J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 9 uitvoeringbesluiten 224 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State

Titel
10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK - Deel III : BEVOEGDHEID. (art. 556 tot 663)
(NOTA 1 : meerdere artikelen gewijzigd met inwerkingtredingdatum vastgesteld op 01-06-2014 bij W 2013-03-17/14>
(NOTA 2 : art. 633 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij <W 2013-06-24/40, art. 2; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-12-2014>)
(NOTA 3 : Artikel 588 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij <W 2013-07-11/19, art. 101; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-12-2014>
(NOTA 4 : Artikel 582, 2° gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij <DVR 2013-07-12/39, art. 56; Inwerkingtreding : onbepaald>)
(NOTA 5 : Verschillende artikelen gewijzigd met een inwerkingtredingsdatum op 01-09-2014 bij W 2013-07-30/23)
(NOTA : Artikel 601ter, 5°, gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij <W 2013-07-15/20, art. 40, §1; Inwerkingtreding : onbepaald, Inwerkingtreding : 01-09-2014, zie KB 2014-05-22/35, art. 52, 1°>)
(NOTA : Artikel 601ter, 4°, gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij <W 2013-07-15/22, art. 53, §1; Inwerkingtreding : onbepaald; Inwerkingtreding : 01-09-2014 bij KB 2014-05-22/36, art. 59, 1°>)
(NOTA : Art. 582 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij <DVR 2013-12-06/29, art. 39; Inwerkingtreding : onbepaald>)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-02-1985 en tekstbijwerking tot 15-05-2014) Zie wijziging(en)

Publicatie : 31-10-1967 nummer :   1967101054 bladzijde : 11360
Dossiernummer : 1967-10-10/03
Inwerkingtreding : 01-11-1970

Inhoudstafel Tekst Begin

EERSTE TITEL. _ Volstrekte bevoegdheid.
EERSTE HOOFDSTUK. _ Voorafgaande bepalingen.
Eerste Afdeling.
Art. 556
Afdeling II. _ Waarde van de vordering.
Art. 557-562
Afdeling III. _ Regels inzake tegenvorderingen en vorderingen tot tussenkomst, inzake aanhangigheid en samenhang.
Art. 563-566
Afdeling IV. _ Machtiging om in rechte op te treden en aanwijzing van wettelijke vertegenwoordigers om in rechte op te treden.
Art. 567
HOOFDSTUK II. _ Rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel.
Eerste Afdeling. _ Algemene bepalingen.
Art. 568-583
Afdeling II. _ Voorzitters van de rechtbanken.
Art. 584, 584bis, 585-587, 587bis, 587ter, 587quater, 587quinquies, 587sexies, 587septies, 588-589, 589bis
HOOFDSTUK III. - Vrederechter.
Art. 590-596, 596bis, 597-601
HOOFDSTUK IIIbis. _ Politierechtbank. <ingevoegd bij W 1994-07-11/33, art. 36, Inwerkingtreding : 1995-01-01>
Art. 601bis, 601ter
HOOFDSTUK IV. - Hof van beroep en arbeidshof.
Art. 602-605, 605bis, 605ter, 605quater, 606-607
HOOFDSTUK V. _ Hof van Cassatie.
Art. 608-615
TITEL II. - Aanleg.
Art. 616-621
TITEL III. - Territoriale bevoegdheid.
Art. 622-626, 626/1, 627-633, 633bis, 633ter, 633quater, 633quinquies, 633sexies, 633septies, 633octies, 633novies, 634-635, 635bis, 636-638, 638bis
TITEL IV. _ Regeling van geschillen van bevoegdheid.
EERSTE HOOFDSTUK. _ Algemene bepalingen.
Art. 639-644
HOOFDSTUK II. _ Regeling van rechtsgebied.
Art. 645-647
HOOFDSTUK III. _ Onttrekking van de zaak aan de rechter.
Art. 648-659
HOOFDSTUK IV. _ Bepalingen aan de vorige hoofdstukken gemeen.
Art. 660-663

Tekst Inhoudstafel Begin
EERSTE TITEL. _ Volstrekte bevoegdheid.

  EERSTE HOOFDSTUK. _ Voorafgaande bepalingen.

  Eerste Afdeling.

  Art. 556. De hoven en rechtbanken nemen kennis van alle vorderingen, behalve van die welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt.
  Hun respectieve bevoegdheid wordt bepaald door deze titel, onverminderd de bijzondere wettelijke bepalingen.

  Afdeling II. _ Waarde van de vordering.

  Art. 557. Wanneer het bedrag van de vordering de volstrekte bevoegdheid bepaalt, wordt er onder verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten, (alsook van de dwangsommen.) <W 31-01-1980 , art. 3>

  Art. 558. Wanneer de vordering verschillende punten bevat, worden deze samengevoegd tot bepaling van de bevoegdheid.

  Art. 559. Wanneer de gevorderde som deel uitmaakt van een betwiste schuldvordering van een hoger bedrag, wordt de bevoegdheid bepaald door het bedrag dat op de titel is vermeld of in voorkomend geval door het bedrag van het saldo van gemelde schuldvordering, zelfs indien de gevorderde som minder hoog is.

  Art. 560. Wanneer een of meer eisers optreden tegen een of meer verweerders, wordt de bevoegdheid bepaald door de totale gevorderde som, ongeacht ieders aandeel daarin.

  Art. 561. Wanneer de titel van een uitkering tot onderhoud, van een altijddurende rente of een lijfrente wordt betwist, wordt de waarde van de vordering bepaald door het bedrag van de annuiteit of van twaalf maandelijkse termijnen, met tien vermenigvuldigd.

  Art. 562. Het bedrag van de vordering betreffende vreemd geld, waarden en openbare effecten ter beurs genoteerd, wordt bepaald op basis van de laatste officiële kontante koers, vastgesteld vóór de dag van de vordering, overeenkomstig het reglement van de openbare fondsen- en wisselbeurs te Brussel.
  Wanneer een waardepapier niet genoteerd wordt op de beurs te Brussel, maar op slechts één andere beurs in het Rijk, houdt men zich aan de koers die op deze beurs genoteerd is.
  Wanneer een waardepapier niet genoteerd wordt op de beurs te Brussel, maar wel op verscheidene andere beurzen in het Rijk, houdt men zich aan de laatste koers vastgesteld vóór de dag van de vordering of, indien de beursnoteringen dezelfde dag zijn vastgesteld, aan de hoogste koers.

  Afdeling III. _ Regels inzake tegenvorderingen en vorderingen tot tussenkomst, inzake aanhangigheid en samenhang.

  Art. 563. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van de tegenvorderingen, ongeacht hun aard en hun bedrag.
  De arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel en de vrederechter nemen kennis van de tegenvorderingen die, ongeacht hun bedrag, onder hun volstrekte bevoegdheid vallen of die ontstaan hetzij uit de overeenkomst, hetzij uit het feit dat ten grondslag ligt aan de oorspronkelijke vordering.
  Tegenvorderingen gegrond op het tergend of roekeloos karakter van een vordering, worden gebracht voor de rechter voor wie deze vordering aanhangig is.

  Art. 564. De rechtbank waarvoor een vordering aanhangig is gemaakt, is bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot tussenkomst.

  Art. 565. In geval van aanhangigheid worden de vorderingen samengevoegd, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een der partijen.
  De verwijzing geschiedt naar de volgende voorrang:
  1° de rechtbank die over de zaak een ander vonnis heeft gewezen dan een beschikking van inwendige orde, heeft altijd voorrang;
  2° de rechtbank van eerste aanleg heeft voorrang boven de andere rechtbanken;
  3° de arbeidsrechtbank heeft voorrang boven de rechtbank van koophandel;
  4° de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel hebben voorrang boven de vrederechter;
  (4°bis De vrederechter heeft voorrang boven de politierechtbank;) <W 1994-07-11/33, art. 36, 048; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
  5° de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, heeft voorrang boven die waarvoor de zaak later wordt aangebracht.
  Wanneer evenwel een van de vorderingen uitsluitend tot de bevoegdheid van een bepaalde rechtbank behoort, is alleen deze bevoegd om van de gezamenlijke vorderingen kennis te nemen.
  Wanneer twee of meer vorderingen uitsluitend tot de bevoegdheid van twee onderscheiden rechtbanken behoren, kan de verwijzing geschieden naar de hierboven bepaalde voorrang.
  De bepalingen van de artikelen 661 en 662 zijn van toepassing in geval van verwijzing uit hoofde van aanhangigheid.

  Art. 566. Verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, kunnen, indien zij samenhangend zijn, vóór dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang bepaald in artikel 565, 2° tot 5°.
  Wanneer de partijen evenwel niet dezelfde zijn in alle vorderingen en wanneer een van de rechtbanken een vonnis gewezen heeft dat niet tot gevolg heeft dat het geschil aan haar kennisneming is onttrokken, mag de verwijzing naar die rechtbank niet worden uitgesproken indien degenen die in dat vonnis geen partij waren, zich ertegen verzetten.
  De bepalingen van de artikelen 661 en 662 zijn van toepassing in geval van verwijzing uit hoofde van samenhang.

  Afdeling IV. _ Machtiging om in rechte op te treden en aanwijzing van wettelijke vertegenwoordigers om in rechte op te treden.

  Art. 567. (.....) <W 14-07-1976, (art. 4, §2) , art. 19, § 1>
  (De rechtbank waar bij een vordering aanhangig) is kan een voogd of een wettelijk bewindvoerder ad hoc benoemen om bij afwezigheid of verhindering de voogd of de wettelijke bewindvoerder in het geding te vervangen. <W 14-07-1976, (art. 4, §2) , art. 19, § 2>

  HOOFDSTUK II. _ Rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel.

  Eerste Afdeling. _ Algemene bepalingen.

  Art. 568. De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis van alle vorderingen, behalve die welke rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen.
  Indien de verweerder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg betwist, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, de verwijzing vorderen van de zaak naar de arrondissementsrechtbank, die uitspraak doet zoals bepaald is in de artikelen 641 en 642.
  Wanneer de verweerder de rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg afwijst, ingevolge de toewijzing van het geschil aan scheidsrechters, geeft de rechtbank de zaak uit handen, zo daartoe grond bestaat.

  Art. 569.(Federaal)
  De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis:
  1° van vorderingen betreffende de staat van de personen alsmede van alle geschillen tussen echtgenoten betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen met uitzondering van de aangelegenheden waarvoor de vrederechter bijzonder bevoegd is [15 en onverminderd de door artikel 391octiesvan het Strafwetboek en artikel 79quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen aan de strafrechter toegekende bevoegdheid]15;
  [15 1°/1 van vorderingen betreffende de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning, onverminderd de door artikel 391octies van het Strafwetboek en artikel 79quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan de strafrechter toegekende bevoegdheid;]15
  2° van vorderingen tot inbezitstelling door onregelmatige erfopvolgers, van verzoeken tot aanwijzing van een curator van een onbeheerde nalatenschap, van aanvragen tot verlenging van de termijnen bepaald in de artikelen 798 en 1458 van het Burgerlijk Wetboek;
  3° [12 van vorderingen tot verklaring van erfrechtelijke onwaardigheid als bedoeld in artikel 727, § 1, 2°, van het Burgerlijk Wetboek;]12
  4° van vorderingen tot verdeling;
  5° van geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten;
  6° van de vorderingen ingesteld hetzij krachtens het decreet van 26 juli-3 augustus 1791 betreffende het opvorderen en het optreden van de openbare macht tegen samenscholingen, hetzij krachtens het decreet van 10 vendémiaire, jaar IV op de inwendige politie van de gemeenten;
  7° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  8° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  9° van vorderingen betreffende de afzetting van beheerders van mutualiteitsverenigingen, [in de zin van de wet van 23 juni 1894 houdende herziening van de wet van 3 april 1851 op de mutualiteitsverenigingen] verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut; van vorderingen betreffende de ontbinding van de genoemde instellingen en verenigingen en de benoeming van vereffenaars in geval van ontbinding; <W 2005-12-13/36, art. 4, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  10° van vorderingen betreffende onteigeningen ten algemenen nutte, onverminderd de bevoegdheid die krachtens artikel 595 aan de vrederechter is toegekend;
  11° van vorderingen betreffende de bekendmaking en de aanwending van uitvindingen en fabrieksgeheimen die belang hebben voor de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat;
  12° van de vorderingen ingesteld krachtens [de artikelen 1188 tot 1193] betreffende sommige openbare verkopingen van onroerende goederen; <W 2003-02-13/54, art. 7, 112; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  13° van geschillen betreffende door een scheepskapitein verschuldigde loodsgelden;
  14° van vorderingen tot vervallenverklaring van een concessie inzake mijnen, groeven en graverijen;
  15° van vorderingen tot regeling van het niet bij tarief vastgestelde ereloon van notarissen;
  16° van de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw;
  17° van de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 18 juli 1966 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie;
  18° van de vorderingen ingesteld krachtens de bepalingen van de wet van 9 augustus 1963 en de internationale overeenkomsten tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de exploitant van een atoomschip;
  19° [...] <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  20° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  21°) [13 van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag van 1992 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie met inachtneming van de bepalingen van paragraaf 1 van artikel IX van dat verdrag; wanneer, als gevolg van eenzelfde voorval schade door verontreiniging is veroorzaakt gedeeltelijk op het nationale grondgebied, de territoriale zee daaronder begrepen, of in de Belgische exclusieve economische zone en gedeeltelijk op het grondgebied van een andere Staat, de territoriale zee daaronder begrepen, of in een gebied van een andere Staat bedoeld door artikel II, a), ii) van het bovenvermelde Verdrag, is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van in deze laatste Staat door verontreiniging veroorzaakte schade op voorwaarde dat het beperkingsfonds, dat wordt ingeroepen tegen de schuldvorderingen welke het voorwerp van de vordering uitmaken, door de verweerder bij die rechtbank is ingesteld en de eiser ervan afziet tegen dezelfde verweerder een vordering tot vergoeding van door hetzelfde voorval veroorzaakte schade in te stellen voor een andere rechtsmacht van om het even welke andere Staat of afstand doet van deze vordering;]13
  22° [11 van de verklaringen als bedoeld in de artikelen 11, § 2, en 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van verklaringen of verzoeken op grond van de artikelen 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek;]11
  23° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [24° van de vorderingen tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten zoals geregeld in artikel 59 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [25° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 49 van de wet op het politieambt;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [26° ...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [27° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 93 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het militair personeel;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [28° vorderingen gebaseerd op het Internationaal Verdrag ter oprichting van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, op de Protocollen bij dat Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003 en op de wetten houdende goedkeuring en uitvoering van dat Verdrag en deze Protocollen;] <W 2005-10-06/35, art. 10, 134; Inwerkingtreding : 14-06-2006>
  [29° van de vorderingen tot teruggave van cultuurgoederen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van 28 oktober 1996 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse Staten zijn gebracht.] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [30° bij gebreke van andere bepalingen luidens welke bevoegdheid wordt toegekend, de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [31° bij ontstentenis van andere bepalingen tot toekenning van bevoegdheid, van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.] <W 1999-02-28/32, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 22-03-1999>
  [32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.] <W 1999-03-23/30, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  [33° van vorderingen tot homologatie van akten van bekendheid opgesteld krachtens de artikelen 71 en 72 van het burgerlijk Wetboek en krachtens artikel 5 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.] <W 2000-03-01/46, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
  [34° van de vorderingen betreffende de afzetting van bestuurders, de ontbinding en de vereffening van landsbonden van ziekenfondsen, ziekenfondsen en maatschappijen van onderlinge bijstand in de zin van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.] <W 2005-12-13/36, art. 4, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  [35° het beroep tegen de in artikel 47 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart vermelde beslissing.] <W 2008-12-22/34, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [6 35° ...]6
  [6 35° ...]6
  [7 37° van de beroepen bedoeld in artikel 62decies van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.]7
  [5 38° van de vorderingen bedoeld in artikel 26ter van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, in artikel 57ter van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en in artikel 23/2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.]5
  [6 39° van de beroepen tegen de beslissing van het opleggen van een administratieve geldboete op grond van artikel 21octies, derde lid, van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek;]6
  [6 40° van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag van 2001 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging door bunkerolie en van de wetten houdende instemming en uitvoering van dat Verdrag;]6
  [6 41° van geschillen tussen een patiënt of zijn rechtverkrijgenden, een zorgverlener of een verzekeraar en het Fonds voor medische ongevallen opgericht bij de wet van 31 maart 2010 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg.]6
  [9 42° van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van beslissingen genomen door de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juli 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven overeenkomstig artikel 6, § 1, eerste lid, en artikel 8 van de wet van 27 juli 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven.]9
  [14 43° van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 17 augustus 2013 betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht.]14
  [In de gevallen onder het eerste lid [...], 17°, 21°, 28° [7 , 29°, 34° [14 , 37° en 43°]14]7, [10 zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel]10 bevoegd en in het geval onder [9 het eerste lid, 18°, 40° en 42°]9 , die te Antwerpen.] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999> <W 2007-05-10/33, art. 12, 2°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [In de gevallen onder het eerste lid, 22°, [10 zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel]10 bevoegd wanneer de belanghebbende zijn hoofdverblijf niet of niet meer in Belgïeþ heeft.] <W 28-06-1984, art. 20, §1,4°>
  
  Art. 569. (Vlaams gewest)
  De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis:
  1° van vorderingen betreffende de staat van de personen alsmede van alle geschillen tussen echtgenoten betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen met uitzondering van de aangelegenheden waarvoor de vrederechter bijzonder bevoegd is [15 en onverminderd de door artikel 391octiesvan het Strafwetboek en artikel 79quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen aan de strafrechter toegekende bevoegdheid]15;
  [15 1°/1 van vorderingen betreffende de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning, onverminderd de door artikel 391octies van het Strafwetboek en artikel 79quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan de strafrechter toegekende bevoegdheid;]15
  2° van vorderingen tot inbezitstelling door onregelmatige erfopvolgers, van verzoeken tot aanwijzing van een curator van een onbeheerde nalatenschap, van aanvragen tot verlenging van de termijnen bepaald in de artikelen 798 en 1458 van het Burgerlijk Wetboek;
  3° [12 van vorderingen tot verklaring van erfrechtelijke onwaardigheid als bedoeld in artikel 727, § 1, 2°, van het Burgerlijk Wetboek;]12
  4° van vorderingen tot verdeling;
  5° van geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten;
  6° van de vorderingen ingesteld hetzij krachtens het decreet van 26 juli-3 augustus 1791 betreffende het opvorderen en het optreden van de openbare macht tegen samenscholingen, hetzij krachtens het decreet van 10 vendémiaire, jaar IV op de inwendige politie van de gemeenten;
  7° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  8° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  9° van vorderingen betreffende de afzetting van beheerders van mutualiteitsverenigingen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut; van vorderingen betreffende de ontbinding van de genoemde instellingen en verenigingen en de benoeming van vereffenaars in geval van ontbinding;
  10° van vorderingen betreffende onteigeningen ten algemenen nutte, onverminderd de bevoegdheid die krachtens artikel 595 aan de vrederechter is toegekend;
  11° van vorderingen betreffende de bekendmaking en de aanwending van uitvindingen en fabrieksgeheimen die belang hebben voor de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat;
  12° van de vorderingen ingesteld krachtens [de artikelen 1188 tot 1193] betreffende sommige openbare verkopingen van onroerende goederen; <W 2003-02-13/54, art. 7, 112; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  13° [opgeheven wat het Vlaamse Gewest betreft] <DVR 1995-04-19/49, art. 23, 049; Inwerkingtreding : 15-09-1995>
  14° van vorderingen tot vervallenverklaring van een concessie inzake mijnen, groeven en graverijen;
  15° van vorderingen tot regeling van het niet bij tarief vastgestelde ereloon van notarissen;
  16° van de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw;
  17° van de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 18 juli 1966 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie;
  18° van de vorderingen ingesteld krachtens de bepalingen van de wet van 9 augustus 1963 en de internationale overeenkomsten tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de exploitant van een atoomschip;
  19° [...] <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  20° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  21°) [13 van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag van 1992 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie met inachtneming van de bepalingen van paragraaf 1 van artikel IX van dat verdrag; wanneer, als gevolg van eenzelfde voorval schade door verontreiniging is veroorzaakt gedeeltelijk op het nationale grondgebied, de territoriale zee daaronder begrepen, of in de Belgische exclusieve economische zone en gedeeltelijk op het grondgebied van een andere Staat, de territoriale zee daaronder begrepen, of in een gebied van een andere Staat bedoeld door artikel II, a), ii) van het bovenvermelde Verdrag, is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van in deze laatste Staat door verontreiniging veroorzaakte schade op voorwaarde dat het beperkingsfonds, dat wordt ingeroepen tegen de schuldvorderingen welke het voorwerp van de vordering uitmaken, door de verweerder bij die rechtbank is ingesteld en de eiser ervan afziet tegen dezelfde verweerder een vordering tot vergoeding van door hetzelfde voorval veroorzaakte schade in te stellen voor een andere rechtsmacht van om het even welke andere Staat of afstand doet van deze vordering;]13
  22° [11 van de verklaringen als bedoeld in de artikelen 11, § 2, en 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van verklaringen of verzoeken op grond van de artikelen 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek;]11
  23° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [24° van de vorderingen tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten zoals geregeld in artikel 59 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [25° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 49 van de wet op het politieambt;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [26° ...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [27° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 93 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het militair personeel;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [28° vorderingen gebaseerd op het Internationaal Verdrag ter oprichting van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, op de Protocollen bij dat Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003 en op de wetten houdende goedkeuring en uitvoering van dat Verdrag en deze Protocollen;] <W 2005-10-06/35, art. 10, 134; Inwerkingtreding : 14-06-2006>
  [29° van de vorderingen tot teruggave van cultuurgoederen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van 28 oktober 1996 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse Staten zijn gebracht.] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [30° bij gebreke van andere bepalingen luidens welke bevoegdheid wordt toegekend, de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [31° bij ontstentenis van andere bepalingen tot toekenning van bevoegdheid, van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.] <W 1999-02-28/32, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 22-03-1999>
  [32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.] <W 1999-03-23/30, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  [33°[8 van de beroepen tegen de beslissingen van de VREG tot het opleggen van een administratieve sanctie op grond van de artikelen 13.3.1 tot en met 13.3.5 van het Energiedecreet.]8
  Het beroep tegen de beslissingen bedoeld in het eerste lid werkt schorsend.] <DCFL 2007-05-25/52, art. 24, 160; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  [34° van de vorderingen betreffende de afzetting van bestuurders, de ontbinding en de vereffening van landsbonden van ziekenfondsen, ziekenfondsen en maatschappijen van onderlinge bijstand in de zin van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.] <W 2005-12-13/36, art. 4, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  [35° het beroep tegen de in artikel 47 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart vermelde beslissing.] <W 2008-12-22/34, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [6 35° ...]6
  [6 35° ...]6
  [7 37° van de beroepen bedoeld in artikel 62decies van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.]7
  [5 38° van de vorderingen bedoeld in artikel 26ter van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, in artikel 57ter van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en in artikel 23/2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.]5
  [6 39° van de beroepen tegen de beslissing van het opleggen van een administratieve geldboete op grond van artikel 21octies, derde lid, van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek;]6
  [6 40° van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag van 2001 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging door bunkerolie en van de wetten houdende instemming en uitvoering van dat Verdrag;]6
  [6 41° van geschillen tussen een patiënt of zijn rechtverkrijgenden, een zorgverlener of een verzekeraar en het Fonds voor medische ongevallen opgericht bij de wet van 31 maart 2010 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg.]6
  [9 42° van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van beslissingen genomen door de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juli 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven overeenkomstig artikel 6, § 1, eerste lid, en artikel 8 van de wet van 27 juli 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven.]9
  [10 43° van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 17 augustus 2013 betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht.]10
  [In de gevallen onder het eerste lid [...], 17°, 21°, 28° [7 , 29°, 34° [10 , 37° en 43°]10]7, [10 zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel]10 bevoegd en in het geval onder [9 het eerste lid, 18°, 40° en 42°]9 , die te Antwerpen.] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999> <W 2007-05-10/33, art. 12, 2°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [In de gevallen onder het eerste lid, 22°, [10 zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel]10 bevoegd wanneer de belanghebbende zijn hoofdverblijf niet of niet meer in Belgïe heeft.] <W 28-06-1984, art. 20, §1,4°>

  
  Art. 569. (Waals gewest)
  De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis:
  1° van vorderingen betreffende de staat van de personen alsmede van alle geschillen tussen echtgenoten betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen met uitzondering van de aangelegenheden waarvoor de vrederechter bijzonder bevoegd is [15 en onverminderd de door artikel 391octiesvan het Strafwetboek en artikel 79quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen aan de strafrechter toegekende bevoegdheid]15;
  [15 1°/1 van vorderingen betreffende de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning, onverminderd de door artikel 391octies van het Strafwetboek en artikel 79quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan de strafrechter toegekende bevoegdheid;]15
  2° van vorderingen tot inbezitstelling door onregelmatige erfopvolgers, van verzoeken tot aanwijzing van een curator van een onbeheerde nalatenschap, van aanvragen tot verlenging van de termijnen bepaald in de artikelen 798 en 1458 van het Burgerlijk Wetboek;
  3° [12 van vorderingen tot verklaring van erfrechtelijke onwaardigheid als bedoeld in artikel 727, § 1, 2°, van het Burgerlijk Wetboek;]12
  4° van vorderingen tot verdeling;
  5° van geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten;
  6° van de vorderingen ingesteld hetzij krachtens het decreet van 26 juli-3 augustus 1791 betreffende het opvorderen en het optreden van de openbare macht tegen samenscholingen, hetzij krachtens het decreet van 10 vendémiaire, jaar IV op de inwendige politie van de gemeenten;
  7° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  8° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  9° van vorderingen betreffende de afzetting van beheerders van mutualiteitsverenigingen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut; van vorderingen betreffende de ontbinding van de genoemde instellingen en verenigingen en de benoeming van vereffenaars in geval van ontbinding;
  10° van vorderingen betreffende onteigeningen ten algemenen nutte, onverminderd de bevoegdheid die krachtens artikel 595 aan de vrederechter is toegekend;
  11° van vorderingen betreffende de bekendmaking en de aanwending van uitvindingen en fabrieksgeheimen die belang hebben voor de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat;
  12° van de vorderingen ingesteld krachtens [de artikelen 1188 tot 1193] betreffende sommige openbare verkopingen van onroerende goederen; <W 2003-02-13/54, art. 7, 112; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  13° van geschillen betreffende door een scheepskapitein verschuldigde loodsgelden;
  14° van vorderingen tot vervallenverklaring van een concessie inzake mijnen, groeven en graverijen;
  15° van vorderingen tot regeling van het niet bij tarief vastgestelde ereloon van notarissen;
  16° van de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw;
  17° van de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 18 juli 1966 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie;
  18° van de vorderingen ingesteld krachtens de bepalingen van de wet van 9 augustus 1963 en de internationale overeenkomsten tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de exploitant van een atoomschip;
  19° [...] <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  20° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  21°) [13 van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag van 1992 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie met inachtneming van de bepalingen van paragraaf 1 van artikel IX van dat verdrag; wanneer, als gevolg van eenzelfde voorval schade door verontreiniging is veroorzaakt gedeeltelijk op het nationale grondgebied, de territoriale zee daaronder begrepen, of in de Belgische exclusieve economische zone en gedeeltelijk op het grondgebied van een andere Staat, de territoriale zee daaronder begrepen, of in een gebied van een andere Staat bedoeld door artikel II, a), ii) van het bovenvermelde Verdrag, is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van in deze laatste Staat door verontreiniging veroorzaakte schade op voorwaarde dat het beperkingsfonds, dat wordt ingeroepen tegen de schuldvorderingen welke het voorwerp van de vordering uitmaken, door de verweerder bij die rechtbank is ingesteld en de eiser ervan afziet tegen dezelfde verweerder een vordering tot vergoeding van door hetzelfde voorval veroorzaakte schade in te stellen voor een andere rechtsmacht van om het even welke andere Staat of afstand doet van deze vordering;]13
  22° [11 van de verklaringen als bedoeld in de artikelen 11, § 2, en 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van verklaringen of verzoeken op grond van de artikelen 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek;]11
  23° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [24° van de vorderingen tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten zoals geregeld in artikel 59 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [25° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 49 van de wet op het politieambt;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [26° ...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [27° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 93 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het militair personeel;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [28° vorderingen gebaseerd op het Internationaal Verdrag ter oprichting van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, op de Protocollen bij dat Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003 en op de wetten houdende goedkeuring en uitvoering van dat Verdrag en deze Protocollen;] <W 2005-10-06/35, art. 10, 134; Inwerkingtreding : 14-06-2006>
  [29° van de vorderingen tot teruggave van cultuurgoederen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van 28 oktober 1996 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse Staten zijn gebracht.] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [30° bij gebreke van andere bepalingen luidens welke bevoegdheid wordt toegekend, de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [31° bij ontstentenis van andere bepalingen tot toekenning van bevoegdheid, van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.] <W 1999-02-28/32, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 22-03-1999>
  [32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.] <W 1999-03-23/30, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  [33° van vorderingen tot homologatie van akten van bekendheid opgesteld krachtens de artikelen 71 en 72 van het burgerlijk Wetboek en krachtens artikel 5 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit [4 of krachtens artikel 48, § 1 en 2, van het decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt]4.] <W 2000-03-01/46, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-05-2000> <DWG 2002-12-19/81, art. 66, 109; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [3 33° het beroep tegen de beslissing om administratieve boetes op te leggen krachtens artikel 53, §§ 1 en 2, van het decreet van de 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt;]3
  [34° van de vorderingen betreffende de afzetting van bestuurders, de ontbinding en de vereffening van landsbonden van ziekenfondsen, ziekenfondsen en maatschappijen van onderlinge bijstand in de zin van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.] <W 2005-12-13/36, art. 4, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  [35° het beroep tegen de in artikel 47 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart vermelde beslissing.] <W 2008-12-22/34, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [6 35° ...]6
  [6 35° ...]6
  [7 37° van de beroepen bedoeld in artikel 62decies van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.]7
  [5 38° van de vorderingen bedoeld in artikel 26ter van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, in artikel 57ter van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en in artikel 23/2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.]5
  [6 39° van de beroepen tegen de beslissing van het opleggen van een administratieve geldboete op grond van artikel 21octies, derde lid, van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek;]6
  [6 40° van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag van 2001 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging door bunkerolie en van de wetten houdende instemming en uitvoering van dat Verdrag;]6
  [6 41° van geschillen tussen een patiënt of zijn rechtverkrijgenden, een zorgverlener of een verzekeraar en het Fonds voor medische ongevallen opgericht bij de wet van 31 maart 2010 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg.]6
  [9 42° van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van beslissingen genomen door de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juli 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven overeenkomstig artikel 6, § 1, eerste lid, en artikel 8 van de wet van 27 juli 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven.]9
  [10 43° van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 17 augustus 2013 betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht.]10
  [In de gevallen onder het eerste lid [...], 17°, 21°, 28° [7 , 29°, 34° [10 , 37° en 43°]10]7, [10 zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel]10 bevoegd en in het geval onder [9 het eerste lid, 18°, 40° en 42°]9 , die te Antwerpen.] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999> <W 2007-05-10/33, art. 12, 2°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [In de gevallen onder het eerste lid, 22°, [10 zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel]10 bevoegd wanneer de belanghebbende zijn hoofdverblijf niet of niet meer in Belgïe heeft.] <W 28-06-1984, art. 20, §1,4°>

  
  Art. 569. (Brussels Hoofdstedelijk Gewest)
   De rechtbank van eerste aanleg neemt kennis:
  1° van vorderingen betreffende de staat van de personen alsmede van alle geschillen tussen echtgenoten betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen met uitzondering van de aangelegenheden waarvoor de vrederechter bijzonder bevoegd is [15 en onverminderd de door artikel 391octiesvan het Strafwetboek en artikel 79quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen aan de strafrechter toegekende bevoegdheid]15;
  [15 1°/1 van vorderingen betreffende de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning, onverminderd de door artikel 391octies van het Strafwetboek en artikel 79quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan de strafrechter toegekende bevoegdheid;]15
  2° van vorderingen tot inbezitstelling door onregelmatige erfopvolgers, van verzoeken tot aanwijzing van een curator van een onbeheerde nalatenschap, van aanvragen tot verlenging van de termijnen bepaald in de artikelen 798 en 1458 van het Burgerlijk Wetboek;
  3° [12 van vorderingen tot verklaring van erfrechtelijke onwaardigheid als bedoeld in artikel 727, § 1, 2°, van het Burgerlijk Wetboek;]12
  4° van vorderingen tot verdeling;
  5° van geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten;
  6° van de vorderingen ingesteld hetzij krachtens het decreet van 26 juli-3 augustus 1791 betreffende het opvorderen en het optreden van de openbare macht tegen samenscholingen, hetzij krachtens het decreet van 10 vendémiaire, jaar IV op de inwendige politie van de gemeenten;
  7° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  8° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  9° van vorderingen betreffende de afzetting van beheerders van mutualiteitsverenigingen, [in de zin van de wet van 23 juni 1894 houdende herziening van de wet van 3 april 1851 op de mutualiteitsverenigingen] verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut; van vorderingen betreffende de ontbinding van de genoemde instellingen en verenigingen en de benoeming van vereffenaars in geval van ontbinding; <W 2005-12-13/36, art. 4, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  10° van vorderingen betreffende onteigeningen ten algemenen nutte, onverminderd de bevoegdheid die krachtens artikel 595 aan de vrederechter is toegekend;
  11° van vorderingen betreffende de bekendmaking en de aanwending van uitvindingen en fabrieksgeheimen die belang hebben voor de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat;
  12° van de vorderingen ingesteld krachtens [de artikelen 1188 tot 1193] betreffende sommige openbare verkopingen van onroerende goederen; <W 2003-02-13/54, art. 7, 112; Inwerkingtreding : 04-04-2003>
  13° van geschillen betreffende door een scheepskapitein verschuldigde loodsgelden;
  14° van vorderingen tot vervallenverklaring van een concessie inzake mijnen, groeven en graverijen;
  15° van vorderingen tot regeling van het niet bij tarief vastgestelde ereloon van notarissen;
  16° van de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw;
  17° van de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 18 juli 1966 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie;
  18° van de vorderingen ingesteld krachtens de bepalingen van de wet van 9 augustus 1963 en de internationale overeenkomsten tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de exploitant van een atoomschip;
  19° [...] <W 2001-03-27/39, art. 2, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  20° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  21°) [13 van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag van 1992 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie met inachtneming van de bepalingen van paragraaf 1 van artikel IX van dat verdrag; wanneer, als gevolg van eenzelfde voorval schade door verontreiniging is veroorzaakt gedeeltelijk op het nationale grondgebied, de territoriale zee daaronder begrepen, of in de Belgische exclusieve economische zone en gedeeltelijk op het grondgebied van een andere Staat, de territoriale zee daaronder begrepen, of in een gebied van een andere Staat bedoeld door artikel II, a), ii) van het bovenvermelde Verdrag, is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van in deze laatste Staat door verontreiniging veroorzaakte schade op voorwaarde dat het beperkingsfonds, dat wordt ingeroepen tegen de schuldvorderingen welke het voorwerp van de vordering uitmaken, door de verweerder bij die rechtbank is ingesteld en de eiser ervan afziet tegen dezelfde verweerder een vordering tot vergoeding van door hetzelfde voorval veroorzaakte schade in te stellen voor een andere rechtsmacht van om het even welke andere Staat of afstand doet van deze vordering;]13
  22° [11 van de verklaringen als bedoeld in de artikelen 11, § 2, en 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van verklaringen of verzoeken op grond van de artikelen 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek;]11
  23° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [24° van de vorderingen tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten zoals geregeld in artikel 59 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;]] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [25° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 49 van de wet op het politieambt;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  26° [...] <W 2007-05-10/33, art. 12, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [27° van de gedingen ingesteld krachtens artikel 93 van de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het militair personeel;] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  28° [vorderingen gebaseerd op het Internationaal Verdrag ter oprichting van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Brussel op 18 december 1971, op de Protocollen bij dat Verdrag, opgemaakt te Londen op 27 november 1992 en 16 mei 2003 en op de wetten houdende goedkeuring en uitvoering van dat Verdrag en deze Protocollen;] <W 2005-10-06/35, art. 10, 134; Inwerkingtreding : 14-06-2006>
  [29° van de vorderingen tot teruggave van cultuurgoederen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van 28 oktober 1996 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse Staten zijn gebracht.] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [30° bij gebreke van andere bepalingen luidens welke bevoegdheid wordt toegekend, de vorderingen ingesteld krachtens de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [31° bij ontstentenis van andere bepalingen tot toekenning van bevoegdheid, van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.] <W 1999-02-28/32, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 22-03-1999>
  [32° van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.] <W 1999-03-23/30, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  [33° van vorderingen tot homologatie van akten van bekendheid opgesteld krachtens de artikelen 71 en 72 van het burgerlijk Wetboek en krachtens artikel 5 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit.] <W 2000-03-01/46, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
  [34° van de vorderingen betreffende de afzetting van bestuurders, de ontbinding en de vereffening van landsbonden van ziekenfondsen, ziekenfondsen en maatschappijen van onderlinge bijstand in de zin van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.] <W 2005-12-13/36, art. 4, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  [35° het beroep tegen de in artikel 47 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart vermelde beslissing.] <W 2008-12-22/34, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [6 35° ...]6
  [6 35° ...]6
  [1 36° de beroepen tegen de beslissingen om een administratieve boete op te leggen krachtens artikel 23/12, § 6 van de Brusselse Huisvestingscode.]1
  [7 37° van de beroepen bedoeld in artikel 62decies van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.]7
  [5 38° van de vorderingen bedoeld in artikel 26ter van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, in artikel 57ter van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en in artikel 23/2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.]5
  [6 39° van de beroepen tegen de beslissing van het opleggen van een administratieve geldboete op grond van artikel 21octies, derde lid, van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek;]6
  [6 40° van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van het Internationaal Verdrag van 2001 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging door bunkerolie en van de wetten houdende instemming en uitvoering van dat Verdrag;]6
  [6 41° van geschillen tussen een patiënt of zijn rechtverkrijgenden, een zorgverlener of een verzekeraar en het Fonds voor medische ongevallen opgericht bij de wet van 31 maart 2010 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg.]6
  [9 42° van de vorderingen tot schadeloosstelling op grond van beslissingen genomen door de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juli 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven overeenkomstig artikel 6, § 1, eerste lid, en artikel 8 van de wet van 27 juli 2011 betreffende de bevoegde instantie voor de opvang van schepen die bijstand behoeven.]9
  [10 43° van de vorderingen ingeleid krachtens de wet van 17 augustus 2013 betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht.]10
  [In de gevallen onder het eerste lid [...], 17°, 21°, 28° [7 , 29°, 34° [10 , 37° en 43°]10]7, [10 zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel]10 bevoegd en in het geval onder [9 het eerste lid, 18°, 40° en 42°]9 , die te Antwerpen.] <W 1999-04-22/47, art. 52, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999> <W 2007-05-10/33, art. 12, 2°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [In de gevallen onder het eerste lid, 22°, [10 zijn alleen de rechtbanken van eerste aanleg te Brussel]10 bevoegd wanneer de belanghebbende zijn hoofdverblijf niet of niet meer in Belgïe heeft.] <W 28-06-1984, art. 20, §1,4°>

  ----------
  (1)<ORD 2009-04-30/04, art. 1, 167; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<W 2009-07-12/26, art. 3, 169; Inwerkingtreding : 09-11-2009>
  (3)<DWG 2008-07-17/53, art. 81, 171; Inwerkingtreding : 07-08-2008>
  (4)<DWG 2008-07-17/52, art. 58, 175; Inwerkingtreding : 07-08-2008>
  (5)<W 2010-06-02/11, art. 6, 179; Inwerkingtreding : 24-06-2010>
  (6)<W 2010-06-02/40, art. 2, 182; Inwerkingtreding : 01-09-2012 (zie KB 2012-08-25/01, art. 1)>
  (7)<W 2010-06-02/39, art. 11, 183; Inwerkingtreding : 01-03-2010>
  (8)<DVR 2009-05-08/27, art. 15.1.1, 185; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
  (9)<W 2011-07-15/18, art. 2, 192; Inwerkingtreding : 30-11-2010>
  (10)<W 2012-07-19/36, art. 39, 199; Inwerkingtreding : 31-03-2014, zie art. 61, L1 en L2>
  (11)<W 2012-12-04/04, art. 27, 202; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (12)<hersteld door W 2012-12-10/14, art. 44, 203; Inwerkingtreding : 21-01-2013>
  (13)<W 2013-01-10/27, art. 2, 205; Inwerkingtreding : 06-05-2013>
  (14)<W 2013-07-30/21, art. 3, 213; Inwerkingtreding : 26-09-2013>
  (15)<W 2013-06-02/08, art. 17, 214; Inwerkingtreding : 03-10-2013>

  Art. 570. <W 2004-07-16/31, art. 134, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004> De rechtbank van eerste aanleg doet uitspraak, ongeacht de waarde van het geschil, over de vorderingen bedoeld in de artikelen 23, § 1, 27 en 31 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht.
  In afwijking van het eerste lid doet de rechtbank van koophandel uitspraak over de vorderingen bedoeld in artikel 121 van dezelfde wet.

  Art. 571.<W 1999-05-04/03, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 01-11-1999> [1 De rechtbank van eerste aanleg neemt overeenkomstig artikel 544 in hoger beroep kennis van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de tuchtcommissie van gerechtsdeurwaarders die een tuchtstraf heeft uitgesproken, en spreekt in eerste aanleg de hogere tuchtstraffen tegen de gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders uit.]1
  Zij neemt in hoger beroep, overeenkomstig de artikelen 107 en 110 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, kennis van het beroep ingesteld tegen de beslissingen van de Kamer van notarissen die een tuchtstraf van eigen rechtsmacht heeft uitgesproken, en spreekt in eerste aanleg de hogere tuchtstraffen tegen notarissen uit.
  ----------
  (1)<W 2014-01-07/06, art. 3, 216; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

  Art. 572.(Federaal)
  Behalve de installatie van de magistraten en griffiers, waarvan sprake is in artikel 288, vijfde lid, beëdigt de rechtbank van eerste aanleg eveneens:
  1° de notarissen;
  2° de gerechtsdeurwaarders;
  3° de ambtenaren en aangestelden bij het bosbeheer;
  4° de wegenopzichters, de inspecteurs en hoofdinspecteurs van politie belast met de vaststelling van de overtreding van wetten en verordeningen betreffende de spoorwegen, hun exploitatie en politie;
  5° de ambtenaren en beambten belast met de vaststelling van de overtreding van de wet en de verordeningen betreffende het vervoer van uitwijkelingen;
  6° de douanebeambten belast met de vaststelling van de misdrijven gepleegd binnen de omheining van vrije stapelplaatsen;
  7° de directeur en de beambten van de proefbank voor vuurwapens die als officier van gerechtelijke politie zijn aangesteld;
  8° de havenmeesters en de adjunct-havenmeesters;
  9° de hoofdinspecteurs en de inspecteurs van de luchtvaartpolitie;
  10° de beambten van het Hoog Comité van toezicht die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.
  (11° de personen die door vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en van naburige rechten worden aangewezen teneinde alle mogelijke exploitatievormen van een werk of van een prestatie, evenals enige onjuiste verklaring in verband met een dergelijke exploitatie vast te stellen). <W 1994-06-30/35, art. 91, 045; Inwerkingtreding : 1994-07-27>
  [2 In het gerechtelijk arrondissement Brussel beëdigt de Belgo-néerlandaise rechtbank van eerste aanleg of de Franstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taal van het benoemingsbesluit. Indien het benoemingsbesluit opgesteld is in het Nederlands en het Frans, geldt de taal van het diploma.]2
  
   Art. 572. (Vlaamse Overheid)
  Behalve de installatie van de magistraten en griffiers, waarvan sprake is in artikel 288, vijfde lid, beëdigt de rechtbank van eerste aanleg eveneens:
  1° de notarissen;
  2° de gerechtsdeurwaarders;
  3° (de personeelsleden van het Agentschap voor Natuur en Bos die belast zijn met handhaving); <DCFL 2007-12-07/51, art. 10, 157; Inwerkingtreding : 14-01-2008>
  4° de wegenopzichters, de inspecteurs en hoofdinspecteurs van politie belast met de vaststelling van de overtreding van wetten en verordeningen betreffende de spoorwegen, hun exploitatie en politie;
  5° de ambtenaren en beambten belast met de vaststelling van de overtreding van de wet en de verordeningen betreffende het vervoer van uitwijkelingen;
  6° de douanebeambten belast met de vaststelling van de misdrijven gepleegd binnen de omheining van vrije stapelplaatsen;
  7° de directeur en de beambten van de proefbank voor vuurwapens die als officier van gerechtelijke politie zijn aangesteld;
  8° de havenmeesters en de adjunct-havenmeesters;
  9° de hoofdinspecteurs en de inspecteurs van de luchtvaartpolitie;
  10° de beambten van het Hoog Comité van toezicht die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.
  (11° de personen die door vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en van naburige rechten worden aangewezen teneinde alle mogelijke exploitatievormen van een werk of van een prestatie, evenals enige onjuiste verklaring in verband met een dergelijke exploitatie vast te stellen). <W 1994-06-30/35, art. 91, 045; Inwerkingtreding : 1994-07-27>
  [2 In het gerechtelijk arrondissement Brussel beëdigt de Belgo-néerlandaise rechtbank van eerste aanleg of de Franstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taal van het benoemingsbesluit. Indien het benoemingsbesluit opgesteld is in het Nederlands en het Frans, geldt de taal van het diploma.]2
  
  Art. 572. (Waalse Gewest)
   Behalve de installatie van de magistraten en griffiers, waarvan sprake is in artikel 288, vijfde lid, beëdigt de rechtbank van eerste aanleg eveneens:
  1° de notarissen;
  2° de gerechtsdeurwaarders;
  3° [1 de personeelsleden in de zin van het Boswetboek]1;
  4° de wegenopzichters, de inspecteurs en hoofdinspecteurs van politie belast met de vaststelling van de overtreding van wetten en verordeningen betreffende de spoorwegen, hun exploitatie en politie;
  5° de ambtenaren en beambten belast met de vaststelling van de overtreding van de wet en de verordeningen betreffende het vervoer van uitwijkelingen;
  6° de douanebeambten belast met de vaststelling van de misdrijven gepleegd binnen de omheining van vrije stapelplaatsen;
  7° de directeur en de beambten van de proefbank voor vuurwapens die als officier van gerechtelijke politie zijn aangesteld;
  8° de havenmeesters en de adjunct-havenmeesters;
  9° de hoofdinspecteurs en de inspecteurs van de luchtvaartpolitie;
  10° de beambten van het Hoog Comité van toezicht die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie.
  (11° de personen die door vennootschappen voor het beheer van auteursrechten en van naburige rechten worden aangewezen teneinde alle mogelijke exploitatievormen van een werk of van een prestatie, evenals enige onjuiste verklaring in verband met een dergelijke exploitatie vast te stellen). <W 1994-06-30/35, art. 91, 045; Inwerkingtreding : 1994-07-27>
  [2 In het gerechtelijk arrondissement Brussel beëdigt de Belgo-néerlandaise rechtbank van eerste aanleg of de Franstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taal van het benoemingsbesluit. Indien het benoemingsbesluit opgesteld is in het Nederlands en het Frans, geldt de taal van het diploma.]2

  ----------
  (1)<DWG 2008-07-15/44, art. 120, 170; Inwerkingtreding : 14-09-2009>
  (2)<W 2012-07-19/36, art. 40, 199; Inwerkingtreding : 31-03-2014, zie art. 61, L1 en L2>

  Art. 573. De rechtbank van koophandel neemt in eerste aanleg kennis:
  1° van de geschillen tussen kooplieden, die handelingen betreffen die de wet als daden van koophandel aanmerkt en die niet onder de algemene bevoegdheid van de vrederechter (of onder de bevoegdheid van de politierechtbanken) vallen; <W 1994-07-11/33, art. 34, 048; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
  2° (van geschillen betreffende wisselbrieven en orderbriefjes, wanneer het bedrag van de vordering hoger is dan (1.860 EUR).) <W 1992-08-03/31, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 1993-01-01> <KB 2000-07-20/57, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (Het geschil, dat betrekking heeft op een handeling die de wet als daad van koophandel aanmerkt en dat niet onder de algemene bevoegdheid van de vrederechter valt, kan eveneens voor de rechtbank van koophandel worden gebracht, hoewel de eiser niet de hoedanigheid van handelaar heeft. Een beding tot aanwijzing van een bevoegd rechter, gemaakt vóór het ontstaan van het geschil is, in dat opzicht, van rechtswege nietig.) <W 24-06-1970, art. 4, 2>

  Art. 574.De rechtbank van koophandel neemt, zelfs wanneer partijen geen handelaar zijn, kennis:
  1° [van geschillen terzake van een vennootschap beheerst door het Wetboek van vennootschappen, tussen vennootschappen en vennoten, tussen vennoten, tussen vennootschappen en bestuurders of zaakvoerders, tussen bestuurders of zaakvoeders, tussen bestuurders of zaakvoerders en derden, tussen bestuurders of zaakvoerders en vennoten, tussen commissarissen, tussen commissarissen en vennootschappen, tussen commissarissen en bestuurders, zaakvoerders of vennoten, tussen vereffenaars, tussen vereffenaars en derden, tussen vereffenaars en vennootschappen of tussen vereffenaars en vennoten, tussen vennootschappen, vennoten, bestuurders of zaakvoerders, commissarissen of vereffenaars en bedrijfsrevisoren, tussen oprichters, tussen oprichters en vennootschappen, tussen oprichters en derden of tussen oprichters, vennootschappen, vennoten en bestuurders of zaakvoerders;] <W 2009-01-26/31, art. 2, a), 166; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  2° [van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit het faillissement en procedures van gerechtelijke reorganisatie overeenkomstig de voorschriften van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van het faillissement en de procedures van gerechtelijke reorganisatie.] <W 2009-01-26/31, art. 2, b), 166; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  3° van vorderingen betreffende de benamingen van oorsprong [en de geografische aanduidingen]; <W 2007-05-10/33, art. 13, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  4° van vorderingen betreffende de aan de post toevertrouwde diensten;
  5° van vorderingen tot verbetering en doorhaling van inschrijvingen [1 in de Kruispuntbank van Ondernemingen, in de hoedanigheid van handelaar]1;
  6° van vorderingen met het oog op de benoeming van commissarissen voor het nazien van boeken en rekeningen van handelsvennootschappen;
  7° van vorderingen inzake zee- en binnenvaart, en inzonderheid van het onderzoek van de schuldvorderingen bij verdeling van de gelden voortkomend van de toewijzing van een in beslag genomen vaartuig.
  [8° opgeheven] <W 2003-03-24/40, art. 76, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [9° van geschillen inzake de handelingen van de Nationale Loterij die door de wet geacht worden daden van koophandel te zijn.] <W 1991-07-22/33, art. 25, 028; Inwerkingtreding : 01-09-1991>
  [10° van aanvragen tot homologatie van beslissingen tot verplaatsing van de zetel van een [3 vennootschap in vereffening bedoeld in artikel 183, § 3, van het Wetboek van vennootschappen, van de vorderingen tot ontbinding van een vennootschap bedoeld in artikel 182, § 1, van hetzelfde Wetboek en van de aanvragen tot goedkeuring van het verdelingsplan van artikel 190, § 1, van hetzelfde Wetboek]3.] <W 1997-07-17/65, art. 51, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [11° de vorderingen bedoeld in artikel 92 van Verordening nr. 40/94 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk.] <W 1998-02-10/56, art. 2, 060; Inwerkingtreding : 10-07-1998>
  [12° van geschillen tussen emittenten en houders, of tussen houders, van certificaten die betrekking hebben op effecten en zijn uitgegeven overeenkomstig de artikelen 43bis en 124ter van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935.] <W 1999-02-10/41, art. 2, 073; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
  [13° van de vorderingen bedoeld in de artikelen 92, § 7, 159, § 7 en 197, § 8, van de wet van... betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.] <W 2004-07-22/40, art. 13, 130; Inwerkingtreding : 09-03-2005>
  [14° van de vorderingen bedoeld in artikel 81 van Verordening (EG) Nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen.] <W 2005-12-20/36, art. 11, 136; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [15° [van de in artikel 73 van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien bedoelde vorderingen;] <W 2008-07-24/36, art. 10, 161; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  16° van vorderingen bedoeld in artikel 38 van de wet van 20 mei 1975 tot bescherming van kweekproducten;
  17° van vorderingen bedoeld in artikel 16 van de wet van 10 januari 1990 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderproducten;
  18° van vorderingen betreffende merken, met inbegrip van vorderingen betreffende de doorhaling van een collectief merk, en van vorderingen betreffende tekeningen of modellen, bedoeld door het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom [merken en tekeningen of modellen] van 25 februari 2005 goedgekeurd door de wet van 22 maart 2006, behalve deze die door dit verdrag worden voorbehouden aan de bevoegdheid van een ander rechtscollege.] <W 2007-05-10/33, art. 13, 2°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [19° de vordering om te laten vaststellen dat er een cumulatie is van verworven beschermingen voor éénzelfde uitvinding door het Belgische octrooi en door het Europese octrooi, ingesteld bij toepassing van artikel 5 van de wet van 21 april 2007 houdende diverse bepalingen betreffende de procedure voor het indienen van Europese octrooiaanvragen en de gevolgen van deze aanvragen en van de Europese octrooien in België.] <W 2008-07-24/36, art. 10, 161; Inwerkingtreding : 13-12-2007>
  
  [
  TOEKOMSTIG RECHT
  [
  
  Art. 574. De rechtbank van koophandel neemt, zelfs wanneer partijen geen handelaar zijn, kennis:
  1° [van geschillen terzake van een vennootschap beheerst door het Wetboek van vennootschappen, tussen vennootschappen en vennoten, tussen vennoten, tussen vennootschappen en bestuurders of zaakvoerders, tussen bestuurders of zaakvoeders, tussen bestuurders of zaakvoerders en derden, tussen bestuurders of zaakvoerders en vennoten, tussen commissarissen, tussen commissarissen en vennootschappen, tussen commissarissen en bestuurders, zaakvoerders of vennoten, tussen vereffenaars, tussen vereffenaars en derden, tussen vereffenaars en vennootschappen of tussen vereffenaars en vennoten, tussen vennootschappen, vennoten, bestuurders of zaakvoerders, commissarissen of vereffenaars en bedrijfsrevisoren, tussen oprichters, tussen oprichters en vennootschappen, tussen oprichters en derden of tussen oprichters, vennootschappen, vennoten en bestuurders of zaakvoerders;] <W 2009-01-26/31, art. 2, a), 166; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  2° [van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit het faillissement en procedures van gerechtelijke reorganisatie overeenkomstig de voorschriften van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van het faillissement en de procedures van gerechtelijke reorganisatie.] <W 2009-01-26/31, art. 2, b), 166; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  3° van vorderingen betreffende de benamingen van oorsprong [en de geografische aanduidingen]; <W 2007-05-10/33, art. 13, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  4° van vorderingen betreffende de aan de post toevertrouwde diensten;
  5° van vorderingen tot verbetering en doorhaling van inschrijvingen [1 in de Kruispuntbank van Ondernemingen, in de hoedanigheid van handelaar]1;
  6° van vorderingen met het oog op de benoeming van commissarissen voor het nazien van boeken en rekeningen van handelsvennootschappen;
  7° van vorderingen inzake zee- en binnenvaart, en inzonderheid van het onderzoek van de schuldvorderingen bij verdeling van de gelden voortkomend van de toewijzing van een in beslag genomen vaartuig.
  [8° opgeheven] <W 2003-03-24/40, art. 76, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [9° van geschillen inzake de handelingen van de Nationale Loterij die door de wet geacht worden daden van koophandel te zijn.] <W 1991-07-22/33, art. 25, 028; Inwerkingtreding : 01-09-1991>
  [10° van aanvragen tot homologatie van beslissingen tot verplaatsing van de zetel van een vennootschap in vereffening.] <W 1997-07-17/65, art. 51, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [11° de vorderingen bedoeld in artikel 92 van Verordening nr. 40/94 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk.] <W 1998-02-10/56, art. 2, 060; Inwerkingtreding : 10-07-1998>
  [12° van geschillen tussen emittenten en houders, of tussen houders, van certificaten die betrekking hebben op effecten en zijn uitgegeven overeenkomstig de artikelen 43bis en 124ter van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935.] <W 1999-02-10/41, art. 2, 073; Inwerkingtreding : 08-06-1999>
  [13° van de vorderingen bedoeld in de artikelen 92, § 7, 159, § 7 en 197, § 8, van de wet van... betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.] <W 2004-07-22/40, art. 13, 130; Inwerkingtreding : 09-03-2005>
  [14° van de vorderingen bedoeld in artikel 81 van Verordening (EG) Nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen.] <W 2005-12-20/36, art. 11, 136; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [15° [van de in artikel 73 van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien bedoelde vorderingen;] <W 2008-07-24/36, art. 10, 161; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  16° van vorderingen bedoeld in [2 artikel 54 van de wet van...]2 tot bescherming van kweekproducten;
  17° van vorderingen bedoeld in artikel 16 van de wet van 10 januari 1990 betreffende de rechtsbescherming van topografieën van halfgeleiderproducten;
  18° van vorderingen betreffende merken, met inbegrip van vorderingen betreffende de doorhaling van een collectief merk, en van vorderingen betreffende tekeningen of modellen, bedoeld door het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom [merken en tekeningen of modellen] van 25 februari 2005 goedgekeurd door de wet van 22 maart 2006, behalve deze die door dit verdrag worden voorbehouden aan de bevoegdheid van een ander rechtscollege.] <W 2007-05-10/33, art. 13, 2°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [19° de vordering om te laten vaststellen dat er een cumulatie is van verworven beschermingen voor éénzelfde uitvinding door het Belgische octrooi en door het Europese octrooi, ingesteld bij toepassing van artikel 5 van de wet van 21 april 2007 houdende diverse bepalingen betreffende de procedure voor het indienen van Europese octrooiaanvragen en de gevolgen van deze aanvragen en van de Europese octrooien in België.] <W 2008-07-24/36, art. 10, 161; Inwerkingtreding : 13-12-2007>

  ----------
  (1)<W 2009-12-30/13, art. 14, 172; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2011-01-10/06, art. 69, 189; Inwerkingtreding : onbepaald>
  (3)<W 2012-04-22/02, art. 2, 197; Inwerkingtreding : 17-05-2012>

  Art. 575. <Hersteld bij W 2007-05-10/33, art. 14, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007> § 1. De rechtbank van koophandel is bevoegd voor de vorderingen tussen handelaars met betrekking tot het auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van databanken.
  Als de eiser geen handelaar is, kan de vordering voor de rechtbank van koophandel worden gebracht, indien de verweerder een handelaar is.
  Ongeacht de hoedanigheid van de eiser, wordt de vordering voor de rechtbank van eerste aanleg gebracht, als de verweerder geen handelaar is.
  § 2. De op grond van § 1 bevoegde rechtbanken zijn onder dezelfde voorwaarden bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen met betrekking tot de rechtsbescherming van technische maatregelen en van de informatie betreffende het beheer van rechten bedoeld in de artikelen 79bis en 79ter van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, en in de artikelen 12bis en 12ter van de wet van 31 augustus 1998 tot omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken.
  § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de vorderingen die overeenkomstig artikel 590 tot de bevoegdheid van de vrederechters behoren.
  De rechtbank van eerste aanleg neemt in hoger beroep kennis van de vonnissen in eerste aanleg gewezen door de vrederechter inzake de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in paragrafen 1 en 2, tenzij het gaat om een geschil tussen handelaars, in welk geval het hoger beroep voor de rechtbank van koophandel wordt gebracht.

  Art. 576. De rechtbank van koophandel wijst de beëdigde wegers, scheepsmeters of meters voor zee- binnenschepen aan en neemt hun eed af.
  Zij neemt ook de eed af van:
  (1° de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren;) <W 1999-05-03/30, art. 56, 077; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  2° de bedrijfsrevisoren.

  Art. 577. De rechtbank van eerste aanleg neemt in hoger beroep kennis van de vonnissen (in eerste aanleg gewezen door de vrederechter en, in de gevallen bepaald bij artikel 601bis, door de politierechtbank). <W 1994-07-11/33, art. 35, 048; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
  Hoger beroep tegen de beslissingen, door de vrederechter in eerste aanleg gewezen inzake geschillen tussen kooplieden betreffende de handelingen die de wet als daden van koophandel aanmerkt of inzake geschillen betreffende wisselbrieven, wordt evenwel gebracht voor de rechtbank van koophandel.

  Art. 578.(NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) De arbeidsrechtbank neemt kennis:
  1° van geschillen inzake arbeidsovereenkomsten met inbegrip van die welke betrekking hebben op schending van het fabrieksgeheim gedurende die overeenkomst;
  2° van geschillen inzake leerovereenkomsten;
  3° (van de individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten;) <W 5-12-1968, art. 67>
  4° van geschillen tussen werknemers naar aanleiding van het werk;
  5° van geschillen betreffende de overeenkomst voor versnelde beroepsopleiding;
  6° van geschillen tussen de personen die samen een beroep uitoefenen waarbij hoofdzakelijk handenarbeid wordt verricht, en inzonderheid tussen een schipper ter visserij en de schepelingen die zijn vennoten zijn;
  7° van geschillen van burgerlijke aard die het gevolg zijn van een overtreding van de wetten en besluiten betreffende de arbeidsreglementering en de aangelegenheden onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, onverminderd de toepassing van de wetsbepalingen die deze bevoegdheid verlenen aan de strafgerechten wanneer een strafvordering voor hen aanhangig is.
  8° (de geschillen die hun oorzaak vinden :
  a) in titel V betreffende gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van arbeidsvoorwaarden en de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de toegang tot een zelfstandig beroep van de wet van 4 augustus 1978 tot economisch heroriëntering en in haar uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van die bedoeld in artikel 581, 3°, a), en van die welke betrekking hebben op de toegang tot het onderwijs in de beroepsopleiding verstrekt door het openbaar of privaat onderwijs;
  b) in het decreet van 8 mei 2002 van het Vlaams Parlement houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en zijn uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van die bedoeld in artikel 581, 3°, b).) <W 2003-04-08/33, art. 139, 098; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  (9° van de geschillen betreffende de hoedanigheid van de werknemers en het behoud van hun rechten ingevolge de overdracht van de onderneming of van een gedeelte ervan, (bedoeld in de artikelen 59 tot 70 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen).) <W 1997-07-17/65, art. 52, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 2009-01-26/31, art. 3, a) 166; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  10° (van de geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen mannen en vrouwen en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 6, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet, met uitzondering van de geschillen bedoeld in artikel 581, 9°, en onder voorbehoud van de bevoegdheden van de Raad van State, zoals bepaald door de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State;) <W 2007-05-10/37, art. 2, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (11° van de geschillen betreffende [3 psychosociale risico's op het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk]3,die hun oorzaak vinden in hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk..) <W 2002-06-17/35, art. 5, 096; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (12° van de geschillen die hun oorzaak vinden in de wet van... betreffende de bescherming van de preventieadviseurs en die betrekking hebben op :
  a) werknemers;
  b) zelfstandigen.) <W 2002-12-20/52, art. 4, 107; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  13° (van de geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 5, § 1, 4° en 5° van voormelde wet, met uitzondering van de geschillen bedoeld in artikel 581, 10°, en onder voorbehoud van de bevoegdheden van de Raad van State, zoals bepaald door de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State.) <W 2007-05-10/37, art. 3, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (14° van vorderingen betreffende de collectieve schuldenregeling;) <L 2005-12-13/36, art. 5, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  15° (van de geschillen op basis van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 5, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet, met uitzondering van de geschillen bedoeld in artikel 581, 11°, en onder voorbehoud van de bevoegdheden van de Raad van State, zoals bepaald door de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State;) <W 2007-05-10/37, art. 4, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  ((16°) (oude tweede 10°) van betwistingen op grond van de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd.) <W 2003-01-28/42, art. 16, 114; Inwerkingtreding : 19-04-2003> <W 2005-12-13/36, art. 5, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  (17° van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, bedoelde rechtsvordering.) <W 2006-12-03/41, art. 13, 142; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
  (18° van de vorderingen tot schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 61, § 3, derde lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen;
  19° van de verzoeken tot homologatie zoals bedoeld in artikel 61, § 5, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen.) <W 2009-01-26/31, art. 3, b), 166; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  [2 21° van de geschillen tussen de werknemer en degene die hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van het loon met toepassing van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]2
  
  Art. 578. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  De arbeidsrechtbank neemt kennis:
  1° van geschillen inzake arbeidsovereenkomsten met inbegrip van die welke betrekking hebben op schending van het fabrieksgeheim gedurende die overeenkomst;
  2° van geschillen inzake leerovereenkomsten;
  3° (van de individuele geschillen betreffende de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten;) <W 5-12-1968, art. 67>
  4° van geschillen tussen werknemers naar aanleiding van het werk;
  5° van geschillen betreffende de overeenkomst voor versnelde beroepsopleiding;
  6° van geschillen tussen de personen die samen een beroep uitoefenen waarbij hoofdzakelijk handenarbeid wordt verricht, en inzonderheid tussen een schipper ter visserij en de schepelingen die zijn vennoten zijn;
  7° van geschillen van burgerlijke aard die het gevolg zijn van een overtreding van de wetten en besluiten betreffende de arbeidsreglementering en de aangelegenheden onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank, onverminderd de toepassing van de wetsbepalingen die deze bevoegdheid verlenen aan de strafgerechten wanneer een strafvordering voor hen aanhangig is.
  8° (de geschillen die hun oorzaak vinden :
  a) in titel V betreffende gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van arbeidsvoorwaarden en de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de toegang tot een zelfstandig beroep van de wet van 4 augustus 1978 tot economisch heroriëntering en in haar uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van die bedoeld in artikel 581, 3°, a), en van die welke betrekking hebben op de toegang tot het onderwijs in de beroepsopleiding verstrekt door het openbaar of privaat onderwijs;
  b) in het decreet van 8 mei 2002 van het Vlaams Parlement houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en zijn uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van die bedoeld in artikel 581, 3°, b).) <W 2003-04-08/33, art. 139, 098; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  (9° van de geschillen betreffende de hoedanigheid van de werknemers en het behoud van hun rechten ingevolge de overdracht van de onderneming of van een gedeelte ervan, bedoeld in hoofdstuk IV van titel III van de wet betreffende het gerechtelijk akkoord.) <W 1997-07-17/65, art. 52, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  10° (van de geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen mannen en vrouwen en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 6, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet, met uitzondering van de geschillen bedoeld in artikel 581, 9°, en onder voorbehoud van de bevoegdheden van de Raad van State, zoals bepaald door de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State;) <W 2007-05-10/37, art. 2, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (11° van de geschillen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gestus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.) <W 2002-06-17/35, art. 5, 096; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (12° van de geschillen die hun oorzaak vinden in de wet van... betreffende de bescherming van de preventieadviseurs en die betrekking hebben op :
  a) werknemers;
  b) zelfstandigen.) <W 2002-12-20/52, art. 4, 107; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  13° (van de geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 5, § 1, 4° en 5° van voormelde wet, met uitzondering van de geschillen bedoeld in artikel 581, 10°, en onder voorbehoud van de bevoegdheden van de Raad van State, zoals bepaald door de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State.) <W 2007-05-10/37, art. 3, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (14° van vorderingen betreffende de collectieve schuldenregeling;) <L 2005-12-13/36, art. 5, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  15° (van de geschillen op basis van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 5, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet, met uitzondering van de geschillen bedoeld in artikel 581, 11°, en onder voorbehoud van de bevoegdheden van de Raad van State, zoals bepaald door de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State;) <W 2007-05-10/37, art. 4, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  ((16°) (oude tweede 10°) van betwistingen op grond van de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd.) <W 2003-01-28/42, art. 16, 114; Inwerkingtreding : 19-04-2003> <W 2005-12-13/36, art. 5, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  (17° van de in artikel 138bis, § 2, eerste lid, bedoelde rechtsvordering.) <W 2006-12-03/41, art. 13, 142; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
  ([1 20°]1 (het oude 18° hernummerd tot 20°) van geschillen over discriminatie, in de zin van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid.) <DVR 2008-07-10/56, art. 44, 162; Inwerkingtreding : 03/10/2008>
  [2 21° van de geschillen tussen de werknemer en degene die hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van het loon met toepassing van hoofdstuk VI/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]2

  ----------
  (1)<DVR 2011-06-10/05, art. 2, 190; Inwerkingtreding : 14-07-2011>
  (2)<W 2012-03-29/09, art. 2, 195; Inwerkingtreding : 16-04-2012>
  (3)<W 2014-03-28/21, art. 6, 221; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 579. <W 24-06-1969, art. 12> De arbeidsrechtbank neemt kennis:
  1° van de vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit arbeidsongevallen, uit ongevallen op de weg van en naar het werk en uit beroepsziekten:
  2° van de vorderingen betreffende de schadevergoeding wegens arbeidsongevallen, welke zich tussen 10 mei 1940 en 30 september 1944, onder de gelding van de Duitse wetgeving voorgedaan hebben in de door het Duitse Rijk aangehechte Belgische gebieden;
  3° van de vorderingen betreffende de toelagen toegekend door het Fonds voor arbeidsongevallen en het Fonds voor de beroepsziekten;
  4° (van de vorderingen betreffende de vergoeding van schade voortkomende uit nijverheidsongevallen en landbouwongevallen in het raam van de verzekering tegen nijverheidsongevallen van de kantons Eupen, Malmédy en Sankt-Vith en van de verzekering tegen landbouwongevallen van de kantons Eupen, Malmédy en Sankt-Vith.) <W 16-08-1971, art. 8>
  (5° van de vorderingen tot vergoedingen van een door in 1° omschreven feit ontstane schade, gegrond op een verzekeringspolis naar gemeen recht, die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wordt gesloten ten voordele van de stagiairs in beroepsopleiding.) <W 2005-12-13/36, art. 6, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  (6° van de betwistingen in verband met de tegemoetkomingen van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers, ingesteld bij de programmawet (I) van 27 december 2006.) <W 2006-12-27/30, art. 126, 143; Inwerkingtreding : 01-04-2007>

  Art. 580.De arbeidsrechtbank neemt kennis:
  1° van geschillen betreffende (de verplichtingen van de werkgevers en van de personen die met hen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de bijdragen), opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid, (gezinsbijslag,) werkloosheid, verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, rust- en overlevingspensioen, jaarlijkse vakantie, bestaanszekerheid, (sluiting van ondernemingen) en door de verordeningen waarbij sociale voordelen aan de werknemers en leerlingen worden toegekend; <W 04-08-1978, art. 70> <W 12-05-1971, art. 1, 1°> <W 28-07-1971, art. 22>
  2° van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers en leerlingen en hun rechtverkrijgenden, welke voortvloeien uit de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°;
  3° van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de personen (en hun rechtverkrijgenden) die, buiten een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst, het voordeel genieten van de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°; <W 12-05-1971, art. 1, 2°>
  4° van geschillen tussen de instellingen belast met de toepassing van de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°, betreffende de rechten en verplichtingen die daaruit voor die instellingen voortvloeien;
  5° (.....) <W 30-06-1971, art. 16>
  6° van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de personen (en hun rechtverkrijgenden) die een maatschappelijke verzekering hebben aangegaan krachtens: <W 12-05-1971, art. 1, 3°>
  a) de wet van 23 juni 1894 houdende herziening van de wet van 3 april 1851 op de mutualiteitsverenigingen;
  b) de wet van 12 februari 1963 betreffende de inrichting van een ouderdoms- en overlevingspensioenregeling ten behoeve van de vrijwillig verzekerden;
  c) de wet van 17 juli 1963 betreffende overzeese sociale zekerheid;
  d) [1 artikelen 3, eerste lid, b) of c) of 7, § 2, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen of artikel 67, vijfde lid, van de wet van 26 april 2010 houdende diverse bepalingen inzake de organisatie van de aanvullende ziekteverzekering (I), bij een ziekenfonds, een landsbond van ziekenfondsen of een maatschappij van onderlinge bijstand, bedoeld in artikel 70, §§ 1 of 2, eerste en tweede lid, van voormelde wet van 6 augustus 1990;]1
  7° van geschillen betreffende het stelsel van maatschappelijke zekerheid waarvan de prestaties gewaarborgd zijn bij de wet van 16 juni 1960 dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd;
  8° (van de geschillen betreffende de toepassing van:
  a) de wet tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden. Zij past, op verzoek (van de Rijksdienst voor werknemerspensioenen), de in artikel 13 van voormelde wet bepaalde sancties toe; <W 05-01-1976, art. 121>
  b) de wet tot instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag. Zij past, op verzoek ((van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers)), de in artikel 8 van voormelde wet bepaalde sancties toe;) <W 20-07-1971, art. 12> <W 05-01-1976, art. 121> <KB242 31-12-1983, art. 10>
  c) (de wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum, voor wat betreft de geschillen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde van het bestaansminimum alsmede betreffende de toepassing van de administratieve sancties bepaald in de desbetreffende wetgeving.) <W 07-08-1974, art. 21, § 1>
  (de wet van 26 mei 2002 tot instelling van het recht op maatschappelijke integratie, inzake de geschillen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde van de maatschappelijke integratie, alsmede de toepassing van de administratieve sancties bepaald in de desbetreffende wetgeving.) <W 2002-05-26/47, art. 48, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  (d) de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, inzake de betwistingen betreffende de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde, van de maatschappelijke dienstverlening, en de toepassing van de administratieve sancties bepaald door de wetgeving ter zake.) <W 1993-01-12/34, art. 17, 039; Inwerkingtreding : 1993-01-01>
  (e) de wet tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen.) <W 2001-03-22/31, art. 3, 089; Inwerkingtreding : 01-06-2001>
  (f) de wet van 12 januari 2007 betreffende opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen wat betreft de geschillen betreffende elke schending van de rechten die aan de begunstigden van de opvang worden gewaarborgd door de boeken II en III van voormelde wet.) <W 2007-04-21/57, art. 2, 146; Inwerkingtreding : 07-05-2007>
  9° (van de geschillen betreffende de toekenning van de rentebijslag aan de begunstigden met een vervroegd rustpensioen.) W 20-06-1975, art. 9>
  10° (van de geschillen betreffende de toekenning van het bijzonder brugpensioen bedoeld in artikel 5 van het hoofdstuk III van de wet van 22 december 1977.) <W 22-12-1977, art. 107>
  11° (van de geschillen betreffende de toekenning van het brugpensioen aan bejaarde invaliden, bedoeld bij afdeling 6 van het hoofdstuk V van de wet van 22 december 1977.) <W 22-12-1977, art. 166, § 1>
  12° (de betwistingen betreffende de verplichting van de sociaal verzekerden om een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te storten krachtens hoofdstuk III van de wet van 28 december 83, houdende fiscale en begrotingsbepalingen) <W 28-12-1983, art. 69>
  (13° van de geschillen betreffende de bijzondere werkgeversbijdrage op het conventioneel brugpensioen bedoeld in hoofdstuk IV van de programmawet van 22 december 1989.) <W 1989-12-22/31, art. 271, 020; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  (14° van de betwistingen betreffende de rechten en plichten voortvloeiend uit de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, met uitzondering van de betwistingen betreffende de toepassing van de algemene beginselen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (en die bedoeld in artikel 14 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.) ) <W 1990-01-15/31, art. 78, §1, 023; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <W 1990-12-29/30, art. 152, 025; Inwerkingtreding : 1991-01-01> <W 1992-12-08/32, art. 46, 041; Inwerkingtreding : 01-09-1993>
  (15° van de geschillen betreffende de toelage aan de werkgevers voor het in dienst houden van werknemers getroffen door een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval waardoor het voor deze werknemers definitief onmogelijk wordt om het overeengekomen werk te verrichten, bedoeld in titel II, hoofdstuk VI, van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.) <W 1990-12-29/30, art. 152, 025; Inwerkingtreding : 1991-01-01>
  (16° van geschillen betreffende de verplichtingen van de hoofdaannemers en onderaannemers bedoeld bij (artikel 30bis) van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <W 1991-07-20/31, art. 27, 031; Inwerkingtreding : 01-07-1991> <W 2003-12-22/42, art. 240, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  (17° van de geschillen betreffende de premie ter compensatie van de sociale zekerheidsbijdragen bedoeld in artikel 144 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 1992-12-30/40, art. 148, 038; Inwerkingtreding : 1993-01-01>
  (18° van de gevallen waarin beroep wordt ingesteld tegen de beslissingen van het bureau voor juridische bijstand.) <W 1998-11-23/34, art. 5, 066; Inwerkingtreding : 31-12-1999>
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/39, art. 12, 183; Inwerkingtreding : 01-03-2010>

  Art. 581.(FEDERALE TEKST)
  (De arbeidsrechtbank neemt kennis:
  1° van geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut , familiale uitkeringen , verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust - en overlevingspensioen ten voordele van de zelfstandigen;
  2° van de geschillen betreffende de rechten die voortvloeien uit deze wetten en verordeningen;) <W 30-06-1971 , art. 17>
  3° (de geschillen die hun oorzaak vinden :
  a) in titel V betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de toegang tot een zelfstandig beroep van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering en in haar uitvoeringsbesluiten die op de zelfstandige beroepen betrekking hebben;
  b) in het decreet van 8 mei 2002 van het Vlaams Parlement houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en zijn uitvoeringsbesluiten die op de zelfstandige beroepen betrekking hebben.) <W 2003-04-08/33, art. 140, 098; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  4° (de geschillen inzake de verplichting, voor de genieters van bedrijfsinkomsten die niet aan de index van de consumptieprijzen gebonden zijn, een sociale-solidariteitsbijdrage krachtens de koninklijke besluiten nr. 12 van 26 februari 1982 en nr. 186 van 30 december 1982 te storten;
  5° de geschillen inzake de verplichting, voor de zelfstandigen, een bijdrage tot matiging van de inkomsten krachtens het koninklijk besluit nr. 289 van 31 maart 1984 te storten;
  6° de geschillen inzake de verplichting voor de alleenstaanden en de gezinnen zonder kinderen, in de sector der zelfstandigen, een bijzondere bijdrage te storten krachtens de koninklijke besluiten nr. 38 van 30 maart 1982, nr. 160 van 30 december 1982, nr. 218 van 7 november 1983 en nr. 290 van 31 maart 1984.) <W 1985-08-01/30, art. 93, 005>
  (7° van de geschillen betreffende de toepassing van het koninklijk besluit n° 464 van 25 september 1986 tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen.) <KBN464 1986-09-25/32, art. 12, 011; inwerkingtreding 01-01-1987>
  (8° van de geschillen inzake de verplichting voor de vennootschappen tot het betalen van een bijdrage bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen krachtens hoofdstuk III van titel III van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en krachtens hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 1992-12-30/40, art. 102, 038; Inwerkingtreding : 1992-07-01>
  9° (van de geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen mannen en vrouwen, die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 6, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet en die betrekking hebben op zelfstandige beroepen;) <W 2007-05-10/37, art. 5, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  10° (van de geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid in de zin van artikel 5, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet en die betrekking hebben op zelfstandige beroepen;) <W 2007-05-10/37, art. 6, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (11° van de geschillen op basis van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 5, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet en die betrekking hebben op zelfstandige beroepen.) <W 2007-05-10/37, art. 7, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  [2 13° de betwistingen betreffende de verplichting voor de rechtspersonen om een bijzondere bijdrage, bestemd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen te betalen, krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 1 van titel 6 van de programmawet van 22 juni 2012.]2
  
  Art. 581. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  (De arbeidsrechtbank neemt kennis:
  1° van geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake sociaal statuut , familiale uitkeringen , verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en uitkeringen inzake rust - en overlevingspensioen ten voordele van de zelfstandigen;
  2° van de geschillen betreffende de rechten die voortvloeien uit deze wetten en verordeningen;) <W 30-06-1971 , art. 17>
  3° (NOTA : nadat art. 581, 3° bij het Vlaamse decreet DVR 2002-05-08/44, art. 18, gewijzigd werd met inwerkingtredingdatum 01-10-2002 werd het bij de federale wet 2003-04-08/33, art. 140, gewijzigd met dezelfde inwerkingtredingdatum 01-10-2002. De nieuwe federale vorm neemt trouwens de wijziging op die door het Vlaamse decreet aangebracht werd. Zie hoger de federale vorm van het artikel.) (de geschillen m.b.t. de toepassing van het decreet houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en zijn uitvoeringsbesluiten.) <DVR 2002-05-08/44, art. 18, 098; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  4° (de geschillen inzake de verplichting, voor de genieters van bedrijfsinkomsten die niet aan de index van de consumptieprijzen gebonden zijn, een sociale-solidariteitsbijdrage krachtens de koninklijke besluiten nr. 12 van 26 februari 1982 en nr. 186 van 30 december 1982 te storten;
  5° de geschillen inzake de verplichting, voor de zelfstandigen, een bijdrage tot matiging van de inkomsten krachtens het koninklijk besluit nr. 289 van 31 maart 1984 te storten;
  6° de geschillen inzake de verplichting voor de alleenstaanden en de gezinnen zonder kinderen, in de sector der zelfstandigen, een bijzondere bijdrage te storten krachtens de koninklijke besluiten nr. 38 van 30 maart 1982, nr. 160 van 30 december 1982, nr. 218 van 7 november 1983 en nr. 290 van 31 maart 1984.) <W 1985-08-01/30, art. 93, 005>
  (7° van de geschillen betreffende de toepassing van het koninklijk besluit n° 464 van 25 september 1986 tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen.) <KBN464 1986-09-25/32, art. 12, 011; inwerkingtreding 01-01-1987>
  (8° van de geschillen inzake de verplichting voor de vennootschappen tot het betalen van een bijdrage bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen krachtens hoofdstuk III van titel III van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en krachtens hoofdstuk II van titel III van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 1992-12-30/40, art. 102, 038; Inwerkingtreding : 1992-07-01>
  9° (van de geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen mannen en vrouwen, die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 6, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet en die betrekking hebben op zelfstandige beroepen;) <W 2007-05-10/37, art. 5, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  10° (van de geschillen op basis van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid in de zin van artikel 5, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet en die betrekking hebben op zelfstandige beroepen;) <W 2007-05-10/37, art. 6, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (11° van de geschillen op basis van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en die betrekking hebben op de arbeidsbetrekkingen en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, in de zin van artikel 5, § 1, 4° en 5°, van voormelde wet en die betrekking hebben op zelfstandige beroepen.) <W 2007-05-10/37, art. 7, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  [1 12° van de geschillen over discriminatie, in de zin van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid.]1

  [2 13° de betwistingen betreffende de verplichting voor de rechtspersonen om een bijzondere bijdrage, bestemd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen te betalen, krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 1 van titel 6 van de programmawet van 22 juni 2012.]2
  ----------
  (1)<DVR 2011-06-10/05, art. 3, 190; Inwerkingtreding : 14-07-2011>
  (2)<W 2012-06-22/02, art. 33, 198; Inwerkingtreding : 08-07-2012>

  Art. 582.(FEDERALE TEKST)
  De arbeidsrechtbank neemt kennis:
  1° [van de geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen aan personen met een handicap alsmede van de betwistingen inzake medische onderzoeken uitgevoerd met het oog op de toekenning van sociale of fiscale voordelen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn afgeleid van een sociaal recht of van de sociale bijstand;] <W 2002-12-24/32, art. 11, 105; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
  2° van de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wet betreffende de sociale reclassering van de minder-validen;
  3° [van geschillen betreffende de instelling en de werking van de ondernemingsraden;
  4° van geschillen betreffende de instelling en de werking van de diensten en comités voor veiligheid , gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen , met inbegrip van de diensten en comités ingesteld in mijnen , groeven en graverijen.] <W 30-06-1971 , art. 18>
  5° [van de geschillen betreffende afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen] <KBN424 1986-08-01/31, art. 31, 009>
  [6° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van de Europese ondernemingsraden en betreffende de procedures ter informatie en raadpleging die ervan in de plaats komen, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 23 april 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.] <W 1998-04-23/46, art. 5, 059; Inwerkingtreding : 22-09-1996>
  [7° van de geschillen betreffende artikel 7, § 1, derde lid, q) , van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.] <W 2002-12-24/32, art. 7, 105; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  [8° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan alsook betreffende de procedures aangaande de rol van de werknemers in de Europese vennootschap, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 17 september 2005 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap.] <W 2005-09-17/72, art. 5, 133 ; Inwerkingtreding : 05-11-2005>
  [9° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan alsook betreffende de procedures aangaande de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 9 mei 2008 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap.] <W 2008-05-09/80, art. 5, 159; Inwerkingtreding : 02-08-2008>
  [10° van de geschillen betreffende artikel 7, § 1, derde lid, zb), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  11° van de geschillen betreffende artikel 7, § 1, derde lid, k), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.] <W 2008-12-22/34, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [1 12° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan alsook betreffende de procedures aangaande de medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen;]1
  [2 13° (NOTA : de W 2010-06-02/38, art. 4, vult art. 582 aan met een 3°. Justel vermoedt dat "13°" in plaats van "3°" dient te worden gelezen.) betwistingen betreffende Hoofdstuk IX van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid;]2
  [4 14° van de geschillen betreffende de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, met uitzondering van de geschillen die betrekking hebben op de toekenning, de weigering of de intrekking van een erkenning.]4
  
  Art. 582. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  De arbeidsrechtbank neemt kennis:
  1° [van de geschillen over de rechten ten aanzien van tegemoetkomingen aan personen met een handicap alsmede van de betwistingen inzake medische onderzoeken uitgevoerd met het oog op de toekenning van sociale of fiscale voordelen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn afgeleid van een sociaal recht of van de sociale bijstand;] <W 2002-12-24/32, art. 11, 105; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
  2° van de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de wet betreffende de sociale reclassering van de minder-validen [en van de geschillen betreffende de inschrijving en de toekenning van bijstand tot sociale integratie voortvloeiend uit de toepassing van het decreet van 27 juni 1990 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een handicap] [en bij decreet van 7 mei 2004 houdende oprichting van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap] [en van de geschillen voortvloeiend uit artikel 5, § 1, 5°, a en b, van het decreet tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding] Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " [3 en van de geschillen betreffende het recht op tenlastenemingen, vermeld in artikel 3 van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering]3 [5 en van de geschillen betreffende het recht op tegemoetkomingen, vermeld in artikel 3 van het decreet van 13 juli 2012 houdende de Vlaamse sociale bescherming]5 <DVR 1997-11-12/33, art. 2, 055; Inwerkingtreding : 20-12-1997> <DVR 2004-05-07/62, art. 33, 124; Inwerkingtreding : 01-04-2006> <DVR 2008-11-21/48, art. 79, 165; Inwerkingtreding : 01-10-2008>
  3° [van geschillen betreffende de instelling en de werking van de ondernemingsraden;
  4° van geschillen betreffende de instelling en de werking van de diensten en comités voor veiligheid , gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen , met inbegrip van de diensten en comités ingesteld in mijnen , groeven en graverijen.] <W 30-06-1971 , art. 18>
  5° [van de geschillen betreffende afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen] <KBN424 1986-08-01/31, art. 31, 009>
  [6° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van de Europese ondernemingsraden en betreffende de procedures ter informatie en raadpleging die ervan in de plaats komen, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 23 april 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.] <W 1998-04-23/46, art. 5, 059; Inwerkingtreding : 22-09-1996>
  [7° van de geschillen betreffende artikel 7, § 1, derde lid, q) , van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.] <W 2002-12-24/32, art. 7, 105; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  [8° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan alsook betreffende de procedures aangaande de rol van de werknemers in de Europese vennootschap, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 17 september 2005 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap.] <W 2005-09-17/72, art. 5, 133 ; Inwerkingtreding : 05-11-2005>
  [9° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan alsook betreffende de procedures aangaande de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 9 mei 2008 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap.] <W 2008-05-09/80, art. 5, 159; Inwerkingtreding : 02-08-2008>
  [10° van de geschillen betreffende artikel 7, § 1, derde lid, zb), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  11° van de geschillen betreffende artikel 7, § 1, derde lid, k), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;] <W 2008-12-22/34, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [1 12° van de geschillen betreffende de instelling en de werking van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan alsook betreffende de procedures aangaande de medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen, met uitzondering van de bijzondere procedure ingesteld bij artikel 3 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen;]1
  [2 13° (NOTA : de W 2010-06-02/38, art. 4, vult art. 582 aan met een 3°. Justel vermoedt dat "13°" in plaats van "3°" dient te worden gelezen.) betwistingen betreffende Hoofdstuk IX van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid;]2
  [4 14° van de geschillen betreffende de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, met uitzondering van de geschillen die betrekking hebben op de toekenning, de weigering of de intrekking van een erkenning.]4

  ----------
  (1)<W 2009-06-19/16, art. 5, 168; Inwerkingtreding : 08-08-2009>
  (2)<W 2010-06-02/38, art. 4, 181; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (3)<DVR 2011-03-25/17, art. 10, 188; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
  (4)<W 2011-07-04/04, art. 1, 191; Inwerkingtreding : 19-07-2011>
  (5)<DVR 2012-07-13/35, art. 49, 201; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 583.<W 30-06-1971, art. 19> De arbeidsrechtbank neemt kennis van de toepassing der administratieve sancties bepaald bij de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 578 tot 582 en [2 van de toepassing van administratieve geldboeten bedoeld in het Sociaal Strafwetboek]2.
  [De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen betreffende de sociale identiteitskaart, ingevoerd door het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.] <W 1999-01-25/32, art. 90, 068; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
  [De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen betreffende de compensatoire vergoeding bedoeld in artikel 132, vierde lid van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.] <KBN443 1986-08-14/30, art. 2, 010>
  [De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen betreffende de individuele bestuurshandelingen inzake het verlenen, het schorsen en het intrekken van de erkenning als havenarbeider, genomen in toepassing van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid.] <W 1998-02-13/33, art. 3, 056; Inwerkingtreding : 01-03-1998>
  [De arbeidsrechtbank neemt kennis van de geschillen inzake het opleggen van de administratieve geldboetes, waarin voorzien wordt [1 het hoofdstuk VII, afdeling 1, van]1 door de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.] <W 2005-12-13/36, art. 8, 128; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  ----------
  (1)<W 2010-06-02/39, art. 13, 183; Inwerkingtreding : 01-03-2010>
  (2)<W 2010-06-06/06, art. 12, 184; Inwerkingtreding : 01-07-2011>

  Afdeling II. _ Voorzitters van de rechtbanken.

  Art. 584. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.
  De voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van koophandel kunnen bij voorraad uitspraak doen in gevallen die zij spoedeisend achten, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren.
  De zaak wordt vóór de voorzitter aanhangig gemaakt in kort geding of, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, bij verzoekschrift.
  De voorzitter kan onder meer:
  1° sekwesters aanstellen;
  2° om het even welke vaststellingen of deskundige onderzoekingen bevelen, zelfs met raming van de schade en opsporing van de oorzaken ervan;
  3° alle nodige maatregelen bevelen tot vrijwaring van de rechten van hen die de nodige voorzieningen niet kunnen treffen, met inbegrip van de verkoop van roerende goederen die heerloos of verlaten zijn;
  4° bevelen dat een of meer getuigen worden gehoord wanneer een partij van een kennelijk belang doet blijken, zelfs met het oog op een toekomstig geschil, indien vaststaat dat het bij enige vertraging van dat verhoor te vrezen is dat het getuigenis niet meer zal kunnen worden afgenomen.
  (5° bevelen, in geval van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht bepaald bij artikel 1369bis /1, begaan op commerciële schaal, en op verzoek van de houder van het recht die omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, om ten bewarende titel beslag te laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden. De voorzitter, die uitspraak doet over deze vordering, gaat na :
  1) of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is;
  2) of de inbreuk op het betrokken intellectueel recht niet redelijkerwijze betwist kan worden;
  3) of, na de betrokken belangen, waaronder het algemeen belang, te hebben afgewogen, de feiten en, in voorkomend geval, de stukken waarop de eiser zich baseert van dien aard zijn dat ze het beslag - dat tot de bescherming strekt van het ingeroepen recht - redelijkerwijze verantwoorden.) <W 2007-05-10/33, art. 15, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>

  Art. 584bis. <W 2007-04-01/46, art. 4, 145; Inwerkingtreding : 06-05-2007> Artikel 584 is niet van toepassing op de vorderingen bedoeld in artikel 41, § 1, van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen.

  Art. 585.(NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet op verzoekschrift uitspraak:
  1° over de aanvragen tot benoeming van scheidsrechters, deskundigen, vereffenaars of sekwesters, wanneer de overeenkomst tussen partijen of de wet hem die benoeming opdraagt;
  2° op vorderingen tot inbezitstelling van de algemene legataris;
  3° over de aanvragen tot benoeming van deskundigen, op grond van artikel 27, 5°, van de wet van 16 december 1851 tot herziening der wet over de hypotheken;
  4° op de vorderingen tot begroting van de notariskosten, ingesteld op grond van artikel 3 van de wet van 31 augustus 1891 houdende tarifering en invordering der erelonen van notarissen;
  5° over de aanvraag tot aanwijzing van een notaris met het oog op de voorlopige bewaring van de minuten van een notaris die overleden is of die wettelijk verhinderd is;
  6° over de verzoeken om machtiging tot de verkoop van goederen, gedaan op grond van artikel 111 van de algemene wet van 26 augustus 1822 betreffende de heffing van invoer-, uitvoer- en doorvoerrechten en de accijnsrechten;
  7° over de verzoeken om machtiging om hypothécaire inschrijvingen te vorderen op onroerende goederen van delinkwenten, gedaan op grond van de artikelen 27 tot 31 van de wet van 10 april 1933, houdende voorlopige wijziging van sommige douanerechten, accijnzen en bijzondere verbruikstaxe en invoering van nieuwe maatregelen om de sluikhandel te beletten.
  (8°. over de aanvragen tot vorming van een fonds voor aansprakelijkheidsbeperking, ingediend krachtens de wet van 20 juli 1976 houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, en de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969). <W 1989-04-11/30, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
  (9° over de aanvragen tot aanwijzing van een curator krachtens artikel 936 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 2001-03-27/39, art. 3, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  (10°) (over de vorderingen tot staking krachtens artikel 20 van de wet van10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <W 2007-05-10/37, art. 8, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (11° over de vorderingen tot staking krachtens artikel 18 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
  12° over de vorderingen tot staking krachtens artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen.) <W 2007-05-10/37, art. 9, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  
  Art. 585. (VLAAMSE OVERHEID)
  De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet op verzoekschrift uitspraak:
  1° over de aanvragen tot benoeming van scheidsrechters, deskundigen, vereffenaars of sekwesters, wanneer de overeenkomst tussen partijen of de wet hem die benoeming opdraagt;
  2° op vorderingen tot inbezitstelling van de algemene legataris;
  3° over de aanvragen tot benoeming van deskundigen, op grond van artikel 27, 5°, van de wet van 16 december 1851 tot herziening der wet over de hypotheken;
  4° op de vorderingen tot begroting van de notariskosten, ingesteld op grond van artikel 3 van de wet van 31 augustus 1891 houdende tarifering en invordering der erelonen van notarissen;
  5° over de aanvraag tot aanwijzing van een notaris met het oog op de voorlopige bewaring van de minuten van een notaris die overleden is of die wettelijk verhinderd is;
  6° over de verzoeken om machtiging tot de verkoop van goederen, gedaan op grond van artikel 111 van de algemene wet van 26 augustus 1822 betreffende de heffing van invoer-, uitvoer- en doorvoerrechten en de accijnsrechten;
  7° over de verzoeken om machtiging om hypothécaire inschrijvingen te vorderen op onroerende goederen van delinkwenten, gedaan op grond van de artikelen 27 tot 31 van de wet van 10 april 1933, houdende voorlopige wijziging van sommige douanerechten, accijnzen en bijzondere verbruikstaxe en invoering van nieuwe maatregelen om de sluikhandel te beletten.
  (8°. over de aanvragen tot vorming van een fonds voor aansprakelijkheidsbeperking, ingediend krachtens de wet van 20 juli 1976 houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, en de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969). <W 1989-04-11/30, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
  (9° over de aanvragen tot aanwijzing van een curator krachtens artikel 936 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 2001-03-27/39, art. 3, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  (10°) (over de vorderingen tot staking krachtens artikel 20 van de wet van10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <W 2007-05-10/37, art. 8, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (11° over de vorderingen tot staking krachtens artikel 18 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
  12° over de vorderingen tot staking krachtens artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen.) <W 2007-05-10/37, art. 9, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  ([2 14°]2 over de vorderingen tot staking en hij legt de maatregelen van openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht, krachtens artikel 30 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid.) <DVR 2008-07-10/56, art. 46, 162; Inwerkingtreding : 03/10/2008>
  
  Art. 585. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
   De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet op verzoekschrift uitspraak:
  1° over de aanvragen tot benoeming van scheidsrechters, deskundigen, vereffenaars of sekwesters, wanneer de overeenkomst tussen partijen of de wet hem die benoeming opdraagt;
  2° op vorderingen tot inbezitstelling van de algemene legataris;
  3° over de aanvragen tot benoeming van deskundigen, op grond van artikel 27, 5°, van de wet van 16 december 1851 tot herziening der wet over de hypotheken;
  4° op de vorderingen tot begroting van de notariskosten, ingesteld op grond van artikel 3 van de wet van 31 augustus 1891 houdende tarifering en invordering der erelonen van notarissen;
  5° over de aanvraag tot aanwijzing van een notaris met het oog op de voorlopige bewaring van de minuten van een notaris die overleden is of die wettelijk verhinderd is;
  6° over de verzoeken om machtiging tot de verkoop van goederen, gedaan op grond van artikel 111 van de algemene wet van 26 augustus 1822 betreffende de heffing van invoer-, uitvoer- en doorvoerrechten en de accijnsrechten;
  7° over de verzoeken om machtiging om hypothécaire inschrijvingen te vorderen op onroerende goederen van delinkwenten, gedaan op grond van de artikelen 27 tot 31 van de wet van 10 april 1933, houdende voorlopige wijziging van sommige douanerechten, accijnzen en bijzondere verbruikstaxe en invoering van nieuwe maatregelen om de sluikhandel te beletten.
  (8°. over de aanvragen tot vorming van een fonds voor aansprakelijkheidsbeperking, ingediend krachtens de wet van 20 juli 1976 houdende goedkeuring en uitvoering van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, en de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969). <W 1989-04-11/30, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
  (9° over de aanvragen tot aanwijzing van een curator krachtens artikel 936 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 2001-03-27/39, art. 3, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  (10°) (over de vorderingen tot staking krachtens artikel 20 van de wet van10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <W 2007-05-10/37, art. 8, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (11° over de vorderingen tot staking krachtens artikel 18 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
  12° over de vorderingen tot staking krachtens artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen.) <W 2007-05-10/37, art. 9, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  [1 13° over de verzoeken tot staking opgesteld krachtens artikel 23/12, § 7 van de Brusselse Huisvestingscode.]1

  ----------
  (1)<ORD 2009-04-30/04, art. 4, 167; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<DVR 2011-06-10/05, art. 4, 190; Inwerkingtreding : 14-07-2011>

  Art. 586. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet op verzoekschrift uitspraak over de aanvragen tot uitvoerbaarverklaring of visa:
  1° van de scheidsrechterlijke uitspraken, verleend in België of in het buitenland, behoudens die welke zijn bedoeld in artikel 606, § 1;
  2° (...) <W 2004-07-16/31, art. 139, 8°, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
  3° (...) <W 2004-07-16/31, art. 139, 8°, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>

  Art. 587.<W 1997-04-03/41, art. 12, 052; Inwerkingtreding : 09-06-1997> De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet uitspraak :
  1° over de geschillen bedoeld in de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging;
  2° over de vorderingen bedoeld in artikel 68 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw;
  3° (over de vorderingen bedoeld in artikel 4, eerste lid, 2q en in artikel 4, tweede lid, 2°, van de wet van 1 september 2004 houdende aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen;) <W 2004-09-01/38, art. 6, 127; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  4° over de vorderingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;
  5° over de vorderingen ingesteld overeenkomstig de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu;
  6° (over de vorderingen bedoeld in artikelen 18 en 21 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen); <W 2002-08-02/94, art. 31, 104; Inwerkingtreding : 30-11-2002>
  7° (...); <W 2007-05-10/33, art. 16, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  8° (...); <W 2007-05-10/33, art. 16, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  (9° over de beroepen bedoeld in de artikelen 63, § 4, laatste lid, [1 167, zesde lid, en 1476quater, vijfde lid,]1 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1999-05-04/63, art. 21, 082; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  (10° over de vorderingen bedoeld in artikel 8 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties die worden ingesteld tegen personen die geen handelaar zijn of tegen hun beroepsverenigingen of interprofessionele verenigingen.) <W 2002-08-02/32, art. 12, 100; Inwerkingtreding : 07-08-2002>
  11° [2 ...]2
  12° [2 over de vorderingen ingesteld overeenkomstig artikel XVII. 23 van het Wetboek van economisch recht]2
  13° (...); <W 2007-05-10/33, art. 16, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  14° (...); <W 2007-05-10/33, art. 16, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  (15° over de in de artikelen 1322bis en 1322decies bedoelde vorderingen.) <W 2007-05-10/52, art. 1, 153; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  Behoudens andersluidende wetsbepalingen worden de vorderingen bedoeld in het eerste lid ingesteld en behandeld naar de vormen van het kortgeding.
  ----------
  (1)<W 2013-06-02/08, art. 18, 214; Inwerkingtreding : 03-10-2013>
  (2)<W 2013-12-26/36, art. 13, 220; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

  Art. 587bis.(NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) <W 2007-05-10/37, art. 10, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007> De voorzitter van de arbeidsrechtbank, aangezocht bij verzoekschrift, doet uitspraak over :
  1° de vorderingen krachtens de artikelen 4 en 5, §§ 3 en 4 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden;
  2° de vorderingen tot staking krachtens artikel 20 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
  3° de vorderingen tot staking krachtens artikel 18 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
  4° de vorderingen tot staking krachtens artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen;
  [2 4°bis de vorderingen krachtens artikel 32decies, § § 2 en 3 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.]2
  
  Art. 587bis. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  <W 2007-05-10/37, art. 10, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007> De voorzitter van de arbeidsrechtbank, aangezocht bij verzoekschrift, doet uitspraak over :
  1° de vorderingen krachtens de artikelen 4 en 5, §§ 3 en 4 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden;
  2° de vorderingen tot staking krachtens artikel 20 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
  3° de vorderingen tot staking krachtens artikel 18 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden
  4° de vorderingen tot staking krachtens artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen.
  ([1 5°]1 over de vorderingen tot staking en hij legt de maatregelen van openbaarmaking van zijn beslissing op die hij nodig acht, krachtens artikel 30 van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid.)<DVR 2008-07-10/56, art. 47, 162; Inwerkingtreding : 03-10-2008>

  ----------
  (1)<DVR 2011-06-10/05, art. 5, 190; Inwerkingtreding : 14-07-2011>
  (2)<W 2014-03-28/21, art. 5, 221; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 587ter. <W 1998-04-23/46, art. 7; Inwerkingtreding : 22-09-1996> De voorzitter van de arbeidsrechtbank doet uitspraak over de verzoeken ingesteld krachtens artikel 3 van de wet van 23 april 1998 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communaitaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.

  Art. 587quater. <ingevoegd bij W 2005-09-17/72, art. 7 ; Inwerkingtreding : 05-11-2005> De voorzitter van de arbeidsrechtbank doet uitspraak over de verzoeken ingesteld krachtens artikel 3 van de wet van 17 september 2005 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese vennootschap.

  Art. 587quinquies. <Ingevoegd bij W 2008-05-09/80, art. 7; Inwerkingtreding : 02-08-2008> De voorzitter van de arbeidsrechtbank doet uitspraak over de verzoeken ingesteld krachtens artikel 3 van de wet van 9 mei2008 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese coöperatieve vennootschap.

  Art. 587sexies. [1 De voorzitter van de arbeidsrechtbank doet uitspraak over de verzoeken ingesteld krachtens artikel 3 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de medezeggenschap van de werknemers in ondernemingen ontstaan ten gevolge van een grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2009-06-19/16, art. 7, 168; Inwerkingtreding : 08-08-2009>

  Art. 587septies.[1 De voorzitter van de arbeidsrechtbank doet uitspraak over de vorderingen ingesteld krachtens artikel 2 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-06-06/06, art. 13, 184; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  

  Art. 588.(NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) De voorzitter van de rechtbank van koophandel doet op verzoekschrift uitspraak:
  1° op de vorderingen tot aanwijzing van scheidsrechters, deskundigen, vereffenaars of sekwesters, wanneer de overeenkomst onder partijen of de wet hem die aanwijzing opdraagt;
  2° op de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 5 en 6 van de wet van 18 april 1927 betreffende de bescherming van de benaming van oorsprong van wijn en brandewijn;
  3° op de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 11, § 3, 12, § 4, en 24, § 1, van de wet van 18 november 1862 houdende invoering van het stelsel der warrants;
  4° op de vordering ingesteld krachtens artikel 4 van de wet van 5 mei 1872 op het handelspandrecht;
  5° op de vordering ingesteld krachtens artikel 8 van de wet van 25 augustus 1891, houdende herziening van de titel van het Wetboek van koophandel op het vervoercontract;
  6° op de vordering ingesteld op grond van artikel 19 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen;
  7° op de vordering ingesteld krachtens artikelen 5, 10 en 12 van de wet van 24 juli 1921 betreffende het onopzettelijk verlies van het bezit van effecten aan toonder;
  8° op de vordering ingesteld krachtens artikel 58 van de wet van 5 mei 1936 op de rivierbevrachting;
  9° (op de vorderingen ingesteld op grond van artikel 48 van Boek II van het Wetboek van koophandel). <W 1989-04-11/30, art. 24, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
  10° (de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 134, § 1, tweede lid, 4°, en 173, § 3, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten;) <W 1990-12-04/32, art. 246, 026; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  11° op de vorderingen tot aanwijzing van een deskundige die ermede belast is de commissarissen van een naamloze vennootschap bij te staan bij het nazien van de boeken en de rekeningen van de vennootschap.
  12° (op de vordering ingesteld op grond van artikel 73 van de wet betreffende de handelspraktijken.) <W 14-07-1971, art. 75, § 3>
  13° (de vorderingen tot staking krachtens artikel 20 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <W 2007-05-10/37, art. 11, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (14° op de vorderingen ingesteld op grond van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE).) <KB 2004-09-01/30, art. 32, 126; Inwerkingtreding : 08-10-2004>
  (15° op de vorderingen betreffende beslag inzake namaak ingesteld krachtens de artikelen 1369bis /1 tot 1369bis /10 van dit Wetboek en ingesteld door personen die, op grond van een wet betreffende de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 574, 3°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17° en 18° een vordering inzake namaak kunnen instellen.) <W 2007-05-10/33, art. 17, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  (15° de vorderingen tot staking krachtens artikel 18 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
  16° de vorderingen tot staking krachtens artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen.) <W 2007-05-10/37, art. 12, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (17° op de vorderingen ingesteld op grond van artikel 772/9, § 2, van het Wetboek van vennootschappen.) <W 2008-06-08/32, art. 8, 158; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  [2 19° op de vorderingen tot het aanstellen van vereffenaars bedoeld in artikel 184, § 1, in fine, van het Wetboek van vennootschappen, op de vorderingen tot bevestiging en homologatie van de aanstelling van een vereffenaar bedoeld in artikel 184, § 2, van hetzelfde Wetboek en op de vorderingen tot vervanging van de vereffenaar bedoeld in artikel 184, § 4, van hetzelfde Wetboek.]2
  
  Art. 588. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
  De voorzitter van de rechtbank van koophandel doet op verzoekschrift uitspraak:
  1° op de vorderingen tot aanwijzing van scheidsrechters, deskundigen, vereffenaars of sekwesters, wanneer de overeenkomst onder partijen of de wet hem die aanwijzing opdraagt;
  2° op de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 5 en 6 van de wet van 18 april 1927 betreffende de bescherming van de benaming van oorsprong van wijn en brandewijn;
  3° op de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 11, § 3, 12, § 4, en 24, § 1, van de wet van 18 november 1862 houdende invoering van het stelsel der warrants;
  4° op de vordering ingesteld krachtens artikel 4 van de wet van 5 mei 1872 op het handelspandrecht;
  5° op de vordering ingesteld krachtens artikel 8 van de wet van 25 augustus 1891, houdende herziening van de titel van het Wetboek van koophandel op het vervoercontract;
  6° op de vordering ingesteld op grond van artikel 19 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen;
  7° op de vordering ingesteld krachtens artikelen 5, 10 en 12 van de wet van 24 juli 1921 betreffende het onopzettelijk verlies van het bezit van effecten aan toonder;
  8° op de vordering ingesteld krachtens artikel 58 van de wet van 5 mei 1936 op de rivierbevrachting;
  9° (op de vorderingen ingesteld op grond van artikel 48 van Boek II van het Wetboek van koophandel). <W 1989-04-11/30, art. 24, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
  10° (de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 134, § 1, tweede lid, 4°, en 173, § 3, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten;) <W 1990-12-04/32, art. 246, 026; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  11° op de vorderingen tot aanwijzing van een deskundige die ermede belast is de commissarissen van een naamloze vennootschap bij te staan bij het nazien van de boeken en de rekeningen van de vennootschap.
  12° (op de vordering ingesteld op grond van artikel 73 van de wet betreffende de handelspraktijken.) <W 14-07-1971, art. 75, § 3>
  13° (de vorderingen tot staking krachtens artikel 20 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <W 2007-05-10/37, art. 11, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (14° op de vorderingen ingesteld op grond van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE).) <KB 2004-09-01/30, art. 32, 126; Inwerkingtreding : 08-10-2004>
  (15° op de vorderingen betreffende beslag inzake namaak ingesteld krachtens de artikelen 1369bis /1 tot 1369bis /10 van dit Wetboek en ingesteld door personen die, op grond van een wet betreffende de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 574, 3°, 11°, 14°, 15°, 16°, 17° en 18° een vordering inzake namaak kunnen instellen.) <W 2007-05-10/33, art. 17, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  (16° de vorderingen tot staking krachtens artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen en mannen.) <W 2007-05-10/37, art. 12, 148; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
  (17° op de vorderingen ingesteld op grond van artikel 772/9, § 2, van het Wetboek van vennootschappen.) <W 2008-06-08/32, art. 8, 158; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  ([1 18°]1 de vorderingen tot staking krachtens artikel 18 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;)<W 2008-06-08/32, art. 8, 158; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  [2 19° op de vorderingen tot het aanstellen van vereffenaars bedoeld in artikel 184, § 1, in fine, van het Wetboek van vennootschappen, op de vorderingen tot bevestiging en homologatie van de aanstelling van een vereffenaar bedoeld in artikel 184, § 2, van hetzelfde Wetboek en op de vorderingen tot vervanging van de vereffenaar bedoeld in artikel 184, § 4, van hetzelfde Wetboek.]2

  
  ----------
  (1)<DVR 2011-06-10/05, art. 6, 190; Inwerkingtreding : 14-07-2011>
  (2)<W 2012-04-22/02, art. 3, 197; Inwerkingtreding : 17-05-2012>

  Art. 589.<W 1999-04-11/46, art. 3, 074; Inwerkingtreding : 01-07-1999> De voorzitter van de rechtbank van koophandel doet uitspraak over de vorderingen als bedoeld :
  1° in de artikelen [2 2 tot 4 van de wet van 6 april 2010 met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming ]2; <W 2007-05-10/33, art. 18, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  2° [5 in artikel 125 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;]5
  3° in artikel 109 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;
  4° in artikel 31 van de wet van 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling;
  5° [4 in artikel 20 van de wet van 28 augustus 2011 betreffende de bescherming van de consumenten inzake overeenkomsten betreffende het gebruik van goederen in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling]4
  (6° in artikel 2 van de wet van 11 april 1999 aangaande de vordering tot staking van de inbreuken op de wet van 9 maart 1993 ertoe strekkende de exploitatie van huwelijksbureaus te regelen en te controleren.) <W 1999-04-11/48, art. 3, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
  (7° bedoeld in artikel 8 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties die worden ingesteld tegen handelaars of hun beroepsverenigingen of interprofessionele verenigingen.) <W 2002-08-02/32, art. 13, 100; Inwerkingtreding : 07-08-2002>
  (8° in artikel 16 van de wet van 17 juli 2002 betreffende de transacties uitgevoerd met instrumenten voor de elektronische overmaking van geldmiddelen.)<W 2002-07-17/32, art. 20, 101; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  9° [7 ...]7
  10° [7 over de vorderingen ingesteld overeenkomstig artikel XVII. 23 van het Wetboek van economisch recht]7
  (11° in artikel 9 van de wet van (20 december 2002) betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument;) <Ingevoegd als 7° bij W 2002-12-20/62, art. 18, 108; Inwerkingtreding : 01-07-2003; als 11° genummerd bij W 2003-06-26/48, art. 10, 118; Inwerkingtreding : 19-09-2003>
  12° [7 in artikel XVII. 23 van het Wetboek van economisch recht]7
  13° [7 ...]7
  (14° in artikel 4, eerste lid, 1°, en in artikel 4, tweede lid, 1°, van de wet van 1 september 2004 houdende aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen;) <W 2004-09-01/38, art. 7, 127; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (14° in de artikelen 27, § 2, 159, § 5, en 160, laatste lid, van de wet van 20 juli 2005 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles.) <W 2004-07-22/40, art. 14, 130; Inwerkingtreding : 09-03-2005>
  (16° in artikel 17 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen.) <KB 2004-08-13/36, art. 18, 128; Inwerkingtreding : 01-03-2005>
  [1 17° in artikel 59 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten.]1
  [3 [18°] in artikel 2 van de dienstenwet van 26 maart 2010 betreffende bepaalde juridische aspecten bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.]3
  [6 19° in artikel 14 van de wet van 30 juli 2013, betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen.]6
  ----------
  (1)<W 2009-12-22/27, art. 5, 173; Inwerkingtreding : 01-04-2010>
  (2)<W 2010-04-06/04, art. 5, 176; Inwerkingtreding : 12-05-2010>
  (3)<W 2010-03-26/08, art. 6, 178; Inwerkingtreding : 28-12-2009>
  (4)<W 2011-08-13/18, art. 4, 194; Inwerkingtreding : 26-09-2011>
  (5)<W 2013-07-31/03, art. 11, 208; Inwerkingtreding : 09-09-2013>
  (6)<W 2013-07-30/20, art. 15, 212; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (7)<W 2013-12-26/36, art. 14, 220; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

  Art. 589bis.<Ingevoegd bij W 2007-05-10/33, art. 19; Inwerkingtreding : 01-11-2007> § 1. De voorzitter van de rechtbank van koophandel en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doen, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, op verzoekschrift uitspraak over vorderingen betreffende beslag inzake namaak, ingesteld krachtens de artikelen 1369bis/1 tot 1369bis/10, en ingesteld door personen die op grond van een wet betreffende de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 575, § 1, een vordering inzake namaak kunnen instellen.
  § 2. De voorzitter van de rechtbank van koophandel en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doen, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, uitspraak over de vorderingen [1 bedoeld in de artikelen 77quinquies, 87 en 87bis ]1 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten alsook over de vorderingen bepaald in de artikelen 12quater en 12sexies van de wet van 31 augustus 1998 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken.
  ----------
  (1)<W 2009-12-11/03, art. 2, 186; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  HOOFDSTUK III. - Vrederechter.

  Art. 590. (De vrederechter neemt kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag ( ( (1.860 EUR) ) ) niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderingen bedoeld in de artikelen 569 tot 571, 574 en 578 tot 583.) <W 29-11-1979, art. 2> <W 1992-08-03/31, art. 7, 034; Inwerkingtreding : 1993-01-01> <KB 2000-07-20/57, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Indien daartoe grond bestaat, geeft hij de zaken die ter kennisneming van scheidsrechters staan, uit handen, wanneer een partij de exceptie van onbevoegdheid opwerpt vóór enige andere exceptie of verweer.

  Art. 591.(Federaal) Ongeacht het bedrag van de vordering, neemt de vrederechter kennis:
  1° van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak; van vorderingen tot betaling van vergoedingen voor bewoning van en tot uitzetting uit plaatsen zonder recht betrokken, onverschillig of die vorderingen al dan niet volgen uit een overeenkomst; van alle geschillen betreffende de uitoefening van het recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen;
  2° van geschillen inzake gebruik, genot, onderhoud, behoud of beheer van het gemeenschappelijk goed in geval van medeeigendom;
  [2°bis van de vorderingen ingesteld op grond van de artikelen 577-9, §§ 2, 3, 4, 6 of 7, 577-10, § 4, en 577-12, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.] <W 1994-06-30/34, art. 8, 047; Inwerkingtreding : 1995-08-01>
  3° van geschillen inzake erfdienstbaarheden en inzake de verplichtingen die de wet aan de eigenaars van aan elkaar grenzende erven oplegt;
  4° van geschillen betreffende rechten van overgang;
  5° van bezitsvorderingen;
  6° van geschillen betreffende de vaststelling van de verplichtingen tot bevloeiing en drooglegging, de vaststelling van de loop der waterleiding en haar afmetingen en vorm, de bouw van de kunstwerken op te richten voor de waterwinning, het onderhoud van die werken, de veranderingen aan reeds bestaande werken, en de vergoedingen verschuldigd aan de eigenaar hetzij van het doorlopen erf, hetzij van het erf waar het water zal lopen, hetzij van datgene waarop de kunstwerken zullen worden opgericht;
  7° van alle geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud met uitsluiting evenwel van geschillen op grond van [het artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek] en van die in verband met een rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed waarover geen einduitspraak is geveld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest <W 1987-03-31/52, art. 78, 014; Inwerkingtreding : 06-06-1987>;
  8° [van alle geschillen betreffende de uitoefening door de burgemeester van het opeisingsrecht inzake leegstaande gebouwen, bedoeld in artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet.] <W 1993-01-12/34, art. 18, 039; Inwerkingtreding : 5555-55-55 "op de datum waarop het koninklijk besluit houdende uitvoering van de bepalingen van artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet zal bekendgemaakt zijn in het Belgish Staatsblad" art. 3, W 1993-01-21/30>
  9° van alle geschillen betreffende militaire opvorderingen zowel wat het recht op de vergoeding als wat het bedrag ervan betreft;
  10° van geschillen betreffende het herstel van mijnschade, bepaald in de gecoordineerde wetten van 15 september 1919 op de mijnen, groeven en graverijen en van de geschillen betreffende het herstel van de schade veroorzaakt door de opsporing of de exploitatie van de bedding bedoeld bij het koninklijk besluit van 28 november 1939 betreffende de opsporing en de exploitatie van bitumineuze gesteenten, petroleum en brandbare gassen;
  11° van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen;
  12° van geschillen betreffende erfdienstbaarheden van opruiming van struikgewas op gronden langs de spoorwegen;
  13° van geschillen wegens schade, door mensen of dieren veroorzaakt aan velden, vruchten en veldvruchten;
  14° van de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen onverminderd de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg; [hetzelfde geldt voor de vorderingen ingesteld op grond van de wet op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit.] <W 1988-08-29/30, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 1988-10-04>
  15° van de vorderingen tot koopvernietiging en de vorderingen tot nietigverklaring op grond van een gebrek van de zaak, bij verkoop of ruiling van dieren;
  16° [van geschillen betreffende toekenning van uitgesteld loon in land- en tuinbouw.] <W 28-12-1967, art. 6>
  17° [van de vorderingen inzake groefrecht.] <W 15-07-1970, art. 30>
  18° [van geschillen betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie.] <W 01-04-1976, art. 15>
  18° [van de betwistingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater.] <W 10-01-1977, art. 5. De wetgever heeft tweemaal een 18° toegevoegd.>
  [19° van de vorderingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij artikel 14 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;] <DVR 24-01-1984, art. 18, enkel geldig voor de Vlaamse Gemeenschap>
  [20° betreffende het herstel van schade bedoeld door het dekreet van de Waalse Gewestraad betreffende het herstellen van schade veroorzaakt door grondwaterwinning en pomping;] <DWG 1985-10-11/33, art. 6, 008>
  [21° van de betwistingen inzake kredietovereenkomsten [evenals de verzoeken tot het toestaan van betalingsfaciliteiten en de betwistingen inzake borgtocht bij kredietovereenkomsten], zoals geregeld bij wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet.] <W 1991-06-12/30, art. 114, § 3, 029; Inwerkingtreding : uiterlijk op 09-07-1992, op een datum door de Koning te bepalen> <W 2003-03-24/40, art. 77, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [22° van alle geschillen betreffende de uitoefening door de minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, of zijn gemachtigde, van het opeisingsrecht inzake verlaten gebouwen, bedoeld in artikel 74 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen.] <W 2001-06-10/70, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 11-09-2001>
  
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  
  Art. 591. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST)
  Ongeacht het bedrag van de vordering, neemt de vrederechter kennis:
  1° van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak; van vorderingen tot betaling van vergoedingen voor bewoning van en tot uitzetting uit plaatsen zonder recht betrokken, onverschillig of die vorderingen al dan niet volgen uit een overeenkomst; van alle geschillen betreffende de uitoefening van het recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen;
  2° van geschillen inzake gebruik, genot, onderhoud, behoud of beheer van het gemeenschappelijk goed in geval van medeeigendom;
  (2°bis van de vorderingen ingesteld op grond van de artikelen 577-9, §§ 2, 3, 4, 6 of 7, 577-10, § 4, en 577-12, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1994-06-30/34, art. 8, 047; Inwerkingtreding : 1995-08-01>
  3° van geschillen inzake erfdienstbaarheden en inzake de verplichtingen die de wet aan de eigenaars van aan elkaar grenzende erven oplegt;
  4° van geschillen betreffende rechten van overgang;
  5° van bezitsvorderingen;
  6° van geschillen betreffende de vaststelling van de verplichtingen tot bevloeiing en drooglegging, de vaststelling van de loop der waterleiding en haar afmetingen en vorm, de bouw van de kunstwerken op te richten voor de waterwinning, het onderhoud van die werken, de veranderingen aan reeds bestaande werken, en de vergoedingen verschuldigd aan de eigenaar hetzij van het doorlopen erf, hetzij van het erf waar het water zal lopen, hetzij van datgene waarop de kunstwerken zullen worden opgericht;
  7° van alle geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud met uitsluiting evenwel van geschillen op grond van (het artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek) en van die in verband met een rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed waarover geen einduitspraak is geveld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest <W 1987-03-31/52, art. 78, 014; Inwerkingtreding : 06-06-1987>nzende erven oplegt;
  8° (van alle geschillen betreffende de uitoefening door de burgemeester van het opeisingsrecht inzake leegstaande gebouwen, bedoeld in artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet.) <W 1993-01-12/34, art. 18, 039; Inwerkingtreding : 5555-55-55 "op de datum waarop het koninklijk besluit houdende uitvoering van de bepalingen van artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet zal bekendgemaakt zijn in het Belgish Staatsblad" art. 3, W 1993-01-21/30>
  9° van alle geschillen betreffende militaire opvorderingen zowel wat het recht op de vergoeding als wat het bedrag ervan betreft;
  10° van geschillen betreffende het herstel van mijnschade, bepaald in de gecoordineerde wetten van 15 september 1919 op de mijnen, groeven en graverijen en van de geschillen betreffende het herstel van de schade veroorzaakt door de opsporing of de exploitatie van de bedding bedoeld bij het koninklijk besluit van 28 november 1939 betreffende de opsporing en de exploitatie van bitumineuze gesteenten, petroleum en brandbare gassen;
  11° van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen;
  12° van geschillen betreffende erfdienstbaarheden van opruiming van struikgewas op gronden langs de spoorwegen;
  13° van geschillen wegens schade, door mensen of dieren veroorzaakt aan velden, vruchten en veldvruchten;
  14° van de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen onverminderd de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg; (hetzelfde geldt voor de vorderingen ingesteld op grond van de wet op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit.) <W 1988-08-29/30, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 1988-10-04>
  15° van de vorderingen tot koopvernietiging en de vorderingen tot nietigverklaring op grond van een gebrek van de zaak, bij verkoop of ruiling van dieren;
  16° (van geschillen betreffende toekenning van uitgesteld loon in land- en tuinbouw.) <W 28-12-1967, art. 6>
  17° (van de vorderingen inzake groefrecht.) <W 15-07-1970, art. 30>
  18° (van geschillen betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie.) <W 01-04-1976, art. 15>
  18° (van de betwistingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater.) <W 10-01-1977, art. 5. De wetgever heeft tweemaal een 18° toegevoegd.>
  (19° van de vorderingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij artikel 14 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;) <DVR 24-01-1984, art. 18, enkel geldig voor de Vlaamse Gemeenschap>
  (20° betreffende het herstel van schade bedoeld door het dekreet van de Waalse Gewestraad betreffende het herstellen van schade veroorzaakt door grondwaterwinning en pomping;) <DWG 1985-10-11/33, art. 6, 008>
  (21° van de betwistingen inzake kredietovereenkomsten (evenals de verzoeken tot het toestaan van betalingsfaciliteiten en de betwistingen inzake borgtocht bij kredietovereenkomsten), zoals geregeld bij wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet.) <W 1991-06-12/30, art. 114, § 3, 029; Inwerkingtreding : uiterlijk op 09-07-1992, op een datum door de Koning te bepalen> <W 2003-03-24/40, art. 77, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  (22° van alle geschillen betreffende de uitoefening door de minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, of zijn gemachtigde, van het opeisingsrecht inzake verlaten gebouwen, bedoeld in artikel 74 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen.) <W 2001-06-10/70, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 11-09-2001>
  23° [2 van alle vorderingen die ingesteld worden op basis van de procedure van Hoofdstuk IVbis van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en alle vorderingen die ingesteld worden op basis van de procedure van Hoofdstuk Vbis van de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsmede van de samenhangende vorderingen, zoals de terugvordering van schuldvorderingen en deze inzake betalingsfaciliteiten.]2
  
  Art. 591.(VLAAMSE OVERHEID)
  Ongeacht het bedrag van de vordering, neemt de vrederechter kennis:
  1° van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak; van vorderingen tot betaling van vergoedingen voor bewoning van en tot uitzetting uit plaatsen zonder recht betrokken, onverschillig of die vorderingen al dan niet volgen uit een overeenkomst; van alle geschillen betreffende de uitoefening van het recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen;
  2° van geschillen inzake gebruik, genot, onderhoud, behoud of beheer van het gemeenschappelijk goed in geval van medeeigendom;
  [2°bis van de vorderingen ingesteld op grond van de artikelen 577-9, §§ 2, 3, 4, 6 of 7, 577-10, § 4, en 577-12, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.] <W 1994-06-30/34, art. 8, 047; Inwerkingtreding : 1995-08-01>
  3° van geschillen inzake erfdienstbaarheden en inzake de verplichtingen die de wet aan de eigenaars van aan elkaar grenzende erven oplegt;
  4° van geschillen betreffende rechten van overgang;
  5° van bezitsvorderingen;
  6° van geschillen betreffende de vaststelling van de verplichtingen tot bevloeiing en drooglegging, de vaststelling van de loop der waterleiding en haar afmetingen en vorm, de bouw van de kunstwerken op te richten voor de waterwinning, het onderhoud van die werken, de veranderingen aan reeds bestaande werken, en de vergoedingen verschuldigd aan de eigenaar hetzij van het doorlopen erf, hetzij van het erf waar het water zal lopen, hetzij van datgene waarop de kunstwerken zullen worden opgericht;
  7° van alle geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud met uitsluiting evenwel van geschillen op grond van [het artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek] en van die in verband met een rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed waarover geen einduitspraak is geveld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest <W 1987-03-31/52, art. 78, 014; Inwerkingtreding : 06-06-1987>;
  8° [van alle geschillen betreffende de uitoefening door de burgemeester van het opeisingsrecht inzake leegstaande gebouwen, bedoeld in artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet.] <W 1993-01-12/34, art. 18, 039; Inwerkingtreding : 5555-55-55 "op de datum waarop het koninklijk besluit houdende uitvoering van de bepalingen van artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet zal bekendgemaakt zijn in het Belgish Staatsblad" art. 3, W 1993-01-21/30>
  9° van alle geschillen betreffende militaire opvorderingen zowel wat het recht op de vergoeding als wat het bedrag ervan betreft;
  10° van geschillen betreffende het herstel van mijnschade, [1 en van de geschillen betreffende de vergoeding van de schade, veroorzaakt door het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen of door de geologische opslag van koolstofdioxide en betreffende de vergoeding van het genotsverlies ten gevolge van het bezetten van gronden in het kader van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond]1;
  11° van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen;
  12° van geschillen betreffende erfdienstbaarheden van opruiming van struikgewas op gronden langs de spoorwegen;
  13° van geschillen wegens schade, door mensen of dieren veroorzaakt aan velden, vruchten en veldvruchten;
  14° van de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen onverminderd de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg; [hetzelfde geldt voor de vorderingen ingesteld op grond van de wet op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit.] <W 1988-08-29/30, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 1988-10-04>
  15° van de vorderingen tot koopvernietiging en de vorderingen tot nietigverklaring op grond van een gebrek van de zaak, bij verkoop of ruiling van dieren;
  16° [van geschillen betreffende toekenning van uitgesteld loon in land- en tuinbouw.] <W 28-12-1967, art. 6>
  17° [van de vorderingen inzake groefrecht.] <W 15-07-1970, art. 30>
  18° [van geschillen betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie.] <W 01-04-1976, art. 15>
  18° [van de betwistingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater.] <W 10-01-1977, art. 5. De wetgever heeft tweemaal een 18° toegevoegd.>
  [19° van de vorderingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij artikel 14 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;] <DVR 24-01-1984, art. 18, enkel geldig voor de Vlaamse Gemeenschap>
  [20° betreffende het herstel van schade bedoeld door het dekreet van de Waalse Gewestraad betreffende het herstellen van schade veroorzaakt door grondwaterwinning en pomping;] <DWG 1985-10-11/33, art. 6, 008>
  [21° van de betwistingen inzake kredietovereenkomsten [evenals de verzoeken tot het toestaan van betalingsfaciliteiten en de betwistingen inzake borgtocht bij kredietovereenkomsten], zoals geregeld bij wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet.] <W 1991-06-12/30, art. 114, § 3, 029; Inwerkingtreding : uiterlijk op 09-07-1992, op een datum door de Koning te bepalen> <W 2003-03-24/40, art. 77, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [22° van alle geschillen betreffende de uitoefening door de minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, of zijn gemachtigde, van het opeisingsrecht inzake verlaten gebouwen, bedoeld in artikel 74 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen.] <W 2001-06-10/70, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 11-09-2001>
  [3 23° van geschillen betreffende de erfdienstbaarheden, als vermeld in artikel 4.1.23 van het Energiedecreet van 8 mei 2009;
   24° van de vorderingen betreffende de aangelegenheden, vermeld bij artikel 4.1.24 en artikel 4.1.25 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.]3
  
  Art. 591. (WAALS GEWEST)
  Ongeacht het bedrag van de vordering, neemt de vrederechter kennis:
  1° van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak; van vorderingen tot betaling van vergoedingen voor bewoning van en tot uitzetting uit plaatsen zonder recht betrokken, onverschillig of die vorderingen al dan niet volgen uit een overeenkomst; van alle geschillen betreffende de uitoefening van het recht van voorkoop ten gunste van de huurders van landeigendommen;
  2° van geschillen inzake gebruik, genot, onderhoud, behoud of beheer van het gemeenschappelijk goed in geval van medeeigendom;
  [2°bis van de vorderingen ingesteld op grond van de artikelen 577-9, §§ 2, 3, 4, 6 of 7, 577-10, § 4, en 577-12, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.] <W 1994-06-30/34, art. 8, 047; Inwerkingtreding : 1995-08-01>
  3° van geschillen inzake erfdienstbaarheden en inzake de verplichtingen die de wet aan de eigenaars van aan elkaar grenzende erven oplegt;
  4° van geschillen betreffende rechten van overgang;
  5° van bezitsvorderingen;
  6° van geschillen betreffende de vaststelling van de verplichtingen tot bevloeiing en drooglegging, de vaststelling van de loop der waterleiding en haar afmetingen en vorm, de bouw van de kunstwerken op te richten voor de waterwinning, het onderhoud van die werken, de veranderingen aan reeds bestaande werken, en de vergoedingen verschuldigd aan de eigenaar hetzij van het doorlopen erf, hetzij van het erf waar het water zal lopen, hetzij van datgene waarop de kunstwerken zullen worden opgericht;
  7° van alle geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud met uitsluiting evenwel van geschillen op grond van [het artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek] en van die in verband met een rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed waarover geen einduitspraak is geveld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest <W 1987-03-31/52, art. 78, 014; Inwerkingtreding : 06-06-1987>;
  8° [van alle geschillen betreffende de uitoefening door de burgemeester van het opeisingsrecht inzake leegstaande gebouwen, bedoeld in artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet.] <W 1993-01-12/34, art. 18, 039; Inwerkingtreding : 5555-55-55 "op de datum waarop het koninklijk besluit houdende uitvoering van de bepalingen van artikel 134bis van de nieuwe gemeentewet zal bekendgemaakt zijn in het Belgish Staatsblad" art. 3, W 1993-01-21/30>
  9° van alle geschillen betreffende militaire opvorderingen zowel wat het recht op de vergoeding als wat het bedrag ervan betreft;
  10° van geschillen betreffende het herstel van mijnschade, bepaald in de gecoordineerde wetten van 15 september 1919 op de mijnen, groeven en graverijen en van de geschillen betreffende het herstel van de schade veroorzaakt door de opsporing of de exploitatie van de bedding bedoeld bij het koninklijk besluit van 28 november 1939 betreffende de opsporing en de exploitatie van bitumineuze gesteenten, petroleum en brandbare gassen [4 , of door de geologische opslag van kooldioxide, alsook die betreffende de vergoeding van het verlies van genot tengevolge de inbezitneming van de terreinen in het kader van het decreet van 10 juli 2013 betreffende de geologische opslag van kooldioxide]4 ;
  11° van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen;
  12° van geschillen betreffende erfdienstbaarheden van opruiming van struikgewas op gronden langs de spoorwegen;
  13° van geschillen wegens schade, door mensen of dieren veroorzaakt aan velden, vruchten en veldvruchten;
  14° van de vorderingen ingesteld op grond van de wet van 16 mei 1900 tot wijziging van het erfstelsel voor de kleine nalatenschappen onverminderd de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg; [hetzelfde geldt voor de vorderingen ingesteld op grond van de wet op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit.] <W 1988-08-29/30, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 1988-10-04>
  15° van de vorderingen tot koopvernietiging en de vorderingen tot nietigverklaring op grond van een gebrek van de zaak, bij verkoop of ruiling van dieren;
  16° [van geschillen betreffende toekenning van uitgesteld loon in land- en tuinbouw.] <W 28-12-1967, art. 6>
  17° [van de vorderingen inzake groefrecht.] <W 15-07-1970, art. 30>
  18° [van geschillen betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie.] <W 01-04-1976, art. 15>
  18° [van de betwistingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater.] <W 10-01-1977, art. 5. De wetgever heeft tweemaal een 18° toegevoegd.>
  [19° van de vorderingen inzake vergoeding van schade bedoeld bij artikel 14 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;] <DVR 24-01-1984, art. 18, enkel geldig voor de Vlaamse Gemeenschap>
  [20° betreffende het herstel van schade bedoeld door het dekreet van de Waalse Gewestraad betreffende het herstellen van schade veroorzaakt door grondwaterwinning en pomping;] <DWG 1985-10-11/33, art. 6, 008>
  [21° van de betwistingen inzake kredietovereenkomsten [evenals de verzoeken tot het toestaan van betalingsfaciliteiten en de betwistingen inzake borgtocht bij kredietovereenkomsten], zoals geregeld bij wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet.] <W 1991-06-12/30, art. 114, § 3, 029; Inwerkingtreding : uiterlijk op 09-07-1992, op een datum door de Koning te bepalen> <W 2003-03-24/40, art. 77, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [22° van alle geschillen betreffende de uitoefening door de minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, of zijn gemachtigde, van het opeisingsrecht inzake verlaten gebouwen, bedoeld in artikel 74 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen.] <W 2001-06-10/70, art. 2, 093; Inwerkingtreding : 11-09-2001>

  ----------
  (1)<DVR 2009-05-08/15, art. 65, 180; Inwerkingtreding : 06-09-2011>
  (2)<ORD 2011-07-20/28, art. 66, 193; Inwerkingtreding : 20-08-2011>
  (3)<DVR 2012-03-16/04, art. 4, 196; Inwerkingtreding : 12-04-2012>
  (4)<DWG 2013-07-10/39, art. 45, 211; Inwerkingtreding : 13-09-2013>

  Art. 592. Wanneer de waarde van de vordering niet bepaald is en deze niet uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel behoort, kan zij, naar keuze van de eiser, voor de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel, naar gelang van het geval, of voor de vrederechter worden gebracht.
  Op verzoek van de verweerder verwijst de rechtbank de zaak naar de vrederechter, wanneer de waarde van de vordering kennelijk gelijkwaardig kan worden geacht met een bedrag dat de bevoegdheid van de vrederechter niet te boven gaat.
  Op verzoek van de verweerder verwijst de vrederechter de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel, naar gelang van het geval, wanneer de waarde van de vordering kennelijk hoger is dan het bedrag waarvoor hij bevoegd is.

  Art. 593. De vrederechter neemt kennis van de geschillen over de titel, die in ondergeschikt verband staan met de vorderingen die op geldige wijze voor hem aanhangig zijn.

  Art. 594.De vrederechter doet op verzoekschrift uitspraak:
  1° op vorderingen tot aanwijzing van deskundigen of scheidsrechters, wanneer dit hem toekomt krachtens overeenkomst tussen partijen of krachtens de wet, of wanneer het voorwerp van het deskundigenonderzoek tot zijn volstrekte bevoegdheid behoort;
  2° over het verzet van de wettelijke vertegenwoordiger tegen de uitoefening van de rechten van de niet ontvoogde minderjarige om de op diens spaarboekje ingeschreven sommen op te vragen;
  3° over het verzet van de vader of de voogd tegen de aansluiting van de minderjarige bij een beroepsvereniging;
  4° over het verzet van de militair tegen betaling van de militievergoeding aan de (echtgenoot); <KB 1986-10-17/31, art. 15, 012>
  5° (over het verzet tegen de uitbetaling van uitkeringen welke geheel of gedeeltelijk worden verleend uit de middelen van:
  a) de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid, zoals bedoeld in artikel 44 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  b) het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers, zoals bedoeld in artikel 5 van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
  c) de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag, zoals bedoeld in artikel 8 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;) <W 12-05-1971, art. 2, 1°>
  (6° op de verzoeken die bij hem worden ingediend in verband met de voogdij van minderjarigen [2 ...]2 alsook ter uitvoering van de artikelen 378 en 483 van het Burgerlijk Wetboek;) <W 2001-03-27/39, art. 4, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  (7° op de verzoeken inzake specifieke voogdij als voorzien in Titel XIII, Hoofdstuk 6. - " Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen " van de programmawet van 24 december 2002;) <L 2002-12-24/45, art. 27, 106; Inwerkingtreding : 01-05-2004>
  8° (over het verzet van de vader, de moeder, de adoptant, de pleegvoogd, de voogd, de toeziende voogd, de curator of de rechthebbende, tegen de uitbetaling van de gezinsbijslag aan de bijslagtrekkende zoals het is bedoeld in artikel 69, § 3, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, buiten het geval waar de vordering bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt wordt op grond van artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.) <W 1985-08-01/31, art. 51, 006>
  9° (over het verzet tegen de betaling aan de bijslagtrekkende van de gezinsbijslag voor zelfstandigen, tenzij een vordering bij de jeugdrechtbank aanhangig gemaakt werd op grond van artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.) <W 29-03-1976, art. 8>
  10° over verzoeken om machtiging tot het verkrijgen van afschriften van of uittreksels uit de formaliteitsregisters van de ontvangers der registratie en uit de akten of aangiften bewaard in de kantoren van die ambtenaren;
  11° over de verzoeken om machtiging tot hypothecaire inschrijving die door de ontvanger der registratie en der domeinen worden gedaan krachtens artikel 87 van het Wetboek der successierechten;
  12° over verzoeken om aanwijzing van een bewindvoerder ad hoc ten einde in een (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) een onbekwaamverklaarde vennoot te vertegenwoordigen; <W 1985-07-15/35, art. 1, 007>
  13° (opgeheven) <W 1999-05-04/03, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 01-11-1999>
  14° over het verzoek van medeëigenaars, vruchtgebruikers of degenen die een recht hebben van erfpacht, opstal, gebruik of bewoning, om aanstelling van een gemeenschappelijke lasthebber die zitting neemt in de algemene vergadering van de polder of van de watering;
  (15° over de verzoeken die bij hem worden ingediend krachtens de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke;) <W 1990-06-26/32, art. 38, §2, 024; Inwerkingtreding : 1991-07-27, volgens art. 39 van de wet en art. 11 van KB 1991-07-18/38>
  16° (over elk verzoek dat tot hem is gericht met toepassing van de artikelen [2 490 tot 501/2]2 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1991-07-18/33, art. 16, 1), 032; Inwerkingtreding : 28-07-1992>
  17° over het verzoek van openbare ambtenaren om aflevering van een uitvoerbaar afschrift voor de terugbetaling van de bedragen die zij hebben voorgeschoten bij uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten;
  18° over het verzoek om vaststelling van het bedrag van de borgsom bedoeld in artikel 94 van het Wetboek der successierechten;
  19° (op de vorderingen ingesteld met toepassing van de artikelen 214, 215, § 2,220, § 3, 221, 223(, 1479) en 1421 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 14-07-1976, (art. 4, § 2), art. 22> <W 1998-11-23/35, art. 4, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  20° (over het verzoek om machtiging, inzake pacht, om de gebouwen op te trekken en alle werken uit te voeren die nodig zijn voor de bewoonbaarheid van het gepacht goed of dienstig voor de exploitatie ervan en die stroken met de bestemming van dat goed.) <W 15-07-1970, art. 31>
  (21° op de vorderingen tot benoeming van de syndicus of tot aanwijzing van een vervanger, ingesteld op grond van artikel 577-8, § 1 of § 7, van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1994-06-30/34, art. 9, 047; Inwerkingtreding : 1995-08-01>
  [1 22° over de verzoeken die bij hem worden ingediend krachtens de wet van 15 mei 2012 betreffende het tijdelijk huisverbod in geval van huiselijk geweld. ]1
  ----------
  (1)<W 2012-06-15/16, art. 3, 200; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<W 2013-03-17/14, art. 155, 223; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 595. De vrederechter doet uitspraak over de vorderingen die voor hem aanhangig zijn krachtens de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid inzake onteigening ten algemenen nutte.

  Art. 596. <W 2003-03-13/62, art. 2, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2005> De vrederechter is bevoegd inzake voogdij zoals in boek I van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven.

  Art. 596bis. <Ingevoegd bij W 2007-05-10/51, art. 3; Inwerkingtreding : 01-07-2007> De vrederechter is bevoegd inzake het gerechtelijk beheer va de goederen van een vermoedelijk afwezige, overeenkomstig de artikelen 113 tot 117 van het Burgerlijk Wetboek.

  Art. 597. De vrederechter is bevoegd inzake verzegeling.

  Art. 598.[1 De vrederechter is tegenwoordig :
   1° bij verdelingen waarmee het belang gemoeid is van minderjarigen, van beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard, van vermoedelijk afwezigen en van personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis;
   2° indien de vrederechter daartoe beslist, bij openbare verkopingen van onroerende goederen waarmee het belang gemoeid is van minderjarigen, van beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard, van vermoedelijk afwezigen en van personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, evenals bij openbare verkopingen van onroerende goederen uit nalatenschappen die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard zijn, uit onbeheerde nalatenschappen of uit failliete boedels.
   Hij oefent de bevoegdheden uit die bij de artikelen 1192 en 1206 bepaald worden.]1
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 203, 224; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 599. De vrederechter kan worden belast met de onderzoeksverrichtingen die de rechterlijke overheid beveelt.

  Art. 600.Hij geeft akten van bekendheid af aan degenen die erom verzoeken [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 96, 224; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 601. De vrederechter beëdigt:
  1° alle personen die wegens hun ambt en bediening aan die voorafgaande formaliteit onderworpen zijn, in de gevallen waarin de wet de beëdigde overheid niet uitdrukkelijk heeft bepaald;
  2° de wegencommissarissen;
  3° de ambtenaren aangewezen om overtredingen inzake bevloeiing vast te stellen;
  4° de lasthebbers of koopwachters, overeenkomstig het Boswetboek aan te wijzen;
  5° de personen aangewezen om de overtreding vast te stellen van de wet op de gezondheidspolitie der huisdieren en op de schadelijke insekten;
  6° de personen aangewezen om de overtreding van de conventie van Rome van 6 december 1951 op de bescherming van de planten vast te stellen;
  7° de gemachtigde bedienden van tramconcessiehouders;
  8° de ambtenaren aangewezen om de overtreding van de voorschriften inzake handel in scheuten van harsbomen vast te stellen;
  9° de ambtenaren aangewezen om de inbreuken op de wet houdende verbod van de handel in Levantse bessen vast te stellen;
  10° de wachters die erkend zijn om te waken voor de uitvoering van de wettelijke bepalingen inzake elektriciteitsvoorziening;
  11° de personen aangewezen om de overtreding vast te stellen van de wettelijke bepalingen inzake handel in land- en tuinprodukten en produkten van de zeevisserij;
  12° de exploitanten van openbare autobusdiensten, van speciale autobusdiensten en van toerauto's en hun bedienden die gelast zijn de overtreding van de politieverordening op de exploitatie van de diensten vast te stellen;
  13° de ambtenaren aangewezen om de overtreding vast te stellen van de voorschriften inzake behandeling van ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels, en de daarmede geladen tuigen;
  14° de wachters en sluiswachters aangesteld bij de dienst der wateringen;
  15° de dijk- en sluiswachters aangesteld bij de dienst der polders;
  16° de wegers, meters en scheepsmeters die niet bedoeld zijn in artikel 576;
  17° de ijkmeesters en hulpijkmeesters;
  18° de veldwachters en particuliere veldwachters.

  HOOFDSTUK IIIbis. _ Politierechtbank. <ingevoegd bij W 1994-07-11/33, art. 36, Inwerkingtreding : 1995-01-01>

  Art. 601bis.<Ingevoegd bij W 1994-07-11/33, art. 36, Inwerkingtreding : 1995-01-01> De politierechtbank neemt kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval [1 of een treinongeval]1 zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek.
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/13, art. 17, 172; Inwerkingtreding : 25-01-2010; zie ook art. 18>

  Art. 601ter.<Ingevoegd bij W 1999-05-13/32, art. 8, Inwerkingtreding : 20-06-1999> De politierechtbank neemt kennis van :
  1° het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete door de ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen overeenkomstig artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet;
  2° het beroep tegen de beslissing tot het niet-opleggen van een administratieve geldboete door de ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen overeenkomstig artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet;
  3° het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie door de ambtenaar, daartoe door de Koning aangewezen, voor feiten omschreven in de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden.
  
  TOEKOMSTIG RECHT (vanaf 01-01-2014)
  
  <Ingevoegd bij W 1999-05-13/32, art. 8, Inwerkingtreding : 20-06-1999> De politierechtbank neemt kennis van :
  [1 1° van het beroep tegen de beslissing tot opleggen van de sanctie bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, door de sanctionerend ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen;
   2° van het beroep tegen de beslissing tot het niet-opleggen van de sanctie bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, door de sanctionerend ambtenaar die daartoe door de gemeente wordt aangewezen.]1
  3° het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie door de ambtenaar, daartoe door de Koning aangewezen, voor feiten omschreven in de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden.
  

  ----------
  (1)<W 2013-06-24/04, art. 49, 209; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  HOOFDSTUK IV. - Hof van beroep en arbeidshof.

  Art. 602. Het hof van beroep neemt kennis van het hoger beroep:
  1° tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de rechtbanken van eerste aanleg en door de rechtbanken van koophandel;
  2° tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en door de voorzitter van de rechtbank van koophandel;
  3° tegen beslissingen van het prijsgerecht;
  4° tegen beslissingen gegeven door Belgische consuls in het buitenland;
  5° tegen beslissingen inzake verkiezingen gegeven door het college van burgemeester en schepenen en door de hoofdbureaus.
  In de gevallen van 3° en 4° is alleen het hof van beroep te Brussel bevoegd.

  Art. 603. Het hof van beroep neemt kennis van voorzieningen :
  1° (opgeheven) <W 1999-03-23/30, art. 5, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  2° tegen beslissingen van de scheidsrechterlijke commissies ingesteld krachtens de wetgeving op de militaire opvorderingen, en tegen beslissingen van het scheidsrechterlijk comité ingesteld krachtens de wetgeving inzake opvordering van schepen;
  3° (opgeheven) <W 1999-03-23/30, art. 5, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  4° (de beslissingen van de provinciegouverneurs inzake herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen.) <W 12-07-1976 , art. 59>

  Art. 604.[1 Onverminderd de in het artikel 23/1, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bedoelde gevallen, neemt het hof van beroep kennis van rechtsvorderingen tot vervallenverklaring van de nationaliteit.]1
  ----------
  (1)<W 2012-12-04/04, art. 28, 202; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 605. Het hof van beroep neemt kennis van aanvragen om eerherstel inzake faillissement.

  Art. 605bis.<Ingevoegd bij W 2002-08-02/65, art. 7; Inwerkingtreding : onbepaald> (NOTA : inwerkingtreding van artikel 605BIS vastgesteld op 01-06-2003 door KB 2003-04-04/53, art. 1, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de Minister, de (CBFA), de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de (CBFA) en van de CDV voor de strafgerechten <KB 2003-03-25/34, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2004>) Het hof van beroep neemt kennis van het beroep bedoeld [1 in de artikelen 120, 121 en 123 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en in artikel 36/21 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België]1 (en van het beroep bedoeld in artikel 2 van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij [2 en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop]2 ). <W 2004-05-12/68, art. 3, 123; Inwerkingtreding : 05-07-2004>
  ----------
  (1)<KB 2011-03-03/01, art. 342, 187; Inwerkingtreding : 01-04-2011>
  (2)<W 2013-07-18/29, art. 4, 210; Inwerkingtreding : 13-09-2013>

  Art. 605ter.<Ingevoegd bij W 2002-08-02/65, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-2006> (NOTA : inwerkingtreding van artikel 605TER vastgesteld op 01-06-2003 door KB 2003-04-04/53, art. 1, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de Minister, de (CBFA), de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de (CBFA) en van de CDV voor de strafgerechten) <KB 2003-03-25/34, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Het hof van beroep neemt in eerste en laatste instantie kennis van de vorderingen bedoeld in [1 artikel 41 van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen]1.
  ----------
  (1)<W 2013-07-31/03, art. 12, 208; Inwerkingtreding : 09-09-2013>

  Art. 605quater.<Ingevoegd bij W 2005-07-27/32, art. 9; Inwerkingtreding : 01-02-2006> Het hof van beroep neemt kennis van de beroepen bedoeld in :
  1° artikel 29bis van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
  2° artikel 29sexies van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;
  3° artikel 15/20 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
  4° artikel 15/23 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.
  (5° artikel 2 van de wet van 8 december 2006 tot inrichting van een beroep tegen de administratieve boete opgelegd in het raam van de toepassing van de wet van 8 december 2006 tot vaststelling van een heffing ter bestrijding van het niet benutten van een site voor de productie van elektriciteit door een producent.) <W 2006-12-08/31, art. 3, 141; Inwerkingtreding : 23-12-2006>
  [1 6° artikel 66/1 van de wet van 4 december 2006 betreffende het gebruik van de spoorweginfrastructuur;
   7° artikel 14/5 van de wet van 19 december 2006 betreffende de exploitatieveiligheid van de spoorwegen;]1
  [2 8° artikel 43 van de wet van 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen.]2
  ----------
  (1)<W 2010-01-26/05, art. 6, 174; Inwerkingtreding : 19-02-2010>
  (2)<W 2013-12-21/29, art. 4, 215; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 606. Het hof van beroep doet op verzoekschrift uitspraak over :
  1° aanvragen tot uitvoerbaarverklaring van scheidsrechterlijke uitspraken, wanneer een compromis is aangegaan over hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg of van de rechtbank van koophandel;
  2° aanvragen tot homologatie van de beslissingen, genomen hetzij door de algemene vergadering van aandeelhouders, hetzij door de algemene vergadering van obligatiehouders van een naamloze vennootschap.

  Art. 607. Het arbeidshof neemt kennis van het hoger beroep tegen beslissingen in eerste aanleg van de arbeidsrechtbanken en van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken.

  HOOFDSTUK V. _ Hof van Cassatie.

  Art. 608. Het Hof van Cassatie neemt kennis van de beslissingen in laatste aanleg die voor het hof worden gebracht wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.

  Art. 609.Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de voorziening in cassatie :
  1° tegen de beslissingen van de hoven en rechtbanken, gewezen in alle zaken en in laatste aanleg;
  2° tegen de arresten waarbij de afdeling administratie van de Raad van State beslist van de vordering geen kennis te kunnen nemen, daar deze tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheid behoort, en tegen de arresten waarbij de genoemde afdeling afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, gegrond op de overweging dat de vordering tot de bevoegdheid van deze overheid behoort;
  3° tegen de arresten van het Rekenhof, gewezen tegen rekenplichtigen;
  4° [2 ...]2;
  5° (Opgeheven) <W 1996-12-24/31, art. 14, 051; Inwerkingtreding : 10-01-1997>
  6° tegen beslissingen van de bestendige deputaties van de provincieraden inzake belastingen geheven ten voordele van de wateringen en de polders;
  7° tegen beslissingen van de hoge militieraad en van de herkeuringsraden.
  8° [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2013-04-03/18, art. 10, 206; Inwerkingtreding : 28-05-2013>
  (2)<W 2014-04-10/57, art. 4, 225; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 610.(Onverminderd artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, neemt het Hof van Cassatie kennis van) vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen waardoor rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie, alsook tuchtrechtelijke overheden van (openbare en) ministeriële ambtenaren en van de balie, hun bevoegdheid mochten hebben overschreden. <W 1999-05-25/44, art. 31, 081; Inwerkingtreding : 02-07-1999> <W 1999-05-04/03, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 01-11-1999>
  (Het Hof van Cassatie neemt kennis van de vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen van het beheerscomité die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn gesteld.) <W 2005-08-10/58, art. 2, 132; Inwerkingtreding : 11-09-2005>
  (Het Hof van Cassatie neemt kennis van de vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen van de kamers voor handelsonderzoek die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn gesteld.) <W 2009-01-26/31, art. 4, 166; Inwerkingtreding : 01-04-2009>

  Art. 611. Het Hof van Cassatie neemt ook kennis van vorderingen tot nietigverklaring van de reglementen van de (Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone) die door overschrijding van bevoegdheid zijn aangetast, tegen de wetten indruisen of op onregelmatige wijze zijn aangenomen. <W 2001-07-04/41, art. 15, 094; Inwerkingtreding : 01-05-2002>

  Art. 612. Het Hof van Cassatie neemt kennis van voorzieningen tegen de beslissingen in laatste aanleg die strijdig zijn met de wetten of procesvormen, voornamelijk wanneer uit die beslissingen een blijvend verschil van interpretatie omtrent een rechtspunt blijkt.

  Art. 613. Het Hof van Cassatie doet uitspraak :
  1° op de vorderingen tot onttrekking van de zaak aan de rechter, die in de artikelen 648 tot 659 bedoeld zijn;
  2° over het verhaal op de rechter;
  3° over regelingen van rechtsgebied;
  4° over de conflicten van attributie, ter uitvoering van artikel 106 van de Grondwet.

  Art. 614.
  <Opgeheven bij W 2014-04-10/57, art. 4, 225; Inwerkingtreding : 25-05-2014>

  Art. 615.Buiten de bevoegdheid toegekend bij de artikelen 409, 410 en 486 en bij artikel 90 van de Grondwet, neemt het Hof van Cassatie in algemene vergadering kennis van de vorderingen tot ontzetting uit hun ambt of tot schorsing, ingesteld tegen leden van de Raad van State.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<W 2013-04-03/18, art. 10, 206; Inwerkingtreding : 28-05-2013>

  TITEL II. - Aanleg.

  Art. 616. Tegen ieder vonnis kan hoger beroep worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaalt.

  Art. 617. <W 29-11-1979 , art. 4>
  (De vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg en van de rechtbank van koophandel, waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag (1.860 EUR) niet overschrijdt, worden gewezen in laatste aanleg. Hetzelfde geldt voor de vonnissen waarbij de vrederechter en, inzake de geschillen bedoeld in artikel 601bis, de politierechtbank uitspraak doet over een vordering waarvan het bedrag (1.240 EUR) niet overschrijdt.) <W 1994-07-11/33, art. 37, 048; Inwerkingtreding : 1995-01-01> <KB 2000-07-20/57, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De vonnissen van de arbeidsrechtbank zijn steeds vatbaar voor hoger beroep.
  (De door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, zijn steeds vatbaar voor hoger beroep.) <W 1999-03-23/30, art. 6, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999>

  Art. 618. De regels gesteld bij de artikelen 557 tot 562 gelden voor het bepalen van de aanleg.
  Indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, wordt de aanleg bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.

  Art. 619. Bij gebreke van grondslagen voor de bepaling van de waarde van het geschil, zoals zij omschreven zijn in de artikelen 557 tot 562, wordt het geschil in eerste aanleg berecht.

  Art. 620. <W 1999-02-10/38, art. 2, 071; Inwerkingtreding : 27-03-1999> Wanneer de tegenvordering en de vordering tot tussenkomst, strekkende tot het uitspreken van een veroordeling, ontstaan uit het contract of het feit dat aan de oorspronkelijke rechtsvordering ten grondslag ligt, of wanneer de tegenvordering ontstaat uit de tergende of roekeloze aard van deze vordering, wordt de aanleg bepaald door samenvoeging van het bedrag van de hoofdvordering en het bedrag van de tegenvordering en de vordering tot tussenkomst.

  Art. 621. Met uitzondering van de beslissingen (...), tegenvorderingen en vorderingen tot tussenkomst strekkend tot het uitspreken van een veroordeling, wordt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de vonnissen op tussengeschil en tegen de onderzoeksvonnissen gehandeld zoals inzake de hoofdvorderingen. <W 1992-08-03/31, art. 9, 034; Inwerkingtreding : 1993-01-01>

  TITEL III. - Territoriale bevoegdheid.

  Art. 622. De rechter is slechts bevoegd binnen de grenzen van het rechtsgebied dat hem door de wet is toegekend, behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt.

  Art. 623.<W 2003-05-03/62, art. 9, 120; Inwerkingtreding : 31-12-2003> Voor de notariële akten waarvoor de bijstand van de vrederechter vereist is, mag deze zich verplaatsen in het gehele ambtsgebied van de optredende notaris.
  [1 De vrederechter kan, met bijstand van de griffier, de personen waarop het verzoek bedoeld in artikel 594, 16°, betrekking heeft, buiten zijn kanton bezoeken. De reiskosten vallen ten laste van de te beschermen of beschermde persoon.]1
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 157, 223; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 624. Met uitzondering van de gevallen waarin de wet uitdrukkelijk bepaalt welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering, kan deze naar keuze van de eiser worden gebracht;
  1° voor de rechter van de woonplaats van de verweerder of van één der verweerders;
  2° voor de rechter van de plaats waar de verbintenissen, waarover het geschil loopt, of een ervan zijn ontstaan of waar zij worden, zijn of moeten worden uitgevoerd;
  3° voor de rechter van de woonplaats gekozen voor de uitvoering van de akte;
  4° voor de rechter van de plaats waar de gerechtsdeurwaarder heeft gesproken tot de verweerder in persoon, indien noch de verweerder noch, in voorkomend geval, een van de verweerders een woonplaats heeft in België of in het buitenland.

  Art. 625. De bevoegdheid van de rechtbanken waarvan de rechtsgebieden begrensd zijn door de middellijn van een waterloop of van een verkeersweg, strekt zich uit tot de hele breedte daarvan.

  Art. 626.De vorderingen betreffende de uitkeringen tot onderhoud, bedoeld in artikel 591, 7° , kunnen worden gebracht voor de rechter van de woonplaats van de eiser, (.....) [1 de vorderingen strekkende tot de verlaging of de opheffing van deze uitkeringen uitgezonderd.]1. <W 24-07-1978 , art. 1>
  ----------
  (1)<W 2010-03-19/05, art. 10, 177; Inwerkingtreding : 01-08-2010; zie ook art. 17>
  

  Art. 626/1.<ingevoegd bij W 2009-01-26/31, art. 5; Inwerkingtreding : 01-04-2009> De verzoeken tot homologatie zoals bedoeld in artikel 61, § 5, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen kunnen worden gebracht voor de arbeidsrechtbank van de zetel van de vennootschap of van de hoofdinrichting van de schuldenaar.

  Art. 627.Tot kennisneming van de vordering is alleen bevoegd :
  [1° de rechter van de woonplaats van de minderjarige of bij gebreke daarvan, van zijn verblijfplaats, wanneer het de organisatie van en het toezicht op de voogdij betreft, behoudens hetgeen is bepaald in artikel 13, § 2, van de wet van 31 december 1851 met betrekking tot de consulaten en de consulaire rechtsmacht;] <W 2001-03-27/39, art. 5, 091; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  2° de rechter die de rekenplichtige, geroepen om rekening en verantwoording te doen, aangesteld heeft;
  3° de rechter van de plaats waar de erfenis is opengevallen, wanneer het gaat om rechtsvorderingen tot verdeling en, tot bij de verdeling, om rechtsvorderingen tot opvordering van nalatenschappen en alle andere rechtsvorderingen tussen medeërfgenamen of legatarissen;
  4° de rechter van de plaats waar de erfenis is opengevallen, voor zover de vordering is ingesteld binnen twee jaar na het overlijden, wanneer het gaat om vorderingen ingesteld tegen de uitvoerder van de uiterste wilsbeschikking, en vorderingen door legatarissen en schuldeisers ingesteld tegen de erfgenamen of tegen één van hen, en binnen twee jaar na de verdeling wanneer het gaat om vorderingen tot nietigverklaring of tot vernietiging van de verdeling en tot vrijwaring van de kavels;
  5° [de rechter van de plaats van de namaak, wanneer het gaat om vorderingen inzake namaak betreffende auteursrechten, naburige rechten, rechten van producenten van databanken en bescherming van kweekproducten;] <W 2007-05-10/33, art. 20, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  [6° wanneer het gaat om vorderingen ingesteld krachtens de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, de rechter van de plaats waar de zieke wordt verzorgd of geplaatst is, of bij gebreke daarvan, de rechter van de plaats waar de zieke zich bevindt.] <W 1993-08-06/30, art. 57, 042; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  [Wanneer het gaat om vorderingen ingesteld krachtens de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke ten aanzien van een zieke die zijn verblijfplaats of woonplaats heeft in het gerechtelijk arrondissement Eupen, de vrederechter van de verblijfplaats of, bij gebreke daarvan, de woonplaats van de zieke of, bij gebreke daarvan, de vrederechter van de plaats waar de zieke zich bevindt. Als de geesteszieke niet vervoerd kan worden, kan de vrederechter buiten de grenzen van zijn kanton optreden.] <W 2004-01-08/35, art. 2, 122; Inwerkingtreding : 16-01-2004>
  7° de rechter van de plaats waar de akte opgemaakt is, wanneer het gaat om verbeteringen van akten van de burgerlijke stand en de rechter van [1 de woonplaats of de zetel van de aanvrager, wanneer het gaat over aanpassingen en schrappingen van inschrijvingen, in de Kruispuntbank van Ondernemingen, in de hoedanigheid van handelaar]1;
  8° de rechter van de plaats waar het dier zich bevindt, wanneer het gaat om vorderingen ingesteld op grond van artikel 4 van de wet van 25 augustus 1855 houdende herziening van de wetgeving inzake koopvernietigende gebreken of van de plaats waar het is teruggebracht wanneer het gaat om vorderingen ingesteld op grond van artikel 5 van genoemde wet;
  9° de rechter van de plaats waar de mijn, de fabriek, de werkplaats, het magazijn, het kantoor gelegen is en in het algemeen, van de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep of de werkzaamheid van de vennootschap, van de vereniging of van de groepering, voor alle geschillen bedoeld in de [artikelen 578 en 582, 3° en 4° [2 , voor de vorderingen gesteund op artikel 2 van de wet van 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht-]2, en voor de toepassing op de werkgevers van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583;] <W 30-06-1971 , art. 21>
  10° [in het geval bepaald in artikel 588, 9° : de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Luik wanneer de schade ontstaan is in de provincie Henegouwen, Namen, Luxemburg of Luik; de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel, wanneer de schade ontstaan is in de provincie Brabant, en de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, wanneer de schade ontstaan is in de provincie Oost- of West-Vlaanderen, Antwerpen of Limburg of in de territoriale zee of in open zee], [of in de wateren die onder de soevereiniteit van een andere Staat vallen]. <W 24-06-1970 , art. 7> <W 1989-04-11/30, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
  [11° in het geval van artikel 585, 8°, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel]. <W 1989-04-11/30, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
  12° [...] <W 2007-05-10/33, art. 20, 2°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  13° [...] <W 2007-05-10/33, art. 17, 2°, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  14° [opgeheven] <W 2005-12-20/36, art. 12, 136; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [15° de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen wanneer het gaat om vorderingen ingesteld 'op grond van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noord-zee] <W 1999-04-22/47, art. 53, 083; Inwerkingtreding : 20-07-1999>
  [16° de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel van Brussel, indien het een aanvraag betreft beoogd in [4 artikel XVII. 27 van het Wetboek van economisch recht]4 .] <W 2002-05-26/45, art. 13, 097; Inwerkingtreding : 20-07-2002>
  [17° in het geval van artikel 588, 14°, de voorzitter van de rechtbank van koophandel van de statutaire zetel van één van de fuserende vennootschappen of van de toekomstige Europese vennootschap.] <KB 2004-09-01/30, art. 33, 126; Inwerkingtreding : 08-10-2004>
  [17° de rechtbank van eerste aanleg van Brussel wanneer het gaat om een beroep tegen de beslissing van de centrale federale autoriteit, zoals bepaald in artikel 367-3 van het Burgerlijk Wetboek;] <W 2004-12-27/31, art. 13, 129; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  (NOTA : Voor de invoeging van 17° in artikel 627 heeft de wetgever geen rekening gehouden met de vroegere invoeging van 17° in artikel 627, gebracht door KB 2004-09-01/30.)
  [3 18° de vrederechter van het kanton waar de verblijfplaats waarvoor het huisverbod zoals bedoeld in de wet van 15 mei 2012 betreffende het tijdelijk huisverbod ingeval van huiselijk geweld geldt, gelegen is.]3
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/13, art. 15, 172; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2010-06-06/06, art. 14, 184; Inwerkingtreding : 01-07-2011>
  (3)<W 2012-06-15/16, art. 4, 200; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (4)<W 2013-12-26/36, art. 15, 220; Inwerkingtreding : 31-05-2014>

  Art. 628.Tot kennisneming van de vordering is alleen bevoegd :
  1° de rechter van de plaats van de laatste echtelijke verblijfplaats of van de woonplaats van de verweerder, wanneer het gaat om een vordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed (op grond van onherstelbare ontwrichting); <W 2007-04-27/00, art. 19, 149; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  2° (de rechter van de laatste echtelijke verblijfplaats, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in de artikelen (213), 214, 215, 216, 220, 221, 223, 224, 1395, 1420, 1421, 1422, 1426, 1442, 1463 en 1469 van het Burgerlijk Wetboek;) <W 14-07-1976 , (art. 4, § 2), art. 23> <W 24-07-1978, art. 2>
  3° [2 De rechter van de verblijfplaats of, bij gebreke daaraan, van de woonplaats van de te beschermen persoon, wanneer het een verzoek betreft bedoeld in de artikelen 490/1 [3 tot 490/2]3 of 492/1, van het Burgerlijk Wetboek. De vrederechter die een beschermingsmaatregel heeft bevolen, blijft bevoegd voor de verdere toepassing van de bepalingen van boek I, titel XI, hoofdstuk II/1, afdelingen 3 en 4, van het Burgerlijk Wetboek, tenzij hij bij een met redenen omklede beslissing, ambtshalve of op verzoek van de beschermde persoon, diens vertrouwenspersoon of bewindvoerder, van elke belanghebbende, of van de procureur des Konings, beslist heeft de zaak uit handen te geven ten voordele van de vrederechter van het kanton van de nieuwe hoofdverblijfplaats, indien de beschermde persoon het kanton verlaat om zijn hoofdverblijfplaats duurzaam in een ander gerechtelijk kanton te vestigen. In dit geval wordt laatstgenoemde vrederechter bevoegd;]2
  4° de rechter van de woonplaats van de notaris, wanneer het gaat om een vordering tot begroting van notariskosten;
  5° de rechter van de maatschappelijke zetel van de mutualiteitsvereniging of van de vereniging zonder winstoogmerk waarvan de ontbinding wordt geëist;
  6° de rechter van de zetel van de instelling van openbaar nut, wanneer het gaat om een vordering tot afzetting van beheerders;
  7° de rechter van de woonplaats van de opposant, inzake het onopzettelijk verlies van het bezit van effecten aan toonder, of, wanneer de opposant geen woonplaats heeft in België, de rechter van de maatschappelijke zetel van de schuldplichtige instelling;
  8° (de rechter van de woonplaats van de consument, wanneer het gaat om een vordering betreffende een kredietovereenkomst geregeld bij de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet (met inbegrip van de verzoeken tot het toestaan van betalingsfaciliteiten en de verzoeken inzake borgtocht bij kredietovereenkomsten.).) <W 1991-06-12/30, art. 114, § 4, 029; Inwerkingtreding : 22-10-1991> <W 2003-03-24/40, art. 78, 115; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  9° (de rechter van de plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in [1 artikel 11, § 2,]1 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, of van de plaats waar degene die de verklaring aflegt zijn hoofdverblijf heeft, [1 wanneer het gaat om een verklaring als bedoeld in artikel 12bis of om verklaringen of verzoeken op grond van de artikelen 24, 26 en 28 van hetzelfde Wetboek]1 (of van de hoofdverblijfplaats van degene die op grond van artikel 5 van hetzelfde Wetboek zich een akte van bekendheid laat verschaffen ter vervanging van een akte van geboorte).) <W 1991-06-13/31, art. 7, §2, 030; Inwerkingtreding : 01-01-1992> <W 2000-03-01/46, art. 3, 086; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
  10° de rechter van de woonplaats van de verzekeringnemer, wanneer het gaat om geschillen over een verzekeringscontract, ongeacht het voorwerp van het contract, onverminderd de bepalingen tot regeling van de zeeverzekering en die welke betrekking hebben op de schadevergoeding wegens arbeidsongevallen;
  11° de rechter in wiens rechtsgebied de thuishaven ligt van het schip of vaartuig, wanneer het gaat om vorderingen betreffende de schadevergoeding wegens arbeidsongevallen van zeelieden of rechthebbenden;
  12° de rechter van de woonplaats van de koper, wanneer het gaat om geschillen betreffende verkoop van zaden, meststoffen en veevoeder, indien de koper geen daad van koophandel heeft gesteld;
  13° de rechter van de maatschappelijke zetel of van de hoofdplaats van vestiging van de vennootschap, wanneer het gaat om geschillen (bedoeld in artikel 574, 1°,) en, zelfs na de ontbinding van de vennootschap, wanneer het gaat om de verdeling van de daaruit ontstane verbintenissen voor zover de rechtsvordering wordt ingesteld binnen twee jaar na de verdeling; <W 1999-05-07/70, art. 3, 084; Inwerkingtreding : 05-09-1999>
  14° de rechter van de woonplaats van de verzekeringsplichtige, de verzekerde of van de rechthebbende, wanneer het gaat om betwistingen bedoeld (in de (((artikelen 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°), 9°), 10° (11° en 12°)), 581, 582, 1° en 2°, en voor de betwistingen betreffende de toepassing op de zelfstandigen van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583) en de rechter van de woonplaats van de uitkeringsgerechtigde, wanneer het gaat om betwistingen bedoeld in artikel 579. <W 12-05-1971, art. 4, 1°> <W 30-06-1971, art. 22> <W 20-06-1975, art. 11> <W 22-12-1977, art. 166, § 3> <W 1989-07-06/30, art. 47, 017; Inwerkingtreding : 01-06-1989>
  Indien de verzekeringsplichtige, de verzekerde of de rechthebbende in België geen woonplaats heeft of er geen meer heeft, wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door zijn laatste verblijfplaats of zijn laatste woonplaats in België. (Indien de verzekeringsplichtige of de verzekerde in België geen verblijfplaats of geen woonplaats heeft gehad, wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door de plaats van zijn laatste tewerkstelling in België) <W 12-05-1971, art. 4, 2°>
  (Ten aanzien van de lasthebbers van vennootschappen, Europese economische samenwerkingsverbanden of economische samenwerkingsverbanden die uitsluitend of hoofdzakelijk in het buitenland verblijven, wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door de plaats waar de vennootschap of het samenwerkingsverband in België zijn hoofdvestiging heeft;) <W 1989-07-12/36, art. 19, 1°, 018; Inwerkingtreding : 01-07-1989>
  15° (de rechter van de plaats van de bedrijfszetel van de huurder als de bedrijfszetel zich in België bevindt, de rechter van de plaats waar het gepachte goed gelegen is als de bedrijfszetel zich in het buitenland bevindt, wanneer het gaat om betwistingen inzake pacht;) <W 1988-11-07/43, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 1988-12-16>
  (16° de rechter van de zetel of de hoofdvestiging van het samenwerkingsverband, als het gaat om betwistingen tussen leden van een Europees economisch samenwerkingsverband of van een economisch samenwerkingsverband, tussen zaakvoerders, tussen zaakvoerder(s) en leden, tussen vereffenaars, tussen vereffenaars en leden, of tussen leden, zaakvoerder(s) en vereffenaars, alsook van elke vordering tot ontbinding van een samenwerkingsverband.) <W 1989-07-12/36, art. 19, 2°, 018; Inwerkingtreding : 01-07-1989>
  (17° de rechter van de woonplaats van de schuldenaar, op het ogenblik waarop de vordering wordt ingediend, wanneer het een vordering betreft bedoeld in artikel 1675/2.) <W 1998-07-05/58, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2003-03-13/62, art. 3, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
  ( (18°) de rechter van de laatste gemeenschappelijke verblijfplaats van de wettelijk samenwonenden, wanneer het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek.) <W 1998-07-05/58, art. 5, 067; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2003-03-17/32, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-09-2003>
  (19° de rechter van de woonplaats van de onderhoudsgerechtigde wanneer het gaat om een aanvraag tot tegemoetkoming bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën.) <W 2003-03-17/32, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-09-2003>
  (19° de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van de adoptant, van de adoptanten of van een van hen, in geval van een verzoek houdende vaststelling van de geschiktheid om te adopteren;
  20° de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van het kind, in geval van een verzoek tot vaststelling van de adopteerbaarheid;
  21° de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van de adoptant, van de adoptanten of van een van hen, in geval van een verzoek tot adoptie; bij gebreke daarvan, de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van de geadopteerde; bij gebreke daarvan, de rechter van de plaats waar de adoptant of de adoptanten keuze van woonplaats doen;
  22° de rechter van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van de verweerder of van een van de verweerders in geval van een verzoek tot herroeping van een gewone adoptie of tot herziening van een adoptie; bij gebreke daarvan, de rechter te Brussel;) <W 2003-03-13/62, art. 3, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2005>
  (23° de rechter van de laatste woonplaats in België van de verdwenen, afwezige of vermoedelijk afwezige persoon, of indien deze nooit een woonplaats in België heeft gehad, de rechter van het arrondissement Brussel.) <W 2007-05-10/51, art. 4, 152; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  (24° de rechter van de plaats waar de in artikel 62bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde persoon aangifte heeft gedaan teneinde een akte houdende vermelding van het nieuwe geslacht te laten opmaken.) <W 2007-05-09/50, art. 2, 154; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  ----------
  (1)<W 2012-12-04/04, art. 29, 202; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (2)<W 2013-03-17/14, art. 158, 223; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>
  (3)<W 2014-04-25/23, art. 204, 224; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 629. Alleen de rechter van de plaats waar het goed gelegen is, heeft bevoegdheid om van de vordering kennis te nemen, wanneer het betreft :
  1° (Vorderingen aangaande zakelijke rechten op onroerende goederen en vorderingen aangaande aangelegenheden opgesomd in artikel 591, 1°, 2°, (2°bis,) 3°, 4°, 5°, 6°, 9°, 10°, 11°, 12°, 13°, 14° en 18° (en 20°) met uitzondering van vorderingen inzake pacht.) <W 10-01-1977, art. 6> <DWG 1985-10-11/33, art. 7, 008> <W 1994-06-30/34, art. 10, 047; Inwerkingtreding : 1995-08-01>
  (NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap werd de tekst van artikel 629, 1°,L1, bij DVR van 24-01-1984, art. 19 door de volgende tekst vervangen :
  "1° Vorderingen aangaande zakelijke rechten op onroerende goederen en vorderingen aangaande aangelegenheden opgesomd in artikel 591, 1° ... met ...")
  Indien het onroerend goed waarop de vordering betrekking heeft, in verschillende gerechtelijke kantons of arrondissementen gelegen is, kan de vordering worden gebracht voor de rechter van de plaats waar een gedeelte van het onroerend goed gelegen is;
  2° vorderingen ingesteld op grond van de artikelen 27, 77 en 93 van de wet van 16 december 1851 tot herziening van de rechtsregeling van de hypotheek;
  3° vorderingen ingesteld op grond van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte en vorderingen ingesteld op grond van artikel 8 van de wetten op de onteigening bij stroken voor werken van gemeentelijk belang, gecoördineerd op 15 november 1867;
  4° vorderingen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van 28 juni 1930, betreffende onteigening bij stroken van algemeen of provinciaal belang;
  5° vorderingen ingesteld op grond van de wet van 10 mei 1926 tot instelling van een rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte en van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte.
  (6° wanneer het gaat om een vordering tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten zoals geregeld bij de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet.) <W 1992-08-04/31, art. 59, § 3, 035; Inwerkingtreding : 1993-01-01>

  Art. 630. Van rechtswege nietig is iedere overeenkomst die in strijd is met de bepalingen van de artikelen 627, 628, 629 en dagtekent van vó6r het ontstaan van het geschil.
  (Lid 2 opgeheven) <W 1998-05-19/45, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 17-08-1998>
  Van de verweerder die niet verschijnt, wordt vermoed dat hij de bevoegdheid afwijst van de rechter voor wie de zaak aanhangig is.

  Art. 631.(§ 1. (De rechtbank van koophandel gelegen in het rechtsgebied waarin de koopman op de dag van aangifte van het faillissement of van instelling van de rechtsvordering zijn hoofdvestiging of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn zetel heeft, is bevoegd om het faillissement uit te spreken. In geval van verplaatsing van de hoofdvestiging van de koopman of, indien het een rechtspersoon betreft, van de zetel, binnen een termijn van een jaar voorafgaand aan de faillissementsvordering, kan het faillissement binnen dezelfde termijn eveneens worden gevorderd voor de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de koopman zijn hoofdvestiging of de rechtspersoon zijn zetel had. Deze termijn loopt vanaf de wijziging van het ingeschrevene betreffende de hoofdvestiging [1 in de Kruispuntbank van Ondernemingen, in de hoedanigheid van handelaar]1 of wanneer het een rechtspersoon betreft, van de bekendmaking van de verplaatsing van de zetel in het Belgisch Staatsblad. De rechtbank waarbij de zaak eerst aanhangig wordt gemaakt, heeft voorrang op die waarvoor zij later wordt aangebracht.) <W 2002-09-04/38, art. 33, 102; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  (De rechtbank van koophandel bevoegd om een territoriaal of secundair faillissement uit te spreken met toepassing van artikel 3, § 2 of § 3, van verordening 1346/2000/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, is die welke gelegen is in het rechtsgebied waarbinnen de schuldenaar de bedoelde vestiging bezit. Indien er meerdere vestigingen zijn, is de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, bevoegd.) <W 2004-07-16/31, art. 135, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>
  Geschiedt de faillietverklaring in België, dan behoren de desbetreffende geschillen uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbank in wier arrondissement het faillissement is geopend.
  Het eerste lid is van toepassing op de procedure bepaald in artikel 8 van de faillissementswet. De rechtbank die de beslissing tot ontneming van het beheer heeft genomen, blijft uitsluitend bevoegd om het faillissement van de schuldenaar uit te spreken gedurende de termijn bepaald in artikel 8, vijfde lid, van de faillissementswet.) <W 1997-08-08/90, art. 115, 054; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (§ 2. De rechtbank van koophandel bevoegd (om kennis te nemen van een verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie) is die welke gelegen is in het rechtsgebied waarbinnen de schuldenaar (op de dag van de neerlegging van het verzoekschri) zijn (hoofdinrichting) of, inft tot gerechtelijke reorganisatiedien het een rechtspersoon betreft, zijn (zetel) heeft. (...). <W 1998-05-27/30, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 28-07-1998> <W 2009-01-26/31, art. 6, 166; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  De rechtbank bedoeld in het vorige lid blijft bevoegd voor en tijdens alle verrichtingen voorgeschreven door (de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen) en door de faillissementswet.) <W 1997-07-17/65, art. 53, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 2009-01-26/31, art. 6, 166; Inwerkingtreding : 01-04-2009>
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/13, art. 16, 172; Inwerkingtreding : 25-01-2010>

  Art. 632. <W 1999-03-23/30, art. 7, 072; Inwerkingtreding : 06-04-1999> Ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet staat ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd.
  De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is.

  Art. 633.[1 § 1. De vorderingen inzake bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging worden uitsluitend gebracht voor de rechter van de plaats van het beslag, tenzij de wet anders bepaalt.
   Inzake beslag onder derden is de rechter van de woonplaats van de beslagen schuldenaar bevoegd. Indien de woonplaats van de beslagen schuldenaar zich in het buitenland bevindt of onbekend is, is de rechter van de plaats van de tenuitvoerlegging van het beslag bevoegd.
   § 2. Voor de vorderingen betreffende bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging ingesteld krachtens de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België, zijn de beslagrechters van de arrondissementen van [2 West-Vlaanderen]2 en Antwerpen tevens bevoegd.
   Indien de vordering betrekking heeft op een beslag gelegd in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1 van de wet van 6 oktober 1987 tot bepaling van de breedte van de territoriale zee van België, of in de exclusieve economische zone, bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee, zijn de beslagrechters van de arrondissementen Antwerpen [2 en West-Vlaanderen]2 eveneens bevoegd.
   De beslagrechter van het arrondissement Antwerpen is eveneens bevoegd voor de vorderingen die betrekking hebben op een beslag op zeeschip gelegd op het grondgebied van de Antwerpse haven gelegen binnen het arrondissement [2 Oost-Vlaanderen]2.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-30/13, art. 20, 172; Inwerkingtreding : 25-01-2010>
  (2)<W 2013-12-01/01, art. 103, 218; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 633bis. <Ingevoegd bij W 2002-08-02/65, art. 9; Inwerkingtreding : onbepaald> (NOTA : inwerkingtreding van artikel 633BIS vastgesteld op 01-06-2003 door KB 2003-04-04/53, art. 1, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de Minister, de (CBFA), de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de (CBFA) en van de CDV voor de strafgerechten) <KB 2003-03-25/34, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Enkel het hof van beroep te Brussel is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de gevallen zoals bedoeld in de artikelen 605bis en 605ter.

  Art. 633ter.[1 De rechtbank van eerste aanleg, desgevallend de rechtbank van koophandel, te Brussel en, in graad van beroep, het hof van beroep te Brussel, zijn als enige bevoegd voor de rechtsvorderingen tot collectief herstel bedoeld in Titel 2, van Boek XVII van het Wetboek van economisch recht.]1
  ----------
  (1)<Hersteld bij W 2014-03-27/36, art. 3, 222; Inwerkingtreding : 01-09-2014>

  Art. 633quater. <Ingevoegd bij W 2005-07-27/32, art. 9; Inwerkingtreding : 01-01-2006> Enkel het hof van beroep van Brussel is bevoegd om kennis te nemen van de beroepen bedoeld in artikel 605quater.

  Art. 633quinquies.<W 2007-05-10/33, art. 21, 147; Inwerkingtreding : 01-11-2007> § 1. (Enkel de rechtbank van koophandel van Brussel is bevoegd om kennis te nemen van de in artikel 574, 11°, 14° en 19° bedoelde vorderingen inzake de intellectuele eigendomsrechten.) <W 2008-07-24/36, art. 11, 161; Inwerkingtreding : 13-12-2007>
  Enkel de rechtbanken van koophandel die gevestigd zijn in de zetel van een hof van beroep zijn bevoegd om kennis te nemen van vorderingen betreffende de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 574, 3°, 15°, 16°, 17° en 18°.
  Enkel de rechtbanken van eerste aanleg of de rechtbanken van koophandel die gevestigd zijn in de zetel van een hof van beroep zijn bevoegd om kennis te nemen van vorderingen betreffende de intellectuele eigendomsrechten en de rechtsbescherming van technische maatregelen en van de informatie betreffende het beheer van rechten bedoeld in artikel 575.
  § 2. Enkel de voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel is bevoegd om kennis te nemen van vorderingen inzake de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel (574, 11°, 14° en 15°), ingesteld op grond van artikel 584. <W 2007-04-21/07, art. 11, 155; Inwerkingtreding : 13-12-2007>
  Enkel de voorzitters van de rechtbanken van koophandel die gevestigd zijn in de zetel van een hof van beroep zijn bevoegd om kennis te nemen van vorderingen inzake de intellectuele eigendomsrechten, bedoeld in artikel 574, 3°, 15°, 16°, 17° en 18°, ingesteld op grond van artikel 584.
  Enkel de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg of van de rechtbanken van koophandel die gevestigd zijn in de zetel van een hof van beroep zijn bevoegd om kennis te nemen van vorderingen betreffende de intellectuele eigendomsrechten en de rechtsbescherming van technische maatregelen en van de informatie betreffende het beheer van rechten bedoeld in artikel 575, ingesteld op grond van artikel 584.
  § 3. Enkel de voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende beslag inzake namaak ingesteld krachtens de artikelen 1369bis /1 tot 1369bis /10 betreffende de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 574, 11° en 14°.
  Enkel de voorzitters van de rechtbanken van koophandel gevestigd in de zetel van een hof van beroep in wiens rechtsgebied de verrichtingen, of sommige ervan, zullen moeten plaatsvinden, zijn bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende beslag inzake namaak ingesteld krachtens de artikelen 1369bis /1 tot 1369bis /10 betreffende de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 574, 3°, 15°, 16°, 17° en 18°.
  Enkel de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg [1 of van de rechtbanken van koophandel]1 gevestigd in de zetel van een hof van beroep waarbinnen de verrichtingen, of sommige ervan, zullen moeten plaatsvinden, zijn bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende beslag inzake namaak ingesteld krachtens de artikelen 1369bis /1 tot 1369bis /10 betreffende de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 575, § 1.
  § 4. Enkel de voorzitter van de rechtbank van koophandel van Brussel is bevoegd om kennis te nemen van een vordering gegrond op artikel 96 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, die een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, bedoeld in artikel 574, 11° en 14° beoogt te staken.
  Enkel de voorzitters van de rechtbanken van koophandel gevestigd in de zetel van een hof van beroep zijn bevoegd om kennis te nemen van een vordering gegrond op artikel 96 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, die een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, bedoeld in artikel 574, 3°, 15°, 16°, 17° en 18° beoogt te staken.
  Enkel de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg of van de rechtbanken van koophandel die gevestigd zijn in de zetel van een hof van beroep zijn bevoegd om kennis te nemen van een vordering gegrond op [1 artikel 77quinquies of]1 artikel 87 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten en op artikel 12sexies van de wet van 31 augustus 1998 tot omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, die een inbreuk op een in deze wetten bedoeld intellectueel eigendomsrecht beoogt te staken.
  § 5. Enkel de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg of de rechtbanken van koophandel die gevestigd zijn in de zetel van een hof van beroep zijn bevoegd om kennis te nemen van een vordering gegrond op artikel 87bis van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten en op artikel 12quater van de wet van 31 augustus 1998 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken.
  § 6. Enkel de rechtbanken van eerste aanleg of de rechtbanken van koophandel die gevestigd zijn in de zetel van een hof van beroep zijn bevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen een beslissing door de vrederechter gewezen met betrekking tot een geschil inzake de intellectuele eigendomsrechten en de rechtsbescherming van technische maatregelen en van de informatie betreffende het beheer van rechten bedoeld in artikel 575, §§ 1 en 2.
  ----------
  (1)<W 2009-12-11/03, art. 3, 186; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 633sexies. <Ingevoegd bij W 2007-05-10/52, art. 3; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. Enkel de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kind, naar gelang van het geval, aanwezig is of zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip van de neerlegging of van de toezending van het verzoekschrift, is bevoegd om kennis te nemen van de in artikel 1322bis bedoelde verzoeken.
  Wanneer de procedure in het Duits wordt gevoerd, is evenwel alleen de rechtbank van eerste aanleg te Eupen bevoegd.
  § 2. Als het kind niet in België aanwezig is, wordt het verzoekschrift neergelegd bij of toegezonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de verweerder zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
  Wanneer de procedure in het Duits wordt gevoerd, is evenwel alleen de rechtbank van eerste aanleg te Eupen bevoegd.

  Art. 633septies. <Ingevoegd bij W 2007-05-10/52, art. 4; Inwerkingtreding : 01-07-2007> Enkel de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kind voor zijn ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, is bevoegd om kennis te nemen van de in artikel 1322decies bedoelde verzoeken.
  Wanneer de procedure in het Duits wordt gevoerd, is evenwel alleen de rechtbank van eerste aanleg te Eupen bevoegd.

  Art. 633octies. [1 De rechtbank van eerste aanleg te Brussel is als enige bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen bedoeld in artikel 26ter van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, in artikel 57ter van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en in artikel 23/2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-06-02/11, art. 7, 179; Inwerkingtreding : 24-06-2010>

  Art. 633novies.[1 Onverminderd de bevoegdheid van de rechtbanken bedoeld in artikel 624 is de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van de eiser eveneens bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 41°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2010-06-02/40, art. 3, 182; Inwerkingtreding : 01-09-2012 (zie KB 2012-08-25/01, art. 1)

  Art. 634. De regels betreffende de tegenvorderingen, de vorderingen tot tussenkomst, de aanhangigheid en de samenhang, zoals zij bepaald zijn in de artikelen 563, 564, 565 en 566, zijn van toepassing op de territoriale bevoegdheid.

  Art. 635.<hersteld bij W 2006-05-17/36, art. 42, 138; Inwerkingtreding : 01-02-2007> [1 § 1.]1 De strafuitvoeringsrechtbanken zijn bevoegd voor [1 de tot één of meerdere vrijheidsstraffen veroordeelden]1 die gedetineerd zijn in de strafinrichtingen in het rechtsgebied van het hof van beroep waarin zij zijn gevestigd, behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen. Zij blijven bevoegd voor elke beslissing tot op het moment van de definitieve invrijheidstelling.
  Indien evenwel de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank het, in uitzonderlijke gevallen, voor een bepaalde veroordeelde aangewezen acht om de bevoegdheid over te dragen aan een andere strafuitvoeringsrechter of een strafuitvoeringsrechtbank, neemt hij een met redenen omklede beslissing nadat die andere strafuitvoeringsrechter of strafuitvoeringsrechtbank binnen vijftien dagen een eensluidend advies heeft uitgebracht.
  Ingeval de strafuitvoeringsmodaliteit is herroepen, is de bevoegde strafuitvoeringsrechter of strafuitvoeringsrechtbank deze van de plaats van opsluiting.
  De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank van de woonplaats, of bij gebreke daarvan, van de verblijfplaats van de veroordeelde die niet is gedetineerd, is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van een veroordeelde die niet gedetineerd is.
  [1 § 2. Behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen ressorteren de geïnterneerden onder de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank die gevestigd is in het rechtsgebied van het hof van beroep waar het onderzoeks- of vonnisgerecht dat de internering heeft bevolen zich bevindt.
   Indien evenwel de strafuitvoeringsrechtbank het, in uitzonderlijke gevallen, voor een bepaalde geïnterneerde aangewezen acht om de bevoegdheid over te dragen aan een andere strafuitvoeringsrechtbank, neemt zij een met redenen omklede beslissing nadat die andere strafuitvoeringsrechtbank binnen vijftien dagen een eensluidend advies heeft uitgebracht.]1
  ----------
  (1)<W 2007-04-21/01, art. 129, 155; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2015>

  Art. 635bis. [1 De strafuitvoeringsrechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in het rechtsgebied waarin de zetel van het strafgerecht is gevestigd dat de in kracht van gewijsde gegane veroordeling heeft uitgesproken is bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken als bedoeld in artikel 464/20 van het Wetboek van Strafvordering, alsook om uitspraak te doen in de geschillen bedoeld in de artikelen 464/36, 464/38 en 464/40 van het Wetboek van Strafvordering en in artikel 15bis, § 9, van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de tenuitvoerlegging van bepaalde vermogenssancties.
   Wanneer evenwel de veroordeling in het Duits is uitgesproken is uitsluitend de strafuitvoeringsrechter te Luik bevoegd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-02-11/13, art. 9, 219; Inwerkingtreding : 18-04-2014>

  Art. 636.[1 Indien een rechtbank verdeeld is in afdelingen en de wet de territoriale bevoegdheid toewijst aan een rechtbank die gevestigd is in de zetel van een hof van beroep, dan is de afdeling die gevestigd is in de zetel van een hof van beroep territoriaal bevoegd, voor zover deze afdeling ook over de nodige volstrekte bevoegdheid beschikt. Indien dit laatste niet het geval is, is de bevoegde afdeling deze met de nodige volstrekte bevoegdheid die het dichtst gevestigd is bij de zetel van het hof van beroep.]1
  ----------
  (1)<hersteld door W 2013-12-01/01, art. 104, 218; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 637. De rechtsvordering wegens aanvaring tussen zeeschepen of tussen zeeschepen en binnenschepen kan alleen worden ingesteld:
  a) hetzij voor de rechtbank van de gewone verblijfplaats van de verweerder of van een der zetels van zijn bedrijf;
  b) hetzij voor de rechtbank van de plaats waar beslag is gelegd op het schip van de verweerder of op een ander schip dat aan dezelfde verweerder toebehoort, ingeval dit beslag geoorloofd is, of van de plaats waar dit beslag had kunnen geschieden en de verweerder een borg of een andere waarborg heeft gesteld;
  c) hetzij voor de rechtbank van de plaats van de aanvaring, wanneer deze heeft plaatsgehad in havens en reden of in de binnenwateren.

  Art. 638. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 8°, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2004>

  Art. 638bis.[1 Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel, worden de in deze titel vernoemde begrippen " voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel ", " voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel " of " voorzitter van de arbeidsrechtbank te Brussel ", gelezen als " voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel ", " voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van koophandel te Brussel ", " voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-19/36, art. 41, 199; Inwerkingtreding : 31-03-2014, zie art. 61, L1 en L2>

  TITEL IV. _ Regeling van geschillen van bevoegdheid.

  EERSTE HOOFDSTUK. _ Algemene bepalingen.

  Art. 639.Wanneer de bevoegdheid van de rechter voor wie de zaak aanhangig is, betwist wordt, kan de eiser, vóór de sluiting van de debatten, vorderen dat de zaak naar de arrondissementsrechtbank wordt verwezen voor beslissing over het middel.
  De zaak wordt voor deze rechtbank gebracht zonder andere formaliteiten dan de vermelding van de verwijzing op (het [1 zittingsblad]1) en de overzending van het dossier van de rechtspleging aan de voorzitter van de rechtbank door toedoen van de griffier. <W 2006-07-10/39, art. 24, 140; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2013>
  Heeft de eiser, op de exceptie van onbevoegdheid door de verweerder voorgedragen, geen verwijzing gevorderd overeenkomstig het eerste lid, dan doet de rechter voor wie de zaak aanhangig is, uitspraak over de bevoegdheid.
  Deze bepaling is ook toepasselijk wanneer het hoger beroep tegen een beslissing van de vrederechter gebracht wordt voor de rechtbank van eerste aanleg of de rechtbank van koophandel die zitting houdt in hoger beroep, en de bevoegdheid van de rechtbank wordt betwist. De verwijzing naar de arrondissementsrechtbank wordt gelast op verzoek van de aanlegger in beroep.
  De arrondissementsrechtbank is niet bevoegd inzake de rechtsmacht van de hoven en de rechtbanken.
  ----------
  (1)<W 2014-04-25/23, art. 30, 224; Inwerkingtreding : 24-05-2014>

  Art. 640. Wanneer een rechter ambtshalve een middel dient aan te voeren dat uit zijn onbevoegdheid voortkomt , gelast hij de verwijzing van de zaak naar de arrondissementsrechtbank opdat over het middel beslist wordt.

  Art. 641. Dadelijk na ontvangst van het dossier bepaalt de voorzitter van de arrondissementsrechtbank dag en uur van de zitting waarop de partijen , binnen de gewone termijn van dagvaarding in kort geding , voor de rechtbank moeten verschijnen om over het middel te horen beslissen.
  De griffier roept de partijen op per gerechtsbrief. Hij geeft tegelijkertijd kennis ervan aan hun advocaten bij gewone brief.
  De rechtbank doet onverwijld uitspraak , het advies van het openbaar ministerie gehoord.

  Art. 642. Tegen de beslissingen van de arrondissementsrechtbank inzake bevoegdheid , zelfs bij verstek gegeven , staat alleen voorziening open voor de procureur-generaal bij het hof van beroep.
  Die voorziening wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat binnen vijftien dagen na de uitspraak van het vonnis ter griffie van het Hof van Cassatie wordt ingediend , en de griffier van het hof zendt bij gerechtsbrief een afschrift ervan aan de rechter voor wie de zaak aanhangig is , en aan de partijen. De voorziening schorst de rechtspleging voor de rechter voor wie de zaak aanhangig is.
  De partijen beschikken over een termijn van acht dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van het afschrift van de voorziening, om aan het Hof van Cassatie hun opmerkingen te zenden in de vorm van een memorie, zonder dat er een advocaat bij het Hof van Cassatie dient aangesteld te worden, noch debatten ter zitting dienen gehouden te worden.
  De griffier zendt een afschrift van het arrest aan de voorzitter van de arrondissementsrechtbank, aan de rechter voor wie de zaak aanhangig is en aan de partijen.

  Art. 643. <W 24-06-1970, art. 8> In de gevallen waarin een exceptie van onbevoegdheid aanhangig kan worden gemaakt voor de rechter in hoger beroep, beslist deze over het middel en verwijst de zaak, indien daartoe grond bestaat, naar de bevoegde rechter (in hoger beroep). <W 1992-08-03/31, art. 10, 034; Inwerkingtreding : 1993-01-01>

  Art. 644. Verwijzing wegens aanhangigheid of samenhang belet niet dat, indien daartoe grond bestaat, de rechter naar wie de zaak is verwezen, de artikelen 639 en 640 toepast.

  HOOFDSTUK II. _ Regeling van rechtsgebied.

  Art. 645. Regeling van rechtsgebied in burgerlijke zaken heeft plaats, wanneer er strijdigheid is tussen in kracht van gewijsde gegane beslissingen van twee of meer rechters over dezelfde vordering of over samenhangende vorderingen.

  Art. 646. De vordering tot regeling van rechtsgebied wordt bij het Hof van Cassatie ingediend bij verzoekschrift.
  Het Hof van Cassatie beslist of er grond bestaat tot regeling van rechtsgebied en machtigt de eiser in voorkomend geval om te dien einde te dagvaarden; het kan de opschorting van de uitwerking van elke begonnen rechtspleging bevelen.
  Het arrest wordt door de eiser aan de partijen of aan hun lasthebbers betekend binnen een maand te rekenen van de dag van het arrest. Het exploot van betekening bevat dagvaarding om voor het hof te verschijnen, volgens de gewone regels voor de dagvaardingen.
  Heeft de eiser niet binnen gezegde termijn van één maand gedagvaard, dan is hij vervallen van de regeling van rechtsgebied zonder dat dit dient gelast te worden en de schorsing verliest van rechtswege haar uitwerking.

  Art. 647. Het Hof van Cassatie vernietigt de rechtsplegingen gevoerd voor de rechters aan wie het de zaak onttrekt en, indien daartoe grond bestaat, verwijst het de partijen naar de rechter tot wie de partijen zich niet hadden gewend.
  De eiser die in het ongelijk wordt gesteld, kan tot schadevergoeding worden veroordeeld.

  HOOFDSTUK III. _ Onttrekking van de zaak aan de rechter.

  Art. 648. Vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter kan worden ingesteld:
  1° op grond van bloed- of aanverwantschap;
  2° wegens wettige verdenking;
  3° uit oorzaak van openbare veiligheid;
  4° wanneer de rechter (gedurende meer dan zes maanden) verzuimt de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen. <W 2005-12-06/55, art. 2, 137; Inwerkingtreding : 23-01-2006>

  Art. 649. Onttrekking aan de rechter wegens bloed- en aanverwantschap kan gelast worden, op verzoek van een partij:
  1° wanneer een partij twee bloed- of aanverwanten tot de derde graad heeft (onder de rechters in de rechtbank van eerste aanleg of de rechters in de arbeidsrechtbank of de rechters in sociale zaken of de rechters in de rechtbank van koophandel of de rechters in handelszaken of onder de raadsheren in het hof van beroep of de raadsheren in het arbeidshof of de raadsheren in sociale zaken,) ofwel wanneer zij een bloedverwant in die graad heeft onder de hiervorengenoemde rechters of raadsheren in de rechtbank of in het hof en zelf daarvan deel uitmaakt; <W 1998-03-12/38, art. 2, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
  2° wanneer (een partij) een bloed- of aanverwant in dezelfde graad heeft onder de werkende of plaatsvervangende vrederechters of politierechters van het kanton of wanneer zij zelf werkend of plaatsvervangend vrederechter of (rechter in de politierechtbank) van het kanton is. <W 1998-03-12/38, art. 2, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12> <W 2001-03-13/36, art. 15, 090; Inwerkingtreding : 30-03-2001>

  Art. 650. Iedere partij kan op grond van wettige verdenking vorderen dat de zaak aan de rechter wordt onttrokken.

  Art. 651. Alleen de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie kan op grond van openbare veiligheid vorderen dat de zaak aan de rechter wordt onttrokken.

  Art. 652. <W 2005-12-06/55, art. 3, 137; Inwerkingtreding : 23-01-2006> Wanneer de rechter gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen, kunnen de procureur-generaal bij het hof van beroep alsook iedere partij vorderen dat de zaak aan de rechter wordt onttrokken.

  Art. 653. De vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter wordt ingesteld bij een met redenen omkleed (en door een advocaat) en ondertekend verzoekschrift dat ter griffie van het Hof van Cassatie wordt ingediend. <W 1998-03-12/38, art. 3, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12>

  Art. 654. De vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter heeft schorsende kracht.
  De griffier van het hof bericht binnen vierentwintig uren aan de griffier van de rechter tegenover wie onttrekking wordt gevorderd, dat het verzoekschrift is ingediend. Het dossier van de rechtspleging wordt ten spoedigste toegezonden aan de griffie van het Hof van Cassatie.

  Art. 655. <Hersteld bij W 2005-12-06/55, art. 4, 137; Inwerkingtreding : 23-01-2006> In het in artikel 648, 4°, bedoelde geval wordt binnen acht dagen na de indiening van het verzoekschrift, hiervan door de griffier kennis gegeven aan de rechter tegenover wie onttrekking wordt gevorderd, aan diens korpschef alsook aan de niet verzoekende partijen.
  Die partijen en de rechter dienen, binnen acht dagen na de kennisgeving, bij de griffie van het hof hun opmerkingen in in de vorm van een memorie alsook alle stukken die zij nuttig achten. Het hof doet onmiddellijk einduitspraak na inzage van het verzoekschrift, van de opmerkingen en van de bewijsstukken.
  De griffier van het hof zendt bij gerechtsbrief aan de rechter tegenover wie onttrekking wordt gevorderd, aan zijn korpschef, aan de nieuwe geadieerde rechter, aan zijn korpschef en aan de partijen, of, in voorkomend geval, aan hun advocaten, een niet ondertekend afschrift van de einduitspraak over de vordering tot onttrekking.

  Art. 656. <L 1998-03-12/38, art. 4, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12> (In de in artikel 648, 1 tot 3, bedoelde gevallen, is de volgende procedure van toepassing :) <W 2005-12-06/55, art. 5, 137; Inwerkingtreding : 23-01-2006>
  Na inzage van het verzoekschrift en van de bewijsstukken doet het Hof van Cassatie onmiddellijk einduitspraak indien het verzoek kennelijk onontvankelijk is.
  (lid 3 opgeheven) <W 2007-04-26/71, art. 4, 150; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  (lid 4 opgeheven) <W 2007-04-26/71, art. 4, 150; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
  Wanneer het verzoek niet kennelijk onontvankelijk is, beveelt het Hof ten spoedigste en uiterlijk binnen acht dagen :
  1° (a) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de vrederechter of de rechter in de politierechtbank tegen wie onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen;
  b) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang van het gerecht waartegen onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn, een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen in overleg met de leden van het gerecht die met naam worden vermeld en deze verklaring mede ondertekenen;) <W 2001-06-10/75, art. 2, 095; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  2° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de niet-verzoekende partijen en dat hun de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van hun conclusies ter griffie en de dag van verschijning voor het Hof; deze dag van verschijning vindt plaats uiterlijk binnen twee maanden na het indienen van het verzoekschrift;
  3° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan het openbaar ministerie bij het gerecht waartegen onttrekking wordt gevorderd en dat de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van zijn advies, indien het Hof dit nodig acht;
  4° dat een van de raadsheren die in het arrest wordt aangewezen, op een bepaalde dag verslag uitbrengt.
  In afwijking van artikel 478 worden de conclusies ondertekend door een advocaat. De conclusies en, in voorkomend geval, het advies van het openbaar ministerie, worden ten laatste op de dag van de neerlegging ter griffie meegedeeld aan de partijen.
  De griffier van het Hof zendt bij gerechtsbrief aan de rechter bedoeld (in het vijfde lid,1°), aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten, een niet-ondertekend afschrift van de einduitspraak over de vordering tot onttrekking. <W 2005-12-06/55, art. 5, 137; Inwerkingtreding : 23-01-2006>

  Art. 657. (Opgeheven) <L 1998-03-12/38, art. 5, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12>.

  Art. 658.Het arrest tot onttrekking van de zaak beveelt de verwijzing naar de rechter die het aanwijst.
  De verwijzing geschiedt:
  van een rechtbank naar een andere [1 ...]1;
  van een hof van beroep naar een ander hof van beroep en van een arbeidshof naar een ander arbeidshof.
  Is de onttrekking gelast krachtens artikel 652, dan kan het hof de zaak ook verwijzen naar dezelfde rechtbank die anders is samengesteld.
  (Het Hof kan bovendien de handelingen vernietigen die voor de uitspraak van de beslissing zijn verricht (door rechters aan wie de zaak onttrokken is).) <W 1998-03-12/38, art. 6, 057, Inwerkingtreding : 1998-04-12> <W 2001-06-10/75, art. 3, 095; Inwerkingtreding : 02-10-2001>
  (In het in artikel 648, 4°, bedoelde geval ziet de korpschef van de magistraat naar wie de zaak wordt verwezen, erop toe dat er binnen de maand van kennisgeving van het arrest van onttrekking een rechtsdag wordt bepaald, zo nodig op een zitting die hieraan speciaal is gewijd.) <W 2005-12-06/55, art. 6, 137; Inwerkingtreding : 23-01-2006>
  ----------
  (1)<W 2013-05-23/20, art. 2, 207; Inwerkingtreding : 01-08-2013>

  Art. 659. Het arrest dat een vordering tot onttrekking van de zaak heeft afgewezen, levert geen beletsel op voor het instellen van een nieuwe vordering wegens feiten die zich sedert de uitspraak hebben voorgedaan.

  HOOFDSTUK IV. _ Bepalingen aan de vorige hoofdstukken gemeen.

  Art. 660. Behalve wanneer het voorwerp van de vordering niet tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht behoort, verwijst iedere beslissing betreffende de bevoegdheid de zaak zo nodig naar de bevoegde rechter die zij aanwijst.
  De beslissing bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft.

  Art. 661. Binnen acht dagen na de uitspraak van de beslissing zendt de griffier het dossier van de rechtspleging aan de griffier van de rechter naar wie de zaak is verwezen.
  Van de beslissing tot verwijzing of tot onttrekking van de zaak voegt hij er zoveel exemplaren bij als er partijen in het geding zijn.

  Art. 662. De zaak wordt ambtshalve en zonder kosten op de rol gebracht van de rechter naar wie zij verwezen is.
  De partijen worden op verzoek van een van hen door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de plaats, de dag en het uur van de zitting waarop de zaak zal voorkomen. Bij deze oproeping wordt een afschrift van de beslissing van verwijzing gevoegd. De griffier meldt zulks op dezelfde wijze aan de advocaten van de partijen bij gewone brief.
  Het geding wordt voortgezet in de staat waarin het zich laatstelijk bevond.

  Art. 663. Ingeval de zaak wegens onbevoegdheid verwezen wordt door de feitenrechter, wordt het geding vóór de rechter naar wie de zaak verwezen is, door verzet en hoger beroep geschorst.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 24-04-2014 GEPUBL. OP 28-07-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 633)
  • BEELD
  • WET VAN 29-06-2014 GEPUBL. OP 18-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 09-07-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 635)
  • BEELD
  • WET VAN 05-05-2014 GEPUBL. OP 08-07-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 613; 615)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 11-04-2014 GEPUBL. OP 17-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 591)
  • BEELD
  • WET VAN 10-04-2014 GEPUBL. OP 12-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 605quinquies; 633quinquies)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 11-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 605quater)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 27-03-2014 GEPUBL. OP 05-06-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 591)
  • BEELD
  • WET VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 02-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 578; 578bis)
  • BEELD
  • WET VAN 15-05-2014 GEPUBL. OP 28-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 587; 588)
  • BEELD
  • WET VAN 26-03-2014 GEPUBL. OP 22-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 573; 574; 575; 577; 587; 589; 590)
    (GEWIJZIGDE ART. : 591; 628; 578)
  • BEELD
  • WET VAN 10-04-2014 GEPUBL. OP 15-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 609; 614)
  • BEELD
  • WET VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 14-05-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 571; 577)
    (GEWIJZIGDE ART. : 565; 572bis; 590; 594; 626; 627; 629; 629bis; NL630; 633sexies; 633septies)
  • BEELD
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 14-05-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 639)
    (GEWIJZIGD ART. : 600)
    (GEWIJZIGDE ART. : 598; 628)
  • BEELD
  • WET VAN 27-03-2014 GEPUBL. OP 29-04-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 633ter)
  • BEELD
  • WET VAN 28-03-2014 GEPUBL. OP 28-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 587bis; 578)
  • BEELD
  • WET VAN 11-02-2014 GEPUBL. OP 08-04-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 635bis)
  • BEELD
  • WET VAN 15-07-2013 GEPUBL. OP 18-02-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 601ter)
  • BEELD
  • WET VAN 15-07-2013 GEPUBL. OP 18-02-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 601ter)
  • BEELD
  • WET VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 04-02-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 614)
  • BEELD
  • WET VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 28-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 587; 589; 627)
  • BEELD
  • WET VAN 07-01-2014 GEPUBL. OP 22-01-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 571)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 22-11-2013 GEPUBL. OP 07-01-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 582) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 605quater)
  • BEELD
  • WET VAN 01-12-2013 GEPUBL. OP 10-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 633; 636)
  • BEELD
  • WET VAN 30-07-2013 GEPUBL. OP 27-09-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 565; 566; 569; 572bis; 584; 585; 587; 590; 591; 594; 597; 617; 626; 627; 628; 629; 629bis; 629ter; 629quater; 630; 633sexies; 633septies; 639)
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2013 GEPUBL. OP 23-09-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 587)
  • BEELD
  • WET VAN 30-07-2013 GEPUBL. OP 16-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 30-07-2013 GEPUBL. OP 06-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 589)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 10-07-2013 GEPUBL. OP 03-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 591)
  • BEELD
  • WET VAN 18-07-2013 GEPUBL. OP 03-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 605bis)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 12-07-2013 GEPUBL. OP 02-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 582) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 31-07-2013 GEPUBL. OP 30-08-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 589; 605ter; 633ter)
  • BEELD
  • WET VAN 11-07-2013 GEPUBL. OP 02-08-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 588)
  • BEELD
  • WET VAN 24-06-2013 GEPUBL. OP 02-08-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 633)
  • BEELD
  • WET VAN 23-05-2013 GEPUBL. OP 01-07-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 658)
  • BEELD
  • WET VAN 24-06-2013 GEPUBL. OP 01-07-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 601ter)
  • BEELD
  • WET VAN 17-03-2013 GEPUBL. OP 14-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 594; 598; 623; 628)
  • BEELD
  • WET VAN 10-01-2013 GEPUBL. OP 26-04-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 03-04-2013 GEPUBL. OP 26-04-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 609; 615) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 14-01-2013 GEPUBL. OP 01-03-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 598)
  • BEELD
  • WET VAN 10-12-2012 GEPUBL. OP 11-01-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 04-12-2012 GEPUBL. OP 14-12-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 604; 628)
  • BEELD
  • WET VAN 15-06-2012 GEPUBL. OP 01-10-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 594; 627)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 13-07-2012 GEPUBL. OP 23-08-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 582) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 19-07-2012 GEPUBL. OP 22-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 572; 638bis)
  • BEELD
  • WET VAN 22-06-2012 GEPUBL. OP 28-06-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 581)
  • BEELD
  • WET VAN 22-04-2012 GEPUBL. OP 07-05-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 574; 588)
  • BEELD
  • WET VAN 29-03-2012 GEPUBL. OP 06-04-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 578)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 16-03-2012 GEPUBL. OP 02-04-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 591)
  • BEELD
  • WET VAN 13-08-2011 GEPUBL. OP 16-09-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 589)
  • BEELD
  • WET VAN 15-07-2011 GEPUBL. OP 12-08-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 20-07-2011 GEPUBL. OP 10-08-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 591)
  • BEELD
  • WET VAN 04-07-2011 GEPUBL. OP 19-07-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 582)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 10-06-2011 GEPUBL. OP 04-07-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 578; 581.585; 587bis; 588)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 25-03-2011 GEPUBL. OP 14-04-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 582)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-03-2011 GEPUBL. OP 09-03-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 605bis)
  • BEELD
  • WET VAN 10-01-2011 GEPUBL. OP 25-02-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 574) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 580; 583)
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 633novies)
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 582)
  • BEELD
  • WET VAN 06-06-2010 GEPUBL. OP 01-07-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 583; 587septies; 627)
  • BEELD
  • WET VAN 02-06-2010 GEPUBL. OP 14-06-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 633octies)
  • BEELD
  • WET VAN 26-03-2010 GEPUBL. OP 30-04-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 589)
  • BEELD
  • WET VAN 19-03-2010 GEPUBL. OP 21-04-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 626)
  • BEELD
  • WET VAN 06-04-2010 GEPUBL. OP 12-04-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 589)
  • BEELD
  • WET VAN 26-01-2010 GEPUBL. OP 09-02-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 605quater)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2009 GEPUBL. OP 19-01-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 589)
  • BEELD
  • WET VAN 30-12-2009 GEPUBL. OP 15-01-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 574; 627; 631; 601bis; 633)
  • BEELD
  • WET VAN 11-12-2009 GEPUBL. OP 23-12-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 589bis; 633quinquies)
  • BEELD
  • WET VAN 12-07-2009 GEPUBL. OP 30-10-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 19-06-2009 GEPUBL. OP 29-07-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 582; 587sexies)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 08-05-2009 GEPUBL. OP 07-07-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 08-05-2009 GEPUBL. OP 06-07-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 591)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 30-04-2009 GEPUBL. OP 08-05-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 585)
  • BEELD
  • WET VAN 26-01-2009 GEPUBL. OP 09-02-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 574; 578; 610; 626/1; 631)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 21-11-2008 GEPUBL. OP 27-01-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 582)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 582; 569)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 10-07-2008 GEPUBL. OP 23-09-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 578; 581; 585; 587BIS; 588)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 15-07-2008 GEPUBL. OP 12-09-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 572)
  • BEELD
  • WET VAN 24-07-2008 GEPUBL. OP 07-08-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 574; 633QQ)
  • BEELD
  • WET VAN 09-05-2008 GEPUBL. OP 23-07-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 582; 587QUINQUIES)
  • BEELD
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 588)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-12-2007 GEPUBL. OP 14-01-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 572)
  • BEELD
  • WET VAN 21-04-2007 GEPUBL. OP 04-09-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 574; 633QUINQUIES)
  • BEELD
  • WET VAN 21-04-2007 GEPUBL. OP 13-07-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 635)
  • BEELD
  • WET VAN 09-05-2007 GEPUBL. OP 11-07-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 628)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 25-05-2007 GEPUBL. OP 10-07-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2007 GEPUBL. OP 21-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 587; 633SEX; 633SEPTIES)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2007 GEPUBL. OP 21-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 596BIS; 628)
  • BEELD
  • WET VAN 09-05-2007 GEPUBL. OP 21-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 598)
  • BEELD
  • WET VAN 26-04-2007 GEPUBL. OP 12-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 656)
  • BEELD
  • WET VAN 27-04-2007 GEPUBL. OP 07-06-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 628)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2007 GEPUBL. OP 30-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 578; 581; 585; 587BIS; 588)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2007 GEPUBL. OP 10-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 574; 575; 584; 587; 588; 589; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 589BIS; 627; 633QQ; )
  • BEELD
  • WET VAN 21-04-2007 GEPUBL. OP 07-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 580)
  • BEELD
  • WET VAN 01-04-2007 GEPUBL. OP 26-04-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 584BIS)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 14-12-2006 GEPUBL. OP 09-01-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 591)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 579)
  • BEELD
  • WET VAN 03-12-2006 GEPUBL. OP 18-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 578)
  • BEELD
  • WET VAN 08-12-2006 GEPUBL. OP 13-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 605QUATER)
  • BEELD
  • WET VAN 15-09-2006 GEPUBL. OP 29-09-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 609; 615)
  • BEELD
  • WET VAN 10-07-2006 GEPUBL. OP 07-09-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 639)
  • BEELD
  • WET VAN 10-06-2006 GEPUBL. OP 29-06-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 609; 615)
  • BEELD
  • WET VAN 17-05-2006 GEPUBL. OP 15-06-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 635)
  • BEELD
  • WET VAN 06-12-2005 GEPUBL. OP 13-01-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 648; 652; 655; 656; 658)
  • BEELD
  • WET VAN 20-12-2005 GEPUBL. OP 23-12-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 574; 627; 633QUINQUIES)
  • BEELD
  • WET VAN 06-10-2005 GEPUBL. OP 21-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 13-12-2005 GEPUBL. OP 21-12-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 578-580; 583)
  • BEELD
  • WET VAN 17-09-2005 GEPUBL. OP 26-10-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 582; 587QUATER)
  • BEELD
  • WET VAN 10-08-2005 GEPUBL. OP 01-09-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 610)
  • BEELD
  • WET VAN 27-07-2005 GEPUBL. OP 29-07-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 605QUATER; 633QUATER)
  • BEELD
  • WET VAN 22-05-2005 GEPUBL. OP 27-05-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 58)
  • BEELD
  • WET VAN 22-07-2004 GEPUBL. OP 09-03-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 574; 589)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2004 GEPUBL. OP 31-12-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 627; 633)
  • BEELD
  • WET VAN 13-08-2004 GEPUBL. OP 05-10-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 589)
  • BEELD
  • WET VAN 01-09-2004 GEPUBL. OP 21-09-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 587; 589)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 01-09-2004 GEPUBL. OP 09-09-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 588; 627)
  • BEELD
  • WET VAN 16-07-2004 GEPUBL. OP 27-07-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 570; 631; 586; 635; 636; 638)
  • BEELD
  • WET VAN 12-05-2004 GEPUBL. OP 05-07-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 605BIS)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-05-2004 GEPUBL. OP 11-06-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 582)
  • BEELD
  • WET VAN 08-01-2004 GEPUBL. OP 06-02-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 627)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 580)
  • BEELD
  • WET VAN 03-05-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 623; 628)
  • BEELD
  • WET VAN 26-06-2003 GEPUBL. OP 09-09-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 587; 589)
  • BEELD
  • WET VAN 12-05-2003 GEPUBL. OP 26-05-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 589)
  • BEELD
  • WET VAN 13-03-2003 GEPUBL. OP 16-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 596; 628)
  • BEELD
  • WET VAN 08-04-2003 GEPUBL. OP 12-05-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 633)
  • BEELD
  • WET VAN 24-03-2003 GEPUBL. OP 02-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 574; 591; 628)
  • BEELD
  • WET VAN 08-04-2003 GEPUBL. OP 17-04-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 578; 581)
  • BEELD
  • WET VAN 28-01-2003 GEPUBL. OP 09-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 578)
  • BEELD
  • WET VAN 17-03-2003 GEPUBL. OP 28-03-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 628)
  • BEELD
  • WET VAN 13-02-2003 GEPUBL. OP 25-03-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 25-02-2003 GEPUBL. OP 17-03-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 578; 581; 585; 587BIS; 588)
  • BEELD
  • WET VAN 11-03-2003 GEPUBL. OP 17-03-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 587; 589)
  • BEELD
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 19-12-2002 GEPUBL. OP 11-02-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 20-12-2002 GEPUBL. OP 29-01-2003
  • BEELD
  • WET VAN 20-12-2002 GEPUBL. OP 20-01-2003
  • BEELD
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
  • BEELD
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 582)
  • BEELD
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 20-11-2002
  • BEELD
  • WET VAN 04-09-2002 GEPUBL. OP 21-09-2002
  • BEELD
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 04-09-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 584BIS; 605BIS; 605TER; 633BIS; 633TER) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 04-09-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 584BIS; 605BIS; 605TER; 633BIS; 633TER)
  • BEELD
  • WET VAN 17-07-2002 GEPUBL. OP 17-08-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 589)
  • BEELD
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 07-08-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 587; 589)
  • BEELD
  • WET VAN 26-05-2002 GEPUBL. OP 31-07-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 580)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 08-05-2002 GEPUBL. OP 26-07-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 581)
  • BEELD
  • WET VAN 26-05-2002 GEPUBL. OP 10-07-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 589; 627)
  • BEELD
  • WET VAN 17-06-2002 GEPUBL. OP 25-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 578)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 06-07-2001 GEPUBL. OP 03-10-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • WET VAN 10-06-2001 GEPUBL. OP 22-09-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 656; 658)
  • BEELD
  • WET VAN 10-06-2001 GEPUBL. OP 01-09-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 591)
  • BEELD
  • WET VAN 04-07-2001 GEPUBL. OP 07-08-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 633)
  • BEELD
  • WET VAN 04-07-2001 GEPUBL. OP 25-07-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 611; 614)
  • BEELD
  • WET VAN 27-03-2001 GEPUBL. OP 31-05-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 585; 594; 627)
  • BEELD
  • WET VAN 13-03-2001 GEPUBL. OP 30-03-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 649)
  • BEELD
  • WET VAN 22-03-2001 GEPUBL. OP 29-03-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 580)
  • BEELD
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 17-07-2000 GEPUBL. OP 22-09-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 569)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 573; 590; 609; 617)
  • BEELD
  • WET VAN 01-03-2000 GEPUBL. OP 05-04-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 569; 628)
  • BEELD
  • WET VAN 04-05-1999 GEPUBL. OP 01-10-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 571; 594; 610) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 07-05-1999 GEPUBL. OP 26-08-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 574; 628)
  • BEELD
  • WET VAN 04-05-1999 GEPUBL. OP 01-07-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 587) nader te bepalen datum
  • BEELD
  • WET VAN 25-05-1999 GEPUBL. OP 22-06-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 610)
  • BEELD
  • WET VAN 07-05-1999 GEPUBL. OP 19-06-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 578; 581)
  • BEELD
  • WET VAN 13-05-1999 GEPUBL. OP 10-06-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 601TER)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 9 uitvoeringbesluiten 224 gearchiveerde versies
    Franstalige versie