J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
28 JANUARI 1981. - Verdrag tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. (Vertaling)

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL.ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Publicatie : 30-12-1993 nummer :   1981012850 bladzijde : 29024
Dossiernummer : 1981-01-28/30
Inwerkingtreding : 01-09-1993

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Onderwerp en doel.
Art. 1
Begripsomschrijvingen.
Art. 2
Werkingssfeer.
Art. 3
HOOFDSTUK II. - Grondbeginselen van gegevensbescherming.
Verplichtingen van Partijen.
Art. 4
Hoedanigheid van de gegevens.
Art. 5
Bijzondere categorieŽn gegevens.
Art. 6
Beveiliging van gegevens.
Art. 7
Bijkomende waarborgen voor de betrokkene.
Art. 8
Uitzonderingen en beperkingen.
Art. 9
Sancties en rechtsmiddelen.
Art. 10
Verdergaande bescherming.
Art. 11
HOOFDSTUK III. - Grensoverschrijdend verkeer van gegevens.
Grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens en intern recht.
Art. 12
HOOFDSTUK IV. - Wederzijdse hulp.
Samenwerking tussen de Partijen.
Art. 13
Hulp aan in het buitenland verblijf houdende betrokkenen.
Art. 14
Waarborgen omtrent hulp verleend door aangewezen overheden.
Art. 15
Afwijzing van verzoeken om hulp.
Art. 16
Kosten en procedures van hulpverlening.
Art. 17
HOOFDSTUK V. - Adviescommissie.
Samenstelling van de Commissie.
Art. 18
Taken van de Commissie.
Art. 19
Procedure.
Art. 20
HOOFDSTUK VI. - Amendementen.
Amendementen.
Art. 21
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
Inwerkingtreding.
Art. 22
Toetreding van niet-Lidstaten.
Art. 23
Territoriale clausule.
Art. 24
Voorbehouden.
Art. 25
Opzegging.
Art. 26
Kennisgevingen.
Art. 27

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Onderwerp en doel.

  Artikel 1. Dit Verdrag heeft tot doel op het grondgebied van elke Partij aan iedere natuurlijke persoon, ongeacht zijn nationaliteit of verblijfplaats, de eerbiediging van zijn rechten en fundamentele vrijheden te waarborgen en met name zijn recht op persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens hem betreffend (" gegevensbescherming ").

  Begripsomschrijvingen.

  Art. 2. Voor de toepassing van dit Verdrag :
  a) wordt onder " persoonsgegevens " verstaan : iedere informatie betreffende een geÔdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (" betrokkene ");
  b) wordt onder " geautomatiseerd bestand " verstaan : iedere verzameling gegevens die langs geautomatiseerde weg wordt verwerkt;
  c) omvat " geautomatiseerde verwerking " : de volgende geheel of gedeeltelijk langs geautomatiseerde weg uitgevoerde bewerkingen : opslag van gegevens, toepassing van logische en/of rekenkundige bewerkingen op die gegevens; het wijzigen, uitwissen, opvragen en verspreiden van die gegevens;
  d) wordt onder " houder van een bestand " verstaan : de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de overheidsinstantie, de dienst of enig ander lichaam dat volgens het nationale recht de bevoegdheid heeft te beslissen welk doel het geautomatiseerde bestand moet dienen, welke categorieŽn persoonsgegevens dienen te worden opgeslagen en welke bewerkingen hierop zullen worden toegepast.

  Werkingssfeer.

  Art. 3. 1. De Partijen verbinden zich dit Verdrag toe te passen op de geautomatiseerde bestanden van persoonsgegevens en op de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in de openbare en particuliere sector.
  2. Elke Staat kan bij de ondertekening of de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, of op elk later tijdstip, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa kenbaar maken dat :
  a) hij dit Verdrag niet zal toepassen op bepaalde categorieŽn geautomatiseerde bestanden van persoonsgegevens, waarvan een lijst zal worden overgelegd.
  Hij mag in die lijst echter geen categorieŽn geautomatiseerde bestanden opnemen die krachtens zijn interne recht onder voorschriften inzake gegevensbescherming vallen. Hij dient deze lijst derhalve door middel van een nieuwe verklaring te herzien telkens wanneer nieuwe categorieŽn geautomatiseerde bestanden van persoonsgegevens onder zijn nationale stelsel van gegevensbescherming komen te vallen;
  b) hij dit Verdrag evenees zal toepassen op gegevens betreffende groeperingen, verenigingen, stichtingen, vennootschappen of enig ander lichaam, dat direct of indirect uit natuurlijke personen bestaat, oneacht of het rechtspersoonlijkheid bezit;
  c) hij dit Verdrag eveneens zal toepassen op bestanden van persoonsgegevens die niet langs geautomatiseerde weg worden verwerkt.
  3. Elke Staat die de werkingssfeer van dit Verdrag door middel van een van de in het tweede lid, letter b) of c), hierboven bedoelde verklaringen heeft uitgebreid, kan in deze verklaring aangeven dat de uitbreidingen slechts van toepassing zijn op bepaalde categorieŽn bestanden van persoonsgegevens waarvan een lijst wordt overgelegd.
  4. Een Partij die bepaalde categorieŽn geautomatiseerde bestanden van persoonsgegevens door middel van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, letter a), hierboven heeft uitgesloten, kan niet van een Partij die deze niet heeft uitgesloten, verlangen dat laatstgenoemde Partij dit Verdrag op zodanige categorieŽn toepast.
  5. Evenmin kan een Partij die niet tot ťťn der uitbreidingen bedoeld in het tweede lid, letters b) en c), van dit artikel is overgegaan van een Partij die wel tot uitbreiding is overgegaan, verlangen dat deze op die punten dit Verdrag zal toepassen.
  6. De verklaringen bedoeld in het tweede lid van dit artikel worden van kracht op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van de Staat die deze heeft ingediend indien deze Staat die verklaringen heeft ingediend bij ondertekening of bij nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, dan wel drie maanden na ontvangst hiervan door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa indien zij op een later tijdstip zijn ingediend. Deze verklaringen kunnen geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken door middel van ee kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal va de Raad van Europa. De intrekking wordt van kracht drie maanden na de datum van ontvangst van een zodanige kennisgeving.

  HOOFDSTUK II. - Grondbeginselen van gegevensbescherming.

  Verplichtingen van Partijen.

  Art. 4. 1. Elke Partij treft in zijn interne recht de noodzakelijke maatregelen om uitvoering te geven aan de grondbeginselen van databescherming, vervat in dit hoofdstuk.
  2. Deze maatregelen dienen te zijn getroffen uiterlijk op het tijdstip waarop dit Verdrag ten aanzien van die Partij in werking treedt.

  Hoedanigheid van de gegevens.

  Art. 5. Persoonsgegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, dienen :
  a) op eerlijke en wettige wijze te worden verkregen en verwerkt;
  b) te worden opgeslagen voor duidelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden en niet te worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden;
  c) toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden opgeslagen;
  d) nauwkeurig te zijn en, zo nodig, te worden bijgewerkt;
  e) te worden bewaard in een zodanige vorm dat de betrokkene hierdoor niet langer te identificeren is dan strikt noodzakelijk is voor het doel waarvoor de gegevens zijn opgeslagen.

  Bijzondere categorieŽn gegevens.

  Art. 6. Persoonsgegevens waaruit ras, politieke overtuiging, godsdienstige of andere levensbeschouwing blijkt, alsmede die welke betrekking hebben op gezondheid of sexueel gedrag, mogen niet langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, tenzij het interne recht passende waarborgen ter zake biedt. Hetzelfde geldt voor persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen.

  Beveiliging van gegevens.

  Art. 7. Er dienen passende beveiligingsmaatregelen te worden getroffen om persoonsgegevens opgeslagen in geautomatiseerde bestanden te beschermen tegen toevallige of ongeoorloofde vernietiging, toevallig verlies en ongeoorloofde toegang, wijziging of verspreiding.

  Bijkomende waarborgen voor de betrokkene.

  Art. 8. Een ieder dient in staat te worden gesteld :
  a) kennis te nemen van het bestaan van een geautomatiseerd bestand van persoonsgegevens, de voornaamste doeleinden hiervan, alsmede de identiteit en de gewone verblijfpaats of de hoofdvestiging van de houder van het bestand;
  b) met redelijke tussenpozen en zonder overmatige vertraging of kosten uitsluitsel te verkrijgen over de vraag of persoonsgegevens over hem im het geautomatiseerde bestand zijn opgeslagen en die gegevens in begrijpelijke vorm meegedeeld te krijgen;
  c) in voorkomend geval die gegevens te doen verbeteren of uitwissen, indien deze zijn verwerkt in strijd met de bepalingen van het interne recht ter uitvoering van de grondbeginselen vervat in de artikelen 5 en 6 van dit Verdrag;
  d) over een rechtsmiddel te beschikken, indien geen gevolg wordt gegeven aan een verzoek om uitsluitsel of, al naargelang het geval, mdedeling, verbetering of uitwisseling van persoonsgegevens als bedoeld in letter b) en letter c) van dit artikel.

  Uitzonderingen en beperkingen.

  Art. 9. 1. Op het in de artikelen 5, 6 en 8 van dit Verdrag bepaalde is geen uitzondering toegestaan, tenzij binnen de in dit artikel gestelde grenzen.
  2. Van het in de artikelen 5, 6 en 8 van dit Verdrag bepaalde kan worden afgeweken, indien de wet van de Partij in een dergelijke afwijking voorziet en het hier een maatregel betreft die in een democratische samenleving noodzakelijk is ten behoeve van :
  a) de bescherming van de veiligheid van de Staat, de openbare veiligheid, de geldelijke belangen van de Staat of de bestrijding van strafbare feiten;
  b) de bescherming van de betrokkene en van de rechten en vrijheden van anderen.
  3. Aan de uitoefening van de in letters b, c) en d) van artikel 8 opgesomde rechten mogen bij de wet beperkingen worden gesteld wat betreft geautomatiseerde bestanden van persoonsgegevens die worden gebruikt voor statistiek of voor wetenschappelijk onderzoek, indien er kennelijk geen risico bestaat dat inbreuk zal worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen.

  Sancties en rechtsmiddelen.

  Art. 10. Elke Partij verbindt zich passende sancties en rechtsmiddelen in te stellen ter zake van schending van bepalingen van het interne recht waarmede uitvoering wordt gegeven aan de grondbeginselen van gegevensbescherming, vervat in dit hoofdstuk.

  Verdergaande bescherming.

  Art. 11. Geen der bepalingen van dit hoofdstuk mag worden uitgelegd in de zin van een beperking of aantasting van de bevoegdheid van iedere Partij om aan betrokkenen een verdergaande bescherming te bieden dan bij dit Verdrag is bepaald.

  HOOFDSTUK III. - Grensoverschrijdend verkeer van gegevens.

  Grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens en intern recht.

  Art. 12. 1. De volgende bepalingen gelden voor het overbrengen over de landsgrenzen, met welk middel dan ook, van persoonsgegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt of die zijn verzameld met het doel deze een zodanige verwerking te doen ondergaan.
  2. Een Partij mag niet louter omwille van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer het grensoverschrijdende verkeer van persoonsgegevens van haar grondgebied naar dat van een andere Partij verbieden of aan een speciale vergunning onderwerpen.
  3. Niettemin mag een Partij van het bepaalde in het tweede lid afwijken :
  a) voor zover haar wetgeving een specifieke regeling voor bepaalde categorieŽn persoonsgegevens of geautomatiseerde bestanden van persoonsgegevens bevat uit hoofde van de aard van die gegevens of die bestanden, behalve wanneer de voorschriften van de andere Partij een gelijkwaardige bescherming bieden;
  b) indien de overbrenging van haar grondgebied naar dat van een niet-verdragsluitende Staat plaatsvindt via het grondgebied van een andere Partij, ten einde te voorkomen dat zulke overbrengingen zouden leiden tot het omzeilen van de wetgeving van de aan het begin van dit lid bedoelde Partij.

  HOOFDSTUK IV. - Wederzijdse hulp.

  Samenwerking tussen de Partijen.

  Art. 13. 1. De Partijen verbinden zich elkaar ter uitvoering van dit Verdrag onderling hulp te verlenen.
  2. Te dien einde :
  a) wijst elke Partij ťťn of meer overheden aan, waarvan zij de naam en het adres mededeelt aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa;
  b) geeft elke Partij die meer dan ťťn overheid heeft aangewezen in de kennisgeving bedoeld in het vorige lid een omschrijving van de bevoegdheden van iedere overheid.
  3. Een door een Partij aangewezen overheid zal op verzoek van een door een andere Partij aangewezen overheid :
  a) inlichtingen verstrekken over haar recht en bestuurspraktijk op het gebied van gegevensbescherming;
  b) in overeenstemming met haar interne recht en uitsluitend ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer alle passende maatregelen nemen om feitelijke inlichtingen te geven over een bepaalde geautomatiseerde verwerking die op haar grondgebied plaatsvindt, met uitzondering evenwel van de persoonsgegevens die aldus worden verwerkt.

  Hulp aan in het buitenland verblijf houdende betrokkenen.

  Art. 14. 1. Elke Partij verleent hulp aan iedere in het buitenland verblijf houdende persoon waar het de uitoefening betreft van de rechten vervat in zijn interne recht, ter uitvoering van de in artikel 8 van dit Verdrag nedergelegde grondbeginselen.
  2. Indien zulk een persoon op het grondgebied van een andere Partij verblijf houdt, kan hij desgewenst zijn verzoek indienen door tussenkomst van de door die Partij aangewezen instantie.
  3. Het verzoek om hulp dient alle nodige informatie te bevatten met betrekking tot in het bijzonder :
  a) naam, adres en andere benodigde gegevens ter identificatie van de verzoeker;
  c) het geautomatiseerde bestand van persoonsgegevens waarop het verzoek betrekking heeft of de houder hiervan;
  c) het doel van het verzoek.

  Waarborgen omtrent hulp verleend door aangewezen overheden.

  Art. 15. 1. Een door een Partij aangewezen overheid die van een door een andere Partij aangewezen overheid inlichtingen heeft ontvangen, hetzij ter ondersteuning van een verzoek om hulp, hetzij in antwoord op een verzoek om hulp dat zij zelf heeft gedaan, mag deze inlichtingen niet voor andere doeleinden gebruiken dan vermeld in het verzoek om hulp.
  2. Elke Partij ziet erop toe dat personen die behoren tot of handelen namens de aangewezen overheid verplicht worden de nodige geheimhouding of vertrouwelijkheid te betrachten ten aanzien van die inlichtingen.
  3. In geen geval mag een aangewezen overheid een verzoek om hulp namens een in het buitenland verblijf houdende betrokkene als bedoeld in artikel 14, tweede lid, eigener beweging en zonder de uitdrukkelijke toestemming van die persoon indienen.

  Afwijzing van verzoeken om hulp.

  Art. 16. Een aangewezen overheid tot wie een verzoek om hulp als bedoeld in de artikelen 13 of 14 van dit Verdrag wordt gericht, mag slechts weigeren hieraan gevolg te geven wanneer :
  a) het verzoek onverenigbaar is met de bevoegdheden op het gebied van gegevensbescherming van de tot antwoorden gerechtigde overheden;
  b) het verzoek niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Verdrag;
  c) uitvoering van het verzoek onverenigbaar zou zijn met de soevereiniteit, veiligheid of openbare orde van de Partij die haar heeft aangewezen of met de rechten en fundamentele vrijheden van personen ressorterend onder de rechtsmacht van de Partij.

  Kosten en procedures van hulpverlening.

  Art. 17. 1. De onderlinge hulp die de Partijen elkaar overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 verlenen en de hulp die zij overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 aan in het buitenland verblijf houdende betrokkenen verlenen, zal tot betaling van geen andere kosten en rechten aanleiding geven dan die welke zijn verschuldigd aan deskundigen en tolken. Deze kosten komen voor rekening van de Partij die de overheid heeft aangewezen welke het verzoek om hulp heeft ingediend.
  2. Aan de betrokkene mogen voor stappen welke te zijnen behoeve op het grondgebied van een andere Partij zijn ondernomen geen andere kosten en rechten in rekening worden gebracht dan die welke zijn verschuldigd door personen die op het grondgebied van die Partij verblijf houden.
  3. De overige bijzonderheden betreffende de hulpverlening, zoals formulieren, procedures en te bezigen talen, worden rechtstreeks tussen de betrokken Partijen geregeld.

  HOOFDSTUK V. - Adviescommissie.

  Samenstelling van de Commissie.

  Art. 18. 1. Na inwerkingtreding van dit Verdrag wordt een Adviescommissie ingesteld.
  2. Elke Partij wijst een vertegenwoordiger en een plaatsvervangend vertegenwoordiger in deze Commissie aan. Iedere Lid-Staat van de Raad van Europa die geen Partij bij het Verdrag is, heeft het recht zich in deze Commissie door een waarnemer te doen vertegenwoordigen.
  3. De Adviescommissie kan met een bij eenparigheid van stemmen genomen besluit elke Staat die geen lid van de Raad van Europa is en evenmin Partij bij dit Verdrag is, uitnodigen zich in een harer bijeenkomsten door een waarnemer te doen vertegenwoordigen.

  Taken van de Commissie.

  Art. 19. De Adviescommissie :
  a) kan voorstellen doen teneinde de toepassing van het Verdrag te vergemakkelijken of verbeteren;
  b) kan, in overeenstemming met artikel 21, voorstellen tot amendering van dit Verdrag doen;
  c) maakt haar oordeel kenbaar over elk voorstel tot amendering van dit Verdrag dat haar overeenkomstig artikel 21, derde lid, wordt voorgelegd;
  d) kan op verzoek van een Partij een oordeel geven over ongeacht welk vraagstuk betreffende de toepassing van dit Verdrag.

  Procedure.

  Art. 20. 1. De Adviescommissie wordt bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Zij komt voor de eerste maal bijeen binnen een termijn van twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag. Vervolgens komt zij ten minste ťťnmaal per twee jaar bijeen en in elk geval telkens wanneer ťťn derde der vertegenwoordigers van de Partijen verlangen dat zij wordt bijeengeroepen.
  2. De meerderheid van de vertegenwoordigers van de Parijen vormt het voor het houden van een vergadering van de Adviescommissie benodigde quorum.
  3. Na afloop van elke vergadering doet de Adviescommissie aan het Comitť van Ministers van de Raad van Europa een verslag toekomen over haar werkzaamheden en de werking van het Verdrag.
  4. Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag stelt de Adviescommissie haar huishoudelijk reglement op.

  HOOFDSTUK VI. - Amendementen.

  Amendementen.

  Art. 21. 1. Amendementen op dit Verdrag kunnen worden gesteld door een Partij, het Comitť van Ministers van de Raad van Europa of de Adviescommissie.
  2. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft van ieder amenderingsvoorstel kennis aan de Lidstaten van de Raad van Europa en aan elke niet-Lidstaat die is toegetreden of is uitgenodigd toe te treden tot dit Verdrag overeenkomstig het bepaalde in artikel 23.
  3. Voorts wordt elk amendement voorgesteld door een Partij of door het Comitť van Ministers, ter kennis gebracht van de Adviescommissie, die aan het Comitť van Ministers zijn oordeel geeft over het voorgestelde amendement.
  4. Het Comitť van Ministers bestudeert het voorgestelde amendement en elk door de Adviescommissie kenbaar gemaakt oordeel en kan het amendement goedkeuren.
  5. De tekst van elk amendement dat het Comitť van Ministers overeenkomstig het vierde lid van dit artikel heeft goedgekeurd, wordt ter aanvaarding aan de Partijen toegezonden.
  6. Ieder amendement dat is goedgekeurd in overeenstemming met het vierde lid van dit artikel treedt in werking op de dertigste dag na die waarop alle Partijen aan de Secretaris-Generaal hebben meegedeeld dat zij het hebben aanvaard.

  HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.

  Inwerkingtreding.

  Art. 22. 1. Dit Verdrag is opengesteld voor ondertekening door de Lidstaten van de Raad van Europa. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
  2. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop vijf Lidstaten van de Raad van Europa te kennen hebben gegeven dat zij ermede instemmen overeenkomstig het in het vorige lid bepaalde, door dit Verdrag te worden gebonden.
  3. Voor iedere Lidstaat die nadien te kennen geeft dat hij ermede instemt door dit Verdrag te worden gebonden, treedt het in werking op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

  Toetreding van niet-Lidstaten.

  Art. 23. 1. Na inwerkingtreding van dit Vedrag kan het Comitť van Ministers van de Raad van Europa iedere Staat die geen lid is van de Raad van Europa uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden ingevolge een bij meerderheid van stemmen genomen besluit, zoals bepaald in artikel 20, letter d, van het Statuut van de Raad van Europa en met eenparigheid van stemmen van de vertegenwoordigers der Verdragsluitende Staten die zijn gerechtigd zitting te hebben in de Commissie.
  2. Voor iedere Staat die toetreedt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

  Territoriale clausule.

  Art. 24. 1. Iedere Staat kan bij de ondertekening of de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het gebied of de gebieden aanwijzen waarop dit Verdrag van toepassing zal zijn.
  2. Iedere Staat kan op elk later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot enig ander in de verklaring vermeld gebied. Het Verdrag treedt voor dat gebied in werking op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de verklaring door de Secretaris-Generaal.
  3. Iedere verklaring afgelegd krachtens beide voorgaande leden kan wat betreft elk daarin vermeld gebied worden ingetrokken door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een tijdvak van zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

  Voorbehouden.

  Art. 25. Geen enkel voorbehoud op de bepalingen van dit Verdrag is toegestaan.

  Opzegging.

  Art. 26. 1. Iedere Partij kan op elk tijdstip dit Verdrag opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
  2. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van een tijdvak van zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

  Kennisgevingen.

  Art. 27. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft de Lidstaten van de Raad van Europa en iedere Staat die tot dit Verdrag is toegetreden, kennis van :
  a) iedere ondertekening;
  b) de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
  c) iedere datum van inwerkingtreding van dit Verdrag ingevolge de artikelen 22, 23 en 24 hiervan;
  d) iedere andere akte, kennisgeving of mededeling die op dit Verdrag betrekking heeft,
  TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
  Gedaan te Straatsburg, de 28e januari 1981, in de Franse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk gezaghebbend, in een enkel exemplaar dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal doet een gewaarmerkt afschrift toekomen aan iedere Lidstaat van de Raad van Europa en aan iedere Staat die is uitgenodigd tot dit Vedrag toe te treden.
  Dit Verdrag werd ondertekend door volgende Staten :
  BelgiŽ, Cyprus, Denemarken, Duitsland (Bondsrepubliek), Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Ijsland, ItaliŽ, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Turkije, Verenigd Koninkrijk, Zweden.

                            LIJST DER GEBONDEN STATEN
  STATEN                        DATUM NEERLEGGING              DATUM
                                 BEKRACHTIGINGS              INWERKING
                                    OORKONDE                  TREDING
  ------------------------------------------------------------------------------
  Belgie                           28.05.1993                01.09.1993
  Denemarken                       23.10.1989                01.02.1990
  Duitsland (Bondsrep.)            19.06.1985                01.10.1985
  Finland                          02.12.1991                01.04.1992
  Frankrijk                        24.03.1983                01.10.1985
  Ierland                          25.04.1990                01.08.1990
  Ijsland                          25.03.1991                01.07.1991
  Luxemburg                        10.02.1988                01.06.1988
  Nederland                        24.08.1993                01.12.1993
  Noorwegen                        20.02.1984                01.10.1985
  Oostenrijk                       30.03.1988                01.07.1988
  Portugal                         02.09.1993                01.01.1994
  Spanje                           31.01.1984                01.10.1985
  Verenigd Koninkrijk              26.08.1987                01.12.1987
  Zweden                           29.09.1982                01.10.1985


  Bij de neerlegging van de bekrachtigingsoorkonde heeft BelgiŽ de volgende verklaringen afgelegd :
  Ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, letter a, van het Verdrag, zal BelgiŽ het Verdrag niet toepassen :
  - op de verwerking van persoonsgegevens die worden beheerd door natuurlijke personen en die, uit hun aard, bestemd zijn voor privť, familiaal of huiselijk gebruik en zodanige bestemming houden;
  - op de verwerking die uitsluitend betrekking heeft op persoonsgegevens die het onderwerp uitmaken van een openbaarmaking krachtens een wettelijk of reglementair voorschrift;
  - op de verwerking die betrekking heeft op persoonsgegevens waarvan de persoon op wie ze slaan, de openbaarmaking zelf verzorgt dan wel deze laat verrichten, voor zover bij de verwerking het doel van de openbaarmaking in acht wordt genomen.
  Ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, letter c, van het Verdrag, zal BelgiŽ het Verdrag eveneens toepassen op de bestanden van persoonsgegevens die door middel van niet-geautomatiseerde gegevensdragers worden bijgehouden.
  Artikel 13 van het Verdrag : De aangewezen overheid voor het verstrekken van de inlichtingen bedoeld in artikel 13, derde lid, letter a, is het Ministerie van Justitie, Bestuur Burgerlijke en Criminele Zaken, Poelaertplein 3, 1000 Brussel.
  De aangewezen overheid voor het verstrekken van de inlichtingen bedoeld in artikel 13, derde lid, letter b, is de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Poelaertplein 3, 1000 Brussel.
  Artikel 14 van het Verdrag : De aangewezen overheid is de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Poelaertplein 3, 1000 Brussel.
  * * *
  De tekst van de door de andere gebonden Staten afgelegde verklaringen kan worden geraadpleegd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Directie der Verdragen, Belliardstraat 65, 1040 Brussel.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend,
   Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden, gebaseerd in het bijzonder op de eerbiediging van de heerschappij van het recht, alsmede van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
   Overwegende dat het wenselijk is de bescherming van ieders rechten en fundamentele vrijheden, en in het bijzonder het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, uit te breiden gezien de toeneming van het grensoverschrijdende verkeer van langs geautomatiseerde weg verwerkte persoonsgegevens;
   Opnieuw bevestigend terzelfder tijd hun stellingname ten gunste van de vrijheid van informatie, zonder hierbij acht te slaan op grenzen;
   Erkennende dat het noodzakelijk is de fundamentele waarde van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en die van het vrije verkeer van informatie tussen de volkeren met elkaar in overeenstemming te brengen,
   Zijn overeengekomen als volgt :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie