J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1969/07/09/1969070907/justel

Titel
9 JULI 1969. - Wet tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2006 en tekstbijwerking tot 24-10-2017)

Publicatie : 20-08-1969 nummer :   1969070907 bladzijde : 7846
Dossiernummer : 1969-07-09/30
Inwerkingtreding : 01-01-1970

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - (Hoofdstuk II. - Bepalingen betreffende de berekening van de rust- en overlevingspensioenen.) <W 2007-04-25/52, art. 40, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 2-11
HOOFDSTUK III. - (Bepalingen betreffende de perequatie van de rust- en overlevingspensioenen.) <W 2007-04-25/52, art. 43, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 12-13
HOOFDSTUK IV. - (...). <W 2007-04-25/52, art. 46, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 14-20
HOOFDSTUK V. - Wijziging van de berekeningswijze van sommige overlevingspensioenen.
Art. 21-31
HOOFDSTUK VI. - Bonificaties wegens diploma's.
Art. 32-34, 34bis, 34ter, 34quater, 35-36, 36bis, 36ter, 36quater, 36quinquies, 37-41
HOOFDSTUK VII. - Slot- en opheffingsbepalingen.
Art. 42-44, 44bis, 45-49

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsveld.

  Artikel 1.<W 2007-04-25/52, art. 39, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Niettegenstaande elke andere wettelijke, reglementaire of contractuele bepaling, zijn de hoofdstukken II, III, en VII, van toepassing op de rust- en overlevingspensioenen ten laste van :
  1° de Staatskas;
  2° [1 het pensioenfonds van de federale politie]1
  3° de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden toepasselijk is verklaard;
  4° de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is verklaard;
  5° [2 het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO.]2
  6° [2 ...]2.
  De in het eerste lid bedoelde hoofdstukken zijn eveneens van toepassing op de rustpensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke besturen die aangesloten zijn bij [2 het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO]2 waarvan de last door het plaatselijk bestuur zelf wordt gedragen, alsook op de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden.
  In afwijking van het eerste lid, zijn de daarin bedoelde hoofdstukken niet van toepassing op :
  1° de pensioenen toegekend aan de gewezen pleitbezorgers;
  2° de pensioenen bedoeld in artikel 36ter van de wet van 29 juni 1976 tot wijziging van sommige bepalingen van de gemeentewet, het Veldwetboek, de wetgeving op de pensioenregeling van het gemeentepersoneel en het daarmee gelijkgestelde personeel en tot regeling van sommige gevolgen van de samenvoegingen, aanhechtingen en wijzigingen van grenzen van gemeenten verwezenlijkt door de wet van 30 december 1975.
  ----------
  (1)<W 2011-10-24/01, art. 45, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<W 2014-05-05/05, art. 58, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK II. - (Hoofdstuk II. - Bepalingen betreffende de berekening van de rust- en overlevingspensioenen.) <W 2007-04-25/52, art. 40, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 2. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 3. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 4. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 5. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 6. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 7. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 8. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 9. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 10. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 41, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 11. <W 2007-04-25/52, art. 42, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Naargelang de aard van het pensioen, wordt het vastgesteld op basis van de volgende bezoldigingsregeling :
  1° een onmiddellijk rustpensioen of een overlevingspensioen dat voortvloeit uit het overlijden van een personeelslid in activiteit, wordt vastgesteld op basis van de bezoldigingsregeling van kracht op de ingangsdatum van het pensioen;
  2° een uitgesteld rustpensioen of een overlevingspensioen dat voortvloeit uit het overlijden van een potentiële begunstigde van een uitgesteld rustpensioen, wordt vastgesteld op basis van de bezoldigingsregeling van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het neerleggen van het ambt;
  3° het overlevingspensioen dat voortvloeit uit het overlijden van een begunstigde van een rustpensioen wordt vastgesteld op basis van de bezoldigingsregeling die toegepast werd voor de berekening van dat rustpensioen.
  Op het overeenkomstig het eerste lid, 2° of 3°, vastgestelde pensioen worden de in artikel 12, § 1, bedoelde verhogingen toegepast die, tussen het neerleggen van het ambt en de ingangsdatum van het pensioen, toegepast werden op basis van de perequatiekorf waaraan het pensioen is verbonden.
  § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, 2° en 3°, wordt de bezoldigingsregeling die van kracht is op 1 januari 2007 in aanmerking genomen indien het ambt voor die datum werd neergelegd.
  Op het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde pensioen worden de in artikel 12, § 1, bedoelde verhogingen toegepast die, tussen 1 januari 2007 en de ingangsdatum van het pensioen, toegepast werden op basis van de perequatiekorf waaraan het pensioen is verbonden.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitsluitend rekening gehouden met de bezoldigingsregelingen die, uiterlijk op 30 juni 2008, werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of behoorlijk werden bekrachtigd bij een beslissing van de bevoegde overheid en bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs ter kennis werden gebracht van de Pensioendienst voor de overheidssector (PDOS).
  § 3. Dit artikel is van toepassing op de pensioenen die ingaan na 31 december 2006.

  HOOFDSTUK III. - (Bepalingen betreffende de perequatie van de rust- en overlevingspensioenen.) <W 2007-04-25/52, art. 43, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 12.<L 2007-04-25/52, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Het nominaal bedrag van de rust- en overlevingspensioenen wordt verhoogd ten belope van het percentage bedoeld in § 9, eigen aan de perequatiekorf waaraan het pensioen overeenkomstig § 2 wordt verbonden.
  De in het eerste lid omschreven perequatie heeft uitwerking de eerste dag van de maand die volgt op elke referentieperiode van twee jaar. De eerste referentieperiode loopt van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008.
  De perequatie wordt uitgevoerd op basis van het nominaal bedrag van het pensioen dat van kracht is op de laatste dag van de referentieperiode.
  § 2. De rustpensioenen worden verbonden aan de perequatiekorf die samengesteld wordt voor de in § 3 omschreven sector waarin het personeelslid zijn loopbaan heeft beëindigd. De overlevingspensioenen worden verbonden aan de perequatiekorf die overeenstemt met de sector waarin de rechtgever ervan zijn loopbaan heeft beëindigd.
  De rustpensioenen van de personeelsleden die niet, of niet uitsluitend, tot een sector behoorden, evenals de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden, worden verbonden aan de perequatiekorf van de federale overheid.
  § 3. Bij de aanvang van elke referentieperiode wordt voor elk van de volgende sectoren een perequatiekorf samengesteld :
   1° de federale overheid, met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen en van de voormalige rijkswacht, met uitzondering van de krijgsmacht en de geïntegreerde politiediensten;
   2° het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen;
   3° de Vlaamse ministeries, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   4° het Waals Gewest met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen;
   5° de Franse Gemeenschap met inbegrip van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen, met uitzondering van het onderwijs;
   6° de Duitstalige gemeenschap met inbegrip van het onderwijs evenals van de openbare instellingen en de wetenschappelijke instellingen die ervan afhangen;
   7° het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap;
   8° het onderwijs van de Franse Gemeenschap;
   9° de plaatselijke besturen van het Vlaams Gewest;
   10° de plaatselijke besturen van het Waals Gewest;
   11° de plaatselijke besturen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   12° de krijgsmacht;
   13° de geïntegreerde politiediensten;
   14° de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, met uitzondering van de NMBS Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
   15° de NMBS Holding, Infrabel en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS);
  [2 16° de hulpverleningszones bedoeld in artikel 14 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid.]2
  § 4. Elke perequatiekorf wordt samengesteld op basis van de rustpensioenen die ingegaan zijn binnen de vier jaar voorafgaand aan de referentieperiode en waarvan de titularis zijn loopbaan in de betrokken sector heeft beëindigd binnen die vier jaar. [2 Er wordt uitsluitend rekening gehouden met de in artikel 1 bedoelde rustpensioenen die beheerd worden door de PDOS of die ten laste zijn van het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO]2. De niet in artikel 1 bedoelde rustpensioenen van de personeelsleden van de plaatselijke besturen waarvan het beheer bij overeenkomst aan de PDOS is toevertrouwd, worden evenwel eveneens in aanmerking genomen.
  De rustpensioenen van de personeelsleden die niet, of niet uitsluitend, tot een sector behoren, worden in aanmerking genomen voor de samenstelling van de perequatiekorf van de federale overheid.
  § 5. Voor de samenstelling van de perequatiekorven wordt uitsluitend rekening gehouden met de rustpensioenen waaraan een weddenschaal is verbonden waarvoor een minimumaantal van de in § 4, eerste lid, bedoelde pensioenen werden toegekend. Dit minimumaantal bedraagt :
  1° tien pensioenen voor de in § 3, 7°, 8° en 12° tot en met 15°, bedoelde sectoren;
  2° vijf pensioenen voor de in § 3, 1°, 3° en 4°, bedoelde sectoren;
  3° [2 twee pensioenen voor de in § 3, 2°, 5°, 6°, 9°, 10°, 11° en 16° bedoelde sectoren.]2
  Voor de vaststelling van het in het vorige lid bepaalde aantal pensioenen worden de weddenschalen waaraan eenzelfde maximum is verbonden, als een enkele weddenschaal beschouwd. Het aantal pensioenen verbonden aan deze weddenschalen wordt samengevoegd.
  Voor het samenstellen van de perequatiekorven van de in § 3, 9° tot en met 11°, bedoelde sectoren van de plaatselijke besturen worden de maxima van de weddenschalen, vóór de toepassing van het vorige lid, afgerond tot de hogere euro indien de eerste decimaal hoger is dan of gelijk is aan vijf en tot de lagere euro in de andere gevallen.
  Indien de toepassing van de vorige leden niet toelaat om ten minste 90 pct. van het aantal van de in § 4, eerste lid, bedoelde rustpensioenen op te nemen in de perequatiekorf, wordt het in het eerste lid bepaalde minimum aantal pensioenen teruggebracht tot het aantal eenheden dat vereist is om die 90 pct. te bereiken. Indien het minimum aantal pensioenen daartoe tot de eenheid wordt teruggebracht, worden uitsluitend de pensioenen met de meest recente ingangsdatum in aanmerking genomen om de 90 pct. te bereiken. Indien meerdere pensioenen met eenzelfde ingangsdatum toelaten om dit percentage te bereiken, worden al deze pensioenen opgenomen in de perequatiekorf.
  § 6. Voor de samenstelling van de perequatiekorf wordt de weddenschaal in aanmerking genomen die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het rustpensioen.
  Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van vier jaar voorafgaand aan de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, zonder voorwaarden, een andere weddenschaal te verkrijgen, wordt deze laatste weddenschaal in aanmerking genomen voor de samenstelling van de perequatiekorf.
  Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van twee jaar voorafgaand aan de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, onder bepaalde voorwaarden, een andere weddenschaal te verkrijgen, worden de pensioenen die ingegaan zijn vanaf de inwerkingtreding van die nieuwe bepaling en waarvan de titularis deze voorwaarden vervult, voor de toepassing van § 5, beschouwd als pensioenen waarvan de titularis deze voorwaarden niet vervult.
  De pensioenen die, voor de berekening van de globale bezoldiging van de vorige referentieperiode, over de vorige perequatiekorf verdeeld werden volgens de in § 7, [3 zesde lid]3, bedoelde verhouding, worden voor de samenstelling van de perequatiekorf volgens dezelfde verhouding verdeeld.
  [3 De voorwaarden die krachtens § 7, negende of tiende lid, niet als voorwaarden worden beschouwd in de zin van § 7, vierde tot zesde lid, worden voor de toepassing van deze paragraaf eveneens als onbestaande beschouwd.]3
  Onder voorbehoud van de toepassing van § 8, vierde lid, zijn de in aanmerking te nemen weddenschalen deze die van kracht zijn op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de referentieperiode.
  § 7. Op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan elke referentieperiode wordt voor elke perequatiekorf een globale bezoldiging vastgesteld die gelijk is aan de som van de maximumbezoldigingen verbonden aan de rustpensioenen van de perequatiekorf. De maximumbezoldiging berekend voor elk afzonderlijk pensioen, is gelijk aan het maximum van de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen, verhoogd met het maximum van de in het tweede lid bedoelde weddenbijslagen die werkelijk werden toegekend in de laatste maand van de periode die in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van de referentiewedde die als grondslag dient voor de berekening van het pensioen. De weddenbijslagen die niet maandelijks betaalbaar zijn, worden geacht gespreid te zijn over het kalenderjaar.
  De weddenbijslagen bedoeld in het eerste lid, zijn :
  1° weddenbijslagen die voor de berekening van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen;
  2° het vakantiegeld, met inbegrip van de daaraan verbonden premies, evenals de eindejaarstoelage die overeenstemmen met het maximum van de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen;
  3° de weddenbijslagen aangewezen door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  [4 ...]4.
  De toelagen voor bijkomende, buitengewone of uitzonderlijke prestaties, worden voor het vaststellen van de maximumbezoldiging slechts in aanmerking genomen op voorwaarde dat het weddenbijslagen betreft die voor de berekening van het pensioen in aanmerking worden genomen krachtens artikel 8, § 2, van voormelde wet van 21 juli 1844.
   Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van vier jaar voorafgaand aan de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, zonder voorwaarden, een andere weddenschaal, een andere weddenbijslag of een nieuwe weddenbijslag te verkrijgen, worden deze in aanmerking genomen voor de berekening van de maximumbezoldiging verbonden aan het pensioen.
  [3 Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van vier jaar voorafgaand aan de vorige referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, onder bepaalde voorwaarden, een andere weddenschaal, een andere weddebijslag of een nieuwe weddebijslag te verkrijgen, worden deze in aanmerking genomen voor de berekening van de maximumbezoldiging verbonden aan de pensioenen die, bij de berekening van de totale bezoldiging van een vorige referentieperiode, met toepassing van het zevende lid beschouwd werden als pensioenen waarvan de titularis de in de nieuwe bepaling gestelde voorwaarden vervult.]3
  Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de periode van twee jaar voorafgaand aan de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, onder bepaalde voorwaarden, een andere weddenschaal, een andere weddenbijslag of een nieuwe weddenbijslag te verkrijgen, wordt de verhouding vastgesteld van de pensioenen waarvan de titularis die voorwaarden vervult, ten opzichte van het totaal van de pensioenen waarvan de titularis die voorwaarden vervult of had kunnen vervullen. Deze verhouding wordt vastgesteld op basis van de pensioenen die ingegaan zijn tussen de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling en het einde van de referentieperiode. Deze verhouding wordt vastgesteld tot op de vierde decimaal.
  In geval van toepassing van het vorige lid, worden de in de perequatiekorf opgenomen pensioenen waarvan de titularis, indien hij in dienst was gebleven, binnen het toepassingsveld van de nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling zou gevallen zijn en die ingegaan zijn vóór de inwerkingtreding van die bepaling, over de perequatiekorf verdeeld volgens de in dat lid bedoelde verhouding. Het aantal pensioenen dat door de toepassing van deze verhouding wordt verkregen, wordt beschouwd als het aantal pensioenen waarvan de titularis de in de nieuwe bepaling gestelde voorwaarden vervult.
  In geval van toepassing van de vorige twee leden, wordt de globale bezoldiging, zowel voor de toepassing van deze paragraaf als voor de toepassing van § 8, berekend op basis van de overeenkomstig het vorige lid aangepaste perequatiekorf. Bij de berekening van de in deze paragraaf bedoelde globale bezoldiging worden de pensioenen waarvan de titularis de in de nieuwe bepaling gestelde voorwaarden werkelijk vervult, evenals de als zodanig beschouwde pensioenen, geacht pensioenen te zijn waarvan de titularis deze voorwaarden niet vervult.
  [3 Worden niet beschouwd als voorwaarden in de zin van het vierde tot zesde lid van deze paragraaf, de verplichting zich te bevinden in een bepaalde administratieve toestand of stand, voorwaarden inzake persoonsbeschrijving of evaluatie die niet gepaard gaan met quota, noch met het slagen voor een test of een examen, voorwaarden inzake anciënniteit en bijzondere vereisten, te weten de aanwezigheid bij een gesprek, het deelnemen aan een test of een examen zonder vereiste tot slagen, het bijwonen van cursussen of uiteenzettingen, het opstellen van een verslag of het indienen van een werkstuk.]3
  [3 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen dat andere voorwaarden die vergelijkbaar zijn met deze bepaald in het vorige lid, geen voorwaarden zijn in de zin van het vierde tot zesde lid van deze paragraaf. Dit koninklijk besluit moet in werking treden uiterlijk op de laatste dag van de referentieperiode waarin deze voorwaarden werden gecreëerd.]3
  Onder voorbehoud van de toepassing van § 8, vierde lid, zijn de voor de vaststelling van de maximumbezoldiging in aanmerking te nemen weddenschalen en weddenbijslagen, deze die van kracht zijn op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de referentieperiode.
  § 8. Op de laatste dag van de referentieperiode wordt de overeenkomstig § 7 vastgestelde globale bezoldiging voor elke perequatiekorf herberekend op basis van de maxima van de weddenschalen en de weddenbijslagen van kracht op die datum, onder voorbehoud van de toepassing van het vierde lid.
  Indien een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, in de loop van de referentieperiode, de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, toelaat om, zonder voorwaarden, een andere weddenschaal, een andere weddenbijslag of een nieuwe weddenbijslag te verkrijgen, worden deze in aanmerking genomen voor de herberekening van de maximumbezoldiging verbonden aan het pensioen.
  [3 De voorwaarden die krachtens § 7, negende of tiende lid, niet als voorwaarden worden beschouwd in de zin van § 7, vierde tot zesde lid, worden voor de toepassing van het vorige lid eveneens als onbestaande beschouwd.]3
  Voor de toepassing van het eerste lid, evenals voor de toepassing van § 6, zesde lid, en § 7, [3 elfde lid]3, wordt uitsluitend rekening gehouden met de weddenschalen en de weddenbijslagen die uiterlijk op de in die respectievelijke bepalingen bedoelde datum werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of behoorlijk werden bekrachtigd bij een beslissing van de bevoegde overheid en bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de PDOS.
  § 9. Voor elke perequatiekorf is het perequatiepercentage gelijk aan het percentage waarmee de globale bezoldiging op het einde van de referentieperiode is toegenomen ten opzichte van de globale bezoldiging op 31 december van het jaar dat aan die referentieperiode voorafgaat. Dit percentage wordt vastgesteld tot op de vierde decimaal.
  ----------
  (1)<KB 2013-12-11/02, art. 33, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<W 2014-05-05/05, art. 59, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<W 2014-05-05/05, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (4)<W 2014-05-05/05, art. 47,2°, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2014>

  Art. 13.<W 2007-04-25/52, art. 45, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Wanneer ten gevolge van de afschaffing of de herstructurering van de overheidsdienst of het organisme waarin het personeelslid zijn loopbaan heeft beëindigd, alle personeelsleden of alle personeelsleden van de taalgroep waartoe dat personeelslid behoorde van ambtswege overgaan naar een overheidsdienst of organisme behorend tot een andere sector, wordt zijn pensioen, in afwijking van artikel 12, § 4, eerste lid, vanaf de datum van die afschaffing of herstructurering, voor de samenstelling van de perequatiekorven overgeheveld naar die andere sector. Hetzelfde geldt voor de uitgestelde rustpensioenen van die personeelsleden. In geval van opeenvolgende overgangen, wordt de overheidsdienst of het organisme waarheen de personeelsleden laatst zijn overgegaan, beschouwd als de overheidsdienst of het organisme waarin het personeelslid zijn loopbaan heeft beëindigd.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van deze personeelsleden, evenals de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden, vanaf de eerste perequatie volgend op de overheveling, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector waarnaar de overheveling werd uitgevoerd.
  § 2. In afwijking van § 1, tweede lid, worden de rustpensioenen van de personeelsleden van de afgeschafte politiekorpsen van de rijkswacht, de gemeentelijke politie en de gerechtelijke politie, die werden toegekend vooraleer het politiekorps waartoe zij het laatst behoorden is overgegaan naar de geïntegreerde politie, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector waartoe deze personeelsleden behoorden vóór de oprichting van de geïntegreerde politie. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  § 3. In afwijking van § 1, tweede lid, worden de uitgestelde rustpensioenen van de personeelsleden van de afgeschafte politiekorpsen van de rijkswacht, de gemeentelijke politie en de gerechtelijke politie, die hun ambt hebben neergelegd vooraleer het politiekorps waartoe zij het laatst behoorden is overgegaan naar de geïntegreerde politie, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector waartoe deze personeelsleden behoorden vóór oprichting van de geïntegreerde politie. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  § 4. In afwijking van artikel 12, § 4, eerste lid, worden de rustpensioenen van de personeelsleden van de afgeschafte politiekorpsen van de rijkswacht, de gemeentelijke politie en de gerechtelijke politie die, na hun overgang naar de geïntegreerde politie, beslist hebben om onderworpen te blijven aan de wetten en reglementen die van toepassing zijn op de personeelscategorie waartoe zij vóór die overgang behoorden, voor de samenstelling van de perequatiekorven verbonden aan de sector waartoe deze personeelsleden behoorden vóór hun overgang naar de geïntegreerde politie.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden, evenals de rustpensioenen van de personeelsleden die hun loopbaan bij de geïntegreerde politie hebben beëindigd vóór 1 april 2001, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector bedoeld in het eerste lid. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  [2 § 4/1. De bepalingen van § § 2 tot 4 zijn mutatis mutandis van toepassing op het personeel dat betrokken is bij de overdracht naar een in artikel 2, § 1, 2° bedoelde hulpverleningszone.]2
  § 5. Indien het aantal rustpensioenen dat als basis dient voor de samenstelling van de perequatiekorf van een bepaalde sector, op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de referentieperiode, lager is dan tien pct. van het totale aantal van de op die datum lopende rustpensioenen van die sector die door de in artikel 12, § 4, eerste lid, bedoelde instellingen worden beheerd, worden deze rustpensioenen, voor de samenstelling van de perequatiekorven, op die datum definitief overgeheveld naar de sector van de federale overheid. De in deze paragraaf bedoelde overheveling wordt uitgevoerd na de overheveling bedoeld in § 1, eerste lid, in geval van gelijktijdige toepassing van die twee paragrafen.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van de personeelsleden van de betrokken sector, evenals de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden, vanaf de perequatie volgend op de in het vorige lid bedoelde referentieperiode, geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector van de federale overheid.
  § 6. De in § 1, eerste lid, of § 5, eerste lid, bedoelde overheveling wijzigt de samenstelling van de vóór die overheveling vastgestelde perequatiekorven niet.
  § 7. Indien de laatste weddenschaal die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, niet de weddenschaal is die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen, wordt het rustpensioen, in afwijking van artikel 12, § 4, eerste lid, voor de samenstelling van de perequatiekorven verbonden aan de sector waartoe de laatste weddenschaal behoort die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen.
  In geval van toepassing van het eerste lid, wordt de laatste weddenschaal die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, voor de samenstelling van de perequatiekorf en de berekening van de maximumbezoldiging, beschouwd als de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector bedoeld in het eerste lid. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  Indien, ten gevolge van een weddenwaarborgregeling, de laatste weddenschaal die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, niet de weddenschaal is die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen, worden de vorige leden niet toegepast wanneer :
  1° ook de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen in aanmerking wordt genomen voor de berekening ervan;
  2° de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening ervan, maar het maximum van deze weddenschaal hoger ligt dan het maximum van de laatste weddenschaal die, krachtens de weddenwaarborgregeling, in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen.
  § 8. Wanneer een personeelslid gelijktijdig afzonderlijke ambten heeft uitgeoefend die bezoldigd worden op basis van verschillende weddenschalen, waarvoor een enkel rustpensioen wordt toegekend, wordt dat pensioen, in afwijking van artikel 12, § 4, eerste lid, voor de samenstelling van de perequatiekorven verbonden aan de sector waartoe de weddenschaal behoort die verbonden is aan het ambt waarvan de omvang van de prestaties op het einde van de loopbaan het grootst is. Indien de omvang van de volbrachte prestaties in de afzonderlijke ambten dezelfde is, wordt het rustpensioen verbonden aan de sector waartoe de weddenschaal met het hoogste maximum behoort.
  In geval van toepassing van het eerste lid, wordt de weddenschaal die de sector bepaalt waaraan het rustpensioen wordt verbonden, voor de samenstelling van de perequatiekorf en de berekening van de maximumbezoldiging, beschouwd als de weddenschaal die verbonden is aan de laatste graad van de titularis van het pensioen.
  In afwijking van artikel 12, § 2, eerste lid, worden de rustpensioenen van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden geperequateerd op basis van de perequatiekorf van de sector bedoeld in het eerste lid. De overlevingspensioenen van hun rechthebbenden worden eveneens aan deze perequatiekorf verbonden.
  [1 § 9. In afwijking van artikel 12, §§ 7 en 8, wordt voor het vaststellen van de maximumbezoldiging geen rekening gehouden met de bezoldigingselementen bedoeld in artikel 8, § 1, zevende lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen of krachtens het achtste lid van diezelfde bepaling.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/05, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2014>
  (2)<W 2014-05-05/05, art. 60, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK IV. - (...). <W 2007-04-25/52, art. 46, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 14.<W 2007-04-25/52, art. 47, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> In afwijking van artikel 12, § 6, zesde lid, worden de perequatiekorven voor de eerste referentieperiode vastgesteld op basis van de weddenschalen die van kracht zijn op 1 januari 2007 en die, uiterlijk op 30 juni 2008, werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of behoorlijk werden bekrachtigd bij een beslissing van de bevoegde overheid en bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de PDOS.
  In afwijking van artikel 12, § 7, eerste lid, wordt de globale bezoldiging voor de eerste referentieperiode vastgesteld op 1 januari 2007. De daartoe vereiste maximumbezoldigingen worden, in afwijking van artikel 12, § 7, [1 elfde lid]1, vastgesteld op basis van de weddenschalen en weddenbijslagen die van kracht zijn op 1 januari 2007 en die, uiterlijk op 30 juni 2008, werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad of behoorlijk werden bekrachtigd bij een beslissing van de bevoegde overheid en bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de PDOS.
  In afwijking van artikel 12, § 7, eerste en tweede lid, 2°, en § 8, eerste lid :
  1° worden de verhogingen van het vakantiegeld of de daaraan verbonden premies die zich tijdens de eerste referentieperiode hebben voorgedaan, niet in aanmerking genomen voor de perequatie van 1 januari 2009;
  2° wordt het vakantiegeld, met inbegrip van de daaraan verbonden premies, vanaf 31 december 2008 geacht gelijk te zijn aan 65 pct. van de brutobezoldiging zolang het dat percentage, voor de personeelscategorie waartoe de gepensioneerde behoort, niet bereikt;
  3° worden de vanaf 1 januari 2007 toegekende verhogingen van het vakantiegeld of de daaraan verbonden premies, voor het vaststellen van elke globale bezoldiging, vanaf 31 december 2010 in aanmerking genomen in schijven van ten hoogste 5 pct. van de brutobezoldiging per referentieperiode.
  In afwijking van artikel 12, § 7, [1 eerste en vierde tot zesde lid]1, en § 8, eerste en tweede lid, worden de weddenbijslagen bedoeld in artikel 12, § 7, tweede lid, 3°, die bestaan op 1 januari 2007 niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de maximumbezoldiging van de pensioenen die ingegaan zijn vóór 1 januari 2007.
  Indien een weddenbijslag die niet in aanmerking genomen wordt voor de vaststelling van de maximumbezoldiging, geheel of gedeeltelijk opgenomen wordt in een weddenschaal of in een andere weddenbijslag die wel in aanmerking genomen wordt voor de vaststelling van de maximumbezoldiging, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen dat de uit die incorporatie voortvloeiende verhoging van de maximumbezoldiging geneutraliseerd wordt voor de berekening van de globale bezoldiging bedoeld in artikel 12, § 8.
  In afwijking van artikel 12, § 9, is het perequatiepercentage voor de eerste referentieperiode gelijk aan het percentage waarmee de globale bezoldiging op 31 december 2008 is toegenomen ten opzichte van de globale bezoldiging vastgesteld op 1 januari 2007.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/05, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2014>

  Art. 15. <W 2007-04-25/52, art. 48, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Het nominaal bedrag van de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de provincies en de plaatselijke besturen die niet bedoeld worden in artikel 1, worden ten minste verhoogd met het in artikel 12, § 9, bedoelde percentage dat, naargelang het gewest, vastgesteld wordt voor de perequatiekorf van de sector bedoeld in artikel 12, § 3, 9°, 10° of 11°.

  Art. 16.[1 Indien het in artikel 12, § 9, bedoelde percentage van een perequatiekorf hoger is dan 5 pct. wordt de pensioenverhoging die daaruit voortvloeit, uitbetaald in opeenvolgende jaarlijkse schijven die overeenstemmen met een perequatiepercentage van ten hoogste 5 pct.
   In afwijking van het eerste lid kan de Koning beslissen dat de pensioenverhoging integraal of in opeenvolgende jaarlijkse schijven die overeenstemmen met een hoger percentage dan 5 pct. wordt uitbetaald.]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/05, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2014>

  Art. 17.[1 De voor de toepassing van dit hoofdstuk in aanmerking te nemen gegevens worden voor advies voorgelegd aan het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.]1
  ----------
  (1)<W 2016-03-18/03, art. 104, 010; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 18. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 51, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 19. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 51, 2°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 20. (Opgeheven) <W 2007-04-25/52, art. 51, 3°, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  HOOFDSTUK V. - Wijziging van de berekeningswijze van sommige overlevingspensioenen.

  Art. 21. <Wijzigingsbepaling van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk staatspersoneel en het daarmede gelijkgesteld personeel>

  Art. 22. <Wijzigingsbepaling van artikel 13 van hetzelfde koninklijk besluit>

  Art. 23. <Wijzigingsbepaling van artikel 15 van hetzelfde koninklijk besluit>

  Art. 24. <Wijzigingsbepaling van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 255 van 12 maart 1936 tot eenmaking van het pensioenregime voor de weduwen en wezen der leden van het leger en van de rijkswacht>

  Art. 25. <Wijzigingsbepaling van artikel 13 van hetzelfde koninklijk besluit>

  Art. 26. <Wijzigingsbepaling van artikel 15 van hetzelfde koninklijk besluit>

  Art. 27. De Koning brengt in het koninklijk besluit van 1 juli 1937 houdende de statuten van de Rijkswerkliedenkas, de wijzigingen aan die overeenstemmen met die welke de artikelen 21, 22 en 23 van deze wet hebben aangebracht in het koninklijk besluit nr. 254 van 12 maart 1936.

  Art. 28. De op de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk ten laste van de Openbare Schatkist en van de Rijkswerkliedenkas lopende pensioenen van de weduwen en wezen worden herzien, rekening houdende met de bepalingen van de artikelen 21 tot 27, volgens de door de Koning vastgestelde modaliteiten.

  Art. 29. De Koning kan het bedrag van 65 000 frank bepaald bij de artikelen 21 en 24, verhogen inzonderheid om het aan te passen aan de stijging van de bezoldigingen.
  De op de datum waarop die verhoging ingaat lopende pensioenen worden herzien.
  In geval van gehele of gedeeltelijke incorporatie in de weddeschalen, na 31 december 1967, van het verhogingspercentage dat uit de koppeling van de wedden aan het indexcijfer der prijzen voortvloeit, wordt het voornoemd bedrag van ambtswege in dezelfde verhouding verhoogd.
  De Koning stelt de toekennings-, opheffings- en restitutiemodaliteiten vast aan de in uitvoering van de artikelen 21 en 24 toegekende voordelen, rekening houdende met de ingestelde uitsluitingsclausules.
  Hij treft eveneens al de maatregelen die noodzakelijk zijn voor het oplossen van de moeilijkheden of van de anomalieën die, inzake de overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist, uit de toepassing van dit hoofdstuk zouden kunnen voortvloeien.

  Art. 30. De pensioenstelsels die niet ten laste van de Openbare Schatkist komen, waarin een eenvormige berekeningswijze werd ingesteld bij artikel 118, § 4, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, zijn ertoe gehouden voordelen toe te kennen gelijkwaardig aan die welke bij dit hoofdstuk aan de nabestaanden van het burgerlijke rijkspersoneel worden verleend, namelijk :
  1° de preferentiële berekening naar rato van 40 pct. van de basiswedde of van het basisloon voor de eerste dertig dienstjaren of voor al de jaren indien hun totale aantal lager is dan dertig, rekening houdende met de beperkingen en restricties ingesteld bij artikel 21;
  2° in de veronderstelling dat het wezenpensioen is vastgesteld uit hoofde van het weduwenpensioen, de toepassing van 1° hierboven voor de berekening van het weduwenpensioen, afgezien nochtans van de restricties met betrekking tot de cumulatie van pensioenen, nieuw huwelijk en het uitoefenen van een beroepsactiviteit;
  3° de herziening van de lopende pensioenen, rekening houdende met die nieuwe bepalingen, indien deze pensioenen op minder gunstige grondslagen zijn vastgesteld.
  Te dien einde zullen aan de organieke bepalingen tot regeling van die pensioenstelsels de nodige wijzigingen en aanpassingen worden aangebracht.

  Art. 31. In geval van cumulatie van verscheidene overlevingspensioenen die werden toegekend door de Openbare Schatkist, de Rijkswerkliedenkas en de pensioenstelsels bedoeld bij artikel 30, wordt de bij de artikelen 21, 24, 27 en 30 ingestelde preferentiële berekening toegepast, mits beperking tot het maximum vastgesteld voor het geheel van de pensioenen, op het hoogste pensioen en vervolgens, indien er aanleiding toe bestaat, op de andere pensoenen volgens de afnemende orden van hun bedrag.

  HOOFDSTUK VI. - Bonificaties wegens diploma's.

  Art. 32.<W 2003-02-03/41, art. 48, Inwerkingtreding : 01-01-2003> Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 3 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op de burgerlijke rustpensioenen ten laste van de Openbare Schatkist die uitsluitend berekend worden naar rata van de tantièmes 1/48, 1/50, 1/55 of 1/60 (met uitzondering van de pensioenen die toegekend worden aan de statutaire personeelsleden van de NMBS Holding) [2 of van HR Rail]2. Zij zijn niet van toepassing op de rustpensioenen toegekend aan de leden van het beroepspersoneel van de gewezen kaders in Afrika alsook aan de personen bedoeld in artikel 1 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de bonificaties wegens diploma's inzake pensioenen van leden van het onderwijs. <KB 2006-12-28/38, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (De bepalingen van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de anciënniteitspensioenen van militairen van het actief kader die vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling in dienst zijn zoals bedoeld in artikel 187, tweede lid, van de wet van 28 februari 2007 (tot vaststelling van) het statuut van de militairen [1 en kandidaat-militairen]1 van het actief kader van de Krijgsmacht. <Erratum, B.S. 12.09.2007, p 48329>) <W 2007-02-28/35, art. 211, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De tantièmes die voordeliger zijn dan die bepaald in het eerste lid kunnen worden vervangen door het tantième 1/60 om het in deze wet bepaalde bonificatievoordeel te verkrijgen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/04, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 30-09-2013>
  (2)<KB 2013-12-11/02, art. 34, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 33. In de vereffening van de in artikel 32 bedoelde pensioenen brengen de diploma's van universitair en niet-universitair hoger onderwijs en van hoger technisch, zeevaart- of kunstonderwijs met volledig leerplan, die overeenstemmen met studies van een duur (die gelijk is aan of hoger dan twee jaar), de toekenning met zich van een tijdsbonificatie, indien het bezit van die diploma's een voorwaarde was waaraan de betrokkene heeft moeten voldoen, hetzij bij zijn aanwerving, hetzij bij een latere benoeming. <W 1991-05-21/41, art. 44, 1°, Inwerkingtreding : 01-07-1991>
  (De diploma's van het dagonderwijs die op het ogenblijk waarop zij werden behaald, niet tot een van de in het eerste lid bedoelde vormen van hoger onderwijs behoorden maar op 1 januari 1970 tot dat onderwijsniveau behoren, kunnen eveneens aanleiding geven tot de toekenning van een tijdsbonificatie, voor zover :
  1° deze diploma's werden behaald na de beëindiging van studies waarvan de toelatingsvoorwaarden en de duur hun titularis niet in de mogelijkheid hebben of zouden hebben gesteld om vóór de leeftijd van 19 jaar in dienst te treden;
  2° het bezit van deze diploma's een voorwaarde was waaraan de betrokkene heeft moeten voldoen om toegelaten te worden tot een betrekking die overeenstemt met de aard van de verrichte studies.) <W 1991-05-21/41, art. 44, 2°, Inwerkingtreding : 01-06-1984>
  (De in het tweede lid, 1°, gestelde voorwaarde wordt geacht vervuld te zijn door het personeelslid dat, op het ogenblik van zijn aanwerving, in het bezit was van het brevet van luitenant ter lange omvaart en dat, vóór het schooljaar 1969-1970, een studie aangevat heeft die leidde tot de toekenning van het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart.) <W 1999-10-25/32, art. 244, Inwerkingtreding : 01-01-1999, en, op verzoek van de betrokkene, van toepassing op de op 31-12-1998 lopende pensioenen>

  Art. 34. <W 1991-05-21/41, art. 45, Inwerkingtreding : 01-06-1984> (De in artikel 33, eerste lid, bepaalde bonificatie is gelijk aan het minimumaantal studiejaren dat nodig is om het diploma te behalen dat vanwege betrokkene vereist is voor zijn aanwerving of zijn bevordering.) <L 2007-04-25/52, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De in artikel 33, tweede lid, bedoelde bonificatie is gelijk aan de minimumstudieduur die vereist is om het diploma te behalen, zonder evenwel twee jaar te mogen overschrijden.

  Art. 34bis. <W 1990-07-18/31, art. 1, Inwerkingtreding : 01-09-1990> In de vereffening van de in artikel 32 bedoelde pensioenen brengen de stages die het mogelijk gemaakt hebben de erkenning te bekomen als geneesheer-specialist die verleend wordt door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, de toekenning met zich van een tijdsbonificatie van maximum vijf jaar, indien die erkenning een voorwaarde was waaraan de betrokkene heeft moeten voldoen, hetzij bij zijn aanwerving, hetzij bij een latere benoeming.
  Het totaal van de bonificaties voortvloeiend uit de toepassing van het eerste lid en van de artikelen 33 en 34 mag niet hoger zijn dan twaalf jaar.
  De bepalingen van de artikelen 35 tot 37 en 41 zijn toepasselijk op de in dit artikel bedoelde bonificatie.

  Art. 34ter. <W 2003-02-03/41, art. 49, Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor de toepassing van de artikelen 33, eerste lid, en 34bis wordt het bezit van een universitair diploma verondersteld een voorwaarde te zijn geweest die de houder van zo een diploma moest vervullen om in een graad van niveau 1 te kunnen worden aangeworven door een instelling van openbaar nut aangesloten bij het pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, vooraleer die instelling een personeelsstatuut had dat analoog was met dat van de rijksambtenaren.

  Art. 34quater. <W 2003-02-03/41, art. 50, Inwerkingtreding : 01-01-2003> De uit de toepassing van dit hoofdstuk voortvloeiende bonificatie wordt slechts toegekend indien het ambt gedurende een aantal jaren, dat minstens gelijk is aan de te bonificeren duur, werd uitgeoefend.

  Art. 35.§ 1. Indien de betrokkene, tijdens een gedeelte of het geheel van de duur van zijn studies, burgerlijke of militaire en daarmede gelijkgestelde diensten heeft verstrekt die in aanmerking komen voor het berekenen van zijn pensioen of van een ander pensioen in de stelsels van de openbare sector, wordt de duur van die diensten welke met de periode van de studies samenvallen, (van de duur van de voor bonificatie vatbare studies afgetrokken.)
  (Indien de betrokkene, tijdens een gedeelte of het geheel van de duur van zijn studies, een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend die in aanmerking komt voor het berekenen van een pensioen in een van de Belgische of buitenlandse stelsels van sociale zekerheid of, indien hij, ten opzichte van een van die stelsels, de duur van zijn studies door persoonlijke stortingen heeft gevalideerd, wordt het gedeelte van dit pensioen dat beantwoordt aan de met de studieperiode samenvallende diensten of dat voortvloeit uit de uitgevoerde validering, afgetrokken van de pensioenverhoging die het gevolg is van de bonificatie.) <W 1990-07-18/31, art. 2, Inwerkingtreding : 01-09-1990>
  In afwijking aan het eerste lid, wordt de duur van de militaire (oorlogsdiensten) en daarmede gelijkgestelde diensten die werden verstrekt vóór de leeftijd van 19 jaar, van de bonificatie niet afgetrokken.
  [1 Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid worden de studies geacht :
   1° beëindigd te zijn op 31 augustus van het kalenderjaar waarin het diploma behaald werd;
   2° aangevangen te zijn op 1 september van het kalenderjaar waarvan het jaartal gelijk is aan het jaartal van het in 1° bedoelde kalenderjaar verminderd met het minimum aantal studiejaren bepaald in, naargelang het geval, artikel 34, eerste of tweede lid.]1
  [1 In afwijking van het vierde lid kan de betrokkene het bewijs leveren dat het in 1° van dat lid bedoelde kalenderjaar niet overeenstemt met het kalenderjaar waarin het laatste studiejaar zich situeert.]1
  § 2. De bijeengetelde duur van de bonificatie, eventueel verminderd bij toepassing van § 1 en van de werkelijke diensten van elke aard na de leeftijd van 19 jaar welke voor de berekening van het pensioen worden geteld, mag niet hoger zijn dan de duur begrepen tussen de datum waarop de betrokkene de leeftijd van 19 jaar heeft bereikt en de datum van zijn oppensioenstelling.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/05, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2015>

  Art. 36. De gebonificeerde duur wordt, zowel voor het vaststellen van het recht op pensioen als voor het vaststellen van het bedrag ervan, in aanmerking genomen. Zij wordt gerekend, per jaar, voor 1/60 van de wedde die tot grondslag dient voor het vaststellen van het pensioen.

  Art. 36bis.[1 De duur voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 33, 34, 34quater en 35, § 1 wordt, voor de vaststelling van het recht op het pensioen, verminderd overeenkomstig de hierna vermelde tabel :
  

  
Ingangsdatum van het pensioenDuur van de vermindering voor een diploma met een studieduur van 2 jaar of minderDuur van de vermindering voor een diploma met een studieduur van meer dan 2 jaar en minder dan 4 jaarDuur van de vermindering voor een diploma met een studieduur van 4 jaar of meer
van 01.01.2016 tot 31.12.20164 maanden5 maanden6 maanden
van 01.01.2017 tot 31.12.20178 maanden10 maanden12 maanden
van 01.01.2018 tot 31.12.201812 maanden15 maanden18 maanden
van 01.01.2019 tot 31.12.201916 maanden20 maanden24 maanden
van 01.01.2020 tot 31.12.202020 maanden25 maanden30 maanden
van 01.01.2021 tot 31.12.202124 maanden30 maanden36 maanden
van 01.01.2022 tot 31.12.2022-35 maanden42 maanden
van 01.01.2023 tot 31.12.2023-36 maanden48 maanden
van 01.01.2024 tot 31.12.2024--54 maanden
van 01.01.2025 tot 31.12.2025--60 maanden
van 01.01.2026 tot 31.12.2026--66 maanden
van 01.01.2027 tot 31.12.2027--72 maanden
van 01.01.2028 tot 31.12.2028--78 maanden
van 01.01.2029 tot 31.12.2029--84 maanden

Voor de personen die op 31 december van een bepaald kalenderjaar de voorwaarden vervullen om een rustpensioen te kunnen genieten, is de vermindering gelijk aan de duur van de vermindering die van toepassing is op de pensioenen die ingaan op 1 januari van hetzelfde kalenderjaar, ongeacht de latere werkelijke datum van oppensioenstelling van deze personen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-04-28/15, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2016; zie ook W 2015-04-28/15, art. 6 en 8>

  Art. 36ter.[1 Voor de bepaling van het recht op het pensioen, zijn de artikelen 33 en 34bis niet meer van toepassing op de pensioenen die ingaan vanaf 1 januari 2030.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-04-28/15, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2016; zie ook W 2015-04-28/15, art. 6 en 8>

  Art. 36quater. [1 § 1. De duur voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 33, 34 en 34bis wordt, voor de berekening van het bedrag van de pensioenen die ingaan vanaf 1 december 2018, verminderd overeenkomstig deze paragraaf.
   De in het eerste lid bedoelde duur wordt slechts in aanmerking genomen ten belope van de verhouding tussen, enerzijds, de in maanden uitgedrukte duur van de pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden die het personeelslid op 1 december 2017 heeft bereikt en, anderzijds, het getal 540. Het resultaat wordt naar beneden toe afgerond tot gehele maanden.
   Onder "pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden" moet worden verstaan de dienstjaren vastgesteld overeenkomstig artikel 46, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, met uitsluiting van elke tijdsbonificatie wegens diploma of voorafgaande studies en zonder de toepassing van de verhogingscoëfficiënten bedoeld in artikel 46, § 3/1, van de voormelde wet van 15 mei 1984.
   § 2. In geval van toepassing van paragraaf 1 wordt geen rekening gehouden met de volgende bepalingen :
   - de artikelen 34quater en 35;
   - artikel 2, § 1, eerste lid, c), van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht;
   - artikel 49, § 2, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
   § 3. Ongeacht de werkelijke ingangsdatum van het pensioen, is de in paragraaf 1 vermelde vermindering niet van toepassing op het rustpensioen van het personeelslid dat op een bepaald ogenblik de voorwaarden vervulde om uiterlijk op 1 december 2018 een vervroegd pensioen te verkrijgen, noch op de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van zijn rechthebbenden.
   § 4. De vermindering bedoeld in paragraaf 1 is niet van toepassing :
   - op de personen die zich op eigen aanvraag op 1 december 2017 in een voltijdse of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan de oppensioenstelling of in een vergelijkbare situatie bevinden;
   - op de personen die, indien zij de aanvraag ertoe hadden ingediend, in een volledige of deeltijdse disponibiliteit voorafgaand aan het pensioen of een gelijkaardige situatie hadden kunnen worden geplaatst ten laatste op 1 december 2017.
   De situaties die aanleiding geven tot de toepassing van het eerste lid zijn deze bedoeld in de lijst opgesteld door de Koning ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de wet van 28 april 2015 houdende bepalingen betreffende de pensioenen van de publieke sector. Niettemin mag de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen sommige situaties te schrappen of er nieuwe voorzien die nog niet zijn opgenomen in de lijst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-10-02/05, art. 17, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 36quinquies. [1 De artikelen 33 en 34bis zijn niet meer van toepassing voor de berekening van het bedrag van de rustpensioenen die vanaf 1 december 2018 ingaan van de personeelsleden die na 1 december 2017 een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming hebben verkregen, noch voor de berekening van het bedrag van de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van hun rechthebbenden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-10-02/05, art. 18, 011; Inwerkingtreding : 01-12-2017>
  

  Art. 37. § 1. Zo een diploma tweemaal zou kunnen in aanmerking komen in de berekening van een zelfde pensioen, wordt slechts één enkele tijdsbonificatie toegekend die, in voorkomend geval, berekend wordt volgens de bepalingen waar zij de gunstigste uitwerking heeft.
  § 2. Indien een persoon meerdere rustpensioenen zou kunnen genieten ten laste van :
  de Openbare Schatkist (...); <W 2002-05-06/31, art. 26, 1°, Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  de provincies, de gemeenten (, de agglomeraties van gemeenten, de federaties van gemeenten, de commissies voor de cultuur) of de aan die machten ondergeschikte instellingen; <W 04-06-1976, art. 6, Inwerkingtreding : 01-01-1973>
  de zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën bedoeld bij het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935;
  de instellingen van openbaar nut waarop de Koning de bepalingen van de wet van 28 april 1958 van toepassing heeft gemaakt;
  de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (of het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie); <W 2002-05-06/31, art. 26, 2°, ED 01-04-2001>
  uit hoofde van ambten waarvoor een zelfde diploma werd vereist, wordt de tijdsbonificatie die aan dat diploma verbonden is, slechts toegekend voor het pensioen waar zij de gunstigste uitwerking heeft.
  Nochtans, in geval van opeenvolgende diensten die het toekennen van verschillende pensioenen met zich brengen, mag de toestand niet worden herzien indien het diploma werd gebonificeerd in het pensioen dat het eerst werd toegekend.
  Wanneer gelijktijdig verstrekte diensten verschillende pensioenen met zich zouden kunnen brengen die ingaan op verschillende data, dient de betrokkene te bepalen in hetwelk van die pensioenen de bonificatie moet worden toegekend.
  Die keuze, die moet gedaan worden bij het toekennen van het eerste pensioen, is onherroepelijk.
  § 3. Indien verscheidene pensioenen worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht, kan, in afwijking van § 2, de overeenkomstig artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dat besluit vastgestelde tijdsbonificatie voor een diploma, in aanmerking worden genomen voor de berekening van elk van deze pensioenen. In dat geval wordt evenwel de som van de verhoudingen verbonden aan die vergoede tijd en voortvloeiend uit de toepassing van bedoeld artikel beperkt tot de eenheid; de eventuele beperking wordt toegepast op het pensioen waarvoor ze het minst ongunstig uitvalt.
  Bij toepassing van het eerste lid krijgen alleen de in dit lid bedoelde pensioenen een diplomabonificatie.) <W 1991-05-21/41, art. 47, Inwerkingtreding : 01-07-1991>

  Art. 38. (...) <W 15-05-1984, art. 26, 41°, BS 22-06-1984, Inwerkingtreding : 01-06-1984>

  Art. 39. De op de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk lopende pensioenen worden, op verzoek van de betrokkenen, herzien, rekening houdende met de bepalingen van de artikelen 32 tot 37, en volgens door de Koning vastgestelde modaliteiten.

  Art. 40. De Koning treft alle maatregelen die nodig zijn om de moeilijkheden en anomalieën op te lossen die zouden rijzen bij het toepassen van dit hoofdstuk, inzonderheid wat de erkenning van het recht op de tijdsbonificatie en de duur ervan betreft.
  Die koninklijke besluiten worden getroffen op voorstel van de Minister onder wiens bevoegdheid de administratie of de instelling valt die het pensioenstelsel beheert waaraan de betrokkene is onderworpen geweest.

  Art. 41. De provincies zijn ertoe gehouden aan de leden van hun personeel en aan hun rechthebbenden voordelen toe te kennen die evenwaardig zijn aan deze die in dit hoofdstuk zijn ingesteld.
  Te dien einde zullen zij aan de organieke bepalingen die hun pensioenstelsel beheren, de nodige wijzigingen en aanpassingen aanbrengen.

  HOOFDSTUK VII. - Slot- en opheffingsbepalingen.

  Art. 42. Artikel 34, § 2, van de wet van 2 augustus 1955, houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen, is van toepassing op de herzieningen die werden gedaan in uitvoering van de hoofdstukken II, III en IV van deze wet.

  Art. 43. <W 2007-04-25/52, art. 52, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Voor de toepassing van de artikelen 12 en 13 is de " graad " de titel die het personeelslid machtigt tot het bekleden van één van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen.
  Indien het statuut van een personeelslid de begrippen " graad " of " titel " niet gebruikt, wordt de beklede betrekking als " graad " beschouwd.
  Indien de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, krachtens een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, zonder voorwaarden, een andere graad verkrijgen, dan wordt deze laatste, voor de toepassing van de artikelen 12 en 13, beschouwd als de " laatste graad " of de " graad waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd ".
  Indien de actieve personeelsleden die de graad hebben waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd, krachtens een nieuwe wettelijke of reglementaire bepaling, onder bepaalde voorwaarden een andere graad verkrijgen, dan wordt deze laatste, voor de toepassing van de artikelen 12 en 13, beschouwd als de " laatste graad " of de " graad waarin de titularis van het pensioen zijn loopbaan heeft beëindigd " voor het gedeelte van de pensioenen die met toepassing van artikel 12, § 6, vierde lid, beschouwd worden als pensioenen waarvan de titularis de in die nieuwe bepaling gestelde voorwaarden vervult.

  Art. 44. De Koning mag alle maatregelen treffen die nodig zijn om de moeilijkheden op te lossen die, voor het vaststellen of voor het herzien van de rust- en overlevingspensioenen, zouden rijzen bij het toepassen van de hoofdstukken II, III en IV en van de artikelen 42 en 43 van deze wet.
  Hij mag onder meer fictieve weddeschalen toekennen aan ambten of aan graden die niet meer bestaan, of ze gelijkstellen met bestaande ambten of graden.
  De besluiten worden getroffen op voorstel van de Minister onder wiens bevoegdheid de administratie of de instelling valt die het pensioenstelsel beheert waaraan de betrokkene is onderworpen geweest.

  Art. 44bis.<ingevoegd bij W 2007-04-25/52, art. 53, Inwerkingtreding : 01-01-2007> In afwijking van artikel 12, § 1, eerste lid, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad [1 op gemotiveerd advies van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel]1 en mits akkoord van alle besturen en instellingen van de betrokken sector, het in artikel 12, § 9, bedoelde percentage voor elke perequatiekorf met ten hoogste een derde verhogen of verminderen voor de categorieën van rust- en overlevingspensioenen die Hij aanwijst.
  Dit besluit mag, op de datum waarop de perequatie uitwerking krijgt, de globale last van de aan de perequatiekorf verbonden rust- en overlevingspensioenen, zoals zij zou voortgevloeid zijn uit de toepassing van het in artikel 12, § 9, bedoelde percentage, niet wijzigen.
  Het in het eerste lid bedoelde besluit moet vastgesteld worden binnen de twee maanden volgend op de datum waarop de perequatie uitwerking krijgt.
  ----------
  (1)<W 2016-03-18/03, art. 105, 010; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 45. Artikel 2 van de wet van 14 juli 1951 houdende perekwatie der rust- en overlevingspensioenen, gewijzigd bij de wet van 2 augustus 1955, wordt, met ingang van 1 januari 1968, opgeheven.

  Art. 46. Artikel 4bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 1955 en gewijzigd bij de wet van 2 augustus 1962, wordt, met ingang van 1 januari 1970, opgeheven.

  Art. 47. Artikel 4 van de wet van 2 augustus 1962 betreffende de rust- en overlevingspensioenen wordt, met ingang van 1 januari 1969, opgeheven.

  Art. 48. Het koninklijk besluit van 21 februari 1968 tot verhoging van sommige rust- en overlevingspensioenen, wordt ingetrokken.

  Art. 49. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1970, met uitzondering van de artikelen 2 tot 11, 14 tot 18, 42 tot 45, en 47.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 02-10-2017 GEPUBL. OP 24-10-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 36quater; 36quinquies)
  • originele versie
  • WET VAN 18-03-2016 GEPUBL. OP 30-03-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 44bis)
  • originele versie
  • WET VAN 28-04-2015 GEPUBL. OP 13-05-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 36bis; 36ter)
  • originele versie
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 02-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 13; 14; 16; 35)
    (GEWIJZIGD ART. : 12)
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 12; 13)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2013 GEPUBL. OP 16-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 32)
  • originele versie
  • WET VAN 31-07-2013 GEPUBL. OP 20-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 32)
  • originele versie
  • WET VAN 24-10-2011 GEPUBL. OP 03-11-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 1)
  • originele versie
  • WET VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 11-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 1; 2-10; 11; 12; 13; 14; 15; 16; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 18-20; 43; 44BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 28-02-2007 GEPUBL. OP 10-04-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 32; 35)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-12-2006 GEPUBL. OP 29-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 32)
  • originele versie
  • WET VAN 03-02-2003 GEPUBL. OP 13-03-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 19; 32; 34TER; 34QUATER; )
  • originele versie
  • WET VAN 06-05-2002 GEPUBL. OP 30-05-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 37)
  • originele versie
  • WET VAN 25-01-1999 GEPUBL. OP 06-02-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 33)
  • WET VAN 21-05-1991 GEPUBL. OP 20-06-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 33; 34; 35; 37)
  • WET VAN 18-07-1990 GEPUBL. OP 23-08-1990
    (GEWIJZIGDE ART. : 34BIS; 35)
  • WET VAN 15-05-1984 GEPUBL. OP 22-05-1984

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1968-1969 : Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, nr. 368-1. - Verslag, 368-2. - Amendement, 368-3. Parlementaire Handelingen. - Vergaderingen van 17 en 19 juni 1969. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp, nr. 470, overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire Handelingen. - Vergadering van 3 juli 1969.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
    Franstalige versie