J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgilex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
20 JULI 1831. - Decreet op de drukpers.

Bron :
JUSTITIE
Publicatie : 22-07-1831 nummer :   1831072050 bladzijde : 888888
Dossiernummer : 1831-07-20/30
Inwerkingtreding : 01-08-1831

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-18

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. (...) <W 25-03-1891, art. 2>

  Art. 2. Al wie kwaadwillig en in het openbaar de bindende kracht der wetten aanrandt, of rechtstreeks aanzet om ze niet na te komen, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar.
  Deze bepaling mag geen afbreuk doen aan de vrijheid van den eisch of van de verwering voor de rechtbanken of voor alle andere gestelde overheden.

  Art. 3. Al wie, hetzij het grondwettelijk gezag van den Koning, hetzij de onschendbaarheid van zijn persoon, hetzij de grondwettelijke rechten van zijn stamhuis, hetzij de rechten of het gezag van de Kamers kwaadwillig en in het openbaar aanrandt, (...) wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar. <W 06-04-1847, art. 9>

  Art. 4. Laster of beleediging jegens openbare ambtenaren, of jegens lichamen, dragers of agenten van het openbaar gezag, of jegens elk ander gesteld lichaam, wordt op dezelfde wijze vervolgd en gestraft als laster of beleediging gericht tegen private personen, behoudens hetgeen dienaangaande bij de volgende bepalingen is voorzien.

  Art. 5. Wie beklaagd is ter zake van een wanbedrijf van laster wegens aantijgingen, ter oorzake van met hun bediening verband houdende feiten, gericht tegen de dragers of agenten van het gezag, of tegen elk persoon die met een openbare opdracht handelt, wordt toegelaten tot het leveren, door alle gewone middelen, van het bewijs van de ten laste gelegde feiten, behoudens het tegenbewijs door dezelfde middelen.

  Art. 6. Het bewijs van de ten laste gelegde feiten vrijwaart den dader van de aantijging tegen alle straf, onverminderd de straffen uitgesproken tegen beleedigingen welke niet noodzakelijk met dezelfde feiten verband houden.

  Art. 7. De beklaagde die van het bij artikel 5 toegekende recht wenscht gebruik te maken, moet, binnen de op de beteekening van de beschikking of van het arrest van verwijzing volgende veertien dagen, aan het openbaar ministerie en aan de burgerlijke partij doen beteekenen,
  1 de in de beschikking of in het arrest bepaaldelijk uitgedrukte en omschreven feiten, waarvan hij de waarheid wil bewijzen; 2 het afschrift van de stukken waarvan hij gebruik wil maken, (...); 3 namen, beroep en woonplaats van de getuigen door wie hij zijn bewijs wil leveren. (KB 30-03-1936, art. 1; KB 30-11-1939, art. 290; R 26-06-1947, art. 81)
  Deze beteekening behelst keuze van woonplaats in de gemeente waar de rechtbank of het hof zetelt; alles op straffe van verval.

  Art. 8. Binnen een gelijken termijn en eveneens op straffe van verval, zijn het Openbaar Ministerie en de burgerlijke partij gehouden aan den beklaagde, ter gekozen woonplaats, het afschrift te doen beteekenen van de stukken, alsmede namen, beroep en woonplaats van de getuigen door wie zij het tegenbewijs willen leveren, (...). <KB 30-11-1939, art. 290; R 26-06-1947, art. 81>

  Art. 9. Hij die beklaagd is van een wanbedrijf dat door middel van de drukpers gepleegd werd en slechts gevangenisstraf medebrengt, kan, zoo hij in Belgi woonachtig is, niet in hechtenis genomen worden vr zijn veroordeeling op tegenspraak of bij wederspannigheid aan de wet. In dat geval verleent de rechter tegen hem enkel een bevel tot verschijning, dat in een bevel tot medebrenging kan veranderd worden, zoo hij niet verschijnt.

  Art. 10. De wanbedrijven van beleediging of van laster door middel van de drukpers gepleegd, kunnen alleen op klacht van de belasterde of beleedigde partij worden vervolgd. Kunnen echter ambtshalve worden vervolgd de wanbedrijven van beleediging of van laster jegens den Koning, de leden van zijn Huis, jegens de lichamen of personen, dragers of agenten van het openbaar gezag, in hun hoedanigheid of uit hoofde van hun bediening.

  Art. 11. In alle gedingen terzake van drukpersmisdrijven beslist de jury, vooraleer zich bezig te houden met de vraag of het ten laste gelegde geschrift een wanbedrijf inhoudt, of de als dader van het misdrijf voorgestelde persoon wezenlijk de dader is. De vervolgde drukker blijft steeds in de zaak betrokken totdat de schrijver als dusdanig gerechtelijk erkend is.

  Art. 12. De vervolging van de bij de artikelen 2, 3 en 4 van dit decreet voorziene misdrijven verjaart na verloop van drie maanden, te rekenen van den dag waarop het misdrijf werd gepleegd of van dien der laatste gerechtelijke akte; (...) <W 25-03-1891, art. 2>

  Art. 13. (...) <W 04-03-1977, art. 3>

  Art. 14. (...) (SW 08-06-1867, art. 299 en 300)

  Art. 15. Artikel 463 van het Strafwetboek is toepasselijk op de bepalingen van deze wet. (...) <SW 08-06-1867, art. 33 en 85>

  Art. 16. De wetten van 16 Mei 1820 en van 1 Juni 1830 zijn opgeheven.

  Art. 17. Dit decreet zal, vr het einde van de eerstkomende zitting, aan de wetgevende kamers ter herziening worden voorgelegd.

  Art. 18. (Overgangsbepaling>

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie