J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
5 OKTOBER 1973. _ Protocol inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen inzake het recht tot verkrijging van het europees octrooi (Protocol inzake erkenning).

Publicatie : 07-10-1977 nummer :   1973100551 bladzijde : 88888
Dossiernummer : 1973-10-05/33
Inwerkingtreding : onbepaald

Inhoudstafel Tekst Begin
Afdeling I. Bevoegdheid.
Art. 1-8
Afdeling II. Erkenning.
Art. 9-11

Tekst Inhoudstafel Begin
Afdeling I. _ Bevoegdheid.

  Artikel 1. 1° Voor rechtsvorderingen, die zijn ingesteld tegen de aanvrager van een Europees octrooi en zijn gericht op het doen gelden van de aanspraak op verlening van het Europees octrooi voor een of meer in de Europese octrooiaanvragen aangewezen Verdragsluitende Staten, wordt de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staten bepaald overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6.2° In de zin van dit Protocol worden met de rechterlijke instanties gelijkgesteld de autoriteiten die volgens het nationale recht van een Verdragsluitende Staat bevoegd zijn te beslissen over rechtsvorderingen als in het eerste lid bedoeld. De Verdragsluitende Staten delen het Europees Octrooibureau mede aan welke autoriteiten een dergelijke bevoegdheid is verleend; het Europees Octrooibureau doet hiervan mededeling aan de andere Verdragsluitende Staten.3° In de zin van dit Protocol wordt onder de Verdragsluitende Staten verstaan de Staten die Partij zijn bij het Verdrag en die de toepassing van dit Protocol niet hebben uitgesloten op grond van artikel 167 van het Verdrag.

  Art. 2. Behoudens het bepaalde in de artikelen 4 en 5, wordt een rechtsvordering tegen de aanvrager van een Europees octrooi, die zijn woonplaats of zetel heeft in een van de Verdragsluitende Staten, ingesteld voor de rechterlijke instanties van bedoelde Verdragsluitende Staat.

  Art. 3. Behoudens het bepaalde in de artikelen 4 en 5 zijn, indien de aanvrager van een Europees octrooi noch zijn woonplaats noch zijn zetel in een van de Verdragsluitende Staten heeft en indien de persoon die de aanspraak op verlening van het Europees octrooi doet gelden zijn woonplaats of zetel wel in een van de Verdragsluitende Staten heeft, alleen de rechterlijke instanties van laatstbedoelde Staat bevoegd.

  Art. 4. Indien de Europese octrooiaanvraag een uitvinding van een werknemer betreft, zijn voor rechtsvorderingen, waar de werkgever en de werknemer tegenover elkaar staan, behoudens het bepaalde in artikel 5, alleen de rechterlijke instanties van die Verdragsluitende Staat bevoegd, volgens het recht waarvan het recht op het Europees octrooi wordt bepaald overeenkomstig artikel 60, eerste lid, tweede volzin, van het Verdrag.

  Art. 5. 1° Indien de partijen bij een geschil omtrent de aanspraak op verlening van het Europees octrooi, door middel van een schriftelijke overeenkomst of van een mondelinge overeenkomst die schriftelijk is bevestigd een rechterlijke instantie of de rechterlijke instanties van een bepaalde Verdragsluitende Staat hebben aangewezen om inzake dit geschil een beslissing te nemen, is alleen deze rechterlijke instantie of zijn alleen deze rechterlijke instanties van die Staat bevoegd.2° Indien de partijen een werknemer en zijn werkgever betreffen, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke nationale recht een dergelijke overeenkomst toestaat.

  Art. 6. Voor de gevallen waarin de artikelen 2 tot en met 4 en artikel 5, eerste lid, niet van toepassing zijn, zijn alleen de rechterlijke instanties van de Duitse Bondsrepubliek bevoegd.

  Art. 7. De rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staten, waarvoor rechtsvorderingen als bedoeld in artikel 1 aanhangig worden gemaakt, toetsen ambtshalve of zij bevoegd zijn overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6.

  Art. 8. 1° Wanneer voor rechterlijke instanties van verschillende Verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, moet de rechterlijke instantie waarbij de zaak later is aangebracht, zelfs ambtshalve, de partijen verwijzen naar de rechterlijke instantie, waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.2° De rechterlijke instantie, die tot verwijzing zou moeten overgaan op grond van het eerste lid, houdt haar uitspraak aan tot de beslissing van de rechterlijke instantie, waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, in kracht van gewijsde is gegaan, indien de bevoegdheid van laatstbedoelde instantie wordt betwist.

  Afdeling II. _ Erkenning.

  Art. 9. 1° Behoudens het bepaalde in artikel 11, tweede lid, worden de in kracht van gewijsde gegane beslissingen, die zijn gegeven in een Verdragsluitende Staat ten aanzien van de aanspraak op verlening van het Europees octrooi voor een of meer in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Staten in de overige Verdragsluitende Staten erkend zonder vorm van proces.2° De bevoegdheid van de rechterlijke instantie waarvan de beslissing moet worden erkend en de rechtsgeldigheid van die beslissing mag niet worden aangevochten.

  Art. 10. Artikel 9, eerste lid, is niet van toepassing indien :a) de aanvrager van een Europees octrooi, die voor een rechterlijke instantie is gedaagd en niet is verschenen, bewijst dat het stuk dat geding inleidt hem niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, is betekend, ofb) de aanvrager van een Europees octrooi bewijst dat de beslissing onverenigbaar is met een andere beslissing, genomen ten aanzien van een tussen dezelfde partijen in een Verdragsluitende Staat aanhangig gemaakte rechtsvordering, die eerder is ingesteld dan de rechtsvordering ten aanzien waarvan de beslissing, waarvoor erkenning wordt gevraagd, werd genomen.

  Art. 11. 1° In de betrekkingen tussen de Verdragsluitende Staten hebben de bepalingen van dit Protocol voorrang boven de daarmede in strijd zijnde bepalingen van andere overeenkomsten betreffende de rechterlijke bevoegdheid of de erkenning van de beslissingen.2° Dit Protocol verhindert niet de toepassing van enige andere regeling tussen een Verdragsluitende Staat en een Staat die niet is gebonden door dit Protocol.

Begin Eerste woord Laatste woord
Inhoudstafel
Franstalige versie