J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
10 DECEMBER 1982. - Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de Zee (Vertaling).

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL.INTERNATIONALE SAMENWERKING
Publicatie : 16-09-1999 nummer :   1999A15103 bladzijde : 34486   BEELD
Dossiernummer : 1982-12-10/31
Inwerkingtreding : 13-12-1998

Inhoudstafel Tekst Begin
DEEL I. - Inleiding.
Art. 1
DEEL II. - Territoriale zee en aansluitende zone.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 2
Afdeling 2. - Begrenzing van de territoriale zee.
Art. 3-16
Afdeling 3. - Onschuldige doorvaart in de territoriale zee.
Onderafdeling A. - Regels die van toepassing zijn op alle schepen.
Art. 17-26
Onderafdeling B. - Regels die van toepassing zijn op koopvaardijschepen en op staatsschepen die voor commerciŽle doeleinden worden gebruikt.
Art. 27-28
Onderafdeling C. - Regels die van toepassing zijn op oorlogsschepen en op andere staatsschepen die worden gebruikt voor andere dan commerciŽle doeleinden.
Art. 29-32
Afdeling 4. - De aansluitende zone.
Art. 33
DEEL III. - Zeestraten gebruikt voor de internationale scheepvaart.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 34-36
Afdeling 2. - Doortocht.
Art. 37-44
Afdeling 3. - Onschuldige doorvaart.
Art. 45
DEEL IV. - Archipelstaten.
Art. 46-54
DEEL V. - Exclusieve economische zone.
Art. 55-75
DEEL VI. - Continentaal plat.
Art. 76-85
DEEL VII. - Volle zee.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 86-115
Afdeling 2. - Behoud en beheer van de levende rijkdommen van de volle zee.
Art. 116-120
DEEL VIII. - Regeling voor eilanden.
Art. 121
DEEL IX. - Ingesloten of half-ingesloten zeeŽn.
Art. 122-123
DEEL X. - Recht van toegang van Staten zonder zeekust tot en van het verlaten van de zee; vrijheid van doortocht.
Art. 124-132
DEEL XI. - Het gebied.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 133-135
Afdeling 2. - Op het gebied toepasselijke beginselen.
Art. 136-149
Afdeling 3. - Ontginning van de rijkdommen van het gebied.
Art. 150-155
Afdeling 4. - De Autoriteit.
Onderafdeling A. - Algemene bepalingen.
Art. 156-158
Onderafdeling B. - De vergadering.
Art. 159-160
Onderafdeling C. - De Raad.
Art. 161-165
Onderafdeling D. - Het Secretariaat.
Art. 166-169
Onderafdeling E. - De Onderneming.
Art. 170
Onderafdeling F. - FinanciŽle regelingen van de autoriteit.
Art. 171-175
Onderafdeling G. - Juridische status, voorrechten en immuniteiten.
Art. 176-183
Onderafdeling H. - Schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van leden.
Art. 184-185
Afdeling 5. - Regeling van geschillen en adviezen.
Art. 186-191
DEEL XII. - Bescherming en behoud van het mariene milieu.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 192-196
Afdeling 2. - Mondiale en regionale samenwerking.
Art. 197-201
Afdeling 3. - Technische hulp.
Art. 202-203
Afdeling 4. - Controlemetingen en ecologische evaluatie.
Art. 204-206
Afdeling 5. - Internationale regels en nationale wetgeving ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.
Art. 207-212
Afdeling 6. - Handhaving van bepalingen.
Art. 213-222
Afdeling 7. - Waarborgen.
Art. 223-233
Afdeling 8. - Met ijs bedekte gebieden.
Art. 234
Afdeling 9. - Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
Art. 235
Afdeling 10. - Soevereine immuniteit.
Art. 236
Afdeling 11. - Verplichting krachtens andere Verdragen inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
Art. 237
DEEL XIII. - Wetenschappelijk zeeonderzoek.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 238-241
Afdeling 2. - Internationale samenwerking.
Art. 242-244
Afdeling 3. - Het verrichten en bevorderen van wetenschappelijk zeeonderzoek.
Art. 245-257
Afdeling 4. - Installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek in het mariene milieu.
Art. 258-262
Afdeling 5. - Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
Art. 263
Afdeling 6. - Regeling van geschillen en voorlopige maatregelen.
Art. 264-265
DEEL XIV. - Ontwikkeling en overdracht van mariene technologie.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 266-269
Afdeling 2. - Internationale samenwerking.
Art. 270-274
Afdeling 3. - Nationale en regionale centra voor mariene wetenschap en technologie.
Art. 275-277
Afdeling 4. - Samenwerking tussen internationale organisaties.
Art. 278
DEEL XV. - Regeling van geschillen.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 279-285
Afdeling 2. - Verplichte procedures leidende tot bindende beslissingen.
Art. 286-296
Afdeling 3. - Berperkingen en excepties op de toepasselijkheid van afdeling 2.
Art. 297-299
DEEL XVI. - Algemene bepalingen.
Art. 300-304
DEEL XVII. - Slotbepalingen.
Art. 305-320
Bijlagen.
Art. N1, N2

Tekst Inhoudstafel Begin
DEEL I. - Inleiding.

  Artikel 1. Gebezigde uitdrukkingen en reikwijdte.
  1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent :
  (1) " Gebied " : de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht;
  (2) " Autoriteit " : de Internationale Zeebodemautoriteit;
  (3) " werkzaamheden in het Gebied " : alle werkzaamheden in verband met de exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied;
  (4) " verontreiniging van het mariene milieu " : de rechtstreekse of niet rechtstreekse inbrenging door de mens van stoffen of energie in het mariene milieu, met inbegrip van de riviermonden, die schadelijke gevolgen heeft of naar alle waarschijnlijkheid zal hebben zoals schade aan de levende rijkdommen en de mariene flora en fauna, gevaar voor de gezondheid van de mens, belemmering van de activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere rechtmatige soorten gebruik van de zee, aantasting van de kwaliteit van het zeewater in verband met het gebruik ervan en vermindering van de recreatieve waarde van dit milieu;
  (5) a) " storten " :
  (i) het zich opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen vanuit schepen of luchtvaartuigen, of vanaf platforms of andere bouwwerken in zee;
  (ii) het tot zinken brengen van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee;
  b) onder " storten " wordt niet begrepen :
  (i) het zich ontdoen van afval of andere stoffen behorende bij of afkomstig van de normale exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee en van hun uitrusting, waaronder niet begrepen zijn afval en andere stoffen die worden vervoerd door of overgeladen op schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee, gebruikt om zich van deze stoffen te ontdoen, of stoffen die afkomstig zijn van de verwerking van dergelijk afval of andere stoffen aan boord van deze schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken.
  (ii) het deponeren van stoffen met een andere oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen mits zulks niet strijdig is met het doel van dit Verdrag.
  2. (1) " Staten die Partij zijn " betekent Staten die ermede hebben ingestemd door dit Verdrag gebonden te zijn en voor wie dit Verdrag in werking is getreden.
  (2) Dit Verdrag is mutatis mutandis van toepassing op de lichamen genoemd in artikel 305, eerste lid, letters b), c), d), e) en f), die bij dit Verdrag Partij worden in overeenstemming met de voorwaarden die op ieder daarvan toepasselijk zijn, en in zoverre verwijst " Partijen " naar deze lichamen.

  DEEL II. - Territoriale zee en aansluitende zone.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 2. Juridische status van de territoriale zee, van het luchtruim boven de territoriale zee en van de bodem en ondergrond van die zee.
  1. De soevereiniteit van een kuststaat strekt zich buiten zijn landgebied en zijn binnenwateren en, in het geval van een archipelstaat, zijn archipelwateren, uit over een aangrenzende zeestrook, omschreven als de territoriale zee.
  2. Deze soevereiniteit strekt zich uit over het luchtruim boven de territoriale zee en over de bodem en ondergrond van die zee.
  3. De soevereiniteit over de territoriale zee wordt uitgeoefend met inachtneming van dit Verdrag en van andere regels van het internationale recht.

  Afdeling 2. - Begrenzing van de territoriale zee.

  Art. 3. Breedte van de territoriale zee.
  Iedere Staat heeft het recht de breedte van zijn territoriale zee vast te stellen tot een grens niet verder dan 12 zeemijl gemeten van de basislijnen bepaald overeenkomstig dit Verdrag.

  Art. 4. Buitengrens van de territoriale zee.
  De buitengrens van de territoriale zee wordt aangegeven door de lijn waarvan elk punt op een afstand gelijk aan de breedte van de territoriale zee is gelegen van het dichtstbijgelegen punt van de basislijn.

  Art. 5. Normale basislijn.
  Behalve wanneer in dit Verdrag anders bepaald, is de normale basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten de laagwaterlijn langs de kust, zoals die is aangegeven op officieel door de kuststaat erkende, op grote schaal uitgevoerde zeekaarten.

  Art. 6. Riffen.
  In het geval van op atollen gelegen eilanden of van eilanden omgeven met franjeriffen, is de basislijn voor het meten van de breedte van de territoriale zee de laagwaterlijn aan de zeezijde van het rif zoals aangegeven met het desbetreffende teken op officieel door de kuststaat erkende kaarten.

  Art. 7. Rechte basislijnen.
  1. Op plaatsen waar de kustlijn diepe uithollingen en insnijdingen vertoont, of indien er een eilandenreeks langs en in de onmiddellijke nabijheid van de kust ligt, kan de methode van rechte basislijnen die daarvoor in aanmerking komende punten verbinden, worden toegepast voor het vaststellen van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
  2. Waar wegens de aanwezigheid van een delta en andere natuurlijke omstandigheden de kustlijn aan voortdurende veranderingen onderhevig is, kunnen de passende punten worden gekozen langs de uiterste grens waar de laagwaterlijn reikt en, niettegenstaande de daaropvolgende terugtrekking van de laagwaterlijn, blijvend de rechte basislijnen van kracht totdat zij door de kuststaat worden gewijzigd overeenkomstig dit Verdrag.
  3. Aldus getrokken rechte basislijnen mogen niet aanmerkelijk afwijken van de algemene richting van de kust en de binnen die lijnen gelegen zeegebieden moeten voldoende nauw met het landgebied verbonden zijn om onderworpen te zijn aan het regime der binnenwateren.
  4. Er mogen geen rechte basislijnen worden getrokken van en naar bij eb droogvallende bodemverheffingen, tenzij er vuurtorens of soortgelijke installaties die duurzaam boven zee uitsteken op gebouwd zijn of behalve in gevallen waarin het trekken van basislijnen naar en van zulke verheffingen algemeen internationaal erkend is.
  5. In de gevallen waarin overeenkomstig het eerste lid de methode van de rechte basislijnen kan worden toegepast, kan bij het vaststellen van bepaalde basislijnen rekening worden gehouden met bijzondere economische belangen van de betrokken streek, waarvan het bestaan en het gewicht duidelijk uit langdurig gebruik blijken.
  6. De methode van rechte basislijnen mag niet door een Staat op zodanige wijze worden toegepast, dat daardoor de territoriale zee van een andere Staat zou worden afgesneden van de volle zee of een exclusieve economische zone.

  Art. 8. Binnenwateren.
  1. Behalve zoals bepaald in Deel IV maken wateren gelegen aan de landzijde van de basislijn van de territoriale zee deel uit van de binnenwateren van de Staat.
  2. Wanneer het vaststellen van een rechte basislijn overeenkomstig de methode vervat in artikel 7 tot gevolg heeft, dat wateren die vroeger niet als zodanig werden beschouwd, als binnenwateren worden ingesloten bestaat in die wateren het in dit Verdrag omschreven recht van onschuldige doorvaart.

  Art. 9. Riviermondingen.
  Indien een rivier rechtstreeks uitstroomt in de zee, is de basislijn een rechte lijn dwars over de riviermonding tussen punten op de laagwaterlijn van haar oevers.

  Art. 10. Baaien.
  1. Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op baaien waaraan een enkele Staat ligt.
  2. In dit Verdrag wordt onder een baai verstaan een duidelijke insnijding van de kust waarvan de diepte landinwaarts in een zodanige verhouding staat tot de breedte van de monding dat er een door land ingesloten watervlakte ontstaat, en die meer is dan een kromming van de kustlijn. Een insnijding wordt echter niet als een baai beschouwd indien de oppervlakte ervan niet even groot is als of groter dan de halve cirkel waarvan de middellijn wordt gevormd door de lijn die over de monding van de insnijding wordt getrokken.
  3. Voor het meten wordt als oppervlakte van een insnijding gerekend het gebied gelegen tussen de laagwaterlijn rond de kust van de insnijding en een lijn getrokken tussen de natuurlijke toegangspunten bij laag water. Indien een insnijding door de aanwezigheid van eilanden meer dan ťťn monding heeft, wordt de halve cirkel getrokken op een lijn ter lengte van de totale lengte van de lijnen over de verschillende mondingen. Eilanden die binnen een insnijding zijn gelegen, worden meegerekend alsof zij deel uitmaakten van de wateroppervlakte van de insnijding.
  4. Indien de afstand tussen de natuurlijke toegangspunten van een baai bij laag water niet groter is dan vierentwintig zeemijl, kan tussen deze twee punten een afsluitingslijn worden getrokken, waarbij de aldus ingesloten wateroppervlakte zal worden beschouwd als tot de binnenwateren te behoren.
  5. Indien de afstand tussen de natuurlijke toegangspunten van een baai bij laag water groter is dan vierentwintig zeemijl, wordt een rechte basislijn ter lengte van vierentwintig zeemijl getrokken binnen de baai en wel op zodanige wijze dat daardoor de grootste wateroppervlakte die met een lijn van die lengte kan worden begrensd, wordt ingesloten.
  6. De voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing op zogenaamde " historische " baaien, noch in de gevallen waarin het systeem van rechte basislijnen als bedoeld in artikel 7 wordt toegepast.

  Art. 11. Havens.
  Voor het vaststellen van de begrenzing van de territoriale zee worden de permanente havenwerken die het vertst uit de kust zijn gelegen en die een integrerend onderdeel vormen van het havensysteem, beschouwd een onderdeel van de kust te vormen. Buiten de kust gelegen installaties en kunstmatige eilanden worden niet als permanente havenwerken beschouwd.

  Art. 12. Reden.
  Reden die normaal gebruikt worden voor het laden, lossen en voor anker gaan van schepen en die anders geheel of gedeeltelijk buiten de buitengrens van de territoriale zee zouden zijn gelegen, worden tot de territoriale zee gerekend.

  Art. 13. Bij eb droogvallende bodemverheffingen.
  1. Een bij eb droogvallende bodemverheffing is een op natuurlijke wijze ontstane landoppervlakte die bij laag tij door water is omgeven en boven water uitsteekt, doch bij hoog tij onder water komt. Indien een bij eb droogvallende bodemverheffing geheel of gedeeltelijk op een afstand tot het vasteland of een eiland ligt, die niet groter is dan de breedte van de territoriale zee, dan kan de laagwaterlijn van die bodemverheffing gebruikt worden als basislijn voor het meten van de breedte van de territoriale zee.
  2. Indien een bij eb droogvallende bodemverheffing in haar geheel op een afstand van het vasteland of een eiland ligt, die groter is dan de breedte van de territoriale zee, heeft zij geen eigen territoriale zee.

  Art. 14. Combinatie van methoden voor het vaststellen van basislijnen.
  De kuststaat kan basislijnen vaststellen met behulp van ongeacht welke methode bepaald in de voorgaande artikelen al naar gelang de diverse omstandigheden.

  Art. 15. Afbakening van de territoriale zee tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
  In gevallen waarin de kusten van twee Staten tegenover elkaar zijn gelegen of aan elkaar grenzen, is, indien er geen overeenkomst tussen hen bestaat waarin anders wordt bepaald, geen van beide Staten gerechtigd zijn territoriale zee uit te strekken tot voorbij de middellijn waarvan elk punt even ver is verwijderd van de dichtstbijgelegen punten van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee van elk der twee Staten wordt gemeten. Bovenstaande bepaling is echter niet van toepassing in gevallen, waarin het op grond van een historische titel of van andere bijzondere omstandigheden noodzakelijk is de territoriale zeeŽn van de twee Staten af te bakenen op een daarvan afwijkende wijze.

  Art. 16. Kaarten en lijsten van geografische coŲrdinaten.
  1. De basislijnen voor de meting van de breedte van de territoriale zee, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7, 9 en 10, of de daaruit verkregen grenzen, en de afbakeningslijnen getrokken overeenkomstig de artikelen 12 en 15 dienen te worden aangegeven op kaarten uitgevoerd op een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Deze kunnen worden vervangen door een lijst van geografische coŲrdinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
  2. De kuststaten geven voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coŲrdinaten en leggen een exemplaar van zulk een kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

  Afdeling 3. - Onschuldige doorvaart in de territoriale zee.

  Onderafdeling A. - Regels die van toepassing zijn op alle schepen.

  Art. 17. Recht van onschuldige doorvaart.
  Onder voorbehoud van dit Verdrag genieten schepen van alle Staten, ongeacht of zij kuststaten zijn of niet, het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee.

  Art. 18. Betekenis van doorvaart.
  1. Doorvaart betekent het varen door de territoriale zee :
  a) zonder de bedoeling de binnenwateren binnen te varen of een buiten de binnenwateren gelegen rede of havenvoorziening aan te lopen; of
  b) de binnenwateren binnen of uit te varen of zulk een rede of havenvoorziening aan te lopen.
  2. De doorvaart dient snel en ononderbroken te zijn. Doorvaart omvat evenwel het stoppen en voor anker gaan, doch alleen voor zover zulks een onderdeel vormt van de normale navigatie of noodzakelijk wordt als gevolg van overmacht of van het feit dat het schip in nood verkeert of voor het verlenen van hulp aan in gevaar of nood verkerende personen, schepen of luchtvaartuigen.

  Art. 19. Betekenis van onschuldige doorvaart.
  1. De doorvaart is onschuldig zolang zij geen gevaar oplevert voor de vrede, de orde of de veiligheid van de kuststaat. Een zodanige doorvaart moet plaats vinden overeenkomstig dit Verdrag en de andere regels van het internationale recht.
  2. De doorvaart van een vreemd schip wordt geacht gevaar op te leveren voor de vrede, de orde of de veiligheid van de kuststaat indien het zich in de territoriale zee bezighoudt met enigerlei van de onderstaande activiteiten :
  a) bedreiging met of gebruik van geweld tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van de kuststaat of enigerlei andere handelwijze die in strijd is met de beginselen van het internationale rechten vervat in het Handvest der Verenigde Naties;
  b) oefeningen met wapens van enigerlei aard;
  c) handelwijzen gericht op het vergaren van informatie ten nadele van de verdediging of de veiligheid van de kuststaat;
  d) propagandistische handelswijzen gericht op aantasting van de verdediging of de veiligheid van de kuststaat;
  e) het doen opstijgen, doen landen of het aan boord nemen van luchtvaartuigen;
  f) het lanceren, doen landen of het aan boord nemen van militair materieel;
  g) het in- of ontschepen van goederen, valuta of personen in strijd met de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid;
  h) opzettelijke en ernstige verontreiniging in strijd met dit Verdrag;
  i) beoefening van de visserij;
  j) het verrichten van onderzoek of karteringswerkzaamheden;
  k) handelswijzen gericht op de verstoring van communicatiesystemen of van andere voorzieningen of installaties van de kuststaat;
  l) andere activiteiten die niet rechtstreeks samenhangen met de doorvaart.

  Art. 20. Onderzeeboten en andere middelen om zich onder water te verplaatsen.
  In de territoriale zee zijn onderzeeboten en andere middelen om zich onder water te verplaatsen, verplicht aan de oppervlakte te varen en vlag te tonen.

  Art. 21. Wetten en voorschriften van de kuststaat betreffende de onschuldige doorvaart.
  1. De kuststaat kan, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en andere regels van het internationale recht, wetten en voorschriften aannemen betreffende de onschuldige doorvaart door de territoriale zee, ten aanzien van de onderstaande aangelegenheden :
  a) de veiligheid van de scheepvaart en de regeling van het verkeer op zee;
  b) de bescherming van hulpmiddelen bij en voorzieningen voor de navigatie en van andere voorzieningen of installaties;
  c) de bescherming van kabels en pijpleidingen;
  d) het behoud van de levende rijkdommen van de zee;
  e) het voorkomen van inbreuken op de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake visserij;
  f) de bescherming van het milieu van de kuststaat en het voorkomen, verminderen en bestrijden van de verontreiniging ervan;
  g) wetenschappelijk zeeonderzoek en hydrografische karteringswerkzaamheden;
  h) het voorkomen van inbreuken op de wetten en voorschriften van de kuststaat inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid.
  2. Deze wetten en voorschriften zijn niet van toepassing op het ontwerp, de constructie, het bemannen of de uitrusting van vreemde schepen, tenzij deze uitvoering geven aan algemeen aanvaarde internationale regels of normen.
  3. De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan al deze wetten en voorschriften.
  4. Vreemde schepen die het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee uitoefenen, dienen al deze wetten en voorschriften alsmede alle algemeen aanvaarde internationale voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee, na te leven.

  Art. 22. Scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels in de territoriale zee.
  1. Waar nodig gezien de veiligheid van de scheepvaart kan de kuststaat van vreemde schepen die het recht van onschuldige doorvaart door zijn territoriale zee uitoefenen, eisen dat deze de door de Staat voor de regeling van de doorvaart van schepen aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels gebruiken.
  2. In het bijzonder kan van tankschepen, nucleair voortgestuwde schepen en schepen die radioactieve of andere intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen of materialen vervoeren, worden geŽist dat zij zich bij hun doorvaart tot zulke scheepvaartroutes beperken.
  3. Bij de aanwijzing van scheepvaartroutes en het voorschrijven van verkeersscheidingsstelsels ingevolge dit artikel, houdt de kuststaat rekening met :
  a) de aanbevelingen van de bevoegde internationale organisatie;
  b) de vaarwateren die gewoonlijk voor de internationale scheepvaart worden gebruikt;
  c) de bijzondere kenmerken van bepaalde schepen en vaarwateren; en
  d) de verkeersdichtheid.
  4. De kuststaat geeft zodanige scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels duidelijk aan op kaarten, waaraan naar behoren bekendheid wordt gegeven.

  Art. 23. Vreemde nucleair voortgestuwde schepen en schepen die radioactieve of andere intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoeren.
  Vreemde nucleair voortgestuwde schepen en schepen die radioactieve of andere intrinsiek gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoeren dienen, bij de uitoefening van het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee, de documenten aan boord te hebben en de speciale voorzorgsmaatregelen na te leven die bij internationale overeenkomsten voor zulke schepen zijn vastgesteld.

  Art. 24. Plichten van de kuststaat.
  1. De kuststaat mag de onschuldige doorvaart van vreemde schepen door de territoriale zee niet belemmeren, behalve overeenkomstig dit Verdrag. Inzonderheid mag de kuststaat, bij de toepassing van dit Verdrag of van wetten of voorschriften aangenomen overeenkomstig dit Verdrag, niet :
  a) aan vreemde schepen verplichtingen opleggen die het gevolg hebben dat daardoor het recht van onschuldige doorvaart wordt ontzegd of aangetast;
  b) rechtens of in feite onderscheid maken ten aanzien van schepen van een Staat of tegen schepen die lading vervoeren naar, van of namens een Staat.
  2. De kuststaat dient voldoende bekendheid te geven aan alle hem bekende gevaren voor de navigatie in zijn territoriale zee.

  Art. 25. Rechten van bescherming van de kuststaat.
  1. De kuststaat kan binnen zijn territoriale zee de maatregelen nemen die nodig zijn om een doorvaart die niet onschuldig is, te voorkomen.
  2. In het geval van schepen die zich begeven naar de binnenwateren of een haveninstallatie buiten de binnenwateren, heeft de kuststaat eveneens het recht de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voorkomen, dat inbreuk wordt gepleegd op de voorwaarden waaraan de toelating van die schepen tot die binnenwateren of haveninstallatie is onderworpen.
  3. De kuststaat kan, zonder rechtens of in feite onderscheid te maken tussen schepen van vreemde nationaliteit, in bepaalde gebieden van zijn territoriale zee de uitoefening van het recht van onschuldige doorvaart van vreemde schepen tijdelijk opschorten, indien die opschorting noodzakelijk is voor de bescherming van zijn veiligheid, met inbegrip van wapenoefeningen. Een zodanige opschorting wordt slechts van kracht nadat zij op behoorlijke wijze is bekendgemaakt.

  Art. 26. Kosten die aan vreemde schepen in rekening mogen worden gebracht.
  1. Aan vreemde schepen mag niets in rekening worden gebracht louter op grond van het feit, dat zij door de territoriale zee varen.
  2. Aan een vreemd schip dat door de territoriale zee vaart, mogen alleen kosten in rekening worden gebracht voor bepaalde ten behoeve van het schip verrichte diensten. Deze kosten worden in rekening gebracht zonder dat enig onderscheid wordt gemaakt.

  Onderafdeling B. - Regels die van toepassing zijn op koopvaardijschepen en op staatsschepen die voor commerciŽle doeleinden worden gebruikt.

  Art. 27. Rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden aan boord van een vreemd schip.
  1. De rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden van de kuststaat dient niet te worden uitgeoefend aan boord van een door de territoriale wateren varend vreemd schip met het oogmerk een persoon te arresteren of een onderzoek in te stellen in verband met een aan boord van het schip tijdens de doorvaart bedreven strafbaar feit, behalve in de volgende gevallen :
  a) indien de gevolgen van het strafbare feit zich uitstrekken tot de kuststaat;
  b) indien het strafbaar feit van dien aard is, dat daardoor de orde in het land of de orde op de territoriale zee wordt verstoord;
  c) indien door de kapitein van het schip of door een diplomatieke of consulaire ambtenaar van de vlaggenstaat de hulp van de plaatselijke autoriteiten is ingeroepen;
  d) indien zulke maatregelen noodzakelijk zijn voor de bestrijding van de handel in verdovende middelen of psychotrope stoffen.
  2. Bovenstaande bepalingen doen geen afbreuk aan het recht van de kuststaat de maatregelen waartoe hij krachtens zijn wetgeving gemachtigd is, te treffen voor een arrestatie of een onderzoek aan boord van een vreemd schip dat door de territoriale zee vaart nadat het de binnenwateren heeft verlaten.
  3. In de in het eerste en het tweede lid bedoelde gevallen dient de kuststaat, indien de kapitein zulks verzoekt, een diplomatieke of consulaire ambtenaar van de vlaggenstaat op de hoogte te stellen alvorens tot het treffen van maatregelen over te gaan, en het contact tussen deze ambtenaar en de bemanning van het schip te vergemakkelijken. In noodgevallen kan deze mededeling worden gedaan terwijl de maatregelen reeds getroffen worden.
  4. Bij de overweging van de vraag of, en zo ja, op welke wijze een arrestatie verricht dient te worden, moeten de plaatselijke autoriteiten rekening houden met de belangen van de scheepvaart.
  5. Behalve zoals bepaald in Deel XII of met betrekking tot schendingen van overeenkomstig Deel V aangenomen wetten en voorschriften, mag de kuststaat aan boord van een door de territoriale zee varend schip geen maatregelen treffen met het oogmerk iemand te arresteren of een onderzoek in te stellen in verband met een strafbaar feit dat aan boord werd bedreven voor het schip de territoriale zee binnenvoer, indien het schip, komende van een buitenlandse haven, slechts door de territoriale zee vaart zonder de binnenwateren binnen te varen.

  Art. 28. Rechtsmacht in burgerrechtelijke aangelegenheden ten aanzien van vreemde schepen.
  1. De kuststaat mag een vreemd schip dat door zijn territoriale zee vaart niet dwingen te stoppen of een andere koers te volgen met het oogmerk zijn rechtsmacht in burgerrechtelijke aangelegenheden uit te oefenen ten aanzien van een persoon aan boord van dat schip.
  2. De kuststaat mag geen executoire of conservatoire maatregelen tegen het schip treffen ten behoeve van een civiele procedure, behalve in verband met verplichtingen die door het schip zijn aangegaan of aansprakelijkheden die voor het schip zijn ontstaan tijdens of met het oog op zijn reis door de wateren van de kuststaat.
  3. Het tweede lid doet geen afbreuk aan het recht van de kuststaat om, overeenkomstig zijn wetgeving, executoire of conservatoire maatregelen ten behoeve van civiele procedures te treffen ten aanzien van een vreemd schip dat in de territoriale zee ligt of door de territoriale zee vaart na de binnenwateren te hebben verlaten.

  Onderafdeling C. - Regels die van toepassing zijn op oorlogsschepen en op andere staatsschepen die worden gebruikt voor andere dan commerciŽle doeleinden.

  Art. 29. Begripsomschrijving van oorlogsschepen.
  Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder een " oorlogsschip " verstaan een schip dat behoort tot de strijdkrachten van een Staat en dat de uiterlijke onderscheidingstekenen draagt van zulke schepen van zijn nationaliteit. De commandant moet in staatsdienst zijn en zijn naam moet voorkomen in de desbetreffende dienstlijst of het equivalent daarvan, en de bemanning moet onderworpen zijn aan de regels van de krijgstucht.

  Art. 30. Niet-naleving door oorlogsschepen van de wetgeving en voorschriften van de kuststaat.
  Indien een oorlogsschip de wetgeving en voorschriften van de kuststaat ten aanzien van de vaart door de territoriale zee niet in acht neemt en verzoeken om deze in acht te nemen negeert, kan de kuststaat van het oorlogsschip eisen, dat het de territoriale zee onverwijld verlaat.

  Art. 31. Verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat voor schade veroorzaakt door een oorlogsschip of een ander staatsschip dat wordt gebruikt voor andere dan commerciŽle doeleinden.
  De vlaggenstaat draagt internationale verantwoordelijkheid voor verliezen of schade voor de kuststaat voortvloeiend uit de niet-naleving door een oorlogsschip of ander staatsschip dat wordt gebruikt voor andere dan commerciŽle doeleinden, van de wetgeving en voorschriften van de kuststaat ten aanzien van de vaart door de territoriale zee of niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag of van andere regels van het internationale recht.

  Art. 32. Immuniteiten van oorlogsschepen en van andere staatsschepen die worden gebruikt voor andere dan commerciŽle doeleinden.
  Met inachtneming van de uitzonderingen vervat in onderafdeling A en in de artikelen 30 en 31, doet niets in dit Verdrag afbreuk aan de immuniteiten van oorlogsschepen en van andere staatsschepen die worden gebruikt voor andere dan commerciŽle doeleinden.

  Afdeling 4. - De aansluitende zone.

  Art. 33. De aansluitende zone.
  1. In een zone van de volle zee die grenst aan zijn territoriale zee, beschreven als de aansluitende zone, mag de kuststaat toezicht uitoefenen ten einde :
  a) te voorkomen dat inbreuk wordt gemaakt op de wetten en voorschriften inzake douane, belastingen, immigratie of volksgezondheid, die binnen zijn gebied of territoriale zee van kracht zijn;
  b) een binnen zijn grondgebied of territoriale zee gemaakte inbreuk op bovenbedoelde wetten en voorschriften te bestraffen.
  2. De aansluitende zone mag zich niet verder uitstrekken dan 24 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.

  DEEL III. - Zeestraten gebruikt voor de internationale scheepvaart.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 34. Juridische status van wateren die zeestraten vormen en die voor de internationale scheepvaart worden gebruikt.
  1. De in dit Deel vastgestelde regeling voor de vaart door zeestraten die voor de internationale scheepvaart worden gebruikt, doet niet in ander opzicht afbreuk aan de juridische status van de wateren die zulke zeestraten vormen of aan de uitoefening door aan de zeestraten grenzende Staten van hun soevereiniteit of hun rechtsmacht over zodanige wateren en over het luchtruim erboven en over de bodem en ondergrond daarvan.
  2. De soevereiniteit of rechtsmacht van de aan de zeestraat grenzende Staten wordt uitgeoefend met inachtneming van dit Deel en van andere regels van het internationale recht.

  Art. 35. Reikwijdte van dit Deel.
  Niets in dit Deel is van invloed op :
  a) gebieden van binnenwateren binnen een zeestraat, behalve waar de vaststelling van een rechte basislijn overeenkomstig de methode vervat in artikel 7 ertoe leidt dat gebieden die voordien niet als binnenwateren werden beschouwd, als zodanig worden ingesloten;
  b) de juridische status van de wateren buiten de territoriale zeeŽn van de aan zeestraten grenzende Staten als exclusieve economische zones of als de volle zee;
  c) de juridische status van zeestraten waarin de doorvaart geheel of gedeeltelijk wordt geregeld door reeds lang van kracht zijnde internationale verdragen die specifiek op deze zeestraten betrekking hebben.

  Art. 36. Routes in de volle zee of routes door exclusieve economische zones via zeestraten gebruikt voor de internationale scheepvaart.
  Dit Deel is niet van toepassing op een zeestraat die voor de internationale scheepvaart wordt gebruikt indien er via de zeestraat een route door de volle zee of door een exclusieve economische zone bestaat van vergelijkbare geschiktheid wat de scheepvaart en de hydrografische kenmerken betreft; op zulke routes zijn andere desbetreffende Delen van dit Verdrag, met inbegrip van de bepalingen inzake de vrijheid van de scheepvaart en de vrijheid van overvliegen van toepassing.

  Afdeling 2. - Doortocht.

  Art. 37. Reikwijdte van deze afdeling.
  Deze afdeling is van toepassing op zeestraten die voor de internationale scheepvaart worden gebruikt tussen het ene deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone en het andere deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone.

  Art. 38. Recht van doortocht.
  1. In de zeestraten bedoeld in artikel 37 genieten alle schepen en luchtvaartuigen het recht van doortocht, dat niet mag worden belemmerd; met dien verstande dat, indien de zeestraat wordt gevormd door een eiland van een Staat die aan de zeestraat grenst en het vasteland van die Staat, de doortocht niet van toepassing is indien er aan de zeezijde van het eiland een route bestaat door de volle zee of door een exclusieve economische zone van vergelijkbare geschiktheid wat de scheepvaart en de hydrografische kenmerken betreft.
  2. Doortocht betekent de uitoefening overeenkomstig dit Deel van de vrijheid van scheepvaart en de vrijheid van overvliegen uitsluitend ten behoeve van een ononderbroken en snelle doortocht van de zeestraat tussen het ene deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone en het andere deel van de volle zee of van een exclusieve economische zone. De eis van ononderbroken en snelle doortocht sluit evenwel niet de doorvaart door de zeestraat uit ten behoeve van het binnenvaren van, het uitvaren uit of het terugkeren van een aan de zeestraat grenzende Staat, behoudens de voorwaarden voor binnenkomst in die Staat.
  3. Elke activiteit die geen betrekking heeft op de uitoefening van het recht van doortocht via een zeestraat blijft onderworpen aan de andere van toepassing zijnde bepalingen van dit Verdrag.

  Art. 39. Plichten van schepen en luchtvaartuigen tijdens de doortocht.
  1. Schepen en luchtvaartuigen dienen bij de uitoefening van het recht van doortocht :
  a) zonder verwijl door of over de zeestraat te gaan;
  b) zich te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van aan de zeestraat grenzende Staten of van enigerlei andere handelwijze die in strijd is met de beginselen van het internationale recht vervat in het Handvest van de Verenigde Naties;
  c) zich te onthouden van andere activiteiten dan die welke behoren bij een normale ononderbroken en snelle doortocht, tenzij zulks noodzakelijk is wegens overmacht of het verkeren in nood;
  d) andere ter zake dienende bepalingen van dit Deel na te komen.
  2. Schepen in doortocht dienen :
  a) te voldoen aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken voor de veiligheid op zee, met inbegrip van de Internationale Voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee;
  b) te voldoen aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen.
  3. Luchtvaartuigen in doortocht dienen :
  a) zich te houden aan de luchtvaartregels vastgesteld door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie die van toepassing zijn op burgerluchtvaartuigen; staatsluchtvaartuigen voldoen normaal aan de veiligheidsmaatregelen en er wordt te allen tijde mee gevlogen met behoorlijke inachtneming van de veiligheid van de luchtvaart;
  b) te allen tijde de door de bevoegde internationaal aangewezen instantie voor het toezicht op het luchtverkeer toegewezen radiofrequentie of de desbetreffende internationale radionoodfrequentie uit te luisteren.

  Art. 40. Onderzoek- en karteringswerkzaamheden.
  Tijdens de doortocht mogen vreemde schepen, met inbegrip van schepen voor wetenschappelijk zeeonderzoek en schepen voor hydrografische karteringswerkzaamheden geen onderzoek of karteringswerkzaamheden verrichten zonder de voorafgaande machtiging van de aan de zeestraten grenzende Staten.

  Art. 41. Scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels in voor de internationale scheepvaart gebruikte zeestraten.
  1. Overeenkomstig dit Deel kunnen aan zeestraten grenzende Staten scheepvaartroutes aanwijzen en verkeersscheidingsstelsels voorschrijven voor de scheepvaart in zeestraten indien zulks nodig is ter bevordering van de veilige doorvaart van de schepen.
  2. Deze Staten kunnen, wanneer de omstandigheden zulks vereisen, en na hieraan voldoende bekendheid te hebben gegeven, voordien door hen aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels, vervangen door andere scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels.
  3. Deze scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels dienen in overeenstemming te zijn met algemeen aanvaarde internationale voorschriften.
  4. Alvorens scheepvaartroutes aan te wijzen of te vervangen of verkeersscheidingsstelsels voor te schrijven of te vervangen, leggen aan zeestraten grenzende Staten de voorstellen voor aan de bevoegde internationale organisatie met het oog op de aanvaarding ervan. De organisatie kan alleen die scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels aanvaarden die zijn overeengekomen met de aan de zeestraten grenzende Staten, waarna de Staten deze kunnen aanwijzen, voorschrijven of vervangen.
  5. Ten aanzien van een zeestraat waarvoor scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels door de wateren van twee of meer aan de zeestraat grenzende Staten worden voorgesteld, dienen de betrokken Staten samen te werken bij het formuleren van voorstellen in overleg met de bevoegde internationale organisatie.
  6. Aan zeestraten grenzende Staten dienen alle scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels die door hen worden aangewezen of voorgeschreven duidelijk aan te geven op kaarten waaraan voldoende bekendheid wordt gegeven.
  7. Schepen in doortocht houden zich aan de van toepassing zijnde scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels als vastgesteld overeenkomstig dit artikel.

  Art. 42. Wetten en voorschriften van aan zeestraten grenzende Staten betreffende de doortocht.
  1. Onder voorbehoud van de bepalingen van deze afdeling kunnen aan zeestraten grenzende Staten wetten en voorschriften aannemen betreffende de doortocht door zeestraten met betrekking tot enige of alle der volgende aangelegenheden :
  a) de veiligheid van de scheepvaart en de regeling van het scheepvaartverkeer, bedoeld in artikel 41;
  b) het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging, door uitvoering te geven aan van toepassing zijnde internationale voorschriften betreffende het lozen van olie, olie bevattende afvalproducten en andere schadelijke stoffen in de zeestraat;
  c) met betrekking tot visserschepen, het voorkomen van de uitoefening van de visserij, met inbegrip van het aan boord hebben van vistuig;
  d) het in- of ontschepen van goederen, valuta of personen in strijd met de wetten en voorschriften van de aan zeestraten grenzende Staten inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid.
  2. Deze wetten en voorschriften mogen niet rechtens of in feite onderscheid maken tussen vreemde schepen of in hun toepassing tot gevolg hebben dat het recht van doortocht zoals omschreven in deze afdeling wordt ontzegd, belemmerd of dat daaraan afbreuk wordt gedaan.
  3. Aan zeestraten grenzende Staten dienen voldoende bekendheid te geven aan al deze wetten en voorschriften.
  4. Vreemde schepen die het recht van doortocht uitoefenen, dienen zulke wetten en voorschriften na te leven.
  5. De vlaggenstaat van een schip of de Staat van registratie van een luchtvaartuig dat soevereine immuniteit geniet, en dat handelt op een wijze strijdig met deze wetten en voorschriften of andere bepalingen van dit Deel, draagt internationale verantwoordelijkheid voor daaruit voor aan zeestraten grenzende Staten voortvloeiende verliezen of schade.

  Art. 43. Hulpmiddelen bij de navigatie en veiligheidsmiddelen en andere verbeteringen en het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging.
  Van een zeestraat gebruik makende en aan een zeestraat grenzende Staten dienen bij overeenkomst samen te werken :
  a) bij het aanbrengen en onderhouden in een zeestraat van de noodzakelijke hulpmiddelen bij de navigatie en de noodzakelijke veiligheidsmiddelen of andere verbeteringen ten bate van de internationale scheepvaart, en
  b) ten einde verontreiniging door schepen te voorkomen, te verminderen en te bestrijden.

  Art. 44. Plichten van aan zeestraten grenzende Staten.
  Aan zeestraten grenzende Staten mogen de doortocht niet belemmeren en dienen passende bekendheid te geven aan hun bekende gevaren voor de scheepvaart binnen, of voor het overvliegen boven de zeestraat. De doortocht mag niet worden opgeschort.

  Afdeling 3. - Onschuldige doorvaart.

  Art. 45. Onschuldige doorvaart.
  1. De regeling van onschuldige doorvaart overeenkomstig Deel II, afdeling 3, is van toepassing in voor internationale scheepvaart gebruikte zeestraten :
  a) die zijn uitgesloten van de toepassing van de regeling van doortocht ingevolge artikel 38, eerste lid; of
  b) tussen een deel van de volle zee of een exclusieve economische zone en de territoriale zee van een vreemde Staat.
  2. De onschuldige doorvaart door deze zeestraten mag niet worden opgeschort.

  DEEL IV. - Archipelstaten.

  Art. 46. Gebruik van termen.
  Voor de toepassing van dit Verdrag betekent :
  a) " archipelstaat " een Staat die geheel wordt gevormd door een of meer archipels en eventueel andere eilanden;
  b) " archipel " een groep eilanden, met inbegrip van delen van eilanden, verbindingswateren en andere natuurlijke bestanddelen die zo nauw verweven zijn dat zulke eilanden, wateren en andere natuurlijke kenmerken een intrinsiek geografische, economische en politieke eenheid vormen, of die historisch als zodanig worden beschouwd.

  Art. 47. Archipel-basislijnen.
  1. Een archipelstaat mag rechte archipel-basislijnen trekken die de uiterste punten van de uiterste eilanden en bij eb droogvallende riffen van de archipel met elkaar verbinden, mits binnen zulke basislijnen de voornaamste eilanden vallen alsmede een gebied waarin de verhouding van het wateroppervlak tot het landoppervlak, atollen inbegrepen, ligt tussen 1 tot 1 en 9 tot 1.
  2. De lengte van zulke basislijnen mag niet langer zijn dan 100 zeemijl, met de uitzondering dat ten hoogste drie procent van het totale aantal basislijnen die een archipel insluiten langer mag zijn, tot een maximumlengte van 125 zeemijl.
  3. Aldus getrokken basislijnen mogen niet aanmerkelijk afwijken van de algemene omtrek van de archipel.
  4. Er mogen geen basislijnen worden getrokken van en naar bij eb droogvallende bodemverheffingen, tenzij er vuurtorens of soortgelijke installaties die duurzaam boven zee uitsteken, op gebouwd zijn, of wanneer een bij eb droogvallende bodemverheffing geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand niet groter dan de breedte van de territoriale zee vanaf het dichtstbijzijnde eiland.
  5. De methode van zodanige basislijnen mag door een archipelstaat niet op zodanige wijze worden toegepast, dat daardoor de territoriale zee van een andere Staat van de volle zee of de exclusieve economische zone zou worden afgesneden.
  6. Indien een deel van de archipelwateren van een archipelstaat ligt tussen twee delen van een onmiddellijk daaraan grenzende buurstaat, blijven bestaande rechten en alle andere wettige belangen die laatstgenoemde Staat van oudsher in zodanige wateren heeft uitgeoefend en alle bij overeenkomst tussen deze Staten bepaalde rechten geŽerbiedigd.
  7. Voor de berekening van de verhouding tussen water en land ingevolge het eerste lid, kunnen landgebieden wateren omvatten, liggend binnen de reeks van riffen van eilanden en atollen, met inbegrip van dat Deel van een oceaanplateau met steile kanten dat wordt omsloten of bijna omsloten door een keten van kalkstenen eilanden en bij eb droogvallende riffen, liggend op de omtrek van het plateau.
  8. De overeenkomstig dit artikel getrokken basislijnen worden aangegeven op zeekaarten van een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Deze kunnen worden vervangen door lijsten van geografische coŲrdinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
  9. De archipelstaat geeft de nodige bekendheid aan de kaarten of lijsten van geografische coŲrdinaten en legt een exemplaar neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

  Art. 48. Meting van de breedte van de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentaal plat.
  De breedte van de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentaal plat wordt gemeten vanaf de overeenkomstig artikel 47 getrokken archipel-basislijnen.

  Art. 49. Juridische status van de archipelzee, van het luchtruim boven de archipelzee en van de bodem en ondergrond van die zee.
  1. De soevereiniteit van een archipelstaat strekt zich uit tot de zee omsloten door de archipel-basislijnen, getrokken overeenkomstig artikel 47, archipelzee genoemd, ongeacht hun diepte of afstand van de kust.
  2. Deze soevereiniteit strekt zich uit over het luchtruim boven de archipelzee en over de bodem en ondergrond van die zee, en de zich daarin bevindende natuurlijke rijkdommen.
  3. Deze soevereiniteit wordt uitgeoefend onder voorbehoud van dit Deel.
  4. De regeling van doorvaart via scheepvaartroutes in de archipel vastgesteld in dit Deel is niet in andere opzichten van invloed op de status van de archipelzee, met inbegrip van scheepvaartroutes, of de uitoefening door de archipelstaat van zijn soevereiniteit over deze zee en het luchtruim boven de zee en de bodem en ondergrond van die zee en de zich daarin bevindende natuurlijke rijkdommen.

  Art. 50. Afbakening van de binnenwateren.
  De archipelstaat kan binnen zijn archipelzee afsluitingslijnen trekken voor de afbakening van de binnenwateren, overeenkomstig de artikelen 9, 10 en 11.

  Art. 51. Bestaande overeenkomsten, van oudsher bestaande visrechten en bestaande onderzeese kabels.
  1. Onverminderd artikel 49 eerbiedigt een archipelstaat bestaande overeenkomsten met andere Staten en erkent hij van oudsher bestaande visrechten en andere wettige activiteiten van de onmiddellijk aangrenzende buurstaten in bepaalde gebieden vallend binnen de archipelzee. De aard, de omvang en de gebieden waarvoor deze gelden, worden op verzoek van een der betrokken Staten geregeld bij bilaterale overeenkomsten tussen deze Staten. Zodanige rechten mogen niet worden overgedragen aan of gedeeld met derde Staten of hun onderdanen.
  2. Een archipelstaat ontziet bestaande onderzeese kabels, gelegd door andere Staten die door zijn zee lopen zonder de oevers te raken. Een archipelstaat staat het onderhoud aan en de vervanging van zodanige kabels toe na tijdig te zijn verwittigd van hun ligging en van het voornemen deze te herstellen of te vervangen.

  Art. 52. Recht van onschuldige doorvaart.
  1. Behoudens artikel 53 en onverminderd artikel 50 genieten schepen van alle Staten het recht van onschuldige doorvaart door een archipelzee overeenkomstig Deel II, afdeling 3.
  2. De archipelstaat kan, zonder rechtens of in feite onderscheid te maken tussen vreemde schepen, in nader aangegeven gebieden van zijn archipelzee de onschuldige doorvaart van vreemde schepen tijdelijk opschorten, indien een zodanige opschorting noodzakelijk is voor de bescherming van zijn veiligheid. Een zodanige opschorting wordt eerst van kracht nadat daaraan voldoende bekendheid is gegeven.

  Art. 53. Recht van doorgang via scheepvaartroutes in de archipel.
  1. Een archipelstaat kan scheepvaartroutes en luchtroutes daarboven aanwijzen, die geschikt zijn voor de ononderbroken en snelle doorgang van vreemde schepen en luchtvaartuigen door of boven zijn archipelzee en de aangrenzende territoriale zee.
  2. Alle schepen en luchtvaartuigen genieten het recht van doorgang via zulke scheepvaartroutes in de archipel en via zodanige luchtroutes.
  3. Doorgang via scheepvaartroutes in de archipel betekent de uitoefening overeenkomstig dit Verdrag van het recht van scheepvaart en het recht van overvliegen op de normale wijze, uitsluitend ten behoeve van een ononderbroken, snelle en onbelemmerde doortocht tussen het ene deel van de volle zee of een exclusieve economische zone en het andere deel van de volle zee of een exclusieve economische zone.
  4. Zodanige scheepvaartroutes en luchtroutes lopen door of boven de archipelzee en de aangrenzende territoriale zee en omvatten alle normale doorgangsroutes, gebruikt als routes voor de internationale scheepvaart door of het internationale luchtvervoer boven de archipelzee en, binnen zodanige routes, wat schepen betreft, alle normale vaarwateren voor de scheepvaart, met dien verstande dat dubbele routes van vergelijkbare geschiktheid tussen dezelfde punten van binnenkomst en vertrek niet nodig zijn.
  5. Zodanige scheepvaartroutes en luchtroutes worden omschreven door een reeks doorgetrokken aslijnen vanaf de punten van binnenkomst van doorgangsroutes tot de punten van vertrek. Schepen en luchtvaartuigen in doorgang langs de boven een scheepvaartroute in een archipel mogen tijdens de doorgang niet meer dan 25 zeemijl aan weerskanten van de aslijnen afwijken, met dien verstande dat zodanige schepen en luchtvaartuigen niet dichter bij de kusten mogen varen of vliegen dan 10 procent van de afstand tussen de dichtstbijzijnde punten op aan de scheepvaartroute grenzende eilanden.
  6. Een archipelstaat die krachtens dit artikel scheepvaartroutes aanwijst, kan ook verkeersscheidingsstelsels voorschrijven voor de veilige doorvaart van schepen door nauwe vaarwateren in zodanige scheepvaartroutes.
  7. Indien de omstandigheden zulks vereisen, kan een archipelstaat, na hieraan voldoende bekendheid te hebben gegeven, voordien door hem aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels vervangen door andere scheepvaartroutes of verkeersscheidingsstelsels.
  8. Zodanige scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels dienen in overeenstemming te zijn met algemeen aanvaarde internationale voorschriften.
  9. Bij het aanwijzen of vervangen van scheepvaartroutes of het voorschrijven of vervangen van verkeersscheidingsstelsels, legt een archipelstaat de voorstellen voor aan de bevoegde internationale organisatie met het oog op de aanvaarding ervan. De organisatie kan alleen die scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels aanvaarden die zijn overeengekomen met de archipelstaat, waarna de archipelstaat deze kan aanwijzen, voorschrijven of vervangen.
  10. De archipelstaat geeft de as van de door hem aangewezen of voorgeschreven scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels duidelijk aan op kaarten waaraan voldoende bekendheid wordt gegeven.
  11. Schepen in doorvaart langs scheepvaartroutes in de archipel houden zich aan de van toepassing zijnde scheepvaartroutes en verkeersscheidingsstelsels, vastgesteld overeenkomstig dit artikel.
  12. Indien een archipelstaat geen scheepvaartroutes of luchtroutes aanwijst, kan het recht van doorgang langs scheepvaartroutes in de archipelzee worden uitgeoefend via de gewoonlijk voor internationale scheepvaart gebruikte routes.

  Art. 54. Plichten van schepen en luchtvaartuigen tijdens hun doorgang, onderzoeks- en karteringswerkzaamheden van de archipelstaat en wetten en voorschriften van de archipelstaat betreffende de doorvaart via, alsmede het vliegen boven scheepvaartroutes in de archipel.
  De artikelen 39, 40, 42 en 44 zijn mutatis mutandis van toepassing op doorvaart via, alsmede het vliegen boven scheepvaartroutes in de archipel.

  DEEL V. - Exclusieve economische zone.

  Art. 55. Specifieke juridische status van de exclusieve economische zone.
  De exclusieve economische zone is een gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee en bezit de specifieke juridische status, ingesteld in dit Deel, ingevolge welke de rechten en rechtsmacht van de kuststaat en de rechten en vrijheden van andere Staten worden geregeld bij de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.

  Art. 56. Rechten, rechtsmacht en plichten van de kuststaat in de exclusieve economische zone.
  1. In de exclusieve economische zone bezit de kuststaat :
  a) soevereine rechten ten behoeve van de exploratie en exploitatie, het behoud en het beheer van de natuurlijke rijkdommen, levend en niet-levend, van de wateren boven de zeebodem en van de zeebodem en de ondergrond daarvan, en met betrekking tot andere activiteiten voor de economische exploitatie en exploratie van de zone, zoals de opwekking van energie uit het water, de stromen en de winden;
  b) rechtsmacht zoals bepaald in de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van :
  (i) de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen;
  (ii) wetenschappelijk zeeonderzoek;
  (iii) de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
  c) andere rechten en plichten, bepaald in dit Verdrag.
  2. Bij de uitoefening van zijn rechten en het vervullen van zijn plichten ingevolge dit Verdrag in de exclusieve economische zone, houdt de kuststaat terdege rekening met de rechten en plichten van andere Staten en handelt hij op een wijze die verenigbaar is met de bepalingen van dit Verdrag.
  3. De rechten vervat in dit artikel met betrekking tot de zeebodem en de ondergrond worden uitgeoefend overeenkomstig Deel VI.

  Art. 57. Breedte van de exclusieve economische zone.
  De exclusieve economische zone strekt zich niet verder uit dan 200 zeemijl van de basislijnen waarvan de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.

  Art. 58. Rechten en plichten van andere Staten in de exclusieve economische zone.
  1. In de exclusieve economische zone genieten alle Staten, kuststaten dan wel Staten zonder zeekust, behoudens de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag, de in artikel 87 bedoelde vrijheid van scheepvaart en de vrijheid van overvliegen en onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen en andere internationaal rechtmatige soorten gebruik van de zee samenhangend met deze vrijheden, zoals die verband houdend met de normale werkzaamheden van schepen, luchtvaartuigen, en onderzeese kabels en pijpleidingen, en verenigbaar met de andere bepalingen van dit Verdrag.
  2. De artikelen 88 tot en met 115 en andere desbetreffende regels van het internationale recht zijn van toepassing op de exclusieve economische zone voor zover zij niet onverenigbaar zijn met dit Deel.
  3. Bij de uitoefening van hun rechten en de vervulling van hun plichten ingevolge dit Verdrag in de exclusieve economische zone, houden de Staten terdege rekening met de rechten en plichten van de kuststaat en leven zij de door de kuststaat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en overeenkomstig andere regels van het internationale recht, voor zover deze niet onverenigbaar zijn met dit Deel, aangenomen wetten en voorschriften, na.

  Art. 59. Grondslag voor de oplossing van conflicten betreffende de toekenning van rechten en rechtsmacht in de exclusieve economische zone.
  In gevallen waarin dit Verdrag de kuststaat of andere Staten geen rechten of rechtsmacht binnen de exclusieve economische zone toekent, en er een conflict ontstaat tussen de belangen van de kuststaat en van een andere Staat of andere Staten, dient het conflict te worden opgelost op de grondslag van billijkheid en in het licht van alle van belang zijnde omstandigheden, met inachtneming van het onderscheiden gewicht van de erbij betrokken belangen voor de partijen, alsook voor de gehele internationale gemeenschap.

  Art. 60. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen in de exclusieve economische zone.
  1. In de exclusieve economische zone heeft de kuststaat het uitsluitende recht te bouwen en de bouw, de werkzaamheden en het gebruik te machtigen en te regelen van :
  a) kunstmatige eilanden;
  b) installaties en inrichtingen voor de doeleinden bepaald in artikel 56 en voor andere economische doeleinden;
  c) installaties en inrichtingen die inbreuk kunnen maken op de uitoefening van de rechten van de kuststaat in de zone.
  2. De kuststaat bezit uitsluitende rechtsmacht over zulke kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, met inbegrip van rechtsmacht met betrekking tot de wetten en voorschriften inzake douane, belastingen, volksgezondheid, veiligheid en immigratie.
  3. Van de oprichting van zodanige kunstmatige eilanden, installaties of inrichtingen dient behoorlijk mededeling te worden gedaan en er dient een permanent waarschuwingssysteem in stand te worden gehouden ter aanduiding van hun aanwezigheid. Installaties of inrichtingen die worden verlaten of die niet meer worden gebruikt, dienen geheel te worden verwijderd ter verzekering van de veiligheid van de scheepvaart, zulks met inachtneming van algemeen aanvaarde internationale normen hiertoe vastgesteld door de bevoegde internationale organisatie. Bij deze verwijdering dient naar behoren rekening te worden gehouden met de visserij, de bescherming van het mariene milieu en de rechten en plichten van andere Staten. Er dient passende bekendheid te worden gegeven aan de diepte, positie en afmetingen van alle installaties of inrichtingen die niet geheel zijn verwijderd.
  4. De kuststaat kan, waar nodig, redelijke veiligheidszones instellen rond zulke kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, waarbinen hij passende maatregelen kan nemen ter verzekering van de veiligheid van zowel de scheepvaart als van de kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen.
  5. De breedte van de veiligheidszone wordt vastgesteld door de kuststaat, met inachtneming van toepasselijke internationale normen. Zulke zones dienen zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat zij op redelijke wijze zijn aangepast aan de aard en de functie van de kunstmatige eilanden, installaties of inrichtingen en zij mogen niet groter zijn dan 500 meter rondom, gemeten van elk punt van de buitenste lijn van deze eilanden, installaties of inrichtingen, behalve zoals toegestaan bij algemeen aanvaarde internationale normen of zoals aanbevolen door de bevoegde internationale organisatie. Aan de omvang van de veiligheidszones dient voldoende bekendheid te worden gegeven.
  6. Alle schepen moeten deze veiligheidszones eerbiedigen en de algemeen aanvaarde internationale normen betreffende scheepvaart in de buurt van kunstmatige eilanden, installaties, inrichtingen en veiligheidszones naleven.
  7. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen mogen niet worden opgericht en de veiligheidzones daaromheen mogen niet worden ingesteld, indien zulks het gebruik van erkende scheepvaartroutes, die van wezenlijk belang zijn voor de internationale scheepvaart, zou belemmeren.
  8. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentale plat.

  Art. 61. Behoud van de levende rijkdommen.
  1. De kuststaat bepaalt de toegestane vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone.
  2. Met inachtneming van de beste wetenschappelijke gegevens waarover hij beschikt, verzekert de kuststaat door middel van passende maatregelen voor behoud en beheer, dat de instandhouding van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone niet door overexploitatie in gevaar wordt gebracht. Waar passend werken de kuststaat en bevoegde internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale, organisaties hiertoe samen.
  3. Zodanige maatregelen dienen er ook op te zijn gericht de populaties van geoogste soorten in stand te houden of weer te brengen op het peil dat een gedurig maximale opbrengst oplevert, zoals nader bepaald door van belang zijnde milieutechnische en economische factoren, met inbegrip van de economische behoeften van gemeenschappen van kustvissers en de bijzondere behoeften van ontwikkelingslanden en met inachtneming van de visserijpatronen, de onderlinge afhankelijkheid van visstapels en algemeen aanbevolen internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale, minimumnormen.
  4. Bij het nemen van zulke maatregelen houdt de kuststaat rekening met de gevolgen voor soorten die in hetzelfde ecosysteem leven als de geoogste soorten, ten einde de populaties van zulke in het zelfde ecosysteem levende soorten in stand te houden of weer te brengen boven het peil waarop hun voortplanting ernstig kan worden bedreigd.
  5. De beschikbare wetenschappelijke gegevens, statistieken inzake vangst en visserij-inspanningen, en andere voor het behoud van visstapels van belang zijnde gegevens worden regelmatig bijgedragen en uitgewisseld via bevoegde internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale, organisaties, naar gelang passend, en waarin wordt deelgenomen door alle betrokken Staten met inbegrip van Staten wier onderdanen mogen vissen in de exclusieve economische zone.

  Art. 62. Gebruik van de levende rijkdommen.
  1. Onverminderd artikel 61 bevordert de kuststaat het doel van een optimaal gebruik van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone.
  2. De kuststaat stelt zijn vermogen vast de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone te oogsten. Wanneer de kuststaat niet over het vermogen beschikt om de gehele toelaatbare vangst te oogsten, verleent hij, door middel van overeenkomsten of andere regelingen en ingevolge de voorwaarden, bedingen, wetten en voorschriften bedoeld in het vierde lid, andere Staten toegang tot het overschot van de toelaatbare vangst, daarbij in het bijzonder in acht nemend de bepalingen van de artikel 69 en 70, vooral met betrekking tot de daarin bedoelde ontwikkelingslanden.
  3. Bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot zijn exclusieve economische zone ingevolge dit artikel, houdt de kuststaat rekening met alle van belang zijnde factoren, met inbegrip van onder meer de betekenis van de levende rijkdommen van het gebied voor de economie van de betrokken kuststaat en zijn andere nationale belangen, de bepalingen van de artikelen 69 en 70, de behoeften van de ontwikkelingslanden in de subregio of regio aan het oogsten van een deel van het overschot en de noodzaak de economische ontwrichting in de Staten wier onderdanen gewoonlijk visten in die zone of die aanzienlijke inspanningen hebben verricht bij het onderzoek en de waarneming van visstapels tot een minimum te beperken.
  4. Onderdanen van andere Staten die in de exclusieve economische zone vissen, dienen de beschermende maatregelen en de andere voorwaarden en bedingen vastgesteld in de wetten en voorschriften van de kuststaat na te leven. Deze wetten en voorschriften dienen verenigbaar te zijn met dit Verdrag en kunnen onder meer betrekking hebben op het volgende :
  a) het verlenen van een vergunning aan vissers, vissersschepen en uitrusting, met inbegrip van de betaling van rechten en tegenprestaties in andere vorm die, in het geval van kuststaten die ontwikkelingslanden zijn, kan bestaan uit toereikende compensatie op het gebied van financiering, uitrusting en technologie op het gebied van de visserij;
  b) het vaststellen van de soorten die mogen worden gevangen en het bepalen van vangstquota, met betrekking tot hetzij bepaalde visstapels of groepen visstapels, of de vangst per schip over een bepaalde termijn, hetzij de vangst door onderdanen van een Staat tijdens een bepaalde periode;
  c) het regelen van visseizoenen en -gebieden, de typen, maten en hoeveelheid vistuig, en de typen, maten en aantallen vissersschepen die mogen worden gebruikt;
  d) het vaststellen van de leeftijd en de maat van vissen en andere soorten die mogen worden gevangen;
  e) het aangeven welke informatie van vissersschepen wordt verlangd, met inbegrip van statistieken inzake vangsten en visserij-inspanningen en opgaven inzake de positie van het schip;
  f) het verlangen dat, met machtiging en onder toezicht van de kuststaat, nader aangegeven programma's voor visserijonderzoek worden uitgevoerd en het regelen van het verrichten van zulk onderzoek, met inbegrip van het nemen van vangstmonsters, de bestemming van monsters en het uitbrengen van verslag over daarmede samenhangende wetenschappelijke gegevens;
  g) het plaatsen van waarnemers of leerlingen aan boord van zulke schepen door de kuststaat;
  h) het aanlanden van de gehele of van een gedeelte van de vangst door zulke schepen in de havens van de kuststaat;
  i) de voorwaarden en bedingen betreffende joint ventures of andere samenwerkingsvormen;
  j) de eisen voor de opleiding van personeel en de overdracht van visserijtechnologie, met inbegrip van de verbetering van het vermogen van de kuststaat tot het verrichten van visserijonderzoek;
  k) procedures ter afdwinging van de naleving van de gestelde eisen.
  5. De kuststaten geven tijdig bekendheid aan wetten en voorschriften inzake bescherming en beheer.

  Art. 63. Visstapels die voorkomen binnen de exclusieve economische zones van twee of meer kuststaten of zowel binnen de exclusieve economische zone als in een gebied daarbuiten en daaraan grenzend.
  1. Wanneer dezelfde visstapel of stapels van in hetzelfde ecosysteem levende soorten voorkomen binnen de exclusieve economische zones van twee of meer kuststaten, pogen deze Staten, rechtstreeks dan wel via passende subregionale of regionale organisaties, tot overeenstemming te komen omtrent de nodige maatregelen ter coŲrdinatie en waarborging van het behoud en de ontwikkeling van zulke stapels, zulks onverlet de andere bepalingen van dit Deel.
  2. Wanneer dezelfde visstapel of stapels van in hetzelfde ecosysteem levende soorten voorkomen in zowel de exclusieve economische zone als in gebied buiten en grenzend aan die zone, pogen de kuststaat en de Staten die naar deze stapels in het aangrenzend gebied vissen, rechtstreeks of via passende subregionale of regionale organisaties, tot overeenstemming te komen omtrent de nodige maatregelen tot behoud van deze stapels in het aangrenzende gebied.

  Art. 64. Over zeer grote afstanden trekkende soorten.
  1. De kuststaat en andere Staten wier onderdanen in de regio vissen naar de over grote afstanden trekkende soorten, opgesomd in Bijlage I werken rechtstreeks of via passende internationale organisaties samen ten einde de bescherming te waarborgen en het doel te bevorderen van een optimale benutting van zulke soorten in de gehele regio, zowel binnen als buiten de exclusieve economische zone. In regio's waarvoor geen passende internationale organisatie bestaat, werken de kuststaat en andere Staten wier onderdanen deze soorten in de regio oogsten, samen ter oprichting van zulk een organisatie en deelneming in haar werkzaamheden.
  2. De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing naast de andere bepalingen van dit Deel.

  Art. 65. Zeezoogdieren.
  Niets in dit Deel beperkt het recht van een kuststaat of de bevoegdheid van een internationale organisatie, de exploitatie van zeezoogdieren te verbieden, te beperken of strenger te regelen dan als bepaald in dit Deel. De Staten dienen samen te werken met het oog op het behoud van zeezoogdieren en wat walvisachtigen betreft in het bijzonder via de desbetreffende internationale organisaties te streven naar het behoud, het beheer en het onderzoek ervan.

  Art. 66. Anadrome soorten.
  1. Staten in wier rivieren anadrome visstapels hun oorsprong hebben, hebben het meeste belang bij en verantwoordelijkheid voor zulke stapels.
  2. De Staat van oorsprong van anadrome visstapels waarborgt het behoud ervan door de uitvaardiging van passende regulerende maatregelen voor het vissen in alle wateren aan de landzijde van de huitengrenzen van zijn exclusieve economische zone en voor het vissen bedoeld in het derde lid, letter b. De Staat van oorsprong kan, na overleg met de andere Staten, bedoeld in het derde en het vierde lid die op deze visstapels vissen, totale toelaatbare vangsten vaststellen voor in zijn rivieren hun oorsprong hebbende stapels.
  3. a) De visserij op anadrome stapels geschiedt alleen in wateren aan de landzijde van de buitengrenzen van exclusieve economische zones, behalve in gevallen waarin deze bepaling zou leiden tot economische ontwrichting voor een andere Staat dan de Staat van oorsprong. Ten aanzien van visserij buiten de buitengrenzen van de exclusieve economische zone onderhouden de betrokken Staten overleg ten einde overeenstemming te bereiken omtrent de voorwaarden en bedingen van zulke visserij, daarbij naar behoren rekening houdend met de eisen van bescherming en de behoeften van de Staat van oorsprong ten aanzien van deze stapels.
  b) De Staat van oorsprong werkt mede aan het tot een minimum beperken van economische ontwrichting in de andere Staten die op deze stapels vissen, rekening houdend met de normale vangst en de wijze van werken van deze Staten en alle gebieden waarin deze visserij zich heeft voorgedaan.
  c) Aan de Staten bedoeld in letter b, die bij overeenkomst met de Staat van oorsprong deelnemen aan maatregelen ter vernieuwing van anadrome visstapels, in het bijzonder door middel van bijdragen in de kosten daarvan, dient door de Staat van oorsprong bijzondere aandacht te worden geschonken bij het oogsten van in zijn rivieren hun oorsprong hebbende stapels.
  d) De afdwinging van de naleving van regelingen inzake anadrome visstapels buiten de exclusieve economische zone geschiedt bij overeenkomst tussen de Staat van oorsprong en de andere betrokken Staten.
  4. In gevallen waarin anadrome visstapels migreren naar of door de wateren aan de landzijde van de buitengrenzen van de exclusieve economische zone van een andere Staat dan de Staat van oorsprong, werkt deze Staat met de Staat van oorsprong samen ten aanzien van het behoud en beheer van deze stapels.
  5. De Staat van oorsprong van anadrome visstapels en andere Staten die op deze stapels vissen, treffen regelingen voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit artikel, waar passend, via regionale organisaties.

  Art. 67. Catadrome soorten.
  1. Een kuststaat in wiens wateren catadrome soorten het grootste deel van hun levenscyclus doorbrengen, is verantwoordelijk voor het beheer van deze soorten en waarborgt het binnentrekken en wegtrekken van trekkende vissen.
  2. Het oogsten van catadrome soorten geschiedt alleen in wateren aan de landzijde van de buitengrenzen van exclusieve economische zones. Wanneer het oogsten in exclusieve economische zones geschiedt, is het onderworpen aan dit artikel en aan de andere bepalingen van dit Verdrag betreffende visserij in deze zones.
  3. In gevallen waarin al dan niet volwassen catadrome vissen trekken via de exclusieve economische zone van een andere Staat, wordt het beheer, met inbegrip van het oogsten van deze vissen, geregeld bij overeenkomst tussen de Staat bedoeld in het eerste lid en de andere betrokken Staat. Deze overeenkomst waarborgt het rationele beheer van de soorten en houdt rekening met de verantwoordelijkheden van de in het eerste lid bedoelde Staat voor de instandhouding van deze soorten.

  Art. 68. Sedentaire soorten.
  Dit Deel is niet van toepassing op sedentaire soorten zoals omschreven in artikel 77, vierde lid.

  Art. 69. Recht van Staten zonder zeekust.
  1. Staten zonder zeekust hebben het recht, op billijke grondslag, deel te nemen aan de exploitatie van een passend deel van het overschot van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van dezelfde subregio of regio, met inachtneming van de van belang zijnde economische en geografische omstandigheden van alle betrokken Staten en overeenkomstig de bepalingen van dit artikel en van de artikelen 61 en 62.
  2. De voorwaarden en modaliteiten van een zodanige deelneming worden door de betrokken Staten vastgesteld door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met :
  a) de noodzaak gevolgen te vermijden die nadelig zijn voor vissersgemeenschappen of de visserij van de kuststaten;
  b) de mate waarin de Staat zonder zeekust, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, ingevolge bestaande bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, deelneemt aan of gerechtigd is deel te nemen aan, de exploitatie van levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere kuststaten;
  c) de mate waarin andere Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging deelnemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone van de kuststaat en de daaruit voortvloeiende noodzaak een bijzondere last voor ťťn bepaalde kuststaat of deel daarvan te vermijden;
  d) de voedselbehoeften van de bevolking van de onderscheiden Staten.
  3. Wanneer het oogstvermogen van een kuststaat een punt bereikt waarop deze in staat zou zijn de gehele toelaatbare vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone te oogsten, werken de kuststaat en andere betrokken Staten samen bij de totstandkoming van billijke regelingen op bilaterale, subregionale of regionale basis om de deelneming van ontwikkelingsstaten zonder zeekust in dezelfde subregio of regio mogelijk te maken aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van de subregio of regio, als passend is gezien de omstandigheden en op voor alle partijen bevredigende voorwaarden. Bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling dient tevens rekening te worden gehouden met de in het tweede lid genoemde factoren.
  4. Ontwikkelde Staten zonder zeekust zijn, ingevolge de bepalingen van dit artikel slechts gerechtigd deel te nemen aan de exploitatie van levende rijkdommen in de exclusieve economische zones van ontwikkelde kuststaten van dezelfde subregio of regio, voor zover de kuststaat, bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone, rekening heeft gehouden met de noodzaak nadelige gevolgen voor vissersgemeenschappen en economische ontwrichting in Staten wier onderdanen gewoonlijk in de zone vissen, tot een minimum te beperken.
  5. De bovenstaande bepalingen laten onverlet regelingen eventueel overeengekomen in subregio's of regio's, waar de kuststaten aan Staten zonder zeekust van dezelfde subregio of regio gelijke of preferentiŽle rechten kunnen toekennen voor de exploitatie van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zones.

  Art. 70. Rechten van Staten met een ongustige geografische ligging.
  1. Staten met een ongunstige geografische ligging hebben het recht op billijke grondslag deel te nemen aan de exploitatie van een passend deel van het overschot van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten in dezelfde subregio of regio, rekenning houdend met de van belang zijn economische en geografische omstandigheden van alle betrokken Staten en overeenkomstig de bepalingen van dit artikel en van de artikelen 61 en 62.
  2. Voor de toepassing van dit deel betekent, " Staten met een ongunstige geografische ligging " kuststaten, met inbegrip van Staten grenzend aan ingesloten of half-ingesloten zeeŽn, wier geografische ligging hen afhankelijk maakt van de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere Staten in de subregio of regio voor voldoende aanvoer van vis voor de voeding van hun bevolking of delen daarvan en kuststaten die geen aanspraak kunnen maken op een eigen exclusieve economische zone.
  3. De voorwaarden en modaliteiten van een zodanige deelneming worden door de betrokken Staten vastgesteld door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met :
  a) de noodzaak gevolgen te vermijden die nadelig zijn voor vissersgemeenschappen of de visserij van de kuststaat;
  b) de mate waarin de Staat met een ongunstige geografische ligging, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, ingevolge bestaande bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten deelneemt aan of gerechtigd is deel te nemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van andere kuststaten;
  c) de mate waarin andere Staten met een ongunstige geografische ligging en Staten zonder zeekust deelnemen aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zone van de kuststaat en de daaruit voortvloeiende noodzaak een bijzondere last voor ťťn bepaalde kuststaat of deel daarvan te vermijden;
  d) de voedselbehoeften van de bevolking van de onderscheiden Staten.
  4. Wanneer het oogstvermogen van een kuststaat een punt bereikt waarop deze in staat zou zijn de gehele toelaatbare vangst van de levende rijkdommen in zijn exclusieve economische zone te oogsten, werken de kuststaat en de andere betrokken Staten samen bij de totstandkoming van billijke regelingen op bilaterale, subregionale of regionale basis om de deelneming van ontwikkelingslanden met een ongunstige geografische ligging uit dezelfde subregio of regio mogelijk te maken aan de exploitatie van de levende rijkdommen van de exclusieve economische zones van kuststaten van de subregio of regio, als passend is gezien de omstandigheden en op voor alle partijen bevredigende voorwaarden. Bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling dient tevens rekening te worden gehouden met de in het derde lid genoemde factoren.
  5. Ontwikkelde Staten met een ongunstige geografische ligging zijn ingevolge de bepalingen van dit artikel slechts gerechtigd deel te nemen aan de exploitatie van levende rijkdommen in de exclusieve economische zones van ontwikkelde kuststaten van dezelfde subregio of regio, voor zover de kuststaat, bij het verlenen van toegang aan andere Staten tot de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone, rekening heeft gehouden met de noodzaak nadelige gevolgen voor vissersgemeenschappen en economische ontwrichting in Staten wier onderdanen gewoonlijk in de zone vissen, tot een minimum te beperken.
  6. De bovenstaande bepalingen laten onverlet regelingen eventueel overeengekomen in subregio's of regio's, waar de kuststaten aan Staten met een ongunstige geografische ligging van dezelfde subregio of regio gelijke of preferentiŽle rechten kunnen toekennen voor de exploitatie van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zones.

  Art. 71. Niet-toepasselijkheid van de artikelen 69 en 70.
  De bepalingen van de artikelen 69 en 70 zijn niet van toepssing in het geval van een kuststaat wiens economie in overgrote mate afhankelijk is van de exploitatie van de levende rijkdommen van zijn exclusieve economische zone.

  Art. 72. Beperkingen op de overdracht van rechten.
  1. De ingevolge de artikelen 69 en 70 bepaalde rechten tot exploitatie van de levende rijkdommen mogen niet direct of indirect worden overgedragen aan derde Staten of hun onderdanen door middel van verhuur of licentie, door het oprichten van joint ventures of op enige andere wijze die de werking van een zodanige overdracht heeft, tenzij anderszins overeengekomen door de betrokken Staten.
  2. De voorgaande bepaling belet de betrokken Staten niet technische of financiŽle bijstand te verkrijgen van de Staten of internationale organisaties ten einde de uitoefening van de rechten voortvloeiend uit de artikelen 69 en 70 te vergemakkelijken, mits zulks niet de in het eerste lid bedoelde werking heeft.

  Art. 73. Afdwinging van de naleving van de wetten en voorschriften van de kuststaat.
  1. In de uitoefening van zijn soevereine rechten de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone te exploreren, exploiteren, behouden en te beheren, kan de kuststaat de maatregelen nemen, met inbegrip van het aan boord gaan, de inspectie, de aanhouding en het instellen van gerechtelijke procedures, die nodig kunnen zijn ter waarborging van de naleving van de door hem overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften.
  2. Aangehouden schepen en hun bemanning worden onverwijld in vrijheid gesteld na het verschaffen van een redelijke waarborgsom of het stellen van een andere zekerheid.
  3. De straffen van de kuststaat voor schendingen van de wetten en voorschriften inzake de visserij in de exclusieve economische zone mogen, tenzij de betrokken Staten anders overeenkomen, niet omvatten vrijheidsbeneming of andere vormen van lichamelijke straf.
  4. In gevallen van aanhouding of vasthouding van vreemde schepen stelt de kuststaat langs passende weg onverwijld de vlaggenstaat in kennis van de genomen maatregelen en van de daarna opgelegde eventuele straffen.

  Art. 74. Afbakening van de exclusieve economische zone tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
  1. De afbakening van de exclusieve economische zone tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten geschiedt bij overeenkomst op basis van het internationale recht, zoals bedoeld in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, ten einde een billijke oplossing te bereiken.
  2. Indien niet binnen een redelijke termijn een overeenkomst tot stand komt, maken de betrokken Staten gebruik van de procedures, bepaald in Deel XV.
  3. In afwachting van de totstandkoming van een overeenkomst zoals bepaald in het eerste lid stellen de betrokken Staten in een geest van onderling begrip en samenwerking, alles in het werk om voorlopige regelingen van praktische aard aan te gaan en tijdens deze overgangsperiode de totstandkoming van een definitieve overeenkomst niet in gevaar te brengen of te belemmeren. Zodanige regelingen laten de definitieve afbakening onverlet.
  4. Wanneer er een overeenkomst tussen de betrokken Staten van kracht is, worden vraagstukken betreffende de afbakening van de exclusieve economische zone opgelost overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst.

  Art. 75. Kaarten en lijsten van geografische coŲrdinaten.
  1. Onder voorbehoud van dit Deel dienen de buitengrenslijnen van de exclusieve economische zone en de afbakeningslijnen, getrokken overeenkomstig artikel 74, te worden aangegeven op kaarten van een schaal of schalen groot genoeg om de positie ervan te kunnen vaststellen. Waar passend kunnen deze buitengrenslijnen of afbakeningslijnen worden vervangen door lijsten van geografische coŲrdinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
  2. De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coŲrdinaten en legt een exemplaar van elke kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

  DEEL VI. - Continentaal plat.

  Art. 76. Begripsomschrijving van het continentale plat.
  1. Het continentale plat van een kuststaat omvat de zeebodem en de ondergrond van de onder water gelegen gebieden die zich buiten zijn territoriale zee uitstrekken door de natuurlijke voortzetting van zijn landterritorium tot de buitenste grens van de continentale rand, of tot een afstand van 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten wanneer de buitenste grens van de continentale rand zich niet tot die afstand uitstrekt.
  2. Het continentale plat van een kuststaat strekt zich niet verder uit dan de grenzen bepaald in het vierde tot en met het zesde lid.
  3. De continentale rand omvat de onder water gelegen voortzetting van de landmassa van de kuststaat en bestaat uit de zeebodem en ondergrond van het plat, de helling en de voet. Deze rand omvat niet de diepe oceaanbodem met de oceaanruggen of de ondergrond daarvan.
  4. a) Voor de toepassing van dit Verdrag stelt de kuststaat de buitenste grens van de continentale rand vast wanneer deze zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten door :
  (i) een lijn, getrokken overeenkomstig het zevende lid, uitgaande van de uiterste vaste punten bij elk waarvan de dikte van de sedimentaire rotsen ten minste 1 procent is van de kortste afstand van een zodanig punt tot de voet van de continentale helling; of
  (ii) een lijn, getrokken overeenkomstig het zevende lid, uitgaande van vaste punten niet verder dan 60 zeemijl van de voet van de continentale helling.
  b) Bij gebreke van bewijs van het tegendeel wordt de voet van de continentale helling bepaald als het punt van de maximale verandering van de hellingshoek aan zijn basis.
  5. De vaste punten die de lijn bepalen van de buitengrenzen van het continentale plat op de zeebodem, getrokken overeenkomstig het vierde lid, letter a onder (i) en (ii) mogen ofwel niet verder liggen dan 350 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten ofwel niet verder liggen dan 100 zeemijl van de 2 500 meter-isobath, die de lijn is welke de diepten van 2 500 meter verbindt.
  6. Niettegenstaande de bepalingen van het vijfde lid mag op onderzeese ruggen de buitengrens van het continentale plat niet meer belopen dan 350 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Dit lid is niet van toepassing op onderzeese bodemverheffingen die natuurlijke onderdelen van de continentale rand zijn, zoals de hoogvlakten, opgaande hellingen, drempels, banken en uitsteeksels.
  7. De kuststaat legt de buitengrenzen van zijn continentale plat vast, waar dat plat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, door rechte lijnen van niet langer dan 60 zeemijl lengte, die vaste punten verbinden, omschreven door breedte- en lengtecoŲrdinaten.
  8. Gegevens omtrent de grenzen van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, dienen door de kuststaat te worden voorgelegd aan de Commissie inzake de grenzen van het continentale plat, in het leven geroepen ingevolge Bijlage II op basis van een billijke geografische vertegenwoordiging. De Commissie doet de kuststaten aanbevelingen inzake aangelegenheden betreffende de vaststelling van de buitengrenzen van hun continentale plat. De grenzen van het plat, door de kuststaat vastgesteld op basis van deze aanbevelingen, zijn definitief en bindend.
  9. De kuststaat legt bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties kaarten en van belang zijnde informatie, met inbegrip van geodetische gegevens, neder, door middel waarvan de buitengrenzen van het continentale plat duurzaam worden beschreven. De Secretaris-Generaal geeft hieraan naar behoren bekendheid.
  10. De bepalingen van dit artikel laten onverlet de kwestie van de afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.

  Art. 77. Rechten van de kuststaat op het continentale plat.
  1. De kuststaat oefent over het continentale plat soevereine rechten uit ter exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het plat.
  2. De in het eerste lid bedoelde rechten zijn exclusief in die zin dat, indien de kuststaat het continentale plat niet exploreert of de natuurlijke rijkdommen ervan niet exploiteert, niemand deze werkzaamheden mag gaan verrichten dan met de uitdrukkelijke toestemming van de kuststaat.
  3. De rechten van de kuststaat op het continentale plat zijn niet afhankelijk van een daadwerkelijke of fictieve bezetting of van enige uitdrukkelijke proclamatie.
  4. De in dit Deel bedoelde natuurlijke rijkdommen bestaan uit de minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebodem en de ondergrond, alsmede uit levende organismen die tot de sedentaire soorten behoren, dat wil zeggen organismen die ten tijde dat ze geoogst kunnen worden, hetzij onbeweeglijk op of onder de zeebodem bevinden, hetzij zich niet kunnen verplaatsen dan in voortdurend fysiek contact met de zeebodem of de ondergrond.

  Art. 78. Juridische status van de bovengelegen wateren en het luchtruim boven die wateren en de rechten en vrijheden van andere Staten.
  1. De rechten van de kuststaat op het continentale plat doen geen afbreuk aan de juridische status van de bovengelegen wateren of van het luchtruim boven die wateren.
  2. De uitoefening van de rechten van de kuststaat over het continentale plat mag geen inbreuk maken op of leiden tot ongerechtvaardigde belemmering van de scheepvaart en andere rechten en vrijheden van andere Staten, zoals bepaald in dit Verdrag.

  Art. 79. Onderzeese kabels en pijpleidingen op het continentale plat.
  1. Alle Staten zijn gerechtigd onderzeese kabels en pijpleidingen op het continentale plat te leggen, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
  2. Onder voorbehoud van zijn recht redelijke maatregelen te nemen voor de exploratie van het continentale plat en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen daarvan en het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging door pijpleidingen mag de kuststaat het leggen of het onderhoud van onderzeese kabels of pijpleidingen niet belemmeren.
  3. Het tracť van de pijpleidingen die op het continentale plat worden gelegd, is onderworpen aan de toestemming van de kuststaat.
  4. Niets in dit Deel doet afbreuk aan het recht van de kuststaat voorwaarden te stellen voor kabels of pijpleidingen die zijn gebied of territoriale zee binnenkomen, of aan zijn rechtsmacht over kabels en pijpleidingen, aangelegd of gebruikt in verband met de exploratie van zijn continentale plat of de exploitatie van de rijkdommen daarvan of de werkzaamheden van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen die zich onder zijn rechtsmacht bevinden.
  5. Bij het leggen van onderzeese kabels of pijpleidingen houden de Staten naar behoren rekening met reeds aanwezige kabels of pijpleidingen. Inzonderheid dienen de mogelijkheden voor het herstellen van bestaande kabels en pijpleidingen niet te worden aangetast.

  Art. 80. Kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat.
  Artikel 60 is mutatis mutandis van toepassing op kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen op het continentale plat.

  Art. 81. Boren op het continentale plat.
  De kuststaat bezit het exclusieve recht machtiging te verlenen tot het boren op het continentale plat voor alle doeleinden en hiervoor regels te stellen.

  Art. 82. Betalingen en bijdragen met betrekking tot de exploitatie van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl.
  1. De kuststaat verricht betalingen of levert bijdragen in natura met betrekking tot de exploitatie van de niet-levende rijkdommen van het continentale plat dat zich verder uitstrekt dan 200 zeemijl vanaf de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
  2. De betalingen en bijdragen geschieden jaarlijks met betrekking tot de totale productie op een plaats na de eerste vijf jaar van productie op die plaats. Voor het zesde jaar is de hoogte van de betaling of bijdrage 1 procent van de waarde of de omvang van de productie op die plaats. De hoogte stijgt met 1 procent voor elk volgend jaar tot het twaalfde jaar en blijft daarna op 7 procent. De productie omvat niet de natuurlijke rijkdommen gebruikt in verband met de exploitatie.
  3. Een ontwikkelingsstaat die netto-importeur is van een minerale rijkdom die wordt gewonnen uit zijn continentale plat, is vrijgesteld van het verrichten van zulke betalingen of het leveren van zulke bijdragen met betrekking tot die minerale hulpbron.
  4. De betalingen worden verricht of de bijdragen worden geleverd via de Autoriteit, die deze zal verdelen onder de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, op basis van billijke verdelingscriteria, met inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten, vooral de minst ontwikkelde onder hen, alsmede van de Staten zonder zeekust.

  Art. 83. Afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.
  1. De afbakening van het continentale plat tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten geschiedt bij overeenkomst op basis van het internationaal recht, zoals bedoeld in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof ten einde een billijke oplossing te bereiken.
  2. Indien niet binnen een redelijke termijn een overeenkomst tot stand komt, maken de betrokken Staten gebruik van de procedures bepaald in deel XV.
  3. In afwachting van de totstandkoming van een overeenkomst zoals bepaald in het eerste lid stellen de betrokken Staten in een geest van wederzijds begrip en samenwerking, alles in het werk om voorlopige overeenkomsten van praktische aard aan te gaan en tijdens deze overgangsperiode de totstandkoming van een definitieve overeenkomst niet te verstoren of te belemmeren. Zodanige regelingen laten de definitieve afbakening onverlet.
  4. Wanneer er een overeenkomst tussen de betrokken Staten van kracht is, worden vraagstukken betreffende de afbakening van het continentale plat opgelost overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst.

  Art. 84. Kaarten en lijsten van geografische coŲdinaten.
  1. Onder voorbehoud van dit Deel dienen de buitengrenslijnen van het continentale plat en de afbakeningslijnen, getrokken overeenkomstig artikel 83, te worden aangegeven op kaarten van een schaal of schalen groot genoeg om hun positie te kunnen vaststellen. Waar passend kunnen deze buitengrenslijnen of afbakeningslijnen worden vervangen door lijsten van geografische coŲrdinaten van punten, met opgave van het geodetisch reductievlak.
  2. De kuststaat geeft voldoende bekendheid aan zodanige kaarten of lijsten van geografische coŲrdinaten en legt een exemplaar van elke kaart of lijst neder bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en, in het geval daarop de buitengrenslijnen van het continentale plat staan aangegeven, bij de Secretaris-Generaal van de Autoriteit.

  Art. 85. Het aanleggen van tunnels.
  Dit Deel doet geen afbreuk aan het recht van de kuststaat de ondergrond te exploiteren door middel van het aanleggen van tunnels, ongeacht de diepte van het water boven de ondergrond.

  DEEL VII. - Volle zee.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 86. Toepassing van de bepalingen van dit Deel.
  De bepalingen van dit Deel zijn van toepassing op alle delen van de zee die niet zijn begrepen in de exclusieve economische zone, in de territoriale zee of in de binnenwateren van een Staat, of in de archipelwateren van een archipelstaat. Dit artikel laat de vrijheden die alle Staten overeenkomstig artikel 58 genieten in de exclusieve economische zone onverlet.

  Art. 87. Vrijheid van de volle zee.
  1. De volle zee is open voor alle Staten, ongeacht of deze kuststaat of Staat zonder zeekust zijn. De vrijheid van de volle zee wordt uitgeoefend op de voorwaarden, neergelegd bij dit Verdrag en bij andere regels van het internationaal recht. Deze vrijheid houdt, zowel voor kuststaten als voor Staten zonder zeekust onder meer in :
  a) de vrijheid van scheepvaart;
  b) de vrijheid er overheen te vliegen;
  c) de vrijheid onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen, onder voorbehoud van Deel VI;
  d) de vrijheid kunstmatige eilanden en andere krachtens het internationaal recht toegestane installaties te bouwen, onder voorbehoud van Deel VI;
  e) de vrijheid van visserij, onder voorbehoud van de voorwaarden, neergelegd in Afdeling 2;
  f) de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, onder voorbehoud van de Delen VI en XIII.
  2. Deze vrijheden worden uitgeoefend door alle Staten met behoorlijke inachtneming van de belangen van andere Staten in hun uitoefening van de vrijheid van de volle zee en tevens met behoorlijke inachtnneming van de rechten krachtens dit Verdrag met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied.

  Art. 88. Voorbehoud van de volle zee voor vreedzame doeleinden.
  De volle zee is voorbehouden voor vreedzame doeleinden.

  Art. 89. Ongeldigheid van aanspraken op soevereiniteit over de volle zee.
  Geen enkele Staat kan rechtsgeldig een deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit onderwerpen.

  Art. 90. Recht van scheepvaart.
  Iedere Staat, ongeacht of deze een kuststaat of Staat zonder zeekust is, heeft het recht schepen onder zijn eigen vlag op de volle zee te doen varen.

  Art. 91. Nationaliteit van schepen.
  1. Iedere Staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Een schip heeft de nationaliteit van de Staat wiens vlag het gerechtigd is te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de Staat en het schip.
  2. Iedere Staat dient aan schepen aan wie hij het recht heeft verleend zijn vlag te voeren, documenten te verstrekken waaruit zulks blijkt.

  Art. 92. Status van schepen.
  1. Een schip mag slechts onder de vlag van ťťn Staat varen en is, behalve in bijzondere gevallen waarin uitdrukkelijk is voorzien in internationale verdragen of in dit Verdrag, op volle zee onderworpen aan de uitsluitende rechtsmacht van die Staat. Een schip mag gedurende een reis of tijdens het verblijf in een aanloophaven niet van vlag veranderen, behalve in het geval van een werkelijke overdracht van de eigendom of een wijziging in de registratie.
  2. Een schip dat vaart onder de vlag van twee of meer Staten en dat naar omstandigheden de ene of de andere vlag gebruikt, kan zich tegenover een derde Staat op de nationaliteit van geen van deze Staten beroepen en kan worden gelijkgesteld met een schip zonder nationaliteit.

  Art. 93. Schepen die de vlag voeren van de Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie.
  De voorgaande artikelen laten onverlet de kwestie van schepen in officiŽle dienst van de Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie en die de vlag van de Verenigde Naties voeren.

  Art. 94. Plichten van de vlaggenstaat.
  1. Iedere Staat oefent doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht in administratieve, technische en sociale aangelegenheden uit over schepen die zijn vlag voeren.
  2. Inzonderheid dient iedere Staat :
  a) een register bij te houden van schepen, dat de namen en bijzonderheden bevat van schepen die zijn vlag voeren, behalve van die welke van de algemeen aanvaarde internationale voorschriften zijn uitgesloten op grond van hun geringe, grootte; en
  b) ingevolge zijn binnenlandse wetgeving rechtsmacht op zich te nemen over elk schip dat zijn vlag voert en over de kapitein, officieren en bemanning daarvan met betrekking tot administratieve, technische en sociale aangelegenheden betreffende het schip.
  3. Iedere Staat neemt ten aanzien van de schepen die zijn vlag voeren alle maatregelen die nodig zijn om de veiligheid op zee te verzekeren, onder andere met betrekking tot :
  a) de bouw, uitrusting en zeewaardigheid der schepen;
  b) het bemannen der schepen en de arbeidsvoorwaarden voor en de opleiding van de bemanning, waarbij rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde internationale verdragen;
  c) het gebruik van signalen, het onderhouden van verbindingen en het voorkomen van aanvaringen.
  4. Deze maatregelen omvatten die welke nodig zijn om te verzekeren :
  a) dat elk schip, voorafgaand aan de registratie en daarna met passende tussenpozen, wordt onderworpen aan een onderzoek door een bevoegde deskundige en dat het de kaarten, nautische publikaties en navigatie-uitrusting en instrumenten aan boord heeft die vereist zijn voor de veilige vaart van het schip;
  b) dat elk schip onder het bevel staat van een kapitein en officieren die de juiste bekwaamheden bezitten, inzonderheid op het gebied van zeemanschap, navigatie, verbindingen en scheepswerktuigkunde, en dat de bemanning wat bekwaamheden en aantal betreft, passend is voor het type, de grootte, de machines en uitrusting van het schip;
  c) dat de kapitein, de officieren, en voor zover passend, de bemanning volledig bekend zijn met en dat van hen de naleving wordt geŽist van de van toepassing zijnde internationale voorschriften voor de beveiliging van mensenlevens op zee, de voorkoming van aanvaringen, het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging van de zee en het onderhouden van radioverbindingen.
  5. Bij het nemen van de in het derde en het vierde lid vereiste maatregelen dient iedere Staat zich te houden aan algemeen aanvaarde internationale voorschriften, procedures en praktijken en alle stappen te ondernemen die nodig zijn om de naleving daarvan te verzekeren.
  6. Een Staat die ernstige redenen heeft aan te nemen dat de passende rechtsmacht en het passend toezicht ten aanzien van een schip niet zijn uitgeoefend, kan de feiten rapporteren aan de vlaggenstaat. Bij ontvangst van zulk een rapport onderzoekt de vlaggenstaat de aangelegenheid en neemt hij, wanneer dienstig, alle nodige maatregelen om de situatie te corrigeren.
  7. Iedere Staat dient een onderzoek te laten instellen door of ten overstaan van een naar behoren bevoegd persoon of bevoegde personen naar elk ongeval op zee of voorval verband houdend met de navigatie in volle zee, waarbij een schip dat zijn vlag voert, is betrokken en dat verlies aan mensenlevens of ernstig letsel aan onderdanen van een andere Staat of ernstige schade aan schepen of installaties van een andere Staat of aan het mariene milieu heeft veroorzaakt. De vlaggenstaat en de andere Staat werken samen bij het leiden van een door die andere Staat gehouden onderzoek naar zulk een ongeval op zee of voorval verband houdend met de navigatie.

  Art. 95. Immuniteit van oorlogsschepen in volle zee.
  Oorlogsschepen in volle zee genieten volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggenstaat is.

  Art. 96. Immuniteit van slechts voor niet-commerciŽle overheidsdoeleinden gebruikte schepen.
  Schepen die het eigendom zijn van of geŽxploiteerd worden door een Staat en door die Staat slechts voor niet-commerciŽle overheidsdoeleinden worden gebruikt, genieten in volle zee volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggenstaat is.

  Art. 97. Rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden in geval van aanvaring of een ander voorval verband houdend met de navigatie.
  1. In geval van een aanvaring of een ander voorval verband houdend met de navigatie van een schip in volle zee, waarvoor de kapitein of enige andere persoon in dienst van het schip strafrechtelijk of tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, kan tegen een dergelijke persoon een strafvervolging of tuchtrechtelijke vervolging slechts worden ingesteld voor de rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten van de vlaggenstaat of van de Staat waarvan een dergelijke persoon onderdaan is.
  2. De Staat die een gezagvoedersdiploma of ander diploma heeft uitgereikt is, in tuchtrechtelijke gevallen, bij uitsluiting bevoegd om, na een behoorlijke door het recht omschreven procedure, zulke diploma's in te trekken, ook indien de houder geen onderdaan van die Staat is.
  3. Het aanhouden of vasthouden van een schip mag, zelfs voor maatregelen van onderzoek, alleen gelast worden door de autoriteiten van de vlaggenstaat.

  Art. 98. Plicht hulp te verlenen.
  1. Iedere Staat dient de kapitein van een schip dat zijn vlag voert ertoe te verplichten dat hij, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor het schip, de bemanning of de passagiers :
  a) hulp verleent aan een ieder die hij op zee in levensgevaar aantreft;
  b) met de grootst mogelijke spoed personen die in nood verkeren te hulp komt, indien hem is medegedeeld dat zij hulp behoeven, voor zover een dergelijke handelswijze redelijkerwijze van hem verwacht kan worden;
  c) na een aanvaring hulp verleent aan het andere schip, zijn bemanning en passagiers en, indien mogelijk, het andere schip de naam van zijn eigen schip, de haven waar het is geregistreerd en de dichtstbijzijnde haven waar het zal aanlopen, meedeelt.
  2. Iedere kuststaat bevordert de oprichting, het functioneren en het onderhoud van een voor zijn taak berekende en doeltreffende opsporings- en reddingsdienst ten behoeve van de veiligheid op en boven de zee en dient, waar de omstandigheden zulks nodig maken, hiertoe met zijn buurstaten regionale overeenkomsten voor wederzijdse samenwerking te sluiten.

  Art. 99. Verbod van het vervoer van slaven.
  Iedere Staat neemt doeltreffende maatregelen om het vervoer van slaven in schepen die zijn vlag mogen voeren, te verhinderen en te bestraffen, alsmede om onrechtmatig gebruik van zijn vlag voor dat doel te verhinderen. Iedere slaaf die op enig schip, ongeacht de vlag die het voert, zijn toevlucht zoekt, krijgt door dit enkele feit zijn vrijheid.

  Art. 100. Plicht samen te werken ter onderdrukking van piraterij.
  Alle Staten werken zo nauw mogelijk samen ter onderdrukking van piraterij op volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat vallen.

  Art. 101. Begripsomschrijving van piraterij.
  Piraterij is een der hiernavolgende handelingen :
  a) iedere onwettige daad van geweld of aanhouding, alsmede iedere daad van plundering die door de bemanning of de passagiers van een particulier schip of een particulier luchtvaartuig voor persoonlijke doeleinden wordt gepleegd en die is gericht :
  (i) in volle zee, tegen een ander schip of luchtvaartuig of tegen personen of eigendommen aan boord van een zodanig schip of luchtvaartuig;
  (ii) tegen een schip, een luchtvaartuig, personen of eigendommen op een plaats die buiten de rechtsmacht van enige Staat valt;
  b) iedere vrijwillige deelneming aan de exploitatie van een schip of luchtvaartuig met kennis van de feiten die het schip of luchtvaartuig tot piratenschip of piratenluchtvaartuig maken;
  c) iedere opruiing tot of opzettelijke vergemakkelijking van een in letter a of b omschreven handeling.

  Art. 102. Piraterij door een oorlogsschip, staatsschip of staatsluchtvaartuig waarvan de bemanning heeft gemuit.
  De daden van piraterij als omschreven in artikel 101, bedreven door een oorlogsschip, staatsschip of staatsluchtvaartuig waarvan de bemanning heeft gemuit en het beheer van het schip of luchtvaartuig heeft overgenomen, worden gelijkgesteld met daden bedreven door een particulier schip of luchtvaartuig.

  Art. 103. Begripsomschrijving van een piratenschip of piratenluchtvaartuig.
  Een schip of luchtvaartuig wordt als piratenschip of piratenluchtvaartuig beschouwd als het door de personen die de daadwerkelijke macht over het schip of het luchtvaartuig uitoefenen, bestemd is om te worden gebruikt voor het bedrijven van een van de in artikel 101 genoemde handelingen. Hetzelfde geldt voor een schip of luchtvaartuig dat gebruikt is voor het plegen van een dergelijke handeling, zolang het in de macht blijft van de personen die zich aan die handeling hebben schuldig gemaakt.

  Art. 104. Behoud of verlies van de nationaliteit van een piratenschip of piratenluchtvaartuig.
  Een schip of luchtvaartuig kan zijn nationaliteit behouden ondanks het feit dat het een piratenschip of piratenluchtvaartuig is geworden. Het behoud of het verlies van de nationaliteit wordt bepaald door de wet van de Staat die deze nationaliteit heeft toegekend.

  Art. 105. Inbeslagneming van een piratenschip of piratenluchtvaartuig.
  In volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat zijn gelegen, mag iedere Staat een piratenschip of piratenluchtvaartuig of een schip of luchtvaartuig dat door piraten onderscheidenlijk kapers is overmeesterd en zich in hun macht bevindt, in beslag nemen, de personen aan boord arresteren en de goederen aan boord in beslag nemen. De gerechten van de Staat die de inbeslagneming heeft uitgevoerd, kunnen beslissen over de op te leggen straffen en kunnen tevens besluiten hoe gehandeld zal worden met de schepen, luchtvaartuigen of eigendommen, met inachtneming van de rechten van derden te goeder trouw.

  Art. 106. Aansprakelijkheid voor inbeslagneming zonder voldoende grond.
  Indien een schip of luchtvaartuig zonder voldoende grond in beslag is genomen wegens verdenking van piraterij, is de Staat die de inbeslagneming heeft verricht, tegenover de Staat wiens nationaliteit het schip of luchtvaartuig bezit, aansprakelijk voor ieder verlies of iedere schade die ten gevolge van de inbeslagneming is ontstaan.

  Art. 107. Schepen en luchtvaartuigen die gerechtigd zijn tot inbeslagneming wegens piraterij.
  Inbeslagneming wegens piraterij mag alleen geschieden door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen, of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.

  Art. 108. Smokkel in verdovende middelen of psychotrope stoffen.
  1. Alle Staten werken samen bij de onderdrukking van de smokkel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, waarmede schepen in volle zee zich bezig houden in strijd met internationale verdragen.
  2. Een Staat die redelijke gronden heeft aan te nemen dat een schip dat zijn vlag voert, zich bezighoudt met smokkel in verdovende middelen of psychotrope stoffen, kan verzoeken om de medewerking van andere Staten ter onderdrukking van zodanige smokkel.

  Art. 109. Uitzendingen vanaf de volle zee waarvoor geen machtiging is verleend.
  1. Alle Staten werken samen bij de onderdrukking van uitzendingen vanaf de volle zee waarvoor geen machtiging is verleend.
  2. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent " uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend " het overbrengen van radio- of televisie-uitzendingen vanaf een schip of installatie in volle zee, bedoeld voor ontvangst door het publiek, in strijd met de internationale voorschriften, evenwel met uitzondering van noodseinen.
  3. Personen die zich bezighouden met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend, kunnen worden vervolgd voor het gerecht van :
  a) de vlaggenstaat van het schip;
  b) de Staat van registratie van de installatie;
  c) de Staat waarvan de persoon onderdaan is;
  d) iedere Staat waar de uitzendingen kunnen worden ontvangen; of
  e) iedere Staat waar de radioverbindingen waarvoor machtiging is verleend, erdoor worden gestoord.
  4. In volle zee kan een Staat die rechtsmacht bezit overeenkomstig het derde lid, in overeenstemming met artikel 110 alle personen of schepen aanhouden die zich bezighouden met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend, en de uitzendapparatuur in beslag nemen.

  Art. 110. Recht van onderzoek.
  1. Behalve in gevallen waarin zulks is toegestaan uit hoofde van aan verdragen ontleende bevoegdheden is een oorlogsschip dat in volle zee een vreemd schip aantreft, dat geen schip is dat overeenkomstig de artikelen 95 en 96 recht heeft op volledige immuniteit, niet gerechtigd het aan te houden, tenzij er gegronde reden bestaat aan te nemen :
  a) dat het schip zich bezighoudt met piraterij;
  b) dat het schip zich bezighoudt met slavenhandel;
  c) dat het schip zich bezighoudt met uitzendingen waarvoor geen machtiging is verleend en de vlaggenstaat van het oorlogsschip ingevolge artikel 109 rechtsmacht bezit;
  d) dat het schip geen nationaliteit heeft; of
  e) dat het schip, hoewel het een vreemde vlag voert of weigert zijn vlag te tonen, in werkelijkheid van dezelfde nationaliteit is als het oorlogsschip.
  2. In de gevallen bedoeld in het eerste lid kan het oorlogsschip overgaan tot een onderzoek naar het recht van het schip tot het voeren van zijn vlag. Te dien einde kan het een boot naar het verdachte schip zenden onder bevel van een officier. Indien er na het onderzoek van de scheepspapieren verdenking blijft bestaan, kan het overgaan tot een nader onderzoek aan boord van het schip, welk onderzoek dient te geschieden zonder onnodige overlast te veroorzaken.
  3. Indien de verdenkingen ongegrond blijken te zijn en indien het aangehouden schip niets heeft gedaan om die verdenkingen te rechtvaardigen, wordt het schadeloos gesteld voor ieder verlies of iedere schade daardoor eventueel geleden.
  4. Deze bepalingen zijn mutatis mutandis van toepassing op militaire luchtvaartuigen.
  5. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op andere naar behoren gemachtigde schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in gebruik zijn bij de Staat.

  Art. 111. Achtervolgingsrecht.
  1. Een vreemd schip kan worden achtervolgd als de bevoegde autoriteiten van de kuststaat goede redenen hebben aan te nemen, dat het schip de wetten en voorschriften van die Staat heeft overtreden. Een dergelijke achtervolging dient aan te vangen wanneer het vreemde schip of een van zijn boten zich binnen de binnenwateren, de archipelwateren, de territoriale zee of de aansluitende zone van de achtervolgende Staat bevindt en mag alleen buiten de territoriale zee of de aansluitende zone worden voortgezet, indien de achtervolging niet is onderbroken. Het is niet noodzakelijk dat, op het ogenblik waarop het vreemde schip binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevel krijgt te stoppen, het schip dat het bevel geeft zich eveneens binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevindt. Indien het vreemde schip zich bevindt binnen een aansluitende zone als omschreven in artikel 33, mag slechts tot achtervolging worden overgegaan, indien er een inbreuk heeft plaats gehad op de rechten voor welker bescherming de zone is ingesteld.
  2. Het recht van achtervolging is mutatis mutandis van toepassing op overtredingen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat, met inbegrip van de veiligheidszones rond installaties op het continentale plat, van de wetten en voorschriften van de kuststaat die overeenkomstig dit Verdrag van toepassing zijn op de exclusieve economische zone of het continentale plat, met inbegrip van zulke veiligheidszones.
  3. Het achtervolgingsrecht houdt op zodra het achtervolgde schip de territoriale zee van zijn eigen land of van een derde Staat bereikt.
  4. De achtervolging wordt niet geacht te zijn begonnen voordat het achtervolgende schip zich er met behulp van de ter beschikking staande bruikbare middelen van overtuigd heeft, dat het achtervolgde schip of een van zijn boten of andere schepen die in ťťn verband werken en het achtervolgde schip als moederschip gebruiken zich bevinden binnen de territoriale zee, onderscheidenlijk de aansluitende zone of de exclusieve economische zone of boven het continentale plat. De achtervolging mag slechts worden begonnen nadat een zichtbaar of hoorbaar signaal tot stoppen is gegeven op een afstand die het voor het vreemde schip mogelijk maakt het signaal te zien of te horen.
  5. Het achtervolgingsrecht mag alleen worden uitgeoefend door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.
  6. Indien de achtervolging wordt verricht door een luchtvaartuig :
  a) zijn de bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid mutatis mutandis van toepassing;
  b) moet het luchtvaartuig dat het bevel tot stoppen geeft zelf het schip daadwerkelijk achtervolgen tot het ogenblik waarop een schip of luchtvaartuig van de kuststaat, dat door het luchtvaartuig is opgeroepen, ter plaatse verschijnt om de achtervolging over te nemen, tenzij het luchtvaartuig zelf in staat is het schip aan te houden. Het is geen voldoende rechtvaardiging voor een aanhouding buiten de territoriale zee dat het schip slechts door het luchtvaartuig is ontdekt als overtreder of als verdacht van een overtreding, indien het niet bevel heeft gekregen te stoppen, alsmede is achtervolgd door het luchtvaartuig zelf of door andere luchtvaartuigen of schepen die de achtervolging ononderbroken voortzetten.
  7. Het vrijgeven van een schip dat binnen de rechtsmacht van een Staat is aangehouden en dat naar een haven van die Staat is geŽscorteerd met de bedoeling dat daar een onderzoek zal worden ingesteld door de bevoegde autoriteiten, kan niet worden geŽist alleen op grond van het feit dat het schip, tijdens zijn reis, door een deel van de exclusieve economische zone of over een deel van de volle zee geŽscorteerd werd, indien de omstandigheden zulks noodzakelijk maakten.
  8. Indien een schip buiten de territoriale zee tot stoppen is gedwongen of aangehouden onder omstandigheden die de uitoefening van het achtervolgingsrecht niet rechtvaardigen, dient het schip voor ieder verlies of iedere schade daardoor eventueel geleden, schadeloos te worden gesteld.

  Art. 112. Recht tot het leggen van onderzeese kabels en pijpleidingen.
  1. Alle Staten hebben het recht onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen op de bodem van de volle zee buiten het continentale plat.
  2. Artikel 79, vijfde lid, is op zulke kabels en pijpleidingen van toepassing.

  Art. 113. Breuk of beschadiging van een onderzeese kabel of pijpleiding.
  Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te bepalen dat strafbaar is het opzettelijk of ten gevolge van grove onachtzaamheid breken of beschadigen van een onderzeese kabel in volle zee door een schip dat zijn vlag voert, of door een persoon die is onderworpen aan zijn rechtsmacht, op een zodanige wijze, dat daardoor de telegraaf- of telefoonverbindingen kunnen worden onderbroken of bemoeilijkt, alsmede het breken of beschadigen van een onderzeese pijpleiding of een sterkstroomkabel. Deze bepaling is ook van toepassing op gedrag opzettelijk gericht op of vermoedelijk leidend tot een dergelijke breuk of beschadiging. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op een breuk of beschadiging veroorzaakt door personen die slechts handelen met het gerechtvaardigde doel hun leven of hun schip te redden, nadat zij alle noodzakelijke voorzorgen hadden genomen om een dergelijke breuk of beschadiging te vermijden.

  Art. 114. Breuk of beschadiging door eigenaars van een onderzeese kabel of pijpleiding van een andere onderzeese kabel of pijpleiding.
  Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te bepalen dat, indien aan zijn rechtsmacht onderworpen personen die eigenaar zijn van een kabel of een pijpleiding in volle zee, bij het leggen of herstellen van die kabel of pijpleiding een breuk in of schade aan een andere kabel of pijpleiding veroorzaken, deze personen de kosten van het herstel moeten betalen.

  Art. 115. Schadeloosstelling voor verlies, geleden bij het voorkomen van schade aan een onderzeese kabel of pijpleiding.
  Iedere Staat neemt de wetten en voorschriften aan nodig om te verzekeren, dat eigenaars van schepen die kunnen bewijzen dat zij een anker, net of ander vistuig hebben opgeofferd ten einde beschadiging van een onderzeese kabel of pijpleiding te voorkomen, schadeloos zullen worden gesteld door de eigenaar van de kabel of pijpleiding, onder voorwaarde dat de eigenaar van het schip van te voren alle redelijke voorzorgsmaatregelen heeft genomen.

  Afdeling 2. - Behoud en beheer van de levende rijkdommen van de volle zee.

  Art. 116. Recht te vissen op de volle zee.
  Alle Staten hebben ten behoeve van hun onderdanen het recht om de visserij op de volle zee uit te oefenen, onder inachtneming van :
  a) hun verdragsrechtelijke verplichtingen;
  b) de rechten en plichten alsmede de belangen van kuststaten zoals bepaald in onder andere artikel 63, tweede lid, en de artikelen 64 tot en met 67; en
  c) de bepalingen van deze afdeling.

  Art. 117. Plicht van Staten jegens hun onderdanen maatregelen te treffen voor het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee.
  Op alle Staten rust de plicht zelf of in samenwerking met andere Staten die maatregelen jegens hun onderdanen te treffen, die nodig zijn voor het behoud van de levende rijkdommen van de volle zee.

  Art. 118. Samenwerking tussen Staten bij het behoud en het beheer van levende rijkdommen.
  De Staten werken met elkaar samen bij het behoud en het beheer van levende rijkdommen in de gebieden van de volle zee. Staten wier onderdanen dezelfde levende rijkdommen, of verschillende levende rijkdommen in hetzelfde gebied exploiteren, dienen onderhandelingen aan te knopen ten einde de noodzakelijke maatregelen te nemen voor het behoud van de betrokken levende rijkdommen. Al naar passend werken zij samen bij de oprichting hiertoe van subregionale of regionale visserijorganisaties.

  Art. 119. Behoud van de levende rijkdommen van de volle zee.
  1. Bij de vaststelling van de toelaatbare vangst en het vaststellen van andere maatregelen tot behoud van de levende rijkdommen in de volle zee dienen de Staten :
  a) maatregelen te nemen die erop zijn gericht, op grond van de beste wetenschappelijke gegevens waarover de betrokken Staten beschikken, populaties van geoogste soorten in stand te houden of te herstellen op een peil dat een gedurig maximale opbrengst oplevert, zoals nader bepaald door milieutechnische en economische factoren, met inbegrip van de bijzondere behoeften van ontwikkelingsstaten en met inachtneming van de visserijpatronen, de onderlinge afhankelijkheid van visstapels en algemeen aanbevolen internationale, subregionale, regionale dan wel mondiale minimumnormen;
  b) rekening te houden met de gevolgen voor soorten die verwant zijn met of afhankelijk van geoogste soorten ten einde populaties van zulke verwante of afhankelijke soorten in stand te houden of te herstellen tot boven het peil waarop hun voortplanting ernstig kan worden bedreigd.
  2. De beschikbare wetenschappelijke gegevens, statistieken inzake vangst en visserij en andere voor het behoud van visstapels van belang zijnde gegevens worden regelmatig bijgedragen en uitgewisseld via bevoegde subregionale, regionale of mondiale, internationale organisaties, naar gelang passend, en waaraan wordt deelgenomen door alle betrokken Staten.
  3. De betrokken Staten verzekeren dat maatregelen voor het behoud en de tenuitvoerlegging van deze maatregelen niet naar vorm of in feite discriminatie inhouden van vissers van enige Staat.

  Art. 120. Zeezoogdieren.
  Artikel 65 is eveneens van toepassing op het behoud en het beheer van zeezoogdieren in de volle zee.

  DEEL VIII. - Regeling voor eilanden.

  Art. 121. Regeling voor eilanden.
  1. Een eiland is een natuurlijk gevormd landgebied, omgeven door water, dat bij vloed boven water uitsteekt.
  2. Behalve zoals bepaald in het derde lid, worden de territoriale zee, de aansluitende zone, de exclusieve economische zone en het continentale plat van een eiland vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag die op andere landgebieden van toepassing zijn.
  3. Rotsen waarop geen duurzame menselijke bewoning of eigen economisch leven mogelijk is, hebben geen exclusieve economische zone of continentaal plat.

  DEEL IX. - Ingesloten of half-ingesloten zeeŽn.

  Art. 122. Begripsomschrijving.
  Voor de toepassing van dit Verdrag betekent " ingesloten of half-ingesloten zee " een golf, bekken of zee, omgeven door twee of meer Staten en met een andere zee of de oceaan verbonden door een nauwe doorgang, dan wel geheel of voornamelijk bestaande uit de territoriale zeeŽn en exclusieve economische zones van twee of meer kuststaten.

  Art. 123. Samenwerking tussen Staten grenzend aan ingesloten of half-ingesloten zeeŽn.
  Staten grenzend aan een ingesloten of half-ingesloten zee dienen met elkaar samen te werken bij de uitoefening van hun rechten en het vervullen van hun plichten ingevolge dit Verdrag. Hiertoe trachten zij, rechtstreeks of door middel van een passende regionale organisatie :
  a) het beheer, het behoud, de exploratie en exploitatie van de levende rijkdommen van de zee te coŲrdineren;
  b) de uitoefening van hun rechten en plichten ten aanzien van de bescherming en het behoud van het mariene milieu te coŲrdineren;
  c) hun beleid inzake wetenschappelijk onderzoek te coŲrdineren en waar passend gezamenlijke programma's voor wetenschappelijk onderzoek in het gebied te ondernemen;
  d) naar gelang passend andere belangstellende Staten of internationale organisaties uit te nodigen met hen samen te werken ter bevordering van het bepaalde in dit artikel.

  DEEL X. - Recht van toegang van Staten zonder zeekust tot en van het verlaten van de zee; vrijheid van doortocht.

  Art. 124. Gebruik van termen.
  1. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent :
  a) " Staat zonder zeekust " een Staat die geen zeekust heeft;
  b) " Staat van doortocht " een Staat, met of zonder zeekust, gelegen tussen een Staat zonder zeekust en de zee, over wiens gebied verkeer in doortocht plaatsvindt;
  c) " verkeer in doortocht " doortocht van personen, bagage, goederen en vervoermiddelen over het grondgebied van een of meer Staten van doortocht, wanneer het passeren van zulk een grondgebied, met of zonder overlading, opslag in entrepot, het verdelen van lading in kleinere hoeveelheden of wijziging in de wijze van vervoer, slechts een deel is van een complete reis die begint of eindigt binnen het grondgebied van de Staat zonder zeekust;
  d) " middel van vervoer " :
  (i) treinwagons, vaartuigen voor gebruik op zee, meren of rivieren, en voertuigen voor gebruik op de weg;
  (ii) waar de plaatselijke omstandigheden zulks vereisen, dragers en lastdieren.
  2. Staten zonder zeekust en Staten van doortocht kunnen, bij onderlinge overeenkomst, onder de middelen van vervoer begrijpen pijpleidingen en gasleidingen en andere middelen van vervoer dan die begrepen in het eerste lid.

  Art. 125. Recht van toegang tot en van het verlaten van de zee; vrijheid van doortocht.
  1. Staten zonder zeekust hebben het recht van toegang tot en van het verlaten van de zee ten behoeve van de uitoefening van de in dit Verdrag bepaalde rechten, met inbegrip van die betreffende de vrijheid van de volle zee en het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid. Hiertoe genieten Staten zonder zeekust vrijheid van doortocht over het grondgebied van Staten van doortocht met alle middelen van vervoer.
  2. De voorwaarden en modaliteiten voor de uitoefening van de vrijheid van doortocht worden overeengekomen tussen de betrokken Staten zonder zeekust en Staten van doortocht door middel van bilaterale, subregionale of regionale overeenkomsten.
  3. Staten van doortocht hebben bij de uitoefening van hun volledige soevereiniteit over hun grondgebied, het recht alle maatregelen te nemen nodig om te verzekeren dat de in dit Deel voor Staten zonder zeekust bepaalde rechten en voorzieningen op generlei wijze hun rechtmatige belangen aantasten.

  Art. 126. Uitsluiting van de toepassing van de meest-begunstigde-natie-clausule.
  De bepalingen van dit Verdrag, alsmede de bijzondere overeenkomsten betreffende de uitoefening van het recht van toegang tot en van het verlaten van de zee, alsook het vaststellen van rechten en voorzieningen wegens de bijzondere geografische ligging van Staten zonder zeekust, zijn uitgesloten van de toepassing van de clausule inzake de meest begunstigde natie.

  Art. 127. Douanerechten, belastingen en andere heffingen.
  1. Verkeer in doortocht is niet onderworpen aan douanerechten, belastingen of andere heffingen, behalve heffingen opgelegd voor specifieke diensten verleend in verband met zulk verkeer.
  2. Middelen van vervoer in doortocht en andere voorzieningen ten behoeve van en gebruikt door Staten zonder zeekust zijn niet onderworpen aan hogere belastingen of heffingen dan die welke worden opgelegd voor het gebruik van middelen van vervoer van de Staat van doortocht.

  Art. 128. Belastingvrije zones en andere douanefaciliteiten.
  Ten behoeve van het verkeer in doortocht kunnen belastingvrije zones of andere douanefaciliteiten worden ingesteld in de havens van binnenkomst of vertrek in de Staten van doortocht, bij overeenkomst tussen die Staten en de Staten zonder kust.

  Art. 129. Samenwerking bij de bouw en verbetering van middelen van vervoer.
  Wanneer er in de Staten van doortocht geen middelen van vervoer zijn waarmede uitvoering kan worden gegeven aan de vrijheid van doortocht of wanneer de bestaande middelen, met inbegrip van de installaties en uitrusting van de havens, in enigerlei opzicht ontoereikend zijn, kunnen de betrokken Staten van doortocht en Staten zonder zeekust samenwerken bij de bouw of de verbetering daarvan.

  Art. 130. Maatregelen ter vermijding of wegneming van vertragingen of andere moeilijkheden van technische aard in het verkeer in doortocht.
  1. Staten van doortocht treffen alle passende maatregelen ter vermijding van vertragingen of andere moeilijkheden van technische aard in het verkeer in doortocht.
  2. Indien zulke vertragingen of moeilijkheden zich mochten voordoen, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken Staten van doortocht en Staten zonder zeekust samen aan de snelle wegneming daarvan.

  Art. 131. Gelijke behandeling in zeehavens.
  Schepen die de vlag voeren van Staten zonder zeekust genieten een behandeling die gelijk is aan die welke wordt toegekend aan andere vreemde schepen in zeehavens.

  Art. 132. Toekenning van ruimere doortochtfaciliteiten.
  Dit Verdrag brengt niet op enigerlei wijze met zich de intrekking van Toekenning van ruimere doortochtfaciliteiten die ruimer zijn dan die bepaald in dit Verdrag en die tussen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag zijn overeengekomen of door een Staat die partij is bij dit Verdrag zijn toegekend. Dit Verdrag sluit evenmin de toekenning uit van ruimere faciliteiten in de toekomst.

  DEEL XI. - Het gebied.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 133. Gebruik van termen.
  Voor de toepassing van dit Deel :
  a) betekent " rijkdommen " alle vaste, vloeibare of gasvormige minerale rijkdommen aanwezig in het Gebied op of onder de zeebodem, met inbegrip van verschillende metalen bevattende knollen (hierna te noemen " metaalknollen ").
  b) worden rijkdommen, wanneer uit het Gebied gewonnen, " delfstoffen " genoemd.

  Art. 134. Reikwijdte van dit Deel.
  1. Dit Deel is van toepassing op het Gebied.
  2. De werkzaamheden in het Gebied worden geregeld door het bepaalde in dit Deel.
  3. De eisen betreffende de nederlegging van en de bekendheid te geven aan de kaarten of lijsten van geografische coŲrdinaten waaruit de grenzen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1, blijken, zijn vervat in Deel VI.
  4. Niets in dit artikel is van invloed op de vaststelling van de buitengrenzen van het continentale plat overeenkomstig Deel VI of de geldigheid van overeenkomsten betreffende de afbakening tussen Staten met tegenover elkaar liggende of aan elkaar grenzende kusten.

  Art. 135. Juridische status van de bovengelegen wateren en van het luchtruim boven die wateren.
  Noch dit Deel noch enige rechten verleend of uitgeoefend ingevolge dit Deel zijn van invloed op de juridische status van de wateren gelegen boven het Gebied of van het luchtruim boven die wateren.

  Afdeling 2. - Op het gebied toepasselijke beginselen.

  Art. 136. Gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid.
  Het gebied en zijn rijkdommen zijn het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid.

  Art. 137. Juridische status van het Gebied en zijn rijkdommen.
  1. Geen enkele Staat mag aanspraak maken op soevereiniteit of soevereine rechten uitoefenen ten aanzien van enig deel van het Gebied of de rijkdommen ervan, en evenmin mag enige Staat of een natuurlijke persoon of rechtspersoon zich een deel daarvan toeŽigenen. Een zodanige aanspraak of uitoefening van soevereiniteit of soevereine rechten of een zodanige toeŽigening worden niet erkend.
  2. Alle rechten op de rijkdommen van het Gebied berusten bij de gehele mensheid, uit wier naam de Autoriteit optreedt. Deze rijkdommen kunnen niet worden vervreemd. De uit het Gebied gewonnen delfstoffen kunnen evenwel alleen worden vervreemd overeenkomstig dit Deel en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
  3. Geen Staat of natuurlijk persoon of rechtspersoon mag aanspraak maken op rechten, dan wel rechten verwerven of uitoefenen, ten aanzien van uit het Gebied gewonnen delfstoffen, behalve overeenkomstig dit Deel. Anderzins wordt een zodanige aanspraak op, dan wel verwerving of uitoefening van zodanige rechten niet erkend.

  Art. 138. Algemeen gedrag van Staten met betrekking tot het Gebied.
  Het algemeen gedrag van Staten met betrekking tot het Gebied dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van dit Deel, de beginselen vervat in het Handvest van de Verenigde Naties en andere regels van het internationale recht in het belang van de handhaving van vrede en veiligheid en de bevordering van internationale samenwerking en wederzijds begrip.

  Art. 139. Verplichting toe te zien op de naleving van het Verdrag en aansprakelijkheid voor schade.
  1. De Staten die Partij zijn zien erop toe dat de werkzaamheden in het Gebied, verricht door Staten die Partij zijn, of staatsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen die de nationaliteit bezitten van Staten die Partij zijn of onder het daadwerkelijk toezicht staan van deze Staten of van hun onderdanen, worden verricht overeenkomstig dit Deel. Dezelfde verplichting geldt voor internationale organisaties ten aanzien van werkzaamheden door zodanige organisaties in het Gebied verricht.
  2. Onverminderd de regels van het internationale recht en Bijlage III, artikel 22, leidt schade veroorzaakt door de nalatigheid van Staten die Partij zijn of van internationale organisaties hun verplichtingen ingevolge dit Deel na te komen, tot aansprakelijkheid; Staten die Partij zijn of internationale organisaties, die gezamenlijk optreden, zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk. Een Staat die Partij is, is evenwel niet aansprakelijk voor schade, veroorzaakt door de nalatigheid van een persoon voor wie hij borg staat ingevolge artikel 153, tweede lid, letter b, het bepaalde in dit Deel na te leven, indien de Staat die Partij is ingevolge artikel 153, vierde lid, en Bijlage III, artikel 4, vierde lid, alle nodige en passende maatregelen heeft getroffen om de daadwerkelijke naleving ervan te verzekeren.
  3. Staten die Partij zijn en die lid zijn van internationale organisaties dienen passende maatregelen te treffen ten einde de toepassing van dit artikel ten aanzien van zulke organisaties te waarborgen.

  Art. 140. Het belang van de mensheid.
  1. De werkzaamheden in het Gebied worden, zoals uitdrukkelijk bepaald in dit Deel, verricht in het belang van de gehele mensheid, ongeacht de geografische ligging van de Staten en of deze kuststaten dan wel Staten zonder zeekust zijn; in het bijzonder wordt rekening gehouden met de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten en van volken die nog niet hun algehele onafhankelijkheid of een andere vorm van zelfbestuur hebben verworven, zoals erkend door de Verenigde Naties overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering en andere desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering.
  2. De Autoriteit voorziet in een billijke verdeling van financiŽle en andere economische baten, opkomend uit werkzaamheden in het Gebied, via passende regelingen en op non-discriminatoire grondslag, overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter f, onder (i).

  Art. 141. Gebruik van het Gebied voor uitsluitend vreedzame doeleinden.
  Het Gebied staat uitsluitend open voor gebruik voor vreedzame doeleinden door alle Staten, of deze kuststaten dan wel Staten zonder zeekust zijn, zulks zonder onderscheid en onverminderd de andere bepalingen van dit Deel.

  Art. 142. Rechten en wettige belangen van kuststaten.
  1. Werkzaamheden in het Gebied met betrekking tot voorkomens van rijkdommen in het Gebied die zich uitstrekken tot over de grenzen waartoe de nationale rechtsmacht zich uitstrekt, worden verricht met behoorlijke inachtneming van de rechten en wettige belangen van de kuststaat onder wiens rechtsmacht zodanige voorkomens zich uitstrekken.
  2. Er wordt voortdurend overleg, met inbegrip van een stelsel van voorafgaande kennisgeving, gevoerd met de betrokken Staat, ten einde inbreuk op zodanige rechten en belangen te vermijden. In gevallen waarin werkzaamheden in het Gebied kunnen leiden tot de exploitatie van rijkdommen vallend onder de nationale rechtsmacht is de voorafgaande toestemming van de betrokken kuststaat vereist.
  3. Noch dit Deel noch enigerlei rechten verleend of uitgeoefend ingevolge dit Deel zijn van invloed op de rechten van kuststaten de met de desbetreffende bepalingen van Deel XII verenigbare maatregelen te treffen die noodzakelijk kunnen zijn om ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar voor hun kustlijn, of voor daarmede samenhangende belangen, door verontreiniging of de dreiging daarvan of door andere gevaarlijke voorvallen, voortvloeiend uit of veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied te voorkomen, te verminderen of weg te nemen.

  Art. 143. Wetenschappelijk zeeonderzoek.
  1. Wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied wordt uitsluitend verricht voor vreedzame doeleinden en ten bate van de gehele mensheid, overeenkomstig Deel XIII.
  2. De Autoriteit kan wetenschappelijk zeeonderzoek verrichten betreffende het Gebied en zijn rijkdommen en kan contracten hiertoe sluiten. De Autoriteit bevordert en stimuleert het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied en coŲrdineert en verspreidt de resultaten van zulke onderzoeken en analyses wanneer deze beschikbaar zijn.
  3. Staten die Partij zijn kunnen wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied verrichten. Staten die Partij zijn, bevorderen de internationale samenwerking bij het wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied door :
  a) aan internationale programma's deel te nemen en samenwerking in wetenschappelijk zeeonderzoek door personeel van verschillende landen en van de Autoriteit te stimuleren;
  b) te verzekeren dat programma's worden opgesteld via de Autoriteit of andere internationale organisaties, naar gelang passend, ten bate van ontwikkelingsstaten en technologisch minder ontwikkelde Staten ten einde :
  (i) hun onderzoekvermogen te versterken;
  (ii) hun personeel en het personeel van de Autoriteit op te leiden in de technieken en toepassingen van het onderzoek;
  (iii) de tewerkstelling van hun gekwalificeerde personeel bij onderzoek in het Gebied te begunstigen;
  c) de resultaten van onderzoek en analyse, wanneer deze beschikbaar zijn, op doeltreffende wijze te verspreiden, via de Autoriteit of eventueel via andere internationale kanalen.

  Art. 144. Overdracht van technologie.
  1. De Autoriteit neemt overeenkomstig dit Verdrag maatregelen :
  a) om de technologie en wetenschappelijke kennis betreffende werkzaamheden in het Gebied te verwerven; en
  b) de overdracht aan ontwikkelingsstaten van zulke technologie en wetenschappelijke kennis te bevorderen en te stimuleren zodat alle Staten die Partij zijn voordeel daarvan hebben.
  2. Hiertoe werken de Autoriteit en de Staten die Partij zijn samen bij de bevordering van de overdracht van technologie en wetenschappelijke kennis betreffende werkzaamheden in het Gebied, zodat de Onderneming en alle Staten die Partij zijn voordeel daarvan kunnen hebben. Inzonderheid nemen zij het initiatief tot en bevorderen zij :
  a) programma's voor de overdracht van technologie aan de Onderneming en aan ontwikkelingsstaten met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, met inbegrip van onder meer het vergemakkelijken van de toegang van de Onderneming en van ontwikkelingsstaten tot de desbetreffende technologie op billijke en redelijke voorwaarden en bedingen;
  b) maatregelen, gericht op de vooruitgang van de technologie van de Onderneming en de binnenlandse technologie van ontwikkelingsstaten, vooral door personeel van de Onderneming en van ontwikkelingsstaten kansen te bieden voor opleiding in de wetenschap en technologie van de zee en voor hun volledige deelneming aan werkzaamheden in het Gebied.

  Art. 145. Bescherming van het mariene milieu.
  Overeenkomstig dit Verdrag worden de noodzakelijke maatregelen genomen met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied ter verzekering van doeltreffende bescherming van het mariene milieu tegen schadelijke gevolgen die uit zodanige werkzaamheden kunnen voortvloeien. Hiertoe neemt de Autoriteit passende regels, voorschriften en procedures aan voor onder meer :
  a) het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging en andere gevaren voor het mariene milieu, met inbegrip van de kustlijn en van verstoring van het ecologisch evenwicht van het mariene milieu, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de noodzaak van bescherming tegen de schadelijke gevolgen van werkzaamheden zoals boren, baggeren, graven, het zich ontdoen van afvalstoffen, de bouw en exploitatie of het onderhoud van installaties, pijpleidingen en andere inrichtingen samenhangend met deze werkzaamheden;
  b) de bescherming en het behoud van de natuurlijke rijkdommen van het Gebied en het voorkomen van schade aan de flora en fauna van het mariene milieu.

  Art. 146. Bescherming van mensenlevens.
  Met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied worden de noodzakelijke maatregelen genomen ter verzekering van een doeltreffende bescherming van mensenlevens. Hiertoe neemt de Autoriteit passende regels, voorschriften en procedures aan ter aanvulling van bestaand internationaal recht zoals vervat in de desbetreffende verdragen.

  Art. 147. Verenigbaarheid van werkzaamheden in het Gebied met andere activiteiten in het mariene milieu.
  1. De werkzaamheden in het Gebied worden verricht met redelijke inachtneming van andere activiteiten in het mariene milieu.
  2. Voor het verrichten van werkzaamheden in het Gebied gebruikte installaties zijn onderworpen aan de volgende voorwaarden;
  a) deze installaties worden opgericht, geplaatst en verwijderd uitsluitend overeenkomstig dit Deel en met inachtneming van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit. Er moet naar behoren voorafgaand kennisgeving worden gedaan van de oprichting, plaatsing en verwijdering van deze installaties en er moeten permanente middelen voor het geven van waarschuwing omtrent hun aanwezigheid in stand worden gehouden;
  b) deze installaties mogen niet worden geplaatst waar gevaar bestaat dat het gebruik van erkende scheepvaartroutes die onmisbaar zijn voor de internationale scheepvaart wordt gehinderd, of in gebieden waar intensief de visserij wordt beoefend;
  c) rond deze installaties worden veiligheidszones ingesteld met een passende bebakening om de veiligheid van de scheepvaart en van de installaties te verzekeren. De configuratie en de plaats van deze veiligheidszones mag niet zodanig zijn dat daardoor een gordel wordt gevormd die de rechtmatige toegang van de scheepvaart tot bepaalde maritieme zones of de vaart langs internationale scheepvaartroutes belemmert;
  d) deze installaties worden uitsluitend voor vreedzame doeleinden gebruikt;
  e) deze installaties bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentaal plat.
  3. Andere werkzaamheden in het mariene milieu worden verricht met redelijke inachtneming van activiteiten in het Gebied.

  Art. 148. Deelneming van ontwikkelingsstaten aan werkzaamheden in het gebied.
  De daadwerkelijke deelneming van ontwikkelingsstaten aan werkzaamheden in het Gebied wordt bevorderd zoals speciaal bepaald in dit Deel, met behoorlijke inachtneming van hun bijzondere belangen en behoeften en inzonderheid van de bijzondere behoefte van Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging onder hen, om de belemmeringen voortvloeiend uit hun ongunstige ligging, met inbegrip van een ver verwijderde ligging van het Gebied en de moeilijkheden het Gebied te bereiken en het te verlaten, te overwinnen.

  Art. 149. Oudheidkundige en historische voorwerpen.
  Alle in het Gebied gevonden voorwerpen van oudheidkundige en historische aard worden bewaard of vervreemd ten bate van de gehele mensheid, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de preferentiŽle rechten van de Staat of het land van oorsprong, of de Staat van culturele oorsprong, of de Staat van historische en oudheidkundige oorsprong.

  Afdeling 3. - Ontginning van de rijkdommen van het gebied.

  Art. 150. Beleid ten aanzien van werkzaamheden in het Gebied.
  Werkzaamheden in het Gebied worden, zoals speciaal bepaald in dit Deel, op zodanige wijze verricht dat daardoor een gezonde ontwikkeling van de wereldeconomie en een evenwichtige groei van het internationale handelsverkeer worden gestimuleerd en internationale samenwerking voor de algemene ontwikkeling van alle landen, vooral de ontwikkelingstaten, wordt bevorderd en ten einde te verzekeren :
  a) de ontginning van de rijkdommen van het Gebied;
  b) het ordelijke, veilige en rationele beheer van de rijkdommen van het Gebied, met inbegrip van het doelmatig verrichten van werkzaamheden in het Gebied en, overeenkomstig de gezonde beginselen van het natuurbehoud, het vermijden van nodeloze verspilling;
  c) de uitbreiding van kansen voor deelneming aan zulke werkzaamheden overeenkomstig met name de artikelen 144 en 148;
  d) deelneming in inkomsten door de Autoriteit en de overdracht van technologie aan de Onderneming en aan ontwikkelingsstaten zoals bepaald in dit Verslag;
  e) het toenemend overeenkomstig de behoeften beschikbaar komen van uit het Gebied gewonnen delfstoffen, te samen met delfstoffen, gewonnen uit andere bronnen, ten einde de voorziening van de gebruikers met deze delfstoffen te waarborgen;
  f) de bevordering van rechtvaardige stabiele prijzen die lonend zijn voor de producenten en billijk voor de gebruikers, voor delfstoffen gewonnen uit zowel het Gebied als uit andere bronnen en de bevordering van evenwicht op lange termijn tussen vraag en aanbod;
  g) de vergroting van kansen voor alle Staten die Partij zijn, ongeacht hun sociale en economische stelsel of geografische ligging, deel te nemen in het ontginnen van de rijkdommen van het Gebied en de voorkoming van monopolisering van werkzaamheden in het Gebied;
  h) de bescherming van ontwikkelingslanden tegen nadelige gevolgen voor hun economie of hun inkomsten uit export, voortvloeiend uit een verlaging van de prijs van een delfstof die behoort tot die welke uit het Gebied worden gewonnen, of een vermindering van de omvang van de export van die delfstof, voor zover deze verlaging of vermindering wordt veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied, zoals bepaald in artikel 151;
  i) het ontginnen van het gemeenschappelijk erfdeel ten bate van gehele mensheid; en
  j) dat de voorwaarden voor toegang tot de markten voor de invoer van uit de rijkdommen van het Gebied geproduceerde delfstoffen en voor de invoer van uit deze delfstoffen vervaardigde basisproducten niet gunstiger zijn dan de gunstigste die gelden voor invoer uit andere bronnen.

  Art. 151. Productiebeleid.
  1. a) Onverminderd de doelen, vervat in artikel 150 en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het bepaalde in letter h van dat artikel, neemt de Autoriteit, optredend via bestaande instanties dan wel via de nieuwe regelingen of overeenkomsten die passend kunnen zijn, en waaraan alle belanghebbende partijen, met inbegrip van zowel producenten als verbruikers, deelnemen, de maatregelen die nodig zijn voor de bevordering van de groei, de doelmatigheid en de stabiliteit van markten voor de basisproducten, vervaardigd uit de in het Gebied gewonnen delfstoffen, tegen prijzen die lonend zijn voor de producenten en billijk voor de gebruikers. Alle Staten die Partij zijn werken hiertoe samen.
  b) De Autoriteit heeft het recht deel te nemen aan alle conferenties die zich bezighouden met deze basisproducten en waaraan alle belanghebbende partijen, met inbegrip van zowel producenten als gebruikers, deelnemen. De Autoriteit heeft het recht partij te worden bij een regeling of overeenkomst die uit zulke conferenties voortvloeit. Deelneming van de Autoriteit aan ingevolge deze regelingen of overeenkomsten ingestelde organen, dient betrekking te hebben op de productie in het Gebied en overeenkomstig de desbetreffende regels van die organen te zijn.
  c) De Autoriteit voldoet aan haar verplichtingen ingevolge de in dit lid bedoelde regelingen of overeenkomsten op een wijze die een eenvormige en non-discriminatoire toepassing verzekert ten aanzien van alle productie van de desbetreffende delfstoffen in het Gebied. Hierbij handelt de Autoriteit op een wijze die verenigbaar is met de voorwaarden van bestaande contracten en goedgekeurde werkplannen van de Onderneming.
  2. a) Tijdens de in het derde lid aangegeven overgangsperiode wordt geen commerciŽle productie ondernomen op grond van een goedgekeurd werkplan, totdat de exploitant bij de Autoriteit een productievergunning heeft aangevraagd en deze is verleend. Zodanige productie vergunningen mogen niet worden aangevraagd of verleend meer dan vijf jaar vůůr de voorgenomen aanvang van de commerciŽle productie ingevolge het werkplan, tenzij de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit een andere termijn voorschrijven gezien de aard en het tijdschema van de uitvoering van het project.
  b) In de aanvrage voor de productievergunning geeft de exploitant de verwachte jaarlijkse hoeveelheid nikkel aan die ingevolge het goedgekeurde werkplan zal worden gewonnen. De aanvrage omvat een overzicht van de door de exploitant te maken kosten nadat hij de vergunning heeft ontvangen, welke redelijkerwijze zijn berekend, om hem in staat te stellen op de voorgenomen datum een begin te maken met de commerciŽle productie.
  c) Voor de toepassing van het bepaalde in de letters a) en b) stelt de Autoriteit passende prestatienormen vast overeenkomstig Bijlage III, artikel 17.
  d) De Autoriteit verleent een productievergunning voor het aangevraagde productieniveau, tenzij het totaal van dat niveau en van de niveaus waarvoor reeds een vergunning werd verleend, hoger is dan het productieplafond voor nikkel, zoals berekend ingevolge het vierde lid, in het jaar waarin de vergunning wordt verleend, tijdens enig jaar van de voorgenomen productie dat valt binnen de overgangsperiode.
  e) De aanvrage en de productievergunning worden van een integrerend onderdeel van het goedgekeurde werkplan.
  f) Indien de aanvrage van de exploitant voor een productievergunning wordt afgewezen op grond van letter d, kan de exploitant te allen tijde opnieuw een aanvrage bij de Autoriteit indienen.
  3. De overgangsperiode begint vijf jaar vůůr de eerste januari van het jaar waarin de aanvang van de vroegste commerciŽle productie op grond van een goedgekeurd werkplan is voorgenomen. Indien de vroegste commerciŽle productie wordt uitgesteld tot na het oorspronkelijk voorgenomen jaar, worden het begin van de overgangsperiode en het oorspronkelijk berekende productieplafond dienovereenkomstig gewijzigd. De overgangsperiode duurt 25 jaar of tot het einde van de Herzieningsconferentie, bedoeld in artikel 155 of tot de dag waarop de in het eerste lid bedoelde nieuwe regelingen of overeenkomsten in werking treden, welke van beide het eerst valt. De Autoriteit herkrijgt de in dit artikel bepaalde bevoegdheden voor het resterende gedeelte van de overgangsperiode indien genoemde regelingen of overeenkomsten zouden verstrijken of om enigerlei reden buiten werking zouden treden.
  4. a) Het productieplafond voor enig jaar van de overgangsperiode is het totaal van :
  (i) het verschil tussen de trendlijnwaarden voor het nikkelverbruik, zoals berekend op grond van letter b), voor het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de vroegste commerciŽle productie en het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de overgangsperiode; en
  (ii) zestig procent van het verschil tussen de trendlijnwaarden voor het nikkelverbruik, zoals berekend op grond van letter b), voor het jaar waarvoor een aanvraag voor de productievergunning is ingediend en het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het jaar van de vroegste commerciŽle productie.
  b) Voor de toepassing van letter a) :
  (i) zijn de trendlijnwaarden gebruikt voor de berekening van het plafond van de nikkelproductie die waarden voor het jaarlijkse nikkelverbruik, op een trendlijn, die zijn berekend tijdens het jaar waarin een productievergunning wordt verleend. De trendlijn wordt afgeleid van een lineaire regressie van de logaritmen van het feitelijke nikkelverbruik voor de meest recente periode van 15 jaar waarover deze gegevens beschikbaar zijn, waarbij de tijd als onafhankelijke variabele wordt genomen. Deze trendlijn wordt de oorspronkelijke trendlijn genoemd;
  (ii) indien de jaarlijkse stijging van de oorspronkelijke trendlijn minder dan 3 procent bedraagt, wordt de ter bepaling van de in letter a bedoelde hoeveelheden gebruikte trendlijn echter een trendlijn die de oorspronkelijke trendlijn kruist bij de waarde voor het eerste jaar van de desbetreffende periode van vijftien jaar, en stijgt deze jaarlijks met 3 procent; zulks evenwel op voorwaarde dat het voor enig jaar van de overgangsperiode bepaalde productieplafond in geen geval het verschil mag overschrijden tussen de oorspronkelijke trendlijnwaarde voor dat jaar en de oorspronkelijke trendlijnwaarde voor het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de overgangsperiode.
  5. De Autoriteit reserveert voor de Onderneming voor haar aanvangsproductie een hoeveelheid van 38 000 metrieke ton nikkel uit het ingevolge het vierde lid berekende beschikbare productieplafond.
  6. a) Een exploitant mag in enig jaar minder produceren dan het niveau van de jaarlijkse productie van delfstoffen uit metaalknollen zoals aangegeven in zijn productievergunning, of dit niveau met ten hoogste 8 procent overschrijden, mits het totaal van de productie niet de in de vergunning aangegeven omvang overschrijdt. Over een overschot van meer dan 8 procent en tot 20 procent in enig jaar, of een overschot in het eerste jaar en de volgende nŗ twee achtereenvolgende jaren waarin zich overschotten voordoen, moet worden onderhandeld met de Autoriteit, die van de exploitant kan verlangen dat deze een aanvullende productievergunning aanvraagt ter dekking van de bijkomende productie.
  b) Aanvragen voor zulke aanvullende productievergunningen worden door de Autoriteit alleen in overweging genomen nadat alle hangende aanvragen van exploitanten die nog geen productievergunning hebben ontvangen, zijn behandeld en terdege rekening is gehouden met eventuele andere aanvragers. De Autoriteit heeft als richtsnoer het beginsel dat de ingevolge het productieplafond totale toegestane productie niet in enig jaar van de overgangsperiode mag worden overschreden. Zij geeft geen vergunning voor productie op grond van enig werkplan voor een grotere hoeveelheid dan 46 500 metrieke ton nikkel per jaar.
  7. De productieniveaus van andere metalen zoals koper, kobalt en mangaan, gewonnen uit metaalknollen die ingevolge een productievergunning worden gewonnen, dienen niet hoger te zijn dan die welke zouden zijn geproduceerd indien de exploitant het ingevolge dit artikel berekende maximumniveau nikkel uit deze knollen had geproduceerd. De Autoriteit stelt ingevolge Bijlage III, artikel 17, regels, voorschriften en procedures vast ter toepassing van dit lid.
  8. De op grond van de desbetreffende multilaterale handelsovereenkomsten geldende rechten en plichten betreffende oneerlijke economische praktijken zijn van toepassing op de exploratie en de exploitatie van delfstoffen in het Gebied. Bij de regeling van zich ingevolge deze bepaling voordoende geschillen, maken Staten die Partij zijn, en die Partij zijn bij zulke multilaterale handelsovereenkomsten gebruik van de procedures voor de regeling van geschillen van zulke overeenkomsten.
  9. De Autoriteit heeft de bevoegdheid het productieniveau van delfstoffen in het Gebied, geen delfstoffen uit metaalknollen zijnde, te beperken op de voorwaarden en met toepassing van de methoden die passend kunnen zijn, door het aannemen van voorschriften overeenkomstig artikel 161, achtste lid.
  10. Op aanbeveling van de Raad, gebaseerd op advies van de Commissie voor economische planning, stelt de Vergadering een compensatiestelsel in of neemt zij andere maatregelen voor steun bij economische aanpassing, met inbegrip van samenwerking met gespecialiseerde organisaties en andere internationale organisaties, om ontwikkelingslanden die ernstige nadelige gevolgen voor hun inkomsten uit export of hun economie ondervinden, als gevolg van een verlaging van de prijs van een delfstof die behoort tot die welke in het Gebied worden gewonnen of een vermindering van de omvang van de export van die delfstof, steun te verlenen, voor zover deze verlaging of vermindering wordt veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied. Op verzoek verricht de Autoriteit onderzoeken naar de problemen van die Staten die het risico lopen het ernstigst te zullen worden getroffen, ten einde hun moeilijkheden tot een minimum te beperken en hen te steunen bij hun economische aanpassing.

  Art. 152. Uitoefening van bevoegdheden en functies door de Autoriteit.
  1. Bij de uitoefening van haar bevoegdheden en functies, met inbegrip van het verlenen van gelegenheid tot het uitvoeren van werkzaamheden in het Gebied wordt discriminatie door de Autoriteit vermeden.
  2. Niettemin is het toegestaan bijzondere aandacht te schenken aan de ontwikkelingsstaten, met inbegrip van bijzondere aandacht, geschonken aan Staten zonder zeekust en de Staten met een ongunstige geografische ligging onder deze, waarin in dit Deel speciaal wordt voorzien.

  Art. 153. Stelsel van exploratie en exploitatie.
  1. De werkzaamheden in het Gebied worden uit naam van de gehele mensheid georganiseerd en verricht en er wordt toezicht op uitgeoefend door de Autoriteit overeenkomstig dit artikel alsmede andere desbetreffende bepalingen van dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
  2. De werkzaamheden in het Gebied worden verricht zoals voorgeschreven in het derde lid :
  a) door de onderneming, en
  b) te samen met de Autoriteit door Staten die Partij zijn of staatsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen die de nationaliteit bezitten van de Staten die Partij zijn of onder het daadwerkelijk toezicht staan van deze Staten of hun onderdanen, wanneer deze Staten voor hen borg staan, of een groep van de hierboven genoemden, die voldoet aan de eisen bepaald in dit Deel en in Bijlage III.
  3. De werkzaamheden in het Gebied worden verricht overeenkomstig een officieel schriftelijk werkplan, opgesteld overeenkomstig Bijlage III en door de Raad goedgekeurd na toetsing door de Juridische en Technische Commissie. In het geval van werkzaamheden in het Gebied die volgens vergunning van de Autoriteit worden verricht door de lichamen aangegeven in het tweede lid, letter b, heeft het werkplan, overeenkomstig Bijlage III, artikel 3, de vorm van een contract. Deze contracten kunnen voorzien in gezamenlijke regelingen overeenkomstig Bijlage III, artikel 11.
  4. De Autoriteit oefent het toezicht uit op de werkzaamheden in het Gebied dat nodig is ten en de naleving te verzekeren van de desbetreffende bepalingen van dit Deel en de daarop betrekking hebbende bijlagen, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit en de overeenkomstig het derde lid goedgekeurde werkplannen. De Staten die Partij zijn helpen de Autoriteit bij het nemen van alle maatregelen die nodig zijn om overeenkomstig artikel 139 deze naleving te verzekeren.
  5. De Autoriteit heeft het recht te allen tijde maatregelen zoals bepaald in dit Deel te nemen ter verzekering van de naleving van de bepalingen ervan en van de uitoefening van de toezichthoudende en reglementaire functies die haar zijn opgedragen krachtens dit Deel of krachtens een contract. De Autoriteit heeft het recht alle installaties in het Gebied die worden gebruikt in verband met werkzaamheden in het Gebied te inspecteren.
  6. Een contract op grond van het derde lid voorziet in de bescherming van de contractuele rechten. Een contract wordt derhalve niet voorzien, opgeschort of beŽindigd behalve overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van Bijlage III.

  Art. 154. Periodieke toetsing.
  Iedere vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag gaat de Vergadering over tot een algemene en stelselmatige toetsing van de wijze waarop de internationale regeling voor het Gebied die is ingesteld in dit Verdrag in de praktijk heeft gewerkt. In het licht van deze toetsing kan de Vergadering maatregelen nemen, of aanbevelen dat andere organen maatregelen nemen, overeenkomstig de bepalingen en procedures van dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen, die zullen leiden tot verbetering van de werking van de regeling.

  Art. 155. De Herzieningsconferentie.
  1. Vijftien jaar na 1 januari van het jaar waarin de eerste commerciŽle productie op grond van een goedgekeurd werkplan aanvangt, roept de Vergadering een conferentie bijeen voor de herziening van de bepalingen in dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, waarbij het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied wordt geregeld. De Herzieningsconferentie beziet tot in bijzonderheden, in het licht van de tijdens die periode opgedane ervaring :
  a) of de bepalingen van dit Deel, waarbij het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied wordt geregeld, in alle opzichten aan hun doel hebben beantwoord, met inbegrip van de vraag of zij de gehele mensheid ten goede zijn gekomen;
  b) of, tijdens de periode van 15 jaar, gereserveerde gebieden zijn geŽxploiteerd op een doeltreffende en evenwichtige wijze, vergeleken met niet-gereserveerde gebieden;
  c) of de ontginning en het gebruik van het Gebied en zijn rijkdommen zijn ondernomen op een wijze waardoor de gezonde ontwikkeling van de wereldeconomie en de evenwichtige groei van het internationale handelsverkeer zijn bevorderd;
  d) of monopolisering van werkzaamheden in het Gebied is voorkomen;
  e) of het in artikelen 150 en 151 vervatte beleid zijn doelen heeft bereikt;
  f) of het stelsel heeft geleid tot een billijke verdeling van de uit werkzaamheden in het Gebied opgekomen voordelen, zulks met bijzondere inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten.
  2. De Herzieningsconferentie verzekert de handhaving van het beginsel van het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid, de internationale regeling waarmede wordt beoogd een billijke exploitatie te verzekeren van de rijkdommen van het Gebied ten bate van alle landen, vooral de ontwikkelingsstaten, en een Autoriteit die de werkzaamheden in het Gebied organiseert, leidt en er toezicht op uitoefent. Zij verzekert tevens de handhaving van de in dit Deel vervatte beginselen ten aanzien van de uitsluiting van aanspraken op of de uitoefening van soevereiniteit over enig deel van het Gebied, de rechten van Staten en hun algemeen optreden met betrekking tot het Gebied en hun deelneming aan werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig dit Verdrag, de voorkoming van monopolisering van werkzaamheden in het Gebied, het gebruik van het Gebied uitsluitend voor vreedzame doeleinden, de economische aspecten van werkzaamheden in het Gebied, wetenschappelijk zeeonderzoek, overdracht van technologie, bescherming van het mariene milieu, bescherming van mensenlevens, rechten van kuststaten, de juridische status van de boven het Gebied gelegen wateren en van het luchtruim boven die wateren en verenigbaarheid van werkzaamheden in het Gebied en met andere activiteiten in het mariene milieu.
  3. De besluitvormingsprocedure die geldt voor de Herzieningsconferentie is dezelfde als die welke gold tijdens de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee. De conferentie stelt alles in het werk om door middel van consensus overeenstemming omtrent wijzigingen te bereiken en er wordt over deze aangelegenheden niet gestemd totdat alle middelen om tot een consensus te komen zijn uitgeput.
  4. Indien de Herzieningsconferentie vijf jaar nadat zij is aangevangen, geen overeenstemming heeft bereikt omtrent het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied, kan zij tijdens de daarop volgende 12 maanden bij een meerderheid van drie vierde van de Staten die Partij zijn, besluiten de door haar noodzakelijk en passend geachte wijzigingen, waarbij het stelsel wordt gewijzigd of veranderd aan te nemen en voor bekrachtiging of toetreding voor te leggen aan de Staten die Partij zijn. Deze wijzigingen treden voor alle Staten die Partij zijn in werking 12 maanden na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door drie vierde van de Staten die Partij zijn.
  5. Ingevolge dit artikel door de Herzieningsconferentie aangenomen wijzigingen laten krachtens bestaande contracten verworven rechten onverlet.

  Afdeling 4. - De Autoriteit.

  Onderafdeling A. - Algemene bepalingen.

  Art. 156. Instelling van de Autoriteit.
  1. Hierbij wordt ingesteld de Internationale Zeebodemautoriteit, die functioneert overeenkomstig dit Deel.
  2. Alle Staten die Partij zijn, zijn uit dien hoofde lid van de Autoriteit.
  3. Waarnemers tijdens de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee die de Slotakte hebben ondertekend en waarnaar niet wordt verwezen in artikel 305, eerste lid, letters c, d, e of f, hebben het recht deel te nemen aan de Autoriteit als waarnemers, overeenkomstig de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
  4. De zetel van de Autoriteit is in Jamaica.
  5. De Autoriteit kan de regionale centra of kantoren instellen die zij nodig acht voor de uitoefening van haar functies.

  Art. 157. Aard en fundamentele beginselen van de Autoriteit.
  1. De Autoriteit is de organisatie door middel waarvan Staten die Partij zijn, overeenkomstig dit Deel, de werkzaamheden in het Gebied organiseren en er toezicht op uitoefenen, vooral ten einde de rijkdommen van het Gebied te beheren.
  2. De bevoegdheden en functies van de Autoriteit zijn die welke uitdrukkelijk aan haar zijn toegekend door dit Verdrag. De Autoriteit bezit de nadere bevoegdheden, verenigbaar met dit Verdrag, die haar stilzwijgend zijn toegekend en noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze bevoegdheden en functies ten aanzien van werkzaamheden in het Gebied.
  3. De grondslag van de Autoriteit is het beginsel van de soevereine gelijkheid van al haar leden.
  4. Alle leden van de Autoriteit vervullen in goede trouw de door hen overeenkomstig dit Deel op zich genomen verplichtingen ten einde aan allen de uit het lidmaatschap voortvloeiende rechten en voordelen te verzekeren.

  Art. 158. Organen van de Autoriteit.
  1. Hierbij worden als de hoofdorganen van de Autoriteit ingesteld een Vergadering, een Raad en een Secretariaat.
  2. Hierbij wordt opgericht de Onderneming, het orgaan door middel waarvan de Autoriteit alle functies uitoefent bedoeld in artikel 170, eerste lid.
  3. Overeenkomstig dit Deel kunnen de ondergeschikte organen worden ingesteld die noodzakelijk blijken te zijn.
  4. Elk hoofdorgaan van de Autoriteit en de Onderneming is verantwoordelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden en functies die daaraan zijn toegekend. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden en functies vermijdt elk orgaan iedere handeling die inbreuk kan maken op of de uitoefening belemmeren van speciale bevoegdheden en functies, toegekend aan een ander orgaan.

  Onderafdeling B. - De vergadering.

  Art. 159. Samenstelling, procedure en wijze van stemmen.
  1. De Vergadering bestaat uit alle leden van de Autoriteit. Elk lid heeft een vertegenwoordiger in de Vergadering, die vergezeld kan worden door plaatsvervangers en adviseurs.
  2. De Vergadering komt bijeen in gewone jaarlijkse zittingen en in de bijzondere zittingen waartoe de Vergadering besluit, of die worden bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal op verzoek van de Raad of van een meerderheid van de leden van de Autoriteit.
  3. De zittingen worden gehouden ter plaatse van de zetel van de Autoriteit, tenzij de Vergadering anders besluit.
  4. De Vergadering stelt haar reglement van orde vast. Bij de aanvang van elke gewone zitting kiest zij haar Voorzitter en die andere functionarissen die nodig zijn. Deze blijven in functie tot een nieuwe Voorzitter en andere functionarissen, worden gekozen tijdens de volgende gewone zitting.
  5. Een meerderheid van de leden van de Vergadering vormt een quorum.
  6. Elk lid van de Vergadering heeft ťťn stem.
  7. Besluiten omtrent procedurele aangelegenheden, met inbegrip van besluiten bijzondere zittingen van de Vergadering bijeen te roepen, worden genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
  8. Besluiten omtrent inhoudelijke aangelegenheden worden genomen met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits zulk een meerderheid omvat van de leden die aan de zitting deelnemen. Wanneer de vraag rijst of een aangelegenheid inhoudelijk is of niet, wordt deze als een inhoudelijke aangelegenheid behandeld, tenzij de Vergadering anders besluit bij de voor besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden vereiste meerderheid.
  9. Wanneer een inhoudelijke aangelegenheid voor de eerste maal in stemming wordt gebracht, kan de Voorzitter, en moet deze indien ten minste een vijfde van de leden van de Vergadering zulks verzoekt, de kwestie van een stemming over die aangelegenheid uitstellen voor een termijn van niet langer dan vijf kalenderdagen. Deze regel kan slechts eenmaal op een aangelegenheid worden toegepast en mag niet zo worden toegepast dat die aangelegenheid wordt uitgesteld tot na het einde van de zitting.
  10. Naar aanleiding van een aan de Voorzitter gericht schriftelijk verzoek, gesteund door ten minste een vierde van de leden van de Autoriteit, om een advies omtrent de verenigbaarheid met dit Verdrag van een aan de Vergadering voorgelegd voorstel over enigerlei aangelegenheid, verzoekt de Vergadering de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee hieromtrent advies uit te brengen en stelt zij de stemming over dat voorstel uit in afwachting van de ontvangst van het advies van de Kamer. Indien het advies niet is ontvangen voor de laatste week van de zitting waarin erom is gevraagd, besluit de Vergadering wanneer zij bijeenkomt om over het uitgestelde voorstel te stemmen.

  Art. 160. Bevoegdheden en functies.
  1. Als enig orgaan van de Autoriteit dat uit alle leden bestaat, wordt de Vergadering als het hoogste orgaan van de Autoriteit beschouwd waaraan de andere hoofdorganen verantwoording verschuldigd zijn, zoals speciaal bepaald in dit Verdrag. De Vergadering bezit de bevoegdheid algemene beleidslijnen te bepalen overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag inzake enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit.
  2. Daarnaast bezit de Vergadering de bevoegdheden en functies tot :
  a) het kiezen van de leden van de Raad overeenkomstig artikel 161;
  b) het kiezen van de Secretaris-Generaal uit de kandidaten, voorgedragen door de Raad;
  c) het kiezen, op aanbeveling van de Raad, van de leden van de Raad van Bestuur van de Onderneming en de Directeur-Generaal van de Onderneming;
  d) het instellen van de ondergeschikte organen die zij noodzakelijk acht voor de uitoefening van haar functies overeenkomstig dit Deel. Bij de samenstelling van deze ondergeschikte organen wordt naar behoren rekening gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling en met bijzondere belangen en de behoefte aan leden die gekwalificeerd en bevoegd zijn ten aanzien van de desbetreffende technische vraagstukken die door deze organen worden behandeld;
  e) het vaststellen van de bijdragen van de leden aan de administratieve begroting van de Autoriteit overeenkomstig een overeengekomen schaal gebaseerd op de schaal gebruikt voor de gewone begroting van de Verenigde Naties, tot de Autoriteit voldoende inkomsten uit andere bronnen heeft om haar administratieve uitgaven te dekken;
  f) (i) het overwegen en goedkeuren, op aanbeveling van de Raad, van de regels, voorschriften en procedures inzake de billijke verdeling van financiŽle en andere economische voordelen, opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied en de betalingen en bijdragen, verricht ingevolge artikel 82, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten en volken die nog geen volledige onafhankelijkheid of andere status van zelfbestuur hebben verworven. Indien de Vergadering de aanbevelingen van de Raad niet goedkeurt, zendt de Vergadering deze terug naar de Raad voor hernieuwde overweging in het licht van de door de Vergadering naar voren gebrachte zienswijzen;
  (ii) het overwegen en goedkeuren van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en van wijzigingen daarop, voorlopig aangenomen door de Raad ingevolge artikel 162, tweede lid, letter o, onder (ii). Deze regels, voorschriften en procedures betreffen het onderzoek, de exploratie en exploitatie in het Gebied, het financieel beheer en de interne administratie van de Autoriteit, en, op aanbeveling van de Raad van Bestuur van de Onderneming, de overdracht van financiŽle middelen van de Onderneming aan de Autoriteit.
  g) het besluiten over de billijke verdeling van financiŽle en andere economische voordelen opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied, overeenkomstig dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
  h) het overwegen en goedkeuren van de voorgestelde jaarlijkse begroting van de Autoriteit, ingediend door de Raad;
  i) het bestuderen van periodieke rapporten van de Raad en van de Onderneming en van speciale rapporten waarom de Raad of een ander orgaan van de Autoriteit is verzocht;
  j) het doen verrichten van studies en het doen van aanbevelingen ten behoeve van de bevordering van de internationale samenwerking betreffende werkzaamheden in het Gebied en het stimuleren van de geleidelijke ontwikkeling van het daarop betrekking hebbende internationale recht en de codificatie daarvan;
  k) het overwegen van vraagstukken van algemene aard in verband met werkzaamheden in het Gebied die zich vooral voordoen voor ontwikkelingsstaten, alsmede de problemen voor Staten in verband met werkzaamheden in het Gebied vanwege hun geografische ligging, in het bijzonder voor Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging;
  l) het instellen, op aanbeveling van de Raad, op basis van advies van de Commissie voor Economische Planning, van een stelsel van compensatie of andere maatregelen voor steun bij economische aanpassing, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid;
  m) het schorsen van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap ingevolge artikel 185;
  n) het bespreken van enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit en het beslissen, welk orgaan van de Autoriteit een zodanige aangelegenheid of zaak zal behandelen die niet speciaal is opgedragen aan een bepaald orgaan, zulks overeenkomstig de verdeling van bevoegdheden en functies tussen de organen van de Autoriteit.

  Onderafdeling C. - De Raad.

  Art. 161. Samenstelling, procedure en wijze van stemming.
  1. De Raad bestaat uit 36 leden van de Autoriteit, die door de Vergadering worden gekozen in de onderstaande volgorde :
  a) vier leden uit de Staten die Partij zijn die, gedurende de laatste vijf jaar waarvoor statistieken beschikbaar zijn, hetzij meer dan 2 procent van het totale wereldverbruik hebben verbruikt, hetzij een netto invoer hebben gehad van meer dan 2 procent van de totale wereldinvoer van de grondstoffen, geproduceerd uit de categorieŽn delfstoffen die in het Gebied zullen worden gewonnen, en in elk geval een Staat uit de Oosteuropese (socialistische) regio, alsmede de grootste verbruiker;
  b) vier leden uit de acht Staten die Partij zijn die de grootste investeringen hebben in de voorbereiding en het verrichten van werkzaamheden in het Gebied, hetzij direct, hetzij via hun onderdanen, waaronder ten minste een Staat uit de Oosteuropese (socialistische) regio;
  c) vier leden uit de Staten die Partij zijn die op basis van de productie in onder hun rechtsmacht vallende gebieden grote netto exporteurs zijn van de categorieŽn metalen die zullen worden gewonnen in het Gebied, waaronder ten minste twee ontwikkelingsstaten wier exporten van zulke delfstoffen van aanzienlijk belang zijn voor hun economie;
  d) zes leden uit de ontwikkelingsstaten die Partij zijn, die bijzondere belangen vertegenwoordigen. De te vertegenwoordigen bijzondere belangen omvatten die van Staten met een grote bevolking, Staten zonder zeekust of Staten met een ongunstige geografische ligging, Staten die grote importeurs zijn van de categorieŽn metalen die uit het Gebied zullen worden gewonnen, Staten die potentiŽle producenten van zulke delfstoffen zijn, en de minst ontwikkelde Staten;
  e) achttien leden, gekozen volgens het beginsel dat een billijke geografische verdeling van zetels in de Raad als geheel moet worden verzekerd, met dien verstande dat elke geografische regio ten minste ťťn op grond van deze letter gekozen lid heeft. Voor de toepassing van deze bepaling zijn de geografische regio's Afrika, AziŽ, Oosteuropa (socialistisch), Latijns-Amerika, alsmede West-Europa en andere Staten.
  2. Bij de verkiezing van leden van de Raad overeenkomstig het eerste lid verzekert de Vergadering dat :
  a) Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging vertegenwoordigd zijn in een mate die in redelijke verhouding staat tot hun vertegenwoordiging in de Vergadering;
  b) kuststaten, vooral ontwikkelingsstaten, die niet in aanmerking komen ingevolge het eerste lid, letter a, b, c of d, zijn vertegenwoordigd in een mate die in redelijke verhouding staat tot hun vertegenwoordiging in de Vergadering;
  c) elke groep Staten die Partij zijn en die vertegenwoordigd moet zijn in de Raad, wordt vertegenwoordigd door die leden die eventueel door die groep zijn voorgedragen.
  3. De verkiezingen vinden plaats tijdens de gewone zittingen van de Vergadering. Elk lid van de Raad wordt gekozen voor vier jaar. Tijdens de eerste verkiezing is de ambtstermijn van de helft van de leden van elke in het eerste lid bedoelde groep evenwel twee jaar.
  4. De leden van de Raad zijn herkiesbaar, maar voldoende aandacht dient te worden besteed aan de wenselijkheid van een roulering van het lidmaatschap.
  5. De Raad oefent zijn functies ter plaatse van de zetel van de Autoriteit en komt zo vaak bijeen als de werkzaamheden van de Autoriteit vereisen, doch niet minder dan driemaal per jaar.
  6. Een meerderheid van de leden van de Raad vormt een quorum.
  7. Elk lid van de Raad heeft ťťn stem.
  8. a) Besluiten inzake procedurekwesties worden genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
  b) Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich op grond van de hierna genoemde bepalingen voordoen, worden genomen met een twee derde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden van de Raad : artikel 162, tweede lid, letters f, g, h, i, n, p, v; artikel 191.
  c) Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich voordoen op grond van de hierna genoemde bepalingen worden genomen met een drie vierde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden van de Raad : artikel 162, eerste lid, artikel 162, tweede lid, letters a, b, c, d, e, l, q, r, s, t; u in geval van niet naleving door een contractant of een Staat die deze steun verleent; w met dien verstande dat ingevolge deze letter uitgevaardigde bevelen niet bindend kunnen zijn voor langer dan 30 dagen, tenzij bevestigd bij een besluit, genomen overeenkomstig letter d; artikel 162, tweede lid, letters x, y, z; artikel 163, tweede lid; artikel 174, derde lid; Bijlage IV, artikel 11.
  d) Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich voordoen op grond van de hierna genoemde bepalingen worden genomen bij consensus : artikel 162, tweede lid, letters m en o; aanneming van wijzigingen op Deel XI.
  e) Voor de toepassing van de letters d, f en g betekent " consensus " het ontbreken van een formeel bezwaar. Binnen 14 dagen na de voorlegging van een voorstel aan de Raad bepaalt de Voorzitter van de Raad of er een formeel bezwaar tegen de aanvaarding van het voorstel zou zijn. Indien de Voorzitter constateert dat er zulk een bezwaar zou zijn, roept de Voorzitter binnen drie dagen na deze constatering een door hem ingestelde bemiddelingscommissie bijeen, bestaande uit niet meer dan negen leden van de Raad, die door hemzelf wordt voorgezeten, ter regeling van de meningsverschillen en ter opstelling van een voorstel dat bij consensus kan worden aanvaard. De commissie dient snel te werken en binnen 14 dagen na haar instelling verslag uit te brengen aan de Raad. Indien de commissie niet in staat is een voorstel aan te bevelen, dat bij consensus kan worden aanvaard, zet zij in haar verslag de redenen uiteen, waarom er bezwaar is tegen het voorstel.
  f) Besluiten inzake aangelegenheden die niet hierboven zijn opgesomd en die de Raad bevoegd is te nemen op grond van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit of anderszins, worden genomen ingevolge de letters van dit lid, aangegeven in de regels, voorschriften en procedures of, indien daarin niet aangegeven, dan ingevolge de letter die de Raad indien mogelijk vooraf bij consensus heeft bepaald.
  g) Indien de vraag zich voordoet of een aangelegenheid binnen de letters a, b, c of d valt, wordt deze behandeld als vallend binnen de letter die de grootste meerderheid of de consensus vereist, naar gelang het geval, tenzij anders beslist door de Raad bij de genoemde meerderheid of bij consensus.
  9. De Raad stelt een procedure vast waarbij een lid van de Autoriteit dat niet in de Raad vertegenwoordigd is, een vertegenwoordiger kan zenden om de vergadering van de Raad bij te wonen wanneer zulk een lid hiertoe een verzoek heeft ingediend of een aangelegenheid die dat lid bijzonder raakt, wordt bestudeerd. Zulk een vertegenwoordiger is gerechtigd deel te nemen aan de besprekingen, doch heeft geen stemrecht.

  Art. 162. Bevoegdheden en functies.
  1. De Raad is het uitvoerend orgaan van de Autoriteit. De Raad heeft de bevoegdheid, overeenkomstig dit Verdrag en de door de Vergadering vastgestelde algemene beleidslijnen, het specifieke beleid te bepalen dat de Autoriteit zal voeren ten aanzien van enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit.
  2. Daarnaast dient de Raad :
  a) zorg te dragen voor het toezicht op en de coŲrdinatie van de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van alle vraagstukken en aangelegenheden vallende onder de bevoegdheid van de Autoriteit, en de aandacht van de Vergadering te vestigen op gevallen waarin deze niet worden nageleefd;
  b) aan de Vergadering een voordracht te doen van kandidaten voor de verkiezing van de Secretaris-Generaal;
  c) aan de Vergadering kandidaten aan te bevelen voor de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de Onderneming en van de Directeur-Generaal van de Onderneming;
  d) waar passend, en naar behoren rekening houdend met een zuinig beheer en efficiŽntie, de onderschikte organen in te stellen die hij noodzakelijk acht voor de uitoefening van zijn functies overeenkomstig dit Deel. Bij de samenstelling van ondergeschikte organen wordt de nadruk gelegd op de behoefte aan leden die gekwalificeerd en bekwaam zijn ten aanzien van de desbetreffende technische aangelegenheden die door deze organen worden behandeld, mits naar behoren rekening wordt gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling en met bijzondere belangen;
  e) zijn reglement van orde, met inbegrip van de wijze van verkiezing van zijn voorzitter, vast te stellen;
  f) overeenkomsten te sluiten met de Verenigde Naties of andere internationale organisaties namens de Autoriteit en binnen zijn bevoegdheid, zulks behoudens goedkeuring door de Vergadering;
  g) de verslagen van de Onderneming te bestuderen en deze met zijn aanbevelingen door te zenden aan de Vergadering;
  h) aan de Vergadering een jaarverslag over te leggen, alsmede de bijzondere verslagen waarom de Vergadering kan verzoeken;
  i) richtlijnen te verstrekken aan de Onderneming overeenkomstig artikel 170;
  j) werkplannen goed te keuren overeenkomstig Bijlage III, artikel 6. De Raad spreekt zich uit over elk werkplan binnen 60 dagen nadat het is voorgelegd door de Juridische en Technische Commissie tijdens een zitting van de Raad overeenkomstig de onderstaande procedures;
  (i) indien de Commissie de goedkeuring van een werkplan aanbeveelt, wordt het geacht te zijn goedgekeurd door de Raad indien geen lid van de Raad binnen 14 dagen schriftelijk een specifiek bezwaar bij de Voorzitter indient, waarin het stelt dat niet is voldaan aan de vereisten van Bijlage III, artikel 6. Indien er bezwaar is, wordt de in artikel 161, achtste lid, letter e, vervatte bemiddelingsprocedure toegepast. Indien aan het einde van de bemiddelingsprocedure het bezwaar nog steeds wordt gehandhaafd, wordt het werkplan geacht door de Raad te zijn goedgekeurd, tenzij de Raad afkeurt bij consensus van zijn leden, met uitzondering van de Staat of Staten die de aanvraag indient (indienen) of de aanvrager steunt (steunen);
  (ii) indien de Commissie de afkeuring van een werkplan aanbeveelt of geen aanbeveling doet, kan de Raad het werkplan goedkeuren met een drie vierde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden die aan de zitting deelnemen;
  k) door de Onderneming overeenkomstig Bijlage IV, artikel 12, voorgelegde werkplannen goed te keuren, waarbij de procedures vervat in letter j mutatis mutandis worden toegepast;
  l) toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, vierde lid, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit;
  m) op aanbeveling van de Commissie voor Economische Planning, overeenkomstig artikel 150, letter h, de nodige en passende maatregelen te nemen om bescherming te bieden tegen de daarin genoemde nadelige economische gevolgen;
  n) de Vergadering aanbevelingen te doen, op basis van advies van de Commissie voor Economische Planning, voor een stelsel van compensatie of andere maatregelen voor steunverlenging bij economische aanpassing, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid;
  o) (i) aan de Vergadering regels, voorschriften en procedures aan te bevelen inzake de billijke verdeling van financiŽle en andere economische voordelen opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied en de betalingen en bijdragen gedaan ingevolge artikel 82, met bijzondere inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten en volken die geen volledige onafhankelijkheid of andere status van zelfbestuur hebben bereikt;
  (ii) in afwachting van goedkeuring door de Vergadering, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en alle wijzigingen daarop, aan te nemen en voorlopig toe te passen met inachtneming van de aanbevelingen van de Juridische en Technische Commissie of andere betrokken ondergeschikte organen. Deze regels, voorschriften en procedures hebben betrekking op prospectie, exploratie en exploitatie in het Gebied en het financieel beheer en de interne administratie van de Autoriteit. Er wordt voorrang gegeven aan de aanneming van regels, voorschriften en procedures voor de exploratie en de exploitatie van metaalknollen. De regels, voorschriften en procedures voor de exploratie en de exploitatie van andere rijkdommen dan metaalknollen worden aangenomen binnen drie jaar na de datum van een verzoek aan de Autoriteit van een van haar leden tot aanneming van deze regels, voorschriften en procedures ten aanzien van zulke rijkdommen. Alle regels, voorschriften en procedures blijven van kracht op voorlopige grondslag totdat zij zijn goedgekeurd door de Vergadering of totdat zij worden gewijzigd door de Raad in het licht van door de Vergadering naar voren gebrachte zienswijzen;
  p) de betaling te bezien van alle bedragen verschuldigd door of aan de Autoriteit in verband met verrichtingen ingevolge dit Deel;
  q) krachtens Bijlage III, artikel 7, de selectie te maken uit aanvragers van productievergunningen, wanneer in die bepaling een selectie wordt vereist;
  r) de jaarlijkse ontwerp-begroting van de Autoriteit ter goedkeuring aan de Vergadering voor te leggen;
  s) aan de Vergadering aanbevelingen te doen betreffende het beleid inzake enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit;
  t) aan de Vergadering aanbevelingen te doen betreffende schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap ingevolge artikel 185;
  u) uit naam van de Autoriteit procedures aanhangig te maken voor de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in geval van niet-naleving;
  v) de Vergadering in kennis te stellen van een beslissing van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in een ingevolge letter u aanhangig gemaakte procedure en alle aanbevelingen te doen die hem passend voorkomen met betrekking tot te nemen maatregelen;
  w) bevelen in een noodsituatie uit te vaardigen, waaronder bevelen voor de opschorting of aanpassing van de werkzaamheden, ter voorkoming van ernstige schade aan het mariene milieu ten gevolge van werkzaamheden in het Gebied;
  x) gebieden uit te sluiten van exploitatie door contractanten of door de Onderneming in gevallen waarin degelijke bewijzen voorhanden zijn dat er risico bestaat van ernstige schade aan het mariene milieu;
  y) een onderschikt orgaan in te stellen voor de opstelling van ontwerpen van financiŽle regels, voorschriften en procedures betreffende :
  (i) het financieel beheer overeenkomstig de artikelen 171 tot en met 175; en
  (ii) de financiŽle regelingen overeenkomstig Bijlage III, artikel 13 en artikel 17, eerste lid, letter c;
  z) passende voorzieningen te treffen voor de leiding aan en het toezicht op een korps van inspecteurs, die de werkzaamheden in het Gebied inspecteren, ten einde na te gaan of dit Deel, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en de voorwaarden en bedingen van contracten met de Autoriteit worden nageleefd.

  Art. 163. Organen van de Raad.
  1. Hierbij worden de volgende organen van de Raad ingesteld :
  a) een Commissie inzake Economische Planning;
  b) een Juridische en Technische Commissie.
  2. Elke Commissie bestaat uit 15 leden, gekozen door de Raad uit door de Staten die Partij zijn voorgedragen kandidaten. Indien nodig kan de Raad evenwel beslissen de omvang van een Commissie uit te breiden, daarbij naar behoren rekening houdend met een zuinig beheer en efficiŽntie.
  3. De leden van de Commissie dienen passende kwalificaties te bezitten op het terrein waar die Commissie bevoegd is. De Staten die Partij zijn dragen kandidaten voor die voldoen aan de hoogste normen van bekwaamheid en integriteit met kwalificaties op de desbetreffende terreinen, ten einde de doeltreffende uitoefening van de functies van de Commissies te verzekeren.
  4. Bij de verkiezing van leden van de Commissies wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak van een billijke geografische verdeling en de vertegenwoordiging van bijzondere belangen.
  5. Een Staat die Partij is mag niet meer dan ťťn kandidaat voor dezelfde Commissie voordragen. Niemand mag worden gekozen als lid van meer dan ťťn Commissie.
  6. De leden van de Commissie hebben zitting voor een termijn van vijf jaar. Zij zijn herkiesbaar voor een volgende termijn.
  7. In geval van het overlijden, de onbekwaamheid tot handelen of de ontslagneming van een lid van een Commissie voor het verstrijken van de ambtstermijn, kiest de Raad uit dezelfde geografische regio of dezelfde belangengemeenschap een lid voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn.
  8. De leden van Commissies mogen geen financieel belang hebben in enige activiteit betreffende de exploratie en exploitatie in het Gebied. Onder voorbehoud van hun verantwoordelijkheid jegens de Commissies waarin zij zitting hebben, mogen zij niet, zelfs na de beŽindiging van hun functies, enig bedrijfsgeheim, gegevens behorend tot de industriŽle eigendom die aan de Autoriteit worden overgedragen overeenkomstig Bijlage III, artikel 14, of andere vertrouwelijke informatie die te hunner kennis komt op grond van hun taken voor de Autoriteit, openbaar maken.
  9. Elke Commissie oefent haar functies uit overeenkomstig de richtsnoeren en richtlijnen die de Raad aanneemt.
  10. Elke Commissie formuleert en legt aan de Raad ter goedkeuring voor de regels en voorschriften die noodzakelijk kunnen zijn voor het efficiŽnt verrichten van de functies van de Commissie.
  11. De besluitvormingsprocedures van de Commissies worden vastgelegd in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit. Aanbevelingen aan de Raad gaan, indien nodig, vergezeld van een samenvatting inzake uiteenlopende meningen binnen de Commissie.
  12. Elke Commissie verricht haar werkzaamheden gewoonlijk op de zetel van de Autoriteit en komt zo vaak bijeen als vereist voor de doeltreffende uitoefening van haar functies.
  13. Bij de uitoefening van haar functies kan elke Commissie, waar passend, overgaan tot raadpleging van een andere Commissie, een bevoegd orgaan van de Verenigde Naties of van haar gespecialiseerde organisaties of enige internationale organisatie met bevoegdheden ten aanzien van het onderwerp van deze raadpleging.

  Art. 164. De Commissie inzake Economische Planning.
  1. De leden van de Commissie inzake Economische Planning dienen de gewenste kwalificaties te bezitten zoals op het gebied van de diepzeemijnbouw, het beheer van minerale rijkdommen, de internationale handel of de internationale economie. De Raad tracht te verzekeren dat alle passende kwalificaties onder de leden van de Commissie vertegenwoordigd zijn. De Commissie omvat ten minste twee delen uit ontwikkelingsstaten wier exporten van de categorieŽn delfstoffen die in het Gebied zullen worden gewonnen, van aanzienlijk belang zijn voor hun economie.
  2. De Commissie dient :
  a) op verzoek van de Raad maatregelen voor te stellen voor de tenuitvoerlegging van besluiten betreffende werkzaamheden in het Gebied, genomen overeenkomstig dit Verdrag;
  b) de tendensen in en de factoren die van invloed zijn op aanbod, vraag en prijs van materialen die in het Gebied kunnen worden gewonnen, te bestuderen, daarbij rekening houdend met de belangen van zowel importerende als exporterende landen, en inzonderheid met de ontwikkelingsstaten daaronder;
  c) elke situatie te bestuderen die naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot de nadelige gevolgen, bedoeld in artikel 150, letter h, die onder haar aandacht zijn gebracht door de betrokken Staat of Staten, die Partij is (zijn), en aan de Raad passende aanbevelingen te doen;
  d) ter voorlegging aan de Vergadering, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid, aan de Raad een stelsel voor te stellen voor compensatie of andere maatregelen voor steunverlening bij economische aanpassing voor ontwikkelingsstaten die nadelige gevolgen ondervinden van werkzaamheden in het Gebied. De Commissie doet de Raad de aanbevelingen die nodig zijn voor de toepassing in bepaalde gevallen van het stelsel of van andere door de Vergadering aangenomen maatregelen.

  Art. 165. De Juridische en Technische Commissie.
  1. De leden van de Juridische en Technische Commissie dienen passende kwalificaties te bezitten, zoals die welke van belang zijn voor de exploratie en de exploitatie en be- en verwerking van minerale rijkdommen, voor de oceanologie, de bescherming van het mariene milieu of voor economische of juridische aangelegenheden betreffende de mijnbouw in de oceaan en daarmede samenhangende terreinen van deskundigheid. De Raad tracht te verzekeren dat alle passende kwalificaties onder de leden van de Commissie vertegenwoordigd zijn.
  2. De Commissie dient :
  a) op verzoek van de Raad aanbevelingen te doen met betrekking tot de uitoefeningen van de functies van de Autoriteiten;
  b) de officiŽle schriftelijke werkplannen voor werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, derde lid, te bezien en passende aanbevelingen aan de Raad voor te leggen. De Commissie baseert haar aanbevelingen uitsluitend op de gronden, vermeld in Bijlage III en brengt daarover volledig verslag uit aan de Raad;
  c) op verzoek van de Raad toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden in het Gebied, waar passend in overleg en samenwerking met enig lichaam dat zulke werkzaamheden verricht of met de betrokken Staat of Staten en hierover verslag uit te brengen aan de Raad;
  d) evaluaties op te stellen van de gevolgen voor het milieu van werkzaamheden in het Gebied;
  e) de Raad aanbevelingen te doen inzake de bescherming van het mariene milieu, met inachtneming van de opvattingen van erkende deskundigen op dat terrein;
  f) te formuleren en aan de Raad voor te leggen de regels, voorschriften en procedures, bedoeld in artikel 162, tweede lid, letter o, met inachtneming van alle van belang zijnde factoren, met inbegrip van evaluaties van de gevolgen voor het milieu van werkzaamheden in het Gebied;
  g) deze regels, voorschriften en procedures voortdurend te bezien en van tijd tot tijd de Raad de wijzigingen daarop aan te bevelen, die zij noodzakelijk of wenselijk acht;
  h) de Raad aanbevelingen te doen betreffende de instelling van een surveillanceprogramma om regelmatig met erkende wetenschappelijke methoden de risico's of gevolgen van verontreiniging van het mariene milieu voortvloeiend uit werkzaamheden in het Gebied na te gaan, te meten, te evalueren en te analyseren, te verzekeren dat bestaande voorschriften toereikend zijn en worden nageleefd en de tenuitvoerlegging van het door de Raad goedgekeurde surveillanceprogramma te coŲrdineren;
  i) de Raad aan te bevelen dat uit naam van de Autoriteit een procedure aanhangig wordt gemaakt voor de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, overeenkomstig dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, inzonderheid met inachtneming van artikel 187;
  j) aan de Raad aanbevelingen te doen met betrekking tot te nemen maatregelen, na een beslissing van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in een overeenkomstig letter i aanhangig gemaakte procedure;
  k) de Raad aanbevelingen te doen tot het uitvaardigen van bevelen in noodsituaties, die bevelen kunnen omvatten voor de opschorting of aanpassing van de werkzaamheden, ter voorkoming van ernstige schade aan het mariene milieu voortvloeiend uit werkzaamheden in het Gebied. Deze aanbevelingen dienen met voorrang door de Raad te worden bestudeerd;
  l) de Raad aanbevelingen te doen tot het uitsluiten van gebieden van exploitatie door contractanten of de Onderneming in gevallen waarin degelijke bewijzen voorhanden zijn dat er risico bestaat van ernstige schade aan het mariene milieu;
  m) de Raad aanbevelingen te doen betreffende de leiding aan en het toezicht op een korps inspecteurs die de werkzaamheden in het Gebied inspecteren ten einde na te gaan of de bepalingen van dit Deel, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit en de voorwaarden en bedingen van contracten met de Autoriteit worden nageleefd;
  n) ingevolge artikel 151, tweede tot en met zevende lid, het productieplafond te berekenen en productievergunningen te verlenen uit naam van de Autoriteit na een eventueel noodzakelijke keuze uit de aanvragers van productievergunningen door de Raad overeenkomstig Bijlage III, artikel 7.
  3. De leden van de Commissie worden, op verzoek van een Staat die Partij is of een andere betrokken partij, verzegeld van een vertegenwoordiger van die Staat of andere betrokken partij wanneer zij hun toezichthoudende en inspecterende functie verrichten.

  Onderafdeling D. - Het Secretariaat.

  Art. 166. Het secretariaat.
  1. Het Secretariaat van de Autoriteit bestaat uit een Secretaris-Generaal en het personeel dat de Autoriteit nodig heeft.
  2. De Secretaris-Generaal wordt voor vier jaar door de Vergadering gekozen uit door de Raad voorgedragen kandidaten en kan worden herkozen.
  3. De Secretaris-Generaal is de hoogste administratieve functionaris van de Autoriteit en treedt in die hoedanigheid op tijdens alle bijeenkomsten van de Vergadering, van de Raad en van de ondergeschikte organen en verricht de andere administratieve functies die door deze organen aan de Secretaris-Generaal worden opgedragen.
  4. De Secretaris-Generaal stelt voor de Vergadering een jaarverslag op over het werk van de Autoriteit.

  Art. 167. Het personeel van de Autoriteit.
  1. Het personeel van de Autoriteit bestaat uit het gekwalificeerde wetenschappelijke en technische en het andere personeel dat nodig is om de administratieve functies van de Autoriteit te vervullen.
  2. De allerbelangrijkste overweging bij de aanwerving en de indienstneming van het personeel en bij de vaststelling van hun arbeidsvoorwaarden is de noodzaak, de hoogste normen van efficiŽntie, bekwaamheid en integriteit te waarborgen. Onder dit voorbehoud wordt naar behoren aandacht besteed aan het belang van aanwerving van het personeel op een zo ruim mogelijke geografische grondslag.
  3. Het personeel wordt aangesteld door de Secretaris-Generaal. De voorwaarden en bedingen waarop dit wordt aangesteld, bezoldigd en ontslagen dienen in overeenstemming te zijn met de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.

  Art. 168. Internationaal karakter van het Secretariaat.
  1. Bij de uitoefening van hun taken vragen noch ontvangen de Secretaris-Generaal en het personeel instructies van enige regering of van enige andere bron buiten de Autoriteit. Zij onthouden zich van handelingen die afbreuk zouden kunnen doen aan hun positie als internationale ambtenaren die alleen jegens de Autoriteit verantwoordelijk zijn. Elke Staat die Partij is, verbindt zich ertoe het uitsluitend internationale karakter van het dienstverband van de Secretaris-Generaal en het personeel te eerbiedigen en niet te pogen hen te beÔnvloeden bij de uitoefening van hun taak. Elke schending van zijn verplichtingen door een persoonslid wordt voorgelegd aan een volgens de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit aangewezen administratieve rechtbank.
  2. De Secretaris-Generaal en het personeel mogen geen financieel belang hebben in enige werkzaamheid betreffende de exploratie en exploitatie in het Gebied. Onder voorbehoud van hun verantwoordelijkheden jegens de Autoriteit, mogen zij niet, zelfs na de beŽindiging van hun dienstverband, enig bedrijfsgeheim, gegevens behorende tot de industriŽle eigendom die aan de Autoriteit worden overgedragen overeenkomstig Bijlage III, artikel 14, of enige andere vertrouwelijke informatie die te hunner kennis komt op grond van hun werkzaamheden bij de Autoriteit, openbaar maken.
  3. Schendigen van de verplichtingen door een personeelslid van de Autoriteit, als bedoeld in het tweede lid, leiden, op verzoek van een Staat die Partij is en die door deze schending wordt getroffen, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon, gesteund door een Staat die Partij is zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, en die door zulk een schending wordt getroffen tot de instelling van een rechtsvervolging door de Autoriteit tegen het betrokken personeelslid, voor een volgens de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit aangewezen rechtbank. De getroffen Partij heeft het recht zich te voegen in het geding. Indien de rechtbank zulks aanbeveelt, ontslaat de Secretaris-Generaal het betrokken personeelslid.
  4. De regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit bevatten de bepalingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.

  Art. 169. Overleg en samenwerking met internationale en niet-gouvernementele organisaties.
  1. Inzake aangelegenheden, vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit treft de Secretaris-Generaal passende regelingen, met goedkeuring van de Raad, voor overleg en samenwerking met internationale en niet-gouvernementele organisaties die erkend zijn door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.
  2. Elke organisatie waarmede de Secretaris-Generaal een regeling ingevolge het eerste lid is aangegaan, kan vertegenwoordigers aanwijzen ter bijwoning van vergaderingen van de organen van de Autoriteit als waarnemer, overeenkomstig het reglement van orde van die organen. Er dienen procedures te worden ingesteld opdat deze organisaties in passende gevallen hun zienswijzen kenbaar kunnen maken.
  3. De Secretaris-Generaal kan aan de Staten die Partij zijn schriftelijke rapporten toezenden die door de in het eerste lid bedoelde niet-gouvernementele organisaties zijn ingediend over onderwerpen ten aanzien waarvan zij over bijzondere deskundigheid beschikken en die betrekking hebben op het werk van de Autoriteit.

  Onderafdeling E. - De Onderneming.

  Art. 170. De Onderneming.
  1. De Onderneming is het orgaan van de Autoriteit dat rechtstreeks werkzaamheden in het Gebied verricht, ingevolge artikel 153, tweede lid, letter a, alsook zorgt voor het vervoer, de be- en verwerking en de afzet van uit het Gebied gewonnen delfstoffen.
  2. Binnen het kader van de internationale rechtspersoonlijkheid van de Autoriteit heeft de Onderneming de rechtsbevoegdheid, bepaald in het Statuut, vervat in Bijlage IV. De Onderneming handelt overeenkomstig dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, alsmede het door de Vergadering vastgestelde algemene beleid en houdt zich aan de richtlijnen van de Raad en is onderworpen aan diens toezicht.
  3. De Onderneming heeft haar hoofdkantoor ter plaatse van de zetel van de Autoriteit.
  4. Aan de Onderneming worden, overeenkomstig artikel 173, tweede lid, en Bijlage IV, artikel 11, de door haar benodigde financiŽle middelen verschaft om haar werkzaamheden te verrichten en zij wordt in het bezit gesteld van de technologie zoals bepaald in artikel 144 en andere desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.

  Onderafdeling F. - FinanciŽle regelingen van de autoriteit.

  Art. 171. FinanciŽle middelen van de Autoriteit.
  De financiŽle middelen van de Autoriteit omvatten :
  a) de bijdragen van de leden van de Autoriteit vastgesteld overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter e;
  b) de financiŽle middelen door de Autoriteit ontvangen ingevolge Bijlage III, artikel 13, in verband met werkzaamheden in het Gebied;
  c) overeenkomstig Bijlage IV, artikel 10, door de Onderneming overgedragen gelden;
  d) gelden geleend ingevolge artikel 174;
  e) vrijwillige bijdragen geschonken door leden of andere lichamen; en
  f) betalingen aan een compensatiefonds, overeenkomstig artikel 151, tiende lid, waarbij de bronnen van deze betalingen moeten worden aanbevolen door de Commissie voor Economische Planning.

  Art. 172. Jaarlijkse begroting van de Autoriteit.
  De Secretaris-Generaal stelt de jaarlijkse ontwerpbegroting van de Autoriteit op en legt deze voor aan de Raad. De Raad bestudeert de jaarlijkse ontwerpbegroting en legt deze voor aan de Vergadering, vergezeld van eventuele aanbevelingen terzake. De Vergadering bestudeert en het haar goedkeuring aan de jaarlijkse ontwerpbegroting overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter h.

  Art. 173. Uitgaven van de Autoriteit.
  1. De in artikel 171, letter a, bedoelde bijdragen worden gestort op een speciale rekening ter dekking van de administratieve uitgaven van de Autoriteit totdat de Autoriteit over voldoende middelen uit andere bronnen beschikt om deze uitgaven te dekken.
  2. De financiŽle middelen van de Autoriteit dienen in de eerste plaats ter dekking van de administratieve uitgaven. Met uitzondering van de bijdragen, bedoeld in artikel 171, letter a, kunnen de middelen die overblijven na betaling van de administratieve uitgaven, onder andere :
  a) worden verdeeld overeenkomstig artikel 140 en artikel 160, tweede lid, letter g;
  b) worden gebruikt om de Onderneming middelen te verschaffen overeenkomstig artikel 170, vierde lid;
  c) worden gebruikt voor de betaling van compensatie aan ontwikkelingsstaten overeenkomstig artikel 151, tiende lid, en artikel 160, tweede lid, letter I.

  Art. 174. Bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan.
  1. De Autoriteit heeft bevoegdheid om leningen aan te gaan.
  2. De Vergadering schrijft de grenzen van de bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan voor in de financiŽle voorschriften aangenomen ingevolge artikel 160, tweede lid, letter f.
  3. De Raad oefent de bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan, uit.
  4. De Staten die Partij zijn, zijn niet aansprakelijk voor de schulden van de Autoriteit.

  Art. 175. Jaarlijkse accountantscontrole.
  De verslagen, boeken en rekeningen van de Autoriteit, met inbegrip van haar financiŽle jaaroverzichten, worden jaarlijks gecontroleerd door een onafhankelijke accountant, benoemd door de Vergadering.

  Onderafdeling G. - Juridische status, voorrechten en immuniteiten.

  Art. 176. Juridische status.
  De Autoriteit bezit internationale rechtspersoonlijkheid en bezit de juridische bevoegdheid die nodig is voor de uitoefening van haar functies en de verwezenlijking van haar doelen.

  Art. 177. Voorrechten en immuniteiten.
  Opdat de Autoriteit haar functies kan uitoefenen, geniet zij op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten vervat in deze onderafdeling. De voorrechten en immuniteiten betreffende de Onderneming zijn die welke zijn vervat in Bijlage IV, artikel 13.

  Art. 178. Immuniteit van rechtsvervolging.
  De Autoriteit, haar eigendommen en activa genieten immuniteit van rechtsvervolging, behalve voor zover de Autoriteit in een bepaald geval uitdrukkelijk afstand ervan doet.

  Art. 179. Immuniteit van doorzoeking en elke vorm van beslaglegging.
  De eigendommen en activa van de Autoriteit, waar ook gelegen en door wie ook gehouden, genieten immuniteit van doorzoeking, vordering, verbeurdverklaring, onteigening of elke andere vorm van beslaglegging voortvloeiend uit een maatregel van de uitvoerende of de wetgevende macht.

  Art. 180. Vrijstelling van beperkingen, verordeningen, controles en moratoria.
  De eigendommen en activa van de Autoriteit zijn vrijgesteld van beperkingen, verordeningen, controles en moratoria van welke aard ook.

  Art. 181. Archieven en officiŽle mededelingen van de Autoriteit.
  1. De archieven van de Autoriteit zijn onschendbaar, waar zij zich ook bevinden.
  2. Gegevens die tot de industriŽle eigendom behoren, bedrijfsgeheimen of soortgelijke informatie en personeelsdossiers worden niet opgeborgen in archieven die door het publiek kunnen ingezien.
  3. Met betrekking tot haar officiŽle mededelingen wordt aan de Autoriteit door elke Staat die Partij is een behandeling toegekend die niet minder gunstig is dan die welke door die Staat aan andere internationale organisaties wordt toegekend.

  Art. 182. Voorrechten en immuniteiten van bepaalde met de Autoriteiten verbonden personen.
  De vertegenwoordigers van Staten die Partij zijn en die zittingen bijwonen van de Vergadering, de Raad of van organen van de Vergadering of de Raad, en de Secretaris-Generaal en het personeel van de Autoriteit genieten op het grondgebied van elke Staat die Partij is :
  a) immuniteit van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen door hen verricht bij de uitoefening van hun functies, behalve voor zover de Staat die zij vertegenwoordigen, dan wel de Autoriteit, in een bepaald geval uitdrukkelijk afstand doet van deze immuniteit;
  b) indien zij geen onderdaan zijn van die Staat die Partij is, dezelfde vrijstellingen van immigratiebeperkingen, vereisten inzake vreemdelingenregistratie en nationale dienstplicht, dezelfde faciliteiten met betrekking tot valutabeperkingen en dezelfde behandeling met betrekking tot reisfaciliteiten als door die Staat worden toegekend aan de vertegenwoordigers, functionarissen en werknemers van vergelijkbare rang van andere Staten die Partij zijn.

  Art. 183. Vrijstelling van belastingen en douanerechten.
  1. Binnen de reikwijdte van haar officiŽle werkzaamheden zijn de Autoriteiten, haar activa en eigendommen, haar inkomen en haar verrichtingen en transacties, toegestaan bij dit Verdrag, vrij van alle rechtstreekse belasting en zijn voor haar officieel gebruik ingevoerde of uitgevoerde goederen vrij van alle douanerechten. De Autoriteit mag geen aanspraak maken op vrijstelling van belastingen die niet meer zijn dan heffingen voor verleende diensten.
  2. Indien aankopen van goederen of diensten van aanzienlijke waarde, die nodig zijn voor de officiŽle werkzaamheden van de Autoriteit, door of ten behoeve van de Autoriteit worden verricht en indien in de prijs van zulke goederen of diensten belastingen of douanerechten zijn begrepen, worden voor zover uitvoerbaar passende maatregelen genomen door de Staten die Partij zijn om vrijstelling van zulke belastingen of rechten te verlenen of te voorzien in de terugbetaling daarvan. Goederen ingevoerd of aangekocht ingevolge een vrijstelling zoals bepaald in dit artikel, mogen niet worden verkocht of op andere wijze vervreemd in het grondgebied van de Staat die Partij is en die de vrijstelling heeft verleend, behalve op met die Staat overeengekomen voorwaarden.
  3. Er wordt door Staten die Partij zijn geen belasting geheven op of met betrekking tot salarissen en emolumenten betaald door de Autoriteit, of andere vormen van betaling door haar verricht, aan de Secretaris-Generaal en het personeel van de Autoriteit, alsmede aan deskundigen die voor de Autoriteit opdrachten vervullen, mits dezen geen onderdaan van die Staten zijn.

  Onderafdeling H. - Schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van leden.

  Art. 184. Schorsing van de uitoefening van het stemrecht.
  Een Staat die Partij is die achterstallig is met de betaling van zijn financiŽle bijdragen aan de Autoriteit heeft geen stemrecht indien het bedrag van zijn achterstalligheid gelijk is aan of groter is dan het bedrag van de door hem verschuldigde bijdragen voor de voorafgaande twee volle jaren. De Vergadering kan niettemin zulk een lid toestaan zijn stem uit te brengen indien te haren genoegen is aangetoond dat het in gebreke blijven te betalen te wijten is aan omstandigheden waarop het lid geen invloed kan uitoefenen.

  Art. 185. Schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap.
  1. Een Staat die Partij is en die op ernstige en voortdurende wijze de bepalingen van dit Deel heeft geschonden, kan op aanbeveling van de Raad door de Vergadering worden geschorst in de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap.
  2. Er mogen geen maatregelen ingevolge het eerste lid worden genomen tot de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem tot de conclusie is gekomen dat een Staat die Partij is de bepalingen van dit Deel op ernstige en voortdurende wijze heeft geschonden.

  Afdeling 5. - Regeling van geschillen en adviezen.

  Art. 186. Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee.
  De instelling van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem en de wijze waarop zij haar rechtsmacht uitoefent, worden geregeld in de bepalingen van deze afdeling, van Deel XV en van Bijlage VI.

  Art. 187. Bevoegdheid van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem.
  De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem is ingevolge dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen bevoegd in geschillen met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, behorend tot de onderstaande categorieŽn :
  a) geschillen tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen;
  b) geschillen tussen een Staat die Partij is en de Autoriteit betreffende :
  (i) handelen of nalaten door de Autoriteit of door een Staat die Partij is waarvan wordt gesteld dat het een schending vormt van dit Deel of van de daarop betrekking hebbende Bijlagen of van regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, aangenomen in overeenstemming daarmede; of
  (ii) handelen door de Autoriteit waarvan wordt gesteld dat het de rechtsbevoegdheid van de Autoriteit overschrijdt of een misbruik van bevoegdheden vormt;
  c) geschillen tussen partijen bij een contract, die Staten zijn die Partij zijn, de Autoriteit of de Onderneming, staatsondernemingen en natuurlijke personen of de rechtspersonen, bedoeld in artikel 153, tweede lid, letter b, betreffende :
  (i) de uitlegging of toepassing van een desbetreffend contract of werkplan; of
  (ii) handelen of nalaten door een partij bij het contract betreffende de werkzaamheden in het Gebied en gericht tegen de andere partij of rechtstreeks zijn wettige belangen aantastend;
  d) geschillen tussen de Autoriteit en een toekomstige contractant die door een Staat wordt gesteund zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, en die naar behoren heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in Bijlage III, artikel 4, zesde lid, en artikel 13, tweede lid, betreffende de weigering van een contract of betreffende een juridische kwestie die zich voordoet tijdens de onderhandelingen over het contract;
  e) geschillen tussen de Autoriteit en een Staat die Partij is, een staatsonderneming of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon gesteund door een Staat die Partij is zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, waarbij wordt gesteld dat de Autoriteit aansprakelijk is zoals bepaald in Bijlage III, artikel 22;
  f) alle andere geschillen ten aanzien waarvan de bevoegdheid van de Kamer uitdrukkelijk is bepaald in dit Verdrag.

  Art. 188. Voorlegging van geschillen aan een speciale kamer van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee of een kamer ad hoc van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem of aan bindende arbitrage in handelszaken.
  1. Geschillen tussen Staten die Partij zijn, bedoeld in artikel 187, letter a, kunnen worden voorgelegd :
  a) op verzoek van de partijen bij het geschil aan een speciale kamer van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, te vormen overeenkomstig Bijlage VI, de artikelen 15 en 17; of
  b) op verzoek van een partij bij het geschil aan een kamer ad hoc van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, te vormen overeenkomstig Bijlage VI, artikel 36.
  2. a) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van een contract, bedoeld in artikel 187, letter c, onder (i), worden, op verzoek van een partij bij het geschil, voorgelegd aan bindende arbitrage in handelszaken, tenzij de partijen anders overeenkomen. Een scheidsgerecht in handelszaken waaraan het geschil wordt voorgelegd, heeft geen bevoegdheid te beslissen in aangelegenheden betreffende de uitlegging van dit Verdrag. Wanneer het geschil ook een kwestie inzake de uitlegging van Deel XI en de daarop betrekking hebbende Bijlage omvat, met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, wordt die kwestie voorgelegd aan de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem voor het doen van een uitspraak.
  b) Indien bij de aanvang of in de loop van zulk een scheidsrechterlijke procedure het scheidsgerecht bepaalt, op verzoek van een partij bij het geschil dan wel eigener beweging, dat zijn beslissing afhankelijk is van een uitspraak van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, legt het scheidsgerecht deze kwestie voor aan de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem voor een uitspraak. Het scheidsgerecht spreekt daarna zijn vonnis uit overeenkomstig de uitspraak van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem.
  c) Indien er in het contract geen bepaling is opgenomen betreffende de bij het geschil toe te passen scheidsrechterlijke procedure, geschiedt de arbitrage overeenkomstig de UNCITRAL-Regels inzake arbitrage of volgens andere arbitrageregels die in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit kunnen zijn voorgeschreven, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen.

  Art. 189. Beperking van de bevoegdheid met betrekking tot besluiten van de Autoriteit.
  De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem heeft geen bevoegdheid met betrekking tot de uitoefening door de Autoriteit van haar discretionaire bevoegdheden overeenkomstig dit Deel; in geen geval mag zij haar eigen vrijheid van handelen in de plaats stellen van die van de Autoriteit. Onverminderd artikel 191 mag de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem bij de uitoefening van haar bevoegdheid ingevolge artikel 187, zich niet uitspreken over de vraag of enigerlei regel, voorschrift of procedure van de Autoriteit in overeenstemming is met dit Verdrag en evenmin zodanige regels, voorschriften of procedures ongeldig verklaren. Haar bevoegdheid in dit opzicht is beperkt tot de vaststelling of de toepassing van enigerlei regel, voorschrift of procedure van de Autoriteit in afzonderlijke gevallen in strijd zou zijn met de contractuele verplichtingen van de partijen bij het geschil of hun verplichtingen krachtens dit Verdrag, tot de erkenning van verhaal wegens onbevoegdheid of misbruik van bevoegdheid alsmede tot vorderingen betreffende de betaling van schadevergoeding of tot andere rechtsmiddelen, aangewend door een der partijen jegens de andere partij voor het niet nakomen door die partij van haar contractuele verplichtingen of haar verplichtingen krachtens dit Verdrag.

  Art. 190. Deelneming aan procedures en verschijning daarin van Staten die Partij zijn en steun verlenen.
  1. Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon partij is bij een geschil, bedoeld in artikel 187, wordt de steunverlenende Staat daarvan in kennis gesteld en heeft deze het recht aan de procedure deel te nemen door middel van schriftelijke of mondelinge verklaringen.
  2. Indien tegen een Staat die Partij is een procedure aanhangig wordt gemaakt door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die wordt gesteund door een andere Staat die Partij is, in een geschil zoals bedoeld in artikel 187, letter c, kan de zich verwerende Staat de Staat die deze persoon steunt verleent verzoeken, namens die persoon in de procedure te verschijnen. Bij niet verschijnen kan de zich verwerende Staat zich doen vertegenwoordigen door een rechtspersoon die zijn nationaliteit bezit.

  Art. 191. Uitbrengen van adviezen.
  De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem brengt adviezen uit op verzoek van de Vergadering of de Raad inzake juridische vraagstukken die zich voordoen binnen het kader van hun activiteiten. Zulke adviezen worden met voorrang uitgebracht.

  DEEL XII. - Bescherming en behoud van het mariene milieu.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 192. Algemene verplichting.
  De Staten zijn verplicht het mariene milieu te beschermen en te behouden.

  Art. 193. Soeverein recht van Staten hun natuurlijke rijkdommen te exploiteren.
  De Staten hebben het soevereine recht hun natuurlijke rijkdommen te exploiteren overeenkomstig hun milieubeleid en in overeenstemming met hun plicht het mariene milieu te beschermen en te behouden.

  Art. 194. Maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.
  1. De Staten dienen, afzonderlijk of gezamenlijk, naar gelang passend, alle met dit Verdrag verenigbare maatregelen te nemen die nodig zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu uit welke bron dan ook, hiertoe de bruikbaarste middelen te gebruiken waarover zij beschikken, en wel overeenkomstig hun vermogen, en trachten hun beleid in dit verband te harmoniseren.
  2. De Staten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat onder hun rechtsmacht of toezicht staande werkzaamheden zo worden verricht, dat deze geen schade door verontreiniging toebrengen aan andere Staten en het milieu daarvan en dat verontreiniging, voortvloeiend uit voorvallen of werkzaamheden onder hun rechtsmacht of toezicht zich niet verder verspreidt dan de gebieden waarover zij soevereine rechten uitoefenen overeenkomstig dit Verdrag.
  3. De krachtens dit Deel genomen maatregelen dienen alle bronnen van verontreiniging van het mariene milieu te betreffen. Deze maatregelen omvatten onder andere alle maatregelen die erop zijn gericht de volgende vormen van verontreiniging zoveel mogelijk te beperken :
  a) het vrijkomen van toxische, schadelijke en gevaarlijke stoffen, vooral die welke persistent zijn, uit bronnen op het land, uit of via de atmosfeer of door storting;
  b) verontreiniging door schepen, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee, ter voorkoming van opzettelijke en onopzettelijke lozingen, en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van schepen;
  c) verontreiniging door installaties en werktuigen gebruikt bij de exploratie of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de zeebodem en ondergrond, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van zulke installaties of werktuigen;
  d) verontreiniging door andere installaties en werktuigen die in het mariene milieu werkzaam zijn, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van zulke installaties of werktuigen.
  4. Bij het nemen van maatregelen ter voorkoming, vermindering of bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, onthouden de Staten zich van ongerechtvaardigde inmenging in de werkzaamheden, verricht door andere Staten bij de uitoefening van hun rechten en nakoming van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag.
  5. De overeenkomstig dit Deel genomen maatregelen omvatten die welke nodig zijn tot bescherming en behoud van zeldzame of kwetsbare ecosystemen, alsook het woongebied van sterk achteruitgaande, bedreigde of uitstervende soorten en andere marine levensvormen.

  Art. 195. Verplichting schade of risico's niet over te brengen of de ene soort verontreiniging om te zetten in een andere.
  Bij het nemen van maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, handelen de Staten op zulk een wijze dat daardoor niet, direct of indirect, schade of risico's worden overgebracht van het ene gebied naar het andere of de ene soort verontreiniging wordt omgezet in de andere.

  Art. 196. Gebruik van technologieŽn of introductie van uitheemse of nieuwe soorten.
  1. De Staten nemen alle nodige maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit het gebruik van onder hun rechtsmacht of toezicht staande technologieŽn, of de opzettelijke of toevallige introductie van uitheemse of nieuwe soorten in een bepaald deel van het mariene milieu, die daarin aanmerkelijke en schadelijke veranderingen kan teweegbrengen.
  2. Dit artikel laat onverlet de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.

  Afdeling 2. - Mondiale en regionale samenwerking.

  Art. 197. Samenwerking op mondiale of regionale grondslag.
  De Staten werken samen op mondiale grondslag en, naar gelang passend, op regionale grondslag, rechtstreeks dan wel via bevoegde internationale organisaties, bij de formulering en uitwerking van internationale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures die verenigbaar zijn met dit Verdrag, voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, daarbij rekening houdend met regionale bijzonderheden.

  Art. 198. Kennisgeving van onmiddellijk dreigende of feitelijke schade.
  Wanneer een Staat verneemt van gevallen waarin het mariene milieu in onmiddellijk dreigend gevaar verkeert schade op te lopen of schade heeft opgelopen door verontreiniging, stelt hij onmiddellijk andere Staten in kennis die naar zijn oordeel naar alle waarschijnlijkheid door zulke schade zullen worden getroffen, alsook de bevoegde internationale organisaties.

  Art. 199. Rampenplannen bij verontreiniging.
  In de gevallen bedoeld in artikel 198 werken de Staten in het getroffen gebied, overeenkomstig hun vermogen, en de bevoegde internationale organisaties, voor zover mogelijk, samen bij de wegneming van de gevolgen van de verontreiniging en het voorkomen of tot een minimum beperken van de schade. Hiertoe ontwikkelen en stimuleren de Staten gezamenlijk rampenplannen, om te reageren op voorvallen van verontreiniging van het mariene milieu.

  Art. 200. Studies, onderzoekprogramma's en uitwisseling van informatie en gegevens.
  De Staten werken, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, samen ten behoeve van het bevorderen van studies, het ter hand nemen van programma's voor wetenschappelijk onderzoek en het stimuleren van de uitwisseling van over verontreiniging van het mariene milieu verkregen informatie en gegevens. Zij trachten actief deel te nemen aan regionale en mondiale programma's ter verwerking van kennis voor de vaststelling van de aard en de mate van verontreiniging, van de blootstelling daaraan en van de wegen waarlangs deze zich verspreidt, de risico's die zij met zich brengt en de middelen die ertegen kunnen worden aangewend.

  Art. 201. Wetenschappelijke criteria voor voorschriften.
  In het licht van de ingevolge artikel 200 verkregen informatie en gegevens werken de Staten samen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, bij het vaststellen van passende wetenschappelijke criteria voor de formulering en uitwerking van regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.

  Afdeling 3. - Technische hulp.

  Art. 202. Wetenschappelijke en technische hulp aan ontwikkelingsstaten.
  De Staten dienen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties :
  a) programma's voor hulp aan ontwikkelingsstaten op het gebied van wetenschap, onderwijs, de techniek of op andere terreinen te bevorderen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu en de voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging.
  Deze hulp omvat, onder meer :
  (i) opleiding van hun wetenschappelijk en technisch personeel;
  (ii) vergemakkelijking van hun deelneming aan ter zake van belang zijnde internationale programma's;
  (iii) het hun verschaffen van de nodige uitrusting en voorzieningen;
  (iv) het vergroten van hun vermogen zulke uitrusting te vervaardigen;
  (v) advies inzake en ontwikkeling van voorzieningen voor programma's op het gebied van onderzoek, controlemetingen, onderwijs en op andere terreinen;
  b) het verschaffen van passende hulp, vooral aan ontwikkelingsstaten, voor het tot een minimum beperken van de gevolgen van voorvallen van grote importantie die ernstige verontreiniging van het mariene milieu kunnen veroorzaken;
  c) het verschaffen van passende hulp, vooral aan ontwikkelingsstaten, betreffende het verrichten van ecologische evaluaties.

  Art. 203. Voorrangsbehandeling van ontwikkelingsstaten.
  Aan ontwikkelingsstaten wordt, ten behoeve van de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, of het tot een minimum beperken van de gevolgen daarvan, door internationale organisaties voorrang toegekend bij :
  a) de toewijzing van passende financiŽle middelen en technische hulp;
  b) het gebruik van hun gespecialiseerde diensten.

  Afdeling 4. - Controlemetingen en ecologische evaluatie.

  Art. 204. Controlemetingen van de risico's of gevolgen van verontreiniging.
  1. De Staten trachten, op een wijze verenigbaar met de rechten van andere Staten, voor zover mogelijk, rechtstreeks of via de bevoegde internationale organisaties, met behulp van erkende wetenschappelijke methoden, de risico's of gevolgen van verontreiniging van het mariene milieu in het oog te houden, te meten, te evalueren en te analyseren.
  2. Inzonderheid oefenen de Staten voortdurend toezicht uit op de gevolgen van enigerlei werkzaamheden die zij toestaan of waarmede zij zich bezighouden, ten einde na te gaan of deze werkzaamheden wellicht kunnen leiden tot verontreiniging van het mariene milieu.

  Art. 205. Publicatie van rapporten.
  De Staten publiceren rapporten van de ingevolge artikel 204 verkregen resultaten of verstrekken zulke rapporten periodiek aan de bevoegde internationale organisaties, die deze ter beschikking dienen te stellen van alle Staten.

  Art. 206. Evaluatie van mogelijke gevolgen van werkzaamheden.
  Wanneer de Staten redelijke gronden hebben aan te nemen dat voorgenomen werkzaamheden onder hun rechtsmacht of toezicht aanzienlijke verontreiniging of aanmerkelijke en schadelijke veranderingen in het mariene milieu kunnen teweegbrengen, dienen zij voor zover uitvoerbaar, de mogelijke gevolgen van zulke werkzaamheden voor het mariene milieu te evalueren en rapporteren van de resultaten van zulke evaluaties mede te delen op de wijze, bepaald in artikel 205.

  Afdeling 5. - Internationale regels en nationale wetgeving ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.

  Art. 207. Verontreiniging vanaf het land.
  1. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door bronnen op het land, met inbegrip van rivieren, estuaria, pijpleidingen en afvoerinstallaties, met inachtneming van internationaal overeengekomen regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures.
  2. De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
  3. De Staten trachten te komen tot een harmonisatie van hun beleid in dit verband op het passende regionale niveau.
  4. De Staten trachten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, mondiale, en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en gebruiken vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanaf het land, met inachtneming van regionale bijzonderheden, het economisch vermogen van ontwikkelingsstaten en hun behoefte aan economische ontwikkeling. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
  5. De wetten, voorschriften, maatregelen, regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid omvatten die welke zijn gericht op het zoveel mogelijk tot een minimum beperken van het vrijkomen van toxische schadelijke of gevaarlijke stoffen, vooral die welke persistent zijn, in het mariene milieu.

  Art. 208. Verontreiniging door werkzaamheden op de zeebodem die zijn onderworpen aan de nationale rechtsmacht.
  1. Kuststaten dienen wetten en voorschriften aan te nemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit of in verband met onder hun rechtsmacht vallende werkzaamheden op de zeebodem en door kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen onder hun rechtsmacht ingevolge de artikelen 60 en 80.
  2. De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
  3. Deze wetten, voorschriften en maatregelen dienen niet minder doeltreffend te zijn dan internationale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures.
  4. De Staten trachten te komen tot een harmonisatie van hun beleid in dit verband op het passende regionale niveau.
  5. De Staten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, stellen mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast ter voorkoming, vermindering en bestrijding van de in het eerste lid bedoelde verontreiniging van het mariene milieu. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.

  Art. 209. Verontreiniging door werkzaamheden in het Gebied.
  1. Overeenkomstig Deel XI worden internationale regels, voorschriften en procedures vastgesteld ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied. Deze regels, voorschriften en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
  2. Onder voorbehoud van de desbetreffende bepalingen van deze afdeling nemen de Staten wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied ondernomen door schepen, installaties, inrichtingen en andere werktuigen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd of onder hun gezag werkzaam zijn, naar gelang van het geval. De vereisten van deze wetten en voorschriften dienen niet minder doeltreffend te zijn dan de in het eerste lid bedoelde internationale regels, voorschriften en procedures.

  Art. 210. Verontreiniging door storting.
  1. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door storting.
  2. De Staten nemen de andere maatregelen die nodig kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
  3. Deze wetten, voorschriften en maatregelen dienen te verzekeren dat geen storting geschiedt zonder de toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Staten.
  4. De Staten trachten, hierbij vooral optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging. Deze regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures worden van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
  5. Storting binnen de territoriale zee en de exclusieve economische Zone of op het continentale plat mag niet geschieden zonder de uitdrukkelijke voorafgaande goedkeuring van de kuststaat, die het recht heeft zodanige storting toe te staan, te regelen en te controleren, en wel nadat de aangelegenheid met andere Staten die wegens hun geografische ligging daarvan nadelige gevolgen kunnen ondervinden, grondig is onderzocht.
  6. De nationale wetten, voorschriften en maatregelen dienen niet minder doeltreffend te zijn bij de voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging dan de mondiale regels en normen.

  Art. 211. Verontreiniging door schepen.
  1. De Staten stellen, optredend via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie, internationale regels en normen vast ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen en bevorderen, waar passend, de aanneming op dezelfde wijze van verkeersstelsels met het oogmerk het risico van ongevallen die verontreiniging van het mariene milieu, met inbegrip van de kustlijn, en verontreinigingsschade aan de daarmede samenhangende belangen van kuststaten zouden kunnen veroorzaken, tot een minimum te beperken. Deze regels en normen worden op dezelfde wijze van tijd tot tijd waar nodig opnieuw bezien.
  2. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd. Deze wetten en voorschriften dienen niet minder doeltreffend te zijn dan die van algemeen aanvaarde internationale regels en normen vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.
  3. De Staten die bijzondere eisen vaststellen voor de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu als voorwaarde voor de binnenkomst van vreemde schepen in hun havens of binnenwateren of voor het aanlopen van hun laad- of losplaatsen buitengaats dienen naar behoren bekendheid te geven aan deze vereisten en deze mede te delen aan de bevoegde internationale organisatie. Wanneer deze eisen in gelijke vorm worden vastgesteld door twee of meer kuststaten bij het streven naar harmonisatie van het beleid, wordt in de mededeling aangegeven welke Staten aan deze samenwerkingsregelingen deelnemen. Iedere Staat eist van de kapitein van een schip dat zijn vlag voert of bij die Staat is geregistreerd, wanneer dit vaart binnen de territoriale zee van een aan zulke samenwerkingsregelingen deelnemende Staat, dat hij op verzoek van die Staat de Informatie verstrekt of het schip vaart naar een Staat in dezelfde regio die deelneemt aan zulke samenwerkingsregelingen en indien dat het geval is, meldt of het schip voldoet aan de vereisten inzake binnenkomst in een haven van die Staat. Dit artikel laat onverlet de voortdurende uitoefening door een schip van zijn recht van onschuldige doorvaart alsmede de toepassing van artikel 25, tweede lid.
  4. Kuststaten kunnen, bij de uitoefening van hun soevereiniteit binnen hun territoriale zee, wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging door vreemde schepen, met inbegrip van schepen die het recht van onschuldige doorvaart uitoefenen. Deze wetten en voorschriften mogen, overeenkomstig Deel II, afdeling 3, de onschuldige doorvaart van vreemde schepen niet belemmeren.
  5. Kuststaten kunnen, ter fine van de handhaving van de bepalingen, zoals neergelegd in afdeling 6, ten aanzien van hun exclusieve economische Zones wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen, welke overeenstemmen met en uitvoering geven aan algemeen aanvaarde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.
  6. a) Wanneer de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen ontoereikend zijn om te voorzien in bijzondere omstandigheden en kuststaten redelijke gronden hebben om aan te nemen dat een bepaald duidelijk omschreven gebied van hun onderscheiden exclusieve economische Zones een gebied is, ten aanzien waarvan de aanneming van bijzondere verplichte maatregelen ter voorkoming van verontreiniging door schepen vereist is om erkende technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische omstandigheden in dat gebied, alsmede het gebruik of de bescherming van de rijkdommen daarvan en het speciale karakter van het verkeer daarin, kunnen de kuststaten, na passend overleg via de bevoegde internationale organisatie met andere betrokken Staten, voor dat gebied een mededeling aan die organisatie richten, waarbij ter staving wetenschappelijk en technisch bewijsmateriaal wordt voorgelegd, alsook informatie inzake de noodzakelijke ontvangstinrichtingen. Binnen 12 maanden na ontvangst van een zodanige mededeling bepaalt de organisatie of de situatie in dat gebied voldoet aan de hierboven uiteengezette eisen. Indien de organisatie aldus bepaalt, kan de kuststaat voor dat gebied wetten en voorschriften aannemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen, met toepassing van de internationale regels en normen of gebruiken bij de navigatie die via de organisatie, van toepassing zijn verklaard op bijzondere gebieden. Deze wetten en voorschriften worden niet eerder van toepassing op vreemde schepen dan 15 maanden na indiening van de mededeling bij de organisatie.
  b) De kuststaten geven bekendheid aan de begrenzing van een zodanig duidelijk omschreven gebied.
  c) Indien de kuststaten voornemens zijn aanvullende wetten en voorschriften voor hetzelfde gebied aan te nemen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen dienen zij, wanneer zij de voorgenoemde mededeling indienen, tegelijkertijd de organisatie daarvan in kennis te stellen. Deze aanvullende wetten en voorschriften kunnen betrekking hebben op lozingen of gebruiken bij de navigatie, maar daarin mag niet van vreemde schepen worden verlangd dat andere normen inzake ontwerp, constructie, bemanning of uitrusting worden nageleefd dan algemeen aanvaarde internationale regels en normen; zij worden van toepassing op vreemde schepen 15 maanden na indiening van de mededeling bij de organisatie mits de organisatie binnen 12 maanden na indiening van de mededeling daarmede instemt.
  7. De in dit artikel bedoelde internationale regels en normen dienen onder andere die te omvatten welke betrekking hebben op onverwijlde kennisgeving aan kuststaten, wier kustlijn of daarmede samenhangende belangen kunnen worden getroffen door voorvallen, met inbegrip van maritieme ongevallen, die lozingen of het risico van lozingen met zich brengen.

  Art. 212. Verontreiniging vanuit of via de dampkring.
  1. De Staten nemen wetten en voorschriften aan ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanuit of via de dampkring, welke toepasselijk zijn op het luchtruim waarover zij soevereiniteit uitoefenen en op schepen die hun vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij hen staan geregistreerd, met inachtneming van internationaal overeengekomen regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures en de veiligheid van de luchtvaart.
  2. De Staten nemen de andere maatregelen die noodzakelijk kunnen zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.
  3. De Staten, daarbij in het bijzonder optredend via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie, trachten mondiale en regionale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures vast te stellen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van zodanige verontreiniging.

  Afdeling 6. - Handhaving van bepalingen.

  Art. 213. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging vanaf het land.
  De Staten handhaven de bepalingen van hun overeenkomstig artikel 207 aangenomen wetten en voorschriften en nemen wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanaf het land.

  Art. 214. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging door werkzaamheden op de zeebodem.
  De Staten handhaven de bepalingen van hun overeenkomstig artikel 208 aangenomen wetten en voorschriften en nemen de wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit of verband houdend met werkzaamheden op de zeebodem onder hun rechtsmacht verricht, alsmede veroorzaakt door kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen onder hun rechtsmacht ingevolge de artikelen 60 en 80.

  Art. 215. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging door werkzaamheden in het Gebied.
  De handhaving van het bepaalde in internationale regels, voorschriften en procedures, die zijn vastgesteld overeenkomstig Deel XI ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door werkzaamheden in het Gebied, wordt geregeld in dat Deel.

  Art. 216. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging door storting.
  1. De handhaving van de bepalingen van de wetten en voorschriften, aangenomen overeenkomstig dit Verdrag en van de van toepassing zijnde internationale regels en voorschriften, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door storting, geschiedt :
  a) door de kuststaat met betrekking tot storting binnen zijn territoriale zee of zijn exclusieve economische Zone of op zijn continentale plat;
  b) door de vlaggenstaat met betrekking tot schepen die zijn vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij deze Staat zijn geregistreerd;
  c) door elke Staat met betrekking tot het laden van afvalstoffen of andere materialen dat geschiedt binnen zijn grondgebied of op zijn laad- of losplaatsen buitengaats.
  2. Een Staat wordt niet uit hoofde van dit artikel verplicht een rechtsvervolging in te stellen wanneer een andere Staat reeds overeenkomstig dit artikel een rechtsvervolging heeft ingesteld.

  Art. 217. Handhaving van de bepalingen door vlaggenstaten.
  1. De Staten verzekeren de naleving door schepen die hun vlag voeren of bij hen geregistreerd zijn van de van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie, en van hun overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu door schepen en nemen dienovereenkomstig wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen die nodig zijn voor de toepassing ervan. De vlaggenstaten zien toe op de doeltreffende handhaving van het bepaalde in zodanige regels, normen, wetten en voorschriften, ongeacht waar zich een overtreding voordoet.
  2. De Staten nemen inzonderheid passende maatregelen ten einde te verzekeren dat aan schepen die hun vlag voeren of bij hen staan geregistreerd wordt verboden uit te varen, totdat zij zee kunnen kiezen met inachtneming van de vereisten van de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen, met inbegrip van de vereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie, uitrusting en bemanning van schepen.
  3. De Staten verzekeren dat schepen die hun vlag voeren of bij hen zijn geregistreerd de certificaten aan boord hebben die worden vereist door en afgegeven ingevolge de in het eerste lid bedoelde internationale regels en normen. De Staten verzekeren dat schepen die hun vlag voeren periodiek worden geÔnspecteerd ten einde na te gaan of deze certificaten in overeenstemming zijn met de feitelijke staat waarin de schepen verkeren. Deze certificaten worden door andere Staten aanvaard als bewijs van de staat waarin de schepen verkeren en worden door hen geacht dezelfde rechtskracht te bezitten als door hen afgegeven certificaten, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de staat waarin het schip verkeert niet wezenlijk overeenkomt met de gegevens van de certificaten.
  4. Indien een schip een overtreding begaat van via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie vastgestelde regels en normen, zorgt de vlaggenstaat, onverminderd de artikelen 218, 220 en 228, voor een onmiddellijk onderzoek en stelt waar passend een rechtsvervolging in met betrekking tot de beweerde overtreding, ongeacht waar de overtreding zich heeft voorgedaan of waar de door deze overtreding veroorzaakte verontreiniging zich heeft voorgedaan of is geconstateerd.
  5. Vlaggenstaten die een onderzoek naar de overtreding verrichten, kunnen de bijstand verzoeken van andere Staten wier medewerking nuttig zou kunnen zijn bij het ophelderen van de desbetreffende omstandigheden. De Staten trachten aan passende verzoeken van vlaggenstaten te voldoen.
  6. De Staten stellen, op schriftelijk verzoek van een Staat, een onderzoek in naar overtredingen, waarvan wordt beweerd dat deze zijn begaan door schepen die hun vlag voeren. Indien te hunnen genoegen is aangetoond dat voldoende bewijsmateriaal beschikbaar is om een rechtsvervolging te kunnen instellen met betrekking tot de beweerde overtreding, stellen vlaggenstaten onverwijld een zodanige rechtsvervolging overeenkomstig hun wetten in.
  7. Vlaggenstaten stellen de verzoekende Staat en de bevoegde internationale organisatie onverwijld in kennis van de ondernomen stappen en de resultaten daarvan. Deze informatie is voor alle Staten beschikbaar.
  8. De in de wetten en voorschriften van Staten voorziene straffen voor schepen die hun vlag voeren dienen zwaar genoeg te zijn om deze van overtredingen, waar deze zich ook voordoen, te weerhouden.

  Art. 218. Handhaving van de bepalingen door havenstaten.
  1. Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, kan die Staat een onderzoek doen en, wanneer het bewijsmateriaal zulks vereist, een rechtsvervolging instellen met betrekking tot enige lozing uit dat schip buiten de binnenwateren, de territoriale zee of exclusieve economische Zone van die Staat in overtreding van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via de bevoegde internationale organisatie of een algemene diplomatieke conferentie.
  2. Er wordt door bovenbedoelde Staat geen rechtsvervolging ingevolge het eerste lid ingesteld met betrekking tot een lozing die een overtreding vormt in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische Zone van een andere Staat, tenzij daarom verzocht wordt door die Staat, de vlaggenstaat of een Staat die schade heeft geleden of risico's loopt door de lozing die een overtreding vormt, of tenzij de schending verontreiniging heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken in de binnenwateren, de territoriale zee of exclusieve economische Zone van de Staat die de rechtsvervolging instelt.
  3. Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, voldoet die Staat, voor zover uitvoerbaar, aan verzoeken van andere Staten om onderzoek naar een lozing die een overtreding vormt, zoals bedoeld in het eerste lid, waarvan wordt aangenomen dat deze zich heeft voorgedaan in, schade heeft veroorzaakt of dreigde te veroorzaken in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische zone van de verzoekende Staat. Hij voldoet eveneens, voor zover uitvoerbaar, aan verzoeken van de vlaggenstaat om onderzoek naar zulk een overtreding, ongeacht waar de overtreding zich heeft voorgedaan.
  4. Het dossier van een ingevolge dit artikel door een havenstaat verricht onderzoek wordt op verzoek toegezonden aan de vlaggenstaat of de kuststaat.
  Een op basis van zulk een onderzoek door de havenstaat ingestelde rechtsvervolging kan, onverminderd het bepaalde in afdeling 7, worden geschorst op verzoek van de kuststaat wanneer de overtreding zich heeft voorgedaan binnen zijn binnenwateren, territoriale zee of exclusieve economische zone. Het bewijsmateriaal en het dossier van de zaak, te samen met een borgstelling of andere financiŽle zekerheid nedergelegd bij de autoriteiten van de havenstaat, worden in dat geval overgedragen aan de kuststaat. Deze overdracht sluit de voortzetting van de rechtsvervolging in de havenstaat uit.

  Art. 219. Maatregelen betreffende de zeewaardigheid van schepen ter vermijding van verontreiniging.
  Onverminderd het bepaalde in afdeling 7 nemen Staten die, op verzoek of eigener beweging, hebben geconstateerd dat een schip in een van hun havens of op een van hun laad- of losplaatsen buitengaats, de van toepassing zijnde internationale regels en normen betreffende de zeewaardigheid van schepen overtreedt en daardoor het mariene milieu schade dreigt toe te brengen, voor zover uitvoerbaar, administratieve maatregelen om het schip te beletten uit te varen. Deze Staten kunnen het schip toestaan, slechts verder te varen naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf en, na wegneming van de oorzaken van de overtreding, staan zij het schip toe, onmiddellijk verder te varen.

  Art. 220. Handhaving van de bepalingen door kuststaten.
  1. Wanneer een schip zich vrijwillig in een haven of op een laad- of losplaats buitengaats van een Staat bevindt, kan die Staat, onder voorbehoud van het bepaald in afdeling 7, een rechtsvervolging instellen met betrekking tot overtredingen van zijn overeenkomstig dit Verdrag of van toepassing zijnde internationale regels en normen aangenomen wetten en voorschriften ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen wanneer de overtreding zich heeft voorgedaan binnen de territoriale zee of de exclusieve economische zone van die Staat.
  2. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een in de territoriale zee van een Staat varend schip tijdens zijn doorvaart, overeenkomstig dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften van die Staat of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen heeft overtreden, kan die Staat onverminderd de toepassing van de desbetreffende bepalingen van Deel II, afdeling 3, overgaan tot de feitelijke inspectie van het schip met betrekking tot de overtreding en kan hij, wanneer het bewijsmateriaal zulks vereist, een rechtsvervolging instellen, met inbegrip van de vasthouding van het schip, overeenkomstig zijn wetten, onder voorbehoud van het bepaalde in afdeling 7.
  3. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen dat een schip varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan van van toepassing zijnde internationale regels en normen voor de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging door schepen of van de wetten en voorschriften van die Staat, aangenomen overeenkomstig en ter uitvoering van zodanige regels en normen, kan die Staat verlangen dat het schip informatie verstrekt aangaande zijn identiteit en haven van registratie, zijn laatste en zijn volgende aanloophaven en andere van belang zijnde informatie, vereist om vast te stellen of zich een overtreding heeft voorgedaan.
  4. Staten nemen wetten en voorschriften aan en nemen andere maatregelen zodat schepen die hun vlag voeren, voldoen aan verzoeken om informatie ingevolge het derde lid.
  5. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen, dat een schip varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat, in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan zoals bedoeld in het derde lid, leidend tot een aanzienlijke lozing die aanmerkelijke verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kan die Staat overgaan tot feitelijke inspectie van het schip voor aangelegenheden betreffende de overtreding indien het schip geweigerd heeft informatie te verstrekken, of indien de door het schip verstrekte informatie zeer duidelijk afwijkt van de feitelijke situatie en indien de omstandigheden van het geval een zodanige inspectie rechtvaardigen.
  6. Wanneer er duidelijke redenen zijn om aan te nemen, dat een schip, varend in de exclusieve economische zone of de territoriale zee van een Staat, in de exclusieve economische zone een overtreding heeft begaan zoals bedoeld in het derde lid, leidend tot een lozing die grote schade of het risico van grote schade aan de kustlijn of daarmede samenhangende belangen van de kuststaat veroorzaakt, dan wel aan de rijkdommen van zijn territoriale zee of exclusieve economische zone, kan die Staat, onverminderd het bepaalde in afdeling 7, mits het bewijsmateriaal zulks rechtvaardigt, een rechtsvervolging instellen, met inbegrip van de vasthouding van het schip, overeenkomstig zijn wetten.
  7. Niettegenstaande de bepalingen van het zesde lid, laat de kuststaat, indien er passende procedures zijn vastgesteld via de bevoegde internationale organisaties of zoals anderszins overeengekomen, waarbij het naleven van de vereisten inzake borgstelling of een andere passende vorm van financiŽle zekerheid is verzekerd, indien deze Staat door zulke procedures is gebonden, het schip de reis voortzetten.
  8. De bepalingen van het derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, zijn ook van toepassing met betrekking tot nationale wetten en voorschriften, aangenomen krachtens artikel 211, zesde lid.

  Art. 221. Maatregelen ter vermijding van verontreiniging, voortvloeiend uit ongevallen ter zee.
  1. Niets in dit Deel doet afbreuk aan het recht van Staten ingevolge het internationale recht, zowel het gewoonterecht als het gecodificeerde recht, maatregelen te nemen en te handhaven buiten de territoriale zee, naar evenredigheid van de feitelijke of dreigende schade, ter bescherming van hun kustlijn of daarmede samenhangende belangen, met inbegrip van de visserij, tegen verontreiniging of de dreiging van verontreiniging na een ongeval ter zee of na handelingen samenhangend met een zodanig ongeval, waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat deze zullen leiden tot aanzienlijke schadelijke gevolgen.
  2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder " ongeval ter zee " verstaan een aanvaring van schepen, het stranden of een ander scheepvaartvoorval of andere gebeurtenis aan boord van een schip of daarbuiten, leidend tot materiŽle schade of onmiddellijke dreiging van materiŽle schade aan een schip of de lading.

  Art. 222. Handhaving van de bepalingen met betrekking tot verontreiniging vanuit of via de dampkring.
  Binnen het luchtruim onder hun soevereiniteit of met betrekking tot schepen die hun vlag voeren of schepen of luchtvaartuigen die bij hen zijn geregistreerd, handhaven de Staten hun overeenkomstig artikel 212, eerste lid, en andere bepalingen van dit Verdrag aangenomen wetten en voorschriften en nemen zij de wetten en voorschriften aan en nemen zij de andere maatregelen die noodzakelijk zijn ter toepassing van van toepassing zijnde internationale regels en normen, vastgesteld via bevoegde internationale organisaties of een diplomatieke conferentie ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu vanuit of via de dampkring, zulks in overeenstemming met alle desbetreffende internationale regels en normen betreffende de veiligheid van de luchtvaart.

  Afdeling 7. - Waarborgen.

  Art. 223. Maatregelen ter vergemakkelijking van rechtsvervolging.
  Bij een ingevolge dit Deel ingestelde rechtsvervolging nemen de Staten maatregelen ter vergemakkelijking van het horen van getuigen en de toelating van bewijsmateriaal, ingediend door autoriteiten van een andere Staat of door de bevoegde internationale organisatie en vergemakkelijken zij het bijwonen van een zodanige rechtsvervolging door officiŽle vertegenwoordigers van de bevoegde internationale organisatie, de vlaggenstaat en Staten, getroffen door de uit overtredingen voortvloeiende verontreiniging. De officiŽle vertegenwoordigers die een zodanige rechtsvervolging bijwonen, hebben de rechten en plichten die zijn bepaald krachtens de nationale wetten en voorschriften of het internationale recht.

  Art. 224. Uitoefening van bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen.
  De ingevolge dit Deel toegekende bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen ten aanzien van vreemde schepen mogen slechts worden uitgeoefend door overheidsfunctionarissen of door oorlogsschepen, militaire luchtvaartuigen of andere schepen of luchtvaartuigen met kentekens waaruit duidelijk blijkt dat zij in dienst zijn van de Staat en die daartoe gemachtigd zijn.

  Art. 225. Plicht tot vermijding van nadelige gevolgen bij de uitoefening van de bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen.
  Bij de uitoefening ingevolge dit Verdrag van hun bevoegdheden tot handhaving van de bepalingen ten aanzien van vreemde schepen, mogen de Staten niet de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengen of anderszins een gevaar scheppen voor een schip of het naar een onveilige haven of ankerplaats brengen of het mariene milieu aan een onredelijk risico blootstellen.

  Art. 226. Onderzoek van vreemde schepen.
  1. a) De Staten dienen een vreemd schip niet langer op te houden dan beslist noodzakelijk is voor de in de artikelen 216, 218 en 220 bedoelde onderzoeken. Een feitelijke inspectie van een vreemd schip dient beperkt te blijven tot een onderzoek van de certificaten, registers of andere documenten die het schip volgens de algemeen aanvaarde internationale regels en normen aan boord dient te hebben of van soortgelijke documenten die het aan boord heeft; een nadere feitelijke inspectie van het schip mag alleen worden verricht na zulk een onderzoek en alleen wanneer :
  (i) er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de staat waarin het schip of zijn uitrusting verkeert, niet wezenlijk overeenstemt met de gegevens van die documenten;
  (ii) de inhoud van zulke documenten niet voldoende is om een vermoede overtreding te bevestigen of te verifiŽren;
  (iii) het schip geen geldige certificaten en registers aan boord heeft.
  b) Indien uit het onderzoek een overtreding van de van toepassing zijnde wetten en voorschriften of internationale regels en normen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu blijkt, wordt het schip onverwijld vrijgegeven, behoudens redelijke procedures zoals borgstelling of het verstrekken van een andere passende financiŽle zekerheid;
  c) Onverminderd de van toepassing zijnde internationale regels en normen betreffende de zeewaardigheid van schepen, kan het vrijgeven van een schip, wanneer dit een onredelijk risico van schade aan het mariene milieu zou opleveren, worden geweigerd of afhankelijk worden gesteld van het varen naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf. Wanneer het vrijgeven is geweigerd of daaraan voorwaarden zijn verbonden, dient de vlaggenstaat van het schip daarvan onverwijld in kennis te worden gesteld en kan deze het vrijgeven van het schip verzoeken overeenkomstig Deel XV.
  2. De Staten werken samen bij het uitwerken van procedures ter vermijding van onnodige feitelijke inspectie van schepen op zee.

  Art. 227. Non-discriminatie met betrekking tot vreemde schepen.
  Bij de uitoefening van hun rechten en het nakomen van hun verplichtingen ingevolge dit Deel maken de Staten niet rechtens of in feite onderscheid ten aanzien van schepen van andere Staten.

  Art. 228. Schorsing van en beperkingen op de instelling van rechtsvervolging.
  1. Een strafrechtelijke vervolging met betrekking tot overtredingen van van toepassing zijnde wetten en voorschriften of internationale regels en normen betreffende het voorkomen, verminderen en bestrijden van verontreiniging door schepen, begaan door een vreemd schip buiten de territoriale zee van de Staat die de rechtsvervolging instelt, wordt geschorst bij het instellen van een strafrechtelijke vervolging met betrekking tot overeenkomstige aanklachten door de vlaggenstaat binnen zes maanden na de datum waarop de rechtsvervolging oorspronkelijk werd ingesteld, tenzij deze rechtsvervolging betrekking heeft op een geval van grote schade voor de kuststaat, of de desbetreffende vlaggenstaat herhaaldelijk zijn verplichtingen tot doeltreffende handhaving van de bepalingen van de van toepassing zijnde internationale regels en normen met betrekking tot door zijn schepen begane overtredingen heeft genegeerd. De vlaggenstaat stelt te zijner tijd aan de Staat die eerder de rechtsvervolging had ingesteld een volledig dossier van de zaak en de akten van de rechtsvervolging ter beschikking, wanneer de vlaggenstaat de schorsing van de rechtsvervolging heeft verzocht overeenkomstig dit artikel. Wanneer de door de vlaggenstaat ingestelde rechtsvervolging tot een einde is gebracht, wordt de geschorste rechtsvervolging beŽindigd. Bij betaling van de met betrekking tot een zodanige rechtsvervolging gemaakte kosten, wordt een borgstelling of andere financiŽle zekerheid verschaft in verband met de geschorste rechtsvervolging door de kuststaat vrijgegeven.
  2. Strafrechtelijke vervolging tegen vreemde schepen wordt niet ingesteld na het verstrijken van drie jaar van de datum waarop de overtreding werd begaan en wordt niet door een Staat ondernomen ingeval een andere Staat een rechtsvervolging heeft ingesteld, zulks onder voorbehoud van de bepalingen vervat in het eerste lid.
  3. De bepalingen van dit artikel laten onverlet het recht van de vlaggenstaat tot het nemen van maatregelen, met inbegrip van strafrechtelijke vervolging, overeenkomstig zijn wetten, ongeacht eerdere rechtsvervolging door een andere Staat.

  Art. 229. Instelling van civiele procedures.
  Niets in dit Verdrag is van invloed op de instelling van een civiele procedure met betrekking tot een vordering wegens verlies of schade, voortvloeiend uit verontreiniging van het mariene milieu.

  Art. 230. Boetes en de inachtneming van de erkende rechten van de beschuldigde.
  1. Met betrekking tot overtredingen van nationale wetten en voorschriften of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, begaan door vreemde schepen buiten de territoriale zee, kunnen alleen boetes worden opgelegd.
  2. Met betrekking tot overtredingen van nationale wetten en voorschriften of van toepassing zijnde internationale regels en normen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, begaan door vreemde schepen in de territoriale zee, kunnen alleen boetes worden opgelegd, behalve in het geval van een opzettelijke en ernstige daad van verontreiniging in de territoriale zee.
  3. Tijdens een rechtsvervolging met betrekking tot zulke overtredingen, begaan door een vreemd schip, die kan leiden tot de oplegging van straffen, dienen de erkende rechten van de beschuldigde in acht te worden genomen.

  Art. 231. Kennisgeving aan de vlaggenstaat en andere betrokken Staten.
  De Staten stellen onverwijld de vlaggenstaat en andere betrokken Staten in kennis van krachtens afdeling 6 genomen maatregelen tegen vreemde schepen en leggen alle officiŽle rapporten betreffende zulke maatregelen voor aan de vlaggenstaat. Met betrekking evenwel tot overtredingen, begaan in de territoriale zee, zijn de bovenstaande verplichtingen van de kuststaat alleen van toepassing op de maatregelen die bij een rechtsvervolging worden genomen. De diplomatieke vertegenwoordigers of consulaire ambtenaren en waar mogelijk de maritieme autoriteit van de vlaggenstaat worden onmiddellijk op de hoogte gesteld van zulke krachtens afdeling 6 tegen vreemde schepen genomen maatregelen.

  Art. 232. Aansprakelijkheid van Staten voortvloeiend uit maatregelen tot handhaving van de bepalingen.
  De Staten zijn aansprakelijk voor aan hen toe te schrijven schade of verlies, voortvloeiend uit krachtens afdeling 6 genomen maatregelen, wanneer zulke maatregelen onwettig zijn of verder reiken dan die welke redelijkerwijze vereist zijn in het licht van de beschikbare informatie. De Staten voorzien in de mogelijkheid bij hun rechtbanken een eis tot schadevergoeding in te stellen met betrekking tot zulke schade of zulk verlies.

  Art. 233. Waarborgen met betrekking tot voor de internationale scheepvaart gebruikte zeestraten.
  Niets in de afdelingen 5, 6 en 7 is van invloed op het rechtsstelsel inzake zeestraten, dat geldt ten behoeve van de internationale scheepvaart. Indien evenwel een ander vreemd schip dan de schepen, bedoeld in afdeling 10 een overtreding heeft begaan van de wetten en voorschriften, bedoeld in artikel 42, eerste lid, letters a en b, die aanzienlijke schade voor het mariene milieu van de zeestraten veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, kunnen de aan de zeestraten grenzende Staten passende maatregelen tot handhaving van de bepalingen nemen, daarbij mutatis mutandis de bepalingen van deze afdeling eerbiedigend.

  Afdeling 8. - Met ijs bedekte gebieden.

  Art. 234. Met ijs bedekte gebieden.
  Kuststaten hebben het recht non-discriminatoire wetten en voorschriften aan te nemen en te handhaven ter voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging door schepen in met ijs bedekte gebieden binnen de grenzen van de exclusieve economische zone, waar bijzonder moeilijke klimatologische omstandigheden en de aanwezigheid van ijs, dat zodanige gebieden voor het grootste deel van het jaar bedekt, belemmeringen of uitzonderlijke gevaren voor de scheepvaart doen ontstaan en waar verontreiniging van het mariene milieu grote schade of een onherstelbare verstoring van het ecologisch evenwicht zou kunnen veroorzaken. In zulke wetten en voorschriften dient terdege rekening te worden gehouden met de scheepvaart en de bescherming en het behoud van het mariene milieu, op basis van de beste wetenschappelijke gegevens waarover men beschikt.

  Afdeling 9. - Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.

  Art. 235. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
  1. De Staten zijn verantwoordelijk voor de vervulling van hun internationale verplichtingen betreffende de bescherming en het behoud van het mariene milieu. Zij zijn aansprakelijk overeenkomstig het internationale recht.
  2. De Staten verzekeren dat rechtsmiddelen overeenkomstig hun wettelijke stelsels beschikbaar zijn voor de onverwijlde en toereikende compensatie of andere schadevergoeding met betrekking tot aan het mariene milieu veroorzaakte schade door verontreiniging door natuurlijke personen of rechtspersonen onder hun rechtsmacht.
  3. Met het doel onverwijlde en toereikende compensatie te verzekeren met betrekking tot alle door verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakte schade, werken de Staten samen bij de toepassing van het bestaande internationale recht en de verdere ontwikkeling van het internationale recht betreffende de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de evaluatie van en de compensatie voor schade en de regeling van daarmede samenhangende geschillen, alsook, waar passend, de uitwerking van normen en procedures voor de betaling van toereikende compensatie, zoals verplichte verzekering of compensatiefondsen.

  Afdeling 10. - Soevereine immuniteit.

  Art. 236. Soevereine immuniteit.
  De bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van de bescherming en het behoud van het mariene milieu zijn niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen, andere schepen of luchtvaartuigen in eigendom van of in beheer bij een Staat en die tijdelijk uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciŽle overheidsdienst. Elke Staat verzekert evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van zulke schepen of luchtvaartuigen in zijn eigendom of beheer niet aantasten, dat zulke schepen of luchtvaartuigen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, handelen in overeenstemming met dit Verdrag.

  Afdeling 11. - Verplichting krachtens andere Verdragen inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu.

  Art. 237. Verplichting krachtens andere Verdragen inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
  1. De bepalingen van dit Deel laten onverlet de specifieke verplichtingen die de Staten op zich hebben genomen krachtens bijzondere verdragen en overeenkomsten die eerder zijn gesloten en betrekking hebben op de bescherming en het behoud van het mariene milieu, alsook overeenkomsten die kunnen worden gesloten ter bevordering van de in dit Verdrag uiteengezette algemene beginselen.
  2. De door de Staten krachtens bijzondere verdragen op zich genomen specifieke verplichtingen met betrekking tot de bescherming en het behoud van het mariene milieu dienen te worden nagekomen op een wijze die verenigbaar is met de algemene beginselen en doelstellingen van dit Verdrag.

  DEEL XIII. - Wetenschappelijk zeeonderzoek.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 238. Recht tot het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek.
  Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties, hebben het recht wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten, zulks onder voorbehoud van de rechten en plichten van andere Staten, zoals bepaald in dit Verdrag.

  Art. 239. Bevordering van wetenschappelijk zeeonderzoek.
  De Staten en bevoegde internationale organisaties bevorderen en vergemakkelijken de ontwikkeling en het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek overeenkomstig dit Verdrag.

  Art. 240. Algemene beginselen voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek.
  Bij het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek gelden de volgende beginselen :
  a) wetenschappelijk zeeonderzoek wordt uitsluitend verricht voor vreedzame doeleinden;
  b) wetenschappelijk zeeonderzoek wordt verricht met gebruikmaking van de passende wetenschappelijke methoden en middelen die verenigbaar zijn met dit Verdrag;
  c) wetenschappelijk zeeonderzoek mag niet op ongerechtvaardigde wijze andere rechtmatige soorten gebruik van de zee, die verenigbaar zijn met dit Verdrag, hinderen en er wordt bij zodanige soorten gebruik naar behoren met dit onderzoek rekening gehouden;
  d) wetenschappelijk zeeonderzoek wordt verricht in overeenstemming met alle desbetreffende voorschriften, aangenomen overeenkomstig dit Verdrag, met inbegrip van die ter bescherming en behoud van het mariene milieu.

  Art. 241. Niet-erkenning van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek als de juridische basis voor aanspraken.
  Werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek vormen geen juridische basis voor aanspraken op enig deel van het mariene milieu of de rijkdommen daarvan.

  Afdeling 2. - Internationale samenwerking.

  Art. 242. Bevordering van internationale samenwerking.
  1. De Staten en bevoegde internationale organisaties bevorderen, overeenkomstig het beginsel van eerbied voor de soevereiniteit en de rechtsmacht en op basis van wederzijds voordeel, de internationale samenwerking bij wetenschappelijk zeeonderzoek voor vreedzame doeleinden.
  2. In dit verband biedt een Staat, onverminderd de rechten en plichten van de Staten krachtens dit Verdrag, in toepassing van dit Deel, naar gelang passend, andere Staten een redelijke mogelijkheid van deze Staat, of met zijn medewerking, de informatie te verkrijgen die nodig is ter voorkoming en bestrijding van schade aan de gezondheid en de veiligheid van personen en aan het mariene milieu.

  Art. 243. Het scheppen van gunstige voorwaarden.
  De Staten en bevoegde internationale organisaties werken samen, door middel van het sluiten van bilaterale en multilaterale overeenkomsten, ten einde gunstige voorwaarden te scheppen voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in het mariene milieu en de inspanningen van wetenschapsmensen bij de bestudering van de aard van de verschijnselen en processen die zich voordoen in het mariene milieu en van de onderlinge samenhang daartussen, te bundelen.

  Art. 244. Openbaarmaking en verspreiding van informatie en kennis.
  1. Overeenkomstig dit Verdrag stellen de Staten en bevoegde internationale organisaties, door openbaarmaking en verspreiding via passende kanalen, informatie beschikbaar inzake voorgestelde omvangrijke programma's en de doelstellingen daarvan alsmede de kennis, voortvloeiend uit het wetenschappelijk zeeonderzoek.
  2. Hiertoe bevorderen de Staten, zowel afzonderlijk als in samenwerking met andere Staten en met bevoegde internationale organisaties, actief de mededeling van wetenschappelijke gegevens en informatie en de overdracht van uit het wetenschappelijk zeeonderzoek voortvloeiende kennis, vooral aan ontwikkelingsstaten, en bevorderen zij tevens de versterking van het eigen vermogen van ontwikkelingsstaten tot het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek, door middel van onder andere programma's voor passend onderwijs aan en goede opleiding van hun wetenschappelijk en technisch personeel.

  Afdeling 3. - Het verrichten en bevorderen van wetenschappelijk zeeonderzoek.

  Art. 245. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de territoriale zee.
  Bij de uitoefening van hun soevereiniteit hebben de kuststaten het exclusieve recht tot het verrichten van, en het uitvaardigen van voorschriften en verlenen van machtiging met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek in hun territoriale zee. Wetenschappelijk zeeonderzoek in dit gebied mag alleen worden verricht met de uitdrukkelijke toestemming van en op de voorwaarden gesteld door de kuststaat.

  Art. 246. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de exclusieve economische zone en op het continentale plat.
  1. Kuststaten hebben bij de uitoefening van hun rechtsmacht het recht tot het verrichten van en het uitvaardigen van voorschriften en verlenen van machtiging met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek in hun exclusieve economische zone en op hun continentale plat overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.
  2. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de exclusieve economische zone en op het continentale plat wordt verricht met toestemming van de kuststaat.
  3. Kuststaten geven in normale omstandigheden hun toestemming voor projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek door andere Staten of bevoegde internationale organisaties in hun exclusieve economische zone of op hun continentale plat, overeenkomstig dit Verdrag te verrichten uitsluitend voor vreedzame doeleinden en ten einde de wetenschappelijke kennis van het mariene milieu te vergroten en ten bate van de gehele mensheid. Hiertoe stellen kuststaten regels en procedures vast ten einde te verzekeren dat een zodanige toestemming niet wordt vertraagd of op onredelijke gronden geweigerd.
  4. Voor de toepassing van het derde lid kunnen de omstandigheden als normaal worden beschouwd, ondanks het ontbreken van diplomatieke betrekkingen tussen de kuststaat en de Staat die het onderzoek verricht.
  5. Kuststaten kunnen evenwel naar eigen goeddunken hun toestemming onthouden aan het uitvoeren van een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek door een andere Staat of bevoegde internationale organisatie in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van de kuststaat indien dat project :
  a) van rechtstreekse betekenis is voor de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen, levend of niet-levend;
  b) met zich brengt het verrichten van boringen in het continentale plat, het gebruik van explosieven of de introductie van schadelijke stoffen in het mariene milieu;
  c) de bouw, de exploitatie of het gebruik met zich brengt van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen zoals bedoeld in de artikelen 60 en 80;
  d) ingevolge artikel 248 medegedeelde informatie betreffende de aard en de doelstellingen van het project bevat die onjuist is, of indien de Staat of de bevoegde internationale organisatie die het onderzoek verricht niet-nagekomen verplichtingen jegens de kuststaat heeft, voortvloeiende uit een eerder onderzoeksproject.
  6. Niettegenstaande het bepaalde in het vijfde lid kunnen kuststaten niet naar eigen goeddunken hun toestemming ingevolge letter a van dat lid onthouden ten aanzien van projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek die overeenkomstig de bepalingen van dit Deel worden ondernomen op het continentale plat buiten 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, buiten die specifieke gebieden die de kuststaat te allen tijde openbaar kan aanwijzen als gebieden waarin exploitatie of uitvoerige exploratoire werkzaamheden, gericht op die gebieden aan de gang zijn of binnen een redelijke termijn zullen plaatsvinden. Kuststaten geven op een redelijke termijn vooraf kennis van de aanwijzing van zulke gebieden, alsmede van wijzigingen daarin, maar zijn niet verplicht bijzonderheden over de werkzaamheden aldaar te verstrekken.
  7. De bepalingen van het zesde lid laten onverlet de rechten van kuststaten op het continentale plat zoals vastgelegd in artikel 77.
  8. Het wetenschappelijk zeeonderzoek, bedoeld in dit artikel, mag niet op ongerechtvaardigde wijze door kuststaten in de uitoefening van hun soevereine rechten en rechtsmacht, zoals bepaald in dit Verdrag, ondernomen werkzaamheden, hinderen.

  Art. 247. Projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek, ondernomen door of onder auspiciŽn van internationale organisaties.
  Een kuststaat die lid is van of een bilaterale overeenkomst heeft met een internationale organisatie en in wiens exclusieve economische zone of op wiens continentale plat die organisatie een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek wenst uit te voeren, rechtstreeks dan wel onder haar auspiciŽn, wordt geacht machtiging te hebben verleend voor de uitvoering van het project overeenkomstig de overeengekomen specificaties, indien die Staat het tot in bijzonderheden uitgewerkte project heeft goedgekeurd toen de organisatie het besluit nam voor het ondernemen van het project, of bereid is daaraan deel te nemen, en niet binnen vier maanden na kennisgeving van het project door de organisatie aan de kuststaat bezwaar heeft aangetekend.

  Art. 248. Plicht de kuststaat informatie te verschaffen.
  Staten en bevoegde internationale organisaties die voornemens zijn wetenschappelijk zeeonderzoek te ondernemen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van een kuststaat dienen uiterlijk zes maanden voor de beoogde aanvangsdatum van het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, die Staat een volledige omschrijving te verschaffen van :
  a) de aard en de doelstellingen van het project;
  b) de te gebruiken methoden en middelen, met inbegrip van naam, tonnage, type en klasse van de schepen en een beschrijving van de wetenschappelijke apparatuur;
  c) de exacte geografische gebieden waarin het project zal worden uitgevoerd;
  d) de beoogde datum van de eerste verschijning en het definitieve vertrek van de onderzoeksvaartuigen of van de installering van de apparatuur of de verwijdering daarvan, naar gelang van toepassing;
  e) de naam van de instelling onder wier auspiciŽn het project wordt uitgevoerd, de directeur daarvan en de personen, belast met het project; en
  f) het oordeel over de mate waarin de kuststaat zou moeten kunnen deelnemen aan of vertegenwoordigd zijn in het project.

  Art. 249. Plicht te voldoen aan bepaalde voorwaarden.
  1. Wanneer Staten en bevoegde internationale organisaties wetenschappelijk zeeonderzoek ter hand nemen in de exclusieve economische zone of op het continentale plat van een kuststaat, dienen zij te voldoen aan de volgende voorwaarden :
  a) te verzekeren dat de kuststaat, indien deze zulks wenst, het recht heeft deel te nemen of vertegenwoordigd te zijn in het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, vooral aan boord van onderzoeksvaartuigen en andere schepen of installaties voor wetenschappelijk onderzoek, wanneer uitvoerbaar, zonder betaling van enigerlei bezoldiging aan de wetenschapsmensen van de kuststaat en zonder verplichting bij te dragen aan de kosten van het project;
  b) de kuststaat, op diens verzoek, voorlopige verslagen te verstrekken, zo spoedig als mogelijk is, en de eindresultaten en conclusies na voltooiing van het onderzoek;
  c) op zich te nemen de kuststaat, op diens verzoek, toegang te verschaffen tot alle gegevens en monsters, verworven in het kader van het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek alsook deze Staat gegevens te verschaffen die kunnen worden vermenigvuldigd en monsters die kunnen worden gesplitst zonder nadeel voor hun wetenschappelijke waarde;
  d) op verzoek, de kuststaat een evaluatie te verstrekken van zulke gegevens, monsters en onderzoeksresultaten of hulp te bieden bij de evaluatie of interpretatie daarvan;
  e) Behoudens het bepaalde in het tweede lid, te verzekeren dat de onderzoeksresultaten, zo spoedig als uitvoerbaar is, internationaal ter beschikking worden gesteld via passende nationale of internationale kanalen;
  f) de kuststaat onmiddellijk in kennis te stellen van belangrijke veranderingen in het onderzoeksprogramma;
  g) tenzij anders overeengekomen, de installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek te verwijderen wanneer het onderzoek is voltooid.
  2. Dit artikel laat onverlet de voorwaarden, gesteld bij de wetten en voorschriften van de kuststaat voor het handelen naar eigen goeddunken bij het verlenen of onthouden van toestemming ingevolge artikel 246, vijfde lid, met inbegrip van de eis van voorafgaande instemming voor het internationaal ter beschikking stellen van de onderzoeksresultaten van een project dat van rechtstreekse betekenis is voor de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen.

  Art. 250. Mededelingen betreffende projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek.
  Tenzij anders overeengekomen, worden mededelingen betreffende projecten voor wetenschappelijk zeeonderzoek gedaan via passende officiŽle kanalen.

  Art. 251. Algemene criteria en richtsnoeren.
  De Staten streven ernaar via bevoegde internationale organisaties de vastlegging te bevorderen van algemene maatstaven en richtsnoeren om de Staten te helpen de aard en de implicaties van het wetenschappelijk zeeonderzoek vast te stellen.

  Art. 252. Stilzwijgende toestemming.
  Staten of bevoegde internationale organisaties kunnen overgaan tot uitvoering van een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek zes maanden na de datum waarop de ingevolge artikel 248 vereiste informatie aan de kuststaat werd verstrekt, tenzij de kuststaat binnen vier maanden na ontvangst van de mededeling die deze informatie bevatte, de Staat of organisatie die het onderzoek verricht ervan in kennis heeft gesteld dat :
  a) hij zijn instemming heeft onthouden ingevolge de bepalingen van artikel 246; of
  b) de door die Staat of bevoegde internationale organisatie verstrekte informatie betreffende de aard of de doelstellingen van het project niet overeenstemt met de kennelijke feiten; of
  c) hij aanvullende informatie verlangt betreffende de voorwaarden en de informatie zoals bedoeld in de artikelen 248 en 249; of
  d) de verplichtingen voortvloeiend uit de in artikel 249 vastgestelde voorwaarden met betrekking tot een eerder door die Staat of organisatie uitgevoerd project voor wetenschappelijk zeeonderzoek niet zijn nagekomen.

  Art. 253. Opschorting of beŽindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek.
  1. Een kuststaat heeft het recht de opschorting te eisen van lopende werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek in zijn exclusieve economische zone of op zijn continentale plat indien :
  a) de onderzoekswerkzaamheden niet worden verricht overeenkomstig de informatie, medegedeeld zoals bepaald in artikel 248, en waarop de toestemming van de kuststaat was gebaseerd; of
  b) de Staat of bevoegde internationale organisatie die de onderzoekswerkzaamheden verricht, niet de bepalingen van artikel 249 naleeft betreffende de rechten van de kuststaat met betrekking tot het project voor wetenschappelijk zeeonderzoek.
  2. Een kuststaat heeft het recht de beŽindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek te eisen in het geval van de niet-naleving van de bepalingen van artikel 248 die neerkomt op een belangrijke verandering in het onderzoeksproject of de onderzoekswerkzaamheden.
  3. Een kuststaat kan ook de beŽindiging van werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek eisen, indien een van de in het eerste lid bedoelde situaties niet binnen een redelijke termijn wordt rechtgezet.
  4. Na de kennisgeving door de kuststaat van zijn besluit de opschorting of beŽindiging te gelasten, beŽindigen de Staten of bevoegde internationale organisaties die gemachtigd waren werkzaamheden op het gebied van wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten, de onderzoekswerkzaamheden die het onderwerp van een zodanige kennisgeving vormen.
  5. Een bevel tot opschorting ingevolge het eerste lid wordt ingetrokken door de kuststaat en de werkzaamheden op het gebied van het wetenschappelijk zeeonderzoek mogen worden voortgezet, wanneer de Staat of de bevoegde internationale organisatie die het onderzoek verricht, de ingevolge de artikelen 248 en 249 vereiste voorwaarden is nagekomen.

  Art. 254. Rechten van aangrenzende Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging.
  1. Staten en bevoegde internationale organisaties die aan een kuststaat een project hebben voorgelegd voor het ondernemen van wetenschappelijk zeeonderzoek zoals bedoeld in artikel 246, derde lid, geven de buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging kennis van het voorgestelde onderzoeksproject en stellen de kuststaat daarvan in kennis.
  2. Nadat door de betrokken kuststaat overeenkomstig artikel 246 en andere desbetreffende bepalingen van dit Verdrag toestemming is gegeven voor het voorgestelde project voor wetenschappelijk zeeonderzoek, verschaffen de Staten en bevoegde internationale organisaties die zulk een project ondernemen, de buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging, op hun verzoek en wanneer passend, de van belang zijnde informatie zoals aangegeven in artikel 248 en artikel 249, eerste lid, letter f.
  3. De hierboven bedoelde buurstaten zonder zeekust en buurstaten met een ongunstige geografische ligging wordt, op hun verzoek, de gelegenheid gegeven, wanneer mogelijk, deel te nemen aan het voorgestelde project voor wetenschappelijk zeeonderzoek door middel van bevoegde deskundigen die door hen zijn benoemd en waartegen geen bezwaar wordt gemaakt door de kuststaat overeenkomstig de voorwaarden die in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag zijn overeengekomen tussen de betrokken kuststaat en de Staat of bevoegde internationale organisatie die het wetenschappelijk zeeonderzoek verrichten.
  4. De in het eerste lid bedoelde Staten en bevoegde internationale organisaties verstrekken de bovengenoemde Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging, op hun verzoek, de informatie en hulp, omschreven in artikel 249, eerste lid, letter d, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 249, tweede lid.

  Art. 255. Maatregelen tot vergemakkelijking van wetenschappelijk zeeonderzoek en tot hulp aan onderzoeksschepen.
  De Staten trachten redelijke regels, voorschriften, en procedures aan te nemen ter bevordering en vergemakkelijking van overeenkomstig dit Verdrag verricht wetenschappelijk zeeonderzoek buiten hun territoriale zee en, naar gelang passend, onder voorbehoud van de bepalingen van hun wetten en voorschriften, ter vergemakkelijking van toegang tot hun havens en ter bevordering van hulp aan schepen voor wetenschappelijk zeeonderzoek die voldoen aan de desbetreffende bepalingen van dit Deel.

  Art. 256. Wetenschappelijk zeeonderzoek in het Gebied.
  Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties hebben het recht, overeenkomstig de bepalingen van Deel XI, wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten in het Gebied.

  Art. 257. Wetenschappelijk zeeonderzoek in de waterkolom buiten de exclusieve economische zone.
  Alle Staten, ongeacht hun geografische ligging, en bevoegde internationale organisaties hebben het recht, overeenkomstig dit Verdrag, wetenschappelijk zeeonderzoek te verrichten in de waterkolom buiten de grenzen van de exclusieve economische zone.

  Afdeling 4. - Installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek in het mariene milieu.

  Art. 258. Plaatsing en gebruik.
  De plaatsing en het gebruik van alle soorten installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek in enig gebied van het mariene milieu zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarden als die welke in dit Verdrag zijn voorgeschreven voor het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek in een zodanig gebied.

  Art. 259. Juridische status.
  De installaties of apparatuur bedoeld in deze afdeling, bezitten niet de status van eilanden. Zij hebben geen eigen territoriale zee en hun aanwezigheid is niet van invloed op de begrenzing van de territoriale zee, de exclusieve economische zone of het continentale plat.

  Art. 260. Veiligheidszones.
  Rond installaties voor wetenschappelijk onderzoek kunnen veiligheidszones met een redelijke breedte, en wel van niet meer dan 500 meter, worden vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag. Alle Staten verzekeren dat zodanige veiligheidszones door hun schepen worden geŽerbiedigd.

  Art. 261. Geen hinder voor scheepvaartroutes.
  De plaatsing en het gebruik van alle soorten installaties of apparatuur voor wetenschappelijk onderzoek mogen geen belemmering vormen voor gebruikelijke internationale scheepvaartroutes.

  Art. 262. Identificatiemerken en waarschuwingsseinen.
  De in deze afdeling bedoelde installaties of apparatuur dragen identificatiemerken waaruit de Staat van registratie of de internationale organisatie waaraan zij toebehoren blijkt, en dienen voldoende internationaal overeengekomen waarschuwingsseinen te bezitten om de veiligheid op zee en de veiligheid van de luchtvaart te verzekeren, met inachtneming van de regels en normen vastgesteld door bevoegde internationale organisaties.

  Afdeling 5. - Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.

  Art. 263. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
  1. Staten en bevoegde internationale organisaties zijn ervoor verantwoordelijk dat wordt verzekerd dat wetenschappelijk zeeonderzoek of dit nu door of namens hen wordt ondernomen, wordt verricht overeenkomstig dit Verdrag.
  2. Staten en bevoegde internationale organisaties zijn verantwoordelijk en aansprakelijk voor de maatregelen die zij nemen in strijd met dit Verdrag met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek verricht door andere Staten, hun natuurlijke personen of rechtspersonen of door bevoegde internationale organisaties en vergoeden de uit zodanige maatregelen voortvloeiende schade.
  3. Staten en bevoegde internationale organisaties zijn verantwoordelijk en aansprakelijk ingevolge artikel 235 voor schade veroorzaakt door verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit wetenschappelijk zeeonderzoek ondernomen door of namens hen.

  Afdeling 6. - Regeling van geschillen en voorlopige maatregelen.

  Art. 264. Regeling van geschillen.
  Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot wetenschappelijk zeeonderzoek worden geregeld overeenkomstig Deel XV, afdelingen 2 en 3.

  Art. 265. Voorlopige maatregelen.
  In afwachting van de regeling van een geschil overeenkomstig Deel XV, afdelingen 2 en 3, mag de Staat of bevoegde internationale organisatie die gemachtigd was een project voor wetenschappelijk zeeonderzoek uit te voeren, niet toestaan dat de onderzoekswerkzaamheden worden aangevangen of voortgezet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de betrokken kuststaat.

  DEEL XIV. - Ontwikkeling en overdracht van mariene technologie.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 266. Bevordering van de ontwikkeling en overdracht van mariene technologie.
  1. De Staten werken, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, overeenkomstig hun vermogen samen, om actief de ontwikkeling en overdracht van mariene wetenschap en mariene technologie te bevorderen op billijke en redelijke voorwaarden en bedingen.
  2. De Staten bevorderen de ontwikkeling van het mariene wetenschappelijk en technologisch vermogen van Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, vooral ontwikkelingsstaten, met inbegrip van Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging, met betrekking tot de exploratie, exploitatie, het behoud en beheer van mariene rijkdommen, de bescherming en het behoud van het mariene milieu, wetenschappelijk zeeonderzoek, en andere werkzaamheden in het mariene milieu die verenigbaar zijn met dit Verdrag, ten einde de sociale en economische ontwikkeling van de ontwikkelingsstaten te versnellen.
  3. De Staten trachten gunstige economische en juridische voorwaarden te bevorderen voor de overdracht van mariene technologie ten bate van alle betrokken partijen, en wel op billijke grondslag.

  Art. 267. Bescherming van rechtmatige belangen.
  Bij de bevordering van de samenwerking ingevolge artikel 266 houden de Staten naar behoren rekening met alle rechtmatige belangen, met inbegrip van, onder meer, de rechten en plichten van bezitters, verstrekkers en ontvangers van mariene technologie.

  Art. 268. Fundamentele doelstellingen.
  De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties :
  a) de verwerving, evaluatie en verspreiding van mariene technologische kennis en vergemakkelijken de toegang tot zodanige informatie en gegevens;
  b) de ontwikkeling van passende mariene technologie;
  c) de ontwikkeling van de noodzakelijke technologische infrastructuur ter vergemakkelijking van de overdracht van mariene technologie;
  d) de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen door middel van de opleiding van en het onderwijs aan onderdanen van ontwikkelingsstaten en -landen en in het bijzonder de onderdanen van de minst-ontwikkelde daaronder;
  e) internationale samenwerking op alle niveaus, vooral op regionaal, subregionaal en bilateraal niveau.

  Art. 269. Maatregelen ter verwezenlijking van de fundamentele doelstellingen.
  Ten einde de in artikel 268 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken, trachten de Staten, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, onder meer :
  a) programma's op te stellen inzake technische samenwerking voor de doeltreffende overdracht van alle soorten mariene technologie aan Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, vooral de ontwikkelingsstaten zonder zeekust en ontwikkelingsstaten met een ongunstige geografische ligging, alsook andere ontwikkelingsstaten die niet in staat zijn geweest hun eigen technologisch vermogen op het gebied van de mariene wetenschap en de exploratie en exploitatie van mariene rijkdommen op te bouwen of te ontwikkelen of de infrastructuur voor zodanige technologie tot ontwikkeling te brengen;
  b) gunstige voorwaarden te scheppen voor het sluiten van overeenkomsten, contracten en andere soortgelijke regelingen, op billijke en redelijke voorwaarden;
  c) conferenties, studiebijeenkomsten en symposia te houden over wetenschappelijke en technologische onderwerpen, met name over het beleid op het gebied van en de wijzen van overdracht van mariene technologie;
  d) de uitwisseling te bevorderen van wetenschapsbeoefenaren, technici en andere deskundigen;
  e) projecten ter hand te nemen en joint ventures en andere vormen van bilaterale en multilaterale samenwerking te bevorderen.

  Afdeling 2. - Internationale samenwerking.

  Art. 270. Kader voor de internationale samenwerking.
  De internationale samenwerking voor de ontwikkeling en overdracht van mariene technologie geschiedt, waar uitvoerbaar en passend, via bestaande bilaterale, regionale of multilaterale programma's alsook via uitgebreide en nieuwe programma's ter vergemakkelijking van het wetenschappelijk zeeonderzoek, de overdracht van mariene technologie, inzonderheid op nieuwe terreinen, en passende internationale financiering van onderzoek en ontwikkeling op oceanografisch gebied.

  Art. 271. Richtsnoeren, criteria en normen.
  De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, de opstelling van algemeen aanvaarde richtsnoeren, criteria en normen voor de overdracht van mariene technologie op bilaterale basis of binnen het kader van internationale organisaties en andere organen, in het bijzonder met inachtneming van de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten.

  Art. 272. CoŲrdinatie van internationale programma's.
  Op het terrein van overdracht van mariene technologie trachten de Staten te verzekeren dat bevoegde internationale organisaties hun werkzaamheden, met inbegrip van regionale of mondiale programma's, coŲrdineren, met inachtneming van de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten, vooral de Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging.

  Art. 273. Samenwerking met internationale organisaties en de Autoriteit.
  De Staten werken actief samen met bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit ter stimulering en vergemakkelijking van de overdracht aan ontwikkelingsstaten, hun onderdanen en de Onderneming van praktische kennis en mariene technologie met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied.

  Art. 274. Doelstellingen van de Autoriteit.
  Onder voorbehoud van alle rechtmatige belangen, met inbegrip van onder meer de rechten en plichten van bezitters, verstrekkers en ontvangers van technologie, verzekert de Autoriteit, met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, dat :
  a) op basis van het beginsel van billijke geografische verdeling, onderdanen van ontwikkelingsstaten, of deze nu kuststaten, Staten zonder zeekust of Staten met een ongunstige geografische ligging zijn, worden aangenomen voor opleiding als lid van het leidinggevend, onderzoek verrichtend en technisch personeel dat voor haar werkzaamheden wordt aangeworven;
  b) technisch documentatiemateriaal over de desbetreffende apparatuur, machines, toestellen en werkwijzen ter beschikking wordt gesteld aan alle Staten, inzonderheid aan ontwikkelingsstaten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken;
  c) door de Autoriteit passende voorzieningen worden getroffen ter vergemakkelijking van de verwerving van technische hulp op het terrein van mariene technologie door Staten die deze nodig hebben en daarom verzoeken, inzonderheid ontwikkelingsstaten, en de verwerking door hun onderdanen van de nodige vaardigheden en kennis, met inbegrip van beroepsopleiding;
  d) Staten die technische hulp op dit terrein nodig hebben en daarom verzoeken, inzonderheid ontwikkelingsstaten, worden bijgestaan bij de verwerving van de nodige apparatuur en installaties en het zich eigen maken van bepaalde werkwijzen en andere technische kennis door middel van de in dit Verdrag neergelegde financiŽle regelingen.

  Afdeling 3. - Nationale en regionale centra voor mariene wetenschap en technologie.

  Art. 275. Oprichting van nationale centra.
  1. De Staten bevorderen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit, de oprichting, inzonderheid in ontwikkelingskuststaten, van nationale centra voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie en de versterking van bestaande nationale centra, ten einde het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek door ontwikkelingskuststaten te stimuleren en vooruit te helpen en hun nationale vermogen om hun mariene rijkdommen voor hun economisch voordeel aan te wenden en te behouden, te vergroten.
  2. De Staten geven, via bevoegde internationale organisaties en de Autoriteit, voldoende steun ter vergemakkelijking van de oprichting en versterking van zodanige nationale centra, ten einde te voorzien in mogelijkheden voor voortgezette opleiding, in de nodige apparatuur, vaardigheden en kennis, alsook in technische deskundigen ten behoeve van die Staten welke zulke hulp nodig hebben en daarom verzoeken.

  Art. 276. Oprichting van regionale centra.
  1. In coŲrdinatie met de bevoegde internationale organisaties, de Autoriteit en nationale instellingen voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, bevorderen de Staten de oprichting van regionale centra voor onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, inzonderheid in ontwikkelingsstaten, ten einde het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek door ontwikkelingsstaten te stimuleren en vooruit te helpen en de overdracht van mariene technologie te bevorderen.
  2. Alle Staten in een regio werken samen met de zich daarin bevindende regionale centra ter verzekering van een doeltreffendere verwezenlijking van hun doelstellingen.

  Art. 277. Functies van regionale centra.
  De functies van deze regionale centra omvatten onder meer :
  a) opleidings- en onderwijsprogramma's op alle niveaus inzake verschillende aspecten van onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie, inzonderheid mariene biologie, met inbegrip van het behoud en beheer van levende rijkdommen, oceanografie, hydrografie, waterbouwkunde, geologische exploratie van de zeebodem, mijnbouw en ontziltingstechnologieŽn;
  b) beheersstudies;
  c) studieprogramma's betrekking hebbend op de bescherming en het behoud van het mariene milieu, en de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging;
  d) de organisatie van regionale conferenties, studiebijeenkomsten en symposia;
  e) de verwerving en be- en verwerking van gegevens en informatie op het gebied van mariene wetenschap en technologie;
  f) de onverwijlde verspreiding van de resultaten van onderzoek op het gebied van mariene wetenschap en technologie in gemakkelijk toegankelijke publicaties;
  g) het bekendheid geven aan nationale beleidslijnen met betrekking tot de overdracht van mariene technologie alsmede het verrichten van stelselmatig vergelijkend onderzoek inzake dit beleid;
  h) de vergaring en systematisering van informatie over de afzet van technologie en over contracten en andere regelingen betreffende octrooien;
  i) technische samenwerking met andere Staten in de regio.

  Afdeling 4. - Samenwerking tussen internationale organisaties.

  Art. 278. Samenwerking tussen internationale organisaties.
  De bevoegde internationale organisaties, bedoeld in dit Deel en in Deel XIII nemen alle passende maatregelen om, rechtstreeks of in nauwe onderlinge samenwerking, te verzekeren dat zij zich op doeltreffende wijze kwijten van hun taken en verantwoordelijkheden hun krachtens dit Deel opgelegd.

  DEEL XV. - Regeling van geschillen.

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 279. Verplichting geschillen langs vreedzame weg te regelen.
  De Staten die Partij zijn, regelen elk geschil tussen hen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag langs vreedzame weg in overeenstemming met artikel 2, derde lid, van het Handvest van de Verenigde Naties en zoeken te dien einde een oplossing ervan met de middelen als aangegeven in artikel 33, eerste lid, van het Handvest.

  Art. 280. Regeling van geschillen met vreedzame middelen als gekozen door de partijen erbij.
  Geen enkele bepaling van dit Deel tast het recht van de Staten die Partij zijn aan te allen tijde overeen te komen een geschil tussen hen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag te regelen met door hen gekozen vreedzame middelen.

  Art. 281. Procedure te volgen wanneer de partijen niet tot een regeling zijn gekomen.
  1. Wanneer de Staten die Partij zijn, partij zijn bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en zijn overeengekomen te trachten het geschil te regelen met door hen gekozen vreedzame middelen, zijn de in dit Deel voorziene procedures slechts van toepassing indien langs die weg geen regeling ervan is bereikt en de overeenkomst tussen de partijen de mogelijkheid van een verdere procedure niet uitsluit.
  2. Wanneer de partijen eveneens een tijdslimiet zijn overeengekomen, is het eerste lid slechts van toepassing na afloop van die tijdslimiet.

  Art. 282. Verplichtingen krachtens algemene, regionale of bilaterale overeenkomsten.
  Wanneer de Staten die Partij zijn, partij zijn bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en door middel van een algemene, regionale of bilaterale overeenkomst of op andere wijze zijn overeengekomen dat een dergelijk geschil op verzoek van een van de partijen wordt onderworpen aan een procedure die leidt tot een bindende beslissing, is die procedure van toepassing in plaats van de in dit Deel voorziene procedures, tenzij de partijen bij het geschil anderszins overeenkomen.

  Art. 283. Verplichting tot uitwisseling van standpunten.
  1. Wanneer een geschil ontstaat tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, gaan de partijen bij het geschil met spoed over tot een uitwisseling van standpunten met betrekking tot de regeling ervan door middel van onderhandelingen of met andere vreedzame middelen.
  2. De partijen gaan eveneens met spoed over tot een uitwisseling van standpunten wanneer een procedure voor de regeling van een dergelijk geschil is beŽindigd zonder dat de regeling is tot stand gekomen of wanneer een regeling is tot stand gekomen en de omstandigheden een bespreking vereisen van de wijze van nakoming ervan.

  Art. 284. Conciliatie.
  1. Een Staat die Partij is, die partij is bij een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag kan de andere partij of partijen uitnodigen het geschil te onderwerpen aan conciliatie volgens de procedure van Bijlage V, afdeling 1, of een andere conciliatieprocedure.
  2. Indien de uitnodiging wordt aanvaard en de partijen het eens worden over de te volgen conciliatieprocedure, kan elke partij het geschil onderwerpen aan conciliatie volgens die procedure.
  3. Indien de uitnodiging niet wordt aanvaard of de partijen het niet eens worden over de procedure, wordt de poging tot conciliatie geacht te zijn beŽindigd.
  4. Wanneer een geschil is onderworpen aan conciliatie, kan deze slechts worden beŽindigd in overeenstemming met de overeengekomen conciliatieprocedure, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.

  Art. 285. Toepassing van deze afdeling op geschillen, voorgelegd ingevolge Deel XI.
  Deze afdeling is van toepassing op elk geschil dat ingevolge Deel XI, afdeling 5, dient te worden geregeld in overeenstemming met de in dit Deel voorziene procedures. Indien een ander lichaam dan een Staat die Partij is, partij is bij een dergelijk geschil, is deze afdeling mutatis mutandis van toepassing.

  Afdeling 2. - Verplichte procedures leidende tot bindende beslissingen.

  Art. 286. Toepassing van deze afdeling.
  Met inachtneming van afdeling 3 wordt elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet is geregeld met toepassing van afdeling 1, op verzoek van een van de partijen bij het geschil voorgelegd aan het hof of scheidsgerecht dat bevoegd is krachtens deze afdeling.

  Art. 287. Keuze van procedure.
  1. Bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna is een Staat vrij om door middel van een schriftelijke verklaring een of meer van de volgende wijzen van regeling van geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag te kiezen :
  a) het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, opgericht overeenkomstig Bijlage VI;
  b) het Internationale Gerechtshof;
  c) een scheidsgerecht, ingesteld overeenkomstig Bijlage VII;
  d) een bijzonder scheidsgerecht, ingesteld overeenkomstig Bijlage VIII voor een of meer van de daarin vermelde soorten van geschillen.
  2. Een krachtens het eerste lid afgelegde verklaring tast niet aan en wordt niet aangetast door de verplichting van een Partij om de bevoegdheid van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee te aanvaarden naar de mate en op de wijze, voorzien in Deel XI, afdeling 5.
  3. Een Staat die Partij is, die partij is bij een geschil waarvoor een van kracht zijnde verklaring niet geldt, wordt geacht arbitrage overeenkomstig Bijlage VII te hebben aanvaard.
  4. Indien de partijen bij een geschil dezelfde procedure voor de regeling van het geschil hebben aanvaard, kan het geschil slechts aan die procedure worden onderworpen, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
  5. Indien de partijen bij een geschil niet dezelfde procedure voor de regeling van het geschil hebben aanvaard, kan het geschil slechts aan arbitrage overeenkomstig Bijlage VII worden onderworpen, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
  6. Een krachtens het eerste lid afgelegde verklaring blijft van kracht tot drie maanden na de nederlegging van een kennisgeving van herroeping bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
  7. Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van herroeping of het aflopen van een verklaring tast geenszins een zaak aan die aanhangig is voor een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens dit artikel, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
  8. De in dit artikel bedoelde verklaringen en kennisgevingen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die afschriften ervan doet toekomen aan de Partijen.

  Art. 288. Bevoegdheid.
  1. Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, is bevoegd inzake elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat eraan wordt voorgelegd overeenkomstig dit Deel.
  2. Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, is eveneens bevoegd inzake elk geschil betreffende de uitlegging of toepassing van een internationale overeenkomst welke betrekking heeft op de doeleinden van dit Verdrag en dat eraan wordt voorgelegd overeenkomstig die overeenkomst.
  3. De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, ingesteld overeenkomstig Bijlage VI, en elke andere kamer of elk ander scheidsgerecht, bedoeld in Deel XI, afdeling 5, is bevoegd inzake elke kwestie die eraan wordt voorgelegd in overeenstemming daarmee.
  4. In het geval van een geschil over de vraag of een hof of scheidsgerecht bevoegd is, beslist dat hof of scheidsgerecht.

  Art. 289. Deskundigen.
  Bij elk geschil waarbij wetenschappelijke of technische kwesties zijn betrokken, kan een hof of scheidsgerecht, de bevoegdheid uitoefenend krachtens deze afdeling, op verzoek van een partij of uit eigen beweging en in overleg met de partijen ten minste twee deskundigen op wetenschappelijk of technisch gebied uitkiezen, bij voorkeur van de desbetreffende lijst, opgesteld overeenkomstig Bijlage VIII, artikel 2, om in het hof of scheidsgerecht zitting te nemen zonder stemrecht.

  Art. 290. Voorlopige maatregelen.
  1. Indien een hof of scheidsgerecht, waaraan een geschil op de juiste wijze is voorgelegd, meent op het eerste gezicht bevoegd te zijn krachtens dit Deel of Deel XI, afdeling 5, kan dat hof of scheidsgerecht alle voorlopige maatregelen voorschrijven welke het hof of scheidsgerecht onder de omstandigheden passend acht om in afwachting van de definitieve uitspraak de onderscheiden rechten van de partijen bij het geschil in stand te houden of ernstige schade aan het mariene milieu te voorkomen.
  2. De voorlopige maatregelen kunnen worden gewijzigd of herroepen zodra de omstandigheden die deze rechtvaardigen zijn veranderd of hebben opgehouden te bestaan.
  3. Voorlopige maatregelen kunnen krachtens dit artikel slechts op verzoek van een partij bij het geschil en nadat de partijen de mogelijkheid is gegeven te worden gehoord, worden voorgeschreven, gewijzigd of herroepen.
  4. Het hof of scheidsgerecht stelt de partijen bij het geschil en andere Partijen die worden geacht in aanmerking te komen, terstond in kennis van het voorschrijven, wijzigen of herroepen van voorlopige maatregelen.
  5. In afwachting van de instelling van een scheidsgerecht waaraan een geschil wordt voorgelegd krachtens deze afdeling kan elk hof of scheidsgerecht waarover de partijen het eens zijn geworden, of wanneer zij het niet eens zijn geworden binnen twee weken vanaf de datum van het verzoek om voorlopige maatregelen, het Internationale Hof voor het Recht van de Zee of, in het geval van werkzaamheden in het Gebied, de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, voorlopige maatregelen overeenkomstig dit artikel voorschrijven, wijzigen of herroepen, indien wordt gemeend dat het in te stellen scheidsgerecht op het eerste gezicht bevoegd zou zijn en dat de dringende aard van de situatie dit vereist. Nadat het is ingesteld kan het scheidsgerecht waaraan het geschil is voorgelegd, handelend overeenkomstig het eerste tot en met het vierde lid, deze voorlopige maatregelen wijzigen, herroepen of bevestigen.
  6. De partijen bij het geschil schikken zich onverwijld in alle krachtens dit artikel voorgeschreven voorlopige maatregelen.

  Art. 291. Toegankelijkheid.
  1. Alle in dit Deel bedoelde procedures voor de regeling van geschillen staan open voor Staten die Partij zijn.
  2. De in dit Deel voorziene procedures voor de regeling van geschillen staan slechts open voor andere lichamen dan de Staten die Partij zijn voor zover dit Verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet.

  Art. 292. Spoedige vrijgeving van schepen en bemanningen.
  1. Wanneer de autoriteiten van een Staat die Partij is een schip hebben aangehouden dat onder de vlag van een andere Partij vaart en aangevoerd wordt dat de Staat die de aanhouding heeft verricht de bepalingen van dit Verdrag inzake de spoedige vrijgeving van het schip of de bemanning ervan terstond na de storting van een redelijke borgsom of andere financiŽle zekerheid niet in acht heeft genomen, kan de kwestie van de vrijgeving worden voorgelegd aan een hof of scheidsgerecht waarover de partijen het eens zijn geworden, of, bij gebreke van een dergelijke overeenkomst, binnen 10 dagen te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding aan een hof of scheidsgerecht aanvaard overeenkomstig artikel 287 door de Staat die de aanhouding heeft verricht, of het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
  2. Het verzoek om vrijgeving kan alleen worden gedaan door of uit naam van de Staat, onder de vlag waarvan het schip vaart.
  3. Het hof of scheidsgerecht behandelt onverwijld het verzoek om vrijgeving en behandelt alleen de kwestie van de vrijgeving, ongeacht het gevolg dat wordt gegeven aan een actie tegen het schip, de eigenaar of de bemanning ervan voor de bevoegde nationale rechter. De autoriteiten van de Staat die de aanhouding heeft verricht blijven bevoegd het schip of zijn bemanning op ieder moment vrij te geven.
  4. Terstond na de storting van de door het hof of scheidsgerecht vastgestelde borgsom of andere financiŽle zekerheid nemen de autoriteiten van de Staat die de aanhouding verricht terstond de uitspraak van het hof of scheidsgerecht in acht betreffende de vrijgeving van het schip of zijn bemanning.

  Art. 293. Toepasselijk recht.
  1. Een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, past dit Verdrag en de andere regels van internationaal recht die niet onverenigbaar zijn met dit Verdrag toe.
  2. Het eerste lid maakt geen inbreuk op de bevoegdheid van het hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, een zaak te beslissen ex aequo et bono, indien de partijen aldus overeenkomen.

  Art. 294. Inleidende procedures.
  1. Een hof of scheidsgerecht, bedoeld in artikel 287, waaraan een verzoek is gericht met betrekking tot een geschil genoemd in artikel 297, beslist op verzoek van een partij, of kan uit eigen beweging beslissen, of dit verzoek een misbruik van rechtsgang vormt of dat het prima facie gegrond is. Indien het hof of scheidsgerecht beslist dat het verzoek een misbruik van rechtsmiddelen vormt of prima facie ongegrond is, beŽindigt het hof of scheidsgerecht de behandeling ervan.
  2. Bij ontvangst van het verzoek stelt het hof of scheidsgerecht de andere partij of partijen onmiddellijk in kennis van het verzoek en stelt een redelijke tijdslimiet vast waarbinnen zij kunnen verzoeken om een beslissing overeenkomstig het eerste lid.
  3. Niets in dit artikel tast het recht aan van enige partij bij een geschil inleidende excepties te maken overeenkomstig de toepasselijke procedureregels.

  Art. 295. Uitputting van nationale rechtsmiddelen.
  Elk geschil tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag kan, waar dit door het internationale recht wordt vereist, alleen nadat de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput worden onderworpen aan de in deze afdeling bedoelde procedures.

  Art. 296. Definitieve en bindende aard van beslissingen.
  1. Elke beslissing die wordt gegeven door een hof of scheidsgerecht, bevoegd krachtens deze afdeling, is definitief en wordt nagevolgd door alle partijen bij het geschil.
  2. Een dergelijke beslissing heeft geen bindende kracht behoudens tussen de partijen en met betrekking tot het desbetreffende geschil.

  Afdeling 3. - Berperkingen en excepties op de toepasselijkheid van afdeling 2.

  Art. 297. Beperkingen op de toepasselijkheid van afdeling 2.
  1. Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag met betrekking tot de uitoefening door een kuststaat van zijn in dit Verdrag voorziene soevereine rechten of jurisdictie zijn onderworpen aan de afdeling 2 bedoelde procedures in de volgende gevallen :
  a) wanneer wordt aangevoerd dat een kuststaat in strijd met de bepalingen van dit Verdrag heeft gehandeld met betrekking tot de vrijheden en rechten van scheepvaart, van overvliegen of het leggen van onderzeese kabels en pijpleidingen, of met betrekking tot de andere internationaal rechtmatige soorten gebruik van de zee, genoemd in artikel 58;
  b) wanneer wordt aangevoerd dat een Staat bij de uitoefening van de voornoemde vrijheden, rechten of soorten gebruik heeft gehandeld in strijd met dit Verdrag of met de wetten of voorschriften, die door de kuststaat zijn aangenomen in overeenstemming met dit Verdrag en andere regels van internationaal recht, die daarmee niet onverenigbaar zijn; of
  c) wanneer wordt aangevoerd dat een kuststaat heeft gehandeld in strijd met bepaalde internationale regels en normen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, die van toepassing zijn voor deze kuststaat en die zijn ingesteld door dit Verdrag of door middel van een bevoegde internationale organisatie of diplomatieke conferentie overeenkomstig dit Verdrag.
  2. a) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot het wetenschappelijk zeeonderzoek worden geregeld in overeenstemming met afdeling 2, met dien verstande dat de kuststaat niet is verplicht de onderwerping aan een dergelijke regeling te aanvaarden van enig geschil dat voortkomt uit :
  (i) de uitoefening door de kuststaat van een recht of bevoegdheid overeenkomstig artikel 246, of
  (ii) een besluit van de kuststaat om opschorting of beŽindiging van een onderzoeksproject te gelasten overeenkomstig artikel 253.
  b) Een geschil dat voortkomt uit de aanvoering door de onderzoek verrichtende Staat, dat de kuststaat zijn rechten krachtens de artikelen 246 en 253 met betrekking tot een bepaald project niet uitoefent op een manier die verenigbaar is met dit Verdrag, wordt op verzoek van een van de partijen onderworpen aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, mits de conciliatiecommissie er niet bij betrekt de uitoefening door de kuststaat van zijn bevoegdheid bepaalde gebieden aan te wijzen zoals is voorzien in artikel 246, zesde lid, of van zijn bevoegdheid om toestemming te weigeren overeenkomstig artikel 246, vijfde lid.
  3. a) Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot de visserij worden geregeld overeenkomstig afdeling 2, met dien verstande dat de kuststaat niet is verplicht de onderwerping aan een dergelijke regeling te aanvaarden van enig geschil betreffende zijn soevereine rechten met betrekking tot de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone of de uitoefening ervan, met inbegrip van zijn discretionaire bevoegdheid de toelaatbare vangst te bepalen, zijn vermogen tot het oogsten, de toedeling van resthoeveelheden aan andere Staten en de voorwaarden, gesteld in zijn wetten en voorschriften inzake behoud en beheer.
  b) Wanneer geen regeling is bereikt met behulp van afdeling 1 van dit Deel, wordt een geschil onderworpen aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, op verzoek van een van de partijen bij het geschil, wanneer wordt aangevoerd dat :
  (i) een kuststaat duidelijk niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan om door middel van juiste maatregelen tot behoud en beheer te verzekeren dat de instandhouding van de levende rijkdommen in de exclusieve economische zone niet ernstig in gevaar komt;
  (ii) een kuststaat in willekeur heeft geweigerd op verzoek van een andere Staat de toelaatbare vangst te bepalen alsmede zijn vermogen tot het oogsten van levende rijkdommen met betrekking tot voorraden in het oogsten waarvan die andere Staat belang stelt; of
  (iii) een kuststaat in willekeur heeft geweigerd aan een Staat krachtens de artikelen 62, 69 en 70 en de voorwaarden die de kuststaat heeft gesteld en verenigbaar zijn met dit Verdrag, het geheel of een deel van de resthoeveelheid waarin de kuststaat heeft verklaard dat deze bestaat toe te delen.
  c) In geen geval stelt de conciliatiecommissie haar discretionaire bevoegdheid in de plaats van die van de kuststaat.
  d) Het rapport van de conciliatiecommissie wordt overgelegd aan de passende internationale organisaties.
  e) Bij het onderhandelen over overeenkomsten, bedoeld in de artikelen 69 en 70, nemen de staten die Partij zijn, tenzij zij anderszins overeenkomen, een bepaling op inzake de maatregelen die zij dienen te nemen om de mogelijkheid van onenigheid over de uitlegging of toepassing van de overeenkomst tot een minimum terug te brengen, en inzake de te volgen procedure in het geval er toch onenigheid ontstaat.

  Art. 298. Facultatieve excepties op de toepasselijkheid van afdeling 2.
  1. Bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna kan een Staat, onverminderd de verplichtingen die krachtens afdeling 1 ontstaan, schriftelijk verklaren dat hij een of meer van de in afdeling 2 bedoelde procedures niet aanvaardt met betrekking tot een of meer van de volgende groepen geschillen :
  a) (i) geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van de artikelen 15, 74 en 83 inzake de afbakening van zeegrenzen, of betreffende historische baaien of titels, mits een Staat die een dergelijke verklaring heeft afgelegd, op verzoek van een partij bij het geschil, onderwerping van de zaak aan conciliatie krachtens Bijlage V, afdeling 2, aanvaardt, wanneer een dergelijk geschil na de inwerkingtreding van dit Verdrag ontstaat en binnen redelijke tijd geen overeenstemming is bereikt in onderhandelingen tussen de partijen, en mits verder elk geschil dat noodzakelijkerwijze met zich brengt de gelijktijdige behandeling van een onopgelost geschil betreffende soevereiniteit of andere rechten op vastelands- of eilandgebied van deze onderwerping aan conciliatie wordt uitgesloten;
  (ii) nadat de conciliatiecommissie haar rapport heeft overgelegd, dat de argumenten dient aan te geven waarop het is gebaseerd, onderhandelen de partijen over een akkoord op basis van dat rapport; indien de onderhandelingen niet op een akkoord uitlopen, onderwerpen de partijen de kwestie met wederzijds goedvinden aan een van de in afdeling 2 bedoelde procedures, tenzij de partijen anderszins overeenkomen;
  (iii) letter (a. is niet van toepassing op een geschil betreffende zeegrenzen dat definitief is geregeld door een akkoord tussen de partijen of dat dient te worden geregeld overeenkomstig een bilaterale of multilaterale overeenkomst die bindend is voor deze partijen;
  b) geschillen betreffende militaire activiteiten, met inbegrip van militaire activiteiten van staatsschepen en staatsluchtvaartuigen die voor andere dan commerciŽle doeleinden worden gebruikt, en geschillen betreffende daden van rechtshandhaving met betrekking tot soevereine rechten of jurisdictie, welke zijn uitgesloten van de rechtsmacht van een hof of scheidsgerecht krachtens artikel 297, tweede of derde lid;
  c) geschillen met betrekking waartoe de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de functies uitoefent die deze door het Handvest van de Verenigde Naties zijn opgedragen, tenzij de Veiligheidsraad besluit de zaak van de agenda te schrappen of de partijen verzoekt de zaak te regelen door de in dit Verdrag voorziene middelen.
  2. Een Staat die Partij is, die een verklaring ingevolge het eerste lid heeft afgelegd, kan deze op ieder tijdstip intrekken of instemmen met de onderwerping van een geschil, dat door een dergelijke verklaring is uitgesloten, aan elke in dit Verdrag bedoelde procedure.
  3. Een Staat die Partij is, die een verklaring ingevolge het eerste lid heeft afgelegd is niet bevoegd een geschil dat onder een uitgesloten groep geschillen valt te onderwerpen aan enige in dit Verdrag bedoelde procedure zonder de toestemming van de Staat die Partij is waarmee hij het geschil heeft.
  4. Indien een van de Staten die Partij zijn een verklaring ingevolge het eerste lid, letter a, heeft afgelegd, kan elke andere Staat die Partij is een geschil dat onder een uitgesloten groep geschillen valt en dat deze met de verklarende partij heeft, onderwerpen aan de in die verklaring genoemde procedure.
  5. Een nieuwe verklaring, of het intrekken van een verklaring tast geenszins de procedures aan die voor een hof of scheidsgerecht lopen overeenkomstig dit artikel, tenzij de partijen anderszins overeenkomen.
  6. Verklaringen en kennisgevingen van het intrekken ervan krachtens dit artikel worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die een afschrift ervan doet toekomen aan de Staten die Partij zijn.

  Art. 299. Recht van de partijen om een procedure overeen te komen.
  1. Een geschil dat van de in afdeling 2 bedoelde procedures is uitgesloten krachtens artikel 297 of door een krachtens artikel 298 afgelegde verklaring kan alleen met instemming van de partijen bij het geschil worden onderworpen aan die procedures.
  2. Niets in deze afdeling maakt inbreuk op het recht van de partijen bij een geschil, een andere procedure voor de regeling van het geschil overeen te komen of het bij minnelijke schikking te regelen.

  DEEL XVI. - Algemene bepalingen.

  Art. 300. Goede trouw en misbruik van recht.
  De Staten die Partij zijn, komen te goeder trouw de verplichtingen na die zij op grond van dit Verdrag op zich hebben genomen en oefenen de rechten, bevoegdheden en vrijheden die in dit Verdrag worden erkend, uit op een wijze die geen misbruik van recht vormt.

  Art. 301. Vreedzaam gebruik van de zee.
  Bij de uitoefening van hun rechten en de nakoming van hun plichten op grond van dit Verdrag onthouden de Staten die Partij zijn zich van elke bedreiging met of elk gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van enige Staat, en van enigerlei andere handelwijze die onverenigbaar is met de beginselen van het internationale recht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties.

  Art. 302. Openbaarmaking van gegevens.
  Onverminderd het recht van een Staat die Partij is zijn toevlucht te nemen tot de procedures voor de regeling van geschillen, bedoeld in dit Verdrag, wordt niets in dit Verdrag geacht een Staat die Partij is te verplichten, bij het nakomen van zijn plichten op grond van dit Verdrag, gegevens te verschaffen waarvan de openbaarmaking strijdig is met de wezenlijke belangen van zijn veiligheid.

  Art. 303. In zee gevonden archeologische en historische voorwerpen.
  1. Staten hebben de plicht in zee gevonden voorwerpen van archeologische of historische aard te beschermen en werken tot dit doel samen.
  2. Om de handel in dergelijke voorwerpen te beheersen, kan de kuststaat bij de toepassing van artikel 33 aannemen dat de verwijdering ervan, zonder zijn toestemming, van de zeebodem in de zone genoemd in dat artikel, een inbreuk binnen zijn grondgebied of territoriale zee zou betekenen op de wetten en voorschriften, genoemd in dat artikel.
  3. Niets in dit artikel tast de rechten van aanwijsbare eigenaars aan, het bergingsrecht of andere regels van maritiem recht, noch wetten en gebruiken op het gebied van culturele uitwisselingen.
  4. Dit artikel tast geen andere internationale overeenkomsten en regels van internationaal recht aan betreffende de bescherming van voorwerpen van archeologische of historische aard.

  Art. 304. Aansprakelijkheid bij schade.
  De bepalingen van dit Verdrag betreffende aansprakelijkheid bij schade tasten niet de toepassing aan van bestaande en de totstandkoming van nieuwe aansprakelijkheidsregels op grond van het internationale recht.

  DEEL XVII. - Slotbepalingen.

  Art. 305. Ondertekening.
  1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door :
  a) alle Staten;
  b) NamibiŽ, vertegenwoordigd door de Raad van de Verenigde Naties voor NamibiŽ;
  c) alle zelfbesturende geassocieerde Staten die deze status hebben gekozen door middel van een daad van zelfbeschikking, onder toezicht en met goedkeuring van de Verenigde Naties overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
  d) alle zelfbesturende geassocieerde Staten die overeenkomstig hun onderscheiden akten van associatie bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
  e) alle gebieden die volledig intern zelfbestuur genieten, dat als zodanig is erkend door de Verenigde Naties, maar geen volledige onafhankelijkheid hebben bereikt overeenkomstig resolutie 1514 (XV) van de Algemene Vergadering, en die bevoegd zijn aangaande de onderwerpen in dit Verdrag behandeld, met inbegrip van de bevoegdheid om verdragen aan te gaan met betrekking tot die onderwerpen;
  f) internationale organisaties, overeenkomstig Bijlage IX.
  2. Dit Verdrag blijft openstaan voor ondertekening tot en met 9 december 1984 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Jamaica en tevens vanaf 1 juli 1983 tot en met 9 december 1984 op de zetel van de Verenigde Naties te New York.

  Art. 306. Bekrachtiging en formele bevestiging.
  Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd door de Staten en de andere lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letters b, c, d en e, en overeenkomstig Bijlage IX formeel te worden bevestigd door de lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letter f. De akten van bekrachtiging en van formele bevestiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

  Art. 307. Toetreding.
  Dit Verdrag staat open voor toetreding door de Staten en de andere lichamen, bedoeld in artikel 305. Toetreding door de lichamen, bedoeld in artikel 305, eerste lid, letter f, geschiedt overeenkomstig Bijlage IX. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

  Art. 308. Inwerkingtreding.
  1. Dit Verdrag treedt in werking 12 maanden na de datum van nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging of toetreding.
  2. Voor iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging of toetreding treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag, volgend op de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, onder voorbehoud van het eerste lid.
  3. De Vergadering van de Autoriteit komt bijeen op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag en kiest de Raad van de Autoriteit. De eerste Raad wordt samengesteld op een wijze die verenigbaar is met het doel van artikel 161, indien de bepalingen van dit artikel niet strikt kunnen worden toegepast.
  4. De regels, voorschriften en procedures, opgesteld door de Voorbereidende Commissie, worden voorlopig toegepast in afwachting van hun formele aanvaarding door de Autoriteit overeenkomstig Deel XI.
  5. De Autoriteit en haar organen handelen overeenkomstig resolutie II van de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee betreffende voorbereidende investeringen en overeenkomstig besluiten van de Voorbereidende Commissie, genomen krachtens die resolutie.

  Art. 309. Voorbehouden en excepties.
  Voorbehouden of excepties ten aanzien van dit Verdrag kunnen niet worden gemaakt, tenzij deze uitdrukkelijk zijn toegestaan op grond van andere artikelen van dit Verdrag.

  Art. 310. Verklaringen.
  Artikel 309 verhindert een Staat niet bij de ondertekening of bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag verklaringen af te leggen, in welke bewoordingen of onder welke naam ook, onder andere met het oog op de harmonisatie van zijn wetgeving met de bepalingen van dit Verdrag, mits dergelijke verklaringen niet strekken tot uitsluiting of wijziging van de juridische werking van de bepalingen van dit Verdrag in de toepassing ervan op die Staat.

  Art. 311. Verhouding tot andere internationale overeenkomsten.
  1. Tussen de Staten die Partij zijn, gaat dit Verdrag boven de Verdragen van GenŤve inzake het recht van de zee van 29 april 1958.
  2. Dit Verdrag wijzigt niet de rechten en plichten van de Staten die Partij zijn welke voortvloeien uit andere internationale overeenkomsten, die verenigbaar zijn met dit Verdrag en die noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn, op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aantasten.
  3. Twee of meer Staten die Partij zijn kunnen overeenkomsten tot wijziging of schorsing van de werking van bepalingen van dit Verdrag sluiten, die uitsluitend van toepassing zijn op hun onderlinge betrekkingen, mits dergelijke overeenkomsten zich niet uitstrekken tot een bepaling waarvan niet mag worden afgeweken als dit onverenigbaar is met de doeltreffende verwezenlijking van voorwerp en doel van het Verdrag, en mits dergelijke overeenkomsten voorts niet de toepassing van de grondbeginselen die erin zijn neergelegd, aantasten en de bepalingen van dergelijke overeenkomsten noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn, op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aantasten.
  4. De Staten die Partij zijn die het voornemen hebben een overeenkomst bedoeld in het derde lid te sluiten, stellen de andere Staten die Partij zijn door tussenkomst van de depositaris van dit Verdrag in kennis van hun voornemen de overeenkomst te sluiten, en van de wijzigingen of schorsingen waarin deze voorziet.
  5. Dit artikel tast niet de internationale overeenkomsten aan, die uitdrukkelijk zijn toegestaan of in stand worden gehouden door andere artikelen van dit Verdrag.
  6. De Staten die Partij zijn komen overeen dat geen wijzigingen worden aangebracht op het grondbeginsel betreffende het gemeenschappelijke erfdeel van de mensheid, genoemd in artikel 136, en dat zij geen partij zullen zijn bij een overeenkomst die daaraan afbreuk doet.

  Art. 312. Wijziging.
  1. Na afloop van een periode van 10 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag kan een Staat die Partij is door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, specifieke wijzigingen op dit Verdrag voorstellen, die niet betrekking hebben op de werkzaamheden in het Gebied, en verzoeken om de bijeenroeping van een conferentie, die de voorgestelde wijzigingen moet bespreken. De Secretaris-Generaal brengt een dergelijke kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn. Hij roept de conferentie bijeen indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving ten minste de helft van de Staten die Partij zijn in positieve zin antwoordt op het verzoek.
  2. De besluitvormingsprocedure die van toepassing is op de conferentie tot wijziging, is dezelfde als die welke van toepassing is op de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, tenzij de conferenties anders besluit. De conferentie behoort alles in het werk te stellen om overeenstemming over de wijzigingen te bereiken door middel van consensus, en er behoort niet over te worden gestemd totdat alle pogingen om tot consensus te komen op niets zijn uitgelopen.

  Art. 313. Wijziging door middel van een vereenvoudigde procedure.
  1. Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, een wijziging op dit Verdrag voorstellen die niet betrekking heeft op de werkzaamheden in het Gebied, en die door middel van de in dit artikel opgenomen vereenvoudigde procedure wordt aangenomen zonder de bijeenroeping van een conferentie. De Secretaris-Generaal brengt de kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn.
  2. Indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving een Staat die Partij is bezwaar maakt tegen de voorgestelde wijziging of tegen het voorstel tot aanneming ervan door middel van de vereenvoudigde procedure, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn verworpen. De Secretaris-Generaal brengt dit onmiddellijk ter kennis van alle Staten die Partij zijn.
  3. Indien binnen 12 maanden vanaf de datum van toezending van de kennisgeving geen Staat die Partij is bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgestelde wijziging of tegen het voorstel tot aanneming ervan door middel van de vereenvoudigde procedure, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn aangenomen. De Secretaris-Generaal brengt het feit dat de voorgestelde wijziging is aangenomen ter kennis van alle Staten die Partij zijn.

  Art. 314. Wijzigingen van de bepalingen van dit Verdrag, uitsluitend betrekking hebbende op de werkzaamheden in het Gebied.
  1. Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Autoriteit, een wijziging voorstellen van de bepalingen van dit Verdrag, uitsluitend betrekking hebbende op de werkzaamheden in het Gebied, met inbegrip van Bijlage VI, afdeling 4. De Secretaris-Generaal brengt een dergelijke kennisgeving over aan alle Staten die Partij zijn. De voorgestelde wijziging behoeft de goedkeuring van de Vergadering, nadat de Raad deze heeft goedgekeurd. De vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn in deze organen dienen te zijn gemachtigd de voorgestelde wijziging te bestuderen en goed te keuren. De voorgestelde wijziging, zoals goedgekeurd door de Raad en de Vergadering, wordt geacht te zijn aangenomen.
  2. Voordat de Raad en de Vergadering een wijziging overeenkomstig het eerste lid goedkeuren, vergewissen zij zich ervan, dat deze geen inbreuk maakt op het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied, in afwachting van de bijeenroeping van de Herzieningsconferentie overeenkomstig artikel 155.

  Art. 315. Ondertekening en bekrachtiging van, toetreding tot en authentieke teksten van wijzigingen.
  1. Na de aanneming ervan staan de wijzigingen van dit Verdrag gedurende 12 maanden vanaf de datum van aanneming open voor ondertekening door de Staten die Partij zijn op de zetel van de Verenigde Naties te New York, tenzij in de wijzigingen anders wordt bepaald.
  2. De artikelen 306, 307 en 320 zijn van toepassing op alle wijzigingen van dit Verdrag.

  Art. 316. Inwerkingtreding van de wijzigingen.
  1. De wijzigingen van dit Verdrag, niet zijnde die waarnaar wordt verwezen in het vijfde lid, treden in werking voor de Staten die Partij zijn die deze bekrachtigen of ertoe toetreden, op de dertigste dag na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door twee derde van de Staten die Partij zijn of door 60 Staten die Partij zijn, welke van de twee het grootste aantal is. Dergelijke wijzigingen tasten noch het genot van de aan de andere Staten die Partij zijn op grond van dit Verdrag toekomende rechten, noch het nakomen van hun plichten op grond van dit Verdrag aan.
  2. Een wijziging kan bepalen dat een groter aantal bekrachtigingen of toetredingen is vereist voor de inwerkingtreding ervan dan door dit artikel wordt vereist.
  3. Voor elke Staat die Partij is die een wijziging, bedoeld in het eerste lid, bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van het vereiste aantal akten van bekrachtiging of toetreding, treedt de wijziging in werking op de dertigste dag na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.
  4. Een staat die partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding van een wijziging overeenkomstig het eerste lid wordt, indien hij geen andere bedoeling heeft kenbaar gemaakt, beschouwd als :
  a) partij bij dit Verdrag zoals het gewijzigd is; en
  b) partij het het niet-gewijzigde Verdrag met betrekking tot iedere Staat die Partij is die niet is gebonden door de wijziging.
  5. De wijzigingen die uitsluitend betrekking hebben op de werkzaamheden in het Gebied en de wijzigingen van Bijlage VI treden voor alle Staten die Partij zijn in werking een jaar na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door drie vierde van de Partijen.
  6. Een Staat die Partij wordt bij dit Verdrag na de inwerkingtreding van wijzigingen overeenkomstig het vijfde lid wordt beschouwd als Partij bij dit Verdrag zoals gewijzigd.

  Art. 317. Opzegging.
  1. Een Staat die Partij is kan door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, dit Verdrag opzeggen en daarbij de redenen aangeven. Het niet aangeven van redenen tast de geldigheid van de opzegging niet aan. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving, tenzij hierin een latere datum wordt aangegeven.
  2. De opzegging ontheft noch een Staat van de financiŽle en contractuele verplichtingen, ontstaan terwijl deze Partij was bij dit Verdrag, noch tast de opzegging enig recht, enige plicht of juridische toestand aan die voor die Staat voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van dit Verdrag vůůr de buitenwerkingtreding ervan voor die Staat.
  3. De opzegging tast in generlei wijze de plicht van iedere Staat die Partij is aan elke in dit Verdrag neergelegde verplichting na te komen, waaraan deze krachtens het internationale recht zou zijn onderworpen onafhankelijk van dit Verdrag.

  Art. 318. Status van de Bijlagen.
  De Bijlagen maken een integrerend deel uit van dit Verdrag en een verwijzing naar dit Verdrag of naar een van de Delen ervan houdt een verwijzing in naar desbetreffende Bijlagen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

  Art. 319. Depositaris.
  1. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is de depositaris van dit Verdrag en van de wijzigingen ervan.
  2. In aanvulling op zijn functies als depositaris dient de Secretaris-Generaal :
  a) aan alle Staten die Partij zijn, de Autoriteit en de bevoegde internationale organisaties rapport uit te brengen over de problemen van algemene aard die met betrekking tot dit Verdrag zijn gerezen;
  b) aan de Autoriteit kennis te geven van de bekrachtigingen en formele bevestigingen van dit Verdrag, de toetredingen ertoe en de wijzigingen ervan, alsmede van de opzeggingen van dit Verdrag;
  c) aan de Staten die Partij zijn kennis te geven van de overeenkomsten, gesloten overeenkomstig artikel 311, vierde lid;
  d) wijzigingen die overeenkomstig dit Verdrag zijn aangenomen, over te brengen aan de Staten die Partij zijn ter bekrachtiging of om ertoe toe te treden;
  e) de noodzakelijke bijeenkomsten van de Staten die Partij zijn bijeen te roepen overeenkomstig dit Verdrag.
  3. a) De Secretaris-Generaal brengt eveneens over aan de waarnemers, genoemd in artikel 156 :
  (i) de rapporten, bedoeld in het tweede lid, letter a;
  (ii) de kennisgevingen, bedoeld in het tweede lid, letters b en c; en
  (iii) de teksten van wijzigingen, bedoeld in het tweede lid, letter d, te hunner informatie.
  b) De Secretaris-Generaal nodigt eveneens die waarnemers uit om in de hoedanigheid van waarnemers deel te nemen aan de bijeenkomsten van de Staten die Partij zijn, bedoeld in het tweede lid, letter e.

  Art. 320. Authentieke teksten.
  Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, met inachtneming van artikel 305, tweede lid.
  Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
  Gedaan te Montego Bay, op tien december negentienhonderd tweeŽntachtig.

  Bijlagen.

  Art. N1. Bijlage 1. Over grote afstanden trekkende soorten.
  1. Langvintonijn : Thunnus alalunga.
  2. Tonijn : Thunnus thynnus.
  3. Grootoogtonijn : Thunnus obesus.
  4. Skipjacktonijn : Katsuwonus pelamis.
  5. Geelvintonijn : Thunnus albacares.
  6. Zwartvintonijn : Thunnus atlanticus.
  7. Kleine tonijn : Euthynnus alletteratus; Euthynnus affinis.
  8. Pacifische tonijn : Thunnus maccoyii.
  9. Fregatmakreel : Auxis thazard; Auxis rochei.
  10. Pomfrets : familie Bramidae.
  11. Marlijnen : Tetrapturus angustirostris; Tetrapturus belone; Tetrapturus pfluegeri; Tetrapturus albidus; Tetrapturus audax; Tetrapturus georgei; Makaira mazara; Makaira indica; Makaira nigricans.
  12. Zeilvis : Istiophorus platypterus; Istiophorus albicans.
  13. Zwaardvis : Xiphias gladius.
  14. Sauries : Scomberesox saurus; Cololabis saira; Cololabis adocetus; Scomberesox saurus scombroides.
  15. Dolfijnvis : Coryphaena hippurus; Coryphaena equiselis.
  16. Oceanische haaien : Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; familie Alopiidae; Rhincodon typus; familie Carcharhinidae; familie Sphyrnidae; familie Isuridae.
  17. Walvisachtigen : familie Physeteridae; familie Balaenopteridae; familie Balaenidae; familie Eschrichtiidae; familie Monodontidae; familie Ziphiidae; familie Delphinidae.

  Art. N2. Bijlage 2. LIJST MET DE GEBONDEN STATEN.

  STATEN      ONDERTEKENING OF    BEKRACHTIGING,      INWERKINGTREDING  VER-
               STATENOPVOLGING     FORMELE                               KLA-
               (S)                 BEVESTIGING (B),                      RING
                                   TOETREDING (T),                       (V)
                                   STATENOPVOLGING
                                   (S)
  AFGHANISTAN 18 maart 1983
  ALGERIE     10 december 1982    11 juni 1996        11 juli 1996      V
  ANGOLA      10 december 1982     5 december 1990    16 november 1994  V
  ANTIGUA EN   7 februari 1983     2 februari 1989    16 november 1994
   BARBUDA
  ARGENTINIE   5 oktober 1984      1 december 1995    31 december 1995  V
  AUSTRALIE   10 december 1982     5 october 1994     16 november 1994
  BAHAMA'S    10 december 1982    29 juli 1983        16 november 1994
  BAHREIN     10 december 1982    30 mei 1985         16 november 1994
  BANGLADESH  10 december 1982
  BARBADE     10 december 1982    12 oktober 1993     16 november 1994
  BELGIE       5 december 1984    13 november 1998    13 december 1998  V
  BELIZE      10 december 1982    13 augustus 1983    16 november 1994
  BENIN       30 augustus 1983    16 oktober 1997     15 november 1997
  BHUTAN      10 december 1982
  BOLIVIE     27 november 1984    28 april 1995       28 mei 1994       V
  BOSNIE-                         12 januari 1994   S 16 november 1994
   HERZEGO-
   VINA
  BOTSWANA     5 december 1984     2 mei 1990         16 november 1994
  BRAZILIE    10 december 1982    22 december 1988     5 december 1996  V
  BRUNEI       5 december 1984     5 november 1996    14 juni 1996
   DARUSSALAM
  BULGARIJE   10 december 1982    15 mei 1996
  BURKINA     10 december 1982
   FASO
  BURUNDI     10 december 1982
  CAMBODJA     1 juli 1983
  CANADA      10 december 1982
  CENTRAAL-    4 december 1984
   AFRIKAANSE
   REPUBLIEK
  CHILI       10 december 1982    25 augustus 1997    24 september 1997 V
  CHINA       10 december 1982     7 juni 1996         7 juli 1996      V
  COLOMBIA    10 december 1982
  COMOREN      6 december 1984    21 juni 1994        16 november 1994
  CONGO       10 december 1982
  CONGO       22 augustus 1983    17 februari 1989    16 november 1994
   (Democra-
   tische
   Republiek)
  COSTA RICA  10 december 1982    21 september 1992   16 november 1994  V
  COOK-       10 december 1982    15 februari 1995    16 maart 1995
   EILANDEN
  CUBA        10 december 1982    15 augustus 1984    16 november 1994  V
  CYPRUS      10 december 1982    12 december 1988    16 november 1994
  DENEMARKEN  10 december 1982
  DJIBOUTI    10 december 1982     8 oktober 1991     16 november 1994
  DOMINICA    28 maart 1983       24 oktober 1991     16 november 1994
  DOMINI-     10 december 1982
   CAANSE
   REPUBLIEK
  DUITSLAND                       14 oktober 1994   T 16 november 1994  V
  EGYPTE      10 december 1982    26 augustus 1983    16 november 1994  V
  EL SALVADOR  5 december 1984
  AQUATORIAAL 30 januari 1984     21 juli 1997        20 augustus 1997
   GUINEA
  ETHIOPIE    10 december 1982
  EUROPESE     7 december 1984     1 april 1998     B  1 mei 1998       V
   GEMEEN-
   SCHAPPEN



  STATEN      ONDERTEKENING OF    BEKRACHTIGING,      INWERKINGTREDING  VER-
               STATENOPVOLGING     FORMELE                               KLA-
               (S)                 BEVESTIGING (B),                      RING
                                   TOETREDING (T),                       (V)
                                   STATENOPVOLGING
                                   (S)
  FIDJI       10 december 1982    10 december 1982    16 november 1994
  FILIPIJNEN  10 december 1982     8 mei 1984         16 november 1994  V
  FINLAND     10 december 1982    21 juni 1996        21 juli 1996      V
  FRANKRIJK   10 december 1982    11 april 1996       11 mei 1996       V
  GABON       10 december 1982    11 maart 1998       10 april 1998
  GAMBIA      10 december 1982    22 mei 1984         16 november 1994
  GEORGIE                         21 maart 1996     T 20 april 1996
  GHANA       10 december 1982     7 juni 1983        16 november 1994
  GRENADA     10 december 1982    25 april 1991       16 november 1994
  GRIEKENLAND 10 december 1982    21 juli 1995        20 augustus 1995  V
  GUATEMALA    8 juli 1983        11 februari 1997    13 maart 1997     V
  GUINEE       4 oktober 1984      6 september 1985   16 november 1994  V
  GUINEE-     10 december 1982    25 augustus 1986    16 november 1994  V
   BISSAU
  GUYANA      10 december 1982    16 november 1993    16 november 1994
  HAITI       10 december 1982    31 juli 1996        30 augustus 1996
  HONDURAS    10 december 1982     5 oktober 1993     16 november 1994
  HONGARIJE   10 december 1982
  IERLAND     10 december 1982    21 juni 1996        21 juli 1996      V
  IJSLAND     10 december 1982    21 juni 1985        16 november 1994  V
  INDIA       10 december 1982    29 juni 1995        29 juli 1995      V
  INDONESIE   10 december 1982     3 februari 1986    16 november 1994
  IRAN        10 december 1982                                          V
   (Islami-
   tische
   Republiek)
  IRAK        10 december 1982    30 juli 1985        16 november 1994  V
  ITALIE       7 december 1984    13 januari 1995     12 februari 1995  V
  IVOORKUST   10 december 1982    26 maart 1984       16 november 1994
  JAMAICA     10 december 1982    21 maart 1983       16 november 1994
  JAPAN        7 februari 1983    20 juni 1996        20 juli 1996
  JEMEN       10 december 1982    21 juli 1987        16 november 1994  V
  JOEGOSLAVIE 10 december 1982     5 mei 1986         16 november 1994  V
  JORDANIE                        27 november 1995  T 27 december 1995
  KAAPVER-    10 december 1982    10 augustus 1987    16 november 1994  V
   DISCHE
   EILANDEN
  KAMEROEN    10 december 1982    19 november 1985    16 november 1994
  KENYA       10 december 1982     2 maart 1989       16 november 1994
  KOEWEIT     10 december 1982     2 mei 1986         16 november 1994  V
  KOREA (Re-  14 maart 1983       29 januari 1996     28 februari 1996
   publiek)
  KOREA       10 december 1982
   (Democra-
   tische
   Volks-
   republiek)
  KROATIE                          5 april 1995     S 16 november 1994  V
  LAO         10 december 1982     5 juni 1998         5 juli 1998
   (Democra-
   tische
   Volks-
   republiek)
  LESOTHO     10 december 1982
  LIBAN        7 december 1984     5 januari 1995      4 februari 1995
  LIBERIA     10 december 1982
  LIBISCH-     3 december 1984
   ARABISCHE
   VOLKS-
   JAMA-
   HIRIYAH
  LIECHTEN-   30 november 1984
   STEIN
  LUXEMBURG    5 december 1984                                          V
  MADAGASCAR  25 februari 1983
  MALAWI       7 december 1984
  MALDIVEN    10 december 1982



  STATEN      ONDERTEKENING OF    BEKRACHTIGING,      INWERKINGTREDING  VER-
               STATENOPVOLGING     FORMELE                               KLA-
               (S)                 BEVESTIGING (B),                      RING
                                   TOETREDING (T),                       (V)
                                   STATENOPVOLGING
                                   (S)
  MALEISIE    10 december 1982    14 oktober 1996     13 november 1996  V
  MALI        19 oktober 1983     16 juli 1985        16 november 1994  V
  MALTA       10 december 1982    20 mei 1993         16 november 1994  V
  MAROKKO     10 december 1982
  MARSHALL-                        9 augustus 1991  T 16 november 1994
   EILANDEN
  MAURITANIE  10 december 1982    17 juli 1996        16 augustus 1996
  MAURITIUS   10 december 1982     4 november 1994     4 december 1994
  MEXICO      10 december 1982    18 maart 1983       16 november 1994
  MICRONESIA                      29 april 1991     T 16 november 1994
   (Federale
   Staten)
  MONACO      10 december 1982    20 maart 1996       19 april 1996
  MONGOLIE    10 december 1982    13 augustus 1986    12 september 1996
  MOZAMBIQUE  10 december 1982    13 maart 1997       12 april 1997
  MYANMAR     10 december 1982    21 mei 1996         20 juni 1996
  NAMIBIE     10 december 1982    18 april 1983       16 november 1994
  NAURU       10 december 1982    23 januari 1996     22 februari 1996
  NEDERLAND   10 december 1982    28 juni 1996        28 juli 1996      V
  NEPAL       10 december 1982     2 november 1998     2 december 1998
  NICARAGUA    9 december 1984                                          V
  NIEUW-      10 december 1982    19 juli 1996        18 augustus 1996
   ZEELAND
  NIGER       10 december 1982
  NIGERIA     10 december 1982    14 augustus 1986    16 november 1994
  NIOUE        5 december 1984
  NOORWEGEN   10 december 1982    24 juni 1996        24 juli 1996      V
  OEKRAINE    10 december 1982                                          V
  OMAN         1 juli 1983        17 augustus 1989    16 november 1994  V
  OOSTENRIJK  10 december 1982    14 juli 1995        13 augustus 1995  V
  PAKISTAN    10 december 1982    26 februari 1997    28 maart 1997     V
  PALAOS                          30 september 1996 T 30 oktober 1996
  PANAMA      10 december 1982     1 juli 1996        31 juli 1996      V
  PAPOEA-     10 december 1982    14 januari 1997     13 februari 1997
   NIEUW-
   GUINEA
  PARAGUAY    10 december 1982    26 september 1986   16 november 1994
  POLEN       10 december 1982    13 november 1998    13 december 1998
  PORTUGAL    10 december 1982     3 november 1997     3 december 1997  V
  QATAR       27 november 1984                                          V
  ROEMENIE    10 december 1982    17 december 1996    16 januari 1997   V
  RUANDA      10 december 1982
  RUSLAND     10 december 1982    12 maart 1997       11 april 1997     V
   (fed.)
  SAINT LUCIA 10 december 1982    27 maart 1985       16 november 1994
  SAINT KITS   7 december 1984     7 januari 1993     16 november 1994
   EN NEVIS
  SAINT       10 december 1982     1 oktober 1993     16 november 1994
   VINCENT EN
   DE  
   GRENADINES
  SALOMONS-   10 december 1982    23 juni 1997        23 juni 1997
   EILANDEN
  SAMOA       28 september 1984   14 augustus 1995    13 september 1995
  SAO TOME EN 13 juli 1983         3 november 1987    16 november 1994  V
   PRINCIPE
  SAOUDI-      7 december 1984    24 april 1996       24 mei 1996       V
   ARABIE
  SENEGAL     10 december 1982    25 oktober 1984     16 november 1994
  SEYCHELLEN  10 december 1982    16 september 1991   16 november 1994
  SIERRA      10 december 1982    12 december 1994    11 januari 1995
   LEONE
  SINGAPORE   10 december 1982    17 november 1994    17 december 1994
  SLOVAKIJE   28 mei 1993       S  8 mei 1996



  STATEN      ONDERTEKENING OF    BEKRACHTIGING,      INWERKINGTREDING  VER-
               STATENOPVOLGING     FORMELE                               KLA-
               (S)                 BEVESTIGING (B),                      RING
                                   TOETREDING (T),                       (V)
                                   STATENOPVOLGING
                                   (S)
  SLOVENIE                        16 juni 1995      S                   V
  SOMALIE     10 december 1982    24 juli 1989        16 november 1994
  SPANJE       4 december 1984    15 januari 1997     14 februari 1997  V
  SRI LANKA   10 december 1982    19 juli 1994        16 november 1994
  SUDAN       10 december 1982    23 januari 1985     16 november 1994  V
  SURINAME    10 december 1982     9 juli 1998         8 augustus 1998
  SWAZILAND   18 januari 1984
  TANZANIA    10 december 1982    30 september 1985   16 november 1994  V
   (Verenigde
   Republiek)
  THAILAND    10 december 1982
  TJAAD       10 december 1982
  TOGO        10 december 1982    16 april 1985       16 november 1994
  TONGA       10 december 1982     2 augustus 1995  T  1 september 1995
  TRINIDAD EN 10 december 1982    25 april 1986       16 november 1994
   TOBAGO
  TSJECHISCHE 22 februari 1983  S 21 juni 1996        21 juli 1996
   REPUBLIEK
  TUNESIE     10 december 1982    24 april 1985       16 november 1994  V
  TUVALU      10 december 1982
  UGANDA      10 december 1982     9 november 1990    16 november 1994
  URUGUAY     10 december 1982    10 december 1992    16 november 1994  V
  VANUATU     10 december 1982
  VERENIGDE   10 december 1982
   ARABISCHE
   EMIRATEN
  VERENIGD                        25 juli 1997      T 24 augustus 1997  V
   KONINKRIJK
  VIETNAM     10 december 1982    25 juli 1994        16 november 1994  V
  VOORMALIGE                      19 augustus 1994  S 16 november 1994
   JOEGO-
   SLAVISCHE
   REPUBLIEK
   MACEDONIE
  WIT-RUSLAND 10 december 1982                                          V
  ZAMBIA      10 december 1982     7 maart 1983       16 november 1994
  ZIMBABWE    10 december 1982    24 februari 1993    16 november 1994
  ZUID-        5 december 1984    23 december 1997    22 januari 1998   V
   AFRIKA
  ZWEDEN      10 december 1982    25 juni 1996        25 juli 1996      V
  ZWITSERLAND 17 oktober 1984


Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,
   Geleid door de wens om in een geest van wederzijds begrip en wederzijdse samenwerking alle problemen met betrekking tot het recht van de zee te regelen, en zich bewust van de historische betekenis van dit Verdrag als een belangrijke bijdrage tot de handhaving van vrede, gerechtigheid en vooruitgang voor alle volkeren van de wereld,
   Vaststellend dat de ontwikkelingen, die zich hebben voorgedaan sinds de Conferenties van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gehouden te GenŤve in 1958 en 1960, de noodzaak hebben beklemtoond van de totstandkoming van een nieuw en algemeen aanvaardbaar Verdrag inzake het recht van de zee,
   Zich ervan bewust dat de problemen van de oceanen nauw met elkaar zijn verbonden en als een geheel dienen te worden beschouwd,
   Erkennend dat het wenselijk is om door middel van dit Verdrag, met inachtneming van de soevereiniteit van alle staten, een rechtsorde voor de zeeŽn en oceanen in te stellen, die de internationale verbindingen vergemakkelijkt en het vreedzame gebruik van de zeeŽn en oceanen, het rechtvaardige en doelmatige gebruik van de rijkdommen ervan en de instandhouding van de levende rijkdommen ervan alsmede de studie, de bescherming en het behoud van het mariene milieu bevordert,
   Indachtig het feit dat de verwezenlijking van deze doeleinden zal bijdragen tot de totstandkoming van een billijke en rechtvaardige internationale economische orde die rekening houdt met de belangen en behoeften van de gehele mensheid en in het bijzonder met de specifieke belangen en behoeften van de ontwikkelingslanden, of deze nu aan zee grenzen of door land worden omsloten,
   Verlangend door middel van dit Verdrag de beginselen nader tot ontwikkeling te brengen die zijn neergelegd in resolutie 2749 (XXV) van 17 december 1970, waarin de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties onder andere plechtig heeft verklaard, dat het gebied van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht alsmede de rijkdommen ervan, het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid zijn, waarvan de exploratie en exploitatie zullen worden uitgevoerd ten bate van de gehele mensheid, zonder rekening te houden met de geografische ligging van de Staten,
   Van oordeel zijnde dat de codificatie en de geleidelijke ontwikkeling van het recht van de zee, die in dit Verdrag zijn bereikt, zullen bijdragen tot de versterking van de vrede, de veiligheid, de samenwerking en de vriendschappelijke betrekkingen tussen alle naties in overeenstemming met de beginselen van rechtvaardigheid en gelijke rechten, en de economische en sociale vooruitgang zullen bevorderen van alle volkeren van de wereld, zulks overeenkomstig de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties, zoals deze zijn vervat in het Handvest,
   Bevestigend dat de aangelegenheid die niet door dit Verdrag worden geregeld, beheerst zullen blijven door de regels en d(BR)e beginselen van het algemene internationale recht,
   Zijn overeengekomen als volgt :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie