekend tegen de adviezen van de erkenningscommissies met betrekking tot het stageplan en de opleiding, neemt de Minister een beslissing.
  Indien de erkenningscommissies geen advies hebben gegeven binnen de gestelde termijnen kan de Minister een beslissing nemen zonder dat advies.
  De beslissing van de Minister wordt meegedeeld aan de kandidaat. Indien die beslissing afwijkt van het door de kandidaat ingediende plan dan geschiedt de mededeling bij aangetekend schrijven tegen afgiftebewijs.

  Art. 20_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Afdeling II. - De erkenning.

  Art. 21.De aanvraag om erkenning als [1 arts-specialist]1 of als huisarts wordt, na het beëindigen van de stage bij een aangetekende brief, bij de Minister ingediend door de belanghebbende door middel van een formulier dat door het bestuur wordt bezorgd en waarvan het model door de Minister wordt bepaald.
  De aanvraag is vergezeld van :
  1° de attesten van de stagemeesters;
  2° het laatste stageboekje, alsmede elk ander document dat de kamer in staat stelt over de waarde van de kandidaat te oordelen;
  3° een attest niet ouder dan drie maanden waaruit blijkt dat de kandidaat ingeschreven is op de lijst van de [1 Orde der artsen]1.
  De Minister kan de betrokkene verzoeken hem de bescheiden te laten geworden die voor het onderzoek van de aanvraag vereist zijn.
  De Minister zendt het aanvraagdossier voor advies door naar de bevoegde kamer van de erkenningscommissie.
  (4° van een attest dat aantoont dat de kandidaat met vrucht een specifieke universitaire opleiding heeft gevolgd; voor de kandidaat-specialisten moet deze opleiding gelijktijdig hebben plaatsgevonden met de eerste twee jaar van hun opleiding.) <KB 1999-03-16/56, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 1999-07-04>
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 21_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 22. § 1. De bevoegde kamer van de erkenningscommissie vergelijkt de verstrekte gegevens met die welke tijdens de opleiding opgetekend werden; bij gemis van overeenstemming, stelt zij de uitspraak van het advies uit en verzoekt zij de kandidaat de nodige toelichting te verstrekken.
  § 2. De bevoegde kamer van de erkenningscommissie kan ook advizeren, dat om te voldoen aan de erkenningscriteria, de opleiding nog gedurende een bepaalde tijd dient voortgezet te worden.

  Art. 22_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 23. De bevoegde kamer van de erkenningscommissie spreekt zich uit, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van dit besluit, mutatis mutandis.
  In de gevallen bedoeld in artikel 22, § 1, wordt het advies gegeven binnen zestig dagen vanaf de dag waarop de kandidaat de nodige toelichting heeft verstrekt.

  Art. 23_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 24. <KB 1985-03-13/30, art. 5, 003> De met redenen omklede adviezen van de kamer worden aan de Minister medegedeeld en binnen 30 dagen ter kennis gebracht van de kandidaat.
  ndien het advies van de Kamer afwijkt van het ingediend stageplan, dan geschiedt de mededeling aan de kandidaat bij aangetekend schrijven tegen afgiftebewijs.

  Art. 24_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 25.§ 1. Wanneer de [1 arts-specialist]1 (...) niet meer voldoet aan de erkenningscriteria kan de Minister hetzij op eigen initiatief hetzij op initiatief van de bevoegde kamer van de erkenningscommissie, de erkenning intrekken. <KB 2008-02-10/70, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-04-2008>
  De Minister kan enkel op eigen initiatief handelen, nadat hij zijn voornemen aan de betrokkene kenbaar heeft gemaakt en hij het advies van de bevoegde kamer van de erkenningscommissie heeft ingewonnen.
  De bepalingen van artikel 13 zijn mutatis mutandis in deze gevallen toepasselijk.
  § 2. Het met redenen omklede advies van de bevoegde kamer van de erkenningscommissie wordt aan de Minister medegedeeld en ter kennis gebracht van de betrokkene binnen dertig dagen bij een aangetekend schrijven tegen afgiftebewijs.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 25_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 25bis. <Ingevoegd bij KB 2008-02-10/70, art. 3; Inwerkingtreding : 07-04-2008> § 1. De bevoegde kamer van de erkenningscommissie voor de huisartsen controleert de naleving van de criteria voor het behoud van de erkenning en de beroepstitel van huisarts die betrekking hebben op het bijhouden van het medisch dossier van de patiënten, de deelname aan de huisartsenwachtdiensten, de activiteitsdrempel of de permanente vorming van de huisarts die zijn vastgesteld door de Minister, overeenkomstig artikel 35sexies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, ingevoegd bij de wet van 19 december 1990.
  § 2. De huisarts die gedurende één jaar niet voldoet aan de criteria voor het behoud van de erkenning die handelen over het bijhouden van het medisch dossier van de patiënten, de deelname aan de huisartsenwachtdiensten, de activiteitsdrempel of de permanente vorming van de huisarts, wordt hiervan op de hoogte gebracht door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.
  § 3. De huisarts die niet voldoet aan het criterium voor het behoud van de erkenning dat handelt over de activiteitsdrempel of die gedurende vijf opeenvolgende jaren niet voldoet aan de criteria voor het behoud van de erkenning die handelen over het bijhouden van het medisch dossier van de patiënten, de deelname aan de huisartsenwachtdiensten of de permanente vorming van de huisarts, wordt opgeroepen om zich te verantwoorden voor de bevoegde kamer van de erkenningscommissie voor huisartsen.
  Daartoe wordt de betrokken huisarts uitgenodigd, behoudens in geval van hoogdringendheid, ten minste vijftien dagen voor de vergadering waarop zijn dossier zal worden onderzocht, bij een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, om te verschijnen voor de kamer teneinde alle nuttige informaties te geven. Hij mag zich laten bijstaan door één of meer raadsleden. Indien de belanghebbende huisarts, behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt,dan wordt er uitspraak gedaan op stukken, behalve bij gewettigde afwezigheid. Het dossier wordt op het secretariaat ter beschikking gehouden van de betrokken huisarts of zijn raadsman; het kan daar ingekeken worden, zonder verplaatsing ervan, gedurende de vijftien dagen die aan de zitting voorafgaan. Het met redenen omklede advies van de kamer wordt aan de Minister medegedeeld en binnen de dertig dagen ter kennis gebracht van de betrokken huisarts bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.
  De huisarts die geen afdoende verantwoording aflegt voor de bevoegde kamer van de erkenningscommissie voor huisartsen, moet zich binnen een termijn van twee jaar voegen naar de criteria voor het behoud van de erkenning.
  § 4. Indien de betrokken huisarts, binnen de hem toegestane termijn, niet voldoet aan de criteria voor het behoud van de erkenning, kan de Minister, op voorstel van de bevoegde kamer van de erkenningscommissie, zijn erkenning intrekken.
  Na de betrokken huisarts gehoord te hebben overeenkomstig de procedure voorzien in § 3, tweede lid, spreekt de bevoegde kamer van de erkenningscommissie voor huisartsen zich uit. Het met redenen omklede voorstel van de kamer wordt aan de Minister medegedeeld en binnen dertig dagen aan de betrokken huisarts kenbaar gemaakt per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging.

  Art. 25bis_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 26.(§ 1.) <KB 2008-02-10/70, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 07-04-2008> De [1 arts]1 die niet langer wenst de erkenning te genieten die hem overeenkomstig dit besluit is verleend, moet hiervan de Minister schriftelijk op de hoogte brengen. In dat geval trekt de Minister de erkenning in.
  (§ 2. Een huisarts kan vragen aan de Minister, die dit verzoek voor advies voorlegt aan de bevoegde kamer van de erkenningscommissie voor huisartsen, om zijn erkenning gedurende een periode van maximum vijf jaar op te schorten. Dit verzoek kan eenmalig worden verlengd.
  De Minister kan zijn goedkeuring verlenen voor een langere opschortingstermijn, die evenwel niet meer dan tien jaar mag bedragen, wanneer de arts gedurende die periode een medische of sociaalpreventieve activiteit uitoefent in het kader van een samenwerkingsprogramma met een derdewereldland of onderzoeksactiviteit op medisch vlak uitvoert bij een universitaire of gelijkwaardige instelling.
  Artikel 13 is van toepassing op het advies van de bevoegde kamer van de erkenningscommissie.
  Het met redenen omklede advies van de kamer wordt aan de Minister medegedeeld en binnen dertig dagen aan de betrokken arts kenbaar gemaakt per aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging.
  § 3. De huisarts waarvan de erkenning opgeschort wordt overeenkomstig § 2, lid 1 en 2, en die voor het einde van de toegekende opschortingstermijn geen schriftelijke aanvraag om zijn erkenning weer in werking te stellen indiende bij de Minister, kan zijn erkenning zien ingetrokken worden door de Minister op voorstel van de bevoegde kamer van de erkenningscommissie.
  De bevoegde kamer van de erkenningscommissie voor huisartsen spreekt zich uit na de betrokken huisarts gehoord te hebben overeenkomstig de procedure voorzien in art. 25bis, § 3, tweede lid. Het met redenen omklede voorstel van de kamer wordt medegedeeld aan de Minister en binnen de dertig dagen ter kennis gebracht van de betrokken huisarts bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.) <KB 2008-02-10/70, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 07-04-2008>
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 26_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 27.De [1 arts]1 (specialist) wiens erkenning werd ingetrokken in toepassing van de artikels 25 of 26 van dit besluit, kan te allen tijde aan de Minister een nieuwe erkenning aanvragen. <KB 2008-02-10/70, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 07-04-2008>
  De erkenningsprocedure verloopt volgens de bepalingen van de artikels 21, 22, 23 en 24 van dit besluit.
  De bevoegde kamer van de erkenningscommissie kan in de gevallen waar zij het gerechtvaardigd acht aan de Minister voorstellen de erkenning te verlenen met afwijking van de bepalingen van de artikels 21 en 22.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 27_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 27bis. <Ingevoegd bij KB 2008-02-10/70, art. 6; Inwerkingtreding : 07-04-2008> § l. De huisarts wiens erkenning werd opgeschort in toepassing van artikel 26, § 2, lid 1 of 2, en die daartoe voor het einde van de toegekende opschortingstermijn een schriftelijke aanvraag indient bij de Minister, ziet zijn erkenning opnieuw in werking gesteld onder de voorwaarden door de Minister vastgelegd overeenkomstig artikel 35sexies van voornoemd koninklijk besluit nr. 78.
  § 2. De huisarts wiens erkenning werd ingetrokken overeenkomstig artikel 25bis of 26, § 3, of die er afstand van heeft gedaan overeenkomstig artikel 26, § 1, en die bij de Minister een schriftelijke aanvraag indient om zijn erkenning terug toegekend te krijgen, verkrijgt deze overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de Minister overeenkomstig artikel 35sexies van voornoemd koninklijk besluit nr. 78.
  § 3. De Minister legt de aanvragen bedoeld in §§ 1 en 2, ter advies voor aan de bevoegde kamer van de erkenningscommissie voor huisartsen.
  Artikel 13 is van toepassing op het advies van de bevoegde kamer van de erkenningscommissie.
  De met redenen omklede adviezen worden medegedeeld aan de Minister en binnen de dertig dagen ter kennis gebracht aan de belanghebbende huisarts, bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.

  Art. 27bis_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 28.<KB 1985-03-13/30, art. 6, 003> Indien binnen de termijn bepaald in artikel 30 geen beroep wordt aangetekend tegen de adviezen van de erkenningscommissies met betrekking tot de erkenning als [1 arts-specialist]1 of als huisarts, neemt de Minister een beslissing.
  Indien de erkenningscommissies geen advies hebben gegeven binnen de gestelde termijnen kan de Minister een beslissing nemen zonder dat advies.
  De beslissing van de Minister wordt meegedeeld aan de kandidaat. Indien die beslissing afwijkt van het door de kandidaat ingediende plan dan geschiedt de mededeling bij aangetekend schrijven tegen afgiftebewijs.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 28_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Afdeling III. _ De beroepsprocedure.

  Art. 29. Wanneer de Minister oordeelt (een advies) van de kamer van de erkenningscommissie niet te kunnen volgen, geeft hij de betrokkene daarvan kennis met opgave van de redenen en deelt hem mede dat hij alvorens een beslissing te treffen, het dossier voor advies voorlegt aan de bevoegde kamer van de Hoge Raad. <KB 1985-03-13/30, art. 7, 003>

  Art. 29_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 30.Tegen elk advies van de kamer van de erkenningscommissie, dat hem betreft, kan de [1 arts]1 beroep aantekenen.
  Om ontvankelijk te zijn moet het beroep met redenen omkleed zijn en binnen dertig dagen na de kennisgeving van het advies, bij een aangetekende brief aan de Minister toegezonden worden.
  De Minister legt het dossier voor advies voor aan de bevoegde kamer van de Hoge Raad.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 17, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 30_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 31.§ 1. In geval van beroep of in geval van toepassing van artikel 29, wordt de geneesheer door de bevoegde kamer van de Hoge Raad gehoord.
  De [1 arts]1 wordt, behoudens in geval van spoed, ten minste vijftien dagen voor de vergadering waarop zijn dossier wordt onderzocht, bij een aangetekende brief tegen afgiftebewijs opgeroepen.
  Hij verschijnt persoonlijk en mag zich laten bijstaan door één of meer raadslieden.
  Indien de geneesheer, behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, kan de kamer uitspraak doen op stukken, behalve bij gewettigde afwezigheid.
  § 2. Vanaf de dag van de oproeping wordt het dossier op het secretariaat ter beschikking gehouden van de [1 arts]1 of zijn raadsman, het kan er ter plaatse worden geraadpleegd.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 31_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 32.§ 1. Indien de kamer van de Hoge Raad zich moet uitspreken over het stageplan, over de opleiding of over de erkenning als [2 arts-specialist]2 dient tenminste een van haar leden, doctor in de genees-, heel- en verloskunde, erkend in de specialiteit in kwestie, de beraadslaging bij te wonen.
  Wanneer de kamer geen enkel lid telt, in deze specialiteit erkend, wijst de voorzitter een doctor in de genees-, heel- en verloskunde aan die in deze specialiteit wel is erkend om de beraadslaging bij te wonen met raadgevende stem.
  [1 Derde lid opgeheven.]1
  (Een lid van de erkenningscommissie die het advies heeft gegeven waartegen een beroepsprocedure werd ingediend, wordt gevraagd om het dossier toe te lichten. [1 ...]1. Hij mag noch de debatten noch de beraadslaging bijwonen.)<KB 2008-02-10/70, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 07-04-2008> <W 2008-12-10/37, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  § 2. De bevoegde kamer spreekt zich uit binnen zestig dagen na de datum waarop de zaak bij haar aanhangig werd gemaakt. Het advies moet met redenen omkleed zijn en de conclusies die door de verzoeker werden voorgelegd beantwoorden (, alsook de elementen die door de [2 arts]2-verslaggever bedoeld in § 1, vierde lid, zijn voorgesteld en de motivering van het advies of de betwiste beslissing). De kamer spreekt zich uit over de zaak in haar geheel (, zowel over de inhoud van het dossier als over de vorm en de gebruikte procedures). <W 2008-12-10/37, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/03, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 08-01-2010>
  (2)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 32_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 33. <KB 1985-03-13/30, art. 8, 003> De bevoegde kamer van de Hoge Raad deelt haar met redenen omklede advies mede aan de Minister. Indien de bevoegde kamer geen advies heeft gegeven binnen de gestelde termijnen, kan de Minister een beslissing nemen zonder dat advies. De beslissing van de Minister wordt ter kennis gebracht van de verzoeker bij een aangetekende brief tegen afgiftebewijs.

  Art. 33_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  HOOFDSTUK IV. - De erkenning van de stagemeesters en stagediensten.

  Art. 33bis. <KB 1985-08-12/51, art. 3, 004>
  § 1. Er moet een voldoende aantal stagemeesters en stagediensten erkend worden opdat ieder jaar veertig percent van het aantal afgestudeerde geneesheren een specialistische opleiding zouden kunnen aanvatten.
  § 2. Het aantal stagemeesters en stagediensten dient dermate gespreid te worden dat aan de wettelijk gediplomeerde geneesheren van de onderscheiden faculteiten van geneeskunde, evenredig met hun aantal, dezelfde kansen tot specialisatie worden geboden.
  § 3. De aanvraag tot erkenning als stagemeester en als stagedienst zoals bepaald in artikel 34 en artikel 35 zal de vermelding bevatten van de faculteit of eventueel de faculteiten van geneeskunde van dewelke afgestudeerden een opleiding tot specialist zullen ontvangen. Binnen de zes maanden na het verschijnen van onderhavig besluit dienen de reeds ingediende aanvragen tot erkenning als stagemeester en als stagedienst met de desbetreffende vermelding te worden aangevuld.
  § 4. <Het arrest nr. 31 361 van de Raad van State van 23 november 1988 heeft het artikel 3 van KB 12-08-1985 vernietigd in die mate dat het een artikel 33bis, § 4 inlast> Om aan de verplichting tot proportionele spreiding van de stagemeesters en de stagediensten te beantwoorden, kunnen afwijkingen toegestaan worden op de algemene en de bijzondere criteria voor de erkenning van stagemeesters en stagediensten.

  Art. 34. De aanvraag om erkenning als geneesheer-stagemeester wordt door de kandidaat-stagemeester bij een aangetekende brief ingediend bij de Minister, bij middel van een formulier dat door het bestuur wordt bezorgd en waarvan het model door de Minister wordt bepaald.
  De aanvraag bevat alle gegevens die de Hoge Raad en de Minister kunnen inlichten over de waarde van de kandidaat, zoals zijn titels, functies, publikaties, lezingen, bedrijvigheid in wetenschappelijke verenigingen en zijn actieve medewerking aan congressen.
  De aanvraag bevat eveneens de verbintenis van de kandidaat stagemeester er voor te zorgen dat de kandidaten voor wiens opleiding hij zal instaan een billijke vergoeding zullen ontvangen.

  Art. 34bis. (opgeheven) <KB 1985-08-12/51, art. 4, 004>

  Art. 35.De aanvraag om erkenning als stagedienst wordt door de verantwoordelijke [2 arts]2 van de betrokken dienst bij een aangetekende brief ingediend bij de Minister, bij middel van een formulier dat door het bestuur wordt bezorgd en waarvan het model door de Minister wordt bepaald. De aanvraag wordt medeondertekend door de beheerder van de inrichting. [1 Dit formulier kan evenwel ook elektronisch worden ingediend.]1
  Zij bevat alle elementen die de Hoge Raad en de Minister kunnen inlichten over de waarde van de dienst, zoals statistische en bibliografische gegevens en informatie over wetenschappelijke activiteit en titels.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>
  (2)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 36. De Minister stuurt de aanvraag om erkenning samen met het dossier voor advies naar de Hoge Raad. Deze kan één of meerdere van zijn leden gelasten een onderzoek te verrichten en hierover verslag uit te brengen. Dat onderzoek kan zo nodig ter plaatse gebeuren.

  Art. 37.(De Hoge Raad doet uitspraak op stukken. Is zijn advies niet gunstig dan wordt het in beraad gehouden. In dat geval wordt de kandidaat-stagemeester of de verantwoordelijke [1 arts]1 van de te erkennen stagedienst in kennis gesteld van de dag en het uur van de vergadering van de Hoge Raad, waarop zijn dossier wordt onderzocht. Dit bericht wordt gegeven, behoudens in geval van spoed, ten minste vijftien dagen vóór de vergadering, bij een aangetekende brief tegen afgiftebewijs.) <KB 1985-03-13/30, art. 9, 003>
  De betrokkene mag vragen persoonlijk gehoord te worden door de Hoge Raad ten einde alle nuttige inlichtingen te kunnen verstrekken. Hij mag zich laten bijstaan door één of meer raadslieden. Het dossier wordt neergelegd op het secretariaat, waar het ter plaatse kan worden geraadpleegd gedurende vijftien dagen vóór de vergadering.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 38. § 1. Binnen zestig dagen na ontvangst van het dossier stuurt de Hoge Raad zijn met redenen omklede advies naar de Minister en naar de belanghebbende.
  § 2. De belanghebbende kan, binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het advies, aan de Minister een nota laten geworden met zijn met redenen omklede opmerkingen.
  Indien de belanghebbende binnen die termijn aan de Minister een nota laat geworden met zijn met redenen omklede opmerkingen, zendt de Minister deze nota voor advies naar de Hoge Raad.
  De Hoge Raad spreekt zich uit binnen dertig dagen na ontvangst van deze nota, volgens de procedurevoorschriften van artikel 37.
  Zijn met redenen omkleed advies over deze nota wordt medegedeeld aan de belanghebbende en aan de Minister.
  Na ontvangst van dit advies neemt de Minister een beslissing.
  (Indien de Hoge Raad geen advies heeft gegeven binnen de gestelde termijnen, kan de Minister een beslissing nemen zonder dat advies.) <KB 1985-03-13/30, art. 10, 003>
  § 3. In de beslissing van de Minister wordt de juist draagwijdte van de erkenning vermeld.
  Een afschrift van de beslissing wordt aan de belanghebbende per aangetekende brief tegen afgiftebewijs overgezonden.

  Art. 39.<KB 1999-03-16/56, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 1999-07-04> § 1. De erkenning als stagemeester of als stagedienst voor de opleiding van [2 artsen-specialisten]2 wordt verleend voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
  § 2. De erkenning als stagemeester of als stagedienst voor de opleiding van huisartsen wordt de eerste maal verleend voor [1 een termijn van drie jaar]1.
  De erkenning kan daarna verlengd worden voor een periode van vijf jaar indien de stagemeester tijdens [1 die eerste drie jaar]1 ten minste één kandidaat-huisarts heeft opgeleid en/of gedurende één jaar seminaries voor huisartsen heeft geleid.
  Verdere verlengingen van vijf jaar zijn mogelijk indien de stagemeester in de voorgaande periode van vijf jaar ten minste één kandidaat-huisarts voor een periode van zes maand heeft opgeleid en/of gedurende één jaar seminaries voor huisartsen heeft geleid.
  § 3. De aanvraag tot hernieuwing moet zes maanden vóór het verstrijken van de termijn worden ingediend.
  De procedurevoorschriften van de artikelen 34, 35, 36, 37 en 38 gelden ook voor de aanvraag tot hernieuwing.
  Indien bij het verstrijken van de termijn geen beslissing is getroffen, blijft de erkenning gelden tot de Minister over de aanvraag om hernieuwing heeft beslist.
  ----------
  (1)<KB 2015-07-17/60, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 10-09-2015>
  (2)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 39bis. [1 Indien de stagemeester voor de opleiding van arts-specialisten gedurende een periode zoals bedoeld in artikel 39 waarvoor hij over een erkenning als stagemeester voor de opleiding van arts-specialisten beschikt na toepassing van de artikelen 34 tot en met 38, de vorming van meer kandidaat-specialisten dan het aantal vastgesteld in zijn erkenningsbesluit op zich wenst te nemen, meldt hij dat met een aangetekend schrijven aan de Minister. Hij vermeldt daarbij het maximum aantal kandidaat-specialisten dat hij per stagejaar wenst te vormen, voor de resterende termijn van de bovenvermelde erkende periode. Hij motiveert op welke wijze hij de kwaliteit van de opleiding kan blijven garanderen door verwijzing te maken naar de activiteit en, in voorkomend geval, de bestaffing van de dienst. De aanvraag moet worden ingediend uiterlijk op 30 april 2018.
   De Minister stuurt de in het eerste lid bedoelde melding voor advies naar de Hoge Raad.
   De procedurevoorschriften van de artikelen 37 en 38 gelden voor de behandeling van bedoelde melding met dien verstande dat de beslissing van de Minister enkel bestaat uit het al dan niet aanpassen van het erkenningsbesluit van de betrokken stagemeester voor wat het maximum aantal kandidaat-specialisten per stagejaar betreft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2018-02-01/17, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 24-02-2018>
  

  Art. 40. § 1. Wanneer de stagemeester of de stagedienst niet langer aan de vastgestelde criteria voldoet, of wanneer de stagemeester maatregelen of sancties van strafrechterlijke, disciplinaire of administratieve aard heeft opgelopen, kan de Minister hetzij op eigen initiatief, hetzij op initiatief van de Hoge Raad, de erkenning intrekken. De Minister kan enkel op eigen initiatief handelen, nadat hij zijn voornemen aan de betrokkene kenbaar heeft gemaakt en hij het advies van de Hoge Raad heeft ingewonnen.
  § 2. In de gevallen bedoeld in § 1 moet de in de artikelen 37 en 38 vastgestelde procedure worden gevolgd.

  Art. 41.§ 1. De stagemeester die de, overeenkomstig dit besluit, verleende erkenning niet langer wenst te genieten, moet hiervan de Minister schriftelijk op de hoogte brengen.
  In dat geval trekt de Minister de erkenning in.
  § 2. De Minister trekt de erkenning in van een stagedienst, indien de verantwoordelijke [1 arts]1 van deze dienst, bij middel van een brief, medeondertekend door de beheerder van de inrichting, aan de Minister meedeelt dat hij wenst af te zien van verdere erkenning van deze dienst als stagedienst.
  ----------
  (1)<KB 2016-02-29/04, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 26-03-2016>

  Art. 42. § 1. In geval van overlijden van de stagemeester, wanneer de stagemeester niet langer de verleende erkenning geniet of wanneer hij zijn ambt van stagemeester niet kan vervullen en niet wordt verwacht dat hij het binnen een termijn van drie maanden terug zal kunnen uitoefenen, wordt een verantwoordelijke voor de opleiding voorlopig erkend door de Hoge Raad, ten einde de betrokken kandidaten toe te laten hun opleiding voort te zetten.
  Die erkenning kan verleend worden met afwijking van de erkenningscriteria en van de bepalingen van dit hoofdstuk.
  Zij loopt ten einde, naar gelang van het geval, op het ogenblik dat de stagemeester wordt vervangen of dat de stagemeester zijn ambt opnieuw waarneemt.
  § 2. Wanneer een stagedienst niet langer de verleende erkenning geniet, worden een opleidingsdienst en, eventueel, een verantwoordelijke voor de opleiding voorlopig erkend door de Hoge Raad ten einde het de betrokken kandidaten mogelijk te maken hun opleiding voort te zetten.
  Die erkenningen kunnen worden verleend met afwijking van de erkenningscriteria en van de bepalingen van dit hoofdstuk.
  Zij lopen ten einde op het ogenblik dat de Minister een beslissing neemt over de door de betrokken kandidaten voorgestelde verdere opleiding in erkende stagediensten.

  Art. 43. De lijst van de erkende stagemeesters en stagediensten wordt bijgehouden door het bestuur en op verzoek aan de belanghebbenden medegedeeld.

  HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.

  Art. 44. Het koninklijk besluit van 29 juni 1978 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en huisartsen, wordt opgeheven.

  Art. 44_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 45.§ 1. De leden van de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en huisartsen en de leden van de erkenningscommissies die ter uitvoering van vroegere besluiten zijn benoemd blijven in dienst tot in hun vervanging is voorzien.
  § 2. De geneesheren en diensten die reeds kandidaten hebben opgeleid overeenkomstig een goedgekeurd stageplan, kunnen kandidaten, wier stageplan werd goedgekeurd, blijven opleiden, tot de Minister over hun aanvraag om erkenning als stagemeester of stagedienst een beslissing heeft genomen, op voorwaarde dat zij een aanvraag tot erkenning indienen of ingediend hebben binnen het jaar volgend op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de bijzondere criteria betreffende hun discipline.
  § 3. [1 In afwijking van de bepalingen van artikel 7, §§ 2 en 3, kan de Minister, voor de erkenningscommissie bevoegd voor een nieuw bepaalde bijzondere beroepstitel of bij een met bijzondere redenen omklede beslissing, één of meerdere leden van een erkenningscommissie benoemen die niet erkend zijn in de bijzondere beroepstitel in kwestie maar van wie algemeen bekend is dat zij bevoegd zijn in deze discipline. Het mandaat van deze leden vervalt een jaar na hun benoeming, behalve indien zij inmiddels in deze bijzondere beroepstitel erkend zijn.]1
  § 4. [2 ...]2
  ----------
  (1)<KB 2011-06-28/16, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>
  (2)<KB 2011-06-28/16, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 12-02-2012>

  Art. 45_FRANSE_GEMEENSCHAP.
  <Opgeheven bij BFG 2017-11-29/21, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 29-01-2018>

  Art. 46. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   ...

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, inzonderheid op artikel 24, gewijzigd bij de wetten van 24 december 1963, 8 april 1965 en 8 augustus 1980 en bij het koninklijk besluit nr. 58 van 22 juli 1982, op artikel 24bis, ingevoegd bij de wet van 7 juli 1966 en gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, en op artikel 153, § 4, ingevoegd bij de wet van 8 april 1965;
   Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 1973, tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, inzonderheid op artikel 2, F, eerste lid, 2°, van de bijlage bij dat besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 september 1976 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1977;
   Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut, van sociale zekerheid en sociale voorzorg;
   .....
   Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken,
Erratum Tekst Begin

originele versie
1984013203
PUBLICATIE :
1984-07-06
bladzijde : 9876

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 25-04-2019 GEPUBL. OP 12-06-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 4bis; 7; 8; 9-31; 32; 33; 44; 45)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-02-2018 GEPUBL. OP 14-02-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 39bis)
  • originele versie
  • BESLUIT FRANSE GEMEENSCHAP VAN 29-11-2017 GEPUBL. OP 29-01-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 4bis; 7; 8; 9; 9bis; 10-33; 44; 45)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 15-07-2016 GEPUBL. OP 19-08-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 1-33; 44-46)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-02-2016 GEPUBL. OP 16-03-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : NL.OPSCHRIFT; 5; 6; 35; 1; 2; 6; 8; 18; 19; 21; 25; 26; 27; 28; 30; 31; 32; 32; 35; 37; 39; 41; 6; 12; 21; 9bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-02-2016 GEPUBL. OP 16-03-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 6) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-07-2015 GEPUBL. OP 31-08-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 39)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-04-2014 GEPUBL. OP 27-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 7)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-10-2013 GEPUBL. OP 12-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 4; 4bis; 7; 8)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-06-2011 GEPUBL. OP 02-02-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 4bis; 4ter; 7; 8; 45)
  • originele versie
  • WET VAN 23-12-2009 GEPUBL. OP 29-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 32)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-07-2009 GEPUBL. OP 31-07-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 4bis; 8bis; 12)
  • originele versie
  • WET VAN 10-12-2008 GEPUBL. OP 09-01-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 7; 32)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-02-2008 GEPUBL. OP 28-03-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : F45; 25; 25BIS; 26; 27; 27BIS; 32)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-05-1999 GEPUBL. OP 21-08-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 9BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-03-1999 GEPUBL. OP 24-06-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 10; 21; 39)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-1986 GEPUBL. OP 19-07-1986
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-08-1985 GEPUBL. OP 30-08-1985
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-03-1985 GEPUBL. OP 19-03-1985
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-08-1984 GEPUBL. OP 07-09-1984

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 84 uitvoeringbesluiten 17 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie