J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 33 uitvoeringbesluiten 152 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1967/10/10/1967101055/justel

Titel
10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK - Deel IV : BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies)
(NOTA : art. 1253ter/4 en 1253ter/8 gewijzigd in de toekomst door W 2017-03-19/08, art. 18-19; Inwerkingtreding : 01-09-2017)
(NOTA : artikelen gewijzigd in de toekomst door W 2017-06-25/03, art. 8-10; Inwerkingtreding : 01-01-2018)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-06-1985 en tekstbijwerking tot 20-07-2017) Zie wijziging(en)

Publicatie : 31-10-1967 nummer :   1967101055 bladzijde : 11360
Dossiernummer : 1967-10-10/04
Inwerkingtreding : 01-11-1970

Inhoudstafel Tekst Begin
EERSTE BOEK RECHTSBIJSTAND.
HOOFDSTUK I. - Omschrijving. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 2; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
Art. 664
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 3; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
Art. 665-668
HOOFDSTUK III. - Rechtspleging. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 4; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
Art. 669-672, 672bis, 673-674, 674bis, 675-682, 682bis, 683-686
HOOFDSTUK IV. - Hoger Beroep. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 5; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
Art. 687-690
HOOFDSTUK V. - Kosten. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 6; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
Art. 691-692, 692bis
HOOFDSTUK VI. - Verhaal door de Staat. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 7; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
Art. 693-697
HOOFDSTUK VII. - Intrekking. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 8; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
Art. 698-699
HOOFDSTUK VIII. - Grensoverschrijdende geschillen bedoeld in richtlijn 2003/8/EG. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 9; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
Art. 699bis, 699ter
BOEK II. GEDING.
EERSTE TITEL. Instelling van de vordering.
EERSTE HOOFDSTUK. Vorm waarin de hoofdvordering wordt ingesteld.
Eerste Afdeling. Rechtsingang door dagvaarding.
Art. 700-705
Afdeling II. - Vrijwillige verschijning.
Art. 706
HOOFDSTUK II. Termijnen van dagvaarding.
Art. 707-710
HOOFDSTUK III. Rol en inschrijving op de rol.
Eerste Afdeling. Rol van de zaken.
Art. 711-715
Afdeling II. Inschrijving op de rol.
Art. 716-719
HOOFDSTUK IV. Dossier van de rechtspleging.
Art. 720-725, 725bis
HOOFDSTUK V. - Verdeling van de zaken.
Art. 726
HOOFDSTUK VI. - Verschijning van de partijen na dagvaarding.
Art. 727-729, 729/1, 730
TITEL II. Behandeling en berechting van de vordering.
HOOFDSTUK I. Minnelijke schikking.
Art. 731-734
HOOFDSTUK Ibis. - Bemiddeling in familiezaken. (Opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 22, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
Art. 734bis, 734ter, 734quater, 734quinquies, 734sexies
HOOFDSTUK II. Behandeling en berechting op tegenspraak.
Eerste afdeling. Behandeling ter inleidende zitting.
Art. 735
Afdeling II. - (Mededeling) van de stukken. <W 2006-07-10/39, art. 17, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)>
Art. 736-740
Afdeling III. Conclusies.
Art. 741-748, 748bis
Afdeling IV. Bepaling van de rechtsdag en verdaging.
Art. 749-754
Afdeling V. Schriftelijke behandeling.
Art. 755
Afdeling VI. - Terechtzitting.
Art. 756, 756bis, 756ter, 757-763
Afdeling VII. - Mededeling aan het openbaar ministerie.
Art. 764-765, 765/1, 766-768
Afdeling VIII. Berechting van de zaak.
Art. 769-780, 780bis, 781-782, 782bis, 783-792
Afdeling IX. [1 Uitlegging en verbetering van de rechterlijke beslissing en herstel van de omissie van een punt van de vordering]1.
Art. 793-794, 794/1, 795-801, 801/1, 801bis
HOOFDSTUK III. Behandeling en berechting bij verstek.
Art. 802-806
TITEL III. Tussengeschillen en bewijs.
HOOFDSTUK I. Tussenvorderingen.
Art. 807-810
HOOFDSTUK II. Tussenkomst.
Art. 811-814
HOOFDSTUK III. Hervatting van geding.
Art. 815-819
HOOFDSTUK IV Afstand van geding.
Art. 820-827
HOOFDSTUK V. Wraking en verschoning.
Art. 828-847
HOOFDSTUK VI. Ontkentenis van proceshandelingen.
Art. 848-850
HOOFDSTUK VII. Excepties.
Eerste afdeling. Exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling.
Art. 851-852
Afdeling II. Opschortende exceptie van boedelbeschrijving en beraad.
Art. 853
Afdeling III. Excepties van onbevoegdheid.
Art. 854-856
Afdeling IV. Opschortende exceptie bij oproeping tot vrijwaring.
Art. 857-859
Afdeling V. Excepties van nietigheid.
Art. 860-867
Afdeling VI. Berechting van excepties.
Art. 868-869
HOOFDSTUK VIII. Bewijs.
Eerste Afdeling. Voorafgaande bepalingen.
Art. 870-875, 875bis, 876
Afdeling II. Overlegging van stukken.
Art. 877-882, 882bis
Afdeling III. Schriftonderzoek.
Art. 883-894
Afdeling IV. Valsheidsprocedure.
Eerste onderafdeling Algemene bepalingen.
Art. 895-906
Onderafdeling 2. Procedure inzake valsheidsincident vóór het Hof van Cassatie.
Art. 907-914
Afdeling V. Getuigenverhoor.
Eerste onderafdeling Vonnis waarbij getuigenverhoor wordt toegestaan.
Art. 915-922
Onderafdeling 2 Verschijning van getuigen.
Art. 923-932
Onderafdeling 3. Verhoor van getuigen.
Art. 933-944
Onderafdeling 4. Sluiting van getuigenverhoor en vonnis.
Art. 945-947
Onderafdeling 5. Proces-verbaal van getuigenverhoor.
Art. 948-951
Onderafdeling 6. Woordelijke opname van getuigenverhoor.
Art. 952
Onderafdeling 7. Kosten van getuigenverhoor.
Art. 953-955
Onderafdeling 8. Geldigheid van getuigenverhoor en bewijskracht van getuigenissen.
Art. 956-961
Afdeling Vbis - [1 Overlegging van schriftelijke verklaringen]1
Art. 961/1, 961/2, 961/3
Afdeling VI. Deskundigenonderzoek.
Onderafdeling 1. Algemene bepaling. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 3; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>
Art. 962-965
Onderafdeling 2. Wraking van de deskundigen. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 6; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>
Art. 966-971
Onderafdeling 3. Verloop van het deskundigenonderzoek. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 8; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>
Art. 972, 972bis, 973-983
Onderafdeling 4. Beperkte tussenkomst van de deskundigen. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 22; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>
Art. 984-986
Onderafdeling 5. Kosten en erelonen van deskundigen. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 26; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>
Art. 987-991, 991bis
Onderafdeling 6.[1 De gerechtsdeskundigen]1
Art. 991ter, 991quater, 991quinquies, 991sexies, 991septies, 991octies, 991novies, 991decies, 991undecies
Afdeling VII. Verhoor van partijen.
Art. 992-1004
Afdeling 7/1. - [1 Het horen van minderjarigen]1
Art. 1004/1, 1004/2.
Afdeling VIII. Eedaflegging.
Art. 1005-1006
Afdeling IX. Plaatsopneming.
Art. 1007-1016
Afdeling X. <ingevoegd bij W 1987-05-20/33, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 22-06-1987> - Vaststelling van overspel bij gerechtsdeurwaarder.
Art. 1016bis
TITEL IV. Uitgaven en kosten.
Art. 1017-1022
Art. 1022 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 1023-1024
TITEL V. Inleiding en behandeling van de vordering op eenzijdig verzoekschrift.
Art. 1025-1034
TITEL Vbis. <Ingevoegd bij W 1992-08-03/31, art. 40, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het verzoekschrift op tegenspraak.
Art. 1034bis, 1034ter, 1034quater, 1034quinquies, 1034sexies
TITEL VI. Inleiding en behandeling van de vordering in kort geding.
Art. 1035-1041
BOEK III RECHTSMIDDELEN.
EERSTE TITEL. Algemene bepalingen.
Art. 1042-1046
TITEL II. Verzet.
Art. 1047-1049
TITEL III. Hoger beroep.
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen.
Art. 1050-1067, 1067bis
HOOFDSTUK II. Devolutieve kracht van het hoger beroep en recht om de zaak aan zich te trekken.
Art. 1068-1072, 1072bis
TITEL IV Voorziening in cassatie.
Art. 1073-1094, 1094/1, 1095-1097, 1097/1, 1098-1105, 1105bis, 1106-1109, 1109/1, 1110-1121
TITEL IVbis. - [1 Cassatieberoep in tuchtzaken]1
Art. 1121/1, 1121/2, 1121/3, 1121/4, 1121/5, 1121/6
TITEL V. Derdenverzet.
Art. 1122-1131
TITEL VI. Herroeping van het gewijsde.
Art. 1132-1139
TITEL VII. Verhaal op de rechter.
Art. 1140-1147
TITEL VIII. (opgeheven) <W 1989-01-06/30, art. 127, 010; Inwerkingtreding : 17-01-1989>
Art. 1147bis
BOEK IV. BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN.
HOOFDSTUK I. Verzegeling en ontzegeling.
Eerste afdeling. Verzegeling.
Art. 1148-1164
Afdeling II. Verzet tegen ontzegeling.
Art. 1165-1166
Afdeling III. Ontzegeling.
Art. 1167-1173
Afdeling IV. Verbod van betaling, van teruggave en overdracht.
Art. 1174
HOOFDSTUK II. Boedelbeschrijving.
Art. 1175-1184
HOOFDSTUK III. <W 14-7-1976> Verwerping van de nalatenschap.
Art. 1185
HOOFDSTUK IV. - Bepaalde (...) verkopingen van onroerende goederen. <W 18-2-1981, art. 1>.
Art. 1186-1193, 1193bis, 1193ter
HOOFDSTUK V. - Bepaalde verkopingen van roerende goederen.
Art. 1194-1204, 1204bis
HOOFDSTUK VI. - Verdeling en veiling van onverdeelde goederen.
Eerste afdeling. - Minnelijke verdeling.
Art. 1205-1206
Afdeling 2. - [1 Gerechtelijke verdeling]1
Onderafdeling 1. - [1 De inleiding van de vordering en het vonnis dat de gerechtelijke verdeling beveelt]1
Art. 1207-1209
Onderafdeling 2. - [1 De aanstelling van de notaris-vereffenaar]1
Art. 1210
Onderafdeling 3. - [1 De vervanging van de notaris-vereffenaar]1
Art. 1211
Onderafdeling 4. - [1 Het beheer van de onverdeelde boedel]1
Art. 1212
Onderafdeling 5. - [1 Het deskundigenonderzoek]1
Art. 1213
Onderafdeling 6. - [1 Het verloop van de werkzaamheden
[1Algemene bepalingen]1
Art. 1214
[1De opening van de werkzaamheden]1
Art. 1215
[1Het tussentijds proces-verbaal]1
Art. 1216
[1De conventionele instaatstelling]1
Art. 1217
[1De wettelijke instaatstelling]1
Art. 1218
[1De ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang]1
Art. 1219
[1De sanctie in geval van overschrijding van de overeengekomen of bepaalde termijnen]1
Art. 1220
[1De stuiting van de overeengekomen of bepaalde termijnen]1
Art. 1221
[1De mededeling van de stukken]1
Art. 1222
[1De verdeling in natura]1
Art. 1223
[1De verkoop van de niet gevoeglijk in natura verdeelbare goederen]1
Art. 1224, 1224/1
Onderafdeling 7. - [1 Hoger beroep]1
Art. 1224/2
Afdeling III. Bepaling geldend voor de twee vorige afdelingen.
Art. 1225
HOOFDSTUK VII. - (Vermoeden en verklaring van afwezigheid en gerechtelijke verklaring van overlijden). <W 2007-05-09/44, art. 45, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art. 1226-1227
HOOFDSTUK VIII. - Onbeheerde nalatenschappen.
Art. 1228-1231
HOOFDSTUK VIIIbis. - Adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Afdeling 1. - Algemene bepaling. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.1
Afdeling 2. - Binnenlandse adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.2
Onderafdeling 1. - Totstandkomen van de adoptie op verzoek van de adoptant of van de adoptanten. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.3-1231.23
Onderafdeling 2. - Totstandkoming van de adoptie op verzoek van het openbaar ministerie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.24-1231.25
Afdeling 3. - Interlandelijke adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.26
Onderafdeling 1. - Procedure houdende vaststelling van de geschiktheid om te adopteren. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.27-1231.33
Onderafdeling 1bis. [1 - Procedure tot verlenging van de termijn van geschiktheid om te adopteren]1
Art. 1231.33/1, 1231.33/2, 1231.33/3, 1231.33/4, 1231.33/5, 1231.33/6, 1231.33/7
Onderafdeling 2. - Procedure houdende vaststelling van de adopteerbaarheid van een kind. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.34-1231.39
Onderafdeling 3. - Totstandkoming van de adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.40-1231.45
Afdeling 4. - Herroeping van de gewone adoptie en herziening van de adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.46-1231.52
Afdeling 5. - Beroep. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
Art. 1231.53-1231.56
HOOFDSTUK IX. <W 2001-04-29/39, art. 67, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Voogdij over minderjarigen
Art. 1232-1236, 1236bis, 1237
HOOFDSTUK IXBIS. <ingevoegd bij W 1987-05-20/31, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 06-06-1987> Procedure tot verlatenverklaring van een minderjarige of tot vaststelling dat de ouders kennelijk niet naar hun kind hebben omgezien. (opgeheven) <W 1999-05-07/58, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 09-07-1999>
Art. 1237bis
HOOFDSTUK X. - [1 Beschermde personen]1
Afdeling 1. - [1 Rechterlijke bescherming]1
Art. 1238-1249, 1249/1, 1249/2
Afdeling 2. - [1 Het bewind]1
Art. 1250-1252
Afdeling 3. - [1 Het administratief dossier ]1
Art. 1253, 1253/1
HOOFDSTUK Xbis. - [1 Vorderingen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit familiale betrekkingen]1
Art. 1253bis, 1253ter, 1253ter/1, 1253ter/2, 1253ter/3, 1253ter/4, 1253ter/5, 1253ter/6, 1253ter/7, 1253ter/8, 1253quater, 1253quinquies, 1253sexies, 1253septies, 1253octies
HOOFDSTUK XI. - Echtscheiding, scheiding van tafel en beden scheiding van goederen.
Eerste afdeling. - (De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting). <W 2007-04-27/00, art. 21, 1°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
Art. 1254-1260, 1260bis, 1261-1270, 1270bis, 1271-1286, 1286bis
Afdeling II. Echtscheiding door onderlinge toestemming.
Art. 1287-1288, 1288bis, 1288ter, 1289, 1289bis, 1289ter, 1290-1291, 1291bis, 1292-1294, 1294bis, 1295-1304
Afdeling III. Scheiding van tafel en bed.
Art. 1305-1308
Afdeling IV. - Omzetting van de scheiding van tafel en bed in echtscheiding. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 21, 2°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
Art. 1309-1310
Afdeling V. Scheiding van goederen.
Art. 1311-1318
HOOFDSTUK XIbis. <W 14-7-1976, art. 34> Veranderlijkheid van huwelijksvoorwaarden.
Art. 1319, 1319bis
HOOFDSTUK XII. Uitkeringen tot levensonderhoud.
Art. 1320-1322, 1322/1
HOOFDSTUK XIIbis. [1 Verzoeken betreffende de grensoverschrijdende maatregelen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid en de bescherming van kinderen.]1
Art. 1322bis, 1322ter, 1322quater, 1322quinquies, 1322sexies, 1322septies, 1322octies, 1322nonies, 1322decies, 1322undecies, 1322duodecies, 1322terdecies, 1322quaterdecies
HOOFDSTUK XIII. Hoger bod op vrijwillige vervreemding.
Art. 1323-1332
HOOFDSTUK XIV. Uitstel van betaling.
Art. 1333-1337
HOOFDSTUK XIVbis. (Toestaan van betalingsfaciliteiten inzake consumentenkrediet.) <W 1991-06-12/30, art. 114, § 5, 016; Inwerkingtreding : uiterlijk op 09-07-1991, op een datum door de Koning te bepalen.>
Art. 1337bis, 1337ter, 1337quater, 1337quinquies, 1337sexies, 1337septies, 1337octies
HOOFDSTUK XV. Summiere rechtspleging om betaling te bevelen.
Art. 1338-1344
HOOFDSTUK XVbis. - <W 1998-11-30/33, art. 2; Inwerkingtreding : 11-01-1999> (Rechtspleging inzake huur van goederen en inzake uithuiszetting).
Art. 1344bis, 1344ter, 1344quater, 1344quinquies, 1344sexies, 1344septies
HOOFDSTUK XVI. - Rechtspleging inzake pacht, (recht van voorkoop en uitgesteld loon in land- en tuinbouw) <W 28-12-1967, art. 7>.
Art. 1345
HOOFDSTUK XVII. Aanneming van de borg.
Art. 1346-1351
HOOFDSTUK XVIII. Aanbod van betaling en consignatie.
Art. 1352-1357
HOOFDSTUK XIX Rekening en verantwoording.
Art. 1358-1369
HOOFDSTUK XIXbis. - Rechtsplegingen inzake intellectuele rechten <Ingevoegd bij W 2007-05-10/33, art. 22; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Afdeling 1. - Betreffende beslag inzake namaak <Ingevoegd bij W 2007-05-10/33, art. 22; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art. 1369bis/1, 1369bis/2, 1369bis/3, 1369bis/4, 1369bis/5, 1369bis/6, 1369bis/7, 1369bis/8, 1369bis/9, 1369bis/10
fdeling 2. - Voorlopige maatregelen toepasselijk op intellectuele eigendomsrechten <Ingevoegd bij W 2007-05-10/33, art. 32; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
Art. 1369ter
HOOFDSTUK XX. Bezitsvorderingen.
Art. 1370-1371
HOOFDSTUK XXbis. - <W 1-3-1978, art. 3> Recht van uitweg.
Art. 1371bis
HOOFDSTUK XXI. Middelen om uitgifte of afschrift van een akte te verkrijgen.
Art. 1372-1382
HOOFDSTUK XXII. Verbetering van akten van de burgerlijke stand.
Art. 1383-1385
HOOFDSTUK XXIII. <W 31-01-1980, art. 2> De dwangsom.
Art. 1385bis, 1385ter, 1385quater, 1385quinquies, 1385sexies, 1385septies, 1385octies, 1385nonies
HOOFDSTUK XXIV. - (ingevoegd bij <W 1999-03-23/30, art. 9, Inwerkingtreding : 06-04-1999>) Geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.
Art. 1385decies, 1385undecies
HOOFDSTUK. - Verhalen betreffende de wijziging van het geslacht van een persoon. <ingevoegd bij W 2007-05-10/55, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
Art. 1385duodecies, 1385terdecies, 1385quaterdecies
HOOFDSTUK XXVI. [1 - Geschillen betreffende bepaalde vormen van foutloze aansprakelijkheid.]1
Art. 1385quinquiesdecies, 1385sexiesdecies, 1385septiesdecies, 1385octiesdecies

Tekst Inhoudstafel Begin
EERSTE BOEK_ RECHTSBIJSTAND.

  HOOFDSTUK I. - Omschrijving. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 2; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 664.Rechtsbijstand bestaat erin degenen die niet over de nodige [1 bestaansmiddelen]1 beschikken om de kosten van rechtspleging, zelfs van een buitengerechtelijke rechtspleging, te bestrijden, geheel of ten dele te ontslaan van de betaling van de (diverse rechten), registratie-, griffie- en uitgifterechten en van de andere kosten welke deze rechtspleging medebrengt. Hij verschaft aan de betrokkene ook kosteloos de tussenkomst van openbare en ministeriele ambtenaren onder de hierna bepaalde voorwaarden. <W 2006-12-19/33, art. 66, 083 ; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (Hij biedt de betrokkene tevens de mogelijkheid kosteloos bijstand te genieten van een technisch adviseur bij gerechtelijke deskundigenonderzoeken.) <W 2006-07-20/39, art. 10, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<W 2016-07-06/01, art. 15, 146; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 3; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 665. Rechtsbijstand kan worden verleend:
  1° voor alle handelingen betreffende vorderingen die voor een rechter van de rechterlijke orde, een administratieve rechtbank of een scheidsgerecht moeten worden gebracht of er aanhangig zijn;
  2° voor handelingen betreffende de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten;
  3° voor rechtsplegingen op verzoekschrift;
  4° voor de proceshandelingen die behoren tot de bevoegdheid van een lid van de rechterlijke orde of waarbij een openbare of een ministeriele ambtenaar moet optreden.
  5° (voor procedures van vrijwillige of gerechtelijke bemiddeling, die geleid worden door een bemiddelaar die erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie.) <W 2005-02-21/36, art. 2, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
  (6° voor alle buitengerechtelijke procedures die opgelegd zijn bij wet of door de rechter;
  7° voor de tenuitvoerlegging van authentieke akten in andere lidstaten van de Europese Unie in het kader van artikel 11 van richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen, onder de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden.) <W 2006-07-01/72, art. 12, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  (8° voor bijstand van een technisch adviseur bij gerechtelijke deskundigenonderzoeken.) <W 2006-07-20/39, art. 11, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Art. 666. Wanneer vermoed wordt dat het actief van een faillissement ontoereikend zal zijn om de eerste vereffeningskosten te dekken, beveelt de rechter voor wie de zaak aanhangig is, ambtshalve of op verzoek van de curator de kosteloze rechtspleging.
  De kosteloosheid wordt ook verleend voor handelingen en rechtsplegingen tot bewaring van recht, totdat de termijn van veertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, is verstreken.

  Art. 667.[1 Rechtsbijstand wordt verleend aan de personen van Belgische nationaliteit, indien zij aantonen dat hun bestaansmiddelen ontoereikend zijn. De aanvragen in verband met zaken die kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond lijken, worden geweigerd.
   De beslissing van het bureau voor juridische bijstand waarbij gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand wordt verleend, vormt het bewijs voor ontoereikende bestaansmiddelen.
   Een jaar na de beslissing van het bureau voor juridische bijstand kan het bureau voor rechtsbijstand of de rechter die de rechtsbijstand verleent nagaan of de voorwaarden van ontoereikende bestaansmiddelen nog steeds gelden.
   In het geval waarin het bureau voor juridische bijstand een einde maakt aan de juridische tweedelijnsbijstand op grond van het feit dat de begunstigde niet langer voldoet aan de voorwaarden bepaald bij artikel 508/13, zendt de advocaat deze beslissing onverwijld over aan het bureau voor rechtsbijstand of aan de bevoegde rechter.]1
  ----------
  (1)<W 2016-07-06/01, art. 16, 146; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laaste op 01-09-2016>

  Art. 668.<W 15-12-1980, art. 90> Rechtsbijstand kan onder dezelfde voorwaarden worden verleend aan :
  a) vreemdelingen, overeenkomstig de internationale verdragen;
  b) onderdanen van een Lid-Staat van de Raad van Europa;
  c) enig ander vreemdeling die op regelmatige wijze in België zijn gewone verblijfplaats heeft (of die op regelmatige wijze verblijft in één van de lidstaten van de Europese Unie); <W 2006-07-01/72, art. 14, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  d) alle vreemdelingen, in de procedures waarin is voorzien bij de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijft, de vesting en de verwijdering van vreemdelingen;
  [1 e) alle vreemdelingen die op onregelmatige wijze in België hun verblijfplaats hebben onder voorwaarde dat zij een poging hebben ondernomen hun verblijf in België te regulariseren, dat hun vordering hoogdringend is en dat het gaat om vragen betreffende de uitoefening van een fundamenteel recht.]1
  ----------
  (1)<W 2016-07-06/01, art. 17, 146; Inwerkingtreding : 24-07-2016>

  HOOFDSTUK III. - Rechtspleging. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 4; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 669. Wanneer aan de verzoeker rechtsbijstand wordt verleend, kan daaraan, al naar gelang van het bedrag van zijn [2 bestaansmiddelen]2, de voorwaarde worden verbonden dat hij een som, te bepalen in de beslissing die de bijstand verleent, in handen van de [1 bevoegde ontvanger van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen]1 zal storten.
  ----------
  (1)<W 2016-07-01/01, art. 93, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2017. Zie ook art. 108>
  (2)<W 2016-07-06/01, art. 18, 146; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 670. Het verzoek om rechtsbijstand wordt gebracht voor het bureau van de rechtbank waarvoor het geschil aanhangig moet worden gemaakt of, naar gelang van het geval, van de plaats waar de handeling moet worden verricht.
  Het wordt evenwel ingediend bij het bureau van het Hof van Cassatie, bij het bureau van het hof van beroep of van het arbeidshof, de vrederechter of de politierechtbank, wanneer het geschil tot hun bevoegdheid behoort of de te verrichten handeling aan hun rechtsmacht onderworpen is.

  Art. 671. Rechtsbijstand wordt alleen verleend voor de proceshandelingen die moeten worden verricht en voor de gewone afschriften van of de uittreksels uit de stukken die moeten worden voorgebracht vóór de rechter voor wie het geschil aanhangig is of wordt gemaakt, de betekening van de eindbeslissing daaronder begrepen. (Rechtsbijstand dekt eveneens de kosten en het ereloon van de bemiddelaar in het kader van een gerechtelijke of vrijwillige bemiddeling die geleid wordt door een bemiddelaar die erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie (alsmede de kosten en het ereloon van de technisch adviseurs die de partijen bijstaan in het kader van door een rechter bevolen deskundigenonderzoeken).) <W 2005-02-21/36, art. 3, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005> <W 2006-07-20/39, art. 12, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  In geval van hoger beroep of voorziening in cassatie wordt het verzoek om bijstand gedaan aan het bureau van de rechtbank of van het hof waar het rechtsmiddel wordt ingesteld.

  Art. 672. De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen rechtsbijstand aanvragen bij een, zelfs mondeling gedaan, verzoek aan de rechter voor wie de vervolging aanhangig is.

  Art. 672bis. <Ingevoegd bij W 1998-01-07/63, art. 3; Inwerkingtreding : 04-04-1998> Ingeval de vraag bedoeld in de artikelen 671 en 672 wordt gedaan samen met het verzoek bedoeld in artikel 674bis, wordt die vraag gebracht voor de bevoegde rechter en volgens de rechtspleging van dit laatste artikel.

  Art. 673. In spoedeisende gevallen en in alle zaken kan de voorzitter van de rechtbank of van het hof en, gedurende het geding, de rechter voor wie de zaak aanhangig is, op een zelfs mondeling gedaan verzoek rechtsbijstand verlenen voor de handelingen die zij bepalen.

  Art. 674. (Opgeheven) <W 2006-07-01/72, art. 15, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 674bis.<Ingevoegd bij W 1998-01-07/63, art. 2; Inwerkingtreding : 04-04-1998> § 1. In strafzaken kunnen de verdachte, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, de burgerlijke partij en ieder die zich op grond van het dossier zou kunnen beroepen op een nadeel, om rechtsbijstand verzoeken met het oog op het verkrijgen van afschriften van stukken uit het dossier.
  § 2. Het verzoek wordt door middel van een verzoekschrift gebracht :
  1° voor de voorzitter van de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer de procureur des Konings of de procureur-generaal, in voorkomend geval, de regeling van de rechtspleging vordert;
  2° voor de politierechtbank of voor de voorzitter van de kamer van de correctionele rechtbank, wanneer de verdachte is gedagvaard of is opgeroepen bij proces-verbaal zoals voorzien bij artikel 216quater van het Wetboek van Strafvordering;
  3° voor de voorzitter van de kamer van het hof van beroep;
  4° voor de voorzitter van het hof van assisen.
  (5° voor de voorzitter van de kamer van de correctionele rechtbank of de voorzitter van de kamer van het hof van beroep die in hoger beroep kennis neemt van de strafvordering.) <W 2003-01-06/31, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  (lid 2 opgeheven) <W 2003-01-06/31, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  § 3. Wanneer de regeling van de rechtspleging is gevorderd door de procureur des Konings of de procureur-generaal, in voorkomend geval, wordt het verzoek om rechtsbijstand voor de afgifte van afschriften uit het dossier, op straffe van verval, wat betreft de opgeroepen partijen, uiterlijk op de eerste zitting ingediend.
  § 4. Wanneer de zaak zonder verwijzingsbeschikking voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank, dan wel, in geval van toepassing van artikel 479 en volgende van het Wetboek van Strafvordering, voor het hof van beroep wordt gebracht, wordt het verzoek om rechtsbijstand voor de afgifte van afschriften van stukken uit het dossier, op straffe van verval, binnen acht dagen na de dagvaarding of de oproeping ingediend.
  De tekst van het eerste lid van deze paragraaf wordt in de dagvaarding of de oproeping vermeld.
  (Wanneer de strafvordering in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt voor de correctionele rechtbank of het hof van beroep wordt het verzoek om rechtsbijstand voor de afgifte van afschriften van stukken uit het dossier, op straffe van verval, binnen acht dagen na de verklaring van hoger beroep ingediend. Indien hoger beroep wordt ingesteld door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij, zonder dat de beklaagde hoger beroep heeft ingesteld, wordt het verzoek om rechtsbijstand op straffe van verval binnen acht dagen na de dagvaarding ingediend.
  De tekst van het derde lid van deze paragraaf wordt in de dagvaarding in hoger beroep vermeld.) <W 2003-01-06/31, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 01-03-2003>
  § 5. Behoudens indien hij kan aantonen dat hij niet tijdig in kennis is gesteld, moet ieder die zich op grond van het dossier zou kunnen beroepen op een nadeel, op straffe van verval zijn verzoekschrift indienen, uiterlijk de vijfde dag vóór de eerste zitting waarop het vonnisgerecht kennis neemt van de strafvordering.
  § 6. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de verzoeker of zijn advocaat. Het wordt, al naar gelang van het geval, ter zitting of ter griffie neergelegd, dan wel bij ter post aangetekende brief aan de griffie toegestuurd. De datum vermeld op het bewijs van afgifte van het verzoekschrift aan de postdienst geldt als datum van neerlegging. Het mondelinge verzoek wordt ter zitting gedaan en daarvan wordt melding gemaakt op het (het [1 zittingsblad]1); <W 2006-07-10/39, art. 24, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)>
  het kan ook bij verklaring ter griffie ingediend worden. De door de griffier opgenomen verklaring wordt bij het dossier gevoegd.
  De verzoeker duidt de stukken aan waarvan hij een afschrift wenst zo hij de gelegenheid heeft gehad het dossier te raadplegen.
  Alleen van stukken die voorkomen in het dossier op het tijdstip waarop het verzoek wordt ingediend, kan een afschrift worden gevraagd. Bij het verzoek worden de stukken gevoegd die in artikel 676 worden vermeld.
  § 7. De behandeling van het verzoek om rechtsbijstand voor de afgifte van afschriften geschiedt met gesloten deuren. Dit geschiedt op een latere zitting wanneer het verzoek is neergelegd of gedaan ter griffie. Wanneer het verzoek mondeling ter zitting wordt gedaan, geschiedt dit op de zitting waarop de rechter kennis neemt van de strafvordering.
  De voorzitter of de rechter beslist nadat de verzoeker of zijn advocaat en het openbaar ministerie zijn gehoord of daartoe de gelegenheid hebben gekregen.
  De voorzitter of de rechter kan het verzoek verwerpen of er gedeeltelijk dan wel geheel uitspraak over doen. In zijn beslissing wijst de voorzitter of de rechter de stukken aan waarvoor hij rechtsbijstand voor de afgifte van afschriften toestaat.
  § 8. Degene wiens verzoek geheel of gedeeltelijk is ingewilligd, kan een nieuw verzoek indienen betreffende de stukken die later bij het dossier zijn gevoegd.
  Het verzoek wordt, op straffe van verval, ingediend uiterlijk de vijfde dag vóór de zitting van het vonnisgerecht.
  Worden na afloop van de termijn bedoeld in het tweede lid nieuwe stukken later bij het dossier gevoegd, dan geeft de griffier kosteloos een afschrift van deze stukken af aan de partijen aan wie voorheen reeds rechtsbijstand voor het verkrijgen van afschriften is verleend.
  § 9. De beslissing van de rechter inzake rechtsbijstand voor de afgifte van afschriften van stukken uit het dossier is niet vatbaar voor verzet. Hoger beroep kan door de verzoeker of het openbaar ministerie worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die begint te lopen vanaf de uitspraak.
  Hoger beroep wordt bij de griffie van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, ingesteld overeenkomstig de regels die in strafzaken van toepassing zijn.
  Het wordt binnen vijftien dagen na het instellen ervan behandeld :
  1° door de raadkamer in geval van hoger beroep tegen de beslissing van de politierechtbank;
  2° door de kamer van inbeschuldigingstelling in geval van hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer of de correctionele rechtbank.
  § 10. Tegen de beslissingen betreffende de rechtsbijstand voor de afgifte van afschriften van stukken uit het dossier kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
  § 11. De rechtspleging betreffende de rechtsbijstand voor de afgifte van afschriften van stukken uit het dossier in strafzaken mag de normale berechting van de strafvordering niet vertragen.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 30, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 675. Voor de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel richt de verzoeker aan het bureau een (schriftelijk verzoek) in tweevoud, ondertekend door hem of door zijn advocaat (. Dit verzoek is aan geen andere formaliteiten onderworpen. De verzoeker) kan ook mondeling aan het bureau zijn verzoek doen; in dat geval stelt de griffier een beknopte nota op waarin het onderwerp van het verzoek wordt uiteengezet. In beide gevallen voegt de verzoeker bij zijn aanvraag de stukken, voorgeschreven in artikel 676 of, in voorkomend geval, in artikel 677. <W 2006-07-01/72, art. 16, 1° en 2°, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  (Lid 2, 3, 4 en 5 opgeheven) <W 2006-07-01/72, art. 16, 3°, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  (Voor de vrederechter mag rechtsbijstand worden toegestaan op eenvoudig schriftelijk of mondeling verzoek, waarbij de stukken bedoeld in artikel 676 of 677 worden gevoegd.) <W 2006-07-01/72, art. 16, 4°, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 676. <W 1998-11-23/34, art. 6, 041; Inwerkingtreding : 01-09-2001> De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit welke bewijsstukken moeten worden overgelegd voor de toepassing van dit boek.
  Voor de toepassing van deze bepaling kunnen de ambtenaren van het bestuur van financiën ontslagen worden van de geheimhouding die hun opgelegd is bij de gecoördineerde wetten op de inkomstenbelastingen.

  Art. 677.(Onverminderd artikel 508/17 en onverminderd de mogelijkheid om het verzoek in te dienen via de bevoegde autoriteiten in de zin van de in artikel 508/24, § 1, genoemde richtlijn, richt de verzoeker die in het buitenland verblijft zijn verzoek aan het bureau of de rechter, aan de hand van het formulier, bedoeld in artikel 16 van de in artikel 508/ 24, § 1, genoemde richtlijn. Hij voegt hierbij de stukken waaruit de stand van zijn [1 bestaansmiddelen]1 blijkt,zoals zij vereist worden door de wet van het land waar hij verblijft.) <W 2006-07-01/72, art. 17, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  Indien de aangelegenheid in dat land niet bij de wet is geregeld of indien het niet mogelijk is zich naar de aldaar geldende wet te gedragen, voegt hij bij zijn aanvraag een verklaring, afgelegd vóór de Belgische consulaire ambtenaar van zijn verblijfplaats, waarin zijn verblijfplaats wordt vermeld en zijn bestaansmiddelen en lasten omstandig worden opgegeven.
  ----------
  (1)<W 2016-07-06/01, art. 18, 146; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 678. <W 2006-07-01/72, art. 18, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006> Het bureau doet uitspraak op basis van de stukken. Het kan ook het verzoek onderzoeken.
  Voor dit onderzoek, kan het zich tot het openbaar ministerie wenden met een verzoek om verslag.
  Het bureau kan voor dit onderzoek de verzoeker in raadkamer oproepen. De oproeping wordt hem door de griffier bij gerechtsbrief gezonden.
  Het bureau doet uitspraak binnen acht dagen na de indiening van het verzoek.
  Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking aan de verzoeker.
  De behandeling geschiedt in raadkamer.

  Art. 679. (Opgeheven) <W 2006-07-01/72, art. 19, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 680. Voor het bureau van het hof van beroep en van het arbeidshof wordt de rechtspleging gevolgd die bepaald is in de artikelen 675 tot (678). <W 2006-07-01/72, art. 20, 1°, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  (Lid 2 opgeheven) <W 2006-07-01/72, art. 20, 2°, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 681. (Opgeheven) <W 2006-07-01/72, art. 21, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 682. <W 2008-06-01/33, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 26-06-2008> Voor het Bureau van het Hof van Cassatie wordt de rechtspleging gevolgd die bepaald is in de artikelen 675 tot 677. De behandeling geschiedt in raadkamer.
  Behalve wanneer het de memorie van antwoord op de voorziening betreft, spreekt het Bureau van het Hof van Cassatie zich, in de in artikel 478 bedoelde aangelegenheden, over de aanvraag tot rechtsbijstand pas uit na advies van een door de stafhouder van de Orde aangewezen advocaat bij het Hof te hebben ingewonnen. Het kan echter de aanvraag zonder dat voorafgaand advies verwerpen als het vaststelt dat, ofwel het verzoek om rechtsbijstand, ofwel de voorgenomen cassatievoorziening, kennelijk niet ontvankelijk is of gegrond is op een kennelijk niet ernstig middel of dat de einddatum van de termijn voor het instellen van de cassatievoorziening te dichtbij ligt om een advocaat bij het Hof nog de kans te geven het tijdig in te stellen.
  De beslissingen van het Bureau waarbij het verzoek wordt verworpen of de rechtsbijstand niet wordt toegekend, worden met redenen omkleed.

  Art. 682bis. <Ingevoegd bij W 2008-06-01/34, art. 2; Inwerkingtreding : 26-06-2008> In spoedeisende gevallen doet de eerste voorzitter uitspraak over het verzoekschrift na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, zonder dat een voorafgaand advies van de advocaat bij het Hof van Cassatie vereist is en zonder dat de partijen moeten worden opgeroepen of gehoord.

  Art. 683. De beslissingen zijn uitvoerbaar van rechtswege en op de minuut, niettegenstaande voorziening.
  (De verzoekende partij kan) kosteloos de uitgifte ervan verkrijgen.

  Art. 684. Van de beslissing waarbij rechtsbijstand wordt verleend onder het in artikel 669 gemaakt voorbehoud, geeft de griffier kennis aan [1 de bevoegde ontvanger van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen]1, die op zijn beurt de griffier verwittigt zodra de consignatie heeft plaatsgehad.
  Van deze consignatie maakt de griffier melding op de kant van de minuut van de beslissing.
  ----------
  (1)<W 2016-07-01/01, art. 94, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2017. Zie ook art. 108>

  Art. 685. Elke beslissing waarbij rechtsbijstand wordt verleend, wijst de openbare of ministeriële ambtenaren aan die hun dienst moeten verlenen.

  Art. 686. Bij de aanvang van ieder gerechtelijk jaar maken de tuchtkamers van notarissen en van gerechtsdeurwaarders van het rechtsgebied een lijst op om de verdeling van de zaken onder de notarissen en de deurwaarders te regelen en zij zenden deze lijst aan de bureaus van eerste aanleg en van hoger beroep.

  HOOFDSTUK IV. - Hoger Beroep. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 5; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 687. De dossiers betreffende de aanvragen om rechtsbijstand kunnen, naar gelang van het geval, aan een gemachtigde van de kamer van gerechtsdeurwaarders of aan een gemachtigde van de kamer van notarissen voor onderzoek worden voorgelegd, welke kamers een nota bij het dossier kunnen voegen. Die mededeling mag echter geen oorzaak zijn van vertraging in de behandeling van de zaken.

  Art. 688. (Tegen de beslissingen van de vrederechters, van de politierechtbanken en van de bureaus voor rechtsbijstand van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel kan hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker.) <W 2006-07-01/72, art. 24, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  De procureur-generaal bij het hof van beroep kan de beslissingen van het bureau in hoger beroep naar het Hof van Cassatie verwijzen, doch uitsluitend wegens overtreding van de wet.

  Art. 689. <W 2006-07-01/72, art. 25, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006> Hoger beroep wordt, op straffe van verval, binnen een maand na de kennisgeving van de uitspraak ingesteld bij een schriftelijk verzoek, dat bij de griffie van het gerecht in hoger beroep wordt ingediend. Dit verzoek is aan geen andere formaliteiten onderworpen dan de vermelding van de redenen, die op straffe van nietigheid is voorgeschreven.
  De rechtspleging die is bepaald in artikel 678 wordt gevolgd.

  Art. 690. Voorziening in cassatie wordt ingesteld bij een verklaring, die binnen tien dagen na de uitspraak ter griffie van het Hof van Cassatie wordt afgelegd, met redenen omkleed moet zijn en binnen tien dagen na de dagtekening ervan aan (de verzoeker) moet worden betekend, alles op straffe van nietigheid. <W 2006-07-01/72, art. 26, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  De betekening geschiedt met dagvaarding om op de bepaalde dag te verschijnen vóór het Hof van Cassatie.
  De regels in strafzaken moeten worden in acht genomen.

  HOOFDSTUK V. - Kosten. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 6; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 691. Indien (de verzoeker) de taal niet verstaat, die wordt gebruikt voor het bureau in eerste aanleg of in hoger beroep, is in alle delen van het land de tussenkomst van een tolk verplicht. Deze kosten komen ten laste van het Rijk. <W 2006-07-01/72, art. 27, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 692. De reis- en verblijfkosten van de magistraten, openbare of ministeriële ambtenaren, de kosten en het ereloon van de deskundigen, het getuigengeld, overeenkomstig de regels in de hoofdstukken betreffende het deskundigenonderzoek en het getuigenverhoor gesteld, (de kosten en het ereloon van de bemiddelaar in het kader van een gerechtelijke of vrijwillige bemiddeling die geleid wordt door een bemiddelaar die erkend is door de in artikel 1727 bedoelde commissie), de kosten van opneming in de nieuwsbladen, wanneer de wet zulks voorschrijft of de rechter daartoe verlof geeft, de uitgaven en een vierde van het loon van de gerechtsdeurwaarders, alsmede de uitgaven van de andere openbare of ministeriële ambtenaren worden, ter ontlasting van hem die bijstand geniet, voorgeschoten op de wijze bepaald in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. <W 2005-02-21/36, art. 4, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
  (De reiskosten gemaakt door hem die rechtsbijstand geniet wanneer zijn fysieke aanwezigheid ter terechtzitting bij de wet of door de rechter geboden is, worden, te zijner ontlasting, voorgeschoten op de wijze bepaald in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
  Hetzelfde geldt voor de kosten voor het tolken, indien de vreemdeling de taal van de rechtspleging niet begrijpt.
  Op dezelfde wijze zullen de kosten voor het vertalen van de stukken gevraagd door de wet of door de rechter voorgeschoten worden ter ontlasting van de vreemdeling, bedoeld in vorig lid.) <W 2006-07-01/72, art. 28, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  De Koning stelt zo nodig regels omtrent de toepassing van dit artikel.

  Art. 692bis. <Ingevoegd bij W 2006-07-20/39, art. 13; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De kosten en het ereloon van de technisch adviseurs die de partijen bijstaan bij door de rechter bevolen deskundigenonderzoeken worden, ter ontlasting van hem die bijstand geniet, voorgeschoten.
  De Koning bepaalt zo nodig het bedrag van deze kosten en dit ereloon en stelt regels vast volgens welke zij worden begroot, betaald en in voorkomend geval geïnd.

  HOOFDSTUK VI. - Verhaal door de Staat. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 7; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 693. De emolumenten en het ereloon van de openbare en ministeriële ambtenaren, met uitzondering van een vierde van het loon van de gerechtsdeurwaarders, de in debet vereffende rechten en geldboeten en de door [1 de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen]1 gedane voorschotten kunnen in alle gevallen worden verhaald op hem die rechtsbijstand heeft genoten, indien uitgemaakt wordt dat zich in zijn vermogen, [2 bestaansmiddelen]2 of lasten een wijziging heeft voorgedaan sedert de beslissing waarbij hem rechtsbijstand is verleend, en hij derhalve in staat is te betalen.
  Dat verhaal kan bovendien hoofdelijk op de tegenpartij worden uitgeoefend, indien deze in de kosten veroordeeld is of indien in de loop van het geding een dading is aangegaan.
  ----------
  (1)<W 2016-07-01/01, art. 95, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2017. Zie ook art. 108>
  (2)<W 2016-07-06/01, art. 18, 146; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 694. [1 Indien de tegenpartij van diegene die rechtsbijstand geniet, in de kosten wordt veroordeeld, doet de griffier binnen een maand aan de bevoegde ontvanger van de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen een uittreksel uit het vonnis toekomen.
   In geval van dading zijn de partijen ertoe gehouden bij een aangetekende brief aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen mee te delen dat het geschil beëindigd is. Deze mededeling moet geschieden binnen zestig dagen nadat de overeenkomst getroffen is. Bij gebreke daarvan wordt aan elke partij een administratieve geldboete van ten minste vijftig euro opgelegd, welke kan worden gebracht op het dubbele van de gerechtskosten, door de administratie voorgeschoten.]1
  ----------
  (1)<W 2016-07-01/01, art. 96, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2017. Zie ook art. 108>

  Art. 695.[2 De Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen verhaalt de eraan verschuldigde gelden overeenkomstig de artikelen 3 en volgende van de domaniale wet van 22 december 1949.]2
  [2 ...]2.
  Wanneer het gaat om een faillissement waarvan het actief onvoldoende is om de kosten van de rechtspleging te dekken, dan worden de kosten en rechten in de volgende orde terugbetaald:
  1° de voorschotten van de Staat;
  2° de erelonen van de [1 curatoren]1 en de openbare of ministeriële ambtenaren;
  3° de aan de Staat verschuldigde rechten.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/09, art. 29, 129; Inwerkingtreding : 18-07-2014>
  (2)<W 2016-07-01/01, art. 97, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2017. Zie ook art. 108>

  Art. 696. Het voorschot, overeenkomstig artikel 669 gestort door hem die rechtsbijstand geniet, wordt gebruikt voor de betaling van de kosten en erelonen verschuldigd aan de gerechtsdeurwaarders, notarissen, deskundigen (, de bemiddelaars die erkend zijn door de in artikel 1727 bedoelde commissie) en getuigen, naar de tijdsorde van de onderscheiden werkzaamheden. Blijft er van het voorschot bij afloop van het geding nog een deel over, dan wordt dit, na betaling van alle aan de schatkist toekomende rechten, teruggegeven aan hem die de bijstand heeft genoten, op overlegging van het bewijs dat het geding ten einde is. <W 2005-02-21/36, art. 5, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>

  Art. 697. De rechtsvordering tot verhaal van de aan de schatkist verschuldigde sommen verjaart door verloop van dertig jaren, te rekenen van de dag der registratie wanneer het in debet vereffende rechten betreft, en te rekenen van de dag waarop [1 de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen de betaling heeft gedaan, wanneer het voorschotten van deze administratie betreft]1.
  ----------
  (1)<W 2016-07-01/01, art. 98, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2017. Zie ook art. 108>

  HOOFDSTUK VII. - Intrekking. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 8; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 698. Zolang de zaak niet ten einde is, kan de rechtsbijstand worden ingetrokken, indien hij alleen verkregen is op grond van onjuiste verklaringen of indien het gevorderde bij de akte van rechtsingang verschilt van wat in het verzoekschrift om rechtsbijstand is gevraagd.
  De vordering tot intrekking kan uitgaan van elke partij in het geding en van het openbaar ministerie. Zij wordt ingesteld bij een met redenen omkleed verzoekschrift en betekend met dagvaarding om op een bij beschikking te bepalen dag te verschijnen voor de rechtbank waarvoor het geschil aanhangig is. De partijen dienen in persoon te verschijnen indien de rechter het beveelt.
  Deze kan, indien hij het geraden acht, de vordering voor nadere inlichtingen zenden aan het bureau dat de bijstand heeft verleend. Hij gelast zodanige onderzoeksmaatregelen als hij dienstig oordeelt, en doet in laatste aanleg uitspraak over de vordering tot intrekking.
  De door de Staat voorgeschoten kosten, de voorlopig niet-geïnde rechten, de emolumenten en het ereloon van de openbare en ministeriële ambtenaren, behalve het reeds betaalde deel van het gerechtsdeurwaardersloon, kunnen onmiddellijk worden geëist van de partij aan wie de rechtsbijstand ontnomen is.

  Art. 699. Hij die door bewust onjuiste verklaringen of door andere bedrieglijke middelen rechtsbijstand verkrijgt of tracht te verkrijgen zonder recht erop te hebben, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van 100 F tot 5 000 F, of met een van die straffen alleen.
  Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op deze misdrijven.

  HOOFDSTUK VIII. - Grensoverschrijdende geschillen bedoeld in richtlijn 2003/8/EG. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 9; Inwerkingtreding : 10-08-2006>

  Art. 699bis. <ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 10; Inwerkingtreding : 10-08-2006> Artikel 508/24 is van overeenkomstige toepassing op de grensoverschrijdende geschillen in de zin van richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen.

  Art. 699ter.<ingevoegd bij W 2006-07-01/72, art. 11; Inwerkingtreding : 10-08-2006> De persoon die niet over ontoereikende [1 bestaansmiddelen]1 beschikt in de zin van artikel 667, kan evenwel rechtsbijstand genieten indien hij het bewijs levert dat hij de kosten niet kan dragen als gevolg van de verschillen in de kosten van levensonderhoud tussen de lidstaat waar hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft en België.
  ----------
  (1)<W 2016-07-06/01, art. 18, 146; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  BOEK II. _ GEDING.

  EERSTE TITEL. _ Instelling van de vordering.

  EERSTE HOOFDSTUK. _ Vorm waarin de hoofdvordering wordt ingesteld.

  Eerste Afdeling. _ Rechtsingang door dagvaarding.

  Art. 700. Hoofdvorderingen worden (op straffe van nietigheid) bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. <W 2007-04-26/71, art. 5, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  (De akten, nietig verklaard wegens overtreding van deze bepaling, stuiten de verjaring alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straf van verval.) <W 2007-04-26/71, art. 5, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>

  Art. 701. Verscheidene vorderingen tussen twee of meer partijen kunnen, indien zij samenhangend zijn, bij een zelfde akte worden ingesteld.

  Art. 702.Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding, op straffe van nietigheid, de volgende opgaven :
  1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de eiser;
  2° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde;
  3° het [1 voorwerp]1 en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
  4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
  5° de plaats, de dag en het uur van de terechtzetting.
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 10, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 703. Rechtspersonen treden in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen.
  Om van hun identiteit te doen blijken in de dagvaarding en in elke akte van rechtspleging is het voldoende hun benaming, hun rechtskarakter en hun maatschappelijke zetel op te geven.
  De partij tegen wie zodanige akte van rechtspleging wordt ingeroepen, heeft evenwel het recht om in elke stand van het geding te eisen dat de rechtspersoon haar de identiteit meedeelt van de natuurlijke personen die zijn organen zijn.
  Het vonnis over de zaak kan worden uitgesteld zolang aan deze vordering niet is voldaan.

  Art. 704. <W 2005-12-13/35, art. 4, 074; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. Voor de arbeidsrechtbank kunnen de hoofdvorderingen ingeleid worden bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034bis tot 1034sexies, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning, de rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift en de procedures die speciaal worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wettelijke bepalingen.
  § 2. In de in de artikelen 508/16, (579, 6°,) 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, 581, 2°, 582, 1° en 2° en 583, opgesomde zaken worden de vorderingen ingeleid bij een verzoekschrift dat ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd wordt of bij aangetekende brief aan die griffie wordt gezonden; de partijen worden door de griffie opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De oproeping vermeldt het voorwerp van de vordering. <W 2006-12-27/30, art. 127, 082; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  De bepalingen van § 1 en van het vierde deel, boek II, titel Vbis, de artikelen 1034bis tot 1034sexies inbegrepen, zijn niet van toepassing.
  § 3. In de in artikel 578 opgesomde zaken kan de werkgever worden gedagvaard of opgeroepen bij verzoekschrift op tegenspraak op de mijn, de fabriek, het werkhuis, het magazijn, het kantoor en in het algemeen op de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep door de werknemer of de werkzaamheid van de vennootschap, de vereniging of de groepering.
  In dit geval mag de dagvaarding of de gerechtsbrief aan een aangestelde van de werkgever of aan een van zijn bedienden worden overhandigd.
  § 4. In de in dit artikel opgesomde zaken kan het verzet evenzeer naargelang van het geval worden gedaan in de vormen bedoeld in § 1 of § 2.

  Art. 705. De Staat wordt gedagvaard aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort (of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar). (Indien het voorwerp van het geschil behoort tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer van volksvertegenwoordigers, wordt de Staat, vertegenwoordigd door de Senaat of de Kamer van volksvertegenwoordigers, gedagvaard aan de griffie van de betrokken assemblee.) <W 1999-03-23/30, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 06-04-1999> <W 2003-05-26/34, art. 4, 066; Inwerkingtreding : 26-07-2003>
  De minister die in de zaak betrokken is mag niet betwisten dat het voorwerp van het geschil tot de bevoegdheid van zijn departement behoort, tenzij hij tevens de betrokken minister (of Wetgevende Kamer) in zijn plaats stelt, hetgeen geschiedt bij eenvoudige conclusie. (De Wetgevende Kamer die in de zaak betrokken is, mag niet betwisten dat het voorwerp van het geschil tot haar bevoegdheid behoort, tenzij zij tevens de betrokken minister of Wetgevende Kamer in haar plaats stelt, hetgeen geschiedt bij eenvoudige conclusie.) <W 2003-05-26/34, art. 4, 066; Inwerkingtreding : 26-07-2003>
  Behalve in spoedeisende gevallen kan de rechter niettemin aan de Staat uitstel verlenen om hem te laten uitmaken welke minister (of welke Wetgevende Kamer) bevoegd is en om hem in zijn verweer te laten voorzien. Die termijn mag niet langer zijn dan een maand. <W 2003-05-26/34, art. 4, 066; Inwerkingtreding : 26-07-2003>
  De rechter kan beslissen dat de kosten van dagvaarding ten aanzien van de Staat, indien deze op onregelmatige wijze vertegenwoordigd is, niet zullen worden begroot.
  De rechtspleging wordt voortgezet op de oorspronkelijk aan de Staat betekende dagvaarding, met dien verstande dat voor het overige alle rechten en excepties onverkort blijven.

  Afdeling II. - Vrijwillige verschijning.

  Art. 706.<W 2006-07-10/39, art. 11, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)> De vordering kan voor de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, de vrederechter of de politierechtbank, worden ingesteld bij gezamenlijk verzoekschrift van de partijen die het op straffe van nietigheid hebben ondertekend en gedagtekend.
  Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie of per aangetekende brief aan de griffie gericht.
  De neerlegging van het verzoekschrift ter griffie of de verzending per aangetekende brief geldt als betekening.
  Het verzoekschrift wordt op de rol ingeschreven nadat, in voorkomend geval, de rolrechten zijn betaald.
  Ingeval de partijen of een van hen in het verzoekschrift daarom verzoeken, of wanneer de rechter het noodzakelijk acht, bepaalt deze laatste een zitting binnen vijftien dagen te rekenen van de neerlegging van het verzoekschrift. De partijen en, in voorkomend geval, hun raadsman worden dan door de griffier opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt bij gewone brief.

  HOOFDSTUK II. _ Termijnen van dagvaarding.

  Art. 707. De gewone termijn van dagvaarding voor hen die hun woon- of verblijfplaats hebben in België, is acht dagen.
  Hetzelfde geldt :
  1° wanneer de dagvaarding in België aan de gekozen woonplaats wordt betekend;
  2° wanneer de persoon ter kennis van wie de dagvaarding wordt gebracht, geen bekende woon- of verblijfplaats heeft in België of in het buitenland;
  3° wanneer een dagvaarding aan een partij die haar woonplaats heeft in het buitenland, wordt betekend aan haar persoon in België.

  Art. 708.In spoedeisende gevallen kan de vrederechter [1 , de voorzitter van de rechtbank of de familie- en jeugdrechtbank]1 waarvoor een zaak moet worden gebracht, op een door een advocaat of een gerechtsdeurwaarder ingediend en door hen ondertekend verzoekschrift een beschikking geven om de termijnen te verkorten, en zelfs, indien daartoe grond bestaat, verlof verlenen om binnen dezelfde dag en op het gestelde uur te dagvaarden.
  Op verzoekschriften evenwel die tot de rechtbank worden gericht, na de toewijzing van de zaak aan een kamer en in de loop van de behandeling, wordt beschikt door de voorzitter van die kamer.
  (Dit artikel is van toepassing op het verzoekschrift op tegenspraak.) <W 1992-08-03/31, art. 13, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 148, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 709. Voor hen die noch woonplaats, noch verblijfplaats noch gekozen woonplaats hebben in België, wordt de termijn verlengd zoals bepaald is in artikel 55, behalve wanneer de dagvaarding aan hun persoon in België is betekend.

  Art. 710. De termijnen van dagvaarding zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.
  Dezelfde regel is van toepassing op de andere vormen van oproeping die de wet bepaalt.

  HOOFDSTUK III. _ Rol en inschrijving op de rol.

  Eerste Afdeling. _ Rol van de zaken.

  Art. 711.Op de [1 ieder griffie]1 wordt een algemene rol gehouden, waarop iedere zaak in volgorde van binnenkomst wordt ingeschreven.
  Iedere inschrijving krijgt een volgnummer en vermeldt:
  1° de naam van de partijen;
  2° de naam van hun raadsman;
  3° de dagtekening en in voorkomend geval de kamer waar de zaak is aangebracht en die waaraan zij is toegewezen;
  4° het recht dat bij de inschrijving geïnd is;
  5° in voorkomend geval het gerecht dat de beslissing heeft gewezen waartegen voorziening wordt ingesteld en de datum van die beslissing;
  6° de datum van beslissing.
  
  (NOTA : vervangen door W 2006-07-10/39, art. 12, 078; Inwerkingtreding : : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 6° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016>
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/14, art. 78, 148; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 712.[1 De vorderingen in kort geding, de vorderingen op verzoekschrift en de overeenkomstig artikel 1675/4 ingeleide vorderingen op verzoekschrift worden op bijzondere rollen ingeschreven.]1
  ----------
  (1)<Hersteld bij W 2012-02-15/04, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  
  (NOTA : opgeheven door W 2006-07-10/39, art. 27, 1°, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 10° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 713.Het eerste en het laatste blad van de algemene rol worden als zodanig gemerkt door de vrederechter, de voorzitter van de rechtbank of de eerste voorzitter van het hof naar gelang van het geval, en alle bladen worden door hem geparafeerd.
  
  (NOTA : vervangen door W 2006-07-10/39, art. 13, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 7° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016)

  Art. 714. De griffier van iedere kamer houdt de bijzondere rol van de zaken die haar zijn toegewezen.
  De zaken waarvoor de dagbepaling wordt aangevraagd, zelfs door een partij, worden geplaatst op de rol van de zittingen der kamer.

  Art. 715. Er is een bijzondere rol voor de vakantiekamers.

  Afdeling II. _ Inschrijving op de rol.

  Art. 716.De zaken worden op de algemene rol ingeschreven uiterlijk de dag vóór de zitting waarvoor de dagvaarding is gedaan.
  De zaak kan niet op de algemene rol worden ingeschreven wanneer die termijn verstreken is.
  Wanneer er echter gegronde redenen zijn, kan de vrederechter of de voorzitter van de kamer de zaak laten inschrijven op de dag van de zitting, voor zover dit wordt verzocht vóór het begin van de zitting.
  De inschrijving geschiedt op verzoek van de optredende gerechtsdeurwaarder, van de belanghebbende partijen, van hun advocaat of van een gemachtigde.
  
  (NOTA : vervangen door W 2006-07-10/39, art. 15, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016)

  Art. 717.Indien de zaak niet ingeschreven is op de algemene rol voor de zitting die aangegeven is in de dagvaarding, is deze van gener waarde.
  
  (NOTA : vervangen door W 2006-07-10/39, art. 15, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016)

  Art. 718.<W 2006-07-10/39, art. 14, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)> De inschrijving op de rol geschiedt op overlegging van het origineel of van een door de gerechtsdeurwaarder eensluidend verklaard afschrift, of in voorkomend geval van het betekende afschrift van het exploot van dagvaarding.

  Art. 719.De algemene rol is openbaar.
  
  (NOTA : vervangen door W 2006-07-10/39, art. 15, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016)

  HOOFDSTUK IV. _ Dossier van de rechtspleging.

  Art. 720.Voor iedere zaak die op de algemene rol is ingeschreven, wordt een dossier aangelegd.
  De griffier schrijft op de omslag van het dossier de datum van de inschrijving op de rol en het volgnummer van de zaak.
  
  (NOTA : vervangen door W 2006-07-10/39, art. 15 en 27, 2°, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° et 10° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016)

  Art. 721.<W 2006-07-10/39, art. 16, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)> Het dossier bevat onder meer :
  1° de akten van rechtsingang of van voorziening en hun bijlagen of, bij gebrek van de originelen, de betekende afschriften van die akten of de eensluidend verklaarde afschriften;
  2° de kennisgevingen, aanmaningen, conclusies en memories van de partijen evenals het afschrift van de brief waarbij de toezending van de stukken wordt gemeld, in het geval van artikel 737, tweede lid;
  3° de processen-verbaal van de zitting of van de onderzoeksmaatregelen die in de zaak bevolen zijn en in het algemeen alle door de rechter opgemaakte akten;
  4° de akte waarin de beëdiging van de deskundige wordt vastgesteld;
  5° de verslagen opgemaakt ter uitvoering van de beslissingen van de rechter;
  6° het advies van het openbaar ministerie;
  7° [1 het door de griffier eensluidend verklaarde afschrift van de beslissingen die in de zaak zijn gewezen;]1
  8° de akte van volmacht, bedoeld in artikel 728, §§ 2, 2bis en 3;
  9° de inventaris van de stavingstukken van iedere partij;
  10° het ontvangstbewijs van neerlegging van de geïnventariseerde stavingstukken.
  Deze stukken worden door de griffier in het dossier gevoegd op de dag dat zij worden neergelegd.
  Bij het dossier wordt een inventaris van de stukken gevoegd, die door de griffier wordt bijgehouden en waarin de datum van neerlegging van die stukken wordt vermeld.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 22, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 722.Ingeval het dossier aan een andere rechter moet worden voorgelegd, wordt het door de griffier gezonden aan de griffier van de rechter voor wie de zaak aanhangig wordt gemaakt. [1 Ingeval het dossier is opgenomen in een dossier zoals bedoeld in artikel 725bis wordt het samen met dit dossier overgezonden.]1
  Is er een beslissing gewezen, dan wordt een afschrift daarvan gevoegd bij het door te zenden dossier.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 149, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 723. <W 1990-05-03/34, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 1990-07-03>
  § 1. Indien tegen de gewezen beslissing een voorziening bij een hogere rechtsmacht wordt ingesteld, verzoekt de griffier van deze rechtsmacht, binnen vijf dagen na de inschrijving van de zaak op de rol, de griffier die het dossier van de rechtspleging onder zich heeft, hem dit binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek toe te zenden. De Minister van Justitie bepaalt op welke wijze het dossier wordt overgezonden.
  § 2. De bij akte van gerechtsdeurwaarder ingestelde voorziening tegen een beslissing waarvan het beschikkende gedeelte, om gevolg te hebben, binnen een door de wet bepaalde termijn in de registers van de burgerlijke stand dient te worden overgeschreven, wordt binnen vijf dagen, na de dag waarop de voorziening is ingesteld, bij akte van gerechtsdeurwaarden ter kennis gebracht van de griffier van de rechtsmacht die de bestreden beslissing heeft gewezen, op straffe van verval indien de laattijdige kennisgeving aanleiding gaf tot overschrijving van de beslissing in de registers van de burgerlijke stand.
  § 3. Van de bij verzoekschrift ingestelde voorziening bij een hogere rechtsmacht wordt samen met het in § 1 bedoelde verzoek tot toezending een afschrift overgemaakt aan de griffier die het dossier van de rechtspleging onder zich heeft. Deze maakt op de kant van de beslissing melding van het ingestelde beroep.

  Art. 724. Wanneer de rechter in hoger beroep uitspraak heeft gedaan en geen voorziening in cassatie is ingesteld, wordt het dossier teruggezonden aan de griffier van de rechter voor wie de zaak in eerste aanleg aanhangig was.
  Dit geldt eveneens wanneer het Hof van Cassatie de voorziening verwerpt of de beslissing vernietigt zonder verwijzing.

  Art. 725. Iedere partij kan zich een eensluidend verklaard afschrift van de stukken doen afgeven door de griffier die het dossier onder zich heeft.
  De rechter bepaalt de kosten van afschrift die voor begroting in aanmerking komen.

  Art. 725bis. [1 § 1. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk worden de bij de familierechtbank ingediende vorderingen tussen partijen die ofwel samen een minderjarig kind hebben, ofwel gehuwd zijn of waren, ofwel wettelijk samenwonenden zijn of waren, samengevoegd in één dossier, dat het familiedossier wordt genoemd.
   Worden ook bij het in het eerste lid bedoelde familiedossier gevoegd, de zaken met betrekking tot een kind waarvan de afstamming slechts ten aanzien van één ouder is vastgesteld, alsook de zaken met betrekking tot het in artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde persoonlijk contact.
   § 2. Het familiedossier wordt geopend vanaf de eerste vordering die bij de familierechtbank wordt ingesteld.
   Onverminderd de volgnummers die overeenkomstig artikel 720 aan alle zaken worden toegekend, wordt een specifiek nummer aan het familiedossier toegekend. Dit nummer wordt vermeld op alle akten van rechtsingang, besluiten en andere stukken van het dossier.
   Onverminderd de bepalingen van artikel 721, bevat het familiedossier alle opeenvolgende zaken betreffende dezelfde partijen en hun huidige of toekomstige gemeenschappelijke kinderen.
   In geval van verwijzing van een familierechtbank naar een andere, wordt het volledige familiedossier onverwijld overgedragen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 150, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  HOOFDSTUK V. - Verdeling van de zaken.

  Art. 726. Wanneer een zaak op de rol van een kamer voor de inleiding van zaken gebracht is en op de inleidende zitting niet aangehouden wordt of niet tot een bepaalde dag uitgesteld wordt om te worden behandeld en berecht, wordt zij, indien daartoe grond bestaat, door de voorzitter van de rechtbank toegewezen aan een andere kamer.

  HOOFDSTUK VI. - Verschijning van de partijen na dagvaarding.

  Art. 727.Op de dag in de dagvaardingen gesteld roept de griffier bij de opening van de zitting de zaken af in de volgorde waarin zij op de algemene rol zijn ingeschreven.
  
  (NOTA : opgeheven door W 2006-07-10/39, art. 15, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20) opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 728.<W 24-12-1980, enig artikel> § 1. Op het ogenblik van de rechtsingang en later dienen de partijen in persoon of bij advocaat te verschijnen.
  § 2. Voor de vrederechter, de rechtbank van koophandel en de arbeidsgerechten mogen de partijen ook vertegenwoordigd worden door hun echtgenoot [1 , hun wettelijk samenwonende]1 of een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht en speciaal door de rechter toegelaten.
  (§ 2bis. Op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn advocaat, ingediend bij conclusie, kan de rechter de door de belastingplichtige gekozen accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor horen in zijn schriftelijke of mondelinge toelichting ter terechtzitting. Het oproepen van de accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor staat ter beoordeling van de rechter, die onderzoekt of het opportuun is in deze zaak raad in te winnen over elementen die slechts betrekking kunnen hebben op feiten of op rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.
  Onder de in het vorige lid bedoelde accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor wordt verstaan de persoon die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige of die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belastingaangifte of die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de administratieve bezwaarprocedure.) <W 1999-03-23/30, art. 8, 043; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  § 3. Voor de arbeidsgerechten mag bovendien de afgevaardigde van een representatieve organisatie van arbeiders of bedienden die een schriftelijke volmacht heeft, de arbeider of bediende, partij in het geding, vertegenwoordigen, in zijn naam alle handelingen verrichten die bij deze vertegenwoordiging behoren, pleiten en alle mededelingen ontvangen betreffende de behandeling en de berechting van het geschil.
  Voor dezelfde gerechten mag, op dezelfde wijze, de zelfstandige arbeider, in geschillen betreffende zijn eigen rechten en verplichtingen in die hoedanigheid of in de hoedanigheid van minder-valide, vertegenwoordigd worden door de afgevaardigde van een representatieve organisatie van zelfstandigen.
  (Bij de geschillen voorzien in artikel 580, 8°, c (inzake het bestaansminimum en het recht op maatschappelijke integratie) en in artikel 580, 8°, d, inzake de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, inzake de betwistingen betreffende de toekenning van maatschappelijke dienstverlening, de herziening, de weigering, de terugbetaling door de rechthebbende, en de toepassing van de administratieve sancties bepaald door de wetgeving ter zake, mag de betrokkene zich bovendien doen bijstaan of vertegenwoordigen door een afgevaardigde van een maatschappelijke organisatie die zich over de groep van de in de desbetreffende wetgeving bedoelde personen ontfermt.) <W 1993-01-12/34, art. 19, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01> <W 2002-05-26/47, art. 48, 058; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  In diezelfde geschillen, verschijnt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bij monde hetzij van een advocaat, hetzij van een door dit centrum afgevaardigd effectief lid of personeelslid; de Minister tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort, kan zich laten vertegenwoordigen door een ambtenaar tot wiens bevoegdheid het openbare welzijn behoort, kan zich laten vertegenwoordigen door een ambtenaar
  § 4. Zaakwaarnemers mogen niet als gevolmachtigden optreden.
  (§ 5. In het geval bedoeld in artikel 1322quinquies lid 1 kan de verzoeker worden vertegenwoordigd door het openbaar ministerie.) <W 1998-08-10/A2, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 04-05-1999>
  ----------
  (1)<W 2015-07-17/58, art. 2, 139; Inwerkingtreding : 06-09-2015>

  Art. 729.<W 2007-04-26/71, art. 6, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> Wanneer de zaak bij de inleiding niet van die aard is dat ze kan worden gepleit, kunnen de advocaten van de partijen, in onderlinge overeenstemming, de in artikel 728 voorgeschreven verschijning vervangen door schriftelijk te verklaren dat zij in de zaak optreden en, in de mate van het mogelijke, hun standpunt toelichten inzake de instaatstelling van de zaak. Deze verklaring wordt vooraf aan de griffie gericht. Dit wordt vermeld op (het [1 zittingsblad]1).
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 30, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 729/1. [1 De advocaat die optreedt voor een partij die voordien geen advocaat had, de advocaat die een andere advocaat opvolgt en de advocaat die ophoudt voor een partij op te treden zonder te worden opgevolgd door een ander advocaat, geven daarvan onverwijld bij gewone brief kennis aan de griffie.
   Die kennisgeving heeft uitwerking vanaf het ogenblik waarop ze wordt ontvangen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-10-19/01, art. 11, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>
  

  Art. 730.<W 1993-11-25/30, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 1993-11-30> § 1. Een zaak kan op de algemene rol worden doorgehaald met instemming van partijen.
  Een zaak die op de is doorgehaald kan alleen door een nieuwe dagvaarding weer op de rol worden gebracht, behoudens het recht van de partijen om vrijwillig te verschijnen.
  § 2. a) Elk jaar wordt, binnen de eerste vijftien dagen van de maand december, door de voorzitters van de hoven en de rechtbanken een oproeping gehouden van alle zaken die sinds meer dan drie jaar op de rol zijn ingeschreven en waarvan de debatten geen aanvang hebben genomen of die sinds meer dan drie jaar niet zijn voortgezet. De lijst van de aldus opgeroepen zaken, wordt een maand tevoren aangeplakt aan de deur van de zittingszaal of ter inzage van de partijen en hun advocaten, neergelegd ter griffie.
  Alle zaken waarvoor geen verzoek tot handhaving op de algemene rol is gedaan, worden ambtshalve weggelaten. [1 ...]1.
  Een zaak die van de algemene rol werd weggelaten, kan terug ingeschreven worden op verzoek van de meest gerede partij.
  b) Indien bij de behandeling blijkt dat een zaak abnormaal lang aansleept, kan de zaak ambtshalve van de zittingsrol [1 of van de algemene rol]1 worden weggelaten.
  Een zaak die van de zittingsrol [1 of van de algemene rol]1 is weggelaten, kan door de meest gerede partij alsnog op de rol worden gebracht zonder andere formaliteiten dan een verzoek aan de voorzitter van de kamer.
  In dat geval echter kan ten aanzien van een partij geen verstekvonnis worden gewezen, indien de griffier haar geen kennis heeft gegeven van dag en uur van de zitting waarop verstek zal worden gevorderd. Deze kennisgeving geschiedt bij gerechtsbrief ten minste vijftien dagen vóór de zitting. Indien blijkt dat de kennisgeving de partij niet bereikt heeft ten gevolge van een omstandigheid die niet aan haar te wijten is, kan de rechter bevelen dat deze door een gerechtsdeurwaarder zal worden gedagvaard.
  § 3. Weglating van de rol doet noch het recht noch het geding vervallen. Doorhaling doet het geding vervallen.
  
  (NOTA : gewijzigd door W 2006-07-10/39, art. 15, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 16), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016)
  ----------
  (1)<W 2012-07-16/04, art. 3, 117; Inwerkingtreding : 13-08-2012>

  TITEL II. _ Behandeling en berechting van de vordering.

  HOOFDSTUK I. _ Minnelijke schikking.

  Art. 731.(Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn,) op verzoek van een partij of met beider instemming vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is om in eerste aanleg ervan kennis te nemen. <W 2005-02-21/36, art. 6, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
  [1 In familiezaken kunnen de zaken ook met het oog op een verzoening worden voorgelegd aan de kamer voor minnelijke schikking van de familierechtbank, dan wel aan de familiekamers van het hof van beroep. Dat kan ook het geval zijn wanneer de zaak bij een andere familiekamer aanhangig is, op voorwaarde dat de kamer voor minnelijke schikking bij machte is een zitting te houden op een eerdere datum.]1
  Behoudens in de gevallen bij de wet bepaald, kan de poging tot minnelijke schikking niet verplicht worden gesteld.
  [1 In familiezaken moet de familierechtbank de partijen tijdens de inleidende zitting inlichten over de mogelijkheid hun geschil te beslechten via verzoening, bemiddeling of elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten.
   [2 Op verzoek van de partijen of indien hij het opportuun acht, beveelt de rechter de doorverwijzing van de zaak naar de kamer voor minnelijke schikking van dezelfde rechtbank, middels eenvoudige vermelding op het proces-verbaal van de zitting. Binnen drie dagen na die beslissing zendt de griffier het dossier over aan de griffier van de kamer voor minnelijke schikking waarnaar de zaak werd doorverwezen. De griffier van de kamer voor minnelijke schikking roept de partijen bij gerechtsbrief op om te verschijnen op de dag, plaats en uur van de zitting van de kamer van minnelijke schikking waarop de zaak zal worden opgeroepen.]2
   Indien geen overeenkomst of slechts een gedeeltelijke overeenkomst wordt getroffen, verwijst de kamer voor minnelijke schikking, [2 volgens dezelfde formaliteiten als bepaald in het voorgaande lid]2 van het Gerechtelijk Wetboek, het dossier naar de familiekamer waarbij het dossier werd ingeleid.
   De partijen of de magistraat hebben gedurende het gehele geding de mogelijkheid te vragen dat hun zaak naar de kamer voor minnelijke schikking wordt verwezen.
   In elke stand van het geding worden, indien een gehele of gedeeltelijke overeenkomst tot stand komt, de bewoordingen ervan opgetekend in het proces-verbaal waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging, tenzij de partijen om toepassing van artikel 1043 verzoeken.
   Alles wat er wordt gezegd of geschreven tijdens de zittingen van minnelijke schikking is vertrouwelijk.
   Zowel de partijen als de [2 rechter bij de kamer voor minnelijke schikking]2 kunnen te allen tijde een einde stellen aan de procedure van minnelijke schikking.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 151, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 66, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 732. Indien een van hen het, zelfs mondeling, verzoekt, worden de partijen bij gewone brief van de griffier opgeroepen om binnen de gewone termijn van dagvaarding te verschijnen op dag en uur door de rechter bepaald.

  Art. 733. Van het verschijnen tot minnelijke schikking wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien een schikking tot stand komt, worden de bewoordingen ervan opgetekend in het proces-verbaal, waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging.

  Art. 734.Elk debat voor de arbeidsrechtbank, betreffende een van de vorderingen genoemd (in artikel 578), moet, op straffe van nietigheid, worden voorafgegaan door een poging tot minnelijke schikking die op (het [1 zittingsblad]1) wordt aangetekend. <W 12-05-1971, art. 6> <W 2006-07-10/39, art. 24, 078; Inwerkingtreding : : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>
  Indien partijen niet tot verzoening komen, wordt daarvan melding gemaakt in het vonnis.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 30, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  HOOFDSTUK Ibis. - Bemiddeling in familiezaken. (Opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 22, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>

  Art. 734bis. (Opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 22, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>

  Art. 734ter. (Opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 22, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>

  Art. 734quater. (Opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 22, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>

  Art. 734quinquies. (Opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 22, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>

  Art. 734sexies. (Opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 22, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>

  HOOFDSTUK II. _ Behandeling en berechting op tegenspraak.

  Eerste afdeling. _ Behandeling ter inleidende zitting.

  Art. 735.<W 1992-08-03/31, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Ten aanzien van iedere verschijnende partij worden de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, behandeld op de inleidende zitting of verdaagd opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, voor zover daartoe een met redenen omkleed verzoek is gedaan in de akte van rechtsingang of door de verwerende partij.
  § 2. De zaken worden in korte debatten behandeld ingeval de partijen daarmede akkoord gaan. De rechter houdt de zaak op de inleidingszitting aan of verwijst ze opdat er op een nabije datum over wordt gepleit, waarbij hij de duur van de debatten bepaalt.
  (Behoudens akkoord van de partijen zal het geding op grond van de voor de korte debatten voorziene procedure worden behandeld in de volgende gevallen :
  - de invordering van de niet betwiste schuldvorderingen;
  - de vorderingen bedoeld in artikel 19, tweede lid;
  - de taalwijzigingen als geregeld in artikel 4 van de wet van 15 juni 1935;
  - de regeling van geschillen van bevoegdheid;
  - de vorderingen om uitstel van betaling.) <W 2007-04-26/71, art. 7, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  § 3. In de zaken bedoeld in de §§ 1 en 2, kan het vonnis worden gewezen zelfs indien er geen conclusies zijn neergelegd.
  Wanneer de partijen conclusies nemen, moeten zij die overhandigen aan de rechter, die ze voor gezien tekent. Van deze neerlegging wordt melding gemaakt op (het [1 zittingsblad]1). <W 2006-07-10/39, art. 24, 078; Inwerkingtreding : : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>
  § 4. De overige zaken worden naar de bijzondere rol verzonden of aan andere kamers toegewezen, zoals is bepaald in artikel 726.
  § 5. De bepalingen van dit artikel gelden onverminderd de regels inzake verstek.
  (Wanneer echter, in geval van onsplitsbaarheid van het geschil, een of meerdere partijen verstek laten gaan en ten minste een partij verschijnt, is dit artikel van toepassing op voorwaarde dat elke niet verschenen partij bij gerechtsbrief door de griffier opgeroepen wordt op een zittingsdag bepaald op een nabije datum, waarop een vonnis op tegenspraak zal kunnen worden gevorderd. De oproeping neemt de tekst van deze paragraaf over.) <W 2007-04-26/71, art. 7, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  § 6. De beslissingen omtrent de rechtspleging in korte debatten zijn niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 30, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Afdeling II. - (Mededeling) van de stukken. <W 2006-07-10/39, art. 17, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)>

  Art. 736.De partijen moeten hun stukken aan elkaar (mededelen), alvorens er gebruik van te maken; anders wordt de rechtspleging ambtshalve geschorst.
  Behoudens in het geval van artikel 735, moet de eiser deze (mededeling) doen binnen acht dagen na de inleiding van de zaak; de verweerder, wanneer hij zijn conclusies overlegt. <W 2006-07-10/39, art. 17, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)>

  Art. 737.<W 2006-07-10/39, art. 18, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)> De mededeling geschiedt door het neerleggen van de stukken ter griffie, waar de partijen er ter plaatse inzage van nemen. De mededeling van de geïnventariseerde stukken kan ook in der minne geschieden.
  Bij elke mededeling van stukken door neerlegging ter griffie wordt een inventaris ter griffie neergelegd.

  Art. 738. (opgeheven) <W 1992-08-03/31, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 739.<W 2006-07-10/39, art. 19, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)> Behoudens wanneer zij elektronisch werden medegedeeld, geven de partijen de stukken terug uiterlijk binnen de termijn die hun is gesteld om conclusie te nemen.

  Art. 740. <W 1992-08-03/31, art. 17, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, vóór de sluiting der debatten zijn overgelegd, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.

  Afdeling III. _ Conclusies.

  Art. 741. In de zaken die op de inleidende zitting niet behandeld zijn, nemen de partijen conclusie op de wijze in deze afdeling bepaald.

  Art. 742.<W 2006-07-10/39, art. 20, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)> De partijen leggen hun conclusies neer ter griffie samen met een inventaris van de medegedeelde stukken.
  Zij ontvangen [1 van deze neerlegging]1 een ontvangstbewijs.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 23, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 743.<W 2006-07-10/39, art. 21, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)> De partijen vermelden in hun conclusie hun naam, voornaam en woonplaats of gerechtelijk elektronisch adres, alsmede het rolnummer van de zaak.
  De rechtspersonen doen blijken van hun identiteit op de bij artikel 703 bepaalde wijze.
  De conclusies worden ondertekend door de partijen of door hun raadsman.er van de zaak op de algemene rol.

  Art. 744.[1 ...]1.
   [1 De conclusies bevatten tevens, achtereenvolgens en uitdrukkelijk:
   1° de uiteenzetting van de voor de beslechting van het geschil pertinente feiten;
   2° de aanspraken van de concluderende partij;
   3° de middelen die worden ingeroepen ter ondersteuning van de vordering of het verweer, waarbij in voorkomend geval verschillende middelen genummerd worden en hun voordracht in hoofdorde of in ondergeschikte orde wordt vermeld;
   4° het gevraagde beschikkende gedeelte van het vonnis, waarbij in voorkomend geval de hoofdorde of ondergeschikte orde van de verschillende onderdelen wordt vermeld.]1
   [1 De in een andere zaak of in een andere aanleg genomen conclusies waarnaar wordt verwezen of waaraan wordt gerefereerd worden niet beschouwd als conclusies in de zin van artikel 780, eerste lid, 3°.]1
  
  (NOTA : opgeheven door W 2006-07-10/39, art. 27, 3°, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20) opgeheven zichzelf door art. 176, 10° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016>
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 12, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 745.Alle conclusies worden aan de tegenpartij of aan haar advocaat gezonden terzelfdertijd als zij ter griffie worden neergelegd.
  (Lid 2 opgeheven).
  
  (NOTA : lid 2 opgeheven door W 2006-07-10/39, art. 27, 4°, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20) opgeheven zichzelf door art. 176, 10° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 746. De neerlegging van de conclusie ter griffie geldt als betekening.

  Art. 747.<W 2007-04-26/71, art. 10, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> § 1. De partijen kunnen op de inleidingszitting en op elke latere zitting onderling conclusietermijnen afspreken.
  De rechter licht de partijen die conclusietermijnen wensen af te spreken in over de vroegste datum waarop een rechtsdag zou kunnen worden bepaald.
  De rechter neemt akte van de conclusietermijnen, bekrachtigt ze en bepaalt de rechtsdag overeenkomstig § 2, derde lid. De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier geeft de partijen en hun advocaten kennis van deze beschikking overeenkomstig § 2, vierde lid.
  § 2. Onverminderd de toepassing van de regels inzake het verstek, kunnen de partijen, afzonderlijk of gezamenlijk, in voorkomend geval in de gedinginleidende akte, aan de rechter en aan de andere partijen hun opmerkingen over de instaatstelling van de zaak bezorgen, uiterlijk binnen de maand na de inleidingszitting. Deze termijn kan door de rechter worden verkort ingeval dat noodzakelijk is of de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt.
  Zij kunnen eveneens in onderlinge overeenstemming afwijken van deze instaatstelling van de zaak en om de verwijzing ervan naar de rol verzoeken en, als de omstandigheden het toelaten, om verdaging tot een bepaalde datum.
  Uiterlijk zes weken na de inleidingszitting, bepaalt de rechter het tijdsverloop van de rechtspleging, in voorkomend geval het akkoord van de partijen bekrachtigend of rekening houdend met de opmerkingen van de partijen. Afhankelijk van de datum van de pleitzitting, die, ingeval de conclusietermijnen door de rechter worden bepaald, uiterlijk drie maanden na de overlegging van de laatste conclusies plaatsvindt, bepaalt de rechter het aantal conclusies en de uiterste datum waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en toegezonden aan de andere partij, alsmede de datum en het uur van de pleitzitting en de duur ervan.
  Tegen de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag staat geen rechtsmiddel open. De rechter kan echter in geval van verzuim of verschrijving in de beschikking van in staat stellen en van bepaling van rechtsdag, deze beschikking ambtshalve dan wel op, zelfs mondeling, verzoek van een partij, verbeteren of aanvullen. De beschikking wordt in het proces-verbaal van de zitting vermeld. De griffier brengt de beschikking bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van hun advocaten, en bij gerechtsbrief van de niet verschenen partij.
  Wanneer de zaak naar de rol is verwezen, of werd verdaagd naar een latere datum, kan iedere partij, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd ter of gezonden aan de griffie, om de instaatstelling van de zaak verzoeken, overeenkomstig het eerste tot het vierde lid. Dit verzoek wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen ter kennis gebracht en, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten. Deze kennisgeving doet de termijnen bepaald in het eerste en het derde lid ingaan.
  Onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§ 1 en 2 bedoelde uitzonderingen, worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de rechtsdag kan de meest gerede partij een vonnis vorderen, dat in ieder geval op tegenspraak gewezen is.
  In geval van onsplitsbaarheid van het geschil en onverminderd de toepassing van artikel 735, § 5, moet deze paragraaf worden toegepast wanneer een of meer partijen verstek laten gaan, terwijl ten minste één partij verschijnt.
  § 3. Voor de rechter in kort geding, voor de voorzitter van de als in kort geding zetelende rechtbank [1 , voor de familierechtbank in het kader van een spoedeisende procedure]1 en voor de beslagrechter bedraagt, in afwijking van de vorige paragrafen, de termijn waarover de partijen beschikken om hun opmerkingen te doen gelden ten hoogste 5 dagen, en de termijn waarbinnen de rechter het tijdsverloop dan wel de instemming daarmee van de partijen aantekent ten hoogste 8 dagen. De rechter kan die termijnen inkorten of afschaffen indien de omstandigheden zulks verantwoorden.
  De griffier geeft uiterlijk de eerste werkdag volgend op die waarop de beschikking werd gewezen, bij gewone brief kennis van de beschikking aan de partijen en in voorkomend geval aan hun advocaat, alsmede bij gerechtsbrief aan de niet verschenen partij, tenzij de partijen hem van die kennisgeving vrijstellen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 152, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 748. <Voorheen art. 747; W 1992-08-03/31, art. 21, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. (In de zaken waarin artikel 735 niet van toepassing is, worden de conclusies neergelegd ter griffie of gezonden aan de tegenpartij na het in artikel 750 bedoelde gezamenlijk verzoek om bepaling van de rechtsdag, ambtshalve uit de debatten geweerd. Dit geldt niet wanneer het conclusies betreft die het verzoek als bedoeld in artikel 808 beogen of die genomen werden met de uitdrukkelijke instemming van de andere partijen.
  Dit artikel blijft van toepassing wanneer de rechter, op verzoek van een van de partijen, verdaging tot een bepaalde datum verleent.) <W 2007-04-26/71, art. 11, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  § 2. Een partij die conclusie heeft genomen, mag ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt.
  Het verzoek wordt gericht aan de rechter door middel van een verzoekschrift waarin het nieuw stuk of feit alsook de invloed ervan op het onderzoek van het geschil nauwkeurig wordt aangegeven. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij diens ontstentenis, door de partij zelf en het wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. (De griffier brengt het bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, aan hun advocaat, en bij gerechtsbrief aan de niet verschenen partij.) <W 2007-04-26/71, art. 11, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  Deze partijen kunnen, binnen vijftien dagen (na deze verzending) van de gerechtsbrief, op dezelfde wijze hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen. <W 2007-04-26/71, art. 11, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  Binnen acht dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in het voorgaande lid, doet de rechter uitspraak op stukken door middel van een beschikking.
  Indien hij de aanvraag inwilligt, bepaalt hij de termijnen om conclusie te nemen (, of een syntheseconclusie moet worden genomen) en wijzigt zo nodig de rechtsdag. Tegen deze beschikkingen staat geen enkel rechtsmiddel open. <W 2007-04-26/71, art. 11, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  De conclusies die (ter griffie zijn neergelegd of aan de andere partij gezonden) na het verstrijken van de termijnen bedoeld in het voorgaande lid, worden ambtshalve uit de debatten geweerd. Op de rechtsdag kan de meest gerede partij een op tegenspraak gewezen vonnis vorderen. <W 2007-04-26/71, art. 11, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>

  Art. 748bis.<Ingevoegd bij W 2007-04-26/71, art. 12; Inwerkingtreding : 22-06-2007> [1 Behoudens in de gevallen waarin conclusie mag worden genomen buiten de in artikel 747 bedoelde termijnen, nemen de laatste conclusies van een partij de vorm aan van syntheseconclusies.]1 Voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, vervangen de syntheseconclusies alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt.
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 13, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Afdeling IV. _ Bepaling van de rechtsdag en verdaging.

  Art. 749. De griffier van de rollen draagt doorlopend zorg voor het regelen van de rechtsdagen (onder het gezag) van de voorzitter van het gerecht. <W 1992-08-03/31, art. 22, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De Koning stelt in voorkomend geval nadere regels voor de toepassing van dit artikel.

  Art. 750. <W 2007-04-26/71, art. 13, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> Onverminderd de toepassing van artikel 747, wordt de rechtsdag bepaald op gezamenlijk verzoek van de partijen.
  Het verzoek wordt gericht aan de voorzitter van de kamer waaraan de zaak werd toegewezen en ter griffie neergelegd, gelijktijdig met of na de neerlegging van de conclusies van de partijen.
  De griffier brengt, bij gewone brief, de rechtsdag ter kennis van de partijen en hun advocaten.

  Art. 751. (opgeheven) <W 2007-04-26/71, art. 14, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>

  Art. 752. (opgeheven) <W 1992-08-03/31, art. 25, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 753. (opgeheven) <W 2007-04-26/71, art. 14, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>

  Art. 754. Wordt de zaak verdaagd, dan zendt de griffier daarvan een gewoon bericht aan de advocaten van de partijen, of aan de partij zelf indien zij geen advocaat heeft.

  Afdeling V. _ Schriftelijke behandeling.

  Art. 755. <W 1992-08-03/31, art. 27, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De partijen of hun advocaten mogen gezamenlijk tot de schriftelijke rechtspleging besluiten. Na hun memories, nota's, stukken en conclusies vooraf overgelegd te hebben, leggen zij die ter griffie gebundeld en met een inventaris neer. Er wordt hun een ontvangstbewijs gegeven dat de datum van neerleggen vermeldt.
  (De memories, nota's, stukken en conclusies worden doorgegeven aan de voorzitter van de kamer waaraan de zaak werd toegewezen.) <W 2007-04-26/71, art. 15, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  (De later neergelegde memories, nota's, stukken en conclusies worden ambtshalve uit de debatten geweerd.) <W 2007-04-26/71, art. 15, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  De rechter mag binnen een maand na de neerlegging van de dossiers ter griffie mondelinge ophelderingen vragen over punten die hij aanwijst. Daartoe bepaalt hij een datum die door de griffier ter kennis wordt gebracht van de partijen bij gewone brief aan hun advocaten. Heeft een partij geen advocaat dan zendt de griffier haar rechtstreeks bericht bij gerechtsbrief.

  Afdeling VI. - Terechtzitting.

  Art. 756. <W 2007-04-26/71, art. 16, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> In de zaken waarvoor de rechtsdag is bepaald overeenkomstig de artikelen 747 en 750 en onverminderd afwijkingen of andere regelingen omschreven in de beschikking van in staat stellen van de zaak, in de beschikking van bepaling van de rechtsdag, in het bericht van verdaging of in het bericht van bepaling van de rechtsdag, worden de stukken ter griffie neergelegd ten minste vijftien dagen voor de rechtsdag bepaald voor de pleidooien.

  Art. 756bis. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/71, art. 17; Inwerkingtreding : 22-06-2007> Onverminderd de in artikel 735, § 3, bedoelde regels betekent het ontbreken of het ambtshalve weren van de conclusies geen verbod tot pleiten. Dat pleidooi geldt niet als conclusie.
  Na dat pleidooi kan de tegenpartij antwoordconclusies indienen. Daartoe zal de zaak van rechtswege op vijftien dagen in voortzetting worden gesteld, waarna ze zonder nieuwe debatten in beraad zal worden genomen. De rechter kan die termijn inkorten op verzoek van de partij die op grond van dit lid conclusies mag indienen.

  Art. 756ter. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/71, art. 18; Inwerkingtreding : 22-06-2007> Tijdens dan wel vóór de pleitzitting kan de rechter voorstellen om de pleidooien te vervangen door een interactief debat. Indien de partijen daarmee instemmen, leidt de rechter het debat, waarbij hij de mogelijkheid heeft de partijen te oriënteren naar aangelegenheden die hij relevant vindt en die van aard zijn hem opheldering te verschaffen. Tijdens dat debat mogen de partijen vragen stellen die niet door de rechter zijn opgeworpen, op voorwaarde dat deze hetzij in hun geschriften werden aangevoerd, hetzij gekoppeld zijn aan de toepassing van artikel 735 hetzij betrekking hebben op een onregelmatigheid die de procedure van instaatstelling aantast. Indien een partij er zich tegen verzet dat de pleidooien door een interactief debat worden vervangen, kan het debat desondanks na de pleidooien plaatsvinden.

  Art. 757.[1 § 1.]1 Behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, zijn de pleidooien, de verslagen en de vonnissen openbaar.
  [1 § 2. In afwijking van paragraaf 1 verlopen de volgende gerechtelijke procedures in raadkamer, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wat de pleidooien en verslagen betreft :
   1° de gerechtelijke procedures inzake afstamming bedoeld in de artikelen 312, § 2, 314, 318, 322, 329bis, 330 en 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek;
   2° de gerechtelijke procedure inzake de vordering tot uitkering voor levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding, bedoeld in artikel 338 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de verweerder bij de eerste verschijning voor de rechtbank of het hof enkel het bedrag betwist van de uitkering tot levensonderhoud;
   3° de gerechtelijke procedures inzake het ouderlijk gezag, bedoeld in de artikelen 373, 374, 375bis, 387bis en 387ter van het Burgerlijk Wetboek;
   4° [2 ...]2;
   5° [2 ...]2;
   6° de gerechtelijke procedure inzake de wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek;
   7° de gerechtelijke procedures inzake adoptie, bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk VIIIbis van het Gerechtelijk Wetboek;
   8° de gerechtelijke procedures inzake voogdij, bedoeld in de artikelen 1235 en 1236bis van het Gerechtelijk Wetboek;
   9° [2 de gerechtelijke procedures inzake de beschermingsmaatregelen bedoeld in deel IV, boek IV, hoofdstuk X;]2
   10° de gerechtelijke verzoeningsprocedures inzake vorderingen van echtgenoten betreffende hun wederzijdse rechten en verplichtingen en hun huwelijksvermogenstelsel, bedoeld in artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek;
   11° de gerechtelijke procedures betreffende de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed, bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk XI, van het Gerechtelijk Wetboek voor zover partijen persoonlijk verschijnen;
   12° de gerechtelijke procedures betreffende de bescherming van het grensoverschrijdend hoederecht en bezoekrecht bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk XIIbis, van het Gerechtelijk Wetboek;
   13° de gerechtelijke procedures betreffende rechtsvorderingen die samenhangen met die welke bedoeld zijn in 1° tot 12°, voor zover zij op dezelfde zitting worden behandeld.
   De rechter kan evenwel in elke stand van het geding, naargelang de omstandigheden, de openbaarheid van de debatten bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op vraag van het openbaar ministerie of van een partij in het geding [2 , behalve wat de in het eerste lid, 9°, bedoelde procedures betreft]2.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/35, art. 2, 111; Inwerkingtreding : 10-07-2010>
  (2)<W 2013-03-17/14, art. 159, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 758. De partijen mogen zelf hun conclusies en verweermiddelen voordragen, tenzij de wet anders bepaalt.
  De rechter kan hun evenwel de uitoefening van dit recht ontzeggen, indien hij bevindt dat zij door drift of onbedrevenheid buiten staat zijn hun zaak met de vereiste betamelijkheid of met de nodige duidelijkheid te bespreken.

  Art. 759. De toehoorders wonen de zittingen bij met ongedekten hoofde, eerbiedig en stilzwijgend; alles wat de rechter tot handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.

  Art. 760. Hij die tekens van goed- of afkeuring geeft bij de verdediging van partijen, de toespraken van rechters of openbaar ministerie, de ondervragingen, waarschuwingen of bevelen van de magistraten, het uitspreken van vonnissen of beschikkingen, of die stoornis verwekt, kan door de rechter worden gewaarschuwd en zelfs, zo daartoe grond bestaat, op zijn bevel uit de gehoorzaal worden gezet en desnoods voor ten hoogste vierentwintig uren worden aangehouden.
  De dader wordt opgesloten op vertoon van het proces-verbaal waaruit het bevel tot aanhouding blijkt.

  Art. 761. Indien de stoornis verwekt wordt door een persoon die aan een wettelijk aangestelde tuchtoverheid onderworpen is, maakt de rechter een proces-verbaal op dat hij aan deze overheid doet toekomen, onverminderd de in artikel 760 bepaalde politiemaatregelen, indien zulks noodzakelijk is.

  Art. 762. Indien de handeling onder toepassing valt van de strafwet, maakt de rechter proces-verbaal op en beveelt hij, indien daartoe grond bestaat, de betrokkene aan te houden en terstond voor de procureur des Konings te brengen, die zal vorderen zoals behoort.

  Art. 763. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing in alle plaatsen waar de rechters of de leden van het openbaar ministerie hun ambt uitoefenen.

  Afdeling VII. - Mededeling aan het openbaar ministerie.

  Art. 764.<W 1992-08-03/31, art. 29, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> (NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) Uitgenomen voor de vrederechter, voor de rechter zitting houdend in kort geding en voor de beslagrechter, worden op straffe van nietigheid aan het openbaar ministerie meegedeeld :
  1° de vorderingen betreffende de staat van personen wanneer minderjarigen of onbekwamen bij het geding betrokken zijn;
  2° de vorderingen (betreffende [6 ...]6 de verklaring van afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden), de voogdij over een minderjarige [5 ...]5, het beheer over de goederen van een persoon ten aanzien van wie een beschermingsmaatregel is genomen met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke; <W 2007-05-09/44, art. 38, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  3° de vorderingen betreffende de akten van de burgerlijke stand;
  4° de vorderingen die burgerrechtelijk ingesteld zijn wegens een drukpersmisdrijf;
  5° de vorderingen tot betichting van valsheid in burgerlijke zaken;
  6° de vorderingen tot herroeping van het gewijsde;
  7° de vorderingen tot wraking;
  (8° de (vorderingen tot gerechtelijke reorganisatie), de vorderingen tot faillietverklaring, tot verdaging van de datum van staking van betaling, alsook de (vorderingen tot intrekking van een reorganisatieplan) en tot sluiting van het faillissement;) <W 1997-07-17/65, art. 54, 034; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 2009-01-31/33, art. 74, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  9° [10 de vorderingen en oproepingen met toepassing van artikel 182, § 3, van het Wetboek van vennootschappen, tot gerechtelijke ontbinding van vennootschappen bedoeld in artikel 182 van het Wetboek van vennootschappen;]10
  [9 10° de vorderingen bepaald in de artikelen 578, 11°, 580, 2°, 3°, 6° tot 18°, 581, 2°, 3°, 9° en 10°, 582, 1°, 2°, 6°, 8°, 9° en 12°, 583 en 587septies;]9
  11° alle vorderingen waarvan de mededelingen aan het openbaar ministerie is voorgeschreven bij de bijzondere wetten.
  (12° de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
  (12° de verhalen betreffende de wijziging van het geslacht van een persoon.) <W 2007-05-09/50, art. 3, 091; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  (NOTA : Voor de invoeging van 12° in artikel 764 heeft de wetgever geen rekening gehouden met de vroegere invoeging van 12° in artikel 764, gebracht door W 2007-05-10/37, art. 14)
  13° de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
  14° de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen.) <W 2007-05-10/37, art. 14, 085; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  [4 16° de burgerrechtelijke vorderingen betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen houdende veroordeling tot een bijzondere verbeurdverklaring, een geldboete en de gerechtskosten in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.]4
  [8 Het openbaar ministerie kan zich alle andere zaken laten meedelen wanneer het zulks dienstig acht. Met uitzondering van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, bedoelde rechtsvordering, kan de rechtbank of het hof de mededeling ook ambtshalve bevelen.]8
  [8 Het openbaar ministerie verleent in de meest aangewezen vorm advies wanneer het zulks dienstig acht.
   In afwijking van het derde lid verleent het openbaar ministerie in de gevallen bedoeld in [10 het eerste lid, 9° en 10°,]10 steeds advies wanneer de rechtbank hierom verzoekt.
   Het college van procureurs-generaal geeft richtlijnen in welke zaken bedoeld in het eerste lid advies wordt verstrekt. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied.]8
  
  Art. 764. (WAALS GEWEST)
  <W 1992-08-03/31, art. 29, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Uitgenomen voor de vrederechter, voor de rechter zitting houdend in kort geding en voor de beslagrechter, worden op straffe van nietigheid aan het openbaar ministerie meegedeeld :
  1° de vorderingen betreffende de staat van personen wanneer minderjarigen of onbekwamen bij het geding betrokken zijn;
  2° de vorderingen (betreffende [6 ...]6 de verklaring van afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden), de voogdij over een minderjarige of een onbekwaamverklaarde, het beheer over de goederen van een persoon ten aanzien van wie een beschermingsmaatregel is genomen met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke; <W 2007-05-09/44, art. 38, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  3° de vorderingen betreffende de akten van de burgerlijke stand;
  4° de vorderingen die burgerrechtelijk ingesteld zijn wegens een drukpersmisdrijf;
  5° de vorderingen tot betichting van valsheid in burgerlijke zaken;
  6° de vorderingen tot herroeping van het gewijsde;
  7° de vorderingen tot wraking;
  (8° de (vorderingen tot gerechtelijke reorganisatie), vorderingen tot faillietverklaring, tot verdaging van de datum van staking van betaling, alsook de (vorderingen tot intrekking van een reorgan) en tot sluiting van het faillissemenisatieplant;) <W 1997-07-17/65, art. 54, 034; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 2009-01-31/33, art. 74, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  9° (...); <W 2006-07-01/72, art. 29, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  [3 10° de vorderingen bepaald in de artikelen 578, 11°, 580, 2°, 3°, 6° tot 18°, 581, 2°, 3°, 9° en 10°, 582, 1°, 2°, 6°, 8° en 9°, 583 en 587septies;]3
  11° alle vorderingen waarvan de mededelingen aan het openbaar ministerie is voorgeschreven bij de bijzondere wetten.
  (12° de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
  (12° de verhalen betreffende de wijziging van het geslacht van een persoon.) <W 2007-05-09/50, art. 3, 091; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  (NOTA : Voor de invoeging van 12° in artikel 764 heeft de wetgever geen rekening gehouden met de vroegere invoeging van 12° in artikel 764, gebracht door W 2007-05-10/37, art. 14)
  13° de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
  14° de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen.) <W 2007-05-10/37, art. 14, 085; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  [1 15° de aanvragen gegrond op het decreet van 6 november 2008 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, met inbegrip van de discriminatie tussen vrouwen en mannen inzake economie, tewerkstelling en beroepsopleiding.]1
  [4 16° de burgerrechtelijke vorderingen betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen houdende veroordeling tot een bijzondere verbeurdverklaring, een geldboete en de gerechtskosten in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.]4
  [8 Het openbaar ministerie kan zich alle andere zaken laten meedelen wanneer het zulks dienstig acht. Met uitzondering van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, bedoelde rechtsvordering, kan de rechtbank of het hof de mededeling ook ambtshalve bevelen.]8
  [8 Het openbaar ministerie verleent in de meest aangewezen vorm advies wanneer het zulks dienstig acht.
   In afwijking van het derde lid verleent het openbaar ministerie in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 10°, steeds advies wanneer de rechtbank hierom verzoekt.
   Het college van procureurs-generaal geeft richtlijnen in welke zaken bedoeld in het eerste lid advies wordt verstrekt. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied.]8
  
  Art. 764. (VLAAMSE OVERHEID)
  <W 1992-08-03/31, art. 29, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Uitgenomen voor de vrederechter, voor de rechter zitting houdend in kort geding en voor de beslagrechter, worden op straffe van nietigheid aan het openbaar ministerie meegedeeld :
  1° de vorderingen betreffende de staat van personen wanneer minderjarigen of onbekwamen bij het geding betrokken zijn;
  2° de vorderingen (betreffende [6 ...]6 de verklaring van afwezigheid en de gerechtelijke verklaring van overlijden), de voogdij over een minderjarige [5 ...]5, het beheer over de goederen van een persoon ten aanzien van wie een beschermingsmaatregel is genomen met toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke; <W 2007-05-09/44, art. 38, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  3° de vorderingen betreffende de akten van de burgerlijke stand;
  4° de vorderingen die burgerrechtelijk ingesteld zijn wegens een drukpersmisdrijf;
  5° de vorderingen tot betichting van valsheid in burgerlijke zaken;
  6° de vorderingen tot herroeping van het gewijsde;
  7° de vorderingen tot wraking;
  (8° de (vorderingen tot gerechtelijke reorganisatie), vorderingen tot faillietverklaring, tot verdaging van de datum van staking van betaling, alsook de (vorderingen tot intrekking van een reorgan) en tot sluiting van het faillissemenisatieplant;) <W 1997-07-17/65, art. 54, 034; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 2009-01-31/33, art. 74, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  9° (...); <W 2006-07-01/72, art. 29, 077; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  [3 10° de vorderingen bepaald in de artikelen 578, 11°, 580, 2°, 3°, 6° tot 18°, 581, 2°, 3°, 9° en 10°, [7 582, 1°, 2°, 6°, 8°, 9° et 15°,]7 583 en 587septies;]3
  11° alle vorderingen waarvan de mededelingen aan het openbaar ministerie is voorgeschreven bij de bijzondere wetten.
  (12° de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
  (12° de verhalen betreffende de wijziging van het geslacht van een persoon.) <W 2007-05-09/50, art. 3, 091; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  (NOTA : Voor de invoeging van 12° in artikel 764 heeft de wetgever geen rekening gehouden met de vroegere invoeging van 12° in artikel 764, gebracht door W 2007-05-10/37, art. 14)
  13° de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
  14° de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen.) <W 2007-05-10/37, art. 14, 085; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  [4 16° de burgerrechtelijke vorderingen betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen houdende veroordeling tot een bijzondere verbeurdverklaring, een geldboete en de gerechtskosten in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.]4
  [8 Het openbaar ministerie kan zich alle andere zaken laten meedelen wanneer het zulks dienstig acht. Met uitzondering van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, bedoelde rechtsvordering, kan de rechtbank of het hof de mededeling ook ambtshalve bevelen.]8
  [8 Het openbaar ministerie verleent in de meest aangewezen vorm advies wanneer het zulks dienstig acht.
   In afwijking van het derde lid verleent het openbaar ministerie in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 10°, steeds advies wanneer de rechtbank hierom verzoekt.
   Het college van procureurs-generaal geeft richtlijnen in welke zaken bedoeld in het eerste lid advies wordt verstrekt. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied.]8

  ----------
  (1)<DWG 2008-11-06/49, art. 36, 103; Inwerkingtreding : 30-12-2008>
  (2)<W 2009-06-19/16, art. 6, 105; Inwerkingtreding : 08-08-2009>
  (3)<W 2010-06-06/06, art. 15, 112; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (4)<W 2014-02-11/13, art. 10, 123; Inwerkingtreding : 18-04-2014>
  (5)<W 2013-03-17/14, art. 160, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (6)<W 2014-05-12/02, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (7)<DVR 2013-11-22/29, art. 40, 133; Inwerkingtreding : 01-04-2015 (zie BVR 2014-12-19/B5, art. 67, 1°)>
  (8)<W 2015-10-19/01, art. 14, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015. Overgangsbepalingen : art. 50,L1>
  (9)<W 2016-02-29/09, art. 71, 143; Inwerkingtreding : 01-05-2016>
  (10)<W 2017-05-17/11, art. 3, 151; Inwerkingtreding : 12-06-2017>

  Art. 765.[1 Wanneer hij uitspraak doet over de vorderingen met betrekking tot minderjarigen of personen beschermd krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek, kan de vrederechter, zelfs ambtshalve, na onderzoek van de zaak, het schriftelijk advies van het openbaar ministerie eisen.
   In dat geval bezorgt de [2 griffier]2 van het vredegerecht het volledige dossier van de rechtspleging aan de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin het kanton zich bevindt.
   Het advies wordt binnen de door de vrederechter vastgestelde termijn uitgebracht door het openbaar ministerie bij de familie- en jeugdrechtbank.
   Het dossier wordt vervolgens, samen met het advies van het openbaar ministerie, teruggestuurd naar de [2 griffier]2 van het vredegerecht.
   Laatstgenoemde brengt het advies van het openbaar ministerie bij gewone brief ter kennis van de advocaten van de partijen en bij gerechtsbrief ter kennis van de partijen zonder advocaat, waarbij wordt meegedeeld dat zij binnen een maand conclusies kunnen neerleggen uitsluitend met betrekking tot de inhoud van dit advies.
   Die conclusies worden alleen in aanmerking genomen voor zover zij antwoorden op het advies van het parket.
   De [2 griffier]2 stelt de datum en het uur van de zitting vast waarop de zaak zal worden bepleit.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 154, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 68, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 765/1.[1 Voor de zaken betreffende minderjarigen, doen de familierechtbank en de familiekamers van het hof van beroep, op straffe van nietigheid, eerst uitspraak na de zaak te hebben medegedeeld aan het openbaar ministerie en na kennis te hebben genomen van zijn eventueel advies.
   Het openbaar ministerie heeft als opdracht alle relevante informatie op de meest geschikte wijze en met inachtneming van het recht op tegenspraak aan de rechtbank mee te delen.
   Het vierde en vijfde lid van artikel 764 zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 15, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015. Overgangsbepalingen : art. 50, L1>

  Art. 766.[1 § 1. Wanneer een zaak moet worden medegedeeld krachtens de wet of wanneer het openbaar ministerie om mededeling verzoekt, stelt de griffie het openbaar ministerie in kennis van de datum van de terechtzitting met opgave van de identiteit van de partijen en, in voorkomend geval, de betrokken minderjarigen.
   Wanneer het openbaar ministerie het dienstig acht mondeling advies te verlenen, wordt dit advies uitgebracht op de terechtzitting. Dit wordt vermeld op het zittingsblad.
   Wanneer het openbaar ministerie het dienstig acht schriftelijk advies uit te brengen vóór de terechtzitting, wordt het advies uiterlijk de dag voor de terechtzitting ter griffie neergelegd en meegedeeld aan de advocaat van de partijen of, indien zij geen advocaat hebben, aan de partijen zelf.
   Wanneer het openbaar ministerie het dienstig acht schriftelijk advies uit te brengen na de pleidooien, stelt het de rechter daarvan in kennis vóór de sluiting van de debatten. Het advies wordt neergelegd ter griffie en meegedeeld aan de advocaat van de partijen of, indien zij geen advocaat hebben, aan de partijen zelf uiterlijk op de datum die bepaald wordt door de rechter, waarbij de rechter tevens de datum bepaalt tot wanneer de partijen ter griffie hun conclusies mogen neerleggen om te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie.
   Wanneer het openbaar ministerie het niet dienstig acht advies uit te brengen, stelt het de griffie daarvan in kennis uiterlijk de dag voor de terechtzitting.
   § 2. In de andere zaken deelt de rechter die dat wenst de zaak mee aan het openbaar ministerie ten laatste op het ogenblik dat hij de sluiting van de debatten beveelt. Dit wordt op het zittingsblad vermeld. De rechter bepaalt de datum van de terechtzitting waarop het openbaar ministerie zijn eventueel mondeling advies uitbrengt en waarop de partijen kunnen antwoorden op het eventueel mondeling of schriftelijk advies. Een afschrift van het zittingsblad wordt overgezonden aan het openbaar ministerie met de stukken van de procedure binnen achtenveertig uren na de terechtzitting.
   Binnen acht dagen voor de terechtzitting bedoeld in het eerste lid stelt het openbaar ministerie de griffie in kennis van zijn voornemen al dan niet advies uit te brengen en van de vorm waarin dit zal gebeuren. Als het advies schriftelijk wordt gegeven, wordt het binnen dezelfde termijn ter griffie neergelegd en meegedeeld aan de advocaat van de partijen of, indien zij geen advocaat hebben, aan de partijen zelf.]1
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 16, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015. Overgangsbepalingen : art. 50, L1>

  Art. 767.[1 § 1. Wanneer het eventueel advies van het openbaar ministerie mondeling wordt uitgebracht, worden de partijen die verschijnen onmiddellijk gehoord over hun opmerkingen over dat advies.
   Wanneer het eventueel advies schriftelijk wordt uitgebracht en neergelegd ter griffie vóór de terechtzitting, kunnen de partijen daarop mondeling antwoorden op de terechtzitting of op een latere terechtzitting vastgesteld door de rechter.
   De rechter kan de partij die erom verzoekt evenwel toestemming verlenen om over het advies van het openbaar ministerie conclusie ter griffie neer te leggen binnen de termijn die hij bepaalt. Tegen de beslissing van de rechter staat geen enkel beroep open.
   § 2. De replieken van de partijen over het advies van het openbaar ministerie worden alleen in aanmerking genomen in zoverre ze antwoorden op het advies van het openbaar ministerie.]1
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 17, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015. Overgangsbepalingen : art. 50, L1>

  Art. 768. Het openbaar ministerie woont de beraadslaging van de rechters niet bij, wanneer dezen zich in de raadkamer terugtrekken om over het vonnis te beslissen, zulks op straffe van nietigheid van de beslissing.

  Afdeling VIII. _ Berechting van de zaak.

  Art. 769.<W 1992-08-03/31, art. 31, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Na de pleidooien en in voorkomend geval na de wederantwoorden, beveelt de rechter de sluiting van de debatten.
  De rechter kan de partijen of hun advocaten toestaan hun dossiers na de debatten en binnen de termijn die hij vaststelt, ter griffie neer te leggen tegen een gedagtekend ontvangstbewijs. In dat geval vindt de sluiting van de debatten van rechtswege plaats bij het einde van die termijn.
  Wanneer artikel 755 is toegepast, geschiedt de sluiting van de debatten van rechtswege één maand na de neerlegging van de dossiers ter griffie of wordt ze door de rechter uitgesproken op de dag waarop de door hem gevraagde mondelinge opheldering is verschaft.
  Tegen de beslissing tot sluiting van de debatten en tegen de beslissing bedoeld in het tweede lid, die op (het [1 zittingsblad]1) worden aangetekend, staat geen verzet of hoger beroep open. <W 2006-07-10/39, art. 24, 078; Inwerkingtreding : : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 30, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 770.<W 2007-04-26/71, art. 19, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> § 1. [3 Wanneer de rechter de zaak in beraad houdt om het vonnis uit te spreken, bepaalt hij de dag voor die uitspraak, die moet plaatsvinden binnen een maand na het sluiten van de debatten. Deze termijn wordt verlengd met één maand wanneer de debatten worden gesloten gedurende de maand voor de gerechtelijke vakantie bedoeld in artikel 334.]3
  Indien de zaak aan het openbaar ministerie wordt meegedeeld, gaat de termijn voor de uitspraak in op de dag waarop zijn advies is gegeven of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de termijn waarover de partijen beschikken om hun conclusies over dat advies neer te leggen.
  Indien de uitspraak niet binnen die termijn kan plaatsvinden, wordt de oorzaak van de vertraging op het zittingsblad vermeld.
  De vermelding op het zittingsblad van de oorzaak van de vertraging moet objectief kunnen worden verantwoord tegenover de hiërarchische overheid die belast is met het toezicht op de naleving van de termijnen van beraad.
  § 2. De griffiers maken in tweevoud de lijst op van de zaken waarin de uitspraak met meer dan een maand werd uitgesteld. Deze lijst wordt ter ondertekening voorgelegd aan de betrokken magistraat of magistraten, die zo in de gelegenheid worden gesteld schriftelijke opmerkingen te maken.
  De lijsten worden, op initiatief van de hoofdgriffier, elke maand opgemaakt en toegezonden aan de korpschef van het gerecht en aan de korpschef van het openbaar ministerie bij dat gerecht.
  [1 Derde lid opgeheven.]1
  Een afschrift wordt op de griffie bewaard.
  Met inachtneming van dezelfde regels worden die lijsten maandelijks bijgewerkt.
  § 3. Indien de rechter het beraad langer dan drie maanden aanhoudt, verwittigt hij de korpschef en de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, onverminderd de mogelijkheid voor een partij om daartoe het initiatief te nemen.
  § 4. In het in § 3 bedoelde geval wordt de betrokken magistraat of de betrokken magistraten onverwijld opgeroepen door de korpschef om te worden gehoord over de oorzaken van de vertraging.
  In de in § 2 bedoelde gevallen is de oproeping verplicht wanneer het herhaalde tekortkomingen betreft.
  De korpschef en de betrokken magistraat of magistraten werken in onderling overleg een oplossing uit om de vertraging te verhelpen.
  Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt.
  § 5. De in § 3 bedoelde inlichtingen en de desbetreffende processen-verbaal kunnen in aanmerking worden genomen in geval van tuchtvervolgingen, bij de periodieke evaluatie van de magistraat of in het kader van een op hem betrekking hebbende benoemings- of aanwijzingsprocedure.
  Indien een tuchtsanctie verantwoord is, kan de opgelegde straf in geen geval lager zijn dan een [2 inhouding van de wedde]2.
  ----------
  (1)<W 2013-12-01/01, art. 105, 121; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
  (2)<L 2013-07-15/08, art. 38, 131; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2015-10-19/01, art. 18, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 771. <W 2000-11-14/36, art. 5, 049; Inwerkingtreding : 29-12-2000> Onverminderd de toepassing van de artikelen 767 en 772 mogen geen stukken, nota's of conclusies worden neergelegd na het sluiten van de debatten. In voorkomend geval worden zij buiten het beraad gehouden.

  Art. 772. Indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, kan zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen.

  Art. 773. De aanvraag wordt in handen van de rechter gedaan door middel van een verzoekschrift, waarin het nieuwe stuk of feit nauwkeurig wordt aangegeven zonder nadere toelichting; zij wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij zijn ontstentenis, door deze laatste, ter griffie neergelegd en overgelegd overeenkomstig de regels van de artikelen 742 tot 744. Zij wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de andere partijen die verschenen zijn.
  Deze kunnen binnen acht dagen na de aanzegging op dezelfde wijze hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen.
  De rechter doet uitspraak op stukken.

  Art. 774. De rechter kan de heropening van de debatten ambtshalve bevelen.
  Hij moet dit bevelen, alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen, op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen.

  Art. 775. <W 2007-04-26/71, art. 20, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> Indien de heropening van de debatten bevolen wordt, verzoekt de rechter de partijen om, binnen de termijnen die hij bepaalt en op straffe van ambtshalve verwijdering uit de debatten, hun schriftelijke opmerkingen over het middel of de verdediging ter rechtvaardiging ervan, uit te wisselen en hem deze te overhandigen. In voorkomend geval bepaalt hij dag en uur waarop de partijen over het door hem bepaalde onderwerp zullen worden gehoord.
  De partijen worden bij gerechtsbrief verwittigd en, in voorkomend geval, hun advocaten bij gewone brief.
  In ieder geval is de beslissing gewezen na de heropening van de debatten op tegenspraak gewezen indien de beslissing van heropening zelf op tegenspraak gewezen is.

  Art. 776. Tegen de beslissing van de rechter over de aanvraag tot heropening van de debatten staat geen hoger beroep open.

  Art. 777. De in beraad genomen of schriftelijk behandelde zaken worden door de voorzitter van de kamer verdeeld onder de rechters.

  Art. 778. Na afloop van de bespreking doet de voorzitter hoofdelijke omvraag, te beginnen met de jongstbenoemde rechter en zo opklimmend, tot de oudstbenoemde. De voorzitter geeft het laatst zijn mening te kennen.
  Zijn de meningen verdeeld, dan wordt er opnieuw gestemd.

  Art. 779. Het vonnis kan enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid.
  (lid 2 opgeheven) <W 2007-04-26/71, art. 21, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>

  Art. 780.Het vonnis bevat, op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschikkende gedeelte:
  1° de vermelding van de rechter of de rechtbank die het heeft gewezen; de namen van de rechters die over de zaak hebben geoordeeld, van de magistraat van het openbaar ministerie die zijn advies heeft gegeven en van de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest;
  2° de naam, de voornaam en de woonplaats die de partijen bij hun verschijning en hun conclusies hebben opgegeven;
  3° [1 het onderwerp van de vordering en het antwoord op de overeenkomstig artikel 744, eerste lid, uiteengezette middelen van de partijen;]1
  4° de vermelding van het advies van het openbaar ministerie;
  5° de vermelding en de datum van de uitspraak in openbare zitting.
  Het vonnis bevat in voorkomend geval aanduiding van de naam der advocaten.
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 19, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 780bis. <Ingevoegd bij W 2007-04-26/71, art. 22; Inwerkingtreding : 22-06-2007> De partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden kan worden veroordeeld tot een geldboete van 15 euro tot 2.500 euro, onverminderd de schadevergoeding die gevorderd zou worden.
  In dat geval, wordt in dezelfde beslissing daarover uitspraak gedaan voorzover schadevergoeding voor tergend en roekeloos geding wordt gevorderd en toegekend. Indien zulks niet het geval is, worden de partijen verzocht toelichting te geven overeenkomstig artikel 775.
  De Koning kan het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De boete wordt geïnd door de administratie van de Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.
  Dit artikel is niet van toepassing in strafzaken noch in tuchtzaken.

  Art. 781. Het beschikkende gedeelte van de vonnissen over de staat van personen, dat krachtens de wet in de registers van de burgerlijke stand moet worden overgeschreven, vermeldt de volledige identiteit van de betrokkene en bepaalt nauwkeurig welke veranderingen in zijn rechtstoestand zijn aangebracht.
  Tenzij de wet daaromtrent anders bepaalt, wordt de uitgifte van het beschikkende gedeelte, op verzoek van een van de partijen, door toedoen van de griffier gezonden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, die ze onverwijld overschrijft in de genoemde registers.

  Art. 782. <W 2007-04-26/71, art. 23, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> Voor de uitspraak wordt het vonnis ondertekend door de rechters die het hebben gewezen en door de griffier.
  Het eerste lid is evenwel niet van toepassing indien de rechter of rechters oordelen dat het vonnis onmiddellijk na de debatten kan worden uitgesproken.

  Art. 782bis. <W 2007-04-26/71, art. 24, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> (Het vonnis wordt uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters en, behalve voor straf- en in voorkomend geval voor tuchtzaken, van het openbaar ministerie.) <W 2008-06-08/31, art. 84, 095; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  Indien evenwel een kamervoorzitter wettig verhinderd is het vonnis uit te spreken waarvoor hij aan de beraadslaging heeft deelgenomen in de in artikel 778 bepaalde voorwaarden, kan de voorzitter van het gerecht een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen.

  Art. 783.[1 De tekst van het vonnis wordt op het zittingsblad gesteld.
   Het zittingsblad bevat de minuut van het vonnis en vermeldt bovendien :
   1° de dag en het uur waarop de zitting geopend en gesloten is;
   2° de verrichte proceshandelingen;
   3° elke behandelde zaak, met opgave van het nummer van inschrijving op de algemene rol en van de namen van de partijen en van hun advocaten.
   De rechter die de zitting heeft voorgezeten, ziet het zittingsblad na en ondertekent het samen met de griffier.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 24, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 784.De zittingsbladen zijn van een zelfde formaat en worden per jaar samengevoegd tot een register.
  
  (NOTA : opgeheven door W 2006-07-10/39, art. 27, 5°, 078; Inwerkingtreding : : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 10° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 785. Indien de voorzitter of een van de rechters in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis te ondertekenen, maakt de griffier daarvan melding onderaan op de akte en de beslissing is geldig met de handtekening van de overige rechters die ze hebben uitgesproken.
  Indien een akte niet kan worden ondertekend door de griffier die daaraan heeft medegewerkt, is het voldoende dat de voorzitter of de rechter die hem vervangt, de akte ondertekent en de onmogelijkheid vaststelt.

  Art. 786.Indien alle rechters of een alleenrechtsprekend rechter in de onmogelijkheid verkeren om de uitgesproken beslissing te ondertekenen, vermeldt de griffier die onmogelijkheid onderaan op de akte en doet hij alles bevestigen door de voorzitter van de rechtbank of van het hof.
  Deze formaliteit wordt eveneens in acht genomen, wanneer de vrederechter of rechter in de politierechtbank in de onmogelijkheid verkeert om het door hem gewezen vonnis te ondertekenen. In dat geval wordt het proces-verbaal van de griffier bevestigd door [1 de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en in de arrondissementen Brussel en Eupen door]1 de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.
  [1 Wat de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, wordt het proces-verbaal bevestigd door de voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taal van het diploma van licentiaat of master in de rechten waarvan hij houder is.]1
  Verkeert de griffier in de onmogelijkheid om te tekenen, dan tekent de vrederechter of de rechter in de politierechtbank alleen, met vermelding van het voorval.
  ----------
  (1)<W 2016-05-04/03, art. 125, 144; Inwerkingtreding : 23-05-2016>

  Art. 787. In de gevallen van de artikelen 785 en 786 zendt de griffier aan de procureur-generaal of aan de procureur des Konings bericht van die leemte binnen acht dagen na de uitspraak van het arrest of van het vonnis.

  Art. 788.[1 De procureur-generaal kan zich, ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende, de zittingsbladen of de processen-verbaal van de zittingen laten overleggen om na te gaan of aan de voorgaande bepalingen voldaan is.]1 In geval van verzuim kan hij, naar gelang van het geval, dat verzuim doen herstellen, dan wel bericht ervan geven aan de eerste kamer van het hof, die op de schriftelijke conclusie van de procureur-generaal een van de rechters die deze zittingen hebben bijgewoond, kan machtigen om de akten of processen-verbaal te ondertekenen. <W 2006-07-10/39, art. 25, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)>
  De procureur des Konings oefent hetzelfde toezicht uit als de procureur-generaal betreffende de zittingsbladen of de processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank van eerste aanleg, van de rechtbank van koophandel en van de vredegerechten en politierechtbanken.
  De arbeidsauditeur oefent dat toezicht uit bij de arbeidsrechtbank.
  De procureur des Konings en de arbeidsauditeur brengen elk vastgesteld verzuim ter kennis van de procureur-generaal, die daarna handelt zoals hierboven is bepaald.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 25, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 789.[1 In het Hof van Cassatie wordt op gelijke wijze gehandeld voor de arresten en de zittingsbladen van dat hof.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 26, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 790. <W 24-06-1970, art. 10> Op straffe van nietigheid bevat de uitgifte een integraal afschrift van het vonnis, voorafgegaan door het opschrift en gevolgd door het formulier van tenuitvoerlegging.

  Art. 791. De uitgifte wordt door de griffier afgegeven aan de partijen in het geding die erom verzoeken. Geen uitgifte mag worden afgegeven voordat het vonnis ondertekend is.art. 20, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01>

  Art. 792. Binnen acht dagen na de uitspraak van het vonnis zendt de griffier bij gewone brief een niet ondertekend afschrift van het vonnis, aan elke partij, of, in voorkomend geval, aan hun advocaten.
  (In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, (§ 2), (alsook inzake adoptie) brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen. <W 2003-04-24/32, art. 4, 067; Inwerkingtreding : 01-09-2005> <W 2005-12-13/35, art. 5, 074; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  Op straffe van nietigheid vermeldt deze kennisgeving de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke dit verhaal moet worden ingesteld evenals de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om er kennis van te nemen.) <W 1993-01-12/34, art. 20, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01>
  (In de gevallen, bepaald in het tweede lid, zendt de griffier een niet-ondertekend afschrift van het vonnis, in voorkomend geval, aan de advocaten van de partijen of aan de afgevaardigden bedoeld in artikel 728, § 3.) <W 1994-07-12/32, art. 1, 025; Inwerkingtreding : 1994-07-31>

  Afdeling IX. _ [1 Uitlegging en verbetering van de rechterlijke beslissing en herstel van de omissie van een punt van de vordering]1.
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 2, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 793.De rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, kan die uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.
  [1 De beslagrechter kan een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 3, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 794.[1 De materiële verschrijvingen en omissies die in een zelfs al in kracht van gewijsde gegane beslissing voorkomen, kunnen altijd worden verbeterd door het gerecht dat de beslissing heeft gewezen, of door het gerecht waarnaar de beslissing wordt verwezen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.
   Evenzo kan de beslagrechter de materiële verschrijvingen en omissies verbeteren die een, zelfs in kracht van gewijsde gegane, beslissing aantasten, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen. De gegevens van de verbetering moeten zich bevinden in de tekst zelf van de te verbeteren beslissing.]1
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 4, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 794/1. [1 Het gerecht dat verzuimd heeft zich over een punt van de vordering uit te spreken kan deze omissie in zijn beslissing ook herstellen zonder aan het in kracht van gewijsde gegane van de andere punten te raken, hierbij rekening houdend met de in artikel 748bis vervatte regels en zonder dat evenwel de in die beslissing bevestigde rechten uitgebreid, beperkt of gewijzigd mogen worden.
   Het verzoek dient te worden ingediend ten laatste een jaar nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-10-24/52, art. 5, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 795.De vorderingen [1 tot uitlegging, verbetering of herstel van de omissie van een punt van de vordering]1 worden gebracht voor de rechter die [1 de uit te leggen, te verbeteren of te herstellen beslissing heeft gewezen, of voor het gerecht waarnaar de beslissing wordt verwezen]1.
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 6, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 796.[1 De zaak wordt aan de rechter voorgelegd bij verzoekschrift op tegenspraak als bedoeld in de artikelen 1034bis tot 1034sexies dan wel bij gezamenlijk verzoekschrift overeenkomstig artikel 706.
   Het verzoekschrift kan alleen worden ingediend als de beslissing niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitlegging, rechtzetting of herstel van een omissie.]1
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 7, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 797.Uitlegging en verbetering kunnen [1 ...]1 ambtshalve geschieden.
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 8, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 798. Tenzij alle partijen in het geding het eens zijn, kan de vordering tot uitlegging niet worden ingesteld voordat de termijnen van hoger beroep of van voorziening in cassatie zijn verstreken.
  Zij kan niet worden ingesteld wanneer tegen de beslissing hoger beroep of voorziening in cassatie is ingesteld.
  De uitlegging van het bevestigde vonnis staat aan de rechter die deze bevestiging uitspreekt.

  Art. 799.[1 De rechter mag een beslissing enkel verbeteren of oordelen over de omissie van een punt van de vordering in zover de beslissing niet is bestreden.]1
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 9, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 800.[1 De griffier maakt, op de kant van de oorspronkelijke beslissing, melding van het beschikkende gedeelte van de uitleggende of verbeterende beslissing, dan wel van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over de omissie van een punt van de vordering.]1
  Geen uitgifte, afschrift, noch uittreksel van de [1 de oorspronkelijke beslissing]1 mag worden uitgereikt, tenzij daarop melding is gemaakt van het beschikkende gedeelte der uitleggende of verbeterende beslissing [1 , dan wel van de beslissing waarbij uitspraak wordt gedaan over de omissie van een punt van de vordering.]1.
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 10, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 801.Hij die uitlegging [1 , verbetering, of een uitspraak over de omissie van een punt van de vordering vordert]1, geeft het door de Koning te bepalen bedrag van de kosten in consignatie ter griffie. De dagvaarding wordt in debet (betekend). Indien de beslissing de vordering toewijst, komen de kosten ten laste van de Staat, en wordt de in consignatie gegeven som aan de eiser teruggegeven. In het tegenovergestelde geval kunnen de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de eiser worden gebracht en van het in consignatie gegeven bedrag worden afgenomen. <W 24-6-1970, art. 11>
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 11, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 801/1. [1 Eenmaal de verbeterde beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, kan de verbeterende beslissing alleen nog worden betwist door cassatieberoep in te stellen. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-10-24/52, art. 12, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 801bis.<Ingevoegd bij W 2007-05-10/52, art. 5; Inwerkingtreding : 01-07-2007> De rechter kan de verschrijvingen of misrekeningen verbeteren die voorkomen in een door hem gewezen certificaat, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000. De Koning kan dit artikel van toepassing verklaren op certificaten, bedoeld in andere internationale Instrumenten.
  Als de verschrijving of de misrekening enkel in het certificaat voorkomt, wordt de vordering tot verbetering ingeleid op eenzijdig verzoekschrift.
  Als de verschrijving of de misrekening in het certificaat werd veroorzaakt door een verschrijving of een misrekening in de door de rechter gewezen beslissing waarvoor het werd uitgevaardigd, wordt de verbetering van het certificaat samen gevorderd met een verbetering van de door de rechter gewezen beslissing. De rechtspleging in de artikelen 794 tot [1 801/1]1 wordt gevolgd.
  De griffier zendt per gewone brief een afschrift van het verbeterde certificaat naar alle partijen in het geding.
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 13, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  HOOFDSTUK III. _ Behandeling en berechting bij verstek.

  Art. 802. Indien een van de partijen niet op de inleidende zitting verschijnt, kan op die zitting tegen haar verstek worden gevorderd.

  Art. 803. De niet verschenen partij tegen wie op de inleidende zitting geen verstek is gevorderd, wordt op schriftelijk verzoek van de tegenpartij, door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen ter zitting waartoe de zaak is verdaagd of waarop zij achteraf is bepaald.

  Art. 804. <W 1992-08-03/31, art. 33, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Indien een van de partijen niet verschijnt op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd, kan tegen haar vonnis bij verstek worden gevorderd.
  De rechtspleging is evenwel op tegenspraak ten aanzien van de partij die is verschenen overeenkomstig artikel 728 of 729 en ter griffie of ter zitting conclusies heeft neergelegd.

  Art. 805. Het verstekvonnis mag niet worden uitgesproken vóór het einde van de zitting waarop het verstek is vastgesteld en voor zover dit verstek voordien niet gezuiverd is.
  Het verstek zal gezuiverd zijn en het geding voortgezet worden op tegenspraak, indien de partijen dit samen verzoeken tijdens de zitting waarop het verstek is gevorderd.

  Art. 806.[1 In het verstekvonnis willigt de rechter de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde.]1
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 20, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  TITEL III. _ Tussengeschillen en bewijs.

  HOOFDSTUK I. _ Tussenvorderingen.

  Art. 807. Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

  Art. 808. In elke stand van het geding, zelfs bij verstek, kunnen de partijen de interesten, rentetermijnen, huurgelden en elk toebehoren, sedert de instelling van de vordering verschuldigd of vervallen, vorderen en zelfs de later bewezen verhogingen of schadevergoedingen, onverminderd de geldsommen bij schuldvergelijking verschuldigd.

  Art. 809. Tussen de partijen in het geding worden de tussenvorderingen ingesteld bij conclusies, die ter griffie worden neergelegd en aan de overige partijen overgelegd zoals bepaald is in de artikelen 742 tot 746.

  Art. 810. Indien de tegenvordering de berechting van de hoofdvordering te zeer zou kunnen vertragen, worden de twee vorderingen afzonderlijk berecht.

  HOOFDSTUK II. _ Tussenkomst.

  Art. 811. De hoven en rechtbanken kunnen niet ambtshalve bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken.

  Art. 812. Tussenkomst kan geschieden voor alle gerechten, ongeacht de vorm van de rechtspleging, zonder dat echter reeds bevolen onderzoeksverrichtingen afbreuk mogen doen aan de rechten van de verdediging.
  Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep.

  Art. 813. Vrijwillige tussenkomst geschiedt bij verzoekschrift, dat, op straffe van nietigheid, de middelen en conclusie bevat.
  Gedwongen tussenkomst geschiedt bij dagvaarding. Tussen de partijen in het geding kan zij worden aangebracht bij gewone conclusies.

  Art. 814. Tussenkomst mag de berechting van de hoofdvordering niet vertragen.

  HOOFDSTUK III. _ Hervatting van geding.

  Art. 815. In de zaken waarin de debatten nog niet gesloten verklaard zijn, blijft het overlijden van een partij, haar verandering van staat of de wijziging van de hoedanigheid waarin zij is opgetreden, zonder gevolg zolang daarvan geen kennis is gegeven.

  Art. 816. De partijen of hun rechthebbenden die verklaren het geding te hervatten leggen overeenkomstig de regels van de artikelen 742 en 743 ter griffie een akte neer waarin, op straffe van nietigheid, opgave wordt gedaan van de redenen waarom het geding hervat wordt, alsmede van hun naam, voornaam, beroep en woonplaats, of, bij gebreke van woonplaats, hun verblijfplaats. De griffier geeft bij gerechtsbrief kennis van die akte aan de overige partijen.
  Dagvaarding tot hervatting van het geding kan bovendien worden uitgebracht op verzoek van iedere partij.

  Art. 817. De rechter voor wie de vordering tot hervatting van het geding aanhangig is, kan het openbaar ministerie verzoeken inlichtingen in te winnen over de identiteit of de hoedanigheid van de partijen ten aanzien van wie het geding kan worden hervat.

  Art. 818. Hervatting van het geding heeft van rechtswege plaats, indien de gedagvaarde partij bij het verstrijken van de termijn van verschijning verstek laat gaan en het vonnis zal worden geacht op tegenspraak te zijn gewezen te haren opzichte, indien de regels van artikel 751 of, in voorkomend geval, die van artikel 752 zijn toegepast.

  Art. 819. Op de akte van hervatting van het geding wordt de rechtspleging voortgezet volgens de laatste gedingstukken en de vroeger neergelegde conclusies worden geacht te blijven gelden, tenzij in de akte nieuwe conclusies worden ter kennis gebracht.

  HOOFDSTUK IV_ Afstand van geding.

  Art. 820. Bij afstand van geding ziet de partij af van de rechtspleging die zij is begonnen met een hoofdvordering of met een tussenvordering.
  Afstand van geding heeft niet ten gevolge dat het recht zelf wordt prijsgegeven.

  Art. 821. Bij afstand van rechtsvordering ziet de hoofdeiser, de eiser tot vrijwaring of de wedereiser af zowel van de rechtspleging als van het recht zelf.
  Afstand van rechtsvordering doet het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de rechter was gebracht.

  Art. 822. Bij afstand van een proceshandeling ziet de partij af van de gevolgen die er voor haar uit voortvloeien.

  Art. 823. Afstand van rechtsvordering is slechts mogelijk met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken.
  Afstand van geding is geoorloofd in alle zaken.

  Art. 824. De afstand kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden.
  Uitdrukkelijke afstand geschiedt bij een gewone akte, die ondertekend wordt door de partij of door haar gemachtigde die, tenzij de wet anders bepaalt, een bijzondere volmacht heeft, en die aan de tegenpartij betekend wordt, indien deze de afstand niet vooraf heeft aangenomen.
  Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering.

  Art. 825.Om geldig te zijn moet de afstand van geding aangenomen worden door de partij aan wie hij is betekend, tenzij hij wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen over het [1 voorwerp]1 van de vordering waarvan wordt afgezien.
  In geval van betwisting wordt de afstand ingewilligd of in voorkomend geval geweigerd bij beslissing van de rechter.
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 21, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 826. Afstand van geding die aangenomen is, houdt van rechtswege in dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest was.
  Afstand van geding maakt evenwel de stuiting van de verjaring niet ongedaan, wanneer hij gegrond is op de onbevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is en dezelfde akte dagvaarding voor de bevoegde rechter inhoudt.

  Art. 827. Iedere afstand brengt verplichting mee tot betaling van de kosten, die de voorzitter aan de afstanddoende partij oplegt bij gewone beschikking, gesteld onderaan op de begroting van de kosten, de partijen tegenwoordig zijnde of door de griffier opgeroepen.
  Die beschikking is uitvoerbaar niettegenstaande iedere voorziening.

  HOOFDSTUK V. _ Wraking en verschoning.

  Art. 828.Ieder rechter kan worden gewraakt om de volgende redenen:
  (1° wegens wettige verdenking;) <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (2°) indien de rechter of zijn echtgenoot persoonlijk belang bij het geschil heeft; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (3°) indien de rechter of zijn echtgenoot bloed- of aanverwant van de partijen of van een hunner in de rechte lijn is, (...), of in de zijlijn tot in de vierde graad, of indien de rechter bloed- of aanverwant in de voormelde graad is van de echtgenoot van een der partijen; <W 1987-03-31/52, art. 79, 006; Inwerkingtreding : 06-06-1987> <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (4°) (indien de rechter, zijn echtgenoot, hun bloed- of aanverwanten in de opgaande en de nederdalende lijn, een geschil hebben) over een gelijksoortige aangelegenheid als waarover de partijen in geschil zijn; <W 24-6-1970, art. 12> <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (5°) indien in hun naam een geding aanhangig is voor een rechtbank waarin een van de partijen rechter is; indien zij schuldeiser of schuldenaar van een der partijen zijn; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (6°) indien een crimineel geding is gevoerd tussen hen en een van de partijen, of hun echtgenoten, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (7°) indien er een burgerlijk geding hangende is tussen de rechter, zijn echtgenoot, hun bloedverwanten in de opgaande en de nederdalende lijn of hun aanverwanten in dezelfde lijn, en een van de partijen, en dat geding, indien het door de partij is ingesteld, begonnen is vóór het geding waarin de wraking wordt voorgedragen; indien dat geding, ingeval het afgehandeld is, binnen zes maanden vóór de wraking afgedaan is; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (8°) indien de rechter voogd, toeziende voogd of curator, [1 bewindvoerder]1, begiftigde of vermoedelijk erfgenaam, meester of vennoot van een der partijen is; indien hij beheerder of commissaris is van enigerlei instelling, vennootschap of vereniging die partij is in het geding; indien een der partijen zijn begiftigde of vermoedelijke erfgenaam is; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (9°) indien de rechter raad gegeven, gepleit of geschreven heeft over het geschil; indien hij daarvan vroeger kennis heeft genomen als rechter of als scheidsrechter, behalve indien hij in dezelfde aanleg: <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  1. heeft medegewerkt aan een vonnis of een uitspraak alvorens recht te doen;
  2. na uitspraak te hebben gedaan bij verstek, van de zaak kennis neemt op verzet;
  3. na uitspraak te hebben gedaan op een voorziening, later van dezelfde zaak kennis neemt in verenigde kamers;
  (10°) indien de rechter heeft deelgenomen aan een vonnis in eerste aanleg en hij van het geschil kennis neemt in hoger beroep; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (11°) indien hij als getuige is opgetreden; indien hij, sedert de aanvang van het geding, door een partij op haar kosten ontvangen is of geschenken van haar heeft aangenomen; <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (12°) indien er tussen hem en een van de partijen een hoge graad van vijandschap bestaat; indien er zijnerzijds aanrandingen, mondelinge of schriftelijke beledigingen of bedreigingen hebben plaatsgehad sinds de aanleg van het geding of binnen zes maanden vóór de voordracht van de wraking. <W 2001-06-10/75, art. 4, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  [2 13° wegens tegenstrijdigheid van belangen.]2
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 161, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2016-12-25/14, art. 79, 148; Inwerkingtreding : 09-01-2017>

  Art. 829. De bepalingen betreffende de wraking van rechters gelden voor raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken of in handelszaken.
  De raadsheer of de rechter in sociale zaken of in handelszaken kan bovendien worden gewraakt:
  1° indien hij met een van de partijen verbonden is geweest door een arbeidsovereenkomst;
  2° indien hij lid is geweest van het personeel, of van het bestuur- of beheersorgaan van een rechtspersoon met wie een van de partijen verbonden is geweest door een arbeidsovereenkomst.

  Art. 830.Er is geen reden tot wraking in de gevallen waarin de rechter verwant is aan de voogd, de curator, [1 of de bewindvoerder]1 van een van beide partijen, of aan de beheerders of commissarissen van een instelling, vennootschap of vereniging die partij is in de zaak, tenzij de bedoelde voogden, beheerders of betrokkenen een afzonderlijk of persoonlijk belang hebben.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 162, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 831. Iedere rechter die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet zich van de zaak onthouden.

  Art. 832. De redenen waarom een rechter kan worden gewraakt, gelden voor het openbaar ministerie, tenzij het als hoofdpartij in het geschil optreedt.

  Art. 833. Hij die een wraking wil voordragen, moet dit doen voor de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvorens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven.

  Art. 834. Tegen rechters aangesteld voor een plaatsopneming, een getuigenverhoor of een andere verrichting kan, op straffe van verval, geen wraking worden voorgedragen dan binnen drie dagen, die ingaan:
  1° indien het vonnis op tegenspraak gewezen is, op de dag van het vonnis;
  2° indien het vonnis bij verstek gewezen is en geen verzet gedaan is, op de dag dat de termijn voor verzet verstrijkt;
  3° indien het vonnis bij verstek gewezen is en verzet gedaan is, op de dag dat het verzet, zelfs bij verstek, afgewezen is.

  Art. 835. <W 2003-12-22/42, art. 375, 069; Inwerkingtreding : 10-01-2004> Op straffe van nietigheid wordt de vordering tot wraking ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte die de middelen bevat en ondertekend wordt door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven.

  Art. 836. De akte van wraking wordt binnen vierentwintig uren door de griffier overhandigd aan de gewraakte rechter.
  Deze is gehouden binnen twee dagen onderaan op die akte een verklaring te stellen, luidens welke hij in de wraking berust of weigert zich van de zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen van wraking.

  Art. 837. Te rekenen van de dag van de mededeling aan de rechter worden alle vonnissen en verrichtingen geschorst (behalve wanneer de vordering niet uitgaat van een partij of van het openbaar ministerie). <W 2003-12-22/42, art. 376, 069; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  Indien een van de partijen evenwel beweert dat de verrichting spoedeisend is en dat vertraging gevaar oplevert, kan zij aan de voorzitter van de rechtbank of aan de eerste voorzitter van het hof vragen het tussengeschil op de zitting te brengen; de griffier roept de partijen op bij gerechtsbrief.
  De eerste voorzitter of de voorzitter die de aanvraag inwilligt, beveelt dat een andere rechter zal optreden. (Wanneer de wraking van een onderzoeksrechter wordt gevorderd, beveelt de eerste voorzitter of de voorzitter, op vordering van het openbaar ministerie, dat een andere rechter zal optreden.) <W 2001-06-10/75, art. 6, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (De in het eerste lid bedoelde schorsing van vonnissen en verrichtingen neemt een einde wanneer de rechten die verschuldigd zijn krachtens artikel 269.1 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, niet zijn betaald binnen acht dagen te rekenen van de toezending bedoeld in artikel 838, eerste lid.) <W 2000-06-30/47, art. 43, 052; Inwerkingtreding : 27-03-2001>

  Art. 838.(Binnen drie dagen na het antwoord van de rechter die weigert zich van de zaak te onthouden of bij gebreke van een antwoord binnen die termijn, zendt de griffier de akte van wraking en de verklaring van de rechter, indien er een is, aan de procureur des Konings wanneer het een vrederechter of een rechter van de politierechtbank betreft, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep wanneer het een lid van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel betreft, aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie wanneer het een lid van het hof van beroep of van het arbeidshof betreft of wanneer het een lid van het Hof van Cassatie betreft.) <W 1998-03-12/38, art. 7, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
  (Over de wraking wordt binnen acht dagen in laatste aanleg uitspraak gedaan door de rechtbank van eerste aanleg, door het hof van beroep, door het arbeidshof of door het Hof van Cassatie, naar gelang van het geval, op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen om hun opmerkingen te horen.) <W 1998-03-12/38, art. 7, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
  (lid 3 opgeheven) <W 2007-04-26/71, art. 25, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  (lid 4 opgeheven) <W 2007-04-26/71, art. 25, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  [1 Binnen achtenveertig uren na de beslissing brengt de griffier deze ter kennis van de partijen bij gerechtsbrief. De termijn om cassatieberoep in te stellen, begint te lopen vanaf deze kennisgeving.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 5, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 839. Indien de wrakende partij geen bewijs door geschrifte of geen begin van bewijs levert van de wrakingsgronden, kan de rechtbank de wraking verwerpen op de eenvoudige verklaring van de rechter dan wel een getuigenbewijs bevelen.

  Art. 840. Indien de wraking verworpen is, mag de rechter, indien daartoe redenen zijn, schadevergoeding van de partij vorderen. Zulke vordering mag slechts worden toegelaten, indien hij er zich van onthouden heeft in de zaak zitting te nemen.

  Art. 841. Erkent de gewraakte rechter de feiten waarop zijn wraking gegrond is, of worden die feiten bewezen, dan wordt hem bevel gegeven zich van de zaak te onthouden.
  Indien de wraking wordt toegestaan, wordt de rechter die geweigerd heeft zich van de zaak te onthouden, verwezen in de kosten.

  Art. 842. <W 2001-06-10/75, art. 8, 056; Inwerkingtreding : 02-10-2001> Het vonnis of arrest dat een vordering tot wraking van een rechter heeft verworpen, belet niet dat een nieuwe vordering wordt ingesteld wegens feiten die zich sedert de uitspraak voorgedaan hebben.12/38, art. 8, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>

  Art. 843. (Opgeheven) <W 1998-03-12/38, art. 8, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>

  Art. 844. (Opgeheven) <W 1998-03-12/38, art. 8, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>

  Art. 845. (Opgeheven) <W 1998-03-12/38, art. 8, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>

  Art. 846. (Opgeheven) <W 1998-03-12/38, art. 8, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12

  Art. 847. (Opgeheven) <W 1998-03-12/38, art. 8, 037, Inwerkingtreding : 1998-04-12>

  HOOFDSTUK VI. Ontkentenis van proceshandelingen.

  Art. 848. Ingeval een proceshandeling wordt verricht namens een persoon, buiten iedere wettelijke vertegenwoordiging, zonder dat deze die handeling, zelfs stilzwijgend, heeft gelast, toegelaten of bekrachtigd, kan hij de rechter verzoeken die handeling van onwaarde te verklaren.
  Dit geldt eveneens voor de reeds gedane onderzoeksverrichtingen en voor de beslissingen gewezen ingevolge de van onwaarde verklaarde handeling.
  De andere partijen in het geding kunnen dezelfde vordering indienen, tenzij de persoon namens wie de handeling is verricht, deze bekrachtigt of te bekwamer tijd bevestigt.

  Art. 849. Wanneer de zaak voor de rechter aanhangig is in eerste of tweede aanleg, wordt de in artikel 848 bedoelde vordering tot ontkentenis gedaan volgens de regels van de tussenkomst.
  Blijft er een rechtsmiddel mogelijk, dan kan de vordering tot ontkentenis ingediend worden samen met dit rechtsmiddel.
  In de andere gevallen wordt de vordering tot ontkentenis ingediend samen met de herroeping van het gewijsde zoals gezegd wordt in artikel 1134.
  Iedere vordering tot ontkentenis wordt aan het openbaar ministerie medegedeeld.
  Degenen tegen wie de vordering tot ontkentenis is toegewezen, kan worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de eiser en jegens de andere partijen.

  Art. 850. De rechter kan, op verzoek van een partij, weigeren rekening te houden met de aanbieding, erkenning of toestemming die niet gewettigd is door de handtekening van degene van wie zij uitgaat of van zijn bijzondere gemachtigde.

  HOOFDSTUK VII. _ Excepties.

  Eerste afdeling. _ Exceptie van borgstelling van de eisende vreemdeling.

  Art. 851. Behalve wanneer Staten bij verdrag hebben bedongen dat hun onderdanen ontslagen zijn van borgstelling ter voldoening aan het vonnis, zijn alle vreemdelingen als hoofdeiser of tussenkomende partij gehouden, indien de Belgische verweerder het vó6r enige exceptie vordert, borg te stellen voor de betaling van de uit het geding voortvloeiende kosten en schadevergoedingen waarin zij kunnen worden verwezen. De verweerder kan borgstelling vorderen, zelfs voor het eerst in hoger beroep, indien hij aldaar gedaagd wordt.

  Art. 852. Het vonnis waarbij borgstelling wordt bevolen, bepaalt tot welk beloop dit zal geschieden. Het kan de borg ook door enige andere zekerheid vervangen. De eiser wordt ontslagen van het stellen van de gevorderde zekerheid, indien hij de bepaalde som in consignatie geeft, indien hij aantoont dat zijn onroerende goederen in België voldoende zijn om die som daaraan te verhalen of indien hij een pand geeft overeenkomstig artikel 2041 van het Burgerlijk Wetboek. In de loop van het geding kan de rechtbank, op verzoek van een partij, het bedrag van de som of de aard van de verstrekte zekerheid wijzigen.

  Afdeling II. _ Opschortende exceptie van boedelbeschrijving en beraad.

  Art. 853. (De erfgenaam kan) vragen dat het geding wordt geschorst tot het verstrijken van de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad en (hij kan zijn verweermiddelen) en excepties eerst na het verstrijken van de termijnen voordragen. <W 14-07-1976, art. 24>

  Afdeling III. _ Excepties van onbevoegdheid.

  Art. 854. De onbevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, moet worden voorgedragen voor alle exceptie of verweer behalve wanneer zij van openbare orde is.

  Art. 855. De partij mag de bevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, alleen afwijzen in zover zij meedeelt welke rechter volgens haar bevoegd is.

  Art. 856. In geval van aanhangigheid of van samenhang moet de vordering tot verwijzing worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 854 en 855.
  Indien de samenhangende zaken voor een zelfde rechter aanhangig zijn, kunnen zij, zelfs ambtshalve, worden gevoegd.

  Afdeling IV. _ Opschortende exceptie bij oproeping tot vrijwaring.

  Art. 857. Wanneer er grond is tot oproeping tot vrijwaring, bepaalt de rechter te dien einde een termijn, alsmede de zitting waarop hij die tot vrijwaring opgeroepen is moet verschijnen.
  In spoedeisende gevallen kan de rechter de termijnen van dagvaarding verkorten, zoals bepaald is in artikel 708.

  Art. 858. Indien de verweerder, na het verstrijken van de termijn gegeven voor de oproeping tot vrijwaring, niet aantoont dat hij de vordering tot vrijwaring heeft ingesteld, kan hij worden veroordeeld tot schadevergoeding en wordt op de oorspronkelijke vordering recht gedaan.

  Art. 859. Indien de oorspronkelijke vordering en de vordering tot vrijwaring tegelijk in staat van wijzen zijn, wordt daarop gezamenlijk recht gedaan; anders kan de oorspronkelijke eiser zijn vordering afzonderlijk doen berechten; indien de twee vorderingen zijn gevoegd, beslist hetzelfde vonnis over de splitsing, met dien verstande dat, na het vonnis over de hoofdzaak, recht wordt gedaan op de vrijwaring, indien daartoe grond bestaat.

  Afdeling V. _ Excepties van nietigheid.

  Art. 860.[1 Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, noch kan het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, worden gesanctioneerd, indien de wet de sanctie niet uitdrukkelijk heeft bevolen]1.
  De termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden zijn evenwel voorgeschreven op straffe van verval.
  De andere termijnen worden slechts dan op straffe van verval bepaald wanneer de wet het voorschrijft.
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 22, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 861.[1 De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven sanctioneren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.]1
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 23, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 862.
  <Opgeheven bij W 2015-10-19/01, art. 24, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 863.<hersteld bij W 2006-07-10/39, art. 23, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 16)> In alle gevallen waarin de ondertekening vereist is voor de geldigheid van een proceshandeling kan het gebrek van de handtekening worden geregulariseerd ter zitting of binnen een door de rechter vastgestelde termijn.

  Art. 864.[1 De nietigheid die tegen een proceshandeling kan worden ingeroepen of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, zijn gedekt indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel worden voorgedragen.]1
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 25, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 865.<W 2007-04-26/71, art. 26, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007> De regels van artikel 864 en van artikel [1 861]1 zijn niet van toepassing op het in artikel 860, tweede lid, bedoelde verval.
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 26, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 866. De proceshandelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een ministerieel ambtenaar, komen te zijnen laste; hij kan bovendien worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de partij.

  Art. 867.
  <Opgeheven bij W 2015-10-19/01, art. 27, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Afdeling VI. _ Berechting van excepties.

  Art. 868. De opschortende excepties worden tegelijk voorgedragen en wel vóór elk verweer aangaande de zaak zelf.
  De exceptie van zekerheidstelling van de eisende vreemdeling en de exceptie van boedelbeschrijving en van beraad moeten evenwel vóór alle andere worden voorgedragen.

  Art. 869. Behoudens de gevallen van artikel 868 en onverminderd de regeling van de bevoegdheid, gesteld in de artikelen 639 tot 644, kan de rechter de excepties bij de hoofdzaak voegen en de partijen gelasten alle rechtsmiddelen tegelijk voor te dragen.
  Van de wettelijke bepalingen betreffende het taalgebruik in gerechtszaken wordt niet afgeweken.

  HOOFDSTUK VIII. _ Bewijs.

  Eerste Afdeling. _ Voorafgaande bepalingen.

  Art. 870. Iedere partij moet het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.

  Art. 871. De rechter kan niettemin aan iedere gedingvoerende partij bevelen het bewijsmateriaal dat zij bezit, over te leggen.

  Art. 872.[1 In de in [2 hoofdstuk Xbis bedoelde aangelegenheden kan de rechter]2 van het openbaar ministerie vorderen, wanneer de zaak aan het advies van deze ambtenaar mag worden onderworpen, inlichtingen in te winnen omtrent de punten die [2 zij]2 op beperkende wijze aangeeft.
   De akten van dit onderzoek worden op de griffie neergelegd en bij het dossier van de rechtspleging gevoegd. De griffier brengt zulks ter kennis van de partijen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 155, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 69, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 873. De rechtbank of de rechter aan wie een ambtelijke opdracht wordt gericht, is verplicht die te doen uitvoeren.
  Evenwel mag de ambtelijke opdracht van een vreemde rechterlijke overheid enkel worden uitgevoerd na machtiging van de minister van Justitie, tenzij de internationale verdragen anders bepalen.
  De rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel waaraan een ambtelijke opdracht wordt gegeven, kan een rechter van gelijke of lagere graad aanwijzen om de bevolen verrichtingen te doen.

  Art. 874. De ambtelijke opdrachten worden gericht aan een rechtbank of aan een rechter van gelijke of lagere graad.

  Art. 875. Wanneer een onderzoeksmaatregel door de rechter bevolen niet binnen de gestelde termijnen is uitgevoerd, kan de meest gerede partij in alle aangelegenheden de zaak opnieuw ter zitting brengen om te doen beslissen als naar recht.

  Art. 875bis.[1 Behalve wanneer de maatregel betrekking heeft op het vervuld zijn van een ontvankelijkheidsvoorwaarde, kan de rechter een onderzoeksmaatregel slechts bevelen nadat de betrokken vordering ontvankelijk werd verklaard.
   De rechter beperkt de keuze van de onderzoeksmaatregel en de inhoud van die maatregel tot wat volstaat om het geschil op te lossen, mede in het licht van de verhouding van de verwachte kosten van de maatregel tot de inzet van het geschil en waarbij de meest eenvoudige, snelle en goedkope maatregel de voorkeur geniet.]1
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 28, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 876. De rechtbank berecht het aanhangige geschil volgens de bewijsregels die van toepassing zijn op de aard van het geschil.

  Afdeling II. _ Overlegging van stukken.

  Art. 877. Wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, kan de rechter bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

  Art. 878. Indien een derde het stuk onder zich heeft, verzoekt de rechter deze vooraf het origineel of een afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging te voegen op de wijze en binnen de termijn die hij bepaalt.
  De derde kan zijn opmerkingen bij geschrifte of in raadkamer voordragen.
  De partijen mogen er inzage van nemen en er op antwoorden.
  Het verzoek van de rechter wordt door de griffier aan de derde gezonden bij gerechtsbrief.

  Art. 879. Het vonnis waarbij de overlegging van het origineel of van een afschrift van een stuk wordt bevolen, vermeldt de identiteit van de partij of van de derde die het moet overleggen en bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn dit moet geschieden.
  Indien het stuk in afschrift moet worden overgelegd, vermeldt het vonnis bovendien de overheid die de juistheid ervan moet bevestigen en, indien daartoe grond bestaat, het voorschot dat de eiser in het tussengeschil in handen van de griffier moet storten.

  Art. 880. Het vonnis wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan partijen en in voorkomend geval aan de derde.
  Het is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.

  Art. 881. De Koning stelt regels omtrent de inning en de eventuele teruggave van het in artikel 879 bedoelde voorschot, alsmede omtrent de betaling van de kosten van afschrift.

  Art. 882. Partijen of derden die zonder wettige reden nalaten het stuk zelf of het afschrift over te leggen volgens de beslissing van de rechter, kunnen worden veroordeeld tot zodanige schadevergoeding als behoort.

  Art. 882bis.
  <Opgeheven bij W 2015-12-18/40, art. 3, 142; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling III. _ Schriftonderzoek.

  Art. 883. De vordering tot schriftonderzoek wordt ingesteld in de vorm van een hoofdvordering of van een tussenvordering.
  De rechter voor wie de hoofdvordering aanhangig is, is bevoegd om uitspraak te doen op de tussengeschillen inzake schriftonderzoek, die opkomen in de voor hem gebrachte geschillen.

  Art. 884. In geval van een hoofdvordering of een tussenvordering tot schriftonderzoek beveelt de rechter aan de partijen voor hem te verschijnen, in voorkomend geval bijgestaan door hun advocaten, en gelast hij hen alle titels, documenten en stukken van vergelijking mee te brengen.
  De oproeping wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de partijen gericht.

  Art. 885. Indien de verweerder inzake schriftonderzoek het geschrift of de handtekening aanstonds erkent, geeft de rechter hiervan akte aan de eiser en doet hij proces-verbaal opmaken.
  De kosten van de vordering of van het tussengeschil blijven in dat geval ten laste van de eiser.

  Art. 886. Indien de verweerder niet verschijnt, ofschoon hij regelmatig is opgeroepen, kan de rechter, na tegen hem verstek te hebben verleend, het geschrift voor erkend houden.

  Art. 887. Ingeval de ondertekenaar van het te onderzoeken stuk overleden is en degenen onder zijn erfgenamen die verschijnen, het geschrift of de handtekening erkennen of ontkennen, wordt tegen degenen die niet verschijnen, opgetreden zoals bepaald is in artikel 752.

  Art. 888. Indien de verweerder verschijnt en het geschrift of de handtekening loochent of niet erkent, parafeert de rechter het te onderzoeken stuk, alsmede de door de partijen overgebrachte titels, documenten en stukken van vergelijking. Hij doet de griffier alle processen-verbaal opmaken, die hij samen met hem en met de partijen ondertekent.

  Art. 889. De rechter kan de zaak onmiddellijk behandelen, indien hem blijkt dat zij zonder meer kan worden berecht.
  Anders beveelt de rechter dat het te onderzoeken stuk, alsmede de voorgebrachte titels, documenten en stukken van vergelijking op de griffie worden neergelegd. Van die neerlegging wordt proces-verbaal opgemaakt.
  In dat geval besluit de rechter tot alle dienstige onderzoeksmaatregelen, die hij zelf verricht of onder zijn leiding doet verrichten. Hij kan met name aan de verweerder een aantal woorden als schrijfproef dicteren.

  Art. 890. Indien de overlegging van stukken van vergelijking die in handen zijn van partijen, bewaarders of andere personen, dienstig blijkt, kan de rechter bevelen dat die stukken zullen worden overgebracht naar de griffie van de rechtbank of naar een andere plaats door hem aangewezen voor het verrichten van de onderzoeksmaatregelen die hij heeft voorgeschreven.
  Ingeval de stukken kunnen worden overgebracht of neergelegd, beslist de rechter dat de bewaarders bij het schriftonderzoek tegenwoordig moeten zijn om de stukken op elke zitting te vertonen, of dat zij die enkel in handen van de griffier moeten geven.
  De rechter schrijft de wijze van aflevering voor van de afschriften of fotocopiën die de partijen of de houders zich door de griffier kunnen laten afgeven en die worden gelegd in de plaats van de minuten of van de originelen totdat de stukken zijn teruggeleverd, alsmede alle andere maatregelen betreffende het afgeven van uitgiften, onder verplichting daarvan melding te maken in het proces-verbaal.
  Indien het een openbaar bewaarder betreft, worden de stukken vooraf gefotografeerd en een fotografische afdruk wordt met het origineel vergeleken door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, die daarvan proces-verbaal opmaakt; de afdruk wordt door de bewaarder bij zijn minuten gelegd om in de plaats te treden van de stukken totdat deze worden teruggezonden, en hij mag uitgiften daarvan afgeven met vermelding van het proces-verbaal dat is opgemaakt.
  De kosten van het afschrift of van de fotocopie worden door de eiser van het schriftonderzoek aan de partijen of de houders van de stukken terugbetaald volgens de begroting van de rechter.

  Art. 891. Indien de deskundigen het voor het technisch onderzoek nodig achten dat de te onderzoeken stukken en de stukken van vergelijking hun worden ter hand gesteld, vragen zij dit aan de rechter.
  Indien de rechter het verzoek inwilligt, beveelt hij alle geschikte maatregelen om de bewaring en de teruglevering van die stukken te verzekeren.

  Art. 892. De griffiers mogen geen afschrift of uitgifte afgeven van de akten waarvan het geschrift geloochend of ontkend is en die ter griffie zijn neergelegd, dan krachtens een beschikking door de rechter op verzoekschrift gegeven, de partijen vooraf gehoord. Tegen de beschikking staat geen voorziening open.
  Op gewoon verzoek van de rechthebbenden wordt uitgifte of afschrift afgegeven van de akten waarvan de originelen of de minuten zijn neergelegd als stukken van vergelijking of die, zonder zelf aan het schriftonderzoek te zijn onderworpen, bij de betwiste akte zijn gevoegd. De griffiers innen in dat geval de rechten die aan de bewaarders van de originelen en van de minuten verschuldigd zijn.
  Indien de bewaarders afdrukken van de neergelegde akten hebben gemaakt overeenkomstig artikel 890, hebben alleen zij het recht om uitgifte uit te reiken.

  Art. 893. De rechter doet uitspraak, zonder mogelijkheid van voorziening, over alle vraagstukken betreffende de wijze van onderzoek, zoals die met betrekking tot het overleggen van de stukken van vergelijking, de plaats waar het schriftonderzoek geschiedt, de bewaring en de teruglevering van de stukken.

  Art. 894. De uitgifte van het vonnis inzake schriftonderzoek wordt door de griffier binnen vijftien dagen na de dagtekening van dat vonnis aan de procureur des Konings gezonden.

  Afdeling IV. _ Valsheidsprocedure.

  Eerste onderafdeling_ Algemene bepalingen.

  Art. 895. Tegen valsheid kan worden opgekomen bij een hoofdvordering of bij een tussenvordering.
  De rechter voor wie de hoofdvordering aanhangig is, is bevoegd om uitspraak te doen in de valsheidsincidenten die opkomen in de voor hem gebrachte geschillen.

  Art. 896. De valsheidsvordering moet de middelen inzake valsheid nauwkeurig opgeven.
  Zij wordt ontvangen, ook al is omtrent het van valsheid betichte stuk een schriftonderzoek ingesteld en al is het voor erkend en echt gehouden.

  Art. 897. In geval van een tussenvordering wegens valsheid in burgerlijke zaken stelt de rechter voor wie de hoofdvordering aanhangig is, zijn uitspraak hierover uit, indien geen uitspraak kan worden gedaan zonder rekening te houden met het van valsheid betichte stuk.

  Art. 898. In geval van een hoofdvordering of een tussenvordering wegens valsheid in burgerlijke zaken beveelt de rechter de partijen voor hem te verschijnen, in voorkomend geval bijgestaan door hun advocaten, en gelast hij de verweerder het van valsheid betichte stuk over te leggen.
  De griffier zendt de oproeping aan de partijen bij gerechtsbrief.

  Art. 899. Indien de verweerder niet verschijnt, ofschoon hij regelmatig is opgeroepen, kan de rechter, na tegen hem verstek te hebben verleend, beslissen dat het van valsheid betichte stuk niet kan worden ingeroepen tegen de eiser.

  Art. 900. Indien de verweerder verschijnt en verklaart dat hij zich niet van het stuk wil bedienen ten opzichte van de eiser, geeft de rechter aan de eiser akte daarvan en doet hij proces-verbaal opmaken.
  De kosten van de vordering of van het tussengeschil blijven in dat geval ten laste van de eiser.

  Art. 901. Indien de verweerder verschijnt en verklaart dat hij zich van het stuk wil bedienen ten opzichte van de eiser, parafeert de rechter het stuk en beveelt hij dat het op de griffie zal worden neergelegd. Hij doet de griffier de processen-verbaal opmaken, die hij samen met hem en de partijen ondertekent.

  Art. 902. De rechter kan de zaak onmiddellijk behandelen, indien hem blijkt dat zij zonder meer kan worden berecht.
  Anders besluit de rechter tot alle dienstige onderzoeksmaatregelen, die hij zelf verricht of onder zijn leiding doet verrichten overeenkomstig de bepalingen betreffende het schriftonderzoek.

  Art. 903. Ingeval het van valsheid betichte stuk in minuut verleden is, beveelt de rechter aan de verweerder of aan de bewaarder van de minuut het stuk neer te leggen op de griffie of op een andere plaats, door hem aangewezen voor het verrichten van de onderzoeksmaatregelen die hij heeft bevolen.
  De rechter bepaalt de termijn voor die neerlegging.
  Is de minuut in handen van een openbaar bewaarder, dan wordt zij vooraf gefotografeerd en een fotografische afdruk, op de kant waarvan de griffier melding maakt van de valsheidsvordering, wordt met het origineel vergeleken door de voorzitter van de rechtbank, die daarvan proces-verbaal opmaakt; de afdruk wordt door de bewaarder bij zijn minuten gelegd om in de plaats ervan te treden totdat over de valsheid vonnis gewezen is en hij mag daarvan grossen en uitgiften afgeven met vermelding van het proces-verbaal dat is opgemaakt.
  De rechter schrijft alle maatregelen voor betreffende de afdrukken die gelegd worden in de plaats van de minuten of van de originelen totdat de stukken zijn teruggeleverd, alsmede alle andere maatregelen betreffende het afgeven van grossen of uitgiften, onder verplichting om daarvan melding te maken in het proces-verbaal.
  De kosten van de kopie worden door de eiser inzake valsheid aan de bewaarder terugbetaald volgens de begroting van de rechter.

  Art. 904. Indien de rechter het stuk vals verklaart, maakt de griffier melding van het vonnis op de kant van het vals verklaarde stuk. Van deze kanttekening wordt proces-verbaal opgemaakt.
  De rechter die het stuk vals verklaart, beveelt de inbeslagneming ervan.
  Dat stuk wordt, met een afschrift van het vonnis van valsverklaring, door de griffier binnen vijftien dagen na de dagtekening van dat vonnis, aan de procureur des Konings gezonden.

  Art. 905. De eiser inzake valsheid die in het ongelijk wordt gesteld, kan bij het vonnis over de vordering worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de partij.

  Art. 906. Afstand of dading betreffende een valsheidsprocedure moet, op straffe van nietigheid, worden gehomologeerd door de rechter voor wie de valsheidsvordering aanhangig is, het openbaar ministerie gehoord.

  Onderafdeling 2. _ Procedure inzake valsheidsincident vóór het Hof van Cassatie.

  Art. 907. Het is iedere partij in een cassatiegeding toegelaten om een in dit geding regelmatig overlegd stuk van valsheid te betichten, wanneer de valsheid ten onrechte verwerping of toewijzing van de voorziening ten gevolge kan hebben.
  In het cassatiegeding kunnen alleen die stukken van valsheid worden beticht waartegen zulke betichting niet mogelijk is geweest vóór het gerecht in hoogste feitelijke aanleg of waarvan de valsheid geen grond kan opleveren voor herroeping van het gewijsde.

  Art. 908. De valsheidsvordering wordt ingesteld bij verzoekschrift, ondertekend door de partij en door de advocaat bij het Hof van Cassatie die voor haar optreedt in het geding.
  Het verzoekschrift wijst nauwkeurig het van valsheid betichte stuk aan en vermeldt de aangevoerde middelen inzake valsheid.
  Het verzoekschrift wordt vóór de indiening betekend aan de verweerder in de valsheidsprocedure, met aanmaning om binnen de bij de wet bepaalde termijn te verklaren of hij zich van het van valsheid betichte stuk wil bedienen, en met dagvaarding om voor het hof te verschijnen ten einde te horen beslissen over de gegrondheid van de valsheidsvordering.

  Art. 909. Binnen vijftien dagen te rekenen van de betekening van het verzoekschrift geeft de verweerder in de valsheidsprocedure zijn antwoord te kennen door afgifte op de griffie van een verklaring, welke ondertekend is door hem en door de advocaat bij het Hof van Cassatie die voor hem optreedt in het geding, en welke vooraf betekend is aan de eiser.

  Art. 910. Indien de verweerder in de valsheidsprocedure niet antwoordt binnen de bij de wet bepaalde termijn, of verklaart zich niet van het van valsheid betichte stuk te willen bedienen, beveelt het hof dat het stuk uit het geding wordt gehouden.
  Ingeval de verweerder verklaard heeft zich niet van het van valsheid betichte stuk te willen bedienen, wordt de eiser veroordeeld in de kosten van het tussengeschil.

  Art. 911. Inden de verweerder verklaart zich te willen bedienen van het stuk, doet het hof uitspraak over de toewijsbaarheid van de vordering, de opmerkingen van de advocaten gehoord.
  Indien het hof de vordering afwijst, veroordeelt het bij hetzelfde arrest de eiser tot de kosten van het tussengeschil.
  Indien het hof het verzoekschrift ontvangt en de vordering toewijst, verwijst het bij hetzelfde arrest de partijen naar een gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als het gerecht dat de door de cassatievoorziening bestreden beslissing heeft gewezen.

  Art. 912. Ingeval het hof de vordering toewijst, stelt het de uitspraak op de cassatievoorziening uit, totdat over het tussengeschil een eindbeslissing is gegeven.

  Art. 913. Het gerecht in hoogste feitelijke aanleg waarnaar de zaak is verwezen, doet uitspraak op de valsheidsvordering in de vorm bepaald bij de artikelen 898, 899 en 902 tot 906.

  Art. 914. Een uitgifte van de beslissing van het gerecht in hoogste feitelijke aanleg waarnaar de zaak is verwezen, wordt door de griffier aan de griffie van het Hof van Cassatie gezonden om bij het dossier van het oorspronkelijke cassatiegeding te worden gevoegd.

  Afdeling V. _ Getuigenverhoor.

  Eerste onderafdeling_ Vonnis waarbij getuigenverhoor wordt toegestaan.

  Art. 915. Indien een partij aanbiedt het bewijs van een bepaald en ter zake dienend feit te leveren door een of meer getuigen, kan de rechter die bewijslevering toestaan, indien het bewijs toelaatbaar is.

  Art. 916. De rechter kan ambtshalve gelasten dat voor de feiten bewijs wordt geleverd dat hem afdoende voorkomt, tenzij de wet hem dit verbiedt.
  Hij kan in dat geval de namen opgeven van de getuigen die zullen worden gehoord op de plaats, de dag en het uur door hem bepaald.

  Art. 917. De rechter die het getuigenverhoor toestaat of beveelt, vermeldt in zijn vonnis:
  1° de feiten waarvan hij het bewijs toelaat;
  2° de plaats, de dag en het uur van de zitting in raadkamer waarop het getuigenverhoor zal worden gehouden.

  Art. 918. Het getuigenverhoor wordt gehouden door de rechters die het hebben toegestaan of bevolen of door de rechter die in het vonnis is aangewezen.

  Art. 919. Het vonnis waarbij het getuigenverhoor wordt toegestaan of bevolen, is niet vatbaar voor verzet.
  De griffier geeft er aan de partijen kennis van bij gerechtsbrief.

  Art. 920. Indien het vonnis waarbij het getuigenverhoor wordt toegestaan of bevolen, in hoger beroep wordt bevestigd en er voor het hof geen reden is om de zaak aan zich te trekken, wordt het getuigenverhoor vastgesteld en gehouden door de rechter waartoe de meest gerede partij zich wendt bij gewoon verzoekschrift.
  De beschikking wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen.

  Art. 921. Tegenbewijs staat van rechtswege vrij, zelfs wanneer het getuigenverhoor ambtshalve wordt gelast.
  Het tegenverhoor gebeurt op de plaats, de dag en het uur die de rechter ambtshalve, of op verzoek van de belanghebbende partij, vaststelt.
  Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie, ten laatste dertig dagen na de verzending van het proces-verbaal van het verhoor.
  Het verzoekschrift en de beschikking daarop worden door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan de partijen of, in voorkomend geval, aan hun advocaat.

  Art. 922. De partij die een getuigenverhoor laat houden, dient aan de griffier een lijst van de getuigen te zenden, ten minste vijftien dagen vóór de zitting waarop het verhoor zal worden gehouden.
  Deze lijst bevat de vermelding van de identiteit van de getuigen en wordt ter griffie neergelegd in evenveel exemplaren als er partijen in het geding zijn; de griffier maakt de lijst bij gerechtsbrief aan de andere partijen buiten de verzoeker bekend.

  Onderafdeling 2_ Verschijning van getuigen.

  Art. 923. De getuigen worden ten minste acht dagen vóór de dag van hun verhoor opgeroepen door de griffier. Bij de oproeping wordt een eensluidend verklaard afschrift van het beschikkende gedeelte van het vonnis gevoegd, doch alleen betreffende de feiten waarvan het bewijs is toegelaten en de bepaling van de plaats, de dag en het uur van het verhoor. De oproeping bevat bovendien de tekst van de artikelen 924 tot 936.
  De getuigen kunnen ook worden gehoord op gewoon bericht van de partij die er de griffier kennis van geeft.

  Art. 924. Indien een getuige aantoont dat het hem onmogelijk is te verschijnen, kan de rechter, hetzij een andere dag voor het verhoor bepalen, hetzij besluiten ter plaatse te gaan om het getuigenis af te nemen, hetzij een ambtelijke opdracht geven. Deze opdracht kan ook geschieden wanneer de getuige op een te ver verwijderde plaats verblijft.

  Art. 925. Indien een door de griffier opgeroepen getuige niet verschijnt, kan de rechter op verzoek van een partij bevelen dat de getuige bij deurwaardersexploot zal worden gedagvaard.
  De rechter bepaalt de plaats, de dag en het uur van de zitting waarop de getuige zal worden gehoord.

  Art. 926. Een gedagvaarde getuige die niet verschijnt, wordt bij beschikking van de rechter veroordeeld tot een geldboete van honderd frank tot tienduizend frank, onverminderd de schadevergoeding voor de partij.
  De beschikking wordt aan de getuige betekend met dagvaarding om te verschijnen binnen de gewone dagvaardingstermijn ten einde te worden gehoord op de zitting die de rechter aanwijst.

  Art. 927. Een veroordeelde getuige die later verschijnt, kan, na zijn getuigenis, door de rechter geheel of ten dele worden ontheven van de tegen hem gewezen veroordeling. Hij wordt hiervan ontheven, indien hij bewijst dat hij niet op de gestelde dag heeft kunnen verschijnen.

  Art. 928. De in artikel 926 bepaalde (geldboete) is mede van toepassing op de getuige die zonder wettige reden weigert de eed af te leggen of te getuigen. <W 15-7-1970, art. 35>

  Art. 929. Indien de getuige aanvoert dat hij een wettige reden heeft om te worden ontslagen van het afleggen van de eed of het getuigenis en indien een van de partijen vordert dat hij het zal doen, beslist de rechter over het tussengeschil. Als wettige reden wordt ondermeer beschouwd het beroepsgeheim waarvan de getuige bewaarder is.
  De rechter mag geen veroordeling uitspreken dan na het verweer van de getuige en de toelichting van de partijen te hebben gehoord.

  Art. 930. De kosten die voortvloeien uit het niet-verschijnen van de getuige, uit zijn ongewettigde weigering om de eed af te leggen of te getuigen, blijven in ieder geval te zijnen laste; zij worden door de rechter begroot.

  Art. 931.[1 De minderjarige beneden de volle leeftijd van vijftien jaar mag niet onder ede worden gehoord. Zijn verklaringen gelden enkel als inlichtingen.
   Onverminderd artikel 1004/1, mogen bloedverwanten in nederdalende lijn niet worden gehoord in zaken waarin hun bloedverwanten in opgaande lijn tegengestelde belangen hebben.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 156, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 932. De partij kan afzien van het verhoor van een getuige die op haar verzoek is opgeroepen.
  Niettemin kan een andere partij die bij het getuigenverhoor tegenwoordig is, vorderen dat die getuige wordt gehoord.

  Onderafdeling 3. _ Verhoor van getuigen.

  Art. 933. De getuigen worden afzonderlijk gehoord, ongeacht of de partijen tegenwoordig zijn.

  Art. 934. Alvorens te worden gehoord, doet de getuige opgave van zijn naam, voornaam, beroep, plaats en datum van geboorte en woonplaats.
  (Hij legt de volgende eed af :
  "Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen"
   of :
   "Je jure en honneur et conscience de dire tout la vérité, rien que la vérité."
   of :
  "Ich schwöre auf Ehre und Gewissen, die ganze Wahrheit und nur die Wahrheit zu sagen".) <W 27-05-1975, art. 8>

  Art. 935. De getuige legt zijn getuigenis af zonder dat hij een geschreven opstel mag voorlezen.
  Eerst na de opmerkingen van partijen te hebben gehoord, mag de rechter de getuige machtigen of verzoeken, indien daartoe grond bestaat, om inzage te nemen van de stukken die voor zijn getuigenis dienstig kunnen zijn.

  Art. 936. De partij mag de getuige niet in de rede vallen, noch hem rechtstreeks toespreken, maar moet zich richten tot de rechter.

  Art. 937. De rechter ondervraagt de getuige, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van een van de partijen, over zijn graad van bloed- of aanverwantschap met de partijen, alsmede over de feiten die hem persoonlijk betreffen en invloed kunnen hebben op zijn getuigenis. De ondervraging kan met name slaan op de volgende feiten :
  1° het persoonlijk belang van de getuige bij de oplossing van het geschil;
  2° zijn hoedanigheid van vermoedelijk erfgenaam of van begiftigde van een partij;
  3° de overhandiging van getuigschriften of de verklaringen door de getuige afgelegd betreffende het geding;
  4° het contract van vennootschap, van huur van goederen of van werk dat de getuige met een partij heeft gesloten; zijn hoedanigheid van hiërarchische meerdere of mindere van een partij;
  5° het geschil dat een getuige met een partij mocht hebben of de veroordeling die tegen hem mocht zijn gewezen op klacht of op verzoek van die partij.

  Art. 938. De rechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een partij, aan de getuige alle vragen stellen waardoor het getuigenis kan worden verduidelijkt of aangevuld.
  De rechter kan bevelen dat de door de getuige overgelegde stukken in origineel of in afschrift bij het dossier van de rechtspleging worden gevoegd. Het afschrift wordt zo nodig terstond gemaakt door toedoen van de griffier.

  Art. 939. Het getuigenis wordt op schrift gesteld.
  Het wordt voorgelezen en aan de getuige wordt gevraagd of hij daarin volhardt.
  Bij deze voorlezing en in voorkomend geval na de opmerkingen van de partijen, kan de getuige daarin zodanige verbeteringen en toevoegingen aanbrengen als hem goeddunkt; zij worden onder of op de kant van het getuigenis geschreven; zij worden evenals het getuigenis voorgelezen en in het proces-verbaal wordt daarvan melding gemaakt.
  Het getuigenis, alsmede de aangebrachte verbeteringen en toevoegingen, worden ondertekend door de getuige, de rechter en de griffier; indien de getuige niet wil of niet kan tekenen, wordt daarvan melding gemaakt.

  Art. 940. Er mogen geen andere getuigen worden gehoord dan degene die aangezegd zijn overeenkomstig artikel 922.

  Art. 941. Niettemin kan de rechter, indien het hem tijdens het getuigenverhoor gevraagd wordt door een partij, aan deze toestaan om andere getuigen voor te brengen onder opgave van hun naam, voornaam, beroep en woonplaats, voor zover uit de reeds gehoorde getuigenissen volgt dat het horen van die getuigen kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen.
  De beschikking wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen en de getuigen worden opgeroepen zoals bepaald is in artikel 923.

  Art. 942. De rechter kan in de loop van het getuigenverhoor, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een partij, de getuigen confronteren of opnieuw horen.

  Art. 943. Ingeval het getuigenverhoor niet kan worden afgedaan in een enkele zitting, zet de rechter de zitting voort op de dag en het uur door hem bepaald. De getuigen worden hiertoe opgeroepen staande de vergadering, of zoals bepaald is in artikel 923. De partijen die niet verschenen zijn, worden door de griffier ervan verwittigd bij gewone brief.

  Art. 944. De beschikkingen gegeven tijdens het getuigenverhoor zijn niet vatbaar voor verzet; hoger beroep vó6r het eindvonnis kan alleen worden ingesteld indien bij die beschikkingen veroordelingen zijn opgelegd.

  Onderafdeling 4. _ Sluiting van getuigenverhoor en vonnis.

  Art. 945. De rechter beveelt de sluiting van het getuigenverhoor zodra de desbetreffende verrichtingen gedaan zijn. De verrichtingen worden als gedaan beschouwd wanneer hetzij de getuigen gehoord zijn, hetzij de wettelijke formaliteiten vervuld zijn.
  Hij hoort de conclusies van de partijen staande de vergadering, of bepaalt de plaats, de dag en het uur van de zitting waarop zij zullen worden gehoord.
  In dat geval geeft de griffier aan de niet verschenen partijen bij gerechtsbrief kennis van de rechtsdag.

  Art. 946. <W 15-7-1970, art. 36> De rechter die het getuigenverhoor heeft gehouden, neemt zitting wanneer er uitspraak wordt gedaan over de uitslag van de getuigenissen, tenzij hij verhinderd is.
  Indien verscheidene rechters het getuigenverhoor hebben gehouden geldt de regel van het eerste lid alleen voor de laatste onder die rechters.
  Die regel is niet van toepassing op de rechter die een getuigenis bij ambtelijke opdracht heeft afgenomen.

  Art. 947. Indien het getuigenverhoor geheel of ten dele nietig is, kan de rechter, totdat de debatten gesloten worden, zelfs ambtshalve bevelen dat het getuigenverhoor wordt heropend in de mate die hij bepaalt en nodig acht om de waarheid aan de dag te brengen.
  Het vonnis waarbij heropening van het getuigenverhoor wordt bevolen, is niet vatbaar voor verzet. Het wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen.

  Onderafdeling 5. _ Proces-verbaal van getuigenverhoor.

  Art. 948. Van ieder getuigenverhoor wordt proces-verbaal opgemaakt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 949 en 950.

  Art. 949. Het proces-verbaal vermeldt :
  1° de partijen in het geding, de dag en het uur van de zitting, het verschijnen of het verstek van partijen en getuigen, de verdaging met opgave van dag en uur indien zulks bevolen wordt;
  2° de beslissingen en beschikkingen door de rechter genomen tijdens het getuigenverhoor; indien de beschikkingen niet rechtstreeks in het proces-verbaal worden opgetekend, wordt de desbetreffende akte erbij gevoegd;
  3° de verzoeken en verklaringen door de partijen tijdens het getuigenverhoor gedaan, indien de geldigheid van een proceshandeling ervan afhangt of indien een van hen vordert dat daarvan akte wordt genomen;
  4° de naam, de voornaam, het beroep, de plaats en datum van geboorte en de woonplaats van de gehoorde personen, hun eed en getuigenis, alsmede hun andere verklaringen of verzoeken;
  5° de datum waarop het getuigenverhoor gesloten is en, indien daartoe grond bestaat, de dag en het uur van de zitting waarop de partijen zullen worden gehoord;
  6° de lijst van de stukken die er bijgevoegd zijn.

  Art. 950. Het proces-verbaal wordt achteraf ondertekend door de rechter en de griffier, alsmede door de partijen indien zij het willen of kunnen; in geval van weigering wordt daarvan melding gemaakt.

  Art. 951. Een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de partijen gezonden. Daarbij wordt een eensluidend verklaard afschrift van de aan het proces-verbaal gehechte beschikkingen gevoegd, indien zij nog niet betekend zijn of ter kennis gebracht.
  (Een niet ondertekend afschrift van het proces-verbaal wordt door de griffier bij gewone brief aan de advocaten van de partijen toegezonden.) <W 1982-04-21/40, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 1990-06-30>

  Onderafdeling 6. _ Woordelijke opname van getuigenverhoor.

  Art. 952. Iedere partij kan verzoeken dat alle vragen, verklaringen, aanmaningen en antwoorden, in de loop van het getuigenverhoor geuit, woordelijk worden opgenomen; dit verzoek moet echter alleen worden ingewilligd, indien het ten minste acht dagen vó6r de aanvang van het getuigenverhoor schriftelijk op de griffie gedaan is.
  Wanneer de partij rechtsbijstand heeft bekomen, kan zij als zodanig enkel de woordelijke opname van het getuigenverhoor vorderen, indien die mogelijkheid wordt verleend bij de beslissing waarbij op het verzoek om rechtsbijstand beschikt werd, of door de rechter die het getuigenverhoor houdt.
  De griffier kiest voor de woordelijke opname iemand uit de personen die daartoe zijn erkend. De Koning bepaalt de regels van erkenning, alsmede de geoorloofde procédés voor woordelijke opname. Ieder stenografisch, mechanisch of ander procédé voor opname van het gesprokene mag worden aangewend, op voorwaarde dat aldus een getrouwe en zekere weergave wordt verkregen.
  (De persoon, aangewezen voor het opnemen van het verhoor, legt bij de aanvang ervan de volgende eed of :
   "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen."
   of :
   "Je jure de remplir ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité."
   of :
   "Ich schwöre, den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich zu erfüllen".) <W 27-05-1974, art. 9>
  De woordelijke opname mag gebruikt worden bij het opmaken van het proces-verbaal.
  (De overschrijving van het woordelijk opgenomene, eensluidend en volledig verklaard door de opnemer van het verhoor, wordt enkel als inlichting gevoegd bij het proces-verbaal. Zij wordt bij een eensluidend verklaard afschrift door de griffier ter kennis gebracht van de partijen, en een niet-ondertekend afschrift ervan wordt door de griffier, bij gewone brief, aan de advocaten van de partijen toegezonden. In geval van tegenstrijdigheid heeft het proces-verbaal bewijskracht.) <W 1982-04-21/40, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 30-06-1990>
  De aantekeningen of de materialen die gediend hebben om het gesprokene op te nemen, worden ter griffie neergelegd, na verzegeling door de opnemer en door de griffier.
  De griffier doet ze vernietigen na verloop van tien jaar tenzij een van de partijen de rechter of de rechtbank die het getuigenverhoor heeft bevolen, verzoekt om verlenging van die termijn.

  Onderafdeling 7. _ Kosten van getuigenverhoor.

  Art. 953. De partij die vraagt dat een getuige zal worden gehoord, is gehouden vóór dat verhoor een voorschot ten belope van het getuigengeld en van de terugbetaling der kosten aan de griffier in consignatie te geven. In de loop van het verhoor kan een aanvullend voorschot worden geëist, indien daartoe grond bestaat.
  De partij die vraagt dat het verhoor woordelijk zal worden opgenomen, moet eveneens een voorschot storten in verhouding tot de kosten welke die opname medebrengt.
  (De consignatie van het voorschot moet worden verricht door de partij die volgens bijzondere wetten of artikel 1017, tweede lid, steeds in de kosten wordt verwezen.) <W 6-7-1979, enig artikel>
  Indien de partij nalaat het aldus vereiste voorschot te storten, wordt zij, naar gelang van het geval, geacht af te zien hetzij van het horen van de getuige, hetzij van de woordelijke opname van het verhoor.
  Dit artikel is niet van toepassing wanneer de partij die een voorschot verschuldigd is, rechtbijstand geniet.

  Art. 954. Aan iedere getuige, zelfs al verschijnt hij vrijwillig, wordt gevraagd of hij getuigengeld verlangt.
  Het getuigengeld wordt door de rechter toegekend.

  Art. 955. De Koning stelt regels voor de inning en de teruggave van de voorschotten bedoeld in artikel 953, eerste en tweede lid. Hij bepaalt de wijze waarop het getuigengeld wordt betaald. Hij bepaalt tevens het tarief van de woordelijke opname van de verklaringen.

  Onderafdeling 8. _ Geldigheid van getuigenverhoor en bewijskracht van getuigenissen.

  Art. 956. De nietigheid van een proceshandeling gaat niet over op het getuigenverhoor, tenzij dit verhoor zelf nietig is.
  De nietigheid van het getuigenverhoor heeft geen nietigheid van de getuigenissen ten gevolge, indien deze niet aangetast zijn door een eigen gebrek.

  Art. 957. De nietigheid van de rechtspleging, zelfs wegens onbevoegdheid van de rechter, heeft niet tot gevolg dat het getuigenverhoor dat op tegenspraak is gehouden tijdens deze rechtspleging, nietig is.
  De nietigverklaring van de getuigenissen heeft niet tot gevolg dat het getuigenverhoor voor het overige nietig is.

  Art. 958. De rechter kan in de loop van het getuigenverhoor zelfs ambtshalve voorzien in iedere nietigheid ten aanzien van vorm of inhoud waardoor een handeling in de verhoorprocedure is aangetast; hij kan met name een onregelmatig verhoor opnieuw beginnen of aanvullen.

  Art. 959. Het geldige getuigenis kan in iedere rechtspleging tussen dezelfde partijen worden toegelaten als getuigenbewijs in de zin van de artikelen 1341 tot en met 1348 van het Burgerlijk Wetboek.

  Art. 960. Een getuigenis dat op tegenspraak tussen dezelfde partijen afgenomen is voor een Belgisch gerecht, opgenomen in de vorm zoals bij dat gerecht gebruikelijk is en niet aangetast door een nietigheid als vermeld in artikel 961, 1° tot 3° , kan als getuigenbewijs worden toegelaten.

  Art. 961. Nietig is het getuigenis :
  1° dat uitgaat van een persoon die onbekwaam is om in rechte te getuigen;
  2° dat niet onder ede is afgenomen;
  3° dat afgenomen is met miskenning van de rechten van de verdediging;
  4° dat niet in het proces-verbaal opgenomen is in de vorm voorgeschreven bij artikel 939.

  Afdeling Vbis - [1 Overlegging van schriftelijke verklaringen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-16/04, art. 4, 117; Inwerkingtreding : 13-08-2012>

  Art. 961/1. [1 Zo het getuigenbewijs toelaatbaar is, mag de rechter van derden verklaringen in schriftelijke vorm aannemen die hem inzicht kunnen verschaffen in de betwiste feiten waarvan zij persoonlijk weet hebben.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-16/04, art. 5, 117; Inwerkingtreding : 13-08-2012>

  Art. 961/2. [1 De schriftelijke verklaringen worden door de partijen of op verzoek van de rechter overgelegd. De rechter bezorgt aan de partijen deze verklaringen die hem rechtstreeks worden toegezonden.
   De schriftelijke verklaringen moeten worden opgesteld door personen die aan de vereiste voorwaarden voldoen om als getuige te worden gehoord.
   De schriftelijke verklaring bevat het relaas van de feiten waarbij de opsteller ervan aanwezig was of die hij zelf heeft vastgesteld.
   De schriftelijke verklaring vermeldt de naam, de voornamen, de geboortedatum en -plaats, de woonplaats en het beroep van de opsteller ervan alsook, zo nodig, diens graad van bloed- of aanverwantschap met de partijen, of er sprake is van ondergeschiktheid tegenover de partijen, of ze samenwerken dan wel of ze gemeenschappelijke belangen hebben.
   De schriftelijke verklaring vermeldt voorts dat ze is opgesteld voor overlegging aan de rechtbank en dat de opsteller ervan weet heeft van het feit dat hij zich door een valse verklaring aan straffen blootstelt.
   De schriftelijke verklaring wordt geschreven, gedagtekend en door de opsteller ervan ondertekend. Hij moet daaraan als bijlage het origineel of een fotokopie toevoegen van elk officieel document dat zijn identiteit aantoont en waarop zijn handtekening voorkomt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-16/04, art. 6, 117; Inwerkingtreding : 13-08-2012>

  Art. 961/3. [1 De rechter kan van de opsteller van de schriftelijke verklaring te allen tijde een verhoor afnemen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-16/04, art. 7, 117; Inwerkingtreding : 13-08-2012>

  Afdeling VI. _ Deskundigenonderzoek.

  Onderafdeling 1. Algemene bepaling. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 3; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>

  Art. 962.De rechter kan, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, deskundigen gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven.
  [1 De rechter kan daarbij de deskundigen aanwijzen waarover partijen het eens zijn. Hij kan van de keuze van de partijen slechts afwijken bij een met redenen omklede beslissing.
   Behoudens overeenstemming tussen de partijen, geven de deskundigen alleen advies over de in het vonnis bepaalde opdracht.]1
  (Hij is niet verplicht het advies van de deskundigen te volgen, indien het strijdig is met zijn overtuiging.) <W 2007-05-15/62, art. 4, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 20, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 963.[1 § 1. Met uitzondering van de beslissingen genomen met toepassing van de artikelen 971, 979, 987, eerste lid, en 991, zijn de belissingen die het verloop van de procedure van het deskundigenonderzoek regelen niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.
   § 2. De beslissingen die het onderwerp kunnen zijn van een gewoon rechtsmiddel in de zin van § 1 zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep. In afwijking van artikel 1068, eerste lid, maakt het hoger beroep tegen deze beslissingen de andere aspecten van het geschil zelf niet aanhangig bij de rechter in hoger beroep.]1
  ----------
  (1)<Hersteld bij W 2009-12-30/14, art. 21, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 964.[1 Wanneer de rechter meerdere deskundigen aanstelt, kan hij een coördinerende deskundige aanstellen.
   De coördinerende deskundige heeft als opdracht de werkzaamheden van de door de rechter aangestelde deskundigen te coördineren en te pogen alle partijen te verzoenen, overeenkomstig artikel 977.
   De coördinerende deskundige bereidt in voorkomend geval de installatievergadering zoals voorzien in artikel 972 voor. Op die vergadering doet hij ook de nodige voorstellen voor het verder verloop van de werkzaamheden van de door de rechter aangestelde deskundigen en voor het pogen te verzoenen van alle partijen.
   De coördinerende deskundige is onderworpen aan alle bepalingen van dit Wetboek die van toepassing zijn op de deskundigen.]1
  ----------
  (1)<W 2017-06-08/09, art. 2, 152; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 965. (Opgeheven) <W 2007-05-15/62, art. 5, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>

  Onderafdeling 2. Wraking van de deskundigen. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 6; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>

  Art. 966. De deskundigen kunnen worden gewraakt om dezelfde redenen als de rechters.

  Art. 967. Iedere deskundige die weet dat er enige reden van wraking tegen hem bestaat, is ertoe gehouden zulks onverwijld aan de partijen mee te delen en zich van de zaak te onthouden indien de partijen hem geen vrijstelling verlenen.

  Art. 968. De deskundige die de partijen kiezen, kan alleen worden gewraakt om redenen die ontstaan zijn of bekend geworden zijn sedert zijn aanwijzing.

  Art. 969. <W 2007-05-15/62, art. 7, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> Na de installatievergadering, of, bij gebreke daarvan, na aanvang van de werkzaamheden van de deskundige, mag geen wraking meer worden voorgedragen tenzij de partij eerst nadien kennis heeft gekregen van de wrakingsgronden.

  Art. 970. De partij die middelen van wraking wil aanvoeren, moet ze voordragen in een verzoekschrift aan de rechter die de deskundige heeft aangewezen, tenzij deze zich zonder formaliteiten onthoudt.
  Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen acht dagen nadat de partij kennis heeft gekregen van de redenen van de wraking.

  Art. 971.De griffier zendt bij gerechtsbrief een eensluidend afschrift van de akte van wraking aan de gewraakte deskundige; tevens bericht hij hem dat hij binnen acht dagen moet verklaren of hij in de wraking berust dan wel of hij ze betwist.
  De wraking wordt toegestaan, indien de deskundige erin berust of ze onbeantwoord laat; wanneer de deskundige de wraking betwist, doet de rechter uitspraak, nadat hij de partijen en de deskundige in raadkamer heeft gehoord.
  Wordt de wraking verworpen, dan kan de partij die ze heeft voorgedragen, veroordeeld worden tot schadevergoeding jegens de deskundige indien deze dit vordert; in dit laatste geval echter kan hij geen deskundige blijven in de zaak.
  [1 ...]1
  [1 In het geval van het tweede lid en het derde lid, in fine, wijst de rechter ambtshalve de nieuwe deskundige aan, tenzij de partijen op het ogenblik van het vonnis overeengekomen zijn over de keuze van een deskundige. De rechter kan evenwel van de keuze van de partijen afwijken bij een met redenen omklede beslissing.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 22, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Onderafdeling 3. Verloop van het deskundigenonderzoek. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 8; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>

  Art. 972.<W 2007-05-15/62, art. 9, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> § 1. De beslissing waarbij het deskundigenonderzoek wordt bevolen, bevat minstens :
  - de vermelding van de omstandigheden die het deskundigenonderzoek, en de eventuele aanstelling van meerdere deskundigen noodzaken;
  - de vermelding van de identiteit van de aangestelde deskundige of deskundigen;
  - een [1 nauwkeurige]1 omschrijving van de opdracht van de deskundige;
  - [1 ...]1
  De kennisgeving van deze beslissing door de griffier gebeurt overeenkomstig artikel 973, § 2, [3 derde en vierde lid]3 [1 , tenzij alle partijen die verschenen zijn om een opschorting van de kennisgeving hebben verzocht, voor de beslissing waarbij het deskundigenonderzoek wordt bevolen, is genomen. In het geval van een opschorting kan elke partij op elk ogenblik om een kennisgeving van de beslissing verzoeken.]1.
  [1 Na de kennisgeving beschikt de deskundige over acht dagen om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren. De deskundige geeft hiervan kennis bij een ter post aangetekende brief aan de partijen die verstek laten gaan en bij gewone brief, per fax of elektronische post aan de verschenen partijen en hun raadslieden evenals aan de rechter. In dat geval maken de partijen binnen de acht dagen bij gewone brief hun eventuele opmerkingen over aan de rechter die daarna een nieuwe deskundige aanwijst. Van deze beslissing wordt kennis gegeven overeenkomstig artikel 973, § 2, [3 zesde lid]3.
  [2 Onverminderd de toepassing van artikel 967 en van het derde lid, deelt de deskundige binnen dezelfde termijn van acht dagen in elk geval de feiten en omstandigheden mee op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid. Het derde lid, met uitzondering van de eerste zin, is van overeenkomstige toepassing. Indien de rechter het aangewezen acht, wijst hij een nieuwe deskundige aan.]2
   Indien er geen installatievergadering werd bepaald, beschikt de deskundige na de kennisgeving overeenkomstig het tweede lid of, in voorkomend geval, na kennisgeving van de consignatie van het voorschot overeenkomstig artikel 987, over vijftien dagen teneinde de plaats, de dag en het uur van de aanvang van zijn werkzaamheden mee te delen. De deskundige geeft hiervan kennis bij een ter post aangetekende brief aan de partijen en bij gewone brief aan de rechter en de raadslieden.]1
  § 2. [1 In de beslissing waarbij het deskundigenonderzoek wordt bevolen, bepaalt de rechter een installatievergadering als hij het noodzakelijk acht of indien alle verschijnende partijen het hebben gevraagd.
   De rechter bepaalt de plaats, de dag en het uur van de installatievergadering na samenspraak met de deskundige, en rekening houdend met artikel 972bis, § 1, tweede lid.
   De installatievergadering vindt plaats in de raadkamer, of in enige andere plaats die de rechter naar gelang van de aard van het geschil aanwijst.
   De aanwezigheid van de deskundige op de installatievergadering is vereist, tenzij de rechter dit niet nodig acht en een telefonisch contact of een contact via enig ander telecommunicatiemiddel volstaat.
   In het geval van een niet toegestane afwezigheid in de zin van het vierde lid, oordeelt de rechter onmiddellijk over zijn vervanging overeenkomstig artikel 979. Bij een vervanging wordt onverwijld een nieuwe installatievergadering georganiseerd zoals bepaald in het tweede lid. Van deze beslissing wordt kennis gegeven overeenkomstig artikel 973, § 2, [3 zesde lid]3.
   De rechter die het deskundigenonderzoek heeft bevolen of met de controle ervan is belast, zit de installatievergadering voor.
   De na afloop van de installatievergadering genomen beslissing vermeldt :
   1° de eventuele aanpassing van de opdracht, ingeval partijen het daarover eens zijn;
   2° de plaats, de dag, en het uur van de verdere werkzaamheden van de deskundige;
   3° de noodzaak voor de deskundige om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers;
   4° de raming van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek, of tenminste de manier waarop de kosten en het ereloon van de deskundige en de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden;
   5° in voorkomend geval, het bedrag van het voorschot dat moet worden geconsigneerd, de partij of partijen die daartoe gehouden zijn en de termijn waarbinnen de consignatie dient te gebeuren;
   6° het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige, de partij of partijen die daartoe gehouden zijn en de termijn waarbinnen de vrijgave van het voorschot dient te gebeuren;
   7° de termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande het voorlopig advies van de deskundige;
   8° de termijn voor het neerleggen van het eindverslag.
   Bij gebreke van een installatievergadering vermeldt de rechter in zijn beslissing waarbij hij het deskundigenonderzoek beveelt, ten minste de elementen bepaald in 3°, 4°, 5°, 6° en 8°. Hij kan de andere elementen vermelden. De rechter neemt voor de elementen waartoe hij dit nodig acht en voorafgaand aan zijn beslissing contact op met de aan te wijzen deskundige.
   De kennisgeving van deze beslissing door de griffier gebeurt overeenkomstig artikel 973, § 2, [3 derde en het vierde lid]3.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 23, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2016-12-25/14, art. 80, 148; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (3)<W 2017-06-08/09, art. 3, 152; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 972bis.<ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 10; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> § 1. De partijen zijn verplicht mee te werken aan het deskundigenonderzoek. Bij gebreke daarvan kan de rechter daaruit de conclusies trekken die hij geraden acht.
  [1 De partijen overhandigen ten minste acht dagen voor de installatievergadering en, bij gebreke daarvan, bij de aanvang van de werkzaamheden, een geïnventariseerd dossier met alle relevante stukken aan de deskundige.]1
  § 2. De oproeping voor verdere werkzaamheden gebeurt overeenkomstig artikel 972, § 1, laatste lid, tenzij de deskundige van de partijen en de raadslieden toestemming heeft gekregen om gebruik te maken van een andere oproepingswijze.
  Indien alle partijen of hun raadslieden om uitstel verzoeken, dan moet de deskundige dit toestaan. In alle andere gevallen kan hij het uitstel weigeren of toestaan en geeft hij de rechter bij gewone brief kennis van zijn beslissing.
  De deskundige stelt een verslag op van de vergaderingen die hij organiseert. Hij stuurt bij gewone brief een afschrift ervan aan de rechter, de partijen en de raadslieden, en, in voorkomend geval, bij een ter post aangetekende brief aan de partijen die verstek hebben laten gaan.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 24, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 973.<W 2007-05-15/62, art. 11, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> § 1. De rechter die het deskundigenonderzoek heeft bevolen of de daartoe aangewezen rechter volgt het verloop van het onderzoek op en ziet er met name op toe dat de termijnen worden nageleefd en dat de tegenspraak in acht wordt genomen.
  De rechter kan om redenen van hoogdringendheid de in deze onderafdeling bepaalde termijnen inkorten of de deskundigen ontslaan van bepaalde oproepingswijzen.
  De deskundigen vervullen hun opdracht onder toezicht van de rechter, die te allen tijde ambtshalve of op verzoek van de partijen de werkzaamheden kan bijwonen. De griffier verwittigt hiervan bij gewone brief de deskundigen, de partijen en de raadslieden en in voorkomend geval, bij gerechtsbrief, de partijen die verstek hebben laten gaan.
  § 2. Alle betwistingen die in de loop van het deskundigenonderzoek met betrekking tot dit onderzoek ontstaan tussen de partijen of tussen de partijen en de deskundigen, met inbegrip van het verzoek tot vervanging van de deskundigen en van elke betwisting aangaande de uitbreiding of de verlenging van de opdracht, worden door de rechter beslecht.
  De partijen en de deskundigen kunnen zich daartoe bij gewone brief, met vermelding van de redenen, tot de rechter wenden. De rechter gelast onmiddellijk de oproeping van de partijen en de deskundigen.
  [2 De griffier geeft binnen acht dagen bij gewone brief kennis van de oproeping aan de partijen, hun raadslieden en de deskundige.
   In afwijking van het derde lid geeft de griffier binnen acht dagen kennis van de oproeping bij gerechtsbrief :
   1° aan de partijen die verstek hebben laten gaan;
   2° aan de gerechtsdeskundigen van wie de vervanging wordt gevraagd of betwist;
   3° aan de gerechtsdeskundigen die het voorwerp zijn van een vraag tot uitbreiding of verlenging van hun opdracht, of van een betwisting van die vraag.]2
  De verschijning in raadkamer vindt plaats binnen een maand na de oproeping. De rechter doet binnen acht dagen uitspraak bij met redenen omklede beslissing.
  De kennisgeving van deze beslissing door de griffier gebeurt overeenkomstig [2 het derde en vierde lid]2. In geval van een verzoek tot vervanging [1 , weigering van de opdracht door de deskundige of ongewettigde afwezigheid van de deskundige tijdens de installatievergadering]1, gebeurt de kennisgeving naargelang van het geval aan de deskundige wiens taak is bevestigd of aan de deskundige die van zijn taak is ontheven en de nieuw aangestelde deskundige.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 25, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2017-06-08/09, art. 4, 152; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 974.<W 2007-05-15/62, art. 12, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> § 1. Indien de termijn voor het indienen van het eindverslag op meer dan zes maanden is bepaald, bezorgt de deskundige om de zes maanden een tussentijds verslag over de stand van zaken aan de rechter, de partijen en de raadslieden. Deze stand van zaken vermeldt :
  - de reeds uitgevoerde werkzaamheden;
  - de werkzaamheden die uitgevoerd zijn sinds het laatste tussentijds verslag;
  - de nog uit te voeren werkzaamheden.
  § 2. [1 Alleen de rechter mag de termijn voor het indienen van het eindverslag verlengen. De deskundige kan zich daartoe vóór het verstrijken van die termijn tot de rechter wenden met opgave van de redenen waarom de termijn zou moeten worden verlengd. Van dit verzoek wordt kennis gegeven overeenkomstig artikel 973, § 2, [2 derde en vierde lid]2, behalve aan de verzoekende deskundige. De partijen bezorgen binnen de acht dagen hun eventuele opmerkingen. De rechter kan overeenkomstig artikel 973, § 2, de verschijning van de partijen en de deskundigen gelasten.]1
  De rechter weigert de verlenging wanneer hij van oordeel is dat die niet redelijk verantwoord is. Hij motiveert deze beslissing.
  § 3. Bij overschrijding van de vooropgestelde termijn en bij gebreke van tijdig ontvangen verzoek tot verlenging gelast de rechter ambtshalve de oproeping overeenkomstig artikel 973, § 2.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 26, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2017-06-08/09, art. 5, 152; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 975. (Opgeheven) <W 2007-05-15/62, art. 13, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>

  Art. 976.[1 Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de deskundige zijn bevindingen, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, ter lezing aan de rechter, aan de partijen en aan hun raadslieden. Tenzij de rechter vooraf een termijn heeft vastgesteld, bepaalt de deskundige, rekening houdende met de aard van het geschil, een redelijke termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen moeten maken. Behoudens andersluidende beslissing van de rechter of door de deskundige in zijn voorlopig advies bedoelde bijzondere omstandigheden, bedraagt die termijn ten minste vijftien dagen.
   De deskundige ontvangt de opmerkingen van de partijen en van hun technische raadgevers voor het verstrijken van deze termijn. De deskundige houdt geen rekening met de opmerkingen die hij te laat ontvangt. De rechter kan deze ambtshalve uit de debatten weren.
   Wanneer de deskundige na ontvangst van de opmerkingen van de partijen nieuwe verrichtingen onontbeerlijk acht, verzoekt hij de rechter daarvoor om toestemming overeenkomstig artikel 973, § 2.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 27, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 977.<W 2007-05-15/62, art. 15, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> § 1. De deskundige poogt de partijen te verzoenen.
  [1 Indien de partijen zich verzoenen, wordt hun overeenkomst schriftelijk vastgelegd. De partijen kunnen handelen overeenkomstig artikel 1043.]1
  § 2. De vaststelling van verzoening [1 ...]1 en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige, worden ter griffie neergelegd.
  Op de dag van de neerlegging van de vaststelling van verzoening zendt de deskundige bij een ter post aangetekende brief een afschrift van de vaststelling van verzoening en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon aan de partijen, en bij gewone brief aan hun raadslieden.
  [1 De originele stukken die de partijen aan de deskundige bezorgden, worden hen terugbezorgd.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 28, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 978.<W 2007-05-15/62, art. 16, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> § 1. Het eindverslag wordt gedagtekend en vermeldt de tegenwoordigheid van de partijen bij de werkzaamheden, hun mondelinge verklaringen en hun vorderingen. Het bevat bovendien een opgave van de stukken en nota's die de partijen aan de deskundigen hebben overhandigd; het mag de tekst ervan slechts overnemen in zoverre dat nodig is voor de bespreking.
  Het verslag wordt op straffe van nietigheid door de deskundige ondertekend.
  [2 ...]2.
  § 2. De minuut van het verslag [1 ...]1 en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige, worden ter griffie neergelegd.
  Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige bij een ter post aangetekende brief een afschrift van het verslag en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon aan de partijen, en bij gewone brief aan hun raadslieden.
  [1 De originele stukken die de partijen aan de deskundige bezorgden, worden hen terugbezorgd.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 29, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2014-04-10/90, art. 6, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 979.<W 2007-05-15/62, art. 17, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> § 1. Indien een partij hierom verzoekt, kan de rechter de deskundige die zijn opdracht niet naar behoren vervult, vervangen.
  [1 Indien de partijen hier gezamenlijk en gemotiveerd om verzoeken, moet de rechter de deskundige vervangen. Dit verzoek wordt aan de rechter gericht bij gewone brief en deze doet uitspraak binnen de acht dagen zonder oproeping of verschijning van partijen. De rechter kan daarbij de deskundigen aanwijzen waarover de partijen het eens zijn. Hij kan van de keuze van de partijen enkel afwijken op een met redenen omklede wijze. Van deze beslissing van de rechter wordt kennis gegeven overeenkomstig artikel 973, § 2, [2 zesde lid]2.]1
  Indien geen van de partijen hierom verzoekt, kan de rechter ambtshalve in artikel 973, § 2, bedoelde oproeping gelasten.
  De rechter motiveert de beslissing tot vervanging en gaat onmiddellijk over tot de aanstelling van een nieuwe deskundige.
  § 2. De vervangen deskundige legt binnen vijftien dagen ter griffie de stukken en nota's van de partijen en een gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon neer.
  Op de dag van de neerlegging zendt de deskundige bij een ter post aangetekende brief een afschrift van de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon aan de partijen, en bij gewone brief aan hun raadslieden.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 30, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2017-06-08/09, art. 6, 152; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 980. <W 2007-05-15/62, art. 18, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> Wanneer het deskundigenonderzoek is bevolen bij verstek ten aanzien van een of meer partijen, kunnen deze zonder verdere formaliteiten deel hebben aan elke stand van het deskundigenonderzoek, hetzij door er bij aanwezig te zijn of zich te laten vertegenwoordigen, hetzij door schriftelijke opmerkingen te laten kennen.
  In dat geval verlopen ten aanzien van die partijen het onderzoek en de verdere rechtspleging op tegenspraak en kunnen die partijen tegen de voorgaande beslissingen en handelingen geen verzet aantekenen.

  Art. 981. <W 2007-05-15/62, art. 19, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> Het deskundigenonderzoek kan niet tegengeworpen worden aan de partij die gedwongen tussenkomt nadat de deskundige zijn voorlopig advies heeft verstuurd, tenzij zij van het middel van de niet-tegenwerpbaarheid afziet.
  De derde die tussenkomst kan niet eisen dat reeds gedane werkzaamheden in zijn bijzijn worden overgedaan, tenzij hij aantoont daar belang bij te hebben.

  Art. 982. <W 2007-05-15/62, art. 20, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> De rechter stelt slechts één deskundige aan, tenzij het nodig acht om meerdere deskundigen aan te stellen.
  De deskundigen maken één enkel verslag op, zij geven één enkel advies bij meerderheid van stemmen. Bij verschil van mening vermelden zij de onderscheiden meningen met de gronden ervan. Het verslag wordt door alle deskundigen ondertekend.
  Voor verscheidene deskundigen in een zelfde zaak wordt een gedetailleerde gezamenlijke staat van de kosten en het ereloon opgemaakt, met een duidelijke opgave van ieders aandeel.

  Art. 983. <W 2007-05-15/62, art. 21, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> De griffier stuurt bij gewone brief een afschrift van het eindvonnis naar de deskundige.

  Onderafdeling 4. Beperkte tussenkomst van de deskundigen. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 22; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>

  Art. 984. <W 2007-05-15/62, art. 22, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> Indien de rechter in het verslag niet voldoende opheldering vindt, kan hij een aanvullend onderzoek door dezelfde deskundige ofwel een nieuw onderzoek door een andere deskundige bevelen.
  De nieuwe deskundige mag aan de vroeger benoemde deskundige de inlichtingen vragen die hij dienstig acht.

  Art. 985.[1 De rechter kan de deskundige ter zitting horen. De deskundige, de partijen en hun raadslieden worden ter zitting opgeroepen overeenkomstig artikel 973, § 2, [3 derde en vierde lid]3.
   De deskundige mag zich bij het verhoor van stukken bedienen. Indien de deskundige dit nuttig acht, kan hij de partijen of hun raadslieden voor het verhoor een kopie van die documenten bezorgen, of ze ter griffie neerleggen. Deze stukken worden door de deskundige uiterlijk na het verhoor ter griffie neergelegd. De partijen of hun raadslieden kunnen de ter griffie neergelegde stukken raadplegen.
  [2 ...]2.
   De verklaringen van de deskundige worden vermeld in een proces-verbaal dat de rechter, de griffier en hijzelf ondertekenen na lezing en eventuele opmerkingen.
   Het ereloon en de kosten van de deskundige worden door de rechter onmiddellijk begroot onderaan het proces-verbaal met bevel tot tenuitvoerlegging ten laste van de partij of partijen die hij aanwijst en in de verhouding die hij bepaalt. Deze bedragen zullen in de eindbeslissing als gerechtskosten worden begroot.
   Op verzoek van de deskundige of van de partijen kan de rechter hun technische raadgevers horen. Dit gebeurt onder dezelfde voorwaarden zoals bepaald in het eerste, tweede en vierde lid.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 31, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2014-04-10/90, art. 7, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (3)<W 2017-06-08/09, art. 7, 152; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 986.<W 2007-05-15/62, art. 25, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> [1 De rechter kan een deskundige aanwijzen die aanwezig moet zijn bij een onderzoeksmaatregel die hij heeft bevolen om technische toelichting te verstrekken. De rechter kan eveneens een deskundige aanwijzen om mondeling verslag te doen op de daartoe vastgestelde zitting. De rechter kan deze deskundigen gelasten tijdens hun verhoor stukken over te leggen die dienstig zijn voor de oplossing van het geschil.]1
  De deskundige mag zich van stukken bedienen. [1 Deze stukken worden na de tussenkomst van de deskundige ter griffie neergelegd. De partijen of hun raadslieden kunnen hiervan kennis nemen.]1
  [2 ...]2.
  Van de verklaring van de deskundige wordt procesverbaal opgemaakt.
  Het ereloon en de kosten van de deskundige worden door de rechter onmiddellijk begroot onderaan het proces-verbaal met bevel tot tenuitvoerlegging ten laste van de partij of partijen die hij aanwijst en in de verhouding die hij bepaalt. Deze bedragen zullen in de eindbeslissing als gerechtskosten worden begroot.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 32, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2014-04-10/90, art. 8, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Onderafdeling 5. Kosten en erelonen van deskundigen. <ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 26; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>

  Art. 987.[1 De rechter kan het voorschot bepalen dat elke partij moet consigneren ter griffie of bij de kredietinstelling die de partijen gezamenlijk hebben gekozen, en de termijn waarbinnen zij aan deze verplichting moet voldoen. De rechter kan deze verplichting niet opleggen aan de partij die overeenkomstig artikel 1017, tweede lid of krachtens een overeenkomst tussen partijen zoals bepaald in artikel 1017, eerste lid, niet in de kosten kan worden verwezen. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regels van de consignatie bepalen.
   Ingeval de aangestelde partij niet tot uitvoering overgaat, kan de meest gerede partij het voorschot in consignatie geven.
   De rechter kan het redelijk deel van het voorschot bepalen dat wordt vrijgegeven teneinde de kosten van de deskundige te dekken. De deskundige die btw-plichtig is, meldt dit aan de rechter die uitdrukkelijk bepaalt of het vrijgegeven bedrag al dan niet vermeerderd moet worden met de btw.
   Zodra het voorschot in consignatie werd gegeven, brengt de door de rechter tot betalen aangewezen partij de deskundige hiervan op de hoogte. De betalende partij bezorgt de deskundige een bewijs van betaling.
   Ingeval de aangestelde partij niet tot uitvoering overgaat, kan de meest gerede partij de deskundige op de hoogte brengen.
   In voorkomend geval stort de griffie of de kredietinstelling het vrijgegeven deel door naar de deskundige.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 33, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 988.<W 2007-05-15/62, art. 28, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> Indien de deskundige meent dat het voorschot of het vrijgegeven deel daarvan niet volstaat, kan hij de rechter om de consignatie van een bijkomend voorschot of verdere vrijgave verzoeken.
  Verdere vrijgave is ook mogelijk om een redelijk deel van het ereloon voor reeds uitgevoerde werkzaamheden te dekken.
  De rechter weigert de bijkomende consignatie of verdere vrijgave van het voorschot wanneer hij van oordeel is dat die niet redelijk verantwoord is. Deze beslissing wordt met redenen [1 omkleed]1.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 34, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 989.<W 2007-05-15/62, art. 29, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34>[1 Indien een partij niet binnen de termijn consigneert, kan de rechter op verzoek van de meest gerede partij een bevel tot tenuitvoerlegging geven ten belope van het bedrag dat hij vaststelt.]1
  Indien een partij niet binnen de termijn consigneert, kan de rechter daaruit de conclusies trekken die hij geraden acht.
  [1 De deskundigen kunnen desgevallend de vervulling van hun opdracht schorsen of uitstellen totdat zij op de hoogte zijn gebracht van de consignatie van het voorschot overeenkomstig artikel 987, vierde lid.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 35, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 990. <W 2007-05-15/62, art. 30, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> De gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van het deskundigenonderzoek vermeldt afzonderlijk :
  - het uurloon;
  - de verplaatsingskosten;
  de verblijfkosten;
  - de algemene kosten;
  - de bedragen die aan derden zijn betaald;
  de verrekening van vrijgegeven bedragen.
  Indien de deskundige nalaat zijn staat van kosten en ereloon in te dienen, kunnen de partijen de rechter verzoeken deze te begroten.

  Art. 991.<W 2007-05-15/62, art. 31, 093; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> § 1. [1 Indien de partijen niet binnen dertig dagen na de neerlegging ter griffie van de gedetailleerde staat overeenkomstig § 2 aan de rechter hebben meegedeeld dat zij het bedrag van het ereloon en de kosten die door de deskundige worden aangerekend, betwisten, wordt dat bedrag door de rechter begroot onderaan op de minuut van de staat en wordt daarvan een bevel tot tenuitvoerlegging gegeven overeenkomstig het akkoord dat de partijen gesloten hebben of tegen de partij of partijen, zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot.]1
  § 2. [1 Indien één of meer partijen binnen de in § 1 bedoelde termijn niet akkoord gaan met de staat van kosten en ereloon en hun standpunt met redenen omkleden, gelast de rechter, overeenkomstig artikel 973, § 2, de oproeping van de partijen teneinde het bedrag van de kosten en het ereloon te begroten.]1
  De rechter stelt het bedrag vast van de kosten en het ereloon onverminderd eventuele schadevergoeding en intresten.
  Hij houdt hoofdzakelijk rekening met de zorgvuldigheid waarmee het werk werd uitgevoerd, de nakoming van de vooropgestelde termijnen en de kwaliteit van het geleverde werk. [1 Hij kan daarbij ook rekening houden met de moeilijkheid en duur van het geleverde werk, de hoedanigheid van de deskundige en de waarde van het geschil.]1
  De rechter verklaart het vonnis uitvoerbaar tegen de partij of partijen zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot.
  § 3. Deze bedragen zullen in de eindbeslissing als gerechtskosten worden begroot.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 36, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 991bis.<ingevoegd bij W 2007-05-15/62, art. 32; Inwerkingtreding : 01-09-2007 ; zie ook art. 34> [1 Na de definitieve begroting nemen de deskundigen het voorschot op ten belope van de hun verschuldigde som, in voorkomend geval na voorlegging van de begroting aan de kredietinstelling. Het eventuele saldo wordt door de griffier ambtshalve of door de kredietinstelling na voorlegging van de begroting aan de partijen terugbetaald in verhouding tot de bedragen die zij in consignatie moesten geven en die zij ook daadwerkelijk hebben geconsigneerd.]1
  De deskundigen mogen slechts een rechtstreekse betaling in ontvangst nemen nadat hun staat van kosten en ereloon definitief is begroot en voor zover het geconsigneerde voorschot ontoereikend is.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 37, 106; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Onderafdeling 6.[1 De gerechtsdeskundigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/90, art. 9, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Art. 991ter.[1 Behoudens de uitzondering bedoeld in artikel 991decies, zijn uitsluitend de personen die, op beslissing van de minister van Justitie [2 of de door hem gemachtigde ambtenaar en zulks na advies van de aanvaardingscommissie]2, opgenomen zijn in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen, gemachtigd de titel van gerechtsdeskundige te voeren en bevoegd om opdrachten als gerechtsdeskundige te aanvaarden en uit te voeren.
  [2 De minister of de door hem gemachtigde ambtenaar wint inlichtingen in omtrent de moraliteit van de kandidaat gerechtsdeskundige en zijn beroepsbekwaamheid bij het openbaar ministerie, de gerechtelijke autoriteiten waarvoor hij eventueel reeds is opgetreden en de wettelijk ingestelde tuchtoverheden voor zover van toepassing.
   Deze inlichtingen mogen enkel gebruikt worden voor het beheer van dit register. De ingewonnen gegevens worden bewaard door de Federale overheidsdienst Justitie tot de opname in het register om welke reden ook wordt beëindigd. Bij weigering van de opname of de verlenging van de inschrijving in het register worden de gegevens bewaard tot de beslissing definitief is.
   De opname in het nationaal register voor de gerechtsdeskundigen en de verlenging ervan gebeuren na advies van de aanvaardingscommissie. Deze gaat in het bijzonder na dat het voorgelegde diploma toegang kan geven tot het gekozen domein, dat de aangegeven ervaring relevant is en dat het bewijs van de juridische kennis is gegeven. Zij houdt rekening met de ingewonnen inlichtingen.
   Op initiatief en onder toezicht van de aanvaardingscommissie verzekert de Federale Overheidsdienst Justitie de permanente kwaliteitsbewaking op de aanstellingen van gerechtsdeskundigen en op de uitvoering van de expertiseopdrachten door deze laatsten.
   De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de aanvaardingscommissie. In geen geval kan de commissie samengesteld zijn uit een meerderheid van gerechtsdeskundigen.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/90, art. 10, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-04-19/15, art. 3, 150; Inwerkingtreding : 10-06-2017>

  Art. 991quater.[1 Worden opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen, de natuurlijke personen die :
   1° [2 ...]2
   2° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of er wettelijk verblijven;
   3° een door het gemeentebestuur van hun woon- of verblijfplaats afgegeven uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 595 van het Wetboek van strafvordering voorleggen dat niet ouder is dan drie maanden; personen die niet over een woon- of verblijfplaats in België beschikken, leggen een gelijkwaardig document voor van de lidstaat van de Europese Unie waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben;
   4° niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer en behoudens veroordelingen die volgens de minister van Justitie kennelijk geen bezwaar vormen voor de uitvoering van onderzoeken in het domein van deskundigheid en specialisatie waarvoor ze zich als gerechtsdeskundige laten registreren. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op personen die in het buitenland tot een soortgelijke straf zijn veroordeeld door een in kracht van gewijsde gegane veroordeling;
   5° ten overstaan van de minister van Justitie schriftelijk verklaren dat zij zich ter beschikking stellen van de gerechtelijke overheden, die een beroep kunnen doen op hun diensten;
   6° het bewijs leveren dat zij over de nodige beroepsbekwaamheid en juridische kennis beschikken;
  [2 6° /1. ten overstaan van de minister van Justitie schriftelijk verklaren dat ze zich ertoe verbinden permanente vormingen te volgen, zowel in hun domein van deskundigheid als op het vlak van de gerechtelijke procedures, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels;]2
   7° ten overstaan van de minister van Justitie schriftelijk verklaren dat zij [2 instemmen met de deontologische code opgesteld door de Koning, die minstens de principes van onafhankelijkheid en onpartijdigheid bevat en dat zij deze code zullen naleven]2;
   8° de door artikel 991novies, § 1, voorgeschreven eed hebben afgelegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/90, art. 11, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-04-19/15, art. 4, 150; Inwerkingtreding : 10-06-2017>

  Art. 991quinquies.[1 § 1. Het nationaal register voor gerechtsdeskundigen wordt door de minister van Justitie beheerd en op regelmatige tijdstippen bijgewerkt.
  [2 De opname in het nationaal register geldt voor een periode van zes jaar, die telkens verlengd kan worden voor dezelfde duur. De gerechtsdeskundige kan zes maanden voor het verstrijken van deze periode een verlenging van zijn opname vragen. Bij deze aanvraag voegt hij een lijst van de burgerrechtelijke en administratieve opdrachten die hem werden toevertrouwd en het bewijs van de gevolgde permanente vormingen. Bij beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, binnen de zes maanden na aanvraag en na advies van de aanvaardingscommissie, wordt de inschrijving verlengd voor een nieuwe periode van zes jaar. De aanvaardingscommissie houdt in haar advies over de aanvraag tot verlenging rekening met de gevolgde opleidingen.]2
   § 2. Het register bevat de volgende gegevens :
   1° de naam, de voornaam en het geslacht van de gerechtsdeskundige;
   2° de contactgegevens welke de gerechtelijke overheden die een beroep kunnen doen op zijn diensten in staat stellen hem te bereiken;
   3° de deskundigheid en de specialisatie waarvoor hij is geregistreerd;
   4° de gerechtelijke arrondissementen waarvoor hij beschikbaar is;
  [2 5° het identificatienummer van de gerechtsdeskundige, de datum van opname en van verlenging;
   6° de talen waarin hij kan optreden als gerechtsdeskundige.]2
   Dit register kan vrij worden geraadpleegd op de webstek van de Federale Overheidsdienst Justitie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/90, art. 12, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-04-19/15, art. 5, 150; Inwerkingtreding : 10-06-2017>

  Art. 991sexies.[1 Aan de [2 persoon]2 die opgenomen wordt in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen, wordt door de minister van Justitie [2 of de door hem gemachtigde ambtenaar]2 een identificatienummer en een legitimatiekaart uitgereikt, waarvan het model wordt vastgesteld bij koninklijk besluit.
   Het identificatienummer wordt opgenomen in het eindverslag dat wordt bedoeld in artikel 978, § 1.
   In geval van verlies van de titel van gerechtsdeskundige, of ingeval de gerechtsdeskundige er afstand van doet, wordt de legitimatiekaart onverwijld aan de minister van Justitie teruggegeven en wordt [2 de opname]2 in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen [2 geschorst bij tijdelijk verlies of geschrapt]2.]1
  [2 De gerechtsdeskundige betaalt bij zijn aanvraag tot opname in het register een bijdrage in de kosten. De Koning bepaalt het bedrag en de nadere regels van deze bijdrage.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/90, art. 13, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-04-19/15, art. 6, 150; Inwerkingtreding : 10-06-2017>

  Art. 991septies.[1 § 1. Wanneer de gerechtsdeskundige aan de plichten van zijn opdracht verzuimt of door zijn gedrag afbreuk doet aan de waardigheid van zijn titel, kan de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, desgevallend op voorstel van de korpschef in de zin van artikel 58bis, 2°, na advies van de aanvaardingscommissie, of op voorstel van de aanvaardingscommissie en na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene, bij een met redenen omklede beslissing, de gerechtsdeskundige schorsen of diens naam tijdelijk of definitief uit het nationaal register schrappen. De duur van de schorsing of tijdelijke schrapping wordt, afhankelijk van de ernst van de tekortkoming, door de minister of de door hem gemachtigde ambtenaar bepaald, zonder dat zij een jaar te boven mag gaan.
   De tijdelijke schrapping kan worden verlengd met telkens maximum een jaar, bij een met redenen omklede beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene.
   § 2. De aanvaardingscommissie heeft tevens als opdracht toezicht te houden op de naleving door de geregistreerde gerechtsdeskundigen van de deontologische code bedoeld in artikel 991quater, 7°. De aanvaardingscommissie kan bij klachten of op eigen initiatief de deskundige horen en aanbevelingen doen. Zij kan aan de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar de schorsing, de tijdelijke of de definitieve schrapping van de gerechtsdeskundige voorstellen.]1
  ----------
  (1)<W 2017-04-19/15, art. 7, 150; Inwerkingtreding : 10-06-2017>

  Art. 991octies.[1 Het in artikel 991quater, 6°, bedoelde bewijs wordt geleverd door het voorleggen aan de minister van Justitie van :
   1° [2 wat de beroepsbekwaamheid betreft, een diploma in het domein van deskundigheid waarvoor de kandidaat zich als gerechtsdeskundige laat registreren en een bewijs waaruit vijf jaar relevante ervaring gedurende een periode van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie blijkt of, bij gebrek aan diploma, het bewijs van vijftien jaar relevante ervaring gedurende de twintig jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie. De gerechtsdeskundigen die in een ander land van de Europese Unie gedomicilieerd zijn, kunnen hun beroepsbekwaamheid bewijzen door een opname in het gelijkaardig register van hun land, waarvan zij het bewijs leveren;]2
   2° [2 wat de juridische kennis betreft, een getuigschrift afgegeven na het volgen van een opleiding die beantwoordt aan de door de Koning bepaalde voorwaarden.]2]1
  [2 De minister van Justitie kan vrijstelling verlenen van de voorwaarde van vijf jaar relevante ervaring voor de specialiteiten die enkel in het kader van een gerechtelijk deskundigenonderzoek kunnen uitgeoefend worden.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/90, art. 15, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-04-19/15, art. 6, 150; Inwerkingtreding : 10-06-2017>

  Art. 991novies.[1 § 1. [2 De kandidaat die voldoet aan de bij artikel 991quater, 1° tot 7° bepaalde voorwaarden, legt in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep van het rechtsgebied van zijn woonplaats of verblijfplaats, de volgende eed af:]2
   "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen", of :
   "Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", of
   "Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
   Deze eed is geldig voor alle opdrachten die nadien aan de betrokkene in zijn hoedanigheid van gerechtsdeskundige zullen worden toevertrouwd.
   § 2. De kandidaat die geen woon- of verblijfplaats heeft in België, legt de eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/90, art. 16, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-04-19/15, art. 9, 150; Inwerkingtreding : 10-06-2017>

  Art. 991decies.[1 Onverminderd artikel 991ter kan de gerechtelijke overheid die de opdracht geeft bij een met redenen omklede beslissing een deskundige aanwijzen die niet in het nationaal register van gerechtsdeskundigen is opgenomen, in de hierna genoemde gevallen:
   - in spoedeisende gevallen;
   - wanneer geen gerechtsdeskundige met de vereiste deskundigheid en specialisatie beschikbaar is;
   - wanneer het nationaal register, gelet op de specifieke aard van het geschil, geen gerechtsdeskundige bevat die beschikt over de vereiste deskundigheid en specialisatie;
  [3 - wanneer het gaat om een coördinerende deskundige wiens exclusieve opdracht beoogd is in artikel 964.]3
   Enkel en alleen voor de hem toegewezen opdracht voert de in het eerste lid bedoelde deskundige de titel van gerechtsdeskundige. Hij ondertekent zijn verslag op straffe van nietigheid en zijn handtekening wordt voorafgegaan door de volgende schriftelijke eed:
   "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb", of
   "Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", of
   "Ich schwöre dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erlich erfült habe.".
   In voorkomend geval wordt er van deze procedure, van de beweegredenen en van de naam en voornaam van de aangestelde deskundige melding gemaakt in de beslissing tot aanstelling of op het zittingsblad.]1
  [2 Een uittreksel van de beslissing met vermelding van de identiteit van de gerechtsdeskundige en de motivering worden meegedeeld aan de dienst die het nationaal register beheert.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/90, art. 17, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>
  (2)<W 2017-04-19/15, art. 10, 150; Inwerkingtreding : 10-06-2017>
  (3)<W 2017-06-08/09, art. 8, 152; Inwerkingtreding : 01-07-2017>

  Art. 991undecies. [1 Gerechtsdeskundigen kunnen beslissen een opdracht niet te aanvaarden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/90, art. 18, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2016>

  Afdeling VII. _ Verhoor van partijen.

  Art. 992. De rechter kan, zelfs ambtshalve, de partijen of een van hen bevelen in persoon te verschijnen.

  Art. 993. De beslissing vermeldt de plaats, de dag en het uur om in rechte te verschijnen.
  De betrokkene verschijnt in raadkamer, behalve in het geval van artikel 1012.

  Art. 994. Indien een partij een publiekrechtelijk of privaatrechtelijk rechtspersoon is, wijst het vonnis of de beschikking de agent of in voorkomend geval de organen of wettelijke vertegenwoordigers van die rechtspersoon aan, die moeten verschijnen.

  Art. 995. De verschijning heeft plaats voor de rechters die ze hebben gelast of voor de rechter die door de beslissing is aangewezen.

  Art. 996. De beslissing waarbij de partijen gelast worden persoonlijk te verschijnen, is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.
  Zij wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen.

  Art. 997. Indien de partij aantoont dat het haar onmogelijk is te verschijnen, kan de rechter hetzij een andere dag voor de verschijning bepalen, hetzij hetzij besluiten ter plaatse te gaan om het verhoor af te nemen, hetzij een ambtelijke opdracht geven. Deze opdracht kan ook geschieden wanneer de partij op een te ver verwijderde plaats verblijft.
  De griffier waarschuwt de partijen bij gerechtsbrief.

  Art. 998. De partij wordt gehoord ongeacht of de andere partijen tegenwoordig zijn.

  Art. 999. De advocaten van de partijen wonen in voorkomend geval de verschijning bij. De verklaringen van de partijen mogen nochtans niet onderbroken worden.

  Art. 1000. De partij wordt gehoord met inachtneming van de vormen voor het verhoor van getuigen bepaald bij de artikelen 935, 936, 938 en 939.

  Art. 1001. De rechter die een getuigenverhoor houdt, kan tijdens het verloop de partij die aanwezig is of die hij gelast in persoon te verschijnen, confronteren met de getuigen.

  Art. 1002. Ingeval het verhoor niet kan worden afgedaan in een enkele zitting, zet de rechter het voort op de dag en het uur door hem bepaald. De griffier roept de partijen die niet verschenen zijn, bij gerechtsbrief op.
  (De advocaten van deze partijen roept hij op bij gewone brief.) <W 1982-04-21/40, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 1990-06-30>

  Art. 1003. De beschikkingen gegeven ter gelegenheid van de persoonlijke verschijning van partijen zijn niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.

  Art. 1004. De artikelen 945, tweede en derde lid, 946, 948 tot 952, 953 tweede tot vierde lid, en 955 zijn mede van toepassing op de persoonlijke verschijning van partijen.

  Afdeling 7/1. - [1 Het horen van minderjarigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 157, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1004/1.[1 § 1. [2 Elke minderjarige heeft het recht gehoord te worden door een rechter in materies die hem aanbelangen aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en het recht of het persoonlijk contact. Hij heeft het recht om te weigeren gehoord te worden.]2
   § 2. De minderjarige die jonger is dan twaalf jaar wordt gehoord op zijn verzoek, op verzoek van de partijen, van het openbaar ministerie of, ambtshalve, van de rechter. De rechter kan, middels een door de omstandigheden van de zaak gemotiveerde beslissing, weigeren de minderjarige die jonger is dan twaalf jaar te horen, behalve wanneer dat verzoek van deze laatste of van het openbaar ministerie uitgaat. Tegen die beslissing van weigering kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
   § 3. De minderjarige die twaalf jaar oud is, wordt door de rechter ingelicht [2 ...]2 over zijn recht om gehoord te worden overeenkomstig artikel 1004/2. Bij die informatie wordt een antwoordformulier gevoegd.
   § 4. Indien de minderjarige in de loop van de rechtspleging of in een vorige aanleg reeds is gehoord, zelfs voor een andere rechtbank, is de rechter niet verplicht op het verzoek in te gaan, indien er geen nieuw element is dat een verhoor rechtvaardigt.
   § 5. De rechter hoort de minderjarige op een plaats die hij geschikt acht. Tenzij de rechter hier bij een met redenen omklede beslissing van afwijkt, vindt het onderhoud plaats buiten de aanwezigheid van wie ook.
   Het verslag van het onderhoud wordt bij het dossier van de rechtspleging gevoegd. Het geeft weer wat de minderjarige heeft gezegd. De minderjarige wordt geïnformeerd over het feit dat de partijen er kennis van kunnen nemen. [2 De rechter informeert de minderjarige over de inhoud van het verslag en gaat na of het verslag de mening van de minderjarige verwoordt.]2.
   De minderjarige ondertekent het verslag niet. Indien de rechter tijdens het onderhoud vaststelt dat de minderjarige niet over het nodige onderscheidingsvermogen beschikt, maakt hij hiervan melding in het verslag.
   § 6. Het onderhoud met de minderjarige heeft niet tot gevolg dat hij partij in het geding wordt.
   Aan de mening van de minderjarige wordt passend belang gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 158, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 70, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1004/2..[1 De Koning stelt het model van informatieformulier voor de minderjarige vast.
   Het formulier vermeldt het recht om gehoord te worden door de rechter, de manier waarop het onderhoud plaatsvindt en de manier waarop het onderhoud aanvaard of geweigerd wordt. Het vermeldt eveneens dat het verslag over het onderhoud bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd, dat de partijen er kennis van kunnen nemen en dat de inhoud van dit verslag tijdens deze rechtspleging kan worden gebruikt.
   In het formulier wordt bovendien gepreciseerd dat de rechter bij het horen van de minderjarige niet verplicht is zich te schikken naar de door de minderjarige gedane verzoeken.
   Het formulier wordt in voorkomend geval gericht aan het adres van elk van de ouders [2 , aan het adres waar het kind verblijft indien het geplaatst is of aan de woonplaats van het kind indien het niet gedomicilieerd is bij één van zijn ouders]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 159, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 71, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Afdeling VIII. _ Eedaflegging.

  Art. 1005. Ieder vonnis waarbij een eed wordt opgelegd, bepaalt de feiten waarop de eed moet worden gedaan.

  Art. 1006. De eed wordt afgelegd door de partij in persoon en op de zitting. In geval van behoorlijk vastgestelde wettige verhindering kan de eed worden afgelegd voor een daartoe aangestelde rechter, die, bijgestaan door de griffier, zich bij de partij vervoegt.
  Indien de partij aan wie de eed wordt opgedragen, op een te ver verwijderde plaats verblijft, kan de rechtbank bevelen dat zij de eed zal afleggen voor de rechtbank van haar woonplaats.
  In ieder geval wordt de eed afgelegd in tegenwoordigheid van de andere partij, of nadat deze door de griffier behoorlijk bij gerechtsbrief is opgeroepen.

  Afdeling IX. _ Plaatsopneming.

  Art. 1007. De rechter kan, zelfs ambtshalve, een plaatsopneming bevelen.

  Art. 1008. De beslissing vermeldt de plaats, de dag en het uur van de plaatsopneming. Hiertegen staat geen verzet of hoger beroep open.
  Zij wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen.

  Art. 1009. De plaatsopneming geschiedt door de rechters die ze bevolen hebben, of door de rechter die aangewezen is in de beslissing. Ook een ambtelijke opdracht kan worden gegeven.

  Art. 1010. De plaatsopneming geschiedt al dan niet in tegenwoordigheid van de partijen.
  Telkens wanneer de plaatsopneming uitgesteld of op een latere datum voortgezet wordt, roept de griffier de partijen die niet verschenen zijn, bij gerechtsbrief op.

  Art. 1011. De rechter die een getuigenverhoor houdt, kan de getuigen of sommige onder hen horen tijdens een plaatsopneming indien daartoe grond bestaat.

  Art. 1012. De rechter kan bevelen dat de partijen bij een plaatsopneming in persoon zullen verschijnen.

  Art. 1013. Tegen de beschikkingen gewezen ter gelegenheid van een plaatsopneming staat geen verzet of hoger beroep open.

  Art. 1014. De artikelen 945, tweede en derde lid, en 946, zijn mede van toepassing op de plaatsopneming.

  Art. 1015. Er wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin de tijdens de plaatsopneming gedane verrichtingen en bevindingen worden opgetekend. Dat proces-verbaal wordt voor het overige opgemaakt en ter kennis gebracht van de partijen in de vorm bepaald bij de artikelen 949 tot 951.

  Art. 1016. De eisende partij stort in consignatie ter griffie een voorschot dat voldoende moet zijn tot dekking van de vervoerkosten, bepaald overeenkomstig het tarief dat de Koning vaststelt.

  Afdeling X. <ingevoegd bij W 1987-05-20/33, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 22-06-1987> - Vaststelling van overspel bij gerechtsdeurwaarder.

  Art. 1016bis.<W 1987-05-20/33, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 22-06-1987> Het bewijs van overspel (...) kan worden geleverd door vaststelling bij gerechtsdeurwaarder. <W 2007-04-27/00, art. 20, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  Te dien einde richt de echtgenoot zich bij verzoekschrift, door hem of door zijn advokaat ondertekend, tot de [1 familierechtbank]1.
  Onverminderd hetgeen in artikel 1026 is bepaald vermeldt het verzoekschrift alle nuttige inlichtingen en, op straffe van nietigheid, de plaats of de plaatsen waar de vaststellingen kunnen worden gedaan die wijzen op overspel. Bij het verzoekschrift wordt een uittreksel van de huwelijksakte van de verzoeker gevoegd en eventueel alle stukken tot staving van het verzoek.
  De [2 familierechtbank]2 kan een gerechtsdeurwaarder aanstellen om hem toe te laten, vergezeld van een officier of een agent van gerechtelijke politie, een bepaalde plaats of bepaalde plaatsen binnen te gaan om de nodige vaststellingen te doen die wijzen op overspel.
  Indien blijkt dat de vaststellingen die wijzen op overspel eveneens kunnen worden gedaan buiten het gerechtelijk arrondissement, kan hij de [1 familierechtbank]1 van de plaats waar die vaststellingen dienen te gebeuren verzoeken de nodige toelating te verlenen.
  De aanwezigheid van de officier of de agent van gerechtelijke politie is kosteloos.
  In zijn bevelschrift bepaalt de [2 rechtbank]2 de plaats of de plaatsen waar en de periode waarbinnen de vaststellingen kunnen gebeuren.
  Geen enkele vaststelling mag worden gedaan tussen 21 uur en 5 uur.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 160, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 72, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  TITEL IV. _ Uitgaven en kosten.

  Art. 1017.<W 24-6-1970, art. 15> Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. [1 Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt.]1
  (Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen (579, 6°,) 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen. <W 2006-12-27/30, art. 128, 082; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  Met sociaal verzekerden worden bedoeld : de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "Handvest" van de sociaal verzekerde.) <W 2006-12-13/35, art. 129, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, hetzij wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, hetzij over echtgenoten, bloedverwanten in de opgaande lijn, broeders en zusters of aanverwanten in dezelfde graad.
  (Vierde lid opgeheven) <W 2005-02-21/36, art. 23, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
  In een onderzoeksvonnis wordt de beslissing inzake kosten steeds aangehouden.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/14, art. 81, 148; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 1018.De kosten omvatten :
  1° (de diverse, griffie- en registratierechten, alsook de zegelrechten die voor de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten zijn betaald); <W 2006-12-19/33, art. 67, 083 ; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  2° de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten;
  3° de prijs van de uitgifte van het vonnis;
  4° de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen, onder meer het getuigen- en deskundigengeld;
  5° de reis- en verblijfkosten van de magistraten, de griffiers en van de partijen, wanneer hun reis door de rechter bevolen is, en de kosten van de akten, wanneer deze uitsluitend met het oog op het geding opgemaakt zijn;
  6° (de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022;) <W 2007-04-21/85, art. 5, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
  7° (het ereloon, de emolumenten en de kosten van de bemiddelaar die aangewezen is overeenkomstig artikel 1734;) <W 2005-02-21/36, art. 7, 071; Inwerkingtreding : 30-09-2005>
  [1 8° de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.]1
  (De bedragen die als basis dienen voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde kosten worden omgerekend in (euro) de dag dat het vonnis of het arrest dat in de kosten verwijst, wordt uitgesproken.) <W 1991-07-12/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 19-08-1991> <KB 2000-07-20/58, art. 3, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  ----------
  (1)<W 2017-03-19/06, art. 7, 149; Inwerkingtreding : 01-05-2017>

  Art. 1019. De registratierechten die gerekend worden tot de kosten, omvatten : het algemeen vast recht, de specifieke vaste rechten en de rechten verschuldigd op de vonnissen die veroordeling, vereffening of toewijzing van sommen of roerende waarden inhouden.

  Art. 1020. De verwijzing in de kosten wordt van rechtswege verdeeld per hoofd, tenzij het vonnis anders beschikt.
  Zij wordt hoofdelijk uitgesproken, indien de voornaamste veroordeling zelf hoofdelijkheid medebrengt.

  Art. 1021. <W 04-07-1972, enig art.> Partijen kunnen een omstandige opgave indienen van hun onderscheiden kosten, met inbegrip van de (rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald) in artikel 1022. In dat geval worden de kosten in het vonnis vereffend. <W 2007-04-21/85, art. 6, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
  Werden de kosten in het vonnis niet of slechts gedeeltelijk vereffend, dan wordt de beslissing over de kosten, waarover niet werd gestatueerd, geacht te zijn aangehouden. In dat geval geschiedt de vereffening, op de vordering van de meest gerede partij, door de rechter die de uitspraak heeft gedaan, voor zover zijn beslissing niet werd bestreden; de rechtspleging wordt hervat en voortgezet overeenkomstig artikel 750 en volgende.

  Art. 1022.<W 2007-04-21/85, art. 7, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13> De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
  Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.
  (Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing) ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : <W 2008-12-22/39, art. 2, 101; Inwerkingtreding : 22-01-2009>
  - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
  - de complexiteit van de zaak;
  - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
  - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
  Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.
  Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.
  Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.

  Art. 1022 TOEKOMSTIG RECHT.


  <W 2007-04-21/85, art. 7, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13> De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
  Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.
  (Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing) ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met : <W 2008-12-22/39, art. 2, 101; Inwerkingtreding : 22-01-2009>
  - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;
  - de complexiteit van de zaak;
  - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
  - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
  Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. [1 Wat dit punt betreft, omkleedt de rechter zijn beslissing tot verlaging met bijzondere redenen]1.
  [1 Wanneer binnen eenzelfde gerechtelijke band meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van één of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.]1
  Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij.
  [1 Wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, of wanneer alle in het ongelijk gestelde partijen op de inleidende zitting zijn verschenen maar de rechtsvordering niet hebben betwist, of wanneer zij uitsluitend uitstel van betaling vragen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding.
   Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat :
   1° wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, § 1;
   2° wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2.]1
  [2 3° wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding.]2

----------
  (1)<W 2010-02-21/17, art. 2, 115; Inwerkingtreding : onbepaald. Overgangsbepaling : art. 5>
  (2)<W 2014-04-25/H2, art. 17, 133; Inwerkingtreding : onbepaald, de dag waarop artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering in werking treedt>

  Art. 1023. Ieder beding tot verhoging van de schuldvordering ingeval deze in rechte zou worden geëist, wordt als niet geschreven beschouwd.

  Art. 1024. De kosten van tenuitvoerlegging komen ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.

  TITEL V. _ Inleiding en behandeling van de vordering op eenzijdig verzoekschrift.

  Art. 1025. Behoudens in de gevallen waarin de wet er uitdrukkelijk van afwijkt, zijn de rechtsplegingen op verzoekschrift geregeld zoals in deze titel is bepaald.

  Art. 1026.Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid:
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker en in voorkomend geval de naam, de voornaam, de woonplaats en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;
  3° het [1 voorwerp]1 en in het kort de gronden van de vordering;
  4° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen;
  5° de handtekening van de advocaat van de partij, tenzij de wet anders bepaalt.
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 29, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 1027. Het verzoekschrift wordt in tweevoud gezonden aan de rechter die op de vordering uitspraak moet doen. Buiten de uitzonderingen waarin de wet uitdrukkelijk voorziet, kan het enkel door een advocaat worden ingediend.
  Het wordt neergelegd ter griffie, op zijn datum voor gezien, getekend door de griffier, ingeschreven in het register der verzoekschriften en bij het dossier van de rechtspleging gevoegd. De advocaat kan het ook bij brief aan de griffier doen toekomen.
  Onderaan op het verzoekschrift schrijft de verzoeker de inventaris over van de genummerde en gebundelde stukken die hij erbij voegt.

  Art. 1028. De rechter onderzoekt de vordering.
  Hij kan te dien einde de verzoeker en de tussenkomende partijen in raadkamer oproepen. De oproeping wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de partijen gezonden.

  Art. 1029. De beschikking wordt in raadkamer gegeven.
  Zij is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande voorziening en zonder borgstelling, tenzij de rechter anders heeft beslist.

  Art. 1030. Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beschikking aan de verzoeker en aan de tussenkomende partijen. Een niet ondertekend afschrift wordt, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten gezonden.
  Een uitgifte van de beslissing kan onderaan op een exemplaar van het verzoekschrift worden gesteld.

  Art. 1031. Hoger beroep tegen de beschikking door de verzoeker of een tussenkomende partij, wordt binnen een maand na de kennisgeving ingesteld bij een verzoekschrift dat voldoet aan de bepalingen van artikel 1026 en wordt neergelegd op de griffie van het gerecht in hoger beroep.

  Art. 1032. De verzoeker of de tussenkomende partij kan, in geval van veranderde omstandigheden en onder voorbehoud van de door derden verkregen rechten, bij verzoekschrift de wijziging of de intrekking van de beschikking vragen aan de rechter die deze heeft gegeven.

  Art. 1033. Al wie niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, kan verzet doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt.

  Art. 1034. Artikel 1125 is mede van toepassing op het verzet dat krachtens artikel 1033 gedaan wordt. Dit verzet moet geschieden binnen een maand nadat de beslissing aan de eiser in verzet is betekend.

  TITEL Vbis. <Ingevoegd bij W 1992-08-03/31, art. 40, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> _ Het verzoekschrift op tegenspraak.

  Art. 1034bis. <Ingevoegd bij W 1992-08-03/31, art. 40, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Indien de wet afwijkt van de algemene regel die voorziet in een inleiding van de hoofdvorderingen bij dagvaarding, wordt deze titel toegepast op de vorderingen die worden ingeleid bij een verzoekschrift dat aan de tegenpartij ter kennis wordt gebracht, behalve voor de vormen en vermeldingen die worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wettelijke bepalingen.

  Art. 1034ter.<Ingevoegd bij W 1992-08-03/31, art. 40, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;
  3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen;
  4° het [1 voorwerp]1 en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
  5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
  6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 30, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 1034quater. <Ingevoegd bij W 1992-08-03/31, art. 40, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Op straffe van nietigheid wordt bij het verzoekschrift een getuigschrift van woonplaats (of een uittreksel uit het rijksregister van de in artikel 1034ter, 3°, vermelde natuurlijke personen) gevoegd, behalve wanneer het geding reeds eerder werd ingeleid bij dagvaarding en evenmin in geval van keuze van woonplaats. <W 2005-12-13/35, art. 6, 074; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  Het getuigschrift (of het uittreksel van het rijksregister) mag niet vroeger gedagtekend zijn dan vijftien dagen voor het verzoekschrift. Het getuigschrift wordt door het gemeentebestuur afgegeven. <W 2005-12-13/35, art. 6, 2°, 074; Inwerkingtreding : 01-09-2009>

  Art. 1034quinquies. <Ingevoegd bij W 1992-08-03/31, art. 40, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.

  Art. 1034sexies. <Ingevoegd bij W 1992-08-03/31, art. 40, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Nadat, in voorkomend geval, de rolrechten zijn betaald, worden de partijen door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. Bij de oproeping wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd.

  TITEL VI._ Inleiding en behandeling van de vordering in kort geding.

  Art. 1035. Op de dag en het uur bepaald in het reglement van de rechtbank, wordt de vordering in kort geding gebracht op de zitting, gehouden door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die hem vervangt.
  De termijn van dagvaarding bedraagt ten minste twee dagen. Heeft de verweerder geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.

  Art. 1036. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter evenwel bij een beschikking verlof geven om ter zitting of te zijnen huize te dagvaarden op het bepaalde uur, zelfs op feestdagen en van dag tot dag of van uur tot uur.

  Art. 1037. In zee- en rivierzaken kan dagvaarding in kort geding van dag tot dag of van uur tot uur geschieden zonder beschikking, en bij verstek kan terstond recht worden gedaan.

  Art. 1038. Wanneer de voorzitter machtiging verleent tot een maatregel van onderzoek, geschiedt dit onderzoek met inachtneming van de gewone regels, behoudens het recht van de voorzitter om in geval van noodzaak alle termijnen van rechtspleging te verkorten.

  Art. 1039. De beschikkingen in kort geding brengen geen nadeel toe aan de zaak zelf; zij zijn uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of hoger beroep en, zonder borgtocht indien de rechter niet heeft bevolen dat er een wordt gesteld.
  (opgeheven) <W 15-7-1970, art. 37>
  Indien de partij die verstek laat gaan verzet doet tegen de beschikking, kan haar hoger beroep tegen de beschikking bij verstek, niet worden toegelaten.
  (opgeheven) <W 15-7-1970, art. 37>

  Art. 1040. Artikel 1035 is van toepassing op de termijnen voor verschijning voor het hof van beroep en voor het arbeidshof.
  In spoedeisende gevallen, kan de eerste voorzitter bij beschikking verlof geven om te dagvaarden op de zitting binnen een termijn die hij bepaalt.
  (Op het hoger beroep wordt uitspraak gedaan overeenkomstig artikel 1066.) <W 1992-08-03/31, art. 41, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 1041. De minuten van de beschikkingen en de arresten in kort geding worden ter griffie neergelegd.
  Bij uiterste noodzaak kan de rechter in kort geding of het hof bevel geven tot tenuitvoerlegging van de beschikking of van het arrest (op) de minuut. <W 15-7-1970, art 38>

  BOEK III_ RECHTSMIDDELEN.

  EERSTE TITEL. _ Algemene bepalingen.

  Art. 1042. Voor zover de bepalingen van dit boek er niet van afwijken zijn de regels van het geding toepasselijk op de rechtsmiddelen.

  Art. 1043.De partijen kunnen de rechter verzoeken akte te nemen van de overeenkomst die zij gesloten hebben ter oplossing van het geschil dat bij hem regelmatig aanhangig is gemaakt.
  Tegen dit vonnis staat voor de gedingvoerende partijen geen voorziening open, tenzij de overeenkomst niet wettelijk is tot stand gekomen en behoudens de wijzen van uitlegging en van verbetering, bepaald in de artikelen 793 tot [1 801/1]1, indien daartoe grond bestaat.
  ----------
  (1)<W 2013-10-24/52, art. 14, 122; Inwerkingtreding : 03-02-2014>

  Art. 1044. Berusten in een beslissing is afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.
  Voorwaardelijke berusting heeft alleen dan gevolg, indien zij door de tegenpartij is aanvaard.

  Art. 1045. De berusting kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn.
  De uitdrukkelijke berusting geschiedt bij eenvoudige akte, ondertekend door de partij of haar bijzondere gemachtigde.
  De stilzwijgende berusting kan alleen worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing.

  Art. 1046. Beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, zijn niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.

  TITEL II. _ Verzet.

  Art. 1047. Tegen ieder verstekvonnis kan verzet worden gedaan, onverminderd de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
  Het verzet wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot, dat dagvaarding inhoudt om te verschijnen voor de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen.
  Met instemming van de partijen kan hun vrijwillige verschijning die formaliteiten vervangen.
  De akte van verzet bevat, op straffe van nietigheid, de middelen van de eiser in verzet.
  (Het verzet kan door de partij, haar raadsman of de voor de partij optredende gerechtsdeurwaarder worden ingeschreven in een register dat daartoe gehouden wordt ter griffie van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen. De inschrijving omvat de namen van de partijen en hun raadslieden alsook de datum van de beslissing en van het verzet.) <W 24-6-1970, art. 16>

  Art. 1048.([1 Onder voorbehoud van termijnen die worden bepaald in supranationale en internationale bepalingen, is de termijn om verzet aan te tekenen]1 één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.) <W 1993-01-12/34, art. 21, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01>
  Heeft de niet verschenen partij geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van verzet verlengd overeenkomstig artikel 55.
  ----------
  (1)<W 2014-05-12/02, art. 8, 127; Inwerkingtreding : 29-05-2014>

  Art. 1049. Wanneer de eiser in verzet een tweede maal verstek laat gaan, is een nieuw verzet niet meer ontvankelijk.

  TITEL III. _ Hoger beroep.

  HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.

  Art. 1050.[1 In alle zaken kan hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis.
   Tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te doen kan slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.]1
  ----------
  (1)<W 2015-10-19/01, art. 31, 141; Inwerkingtreding : 01-11-2015>

  Art. 1051.([1 Onder voorbehoud van termijnen die worden voorzien in supranationale en internationale bepalingen, is de termijn om hoger beroep aan te tekenen]1 één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.) <W 1993-01-12/34, art. 22, 1°, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01>
  Deze termijn loopt eveneens vanaf de dag van die betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen.
  Heeft een van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van hoger beroep verlengd overeenkomstig artikel 55.
  (Het zelfde geldt wanneer één van de partijen aan wie het vonnis ter kennis is gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, in België geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft.) <W 1993-01-12/34, art. 22, 2°, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01>
  ----------
  (1)<W 2014-05-12/02, art. 9, 127; Inwerkingtreding : 29-05-2014>

  Art. 1052. Onverminderd het vorderingsrecht van het openbaar ministerie, zoals het geregeld is door dit Wetboek of door bijzondere wetten, kunnen de procureur-generaal en de arbeidsauditeur hoger beroep aantekenen tegen beslissingen van de arbeidsrechtbanken, in aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 578, 7° , 580, 581, (582, 1° en 2° , en 583.) <W 30-6-1971, art. 27>
  Ten aanzien van het openbaar ministerie loopt de termijn zodra het vonnis is uitgesproken.
  De kennisgeving van het vonnis aan het openbaar ministerie geschiedt door de griffier binnen acht dagen na de uitspraak, met dien verstande dat niet-vervulling van die formaliteit de termijn van hoger beroep ongewijzigd laat.

  Art. 1053. Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep.
  Deze moet bovendien de andere niet in het beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken.
  Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt het hoger beroep niet toegelaten.
  De beslissing kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.

  Art. 1054. De gedaagde in hoger beroep kan te allen tijde incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vó6r de betekening in berust heeft.
  Het incidenteel beroep kan echter niet worden toegelaten wanneer het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.

  Art. 1055. Tegen ieder vonnis alvorens recht te doen (of tegen ieder vonnis inzake bevoegdheid,) zelfs al is het zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd als tegen het eindvonnis. <W 1992-08-03/31, art. 43, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 1056. Het hoger beroep wordt ingesteld :
  1° bij akte van een gerechtsdeurwaarder die aan de tegenpartij wordt betekend.
  (Lid 2 opgeheven) <W 1999-03-22/55, art. 2, 047; Inwerkingtreding : 05-10-1999>
  2° bij een verzoekschrift dat, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, ingediend wordt op de griffie van het gerecht in hoger beroep en door de griffier aan de gedaagde partij en, in voorkomend geval, aan haar advokaat bij gerechtsbrief ter kennis gebracht uiterlijk de eerste werkdag nadat het is ingediend;
  3° (bij ter post aangetekende brief die aan de griffie wordt gezonden, wanneer de wet deze wijze van voorziening uitdrukkelijk voorschrijft, alsmede in de materies bedoeld bij de artikelen (579, 6°,) 580, 2° , 3° , 6° , 7° , 8° , 9° , (10° en 11°), 581, 2° , 582, 1° en 2° , en 583) <W 30-6-1971, art. 28> <W 20-6-1975, art. 13> <W 22-12-1977, art. 166> <W 2006-12-27/30, art. 129, 082; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  bij conclusie, ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of vertegenwoordigd is.

  Art. 1057. Met uitzondering van het geval waarin het hoger beroep bij conclusie wordt ingesteld, vermeldt de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de eiser in hoger beroep;
  3° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep;
  4° de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen;
  5° de rechter in hoger beroep;
  6° de plaats waar de gedaagde in hoger beroep akte moet laten nemen van zijn verklaring van verschijning;
  7° (de uiteenzetting van de grieven;
  8° de plaats, de dag en het uur van verschijning, tenzij hoger beroep is ingesteld bij aangetekend schrijven, in welk geval de griffier de partijen oproept om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt.) <W 1992-08-03/31, art. 44, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De akte vermeldt eventueel ook de naam van de advocaat van de eiser in hoger beroep. <W 1-2-1977, enig artikel>

  Art. 1058. Indien het hoger beroep niet in die vorm is ingesteld, kan de rechter in hoger beroep bevelen dat het aan de niet verschenen gedaagde partij wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersakte.

  Art. 1059.De zaak wordt ingeschreven op de algemene rol, zoals bepaald is in artikel 716.
  Voor het overige wordt gehandeld zoals bepaald is in artikel 723.
  (Het hoger beroep kan door de partij, haar raadsman of de voor de partij optredende gerechtsdeurwaarder worden ingeschreven in een register dat daartoe gehouden wordt ter griffie van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen. De inschrijving omvat de namen van de partijen en hun raadslieden alsook de datum van de beslissing en van het hoger beroep.) <W 24-6-1970, art. 17>
  
  (NOTA : gewijzigd door W 2006-07-10/39, art. 15, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 16), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016

  Art. 1060. <W 1992-08-03/31, art. 45, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De akte van hoger beroep heeft geen gevolg indien de eiser de zaak niet op de rol heeft laten inschrijven vóór de datum van verschijning die in de akte is vermeld.

  Art. 1061. <W 1992-08-03/31, art. 46, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De verklaring van verschijning van de gedaagde in hoger beroep geschiedt op de zitting, onverminderd de toepassing van artikel 729.

  Art. 1062. <W 1992-08-03/31, art. 47, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De gewone termijn van verschijning in hoger beroep voor hen die hun woonplaats of verblijfplaats in België hebben, is vijftien dagen.
  Hetzelfde geldt :
  1° wanneer de akte van hoger beroep in België aan de gekozen woonplaats wordt betekend of ter kennis gebracht;
  2° wanneer de persoon aan wie van de akte van hoger beroep kennis wordt gegeven of aan wie de akte moet worden betekend, geen bekende woon- of verblijfplaats heeft in België of in het buitenland;
  3° wanneer de akte bestemd voor een persoon die in België geen woon- of verblijfplaats heeft, aan die persoon wordt betekend in België.
  In de andere gevallen wordt de termijn verlengd zoals bepaald in artikel 55.

  Art. 1063. (opgeheven) <W 1992-08-03/31, art. 48, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 1064. <W 1992-08-03/31, art. 49, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Onverminderd de toepassing van de regels van het geding :
  heeft de gedaagde in hoger beroep een maand om zijn conclusie te nemen na de inleiding van de zaak;
  heeft de eiser in hoger beroep een maand om te antwoorden;
  beschikt de gedaagde in hoger beroep over vijftien dagen voor zijn wederantwoord.

  Art. 1065. De verzoeken tot bepaling van de rechtsdag worden ter griffie ingediend.

  Art. 1066. <W 1992-08-03/31, art. 50, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, worden aangehouden en bepleit op de inleidingszitting, of anders binnen ten hoogste drie maanden en, zo nodig, op een namiddagzitting.
  Behoudens akkoord van partijen, geldt hetzelfde :
  1° in geval van voorziening tegen iedere beslissing van de voorzitter in kort geding of op verzoekschrift;
  2° wanneer de bestreden beslissing een beslissing alvorens recht te doen of een voorlopige maatregel inhoudt;
  3° wanneer de beslissing een uitstel van betaling toestaat of weigert;
  4° in alle zaken betreffende bezwarende beslagen of middelen tot tenuitvoerlegging;
  5° inzake faillissement, wanneer het bestreden vonnis uitspraak doet over de faillietverklaring of over de datum van staking van betaling, alsmede inzake akkoord;
  6° ingeval wordt opgekomen tegen een beslissing waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging zonder borgstelling of kantonnement is toegestaan.

  Art. 1067. De regels betreffende verstekvonnis en verzet zijn in hoger beroep van toepassing.

  Art. 1067bis. <ingevoegd bij W 2008-12-09/39, art. 2; Inwerkingtreding : 07-02-2009> Wanneer de griffier bij de kennisgeving van een arrest toepassing maakt van artikel 792, tweede lid en derde lid, neemt hij de tekst over van artikel 1080.

  HOOFDSTUK II. _ Devolutieve kracht van het hoger beroep en recht om de zaak aan zich te trekken.

  Art. 1068. Hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen maakt het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep.
  Deze verwijst de zaak alleen dan naar de eerste rechter, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt.

  Art. 1069. (opgeheven) <W 1992-08-03/31, art. 51, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 1070. (De rechtbank van eerste aanleg, en, in voorkomend geval, de rechtbank van koophandel) die zitting houdt in tweede aanleg, beslist over de zaak zelf en daartegen staat hoger beroep open indien het geschil tot haar bevoegdheid behoorde. <W 24-6-1970, art. 19>

  Art. 1071. Indien de partijen of een van hen geen conclusie hebben genomen over de zaak zelf voor de eerste rechter of voor de rechter in hoger beroep, verwijst deze de zaak naar een latere zitting, waar over de zaak zelf conclusie zal worden genomen en beslist.

  Art. 1072. De rechter in hoger beroep houdt, wanneer daartoe grond bestaat, zijn eindbeslissing aan totdat de maatregelen zijn uitgevoerd, die de eerste rechter of hij zelf heeft bevolen alvorens recht te doen.
  Behoudens de uitzondering bepaald in artikel 1068, tweede lid, staat de uitvoering van die maatregelen aan de eerste rechter of aan de rechter in hoger beroep, naar gelang deze laatste beslist.

  Art. 1072bis. (opgeheven) <W 2007-04-26/71, art. 28, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>

  TITEL IV_ Voorziening in cassatie.

  Art. 1073. (Behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.) <W 1993-01-12/34, art. 23, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01>
  Indien de eiser geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft in België, wordt de in het eerste lid bepaalde termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.
  De termijn wordt met drie maanden verlengd ten behoeve van hen die zich, voor een openbare dienst, niet op Belgisch grondgebied en buiten Europa bevinden, en ten behoeve van de zeelieden die afwezig zijn wegens scheepsdienst.

  Art. 1074. Wanneer degene tegen wie de voorziening moet worden ingesteld, overlijdt binnen de termijn waarover de eiser beschikt, wordt die termijn met twee maanden verlengd.

  Art. 1075. <W 1993-01-12/34, art. 24, 021; Inwerkingtreding : 1993-03-01> Het verzoek tot herroeping van het gewijsde schorst de termijn voor de voorziening in cassatie ten aanzien van alle partijen in het geding. Dit termijn loop eerst opnieuw vanaf de betekening van de eindbeslissing over dat verzoek of vanaf de dag van de kennisgeving van die eindbeslissing overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

  Art. 1076. Ten aanzien van de niet verschenen partij loopt de termijn eerst vanaf de dag waarop verzet tegen de bij verstek gewezen beslissing niet meer toelaatbaar is.

  Art. 1077. Voorziening in cassatie tegen vonnissen alvorens recht te doen, staat slechts open na het eindvonnis; de tenuitvoerlegging van dergelijk vonnis kan, zelfs als zij vrijwillig is, niet als middel van niet-ontvankelijkheid worden opgeworpen.

  Art. 1078. Een te laat ingestelde voorziening wordt, zelfs ambtshalve, niet-toelaatbaar verklaard.

  Art. 1079. De voorziening wordt ingesteld door op de griffie van het Hof van Cassatie een verzoekschrift in te dienen, dat in voorkomend geval vooraf wordt betekend aan de partij tegen wie de voorziening is gericht.
  De voorziening wordt niet-toelaatbaar verklaard, wanneer er meer dan vijftien dagen zijn verlopen tussen de betekening van het verzoekschrift en de indiening op de griffie, ook al is de termijn voor het instellen van de voorziening niet verstreken bij de indiening van het verzoekschrift.

  Art. 1080. Het verzoekschrift, dat zowel op het afschrift als op het origineel door een advocaat bij het Hof van Cassatie is ondertekend, bevat de uiteenzetting van de middelen van de eiser, zijn conclusie en de vermelding van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, een en ander op straffe van nietigheid.

  Art. 1081. Het exploot waarbij de voorziening is betekend, wordt, op straffe van nietigheid, bij het verzoekschrift gevoegd, wanneer die betekening vereist is.

  Art. 1082. Indien het bestreden arrest of vonnis verscheidene punten bevat, geeft het verzoekschrift nauwkeurig aan tegen welke punten de voorziening is gericht.
  (Na de uitspraak op een vordering tot cassatie staat tegen dezelfde beslissing geen voorziening meer open voor de partij die haar heeft ingesteld, ook al beweert zij nieuwe middelen te kunnen aanvoeren, zelfs ten aanzien van de punten die in de eerste voorziening niet zijn bestreden, (...).) <W 1985-05-10/32, art. 7, 002> <W 1989-01-06/30, art. 127, 010; Inwerkingtreding : 17-01-1989>
  Indien de voorziening tegen een beslissing alvorens recht te doen als voorbarig is afgewezen, kan zij evenwel worden herhaald na het eindvonnis.

  Art. 1083. Wanneer twee partijen tegen dezelfde beslissing voorziening in cassatie instellen, moet ieder van hen de voorgeschreven vormen en termijnen in acht nemen.
  Het hof voegt beide voorzieningen ambtshalve samen.

  Art. 1084. Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet de voorziening gericht worden tegen alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen wier belang strijdig is met dat van de eiser.
  Deze moet bovendien de andere partijen die nog geen verweerder zijn of nog niet opgeroepen zijn, binnen de gewone termijnen in de zaak betrekken.
  Bij niet-inachtneming van de in dit artikel gestelde regels wordt de voorziening niet toegelaten.
  Het arrest kan worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.

  Art. 1085.Bij de indiening van het verzoekschrift schrijft de griffier de zaak in op de algemene rol; voor het overige handelt hij zoals bepaald is in artikel 723.
  
  (NOTA : gewijzigd door W 2006-07-10/39, art. 15, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 16), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016

  Art. 1086. De rechtspleging is schriftelijk, met dien verstande dat de partijen die aan de regels ervan hebben voldaan, hun middelen op de zitting mondeling kunnen doen ontwikkelen door een advocaat ingeschreven op het tableau van een balie.

  Art. 1087. De eiser kan, samen met zijn verzoekschrift, of, op straffe van verval, binnen vijftien dagen na de betekening ervan, een memorie van toelichting overleggen, die vooraf aan de verweerder is betekend en waarin de feiten worden uiteengezet en de cassatiemiddelen ontwikkeld.

  Art. 1088. De handelingen waarbij de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie, alsmede de tuchtoverheid van de (openbare en) ministeriële ambtenaren of van de balie hun bevoegdheid mochten hebben overschreden, worden, onverminderd de bepalingen van artikel 502, door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aangebracht bij dit hof, op voorschrift van de minister van Justitie, zelfs wanneer de wettelijke termijn voor de voorziening in cassatie verstreken is en geen enkele partij in voorziening is gekomen. <W 1999-05-04/03, art. 45, 046; Inwerkingtreding : 01-11-1999>
  Het hof vernietigt de handelingen, indien daartoe grond bestaat.

  Art. 1089. De beslissingen in laatste aanleg die strijdig zijn met de wetten of met de procesvormen en waartegen geen enkele partij in voorziening is gekomen binnen de wettelijke termijn, worden door de procureur-generaal ambtshalve aangebracht bij het Hof van Cassatie.

  Art. 1090. In de gevallen van artikel 1089 vernietigt het hof de beslissingen, evenwel met dien verstande dat de partijen die vernietiging niet kunnen doen gelden om zich te onttrekken aan de beschikkingen van de vernietigde beslissing.

  Art. 1091.[1 het cassatieberoep]1 van de procureur-generaal wegens machtsoverschrijding of in het belang van de wet wordt ingesteld in de vorm van een ter griffie in te dienen vordering.
  [1 Het cassatieberoep wegens machtsoverschrijding wordt betekend aan de betrokken partijen, die gerechtigd zijn om tussen te komen. Op straffe van verval gebeurt die tussenkomst met een memorie die binnen twee maanden na de betekening moet worden ingediend ter griffie van het Hof.]1
  [1 Het cassatieberoep in het belang van de wet wordt niet ter kennis gebracht noch betekend aan de partijen in de bestreden beslissing.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 6, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1092.[1 Het cassatieberoep wordt beantwoord door ter griffie van het Hof van Cassatie een memorie in te dienen. Onverminderd de bijzondere regels inzake fiscale zaken wordt de memorie ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie.
   De memorie van antwoord wordt aan de advocaat van de eiser of, indien hij geen advocaat heeft, naar de eiser zelf gezonden uiterlijk op de dag van de neerlegging ervan ter griffie.
   Op verzoek van de eiser, weert het Hof deze memorie wanneer zij laattijdig werd verzonden en deze laattijdigheid de uitoefening van het recht van verdediging van de eiser heeft geschaad.
   Op straffe van niet-ontvankelijkheid moet de memorie van antwoord evenwel voorafgaand aan de indiening ter griffie worden betekend aan de advocaat van de eiser of, indien hij geen advocaat heeft, aan de eiser zelf, wanneer in de memorie van antwoord een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep wordt opgeworpen.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 7, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1093.De termijn waarover de verweerder beschikt om zijn antwoord ter griffie in te dienen, bedraagt, op straffe van [1 verval]1, drie maanden, te rekenen van de dag waarop het inleidende verzoekschrift of de memorie van toelichting is betekend.
  Wanneer de verweerder geen woon- of verblijfplaats, of geen gekozen woonplaats heeft in België, wordt de in het eerste lid bepaalde termijn verlengd overeenkomstig artikel 55.
  Heeft de eiser in cassatie zijn betekend verzoekschrift niet ter griffie ingediend, dan kan de verweerder, nadat hij zijn antwoord binnen de voorgeschreven termijn heeft doen betekenen, de zaak inleiden door overlegging van het betekende verzoekschrift en vorderen dat de voorziening wordt afgewezen met veroordeling in de kosten.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 8, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1094.[1 Indien de verweerder tegen het cassatieberoep een middel van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen, kan de eiser hierop antwoorden door op de griffie van het Hof van Cassatie een memorie van wederantwoord in te dienen. Onverminderd de bijzondere regels inzake fiscale zaken wordt deze memorie ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie.
   De termijn waarover de eiser beschikt om zijn memorie van wederantwoord ter griffie in te dienen bedraagt, op straffe van verval, een maand, te rekenen van de dag waarop de memorie van antwoord is betekend.
   De memorie van wederantwoord wordt aan de advocaat van de verweerder of, indien hij geen advocaat heeft, naar de verweerder zelf gezonden uiterlijk op de dag van de neerlegging ervan ter griffie.
   Op verzoek van de verweerder, weert het Hof deze memorie wanneer zij laattijdig werd verzonden en deze laattijdigheid de uitoefening van het recht van verdediging van de verweerder heeft geschaad.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 9, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1094/1. [1 In uitzonderlijke omstandigheden kan, op verzoek van een partij, de eerste voorzitter, wanneer het algemeen belang het vereist of in geval van volstrekte noodzakelijkheid, op de schriftelijke of mondelinge conclusie van de procureur-generaal, de termijn waarover de verweerder voor de memorie van antwoord of de eiser voor een repliek beschikt, inkorten zonder dat deze termijnen minder dan vijftien dagen mogen bedragen.
   Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt opgenomen in een afzonderlijk akte, die wordt gevoegd bij het cassatieberoep of bij de memorie van antwoord en hiermee samen wordt betekend of, in voorkomend geval, meegedeeld.
   In afwijking van het tweede lid, wanneer een partij rechtvaardigt in de onmogelijkheid te hebben verkeerd om het verzoek tot inkorting van de termijn te voegen bij het cassatieberoep of bij de memorie van antwoord, wordt het in het eerste lid bedoelde verzoek bij verzoekschrift ingediend mits neerlegging ter griffie van het Hof waarna de griffier de overige partijen er per gerechtsbrief kennis van geeft.
   De tegenpartij beschikt over een termijn van vijftien dagen om opmerkingen te formuleren. Deze termijn begint te lopen de dag na de betekening, kennisgeving of verzending aan deze partij van het verzoekschrift tot inkorting van de termijnen; deze opmerkingen worden door haar aan de eerste voorzitter van het Hof toegezonden in een geschrift waarvan zij een afschrift aan de andere partijen mededeelt.
   De eerste voorzitter oordeelt op stukken en bepaalt in overleg met het openbaar ministerie het tijdsverloop van de rechtspleging, evenals de datum waarop de zaak ter zitting wordt opgeroepen.
   De eerste voorzitter kan in aanwezigheid van de procureur-generaal, de partijen horen.
   De griffier geeft bij gerechtsbrief kennis van de beschikking van de eerste voorzitter aan de partijen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 10, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1095. Het hof kan alleen kennis nemen van de punten van de beslissing die in het inleidende verzoekschrift zijn aangegeven.

  Art. 1096. Geen middel van niet-ontvankelijkheid, gegrond op een onregelmatigheid in de vertegenwoordiging van de eiser of op gebrek aan volmacht van zijn orgaan of lasthebber, kan ambtshalve worden opgeworpen, tenzij het berust op miskenning van een regel van openbare orde.

  Art. 1097.(Indien het openbaar ministerie meent tegen de voorziening ambtshalve een middel van niet-ontvankelijkheid te moeten aanvoeren wegens schending van een regel van openbare orde, verwittigt het daarvan bij gerechtsbrief de partijen die zonder advocaat zijn verschenen en bij gewone brief de advocaten van de partijen [1uiterlijk vijftien dagen voor de zitting]1. Een kopie van deze brieven wordt bij het procesdossier gevoegd <W 2000-11-14/36, art. 6, 049; Inwerkingtreding : 29-12-2000>
  Indien het openbaar ministerie bij het opwerpen van een middel van niet-ontvankelijkheid niet aantoont dat het de voorgeschreven kennisgeving heeft gedaan, geeft het hof daartoe bevel en verdaagt het de zaak tot een latere zitting.
  Het hof beveelt eveneens [1 bij arrest]1 de verdaging van de zaak, indien het een middel van niet-ontvankelijkheid [1 van het cassatieberoep]1 ambtshalve wenst te onderzoeken.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 11, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1097/1. [1 Artikel 1097 is van toepassing wanneer het aan het openbaar ministerie of aan het Hof voorkomt dat een middel niet ontvankelijk zou kunnen zijn na de substitutie van een rechtsreden door een reden waarvan het de onwettigheid aanvoert of niet ontvankelijk op grond van een element dat de eiser niet kon voorzien.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 12, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1098. Het verzoekschrift en de memories bevatten een lijst van de erbij gevoegde stukken, door de advocaat bij het hof genummerd en geparafeerd. Die stukken worden niet betekend; de partijen kunnen er inzage van nemen op de griffie.

  Art. 1099.De griffier stelt de indiening van het verzoekschrift en van de memories vast door middel van kanttekeningen, die hij ondertekent met vermelding van de datum van ontvangst.
  Hij nummert en parafeert de erbij gevoegde stukken, stelt het aantal ervan vast door middel van een ondertekende noot op de kant van de lijst en geeft desgevraagd aan de indiener een ontvangbewijs af.
  Het inleidende verzoekschrift, de memories en [1 , desgevallend,]1 de exploten waaruit de betekening ervan blijkt, worden bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 13, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1100. Benevens de stukken die bij het dossier van de rechtspleging werden gevoegd, mogen in het proces uitsluitend aangewend worden de stukken die voldoen aan de voorschriften van de artikelen 1097, 1098 en 1099, alsmede de akten van afstand of van hervatting van het geding, de akten van overlijden ingeval het overlijden de rechtsvordering doet vervallen, de machtigingen om te pleiten en de stukken die overlegd zijn ten bewijze dat de voorziening of de memorie van antwoord toegelaten is.

  Art. 1101. Indien een in het geding overlegd stuk van valsheid wordt beticht, wordt gehandeld zoals bepaald is in de artikelen 907 tot 914.

  Art. 1102. In de akten van betekening hoeft niet te worden vermeld dat de afschriften van de betekende stukken door de advocaat of de partij zijn ondertekend of geparafeerd.

  Art. 1103. Wanneer de termijnen bepaald bij de artikelen 1093 en 1094 verstreken zijn, heeft noch de verandering van staat of van hoedanigheid van een partij, noch het overlijden van een partij, behoudens wanneer dit de rechtsvordering doet vervallen, noch het overlijden van de advocaat bij het hof die voor haar gesteld is, enige invloed op de berechting van de voorziening.

  Art. 1104. Wanneer de eerste voorzitter het dossier ontvangt van de griffier, stelt hij een in de zaak zittend magistraat aan als verslaggever.
  Deze legt, na zijn onderzoek, het dossier neer ter griffie.

  Art. 1105. De griffier zendt het dossier aan de procureur-generaal, die zich met de zaak belast of te dien einde een van de advocaten-generaal aanwijst.
  Het openbaar ministerie wordt in alle zaken gehoord.
  (Als het schriftelijk conclusie neemt, wordt dit stuk uiterlijk op de dag waarop de griffier aan de partijen kennis geeft van de dagbepaling, ter griffie neergelegd om bij het dossier van de rechtspleging te worden gevoegd. Bij de kennisgeving die de griffier verricht met toepassing van artikel 1106, tweede lid, wordt in dat geval een kopie van de conclusie gevoegd.) <W 2000-11-14/36, art. 7, 049; Inwerkingtreding : 29-12-2000>

  Art. 1105bis.<Ingevoegd bij W 1997-05-06/38, art. 25; Inwerkingtreding : 05-07-1997> § 1. [1 Wanneer de beslissing in verband met het cassatieberoep blijkbaar voor de hand ligt of niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de eenheid van de rechtspraak of van de rechtsontwikkeling, kan de eerste voorzitter of de voorzitter van de kamer, op voorstel van de raadsheer-verslaggever en na advies van het openbaar ministerie, de zaak voorleggen aan een beperkte kamer met drie raadsheren.]1
  § 2. Die beperkte kamer beslist eenparig op het beroep.
  Indien er geen eenparigheid is of indien een van de magistraten van die beperkte kamer het vraagt, moet zij het onderzoek van het beroep naar de kamer samengesteld uit vijf raadsheren verwijzen.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 14, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1106.De eerste voorzitter bepaalt in overleg met het openbaar ministerie op welke dag de zaak ter zitting zal worden opgeroepen.
  Van deze dagbepaling geeft de griffier, ten minste vijftien dagen vóór de zitting, kennis aan de advocaat of aan de niet vertegenwoordigde partij, met dien verstande dat de eerste voorzitter die termijn kan verkorten indien de zaak spoedeisend is.
  [1 In voorkomend geval voegt de griffier aan de mededeling van de rechtsdag de vragen toe die het Hof of het openbaar ministerie overwegen te stellen op de terechtzitting aan de advocaten of aan de partijen die niet vertegenwoordigd zijn door een advocaat, dewelke het verzoekschrift tot cassatie of een memorie van antwoord hebben ingediend.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 15, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1107. <W 2000-11-14/36, art. 8, 049; Inwerkingtreding : 29-12-2000> Na het verslag geeft het openbaar ministerie zijn conclusie. Vervolgens worden de partijen gehoord. De pleidooien mogen alleen slaan op de rechtsvragen die in de cassatiemiddelen zijn opgeworpen, of op de middelen van niet-ontvankelijkheid aangevoerd tegen de voorziening of tegen de middelen.
  Wanneer het openbaar ministerie schriftelijk conclusie neemt, kunnen de partijen ten laatste op de zitting en uitsluitend in antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie, een noot neerleggen waarin geen nieuwe middelen mogen worden aangebracht.
  Elke partij kan ter zitting verzoeken dat de zaak wordt verdaagd om mondeling, dan wel met een noot, te antwoorden op de schriftelijke of mondelinge conclusie van het openbaar ministerie. Het Hof bepaalt de termijn waarbinnen deze noot dient te worden neergelegd.

  Art. 1108. Het hof doet recht, ongeacht of de advocaten en de partijen tegenwoordig zijn of niet.

  Art. 1109. <W 2000-11-14/36, art. 9, 049; Inwerkingtreding : 29-12-2000> De arresten worden in openbare terechtzitting uitgesproken door de voorzitter, in aanwezigheid van het openbaar ministerie en met de bijstand van de griffier.

  Art. 1109/1. [1 Ingeval het Hof van Cassatie een beslissing betreffende de bevoegdheid vernietigt, verwijst het Hof de zaak zo nodig naar de bevoegde rechter die hij aanwijst. De beslissing betreffende de bevoegdheid bindt de rechter naar wie de zaak wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de grond van de zaak te oordelen onverkort blijft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 16, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1110.Ingeval cassatie wordt uitgesproken met verwijzing, heeft deze plaats naar het gerecht in hoogste feitelijke aanleg van dezelfde rang als datgene dat de bestreden beslissing gewezen heeft.
  Deze wordt voor het aangewezen gerecht aanhangig gemaakt zoals een gewone zaak.
  Bedoeld gerecht houdt alleen dan zitting met verenigde kamers wanneer het hof zulks om uitzonderlijke redenen heeft voorgeschreven.
  [1 Wanneer cassatie wordt uitgesproken in een zaak bedoeld als in artikel 609, 2°, voegt de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarnaar de zaak is verwezen zich naar de beslissing van het Hof betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 17, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1111.Het hof begroot in zijn arrest de kosten van de rechtspleging in cassatie en zegt aan wie zij moeten worden vergoed.
  (De partij wier vordering wordt afgewezen, wordt in de kosten verwezen, behalve in de gevallen bedoeld in artikel 1017.) <W 24-6-1970, art. 20>
  Wanneer cassatie wordt uitgesproken [1 met verwijzing]1 worden de kosten aangehouden en hierover wordt beslist door de feitenrechter.
  Het hof kan evenwel uitspraak doen over de kosten van het cassatiegeding bij gedeeltelijke cassatie of wanneer de omstandigheden van de zaak het reeds wettigen.
  [1 Wanneer cassatie wordt uitgesproken zonder verwijzing, doet het Hof uitspraak over de kosten.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 18, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1112. Afstand van geding vóór het Hof van Cassatie heeft gevolg buiten de aanvaarding ervan door de verweerder.

  Art. 1113. Alle arresten van het hof worden geacht op tegenspraak te zijn gewezen.
  Het arrest waarbij cassatie wordt uitgesproken, kan evenwel worden ingetrokken op verzoek van de niet verschenen verweerder die wegens een onregelmatigheid in het betekenen van de voorziening geen gelegenheid heeft gehad om hierop te antwoorden.

  Art. 1114.[1 Het verzoekschrift tot intrekking wordt ingediend en aan de partijen in het geding of hun advocaten betekend op de wijze bepaald in de artikelen 1079 en 1080.]1
  De zaak wordt behandeld overeenkomstig de voorgaande bepalingen.
  De termijn voor het indienen van de vordering is, op straffe van verval, drie maanden na de betekening van het cassatiearrest.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 19, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1115. De cassatiearresten kunnen niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij, op straffe van nietigheid der tenuitvoerlegging.

  Art. 1116. De uitgiften van de cassatiearresten worden toegezonden aan de griffies van de hoven en rechtbanken wier beslissingen vernietigd zijn; zij worden door toedoen van de griffier gebundeld volgens een doorlopende nummering. Op de kant van de vernietigde arresten of vonnissen wordt melding gemaakt van het cassatiearrest, met aanduiding van het nummer dat aan de gerangschikte uitgifte gegeven is.

  Art. 1117. Wanneer de procureur-generaal cassatie van een arrest vordert, doet hij die vordering ter griffie neerleggen.
  De eerste voorzitter wijst de verslaggever aan en voor het overige wordt gehandeld met inachtneming van de hierboven voorgeschreven vormen.

  Art. 1118. In burgerlijke zaken heeft de voorziening alleen schorsende kracht in de gevallen die de wet bepaalt.

  Art. 1119. Wanneer, na cassatie, tegen de tweede beslissing dezelfde middelen worden aangevoerd als tegen de eerste, wordt de zaak gebracht voor de verenigde kamers van het Hof van Cassatie, samengesteld zoals bepaald is in artikel 131.
  Tegen de tweede beslissing, in zover zij overeenstemt met het eerste cassatiearrest, wordt geen voorziening in cassatie toegelaten.

  Art. 1120. Wordt de tweede beslissing vernietigd op dezelfde gronden als bij de eerste cassatie, dan voegt de feitenrechter naar wie de zaak is verwezen, zich naar de beslissing van het Hof van Cassatie betreffende het door dat hof beslechte rechtspunt.

  Art. 1121. Indien het Hof van Cassatie voor de tweede maal tot cassatie besluit, zoals bepaald is in artikel 1120, doet de procureur-generaal bij dat hof de gewezen beslissingen toekomen aan de minister van Justitie, die daarover ieder jaar verslag uitbrengt aan de Kamers.
  Dit geldt eveneens wanneer vernietiging of cassatie wordt uitgesproken krachtens de artikelen 1088 en 1089.

  TITEL IVbis. - [1 Cassatieberoep in tuchtzaken]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 20, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1121/1.[1 [2 § 1. Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de cassatieberoepen tegen de beslissingen in laatste aanleg van:
   1° de raden van beroep van de Orde van advocaten;
   2° de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van geneesheren;
   3° de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van apothekers;
   4° de gemengde raden van beroep van de Orde der dierenartsen;
   5°. ..
   6° de raden van beroep van de Orde van architecten;
   7° de Onderzoeksraad voor de scheepvaart;
   8° de beroepscommissie van het Instituut van accountants en belastingconsulenten, alsook van de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers, of van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten;
   9° de beroepscommissie van het Instituut voor bedrijfsjuristen;
   10° de Federale Raad van beroep van de landmetersexperten;
   11° de commissie van beroep van de auto-experts;
   12° de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers, of van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars;
   13° de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers, of van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep ingesteld krachtens de Kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen.]2
   § 2. Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de cassatieberoepen tegen beslissingen in tuchtzaken van de notarissen, gewezen in laatste aanleg door de rechtbanken van eerste aanleg in uitvoering van artikel 107 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, of door de hoven van beroep met toepassing van artikel 110, § 2, van die wet.
   § 3. Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de cassatieberoepen tegen beslissingen in tuchtzaken van de gerechtsdeurwaarders gewezen in laatste aanleg door de rechtbank van eerste aanleg met toepassing van artikel 544, of tegen beslissingen gewezen in laatste aanleg door het hof van beroep met toepassing van artikel 546, § 2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 21, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>
  (2)<W 2016-12-07/02, art. 143, 147; Inwerkingtreding : 31-12-2016>

  Art. 1121/2. [1 De Orde, het Instituut of, bij ontstentenis, de rechtspersoon die krachtens de wet waakt over de eerbiediging van de beroepsregels, treedt op als eiser of als verweerder in de rechtspleging voor het Hof van Cassatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 22, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1121/3. [1 § 1. De betrokken persoon, de Orde, het Instituut of de rechtspersoon die krachtens de wet waakt over de eerbiediging van de beroepsregels, kan de beslissingen gewezen in laatste aanleg door de in artikel 1121/1, §§ 1 tot 3, bedoelde tuchtrechtscolleges aan het Hof van Cassatie voorleggen.
   § 2. De minister tot wiens bevoegdheid Volksgezondheid behoort kan aan het Hof van Cassatie de beslissingen voorleggen, gewezen in laatste aanleg door de provinciale raden of de raden van beroep, als bedoeld in het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren, alsmede de beslissingen gewezen in laatste aanleg door de provinciale raden of de raden van beroep, als bedoeld in het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers.
   § 3. De minister van Financiën kan aan het Hof van Cassatie de beslissingen voorleggen, gewezen in laatste aanleg door de beroepscommissie als bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 23, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1121/4. [1 Het cassatieberoep tegen voorbereidende beslissingen of tegen onderzoeksbeslissingen kan enkel geschieden samen met het cassatieberoep tegen de eindbeslissing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 24, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1121/5. [1 De rechtspleging van cassatieberoep in tuchtzaken wordt geregeld zoals in burgerlijke zaken, behalve wat de volgende afwijkingen betreft :
   1° de termijn om cassatieberoep in te stellen, bedraagt twee maanden te rekenen van de kennisgeving van de beslissing;
   2° de termijn waarover de verweerder beschikt om te antwoorden bedraagt twee maanden. Wanneer de verweerder geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft in België, dan wordt de termijn verlengd overeenkomstig artikel 55;
   3° tenzij de beslissing anders luidt, heeft het cassatieberoep schorsende kracht;
   4° de door het Hof van Cassatie gewezen arresten worden door de griffier van het Hof bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan de partijen alsook aan de Orde, het Instituut of de rechtspersoon die krachtens de wet waakt over de eerbiediging van de beroepsregels;
   5° na cassatie wordt de zaak naar hetzelfde, doch anders samengestelde tuchtrechtscollege verwezen.
   Dit rechtscollege voegt zich naar de beslissing van het Hof betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt.
   Indien het onmogelijk is om het tuchtrechtscollege anders samen te stellen, wordt daarvan melding gemaakt in de eindbeslissing;
   6° het Hof van Cassatie oordeelt over de kosten van het cassatiegeding.
   Het 5° en het 6° zijn niet van toepassing op de in artikel 1121/1, §§ 2 en 3, bedoelde gevallen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 25, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1121/6. [1 Het staat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie vrij zich bij dit Hof van Cassatie te voorzien in het belang van de wet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-10/57, art. 26, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  TITEL V. _ Derdenverzet.

  Art. 1122. Ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussen gekomen, kan derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan.
  Dit rechtsmiddel kan evenwel niet worden ingesteld :
  1° door algemene rechtverkrijgenden of rechtverkrijgenden onder algemene titel, behalve wanneer zij het eigen recht waarop zij zich beroepen, doen erkennen;
  2° door rechtverkrijgenden onder bijzondere titel, behalve wanneer hun rechtsvoorganger bedrog heeft gepleegd of wanneer zij hun recht hebben verkregen voor de dagtekening van de beslissing;
  3° door schuldeisers, behalve wanneer hun schuldenaar bedrog heeft gepleegd of wanneer zij zich kunnen beroepen op een hypotheek, een voorrecht of enig ander recht dat buiten hun schuldvordering ligt;
  4° door vertegenwoordigde personen, behalve bij bedrog van hun wettelijke, gerechtelijke of bij overeenkomst aangewezen vertegenwoordiger.
  Bedrog kan alleen dan worden ingeroepen, indien het tijdens het geding is gepleegd.

  Art. 1123. Tegen arresten van het Hof van Cassatie staat geen derdenverzet open.

  Art. 1124. Het niet instellen van derdenverzet brengt voor de derde geen verlies mede van de hem toebehorende rechten, rechtsvorderingen en excepties.

  Art. 1125. Derdenverzet wordt, met dagvaarding aan alle partijen, gebracht voor de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen.
  Het kan incidenteel bij schriftelijke conclusie worden gebracht vó6r de rechter bij wie het geschil aanhangig is, indien deze de gelijke of de meerdere is van de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen, voor zover alle partijen tussen wie deze beslissing is gevallen, in het geding zijn.
  Bij niet-nakoming van de in dit artikel gestelde regels wordt het derdenverzet niet toegelaten.

  Art. 1126. Op de conclusies van de partijen kan de rechter voor wie de bestreden beslissing is gebracht, naar omstandigheden de zaak verder behandelen of aanhouden.

  Art. 1127. De beslagrechter kan, op dagvaarding ten verzoeke van de partij die derdenverzet heeft gedaan en na oproeping van alle andere partijen, de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voorlopig geheel of ten dele opschorten.

  Art. 1128. Derdenverzet verjaart door verloop van dertig jaren.
  Het kan evenwel worden ingesteld zolang het recht om het vonnis ten uitvoer te leggen niet is verjaard.
  (Na het verstrijken van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de bekendmaking van de rechterlijke beslissing, gedaan overeenkomstig artikel 12, § 1, (5° tot 8°), van de op 30 november gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, is niet meer ontvankelijk het derdenverzet tegen een rechterlijke beslissing tot nietigverklaring : <W 1995-04-13/50, art. 94, 032; Inwerkingtreding : 01-07-1996>
  1° van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid;
  2° van een bedongen wijziging van de akten van die vennootschap;
  3° van een fusie van vennootschappen;
  4° van een splitsing van een vennootschap;
  5° van een rechtshandeling, bedoeld in artikel 174/1, § 3, in artikel 174/17, § 3, in artikel 174/26, § 3, of in artikel 174/45, § 3, van dezelfde gecoördineerde wetten;
  6° van een besluit van een algemene vergadering.) <W 1993-06-29/30, art. 13, 023; Inwerkingtreding : 01-10-1993>
  (7° van de ontbinding van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid of van de afsluiting van de vereffening uitgesproken krachtens artikel 177sexies van dezelfde gecoördineerde wetten;
  8° van een overdracht of uittreding krachtens de artikelen 190ter en 190quater, of van een beslissing over de voorwaarden van een overname krachtens artikel 190quinquies van dezelfde gecoördineerde wetten.) <W 1995-04-13/50, art. 94, 032; Inwerkingtreding : 01-07-1996>

  Art. 1129. Wanneer het vonnis betekend is aan de derde, moet deze het derdenverzet instellen binnen drie maanden, te rekenen van die betekening.

  Art. 1130. Het gerecht dat het derdenverzet toewijst, vernietigt de bestreden beslissing geheel of ten dele noch alleen ten aanzien van de derde.
  De vernietiging geldt ten aanzien van alle partijen in zover de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onverenigbaar is met de tenuitvoerlegging van de vernietigende beslissing.

  Art. 1131. Tegen de beslissing, op derdenverzet gewezen, kunnen alle rechtsmiddelen worden aangewend, met uitzondering van hoger beroep indien de bestreden beslissing zelf in hoger beroep is gewezen.

  TITEL VI. _ Herroeping van het gewijsde.

  Art. 1132. De beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan en gewezen zijn door het burgerlijk gerecht, en door het strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan, kunnen worden herroepen op verzoek tot herroeping van het gewijsde van diegenen die partij zijn geweest of behoorlijk werden opgeroepen, onverminderd de rechten van het openbaar ministerie.

  Art. 1133. Een verzoek tot herroeping van het gewijsde kan worden ingediend om de volgende redenen :
  1° indien er persoonlijk bedrog is geweest;
  2° indien er, sedert de beslissing, beslissende stukken zijn aan het licht gekomen die door toedoen van de partij waren achtergehouden;
  3° indien tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid, onverenigbare beslissingen zijn gewezen over hetzelfde onderwerp en op dezelfde grond;
  4° indien recht gedaan is op stukken, getuigenissen, verslagen van deskundigen of eden, die na de beslissing vals zijn bevonden of verklaard;
  5° indien de beslissing berust op een vonnis of arrest in strafzaken dat naderhand vernietigd is;
  6° indien de beslissing berust op een proceshandeling, verricht in naam van iemand die, hetzij daartoe geen uitdrukkelijke of stilzwijgende last heet gegeven, hetzij de handeling niet heeft bekrachtigd of bevestigd.

  Art. 1134. Het verzoek, ondertekend door drie advocaten, van wie er ten minste twee meer dan twintig jaren bij de balie zijn ingeschreven bevat alle middelen tot staving ervan en wordt betekend met dagvaarding in de gewone vorm vó6r het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, een en ander op straffe van nietigheid.
  Wordt de herroeping van het gewijsde ingediend krachtens artikel 1133, 6° , dan moet diegene tegen wie de vordering tot ontkenning is toegewezen in de zaak betrokken worden.
  Indien de bestreden beslissing uitgesproken is betreffende een geschil bedoeld in ((de artikelen 580, 2° , 3° , 6° , 8° , 9° , 10° en 11°) , 581, 582, 1° en 2°, en 583), kan het verzoek eveneens, naar gelang het geval, worden gedaan onder de handtekening van de arbeidsauditeur of de procureur-generaal. <W 30-6-1971, art. 29> <W 22-12-1977, art. 166>

  Art. 1135. Wanneer het geschil onsplitsbaar is, moet het verzoek tot herroeping van het gewijsde gericht worden tegen alle partijen wier belang strijdig is met dat van de verzoeker.
  Deze moet bovendien de andere partijen, die geen verzoek hebben ingediend, in het geding betrekken uiterlijk vó6r de sluiting van de debatten die voorafgaan aan de beslissing over de toelaatbaarheid van het verzoek.
  Bij niet-nakoming van de in dit artikel gestelde regels wordt het verzoek niet toegelaten.
  De beslissingen kunnen worden tegengeworpen aan alle in de zaak betrokken partijen.

  Art. 1136.[1 Onder voorbehoud van de termijnen die worden voorzien in dwingende supranationale en internationale bepalingen, wordt het verzoek tot herroeping van het gewijsde]1, op straffe van verval, ingediend binnen zes maanden na het ontdekken van de ingeroepen grond.
  ----------
  (1)<W 2014-05-12/02, art. 10, 127; Inwerkingtreding : 29-05-2014>

  Art. 1137. Het verzoek tot herroeping van het gewijsde vormt geen beletsel voor tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

  Art. 1138. Er staat geen herroeping van het gewijsde open maar enkel, tegen de beslissingen in laatste aanleg, voorziening in cassatie wegens overtreding van de wet :
  1° indien de vormen die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven werden veronachtzaamd, tenzij de nietigheid door de partijen is gedekt;
  2° indien er uitspraak gedaan is over niet gevorderde zaken of er meer werd toegekend dan er gevraagd was;
  3° indien er werd nagelaten uitspraak te doen over één van de punten van de vordering;
  4° indien er in een vonnis tegenstrijdige beschikkingen staan;
  5° indien de mededeling aan het openbaar ministerie niet is geschied, in de gevallen waarin de wet die voorschrijft.

  Art. 1139.De rechter bij wie het verzoek tot herroeping van het gewijsde aanhangig is gemaakt, beveelt, zo daartoe grond bestaat, aan de partijen alle [1 middelen]1 tegelijk voor te dragen.
  Hij kan, bij eenzelfde beslissing, uitspraak doen over de toelating van het verzoek tot herroeping van het gewijsde en over de zaak zelf.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/09, art. 30, 129; Inwerkingtreding : 18-07-2014>

  TITEL VII. _ Verhaal op de rechter.

  Art. 1140. Er bestaat verhaal op de rechter in de volgende gevallen :
  1° indien hij zich aan bedrog of list schuldig heeft gemaakt hetzij tijdens het onderzoek, hetzij bij zijn vonnis;
  2° indien verhaal op de rechter uitdrukkelijk bij de wet is bepaald;
  3° indien de wet de rechter aansprakelijk stelt voor eventuele schade;
  4° indien rechtsweigering is geschied.

  Art. 1141. Verhaal op de rechter bestaat insgelijks op de ambtenaren van het openbaar ministerie in de gevallen bepaald bij artikel 1140, 1° , 2° en 3° .

  Art. 1142. Het verhaal op de rechter wordt, op straffe van verval, uitgeoefend binnen dertig dagen.
  Deze termijn loopt te rekenen van het feit dat tot het verhaal aanleiding heeft gegeven en, in geval van bedrog of list, van de dag waarop de partij daarvan kennis gekregen heeft.

  Art. 1143.Het wordt ingeleid door een ter griffie van het Hof van Cassatie in te dienen verzoekschrift, dat de middelen bevat, ondertekend is door de partij [1 en door een advocaat bij het Hof van Cassatie]1 en vooraf betekend is aan de rechter op wie verhaal wordt genomen.
  [1 ...]1 De bewijsstukken worden bij het verzoekschrift gevoegd.
  ----------
  (1)<W 2014-04-10/57, art. 27, 126; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 1144. Binnen vijftien dagen na de betekening kan de rechter op wie verhaal wordt genomen, een memorie van antwoord ter griffie indienen.
  Vanaf de dag van de betekening onthoudt hij zich van de kennisneming van het geschil en zelfs van enigerlei zaak die de partij, haar bloedverwanten in de rechte lijn of haar echtgenoot mochten hebben bij de rechtbank waarvan hij deel uitmaakt, en zulks op straffe van nietigheid der vonnissen.

  Art. 1145. Na het verstrijken van de termijn van vijftien dagen benoemt de eerste voorzitter een verslaggever; voor het overige zijn de regels inzake voorziening in cassatie van toepassing.

  Art. 1146. Indien het verhaal op de rechter niet-toelaatbaar of ongegrond wordt verklaard, wordt de eiser veroordeeld tot schadevergoeding aan de magistraat en de partijen, indien daartoe grond bestaat.,

  Art. 1147. Indien het verhaal op de rechter wordt ingewilligd, veroordeelt het Hof de verweerder tot vergoeding van de geleden schade of vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar andere rechters, alles naar gelang van de omstandigheden.

  TITEL VIII. _ (opgeheven) <W 1989-01-06/30, art. 127, 010; Inwerkingtreding : 17-01-1989>

  Art. 1147bis. (opgeheven) <W 1989-01-06/30, art. 127, 010; Inwerkingtreding : 17-01-1989>

  BOEK IV. _ BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN.

  HOOFDSTUK I. _ Verzegeling en ontzegeling.

  Eerste afdeling. _ Verzegeling.

  Art. 1148. <W 14-7-1976, art. 25> Telkens als een ernstig belang aanwezig is kan de verzegeling van de voorwerpen die tot het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, een nalatenschap of een onverdeeldheid behoren, worden gevorderd :
  1° door degenen die aanspraak maken op een recht daarin en door hun persoonlijke schuldeisers;
  2° door alle schuldeisers van de nalatenschap, het gemeenschappelijk vermogen of de onverdeeldheid;
  3° door de personen die bij de overledene woonden of in dienst waren in zijn huishouding, indien de echtgenoot, de erfgenamen of een van hen niet tegenwoordig zijn;
  4° door de uitvoerder van de uiterste wilsbeschikking.

  Art. 1149. De verzegeling wordt van de vrederechter gevorderd, hetzij bij verzoekschrift, hetzij bij een mondelinge verklaring, waarvan de griffier akte opmaakt.
  De vordering wordt gedaan op de griffie. Wanneer deze gesloten is, kan de vordering, indien de zaak uiterst spoedeisend is, worden aangeboden aan de rechter in zijn woning. In voorkomend geval maakt deze daarvan akte op.
  Het verzoekschrift mag ondertekend zijn door de verzoekende partij, door haar gemachtigde die de rechter heeft aangenomen, door haar advocaat of door haar notaris.
  Zaakwaarnemers kunnen niet als gemachtigde worden aangenomen.

  Art. 1150.Indien de verzoeker een ontvoogde minderjarige is [1 ...]1, kan hij het verzoekschrift indienen zonder bijstand van zijn curator.
  (Indien de verzoeker een niet-ontvoogde minderjarige [1 is, of indien hij een beschermde persoon is die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werd verklaard om goederen te vervreemden]1, wordt het verzoekschrift ingediend door zijn wettelijke vertegenwoordiger.) <W 1990-06-26/32, art. 38, § 6, 014; Inwerkingtreding : 1991-07-27>
  [1 ...]1.
  Heeft hij geen voogd of geen [1 ...]1 bewindvoerder of is hij niet aanwezig, dan mag het verzoekschrift ingediend worden door een van zijn (bloedverwanten). <W 24-6-1970, art. 21>
  In geval van hoogdringendheid mag de niet ontvoogde minderjarige het verzoekschrift zelf indienen.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 163, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1151. Verzegeling geschiedt ook ambtshalve of op verzoek van de procureur des Konings, van de burgemeester of van een schepen :
  (1° indien zich onder de belanghebbenden iemand bevindt die onbekwaam is en geen wettelijk vertegenwoordiger heeft, en de verzegeling niet door een bloedverwant wordt gevorderd.) <W 2001-04-29/39, art. 54, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  2° indien de echtgenoot, de erfgenamen of een van hen (vermoedelijk afwezig) is of niet tegenwoordig is; <W 2007-05-09/44, art. 39, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  3° indien de overledene openbaar bewaarder was, in welk geval de verzegeling slechts plaats heeft wegens die bewaring en op de daarin begrepen voorwerpen.

  Art. 1152. De verzegeling kan worden bevolen niettegenstaande elke hiermee strijdige bepaling.
  Zij geschiedt door de vrederechter van het kanton waarin zich de te verzegelen voorwerpen bevinden.
  De vrederechter bedient zich van een bijzonder zegel, dat in zijn handen blijft en waarvan het merk ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg wordt neergelegd.
  Alle betrokken partijen mogen bij de verrichtingen tegenwoordig zijn. Zij dienen er nochtans niet nadrukkelijk toe opgeroepen te worden.

  Art. 1153. Indien er handelsboeken zijn, kan de vrederechter ze doen overleggen om ze te viseren en af te sluiten.
  Het is de partijen toegelaten, op hun kosten, de plaatsen of de voorwerpen waarmee deze zijn toegerust te fotograferen.

  Art. 1154. In de gevallen van artikel 1151, 2° , staat het de vrederechter vrij niet te verzegelen, wanneer de waarde van het huisraad der nalatenschap dat gevonden is ter plaatse waar hij optreedt, naar zijn schatting niet meer bedraagt dan ((1.240) EUR). (Dit bedrag kan worden gewijzigd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit). <W 1986-03-03/33, art. 1, 003> <KB 2000-07-20/58, art. 2, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Indien de vrederechter niet verzegelt, maakt hij een beschrijving van dat huisraad, alsmede van het geld en de roerende waarden gevonden ter plaatse waar hij optreedt, en vertrouwt ze toe aan een curator, die hij onderaan op zijn proces-verbaal aanwijst.
  De curator heeft de bevoegdheden en verplichtingen die in artikel 813 van het Burgerlijk Wetboek zijn opgesomd, maar alleen ten aanzien van het geld, het huisraad en de roerende waarden gevonden in de verblijfplaats van de overledene waar de vrederechter is opgetreden.
  Hij is evenwel niet gehouden een boedelbeschrijving te doen opmaken en hij kan de hem toevertrouwde voorwerpen geheel of ten dele te gelde maken, hetzij in openbare verkoping, hetzij uit de hand, na een termijn van veertig dagen te rekenen van zijn aanwijzing. Die termijn kan door de vrederechter worden verkort.
  De bevoegdheden van de curator nemen een einde, wanneer erfgenamen of algemene legatarissen of legatarissen onder algemene titel die de nalatenschap aanvaarden, zich hebben bekend gemaakt.

  Art. 1155. De verzegeling geschiedt binnen vierentwintig uren na de vordering; in geval van dringende noodzakelijkheid kan de verzegeling zelfs op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag geschieden.

  Art. 1156.De verzegeling kan niet meer geschieden wanneer de boedelbeschrijving afgesloten is, tenzij de [1 vrederechter]1 zulks beveelt ingeval de boedelbeschrijving betwist wordt.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 161, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1157. Indien de verzegeling gevorderd wordt tijdens de boedelbeschrijving, kunnen alleen de voorwerpen die in de inventaris nog niet zijn beschreven, worden verzegeld.

  Art. 1158. Het proces-verbaal van verzegeling bevat :
  1° de vermelding van de dag en het uur;
  2° de beweegredenen van de verzegeling en in voorkomend geval de verklaring dat de rechter handelt, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de procureur des Konings, van de burgemeester of van een schepen;
  3° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker en zijn keuze van woonplaats in de gemeente waar de verzegeling gedaan is, indien hij daar niet verblijft;
  4° de beschikking waarbij de verzegeling wordt toegestaan;
  5° de verschijning en de beweringen van de partijen;
  6° de opgave van de plaatsen, kantoren, koffers, kasten en voorwerpen waarop het zegel gelegd is;
  7° een korte beschrijving van de buiten verzegeling gebleven voorwerpen;
  8° de eed van degenen die de plaats bewonen, dat zij niets verduisterd hebben, middellijk of onmiddellijk, en dat zij van zodanige verduistering geen kennis dragen;
  9° de vermelding dat de sleutels van de verzegelde sloten aan de griffier van het vredegerecht zijn overhandigd met opdracht ze te bewaren totdat de zegels worden gelicht.

  Art. 1159. Telkens wanneer de vrederechter het dienstig acht, kan hij nagaan of de zegels voorhanden zijn en in welke staat zij zich bevinden.

  Art. 1160. De betrokken partijen kunnen vó6r de verzegeling vorderen dat de vrederechter het testament of enig ander door hen aangeduid stuk opspoort.

  Art. 1161. Indien een verzegeld omslag of pakket gevonden wordt dat betrekking schijnt te hebben op de nalatenschap of de onverdeeldheid, opent de vrederechter het, na de uitwendige toestand, het zegel en de superscriptie ervan te hebben vastgesteld; hij parafeert, samen met de partijen, de omslag en het stuk.
  (Indien het omslag of het pakket een testament schijnt te bevatten, opent de vrederechter het niet, maar beveelt dat het in bewaring zal worden gegeven bij een notaris die hij aanwijst. De notaris wendt zich tot de vrederechter die het hem overhandigt.) <W 1987-03-31/47, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 02-05-1987>
  Indien het stuk aan een derde blijkt toe te behoren, stelt de vrederechter de uitwendige toestand, het zegel en de superscriptie ervan vast, parafeert, samen met de partijen, de omslag en beveelt het stuk te overhandigen aan wie het zal behoren.

  Art. 1162. Indien een testament open gevonden wordt, stelt de vrederechter de toestand er van vast en handelt zoals bepaald is in artikel 1161, tweede lid.

  Art. 1163. Indien de deuren gesloten zijn of indien geweigerd wordt die te openen, kan de vrederechter om de bijstand van de burgemeester of van de politiecommissaris verzoeken en in hun tegenwoordigheid de deuren en het huisraad doen openen.
  Hij stelt zo nodig bewaarders binnen en zelfs buiten het huis.
  De vrederechter beslist over de moeilijkheden indien er zich voordoen. Zijn beschikking is uitvoerbaar niettegenstaande voorziening en brengt geen nadeel toe aan de zaak zelf.

  Art. 1164. Indien er geen roerende goederen zijn, doet de vrederechter daarvan blijken bij een op te maken akte.

  Afdeling II. _ Verzet tegen ontzegeling.

  Art. 1165. Ieder die van een rechtmatig belang doet blijken, kan zich tegen de ontzegeling verzetten.
  De vrederechter doet uitspraak zonder mogelijkheid van voorziening over de gronden van het verzet en laat de zaak zelf onbeslist.
  Acht de vrederechter de tegenwoordigheid van die persoon niet geraden, dan benoemt hij een notaris om deze, op diens kosten, te vertegenwoordigen bij de ontzegeling en de boedelbeschrijving.

  Art. 1166. Het verzet kan worden gedaan, hetzij door een verklaring op het proces-verbaal van verzegeling, hetzij door een exploot aan de griffier van de vrederechter betekend.
  De akte van verzet bevat, op straffe van nietigheid, behalve de in artikel 43 voorgeschreven vermeldingen, keuze van woonplaats in het arrondissement waar verzegeld wordt, en de nauwkeurige opgave van de reden van het verzet.

  Afdeling III. _ Ontzegeling.

  Art. 1167. <W 14-7-1976, art. 26> De ontzegeling kan aan de vrederechter worden gevraagd door degenen die aanspraak maken op een recht in het gemeenschappelijk vermogen, in de nalatenschap of de onverdeeldheid, door degenen die de zegels hebben doen leggen of door de schuldeisers die een uitvoerbare titel bezitten of wier titel door de vrederechter wordt erkend, onverminderd de rechten in de zaak zelve.

  Art. 1168. De ontzegeling wordt gevorderd bij een aan de vrederechter gericht verzoekschrift, ondertekend door de partij, haar gemachtigde die door de rechter is erkend, haar notaris of haar advocaat.
  De rechter bepaalt bij beschikking onderaan op het verzoekschrift, dag en uur van de verrichtingen.
  Een aanmaning om bij de ontzegeling tegenwoordig te zijn en, in voorkomend geval, bij de daarop volgende boedelbeschrijving, wordt gedaan :
  a) in het geval van een verzegeling na het openvallen van een nalatenschap, aan de overlevende echtgenoot, de vermoedelijke erfgenamen, de uitvoerder van de uiterste wilsbeschikking, de algemene legatarissen of legatarissen onder algemene titel zo zij bekend zijn, aan de schuldeisers die de verzegeling hebben gevorderd en degenen die zich tegen de ontzegeling hebben verzet of aan de notaris die gelast is hen te vertegenwoordigen;
  b) in de andere gevallen, aan degenen die aanspraak maken op een recht in de gemeenschap of de onverdeeldheid, aan de schuldeisers die de verzegeling hebben gevorderd en degenen die zich hebben verzet of aan de notaris die gelast is hen te vertegenwoordigen.
  De betrokkenen of hun wettelijke vertegenwoordigers worden opgeroepen om te verschijnen bij deurwaardersexploot. Wanneer de betrokkenen evenwel (...) buiten het Rijk verblijven, geschiedt de oproeping voor de ontzegeling en voor de boedelbeschrijving aan de daartoe aangestelde gemachtigde, hetzij, indien er geen is aangesteld, aan de notaris die de vrederechter ambtshalve benoemt. De vrijwillige verschijning is evenwel geoorloofd. <W 2002-11-22/40, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 23-01-2003>
  Degenen die zich tegen de ontzegeling hebben verzet, worden aan hun gekozen woonplaats aangemaand.

  Art. 1169. Wanneer er onbekwamen zijn, moeten voor hen wettelijke vertegenwoordigers worden aangesteld, voordat de ontzegeling kan doorgaan.

  Art. 1170. Tussen het tijdstip van de verzegeling en dat van de ontzegeling moeten ten minste drie dagen verlopen.

  Art. 1171. Ingeval van volstrekte noodzakelijkheid kan de vrederechter, in afwijking van artikel 1168, op verzoekschrift de tijdelijke ontzegeling bevelen, onder verplichting om ambtshalve opnieuw te verzegelen zodra de reden waarom de ontzegeling is toegestaan, een einde heeft genomen. De vrederechter bepaalt in voorkomend geval welke maatregelen zullen worden getroffen om de rechten van de belanghebbenden te beschermen gedurende de tijd dat de zegels gelicht zijn.
  In hetzelfde geval kan de definitieve ontzegeling geheel of ten dele worden bevolen, onder verplichting om terstond de boedelbeschrijving te doen.
  In zijn beschikking vermeldt de vrederechter de omstandigheden die de maatregel wettigen; hij benoemt een notaris om de niet tegenwoordige personen te vertegenwoordigen en een notaris om de boedelbeschrijving op te maken en voor de bewaring van de voorwerpen te zorgen.

  Art. 1172. De ontzegeling is zuiver en onvoorwaardelijk, indien de reden van de verzegeling vervallen is en niemand zich tegen de ontzegeling verzet. Daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal.
  Indien zulks niet het geval is, wordt de ontzegeling gevolgd door een boedelbeschrijving, op te maken overeenkomstig de voorschriften van hoofdstuk II van dit boek, tenzij de notaris daarvan regelmatig is vrijgesteld.

  Art. 1173. Het proces-verbaal van ontzegeling bevat :
  1° melding van de dag en het uur;
  2° De naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoekers en hun keuze van woonplaats in het arrondissement:
  3° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de tegenwoordige, vertegenwoordigde of behoorlijk aangemaande partijen;
  4° de uiteenzetting van het onderzoek en van de beschikking waarbij de ontzegeling wordt toegestaan;
  5° de vaststelling dat de vormen in acht zijn genomen;
  6° de beweringen en opmerkingen van de verzoekende en de verschijnende personen;
  7° de vermelding van de notaris die de boedelbeschrijving zal opmaken, indien er een plaatsvindt;
  8° de erkenning dat de zegels gaaf en ongeschonden zijn; indien dat niet het geval is, de staat van de beschadiging, met dien verstande dat voorziening openstaat zoals het behoort wegens de gezegde beschadiging;
  9° de vorderingen tot opsporing, de uitkomsten van die opsporingen en alle andere vorderingen waarover moet worden beslist.

  Afdeling IV. _ Verbod van betaling, van teruggave en overdracht.

  Art. 1174. Ingeval de rechter de vordering tot verzegeling heeft toegewezen, kan hij, bij beschikking gegeven op verzoek van ieder die bevoegd was om de verzegeling te vorderen, aan elke persoon die aan de nalatenschap, de gemeenschap of de onverdeeldheid titels, sommen of waarden schuldig is, daarvan de bewaring heeft of ze onder zich houdt voor andermans rekening, verbieden ze terug te geven, te betalen of over te dragen.
  Dit verbod wordt opgeheven in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij afdeling III van dit hoofdstuk, onverminderd de rechtsmiddelen vermeld in de artikelen 1031 tot 1034.

  HOOFDSTUK II. _ Boedelbeschrijving.

  Art. 1175. De boedelbeschrijving heeft ten doel de omvang van de nalatenschap, van de gemeenschap of van de onverdeeldheid vast te stellen.
  Zij bevat met name de beschrijving en de schatting van de roerende goederen, de ontleding van de titels en papieren, de opgave van de verklaringen door de belanghebbenden gedaan ten laste of ten bate van de boedel.

  Art. 1176. Ieder beding, waarbij het opmaken van een boedelbeschrijving wordt verboden, wordt voor niet geschreven gehouden.

  Art. 1177. De personen bedoeld in artikel 1167 die doen blijken van een ernstig belang in de bewaring, kunnen bij verzoekschrift aan de vrederechter de machtiging vragen om een boedelbeschrijving te laten opmaken zonder voorafgaande verzegeling. In dit geval wordt de boedelbeschrijving opgemaakt bij notarisakte, onverminderd de toepassing van artikel 1154, zo daartoe grond bestaat.
  Die machtiging is evenwel niet vereist wanneer het gaat om goederen van een nalatenschap of van een gemeenschap onder echtgenoten en de boedelbeschrijving gevorderd is van een notaris door een erfgenaam, een algemene legataris of een legataris onder algemene titel, een echtgenoot of een testamentuitvoerder.

  Art. 1178. Het recht om de notaris te kiezen behoort aan de personen samen, die de boedelbeschrijving vorderen.
  Komen zij niet tot overeenstemming dan wijst de vrederechter de notaris aan.
  Indien de rechter bevel of machtiging tot boedelbeschrijving geeft, wijst hij de notaris aan die ze zal opmaken.

  Art. 1179. Indien de boedelbeschrijving niet geschiedt ter gelegenheid van een ontzegeling roept de notaris, ten minste acht dagen vooraf, voor de verrichtingen van boedelbeschrijving alle belanghebbende partijen op bij deurwaardersexploot of bij ter post aangetekende brief. Wanneer de betrokkenen (...) buiten het Rijk verblijven, wordt de oproeping gezonden aan de daartoe aangestelde gemachtigde, hetzij, indien er geen is aangesteld, aan de notaris die de vrederechter ambtshalve benoemt. <W 2002-11-22/40, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 23-01-2003>

  Art. 1180.De boedelbeschrijving wordt opgemaakt in tegenwoordigheid :
  1° (van degenen die als algemene rechthebbenden of als rechthebbende onder algemene titel aanspraak maken op de eigendom of het vruchtgebruik van het gemeenschappelijk vermogen, de nalatenschap of de onverdeeldheid.) <W 14-7-1976, art. 27>
  De ontvoogde minderjarige en de persoon [1 ten aanzien van wie de vrederechter een beschermingsmaatregel als bedoeld in artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek heeft bevolen]1, worden bijgestaan door hun curator [1 , hun bewindvoerder]1 of hun raadsman.
  2° van de notaris aangewezen tot vertegenwoordiger van de belanghebbende die (...) buiten het Rijk wonen, van de personen die de vrederechter weert krachtens artikel 1165; <W 2002-11-22/40, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 23-01-2003>
  3° van de voogd aangewezen om de erfstelling over de hand uit te voeren;
  4° van de uitvoerder van de uiterste wilsbeschikking.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 164, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1181. <W 2001-04-29/39, art. 55, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> In alle gevallen waarin met betrekking tot de voogdij een boedelbeschrijving wordt opgemaakt, geschiedt zulks in aanwezigheid van de toeziende voogd.
  In de aanhef van de boedelbeschrijving wordt vermeld wat de voogd heeft geantwoord op de vraag van de notaris of de minderjarige hem iets schuldig is.

  Art. 1182. De boedelbeschrijving geschiedt in de plaatsen waar de te beschrijven voorwerpen zich bevinden.
  (Tenzij de wet anders bepaalt, is boedelbeschrijving op grond van verklaringen alleen dan geoorloofd wanneer zij niet anders kan worden opgemaakt.) <W 2008-07-18/44, art. 6, 098; Inwerkingtreding : 01-11-2008>

  Art. 1183. Behalve de formaliteiten die gemeen zijn aan alle notariële akten, bevat de boedelbeschrijving ook :
  1° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoekers, de verschenen en niet verschenen personen, degenen die zich tegen de ontzegeling hebben verzet, de aangewezen notarissen en de particuliere deskundigen;
  2° de aanwijzing van de beschikking waarbij een notaris wordt benoemd als vertegenwoordiger van de niet tegenwoordige personen, van de belanghebbenden die (...) buiten het Rijk wonen, van de personen die de vrederechter weert krachtens artikel 1165; <W 2002-11-22/40, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 23-01-2003>
  3° de aangifte van de gebeurtenis die de reden is van de boedelbeschrijving, alsmede van de plaats waar deze verricht wordt en van de persoon die de voorwerpen vertoont;
  4° de schatting van de roerende goederen. Tenzij de partijen het eens zijn over die schatting, geschiedt deze door de optredende notaris, die zich kan doen bijstaan door een particulier deskundige;
  5° de opgave van de gelden, de openbare effecten, de aandelen en obligaties.
  De bij loting terugbetaalbare effecten worden aangeduid met hun nummer en hun reeks;
  6° de staat van de rekeningen bij derden, overeenkomstig de verklaring van de partijen;
  7° de korte beschrijving van de boekhouding, de ontleding van de titels, papieren en stukken betreffende de baten en lasten van het vermogen of van de onverdeelde massa.
  De beschreven stukken, titels en papieren worden genummerd en geparafeerd door de notaris, die bovendien de geschriften in de boeken afsluit;
  8° de verklaringen door de belanghebbenden gedaan ten laste of ten bate van de boedel, de aan partijen gestelde vragen en de daarop gegeven antwoorden;
  9° de aanwijzing van de persoon aan wie de beschreven voorwerpen worden toevertrouwd;
  10° de waarschuwing door de notaris dat de wet straffen uitvaardigt tegen hen die zich schuldig maken aan het wegmaken of helen van voorwerpen of aan meineed;
  11° de eed van degenen die in het bezit geweest zijn van de voorwerpen of die de plaatsen bewoond hebben, dat zij niets hebben verduisterd, en dat zij van zodanige verduistering geen kennis dragen.

  Art. 1184. Indien moeilijkheden rijzen of indien vorderingen worden gedaan met het oog op het beheer van het vermogen of van de onverdeelde massa of uit andere oorzaken en de andere partijen daaraan niet tegemoetkomen, wendt de notaris zich tot de vrederechter, die zijn beschikking stelt op de minuut van het proces-verbaal.
  Zijn partijen het niet eens omtrent de aanwijzing van de persoon aan wie de beschreven voorwerpen worden toevertrouwd, dan wordt de notaris van rechtswege bewaarder van de titels, gelden, waarden, stukken en papieren.
  Voor het overige worden de beschreven voorwerpen, op verzoek van de optredende notaris, toevertrouwd aan de persoon die de vrederechter aanwijst.

  HOOFDSTUK III. _ <W 14-7-1976> Verwerping van de nalatenschap.

  Art. 1185.<W 14-7-1976, art. 28> Verwerping van de nalatenschap wordt gedaan ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de erfenis is opengevallen, in het register voorgeschreven bij artikel 784 van het Burgerlijk Wetboek [1 , of ten overstaan van een notaris]1.
  [1 Wanneer de verwerping ten overstaan van een notaris wordt gedaan, handelt deze overeenkomstig artikel 784, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 143, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  HOOFDSTUK IV. - Bepaalde (...) verkopingen van onroerende goederen. <W 18-2-1981, art. 1>.

  Art. 1186.<W 2001-04-29/39, art. 56, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Wanneer moet worden overgegaan tot vervreemding van onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk (aan minderjarigen, (aan vermoedelijk afwezigen,) [2 of aan beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden]2, moeten hun wettelijke vertegenwoordigers daartoe aan de vrederechter machtiging vragen. <W 2003-05-03/62, art. 11, 068; Inwerkingtreding : 31-12-2003> <W 2007-05-09/44, art. 40, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  (lid 2 opgeheven) <W 2003-02-13/54, art. 8, 063; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  Indien de vrederechter de verkoop toestaat, wijst hij tegelijk een notaris aan door wiens ambtelijke tussenkomst de openbare verkoping geschiedt.
  [1 De verkoop geschiedt in aanwezigheid van de wettelijke vertegenwoordigers en, in voorkomend geval, van de toeziende voogden. De verkoop geschiedt, in voorkomend geval, ten overstaan van de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn.]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 31, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (2)<W 2013-03-17/14, art. 165, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1187.(Wanneer onroerende goederen in mede-eigendom toebehoren aan minderjarigen, (vermoedelijk afwezigen,) [2 beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden]2 of aan personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij, en aan andere personen, dan dienen deze laatsten, indien zij willen verkopen, zich bij verzoekschrift te wenden tot de vrederechter om daartoe te worden gemachtigd. <W 2007-05-09/44, art. 41, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  De wettelijke vertegenwoordigers van de betrokken minderjarigen, (vermoedelijk afwezigen,) [2 bewindvoerders van beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden]2 alsook de andere mede-eigenaars, moeten worden gehoord of behoorlijk worden opgeroepen bij gerechtsbrief ter kennis gebracht ten minste vijf dagen voor de zittingsdag. <W 2007-05-09/44, art. 42, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  Indien de vrederechter het verzoekschrift inwilligt, wijst hij een notaris aan die de openbare verkoping zal houden.) <W 2001-04-29/39, art. 57, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  [1 De verkoop geschiedt in aanwezigheid van de wettelijke vertegenwoordigers en, in voorkomend geval, van de toeziende voogden. De verkoop geschiedt, in voorkomend geval, ten overstaan van de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn.]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 32, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (2)<W 2013-03-17/14, art. 166, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1188. (Opgeheven) <W 2007-05-09/44, art. 43, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 1189.De openbare verkoping van onroerende goederen die behoren tot nalatenschappen aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving of tot onbeheerde nalatenschappen, is onderworpen aan de volgende voorwaarden :
  De erfgenamen of curators zijn gehouden bij verzoekschrift machtiging tot het verrichten van de openbare verkoping te vragen aan de [2 familierechtbank]2 van de plaats waar de erfenis is opengevallen; indien de rechtbank de machtiging verleent, wijst zij tegelijk een notaris aan, door wiens ambtelijke tussenkomst de openbare verkoping zal geschieden.
  Deze wordt [1 , in voorkomend geval,]1 gehouden ten overstaan van de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn.
  (De machtiging van de rechtbank is niet vereist in geval van toepassing van de artikelen 1186 en 1187.) <W 2001-04-29/39, art. 58, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 33, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 162, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1190.De curator van het faillissement mag de onroerende goederen die tot een failliete boedel behoren, niet verkopen dan nadat hij aan de rechter-commissaris machtiging heeft gevraagd; indien de rechter machtiging verleent, wijst hij tegelijk een notaris aan, door wiens ambtelijke tussenkomst de openbare verkoping zal geschieden.
  Deze wordt [1 , in voorkomend geval,]1 gehouden ten overstaan van de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn.
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 34, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 1191.<W 2001-04-29/39, art. 59, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Indien het evenwel met het oog op de beschermde belangen bedoeld in de artikelen 1186 tot 1190 vereist is dat de onroerende goederen geheel of gedeeltelijk worden verkocht in een of meer andere kantons dan dat waar het goed gelegen is, wordt zulks naargelang van het geval vermeld in de beschikking van de vrederechter, in de beslissing tot machtiging van [2 de familierechtbank]2 of van de rechter-commissaris van het faillissement. De vrederechter, [2 de familierechtbank]2 of de rechter-commissaris wijst [1 , in voorkomend geval,]1 tegelijk de vrederechter aan in aanwezigheid van wie de verkoop zal geschieden.
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 35, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2013>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 163, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1192.[1 § 1. De door de aangestelde notaris opgestelde verkoopvoorwaarden geven de datum van de verkoop aan en worden vóór de aanvang van de bekendmaking ter goedkeuring voorgelegd aan de vrederechter.
   De vrederechter waakt over de bescherming van de in artikel 1191 bedoelde belangen. In voorkomend geval kan hij zijn goedkeuring van de verkoopvoorwaarden afhankelijk maken van de vaststelling van bepaalde voorwaarden waaronder in het bijzonder zijn aanwezigheid op de zitting van toewijzing.
   Weigert de rechter zijn goedkeuring, dan staan tegen zijn beschikking de rechtsmiddelen open als bepaald in de artikelen 1031 tot 1034.
   § 2. Als er moeilijkheden ontstaan, kan de notaris of elke belanghebbende partij zich tot de vrederechter wenden. In voorkomend geval doet de vrederechter de verkoop uitstellen, na de wettelijke vertegenwoordigers van de belanghebbenden, de voorlopig inbezitgestelden, de erfgenamen die onder voorrecht hebben aanvaard, de curators van de onbeheerde nalatenschappen of de curators van de failliete boedels te hebben gehoord.]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 36, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 1193.(De verkoop van de onroerende goederen geschiedt in alle voormelde gevallen op de wijze die gebruikelijk is inzake gewone openbare verkoping van onroerende goederen, behoudens het bepaalde in de artikelen 1193bis en 1193 ter.) <W 18-2-1981, art. 2>
  [1 De toewijzing geschiedt in één enkele zitting, eerst bij opbod, en onder de opschortende voorwaarde van de afwezigheid van een hoger bod bedoeld in de artikelen 1592, 1593 en 1594. De artikelen 1589 en 1590 zijn van toepassing op die toewijzing.]1 [2 De biedingen kunnen zowel fysieke als gedematerialiseerde biedingen zijn. De verkoopsvoorwaarden bepalen de wijze, de voorwaarden en de termijn voor het doen van de biedingen.]2
  [1 De instrumenterende notaris kan voorafgaand aan de toewijzing, eventueel na advies van een door hem aangestelde deskundige, de instelprijs bepalen.
   De bieder die bij aanvang van de zitting als eerste bod een bedrag gelijk aan of hoger dan de instelprijs biedt, krijgt een vergoeding gelijk aan 1 % van zijn eerste bod. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief aan deze bieder wordt toegewezen. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
   Als niemand de instelprijs biedt, zal de notaris door afmijning een eerste bod uitlokken, waarna de verkoop wordt voortgezet bij opbod.
   Wanneer de instrumenterende notaris geen instelprijs bepaalt, kan hij een premie toekennen aan die bieder die het hoogste bedrag biedt op het einde van de eerste zitting. Deze premie bedraagt 1 % van dit geboden bedrag. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief wordt toegewezen aan deze bieder. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
   De in het vierde en zesde lid bedoelde premies worden beschouwd als een gerechtskost zoals bepaald in artikel 17 van de Hypotheekwet.]1
  (In alle gevallen kunnen de verzoekers, wegens bijzondere omstandigheden en met instemming van de vrederechter, hetzij in de verkoopsvoorwaarden vermelden, hetzij ter zitting beslissen dat de formaliteit van het hoger bod niet zal worden toegepast.) <W 1997-08-08/80, art. 139, 035; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  ----------
  (1)<W 2009-05-15/31, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 129, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 1193bis.<W 2001-04-29/39, art. 60, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> In de gevallen bedoeld in de artikelen 1186 tot 1189 kunnen de personen bevoegd om de openbare verkoping van de onroerende goederen te vorderen, naargelang van het geval, bij de vrederechter of bij de [2 familierechtbank]2 een aanvraag indienen tot machtiging om uit de hand te verkopen. De machtiging wordt verleend indien het belang van de door die artikelen beschermde personen zulks vereist.
  De machtiging [2 ...]2 moet uitdrukkelijk vermelden waarom de verkoop uit de hand het belang van de beschermde personen dient. Deze vorm van verkoop kan van de vaststelling van een minimum verkoopprijs afhankelijk worden gesteld.
  De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend bij een met redenen omkleed verzoekschrift waarbij een door een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte wordt gevoegd. (De ontwerp-akte wordt gevoegd bij de beschikking of bij het vonnis tot machtiging.) <W 2003-05-03/62, art. 12, 068; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  [1 De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers alsook de personen aangewezen in artikel 1187, tweede lid, moeten worden gehoord of behoorlijk worden opgeroepen bij gerechtsbrief ter kennis gebracht ten minste vijf dagen voor de zittingsdag.]1
  De vrederechter of de rechtbank kan de personen die bij de akte partij zullen zijn, bevelen te verschijnen.
  (De verkoping moet overeenkomstig de door de vrederechter of de rechtbank aangenomen ontwerp-akte, in aanwezigheid, in voorkomend geval, van de toeziende voogd, geschieden door de ambtelijke tussenkomst van de notaris aangewezen in de beschikking of in het vonnis tot machtiging.
  De notaris voegt bij de verkoopakte een eensluidend verklaard afschrift van de beschikking of het vonnis. De titel van de verkrijger bestaat uit de akte zonder dat vereist is de beschikking of het vonnis tot machtiging er aan toe te voegen en over te schrijven.) <W 2003-05-03/62, art. 12, 068; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 4, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 164, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1193ter. <W 1997-08-08/80, art. 116, 035; Inwerkingtreding : 01-01-1998> In het geval van artikel 1190 kunnen de curators aan de rechtbank van koophandel de machtiging vragen om uit de hand te verkopen. De curators leggen aan de rechtbank het door een notaris, aangewezen door de rechter-commissaris, opgemaakt ontwerp van verkoopakte voor, onder opgave van de redenen waarom de verkoop uit de hand geboden is.
  Hierbij voegen zij een schattingsverslag, opgemaakt door de door hen aangewezen deskundige en een getuigschrift van de hypotheekbewaarder, na de faillietverklaring opgesteld, met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen. Alle personen die hetzij een inschrijving, hetzij een kantmelding hebben op het betrokken onroerend goed en de gefailleerde moeten worden gehoord of bij gerechtsbrief behoorlijk worden opgeroepen. Zij kunnen van de rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden zoals een minimumverkoopprijs.
  De machtiging wordt verleend indien het belang van de gefailleerde boedel zulks vereist en op advies van de rechter-commissaris. De beschikking bepaalt uitdrukkelijk waarom de verkoop uit de hand het belang van de failliete boedel dient. Deze vorm van verkoop kan van een minimumverkoopprijs afhankelijk worden gesteld.
  De verkoping moet overeenkomstig de door de rechtbank aangenomen ontwerpakte geschieden, door de ambtelijke tussenkomst van de notaris die deze heeft opgesteld. Hij verdeelt de prijs overeenkomstig de artikelen 1639 en volgende. Hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank kan ingesteld worden door de verzoeker of door de tussenkomende schuldeisers op de wijze bepaald in artikel 1031.

  HOOFDSTUK V. - Bepaalde verkopingen van roerende goederen.

  Art. 1194.Wanneer de verkoop van het tot een nalatenschap behorende roerende goederen geschiedt ingevolge artikel 826 van het Burgerlijk Wetboek, worden de hierna voorgeschreven vormen in acht genomen.
  De verkoop geschiedt evenwel zoals de partijen beslissen, indien zij alle meerderjarig en tegenwoordig zijn en het eens zijn, en er geen belanghebbende derde is.
  De bepalingen van het eerste lid zijn van toepassing op de verkoop van roerende goederen die behoren tot een onbeheerde nalatenschap of tot een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap, (alsmede op de verkopingen bedoeld (in de artikelen 410, § 1, [1 499/7, § 2, en 499/9]1) van het Burgerlijk Wetboek). <W 2001-04-29/39, art. 61, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> <W 2003-05-03/62, art. 13, 068; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 167, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1195.De verkoop heeft plaats op verzoek van een belanghebbende partij, door tussenkomst van een notaris of een gerechtsdeurwaarder en overeenkomstig het plaatselijk gebruik.
  Wanneer [2 zij]2 beschikt op het verzoek van een belanghebbende partij, kan de [2 familierechtbank]2 alle maatregelen bevelen die de uitslag van de verkoop kunnen verbeteren. Het bevelschrift wordt door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de partijen.
  (In de gevallen bedoeld in de artikelen 410, § 1, [1 499/7, § 2, en 499/9]1, van het Burgerlijk Wetboek, kan de vrederechter dezelfde maatregelen bevelen.) <W 2001-04-29/39, art. 62, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 168, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 165, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (zie ook W 2014-05-08/02, art. 73, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1196. Wanneer de verkoop geschiedt ingevolge artikel 826 van het Burgerlijk Wetboek, of wanneer het een verkoop is van roerende goederen die behoren tot een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap, worden tot de verkoping opgeroepen de partijen die het recht hebben om tegenwoordig te zijn bij de boedelbeschrijving en die in het Rijk woonplaats hebben of woonplaats hebben gekozen.
  De oproeping wordt door de optredende openbare of ministeriële ambtenaar gedaan aan de woonplaats of aan de gekozen woonplaats bij een ter post aangetekend schrijven.

  Art. 1197.Indien er moeilijkheden rijzen, wordt daarover beslist in kort geding door de [2 familierechtbank]2 van de plaats waar de goederen zich bevinden (of door de vrederechter die machtiging gaf tot de verkoop ingevolge (de artikelen 410, § 1, [1 499/7, § 2, en 499/9]1,) van het Burgerlijk Wetboek.) <W 2001-04-29/39, art. 63, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> <W 2003-05-03/62, art. 14, 068; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 169, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22), zichzelf opgeheven bij W 2014-05-12/02, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 166, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  

  Art. 1198.De verkoop geschiedt in de gemeente of de agglomeratie waar de goederen zich bevinden, tenzij de [1 familierechtbank]1 (of de vrederechter) op verzoek van een partij anders beveelt overeenkomstig artikel 1195. <W 2001-04-29/39, art. 64, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 167, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1199.Indien het een handelszaak betreft, geschiedt de verkoop ineens.
  Lichamelijke goederen die tot de te verkopen zaak behoren, kunnen niet worden toegewezen voor een lagere prijs dan de deskundige heeft geschat. De deskundige wordt op verzoek van een der partijen aangewezen door de [1 familierechtbank]1 van de plaats van de hoofdvestiging der handelszaak. De deskundige brengt verslag uit binnen de termijn bepaald bij de beschikking van de [1 rechtbank]1. Indien de prijs het geschatte bedrag niet bereikt, worden de onderscheiden bestanddelen van de handelszaak in het klein verkocht overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, en zulks terstond of op een latere zitting.
  (Indien het een handelszaak betreft die in haar geheel toebehoort aan onbekwamen, geschiedt de verkoop ten overstaan van de vrederechter overeenkomstig de procedure zoals aangegeven in het eerste en het tweede lid. De deskundige wordt op verzoek van een der partijen aangewezen door deze vrederechter.) <W 2001-04-29/39, art. 65, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 168, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1200. De verkoop geschiedt onverschillig of de partijen al dan niet tegenwoordig zijn, zonder dat iemand voor de niet verschenen personen wordt opgeroepen.

  Art. 1201. De toewijzing geschiedt aan de meestbiedende en tegen gereed geld.
  Bij gebreke van betaling kan het goed terstond opnieuw worden verkocht. De optredende notaris of gerechtsdeurwaarder is persoonlijk aansprakelijk voor de prijs van de toewijzingen.

  Art. 1202. De verzoekende partijen kunnen evenwel overeenkomen dat de prijs op een bepaald tijdstip zal worden betaald.
  In dat geval wordt het proces-verbaal getekend door de verkoper en door de koper; de optredende notaris of deurwaarder is niet aansprakelijk voor de prijs van de toewijzingen. Hij mag de niet betaalde prijs niet voorschieten aan de verkoper.

  Art. 1203. Het proces-verbaal van de verkoop geeft de naam, voornaam en woonplaats van de verzoekende partijen op, de gemaakte publiciteit en, in voorkomend geval, de beschikking die voor de verkoop bijzondere regels heeft vastgesteld.
  De handtekening van de verzoekende partijen is niet vereist. Wanneer er nochtans een termijn werd gesteld voor de betaling van de prijs, geeft het proces-verbaal bovendien de naam, voornaam en woonplaats van de persoon aan wie de koop werd toegewezen en wordt het door de verzoekers en door die persoon ondertekend. Die handtekening kan geplaatst worden onmiddellijk na iedere toewijzing.

  Art. 1204. Betreft het deviezen of openbare effecten, dan geschiedt de verkoop op de beurs: voor de genoteerde effecten of deviezen, op de gewone vergaderingen van de beurs of van een der beurzen waar zij genoteerd worden; voor de andere, op de openbare verkopingen die de beurscommissie houdt.

  Art. 1204bis.[1 Wanneer moet worden overgegaan tot vervreemding van roerende goederen die geheel of gedeeltelijk toebehoren aan minderjarigen onder voogdij, beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om roerende goederen te vervreemden, personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij of wanneer deze goederen behoren tot een onbeheerde nalatenschap of tot een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap, kunnen diegenen die bevoegd zijn om deze verkoping te vorderen, naargelang van het geval, bij de vrederechter of bij de familierechtbank, een aanvraag indienen tot machtiging om onderhands te verkopen. De machtiging wordt verleend als het belang van de beschermde personen het vereist. Deze aanvraag wordt ingediend bij een met redenen omkleed verzoekschrift waarbij een ontwerp van verkoopovereenkomst wordt gevoegd. De personen die de beschermde personen vertegenwoordigen, moeten gehoord of bij gerechtsbrief behoorlijk opgeroepen worden ten minste vijf dagen voor de zittingsdag. De rechter kan de personen die bij de overeenkomst partij zullen zijn, bevelen te verschijnen. Een exemplaar van de ondertekende overeenkomst moet daarna aan de rechter worden bezorgd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 169, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie ook W 2014-05-08/02, art. 74, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  HOOFDSTUK VI. - Verdeling en veiling van onverdeelde goederen.

  Eerste afdeling. - Minnelijke verdeling.

  Art. 1205. Wanneer alle medeëigenaars meerderjarig, tegenwoordig of behoorlijk vertegenwoordigd zijn, kunnen zij te allen tijde de verdeling in onderlinge overeenstemming verrichten zoals zij beslissen.

  Art. 1206. Indien er onder de medeëigenaars een minderjarige is, geschiedt de verdeling door een notaris, onder voorzitterschap en met goedkeuring van de vrederechter.
  Alle medeëigenaars moeten erbij tegenwoordig zijn in persoon, bij gemachtigde of in voorkomend geval door hun wettelijke vertegenwoordiger. De curator van de ontvoogde minderjarige en de toeziende voogd zijn eveneens tegenwoordig, zonder dat de strijdigheid van belangen tussen hen en de minderjarigen grond oplevert tot vervanging.
  Wanneer de rechter het nodig acht, kan hij een of meer deskundigen benoemen, die op gezamenlijk verzoek van de partijen advies zullen geven over het vormen van de kavels. De kavels van de minderjarigen kunnen ten dele en zelfs voor het geheel worden samengesteld uit wat eenvoudig opgelegd wordt.
  De aldus gevormde kavels worden aan de deelgenoten toegewezen, hetzij rechtstreeks, hetzij bij loting; in de akte van verdeling wordt daarvan melding gemaakt.
  De vrederechter waakt voor de bescherming van de belangen der minderjarigen en voor de belegging, overeenkomstig de wet, van de sommen en waarden die hun zullen worden toegekend.
  Indien de rechter op een verzoekschrift dat de partijen hem voorleggen, zijn goedkeuring weigert stelt hij dit vast bij een met redenen omklede beschikking, waartegen voor alle partijen gezamenlijk hoger beroep openstaat. Bij gebreke van goedkeuring kan de verdeling niet worden voortgezet dan in de vorm van de gerechtelijke verdeling.

  Afdeling 2. - [1 Gerechtelijke verdeling]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Onderafdeling 1. - [1 De inleiding van de vordering en het vonnis dat de gerechtelijke verdeling beveelt]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1207.[1 Indien niet alle mede-eigenaars met een minnelijke verdeling instemmen, alsook in de gevallen bedoeld in artikel 1206, zesde lid, geschiedt de verdeling gerechtelijk op vordering van de meest gerede partij ingesteld bij de familierechtbank.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 170, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1208. [1 § 1. Indien betreffende dezelfde onverdeeldheid meerdere eisers afzonderlijk de verdeling vorderen, worden de vorderingen op de eerste nuttige zitting, in voorkomend geval ambtshalve, samengevoegd.
  § 2. Indien tussen partijen een andere onverdeeldheid bestaat waarbij geen derden zijn betrokken en waarvan de voorafgaande vereffening noodzakelijk is om de gevorderde verdeling te voltrekken, strekt de vordering zich van rechtswege uit tot de vereffening van die onverdeeldheid.
  § 3. In het geval bedoeld in § 2 heeft het vonnis dat met toepassing van artikel 1209 wordt gewezen, van rechtswege tot gevolg dat dient te worden overgegaan tot de vereffening van de onverdeeldheid, waarvan de voorafgaande vereffening noodzakelijk is om de bevolen verdeling te voltrekken.
  § 4. Op verzoek van een van de partijen kan de rechtbank, bij een met redenen omklede beslissing, de afzonderlijke verdeling bevelen voor de in het buitenland gelegen goederen die ze aanwijst. Ze houdt rekening met de aard en de ligging van die goederen. De termijnen bedoeld in de artikelen 1214, § 2, en 1218 zijn in dat geval niet van toepassing op deze afzonderlijke verdeling.
  De rechtbank kan, indien dit verzoek overeenkomstig artikel 1216 bij haar aanhangig wordt gemaakt door de notaris-vereffenaar, in dezelfde zin bevelen in de loop van de procedure.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1209. [1 § 1. De rechtbank beslist over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie wordt gewezen, en verleent de partijen akte van hun eventuele akkoorden.
  § 2. De door de rechtbank vastgestelde akkoorden gelden als vonnis bedoeld in artikel 1043.
  § 3. Het vonnis waarin het akkoord van de partijen over de verkoop, openbaar of uit de hand, van alle of een deel van de goederen wordt vastgesteld, machtigt de notaris-vereffenaar ertoe over te gaan tot deze verkoop, indien hij daartoe door ten minste een partij wordt verzocht.
  Dit vonnis verleent aan de notaris-vereffenaar de bevoegdheden bedoeld in artikel 1224, § 4, tweede, derde en vierde lid, waarvan het de tekst overneemt in het beschikkende gedeelte.
  In geval van openbare verkoop van onroerende goederen, heeft deze plaats op de wijze die gebruikelijk is inzake gewone openbare verkoping van onroerende goederen en overeenkomstig artikel 1193, tweede tot zevende lid, alsmede, in voorkomend geval, overeenkomstig de artikelen 1186 tot 1192 en artikel 1193, achtste lid.
  In geval van verkoop uit de hand, heeft deze in voorkomend geval plaats overeenkomstig artikel 1193bis.
  De verkoop van roerende goederen geschiedt overeenkomstig de artikelen 1194 tot 1204bis, in voorkomend geval door toedoen van een door de notaris-vereffenaar aangewezen gerechtsdeurwaarder.
  Op de dag bepaald voor de toewijzing, wordt daartoe overgegaan op verzoek van ten minste een van de partijen.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Onderafdeling 2. - [1 De aanstelling van de notaris-vereffenaar]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1210. [1 § 1. Indien de rechtbank de verdeling beveelt, verwijst zij de partijen naar de notaris-vereffenaar over wie de partijen het eens zijn, of, op een met redenen omkleed verzoek van de partijen, naar twee notarissen-vereffenaars waarvan zij gezamenlijk de aanstelling vragen.
  Indien de partijen niet tot een akkoord komen of indien de rechtbank oordeelt dat de aanstelling van twee notarissen-vereffenaars niet gerechtvaardigd is, verwijst zij de partijen naar een andere notaris-vereffenaar die zij aanwijst.
  § 2. Indien de rechtbank twee notarissen-vereffenaars aanwijst, handelen deze gezamenlijk, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.
  In afwijking van de artikelen 5 en 6, 1°, van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt treden beide notarissen-vereffenaars gezamenlijk op in de ambtsgebieden van elk van hen.
  § 3. Indien twee notarissen-vereffenaars werden aangewezen, is de notaris-vereffenaar wiens naam het eerst wordt vermeld in de beslissing, belast met de bewaring van de minuten, onverminderd de toepassing van § 4.
  § 4. Indien de notaris-vereffenaar in het kader van de bevolen verdeling dient op te treden buiten zijn ambtsgebied, wijst hij voor deze verrichtingen een territoriaal bevoegde notaris aan.
  § 5. Onverminderd de bepalingen van het eerste boek van het vierde deel en tenzij de rechtbank anders beslist, staan de partijen in gelijke mate in voor de provisionering van de notaris-vereffenaar.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Onderafdeling 3. - [1 De vervanging van de notaris-vereffenaar]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1211. [1 § 1. In geval van weigering, verhindering van de notaris-vereffenaar of indien er omstandigheden zijn die gerechtvaardigde twijfel doen ontstaan over zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid, voorziet de rechtbank in zijn vervanging.
  De notaris-vereffenaar van wie de partijen gezamenlijk de aanstelling hebben gevraagd, kan slechts worden vervangen, op verzoek van één van de partijen, om redenen ontstaan of vastgesteld na zijn aanstelling.
  Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 1220, § 2 en § 3, kan, na de opening van de werkzaamheden, geen vervanging meer worden gevraagd door één van de partijen, tenzij de partij die om de vervanging verzoekt slechts nadien in kennis is gesteld van de ingeroepen reden.
  In geval van hoger beroep tegen de beslissing bedoeld in de artikelen 1209, § 1, en 1210, wordt het verzoek tot vervanging ingediend bij de rechter in hoger beroep. De vervanging kan bijgevolg later niet worden gevraagd op grond van de middelen ingeroepen voor de rechter in hoger beroep.
  § 2. De partij of de notaris-vereffenaar die middelen van vervanging aanvoert, draagt deze voor bij gewoon schriftelijk verzoek neergelegd bij of gericht aan de rechtbank die de notaris-vereffenaar heeft aangesteld.
  De griffie geeft kennis van dit verzoek, bij gerechtsbrief, aan de partijen en aan de notaris-vereffenaar.
  Binnen vijftien dagen na deze kennisgeving zendt de notaris-vereffenaar, in voorkomend geval, zijn opmerkingen aan de rechtbank en de partijen.
  Na verloop van deze termijn roept de griffie de partijen en de notaris-vereffenaar bij gerechtsbrief op voor een zitting in raadkamer.
  Indien de rechtbank het verzoek inwilligt, stelt zij ambtshalve, in de plaats van de vervangen notaris-vereffenaar, een nieuwe notaris-vereffenaar aan die zij aanwijst of over wie de partijen het eens zijn.
  Tegen de beslissing betreffende de vervanging kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Onderafdeling 4. - [1 Het beheer van de onverdeelde boedel]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1212. [1 De rechtbank kan, in elke stand van het geding en op vordering van een van de partijen of van de notaris-vereffenaar, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek ingediend bij of gericht aan de rechtbank die de notaris-vereffenaar heeft aangewezen, een beheerder aanwijzen, met opdracht alle daden van beheer te verrichten en, in voorkomend geval, de massa van de mede-eigenaars in rechte te vertegenwoordigen.
  De procedure verloopt overeenkomstig artikel 1211, § 2, tweede en derde lid. Na verloop van de in artikel 1211, § 2, derde lid, bedoelde termijn, roept de griffie de partijen en de notaris-vereffenaar bij gerechtsbrief op. Indien de rechtbank het verzoek inwilligt, stelt zij een beheerder aan, bepaalt zij de omvang van zijn opdracht en bepaalt zij zijn vergoeding.
  De beheerder kan zich laten bijstaan door één of meerdere personen die onder zijn verantwoordelijkheid optreden.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Onderafdeling 5. - [1 Het deskundigenonderzoek]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1213. [1 § 1. Wanneer de rechtbank een of meer deskundigen aanstelt, belast met het deskundigenonderzoek voor de goederen waarvan de verkoping niet is beslist, omvat de opdracht tot deskundigenonderzoek de schatting van de goederen, de vaststelling van de grondslagen van die schatting en eventueel de aanduiding van de mogelijkheden van een gevoeglijke verdeling in natura, met, in voorkomend geval, de vaststelling van de bij loting toe te wijzen kavels.
  Mits alle partijen ermee akkoord gaan, kan de notaris-vereffenaar de opdracht van de deskundige vervolledigen. Indien niet alle partijen tot een akkoord komen, wordt de rechtbank geadieerd overeenkomstig de in § 3 bepaalde procedure.
  Mits alle partijen ermee akkoord gaan, kan de notaris-vereffenaar de opdracht van de deskundige wijzigen of aan deze laatste vragen een eerdere schatting te actualiseren. Indien niet alle partijen tot een akkoord komen, wordt de rechtbank geadieerd overeenkomstig de in § 3 bepaalde procedure.
  Behoudens andersluidende beslissing van de rechtbank of behoudens akkoord van alle partijen vat de deskundige zijn opdracht pas aan nadat hij hierom werd verzocht door de notaris-vereffenaar.
  § 2. Gelijktijdig met de neerlegging van zijn eindverslag ter griffie bezorgt de deskundige aan de notaris-vereffenaar, aan de partijen en aan hun raadslieden, een afschrift van dit verslag in de vorm bepaald in artikel 978 en, wat de mededeling aan de notaris-vereffenaar betreft, bij aangetekende brief.
  § 3. Indien geen deskundige wordt aangesteld in het vonnis bedoeld in de artikelen 1209, § 1 en 1210, § 1, kan het verzoek tot aanstelling van een of meer deskundigen in de loop van de procedure worden ingediend, door elke partij of door de notaris-vereffenaar, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd bij of gericht aan de rechtbank die de notaris-vereffenaar heeft aangesteld.
  De procedure verloopt overeenkomstig artikel 1211, § 2, tweede en derde lid. Na verloop van de in artikel 1211, § 2, derde lid, bedoelde termijn, roept de griffie de partijen en de notaris-vereffenaar bij gerechtsbrief op. Indien de rechtbank het verzoek inwilligt, stelt zij een of meer deskundigen aan, van wie de opdracht in § 1 is bepaald.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Onderafdeling 6. - [1 Het verloop van de werkzaamheden
  Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1214. [1 § 1. De notaris-vereffenaar poogt de partijen te verzoenen en wijst de partijen erop dat ze zich kunnen laten bijstaan door een advocaat.
  In elke stand van de rechtspleging maakt de notaris-vereffenaar, op verzoek van de partijen, een proces-verbaal op van het tussen hen bereikte globale of gedeeltelijke akkoord over de vereffening of de verdeling. Het aldus vastgestelde akkoord dat door de partijen is ondertekend bindt hen definitief en machtigt de notaris-vereffenaar, wanneer het betrekking heeft op de verkoop, openbaar of uit de hand, van alle of een deel van de goederen, ertoe over te gaan tot deze verkoop, indien hij daartoe door ten minste een partij wordt verzocht.
  In geval van openbare verkoop vindt deze plaats op de wijze die gebruikelijk is inzake gewone openbare verkoping van onroerende goederen en overeenkomstig artikel 1193, tweede tot zevende lid, alsmede, in voorkomend geval, overeenkomstig de artikelen 1186 tot 1192 en artikel 1193, achtste lid.
  In geval van verkoop uit de hand vindt deze, in voorkomend geval, plaats overeenkomstig artikel 1193bis.
  De verkoop van roerende goederen geschiedt overeenkomstig de artikelen 1194 tot 1204bis, in voorkomend geval door toedoen van een gerechtsdeurwaarder aangewezen door de notaris-vereffenaar.
  Op de dag bepaald voor de toewijzing wordt daartoe overgegaan op verzoek van ten minste één van de partijen.
  § 2. De notaris-vereffenaar verricht de boedelbeschrijving, tenzij alle partijen, voor zover ze bekwaam zijn, hiervan afzien en gezamenlijk aan de notaris-vereffenaar aanduiden welke goederen afhangen van de te verdelen boedel. Van de boedelbeschrijving wordt ten laatste afgezien bij de sluiting van het proces-verbaal van de opening der werkzaamheden. De notaris-vereffenaar stelt een proces-verbaal op waarin hij opneemt dat de partijen afzien van de boedelbeschrijving en akkoord gaan over de vaststelling van de te verdelen boedel, en bezorgt hiervan een afschrift aan de partijen en aan hun raadslieden in de vorm bepaald in artikel 1215, § 2.
  Bij gebrek aan verzaking aan de boedelbeschrijving, bepaalt de notaris-vereffenaar, bij de sluiting van het proces-verbaal van opening der werkzaamheden, de dag en het uur van de eerste vacatie van de boedelbeschrijving, die plaats heeft, behoudens andersluidend akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar, uiterlijk twee maanden na de genoemde sluiting. Indien de boedelbeschrijving niet kan worden gesloten bij de eerste vacatie, bepaalt de notaris-vereffenaar onmiddellijk de dag en het uur van de volgende vacatie, die plaats heeft, behoudens akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar, uiterlijk twee maanden na de vorige vacatie.
  Mits alle partijen ermee akkoord gaan en bekwaam zijn, kan de boedelbeschrijving op verklaring worden gedaan.
  § 3. Indien de notaris-vereffenaar erom door de partijen wordt verzocht en instemt met dit verzoek, schat hij de te verdelen goederen.
  § 4. Zonder afbreuk te doen aan de regels betreffende de bewijslast en bewijsvoering, kan de notaris-vereffenaar aan de partijen of derden alle relevante informatie en stukken vragen.
  Indien de partijen of derden de door de notaris-vereffenaar gevraagde relevante informatie en stukken niet meedelen, kan de rechtbank, geadieerd overeenkomstig artikel 1216, hun overlegging bevelen overeenkomstig de artikelen 877 tot 882, in voorkomend geval op straffe van een dwangsom.
  § 5. De notaris-vereffenaar maakt de rekeningen op die de deelgenoten elkaar verschuldigd mochten zijn, vormt de algemene boedel, stelt de kavels samen en doet de afrekening die met elk van de deelgenoten moet worden gedaan. Hij neemt alle andere bijkomende maatregelen om zijn opdracht naar behoren en binnen een redelijke termijn te vervullen.
  § 6. De afwezigheid van één of meer partijen verhindert de voortzetting van de werkzaamheden niet. In voorkomend geval stelt de notaris-vereffenaar in elke stand van de procedure vast dat een partij afwezig is of weigert te tekenen.
  Niettegenstaande een partij afwezig is of weigert te tekenen, ontvangt de notaris-vereffenaar de toewijzingsprijzen en andere schuldvorderingen in kapitaal en toebehoren, geeft hij ervan kwijting met of zonder indeplaatsstelling en, ten gevolge van deze betalingen, verleent hij opheffing van elke inschrijving die is of moet worden genomen, van elke overschrijving van bevel of beslag, alsmede van elk verzet indien daartoe grond bestaat.
  § 7. De notaris-vereffenaar maakt, in een staat van vereffening, het ontwerp van verdeling op en legt deze aan de partijen voor overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 1223. Hij handelt volgens het gebeurlijk tussen de partijen tot stand gekomen globale of gedeeltelijke akkoord bedoeld in de artikelen 1209, § 1, of 1214, § 1, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1De opening van de werkzaamheden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1215. [1 § 1. De notaris-vereffenaar bepaalt, op verzoek van de meest gerede partij, de dag en het uur voor de opening van de werkzaamheden. Behoudens andersluidend akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar betreffende de navolgende termijn, heeft de eerste zitting van de opening van de werkzaamheden plaats uiterlijk twee maanden na het verzoek van de meest gerede partij. Indien het proces-verbaal van de opening der werkzaamheden niet kan worden gesloten bij de eerste zitting, bepaalt de notaris-vereffenaar onmiddellijk de dag en het uur van de volgende zitting, die, behoudens akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar, plaats heeft uiterlijk twee maanden na de vorige zitting.
  De notaris-vereffenaar maant de partijen en andere belanghebbenden minstens acht dagen vooraf bij gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs aan, evenals hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post, aanwezig te zijn bij het opmaken van het proces-verbaal van de opening van de werkzaamheden, om alle inlichtingen en stukken te bezorgen die nuttig zijn voor het vervullen van zijn opdracht en, in voorkomend geval, het ontbreken van een boedelbeschrijving waarvan niet werd afgezien overeenkomstig artikel 1214, § 2, te compenseren of de boedelbeschrijving aan te vullen naarmate er zich nieuwe gebeurtenissen voordoen.
  § 2. De notaris-vereffenaar betekent bij gerechtsdeurwaardersexploot of stuurt bij aangetekende brief of overhandigt tegen gedagtekend ontvangstbewijs aan de partijen, en stuurt eveneens evenals aan hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post, een afschrift van het proces-verbaal van opening van de werkzaamheden.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1Het tussentijds proces-verbaal]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1216. [1 § 1. Na de opening van de werkzaamheden bedoeld in artikel 1215, neemt de notaris-vereffenaar, in een tussentijds proces-verbaal, de geschillen of moeilijkheden op die naar zijn oordeel dermate essentieel zijn dat ze het opstellen van de in artikel 1214, § 7, bedoelde staat van vereffening beletten.
  § 2. Behoudens andersluidend akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar betreffende de navolgende termijn, betekent de notaris-vereffenaar aan de partijen bij gerechtsdeurwaardersexploot of stuurt hij ze bij aangetekende brief of overhandigt hij ze tegen gedagtekend ontvangstbewijs een afschrift van het tussentijds proces-verbaal bedoeld in § 1, binnen twee maanden na de vaststelling van de geschillen of moeilijkheden die bepalend waren voor de opstelling van voornoemd proces-verbaal. Hij stuurt eveneens binnen dezelfde termijn een afschrift van dit proces-verbaal aan hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post. De notaris-vereffenaar nodigt gelijktijdig de partijen uit om hem hun standpunten betreffende de vastgestelde geschillen of moeilijkheden mee te delen.
  § 3. Behoudens andersluidend akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar betreffende de navolgende termijn, delen de partijen uiterlijk binnen een maand vanaf de betekening van het gerechtsdeurwaardersexploot, de kennisgeving van de aangetekende brief of de overhandiging tegen gedagtekend ontvangstbewijs, bedoeld in § 2, aan de notaris-vereffenaar en de andere partijen, schriftelijk hun standpunt mee. Ingeval eenzelfde partij opeenvolgende standpunten inneemt, houdt de notaris-vereffenaar enkel rekening met het laatst ingenomen standpunt.
  § 4. Behoudens andersluidend akkoord van alle partijen dat een einde maakt aan de geschillen of moeilijkheden opgenomen in het tussentijds proces-verbaal en dat zij hem binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in § 3 schriftelijk meedelen, legt de notaris-vereffenaar ter griffie, binnen een maand na het verstrijken van voormelde termijn, een uitgifte neer van het proces-verbaal, alsook de standpunten van de partijen, de inventaris van de stukken die de partijen hem hebben bezorgd evenals zijn advies, waarvan hij gelijktijdig, volgens de vorm bepaald in § 2, een afschrift bezorgt aan de partijen en aan hun raadslieden.
  § 5. De griffie roept de partijen bij gerechtsbrief en hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post op voor een zitting waarop de partijen worden gehoord op basis van hun standpunten ingenomen overeenkomstig § 3, die als conclusies worden beschouwd, onverminderd de mogelijkheid om de zaak te verdagen naar een latere pleitzitting of om, gelet op de complexiteit van het geschil, toepassing te maken van artikel 747.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1De conventionele instaatstelling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1217. [1 Bij de opening van de werkzaamheden bepaalt de notaris-vereffenaar met alle partijen geheel of gedeeltelijk het tijdschema voor het verdere verloop van de gerechtelijke verdeling, tenzij zij van de bepaling van dergelijk tijdschema afzien.
  De overeengekomen termijnen worden vermeld in het proces-verbaal van opening van de werkzaamheden of in latere processen-verbaal, wat de termijnen betreft die in de loop van de procedure worden overeengekomen. Elk proces-verbaal vermeldt de dag en het uur waarop of de termijn waarbinnen de volgende verrichting zal plaatsvinden.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1De wettelijke instaatstelling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1218. [1 § 1. Indien geen akkoord is bereikt overeenkomstig artikel 1217, gelden de volgende termijnen, behalve in geval van afwijking, met het akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar, wat betreft de termijnen die hem aanbelangen.
  Voor de mededeling van hun aanspraken en van hun stukken aan de notaris-vereffenaar en aan de andere partijen beschikken de partijen over een termijn van twee maanden te rekenen van de afsluiting van de boedelbeschrijving.
  Bij gebrek aan een boedelbeschrijving beschikken de partijen, voor de mededeling van hun aanspraken en van hun stukken aan de notaris-vereffenaar en aan de andere partijen, over een termijn van twee maanden te rekenen van de dag waarop de notaris-vereffenaar het afschrift van het proces-verbaal bedoeld in artikel 1214, § 2, eerste lid, heeft meegedeeld.
  In het geval van een deskundigenonderzoek beschikken de partijen over een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de in artikel 1213, § 2, bedoelde mededeling aan de partijen om aan de notaris-vereffenaar en aan de andere partijen hun aanspraken mee te delen met betrekking tot de goederen die aan het deskundigenonderzoek zijn onderworpen, dan wel om eventuele eerdere aanspraken omtrent die goederen aan te passen.
  § 2. Binnen twee maanden na het verstrijken van de laatste termijn berekend overeenkomstig § 1, tweede, derde of vierde lid, betekent de notaris-vereffenaar aan de partijen bij gerechtsdeurwaardersexploot of stuurt hij ze bij aangetekende brief of overhandigt hij ze tegen gedagtekend ontvangstbewijs, alsook aan hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post, een overzicht van de aanspraken die hem werden bezorgd met naleving van de termijnen bedoeld in § 1, tweede tot vierde lid.
  Binnen een termijn van twee maanden na de betekening van het gerechtsdeurwaardersexploot of de kennisgeving van de aangetekende brief, bedoeld in het eerste lid, delen de partijen hun gebeurlijke opmerkingen op de aanspraken van de andere partijen schriftelijk mee aan de notaris-vereffenaar en de andere partijen.
  § 3. De notaris-vereffenaar maakt, in een staat van vereffening, het ontwerp van verdeling op binnen een termijn van vier maanden die begint te lopen :
  1° ofwel na het verstrijken van de in § 2, tweede lid, bepaalde termijn;
  2° ofwel, in geval van ontdekking van nieuwe feiten of stukken van overwegend belang, na het verstrijken van de overeenkomstig artikel 1219 overeengekomen of bij dat artikel bepaalde termijn;
  3° ofwel, in geval van toepassing van artikel 1216, wanneer de beslissing tot beslechting van de geschillen of moeilijkheden in kracht van gewijsde is gegaan;
  4° ofwel, in geval van verkoop van alle of een deel van de goederen met toepassing van de artikelen 1224 en 1224/1, of op grond van een akkoord tussen de partijen dat door de rechtbank overeenkomstig artikel 1209 of door de notaris-vereffenaar overeenkomstig artikel 1214, § 1, tweede lid, is vastgesteld, te rekenen vanaf de inning van de verkoopprijs en de eraan verbonden kosten.
  De termijn die aan de notaris-vereffenaar wordt opgelegd voor het opmaken van het ontwerp van verdeling neemt in elk geval een aanvang op de laatste vervaldag onder de in deze paragraaf bedoelde vervaldagen.
  § 4. Indien geen termijnen werden overeengekomen overeenkomstig artikel 1217, kan de rechter, op verzoek van een partij of op verzoek van de notaris-vereffenaar, de in dit artikel bedoelde termijnen inkorten, gelet op de elementen eigen aan de zaak, teneinde de voltrekking van de procedure tot verdeling binnen een zo kort mogelijke termijn mogelijk te maken.
  Het verzoek wordt bij gewone brief ingediend bij of gericht aan de rechtbank die de notaris-vereffenaar heeft aangesteld.
  De griffie geeft bij gerechtsbrief aan de partijen en aan de notaris-vereffenaar kennis van dit verzoek.
  Binnen vijftien dagen na deze kennisgeving richten de notaris-vereffenaar en de partijen, in voorkomend geval, hun opmerkingen aan de rechtbank, alsook aan de andere partijen en aan de notaris-vereffenaar.
  Na afloop van deze termijn en op verzoek van minstens een van de partijen of van de notaris-vereffenaar, roept de griffier de partijen en de notaris-vereffenaar bij gerechtsbrief op.
  Indien de rechtbank het verzoek toewijst, in voorkomend geval door uitspraak te doen op stukken, legt zij bij beschikking de in het eerste lid bedoelde termijnen vast.
  De beschikking wordt door de griffie bij gewone brief aan de notaris-vereffenaar, aan de partijen en aan hun raadslieden ter kennis gebracht.
  Tegen de beschikking kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1De ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1219. [1 Indien nieuwe feiten of nieuwe stukken worden ontdekt die de notaris-vereffenaar van overwegend belang acht, nodigt hij de partijen bij gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs alsook hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post uit daaromtrent hun opmerkingen mee te delen binnen de overeengekomen termijn, dan wel, indien niet alle partijen tot een akkoord zijn gekomen betreffende deze nieuwe termijn, binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf zijn verzoek.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1De sanctie in geval van overschrijding van de overeengekomen of bepaalde termijnen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1220. [1 § 1. Behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang houdt de notaris-vereffenaar geen rekening met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de met toepassing van artikel 1217 overeengekomen termijnen of de in artikel 1218, § 1 en § 2 bepaalde termijnen zijn aangebracht.
  § 2. Indien de notaris-vereffenaar niet binnen de met toepassing van artikel 1217 overeengekomen of wettelijk bepaalde termijnen handelt, kan elk van de partijen bij gewone brief neergelegd bij of gericht aan de rechtbank die de notaris-vereffenaar heeft aangesteld, om de oproeping van de notaris-vereffenaar en de partijen verzoeken.
  De griffie geeft kennis van dit verzoek, bij gerechtsbrief, aan de partijen en aan de notaris-vereffenaar.
  Binnen vijftien dagen na deze kennisgeving zendt de notaris-vereffenaar, in voorkomend geval, zijn opmerkingen aan de rechtbank en de partijen.
  Na verloop van deze termijn, roept de griffie de partijen en de notaris-vereffenaar bij gerechtsbrief op voor een zitting in raadkamer.
  De rechter hoort de notaris-vereffenaar en de partijen, bepaalt ter zitting, na overleg met de notaris-vereffenaar, het verdere tijdschema voor de werkzaamheden en oordeelt over de vervanging van de notaris-vereffenaar, die niet kan worden uitgesproken indien alle partijen zich daartegen verzetten. Tegen deze beslissing kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.
  Indien de vervanging wordt uitgesproken omwille van de redenen bedoeld in het eerste lid, brengt de griffie de beslissing ter kennis van de kamer van de notarissen van het genootschap waartoe de notaris-vereffenaar behoort, die bepaalt of een tuchtstraf bepaald bij artikel 96 van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt dient te worden uitgesproken.
  § 3. Hetzelfde verzoek kan worden gedaan wanneer, in geval van de aanstelling van twee notarissen-vereffenaars, dezen niet gezamenlijk kunnen handelen.
  In dit geval stelt de rechtbank, wanneer zij de vervanging van de notarissen-vereffenaars beveelt, een andere notaris-vereffenaar aan.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1De stuiting van de overeengekomen of bepaalde termijnen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1221. [1 Mits alle partijen ermee akkoord gaan, kunnen de overeengekomen termijnen of de termijnen bepaald voor de voortzetting van de procedure worden gestuit. De partijen brengen de notaris-vereffenaar hiervan schriftelijk op de hoogte.
  De meest gerede partij brengt de notaris-vereffenaar en de andere partijen schriftelijk op de hoogte van het verdwijnen van de reden van de stuiting. De dag volgend op deze kennisgeving begint, behoudens andersluidend akkoord van alle partijen, de nieuwe termijn te lopen.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1De mededeling van de stukken]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1222. [1 § 1. De partijen bezorgen een kopie van de stukken die zij in de notariële fase van de gerechtelijke verdeling aanwenden aan elkaar en aan de notaris-vereffenaar. De partijen ordenen, nummeren en sommen deze stukken in een lijst van de stukken op.
  § 2. Behoudens akkoord van alle partijen worden enkel de stukken die in de lijst van de stukken werden vermeld die binnen de termijnen en in de vorm voorgeschreven door de wet werden meegedeeld aan de andere partijen alsook aan de notaris-vereffenaar, bij de verrichtingen voor de notaris-vereffenaar in aanmerking genomen.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1De verdeling in natura]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1223. [1 § 1. Voor de toewijzing van de kavels, die in voorkomend geval door de deskundige zijn bepaald, kan iedere deelgenoot zijn bezwaren inbrengen met betrekking tot de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling bedoeld in artikel 1214, § 7, en, in voorkomend geval, opmerkingen en middelen met betrekking tot het eindverslag van de deskundige laten gelden.
  Te dien einde maant de notaris-vereffenaar bij gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs de partijen en andere belanghebbenden, alsook hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post, ertoe aan kennis te nemen van de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling bedoeld in artikel 1214, § 7, gehecht aan de aanmaning, en, in voorkomend geval, van het eindverslag dat de deskundige hen voorafgaandelijk heeft meegedeeld overeenkomstig artikel 1213, § 2. Gelijktijdig roept de notaris-vereffenaar de partijen en andere belanghebbenden op om aanwezig te zijn bij de toewijzing van de kavels en de sluiting der werkzaamheden, die plaatsvinden op de plaats, de dag en het uur bepaald door de notaris-vereffenaar.
  In zijn aanmaning verwittigt de notaris-vereffenaar de partijen ervan dat de toewijzing van de kavels, in voorkomend geval door loting, zowel in hun afwezigheid als in hun aanwezigheid zal geschieden, dan wel dat bij onenigheid over de kavelvorming of over de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling bedoeld in artikel 1214, § 7, een proces-verbaal van de geschillen of moeilijkheden bedoeld in artikel 1223, § 3, zal worden opgemaakt.
  Behoudens akkoord van de partijen betreffende de navolgende termijn beschikken de partijen over een termijn van een maand vanaf de dagtekening van de aanmaning om aan de notaris-vereffenaar en de andere partijen hun bezwaren met betrekking tot de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling bedoeld in artikel 1214, § 7, schriftelijk mee te delen en, in voorkomend geval, hun opmerkingen met betrekking tot het eindverslag van de deskundige die tot die bezwaren aanleiding hebben gegeven, te laten kennen.
  § 2. Indien geen bezwaren zijn ingebracht binnen de termijnen en in de vorm bedoeld in § 1, vierde lid, gaat de notaris-vereffenaar, bij de sluiting der werkzaamheden bedoeld in § 1, tweede lid, over tot de toewijzing van de kavels overeenkomstig het akkoord van alle partijen, of, bij gebrek aan dergelijk akkoord, bij loting en ondertekent hij, samen met de verschijnende partijen, het proces-verbaal van sluiting.
  De akte van verdeling is definitief als minnelijke verdeling, onverminderd, in voorkomend geval, de toepassing van artikel 1206, vijfde en zesde lid.
  § 3. indien bezwaren zijn ingebracht binnen de termijnen en in de vorm bedoeld in § 1, vierde lid, stelt de notaris-vereffenaar, in de plaats van de sluiting der werkzaamheden bedoeld in § 1, tweede lid, een proces-verbaal op van de geschillen of moeilijkheden met beschrijving van al die bezwaren.
  De bezwaren mogen geen afbreuk doen aan de akkoorden die werden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 1209, § 1, of 1214, § 1, tweede lid.
  Ingeval eenzelfde partij opeenvolgende opmerkingen of bezwaren meedeelt aan de notaris-vereffenaar houdt deze enkel rekening met de laatste opmerkingen of bezwaren die hem werden meegedeeld binnen de termijnen bedoeld in § 1, vierde lid.
  Behoudens andersluidend akkoord van alle partijen en van de notaris-vereffenaar betekent de notaris-vereffenaar aan de partijen bij gerechtsdeurwaardersexploot of stuurt hij ze bij aangetekende brief of overhandigt hij ze tegen gedagtekend ontvangstbewijs alsook aan hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post, een afschrift van het proces-verbaal bedoeld in het eerste lid, alsook zijn schriftelijk advies over de geschillen of moeilijkheden, binnen twee maanden na het verstrijken van de termijn bedoeld § 1, vierde lid.
  Gelijktijdig legt de notaris-vereffenaar ter griffie een uitgifte van het proces-verbaal van de geschillen of moeilijkheden, van zijn schriftelijk advies, van het proces-verbaal van opening der werkzaamheden alsmede van alle navolgende processen-verbaal en van de boedelbeschrijving, een kopie van de lijst van de stukken van de partijen en een uitgifte van de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling bedoeld in artikel 1214, § 7, neer.
  Door deze neerlegging wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank. De griffie roept de partijen op bij gerechtsbrief en hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post, voor een zitting waarop de partijen gehoord zullen worden op basis van hun bezwaren ingebracht overeenkomstig § 1, die beschouwd worden als conclusies, onverminderd de mogelijkheid om de zaak te verdagen naar een latere pleitzitting of toepassing te maken van artikel 747, gelet op de complexiteit van het geschil.
  § 4. De rechtbank beslecht de geschillen of moeilijkheden, homologeert zonder meer de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling of zendt deze terug aan de notaris-vereffenaar om, binnen de door haar vastgestelde termijnen, een aanvullende staat van vereffening of een staat van vereffening overeenkomstig de door de rechtbank gegeven richtlijnen op te maken.
  Behoudens akkoord van alle partijen of ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang, neemt de rechtbank enkel kennis van de geschillen of moeilijkheden voortvloeiend uit de bezwaren vastgesteld in het proces-verbaal bedoeld in § 3, eerste lid.
  § 5. In geval van homologatie van de staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling geeft de griffier kennis van de uitspraak aan de notaris-vereffenaar. De notaris-vereffenaar rangschikt de uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan onder zijn minuten.
  § 6. Indien een aanvullende staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling of een staat van vereffening houdende het ontwerp van verdeling overeenkomstig de door de rechtbank gegeven richtlijnen is opgemaakt, maant de notaris-vereffenaar bij gerechtsdeurwaardersexploot, aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs, de partijen en andere belanghebbenden, alsook hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post, ertoe aan kennis te nemen van deze staat, die hij hecht aan de aanmaning. Gelijktijdig roept de notaris-vereffenaar de partijen en andere belanghebbenden op om aanwezig te zijn bij de sluiting der werkzaamheden, die plaatsvindt op de plaats, de dag en het uur die hij bepaalt.
  Behoudens akkoord van alle partijen betreffende de navolgende termijn, beschikken de partijen over een termijn van een maand vanaf de dagtekening van de aanmaning om schriftelijk aan de notaris-vereffenaar en de andere partijen hun bezwaren met betrekking tot deze staat mee te delen. Artikel 1223, § 3, derde lid, is van toepassing.
  Behoudens ontdekking van nieuwe feiten of van nieuwe stukken van overwegend belang kunnen de bezwaren slechts betrekking hebben op de geschillen of moeilijkheden die verband houden met de aanpassing van de staat van vereffening overeenkomstig de door de rechtbank gegeven richtlijnen of, in voorkomend geval, met de nieuwe geschillen of moeilijkheden die uit die aanpassing voortvloeien.
  Indien bezwaren zijn ingebracht binnen de termijnen en in de vorm bedoeld in het tweede lid, stelt de notaris-vereffenaar een proces-verbaal op van de geschillen of moeilijkheden met beschrijving van al die bezwaren. De procedure verloopt volgens artikel 1223, § 3, vierde tot zesde lid.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  [1De verkoop van de niet gevoeglijk in natura verdeelbare goederen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1224. [1 § 1. Indien, ofwel uit een akkoord van alle partijen, ofwel uit het advies van de notaris-vereffenaar, in voorkomend geval gesteund op het door de deskundige ingediende verslag, blijkt dat de gevoeglijke verdeling in natura onmogelijk is, stelt de notaris-vereffenaar, behalve in geval van een akkoord van alle partijen omtrent de verkoop uit de hand overeenkomstig artikel 1214, § 1, tweede lid, de verkoopvoorwaarden van de openbare verkoping van de niet gevoeglijk in natura verdeelbare onroerende goederen op en maant hij de partijen bij gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs, en hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post, aan hiervan kennis te nemen en hem hun bezwaren binnen een maand na de aanmaning tot kennisneming schriftelijk mee te delen, behoudens andersluidend akkoord van alle partijen betreffende die termijn. De aanmaning vermeldt uitdrukkelijk deze termijn. Gelijktijdig maant de notaris-vereffenaar de partijen aan om bij de verkoopsverrichtingen aanwezig te zijn.
  § 2. Ingeval de partijen geen bezwaren overeenkomstig § 1 betreffende het beginsel van de verkoop hebben ingebracht, wordt de notaris-vereffenaar geacht verzocht te zijn om de verkoopsverrichtingen verder te zetten.
  Op de dag bepaald voor de toewijzing, wordt daartoe overgegaan op verzoek van ten minste een van de partijen.
  § 3. Indien de partijen overeenkomstig § 1 bezwaren hebben ingebracht, hetzij over het principe van de verkoop, hetzij over de voorwaarden ervan, handelt de notaris-vereffenaar overeenkomstig artikel 1216.
  § 4. Indien de rechtbank vaststelt dat de gevoeglijke verdeling in natura onmogelijk is, beveelt zij de verkoop en legt zij, in voorkomend geval, een nieuwe termijn op voor de toewijzing.
  In geval van afwezigheid of tegenwerking van de partijen of van de bewoner van de onroerende goederen waarvan de verkoop wordt bevolen, mag de notaris-vereffenaar zich, op kosten van de boedel, toegang verschaffen tot deze onroerende goederen, indien nodig met behulp van de openbare macht, in voorkomend geval bijgestaan door een slotenmaker, teneinde de verkoopvoorwaarden te doen naleven of de bezichtiging door de belangstellenden mogelijk te maken.
  De bewoner wordt in kennis gesteld van het vonnis en van de bezichtigingsdagen en -uren bepaald in de verkoopvoorwaarden.
  Indien de tegenwerking te wijten is aan de bewoner van de onroerende goederen waarvan de verkoop is bevolen, is de massa, in voorkomend geval vertegenwoordigd door de beheerder bedoeld in artikel 1212, gerechtigd de kosten en gebeurlijke schadevergoeding op hem te verhalen. Indien de bewoner een mede-eigenaar is en nog geen beheerder zoals bedoeld in artikel 1212 werd aangewezen, wordt zo'n beheerder op verzoek van de meest gerede partijen aangesteld om aldus te handelen; in dat geval worden de kosten teruggevorderd voor rekening van de andere mede-eigenaars.
  Het tweede tot het vierde lid van deze paragraaf worden opgenomen in het vonnis tot bevel van de verkoop van de onroerende goederen.
  Indien hij daartoe door ten minste een partij wordt verzocht, gaat de notaris-vereffenaar over tot de verkoop van de onroerende goederen op de wijze die gebruikelijk is inzake gewone openbare verkoping van onroerende goederen en overeenkomstig artikel 1193, tweede tot zevende lid, en in voorkomend geval overeenkomstig de artikelen 1186 tot 1192 en artikel 1193, achtste lid.
  De notaris-vereffenaar maant bij gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs, de partijen aan de werkzaamheden van de verkoop bij te wonen, en brengt hun raadslieden hiervan bij gewone brief, fax of elektronische post, op de hoogte.
  Op de dag bepaald voor de toewijzing wordt daartoe overgegaan op verzoek van ten minste een van de partijen.
  Na de verkoop worden de werkzaamheden voortgezet overeenkomstig artikel 1223.
  § 5. Indien de rechtbank vaststelt dat de gevoeglijke verdeling in natura mogelijk is, heeft het gewezen vonnis, wat betreft de toepassing van artikel 1218, § 3, 3°, de gevolgen van het vonnis gewezen in toepassing van artikel 1216.
  § 6. Indien gezien de ligging van de onroerende goederen verscheidene deskundigenonderzoeken hebben plaatsgehad en elk onroerend goed niet gevoeglijk in natura verdeelbaar is verklaard, moet geen veiling worden gehouden, indien uit de vergelijking van de verslagen blijkt dat de onroerende goederen in hun geheel gevoeglijk kunnen worden verdeeld.
  In dat geval gaat de notaris-vereffenaar over tot de kavelvorming van de goederen en handelt hij zoals bepaald in artikel 1223.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1224/1. [1 § 1. Wanneer de goederen die niet gevoeglijk in natura verdeelbaar zijn in de zin van artikel 1224, § 1, roerende goederen zijn en bij gebrek aan akkoord van de partijen over de verkoop ervan, maant de notaris-vereffenaar de partijen bij gerechtsdeurwaardersexploot, bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs, en hun raadslieden bij gewone brief, fax of elektronische post, aan kennis te nemen van de noodzaak om over te gaan tot de verkoop en hem hun bezwaren binnen een maand na de aanmaning schriftelijk mee te delen, behoudens andersluidend akkoord van alle partijen over die termijn. De aanmaning vermeldt uitdrukkelijk deze termijn.
  § 2. Ingeval partijen geen bezwaren overeenkomstig § 1 betreffende het beginsel van de verkoop hebben ingebracht, wordt de notaris-vereffenaar geacht verzocht te zijn om de verkoopsverrichtingen voort te zetten.
  Op de dag bepaald voor de toewijzing, wordt daartoe overgegaan op verzoek van ten minste een van de partijen.
  § 3. Indien de partijen overeenkomstig § 1 bezwaren hebben ingebracht over het principe van de verkoop, handelt de notaris-vereffenaar overeenkomstig artikel 1216.
  § 4. Indien de rechtbank vaststelt dat de gevoeglijke verdeling in natura onmogelijk is, beveelt zij de verkoop.
  Indien hij daartoe door ten minste een partij wordt verzocht, gaat de notaris-vereffenaar over tot de verkoop overeenkomstig de artikelen 1194 tot 1204bis, in voorkomend geval door toedoen van de gerechtsdeurwaarder die hij aanwijst.
  Op de dag bepaald voor de toewijzing wordt daartoe overgegaan op verzoek van ten minste een van de partijen.
  § 5. Indien de rechtbank vaststelt dat de gevoeglijke verdeling in natura mogelijk is, heeft het gewezen vonnis, wat betreft de toepassing van artikel 1218, § 3, 3°, de gevolgen van het vonnis gewezen in toepassing van artikel 1216.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Onderafdeling 7. - [1 Hoger beroep]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1224/2. [1 Wanneer het hoger beroep slaat op een vonnis gewezen vóór de opening van de werkzaamheden bedoeld in artikel 1215, heeft het geen devolutieve werking. Als dit hoger beroep is beslecht, wordt de zaak naar de eerste rechter verwezen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-08-13/17, art. 5, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Afdeling III. _ Bepaling geldend voor de twee vorige afdelingen.

  Art. 1225.<W 1991-07-18/33, art. 16, 9), 017; Inwerkingtreding : uiterlijk op 26-07-1992> De bepalingen van dit hoofdstuk betreffende verdelingen waarbij minderjarigen belang hebben, zijn eveneens van toepassing op de verdelingen waarmee het belang gemoeid is van [1 beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om goederen te vervreemden]1, van personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij (en van verdwenen personen, als bedoeld in artikel 128 van het Burgerlijk Wetboek, en van vermoedelijk afwezigen). <W 2007-05-09/44, art. 44, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 171, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  HOOFDSTUK VII. - (Vermoeden en verklaring van afwezigheid en gerechtelijke verklaring van overlijden). <W 2007-05-09/44, art. 45, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>

  Art. 1226.<W 2007-05-09/44, art. 46, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007>§ 1. Verzoeken op grond van de artikelen 112, 118, 126 en 127 van het Burgerlijk Wetboek worden bij verzoekschrift ingesteld, vergezeld van de stukken tot staving.
  De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd de bepalingen die volgen, artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 118 tot 135 van hetzelfde Wetboek.
  § 2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker evenals de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die bestaan tussen de verzoeker en de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon;
  3° het onderwerp en in het kort de gronden van het verzoek;
  4° de naam, de voornaam, de verblijfplaats of de woonplaats van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon en, in voorkomend geval, van de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten in de erfelijke graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon;
  5° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen.
  [1 Wanneer het verzoek gegrond is op artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, worden het verzoekschrift en alle naar behoren geïnventariseerde stukken in tweevoud neergelegd bij het vredegerecht. Zodra die neerlegging is geschied, bezorgt de griffier een exemplaar ervan aan het openbaar ministerie.]1
  Wanneer de aanvraag gegrond is op artikel 126 van het Burgerlijk Wetboek, bevat het verzoekschrift, op straffe van nietigheid, de naam, voornaam en woonplaats van de notaris die de belangen van de verdwenen persoon moet vertegenwoordigen bij iedere verdeling of erfenis die hem kan aanbelangen, tot het tijdstip waarop het vonnis wordt uitgesproken.
  Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker, door zijn notaris of zijn advocaat. Indien de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon een woonplaats in België heeft gehad, moet het verzoekschrift vergezeld zijn van een attest van woonplaats van deze persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is.
  Het verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk, de plaats en datum van geboorte van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.
  Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker om het binnen de door hem vooropgestelde termijn aan te vullen.
  § 3. De procureur des Konings wint alle dienstige inlichtingen in, in voorkomend geval bij de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten tot de vierde graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon.
  Ingeval de verdwijning in het buitenland is gebeurd, kan hij bovendien de medewerking vorderen van de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken en van de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren in het buitenland. Deze verstrekken hem alle inlichtingen en afschriften van documenten die hij nuttig acht voor het voortzetten van het onderzoek.
  De rechtbank doet uitspraak na het advies van het openbaar ministerie te hebben gehoord.
  [1 Wanneer het verzoek is gegrond op artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, doet de vrederechter uitspraak nadat hij eerst het schriftelijke of mondelinge advies van het openbaar ministerie heeft gehoord.]1
  § 4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend.
  De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. De griffier geeft de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief.
  Deze kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de rechter meedelen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 171, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1227.<W 2007-05-09/44, art. 47, 089; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarbij het aanhangig maken bij de rechter ambtshalve wordt toegestaan, worden de verzoeken op grond van de artikelen 113 tot 117 van het Burgerlijk Wetboek bij verzoekschrift ingesteld, vergezeld van de stukken tot staving.
   De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, onverminderd de bepalingen die volgen.
  § 2. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid, de gegevens bedoeld in artikel 1226, § 2, eerste lid. Het bevat daarenboven, op straffe van nietigheid, de naam, de voornaam en de woonplaats van de gerechtelijk bewindvoerder.
  Het verzoekschrift moet worden ondertekend door de verzoeker, door zijn notaris of zijn advocaat.
  Het verzoekschrift vermeldt bovendien, voor zover mogelijk, de plaats en datum van geboorte van de vermoedelijk afwezige persoon, alsmede de aard en de samenstelling van de te beheren goederen.
  Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de rechter de verzoeker om het binnen acht dagen aan te vullen.
  § 3. De procureur des Konings wint alle dienstige inlichtingen in bij de gerechtelijk bewindvoerder en, in voorkomend geval, bij de echtgenoot, de samenwonende en de bloed- en aanverwanten tot de vierde graad van de verdwenen of vermoedelijk afwezige persoon.
  [1 Wanneer het verzoek is gegrond op artikel 113, § 2, of 117, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, doet de vrederechter uitspraak nadat hij eerst het schriftelijk of mondeling advies van het openbaar ministerie heeft gehoord.]1
  § 4. Daarenboven verwittigt de griffier bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde gerechtelijk bewindvoerder en familieleden dat er een verzoekschrift werd ingediend.
  De personen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich er ter zitting tegen verzetten. De griffier geeft de partijen kennis ervan in de gerechtsbrief
  Deze personen kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen om gehoord te worden. Zij kunnen ook hun opmerkingen schriftelijk vóór de dag van de zitting aan de rechter meedelen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 172, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  HOOFDSTUK VIII. - Onbeheerde nalatenschappen.

  Art. 1228.In het geval van artikel 811 van het Burgerlijk Wetboek wijst (de [1 familierechtbank]1) een curator aan op verzoek van een der belanghebbenden of op vordering van de procureur des Konings. <W 24-6-1970, art. 27>
  De beschikking van aanwijzing van de curator wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 173, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1229. Indien er verscheidene curators zijn aangewezen, heeft de eerstbenoemde curator van rechtswege voorrang, onverminderd de geldigheid van de handelingen die de andere curator vóór zijn ontslag heeft verricht.

  Art. 1230. De vormen door het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven voor de erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, zijn van toepassing op de wijze van beheer en op de rekening en verantwoording van de curator van een onbeheerde nalatenschap.

  Art. 1231. Ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg wordt een register gehouden, waarin de aanwijzingen van curators van een onbeheerde nalatenschap worden ingeschreven in de alfabetische volgorde van de namen van de overledenen.

  HOOFDSTUK VIIIbis. - Adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Afdeling 1. - Algemene bepaling. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.1.
  <Opgeheven bij W 2010-06-02/35, art. 3, 111; Inwerkingtreding : 10-07-2010>

  Afdeling 2. - Binnenlandse adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.2. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op adopties die geen interlandelijke overbrenging van een kind met zich meebrengen.

  Onderafdeling 1. - Totstandkomen van de adoptie op verzoek van de adoptant of van de adoptanten. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.3.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Het verzoek wordt bij (eenzijdig verzoekschrift) ingediend bij de [1 familierechtbank]1. Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd en ondertekend hetzij door de adoptant of door de adoptanten, hetzij door hun advocaat. <W 2004-12-27/30, art. 244, 070; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  Het verzoekschrift vermeldt of het een gewone of volle adoptie betreft en de redenen waarom de adoptant of adoptanten voor deze adoptievorm hebben gekozen. Het vermeldt tevens de naam en voornamen die, voorzover toegestaan door de wet, voor de geadopteerde zijn gekozen. Moeten bij het verzoekschrift worden gevoegd :
  1° het origineel of een voor eensluidend verklaard afschrift van de stukken vereist voor het onderzoek van het verzoek;
  2° het attest waaruit blijkt dat de in artikel 346-2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde voorbereiding werd gevolgd.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 174, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie ook W 2014-05-08/02, art. 75, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.4.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> [1 § 1.]1 Om ontvankelijk te zijn moeten bij het verzoekschrift tot adoptie volgende stukken worden gevoegd : een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte of een hiermee gelijkgesteld stuk, (een bewijs van de nationaliteit) en een verklaring betreffende de gewone verblijfplaats van de adoptant of van de adoptanten, en van de geadopteerde. <W 2005-12-06/30, art. 6, 073; Inwerkingtreding : 26-12-2005>
  Binnen drie dagen na de ontvangst van het verzoekschrift, geeft de griffier ervan kennis aan de afstammelingen van de geadopteerde.
  [1 § 2. Voor zover de respectieve betrokkenen op de datum van het verzoekschrift zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, worden zij vrijgesteld van het overleggen van :
   1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte of een hiermee gelijkgesteld stuk voor zover het gaat om een akte van een persoon die in België werd geboren;
   2° een bewijs van de nationaliteit;
   3° een verklaring betreffende de gewone verblijfplaats van de adoptant of de adoptanten, en van de geadopteerde.
   De in het Rijksregister opgenomen gegevens die in 2° en 3° worden bedoeld gelden tot bewijs van het tegendeel. De griffie van de rechtbank controleert in dat geval de gegevens aan de hand van het Rijksregister en voegt een uittreksel uit het Rijksregister bij het dossier.
   De griffie van de rechtbank vraagt zelf een afschrift van de in 1° bedoelde akte op bij de houder van het register.
   Hetzelfde geldt wanneer de akte in België is overgeschreven en de griffie de plaats van de overschrijving ervan kent.
   § 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op personen die zijn ingeschreven in het wachtregister.
   § 4. Als de vermeldingen van het verzoekschrift onvolledig zijn of indien de griffie bepaalde informatie niet tijdig kon verkrijgen voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit de nodige inlichtingen te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen. Elke partij kan ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 75, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 1231.5.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De griffier zendt het verzoekschrift binnen acht dagen na ontvangst aan de procureur des Konings, die onverwijld alle nuttige inlichtingen inwint omtrent de voorgenomen adoptie. Deze inlichtingen omvatten in het bijzonder :
  1° het advies van de moeder en de vader van de geadopteerde, en in voorkomend geval, van zijn voogd, van zijn toeziende voogd of van de vrederechter die de voogdij uitoefent of, indien een van hen een vertegenwoordiger heeft aangewezen met toepassing van artikel 348-9 van het Burgerlijk Wetboek, het advies van deze laatste;
  2° [1 het advies van de vertrouwenspersoon, ingeval de rechtbank krachtens artikel 348-1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bij proces-verbaal heeft vastgesteld dat de beschermde persoon wilsonbekwaam is;]1
  3° (het advies van de afstammelingen in de eerste graad, die ten minste twaalf jaar oud zijn, van de adoptant of adoptanten en van de geadopteerde;) <W 2004-12-27/30, art. 245, 070; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  4° het advies van de persoon die het kind heeft opgevangen om het te onderhouden en op te voeden in de plaats van de moeder en de vader;
  5° het advies van eenieder van wie de toestemming in de adoptie vereist is en geweigerd heeft die te geven of, indien deze een vertegenwoordiger heeft aangewezen met toepassing van artikel 348-9 van het Burgerlijk Wetboek, het advies van deze laatste.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 172, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1231.6.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Indien het een kind betreft, beveelt de [1 familierechtbank]1 een maatschappelijk onderzoek teneinde inlichtingen te bekomen over de geschiktheid van de adoptant of van de adoptanten om te adopteren. Tijdens dit onderzoek worden de diensten die door de bevoegde gemeenschappen zijn aangewezen, geraadpleegd.
  Het staat de rechtbank vrij om, zo zij dit nuttig acht, een maatschappelijk onderzoek te bevelen over de voorgenomen gewone adoptie van een persoon die ouder dan achttien jaar is.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 175, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.7. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De procureur des Konings zendt het verzoekschrift tot adoptie binnen twee maanden na ontvangst ervan terug aan de griffier, samen met zijn advies en de inlichtingen die hij op grond van artikel 1231-5 heeft ingewonnen.
  Het verslag van het maatschappelijk onderzoek bedoeld in het vorige artikel wordt neergelegd ter griffie binnen twee maanden na uitspraak van het vonnis waarbij het is bevolen.

  Art. 1231.8. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Binnen drie dagen na de neerlegging ter griffie van de verslagen van het openbaar ministerie en van het maatschappelijk onderzoek worden de adoptant en de geadopteerde wiens toestemming is vereist, bij gerechtsbrief opgeroepen om ervan kennis te nemen.
  Zij beschikken daartoe over een termijn van vijftien dagen.

  Art. 1231.9.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Tussen de 15e en de 45e dag na de neerlegging ter griffie van beide verslagen, stelt de [1 familierechtbank]1 de zittingsdag voor de zaak ambtshalve vast.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 176, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.10.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De [3 familierechtbank]3 hoort [1 ...]1 de volgende personen, die door de griffier opgeroepen worden bij gerechtsbrief, of wanneer het personen beneden de zestien jaar betreft, bij gewone brief :
  1° de adoptant of de adoptanten;
  2° eenieder van wie de toestemming in de adoptie vereist is of, indien hij bij toepassing van artikel 348-9 van het Burgerlijk Wetboek een vertegenwoordiger heeft aangewezen, deze laatste;
  3° de geadopteerde die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt wanneer uit een door de [3 familierechtbank]3 bevolen en door de bevoegde sociale dienst uitgevoerd grondig onderzoek blijkt dat hij in staat is zijn mening over de voorgenomen adoptie te kennen te geven; in het tegenovergestelde geval beschikt het kind over vijftien werkdagen te rekenen vanaf de dag dat het resultaat van het onderzoek hem door de procureur des Konings ter kennis is gebracht, om de jeugdrechtbank schriftelijk te verzoeken hem op te roepen opdat zij zelf over zijn bekwaamheid zou kunnen oordelen; wanneer de [3 familierechtbank]3 oordeelt dat het kind in staat is zijn mening te kennen te geven, hoort zij het; de beoordeling van de [3 familierechtbank]3 over de bekwaamheid van het kind is niet voor beroep vatbaar;
  [2 3° /1 de persoon die bij proces-verbaal bedoeld in artikel 348-1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wilsonbekwaam werd bevonden, dan wel diens vertrouwenspersoon;]2
  4° eenieder van wie het door de procureur des Konings ingewonnen advies ongunstig is voor de adoptie;
  5° eenieder die de rechtbank wenst te horen.
  Indien de personen bedoeld in het eerste lid, 2° en 4° verschijnen kunnen zij bij eenvoudige akte verklaren in het geding te willen tussenkomen.
  In uitzonderlijke omstandigheden kan de rechtbank vrijstelling van persoonlijke verschijning verlenen en toestaan dat betrokkene door een bijzonder gemachtigde, door een advocaat of door een notaris wordt vertegenwoordigd.
  Behalve wanneer artikel 1231-11, tweede en derde lid, wordt toegepast, wordt van deze verhoren een proces-verbaal opgesteld.
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/35, art. 4, 111; Inwerkingtreding : 10-07-2010>
  (2)<W 2013-03-17/14, art. 173, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 177, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.11.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Het kind kan tijdens zijn verschijning voor de [1 familierechtbank]1 ervan afzien te worden gehoord.
  Het kind wordt alleen gehoord, in afwezigheid van wie ook, de griffier en, in voorkomend geval, een deskundige of een tolk uitgezonderd. Met zijn mening wordt behoorlijk rekening gehouden, zijn leeftijd en maturiteit in acht genomen. Het horen geeft hem niet de hoedanigheid van partij in het geding.
  Van het onderhoud wordt een verslag opgesteld dat bij het dossier wordt gevoegd.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 178, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.12. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Eenieder van wie overeenkomstig artikel 1231-5 het advies moet worden ingewonnen, kan bij eenvoudige akte verklaren in het geding te willen tussenkomen.

  Art. 1231.13.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De rechtbank moet zich ervan vergewissen dat met kennis van zaken is gekozen tussen gewone adoptie en volle adoptie. De rechtbank moet tevens nagaan of is voldaan aan de bij wet gestelde voorwaarden. De rechtbank moet, rekening houdend met alle wettige belangen, oordelen of de adoptie kan worden uitgesproken.
  Behalve indien is gebleken dat het kind sedert meer dan zes maanden wordt opgevoed door de adoptant of door de adoptanten, doet de [1 familierechtbank]1 uitspraak ten vroegste zes maanden na de neerlegging van het verzoekschrift tot adoptie.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 179, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.14.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> [1 Wanneer de adoptie betrekking heeft op een minderjarig kind, kunnen de adoptant of de adoptanten vooraleer de adoptie wordt uitgesproken aan de familierechtbank vragen om, ofwel :]1
  1° de gewone adoptie uit te spreken in de plaats van de volle adoptie gevraagd in het verzoekschrift;
  2° de volle adoptie uit te spreken in de plaats van de gewone adoptie gevraagd in het verzoekschrift.
  Dit verzoek moet op ernstige redenen gegrond zijn, moet overeenstemmen met het hoger belang van het kind, alsmede met de eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen en moet worden gesteund door alle personen die hebben toegestemd in de adoptie waarop het verzoekschrift betrekking heeft. De rechtbank verleent daarvan akte.
  De artikelen 1231-10 tot 1231-12 zijn in dat geval opnieuw van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 180, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.15. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Het beschikkend gedeelte van het vonnis inzake adoptie vermeldt inzonderheid :
  1° de datum van neerlegging van het verzoekschrift tot adoptie;
  2° de naam en de voornamen van de adoptant of van de adoptanten;
  3° of de uitgesproken adoptie een gewone adoptie of een volle adoptie is;
  4° de naam en de voornamen die de geadopteerde bij de adoptie droeg en ingeval zij ingevolge de adoptie zijn gewijzigd, de naam en de voornamen die hij voortaan zal dragen;
  5° indien nodig, de naam en de voornamen die de afstammelingen van de geadopteerde niettegenstaande de adoptie bewaren.
  Het vonnis wordt bij gerechtsbrief betekend aan de adoptant of aan de adoptanten, aan iedere persoon van wie de toestemming in de adoptie vereist was, alsmede aan het openbaar ministerie.

  Art. 1231.16.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De procureur des Konings, de adoptant of de adoptanten die gezamenlijk optreden en de geadopteerde, alsmede de tussenkomende partijen kunnen bij wege van een verzoekschrift ingediend ter griffie van het hof van beroep, beroep instellen binnen een maand te rekenen van de betekening van het vonnis.
  De geadopteerde die de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, [1 ...]1 wordt vertegenwoordigd door een van de personen van wie de toestemming in de adoptie vereist is.
  [1 De geadopteerde die overeenkomstig artikel 348-1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bij proces-verbaal wilsonbekwaam werd bevonden, wordt vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 174, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1231.17.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De procureur des Konings, de adoptant of de adoptanten die gezamenlijk optreden en de geadopteerde, alsook de tussenkomende partijen kunnen zich in cassatie voorzien.
  De geadopteerde die de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, [1 ...]1 wordt vertegenwoordigd door een van de personen van wie de toestemming in de adoptie vereist is.
  [1 De geadopteerde die overeenkomstig artikel 348-1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bij proces-verbaal wilsonbekwaam werd bevonden, wordt vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 175, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1231.18. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Rechterlijke beslissingen gewezen inzake adoptie kunnen niet ten uitvoer worden gelegd indien daartegen beroep of cassatieberoep is ingesteld of zulks nog mogelijk is.
  Ingeval de beslissing betrekking heeft op verscheidene geadopteerden, heeft het beroep of het cassatieberoep ingesteld door een van hen, slechts voor die persoon gevolgen.

  Art. 1231.19. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Na het verstrijken van de termijn om beroep of cassatieberoep in te stellen of, in voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij het beroep wordt afgewezen, zendt de griffier onverwijld het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing waarbij de adoptie wordt uitgesproken toe aan de ambtenaar van de burgerlijke stand die overeenkomstig artikel 368-1 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd is.
  De ambtenaar van de burgerlijke stand schrijft het beschikkend gedeelte onmiddellijk over in registers en zendt een afschrift van de akte van overschrijving toe aan de griffier alsook aan de federale centrale autoriteit; deze stelt de centrale autoriteiten van de gemeenschappen hiervan in kennis. De overschrijving moet worden vermeld in de kant van de akten van de burgerlijke stand van de geadopteerde en van zijn afstammelingen.

  Art. 1231.20. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Bij overlijden van de adoptant, van de adoptanten of van een van hen na de neerlegging van het verzoekschrift tot adoptie maar voor de overschrijving van het beschikkend gedeelte van het vonnis of van het arrest door de ambtenaar van de burgerlijke stand, kan de procedure op verzoek van de geadopteerde of, in voorkomend geval, van de overlevende adoptant worden voortgezet.

  Art. 1231.21. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Derdenverzet is slechts ontvankelijk indien het wordt ingediend binnen een termijn van een jaar te rekenen van de overschrijving bedoeld in artikel 1231-19.
  Het verzoek tot herroeping van het gewijsde is slechts ontvankelijk indien het uitgaat van de adoptant, van de adoptanten, van een van hen of van de geadopteerde ouder dan achttien jaar, en voor zover het wordt betekend binnen drie maanden te rekenen van de dag waarop de verzoeker kennis heeft gekregen van de reden waarop zijn verzoekschrift steunt. Indien de geadopteerde kennis kreeg van deze reden voor zijn meerderjarigheid, gaat de termijn ten aanzien van hem slechts in op de dag waarop hij de leeftijd van achttien jaar bereikt.

  Art. 1231.22. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Rechterlijke beslissingen waarbij wordt geweigerd de adoptie uit te spreken, beletten niet dat later nogmaals een nieuw verzoekschrift wordt ingediend, dat gegrond is op handelingen of feiten die na de weigering hebben plaatsgevonden.
  In voorkomend geval moeten de vereiste toestemmingen opnieuw worden ingewonnen.

  Art. 1231.23. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De procedure tot omzetting van een gewone adoptie in een volle adoptie wordt beheerst door de bepalingen die van toepassing zijn op de procedure tot totstandkoming van de adoptie.

  Onderafdeling 2. - Totstandkoming van de adoptie op verzoek van het openbaar ministerie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.24. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Indien de procureur des Konings een verzoekschrift indient op grond van de artikelen 347-1, 3°, 347-2, 3° of 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, treedt hij op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van iedere belanghebbende. De inlichtingen bedoeld in artikel 1231-5, die de procureur des Konings heeft ingewonnen, worden bij het verzoekschrift gevoegd.
  De adoptant of de adoptanten en, naargelang het geval, de personen die ingevolge de artikelen 348-6 of 348-7 van het Burgerlijk Wetboek moeten toestemmen in de adoptie, of deze die met toepassing van artikel 348-11 van hetzelfde Wetboek geweigerd hebben toe te stemmen, worden in het geding geroepen.

  Art. 1231.25.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De artikelen 1231-3, [1 tweede lid]1, 1231-4, 1231-6 tot 1231-23 zijn op deze procedure van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 156, 125; Inwerkingtreding : 15-05-2014>

  Afdeling 3. - Interlandelijke adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.26. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op interlandelijke adopties in de zin van artikel 360-2 van het Burgerlijk Wetboek.

  Onderafdeling 1. - Procedure houdende vaststelling van de geschiktheid om te adopteren. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.27.<W 2005-12-06/30, art. 7, 073; Inwerkingtreding : 26-12-2005> Het verzoek wordt bij eenzijdig verzoekschrift ingediend bij de [1 familierechtbank]1. Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd en ondertekend hetzij door de adoptant of door de adoptanten, hetzij door hun advocaat.
  Het verzoekschrift vermeldt dat de adoptant of de adoptanten een internationale adoptieprocedure wensen aan te vatten.
  Bij het verzoekschrift worden gevoegd :
  1° het origineel of een voor eensluidend verklaard afschrift van de stukken vereist voor het onderzoek van het verzoek;
  2° het attest waaruit blijkt dat de door de bevoegde gemeenschap georganiseerde voorbereiding werd gevolgd.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 181, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.28.<W 2005-12-06/30, art. 8, 073; Inwerkingtreding : 26-12-2005> [1 § 1.]1 Om ontvankelijk te zijn, worden bij het verzoekschrift volgende stukken gevoegd : een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte of een hiermee gelijkgesteld stuk, een bewijs van de nationaliteit en een verklaring betreffende de gewone verblijfplaats van de adoptant of van de adoptanten en een uittreksel van de huwelijksakte of een uittreksel van de verklaring van wettelijke samenwoning of nog het bewijs van meer dan drie jaar samenwonen.
  [1 § 2. Voor zover de respectieve betrokkenen op de datum van het verzoekschrift zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, worden zij vrijgesteld van het overleggen van :
   1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte of een hiermee gelijkgesteld stuk voor zover het gaat om een akte van een persoon die in België werd geboren;
   2° een bewijs van de nationaliteit;
   3° een verklaring betreffende de gewone verblijfplaats van de adoptant of de adoptanten, en van de geadopteerde;
   4° een uittreksel van de huwelijksakte;
   5° een uittreksel van de verklaring van wettelijke samenwoning;
   6° een bewijs van meer dan drie jaar samenwonen.
   De in het Rijksregister opgenomen gegevens die in 2°, 3°, 5° en 6° worden bedoeld gelden tot bewijs van het tegendeel. De griffie van de rechtbank controleert in dat geval de gegevens aan de hand van het Rijksregister en voegt een uittreksel uit het Rijksregister bij het dossier.
   De griffie van de rechtbank vraagt zelf een afschrift van de in 1° en 4° bedoelde akte op bij de houder van het register.
   Hetzelfde geldt wanneer de akte in België is overgeschreven en de griffie de plaats van de overschrijving ervan kent.
   § 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op personen die zijn ingeschreven in het wachtregister.
   § 4. Als de vermeldingen van het verzoekschrift onvolledig zijn of indien de griffie bepaalde informatie niet tijdig kon verkrijgen voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit de nodige inlichtingen te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen. Elke partij kan ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 76, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 1231.29. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> (Binnen 30 dagen na het verzoek bedoeld in artikel 1231-27, beveelt de rechtbank ambtshalve een maatschappelijk onderzoek dat haar inlichtingen verschaft over de geschiktheid van de adoptant of van de adoptanten om te adopteren. Het vonnis waarbij het maatschappelijk onderzoek wordt bevolen is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Tijdens dit maatschappelijk onderzoek worden de diensten die door de bevoegde gemeenschappen zijn aangewezen, geraadpleegd.) <L 2007-01-31/42, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Indien zij het nuttig acht, kan zij dit verzoek tevens richten tot het openbaar ministerie.
  Het verslag van het maatschappelijk onderzoek wordt neergelegd ter griffie binnen twee maanden te rekenen van de datum van het vonnis. Het wordt bezorgd aan het openbaar ministerie.

  Art. 1231.30.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Binnen drie dagen na de neerlegging ter griffie van het verslag van het maatschappelijk onderzoek worden de adoptant of de adoptanten opgeroepen bij gerechtsbrief, teneinde :
  1° kennis te nemen van het verslag; daartoe beschikken zij over een termijn van vijftien dagen;
  2° in persoon te verschijnen voor de [1 familierechtbank]1 binnen de maand die volgt op het verstrijken van de termijn bedoeld in 1°.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 182, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.31.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De rechtbank spreekt zich daarna uit over de geschiktheid van de adoptant of van de adoptanten om tot een interlandelijke adoptie over te gaan.
  Het vonnis wordt met redenen omkleed. In geval van een positief vonnis wordt daarin opgave gedaan van het aantal kinderen dat de adoptant of de adoptanten kunnen adopteren, alsook van de eventuele beperkingen van hun geschiktheid.
  Het vonnis mag slechts in een enkele procedure tot adoptie van een of meer kinderen worden aangewend. De geldigheid van het vonnis verstrijkt [1 vier jaar]1 na het uitspreken ervan.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 58, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>

  Art. 1231.32. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer de adoptant of de adoptanten krachtens het vonnis geschikt zijn om te adopteren, maakt het openbaar ministerie binnen twee maanden te rekenen van de uitspraak een verslag op zodat de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst over voldoende gegevens beschikt met betrekking tot hun persoon om haar de mogelijkheid te bieden voor ieder kind, voor wie een interlandelijke adoptie nodig is, de persoon of personen aan te wijzen die het kind de meest geschikte omgeving en de beste waarborgen voor een goede integratie kunnen bieden; dit verslag bevat gegevens omtrent hun identiteit, hun wettelijke bekwaamheid, hun persoonlijke achtergrond, hun gezinssituatie en gezondheidstoestand, hun sociaal milieu, hun levensbeschouwelijke overtuiging, hun beweegredenen en hun geschiktheid om een interlandelijke adoptie aan te gaan, alsmede omtrent de kinderen waarvoor zij de zorg op zich zouden kunnen nemen.
  Het verslag wordt neergelegd ter griffie.

  Art. 1231.33. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Binnen drie dagen na ontvangst van het verslag, bezorgt de griffier een afschrift ervan, alsmede een afschrift van het vonnis aan de federale centrale autoriteit. Hij stelt de adoptant of de adoptanten hiervan in kennis. De federale centrale autoriteit past artikel 361-2 van het Burgerlijk Wetboek toe.

  Onderafdeling 1bis. [1 - Procedure tot verlenging van de termijn van geschiktheid om te adopteren]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-30/14, art. 59, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>

  Art. 1231.33/1.[1 De adoptant of de adoptanten kunnen bij eenzijdig verzoekschrift een aanvraag tot verlenging van de termijn van hun geschiktheid om te adopteren indienen bij de [3 familierechtbank]3 die het oorspronkelijke geschiktheidsvonnis heeft uitgesproken. Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie ten vroegste vijf maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het geschiktheidsvonnis en ten laatste op de laatste dag van de geldigheidsduur van het geschiktheidsvonnis. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de adoptant of de adoptanten of door hun advocaat en in het verzoekschrift is bepaald dat de adoptant of de adoptanten een interlandelijke adoptieprocedure wensen verder te zetten.
   De adoptant of de adoptanten bezorgen de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap een afschrift van het verzoekschrift [2 en een attest van gezinssamenstelling]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-30/14, art. 59, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>
  (2)<W 2013-04-14/23, art. 2, 120; Inwerkingtreding : 06-06-2013>
  (3)<L 2013-07-30/23, art. 183, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014

  Art. 1231.33/2. [1 Om ontvankelijk te zijn, worden bij het verzoekschrift de in artikel 1231-28 bedoelde documenten als bijlage gevoegd.
   Bovendien wordt de tussen de adoptant of de adoptanten en een erkende instelling getekende overeenkomst of de instemming van de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap met de voorgenomen adoptie als bijlage bijgevoegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-30/14, art. 59, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>

  Art. 1231.33/3.[1 § 1. Na de ontvangst van het verzoekschrift richt de griffie zich onverwijld tot de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap die alle relevante elementen onderzoekt.
   § 2. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de toestand van de adoptant of de adoptanten geen wijzigingen heeft ondergaan die van aard zijn om de geschiktheid, vastgesteld door het oorspronkelijke geschiktheidsvonnis, te wijzigen, bezorgt de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap binnen een maand aan de griffie een met redenen omkleed attest om de rechtbank hierover te informeren.
   § 3. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de toestand van de adoptant of de adoptanten wijzigingen heeft ondergaan die van aard zijn om de geschiktheid, vastgesteld door het oorspronkelijke geschiktheidsvonnis, te wijzigen, informeert de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap de griffie binnen een maand hierover en gaat zij onverwijld over tot een maatschappelijk onderzoek.
   De bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap bezorgt de griffie een actualisering van het verslag van het maatschappelijk onderzoek opgesteld in het kader van de procedure houdende vaststelling van de geschiktheid om te adopteren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de in § 1 bedoelde brief van de griffie.
   De actualisering van het verslag van het maatschappelijk onderzoek gebeurt door de diensten die bevoegd zijn voor het opstellen van het verslag van het oorspronkelijk maatschappelijk onderzoek.
   De actualisering bevat een evaluatie van de huidige toestand van de adoptant of de adoptanten en beschrijft de mogelijke elementen die een impact kunnen hebben op de geschiktheid om te adopteren.
   § 4. Indien de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap de griffie niet binnen de in de §§ 2 en 3 bedoelde termijn van een maand informeert over de toestand van de adoptant of de adoptanten, worden de adoptant of de adoptanten geacht zich in een toestand te bevinden die overeenstemt met de in het oorspronkelijke geschiktheidsvonnis vastgestelde toestand.]1
  ----------
  (1)<W 2013-04-14/23, art. 3, 120; Inwerkingtreding : 06-06-2013>

  Art. 1231.33/4.[1 [2 In de in artikel 1231-33/3, § 3 bedoelde gevallen, worden de adoptant of de adoptanten opgeroepen bij gerechtsbrief binnen drie dagen na de neerlegging ter griffie van de actualisering van het verslag van het maatschappelijk onderzoek, teneinde :]2
   1° kennis te nemen van het verslag; daartoe beschikt hij over een termijn van acht dagen;
   2° in persoon te verschijnen voor de [3 familierechtbank]3 binnen de vijftien dagen die volgen op het verstrijken van de termijn bedoeld in 1°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-30/14, art. 59, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>
  (2)<W 2013-04-14/23, art. 4, 120; Inwerkingtreding : 06-06-2013>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 184, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.33/5.[1 [2 Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het met redenen omkleed attest van de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap in de in artikel 1231-33/3, § 2 bedoelde gevallen, binnen vijftien dagen na de zitting in de in artikel 1231-33/4 bedoelde gevallen, of binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van een maand in de in artikel 1231-33/3, § 4 bedoelde gevallen, doet de rechtbank uitspraak over de verlenging van de termijn van geschiktheid van de adoptant of de adoptanten om over te gaan tot een interlandelijke adoptie]2. Het vonnis wordt met redenen omkleed. In geval van een positief vonnis wordt daarin opgave gedaan van het aantal kinderen dat de adoptant of de adoptanten kunnen adopteren, alsook van de eventuele beperkingen van hun geschiktheid. Het vonnis tot verlenging van de termijn van geschiktheid om te adopteren mag slechts in een enkele procedure tot adoptie van een of meerdere kinderen aangewend worden.
   De geldigheid van het vonnis verstrijkt twee jaar na het uitspreken ervan. Wanneer op het tijdstip [2 van de neerlegging van het verzoekschrift]2 echter een kind werd voorgesteld en aanvaard, kan de rechtbank bepalen dat de geldigheid van het vonnis tot verlenging van de termijn van geschiktheid wordt behouden tot aan de uitspraak van de adoptie.
   Het vonnis tot verlenging van de termijn van geschiktheid om te adopteren heeft uitwerking op de dag waarop de geldigheid van het voorgaande geschiktheidsvonnis verstrijkt.
   De adoptant of de adoptanten kunnen opeenvolgende verzoeken tot verlenging van de termijn van hun geschiktheid om te adopteren indienen, zulks in het kader van dezelfde adoptieprocedure.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-30/14, art. 59, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>
  (2)<W 2013-04-14/23, art. 5, 120; Inwerkingtreding : 06-06-2013>

  Art. 1231.33/6. [1 Wanneer het vonnis de termijn van geschiktheid van de adoptant of van de adoptanten verlengt en het vonnis de in het vorige geschiktheidsvonnis bepaalde voorwaarden wijzigt, stelt het openbaar ministerie een verslag op. In dat geval wordt de in de artikelen 1231-32 en 1231-33 bepaalde procedure toegepast. Het verslag van het openbaar ministerie heeft echter enkel betrekking op de nieuwe voorwaarden van het vonnis tot verlenging van de termijn van geschiktheid van de adoptant of de adoptanten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-30/14, art. 59, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>

  Art. 1231.33/7. [1 De griffier bezorgt een afschrift van het vonnis en van het eventuele verslag aan de federale centrale autoriteit binnen drie dagen na ontvangst van het verslag of, ingeval geen verslag vereist is, binnen drie dagen na de uitspraak van het vonnis. Hij stelt de adoptant of de adoptanten hiervan in kennis.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-12-30/14, art. 59, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>

  Onderafdeling 2. - Procedure houdende vaststelling van de adopteerbaarheid van een kind. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.34.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Het verzoek wordt door het openbaar ministerie ingediend bij de [1 familierechtbank]1, op verzoek van de federale centrale autoriteit, nadat deze van de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap, op de hoogte gebracht van een adoptiewens volgens artikel 362-1 van het Burgerlijk Wetboek, gegevens bekomen heeft over een kind, dat in aanmerking komt voor adoptie.
  Het kind wordt vertegenwoordigd door een voogd ad hoc, aangewezen door de rechtbank.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 185, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.35. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> (Binnen 30 dagen na het verzoek bedoeld in artikel 1231-34, beveelt de rechtbank ambtshalve een maatschappelijk onderzoek dat haar inlichtingen verschaft over de adopteerbaarheid van het kind. Het vonnis waarbij het maatschappelijk onderzoek wordt bevolen is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Tijdens dit maatschappelijk onderzoek worden de diensten die door de bevoegde gemeenschappen zijn aangewezen, geraadpleegd.) <W 2007-01-31/42, art. 3, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Het verslag van het maatschappelijk onderzoek wordt neergelegd ter griffie binnen twee maanden te rekenen van de datum van het vonnis. Het wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie.

  Art. 1231.36.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Binnen drie dagen na neerlegging ter griffie van het verslag van het maatschappelijk onderzoek wordt de vertegenwoordiger van het kind opgeroepen bij gerechtsbrief teneinde :
  1° kennis te nemen van het verslag; daartoe beschikt hij over een termijn van vijftien dagen;
  2° in persoon te verschijnen voor de [1 familierechtbank]1 binnen de maand die volgt op het verstrijken van de termijn bedoeld in 1°.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 186, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.37. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De rechtbank spreekt zich daarna uit over de adopteerbaarheid van het kind en gaat na of de voorwaarden bedoeld in artikel 362-2 van het Burgerlijk Wetboek vervuld zijn.
  In het vonnis wordt vermeld dat deze controle is verricht.

  Art. 1231.38. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Wanneer het kind krachtens het vonnis adopteerbaar is, stelt het openbaar ministerie binnen twee maanden te rekenen van de uitspraak, een verslag op zodat de bevoegde autoriteit van de Staat van opvang over voldoende gegevens beschikt met betrekking tot het kind om haar de mogelijkheid te bieden de persoon of personen aan te wijzen die het kind, rekening houdend met zijn specifieke noden, de meest geschikte omgeving en de beste waarborgen voor een goede integratie kunnen bieden; dit verslag bevat gegevens omtrent de identiteit van het kind, zijn adopteerbaarheid, zijn sociaal milieu, zijn persoonlijke achtergrond en die van zijn familie, zijn medisch verleden en dat van zijn familie, alsmede omtrent zijn bijzondere behoeften.
  Het verslag wordt neergelegd ter griffie.

  Art. 1231.39. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Binnen drie dagen na ontvangst van het verslag, bezorgt de griffier een afschrift ervan, alsmede een afschrift van het vonnis aan de federale centrale autoriteit. Hij stelt de vertegenwoordiger van het kind hiervan in kennis. De federale centrale autoriteit past onverwijld artikel 362-3, eerste lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek toe.

  Onderafdeling 3. - Totstandkoming van de adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.40. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Behalve andersluidende bepaling in deze onderafdeling, zijn de bepalingen van afdeling 2 van toepassing op de totstandkoming van een interlandelijke adoptie.

  Art. 1231.41.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Het (eenzijdig) verzoekschrift (...) inzake adoptie wordt bij de [2 familierechtbank]2 ingediend : <W 2004-12-27/30, art. 245, 070; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  1° [1 binnen de in de artikelen 1231-31 en 1231-33/5 bedoelde termijnen of binnen vier jaar na afgifte van een attest uitgereikt door de inzake adoptie bevoegde autoriteit van de andere Staat waarin de adoptant zijn gewone verblijfplaats heeft of de adoptanten hun gewone verblijfplaats hebben, waarin bevestigd wordt dat zij bekwaam en geschikt zijn om een interlandelijke adoptie aan te gaan; en]1
  2° binnen zes maanden te rekenen van de aankomst van het kind in België.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 60, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 187, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.42.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Tenzij de rechtbank reeds in het bezit is gesteld van deze stukken, vraagt zij onverwijld aan de federale centrale autoriteit om haar toe te zenden :
  1° een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing of van de verklaring bedoeld in artikel 1231-41, 1°;
  1°/1 [1 ...]1
  2° een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing van de Belgische rechter of, ingeval het kind zijn gewone verblijfplaats in een andere Staat heeft, van de verklaring waarin de bevoegde autoriteit van deze Staat bevestigt dat het kind adopteerbaar is en vaststelt dat, na de mogelijkheden tot plaatsing van het kind in de Staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft behoorlijk te hebben onderzocht, een interlandelijke adoptie aan het hoger belang van het kind en eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen, beantwoordt;
  3° een voor eensluidend verklaard afschrift van de verslagen bedoeld in de artikelen 1231-32 van dit Wetboek, en 361-3, eerste lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek, of in de artikelen 1231-38 van dit Wetboek en 362-3, eerste lid, 1°, van het Burgerlijk Wetboek;
  4° een verklaring waarin de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap of, ingeval het kind zijn gewone verblijfplaats in een andere Staat heeft, de bevoegde autoriteit van deze Staat vaststelt en met reden omkleedt waarom de beslissing om het kind toe te vertrouwen aan de adoptant of aan de adoptanten, aan het hoger belang van het kind en de eerbied voor de fundamentele rechten die het op grond van het internationaal recht toekomen, beantwoordt.
  Wanneer de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap met toepassing van artikel 361-4, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, stukken heeft aanvaard die zijn gelijkgesteld met de verklaringen bedoeld in het tweede lid, 2° en 4°, van dit artikel, worden deze door de federale centrale autoriteit overgezonden. Wanneer door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap vrijstelling werd verleend van overlegging van deze stukken of van een ervan, bezorgt de centrale federale autoriteit aan de rechter een bewijs van de vrijstelling.
  (De stukken bedoeld in het eerste lid, 2°, worden, in het geval bedoeld in artikel 361-5 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen door de documenten bedoeld in 2°, c) tot e), van dit artikel.) <W 2005-12-06/30, art. 10, 073; Inwerkingtreding : 26-12-2005>
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/14, art. 61, 106; Inwerkingtreding : 16-01-2010>

  Art. 1231.43. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> In afwijking van artikel 1231-5 worden de adviezen bedoeld in 1° tot 5° van dit artikel niet ingewonnen (indien de artikelen 361-3, 361-5 of 362-2) van het Burgerlijk Wetboek zijn nageleefd. <W 2005-12-06/30, art. 11, 073; Inwerkingtreding : 26-12-2005>

  Art. 1231.44. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> In afwijking van artikel 1231-10 worden de personen bedoeld in het eerste lid, 4°, van dit artikel niet opgeroepen (indien de artikelen 361-3, 361-5 of 362-2) van het Burgerlijk Wetboek zijn nageleefd. <W 2005-12-06/30, art. 12, 073; Inwerkingtreding : 26-12-2005>

  Art. 1231.45. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Artikel 1231-6 is niet van toepassing.

  Afdeling 4. - Herroeping van de gewone adoptie en herziening van de adoptie. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.46. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Behalve andersluidende bepaling in deze afdeling worden de vorderingen tot herroeping van een gewone adoptie en die tot herziening van een adoptie ingesteld, behandeld en berecht overeenkomstig de gewone procedure- en bevoegdheidsregels.

  Art. 1231.47.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De rechtbank spreekt de herroeping van een gewone adoptie of de herziening van een adoptie uit.
  [1 Lid 2 opgeheven.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/35, art. 5, 111; Inwerkingtreding : 10-07-2010>

  Art. 1231.48.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De geadopteerde wordt door de griffier in het geding geroepen.
  [1 De geadopteerde die minder dan twaalf jaar oud is, wordt vertegenwoordigd door een voogd ad hoc door de rechtbank op verzoek van de procureur des Konings of van enige andere partij bij de vordering aangesteld.]1
  Artikel 1231-11 is van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 176, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014, remplacé par W 2014-05-12/02, art. 20, 127; Inwerkingtreding : 01-09-2014)>

  Art. 1231.49. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De griffier roept daarenboven, naargelang het geval, de volgende personen in het geding :
  1° indien het verzoek betrekking heeft op de herroeping van een gewone adoptie :
  a) de ouders van de, geadopteerde die minder dan achttien jaar oud is ingeval de herroeping wordt gevorderd ten aanzien van de adoptant of van de adoptanten;
  b) de adoptant ten aanzien van wie de herroeping niet is gevorderd, wanneer de herroeping slechts wordt gevorderd ten aanzien van een van de adoptanten;
  2° indien, het verzoek betrekking heeft op de herziening van een adoptie en de geadopteerde de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt :
  a) de ouders van de geadopteerde, wanneer de betwiste adoptie een gewone adoptie is;
  b) in geval van een volle adoptie, de personen die de hoedanigheid van ouder bezaten voordat de betwiste adoptie gevolgen had.

  Art. 1231.50. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Het vonnis wordt in openbare terechtzitting uitgesproken. Indien daarbij de gewone adoptie wordt herroepen of de herziening van de adoptie wordt uitgesproken, vermeldt het beschikkend gedeelte van het vonnis de datum van het verzoek, de volledige identiteit van de adoptanten en van de geadopteerden ten aanzien van wie de gewone adoptie is herroepen of de adoptie is herzien, de naam en de voornamen die de persoon die geadopteerd was, zal dragen, alsook die welke zijn afstammelingen, van wie de naam ingevolge de adoptie was gewijzigd, zullen dragen.

  Art. 1231.51.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Indien de persoon die geadopteerd was of zijn vertegenwoordiger daarom verzoekt, kan de [1 familierechtbank]1 beslissen dat die persoon de voornamen of de naam blijft dragen die hem was toegekend in de rechterlijke beslissing waarbij de adoptie is uitgesproken.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 189, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.52. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De artikelen 1231-16 tot 1231-21 zijn van toepassing op procedures inzake de herroeping van adoptie.

  Afdeling 5. - Beroep. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005>

  Art. 1231.53. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Hoger beroep tegen elk vonnis alvorens recht te doen en tegen elk eindvonnis gewezen overeenkomstig de afdelingen 2, 3 en 4 van dit hoofdstuk, gebeurt bij verzoekschrift dat ingediend wordt op de griffie van het hof van beroep.

  Art. 1231.54. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De beroepstermijn bedraagt één maand, te rekenen van de betekening van het vonnis bij gerechtsbrief.

  Art. 1231.55.<Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> [1 De familiekamer van het hof van beroep]1 kan het openbaar ministerie verzoeken bijkomende inlichtingen in te winnen en eveneens een nieuw maatschappelijk onderzoek bevelen. Dezelfde termijnen zijn van toepassing als die welke voorzien zijn door de bepalingen betreffende de procedure in eerste aanleg.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 190, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1231.56. <Ingevoegd bij W 2003-04-24/32, art. 5; Inwerkingtreding : 01-09-2005> Indien het om een minderjarige gaat, kunnen ondertussen voorlopige maatregelen worden genomen in het belang van het kind.

  HOOFDSTUK IX. <W 2001-04-29/39, art. 67, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> - Voogdij over minderjarigen

  Art. 1232. <W 2001-04-29/39, art. 67, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarbij het aanhangig maken bij de rechter ambtshalve wordt opgelegd of toegestaan en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 1235 worden de aanvragen gegrond op de artikelen 389 tot 420 van het Burgerlijk Wetboek bij verzoekschrift ingediend.

  Art. 1233.<W 2001-04-29/39, art. 67, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> § 1. De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing, zulks onder voorbehoud van de volgende bepalingen :
  1° het verzoekschrift wordt ondertekend door de partij of door de advocaat van de partij;
  2° de rechter roept de minderjarige op om hem te horen, zulks indien hij twaalf jaar oud is in procedures die zijn persoon aanbelangen en indien hij vijftien jaar oud is in procedures die betrekking hebben op zijn goederen. Het bepaalde in [2 artikel 1004/1, §§ 5 en 6]2, is van overeenkomstige toepassing;
  3° indien artikel 394, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt toegepast, vermeldt de beschikking de naam, de voornaam en de woonplaats van de bloedverwanten in de opgaande lijn van de minderjarige, alsook die van zijn meerderjarige broers en zusters en, van de broers en zusters van de ouders van de minderjarige. Zij worden als tussenkomende partijen beschouwd;
  4° iedere beslissing wordt na de uitspraak ervan ter kennis gebracht van het openbaar ministerie;
  5° een uittreksel uit de beslissing houdende benoeming van de voogd wordt binnen acht dagen te rekenen van de uitspraak [1 ter kennis gebracht van]1 de burgemeester van de gemeente waar de minderjarige zijn woonplaats heeft.
  § 2. De bepalingen van paragraaf 1, 2° tot 5°, zijn evenwel niet van toepassing bij de benoeming van een voogd ad hoc of van een toeziende voogd ad hoc.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/09, art. 31, 129; Inwerkingtreding : 18-07-2014>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 191, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1234. <W 2001-04-29/39, art. 67, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Indien de akte tot aanwijzing van een testamentaire voogd wordt ontdekt na de benoeming van een andere voogd, roept de vrederechter beide voogden op in raadkamer en doet uitspraak.

  Art. 1235.<W 2001-04-29/39, art. 67, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Met het oog op de toepassing van artikel 399 van het Burgerlijk Wetboek zijn bovendien de volgende bepalingen van toepassing :
  1° [de voogd van wie de ontwetting wordt gevorderd, wordt ambtshalve of op een met redenen omkleed verzoek van de toeziende voogd of van de procureur des Konings opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting die de vrederechter [1 ...]1 bepaalt. De voogd wordt bij gerechtsbrief opgeroepen. De toeziende voogd wordt gehoord;] <W 2003-02-13/54, art. 9, 063; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  2° Onverminderd de toepassing van artikel 391 van het Burgerlijk Wetboek gaat de rechter bij de uitspraak houdende de ontzetting, overeenkomstig artikel 401 van hetzelfde Wetboek onmiddellijk over tot de vervanging van de ontzette voogd.
  Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de procedure tot ontzetting van de toeziende voogd. In dat geval moet de voogd worden gehoord.
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/35, art. 6, 111; Inwerkingtreding : 10-07-2010>

  Art. 1236. <W 2001-04-29/39, art. 67, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Elke beschikking van de vrederechter is vatbaar voor hoger beroep. Een kamer samengesteld uit drie rechters wordt belast met de behandeling van het hoger beroep tegen deze beschikking.

  Art. 1236bis.<Ingevoegd bij W 2001-04-29/39, art. 67, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> § 1. Vorderingen tot vaststelling van de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen worden door de procureur des Konings ingesteld bij de [3 familierechtbank]3. De procureur des Konings treedt ambtshalve op of op verzoek van iedere belanghebbende persoon.
  (Ingeval aan de ouders of de ouder die alleen het ouderlijk gezag uitoefent overeenkomstig de bepalingen van boek I, titel XI, [2 hoofdstuk II/1]2, van het Burgerlijk Wetboek een [2 ...]2 bewindvoerder is toegevoegd, kan de vordering tot vaststelling van de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen ook door de [2 ...]2 bewindvoerder worden ingesteld.) <W 2003-02-13/54, art. 10, 063; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  Bij het verzoekschrift worden alle nuttige inlichtingen gevoegd, inzonderheid het oordeel van de vader en de moeder, dat van de bloedverwanten in de opgaande lijn in de tweede graad van de minderjarige en dat van zijn meerderjarige broers en zusters.
  § 2. De rechtbank beveelt de verschijning [1 ...]1 van de personen die zij nodig acht te horen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien een van de personen van wie de procureur des Konings het oordeel heeft moeten inwinnen, betreffende de vooropgestelde maatregel een ongunstig advies heeft uitgebracht, wordt deze eveneens opgeroepen en wanneer hij verschijnt, kan hij door middel van een eenvoudige akte verklaren dat hij in het geding wenst tussen te komen. De griffier zendt de oproepingen aan de betrokkenen toe bij gerechtsbrief.
  Minderjarigen die twaalf jaar oud zijn, worden ook afzonderlijk gehoord.
  § 3. Indien de rechtbank de vordering toewijst, beslist zij of de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen voor de vader, voor de moeder of voor beiden het verlies meebrengt van het recht op het genot bedoeld in artikel 384 van het Burgerlijk Wetboek.
  De griffier geeft kennis aan de territoriaal bevoegde vrederechter een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing. Deze laatste handelt overeenkomstig de regels van de voogdij.
  § 4. Hoger beroep wordt ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep. [1 ...]1
  De termijn om beroep in te stellen en het beroep tegen het vonnis, alsook de termijn om zich in cassatie te voorzien en het beroep tegen het arrest hebben schorsende kracht.
  § 5. De vordering tot opheffing wordt bij verzoekschrift ingediend door beide ouders samen of door elke ouder afzonderlijk.
  De griffier zendt het verzoekschrift toe aan de procureur des Konings. Deze laatste wint de nodige inlichtingen in, inzonderheid het oordeel van de personen vermeld in paragraaf 1, tweede lid, alsook dat van de voogd en van de toeziende voogd. De procureur des Konings zendt het verzoekschrift samen met de inlichtingen en zijn advies toe aan de rechtbank.
  De rechtbank handelt vervolgens overeenkomstig § 2.
  Indien aan de vordering gevolg wordt gegeven, zendt de griffier een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing toe aan de vrederechter van de plaats waar de voogdij is opengevallen en neemt de voogdij een einde op de datum van het proces-verbaal bedoeld in artikel 415, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/35, art. 7, 111; Inwerkingtreding : 10-07-2010>
  (2)<W 2013-03-17/14, art. 177, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (3)<W 2013-07-30/23, art. 192, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1237. <W 2001-04-29/39, art. 67, 054; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Voor iedere onder voogdij gestelde minderjarige wordt op de griffie van het vredegerecht een individueel procesdossier aangelegd.
  Daarin worden alle verzoekschriften, beschikkingen en andere akten betreffende de voogdij per datum geklasseerd.
  Indien nodig maakt de griffier de eensluidend verklaarde afschriften van de stukken die in verschillende dossiers moeten worden neergelegd.

  HOOFDSTUK IXBIS. <ingevoegd bij W 1987-05-20/31, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 06-06-1987> Procedure tot verlatenverklaring van een minderjarige of tot vaststelling dat de ouders kennelijk niet naar hun kind hebben omgezien. (opgeheven) <W 1999-05-07/58, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 09-07-1999>

  Art. 1237bis. (opgeheven) <W 1999-05-07/58, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 09-07-1999>

  HOOFDSTUK X. - [1 Beschermde personen]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 178, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 1. - [1 Rechterlijke bescherming]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 179, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1238.[1 § 1. Op verzoek van de te beschermen persoon, van elke belanghebbende of van de procureur des Konings kan een rechterlijke beschermingsmaatregel worden bevolen als bedoeld in artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek.
   In afwijking van het eerste lid kunnen enkel de te beschermen persoon, zijn ouders, zijn echtgenoot, zijn wettelijk samenwonende partner, de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, een lid van de naaste familie, of de lasthebber bedoeld in artikel 490 of 490/1 van het Burgerlijk Wetboek, om een rechterlijke beschermingsmaatregel verzoeken ingeval de te beschermen persoon zich bevindt in de toestand zoals bedoeld in artikel 488/2 van het Burgerlijk Wetboek.
  [2 De vrederechter die gevat is overeenkomstig het eerste lid, kan uitspraak doen over alle maatregelen bedoeld in de artikelen 490/1, 490/2 en 492/1 van het Burgerlijk Wetboek.]2
   § 2. Eenzelfde persoon mag ten hoogste twee van de in § 1 bedoelde verzoeken hebben ingediend tijdens de tien jaar die de indiening van het laatste verzoek voorafgaan, indien de vrederechter tijdens dezelfde periode heeft geweigerd in te gaan op een verzoek dat gegrond was op dezelfde redenen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 180, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 205, 125; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1239.[1 De vrederechter kan die maatregel ook ambtshalve bevelen :
   1° als bij hem een verzoek bedoeld in de artikelen 5, § 1, en 23 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, is ingediend en als hem een omstandig verslag bedoeld in de artikelen 13, 14 en 25 van dezelfde wet wordt toegezonden;
   2° als de internering van een persoon werd bevolen;
   3° in de gevallen bedoeld in de artikelen 490/1, § 2, en 490/2, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
   In het in het eerste lid, [2 1°]2, bedoelde geval wordt de beschermingsmaatregel bij afzonderlijke beschikking bevolen.
   Het openbaar ministerie brengt de bevoegde vrederechter onverwijld op de hoogte van de beslissing tot internering.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 181, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 206, 125; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1240.[1 De beschermingsmaatregel wordt bij eenzijdig verzoekschrift gevorderd overeenkomstig de artikelen 1026 tot 1034.
   In afwijking van artikel 1026 wordt het verzoekschrift ondertekend door de [2 verzoeker]2 of door diens advocaat.
   Het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift bevat, behalve de vermeldingen bepaald bij artikel 1026 :
   1° de graad van verwantschap of de aard van de betrekkingen die er bestaan tussen de verzoeker en de te beschermen persoon;
   2° de naam, de voornaam, de verblijf- of woonplaats van de te beschermen persoon en, in voorkomend geval, van zijn vader en zijn moeder, zijn echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, voor zover de te beschermen persoon met hen samenleeft, of van de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, of, in voorkomend geval, de benaming en maatschappelijke zetel van de private stichting die zich uitsluitend inzet voor de beschermde persoon [2 of een stichting van openbaar nut die voor de te beschermen persoon over een statutair ingesteld comité belast met het opnemen van bewindvoeringen beschikt]2.
   Het verzoekschrift moet vergezeld zijn van een attest van woonplaats van de te beschermen persoon dat ten hoogste vijftien dagen oud is.
   Het verzoekschrift vermeldt bovendien en voor zover mogelijk :
   1° de plaats en datum van geboorte van de te beschermen persoon;
   2° de aard en de samenstelling van de te beheren goederen;
   3° de naam, de voornaam en de woonplaats van de meerderjarige familieleden in de dichtste graad, doch niet verder dan de tweede graad;
   4° de naam, de voornaam en de woonplaats van personen die zouden kunnen fungeren als vertrouwenspersoon;
   5° de familiale, morele en materiële leefomstandigheden waarvan de kennis voor de vrederechter nuttig kan zijn bij de aanstelling van een bewindvoerder.
   Als het verzoekschrift onvolledig is, vraagt de vrederechter de verzoeker om het binnen acht dagen aan te vullen.
   Het verzoekschrift kan tevens suggesties vermelden betreffende de keuze van de aan te stellen bewindvoerder, alsook betreffende de aard en de omvang van diens bevoegdheden.
   De Koning stelt een model van verzoekschrift vast waarin de verzoeker het sociale netwerk van de te beschermen persoon aan de hand van een vragenlijst moet schetsen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 182, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 207, 125; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1241.[1 Tenzij het verzoek gegrond is op artikel 488/2 van het Burgerlijk Wetboek en behoudens in spoedeisende gevallen wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij het verzoekschrift een omstandige geneeskundige verklaring gevoegd die ten hoogste vijftien dagen oud is en die de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon beschrijft.
   De Koning stelt een standaardformulier van omstandige geneeskundige verklaring op, dat door de geneesheer wordt ingevuld [2 op basis van actuele medische gegevens zoals het patiëntendossier bedoeld in artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt of een recent onderzoek van de persoon]2.
   Dit standaardformulier vermeldt minstens :
   1° of de te beschermen persoon zich kan verplaatsen en, zo ja, indien zulks gelet op zijn toestand aangewezen is;
   2° de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon;
   3° de weerslag van deze gezondheidstoestand op het behoorlijk waarnemen van zijn belangen van vermogensrechtelijke of andere aard. Wat betreft de belangen van vermogensrechtelijke aard, wordt inzonderheid vermeld of de te beschermen persoon nog bij machte is kennis te nemen van de rekenschap van het beheer;
   4° de zorgverlening die een dergelijke gezondheidstoestand normaal met zich meebrengt;
   5° de gevolgen van de vastgestelde gezondheidstoestand op het functioneren volgens de International Classification of Functioning, Disability and Health die op 22 mei 2001 door de vierenvijftigste Wereldgezondheidsvergadering (WHA) werd aangenomen;
  [2 6° de vermelding of de te beschermen persoon in een gezondheidstoestand is die voorkomt in de lijst bedoeld in artikel 492/5, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.]2
   Deze geneeskundige verklaring mag niet worden opgesteld door een geneesheer die een bloed- of aanverwant is van de te beschermen persoon of van de verzoeker, of die op enigerlei wijze verbonden is aan de instelling waar de te beschermen persoon zich bevindt.
   Indien er wegens dringendheid geen geneeskundige verklaring bij het verzoekschrift is gevoegd, gaat de vrederechter na of het aangevoerde motief van dringendheid gerechtvaardigd is. Zo ja, stelt de vrederechter een geneesheer-deskundige aan die overeenkomstig het tweede lid advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon.
   Ingeval de verzoeker in de absolute onmogelijkheid verkeert om de geneeskundige verklaring bedoeld in het eerste lid bij het verzoekschrift te voegen, geeft hij in het verzoekschrift uitdrukkelijk de redenen hiervoor aan en motiveert hij waarom een rechterlijke beschermingsmaatregel hem aangewezen lijkt. De vrederechter die bij een uitdrukkelijk met redenen omklede beschikking oordeelt dat aan het vereiste van de absolute onmogelijkheid is voldaan en dat in het verzoekschrift voldoende ernstige redenen worden opgegeven die een beschermingsmaatregel kunnen rechtvaardigen, stelt een geneesheer-deskundige aan die overeenkomstig het tweede lid advies uitbrengt over de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 183, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 208, 125; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1242.[1 Onverminderd de toepassing van artikel 7, § 1, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, kan de griffier bij de ontvangst van het verzoekschrift de stafhouder van de Orde van advocaten of het bureau voor rechtsbijstand verzoeken om van ambtswege een advocaat aan te wijzen op verzoek van de te beschermen persoon, van elke belanghebbende of van de procureur des Konings.
   De vrederechter beslist in elke zaak afzonderlijk of de kosten van de advocaat bedoeld in het eerste lid ten laste worden gelegd van de verzoeker of van de beschermde persoon, tenzij de verzoeker of de beschermde persoon voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 508/13 om gehele of gedeeltelijke kosteloze tweedelijnsbijstand te genieten.
   Ingeval het verzoek wordt afgewezen, worden de kosten bedoeld in artikel 1018, eerste lid, 6°, vergoed door de verzoeker, indien deze niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 508/13 om gehele of gedeeltelijke kosteloze juridische tweedelijnsbijstand te genieten. Als, ten gevolge van het verzoek, een beschermingsmaatregel wordt genomen, worden de kosten bedoeld in artikel 1018, 6°, vergoed door de beschermde persoon zelf, indien deze niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 508/13 om gehele of gedeeltelijke kosteloze juridische tweedelijnsbijstand te genieten.
   [2 Tezelfdertijd gaat de griffier na of in het centraal register, bijgehouden door de Koninklijke federatie van het Belgisch notariaat, een lastgevingsovereenkomst als bedoeld in artikel 490 van het Burgerlijk Wetboek of een verklaring houdende keuze van een bewindvoerder en van een vertrouwenspersoon werd geregistreerd en vraagt hij, in voorkomend geval, de notaris of de griffier van het vredegerecht waar de lastgevingsovereenkomst werd neergelegd of de akte tot aanduiding van een bewindvoerder en van een vertrouwenspersoon werd verleden, een eensluidend verklaard afschrift over te zenden.]2]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 184, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 209, 125; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1243.[1 § 1. De te beschermen persoon en desgevallend, zijn vader en zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijke samenwonende en de meerderjarige kinderen van de te beschermen persoon, voor zover de te beschermen persoon met hen samenleeft, of de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om door de vrederechter te worden gehoord, desgevallend in aanwezigheid van de vertrouwenspersoon en de lasthebber van de te beschermen persoon. Van het verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld.
   Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift en desgevallend, een afschrift van de verklaring bedoeld in artikel 496 van het Burgerlijk Wetboek gevoegd.
   De gerechtsbrief aan de te beschermen persoon vermeldt de naam en het adres van de advocaat die ambtshalve is aangesteld en vermeldt het recht van de te beschermen persoon om een andere advocaat te kiezen en om zich te laten bijstaan door een arts.
   De personen die, overeenkomstig het eerste lid, bij gerechtsbrief worden opgeroepen, worden aldus partij in het geding, tenzij zij zich hiertegen verzetten ter zitting. Van deze bepaling geeft de griffier kennis in de gerechtsbrief.
   De andere familieleden kunnen persoonlijk op de zitting verschijnen en vragen gehoord te worden. Zij kunnen hun opmerkingen ook schriftelijk tot op de dag van de zitting aan de vrederechter meedelen. De griffier stelt bij gerechtsbrief de in het verzoekschrift vermelde familieleden in kennis van de indiening van dat verzoekschrift, alsook van de plaats en het tijdstip waarop de te beschermen persoon zal worden gehoord.
   Er wordt overeenkomstig de bepalingen van dit artikel gehandeld indien de vrederechter overweegt ambtshalve een maatregel te nemen.
   § 2. De te beschermen persoon kan, tot op de dag van de zitting en, indien hij dat wenst, vergezeld van de vertrouwenspersoon, verzoeken om afzonderlijk door de vrederechter in raadkamer te worden gehoord, vóór de andere in het geding betrokken partijen.
   Indien de te beschermen persoon wilsonbekwaam is en de vertrouwenspersoon uiterlijk op de dag van de zitting verzoekt om afzonderlijk in raadkamer te worden gehoord vóór de andere in het geding betrokken partijen, willigt de vrederechter dat verzoek in, tenzij hij bij een met redenen omklede beschikking zijn weigering te kennen geeft.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 185, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1244.[1 § 1. De vrederechter wint alle nuttige inlichtingen in; hij kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand van de te beschermen persoon.
   De vrederechter wint eveneens nuttige inlichtingen in bij de omgeving van de te beschermen persoon, waaronder in het bijzonder diens bloedverwanten tot de tweede graad, alsook de personen die belast zijn met de dagelijkse zorg van de te beschermen persoon of die hem begeleiden.
   De vrederechter kan daarnaast eenieder horen die hem kan inlichten. In voorkomend geval geschiedt de oproeping door de griffier bij gerechtsbrief.
   Van de ingewonnen inlichtingen wordt een proces-verbaal opgemaakt.
   § 2. De vrederechter mag zich begeven naar de verblijfplaats van de te beschermen persoon of naar de plaats waar hij zich bevindt. Hiervan wordt een proces-verbaal opgesteld.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 186, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1245.[1 Binnen drie dagen na de uitspraak geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de beslissing aan de aangestelde bewindvoerder. De bewindvoerder laat binnen acht dagen na zijn aanwijzing schriftelijk weten of hij deze aanvaardt. Dit stuk wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging.
   Wordt de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, niet aanvaard, dan stelt de vrederechter ambtshalve een andere bewindvoerder aan.
   Binnen drie dagen na de ontvangst van de aanvaarding geeft de griffier bij gerechtsbrief kennis van de uitspraak aan de partijen.
   Een niet ondertekend afschrift wordt, in voorkomend geval, gezonden aan de vertrouwenspersoon van de beschermde persoon en aan de advocaten van de partijen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 187, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1246.[1 § 1. Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarbij het ambtshalve aanhangig maken bij de rechter wordt opgelegd of toegestaan, worden de aanvragen gegrond op artikel 628, 3°, en de artikelen 145/1, 186, 231, 328, [2 ...]2 490/2, § 2, 499/7, § 4, 501/1, 905, 1397/1, 1475, § 2, tweede lid, [2 , 1476, § 2, zevende lid en 1478, vijfde lid,]2 van het Burgerlijk Wetboek bij verzoekschrift ingediend.
   § 2. De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing onder voorbehoud van de volgende bepalingen.
   Het verzoekschrift wordt ondertekend door de [2 verzoeker]2 of door [2 zijn]2 advocaat.
   [2 Ingeval het verzoek gegrond is op artikel 490/2, § 2, van het Burgerlijk Wetboek worden de lastgever en de lasthebber opgeroepen om door de vrederechter gehoord te worden. In de andere gevallen worden de beschermde persoon, de bewindvoerder en, in voorkomend geval, de vertrouwenspersoon opgeroepen om door de vrederechter gehoord te worden. De oproeping gebeurt door de griffier bij gerechtsbrief.]2
   De vrederechter kan een geneesheer-deskundige aanstellen die advies moet uitbrengen over de gezondheidstoestand van de beschermde persoon. De vrederechter wint alle nuttige inlichtingen in en kan eenieder horen die hij geschikt acht om hem in te lichten. De vrederechter wint, in voorkomend geval, inzonderheid alle inlichtingen in bij de personen die instaan voor de dagelijkse zorg van de beschermde persoon of de beschermde persoon en zijn omgeving begeleiden in deze zorg.
   [2 De personen die worden opgeroepen bij gerechtsbrief overeenkomstig het derde lid worden partij in het geding, tenzij zij zich hiertegen verzetten ter zitting. Van deze bepaling geeft de griffier kennis in de gerechtsbrief.]2 ]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 188, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 210, 125; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1247.[1 In de gevallen waarin de wet de vrederechter toestaat ambtshalve de zaak aanhangig te maken, wordt een proces-verbaal opgesteld. Er wordt voorts gehandeld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 189, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1248.[1 Voor iedere beschermde persoon wordt op de griffie van het vredegerecht een administratief dossier zoals bedoeld in afdeling 3 aangelegd]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 190, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1249.[1 Elke beslissing waarbij een beschermingsmaatregel wordt opgelegd, beëindigd of gewijzigd, wordt, door toedoen van de griffier, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad opgenomen.
   De bekendmaking moet geschieden binnen vijftien dagen na de aanvaarding door de bewindvoerder; de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten zou zijn, zijn aansprakelijk jegens de betrokkenen indien bewezen wordt dat de vertraging of het verzuim het gevolg is van collusie]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 191, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1249/1. [1 innen de termijn van vijftien dagen bedoeld in artikel 1249, tweede lid, wordt een uittreksel van de beslissing door de griffier meegedeeld aan de burgemeester van de woonplaats van de beschermde persoon, ten einde te worden aangetekend in het bevolkingsregister. De burgemeester verstrekt een uittreksel uit het bevolkingsregister met vermelding van de naam, het adres en de staat van bekwaamheid van een persoon, alsook de identiteit van de bewindvoerder, aan de persoon zelf of aan elke derde die een belang aantoont.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 192, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1249/2. [1 De Koning kan andere maatregelen van openbaarmaking in het belang van derden voorschrijven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 193, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Afdeling 2. - [1 Het bewind]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 194, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1250.[1 Onverminderd andersluidende bepalingen is artikel 1246, § 2, van toepassing op aanvragen gegrond op de artikelen 490/2, § 1, vierde lid, 496/7, eerste lid, 497/4, tweede lid, 499/7, §§ 1 en 2, 499/10 [2 , 1397/1, derde lid en 1478, zevende lid,]2 van het Burgerlijk Wetboek. In voorkomend geval is artikel 1247 van toepassing.
   In afwijking van artikel 1246, § 2, vraagt de vrederechter de mening van de beschermde persoon, diens vertrouwenspersoon en diens bewindvoerder. [2 Hij kan de lastgever, de lasthebber, de beschermde persoon, diens vertrouwenspersoon en diens bewindvoerder oproepen om hen te horen in raadkamer. In de gevallen bedoeld in de artikelen 490/2, § 1, vierde lid en 496/7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek worden deze personen in ieder geval opgeroepen. De oproeping geschiedt door de griffier bij gerechtsbrief.]2 De vertrouwenspersoon kan, met de instemming van de beschermde persoon, vragen om afzonderlijk te worden gehoord. Van dit verhoor wordt een proces-verbaal opgemaakt. De vrederechter is evenwel niet verplicht de mening van de beschermde persoon te vragen indien deze in een gezondheidstoestand verkeert die voorkomt in de lijst bedoeld in artikel 492/5, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek of indien hij op grond van feitelijke elementen, vastgesteld in een met redenen omkleed proces-verbaal, van oordeel is dat de beschermde persoon niet in staat is om zijn mening te geven.
   [2 De personen die worden opgeroepen bij gerechtsbrief overeenkomstig het tweede lid worden partij in het geding, tenzij zij zich hiertegen verzetten ter zitting. Van deze bepaling geeft de griffier kennis in de gerechtsbrief.]2 ]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 195, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 211, 125; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1251.
  <Opgeheven bij W 2013-03-17/14, art. 196, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1252.[1 § 1. Alle verzoeken op grond van de artikelen 490/2, § 1, laatste lid, 497/3, § 1, 500/3, § 1, derde lid, en § 2, van het Burgerlijk Wetboek worden door de vrederechter beslecht.
   § 2. De artikelen 1026 tot 1034 zijn van toepassing onder voorbehoud van de volgende bepalingen.
   Het verzoekschrift wordt ondertekend door de [2 verzoeker]2 of door [2 zijn]2 advocaat.
   De vrederechter gelast onmiddellijk de oproeping van de betrokken partijen. [2 De oproeping gebeurt bij gerechtsbrief en wordt door de griffier binnen vijf dagen aan de partijen verzonden]2.
   De verschijning vindt plaats binnen de maand na de oproeping. De vrederechter poogt de betrokken partijen te verzoenen. De vrederechter stelt, in voorkomend geval, de verzoening vast in een proces-verbaal dat ondertekend wordt door de betrokken partijen.
   De uitgifte van het proces-verbaal wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging.
   Ingeval de poging tot verzoening mislukt, beslecht de vrederechter, binnen acht dagen, het geschil bij een met redenen omklede beschikking.
  [2 De personen die worden opgeroepen bij gerechtsbrief overeenkomstig het derde lid, worden partij in het geding, tenzij zij zich hiertegen verzetten ter zitting. Van deze bepaling geeft de griffier kennis in de gerechtsbrief.]2
   § 3. De te beschermen persoon kan, tot op de dag van de zitting en, indien hij dat wenst, vergezeld van de vertrouwenspersoon, verzoeken om afzonderlijk door de vrederechter te worden gehoord, vóór de andere in het geding betrokken partijen.
   Indien de te beschermen persoon wilsonbekwaam is en de vertrouwenspersoon, uiterlijk tot op de dag van de zitting, verzoekt om afzonderlijk te worden gehoord vóór de andere in het geding betrokken partijen, willigt de vrederechter dat verzoek in, tenzij hij bij een met redenen omklede beschikking zijn weigering te kennen geeft.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 197, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (2)<W 2014-04-25/23, art. 212, 125; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Afdeling 3. - [1 Het administratief dossier ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 198, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1253.[1 Per beschermde persoon wordt op de griffie van het vredegerecht een administratief dossier gehouden, dat onder meer het volgende bevat :
   1° een eensluidend verklaard afschrift van de beslissing tot toevoeging van een bewindvoerder aan de beschermde persoon;
   2° het verslag dat het te beheren vermogen en de inkomstenbronnen van de beschermde persoon beschrijft;
   3° de verslagen die jaarlijks en binnen dertig dagen na de beëindiging van de opdracht van de bewindvoerder worden neergelegd;
   4° een afschrift van alle eindbeschikkingen die in het kader van het bewind werden uitgesproken, alsook in het kader van de eventuele beroepsprocedures;
   5° alle andere documenten, zoals de gevoerde briefwisseling en andere stukken die de griffie ontvangt, voor zover ze overeenkomstig artikel 721 niet dienen gerangschikt te worden in het overeenstemmend dossier van de rechtspleging;
   6° een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal waarin de bewindvoerder zijn voorkeur uitdrukt over de aanwijzing van een bewindvoerder zo hij zelf niet meer in staat zou zijn die functie langer uit te oefenen;
   7° een afschrift van het proces-verbaal van verzoening opgesteld met toepassing van artikel 1252, vierde lid.
   Bij het administratief dossier wordt een inventaris van de stukken gevoegd, die door de griffier wordt bijgehouden en waarop de datum van de neerlegging, het volgnummer van de inschrijving en de aard van die stukken worden vermeld.
   Na de beëindiging van het bewind wordt het administratief dossier gedurende vijf jaar bewaard op de griffie om nadien te worden vernietigd.
   Indien het bewindsforum verandert, zendt de griffier het administratief dossier na het verstrijken van de beroepstermijn over aan de nieuw bevoegde vrederechter overeenkomstig artikel 628, 3°.
   Indien nodig maakt de griffier de eensluidend verklaarde afschriften van de stukken die in verschillende dossiers moeten worden neergelegd.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 199, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 1253/1. [1 § 1. De beschermde persoon, diens vertrouwenspersoon en diens bewindvoerder evenals de procureur des Konings hebben tijdens de duur van het bewind het recht inzage te nemen van het dossier bedoeld in artikel 1253 op de griffie van het vredegerecht.
   Na het overlijden van de beschermde persoon komt dit recht toe aan zijn erfgenamen, de procureur des Konings evenals de notaris belast met de vereffening en verdeling van zijn nalatenschap.
   § 2. Elke andere belanghebbende die inzage wenst in het dossier bedoeld in § 1 kan daartoe overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 1250 een met redenen omkleed verzoek indienen bij de vrederechter.
   De vrederechter weegt de rechten en belangen van de verzoeker bij de uitoefening van het inzagerecht af tegen de rechten en belangen van de beschermde persoon, en in het bijzonder, diens recht op eerbiediging van zijn privéleven. Ingeval de vrederechter het verzoek inwilligt, bepaalt hij in welke documenten van het dossier de verzoeker inzage krijgt.
   § 3. De in § 1 bedoelde personen hebben tevens recht op een afschrift van het geheel of een gedeelte van het administratief dossier.
   De vrederechter bepaalt in zijn beschikking bedoeld in § 2 of de belanghebbende het recht heeft om een afschrift te verkrijgen.
   De Koning kan het maximumbedrag vaststellen dat gevraagd mag worden per fotokopie of per andere drager van informatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-03-17/14, art. 200, 124; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  HOOFDSTUK Xbis. - [1 Vorderingen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit familiale betrekkingen]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 193, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Artikel 1253bis.[1 De familierechtbank houdt rekening met alle nuttige elementen die voorkomen in het in artikel 725bis bedoelde familiedossier.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 194, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253ter. <W 14-7-1976, art. 29> Het verzoekschrift bevat naam, voornaam, beroep en woonplaats van de echtgenoten.
  Een schriftelijk verzoek wordt ondertekend door de eiser of zijn advocaat. (De artikelen 1034bis tot 1034sexies zijn van toepassing op het schriftelijk verzoek.) <W 1992-08-03/31, art. 54, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 1253ter/1.[1 In alle zaken die vallen onder de bevoegdheid van de familierechtbank informeert de griffier, zodra een vordering wordt ingesteld, de partijen over de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten, door hen onmiddellijk de tekst toe te zenden van de artikelen 1730 tot 1737, vergezeld van een door de voor Justitie bevoegde minister opgestelde informatiebrochure over de bemiddeling, de lijst van de erkende bemiddelaars die zijn gespecialiseerd in familiezaken en gevestigd zijn in het gerechtelijk arrondissement, alsook de inlichtingen betreffende de informatiesessies, wachtdiensten of andere in het gerechtelijk arrondissement georganiseerde initiatieven die erop gericht zijn de minnelijke oplossing van conflicten te bevorderen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 195, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253ter/2. [1 In alle zaken bedoeld in artikel 1253ter/4, § 2, 1° tot 4°, dienen de partijen in persoon te verschijnen op de inleidingszitting.
   In afwijking van het eerste lid dienen de partijen in alle zaken die betrekking hebben op minderjarige kinderen in persoon te verschijnen op de inleidingszitting, de zitting waarop de vragen aangaande de kinderen worden besproken én de pleitzittingen.
   De rechter kan in geval van uitzonderlijke omstandigheden een afwijking toestaan op de persoonlijke verschijning van partijen bedoeld in het eerste en tweede lid.
   Indien de eiser niet in persoon verschijnt, verklaart de rechter naar gelang van de omstandigheden waarover hij oordeelt, de eiser van zijn eis vervallen, of verwijst de zaak naar de bijzondere rol van de kamer. In dat laatste geval kan de zaak op verzoek van een van de partijen opnieuw ter zitting worden gebracht binnen een termijn van vijftien dagen. Indien de verweerder niet in persoon verschijnt, kan de rechter hetzij een vonnis bij verstek uitspreken, hetzij de zaak uitstellen tot een latere rechtsdag. In dat laatste geval wordt een nieuwe gerechtsbrief verstuurd naar de verweerder. Indien de verweerder opnieuw niet verschijnt op die nieuwe zitting, spreekt de rechtbank, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, een vonnis uit dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen.
   In geval van een door een advocaat, een notaris of een erkend bemiddelaar opgesteld akkoord tussen de partijen over alle vorderingen die zijn naar voren gebracht in de akte van rechtsingang wordt de persoonlijke verschijning van de partijen niet vereist en homologeert de rechtbank het akkoord van de partijen, voor zover dit niet kennelijk strijdig is met het belang van het kind. De rechter kan echter steeds de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van het openbaar ministerie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 196, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253ter/3.[1 § 1. [2 Indien de partijen in de zaken bedoeld in artikel 1253ter/4, § 2, eerste lid, 1° tot 4°, niet tot een akkoord zijn gekomen, hoort de familierechtbank de partijen betreffende hun geschil.]2
   Onverminderd artikel 1253ter/2 kan de [2 rechtbank]2 de partijen in elke stand van het geding gelasten persoonlijk te verschijnen, op verzoek van een van de partijen of van het openbaar ministerie, dan wel als hij het nuttig acht, onder meer teneinde de partijen met elkaar te verzoenen of de relevantie van een akkoord na te gaan. De [2 rechtbank]2 kan de partijen voorstellen om de mogelijkheid van een minnelijke schikking of bemiddeling te onderzoeken.
   Indien de eiser niet in persoon verschijnt, verklaart de [2 rechtbank]2 naar gelang van de omstandigheden waarover hij oordeelt, de eiser van zijn eis vervallen, of verwijst de zaak naar de bijzondere rol van de kamer. In dat laatste geval kan de zaak op verzoek van een van de partijen opnieuw ter zitting worden gebracht binnen een termijn van vijftien dagen. Indien de verweerder niet in persoon verschijnt, kan de [2 rechtbank]2 hetzij een vonnis bij verstek uitspreken, hetzij de zaak uitstellen tot een latere rechtsdag. In dat laatste geval wordt een nieuwe gerechtsbrief verstuurd naar de verweerder. Indien de verweerder opnieuw niet verschijnt op die nieuwe zitting, spreekt de rechtbank, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, een vonnis uit dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen.
   § 2. [2 Mits alle partijen hiermee akkoord gaan, kan de rechtbank de zaak verdagen naar een vaste datum die de termijn van drie maanden zoals bepaald in artikel 1734 niet mag overschrijden, teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden na te gaan of er akkoorden kunnen worden gesloten dan wel de bemiddeling een oplossing zou kunnen bieden aan partijen, of kan zij de zaak, verwijzen naar de kamer van minnelijke schikking, overeenkomstig artikel 731, vijfde lid. De zaak kan op schriftelijk verzoek van een van de partijen op een vroegere datum worden hervat.]2
   § 3. Op ieder ogenblik kunnen de partijen de [2 rechtbank]2 verzoeken hun overeenkomsten met betrekking tot de maatregelen bedoeld in artikel 1253ter/4, § 2 [2 eerste lid]2, 1° tot 4°, te homologeren. De [2 rechtbank]2 kan weigeren de overeenkomst te homologeren als deze kennelijk strijdig is met het belang van de kinderen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 197, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 77, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253ter/4.[1 § 1. Wanneer spoedeisendheid wordt aangevoerd, doet de familierechtbank uitspraak in kort geding.
   Zonder spoedeisendheid en behoudens toepassing van artikel 1043 verwijst de rechter de zaak naar een gewone zitting.
   § 2. Worden geacht spoedeisend te zijn en kunnen worden ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift, dagvaarding of gezamenlijk verzoekschrift, de zaken met betrekking tot :
   1° de afzonderlijke verblijfplaatsen;
   2° het ouderlijk gezag;
   3° [2 de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact met een minderjarig kind;]2
   4° de onderhoudsverplichtingen;
   5° [2 het grensoverschrijdend hoederecht en bezoekrecht, onder voorbehoud van de toepassing van hoofdstuk XIIbis, boek IV van het vierde deel;]2
   6° de machtigingen om een huwelijk aan te gaan als bedoeld in artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek en de weigeringen van wettelijke samenwoning als bedoeld in artikel 1476quater, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek;
   7° de voorlopige maatregelen die bevolen worden op grond van artikel 1253ter/5.
   [2 De uitspraak wordt gedaan zoals in kort geding.]2
   Zo de zaak bij dagvaarding wordt ingeleid, is de in artikel 1035, tweede lid, bedoelde termijn van toepassing.
   In de andere gevallen heeft de inleidende zitting plaats uiterlijk binnen vijftien dagen na de neerlegging [2 van het verzoekschrift]2 ter griffie.
   Zo de in het eerste lid bedoelde zaken samen met andere zaken worden ingeleid, kan de familierechtbank beslissen de in dit artikel beschreven procedure toe te passen op die andere vorderingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 198, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 78, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253ter/5.[1 Naast de maatregelen die werden genomen overeenkomstig de artikelen 19, tweede lid, en 735, § 2, kan de [2 rechtbank]2 de volgende voorlopige maatregelen nemen :
   1° alle maatregelen betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag, de organisatie van de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact bevelen of aanpassen;
   2° de uitkeringen tot levensonderhoud begroten, wijzigen of afschaffen;
   3° de afzonderlijke verblijfplaats van de echtgenoten of de wettelijk samenwonenden vaststellen;
   4° aan een der echtgenoten verbod opleggen om, voor de tijd die hij bepaalt, eigen of gemeenschappelijke roerende of onroerende goederen, zonder de instemming van de andere echtgenoot te vervreemden, te hypothekeren of te verpanden; hij kan de verplaatsing van de meubelen verbieden of het persoonlijk gebruik ervan aan een van beide echtgenoten toewijzen;
   5° de echtgenoot die de roerende goederen onder zich heeft, verplichten zich borg te stellen of voldoende solvabiliteit aan te tonen;
   6° gebruik maken van dezelfde bevoegdheden als hem bij artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek zijn toegekend;
   7° de echtelijke verblijfplaats van de echtgenoten vaststellen indien zij het daar niet over eens zijn;
   8° [2 ...]2.
   Wanneer de vordering werd ingesteld bij verzoekschrift, dan dient de inleidingszitting plaats te vinden binnen vijftien dagen na de datum waarop het verzoekschrift is neergelegd.
   Wat betreft de in het [2 eerste lid]2, 3°, bedoelde vaststelling van de afzonderlijke verblijfplaats, indien een echtgenoot of een wettelijk samenwonende zich tegenover de andere schuldig gemaakt heeft aan een feit als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek, of heeft gepoogd een feit te plegen als bedoeld in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek, of indien er ernstige aanwijzingen voor dergelijke gedragingen bestaan, krijgt de andere echtgenoot of wettelijk samenwonende behalve bij uitzonderlijke omstandigheden, het genot van de echtelijke of de gemeenschappelijke verblijfplaats toegewezen, indien hij daarom verzoekt.
   De in het [2 eerste lid]2, 4°, bedoelde daden van vervreemding zijn alle daden bedoeld in artikel 1 van de wet van 16 december 1851 van de wet tot herziening van het hypothecair stelsel en in artikel 8 van de wet van 10 februari 1908 betreffende de zee- en binnenvaart.
   [2 In het in het eerste lid, 6°, bedoelde geval kan het vonnis van de familierechtbank worden ingeroepen tegen alle tegenwoordige of toekomstige derdenschuldenaars, nadat het hun, op verzoek van een van de partijen, door de griffier zal zijn betekend.]2. Wanneer het vonnis ophoudt gevolgen te hebben, krijgen de derden-schuldenaars op dezelfde wijze daarvan bericht ten verzoeke van de meest gerede partij.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 199, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
   (2)<W 2014-05-08/02, art. 79, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253ter/6. [1 De familierechtbank neemt, indien het verzoek dat haar wordt voorgelegd betrekking heeft op een minderjarige, alle maatregelen en verricht de nodige daden van onderzoek, rekening houdend met het hoger belang van het kind.
   De rechtbank kan onder meer alle maatregelen treffen en het onderzoek doen verrichten dat nodig is om de persoonlijkheid van het kind en het milieu waarin het wordt grootgebracht te kennen teneinde uit te maken wat zijn belang is en welke middelen voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn.
   Zij kan een maatschappelijk onderzoek doen verrichten, door bemiddeling van de bevoegde sociale dienst, en het kind aan een medisch-psychologisch onderzoek onderwerpen, indien hij het haar meegedeelde dossier niet voldoende acht.
   Indien de rechtbank een maatschappelijk onderzoek doet verrichten, kan zij, behoudens in spoedeisende gevallen, haar beslissing eerst nemen of wijzigen na kennis te hebben genomen van het advies van de bevoegde sociale dienst, tenzij zij dit advies niet ontvangt binnen de door haar bepaalde termijn, die niet meer dan vijfenzeventig dagen mag bedragen.
   Van de informatie wordt in alle gevallen aan de partijen kennis gegeven voor de zitting.
   De rechtbank houdt, in voorkomend geval, rekening met de meningen van de kinderen die werden geuit op de wijze bepaald bij artikel 1004/1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 200, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253ter/7.[1 § 1. In afwijking van de bepalingen van het derde deel, titel III, blijven de zaken die worden geacht spoedeisend te zijn, ingeschreven op de rol van de familierechtbank, ook in geval van een uitspraak in hoger beroep. In geval van nieuwe elementen kan dezelfde zaak opnieuw voor de rechtbank worden gebracht, binnen een termijn van 15 dagen, bij conclusie of bij een schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of gericht is aan de griffie. Deze nieuwe elementen moeten, op straffe van nietigheid, worden aangeduid in de conclusie of in het schriftelijk verzoek.
   Onder "nieuwe elementen" wordt verstaan :
   1° over het algemeen, een feit dat niet bekend was bij het eerste verzoek;
   2° met betrekking tot een uitkering tot levensonderhoud, nieuwe omstandigheden waarin de partijen of de kinderen verkeren, en die hun situatie ingrijpend kunnen wijzigen;
   3° met betrekking tot de organisatie van de verblijfsregeling, het recht op persoonlijk contact en de uitoefening van het ouderlijk gezag, nieuwe omstandigheden die de toestand van de partijen of die van het kind kunnen wijzigen. In dit laatste geval kan de rechtbank dit nieuwe verzoek echter enkel inwilligen indien het belang van het kind zulks rechtvaardigt.
   § 2. Indien er op oneigenlijke wijze gebruik wordt gemaakt van de in § 1, eerste lid, geboden mogelijkheid om de zaak opnieuw voor de rechtbank te brengen, kan de rechter in zijn vonnis de bevoegdheid uitoefenen die hem wordt toegekend in [2 artikel 780bis]2.
   § 3. Artikel 730, § 2, a), is niet toepasselijk op de zaken waarvoor dit artikel bepaalt dat ze voortdurend aanhangig blijven bij de rechtbank.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 201, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)< W 2014-05-08/02, art. 80, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014

  Art. 1253ter/8. [1 De zaak wordt bij de familierechtbank aanhangig gemaakt in de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 353-10 en 354-2 van het Burgerlijk Wetboek, en onverminderd de artikelen 145, 478 en 479 van hetzelfde Wetboek en de artikelen 1231-3, 1231-24, 1231-27 en 1231-46, bij een verzoekschrift, ondertekend, al naar het geval, door de minderjarige, de vader, de moeder, de voogd, de toeziende voogd, de curator, het familielid of het lid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of bij dagvaarding, op verzoek van het openbaar ministerie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2013-07-30/23, art. 202, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253quater.<W 14-7-1976, art. 29> [2 Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1253ter/4 en 1253ter/7, wanneer de vorderingen gegrond zijn op de artikelen 214, 215, 216, 221, 223, 1420, 1421, 1426, 1442, 1463 en 1469 van het Burgerlijk Wetboek :]2
  a) [2 de rechtbank doet de partijen oproepen en verwijst de partijen, in voorkomend geval, naar de kamers voor minnelijke schikking overeenkomstig artikel 731, vijfde lid;]2
  b) [2 de griffier geeft aan de beide echtgenoten kennis van de beschikking;]2
  c) kan, indien de beschikking bij verstek is gewezen, de partij die niet verschenen is, [1 binnen een maand na de kennisgeving bij gerechtsbrief ]1 verzet doen bij verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank;
  d) is de beschikking vatbaar voor hoger beroep ongeacht het bedrag van de eis : hoger beroep wordt ingesteld [1 binnen een maand na de kennisgeving bij gerechtsbrief]1;
  e) kan elk der echtgenoten te allen tijde in dezelfde vorm wijziging of intrekking vorderen van de beschikking of het arrest.
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 11, 108; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 204, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie ook W 2014-05-08/02, art. 81, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253quinquies.<W 14-7-1976, art. 29> De [1 familierechtbank]1 bij wie een vordering aanhangig is op grond van de artikelen 220, § 3, 221 en 223 van het Burgerlijk Wetboek, kan aan de echtgenoten en zelfs aan derden bevelen [1 haar]1 alle inlichtingen en bescheiden te verstrekken, waaruit het bedrag van de inkomsten en schuldvorderingen van de echtgenoten kan blijken; geeft de derde aan de vordering van de [1 rechtbank]1 binnen de door [1 haar]1 gestelde termijn geen gevolg of lijken de verstrekte inlichtingen onvolledig of onjuist te zijn, dan kan de [1 rechtbank]1 bij een met redenen omkleed vonnis de verschijning van de derde bevelen op een dag die hij bepaalt. De griffier roept de derde op bij gerechtsbrief en voegt bij de oproepingsbrief een afschrift van het vonnis.
  De sancties bepaald in artikel 926 kunnen worden toegepast op de derde die niet verschijnt of weigert de gevraagde inlichtingen te verstrekken. In de oproepingsbrief wordt, op straffe van nietigheid, de voorgaande volzin opgenomen, alsook de tekst van artikel 926.
  Wanneer de [1 rechtbank]1 aan een openbaar bestuur beveelt [1 haar]1 gegevens te verstrekken over de inkomsten en schuldvorderingen van de echtgenoten, zijn de ambtenaren van het bestuur ontslagen van hun plicht tot geheimhouding.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 204, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253sexies.<W 14-7-1976, art. 29> § 1. [1 De vordering]1, gegrond op de artikelen 223 en 1421 van het Burgerlijk Wetboek, om het verbod uit te spreken voor hypotheek vatbare goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren, bevat de geboorteplaats en geboortedatum van de echtgenoten, de nauwkeurige omschrijving van de aard en de ligging van elk der in het verzoekschrift bedoelde onroerende goederen en, voor de zeeschepen, hun naam en andere kenmerken bepaald [1 in artikel 227bis, § 2, 1° en 2°, van het Wetboek van Koophandel]1.
  De beschikking waarbij dat verbod wordt uitgesproken, bevat dezelfde gegevens; op verzoek van de echtgenoot die ze verkregen heeft, geeft de griffier aan de hypotheekbewaarder kennis van een uittreksel daaruit, om te worden ingeschreven op de kant van de laatst overgeschreven titel van verkrijging van de in de beschikking bedoelde onroerende goederen of zeeschepen.
  § 2. In de kennisgeving aan de verweerder van de beschikking, gegrond op artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek, houdende verbod om roerende goederen te vervreemden of te verpanden, wordt de tekst van artikel 507 van het Strafwetboek opgenomen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 205, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253septies.<W 14-7-1976, art. 29> [1 De echtgenoot die verzoekt om het vervreemden of hypothekeren van voor hypotheek vatbare goederen te verbieden, kan in spoedeisende gevallen aan de familierechtbank vragen dat zij hem, nog voor zij zich uitspreekt over de waarde van de aanvraag, toelaat zijn verzoek te doen inschrijven op de kant van de laatst overgeschreven titel van verkrijging van de in de akte van rechtsingang bedoelde goederen. De griffier geeft aan de hypotheekbewaarder kennis van een uittreksel uit de beslissing.]1
  Evenzo kan de echtgenoot die verzoekt om het vervreemden of in pand geven van goederen of schuldvorderingen te verbieden, machtiging vragen om verzet te doen in handen van de andere echtgenoot of van een derde; dat verzet, gedaan bij deurwaardersexploot, geldt als verbod om te vervreemden, te verpanden of te verplaatsen tot aan de uitspraak van de beschikking over de waarde van het verzoekschrift.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 206, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1253octies. <W 14-7-1976, art. 29> De inschrijvingen in het register van de hypotheekbewaarder gedaan ter uitvoering van het voorgaande artikel hebben gevolg gedurende zes maanden, tenzij de beschikking anders bepaalt.
  Zij houden in hun geheel of ten dele op gevolg te hebben na een beschikking of een arrest van wijziging; zij kunnen doorgehaald worden met toestemming van de echtgenoot of van zijn rechtverkrijgenden of krachtens rechterlijke beslissing overeenkomstig de artikelen 92 tot 95 van de hypotheekwet van 16 december 1851.

  HOOFDSTUK XI. - Echtscheiding, scheiding van tafel en beden scheiding van goederen.

  Eerste afdeling. - (De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting). <W 2007-04-27/00, art. 21, 1°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1254.<W 2007-04-27/00, art. 22, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. [1 De vordering tot echtscheiding op grond van artikel 229, § 2, van het Burgerlijk Wetboek wordt ingesteld bij een verzoekschrift ondertekend door iedere echtgenoot of ten minste door een advocaat of een notaris.
   De vordering tot echtscheiding op grond van artikel 229, § 3, van het Burgerlijk Wetboek kan worden ingesteld bij verzoekschrift.
   Het bepaalde in de artikelen 1034bis tot 1034sexies is van toepassing op het in het eerste en tweede lid bedoelde verzoekschrift.]1
  Naast de gewoonlijke vermeldingen waaronder de identiteit van de betrokken partijen bevat de gedinginleidende akte in voorkomend geval de vermelding van de identiteit van de minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde kinderen waarvan beide echtgenoten de ouders zijn, van de kinderen die zij hebben geadopteerd, van de kinderen van een van hen die de andere heeft geadopteerd, van elk kind van elk van de echtgenoten waarvan de afstamming is vastgesteld, evenals van elk kind dat ze samen opvoeden.
  De gedinginleidende akte bevat, in voorkomend geval, een gedetailleerde beschrijving van de feiten en, in de mate van het mogelijke, alle verzoeken met betrekking tot de gevolgen van de echtscheiding, onverminderd § 5.
  De gedinginleidende akte kan ook de eventuele vorderingen bevatten inzake de voorlopige maatregelen met betrekking tot de persoon, het levensonderhoud en de goederen, van zowel de partijen als de minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde kinderen waarvan beide echtgenoten de ouders zijn, de kinderen die zij hebben geadopteerd en de kinderen van een van hen die de andere heeft geadopteerd. [2 ...]2.
  Bij de gedinginleidende akte dienen voor ieder van de echtgenoten en de eventuele kinderen, hiervoor opgesomd, door de verzoekende partij te worden toegevoegd :
  1° een bewijs van identiteit, van nationaliteit en van de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;
  2° de akten van geboorte van de hierboven vermelde kinderen;
  3° een voor eensluidend verklaard afschrift van de laatste huwelijksakte en van de laatste huwelijksovereenkomst;
  4° indien deze verschilt met de verblijfplaats die in het Rijksregister is vermeld, het bewijs van de huidige verblijfplaats of, in voorkomend geval, een bewijs van de gewone verblijfplaats in België sinds meer dan drie maanden.
  Indien de voorgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan de griffie om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken.
  § 2. De betrokkenen worden ervan vrijgesteld de diverse in § 1 vermelde bewijzen van identiteit, van nationaliteit en van inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister over te leggen, voor zover de respectieve betrokkenen op de datum van de gedinginleidende akte zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. De in dit register opgenomen gegevens gelden tot bewijs van het tegendeel. De griffier van de [2 familierechtbank]2 controleert in dat geval de identiteitsgegevens aan de hand van het Rijksregister en voegt een uittreksel uit het Rijksregister bij het dossier.
  Er geldt tevens vrijstelling van het overleggen van :
  1° de in § 1 vermelde geboorteakten voor zover de betrokken kinderen in België geboren zijn;
  2° de huwelijksakte, indien het huwelijk in België plaatsvond.
  In beide gevallen vraagt de griffie van de rechtbank zelf afschrift van de akte op bij de houder van het register. Hetzelfde geldt wanneer de akte in België is overgeschreven en de griffie de plaats van de overschrijving ervan kent.
  § 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op een vordering in kort geding. Ze zijn evenmin van toepassing op personen die zijn ingeschreven in het wachtregister.
  § 4. Als de vermeldingen van de akte van rechtsingang onvolledig zijn of indien de griffie bepaalde informatie niet tijdig kon verkrijgen voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit de nodige inlichtingen te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen. Elke partij kan ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.
  § 4/1. [2 ...]2.
  § 5. Tot aan de sluiting van de debatten kunnen de partijen of een van de partijen de zaak of het voorwerp van de vordering uitbreiden of wijzigen, tegenvorderingen of aanvullende vorderingen inleiden, en dit aan de hand van op tegenspraak genomen conclusies of door conclusies die aan de andere echtgenoot worden meegedeeld bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/23, art. 3, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 207, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1255.<W 2007-04-27/00, art. 23, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. [1 Indien de echtscheiding gezamenlijk wordt gevorderd op grond van artikel 229, § 2 van het Burgerlijk Wetboek, spreekt de rechter de echtscheiding uit als hij vaststelt dat de partijen sinds meer dan zes maanden feitelijk gescheiden zijn.]1
  Als de partijen niet langer dan zes maanden feitelijk gescheiden zijn, stelt de rechter een nieuwe zitting vast. Deze heeft plaats op een datum die onmiddellijk volgt op het verstrijken van de termijn van zes maanden, of drie maanden na de eerste [2 zitting]2. Tijdens deze zitting spreekt de rechter de echtscheiding uit indien de partijen hun wil hiertoe bevestigen.
  Wanneer de rechter de echtscheiding uitspreekt, homologeert hij desgevallend de tussen de partijen gesloten akkoorden.
  § 2. Indien de echtscheiding gevorderd wordt door één van de echtgenoten met toepassing van artikel 229, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, spreekt de rechter de echtscheiding uit als hij vaststelt dat de partijen sinds meer dan één jaar feitelijk gescheiden zijn.
  Als de partijen niet langer dan een jaar feitelijk gescheiden zijn, stelt de rechter een nieuwe zitting vast. Deze heeft plaats op een datum die onmiddellijk volgt op het verstrijken van de termijn van een jaar, of een jaar na de eerste zitting. Tijdens deze zitting spreekt de rechter de echtscheiding uit indien een van de partijen erom verzoekt.
  § 3. Indien de echtscheiding gevorderd wordt door één van de echtgenoten en de andere echtgenoot in de loop van de procedure zich met die vordering akkoord verklaart, wordt de echtscheiding uitgesproken, mits het respecteren van de in § 1 bedoelde termijnen.
  § 4. De feitelijke scheiding van de echtgenoten kan aangetoond worden door alle wettelijke middelen, met uitzondering van de bekentenis en de eed, en onder andere door voorlegging van een getuigschrift van woonplaats waaruit inschrijvingen op verschillende adressen blijken.
  § 5. Indien de echtscheiding door een van de partijen gevorderd wordt met toepassing van artikel 229, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, en het bewijs van de onherstelbare ontwrichting geleverd is, kan de rechter de echtscheiding dadelijk uitspreken.
  § 6. [2 De rechter kan de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen op verzoek van één van de partijen of van het openbaar ministerie, of wanneer hij dit nuttig acht met het oog op het verzoenen van de partijen, of teneinde de mogelijkheden van een akkoord na te gaan met betrekking tot de persoon, de onderhoudsgelden en de goederen van de kinderen.
   Onverminderd de toepassing van artikel 1734 brengt de rechtbank de partijen in kennis van de mogelijkheid hun geschil op te lossen via verzoening, bemiddeling dan wel elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten. Als hij vaststelt dat toenadering mogelijk is, kan hij de schorsing van de procedure gelasten, om de partijen de mogelijkheid te bieden alle nuttige inlichtingen dienaangaande in te winnen. De duur van de schorsing mag niet meer bedragen dan één maand.
   Op verzoek van de partijen, of als de rechter het opportuun acht, wordt het dossier dan naar de kamer voor minnelijke schikking van de familierechtbank verwezen, op grond van de artikelen 661 en volgende.]2
  § 7. [3 Als een echtgenoot zich in een toestand als bedoeld in artikel 488/1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bevindt, wordt hij als verweerder vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder of, bij gebreke, door een beheerder ad hoc die vooraf door de familierechtbank aangewezen wordt op verzoek van de eisende partij.]3}
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/23, art. 4, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 208, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (3)<W 2014-05-08/02, art. 82, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1256.<Hersteld bij W 2007-04-27/00, art. 24, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Op ieder ogenblik kunnen de partijen de rechter verzoeken hun overeenkomsten te homologeren over de voorlopige maatregelen met betrekking tot de persoon, het levensonderhoud en de goederen van de echtgenoten of van hun kinderen.
  Hij kan weigeren de overeenkomst te homologeren als deze duidelijk in strijd is met het belang van de kinderen.
  [1 Bij gebrek aan een overeenkomst of in geval van een gedeeltelijke overeenkomst, verwijst de rechter de zaak op verzoek van één van de partijen naar de eerste nuttige zitting in het kader van de zaken die worden geacht spoedeisend te zijn of van de zaken waarvoor de spoedeisendheid wordt aangevoerd in de zin van artikel 1253ter/4. Artikel 803 is van toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 209, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie ook W 2014-05-08/02, art. 83, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1257.
  <Opgeheven bij W 2010-06-02/23, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2010>

  Art. 1258.[1 Behoudens andersluidende overeenkomst worden de kosten in gelijke delen over de partijen verdeeld ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken op grond van artikel 229, § 2, van het Burgerlijk Wetboek.
   Behoudens andersluidende overeenkomst draagt elke partij de eigen kosten ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken op grond van artikel 229, § 1 of § 3, van het Burgerlijk Wetboek. De rechter kan er evenwel anders over beslissen, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak.]1
  ----------
  (1)<W 2009-11-17/03, art. 2, 107; Inwerkingtreding : 01-02-2010>

  Art. 1259. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 27, 1°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1260. (opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>

  Art. 1260bis. (opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>

  Art. 1261. (...) <W 1994-06-30/33, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  Wanneer de partijen of een van hen een woonplaats heeft gekozen, worden de betekeningen aan die woonplaats gedaan.
  (lid 2 opgeheven) <W 2007-04-26/71, art. 29, 088; Inwerkingtreding : 22-06-2007>

  Art. 1262. (opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>

  Art. 1263.[1 Wanneer de wet de persoonlijke verschijning van de partijen eist of de rechtbank deze heeft gelast, kan naar gelang van de omstandigheden die de rechter beoordeelt, de echtgenoot die niet verschijnt, van zijn rechtsvordering vervallen worden verklaard of kan de zaak worden verwezen naar de bijzondere rol van de kamer. In dat laatste geval kan de zaak opnieuw op de terechtzitting komen binnen een termijn van vijftien dagen op verzoek van een van de partijen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 210, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1264. <L 1994-06-30/33, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> Partijen verschijnen persoonlijk op het getuigenverhoor, in voorkomend geval bijgestaan door hun advocaat. Ze kunnen zich eveneens door hem laten vertegenwoordigen.

  Art. 1265. (opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>

  Art. 1266. (opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>

  Art. 1267. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 27, 2°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1268. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 27, 3°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1269. (Het beschikkend gedeelte van de vonnissen of arresten (waarbij echtscheiding wordt uitgesproken), vermeldt de volledige identiteit van de partijen alsmede de plaats en de datum van de voltrekking van hun huwelijk.) <W 1-7-1974, art. 10> <W 1994-06-30/33, art. 12, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  (Tweede lid opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 27, 4°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1270. Weergave van de debatten door middel van de pers is verboden op straffe van geldboete van honderd frank tot tweeduizend frank en van gevangenis van acht dagen tot zes maanden of van een van die straffen alleen.
  Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op dit misdrijf.rechtsmiddelen, met uitsluiting van bekentenis en eed.

  Art. 1270bis. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 27, 5°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1271. (opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 14, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>

  Art. 1272. (opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 14, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>

  Art. 1273. (opgeheven) <W 1990-05-03/34, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 1990-07-03>

  Art. 1274.[1 De termijn om zich in cassatie te voorzien en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/23, art. 6, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2010>

  Art. 1275.<W 1994-06-30/33, art. 16, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> § 1. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest waarbij de echtscheiding (...) is uitgesproken, wordt onmiddellijk in afschrift medegedeeld aan de griffier. <W 2007-04-27/00, art. 29, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  § 2. Wanneer het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier, binnen een maand, een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte (en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden) van het vonnis of het arrest bij aangetekende zending met ontvangstbewijs aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het huwelijk voltrokken is of, wanneer het huwelijk niet in België voltrokken is, aan (de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel). <W 1997-05-20/47, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  Het ontvangstbewijs wordt door de griffier aangezegd aan de partijen.
  Binnen een maand na de kennisgeving aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, schrijft deze het beschikkende gedeelte over in zijn registers; er wordt melding van gemaakt op de kant van de akte van huwelijk, indien deze in België is opgemaakt of overgeschreven.
  Na de overschrijving geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand onverwijld daarvan kennis aan de procureur des Konings bij de [1 rechtbank van eerste aanleg waartoe de familierechtbank die op de vordering heeft beslist, behoort]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 211, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1276.<W 1994-06-30/33, art. 17, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> Ten aanzien van vonnissen gaat de termijn bedoeld in artikel 1275, § 2, eerste lid, eerst in na het verstrijken van de termijn van hoger beroep wanneer het vonnis op tegenspraak is gewezen; en na het verstrijken van de termijn van verzet wanneer het vonnis bij verstek is gewezen ten aanzien van arresten gaat die termijn eerst in na het verstrijken van de termijn van voorziening in cassatie of, in voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij de voorziening wordt verworpen.
  [1 De termijn van hoger beroep, verzet en voorziening in cassatie, begint te lopen vanaf de betekening van het vonnis of arrest.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/23, art. 8, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2010>

  Art. 1277. (opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 18, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>

  Art. 1278.<W 1-7-1974, art. 7> Het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt (uitgesproken), (heeft ten aanzien van de persoon van de echtgenoten gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is getreden, en) heeft ten aanzien van derden zijn gevolgen vanaf de dag van de overschrijving. <W 1994-06-30/33, art. 19, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> <W 1997-05-20/47, art. 6, 1°, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  (Ten aanzien van de echtgenoten, wat hun goederen betreft, werkt het terug tot op de dag waarop de vordering is ingesteld en, wanneer er meer dan één vordering is, tot op de dag waarop de eerste is ingesteld, ongeacht of zij werd toegewezen of niet.) <W 1994-06-30/33, art. 19, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  (Ingeval een van de echtgenoten overlijdt voor de echtscheiding is overgeschreven doch nadat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten tegenover derden als uit de echt gescheiden beschouwd, onder de opschortende voorwaarde van overschrijving overeenkomstig artikel 1275.) <W 1997-05-20/47, art. 6, 2°, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  (De [1 familierechtbank]1 kan, op vordering van één van de echtgenoten, indien zij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, billijk acht, in het vonnis waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, beslissen dat bij de vereffening van de gemeenschap geen rekening zal worden gehouden met sommige goederen die zijn verworven of met sommige schulden die zijn aangegaan sedert het tijdstip dat de echtgenoten feitelijk gescheiden leefden.) <W 1994-06-30/33, art. 19, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  De partijen kunnen dergelijke vordering ook instellen in de loop van de vereffening van de gemeenschap.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 212, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1279. (opgeheven) <W 1995-04-13/37, art. 16, 031; Inwerkingtreding : 03-06-1995>

  Art. 1280.[1 Wanneer de familierechtbank uitspraak doet over zaken die worden geacht spoedeisend te zijn of zaken waarvoor de spoedeisendheid wordt aangevoerd in de zin van artikel 1253ter/4, neemt zij, op verzoek van de partijen of van één van hen, of van de procureur des Konings, kennis van de voorlopige maatregelen volgens het bepaalde in de [2 artikelen 1253ter/4 tot 1253ter/6]2.
   De artikelen 1253sexies, § 1, 1253septies, eerste lid, en 1253octies zijn van toepassing wanneer verbod is gevorderd of uitgevaardigd om voor hypotheek vatbare goederen te vervreemden of met hypotheek te bezwaren. Artikel 224 van het Burgerlijk Wetboek is ook van toepassing.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 213, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 84, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1281.
  <Opgeheven bij W 2010-06-02/23, art. 9, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2010>

  Art. 1282. <W 1994-06-30/33, art. 23, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> De eiser of de verweerder in het geding tot echtscheiding kan, (te rekenen van de datum waarop (de vordering wordt ingeleid)), in iedere stand van het geding, tot bewaring van zijn rechter vorderen dat alle roerende goederen van elke echtgenoot worden verzegeld. Ontzegeling geschiedt niet dan onder boedelbeschrijving en onder verplichting voor de partijen om de voorwerpen in de inventaris beschreven weer op te leveren of als gerechtelijk bewaarder voor de waarde daarvan in te staan. <W 1997-05-20/47, art. 9, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997> <W 2007-04-27/00, art. 30, 1°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  (In ieder geval hebben de partijen de mogelijkheid om een inventaris te laten opstellen overeenkomstig hoofdstuk II van boek IV.) <W 2007-04-27/00, art. 30, 2°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1283. <W 1994-06-30/33, art. 24, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> Iedere verbintenis ten laste van het gemeenschappelijk vermogen door één van de echtgenoten aangegaan na het instellen van de vordering tot echtscheiding, wordt nietig verklaard indien bewezen wordt dat zij aangegaan is met bedrieglijke benadeling van de rechten van de andere echtgenoot (onverminderd de rechten van de te goeder trouw zijnde derden). <W 1997-05-20/47, art. 10, 1°, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  (Het bewijs van goede trouw moet worden geleverd door de contracterende derde.) <W 1997-05-20/47, art. 10, 2°, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>

  Art. 1284. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 31, 1°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1285. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 31, 1°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1286. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 31, 1°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1286bis. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 31, 2°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Afdeling II. _ Echtscheiding door onderlinge toestemming.

  Art. 1287. (De echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, moeten hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun evenwel vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf regelen.
  Zij kunnen voraf een boedelbeschrijving doen opmaken overeenkomstig Hoofdstuk II - Boedelbeschrijving van Boek IV.
  In dezelfde akte moeten zij vaststellen wat zij zijn overeengekomen met betrekking tot de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 745bis en 915bis van het Burgerlijk Wetboek, voor het geval één van hen zou overlijden vóór het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken.) <W 1994-06-30/33, art. 26, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  (Vierde lid opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 31, 3°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  (Een letterlijk uittreksel van de akte, waaruit het bestaan van die overeenkomsten blijkt, moet, voor zover zij betrekking heeft op onroerende goederen, overgeschreven worden op het hypotheekkantoor van het rechtsgebied, waarbinnen de goederen gelegen zijn, op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 2 van de hypotheekwet van 16 december 1851, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1913). <W 1-7-1972, art. 1>

  Art. 1288.<W 1-7-1972, art. 2> Zij zijn (...) ertoe gehouden hun overeenkomst omtrent de volgende punten bij geschrift vast te leggen: <W 1994-06-30/33, art. 27, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  1° de verblijfplaats van elk van beide echtgenoten gedurende de proeftijd;
  2° (het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen en het recht op persoonlijk contact zoals bedoeld [2 in artikel 374, § 1, vierde lid]2, van het Burgerlijk Wetboek) wat betreft (de minderjarige ongehuwde en niet ontvoogde kinderen waarvan beide echtgenoten de ouders zijn, de kinderen die zij hebben geadopteerd en de kinderen van een van hen die de andere heeft geadopteerd), zowel gedurende de proeftijd als na de echtscheiding; <W 1995-04-13/37, art. 17, 031; Inwerkingtreding : 03-06-1995> <W 2007-04-27/00, art. 32, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  3° (de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van voornoemde kinderen, onverminderd de rechten hen door Hoofdstuk V van Titel V van Boek I van het Burgerlijk Wetboek toegekend;) <W 1994-06-30/33, art. 27, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  4° (het bedrag van de eventuele uitkering te betalen door de ene echtgenoot aan de andere, gedurende de proeftijd en na de echtscheiding, de formule voor de eventuele aanpassing van die uitkering aan de kosten van levensonderhoud, de omstandigheden waaronder dit bedrag na de echtscheiding kan worden herzien en de nadere bepalingen ter zake.) <W 1994-06-30/33, art. 27, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  ((Wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen), kunnen de beschikkingen bedoeld in het 2° en het 3° van het voorgaande lid na de echtscheiding worden herzien door de bevoegde rechter.) <W 1994-06-30/33, art. 27, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> <W 1997-05-20/47, art. 11, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  [1 Uitgezonderd indien de partijen uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn overeengekomen, kan de bevoegde rechter, op vordering van een van de partijen, de in de bepaling onder 4° van het eerste lid bedoelde uitkering later verhogen, verminderen of afschaffen, indien, ingevolge nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen, het bedrag ervan niet meer is aangepast.]1
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/23, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 213bis, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie ook W 2014-05-08/02, art. 85, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1288bis.<ingevoegd bij W 1994-06-30/33, art. 28, Inwerkingtreding : 01-10-1994> [1 § 1.]1 De vordering wordt ingeleid bij verzoekschrift.
  Het wordt neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, naar keuze van de echtgenoten.
  Naast de andere verplichte vermeldingen (verwijst het verzoekschrift op straffe van nietigheid naar de als bijlage opgenomen overeenkomsten) die worden vereist door de artikelen 1287 en 1288. <W 1997-05-20/47, art. 12, 1°, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  Als bijlagen bij het verzoekschrift worden neergelegd :
  1° de overeenkomsten opgesteld met toepassing van de artikelen 1287 en 1288;
  2° in voorkomend geval, de boedelbeschrijving die in artikel 1287, tweede lid, wordt bedoeld;
  3° een uittreksel uit de akten van geboorte en uit de akte van huwelijk van de echtgenoten;
  4° een uittreksel uit de akten van geboorte (van de kinderen bedoeld in artikel (1254, § 1, tweede lid)). <W 1997-05-20/47, art. 12, 2°, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997> <W 2007-04-27/00, art. 33, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  (5° een bewijs van nationaliteit van elk van de echtgenoten.) <W 1997-05-20/47, art. 12, 3°, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  Van het verzoekschrift en de bijlagen worden een origineel en twee afschriften neergelegd. Wanneer de echtgenoten geen kinderen hebben, volstaat één afschrift.
  Het origineel van het verzoekschrift wordt door beide echtgenoten of door ten minste een advocaat of notaris ondertekend.
  [1 § 2. Voor zover de respectieve betrokkenen op de datum van de gedinginleidende akte zijn opgenomen in het Rijksregister van de natuurlijke personen, opgericht bij de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, worden zij vrijgesteld van het overleggen van :
   1° een uittreksel uit de akten van geboorte van de echtgenoten, voor zover zij in België werden geboren;
   2° een uittreksel van de geboorteakten van de in artikel 1254, § 1, vierde lid, bedoelde kinderen, voor zover zij in België werden geboren;
   3° een uittreksel van de huwelijksakte, indien het huwelijk in België plaatsvond;
   4° een bewijs van nationaliteit van elk van de echtgenoten.
   De in het Rijksregister opgenomen gegevens hieromtrent gelden tot bewijs van het tegendeel. De griffie van de rechtbank controleert in dat geval de gegevens aan de hand van het Rijksregister en voegt een uittreksel uit het Rijksregister bij het dossier.
   De griffie van de rechtbank vraagt zelf een afschrift van de in 1°, 2° en 3° bedoelde akte op bij de houder van het register.
   Hetzelfde geldt wanneer de akte in België is overgeschreven en de griffie de plaats van de overschrijving ervan kent.
   § 3. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op personen die zijn ingeschreven in het wachtregister.
   § 4. Als de vermeldingen van het verzoekschrift onvolledig zijn of indien de griffie bepaalde informatie niet tijdig kon verkrijgen voor de inleidende zitting, nodigt de rechter de meest gerede partij uit de nodige inlichtingen te verstrekken of het dossier van de procedure te vervolledigen. Elke partij kan ook zelf het initiatief nemen om het dossier samen te stellen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-01-14/16, art. 77, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2013>

  Art. 1288ter. <ingevoegd bij W 1994-06-30/33, art. 29, Inwerkingtreding : 01-10-1994> Binnen acht dagen te rekenen van de neerlegging, zendt de griffie aan de procureur des Konings twee afschriften van het verzoekschrift en de bijlagen.

  Art. 1289.[1 § 1. Wanneer de echtgenoten al meer dan zes maanden gescheiden leven op de dag van de neerlegging van het verzoekschrift, en de in § 3 bepaalde persoonlijke verschijning niet wordt bevolen, verloopt de procedure schriftelijk. [2 ...]2.
   § 2. Wanneer de echtgenoten niet langer dan zes maanden gescheiden leven op de dag van de neerlegging van het verzoekschrift, worden zij geacht binnen een maand te rekenen van de datum van deze neerlegging gezamenlijk en persoonlijk te verschijnen voor de familierechtbank. Zij geven de rechtbank hun wil te kennen.
   § 3. De persoonlijke verschijning van partijen kan steeds worden bevolen door de rechtbank, ongeacht de duur van de scheiding van de echtgenoten, hetzij ambtshalve, hetzij op vraag van de procureur des Konings of van een van de partijen. In dit geval, worden de echtgenoten geacht binnen een maand te rekenen van de neerlegging van het verzoekschrift gezamenlijk en persoonlijk te verschijnen voor de familierechtbank. Ze geven de rechtbank hun wil te kennen.
   § 4. In de in §§ 2 en 3 bedoelde gevallen kan de rechtbank in uitzonderlijke omstandigheden de echtgenoten machtigen zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat of door een notaris.]1
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 214, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2014-05-08/02, art. 86, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1289bis.
  <Opgeheven bij W 2013-07-30/23, art. 215, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1289ter.<ingevoegd bij W 1994-06-30/33, art. 32, Inwerkingtreding : 01-10-1994> De procureur des Konings brengt schriftelijk advies uit over de vormvereisten, de toelaatbaarheid van de echtscheiding en over de inhoud van de overeenkomsten tussen de echtgenoten met betrekking tot hun minderjarige kinderen.
  Het advies wordt ter griffie neergelegd ten laatste op de dag vóór de verschijning van de echtgenoten bedoeld in artikel 1289, [2 §§ 2 en 3,]2 tenzij het wegens de omstandigheden van de zaak terstond op de zitting van de verschijning van de echtgenoten schriftelijk of mondeling wordt uitgebracht, in welk geval dit op (het [1 zittingsblad]1) wordt vermeld. <W 2006-07-10/39, art. 24, 078; Inwerkingtreding : : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>
  Kan het advies niet tijdig worden uitgebracht, dan wordt de [2 familierechtbank]2 daarvan ten laatste op de dag vóór de zitting verwittigd en wordt de oorzaak van de vertraging op (het [1 zittingsblad]1) vermeld. <W 2006-07-10/39, art. 24, 078; Inwerkingtreding : : 01-01-2013 (zie W 2010-12-29/01, art. 4)>
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 30, 125; Inwerkingtreding : 24-05-2014>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 216, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1290.De rechter houdt aan beide echtgenoten samen en aan ieder van hen in het bijzonder, (...) zodanige bedenkingen en vermaningen voor als hij gepast oordeelt hij brengt hun alle gevolgen onder het oog, waartoe hun stap zal leiden. <W 1-7-1972, art. 4>
  (Onverminderd [1 artikel 1004/1]1, kan hij aan de partijen voorstellen de beschikkingen van de overeenkomsten met betrekking tot hun minderjarige kinderen te wijzigen wanneer die hem strijdig lijken met de belangen van deze laatsten.
  De rechter kan, ten laatste bij de verschijning van de echtgenoten waarin artikel 1289 [1 §§ 2 en 3]1 voorziet, ambtshalve beslissen tot het horen van de kinderen, zoals bepaald in [1 artikel 1004/1]1.
  (De rechter bepaalt, wanneer hij toepassing maakt van het tweede of het derde lid, binnen een maand na de neerlegging ter griffie van het proces-verbaal van de eerste verschijning of van het onderhoud bedoeld in het vorige lid, een nieuwe datum voor de verschijning van de echtgenoten.) <W 1997-05-20/47, art. 13, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  Tijdens deze verschijning kan de rechter de beschikkingen die kennelijk strijdig zijn met de belangen van de minderjarige kinderen laten schrappen of wijzigen.) <W 1994-06-30/33, art. 33, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 217, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1291. <W 1994-06-30/33, art. 34, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> Indien de aldus voorgelichte echtgenoten in hun voornemen volharden, verleent de rechter hun ervan akte dat zij de echtscheiding aanvragen en daarin onderling toestemmen.

  Art. 1291bis.
  <Opgeheven bij W 2013-07-30/23, art. 218, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1292.<W 1-7-1971, art. 6> De griffier maakt een omstandig proces-verbaal op van al hetgeen gezegd en gedaan is ter uitvoering van de [1 artikelen 1289, §§ 2, 3 en 4, tot 1291]1; de overgelegde stukken blijven gevoegd bij het proces-verbaal.
  Hij zendt, binnen vijftien dagen, aan de procureur des Konings een eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal van de verschijning (...). <W 1997-05-20/47, art. 14, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 219, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1293.<W 1994-06-30/33, art. 35, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> [1 Wanneer, binnen een maand te rekenen van de dag van indiening van het verzoekschrift en vóór de eventuele verschijning van de partijen als bedoeld in artikel 1289, §§ 2 en 3, de echtgenoten of een van hen]1 nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden aanvoeren waardoor hun toestand, de toestand van één van hen of die van hun kinderen ingrijpend wordt gewijzigd en indien daarvan naar behoren het bewijs wordt geleverd, kunnen zij gezamenlijk een voorstel tot wijziging van hun oorspronkelijke overeenkomsten ter beoordeling aan de rechter voorleggen.
  Nadat de rechter kennis heeft genomen van het advies van de procureur des Konings of na toepassing van [1 artikel 1004/1]1 kan hij de partijen oproepen indien hij zulks wenselijk acht, ten einde hen voor te stellen de voorstellen tot wijziging van de overeenkomsten met betrekking tot hun minderjarige kinderen aan te passen, wanneer die hem strijdig lijken met de belangen van deze laatsten.
  [1 ...]1.
   (De rechter bepaalt, wanneer hij toepassing maakt van het tweede [1 ...]1 lid, binnen een maand na de neerlegging ter griffie van het proces-verbaal van de verschijning bedoeld [1 in hetzelfde lid]1, [1 een nieuwe verschijningsdatum]1.
  [1 ...]1.) <W 1997-05-20/47, art. 15, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 220, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1294.
  <Opgeheven bij W 2013-07-30/23, art. 221, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1294bis.
  <Opgeheven bij W 2014-05-08/02, art. 87, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1295. Nadat de rechter aan de echtgenoten zijn opmerkingen heeft gemaakt, wordt hun, indien zij volharden, akte verleend van hun verzoek (...): de griffier van de rechtbank maakt een proces-verbaal op, dat getekend wordt door de rechter en de griffier, alsmede door de partijen, tenzij dezen verklaren niet te kunnen tekenen of daartoe niet in staat te zijn, in welk geval daarvan melding wordt gemaakt. <W 1-7-1972, art. 9>

  Art. 1296.De rechter plaatst terstond, onderaan op het proces-verbaal, zijn beschikking inhoudende dat over een en ander door hem binnen drie dagen aan de rechtbank [1 ...]1 verslag zal worden uitgebracht, op de schriftelijke conclusie van de procureur des Konings, aan wie de griffier de stukken te dien einde meedeelt.
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/35, art. 11, 111; Inwerkingtreding : 10-07-2010>

  Art. 1297. <W 1994-06-30/33, art. 37, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> Indien de procureur des Konings vaststelt dat aan de wettelijke voorwaarden, naar vorm en inhoud, is voldaan, geeft hij zijn conclusie in de volgende bewoordingen : " De wet laat toe ".
  In het tegenovergestelde geval met zijn conclusie van ontoelaatbaarheid gemotiveerd zijn.

  Art. 1298.De [1 familierechtbank]1 kan, wanneer het verslag wordt uitgebracht, geen andere punten onderzoeken dan die welke in artikel 1297 zijn vermeld. Blijkt daaruit dat, naar het oordeel van de [1 familierechtbank]1, de partijen aan de voorwaarden hebben voldaan en de formaliteiten hebben in acht genomen die door de wet bepaald zijn, dan (spreekt zij de echtscheiding uit) (en homologeert zij de overeenkomsten met betrekking tot de minderjarige kinderen); in het tegenovergestelde geval verklaart de rechtbank dat er geen grond bestaat om (de echtscheiding uit te spreken) en geeft de redenen van de beslissing op. <W 1994-06-30/33, art. 38, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> <W 1997-05-20/47, art. 17, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 223, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1299.[1 [2 Hoger beroep tegen het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken is slechts toegelaten indien het gesteund wordt op het niet vervullen van de wettelijke voorwaarden om de echtscheiding uit te spreken of op de verzoening die tussen de echtgenoten plaatsvond.]2
   Het kan worden ingesteld door het openbaar ministerie binnen een maand te rekenen van de uitspraak. In dat geval wordt het aan beide partijen betekend.
   Het kan eveneens worden ingesteld door één of beide echtgenoten, afzonderlijk of gezamenlijk, binnen een maand te rekenen van de uitspraak. In dat geval wordt het aan de procureur des Konings betekend, alsook, indien het door slechts één echtgenoot wordt ingesteld, aan de andere echtgenoot.]1
  [2 Hoger beroep aangetekend op grond van verzoening moet in alle gevallen door beide echtgenoten gezamenlijk worden ingesteld binnen een maand te rekenen van de uitspraak. Het wordt betekend aan de procureur des Konings.]2
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/23, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (2)<W 2015-07-17/63, art. 2, 140; Inwerkingtreding : 11-09-2015>

  Art. 1300. Hoger beroep tegen het vonnis waarbij beslist is dat er geen grond bestaat om de echtscheiding (uit te spreken), is slechts toegelaten indien het ingesteld wordt door beide partijen, afzonderlijk of gezamenlijk (binnen één maand) te rekenen van de uitspraak. Het wordt aan de procureur des Konings betekend. <W 1994-06-30/33, art. 40, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>

  Art. 1301.Binnen tien dagen na de betekening van het beroep doet de procureur des Konings aan de procureur-generaal bij het hof van beroep de uitgifte toekomen van het vonnis en de stukken waarop dit is gewezen.
  De procureur-generaal geeft schriftelijk zijn conclusie binnen tien dagen na ontvangst van de stukken; [1 in geval van toepassing van artikel 109bis, § 2, tweede of derde lid, brengt de voorzitter of de raadsheer die hem vervangt]1 verslag uit aan het hof van beroep [2 ...]2 en de eindbeslissing wordt genomen binnen tien dagen na het overleggen van de conclusie van de procureur-generaal.
  Het arrest is niet vatbaar voor verzet.
  ----------
  (1)<W 2010-04-22/28, art. 4, 109; Inwerkingtreding : 28-06-2010>
  (2)<W 2010-06-02/35, art. 12, 111; Inwerkingtreding : 10-07-2010>

  Art. 1302.<W 1994-06-30/33, art. 41, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> De termijn om zich in cassatie te voorzien tegen het arrest [1 van de familiekamer]1 van het hof van beroep is drie maanden te rekenen van de uitspraak.
  Voorziening in cassatie door de prtijen is slechts toegestaan indien ze ingesteld wordt door de beide echtgenoten afzonderlijk of gezamenlijk.
  Voorziening in cassatie tegen een arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, schorst de tenuitvoerlegging.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 224, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1303. (Wanneer de echtscheiding is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, stuurt de griffier, binnen één maand, een uittreksel bevattende het beschikkende gedeelte (en de vermelding van de dag van het in kracht van gewijsde treden) van het vonnis of het arrest bij aangetekende zending met ontvangstbewijs aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het huwelijk voltrokken is of, wanneer het huwelijk niet in België voltrokken is, aan (de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel).) <W 1994-06-30/33, art. 42, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> <W 1997-05-20/47, art. 18, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  Ten aanzien van vonnissen, (gaat die termijn van één maand eerst in) na het verstrijken van de termijn van hoger beroep en ten aanzien van arresten, na het verstrijken van de termijn van voorziening in cassatie. <W 1994-06-30/33, art. 42, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  (lid 3 opgeheven) <W 1994-06-30/33, art. 42, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  (Binnen één maand na de ontvangst van het uittreksel van het vonnis of het arrest), schrijft de ambtenaar van de burgerlijke stand het beschikkend gedeelte over in zijn register; er wordt melding van gemaakt op de kant van de akte van huwelijk, indien deze in België is opgemaakt of overgeschreven.

  Art. 1304.<W 1994-06-30/33, art. 43, 026; Inwerkingtreding : 01-10-1994> Het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, heeft ten aanzien van derden eerst gevolg vanaf de dag waarop het is overgeschreven. (Ingeval een van de echtgenoten overlijdt voor de echtscheiding is overgeschreven maar nadat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten tegenover derden als uit de echt gescheiden beschouwd, onder de opschortende voorwaarde van overschrijving overeenkomstig artikel 1303.) <W 1997-05-20/47, art. 19, 033; Inwerkingtreding : 07-07-1997>
  Ten aanzien van de goederen van de echtgenoten heeft de beslissing echter gevolg [1 vanaf de neerlegging van het verzoekschrift]1.
  Ten aanzien van de persoon van de echtgenoten heeft de echtscheiding gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde gaat.
  ----------
  (1)<W 2014-05-08/02, art. 88, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Afdeling III. _ Scheiding van tafel en bed.

  Art. 1305. <W 2007-04-27/00, art. 37, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007> De vordering tot scheiding van tafel en bed wordt behandeld en gevonnist in dezelfde vormen als de vordering tot echtscheiding.
  De vordering tot echtscheiding kan te allen tijde worden omgezet in een vordering tot scheiding van tafel en bed.
  De vordering tot scheiding van tafel en bed kan te allen tijde worden omgezet in een vordering tot echtscheiding.

  Art. 1306. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 38, 1°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1307. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 38, 2°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1308. ( ... ) <W 14-7-1976, art. 32>

  Afdeling IV. - Omzetting van de scheiding van tafel en bed in echtscheiding. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 21, 2°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1309. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 38, 3°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Art. 1310. (Opgeheven) <W 2007-04-27/00, art. 38, 4°, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2007>

  Afdeling V. _ Scheiding van goederen.

  Art. 1311. Zodra een vordering tot scheiding van goederen op de rol is gebracht, schrijft de griffier onverwijld in een daartoe op de griffie gehouden register een uittreksel van de vordering in, dat bevat :
  1° de dagtekening van de vordering;
  2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de echtgenoten.
  Binnen een maand na het sluiten van het kalenderjaar maakt de griffier een alfabetische lijst op van de zaken die tijdens het verlopen jaar in het register zijn ingeschreven.

  Art. 1312. Hetzelfde uittreksel wordt op verzoek van de (eiser) opgenomen in het Belgisch Staatsblad. <W 14-7-1976, art. 33>
  Van de opneming wordt bewijs geleverd door een exemplaar van het blad waarop de bekendmaking voorkomt.

  Art. 1313. Behoudens de bewarende maatregelen, mag op de vordering tot scheiding geen vonnis worden uitgesproken dan een maand nadat voldaan is aan de voormelde vormvoorschriften, die moeten worden in acht genomen op straffe van nietigheid; deze kan worden ingeroepen door de (verweerder) of door zijn schuldeisers. <W 14-7-1976, art. 33>

  Art. 1314. <W 14-7-1976, art. 33> Zolang het eindvonnis niet gewezen is, kunnen de schuld-eisers van een der echtgenoten, hetzij in der minne, hetzij bij deurwaardersexploot, aan de eiser vragen om hun de vordering tot scheiding en de bewijsstukken mee te delen en zelfs in het geding tussenkomen.

  Art. 1315. De griffier maakt melding van het vonnis op de kant van de inschrijving, verplicht gesteld bij artikel 1311.
  In geval van verzet of hoger beroep wordt daarvan eveneens melding gemaakt op de kant van de voormelde inschrijving.

  Art. 1316.Op verzoek van (de eiser) wordt een uittreksel uit de (beslissing) van scheiding opgenomen in het Belgisch Staatsblad. <W 14-7-1976, art. 33>
  In dat uittreksel worden vermeld de dagtekening en het onderwerp van het vonnis, de [1 familierechtbank]1 die de beslissing heeft gewezen en de naam, de voornaam, de woonplaats en het beroep van de echtgenoten.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 225, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1317. (De eiser) kan, op straffe van nietigheid, de tenuitvoerlegging van de beslissing niet beginnen vóór de dag waarop voldaan is aan de formaliteiten die in de artikelen 1315 en 1316 zijn voorgeschreven. <W 14-7-1976, art. 33>

  Art. 1318. <W 14-7-1976, art. 33> Indien de formaliteiten die in deze afdeling worden voorgeschreven, in acht zijn genomen, zijn de schuldeisers van de verweerder niet meer ontvankelijk om, na de termijnen bepaald in de artikelen 1473 en 1474 van het Burgerlijk Wetboek, zich ertegen te verzetten dat de vereffening buiten hun aanwezigheid geschiedt en daarin op hun kosten tussen te komen of om tegen de vereffening op te komen wegens bedrieglijke benadeling van hun rechten.

  HOOFDSTUK XIbis. _ <W 14-7-1976, art. 34> Veranderlijkheid van huwelijksvoorwaarden.

  Art. 1319. (Opgeheven) <W 2008-07-18/44, art. 6, 098; Inwerkingtreding : 01-11-2008>

  Art. 1319bis. (Opgeheven) <W 2008-07-18/44, art. 6, 098; Inwerkingtreding : 01-11-2008>

  HOOFDSTUK XII. _ Uitkeringen tot levensonderhoud.

  Art. 1320.[1 De vorderingen tot toekenning, verhoging, verlaging of afschaffing van de uitkering tot levensonderhoud kunnen worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034bis tot 1034sexies.]1
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 13, 108; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>

  Art. 1321.[1 § 1. Behoudens akkoord van de partijen over het bedrag van de onderhoudsbijdrage in het belang van het kind, vermeldt elke rechterlijke beslissing die de onderhoudsbijdrage vaststelt op grond van artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek volgende elementen :
   1° de aard en het bedrag van de middelen van elk van de ouders door de [2 familierechtbank]2 in acht genomen op grond van artikel 203, § 2, van het Burgerlijk Wetboek;
   2° de gewone kosten waaruit het budget voor het kind is samengesteld alsook de manier waarop deze begroot zijn;
   3° de aard van de buitengewone kosten die in acht genomen kunnen worden, het deel van deze kosten dat elk van de ouders voor zijn rekening dient te nemen alsook de modaliteiten voor de aanwending van deze kosten;
   4° de verblijfsregeling van het kind en de bijdrage in natura van elk van de ouders in het levensonderhoud van het kind tengevolge van deze verblijfsregeling;
   5° het bedrag van de kinderbijslag en van de sociale en fiscale voordelen van alle aard die elk van de ouders voor het kind ontvangt;
   6° de inkomsten die elk van de ouders in voorkomend geval ontvangt uit het genot van de goederen van het kind;
   7° het aandeel van elk van de ouders in de tenlasteneming van de kosten voortvloeiende uit artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek en de daarop eventueel vastgestelde onderhoudsbijdrage, evenals de modaliteiten voor de aanpassing ervan op grond van artikel 203quater van het Burgerlijk Wetboek;
   8° de bijzondere omstandigheden van de zaak die in acht genomen zijn.
   § 2. De [2 familierechtbank]2 verduidelijkt :
   1° op welke manier [2 zij]2 de in § 1 bedoelde elementen in acht genomen heeft;
   2° bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, op welke manier [2 zij]2 de onderhoudsbijdrage en de modaliteiten voor de aanpassing ervan overeenkomstig artikel 203quater, § 2, van het Burgerlijk Wetboek heeft bepaald, ingeval [2 zij]2 afwijkt van de in artikel 1322, § 3, voorziene berekeningswijze.
   § 3. Het vonnis vermeldt de gegevens van de Dienst voor alimentatievorderingen, opgericht bij de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, en wijst op diens opdracht betreffende het toekennen van voorschotten op onderhoudsbijdragen en de invordering van verschuldigde onderhoudsbijdragen.]1
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 14, 108; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 226, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322.[1 § 1. Er wordt een commissie voor onderhoudsbijdragen opgericht die aanbevelingen opstelt voor de begroting van de kosten voortvloeiende uit artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek en de vaststelling van de bijdrage van elk van de ouders overeenkomstig artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek.
   Zij evalueert jaarlijks deze aanbevelingen en bezorgt een advies aan de minister van Justitie en de minister bevoegd voor de Gezinnen, vóór de 31ste januari van het jaar volgend op het voorbije burgerlijke jaar. De bevoegde minister voor de Gezinnen legt dit advies neer in de federale wetgevende Kamers, aangevuld met de bemerkingen van de in het voorgaande lid genoemde ministers.
   § 2. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de commissie die uit een gelijk aantal leden van elk geslacht bestaat.
   Hij verzoekt elk deelgebied dat betrokken is bij gezinszaken, deel te nemen aan de werkzaamheden van die commissie.
   § 3. De Koning kan een berekeningswijze opstellen om de toepassing van de in § 1 bedoelde aanbevelingen te vergemakkelijken.]1
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 15, 108; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>

  Art. 1322/1.[1 De beslissing die uitspraak doet over een uitkering tot onderhoud is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad, tenzij de [2 familierechtbank]2 hierover anders beslist op vraag van een van de partijen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-03-19/05, art. 16, 108; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  (2)<W 2013-07-30/23, art. 227, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  HOOFDSTUK XIIbis. [1 Verzoeken betreffende de grensoverschrijdende maatregelen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid en de bescherming van kinderen.]1
  ----------
  (1)<W 2013-11-27/13, art. 2, 134; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322bis.<W 2007-05-10/52, art. 6, 090; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Onverminderd de in artikel 1322decies bedoelde procedure, §§ 2 tot 7, worden volgende verzoeken bij de [1 familierechtbank]1 ingediend op de wijze omschreven in de artikelen 1034bis tot 1034quinquies :
  1° de verzoeken gegrond op het Europees Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen;
  2° de verzoeken gegrond op het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, die gericht zijn op de onmiddellijke terugkeer van het kind, de naleving van het recht van gezag of het omgangsrecht geldend in een andere Staat, dan wel op de regeling van het omgangsrecht;
  3° de verzoeken gegrond op het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, alsook op artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, die gericht zijn op het verkrijgen van de terugkeer van het kind, dan wel van het gezag over dit kind ingevolge een beslissing houdende de niet-terugkeer gewezen in een andere lidstaat van de Europese Unie met toepassing van voornoemde Verordening;
  4° de verzoeken gegrond op artikel 48 van de in 3° bedoelde Verordening met het oog op de bepaling van de modaliteiten van uitoefening van het omgangsrecht;
  [2 5° onverminderd § 2, de verzoeken gegrond op het Verdrag van 's-Gravengage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, die de erkenning, de niet-erkenning of de tenuitvoerlegging van een beschermingsmaatregel in een andere Verdragsluitende Staat beogen, zoals inzonderheid bedoeld in artikel 3 van voornoemd Verdrag.]2
  § 2. De verzoeken gegrond op [2 artikel 26 van het Verdrag van 's-Gravenhage bedoeld in § 1, 5°, die gericht zijn op het verkrijgen van de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen inzake het omgangsrecht en het recht om regelmatige rechtstreekse contacten te onderhouden en op]2 artikel 28 van de in § 1, 3°, bedoelde Verordening die gericht zijn op de verkrijging van de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissingen inzake omgangsrecht en terugkeer van het kind worden aanhangig gemaakt bij de [1 familierechtbank]1 volgens de in de artikelen 1025 tot 1034 bedoelde procedure.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 228, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie ook W 2014-05-08/02, art. 89, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2013-12-21/79, art. 2, 135; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322ter. <W 2007-05-10/52, art. 7, 090; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Onverminderd artikel 1322decies, wordt het verzoekschrift neergelegd bij of bij aangetekende brief toegezonden aan de griffie van de in artikel 633sexies bedoelde rechtbank van eerste aanleg.

  Art. 1322quater.(ingevoegd bij <W 1998-08-10/A2, art. 3, Inwerkingtreding : 04-05-1999>) De partijen worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om, binnen acht dagen te rekenen van de inschrijving van het verzoek op de algemene rol, te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. <W 2006-07-10/39, art. 15, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2015 (zie W 2012-12-31/01, art. 16)>
  In spoedeisende gevallen kan de [1 rechtbank]1 evenwel bij een beschikking toestaan om binnen een termijn van drie dagen ter terechtzitting te dagvaarden.
  
  (NOTA : gewijzigd door W 2006-07-10/39, art. 15, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2015 (zie W 2012-12-31/01, art. 16), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 229, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322quinquies.(ingevoegd bij <W 1998-08-10/A2, art. 3, Inwerkingtreding : 04-05-1999>) (Indien het verzoek wordt ingediend door toedoen van de Centrale Autoriteit aangewezen op grond van een van de Verdragen of de Verordening van de Raad bedoeld in artikel 1322bis, wordt het verzoekschrift ondertekend en aan de [1 familierechtbank]1 voorgelegd door het openbaar ministerie.) <W 2007-05-10/52, art. 8, 090; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  In geval van een belangenconflict in hoofde van deze wordt het verzoekschrift ondertekend en aan de [1 familierechtbank]1 voorgelegd door de advocaat aangewezen door de centrale autoriteit.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 230, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie ook W 2014-05-08/02, art. 90, 132; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322sexies.(ingevoegd bij <W 1998-08-10/A2, art. 3, Inwerkingtreding : 04-05-1999>) De [1 familierechtbank]1 doet in de zaken bedoeld in artikel 1322bis uitspraak zoals in kort geding.
  (Geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen een in België gewezen beslissing houdende de niet-terugkeer op grond van artikel 11, 6, van de in artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad.
  Geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen een beslissing houdende bepaling van de maatregelen tot bescherming op grond van artikel 11, 4, van de in artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad.
  Geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend tegen [1 een vonnis gewezen door de familierechtbank]1 op grond van artikel 1322decies, § 5.) <W 2007-05-10/52, art. 9, 090; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 231, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322septies. (ingevoegd bij <W 1998-08-10/A2, art. 3, Inwerkingtreding : 04-05-1999>) De artikelen 1038 tot 1041 zijn toepasselijk behalve wat het bepaalde in artikel 1039 betreft dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf.

  Art. 1322octies. (ingevoegd bij <W 1998-08-10/A2, art. 3, Inwerkingtreding : 04-05-1999>) Wat de toepassing van dit hoofdstuk betreft, kan de verweerder zelf geen tegenvordering instellen.

  Art. 1322nonies.<Ingevoegd bij W 2007-05-10/52, art. 10; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. De beslissing houdende de niet-terugkeer van het kind, gewezen in België op grond van het Verdrag van 's-Gravenhage [1 van 25 oktober 1980]1 en van de in artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad, alsook de stukken die als bijlage gaan, welke overeenkomstig artikel 11, 6, van bedoelde Verordening moeten worden toegezonden aan het bevoegde gerecht of aan de Centrale Autoriteit van de lidstaat waarin het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of de ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, worden door de griffier binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de datum van de uitspraak toegezonden aan de Belgische Centrale Autoriteit.
  § 2. Enkel deze Centrale Autoriteit is gemachtigd om de overzending van de stukken aan de bevoegde overheden van de verzoekende Staat te waarborgen.
  ----------
  (1)<W 2013-11-27/13, art. 3, 134; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322decies.<Ingevoegd bij W 2007-05-10/52, art. 11; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. De beslissing houdende de niet-terugkeer van het kind, gewezen in het buitenland, alsook de documenten die als bijlage gaan, toegezonden aan de Belgische Centrale Autoriteit overeenkomstig artikel 11, 6, van de in artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad, worden bij ter post aangetekende brief toegezonden aan de griffier van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kind onmiddellijk voor zijn ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had.
  § 2. Vanaf de ontvangst van de stukken en uiterlijk binnen drie werkdagen brengt de griffier de informatie bedoeld in artikel 11, 7, van de in § 1 bedoelde Verordening van de Raad bij gerechtsbrief ter kennis aan de partijen en aan het openbaar ministerie. De gerechtsbrief bevat de volgende vermeldingen :
  1° de tekst van artikel 11 van de in artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad;
  2° een verzoek aan de partijen om de conclusies binnen drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving bij de griffie neer te leggen. Deze neerlegging maakt het geschil aanhangig bij de [1 familierechtbank]1.
  § 3. Indien ten minste een van de partijen conclusies neerlegt, roept de griffier de partijen onmiddellijk op voor de eerste dienstige terechtzitting.
  § 4. De aanhangigmaking bij de [1 familierechtbank]1 leidt tot de opschorting van de procedures ingesteld voor de hoven en rechtbanken waarbij een geschil inzake ouderlijke verantwoordelijkheid of een daarmee samenhangend geschil aanhangig is gemaakt.
  § 5. Ingeval de partijen binnen de termijn omschreven in § 2, 2°, geen opmerkingen naar voren brengen, wijst de [1 familierechtbank]1 een beschikking waarin zulks wordt vastgesteld. De griffier brengt die beschikking ter kennis van de partijen, van de Centrale Autoriteit en van het openbaar ministerie.
  § 6. De beslissing gewezen over het gezag over het kind op grond van artikel 11, 8, van de in § 1 bedoelde Verordening van de Raad, kan op verzoek van een van de partijen tevens betrekking hebben op het omgangsrecht, ingeval in de beslissing de terugkeer van het kind naar België zou worden bevolen.
  § 7. De griffier brengt de in § 6 bedoelde beslissing bij gerechtsbrief ter kennis van de partijen, van het openbaar ministerie en van de Belgische Centrale Autoriteit.
  § 8. Enkel de Belgische Centrale Autoriteit is gemachtigd om de overzending te waarborgen van de beslissing en van de stukken die als bijlage gaan aan de bevoegde overheden van de Staat waarin de beslissing houdende de niet-terugkeer werd gewezen.
  § 9. Voor de toepassing van artikel 11, 7 en 8, van de in § 1 bedoelde Verordening van de Raad, wordt het kind gehoord overeenkomstig artikel 42, 2, a), van bovengenoemde Verordening en Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 232, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322undecies.<Ingevoegd bij W 2007-05-10/52, art. 12; Inwerkingtreding : 01-07-2007> In de beslissing waarin de terugkeer van het kind wordt bevolen op grond van artikel 12 van het Verdrag van 's-Gravenhage [2 van 25 oktober 1980]2 of van artikel 11, 8, van de Verordening van de Raad bedoeld in artikel 1322bis, 3°, bepaalt de [1 familierechtbank]1 de nadere regels betreffende de tenuitvoerlegging van zijn beslissing, rekening houdend met het belang van het kind, en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de deurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging ervan.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 233, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
  (2)<W 2013-12-21/79, art. 3, 135; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322duodecies.<Ingevoegd bij W 2007-05-10/52, art. 13; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Voor de toepassing van artikel 11, 4, van de in artikel 1322bis, 3°, bedoelde Verordening van de Raad, maakt het openbaar ministerie, op vraag van de Belgische Centrale Autoriteit, de zaak aanhangig bij de [1 familierechtbank]1 van de plaats waar het kind voor zijn ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had.
  § 2. De beslissing gewezen door de [1 familierechtbank]1 en de documenten die als bijlage gaan moeten binnen drie werkdagen te rekenen vanaf de uitspraak aan de Belgische Centrale Autoriteit worden toegezonden.
  § 3. Enkel deze Centrale Autoriteit is gemachtigd om de overzending van de stukken aan de bevoegde overheden van de verzoekende Staat te waarborgen.
  ----------
  (1)<W 2013-07-30/23, art. 234, 130; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322terdecies.[1 Voor de toepassing van de bepalingen van een van de verdragen of van de Verordening van de Raad bedoeld in artikel 1322bis, is de Federale Overheidsdienst Justitie de Centrale Autoriteit.]1
  ----------
  (1)<W 2013-11-27/13, art. 4, 134; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 1322quaterdecies.<Ingevoegd bij W 2007-05-10/52, art. 15; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Met het oog op de toepassing [1 van artikel 33 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen en]1 van de artikelen 55, d) en 56, 1 tot 3, van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/ 2000, zendt de Belgische Centrale Autoriteit, te weten de Federale Overheidsdienst Justitie, de verzoeken die haar zijn bezorgd door het gerecht van een andere lidstaat over aan de bevoegde gemeenschapsinstantie.
  § 2. Met het oog op de toepassing van artikel 56, 4, van de in § 1 bedoelde Verordening, zendt de Belgische Centrale Autoriteit de informatie die haar is bezorgd door het gerecht van een andere lidstaat over aan de bevoegde gemeenschapsinstantie.
  ----------
  (1)<W 2013-11-27/13, art. 5, 134; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  HOOFDSTUK XIII. _ Hoger bod op vrijwillige vervreemding.

  Art. 1323. De akte waarbij veiling wordt gevorderd, op grond van artikel 115 van de wet van 16 december 1851, bevat dagvaarding op twee dagen vóór de beslagrechter voor uitspraak over de geldigheid van het hoger bod.
  Geen vonnis van voeging wordt gewezen en niet-verschenen personen worden niet opnieuw gedagvaard.

  Art. 1324. Indien een van de voorwaarden die voor de vordering gesteld zijn, niet is vervuld, wordt het hoger bod nietig verklaard en de koper gehandhaafd, tenzij andere schuldeisers een hoger bod hebben gedaan.

  Art. 1325. Het vonnis van geldigverklaring van het hoger bod wijst de notaris aan die de verkoop moet doen en bepaalt het tijdstip ervan. De verkoop geschiedt volgens de oorspronkelijke voorwaarden of volgens nieuwe veilingsvoorwaarden, in onderlinge overeenstemming vastgesteld door degene die een bod doet tot verhoging van de prijs en de belanghebbende partijen.

  Art. 1326.[1 De openbare verkopingen vermeld in artikel 1621 brengen, ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers die op geldige wijze bij de toewijzing zijn opgeroepen, van rechtswege overwijzing mede van de prijs. Deze verkopingen zijn ten aanzien van deze schuldeisers niet onderworpen aan de formaliteiten van het hoger bod, bepaald bij artikel 115 van de wet van 16 december 1851.
   Hetzelfde geldt voor :
   - de verkopingen uit de hand, gemachtigd overeenkomstig de artikelen 1193bis, 1193ter, 1580bis en 1580ter, ten aanzien van de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers die overeenkomstig deze bepalingen tijdens de procedure van machtiging werden gehoord of behoorlijk werden opgeroepen;
   - de verkopingen uit de hand verricht met toepassing van de artikelen 1209, § 3, 1214, § 1, tweede lid, en 1224, § 1, waarbij de verkopende partij zich vrijwillig onderworpen heeft aan de procedure van machtiging bedoeld in artikel 1193bis en, in dit geval, ten aanzien van de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers die op grond van deze bepaling tijdens deze procedure werden gehoord of behoorlijk werden opgeroepen.]1
  ----------
  (1)<W 2011-08-13/17, art. 6, 114; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 1327. Wanneer een vordering tot geldigverklaring van het hoger bod ingeleid is overeenkomstig artikel 1323, heeft elk van de ingeschreven schuldeisers het recht om zich overeenkomstig artikel 1609 in de plaats te doen stellen van de vervolger, indien degene die een bod doet tot verhoging van de prijs of de nieuwe eigenaar niet binnen een maand na het hoger bod gevolg geeft aan de rechtspleging.
  In geval van hoger bod zijn de artikelen 1610 en 1611 mede van toepassing.

  Art. 1328. Met het oog op de herverkoop ten gevolge van hoger bod, als bepaald bij artikel 117 van de wet van 16 december 1851, doet de notaris die is aangesteld bij het vonnis dat overeenkomstig artikel 1325 is gewezen, aanplakbiljetten drukken, die bevatten:
  1° de dagtekening en de aard van de akte van vervreemding waarop het hoger bod is gedaan, en de naam van de notaris voor wie zij is verleden;
  2° de prijs die in de akte is vermeld indien het een verkoop betreft, of de waardering van de onroerende goederen, zoals die voorkomt in de kennisgeving aan de ingeschreven schuldeisers, indien het enige andere akte betreft;
  3° het bedrag van het hoger bod;
  4° de naam, de voornaam en de woonplaats van de vorige eigenaar;
  5° een beknopte aanduiding van de aard en de ligging der vervreemde goederen en hun omvang volgens de kadastrale legger;
  6° de plaats, de dag en het uur van de toepassing.
  Deze aanplakbiljetten worden ten minste tien dagen vóór de toewijzing aangebracht aan de hoofdingang van de tekoopgestelde onroerende goederen en aan de deur van de notaris die met de verkoop belast is.
  Binnen dezelfde termijn worden de hierboven opgesomde vermeldingen opgenomen in een nieuwsblad van de hoofdplaats van het arrondissement of van de hoofdplaats van de provincie.
  Deze bekendmaking geschiedt ten minste tweemaal binnen de tien dagen die aan de toewijzing voorafgaan.

  Art. 1329. Ten minste tien dagen vóór de toewijzing worden de vorige en de nieuwe eigenaar aangemaand om op de bepaalde plaats, dag en uur bij de toewijzing tegenwoordig te zijn.
  Gelijke aanmaning wordt gedaan aan de schuldeiser die een bod heeft gedaan tot verhoging van de prijs, indien de nieuwe eigenaar of een andere schuldeiser de vervolging instelt. Binnen dezelfde termijn worden de veilingsvoorwaarden en de akte van vervreemding die als minuut van de veiling geldt, neergelegd op het kantoor van de notaris.
  De prijs die in de akte vermeld is of de verklaarde waarde en het bedrag van het hoger bod dienen als inzet.
  Het publiek mag aan de toewijzing deelnemen.

  Art. 1330. De ingeschreven schuldeisers worden eveneens voor de toewijzing opgeroepen binnen de termijn die voor de dagvaardingen is bepaald.

  Art. 1331. Degene die een bod doet tot verhoging van de prijs, zelfs in geval van indeplaatsstelling van de vervolger, wordt koper verklaard, indien er zich geen andere bieder aanmeldt op de dag die voor de toewijzing is gesteld.
  Op het hoger bod zijn van toepassing de artikelen 1585, 1586, 1589, 1591, 1595 en 1599 alsook de artikelen 1600 tot 1606 betreffende het in gebreke blijven van de koper.
  De vormen, bij de artikelen 1323, 1328, 1329 en 1330 voorgeschreven, worden in acht genomen op straffe van nietigheid.
  De nietigheden moeten, op straffe van verval, worden voorgedragen op de volgende tijdstippen : die betreffende de verklaring van hoger bod; die betreffende de vormen van de tekoopstelling, ten minste acht dagen voor de toewijzing. Over de eerstgenoemde wordt recht gedaan bij het vonnis over de geldigheid van het hoger bod, en over de andere vóór de dag van de toewijzing, met voorrang boven alle andere zaken.
  Geen enkel vonnis of arrest bij verstek inzake hoger bod op vrijwillige vervreemding is vatbaar voor verzet. Alleen tegen de vonnissen over de nietigheden die vóór de geldigverklaring van het hoger bod bestonden, en tegen de vonnissen over de vordering tot indeplaatsstelling wegens heimelijke verstandhouding of bedrog staat hoger beroep open.
  Bij de toewijzing ten gevolge van een hoger bod op vrijwillige vervreemding kan geen ander hoger bod worden gedaan, behoudens evenwel de bepaling van artikel 1600 ingeval de koper in gebreke blijft. De koper kan geen lastgever aanwijzen dan op voorwaarde dat hij daarvan een verklaring aflegt voor de optredende notaris, of hem die betekent ten laatste op de eerste werkdag die volgt op de toewijzing.

  Art. 1332. De gevolgen van die toewijzing worden ten aanzien van de verkoper en de koper geregeld in artikel 1599.
  De vorderingen tot nietigverklaring moeten, op straffe van verval, worden ingesteld binnen vijftien dagen na de verkoop, die overeenkomstig artikel 1 van de wet van 16 december 1851, moet worden overgeschreven.

  HOOFDSTUK XIV. _ Uitstel van betaling.

  Art. 1333. In de gevallen waarin de rechtbanken uitstel kunnen verlenen voor het ten uitvoer leggen van hun beslissingen, doen zij dit in het vonnis zelf dat uitspraak doet over het geschil dat voor hen aanhangig is.
  Voor de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten kan geen uitstel worden verleend na de uitspraak.

  Art. 1334. Wanneer de tenuitvoerlegging of het beslag plaatshebben krachtens een andere authentieke akte dan een vonnis, moet de aanvraag tot het verkrijgen van uitstel bedoeld in artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, op straffe van verval gedaan worden binnen vijftien dagen te rekenen van het bevel of, indien er geen reden tot bevel was, van de betekening van de eerste akte van beslag aan de schuldenaar.

  Art. 1335. Vrijwillige of gedwongen onderbreking van de vervolgingen door de schuldeiser gedurende een hoofdvordering tot het verkrijgen van uitstel van betaling brengt voor hem geen verval teweeg; hij zal bij het hervatten van die vervolgingen beschikken over een nieuwe termijn, gelijk aan de gehele termijn waarover hij aanvankelijk beschikte vóor de vervolgingen.

  Art. 1336. Tegen de beslissing waarbij een aanvraag om uitstel van betaling wordt afgewezen, kan de schuldenaar geen verzet doen; hoger beroep wordt op een bepaalde dag ingesteld voor de rechter in hoger beroep, zoals voorgeschreven is in artikel 1063. Deze doet uitspraak binnen twee maanden.

  Art. 1337. De schuldenaar kan geen uitstel van betaling verkrijgen of het hem verleende uitstel kan hem niet ten goede komen, indien zijn goederen op verzoek van andere schuldeisers verkocht worden, indien hij zich in staat van faillissement of in staat van kennelijk onvermogen bevindt, indien hij voortvluchtig is, indien hij de zekerheid waartoe hij gehouden was jegens zijn schuldeiser, niet heeft gesteld of ze verminderd heeft.

  HOOFDSTUK XIVbis. _ (Toestaan van betalingsfaciliteiten inzake consumentenkrediet.) <W 1991-06-12/30, art. 114, § 5, 016; Inwerkingtreding : uiterlijk op 09-07-1991, op een datum door de Koning te bepalen.>

  Art. 1337bis. <Ingevoegd bij W 1991-06-12/30, art.114, § 5, 016; Inwerkingtreding : 09-07-1992> De vordering tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten, bedoeld bij artikel 38 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, kan worden ingesteld voor de vrederechter, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie of bij ter post aangetekende brief aan de griffier, behoudens wanneer een vordering betreffende de kredietovereenkomst zoals bedoeld door hoger vernoemde wet bij de rechter ten gronde aanhangig werd gemaakt.
  Deze rechtspleging kan slechts ingeleid worden nadat de schuldeiser geweigerd heeft de betalingsfaciliteiten toe te staan aan de schuldenaar welke deze laatste aangevraagd heeft bij een ter post aangetekende brief met de vermelding van de redenen ervan.
  Na afloop van een termijn van één maand die een aanvang neemt op de datum van afgifte van de ter post aangetekende brief bedoeld in het vorig lid wordt het stilzwijgen van de schuldeiser beschouwd als een beslissing tot weigering.

  Art. 1337ter. <Ingevoegd bij W 1991-06-12/30, art.114, § 5, 016; Inwerkingtreding : 09-07-1992> § 1. (Het verzoekschrift vermeldt :) <W 2003-03-24/40, art. 79, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  1°) de dag, de maand en het jaar;
  2°) de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker en, desgevallend, de naam, voornaam, woonplaats, en hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;
  3°) de naam, de voornaam en de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de persoon tegen wie de vordering wordt ingesteld of, indien de vordering tegen een rechtspersoon wordt ingesteld, de maatschappelijke of administratieve zetel;
  4°) het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
  5°) de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
  § 2. Het verzoekschrift moet eveneens de vermelding bevatten dat geen vordering betreffende de overeenkomst waarop de gevraagde betalingsfaciliteiten betrekking hebben, aanhangig werd gemaakt bij de rechter ten gronde.
  (Bij het verzoekschrift wordt een afschrift van de kredietovereenkomst gevoegd.) <W 2003-03-24/40, art. 79, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 3. Van het verzoekschrift worden zoveel exemplaren neergelegd als er partijen in het geding zijn.

  Art. 1337quater. <W 2003-03-24/40, art. 80, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Als de vermeldingen en bijlagen bedoeld in artikel 1337ter onvolledig zijn, vraagt de rechter binnen acht dagen aan de verzoeker om zijn verzoekschrift aan te vullen.

  Art. 1337quinquies.<Ingevoegd bij W 1991-06-12/30, art.114, § 5, 016; Inwerkingtreding : 09-07-1992> Nadat het verzoekschrift op de algemene rol is ingeschreven, roept de griffier de partijen bij gerechtsbrief op om te verschijnen op de terechtzitting die door de rechter is bepaald.
  Een afschrift van het verzoekschrift en van de stukken ter staving worden gevoegd bij de oproeping van de andere partijen dan de verzoeker.
  Is de kredietgever niet een van de opgeroepen partijen, dan kan hij derdenverzet doen.
  
  (NOTA : gewijzigd door W 2006-07-10/39, art. 15, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016

  Art. 1337sexies. <Ingevoegd bij W 1991-06-12/30, art.114, § 5, 016; Inwerkingtreding : 09-07-1992> Wanneer het toestaan van betalingsfaciliteiten een verhoging van de kosten van de kredietovereenkomst met zich brengt, bepaalt de rechter het deel dat ten laste valt van de verzoeker.

  Art. 1337septies. <Ingevoegd bij W 1991-06-12/30, art.114, § 5, 016; Inwerkingtreding : 09-07-1992> Het voordeel van de betalingsfaciliteiten vervalt indien de verzoeker de opgelegde termijnen en de betalingswijzen niet naleeft.

  Art. 1337octies. <W 2003-03-24/40, art. 81, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling.
  De griffier zendt een voor eensluidend verklaard afschrift van ieder vonnis waarbij betalingsfaciliteiten werden toegestaan of geweigerd aan de Nationale Bank van België.

  HOOFDSTUK XV. _ Summiere rechtspleging om betaling te bevelen.

  Art. 1338.<W 29-11-1979, art. 3> Elke vordering behorende tot de bevoegdheid van de vrederechter en strekkende tot betaling van een vaststaande schuld die een geldsom tot voorwerp heeft waarvan het bedrag (((1.860 EUR))) niet te boven gaat, kan worden ingesteld, behandeld en berecht overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, (indien zij voor hem gestaafd lijkt te zijn door een geschrift dat van de schuldenaar uitgaat.) <W 1987-07-29/32, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 1-10-1987> <W 1992-08-03/31, art. 58, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <KB 2000-07-20/58, art. 2, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (Het geschrift waarop de vordering gegrond is hoeft niet noodzakelijk een erkenning van de schuld te zijn.) <W 1987-07-29/32, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 1-10-1987>
  [1 Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op elke vordering die behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel wanneer deze rechtbank kennis neemt van de in artikel 573 bedoelde geschillen [2 ongeacht het bedrag van de vordering]2 .]1
  (Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op elke vordering behorende tot de bevoegdheid van de politierechtbank wanneer deze rechtbank kennis neemt van de geschillen bedoeld in artikel 601bis.) <W 1994-07-11/33, art. 40, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  ----------
  (1)<W 2014-03-26/33, art. 9, 128; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<W 2014-12-19/24, art. 32, 137; Inwerkingtreding : 08-01-2015>

  Art. 1339. Het verzoekschrift wordt voorafgegaan door een aanmaning tot betalen die hetzij aan de schuldenaar wordt betekend bij deurwaardersexploot, hetzij aangezegd bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
  De brief of het exploot moet, buiten de weergave van de artikelen van dit hoofdstuk, vermelden : de aanmaning om te betalen binnen vijftien dagen na de verzending van de brief of na de betekening, het gevorderde bedrag en de rechter voor wie, bij niet-betaling door de schuldenaar, de vordering zal worden aanhangig gemaakt.
  Een en ander op straffe van nietigheid.

  Art. 1340. Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn die in artikel 1339 is bepaald, wordt de vordering bij een verzoekschrift in tweevoud aan de rechter gezonden. Het bevat:
  1° de vermelding van de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de verzoeker, alsmede in voorkomend geval de naam, de voornaam, de woonplaats en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;
  3° (het onderwerp van de vordering en een nauwkeurige opgave van het geëiste bedrag met een specificatie van de bestanddelen van de schuldvordering alsmede van de gronden waarop deze berust); <W 1987-07-29/32, art. 2,1.,009; Inwerkingtreding : 1-10-1987>
  4° de aanwijzing van de rechter die van de zaak kennis moet nemen;
  5° de handtekening van de advocaat van de partij.
  Indien de verzoeker het geraden acht, geeft hij de redenen op waarom hij zich tegen het verlenen van (uitstel van betaling) verzet. <W 1987-07-29/32, art. 2,2.; 009; Inwerkingtreding : 1-10-1987>
  (Bij het verzoekschrift worden gevoegd :
  1° de fotocopie van het geschrift waarop de vordering gegrond is;
  2° ofwel het exploot, ofwel het afschrift van de aangetekende brief waarbij het ontvangstbewijs wordt gevoegd, ofwel het origineel van die brief waarbij het bewijs wordt gevoegd dat de geadresseerde de brief geweigerd of niet bij de post afgehaald heeft en een verklaring waaruit blijkt dat de schuldenaar is ingeschreven op het adres dat in het bevolkingsregister is vermeld.) <W 1987-07-29/32, art. 2,3., 009; Inwerkingtreding : 1-10-1987>

  Art. 1341. Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd, op zijn datum voor gezien getekend door de griffier en in een daartoe gehouden register ingeschreven. Het wordt bij het dossier van de rechtspleging gevoegd evenals iedere eventuele mededeling van de schuldenaar aan de rechter.
  Het kan door de advocaat ook bij brief aan de griffier worden gezonden.

  Art. 1342. <W 1987-07-29/32, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 1-10-1987> Binnen vijftien dagen na de indiening van het verzoekschrift willigt de rechter het verzoek in of wijst hij het af bij een in raadkamer te geven beschikking. Hij kan het gedeeltelijk inwilligen. Hij kan ook uitstel van betaling verlenen, zoals bepaald is in hoofdstuk XIV van dit boek.
  Een afschrift van de beschikking wordt bij gewone brief aan de advokaat van de verzoeker gezonden.

  Art. 1343. <W 1987-07-29/32, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 1-10-1987> § 1. Wanneer de rechter het verzoekschrift geheel of gedeeltelijk inwilligt, heeft zijn beschikking de gevolgen van een verstekvonnis.
  § 2. De akte van betekening van deze beschikking bevat op straffe van nietigheid buiten een afschrift van het verzoekschrift, de vermelding van de termijn waarbinnen door de schuldenaar verzet kan worden aangetekend, van de rechter voor wie dit verzet moet worden gedaan, alsmede de hiertoe in acht te nemen vormen.
  Tevens op straffe van nietigheid wordt de schuldenaar bij de akte van betekening verwittigd dat hij, als hij binnen de gestelde termijn geen verhaal instelt, door alle wettelijke middelen kan worden genoodzaakt de geëiste geldsommen te betalen.
  § 3. Tegen die beschikking waarbij bevel tot betaling wordt gegeven kan de schuldenaar verzet of hoger beroep instellen overeenkomstig de bepalingen van boek III, titels II en III van dit deel.
  In afwijking van artikel 1047 kan het verzet worden gedaan bij een verzoekschrift dat bij de griffie van het gerecht in zoveel exemplaren als er betrokken partijen en advocaten zijn wordt ingediend, en door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan de schuldeiser en aan zijn advocaat.
  Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid :
  1° de dag, de maand en het jaar;
  2° de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van hem die verzet doet;
  3° de naam, de voornaam en de woonplaats van de schuldeisers en de naam van zijn advocaat;
  4° de bestreden beschikking;
  5° de middelen van de verzetdoende partij.
  De partijen worden door de griffier opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting die de rechter heeft vastgesteld.
  § 4. Wordt het verzoek waarin artikel 1340 voorziet afgewezen, dan kan de vordering langs de gewone weg worden ingesteld.
  Tegen de beschikking waarbij het verzoek, overeenkomstig artikel 1342, eerste lid, gedeeltelijk wordt ingewilligd, kan de verzoeker geen verzet of hoger beroep instellen, maar hij kan de beschikking niet betekenen en de vordering voor het geheel langs de gewone weg instellen.

  Art. 1344. De in dit hoofdstuk gestelde regels zijn slechts van toepassing indien de schuldenaar zijn woon- of verblijfplaats heeft in België.

  HOOFDSTUK XVbis. - <W 1998-11-30/33, art. 2; Inwerkingtreding : 11-01-1999> (Rechtspleging inzake huur van goederen en inzake uithuiszetting).

  Art. 1344bis. <W 29-12-1983, art. 9> Onder voorbehoud van de bepalingen omtrent de pacht kan elke vordering inzake de huur van goederen worden ingeleid bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het vredegerecht.
  Het verzoekschrift vermeld, op straffe van nietigheid :
  1. de dag, de maand en het jaar;
  2. de naam, de voornaam het beroep en de woonplaats van de verzoeker;
  3. de naam, de voornaam en de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de persoon tegen wie de vordering is ingesteld.
  4. het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
  5. de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
  Een getuigschrift van de woonplaats van de onder 3 vermelde persoon wordt bij het verzoekschrift gevoegd. (...) Het getuigschrift wordt afgegeven door het gemeentebestuur. <W 1992-08-03/31, art. 59, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De partijen worden door de griffier per gerechtsbrief opgeroepen om binnen vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift op de algemene rol, te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. Bij de oproeping wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd.

  Art. 1344ter.<Ingevoegd bij W 1998-11-30/33, art. 3; Inwerkingtreding : 11-01-1999> § 1. Dit artikel is van toepassing op elke vordering ingeleid bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning waarbij de uithuiszetting wordt gevorderd van een natuurlijk persoon die een huurovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in afdeling II of afdeling IIbis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het Burgerlijk Wetboek, uit een goed dat blijkens de inleidende akte de huurder tot woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, tot verblijfplaats dient.
  § 2. Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij verzoekschrift of bij vrijwillige verschijning, zendt de griffier, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de inschrijving op de algemene rol van de vordering tot uithuiszetting, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van het verzoekschrift naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, van de verblijfplaats van de huurder.
  § 3. Wanneer de vordering aanhangig wordt gemaakt bij dagvaarding, zendt de gerechtsdeurwaarder, behoudens verzet van de huurder zoals bepaald in § 4, na een termijn van vier dagen na de betekening van het exploot, via enige vorm van telecommunicatie, te bevestigen bij gewone brief, een afschrift van de dagvaarding naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, van de verblijfplaats van de huurder.
  § 4. De huurder kan in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning of bij de griffie binnen een termijn van twee dagen na de oproeping bij gerechtsbrief, of bij de gerechtsdeurwaarder binnen een termijn van twee dagen na de betekening, zijn verzet kenbaar maken tegen de mededeling aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van het afschrift van de inleidende akte.
  Het verzoekschrift of de dagvaarding vermeldt de tekst van het vorige lid.
  § 5. Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn biedt, op de meest aangewezen wijze, aan om, binnen zijn wettelijke opdracht, hulp te bieden.
  
  (NOTA : gewijzigd door W 2006-07-10/39, art. 15, 079; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 20), opgeheven zichzelf door art. 176, 9° van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016

  Art. 1344quater. <Ingevoegd bij W 1998-11-30/33, art. 4; Inwerkingtreding : 11-01-1999> De uithuiszetting, bedoeld in artikel 1344ter, § 1, kan in ieder geval niet ten uitvoer worden gelegd dan na verloop van een termijn van één maand na de betekening van het vonnis, tenzij de verhuurder het bewijs levert dat het goed verlaten is, tenzij partijen een andere termijn overeenkwamen en dit akkoord in het vonnis werd opgenomen of tenzij de rechter op verzoek van de huurder of de verhuurder die het bewijs levert van uitzonderlijk ernstige omstandigheden, onder meer de mogelijkheden van de huurder om opnieuw gehuisvest te worden in dusdanige omstandigheden dat geen afbreuk wordt gedaan aan de eenheid, de financiële middelen en de behoeften van het gezin en dit in het bijzonder gedurende de winterperiode, deze termijn verlengt of inkort. In dit laatste geval stelt de rechter, rekening houdend met de belangen van de twee partijen en onder de voorwaarden die hij bepaalt, de termijn vast gedurende welke de uithuiszetting niet kan worden uitgevoerd.
  De gerechtsdeurwaarder moet de huurder of de bewoners van het goed in ieder geval ten minste vijf werkdagen van tevoren op de hoogte brengen van de werkelijke datum van de uithuiszetting

  Art. 1344quinquies. <Ingevoegd bij W 1998-11-30/33, art. 5; Inwerkingtreding : 11-01-1999> Bij de betekening van een vonnis tot uithuiszetting, als bedoeld in artikel 1344ter, § 1, deelt de gerechtsdeurwaarder aan de persoon mee dat de goederen, die zich na verloop van de wettelijke of van de door de rechter bepaalde termijn nog in de woning zouden bevinden, op zijn kosten op de openbare weg zuilen worden gezet en, wanneer zij de openbare weg belemmeren en de eigenaar van de goederen of zijn rechtverkrijgenden die daar achterlaat, door het gemeentebestuur eveneens op zijn kosten zullen worden weggehaald en gedurende een termijn van zes maanden zullen worden bewaard tenzij het gaat om goederen die aan snel bederf onderhevig zijn of schadelijk zijn voor de openbare hygiëne, gezondheid of veiligheid. De gerechtsdeurwaarder bevestigt deze mededeling in het exploot van betekening.

  Art. 1344sexies. <Ingevoegd bij W 1998-11-30/33, art. 6; Inwerkingtreding : 11-01-1999> § 1. Bij de betekening van elk ander vonnis tot uithuiszetting dan bedoeld in artikel 1344quinquies, zendt de gerechtsdeurwaarder, behoudens verzet zoals bepaald in § 2, na een termijn van vier dagen na de betekening van het vonnis, bij gewone brief, een afschrift van het vonnis naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de plaats waar het goed gelegen is.
  § 2. De persoon wiens uithuiszetting is bevolen kan, binnen een termijn van twee dagen vanaf de betekening van het vonnis, bij de gerechtsdeurwaarder zijn verzet kenbaar maken tegen de mededeling van het vonnis aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.
  Het exploot vermeldt de tekst van het vorige lid.
  § 3. Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn biedt, op de meest aangewezen wijze, aan om, binnen zijn wettelijke opdracht, hulp te bieden.

  Art. 1344septies. <W 2008-06-18/34, art. 2, 096; Inwerkingtreding : 24-07-2008; zie ook art. 4> Dit artikel is van toepassing op elke hoofdvordering ingeleid bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning betreffende de huur van woningen.
  Onverminderd het bepaalde in de artikelen 731, eerste lid, 732 en 733 poogt de rechter de partijen te verzoenen.
  Indien de partijen niet tot verzoening komen of in geval van verstek, wordt de procedure ten gronde behandeld. Het vonnis vermeldt dat de partijen niet tot verzoening kwamen

  HOOFDSTUK XVI. - Rechtspleging inzake pacht, (recht van voorkoop en uitgesteld loon in land- en tuinbouw) <W 28-12-1967, art. 7>.

  Art. 1345. (Inzake pacht, recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen (recht van uitweg) en tenzij bij tussenvordering, inzake uitgesteld loon in land- en tuinbouw) wordt geen enkele rechtsvordering toegelaten, indien de eiser niet tevoren aan de rechter een schriftelijk of mondeling verzoek heeft gedaan om de toekomstige verweerder ter minnelijke schikking te doen oproepen. De griffie stelt van die vordering proces-verbaal op. Binnen acht dagen na het verzoek roept de rechter de partijen op ter minnelijke schikking; van het verschijnen wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien overeenkomst wordt bereikt, worden de bewoordingen ervan vastgesteld in het proces-verbaal en de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging.<W 28-12-1967, art. 8> <W 1-3-1978, art 2>
  Wat de termijnen betreft, die bij de wet verleend worden, heeft het verzoek, ingediend zoals hiervoren wordt gezegd, de gevolgen van een gerechtelijke dagvaarding, mits deze wordt uitgebracht binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de partijen niet tot een minnelijke schikking zijn gekomen.
  Gedurende deze voorafgaande poging tot minnelijke schikking kan de rechter, op eigen initiatief of op verzoek van partijen, het advies inwinnen van een technisch adviseur.
  De bezoldiging van de door de rechter aangewezen technische adviseur wordt vastgesteld volgens een tarief bepaald door de Koning. Zij komt voor de helft ten laste van elke partij, behalve dat zij bij gebreke van minnelijke schikking en in geval van geschil, op verzoek van de winnende partij ten laste wordt gebracht van de verliezende partij, onverminderd artikel 1017.

  HOOFDSTUK XVII. _ Aanneming van de borg.

  Art. 1346. Het vonnis dat beveelt borg te stellen, bepaalt de termijn waarbinnen hij wordt aangeboden, en die waarbinnen hij wordt aangenomen of betwist.

  Art. 1347. De borg wordt aangeboden bij een aan de partij betekend exploot, samen met een afschrift van de akte van bewaargeving ter griffie, van de titels waaruit de gegoedheid van de borg blijkt, behalve wanneer de wet niet eist dat de gegoedheid door middel van titels wordt vastgesteld.
  De partij kan ter griffie inzage nemen van de titels.

  Art. 1348. Indien de partij de borg aanneemt, doet zij een schriftelijke verklaring op de griffie; in dat geval of indien de partij de vordering niet betwist binnen de termijn die de rechter stelt, verbindt de borg zich ter griffie bij een akte, die uitvoerbaar is zonder vonnis.

  Art. 1349. Indien de partij de borg betwist binnen de termijn die in het vonnis is bepaald, roept de griffier bij gerechtsbrief de partijen op om voor de rechtbank te verschijnen ten einde over de betwisting uitspraak te horen doen.

  Art. 1350. De rechtbank doet uitspraak, met voorrang boven alle andere zaken, na de partijen te hebben gehoord; het vonnis is uitvoerbaar niettegenstaande hoger beroep.

  Art. 1351. Indien de borg aangenomen wordt, verbindt hij zich overeenkomstig artikel 1348.

  HOOFDSTUK XVIII. _ Aanbod van betaling en consignatie.

  Art. 1352. Ieder proces-verbaal van aanbod van betaling wijst het aangeboden voorwerp aan zodat er geen ander in de plaats kan worden gesteld; en indien het gemunt geld is, wordt het aantal en de hoedanigheid vermeld.

  Art. 1353. Het proces-verbaal vermeldt het antwoord, de weigering of de aanneming van de schuldeiser, en of hij getekend heeft dan wel geweigerd heeft te tekenen of verklaard heeft daartoe niet in staat te zijn.

  Art. 1354. Indien de schuldeiser het aanbod weigert, kan de schuldenaar, om zich te bevrijden, de aangeboden geldsom of zaak in consignatie geven, met inachtneming van de vormen voorgeschreven bij artikel 1259 van het Burgerlijk Wetboek.

  Art. 1355.De vordering die kan worden ingesteld, hetzij tot geldigverklaring, hetzij tot nietigverklaring van het aanbod of van de consignatie, wordt ingesteld met inachtneming van de regels bepaald voor de [1 hoofdvorderingen]1; is het een tussenvordering, dan geschiedt deze bij conclusie.
  ----------
  (1)<W 2014-05-05/09, art. 32, 129; Inwerkingtreding : 18-07-2014>

  Art. 1356. Het vonnis waarbij het aanbod geldig wordt verklaard, beveelt, ingeval de consignatie nog niet heeft plaatsgehad, de aangeboden geldsom of zaak in consignatie te geven, indien de schuldeiser ze niet heeft ontvangen; het beslist dat de interest ophoudt te lopen vanaf de dag van de consignatie.

  Art. 1357. De vrijwillige of gerechtelijke consignatie verkort niet de rechten ontstaan uit het derden-beslag dat in handen van de schuldenaar mocht zijn gelegd.

  HOOFDSTUK XIX_ Rekening en verantwoording.

  Art. 1358. Het vonnis waarbij iemand veroordeeld wordt tot het doen van rekening en verantwoording, bepaalt binnen welke termijn zulks voor de rechtbank of voor de aangewezen rechter zal geschieden.
  Indien de zaak het wettigt of partijen het eens zijn, kan de rechter bevelen dat de rekening en verantwoording zal worden gedaan ten overstaan van een door hem te benoemen deskundige en op de wijze en binnen de termijnen in het vonnis bepaald.
  Hij die veroordeeld wordt om vruchten terug te geven, doet daarvan rekening en verantwoording in dezelfde vorm.

  Art. 1359. De rekening bevat de werkelijke ontvangsten en uitgaven; zij eindigt met een overzicht van de balans van deze ontvangsten en uitgaven, met dien verstande dat de terug te vorderen voorwerpen in een afzonderlijk hoofdstuk worden vermeld.

  Art. 1360. De rekening, gedaan en getekend door degene die rekening moet doen of door zijn bijzondere gevolmachtigde, wordt samen met de bewijsstukken ter griffie neergelegd binnen de termijn die het vonnis bepaalt. Zij wordt door de griffier voor gezien getekend op de datum van de neerlegging en bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.
  De bewijsstukken worden genummerd en geparafeerd door de rekeningdoende persoon.
  Indien de rekening, gedaan en getekend zoals hierboven is bepaald, niet wordt neergelegd binnen de termijn, wordt de rekeningdoende persoon veroordeeld tot betaling van een som die de rechtbank vaststelt.

  Art. 1361. Indien uit de neergelegde rekening blijkt dat de ontvangsten de uitgaven te boven gaan, kan degene aan wie de rekening is gedaan van de rechtbank of van de rechter-commissaris vor