J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 33 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1977/12/22/1977122215/justel

Titel
22 DECEMBER 1977. - Wet betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978.
(NOTA : Bij arrest van 21-12-1988 (B.St. 31-12-1988, p. 18216), heeft het Arbitragehof vernietigd artikel 4, 1°, van de wet van 30 maart 1987 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten uitgevaardigd ter uitvoering van artikel 1 van de wet van 27 maart 1986 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning, voor zover die bepaling artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 472 van 28 oktober 1986 tot wijziging van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgetaire voorstellen 1977-1978 bekrachtigt, alsmede voormeld artikel 3 van bedoeld koninklijk besluit, voor zover die bepalingen voor het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest gelden.)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-1983 en tekstbijwerking tot 16-06-1990)

Publicatie : 24-12-1977 nummer :   1977122215 bladzijde : 15204
Dossiernummer : 1977-12-22/06
Inwerkingtreding : 04-01-1978
Opheffing : 31-12-1978 (ART. 139)    ***    31-12-1982 (ART. 68 - ART. 80)    ***    30-06-1990 (ART. 81 - ART. 91)    ***    31-03-1982 (ART. 92 - ART. 100)

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Fiscale maatregelen.
Eerste afdeling. - Aanpassing van de personenbelasting van het aanslagjaar 1978 voor de kleine en middelgrote inkomens van het jaar 1977 en de daarmee samengaande maatregelen.
Art. 1-6
Afdeling 2. - Aanpassing van het tarief van de personenbelasting voor belastingplichtigen wier belastbaar inkomen 500 000 F overtreft en de daarmee samengaande maatregelen.
Art. 7-11
Afdeling 3. Het innen bij wijze van bedrijfsvoorheffing of voorafbetaling van de aanvullende belastingen op de personenbelasting.
Art. 12-22
Afdeling 4. Wijzigingen in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.
Art. 23-24
Afdeling 5. - Wijziging in het Wetboek der zegelrechten.
Art. 25
Afdeling 6. - Wijzigingen in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Art. 26-28
Afdeling 7. - Wijzigingen in het Wetboek der successierechten en in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Art. 29-32
Afdeling 8. - Diverse maatregelen.
Art. 33-44
Afdeling 9. Inwerkingtreding.
Art. 45-47
HOOFDSTUK III. Programma tot opslorping van de werkloosheid.
Eerste afdeling. Stage van jongeren <Deze afdeling werd opgeheven bij KBN230 1983-12-21/30, art. 28, 002, maar blijft van toepassing op de stages vermeld in art. 29 van het opheffend KB230. Voor de tekst van deze afdeling:
Art. 48-52, 52bis, 53-67
Afdeling 2 <KB21 7-12-1978> Wettelijk brugpensioen. <De artikelen 68 tot 80 werden opgeheven bij KB95 28-9-1982. Zij blijven van toepassing op de wettelijke brugpensioenen die voor 1-1-1983 ingaan.>
Art. 68-80
Afdeling 3. Bijzonder tijdelijk kader.
Art. 81-91
Afdeling 4. Humanisering van de arbeid.
Art. 92-100
Afdeling 5. Bijzonder brugpensioen voor oudere werklozen.
Art. 101-108
Gemeenschappelijke bepaling van de afdelingen 1 tot 5
Art. 109
HOOFDSTUK IV Wijzigingen aan de wetten inzake de pensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
Eerste afdeling. Wijzigingen aan te brengen in de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.
a) Inaanmerkingneming van periode doorgebracht als gewetensbezwaarde.
Art. 110-111
b) Uitbreiding van de tabel der actieve diensten, gevoegd bij de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.
Art. 112-114
Afdeling 2. Wijzigingen in de wetgeving betreffende de overlevingspensioenen (uitbreiding tot de rechthebbenden van vrouwelijke beroepsmilitairen)
Art. 115-117
Afdeling 3. Maatregelen betreffende de toepassing van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van sommige organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.
Art. 118-120
Afdeling 4. Aanpassing van de wetgeving betreffende de gewaarborgde minimumbedragen inzake pensioenen.
Art. 121-124
Afdeling 5. Wijziging van de wet van 17 juli 1975 (vervroegde oppensioenstelling in de overheidssector)
Art. 125-126
Afdeling 6. Wijzigingen aan de wet betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 en dit betreffende de emeritaatspensioenen.
Art. 127-128
Afdeling 7. Verschillende wijzigingen in de wetgeving betreffende de pensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
Art. 129-135
Afdeling 8. Wijzigingen aan de artikelen 11 en 28 van het koninklijk besluit van 21 mei 1964 tot coördinatie van de wetten betreffende het personeel in Afrika.
Art. 136-138
HOOFDSTUK V. Andere sociale maatregelen.
Eerste afdeling. Kredieturen.
Art. 139
Afdeling 2. Wijziging aan de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
Art. 140
Afdeling 3. Wijzigingen aan de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.
Art. 141-143
Afdeling 4. Wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers
Art. 144-149
Afdeling 5. Wijzigingen aan de wetten betreffende de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de invaliditeitspensioenen van de mijnwerkers.
Art. 150-160
Afdeling 6. Bijzonder brugpensioen voor bejaarde invaliden.
Art. 161-167
HOOFDSTUK VI. Diverse maatregelen van financiële en budgettaire aard.
afdeling I. Wijziging van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen.
Art. 168-169
Afdeling 2. Wijziging van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringendegeneeskunddige hulpverlening.
Art. 170
Afdeling 3 Instelling van een speciaal fonds ten bate van zekere gemeenten (opgeheven) <W 5-8-1978, art. 79>
Art. 171
Afdeling 4. Afkoop door de Staat van de inbreng van de vroegere concessiehouders in het maatschappelijk kapitaal van de maatschappijen voor stedelijk gemeenschappelijk vervoer.
Art. 172
Afdeling 5. Beschikkingen waarbij de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen ertoe gemachtigd wordt, om onder waarborg van de Staat, leningen aan te gaan tot dekking van de vernieuwingsuitgaven.
Art. 173
Afdeling 6. Wijziging van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.
Art. 174
Afdeling 7 Wijziging van de wet van 10 april 1973 houdende oprichting van een Centrale Dienst voor sociale en culturele actie ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap.
Art. 175
HOOFDSTUK VII Streekeconomie en Ruimtelijke Ordening.
Eerste afdeling. Maatregelen tot bevordering van de autofinanciering van de ondernemingen.
Art. 176
Afdeling 2. Wijzigingen van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw.
Art. 177-180
HOOFDSTUK VIII Begrotings- en controlemaatregelen.
Eerste afdeling. Wijziging van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de wetten op de Rijkscomptabiliteit.
Art. 181
Afdeling 2. Maatregelen betreffende de begrotingsvoorstellen van bepaalde instellingen.
Art. 182-184

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Fiscale maatregelen.

   Eerste afdeling. - Aanpassing van de personenbelasting van het aanslagjaar 1978 voor de kleine en middelgrote inkomens van het jaar 1977 en de daarmee samengaande maatregelen.

  Artikel. 1. <impl.opgh. W 29-11-1978, art. 22, 3°>

  Art. 2. <impl. opgh. W 29-11-1978, art. 66, 6°>

  Art. 3. <impl. opgh. W 29-11-1978, art. 22, 7°>

  Art. 4. In artikel 82 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 7, § 2, van de wet van 24 december 1964, bij artikel 6 van de wet van 22 mei 1970, bij artikel 6 van de wet van 20 juli 1971 en bij de artikelen 11 en 53 van de wet van 5 januari 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 en in § 5, wordt het bedrag van 25 000 f vervangen door 30 000 f;
  2° de § 2 wordt aangevuld met een tweede lid dat luidt als volgt :

  Art. 5. In artikel 83 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 7, §2, van de wet van 24 december 1964, bij artikel 6 van de wet van 22 mei 1970 en bij artikel 12 van de wet van 5 januari 1976, wordt het 3° door de volgende bepaling vervangen : "....."

  Art. 6. Aan artikel 162 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 5 januari 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, wordt het 2° door de volgende bepaling vervangen : "....."
  2° in § 3 worden de woorden "van de betrokken groot-oorlogsverminkte of het gezinshoofd" vervangen door de woorden "van de betrokken groot-oorlogsverminkte, gehandicapte of van het betrokken gezinshoofd".

  Afdeling 2. - Aanpassing van het tarief van de personenbelasting voor belastingplichtigen wier belastbaar inkomen 500 000 F overtreft en de daarmee samengaande maatregelen.

  Art. 7. Artikel 78 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 5 van de wet van 24 december 1964, bij artikel 2 van de wet van 27 december 1965, bij artikel 3 van de wet van 11 februari 1969 en bij artikel 8 van de wet van 5 januari 1976, wordt door de volgende bepaling vervangen: "....."

  Art. 8. In artikel 93 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 11 van de wet van 15 juli 1966, bij artikel 23 van de wet van 25 juni 1973, bij artikel 28 van de wet van 3 november 1976, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 1°, wordt de aanslagvoet van 30 % vervangen door 33 %;
  2° in § 1, 2°,, wordt de aanslagvoet van 15 % vervangen door 16,5 %;
  3° in § 2, 2e lid, worden de woorden "tegen de aanslagvoet van 30 % of van 15 %" vervangen door de woorden "tegen de aanslagvoet van 33 % of van 16,5 %";
  4° in § 3, worden de woorden "tegen het tarief van 15 %" vervangen door de woorden "tegen het tarief van 16,5 %".

  Art. 9. In artikel 132, lid 2,van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 43 van de wet van 25 juni 1973 en bij artikel 19 van de wet van 3 november 1976, worden de woorden "de vijfenzestig hondersten" vervangen door de woorden "de zevenenzestig en half hondersten".

  Art. 10. Aan artikel 138, lid 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 18 van de wet van 15 juli 1966, bij artikel 48 van de wet van 25 juni 1973 en bij artikel 23 van de wet van 3 november 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het 1°, worden de woorden "tegen het tarief van 30 % of tegen het tarief van 15 %" vervangen door de woorden "tegen het tarief van 33 % of tegen het tarief van 16,5 %;
  2° in het 2°, wordt het tarief van 15 % vervangen door 16,5 %;
  3° in het 3° wordt het tarief van 65 % vervangen door 67,5 %.

  Art. 11. Worden opgeheven :
  1° artikel 2, § 1, van de wet van 31 maart 1967 tot toekenning van bepaalde machten aan de Koning teneinde de economische heropleving, de bespoediging van de regionale reconversie en de stabilisatie van het begrotingsevenwicht te verzekeren, voor wat betreft de opdeciem op de personenbelasting en op de belasting der niet-verblijfhouders, berekend overeenkomstig artikel 152, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen;
  2° artikel 13 van de wet van 23 december 1974, betreffende de budgettaire voorstellen 1974-1975.

  Afdeling 3. _ Het innen bij wijze van bedrijfsvoorheffing of voorafbetaling van de aanvullende belastingen op de personenbelasting.

  Art. 12. In artikel 89 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 2 juli 1976, wordt een als volgt luidende § 10, toegevoegd.

  Art. 13. In artikel 129 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 15 van de wet van 23 december 1974, wordt met de volgende bepaling aangevuld.

  Art. 14. Artikel 152, 1°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel
  21 van de wet van 23 december 1974, wordt met de volgende bepaling aangevuld.

  Art. 15. De tekst van titel VIII van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt.

  Art. 16. In artikel 351 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "de agglomeraties" ingevoegd tussen de woorden "De provincies" en de woorden "en gemeenten".

  Art. 17. Artikel 352 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling.

  Art. 18. Artikel 353 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door artikel 82 van de wet van 25 juni 1973, wordt door de volgende bepaling vervangen.

  Art. 19. Artikel 354 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door artikel 5, 15°, van de wet van 7 juli 1972, wordt door de volgende bepaling vervangen.

  Art. 20. Artikel 355 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door artikel 5, 15°, van de wet van 7 juli 1972, wordt door de volgende bepaling vervangen.

  Art. 21. In artikel 356 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door artikel 5, 17°, van de wet van 7 juli 1972, wordt tussen lid 1 en lid 2 de volgende bepaling ingevoegd.

  Art. 22. Artikel 48, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1971, houdende de organisatie van de agglomeraties en federaties van gemeenten wordt opgeheven.

  Afdeling 4. _ Wijzigingen in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.

  Art. 23. Titel VII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en titel VII van de Algemene Verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen worden opgeheven.

  Art. 24.Artikel 175/1 van hetzelfde Wetboek inzonderheid gewijzigd bij artikel 55 van de wet van 13 augustus 1947, 16 van de wet van 27 juli 1953 en van 3 van het koninklijk besluit nr. 13, van 18 april 1967, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 175/1. De taks bedraagt 8,25 %.
  Dit percentage wordt tot 4 % verminderd ten aanzien van de levensverzekeringen en van de in artikel 174 bedoelde contracten van lijfrente of tijdelijke rente."

  Afdeling 5. - Wijziging in het Wetboek der zegelrechten.

  Art. 25. In het besluit van de Regent van 26 juni 1947 houdende het Wetboek der Zegelrechten, bekrachtigd bij de wet van 14 juli 1951, worden de artikelen 15 en 46, opgeheven bij de wet van 14 april 1965, opnieuw opgenomen in de volgende lezing.

  Afdeling 6. - Wijzigingen in het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

  Art. 26. In artikel 37, § 1, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, worden de woorden "15 % voor leveringen en invoer van courante verbruiksgoederen, alsmede voor diensten die uit economisch, sociaal of cultureel oogpunt van bijzonder belang zijn" geschrapt.

  Art. 27. In artikel 81, eerste lid, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde worden de woorden "zes jaar" vervangen door de woorden "vijf jaar".

  Art. 28. Artikel 100 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd inzonderheid bij artikel 13 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, wordt vervangen door de volgende bepaling.

  Afdeling 7. - Wijzigingen in het Wetboek der successierechten en in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

  Art. 29. In het koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936 houdende het Wetboek der successierechten, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936, wordt artikel 48, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967, door de volgende bepaling vervangen.

  Art. 30. In artikel 54, 1°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 :
  a worden de woorden "200 000 F" vervangen door de woorden "500 000 F";
  b worden de woorden "40 000 F" vervangen door de woorden "100 000 F".

  Art. 31. In artikel 77 van hetzelfde besluit, wordt het tweede lid door de volgende bepaling vervangen.

  Art. 32. In het koninklijk besluit nr.64 van 30 november 1939 houdende het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, bekrachtigd bij de wet van 16 juni 1947, wordt artikel 131, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr.12 van 18 april 1967, vervangen door de volgende bepaling.

  Afdeling 8. - Diverse maatregelen.

  Art. 33. De artikelen 67, 69bis en 93 van hetzelfde Wetboek worden gewijzigd als volgt.
  a Aan artikel 67 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 3 november 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het 7° wordt aangevuld met een letter c en luidt als volgt :
  2° in het eerste lid van het 8°, worden de woorden "aan in
  artikel 94, eerste lid, bedoelde belastingplichtigen" geschrapt;
  3° het tweede lid van het 8° wordt opgeheven.
  b Artikel 69bis, § 1, van hetzelfde Wetboek ingevoegd door artikel 7 van de wet van 15 juli 1966, wordt vervangen door de volgende bepaling.
  c Aan artikel 93 van hetzelfde Wetboek, zoals het wordt gewijzigd door artikel 8 van deze wet, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, 1°, b, wordt vervangen door volgende bepaling :
  2° § 1, 2°, d, wordt vervangen door volgende bepaling.

  Art. 34. In artikel 67ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 3 november 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

  Art. 35. In artikel 225 van hetzelfde Wetboek, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "tijdens hun normale werkuren" worden vervangen door de woorden "tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend";
  2° de woorden "de aldaar verrichte werkzaamheden vast te stellen" worden vervangen door de woorden "de aard en de belangrijkheid van bedoelde werkzaamheden vast te stellen".

  Art. 36. In artikel 258 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 45 van de wet van 3 november 1976, worden de woorden "de inkomsten en de andere gegevens vermeld in een aangifte" vervangen door de woorden "de inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifte-formulier."

  Art. 37. Artikel 259, eerste lid, van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij artikel 46 van de wet van 3 november 1976, wordt door de volgende bepaling vervangen.

  Art. 38. In artikel 263 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 57 van de wet van 5 januari 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan § 1 wordt een 4° toegevoegd, luidend als volgt :
  2° aan § 2 wordt een 4° toegevoegd, luidend als volgt :

  Art. 39. In artikel 264 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "tot 30 april" vervangen door de woorden "tot 30 juni".

  Art. 40. Artikel 306 van hetzelfde Wetboek opgeheven bij artikel 3 van de wet van 24 december 1976, wordt opnieuw ingevoerd onder de volgende bewoordingen.

  Art. 41. In artikel 51, 1°, van de wet van 3 november 1976 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, worden de woorden "van het jaar 1976" en "van het in de loop van het jaar 1977 afgesloten boekjaar" respectievelijk vervangen door de woorden "van de jaren 1976 en volgende" en "van de in de loop van de jaren 1977 en volgende afgesloten boekjaren."

  Art. 42. De bepalingen van artikel 43 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen zijn ook van toepassing op het uitzonderlijke gedeelte van de winsten of van de baten behaald tijdens het jaar 1977 of, voor de belastingplichtigen die anders dan per kalenderjaar boekhouden, tijdens het in de loop van het jaar 1978 afgesloten boekjaar, behalve dat :
  1° de uitzonderlijke en tijdelijke solidariteitsbijdrage ten bate van de Staat wordt geheven;
  2° voor de toepassing van § 9 van gezegd artikel 43, op de uitzonderlijke en tijdelijke solidariteitsbijdrage van het aanslagjaar 1978, de investeringen van het jaar 1978 in aanmerking zullen worden genomen.

  Art. 43. In artikel 2, 1e lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, worden de woorden "304 tot 309" vervangen door de woorden "304 en 305, 307 tot 309".

  Art. 44. <Wijzigingsbepaling>.

  Afdeling 9. _ Inwerkingtreding.

  Art. 45. Dit hoofdstuk is van toepassing :
  1° met betrekking tot de artikelen 1 tot 6 met ingang van het aanslagjaar 1979;
  2° met betrekking tot de artikelen 7 tot 11 en 12 tot 22 met ingang van het aanslagjaar 1979;
  3° met betrekking tot de artikelen 23 tot 32 met ingang van 1 januari 1978;
  4° met betrekking tot de artikelen 33 en 34, voor de meerwaarden verwezenlijkt vanaf 1 januari 1978;
  5° met betrekking tot de artikelen 36, 37, 38, 39, 40 43 vanaf het aanslagjaar 1977;
  6° met betrekking tot het artikel 35 vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad;
  7° met betrekking tot het artikel 44, vanaf het aanslagjaar 1978.
  Artikel 44 is echter eveneens van toepassing voor het aanslagjaar 1977, naar verhouding van het aantal maanden van het jaar 1978 eventueel begrepen in het belastbaar tijdperk van dit aanslagjaar, voor wat de personenwagens, auto's voor dubbel gebruik en minibussen betreft bedoeld bij artikel 36bis van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
  De eventueel eisbare aanvullende belastingen worden gehecht aan het aanslagjaar 1978.

  Art. 46. De winsten afkomstig van de uitgifte van speciale stukken van 250 F bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 16 maart 1976, betreffende het slaan van zilveren muntstukken van 250 F ter herdenking van de XXVe verjaardag van de eedaflegging van Z.M. Koning Boudewijn, worden toegekend aan de Koning Boudewijn-Stichting, openbare instelling, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 29 december 1976.

  Art. 47. Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 28 van 29 juni 1967 tot vaststelling van de belastingontvangsten aan te wenden tot stijving van het Fonds voor de economische expansie en de regionale reconversie, laatstgewijzigd bij artikel 6 van de wet van 24 december 1976 houdende de Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 1977, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK III. _ Programma tot opslorping van de werkloosheid.

  Eerste afdeling. _ Stage van jongeren <Deze afdeling werd opgeheven bij KBN230 1983-12-21/30, art. 28, 002, maar blijft van toepassing op de stages vermeld in art. 29 van het opheffend KB230. Voor de tekst van deze afdeling:
  zie archief>

  Art. 48. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 49. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 50. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 51. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 52. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 52bis. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 53. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 54. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 55. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 56. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 57. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 58. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 59. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 60. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 61. (Opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 62. (opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 63. (opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 64. (opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 65. (opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 66. (opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Art. 67. (opgeheven) <KB230 1983-12-21/30, art. 28, 002> <Blijft echter van toepassing op de stages bedoeld in art. 29 van het KB230>

  Afdeling 2_ <KB21 7-12-1978> Wettelijk brugpensioen. <De artikelen 68 tot 80 werden opgeheven bij KB95 28-9-1982. Zij blijven van toepassing op de wettelijke brugpensioenen die voor 1-1-1983 ingaan.>

  Art. 68. § 1. Deze afdeling is van toepassing op de werknemers en op de werkgevers verbonden door een voor een onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst.
  Voor de toepassing van deze afdeling worden gelijkgesteld met :
  1° werknemers : de personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon met uitsluiting van de personen die in de openbare diensten in vast verband benoemd zijn;
  2° werkgevers : de personen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen.
  § 2. De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze afdeling uitbreiden tot de in § 1 bedoelde werknemers en werkgevers, verbonden door een voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk gesloten arbeidsovereenkomst.
  § 3. De Koning kan eveneens sommige openbare diensten uit de toepassing van deze afdeling uitsluiten.
  § 4. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder openbare diensten verstaan :
  1° de Staatsdiensten die afhangen van de wetgevende macht, de uitvoerende macht of van de rechterlijke macht;
  2° de provincies, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de gemeenten, de verenigingen waartoe die openbare besturen behoren, alsmede de overheidsinstellingen die hen ondergeschikt zijn;
  3° de instellingen van openbaar nut;
  4° de polders en wateringen.)
  (§ 5. De Koning kan onder de bijzondere voorwaarden en volgens de bijzondere modaliteiten die Hij bepaalt de toepassing van deze afdeling uitbreiden tot de zeelieden en shoregangers ingeschreven bij de Pool der Zeelieden ter koopvaardij die de leeftijd vastgesteld door of krachtens artikel 69 bereikt hebben. De Pool behandelt de aanvragen en betaalt het brugpensioen uit.) <W 08-08-1980, art. 214>

  Art. 69. De werknemers die minstens zestig of vijfenvijftig jaar zijn, naargelang het mannen of vrouwen betreft, en die aan de door de Koning bepaalde voorwaarden beantwoorden, hebben recht op een brugpensioen ten laste van de Staat en door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening uitbetaald.
  De Koning kan de in het eerste lid bepaalde leeftijdsvoorwaarden wijzigen.
  De in het eerste lid bedoelde werknemers genieten het brugpensioen tot de leeftijd van vijfenzestig of zestig jaar, naargelang het mannen of vrouwen betreft, tenzij hen vóór die leeftijd en op hun verzoek het wettelijk pensioen wordt toegekend.

  Art. 70. § 1. Onverminderd de wettelijke of reglementaire bepalingen inzake opzegging wordt het brugpensioen pas aan de werknemer toegekend wanneer hij zijn werkgever daarom verzoekt.
  De brugpensioenaanvraag wordt opgesteld in drie exemplaren, respectievelijk te zenden naar de werkgever, de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening en naar één van de in artikel 73 bedoelde organen of personen.
  De Koning bepaalt de overige modaliteiten voor het indienen van de brugpensioenaanvraag.
  § 2. Rekening houdend met de bepalingen van § 3 gaat het brugpensioen in :
  1° op het einde van de opzeggingstermijn welke tussen werknemer en werkgever is overeengekomen, zelfs indien deze termijn korter is dan die welke wettelijk of reglementair is bepaald;
  2° op het einde van de wettelijk of reglementair bepaalde opzeggingstermijn indien geen overeenkomst bereikt wordt.
  Bij een ter post aangetekende brief stelt de werkgever de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening in kennis
  van de ingang en de duur van de opzeggingstermijn.
  § 3. Tenzij de werkgever akkoord gaat met een vroegere datum, gaat het brugpensioen in de privé-sector pas in :
  a) de eerste dag van de derde maand volgend op die waarin de brugpensioenaanvraag is ingediend, wanneer in de onderneming 20 tot 39 werknemers tewerkgesteld zijn;
  b) de eerste dag van de zesde maand volgend op die waarin de brugpensioenaanvraag is ingediend, wanneer in de onderneming minder dan 20 werknemers tewerkgesteld zijn.
  De Koning bepaalt de berekeningswijze van het aantal tewerkgestelde werknemers.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder onderneming verstaan de technische bedrijfséénheid zoals die bepaald is in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, gewijzigd bij de wetten van 28 januari 1963 en 23 januari 1975 en bij het koninklijk besluit nr. 4 van 11 oktober 1978.

  Art. 71. § 1. Eer het brugpensioen ingaat, is de werkgever verplicht ter vervanging van de bruggepensioneerde werknemer een jongere beneden dertig jaar in dienst te nemen die niet tewerkgesteld is en buiten de onderneming of de openbare dienst wordt aangeworven.
  Van de in het eerste lid bedoelde leeftijdsvoorwaarde kan de werkgever afwijken met instemming van één van de in artikel 73 bedoelde organen of personen.
  In de openbare diensten gebeurt de vervanging van de bruggepensioneerde werknemer echter met inachtneming van de personeelsformatie en, in voorkomend geval, van de van kracht zijnde wervingsregelen.
  § 2. De in § 1 bedoelde jongere mag niet als stagiair, in de zin van afdeling 1 van dit hoofdstuk, tewerkgesteld worden.
  § 3. De Koning bepaalt de duur van de vervangingsverplichting en haar toepassingsmodaliteiten.

  Art. 72. In de privé-sector kan de Koning, na advies van het subregionaal tewerkstellingscomité van de plaats waar de bedrijfszetel gevestigd is en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, een onderneming die in moeilijkheden verkeert van de in artikel 71, § 1 bedoelde vervangingsverplichting vrijstellen.
  Het verzoek om vrijstelling schort de vervangingsverplichting niet op. Enkel de vrijstelling heeft die uitwerking voor de periode die zij bepaalt.

  Art. 73. Onverminderd de bepalingen van artikel 78 oefent de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening het toezicht uit op de vervanging van de bruggepensioneerde werknemer.
  De uitoefening van dit toezicht gebeurt eveneens :
  a)in de privé-sector door :
  1° de ondernemingsraad of, bij ontstentenis daarvan,
  2° de syndicale afvaardiging of, bij ontstentenis daarvan,
  3° het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis daarvan,
  4° de vertegenwoordigers van de representatieve werknemers organisaties;
  b)in de openbare diensten door de syndicale raad van advies of de personeelsraad.

  Art. 74. § 1. (Het bedrag van het brugpensioen wordt vastgesteld door samenvoeging van twee delen :
  _ het eerste is gelijk aan de werkloosheidsuitkering waarop de werknemer aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij ontslagen was;
  _ het tweede is gelijk aan de helft van het verschil tussen het netto referteloon en de hierboven bedoelde uitkering. Dit deel is gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk overeenkomstig de regelen vastgesteld bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  Bovendien wordt er elk jaar, voor de eerste maal vanaf 1 januari 1979, een door de Koning vast te stellen herwaarderingscoëfficient op toegepast.
  Het netto-referteloon stemt overeen met het tot 40 250 F begrensde bruto maandloon, berekend in functie van het gemiddelde over de laatste twaalf maanden die de ingangsdatum van het brugpensioen voorafgaan en verminderd met de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing.
  Het bedrag van 40 250 F is eveneens gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk overeenkomstig de regelen vastgesteld bij de in het eerste lid vermelde wet van 2 augustus 1971; het wordt aan spilindex 142,75 gekoppeld.) <W 2-7-1981,art. 13>.
  § 2. De Koning bepaalt de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een schorsing en een hervatting van de uitbetaling van het brugpensioen mogelijk is.

  Art. 75. Tot de leeftijd van vijfenzestig of zestig jaar, naargelang het mannen of vrouwen betreft, genieten de bruggepensioneerden gedurende de periode dat hen het brugpensioen wordt uitbetaald de fiscale aftrek, bedoeld in artikel 63bis, § 1, 3° van het Wetboek op de inkomstenbelastingen.

  Art. 76. De personen die een brugpensioen genieten worden voor de toepassing van de sociale wetgeving gelijkgesteld met werklozen die werkloosheidsuitkeringen genieten.

  Art. 77. § 1. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 269 tot en met 274 van het Strafwetboek worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met een geldboete van 26 frank tot 500 frank of met één van die straffen alleen :
  1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die de bepalingen van artikel 71 of van zijn uitvoeringsbesluiten niet nakomen;
  2° al wie het krachtens deze afdeling geregeld toezicht verhindert.
  De bepalingen van de artikelen 54 en 56 tot en met 59 van de arbeidswet van 16 maart 1971 zijn van toepassing op de in deze paragraaf bepaalde misdrijven.
  § 2. De werkgever die de bepalingen van artikel 71 of van zijn uitvoeringsbesluiten niet nakomt, kan een administratieve geldboete oplopen van (15 000) frank tot (75 000) frank overeenkomstig de bepalingen van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
  De administratieve geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal niet vervangen bruggepensioneerden, zonder dat het bedrag ervan hoger mag zijn dan (750 000) frank. <W 2-7-1981, art. 15, 3°.>

  Art. 78. Het toezicht op de toepassing van de bepalingen van deze afdeling gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 48 tot en met 52 van de arbeidswet van 16 maart 1971.

  Art. 79. De geschillen, ontstaan uit de toepassing van deze afdeling, worden door de arbeidsrechtbanken beslecht.

  Art. 80. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op 1 januari 1979 en houden op gevolg te hebben op 31 december 1979; ze kunnen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit verlengd worden.
  <Zie KB 1982-03-24 : verlengd tot 31-12-1982>De personen die gerechtigden worden tot op het ogenblik dat de bepalingen van deze afdeling ophouden gevolg te hebben, behouden hun rechten op het brugpensioen tot de leeftijd van vijfenzestig of zestig jaar, naargelang het mannen of vrouwen betreft, tenzij hen vóór die leeftijd en op hun verzoek het wettelijk pensioen wordt toegekend.

  Afdeling 3. _ Bijzonder tijdelijk kader.

  Art. 81. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> <KB20 8-12-1978, art. 4> § 1. (De Staat kan de lonen en de desbetreffende sociale bijdragen op zich nemen van de werknemers die worden tewerkgesteld door promotoren van projecten voor het vervullen van taken met een collectief belang en die onder de volgende werkzoekenden worden aangeworven :
  1° de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen;
  2° de volledig werklozen bedoeld in artikel 123, § 5, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid;
  3° de jongeren van minder dan 30 jaar die echtgenoot, bloed- of aanverwant in de eerste of de tweede graad zijn van de Belgische militairen of burgers die werkzaam zijn in de Duitse Bondsrepubliek in het kader van de stationering van de Belgische Strijdkrachten in Duitsland voor projecten die doorgaan in de Duitse Bondsrepubliek). <KB224 1983-12-07/31, art. 1>
  De Staat, de provincies, de agglomeraties en federaties van gemeenten, de verenigingen van gemeenten, de gemeenten, de daaronder ressorterende overheidsinstellingen, de instellingen van openbaar nut, evenals de rechts- of feitelijke verenigingen van personen zonder winstoogmerk (...) kunnen als promotors van projecten handelen. <KB472 1986-10-28/31, art. 1, 1°, 003>
  § 2. De Koning bepaalt de mate waarin en de voorwaarden waaronder de Staat, de lonen, en de desbetreffende sociale bijdragen van de werknemers op zich neemt, evenals de duur van de tussenkomst.
  De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder lonen en de desbetreffende sociale bijdragen in de zin van dit artikel, behoudens hetgeen wordt bepaald in artikel 87, derde lid.
  De bepaling van de sociale bijdragen brengt de toepassing van het regime waaronder ze ressorteren met zich mee.
  De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder taken met een collectieve belangrijkheid (...). <KB472 1986-10-28/31, art. 1, 2°, 003>
  § 3. De Koning kan deze afdeling ook toepasselijk verklaren voor andere categorieën van werkgevers (of werknemers), hetzij gewoonweg, hetzij volgens de voorwaarden die Hij bepaalt. <KB472 1986-10-28/31, art. 1, 3°, 003>
  Hij kan sommige categorieën van werkgevers (of van werknemers) aan de toepassing van de huidige afdeling onttrekken of deze toepassing afhankelijk stellen van bijzondere voorwaarden die Hij bepaalt. <KB472 1986-10-28/31, art. 1, 4°, 003>

  Art. 82. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> De Koning bepaalt de procedure voor de indiening en het onderzoek en ook de voorwaarden voor de goedkeuring van de aanvragen ingediend bij toepassing van deze afdeling.(lid opgeheven) <KB472 1986-10-28/31, art. 2, 1°, 003>
  (De aanvragen worden goedgekeurd door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de Minister of Staatssecretaris die de Begroting in zijn bevoegdheid heeft, op voorstel van een interministeriële commissie waarvan de samenstelling wordt bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit). <KB472 1986-10-28/31, art. 2, 2°, 003>
  De Koning bepaalt eveneens de voorwaarden, de procedure en de modaliteiten die gelden om de reeds goedgekeurde aanvragen voor het geheel of ten dele te wijzigen, te vernietigen of te schorsen.

  Art. 83. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> <Bij arrest van 21-12-1988 (B.St. 31-12-1988, p. 18216), heeft het Arbitragehof vernietigd artikel 4, 1° van de wet van 30 maart 1987 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten uitgevaardigd ter uitvoering van artikel 1 van de wet van 27 maart 1986 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning, voor zover die bepaling artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 472 van 28 oktober 1986 tot wijziging van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgetaire voorstellen 1977-1978 bekrachtigt, alsmede voormeld artikel 3 van bedoeld koninklijk besluit, voor zover die bepalingen voor het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest gelden. Het Hof handhaaft definitief de gevolgen van de aldus vernietigde bepalingen ten aanzien van alle overeenkomsten die vóór de dag van de bekendmaking van dit arrest op grond van de aangevochten normen zijn tot stand gekomen.>
  <KB472 1986-10-28/31, art. 3, 003> De diensten voor arbeidsbemiddeling van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening stellen de in het Bijzonder Tijdelijk Kader te werk te stellen werknemers voor, rekening houdend met de criteria inzake de behoorlijke betrekking en met de structuur van de werkloosheid in het ambtsgebied van de betrokken subregionale tewerkstellingsdienst of tewerkstellingsdiensten. De administrateur-generaal van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of zijn afgevaardigde keurt de arbeidsovereenkomsten goed die worden gesloten in overeenstemming met de goedgekeurde aanvragen nadat de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst heeft nagegaan of de werknemers de aanwervingsvoorwaarden vervullen.

  Art. 84. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> <KB20 8-12-1978, art. 5> Tenzij de partijen besluiten een overeenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten zijn de werknemers die worden tewerkgesteld in toepassing van de bepalingen van deze afdeling, verbonden door een arbeidsovereenkomst voor werklieden of bedienden, waarvan de duur gelijk is aan die van de tussenkomst van de overheid inzake de lonen en de desbetreffende sociale bijdragen (zonder evenwel een jaar te mogen overschrijden). <KB472 1986-10-28/31, art. 4, 1°, 003>
  Toepasselijk zijn, onder voorbehoud van de in deze afdeling bepaalde afwijkingen, de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  (Een afschrift van de arbeidsovereenkomst wordt gezonden aan de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of zijn afgevaardigde en aan de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening). <KB472 1986-10-28/31, art. 4, 2°, 003>
  De werknemers die bij toepassing van deze afdeling worden tewerkgesteld blijven ingeschreven op de lijsten der werkzoekenden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

  Art. 85. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> Wanneer hij een andere betrekking heeft gevonden, mag de werknemer mits een vooropzeg van zeven dagen ingaande de dag na de kennisgeving een einde maken aan de overeenkomst die hij ingevolge deze afdeling uitvoert.
  Als voor de werknemer een andere behoorlijke betrekking wordt gevonden, dienen de partijen een einde te maken aan de overeenkomst die zij bij toepassing van deze afdeling uitvoeren, tenzij de werkgever zich ertoe verbindt de werknemer aan het werk te houden na afloop van de periode van tewerkstelling in het bijzonder tijdelijk kader.
  Onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden mag de werknemer, met behoud van zijn loon, afwezig zijn om in te gaan op werkaanbiedingen.

  Art. 86. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> <KB472 1986-10-28/31, art. 5, 003> Wanneer zij aangeworven zijn met toepassing van de bepalingen van deze afdeling, ontvangen de werknemers een loon dat gelijk is aan hetzij 90 p.c. van het beginloon dat wordt toegekend aan een personeelslid van de Staat dat dezelfde of een gelijkaardige functie uitoefent, wanneer zij een functie van niveau 1 uitoefenen, hetzij het geheel van dit loon wanneer zij gelijk welke andere functie uitoefenen.
  Om een functie uit te oefenen, moet de werknemer over het diploma, getuigschrift of brevet beschikken dat vereist zou zijn, indien hij zou aangeworven zijn voor deze functie als personeelslid van de Staat.
  In de gevallen en volgens de voorwaarden en modaliteiten die de Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, kunnen bepaalde werknemerscategorieën een bijkomend loon ten laste van de Staat genieten.

  Art. 87. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is belast met de uitbetaling van het loon.
  In verband met de vervulling van de verplichtingen die ingevolge de bepalingen betreffende de sociale zekerheid der werknemers, inclusief de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, op de werkgever rusten, inzonderheid inzake bijdragen en aansluiting, of bij toepassing van de beschikkingen betreffende de inkomstenbelastingen geldt dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geacht wordt de werkgever te zijn van de werknemers die in dienst worden genomen bij toepassing van deze afdeling.
  (lid opgeheven) <KB472 1986-10-28/31, art. 6, 003>

  Art. 88. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> De uitkeringsgerechtigde werklozen die weigeren een arbeidsovereenkomst voor werklieden of bedienden te sluiten die hun wordt voorgesteld ingevolge de bepalingen van deze afdeling, verliezen hun recht op werkloosheidsuitkeringen overeenkomstig de bepalingen van afdeling II, hoofdstuk I van titel III van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid. Dit geldt eveneens voor de werknemers die om dringende redenen worden ontslagen, die een einde maken aan de arbeidsverhouding zonder de reden die vervat is in artikel 85, eerste lid, of die weigeren de in artikel 85, tweede lid, bedoelde behoorlijke betrekking te aanvaarden.
  De in het vorige lid bepaalde strafmaatregelen worden toegepast door (de gewestelijke werkloosheidsinspecteur) van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Tegen deze beslissingen zijn dezelfde voorzieningen mogelijk als die welke bij de werkloosheidsreglementering worden bepaald. <KB472 1986-10-28/31, art. 7, 003>

  Art. 89. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> <KB20 8-12-1978, art. 8> De door de Koning aangewezen personeelsleden zien erop doe dat de werkgevers de werknemers tewerkstellen onder de voorwaarden en voor de taken die in de door de Minister goedgekeurde aanvraag zijn bepaald.
  Doen de werkgevers zulks niet dan kan de Minister de loonlast en de desbetreffende sociale bijdragen geheel of gedeeltelijk overdragen aan de werkgevers en, indien noodzakelijk, overgaan tot de terugvordering ervan en dit volgens de invorderingsmodaliteiten die door de Koning bepaald zijn.
  De toepassing van de in het tweede lid voorziene sanctie mag geen afbreuk doen aan de rechten van de werknemer die het gevolg zijn van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst (...). <KB472 1986-10-28/31, art. 8, 003>

  Art. 90. (opgeheven) <W 8-08-1980, art. 213>

  Art. 91. <NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 14, 004, Inwerkingtreding : 1990-06-16> De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing tot en met (31 december 1979); zij kunnen tot na deze datum verlengd worden bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit. <KB20 8-12-1978, art. 10> <Zie ook KB 1982-03-29/04, art. 13>
  De overeenkomsten die nog lopen op het ogenblik dat deze bepalingen vervallen, lopen door tot hun vervaldag overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.

  Afdeling 4. _ Humanisering van de arbeid.

  Art. 92. Een "Fonds voor de humanisering van de arbeidsvoorwaarden" wordt opgericht bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.

  Art. 93. Het Fonds wordt gestijfd door :
  _ een begindotatie van 400 000 000 F uitgetrokken op de begroting van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  _ alle latere dotaties die op voornoemde begroting worden uitgetrokken;
  _ de terugbetalingen die in artikel 97 zijn bepaald;
  _ giften of legaten.

  Art. 94. Het Fonds is ermede belast om door de toekenning van toelagen de ondernemingen te steunen en aan te moedigen die de inhoud, de organisatie en de omstandigheden van de arbeid veranderen, waardoor zij de levenskwaliteit van de werknemers helpen verbeteren.

  Art. 95. Voor de toepassing van deze afdeling in de particuliere sector wordt onder onderneming verstaan, de technische bedrijfseenheid, zoals deze is bepaald bij artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, gewijzigd bij de wetten van 28 januari 1963 en 23 januari 1975.De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de rijksbesturen, zoals bedoeld bij artikel 49, § 1, eerste lid van afdeling 1 van dit hoofdstuk, noch op de privé-personen die met een openbare dienst zijn belast.
  De Koning kan de toepassing van deze afdeling hetzij zonder meer, hetzij onder de voorwaarden die Hij bepaalt, tot andere categorieën van werkgevers verruimen.
  Hij kan ook sommige categorieën van werkgevers aan de toepassing van deze afdeling onttrekken of deze toepassing aan bijzondere door Hem bepaalde voorwaarden onderwerpen.

  Art. 96. De Koning bepaalt welke de initiatieven zijn welke voor het recht op een premie in aanmerking kunnen komen; Hij legt de voorwaarden inzake toekenning van de toelage vast en bepaalt de modaliteiten inzake uitbetaling ervan.
  Het bedrag van de premie kan tot 30 pct. van de investeringsuitgaven of 50 pct. van de onderzoekskosten belopen.
  De Koning kan het eerste percentage tot het niveau van het tweede verhogen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt; Hij kan ook een maximum bedrag van de tegemoetkoming vaststellen, hetzij per werknemer, hetzij voor het geheel van de investeringen en onderzoekingen.

  Art. 97. Wanneer wordt vastgesteld dat de werkzaamheden of onderzoekingen die hebben geleid tot de toekenning van een premie, van het doel werden onttrokken waarvoor de Staat is tegemoet gekomen, of wanneer de tewerkstellings- of reclasseringswaarborgen die voor de toekenning ervan zijn bepaald, niet werden nageleefd, kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid er de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van eisen.

  Art. 98. De vordering tot terugbetaling van de premies of de vordering tot terugverkrijging van de ten onrechte uitgekeerde premies verjaren na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitkering is gebeurd.
  Buiten de redenen die in het Burgerlijk Wetboek zijn bepaald, wordt de verjaring onderbroken door de terugvordering van de bedragen welke bij een ter post aangetekend schrijven aan de schuldenaar wordt medegedeeld.
  Dit artikel is niet van toepassing indien de premies via bedrieglijke praktijken of valse of opzettelijk onvolledige verklaringen zijn verkregen.

  Art. 99. De Koning kan het Commissariaat-Generaal voor de bevordering van de arbeid belasten met het administratief beheer van het Fonds, overeenkomstig de regels die Hij vastlegt.
  De Koning wijst eveneens de ambtenaren en beambten aan die moeten nagaan of de premies op grond van artikel 97 moeten worden terugbetaald.

  Art. 100. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 97 en 98 zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing tot 31 december 1981 inbegrepen, zij kunnen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden verlengd.

  Afdeling 5. _ Bijzonder brugpensioen voor oudere werklozen.

  Art. 101. Aan de volledig werkloze werknemers die sinds meer dan één jaar worden vergoed en die een aanvraag om vervroegd pensioen indienen, wordt een vergoeding uitgekeerd die gelijk is aan het verschil tussen het pensioen dat hen werkelijk wordt toegekend en het pensioen dat zij zouden bekomen hebben indien dit pensioen niet verminderd was geweest met 5 pct. per jaar vervroeging.
  Tot de leeftijd van 65 jaar of 60 jaar, naargelang het om een man of een vrouw gaat, wordt hen voor de periode dat het vervroegd pensioen daadwerkelijk wordt uitbetaald, bovendien gewaarborgd :
  a) een inkomen gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsuitkering die verschuldigd was op het ogenblik dat het vervroegd pensioen ingaat, vermeerderd met een bedrag van 1 000 F per maand;
  b) de fiscale aftrek, bepaald bij artikel 62bis, § 1, 3°, van het Wetboek op de inkomstenbelastingen, ingevoerd bij de wet van 5 januari 1976.

  Art. 102. Aan de bij artikel 101 bedoelde gerechtigden wordt eveneens een bijkomende vergoeding gewaarborgd die de vermindering wegens vervroeging compenseert van de rente samengesteld in het kader van de verplichte verzekering, die geregeld wordt door een wetgeving betreffende de verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood.
  De Koning bepaalt op welke wijze deze bijkomende vergoeding moet worden berekend.

  Art. 103. De prestaties bedoeld bij de voornoemde artikelen 101 en 102 zijn gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971, houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  Het in artikel 101, a), bedoelde bedrag van 1 000 F is reeds aangepast aan spilindex 122,07.

  Art. 104. De Koning :
  1° bepaalt op welke wijze en door welke instelling de bij deze afdeling bedoelde prestaties moeten worden toegekend en betaald :
  2° bepaalt de modaliteiten volgens welke ieder jaar het Rijk het bedrag van de bij deze afdeling bedoelde vergoedingen terugbetaalt aan de instelling die belast is met hun uitbetaling, welke naast het pensioen en de rente die wegens vervroeging verminderd worden, zijn toegekend;
  3° neemt al de andere maatregelen die nodig zijn om de toepassing van deze afdeling te waarborgen.

  Art. 105. De arbeidsrechtbank spreekt zich uit over de geschillen omtrent de rechten die uit deze afdeling voortvloeien.
  De betwiste administratieve beslissingen moeten, op straffe van verval, aan de bevoegde arbeidsrechtbank worden voorgelegd binnen de maand die volgt op de kennisgeving ervan.
  De bij de arbeidsrechtbank ingestelde rechtsvordering heeft geen schorsende werking.

  Art. 106. § 1. De bepalingen van de artikelen 1409, 1410, §§ 1, 3 en 4, 1411 en 1412 van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de bij deze afdeling bedoelde prestaties.
  § 2. De bepalingen van artikel 21 van de wet van 13 juni 1966 betreffende het rust- en overlevingspensioen van arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden zijn van toepassing op de in artikel 101 van deze afdeling bedoelde prestaties.

  Art. 107. Artikel 580 van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971, 30 juni 1971, 20 juli 1971, 28 juli 1971 en 20 juni 1975, wordt aangevuld met de volgende bepaling : "....."

  Art. 108. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in artikel 101 bedoelde gerechtigden wier aanvraag om vervroegd pensioen uitwerking heeft tijdens de jaren 1978 en 1979 ; zij kunnen, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden verlengd.

   Gemeenschappelijke bepaling van de afdelingen 1 tot 5

  Art. 109. Voor de uitvoering van onderhavig hoofdstuk worden de koninklijke besluiten overlegd in Ministerraad of in een zijn schoot opgericht beperkt comite, uitgezonderd de verlengingsbesluiten van de bepalingen van zijn verschillende afdelingen.

  HOOFDSTUK IV_ Wijzigingen aan de wetten inzake de pensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.

   Eerste afdeling. _ Wijzigingen aan te brengen in de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.

  a) Inaanmerkingneming van periode doorgebracht als gewetensbezwaarde.

  Art. 110. Artikel 6, littera B, 1ste lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, wordt vervangen door de volgende bepaling.

  Art. 111. § 1. De op de datum van de inwerkingtreding van artikel 110 lopende rustpensioenen worden op verzoek van de betrokkenen herzien.
  Deze aanvraag heeft uitwerking :
  _ op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de huidige wet zal zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, voor zover zij binnen de twaalf maanden na de bekendmaking van deze wet wordt ingediend;
  _ op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de aanvraag werd ingediend, in de andere gevallen.
  Het herziene bedrag wordt bekomen door het nominale bedrag van het rustpensioen van kracht op de vooravond van de datum waarop de herziening dient uitgevoerd, te vermenigvuldigen met de verhouding bestaande tussen het nominale bedrag dat het rustpensioen aanvankelijk zou bereikt hebben indien het zou zijn vastgesteld rekening houdend met de diensttijd die krachtens artikel 110 van deze wet in aanmerking wordt genomen, en het oorspronkelijk nominale bedrag.
  § 2. De aanvraag bedoeld in § 1 moet ingediend worden bij de Administratie der pensioenen van het Ministerie van Financiën.

  b) Uitbreiding van de tabel der actieve diensten, gevoegd bij de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.

  Art. 112. In de tabel van de in artikel 8 van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen aangeduide ambtenaren en beambten, wordt de rubriek II "Ministerie van het Zeewezen" aangevuld als volgt : "....."

  Art. 113. § 1. De op de datum van de inwerkingtreding van artikel 112 lopende rustpensioenen worden op verzoek van de betrokkenen herzien.
  Deze aanvraag heeft uitwerking :
  _ op 1 januari 1975, voor zover zij binnen de twaalf maanden na de bekendmaking van deze wet wordt ingediend;
  _ op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin zij werd ingediend, in de andere gevallen.
  Het herziene bedrag wordt bekomen door het nominale bedrag van het rustpensioen van kracht op de vooravond van de datum waarop de herziening dient uitgevoerd, te vermenigvuldigen met de verhouding bestanden tussen het nominale bedrag dat het rustpensioen aanvankelijk zou bereikt hebben indien het zou zijn vastgesteld rekening houdend, voor de in artikel 112 bedoelde ambten, met het uit dat artikel voortvloeiend tantième en het oorspronkelijke nominale bedrag.
  § 2. De aanvraag bedoeld in § 1 moet worden ingediend bij de Administratie der pensioenen van het Ministerie van Financiën.

  Art. 114. Op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de huidige wet zal zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Artikel 112 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1975.

  Afdeling 2. _ Wijzigingen in de wetgeving betreffende de overlevingspensioenen (uitbreiding tot de rechthebbenden van vrouwelijke beroepsmilitairen)

  Art. 115. In artikel 4 van het koninklijk besluit nr.255 van 12 maart 1936 tot éénmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen van de leden van het leger en van de rijkswacht worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "op voorwaarde dat de vader" vervangen door de woorden "op voorwaarde dat zijn vader of moeder";
  2° in het derde lid worden de woorden "zo het overlijden van de vader" vervangen door de woorden "zo het overlijden van de vader of de moeder";
  3° in het vierde lid worden de woorden "nadat wijn vader" en deze laatste" respectievelijk vervangen door de woorden "nadat zijn vader of moeder" en "zijn vader of moeder";
  4° in het vijfde lid worden de woorden "waarop zijn vader" vervangen door de woorden "waarop zijn vader of moeder".

  Art. 116. In artikel 5 van hetzelfde besluit wordt tussen het eerste en het tweede lid de volgende bepaling ingevoegd :

  Art. 117. De artikelen 115 en 116 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 1975.

  Afdeling 3. _ Maatregelen betreffende de toepassing van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van sommige organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden.

  Art. 118. De bepalingen van artikel 1 van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector worden toepasselijk verklaard op het Nationaal pensioenfonds voor Mijnwerkers, voor wat betreft zijn personeelsleden onderworpen aan het voorzorgsfonds ingesteld bij het bedoeld nationaal Fonds, die in dienst waren op 1 januari 1974 en dit voor de periode voorafgaand aan deze datum.
  Te dien einde, worden deze personeelsleden geacht de hoedanigheid te hebben van bedienden onderworpen aan het pensioenstelsel van de Maatschappelijke Zekerheid.
  Het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers is belast met het uitvoeren van de bewerkingen betreffende de berekeningen en de regularisaties die nodig zijn voor de toepassing van dit artikel.

  Art. 119. De subrogatie voorzien bij artikel 13 van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden wordt wat de personeelsleden van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers betreft die hun ambt vóór 1 januari 1974 hebben neergelegd, alsmede voor hun rechthebbenden, beperkt tot de rente die voortvloeit uit de kapitalisatie van de bijdragen gestort in het Voorzorgsfonds ingesteld bij het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers.

  Art. 120. De artikelen 118 en 119 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1974.

  Afdeling 4. _ Aanpassing van de wetgeving betreffende de gewaarborgde minimumbedragen inzake pensioenen.

  Art. 121. In artikel 1, 3°, van de wet van 27 juli 1962 tot vaststelling van het minimumbedrag van zekere rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist, gewijzigd bij de wet van 12 april 1965, worden de woorden "aan de personeelsleden die de leeftijdsgrens bereikt hebben" geschrapt.

  Art. 122. In artikel 2bis, in dezelfde wet ingevoegd bij de wet van 17 juni 1971, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt aangevuld met een bepaling luidend als volgt : "....."
  2° Het artikel wordt aangevuld met de volgende bepaling : "......"

  Art. 123. Artikel 3bis, 2e lid, in dezelfde wet ingevoegd door de wet van 17 juni 1971, wordt opgeheven.

  Art. 124. De artikelen 121 en 122, 1°, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1970. De artikelen 122, 2°, en 123 treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke de huidige wet in het Belgisch Staatsblad zal zijn bekendgemaakt.

  Afdeling 5. _ Wijziging van de wet van 17 juli 1975 (vervroegde oppensioenstelling in de overheidssector)

  Art. 125. § 1. In artikel 1 van de wet van 17 juli 1975 betreffende de pensioengerechtigde leeftijd vastgesteld in sommige pensioenregelingen van de overheidssector, wordt een littera dbis ingevoegd, luidend als volgt : "....."
  § 2. In artikel 9 van dezelfde wet, worden de woorden "gaat in op de eerste dag van de zesde maand" vervangen door de woorden "gaat ten vroegste in op de eerste dag van de zesde maand".

  Art. 126. Artikel 125 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1975.

  Afdeling 6. _ Wijzigingen aan de wet betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 en dit betreffende de emeritaatspensioenen.

  Art. 127. In artikel 73, tweede lid, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, wordt het woord "emeritaatspensioenen" vervangen door de woorden "pensioenen die behoren tot een regime dat in het emiritaat voorziet".

  Art. 128. Artikel 127 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1977.

  Afdeling 7. _ Verschillende wijzigingen in de wetgeving betreffende de pensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.

  Art. 129. In de Nederlandse versie van artikel 6bis, § 1, derde lid, ingevoegd bij de wet van 27 maart 1973 in het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk Staatspersoneel en het daarmede gelijkgesteld personeel, wordt met uitwerking op 1 mei 1973 het woord "gewijzigd" vervangen door het woord "geweigerd".

  Art. 130. In de Nederlandse versie van artikel 6bis, § 1, derde lid, ingevoegd bij de wet van 27 maart 1973 in het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot éénmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht, wordt met uitwerking op 1 mei 1973 het woord gewijzigd" vervangen door het woord "geweigerd"

  Art. 131. Artikel 27, § 2, van het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot éénmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht, wordt opgeheven.

  Art. 132. In artikel 15, tweede lid, van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, worden tussen de woorden "artikel 1, eerste lid, c" en de woorden "d en e" de woorden "cbis en cter" ingevoegd.

  Art. 133. Artikel 132 heeft uitwerking met ingang van 15 oktober 1971 wat betreft de invoeging van de woorden "cbis" en van 1 november 1971 wat betreft de invoeging van de woorden "cter".

  Art. 134. In de Nederlandse versie van artikel 18, & 2, eerste lid, van de wet van 17 juni 1971 tot wijziging van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, van de wet van 27 juli 1982 tot vaststelling van het minimumbedrag van zekere rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist en van andere wetten betreffende deze pensioenen, worden met uitwerking op 1 januari 1970 tussen de woorden "voorzover zij" en "geen beroepsbedrijvigheid uitoefenen" de woorden "op het ogenblik van de aanvraag" ingevoegd.

  Art. 135. Artikel 1, tweede lid, van de wet van 10 januari 1974 tot regeling van de inaanmerkingneming van bepaalde diensten en van met dienstactiviteit gelijkgestelde perioden voor het toekennen en berekenen van pensioenen ten laste van de Schatkist gewijzigd bij de wet van 30 mei 1975, wordt vervangen door de volgende bepaling, die uitwerking heeft met ingang van 1 augustus 1964 : "....."

  Afdeling 8. _ Wijzigingen aan de artikelen 11 en 28 van het koninklijk besluit van 21 mei 1964 tot coördinatie van de wetten betreffende het personeel in Afrika.

  Art. 136. <Wijzigingsbepaling.>

  Art. 137. <Wijzigingsbepaling.>

  Art. 138. De artikelen 136 en 137 treden in werking op 1 januari 1978.

  HOOFDSTUK V. _ Andere sociale maatregelen.

  Eerste afdeling. _ Kredieturen.

  Art. 139. De bijdrage bedoeld bij artikel 14 van de wet van 10 april 1973 waarbij aan de werknemers kredieturen worden toegekend met het oog op hun sociale promotie, is niet verschuldigd voor het jaar 1978.

  Afdeling 2. _ Wijziging aan de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden.

  Art. 140. Het eerste lid van artikel 19 van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden wordt vervangen door de volgende bepalingen : "....."

  Afdeling 3. _ Wijzigingen aan de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.

  Art. 141. In artikel 50quinquies van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd door de wet van 28 maart 1975 en gewijzigd bij de wetten van 5 januari en 24 december 1976, wordt in het eerste en het tweede lid het jaartal "1976"vervangen door het jaartal "1977".

  Art. 142. Een artikel 50sexies, luidend als volgt, wordt in dezelfde samengeordende wetten ingevoegd : "....."

  Art. 143. Artikel 141 heeft uitwerking met ingang van 1 augustus 1977; artikel 142 heeft uitwerking met ingang van 1 november 1977.

  Afdeling 4. _ Wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers

  Art. 144. In artikel 37, 1°, eerste lid, van het koninklijk besluit nr.50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gewijzigd bij de wetten van 24 juni 1969, 5 januari en 24 december 1976, worden de woorden "voor de jaren 1976 en 1977" vervangen door de woorden "voor de jaren 1976 tot en met 1978".

  Art. 145. De in artikel 37, 15°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 28 maart 1973, voorziene bijzondere toelage is, voor het jaar 1978, vastgesteld op 6 miljard 768 miljoen frank.

  Art. 146. Het opschrift van het hoofdstuk V van het koninklijk besluit nr.50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers wordt door het volgende opschrift vervangen : "Hoofdstuk V. Vakantiegeld en aanvullende toeslag".

  Art. 147. Een artikel 22bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd.

  Art. 148. Een vergoeding van 4 182 F wordt in 1978 toegekend aan degenen die, ten laste van de pensioenregeling voor werknemers, een rust- of overlevingspensioen genieten dat (vóór 1 januari 1978)is ingegaan. Die vergoeding wordt opgevoerd tot 5 227 F voor de gepensioneerde, die de bij artikel 10, § 1, eerste lid, a, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers vermelde voorwaarden vervult. <W 5-8-1978, art. 31>
  Indien de gescheiden echtgenote een gedeelte van het pensioenbedrag van haar echtgenoot bekomt en zij geen persoonlijk rustpensioen geniet, wordt de toegekende vergoeding voor de helft aan de man en voor de helft aan de vrouw uitbetaald.
  De vergoeding wordt in juli betaald. Het bedrag ervan wordt bepaald door de aard en het bedrag van het voor die maand verschuldigd pensioen en is tot de helft van dit laatste beperkt.
  De vergoeding is gelijkgesteld met een rust- en overlevingspensioen voorzien bij voornoemd koninklijk besluit nr. 50.

  Art. 149. Vanaf 1 januari 1979 worden de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers verhoogd met het bedrag van de in artikel 148 bedoelde vergoeding.
  De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke deze aanpassing wordt doorgevoerd.

  Afdeling 5. _ Wijzigingen aan de wetten betreffende de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de invaliditeitspensioenen van de mijnwerkers.

  Art. 150. Een vergoeding van 4 182 F wordt in 1978 toegekend aan de mijnwerker die een invaliditeitspensioen geniet bij toepassing van artikel 4, § 1, 3° of 4°, van het koninklijk besluit van 19 november 1970 betreffende het invaliditeitspensioen voor mijnwerkers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 november 1971 en 11 december 1974. Deze vergoeding wordt op 5 227 F gebracht indien het invaliditeitspensioen vastgesteld is bij toepassing van artikel 4, § 1, 1° of 2°, van genoemd koninklijk besluit.
  Wanneer de echtgenote het derde van het pensioen als gehuwd man toegekend aan haar echtgenoot, bij toepassing van artikel 22, § 3, van genoemd koninklijk besluit van 19 november 1970, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 1974, heeft bekomen, wordt deze vergoeding voor twee derden aan de man en voor een derde aan de vrouw betaald.
  De vergoeding wordt in juli betaald. Het bedrag wordt bepaald door de aard en het bedrag van het pensioen verschuldigd voor de maand van toekenning. Uitgezonderd wanneer betrokkene een invaliditeitsuitkering geniet die verminderd is bij toepassing van artikel 23, § 3, van genoemd koninklijk besluit van 19 november 1970, mag de vergoeding niet meer bedragen dan 50 pct. van het als pensioen verschuldigde maandbedrag.
  Deze vergoeding is gelijkgesteld met een voordeel voorzien bij het koninklijk besluit van 19 november 1970 en is ten laste van de Staat.

  Art. 151. Een vergoeding van 4 182 F wordt in 1978 toegekend, ten laste van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, aan de gerechtigden aan wie de in artikel 50 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering bedoelde uitkering wordt uitbetaald en van wie de arbeidsongeschiktheid is ingegaan vóór 1 januari 1977. Deze vergoeding wordt op 5 227 F gebracht voor de invaliden die personen ten laste hebben als bedoeld bij artikel 50, laatste lid, van voornoemde wet van 9 augustus 1963.De vergoeding wordt uitbetaald samen met de uitkeringen verschuldigd voor de maand juni en mag niet meer bedragen dan 50 pct. van het bedrag van de uitkeringen verschuldigd voor de beschouwde maand.
  De bepalingen van titel VIII van dezelfde wet van 9 augustus 1963 die van toepassing zijn op de uitkeringen vanaf het tweede jaar arbeidsongeschiktheid zijn het ook op de vergoeding waarvan sprake in dit artikel.

  Art. 152. Vanaf 1 januari 1979 worden de invaliditeitspensioenen voor mijnwerkers en de uitkeringen van de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering verhoogd met het bedrag van de in deze wet bedoelde vergoeding.
  De Koning bepaalt de nadere regelen volgens welke deze aanpassing wordt doorgevoerd.

  Art. 153. § 1. Artikel 34, § 7, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, gewijzigd bij de wet van 26 maart 1970, wordt aangevuld met de volgende bepaling : "....."

  Art. 154. In artikel 79, eerste lid, van dezelfde wet wordt 3°, zoals opgeheven bij de wet van 8 april 1965, opnieuw opgenomen in volgende lezing.

  Art. 155. Artikel 97, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 juni 1969 en 7 juli 1976, wordt aangevuld als volgt :

  Art. 156. In artikel 121 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 juni 1969, 9 juni 1970, 5 juli 1971, 16 juli 1974 en 23 december 1974 en de koninklijke besluiten van 28 juni 1969, 29 juli 1970, 20 juli 1971 en 28 december 1971, worden de volgende wijzigingen aangebracht : "....."
  1. 7° wordt vervangen door volgende bepaling : "....."

  Art. 157. Artikel 122 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 24 december 1963, 27 juni 1969 en 22 december 1969, wordt aangevuld met de volgende bepaling :

  Art. 158. Artikel 123, § 1, 2°, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling : "....."

  Art. 159. Artikel 125, § 1, eerste lid van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : "alsook op de verzekeringsinkomst bedoeld bij artikel 121, 12° en na verdeling krachtens deze littera.

  Art. 160. In artikel 44, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1963, 24 december 1963, 8 april 1965 en 7 juli 1976, worden de woorden "vijftien dagen tot één jaar" vervangen door de woorden "vijf dagen tot één jaar".

  Afdeling 6. _ Bijzonder brugpensioen voor bejaarde invaliden.

  Art. 161. § 1. Aan de werknemers die invaliditeitsuitkeringen genieten in toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, die een aanvraag om vervroegd rustpensioen indienen, wordt een vergoeding uitgekeerd gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hen effectief wordt toegekend en het bedrag van het rustpensioen dat hen effectief wordt toegekend en het bedrag van het rustpensioen dat zij zouden bekomen hebben indien het niet verminderd werd met 5 pct. per jaar vervroeging.
  Tot de leeftijd van 65 of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft, wordt gedurende het tijdvak waarvoor het pensioen daadwerkelijk wordt betaald, aan de in het eerste lid bedoelde gerechtigden, aan de invalide zeelieden ter koopvaardij en aan de gerechtigden op het invaliditeitspensioen voor mijnwerkers die een rustpensioen aanvragen, gewaarborgd :
  a) een inkomen gelijk aan het bedrag van de invaliditeitsvergoeding, of van het invaliditeitspensioen, zoals verschuldigd op het ogenblik dat het pensioen ingaat en vermeerderd met 1 000 F per maand;
  b) de fiskale aftrek voorzien bij artikel 62bis, § 1, 3°, van het Wetboek op de inkomstenbelastingen.
  § 2. Wordt eveneens gewaarborgd aan de bij § 1 bedoelde gerechtigden, een bijkomende vergoeding die de geleden vermindering wegens vervroeging compenseert van de rente samengesteld in het kader van de verplichte verzekering, die geregeld wordt door een wetgeving betreffende de verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood.
  De Koning bepaalt de berekeningswijze van deze bijkomende vergoeding.

  Art. 162. De in artikel 161 bedoelde voorzieningen zijn aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen gekoppeld, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971.Het in artikel 161, § 1, tweede lid, a), bedoeld bedrag van 1 000 F is reeds aan spilindex 122,07 aangepast.

  Art. 163. § 1.a) De bij deze afdeling bedoelde voorzieningen zijn, vanaf 65 jaar voor de mannen en 60 jaar voor de vrouwen, ten laste van de rust- en overlevingspensioenregelingen.
  b) De voorzieningen die vóór de leeftijd van 65 jaar voor de mannen en van 60 jaar voor de vrouwen, naast de eventueel wegens vervroeging verminderde pensioenen en renten, worden toegekend, zijn naargelang de hoedanigheid van de rechthebbenden, respectievelijk ten laste van :
  _ de tak "uitkeringen" van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  _ de tak "invaliditeitspensioenen" van het Nationaal pensioenfonds voor mijnwerkers;
  _ de Hulp- en Voorzieningskas voor zeevarenden onder Belgische vlag.
  De bepalingen inzake financiering welke van toepassing zijn voor de invaliditeitsuitkeringen of voor de invaliditeitspensioenen zijn eveneens van toepassing op de voorzieningen waarvan de terugbetaling geschiedt overeenkomstig het eerste lid.
  § 2. De Koning :
  1° bepaalt op welke wijze en door welke instelling de bij deze afdeling bedoelde voorzieningen worden toegekend en betaald;
  2° stelt de modaliteiten vast volgens welke de in § 1 bepaalde instellingen de lasten van de in deze afdeling bedoelde voorzieningen dragen;3° neemt al de andere maatregelen nodig voor de toepassing van deze afdeling.

  Art. 164. De arbeidsrechtbank spreekt zich uit over de geschillen omtrent de rechten die voortvloeien uit onderhavige afdeling.
  De bestreden administratieve beslissingen moeten, op straffe van verval, aan de bevoegde arbeidsrechtbank onderworpen worden binnen de maand die volgt op hun kennisgeving.
  De voor de arbeidsrechtbank ingediende rechtsvordering heeft geen opschortende kracht.

  Art. 165. § 1. De bepalingen van de artikelen 1409, 1410, §§ 1, 3 en 4, 1411 en 1412 van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de in deze afdeling bedoelde voorzieningen.
  § 2. De bepalingen van artikel 21 van de wet van 13 juni 1966 betreffende het rust- en overlevingspensioen der arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrij verzekerden zijn van toepassing op de in artikel 161, § 1, van dezelfde afdeling bedoelde voorzieningen.

  Art. 166. § 1. Artikel 580 van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971, 30 juni 1971, 20 juli 1971, 28 juli 1971 en 20 juni 1975 wordt aangevuld met de volgende bepaling :
  § 2. In artikel 617, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971, 30 juni 1971 en 20 juni 1975, worden de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 8° en 9° vervangen door de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 8°, 9°, 10° en 11°".
  § 3. In artikel 628, 14°, eerste lid, van dezelfde wet gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971, 30 juni 1971 en 20 juni 1975, worden de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8° en 9°" vervangen door de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°".
  § 4. In artikel 704, eerste lid van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971, 30 juni 1971 en 20 juni 1975, worden de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°" vervangen door de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°".
  § 5. In artikel 1056, 3°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971, 30 juni 1971 en 20 juni 1975, worden de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8° en 9°" vervangen door de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°".
  § 6. In artikel 1134, derde lid van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971, 30 juni 1971 en 20 juni 1975, worden de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 8° en 9°" vervangen door de woorden "artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 8°, 9°, 10° en 11°".

  Art. 167. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de in artikel 161 bedoelde gerechtigden wier aanvraag om pensioen uitwerking heeft tijdens het jaar 1978; zij kunnen, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden verlengd.

  HOOFDSTUK VI. _ Diverse maatregelen van financiële en budgettaire aard.

  afdeling I. _ Wijziging van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen.

  Art. 168. <Wijzigingsbepaling>.

  Art. 169. Artikel 168 heeft uitwerking vanaf 1 januari 1974.

  Afdeling 2. _ Wijziging van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringendegeneeskunddige hulpverlening.

  Art. 170. In artikel 2 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt : "....."

  Afdeling 3_ Instelling van een speciaal fonds ten bate van zekere gemeenten (opgeheven) <W 5-8-1978, art. 79>

  Art. 171. (opgeheven) <W 5-8-1978, art. 79>

  Afdeling 4. _ Afkoop door de Staat van de inbreng van de vroegere concessiehouders in het maatschappelijk kapitaal van de maatschappijen voor stedelijk gemeenschappelijk vervoer.

  Art. 172. § 1. De Koning wordt ertoe gemachtigd, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden te bepalen van de afkoop van de inbreng van de vroegere concessiehouders in het maatschappelijk kapitaal van de maatschappijen voor stedelijk gemeenschappelijk vervoer, opgericht in uitvoering van de wetten van 17 juni 1953 en 22 februari 1961.
  § 2. De Koning is ertoe gemachtigd de wijzigingen goed te keuren aan de statuten van elk van de betrokken maatschappijen vereist door de afkoop van de inbreng van de vroegere concessiehouders en bepaald door de algemene vergadering van de aandeelhouders.

  Afdeling 5. _ Beschikkingen waarbij de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen ertoe gemachtigd wordt, om onder waarborg van de Staat, leningen aan te gaan tot dekking van de vernieuwingsuitgaven.

  Art. 173. Artikel 50, eerste lid, van de wet van 28 december 1973 betreffende de budgettaire voorstellen 1973-1974 wordt vervangen door de volgende bepaling : "....."

  Afdeling 6. _ Wijziging van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

  Art. 174. In artikel 32, § 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals het gewijzigd werd bij de wet van 11 juli 1973, en voor de schooljaren 1976-1977 en 1977-1978, worden de woorden "voor de helft" vervangen door de woorden "voor twee derden" en de woorden "voor de andere helft" door de woorden "voor een derde".

  Afdeling 7_ Wijziging van de wet van 10 april 1973 houdende oprichting van een Centrale Dienst voor sociale en culturele actie ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap.

  Art. 175. De Minister van Financiën wordt ertoe gemachtigd de Staatswaarborg te verlenen aan de leningen die de Centrale Dienst voor sociale en culturele actie ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap, opgericht door de wet van 10 april 1973, mag aangaan met het oog op de financiering van haar programma van woningbouw.

  HOOFDSTUK VII_ Streekeconomie en Ruimtelijke Ordening.

  Eerste afdeling. _ Maatregelen tot bevordering van de autofinanciering van de ondernemingen.

  Art. 176. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, in zake de aangemoedigde verrichtingen ter bevordering van economische expansie, die Hij aanwijst, en in de mate waarin de bedoelde verrichtingen gefinancierd worden met eigen middelen van de onderneming, bepalen dat een niet terugvorderbare kapitaalpremie kan worden toegekend.
  De premie kan in geen geval hoger zijn dan het gelijkwaardig bedrag aan rentevergoedingen die de aangemoedigde verrichtingen zouden kunnen genieten krachtens de bestaande wetgeving ter bevordering van de economische expansie, ingeval dezelfde verrichtingen met vreemde middelen zouden gefinancierd zijn.
  (De beschikkingen voorzien in de artikelen 37, 1e, 2e en 3e lid, 38, 39, 2e, 40 en 44 van de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie, zijn van toepassing op de premies die worden toegekend in uitvoering van onderhavig artikel.) <W 8 augustus 1980, art. 195>

  Afdeling 2. _ Wijzigingen van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw.

  Art. 177. Artikel 37 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970, wordt gewijzigd en aangevuld als volgt :
  a In het eerste lid worden de woorden "op de dag van de aanwijzing van de ontwerper" vervangen door de woorden "de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding".
  b Na het eerste lid wordt de volgende tekst ingevoegd : "De waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil eensdeels".

  Art. 178. Na het derde lid van artikel 37 van dezelfde wet, zo het werd gewijzigd, wordt volgende tekst ingevoegd : "....."

  Art. 179. In artikel 38, tweede lid, eerste zin, van dezelfde wet worden de woorden : "de weigering van de bouw- of verkavelingsvergunning, gegrond op het verbod dat in een plan van aanleg vervat, definitief is geworden" vervangen door de woorden "het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig artikel 37, derde lid".

  Art. 180. De wijzigingen en aanvullingen van onderhavige Afdeling 2, zijn van onmiddellijke toepassing, ook op reeds aanhangig gemaakte vorderingen tot schadevergoeding waarover nog geen in kracht van gewijsde gegane uitspraak bestaat.

  HOOFDSTUK VIII_ Begrotings- en controlemaatregelen.

  Eerste afdeling. _ Wijziging van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de wetten op de Rijkscomptabiliteit.

  Art. 181. De volgende wijzigingen worden aangebracht aan artikel 24 van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging van de wetten op de Rijkscomptabiliteit :
  a) de volgende tekst wordt ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin : "....."
  b) het derde lid wordt als volgt aangevuld : "....."

  Afdeling 2. _ Maatregelen betreffende de begrotingsvoorstellen van bepaalde instellingen.

  Art. 182. De § 4 van artikel 3 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen
  van openbaar nut wordt als volgt gewijzigd : "....."

  Art. 183. De procedures bedoeld in artikel 182 worden, onder de in hetzelfde artikel bepaalde voorwaarden toepasselijk gemaakt op al de instellingen, waarvan de werking voor een groot deel afhankelijk is van staatstussenkomsten.

  Art. 184. § 1. In de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut wordt artikel 3 aangevuld met een §5 luidend als volgt : "....."
  § 2. De bepalingen van § 1 zijn toepasselijk op de instellingen bedoeld bij artikel 183 van onderhavige wet.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 31-05-1990 GEPUBL. OP 16-06-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 81-91)
  • ARREST ARBITRAGEHOF VAN 21-12-1988 GEPUBL. OP 31-12-1988
    (GEWIJZIGD ART. : 83)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-10-1986 GEPUBL. OP 20-11-1986
    (GEWIJZIGD ART. : 81-89)
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 14-05-1984 GEPUBL. OP 25-05-1984
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-1983 GEPUBL. OP 28-12-1983
    (GEWIJZIGD ART. : 48-67)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 33 uitvoeringbesluiten 3 gearchiveerde versies
    Franstalige versie