J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1955/01/10/1955011001/justel

Titel
10 JANUARI 1955. - Wet betreffende de bekendmaking en de toepassing der uitvindingen en fabrieksgeheimen welke de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de staat aangaan.

Publicatie : 26-01-1955 nummer :   1955011001 bladzijde : 366
Dossiernummer : 1955-01-10/30
Inwerkingtreding : 05-02-1955

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen.
Art. 1-3
HOOFDSTUK II. Bijzondere bepalingen betreffende uitvindingen waarvoor een octrooi wordt aangevraagd.
Art. 4-7
HOOFDSTUK III. Opheffing der verbodsmaatregelen.
Art. 8
HOOFDSTUK IV. Schadeloosstelling.
Art. 9-11
HOOFDSTUK V. Beperkingen door vreemde staten opgelegd aan de rechten der octrooiaanvragers.
Art. 12
HOOFDSTUK VI. Strafbepalingen.
Art. 13

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Het is verboden fabrieksgeheimen en uitvindingen bekend te maken, wanneer deze bekendmaking in strijd is met de belangen van de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat.
  De dader der bekendmaking en hij die ze door zijn nalatigheid veroorzaakt heeft, worden gestraft met de straffen gesteld in artikel 13, indien bewezen is dat zij niet onkundig konden zijn van het feit dat zij in strijd was met de belangen van de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat.

  Art. 2. Onverminderd de toepassing van artikel 1, kunnen de Ministers tot wiens bevoegdheid de nijverheidseigendom behoort en de Minister van Landsverdediging gezamenlijk verklaren dat de bekendmaking van een uitvinding of van een fabrieksgeheim in strijd is met de belangen van de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat en dat zij verboden is gedurende een door hen te bepalen tijdperk.

  Art. 3. Wanneer zij het voor de verdediging van het grondgebied of voor de veiligheid van de Staat nodig achten, kunnen de in het voorgaand artikel genoemde Ministers gezamenlijk tijdelijk controleren en bepalen onder welke voorwaarden uitvindingen geëxploiteerd en fabrieksgeheimen toegepast worden.
  Indien bewezen is dat deze maatregelen niet toereikend zijn om te voorzien in de behoeften van de verdediging van het grondgebied of van de veiligheid van de Staat, kunnen zij bij een met reden omklede beslissing ofwel tijdelijk de exploitatie van uitvindingen of het toepassen van fabrieksgeheimen verbieden, ofwel tijdelijk het recht om een uitvindingsoctrooi te exploiteren al dan niet uitsluitend voor de Staat voorbehouden, ofwel de belanghebbende dwingen de volledige kennis van een niet geoctrooieerde uitvinding of van een fabrieksgeheim aan de Staat af te staan.
  Ook door middel van vrij gesloten overeenkomsten kunnen de Ministers de Staat in het bezit stellen van de licentie van een octrooi en van de volledige kennis van een niet geoctrooieerde uitvinding of een fabrieksgeheim.

  HOOFDSTUK II. _ Bijzondere bepalingen betreffende uitvindingen waarvoor een octrooi wordt aangevraagd.

  Art. 4. Elke uitvinding waarvoor een octrooi wordt aangevraagd, kan, zodra de aanvraag is ingediend, door de Minister tot wiens bevoegdheid de nijverheidseigendom behoort, ter kennis van de Minister van Landsverdediging gebracht worden, ten einde uit te maken of het met het oog op de behoeften van de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat, nodig is ter zake maatregelen te nemen als bepaald bij de artikelen 2 en 3 van deze wet.
  De Minister van Landsverdediging kan met hetzelfde doel ambtshalve kennis nemen van de inhoud der octrooiaanvragen zodra zij ingediend zijn.

  Art. 5. Wanneer een octrooiaanvraag door de Minister van Landsverdediging in behandeling wordt genomen met toepassing van artikel 4 van deze wet, moet de aanvrager zonder verwijl daarvan bij ter post aangetekende brief bericht ontvangen. Van dit ogenblik af is het hem, behoudens uitdrukkelijke toelating, verboden, de uitvinding waarvoor octrooi wordt aangevraagd, bekend te maken en inzonderheid een octrooiaanvraag in het buitenland in te dienen, de rechten op de aanvraag af te staan of er een licentie van te concederen.
  De toekenning van het octrooi wordt opgeschorst indien verdaging nodig is met het oog op de behandeling, bedoeld in het eerste lid.

  Art. 6. Binnen een termijn van drie maanden laat de Minister van Landsverdediging aan de Minister tot wiens bevoegdheid de nijverheidseigendom behoort, weten of het al dan niet noodzakelijk is een of meer bijzondere maatregelen te nemen als bedoeld in de artikelen 2 en 3.
  Uiterlijk zes maanden na de indiening van de octrooiaanvraag, beslissen de Ministers een of meer maatregelen te nemen als bedoeld in de artikelen 2 en 3, ofwel er geen te nemen, en geven zij van hun beslissing onverwijld kennis aan de aanvrager.

  Art. 7. Tijdens het bij artikel 4 bepaald onderzoek en voor de duur van het krachtens artikel 2 opgelegd verbod, is het bestuur gehouden er voor te zorgen dat de uitvindingen waarvoor octrooi is aangevraagd of toegekend geheim blijven.

  HOOFDSTUK III. _ Opheffing der verbodsmaatregelen.

  Art. 8. Ten allen tijde kan een verbod of een beperking van recht, opgelegd overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 5, geheel of gedeeltelijk opgeheven worden door een gezamenlijke beslissing der Ministers van wie zij uitgaan. De titularis van het recht dat aan verbod of beperking onderworpen is, kan deze opheffing aanvragen.

  HOOFDSTUK IV. _ Schadeloosstelling.

  Art. 9. Degene ten aanzien van wie één der bij de artikelen 2, 3 en 5 bepaalde administratieve beslissingen is genomen, heeft recht op herstelling van het hem berokkend nadeel, in de vorm van vergoeding.

  Art. 10. In geval van betwisting over de vaststelling en de uitbetaling der vergoedingen of over de uitbetaling van de sommen verschuldigd ingevolge overeenkomsten als bij het laatste lid van artikel 3 bedoeld, heeft vooraf een poging tot verzoening plaats vóór een commissie, waarin zitting hebben gemachtigden van de Minister tot wiens bevoegdheid de nijverheidseigendom behoort, van de Minister van Landsverdediging en van de Hogere Raad voor de nijverheidseigendom. De belanghebbende wordt gehoord en kan zich door een raadsman laten bijstaan.

  Art. 11. Indien de verzoening mislukt, behoort de kennisneming der betwistingen aan de rechtbanken van eerste aanleg, welke ook het bedrag zij van de eis.
  Deze bepaling sluit niet uit dat de artikelen 16 en 17 van de wet van 25 Maart 1876 op de bevoegdheid en de artikelen 443 en volgende van het Wetboek van burgerlijke rechtvordering worden toegepast.

  HOOFDSTUK V. _ Beperkingen door vreemde staten opgelegd aan de rechten der octrooiaanvragers.

  Art. 12. Wanneer een vreemde Staat, in het belang zijner verdediging, de bekendmaking van een uitvinding waarvoor octrooi wordt aangevraagd, verbiedt, zal de Minister tot wiens bevoegdheid de nijverheidseigendom behoort, op verzoek van de Staat of van de aanvrager die het bewijs van het verbod levert, er zich van onthouden de uitvinding aan het publiek bekend te maken en afschriften van de beschrijving er van af te geven, zulks voor de duur van het verbod.
  Zodanig verzoek wordt alleen in overweging genomen wanneer een verdrag bestaat tussen België en de vreemde Staat die het verbod heeft opgelegd.

  HOOFDSTUK VI. _ Strafbepalingen.

  Art. 13. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van het Strafwetboek, wordt de dader der bij de artikelen 1, 2 en 5 bedoelde bekendmaking gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van 500 frank tot 5.000 frank, of met een van die straffen alleen.
  Hij die de bekendmaking door zijn nalatigheid veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met geldboete van 100 frank tot 1.000 frank, of met een van die straffen alleen.
  Overtreding van de maatregelen bepaald in artikel 3 wordt gestraft met gevangenisstraf van één maand tot één jaar en met een geldboete van 100 frank tot 1.000 frank, of met één van die straffen alleen.
  De bepalingen van het Strafwetboek, zonder uitzonderingen van hoofdstuk VII van boek I en van artikel 85, zijn van toepassing op de misdrijven omschreven in deze wet.

Begin Eerste woord Laatste woord
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie