J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 302 uitvoeringbesluiten 63 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2006/01/13/2006035334/justel

Titel
13 JANUARI 2006. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid. (aangehaald als : Vlaams personeelsstatuut)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-03-2006 en tekstbijwerking tot 08-04-2021) Zie wijziging(en)

Bron : VLAAMSE GEMEENSCHAP
Publicatie : 27-03-2006 nummer :   2006035334 bladzijde : 17247       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2006-01-13/61
Inwerkingtreding : 01-01-2006 A1.22

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2002036336        2005035416        2005035417        2003036143        2002035649        2003035876        2004036890        2003035604        2005035493        2005035889        2005035492        2003035812        2004036197        1997036057        1995036254        2000035890        2000036076        2003201638        2005035841       

Inhoudstafel Tekst Begin
DEEL I. - TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN.
TITEL I. - Toepassingsgebied.
Art. 1.1
TITEL II. - Algemene bepalingen.
Art. 1.2-1.4, 1.4bis, 1.4ter, 1.4quater, 1.4quinquies, 1.5, 1.5bis, 1.5ter, 1.6-1.7, 1.7bis
TITEL III. - Algemene organisatorische bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Statutaire organen en beroepscommissie.
Art. 1.8-1.14
HOOFDSTUK Ibis. [1 - Beroepscommissie Functieclassificatie]1
Art. 1.14bis, 1.14ter, 1.14quater, 1.14quinquies, 1.14sexies, 1.14septies
HOOFDSTUK Iter. [1 Het Selectiekwaliteitscomité ]1
Art. 1.14octies
HOOFDSTUK II. - Tijdelijke vervanging en terugkeerrecht.
Art. 1.15-1.16
TITEL IV. - Overgangs- en opheffingsbepalingen.
Art. 1.17-1.20, 1.20bis, 1.21-1.22
DEEL II. - RECHTEN, PLICHTEN, ONVERENIGBAARHEDEN EN CUMULATIE VAN ACTIVITEITEN.
HOOFDSTUK I. - Deontologische rechten en plichten.
Art. 2.1-2.7
HOOFDSTUK II. - Intellectuele eigendomsrechten.
Art. 2.8-2.9
HOOFDSTUK III. - Onverenigbaarheden.
Art. 2.10-2.11
HOOFDSTUK IV. - Cumulatie van beroepsactiviteiten.
Art. 2.12-2.13
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepaling.
Art. 2.14
DEEL III. - REKRUTERING EN SELECTIE VAN HET PERSONEEL.
HOOFDSTUK I. - Toegangsvoorwaarden via externe aanwerving.
Art. 3.1-3.5
HOOFDSTUK II. - De selectie via een objectief wervingssysteem.
Art. 3.6-3.10
HOOFDSTUK III. - De proeftijd, evaluatie in de proeftijd en gevolgen.
Art. 3.11-3.20
HOOFDSTUK IV. - Benoeming tot ambtenaar.
Art. 3.21
HOOFDSTUK IVbis.
Art. 3.21bis
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.
Art. 3.21ter, 3.22-3.33
DEEL IV. - DE EVALUATIE IN DE LOOPBAAN.
HOOFDSTUK I. - Basisprincipes van de evaluatie.
Art. 4.1-4.3
HOOFDSTUK II. - De procedure.
Art. 4.4-4.7
HOOFDSTUK III. - [1 Beroep tegen de evaluatie onvoldoende of loopbaanvertraging]1
Art. 4.8-4.9
HOOFDSTUK IIIbis. Bijzondere bepaling met betrekking tot de provinciegouverneur. <Ingevoegd bij par BVR 2007-03-16/55, art. 34; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 4.9bis
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepaling.
Art. 4.10-4.11
DEEL V. - DE TOP- EN MIDDENKADERFUNCTIES.
TITEL I. - De management- en projectleiderfuncties van n-niveau en de functie van algemeen directeur.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 5.1-5.3
HOOFDSTUK II. - De selectie voor de mandaatfuncties.
Afdeling 1. - In aanmerking komende kandidaten.
Art. 5.4-5.5
Afdeling 2. - Selectiecriteria en -procedure.
Art. 5.6-5.7, 5.7bis
HOOFDSTUK III. - De aanwijzing en de rechtspositie.
Art. 5.8-5.9
HOOFDSTUK IV. - [1 Mobiliteit]1
Art. 5.10
HOOFDSTUK V. - De arbeidsvoorwaarden.
Afdeling 1. - Administratieve arbeidsvoorwaarden.
Art. 5.11
Afdeling 2. - Geldelijke arbeidsvoorwaarden.
Art. 5.12
Afdeling 3. [1 - Mobiliteitskrediet]1
Art. 5.12bis
HOOFDSTUK VI. - De evaluatie, het einde en de hernieuwing van de functie.
Art. 5.13-5.15, 5.15bis, 5.16-5.17, 5.17bis
TITEL II. - Statuut van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
Art. 5.18
HOOFDSTUK II. - De selectie.
Afdeling 1. - In aanmerking komende kandidaten.
Art. 5.19-5.20
Afdeling 2. - Selectiecriteria en -procedure.
Art. 5.21-5.22
HOOFDSTUK III. - De aanwijzing en arbeidsvoorwaarden. <BVR 2007-03-16/55, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 5.23-5.29
HOOFDSTUK IIIbis. [1 - Horizontale mobiliteit.]1
Art. 5.29bis
HOOFDSTUK IV. - De evaluatie.
Art. 5.30-5.31
HOOFDSTUK V. - Einde van de functie.
Art. 5.32
TITEL III. - De rechtspositie voor het middenkader.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 5.33-5.35
HOOFDSTUK II. - De selectie.
Afdeling 1. - In aanmerking komende kandidaten.
Art. 5.36
Afdeling 2. - Selectiecriteria en -procedure.
Art. 5.37-5.39
HOOFDSTUK IIbis. [1 - Horizontale mobiliteit.]1
Art. 5.39bis, 5.39ter
HOOFDSTUK III. - [1 De arbeidsvoorwaarden]1
Art. 5.40-5.43
HOOFDSTUK IV. - Evaluatie.
Art. 5.44-5.45
HOOFDSTUK V. - Einde van de dienstaanwijzing in een middenkaderfunctie.
Art. 5.46
TITEL IV. - Gemeenschappelijke bepaling.
Art. 5.47
TITEL V. - Overgangs- en opheffingsbepalingen.
HOOFDSTUK I. - De management- en projectleiderfuncties van N-niveau en de functie van algemeen directeur.
Art. 5.48-5.51, 5.51bis, 5.51ter, 5.51quater, 5.51quinquies, 5.51sexies
HOOFDSTUK II. [1 - De rechtspositie voor het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad.]1
Art. 5.52, 5.52bis, 5.52ter
HOOFDSTUK III. - De rechtspositie voor het middenkader.
Art. 5.53-5.56, 5.56bis, 5.56ter, 5.56quater, 5.56quinquies, 5.56sexies, 5.56septies, 5.56octies, 5.56novies
HOOFDSTUK IV. - Opheffingsbepaling.
Art. 5.57
DEEL VI. - DE ADMINISTRATIEVE LOOPBAAN. <Deel VI, bestaande uit de artikelen 6.1 tot en met 6.13, wordt vervangen door deel VI, bestaande uit de artikelen 6.1 tot en met 6.142, bij BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
TITEL I. - Algemene bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.1-6.3, 6.3bis, 6.3ter, 6.4
TITEL II. - HIERARCHISCHE INDELING DER GRADEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.5-6.6
TITEL III. - ANCIENNITEIT. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.7-6.10
TITEL IV. - MOBILITEIT. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - Herplaatsing. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.11-6.17
HOOFDSTUK 2. - Horizontale mobiliteit. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.18-6.30
HOOFDSTUK 2bis. - [1 Externe mobiliteit]1
Art. 6.30bis, 6.30ter, 6.30quater, 6.30quinquies, 6.30sexies, 6.30septies, 6.30octies, 6.30novies, 6.30decies, 6.30undecies, 6.30duodecies
HOOFDSTUK 3. - Standplaatsbepaling. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.31
TITEL V. - DE BEVORDERING. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - Definitie en algemene bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.32-6.37, 6.37bis, 6.37ter
HOOFDSTUK 2. - Bevordering binnen het niveau. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.38-6.43
HOOFDSTUK 3. - Bevordering door overgang naar een [1 hoger]1 niveau. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.44-6.48
HOOFDSTUK 4.
Art. 6.49-6.57, 6.57bis, 6.58
TITEL VI. - GRAADVERANDERING EN FUNCTIEWIJZIGING. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - [1 Specifieke graadveranderingen binnen het zeewezen]1
Art. 6.59
HOOFDSTUK 2. - [1 Specifieke functiewijzigingen binnen het zeewezen]1
Art. 6.60-6.64
HOOFDSTUK 3. [1 - Graadverandering]1
Art. 6.65
HOOFDSTUK 3bis. [1 Graadverandering binnen rang A2]1 [2 opgeheven]2
Art. 6.65bis
HOOFDSTUK IV. - Vrijwillige terugzetting in graad. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.66-6.67
TITEL VII. - DE IT-MANDATEN EN TIJDELIJKE AANSTELLINGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - De IT-mandaten. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.68-6.73
HOOFDSTUK 2. - [1 De projectleiders]1
Afdeling 1. - De projectleiders. [1 Opscchrift opgeheven]1
Art. 6.74-6.78
Afdeling 2. - De staffunctie. [1 opgeheven]1
Art. 6.79-6.82
HOOFDSTUK 3. - De waarneming van een hoger ambt.
Art. 6.83-6.85
HOOFDSTUK 4. - [1 De preventiefuncties]1
Afdeling 1. - [1 Definities]1
Art. 6.86
Afdeling 2. - [1 De preventiediensten]1
Art. 6.87
Afdeling 3. - [1 Algemene bepalingen]1
Art. 6.88-6.92
Afdeling 4. - [1 Aanwijzings- en aanstellingsprocedure]1
Art. 6.93-6.94
Afdeling 5. - [1 Beëindigingsregels]1
Art. 6.94bis, 6.94ter
HOOFDSTUK 5. - [1 De functies van junior auditor bij het IVA Interne Audit van de Vlaamse Administratie]1
Art. 6.95-6.100
HOOFDSTUK 6. - De huisbewaarders. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.101-6.103
TITEL 8. - DE FUNCTIONELE LOOPBAAN VAN DE AMBTENAAR. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - Definitie en toepassingsgebied. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.104-6.108
HOOFDSTUK 2. - De diverse functionele loopbanen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.109-6.111
TITEL IX. - BIJZONDERE BEPALINGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van het scheepspersoneel. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.112-6.113
HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van de personeelsleden van de regionale luchthavens. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.114-6.117
HOOFDSTUK 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van het buitenlandpersoneel. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.118
HOOFDSTUK 4. [1 - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van het personeel van het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht.]1
Art. 6.118bis
TITEL X. - OVERGANGSBEPALINGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 6.119-6.149, 6.149bis, 6.149ter, 6.150, 6.150bis, 6.150ter, 6.151-6.170
DEEL VII. - DE VERLONING. <Deel VII, bestaande uit de artikelen 7.1 tot en met 7.4, is vervangen door een deel VII, bestaande uit de artikelen 7.5 tot en met 7.151, bij BVR 2007-03-16/55, art. 58, 005; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
TITEL I.- HET SALARIS. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - De bepaling van het salaris tegen 100 %. <BVR 2007-03-16/55, art. 58, 005; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.1-7.2, 7.2bis, 7.2ter, 7.2quater, 7.2quinquies, 7.2sexies, 7.2septies, 7.3-7.5, 7.5bis
HOOFDSTUK 2. - De verrekening van onbezoldigde afwezigheden. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.6-7.8
HOOFDSTUK 3. - De betaling van het maandsalaris. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.9-7.13
TITEL II. - DE TOELAGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.14-7.15, 7.15bis, 7.16-7.17
HOOFDSTUK 2. - Algemene toelagen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Afdeling 1. - De haard- en standplaatstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.18-7.19
Afdeling 2. - Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.20
Onderafdeling 2. - Vakantiegeld. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.21
Onderafdeling 3. - Eindejaarstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.22
Afdeling 3. - De toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.23-7.24
Afdeling 4. - Diensthoofdentoelage. [1 opgeheven]1
Art. 7.25-7.26
Afdeling 5. - Projectleiderstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.27
Afdeling 6. - Toelagen voor prestaties buiten de normale arbeidstijdregeling. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.28-7.32
Afdeling 7. - De gevaartoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.33-7.34
Afdeling 8. - De prestatietoelagen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Onderafdeling 1. - [1 De managementstoelage.]1
Art. 7.35-7.36
Onderafdeling 2. - Functioneringstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.37-7.38
Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.39-7.40
Afdeling 9. - De bevorderingspremie. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.41
Afdeling 10. - Permanentietoelage en toelage voor ploegenarbeid. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Onderafdeling 1. - Permanentietoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.42
Onderafdeling 2. - Toelage voor ploegenarbeid. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.43
Onderafdeling 3. - Algemene bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.44
Afdeling 11. [1 - Toelage voor tijdelijke functieverzwaring]1
Art. 7.44bis
Afdeling 12. [1 - Toelage voor carpooling]1
Art. 7.44ter
HOOFDSTUK 3. - Toelagen voor specifieke personeelscategorieën. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Afdeling 1. - [1 Personeelsleden van het agentschap Jongerenwelzijn]1
Art. 7.45
Afdeling 2. - Milieutoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.46-7.47
Afdeling 3. Toelage voor rekenplichtigen en kastoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.48-7.49, 7.49bis
Afdeling 4. - Gezagvoerderstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.50
Afdeling 5. - Toelage voor technische bekwaamheid. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.51
Afdeling 6. [1 Toelage voor het secretariaat van de Vlaamse Regering.]1
Art. 7.52
Afdeling 6bis. [1 - Toelage voor facilitaire kabinetsondersteuning]1
Art. 7.52bis
Afdeling 7. - BET-toelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.53
Afdeling 8. - [1 Gemeenschappelijke of Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk]1
Art. 7.54
Afdeling 9. - Sociale Dienst voor het Vlaamse Overheidspersoneel. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.55
Afdeling 10. - Huisvesting en vervangende toelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.56-7.57
Afdeling 11. - Toelage voor onregelmatige prestaties voor de wachters der waterwegen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.58
Afdeling 12. - Luchthaventoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.59
Afdeling 13. - Bijzondere toelageregeling voor het loodspersoneel. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.60-7.64
Afdeling 14. - Zeegeld. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.65
Afdeling 15. - De huisbewaarder. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Onderafdeling 1. - Voordelen en rechten toegekend aan de huisbewaarder. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.66-7.67
Onderafdeling 2. - Toelage voor vervanging van huisbewaarder. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.68
Onderafdeling 3. - Beëindiging van de functie van huisbewaarder. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.69
Afdeling 16. [1 - Specifieke toelageregeling voor het personeel van de grote varende eenheden van de DAB Vloot.]1
Art. 7.70
Afdeling 17. [1 - STCW-toelage (Standards of Training, Certification and Watchkeeping).]1
Art. 7.70bis
Afdeling 18. [1 - Toelage voor technische bekwaamheid.]1
Art. 7.70ter
Afdeling 19.
Art. 7.70quater
Afdeling 20. [1 - Arbeidsmarkttoelage voor artsen en arts-specialisten]1
Art. 7.70quinquies
Afdeling 21. [1 - Toelage voor de matroos die tijdelijk fungeert als schipper-bootsman [2 of als schipper-stuurman]2.]1
Art. 7.70sexies
Afdeling 22. [1 - Risicotoelage voor personeelsleden van het team Mobiele Eenheid van het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht van de afdeling Justitiehuizen van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin]1
Art. 7.70septies
HOOFDSTUK 4. - Cumulatiebepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.71
TITEL III. - DE VERGOEDINGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.72-7.74
HOOFDSTUK 2. [1 - Vergoedingen voor binnenlandse dienstreizen]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Art. 7.75-7.79
Afdeling 2. [1 - Reiskosten]1
Art. 7.80-7.81
Afdeling 3. [1 - Maaltijdvergoeding]1
Art. 7.82
Afdeling 3bis. [1 - Forfaitaire vergoeding voor het thuis opladen van een volledig elektrisch dienstvoertuig of een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is.]1
Art. 7.82bis
Afdeling 4. [1 - Binnenlandse dienstreis met overnachting]1
Art. 7.83
Afdeling 5. [1 - Reizende functies]1
Art. 7.84
HOOFDSTUK 3. [1 - Buitenlandse dienstreis]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepaling]1
Art. 7.85
Afdeling 2. [1 - Algemene bepaling]1
Onderafdeling 1. [1 - Zendingsaanvraag]1
Art. 7.85bis
Onderafdeling 2. [1 - Voorschotten]1
Art. 7.85ter
Afdeling 3. [1 - Kosten]1
Art. 7.85quater
Onderafdeling 1. [1 - Reiskosten]1
Art. 7.85quinquies, 7.85sexies
Onderafdeling 2. [1 - Logies]1
Art. 7.85septies, 7.85octies
Onderafdeling 3. [1 - Dagvergoeding]1
Art. 7.85novies, 7.85decies, 7.85undecies
Onderafdeling 4. [1 - Inschrijvingskosten]1
Art. 7.85duodecies
Onderafdeling 5. [1 - Representatiekosten]1
Art. 7.85terdecies
Afdeling 4. [1 - Verslaggeving]1
Art. 7.85quaterdecies
Afdeling 5. [1 - Afrekening]1
Onderafdeling 1. [1 - Terugbetaling van kosten]1
Art. 7.85quinquiesdecies
Onderafdeling 2. [1 - Terugvordering van voorschotten]1
Art. 7.85sexiesdecies
HOOFDSTUK 4.
Art. 7.86
HOOFDSTUK 5. - Maaltijdvergoeding op dienst- en veerboten. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.87
HOOFDSTUK 6. - De forfaitaire vergoeding voor reis- en maaltijdkosten voor het loodsenpersoneel. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.88-7.89
HOOFDSTUK 7. - Vergoeding voor het werken in Vlissingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.90
HOOFDSTUK 8. - [1 Vergoedingen, toelagen en voordelen voor personeel in het buitenland.]1
Art. 7.91
HOOFDSTUK 9. [1 Vergoeding voor personeelsleden, tewerkgesteld in Vlissingen [2 ...]2]1
Art. 7.91bis.
HOOFDSTUK 10. [1 - Terugbetaling van de kosten voor een beeldschermbril]1
Art. 7.91ter.
TITEL IV. - DE SOCIALE VOORDELEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. - De vergoeding voor begrafeniskosten. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.92-7.94
HOOFDSTUK 2. - Woon-werkverkeer met het openbaar vervoer. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.95
HOOFDSTUK 3. - Woon-werkverkeer naar een moeilijk bereikbare werkplaats. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.96-7.100, 7.100bis, 7.101
HOOFDSTUK 4. - Fietsvergoeding. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.102
HOOFDSTUK 5. - Woon-werkververkeer in het buitenland. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.103
HOOFDSTUK 6. - Woon-werkververkeer voor personen met een handicap. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.104
HOOFDSTUK 7. - Tegemoetkoming stoffelijke schade. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.105
HOOFDSTUK 8. - Hospitalisatieverzekering. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.106
HOOFDSTUK 9. - Rechtsbijstand. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
Art. 7.107
HOOFDSTUK 10. [1 - Aanvulling uitkering voor een contractueel personeelslid bij de geboorte van een kind]1
Art. 7.108, 7.108bis
HOOFDSTUK 11. - [1 Plaats- en tijdsonafhankelijk werken]1
Art. 7.109
HOOFDSTUK 12. [1 Maaltijdcheques]1
Art. 7.109bis, 7.109ter, 7.109quater, 7.109quinquies
HOOFDSTUK 13. [1 - Privégebruik van een dienstwagen]1
Art. 7.109sexies
HOOFDSTUK 14. [1 - Kinderbijslag]1
Art. 7.109septies, 7.109octies
HOOFDSTUK 15. [1 - Aanvullend pensioen voor de contractuele personeelsleden.]1
Art. 7.109novies
HOOFDSTUK 16. [1 - Kosten voor de installatie en het jaarlijkse onderhoud van een thuislaadpunt voor volledig elektrische dienstvoertuigen en dienstvoertuigen die plug-in hybrides zijn.]1
Art. 7.109decies
TITEL V. - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
HOOFDSTUK 1. [1 - Overgangsbepalingen van toepassing vóór 1 januari 2015]1
Art. 7.110-7.145, 7.145bis, 7.146-7.175
HOOFDSTUK 2. [1 Overgangsbepalingen voor de personeelsleden die vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid zijn overgeheveld]1
Art. 7.176-7.194, 7.194bis
HOOFDSTUK 3. - [1 Overgangsbepalingen voor bepaalde personeelsleden die vanaf 1 januari 2016 in het kader van de fusie van het Agentschap Ondernemen en het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) worden overgedragen aan het Agentschap Innoveren en Ondernemen]1
Art. 7.195
HOOFDSTUK 4. [1 - Overgangsbepalingen voor de in het kader van de herstructureringen binnen de diensten van de Vlaamse overheid overgedragen personeelsleden.]1
Art. 7.196-7.198
HOOFDSTUK 5. [1 Overgangsbepalingen voor de personeelsleden die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld zijn.]1
Art. 7.198-7.205
HOOFDSTUK 6. [1 - Overgangsbepaling naar aanleiding van de invoering van een aanvullend pensioen voor de contractuele personeelsleden.]1
Art. 7.206
HOOFDSTUK 7. [1 Overgangsbepalingen voor de personeelsleden die vanaf 1 januari 2019 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid zijn overgeheveld.]1
Art. 7.207-7.217
HOOFDSTUK 8. [1 Overgangsbepalingen voor de personeelsleden waarvoor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de bevoegde deelentiteit is.]1
Art. 7.218
DEEL VIII. - TUCHTREGELING.
TITEL I. - Tuchtstraffen.
Art. 8.1-8.6
TITEL II. - Tuchtprocedure.
HOOFDSTUK I. - De bevoegde overheden.
Art. 8.7-8.8
HOOFDSTUK II. - De procedure.
Art. 8.9-8.16
HOOFDSTUK III. - Algemene kenmerken van de tuchtprocedure.
Art. 8.17-8.23
TITEL III. - De doorhaling van de tuchtstraffen.
Art. 8.24
DEEL IX. - SCHORSING IN HET BELANG VAN DE DIENST.
Art. 9.1-9.13
DEEL X. - DE VERLOVEN EN DIENSTVRIJSTELLINGEN.
TITEL I. - Algemene bepalingen.
Art. 10.1-10.8
TITEL II. - Jaarlijkse vakantiedagen en feestdagen.
Art. 10.9-10.12
TITEL III. [1 Moederschapsrust, opvangverlof, pleegzorgverlof en pleegouderverlof]1
HOOFDSTUK I. - [1 Moederschapsrust]1
Art. 10.13-10.14
HOOFDSTUK Ibis. [1 - Vader- of meemoederschapsverlof]1
Art. 10.15
HOOFDSTUK II. - Opvangverlof.
Art. 10.16
HOOFDSTUK III. [1 Pleegzorgverlof en pleegouderverlof]1
Art. 10.16bis
TITEL IV. - Ziekteverlof.
Art. 10.17-10.24
TITEL V. - Verlof voor deeltijdse prestaties.
Art. 10.25, 10.25bis, 10.26-10.27
TITEL Vbis. [1 - Verlof voor deeltijdse prestaties wegens chronische ziekte of handicap]1
Art. 10.27bis
TITEL VI. [1 - Het zorgkrediet]1
HOOFDSTUK I. [1 - Duur van het zorgkrediet en motieven ]1
Art. 10.28, 10.28bis, 10.28ter, 10.29-10.30
HOOFDSTUK 2. [1 Administratieve toestand, voorwaarden en uitkeringen ]1
Art. 10.31
TITEL VIbis. [1 - Loopbaanonderbreking in het kader van een federaal zorgverlof ]1
HOOFDSTUK I. [1 - Algemene bepalingen ]1
Art. 10.31bis
HOOFDSTUK II. - Palliatief verlof.
Art. 10.32
Art. 10.32 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 10.33
HOOFDSTUK III. - Bijstand aan of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.
Art. 10.34
Art. 10.34 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 10.35
HOOFDSTUK IV. - Ouderschapsverlof.
Art. 10.36-10.37, 10.37bis, 10.38
HOOFDSTUK IVbis. [1 - Mantelzorgverlof]1
Art. 10.38bis
HOOFDSTUK V. - Onderbrekingsuitkeringen.
Art. 10.39
HOOFDSTUK VI. - Vervanging.
Art. 10.40
HOOFDSTUK VII.
Art. 10.41
TITEL VII. - Tewerkstelling ten behoeve van een externe werkgever of bij een Vlaams ministerieel kabinet.
HOOFDSTUK I. - [1 De tijdelijke tewerkstelling van ambtenaren ten behoeve van een werkgever buiten de diensten van de Vlaamse overheid voor de uitoefening van taken in het belang van de Vlaamse overheid]1
Art. 10.42-10.43
HOOFDSTUK Ibis. [1 De tijdelijke tewerkstelling van ambtenaren ten behoeve van een entiteit, raad of instelling binnen de diensten van de Vlaamse overheid]1
Art. 10.43bis, 10.43ter
HOOFDSTUK II. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij een kabinet.
Art. 10.44-10.48
HOOFDSTUK III. - Verlof voor opdracht.
Art. 10.49-10.53
HOOFDSTUK IV. - Verlof wegens terbeschikkingstelling van de Koning, een Koningin, een Prins of een Prinses van België.
Art. 10.54
HOOFDSTUK V. - Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een erkende politieke groep.
Art. 10.55-10.57
HOOFDSTUK VI. - Gemeenschappelijke bepaling.
Art. 10.58
TITEL VIII. - Vormingsverlof en dienstvrijstelling voor vorming.
Art. 10.59-10.60
TITEL IX. - Omstandigheidsverlof.
Art. 10.61
TITEL IXbis. [1 - Geboorteverlof]1
Art. 10.61bis
TITEL X. - Onbetaald verlof.
Art. 10.62-10.63
TITEL XI. - Politiek verlof en dienstvrijstelling.
Art. 10.64-10.71
TITEL XII. - Verlof krachtens federale bepalingen of verplichtingen.
Art. 10.72
TITEL XIII. - Dienstvrijstellingen.
Art. 10.73-10.80, 10.80bis, 10.81
TITEL XIIIbis. [1 - Gestandaardiseerd gunstverlof]1
Art. 10.81bis
TITEL XIV. - Overgangsbepalingen.
Art. 10.82-10.98
DEEL XI. - HET VERLIES VAN DE HOEDANIGHEID VAN AMBTENAAR EN DE DEFINITIEVE AMBTSNEERLEGGING
HOOFDSTUK I. - De redenen en gevolgen voor de ambtenaar.
Art. 11.1-11.8, 11.8bis, 11.8ter, 11.8quater, 11.8quinquies, 11.9-11.10
HOOFDSTUK II. - De ontslagregeling voor contractuelen.
Art. 11.11
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepaling.
Art. 11.12-11.16
DEEL XII. - ALGEMENE OPHEFFINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - Algemene opheffingsbepalingen.
Art. 12.1-12.3
HOOFDSTUK Ibis. [1 - Algemene overgangsbepalingen]1
Art. 12.3bis
HOOFDSTUK II. - Algemene slotbepalingen.
Art. 12.4-12.7
BIJLAGEN.
Art. N1-N21

Tekst Inhoudstafel Begin
DEEL I. - TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN.

  TITEL I. - Toepassingsgebied.

  Artikel 1.1.Dit besluit is van toepassing op het hierna genoemd personeel van de diensten van de Vlaamse overheid, met uitzondering van het personeel van de met rechtspersoonlijkheid beklede patrimonia [1 ...]1.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  TITEL II. - Algemene bepalingen.

  Art. 1.2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de diensten van de Vlaamse overheid :
  - de departementen,
  - de intern verzelfstandigde agentschappen, hierna te noemen IVA, zonder rechtspersoonlijkheid [4 met uitzondering van de leden van [13 de Onderwijsinspectie]13]4,
  - de IVA met rechtspersoonlijkheid, [6 ...]6
  - [10 de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen, hierna te noemen EVA, met uitzondering van de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn (VVM);]10
  - het secretariaatspersoneel van de strategische adviesraden, met uitzondering van de SERV [1 , de SAVWGG (de strategische adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid) [15 , de SALV (Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij)]15 (en van de MORA), hierna te noemen de raden; <BVR 2007-03-16/55, art. 1, 1°, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  - het personeel van de administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs, hierna te noemen het Gemeenschapsonderwijs of instelling;
  2° een Vlaams ministerie : het departement en de IVA zonder rechtspersoonlijkheid van een beleidsdomein;
  3° een entiteit : een departement, een IVA of een EVA;
  4° een beleidsdomein : een homogeen beleidsdomein [18 als vermeld in artikel III.1 van het bestuursdecreet van 7 december 2018]18, bestaande uit een verzameling van beleidsvelden die zowel vanuit politiek als maatschappelijk oogpunt een herkenbaar en samenhangend geheel vormen;
  5° beleidsraad : de raad van het homogeen beleidsdomein, waarvan de oprichting en de wijze van samenstelling door de Vlaamse Regering bepaald wordt en waarin het politieke en het administratieve niveau overleg plegen en die de regering ondersteunt bij de aansturing van het beleidsdomein;
  6° interne arbeidsmarkt : de personeelsbewegingen binnen de diensten van de Vlaamse overheid;
  7° personeelsleden : de ambtenaren en de contractuelen;
  8° ambtenaar : elk personeelslid dat toegelaten is tot een proeftijd met het oog op een vaste benoeming of dat in vast dienstverband benoemd is;
  9° contractueel : elk personeelslid dat in dienst genomen is bij arbeidsovereenkomst;
  10° lijnmanager : het hoofd van een entiteit, van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad of van het Gemeenschapsonderwijs die het hiërarchisch en functioneel gezag over het personeel van die entiteit, raad of instelling uitoefent. [8 De gouverneur is de lijnmanager voor de personeelsleden van de dienst van de gouverneurs.]8
  11° benoemende overheid : het hoofd van de entiteit, raad of instelling voor de ambtenaren;
  12° indienstnemende overheid :
  - de Vlaamse Regering op voorstel van de opdrachtgever voor [7 de management- en projectleidersfuncties van N - niveau]7 en voor de algemeen directeur en op voorstel van de strategische adviesraad voor het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad
  - de raad van bestuur voor de EVA die krachtens hun oprichtingsdecreet zelf het hoofd van het agentschap en in voorkomend geval de algemeen directeur aanstellen en voor het Gemeenschapsonderwijs,
  - de lijnmanager voor het contractuele personeelslid;
  13° opdrachtgever :
  - de functioneel bevoegde Vlaamse minister voor de departementen, de IVA en de andere EVA dan hierna vermeld,
  - de raad van bestuur voor de EVA die krachtens hun oprichtingsdecreet zelf het hoofd van het agentschap en in voorkomend geval de algemeen directeur aanstellen en voor het Gemeenschapsonderwijs,
  - [9 de auditcomités voor Audit Vlaanderen]9 ,
  - de strategische adviesraad voor het secretariaatspersoneel van de strategische adviesraad;
  14° de functioneel bevoegde Vlaamse minister : het lid van de Vlaamse Regering bevoegd voor de materies en het personeel van een beleidsdomein, raad of instelling, hierna te noemen functionele minister;
  15° personeelsplan : het overzicht van de functies nodig om in een bepaalde entiteit via welomschreven processen een vooropgesteld doel te bereiken;
  16° [personeelsfunctie : ofwel de entiteiten in het [20 beleidsdomein Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie]20 ofwel de managementondersteunende dienst, hierna te noemen MOD, die conform haar taakstelling het personeelsbeleid van een bepaalde entiteit, raad of instelling aanstuurt of uitvoert;] <BVR 2007-03-16/55, art. 1, 2°, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  17° werkgever :
  - de Vlaamse Gemeenschap voor de personeelsleden van een departement of een IVA zonder rechtspersoonlijkheid;
  - de IVA met rechtspersoonlijkheid en
  - de EVA
  voor de van deze entiteiten afhangende personeelsleden;
  - de strategische adviesraad
  - het Gemeenschapsonderwijs
  voor de van deze raad of instelling afhangende personeelsleden;
  18° de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken : de Vlaamse minister bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling;
  19° [selector :
  - het professioneel orgaan dat advies geeft [5 ...]5 over het selectiegebeuren;
  - de lijnmanager in de gevallen zoals bepaald in dit besluit;] <BVR 2007-03-16/55, art. 1, 3°, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  [3 20° lijnmanagement : een overlegorgaan inzake personeel en organisatieontwikkeling;]3
  [11 21° functie : het geheel van taken en werkzaamheden die aan een personeelslid worden toevertrouwd in een entiteit, raad of instelling;
   22° niet toewijsbare functie : een functie die [17 ...]17 niet kan worden toegewezen aan de [16 functiematrix]16 met de organisatie-eigen wegingsmethodiek;
   23° functiezwaarte : het gewicht dat door toepassing van de organisatie-eigen wegingsmethodiek aan een functie toegekend wordt, uitgedrukt in een functieklasse op basis van het scoren van indelingscriteria. Het functiegewicht wordt uitgedrukt in een functieklasse van de [16 functiematrix]16;
   24° organisatie-eigen wegingsmethodiek : een geautomatiseerd indelingsinstrument dat een functie door het scoren van indelingscriteria indeelt in [16 ...]16 een functieklasse van de [16 functiematrix]16. De methodiek is aan een periodieke onderhoudsprocedure onderworpen;
   25° [16 functiematrix]16 : een raamwerk met aanduiding van functiefamilies en [16 functieklassen]16, opgenomen in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd. Op basis van functieclassificatie [16 wordt een ordening aangebracht binnen en tussen functiefamilies door ze te koppelen aan functieklassen]16. De [16 functiematrix]16 is aan een periodieke onderhoudsprocedure onderworpen;
   26° functieklasse : een groep van functies met een gelijkwaardige functiezwaarte;
   27° functiefamilie : een groep van functies met gelijksoortige activiteiten en processtappen. Elke functiefamilie wordt onderverdeeld in verschillende [16 functieklassen]16 naargelang van de complexiteit van de functie.]11
  [14 28° beveiligde zending : een van de volgende betekeningswijzen :
   a) een aangetekende brief;
   b) een afgifte tegen ontvangstbewijs.]14
  [17 29° centrale wegingscommissie: het orgaan dat belast is met de weging van niet toewijsbare functies, samen te stellen uit drie leden, die worden gekozen uit een pool van specialisten in functieclassificatie die opgeleid zijn in de toegepaste analytische wegingsmethodiek;]17
  [17 30° validatiecomité: orgaan, dat wordt samengesteld door het hoofd van de entiteit, raad of instelling, en dat:
   a) het voorstel levert voor de validering van de totaliteit van de wegingsresultaten van de entiteit, raad of instelling, alsook van de lijst met niet toewijsbare functies;
   b) in een gewijzigde samenstelling bij de behandeling van een intern beroep van een functiehouder, die het niet eens is met de inhoud van zijn functiebeschrijving, functiefamilie of functieklasse, de functiehouder hoort, en vervolgens aan het hoofd van de entiteit, raad of instelling, een gemotiveerd voorstel van beslissing bezorgt over de functiebeschrijving, functiefamilie en functieklasse waarin de functiehouder moet worden ingedeeld;]17
  [17 31° externe systeemhouder: adviesbureau dat beschikt over een analytische wegingsmethode die door de centrale wegingscommissie wordt gebruikt voor het waarderen van niet toewijsbare functies.]17
  [19 32° bewijs van beroepskwalificatie: een bewijs van beroepskwalificatie als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 30 april 2009 betreffende de kwalificatiestructuur, uitgereikt door een instelling die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap;]19
  [21 33° leertrajectbegeleider: de trajectbegeleider, vermeld in artikel 3, 16°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.]21
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
  (3)<BVR 2009-05-29/42, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (4)<BVR 2009-05-29/42, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  (5)<BVR 2010-01-22/11, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 30-10-2009>
  (6)<BVR 2011-04-29/08, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (7)<BVR 2012-02-03/05, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 03-02-2012>
  (8)<BVR 2013-02-01/12, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2013>
  (9)<BVR 2013-10-18/26, art. 32, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (10)<BVR 2014-05-09/21, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (11)<BVR 2014-10-03/06, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (12)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (13)<BVR 2016-06-24/15, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (14)<BVR 2017-01-27/13, art. 1, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (15)<BVR 2018-04-20/03, art. 1,1°, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (16)<BVR 2018-04-20/03, art. 1,3°-8°, 044; Inwerkingtreding : 14-07-2017>
  (17)<BVR 2018-04-20/03, art. 1,2°,9°, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  (18)<BVR 2019-05-10/12, art. 61, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (19)<BVR 2020-07-17/69, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 01-08-2020>
  (20)<BVR 2020-09-11/13, art. 19, 060; Inwerkingtreding : 01-09-2020>
  (21)<BVR 2020-11-27/16, art. 1, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 1.3.Alle bevoegdheden die bij dit besluit aan een personeelslid worden toegewezen kunnen door dit personeelslid gedelegeerd worden aan de onder zijn gezag staande personeelsleden tenzij anders bepaald in dit besluit.
  (De bevoegdheden die bij dit besluit aan een lijnmanager worden toegewezen kunnen door de lijnmanager worden gedelegeerd aan het hoofd van de managementondersteunende diensten [2 of het gemeenschappelijk dienstencentrum]2.
  [1 De lijnmanager van een entiteit van een Vlaams ministerie kan de bevoegdheden die hem in dit besluit zijn toegewezen inzake arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten delegeren aan een andere lijnmanager van een entiteit van een Vlaams ministerie.]1
  De aldus toegewezen of via delegatie overgedragen bevoegdheden worden tevens uitgeoefend door de personeelsleden die met de waarneming van de functie belast zijn of die de titularis vervangen bij tijdelijke afwezigheid of verhindering.) <BVR 2007-03-16/55, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  ----------
  (1)<BVR 2011-12-02/41, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 01-05-2011>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 1.4.§ 1. De lijnmanager bepaalt de kwantitatieve en kwalitatieve personeelsbehoeften van zijn entiteit, raad of instelling, in een personeelsplan, onverminderd de procedure van administratieve en begrotingscontrole.
  Een vacature is een niet-ingevulde functie op het personeelsplan van de entiteit, raad of instelling, en impliceert een personeelsbehoefte.
  § 2. [1 Een personeelsplan omvat :
   1° mandaatfuncties;
   2° permanente functies, ingenomen door ambtenaren;
   3° tijdelijke of specifieke functies, ingenomen door contractuelen;
   4° projectfuncties, ingenomen door ambtenaren of contractuelen.]1
  § 3. Het personeelsplan wordt opgemaakt in voltijdse eenheden.
  [2 Het personeelsplan wordt uiterlijk op [3 1 [5 een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum]5]3 ook uitgedrukt in functiefamilies, [4 functieklassen]4 en in voorkomend geval in niet toewijsbare functies.]2
  [1 § 4. Een permanente functie kan tijdelijk vervuld worden als rotatie aangewezen is. In dat geval wordt de tijdsduur of het tijdelijke karakter van de dienstaanwijzing bekendgemaakt bij de vacantverklaring door de lijnmanager.
   § 5. Contractuelen kunnen in dienst genomen worden, uitsluitend om :
   1° aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen [6 ...]6;
   2° [6 personeelsleden die afwezig zijn te vervangen;]6
   3° bijkomende of specifieke opdrachten te vervullen;
   4° te voorzien in de uitvoering van hooggekwalificeerde taken. [6 Betrekkingen met een salarisschaal of beginsalarisschaal die overeenstemt met rang A2 of hoger kunnen als een hooggekwalificeerde betrekking contractueel worden ingevuld.
   De invulling van het top- en middenkader gebeurt overeenkomstig deel V;]6
  [6 5° te voorzien in de personeelsbehoefte voor activiteiten die worden gefinancierd door een andere publieke of private instantie;
   6° te voorzien in de personeelsbehoefte voor activiteiten die hoofdzakelijk verricht worden in mededinging met andere marktdeelnemers;
   7° knelpuntfuncties in te vullen die voorkomen op de lijst van knelpuntfuncties vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.]6
   De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, stelt in overleg met de functioneel bevoegde minister of ministers per entiteit, raad of instelling de lijst vast van de contractuele functies die ressorteren onder de bijkomende of specifieke opdrachten, vermeld in punt 3°, alsmede de aan die bijkomende of specifieke opdrachten verbonden geldelijke regeling, voor zover die niet door dit besluit of een andere reglementering wordt geregeld.
   De indienstnemende overheid bepaalt bij tewerkstelling in contractuele betrekkingen, de soort en de duur van de arbeidsovereenkomst, tenzij die werd bepaald in dit besluit of in een andere reglementering.]1
  [6 De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, stelt in overleg met de functioneel bevoegde ministers, na mededeling aan de Vlaamse Regering, de lijst vast van de contractuele functies die ressorteren onder punt 6°.]6
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (3)<BVR 2017-01-27/13, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (4)<BVR 2018-04-20/03, art. 2,1°, 044; Inwerkingtreding : 14-07-2017>
  (5)<BVR 2018-04-20/03, art. 2,2°, 044; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  (6)<BVR 2019-04-26/35, art. 1, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 1.4bis.[1 Alle functies op het personeelsplan, met uitzondering van de management- en projectleidersfuncties van N-niveau, de functies van algemeen directeur en de functies van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, krijgen een geactualiseerde functiebeschrijving en worden met uitzondering van de niet toewijsbare functies, uiterlijk op [2 [4 een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum]4]2 door het hoofd van de entiteit, raad of instelling toegewezen aan de [3 functiematrix]3 en ingedeeld met de organisatie-eigen wegingsmethodiek.
  [5 De functiehouder ontvangt een voorstel van functiebeschrijving, functiefamilie en functieklasse minimum 30 kalenderdagen vóór de validatie van de wegingsresultaten door het validatiecomité. De functiehouder of groep van functiehouders hebben het recht om hierover een overleg te hebben met de lijnmanager. Functiehouders binnen eenzelfde entiteit met een identieke functie ontvangen gelijktijdig hoger vermeld voorstel.]5
   De totaliteit van de wegingsresultaten [5 , alsook de lijst met niet toewijsbare functies,]5 wordt gevalideerd op het niveau van de entiteit, raad of instelling door het hoofd van de entiteit, raad of instelling op voorstel van een validatiecomité, dat door het hoofd van de entiteit, raad of instelling wordt samengesteld.]1
  [5 Het hoofd van de entiteit, raad of instelling bezorgt de gevalideerde lijst met niet toewijsbare functies aan het Agentschap Overheidspersoneel, dat die functies vervolgens aan de centrale wegingscommissie voorlegt.
   De centrale wegingscommissie:
   1° velt een oordeel over de functies. Als ze oordeelt dat de functies niet toewijsbaar zijn, maakt ze een analytische weging van de functies. Als ze oordeelt dat de functies toewijsbaar zijn, deelt ze de functies alsnog in met de organisatie-eigen wegingsmethodiek;
   2° bezorgt binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de lijst met niet toewijsbare functies bij consensus een gemotiveerd wegingsvoorstel aan het hoofd van de entiteit, raad of instelling. Als de centrale wegingscommissie het advies van de externe systeemhouder wil inwinnen, kan de voormelde termijn van dertig kalenderdagen met maximaal veertien kalenderdagen worden verlengd.
   Het hoofd van de entiteit, raad of instelling valideert, op voorstel van het validatiecomité, het wegingsresultaat van de centrale wegingscommissie of motiveert in voorkomend geval waarom hij het wegingsvoorstel van de centrale wegingscommissie niet volgt.]5
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-10-03/06, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (3)<BVR 2018-04-20/03, art. 3,1°, 044; Inwerkingtreding : 14-07-2017>
  (4)<BVR 2018-04-20/03, art. 3,2°, 044; Inwerkingtreding : 31-12-2017>
  (5)<BVR 2018-04-20/03, art. 3,3°-5°, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 1.4ter.[1 § 1. Een functiehouder die het niet eens is met de inhoud van zijn functiebeschrijving, functiefamilie of functieklasse, kan binnen een termijn van dertig kalenderdagen die volgt op de datum waarop het hoofd van de entiteit, raad of instelling de vaststelling van de functiebeschrijving, functiefamilie en functieklasse aan de functiehouder heeft bekendgemaakt, vragen om daarover gehoord te worden door het validatiecomité.
   De functiehouder die vraagt om gehoord te worden, motiveert zijn verzoek.
   De functiehouder kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
   De betrokken lijnmanager en de hr-verantwoordelijke of specialist van de centrale wegingscommissie die betrokken was bij het wegingsproces, mogen geen zitting hebben in het validatiecomité, maar ze kunnen wel worden gehoord. Het validatiecomité wordt verder aangevuld met een hr-verantwoordelijke of specialist uit de pool voor de centrale wegingscommissie, die niet behoort tot de entiteit, raad of instelling van de functiehouder.
   § 2. Het validatiecomité formuleert binnen een termijn van dertig kalenderdagen nadat de functiehouder is gehoord, een gemotiveerd voorstel van beslissing over de functiebeschrijving, functiefamilie en functieklasse waarin de functiehouder wordt ingedeeld.
   § 3. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling beslist binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de datum van de ontvangst van het voorstel van beslissing van het validatiecomité, in intern beroep over de functiebeschrijving, functiefamilie en functieklasse van de functiehouder.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-04-20/03, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 1.4quater.[1 De houder van de functie die met toepassing van artikel I 4bis [3 ...]3 is ingedeeld en voor wie de interne beroepsmogelijkheid, vermeld in artikel I 4ter, niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd, kan tegen de indeling van de functie in een functiefamilie [3 ...]3 en de daarbij horende functieklasse, een gemotiveerd beroep instellen bij de beroepscommissie Functieclassificatie, vermeld in artikel I 14bis, binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na kennisneming van de beslissing van het hoofd van de entiteit, raad of instelling, vermeld in [4 artikel I 4ter, § 3]4.
   De beroepscommissie Functieclassificatie, vermeld in artikel I 14bis, beraadslaagt binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift.
   De beslissing van de beroepscommissie Functieclassificatie, vermeld in artikel I 14bis, wordt betekend aan de functiehouder en aan het hoofd van de entiteit, raad of instelling, en bindt de partijen.
   Het hoofd van de entiteit, raad of instelling voert de beslissing van de beroepscommissie Functieclassificatie, vermeld in artikel I 14bis, uit.]1
  [2 De termijnen, vermeld in dit artikel, worden opgeschort in de maand augustus en tussen Kerstmis en Nieuwjaar.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-10-03/06, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 4, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (3)<BVR 2018-04-20/03, art. 5,1°, 044; Inwerkingtreding : 14-07-2017>
  (4)<BVR 2018-04-20/03, art. 5,2°, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 1.4quinquies.[1 Voor de toepassing van artikel I 4ter wordt, voor wat de middenkaderfuncties betreft, het validatiecomité samengesteld uit een of meerdere leden van het managementorgaan van het betrokken beleidsdomein, waarbij de personen die bij de validatie van de wegingsresultaten adviseerden niet betrokken mogen worden.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-04-20/03, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 1.5.§ 1. De invulling van statutaire vacatures gebeurt bij voorrang door herplaatsing. Indien herplaatsing niet mogelijk is, kiest de lijnmanager de wijze van invulling, hetzij :
  1° [14 via de interne arbeidsmarkt, waarbij gekozen wordt voor horizontale mobiliteit en/of bevordering;]14
  2° [via aanwerving vanuit de externe arbeidsmarkt, in combinatie met horizontale mobiliteit en bevordering van geslaagden voor [4 overgangsexamens]4 of [3 competentieproeven]3 voor de graad in kwestie] [13 en externe mobiliteit, waarbij de beperking van de oproep zoals vermeld in artikel VI 30quater niet geldt.]13 <BVR 2007-03-16/55, art. 4, 3°, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  3° [10 via externe mobiliteit, in combinatie met horizontale mobiliteit en eventueel aanwerving vanuit de externe arbeidsmarkt.]10
  [2 Voor een statutaire directeursfunctie via aanwerving of [10 externe mobiliteit]10 kan worden ingevuld, moeten de procedures van de interne arbeidsmarkt doorlopen worden. Dit geldt niet voor de invulling van de graad van wetenschappelijk directeur.]2
  Wanneer de lijnmanager zich beroept op meerdere procedures om een vacature op te vullen, worden de in aanmerking komende kandidaten onderworpen aan dezelfde [13 selectie]13.
  De selector stelt het programma en de nadere regelen vast van de [13 selectie]13.
  § 2. [13 Contractuele betrekkingen met een salarisschaal of beginsalarisschaal die overeenstemt met rang A2E en rang A2 of lager, worden bij voorrang ingevuld door herplaatsing van contractuelen.
   [16 Om voor herplaatsing in aanmerking te komen moet het contractuele personeelslid voldoen aan een van de volgende twee voorwaarden:
   1° werken met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en niet geworven zijn in het kader van een uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoefte of in het kader van een vervangingsopdracht;
   2° werken met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en zich bevinden in een re-integratietraject als vermeld in boek I, titel 4, hoofdstuk VI van de Codex over het welzijn op het werk van 28 april 2017.]16
   Voor de contractuele personeelsleden, bedoeld in het vorige lid, geldt dezelfde herplaatsingsregeling als voor ambtenaren.
   Als een openstaande contractuele betrekking wordt ingevuld door herplaatsing, gebeurt de effectieve indienstneming pas na voorafgaand akkoord van het contractuele personeelslid.
   Als herplaatsing niet mogelijk is, of als het gaat om een contractuele betrekking met een salarisschaal of beginsalarisschaal hoger dan rang A2E, wordt de contractuele betrekking ingevuld op een van de volgende wijzen :
   1° via de horizontale mobiliteit.
   2° via aanwerving vanuit de externe arbeidsmarkt, in combinatie met de horizontale mobiliteit.
   Bij combinatie van procedures worden de kandidaten onderworpen aan dezelfde selectie.
   Voor de volgende contractuele indienstnemingen is de combinatie van procedures niet verplicht en is er geen voorrang voor herplaatsing :
   1° vervangingsopdracht;
   2° tijdelijke en uitzonderlijke personeelsbehoeften met een arbeidsovereenkomst voor maximaal één jaar en uitzonderlijk verlengbaar met maximaal één jaar;
   3° doctoraatsbeurzen;
   4° hernieuwing of verlenging van bestaande arbeidsovereenkomsten zonder wijziging van betrekking en zonder selectie;
   5° vervanging van een bestaande arbeidsovereenkomst door een andere, zonder selectie;
   6° personeel met buitenlandfuncties;
   7° startbanen;
   8° topsporters en hun omkadering.
   De lijnmanager kan als selector optreden voor [18 personeel met buitenlandfuncties,]18 vervangingsopdrachten, tijdelijke en uitzonderlijke personeelsbehoeften met een arbeidsovereenkomst voor maximaal één jaar en uitzonderlijk verlengbaar met maximaal één jaar, startbanen, doctoraatsbeurzen, topsporters en hun omkadering.
   De hernieuwing of verlenging van een bestaande arbeidsovereenkomst zonder wijziging van betrekking en zonder selectie, en de vervanging van een bestaande arbeidsovereenkomst door een andere zonder selectie, gebeuren bij beslissing van de indienstnemende overheid, en zijn alleen mogelijk voor het contractuele personeelslid dat geslaagd is voor een objectief wervingssysteem als vermeld in deel III, hoofdstuk 2, en voor topsporters en hun omkadering.]13
  § 3. De Vlaamse Regering bepaalt op voorstel van de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken voor de door haar vastgelegde doelgroepen globale streefcijfers die door de functionele minister omgezet worden in streefcijfers per beleidsdomein.
  Zolang de door de Vlaamse Regering bepaalde doelgroepgebonden streefcijfers niet gehaald worden, wordt bij gelijkwaardigheid voorrang gegeven aan de kandidaat uit de ondervertegenwoordigde groep.
  § 4. [8 Van elk beleidsdomein wordt maximaal 1% van de betrekkingen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten (VTE), voorbehouden voor personen met een arbeidshandicap die recht hebben op een langdurige loonkostensubsidie in de reguliere of sociale economie. Dat zijn personen in een van de volgende situaties :
   1° personen met een bijstandsveld W2 of W3, toegekend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
   2° personen van wie de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding beslist heeft dat zij voor onbepaalde duur [17 recht hebben op Bijzondere Tewerkstellingsondersteunende Maatregelen (BTOM]17.
  [17 3° personen van wie de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding beslist dat zij recht hebben op collectief maatwerk of een Vlaamse ondersteuningspremie (VOP) voor een duur van vijf jaar.]17
   De voorbehouden betrekkingen kunnen zowel statutaire betrekkingen als contractuele betrekkingen van onbepaalde duur zijn.
   De lijnmanager kiest de wijze van invulling van een voorbehouden betrekking, hetzij :
   1° via aanwerving, eventueel in combinatie met horizontale mobiliteit;
   2° via de horizontale mobiliteit.
   Een vacante voorbehouden betrekking wordt bekendgemaakt.
   In afwijking van artikel III 2, 2°, wordt de persoon met een arbeidshandicap die recht heeft op een langdurige loonkostensubsidie, bij aanwerving vrijgesteld van de vergelijkende selectie.
  [13 In afwijking van artikel VI 18, § 2, eerste lid, kan een contractueel personeelslid met een arbeidshandicap dat recht heeft op een langdurige loonkostensubsidie, door horizontale mobiliteit meedingen naar een statutaire voorbehouden betrekking, ook als hij in dienst is genomen met een contract waarvoor overeenkomstig artikel III 2, 2°, geen vergelijkende selectie met een objectief wervingssysteem vereist is.]13
   De lijnmanager van de entiteit waar de betrekking vacant is, beslist in overleg met de selector over de geschiktheid van de kandidaat voor de betrekking. De beslissing houdt rekening met de functiebeschrijving van de vacature, het gewenste profiel, en de mogelijke redelijke aanpassingen. Bij het invullen van de betrekking wordt een integratieprotocol opgemaakt tussen de entiteit die de persoon in dienst neemt, en de dienst [14 Diversiteitsbeleid]14.]8
  [14 In afwijking van paragraaf 2, negende lid, kan aan een contractueel personeelslid met een arbeidshandicap dat recht heeft op een langdurige loonkostensubsidie en dat tewerkgesteld is met een contract van bepaalde duur, toch een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur aangeboden worden als hij in dienst is genomen met een contract waarvoor conform artikel III 2, 2°, geen vergelijkende selectie met een objectief wervingssysteem vereist is.]14
  § 5. Naast een vacature-invulling via gerichte kandidaatstelling zoals bepaald in § 1 en § 2, kan een vacature binnen een entiteit, raad of instelling ingevuld worden door een verandering van dienstaanwijzing door de lijnmanager.
  [7 Het statutaire personeelslid dat wordt aangesteld voor facilitaire ondersteunende taken voor een Vlaams ministerieel kabinet, krijgt van de verantwoordelijke lijnmanager een verandering van dienstaanwijzing tot het einde van de facilitaire ondersteuning van het kabinet.]7
  [§ 6. Onverminderd de bepalingen van dit besluit bepaalt bijlage 4 bij dit besluit voor de vacatures in alle graden of ze via aanwerving en/of bevordering kunnen worden ingevuld met eventuele vermelding van de aanvullende en bijzondere voorwaarden inzake beroepskwalificatie, alsmede voor elke bevorderingsgraad de lijst van graden die er toegang toe verlenen.] <BVR 2007-03-16/55, art. 4, 7°, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  [2 § 7. In afwijking van § 1 en § 2 hebben de personeelsleden die tewerkgesteld zijn in een continudienst met ploegenwerk, voorrang bij de vervulling van vacatures in dagdienst in hun eigen entiteit via wijziging van dienstaanwijzing. Zij hebben voorrang op de personeelsleden die in aanmerking komen voor herplaatsing.]2
  [11 § 8. In afwijking van paragraaf 1 en 2 en van de herplaatsingsregeling, vermeld in deel VI, titel 4, hoofdstuk 1 van dit besluit, kan een personeelslid overgeplaatst worden naar een andere entiteit, raad of instelling, door een wijziging van dienstaanwijzing, los van de procedure van de vacantverklaring, na het akkoord van het personeelslid en de betrokken N-functies, [12 in een van de volgende gevallen:
   1° om functionele redenen als het personeelslid niet in aanmerking komt voor de herplaatsingsprocedure;
   2° op voorstel van de Vlaamse ombudsman in het kader van de bescherming van de klokkenluider.]12.]11
  [15 Onverminderd de toepassing van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn akkoord en dat van de beide lijnmanagers na afloop van het ambtshalve onbetaald verlof vermeld in artikel X 63, § 1, worden overgeplaatst naar de entiteit, raad of instelling waar hij een arbeidsovereenkomst, mandaat of tijdelijke aanstelling uitoefent op voorwaarde dat:
   1° volgend op het ambtshalve onbetaald verlof vermeld in artikel X 63 geen gestandaardiseerd gunstverlof vermeld in artikel X 81bis wordt toegekend ofwel een einde is gekomen aan het toegekende gestandaardiseerde gunstverlof;
   2° de arbeidsovereenkomst die aan de basis van het ambtshalve onbetaald verlof lag het gevolg was van de toepassing van een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking zoals vermeld in deel III, hoofdstuk 2 of;
   3° het mandaat of de tijdelijke aanstelling die aan de basis van het ambtshalve onbetaald verlof lag het gevolg was van de toepassing van een procedure vermeld in deel VI.]15
  [12 § 9. In afwijking van paragraaf 1 en 2, kan een vacature binnen een entiteit, raad of instelling, vervuld worden door de overplaatsing, los van de procedure van de vacantverklaring, van een van de volgende personeelsleden vanuit een publiekrechtelijke rechtspersoon van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, die niet valt onder het toepassingsgebied van het VPS:
   1° een ambtenaar die dezelfde graad of een gelijkwaardige graad bekleedt als de graad waartoe de vacante betrekking behoort, na het akkoord van de ambtenaar, in het kader van de bescherming van de klokkenluider op voorstel van de Vlaamse ombudsman;
   2° een contractueel personeelslid met dezelfde of een gelijkwaardige contractuele betrekking en salarisschaal of geldelijke loopbaan als de vacante contractuele betrekking, na het akkoord van het contractuele personeelslid in het kader van de bescherming van de klokkenluider op voorstel van de Vlaamse ombudsman.
   De ambtenaar, die wordt overgeplaatst met toepassing van het eerste lid, wordt benoemd in de graad waartoe de vacante betrekking behoort en wordt ingeschaald in de daaraan verbonden salarisschaal op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan van de nieuwe graad.
   Het contractuele personeelslid dat wordt overgeplaatst met toepassing van het eerste lid, krijgt een arbeidsovereenkomst met de salarisschaal of de geldelijke loopbaan die verbonden is aan de nieuwe betrekking. In geval van een geldelijke loopbaan wordt hij ingeschaald op de overeenkomstige trap.]12
  ----------
  (1)<BVR 2007-07-19/40, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2008-05-23/44, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (3)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (4)<BVR 2008-05-23/44, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (5)<BVR 2009-05-29/42, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (6)<BVR 2009-05-29/42, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (7)<BVR 2009-12-04/09, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  (8)<BVR 2011-04-29/08, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  (9)<BVR 2011-04-29/08, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2011>
  (10)<BVR 2011-07-01/06, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>
  (11)<BVR 2014-02-21/48, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (12)<BVR 2014-03-14/28, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 28-05-2014>
  (13)<BVR 2016-06-24/15, art. 3, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (14)<BVR 2017-01-27/13, art. 5, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (15)<BVR 2017-12-15/23, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (16)<BVR 2018-04-20/03, art. 7, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  (17)<BVR 2019-09-06/08, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (18)<BVR 2020-07-17/69, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 01-08-2020>

  Art. 1.5bis.[1 § 1. [2 De selector kan, na toestemming van de kandidaat, in overleg met de indienstnemende of benoemende overheid of de lijnmanager, en rekening houdend met de vergelijkbaarheid van de testen en testresultaten, beslissen om bepaalde competenties en/of andere vereisten die overeenkomstig het selectiereglement nodig zijn voor de functie, niet opnieuw te testen bij een kandidaat als uit een eerdere selectieprocedure die niet ouder is dan zeven jaar, resultaten beschikbaar zijn waardoor de kandidaat op die competenties of vereisten beoordeeld kan worden, ongeacht voor welke graad of functie en voor welke soort procedure de vorige test is afgenomen.
   De selector bepaalt aan welke selectieonderdelen de kandidaat nog moet deelnemen om het geheel van de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, te kunnen beoordelen]2.
   § 2. Een kandidaat kan aan de selector vragen om, ongeacht eerdere testresultaten, opnieuw getest te worden voor bepaalde competenties en/of andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie. De selector houdt dan alleen rekening met de nieuwe testresultaten.]1
   § 3. Alleen testresultaten van selecties gebaseerd op het competentiemodel van de Vlaamse Overheid die beantwoorden aan de kwaliteitscriteria voor selectoren en selecties zoals vastgelegd door de Vlaamse minister van Bestuurszaken, komen in aanmerking om hergebruikt te worden.
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 6, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 1.5ter.[1 De mandaathouders van rang A2A [2 en A2]2 en de vastbenoemde ambtenaren van rang [2 A3]2 en lager van een entiteit, raad of instelling, die in de volgende gevallen worden overgedragen aan een andere entiteit, raad of instelling, behouden:
   - hun hoedanigheid;
   - hun graad of een gelijkwaardige graad met overeenstemmende functionele loopbaan;
   - hun administratieve en geldelijke anciënniteit;
   - hun rechten inzake bevordering en hun aanspraken op bevordering;
   - het salaris op de datum van de overdracht en een gelijkwaardige salarisschaal;
   - de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen waarop zij op de datum van overdracht op reglementaire basis recht hebben, voor zover de voorwaarden van toekenning blijven bestaan en voor zover aan deze voorwaarden blijft voldaan,
   1° ter uitvoering van het decreet van 28 november 2008 tot regeling van de overdracht van personeelsleden binnen de diensten van de Vlaamse overheid in geval van verschuiving van taken of bevoegdheden;
   2° door een wijziging van dienstaanwijzing, als vermeld in artikel I 5, § 8;
   Aan de contractuele personeelsleden van een entiteit, raad of instelling die worden overgedragen aan een andere entiteit, raad of instelling onder de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt een arbeidsovereenkomst aangeboden [2 voor een duur die overeenstemt met het gedeelte van het contract met de entiteit van herkomst dat op het moment van de overdracht nog niet verstreken is en]2 op grond waarvan het behoud wordt gegarandeerd van de voor hen bij de entiteit, raad of instelling van herkomst bestaande contractuele rechten. Wat de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen betreft, geldt dat behoud alleen voor zover de voorwaarden van toekenning blijven bestaan en voor zover aan die voorwaarden voldaan blijft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-21/48, art. 2, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 1.6.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 3, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 1.7.§ 1. De lijnmanager stelt voor zijn entiteit, raad of instelling het arbeidsreglement vast onverminderd de mogelijkheid om een aanvullend arbeidsreglement voor een subentiteit te laten vaststellen door het hoofd van die subentiteit.
  [2 ...]2
  § 2. Voor elke entiteit, raad of instelling geldt als algemene regel de 38-urige werkweek voor voltijdse betrekkingen.
  De werktijdregeling wordt vastgelegd in het arbeidsreglement.
  ----------
  (1)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 5, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 1.7bis. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 7; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Onverminderd de bepalingen van dit besluit, kan de Vlaamse Regering, op voorstel van de functionele minister en na akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken, voor elk van de IVA's met rechtspersoonlijkheid en EVA's, vermeld in artikel I 2, voor de administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs en voor de strategische adviesraad Vlaamse Onderwijsraad volgende bepalingen vaststellen :
  1° specifieke graden, de verdeling van die graden over de niveaus en rangen, of ze kunnen worden vervuld via aanwerving en/of bevordering of via mandaat met eventuele vermelding van de aanvullende en bijzondere voorwaarden inzake beroepskwalificatie, alsmede voor elke bevorderingsgraad de lijst van graden die er toegang toe geven;
  2° specifieke loopbanen;
  3° specifieke salarisschalen, specifieke vergoedingen, toelagen, en sociale voordelen;
  4° specifieke regelingen voor specifieke personeelscategorieën;
  5° specifieke overgangsbepalingen.

  TITEL III. - Algemene organisatorische bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Statutaire organen en beroepscommissie.

  Art. 1.8. Binnen elk beleidsdomein richt de beleidsraad de organen op die de bevoegdheden uitoefenen inzake de rechtspositie van het personeel, zoals bepaald in dit besluit.
  Elke strategische adviesraad evenals het Gemeenschapsonderwijs richt de organen op die de bevoegdheden uitoefenen inzake de rechtspositie van respectievelijk het secretariaatspersoneel en het personeel van zijn diensten, zoals bepaald in dit besluit.

  Art. 1.9.§ 1. Voor de diensten van de Vlaamse overheid wordt een adviserende beroepscommissie opgericht, hierna te noemen raad van beroep.
  In afwijking van het eerste lid wordt aan de raad van beroep, in geval van eenparigheid, een beslissende bevoegdheid toegekend.
  § 2. De ambtenaar kan in beroep gaan tegen volgende beslissingen :
  - de loopbaanvertraging;
  - de uitspraak van een tuchtstraf of van de schorsing in het belang van de dienst;
  - de evaluatie onvoldoende;
  - [3 ...]3
  - [2 ...]2
  ----------
  (1)<BVR 2016-08-30/19, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 02-09-2016>
  (2)<BVR 2017-12-15/23, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (3)<BVR 2019-04-26/35, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 1.10.§ 1. De raad van beroep wordt per zaak paritair samengesteld uit leden van de overheid en uit leden van de representatieve vakorganisaties vertegenwoordigd in het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest.
  De leden zijn stemgerechtigd.
  § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, stelt de voorzitters aan die de beroepen behandelen.
  Inzake tuchtzaken, schorsing in het belang van de dienst en [2 bij een tweede evaluatie onvoldoende die leidt tot definitieve beroepsongeschiktheid]2 is de voorzitter een magistraat.
  Voor de beroepen in andere aangelegenheden kan de voorzitter een externe deskundige zijn.
  De voorzitter is stemgerechtigd.
  § 3. De lijnmanager van (het [1 Agentschap Overheidspersoneel]1), waar de zetel van de raad van beroep gevestigd is, <BVR 2007-03-16/55, art. 9, 1°, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  - organiseert de werkverdeling, zo nodig in kamers;
  - wijst de leden van de overheid aan;
  - stelt de secretarissen aan uit de personeelsleden van (het departement Bestuurszaken); <BVR 2007-03-16/55, art. 9, 2°, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  - waakt erover dat bij de effectieve samenstelling per zaak ten hoogste 2/3 van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
  ----------
  (1)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 6, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 1.11. Het huishoudelijk reglement van de raad van beroep wordt vastgesteld door een paritaire vergadering van afgevaardigden van de overheid en de vakorganisaties, samengeroepen door een voorzitter.
  Het reglement is rechtsgeldig vastgesteld indien de meerderheid van de opgeroepen leden aanwezig is.

  Art. 1.12. Het huishoudelijk reglement bepaalt tenminste :
  - de geldigheid van de beraadslaging
  - de procedureregels
  - het wrakingsrecht van verzoeker
  - de wijze van kennisgeving van de adviezen

  Art. 1.13. § 1. De raad van beroep hoort de ambtenaar alvorens een gemotiveerd advies te formuleren.
  Behalve bij gewettigde verhindering verschijnt de verzoeker persoonlijk; hij mag zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een persoon van zijn keuze of bij gewettigde verhindering zich door die persoon van zijn keuze laten vertegenwoordigen.
  § 2. Indien de ambtenaar, ofschoon volgens de voorschriften opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde afwezigheid, wordt de ambtenaar geacht af te zien van zijn beroep. De uitspraak of beslissing vóór het beroep wordt in dit geval de definitieve uitspraak of beslissing.
  § 3. Het beroep is opschortend, tenzij anders bepaald.

  Art. 1.14.§ 1. Aan de voorzitters van de raad van beroep wordt een presentiegeld van [1 150 euro]1 per zitting van een halve dag toegekend. Dit presentigeld volgt de evolutie van het gezondheidsindexcijfer overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk worden gekoppeld, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en onverminderd artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  § 2. De voorzitters en leden van overheid en vakorganisaties ontvangen een reis- en maaltijdvergoeding overeenkomstig de regeling die van toepassing is voor de ambtenaar van de diensten van de Vlaamse overheid.
  In afwijking van het eerste lid ontvangen de voorzitters een [1 treinbiljet]1 eerste klasse heen en terug of de tegenwaarde ervan.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  HOOFDSTUK Ibis. [1 - Beroepscommissie Functieclassificatie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-10-03/06, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>

  Art. 1.14bis.[1 Voor de diensten van de Vlaamse overheid wordt een beroepscommissie Functieclassificatie opgericht, die beslist over de beroepen die met toepassing van artikel I 4quater, eerste lid, worden ingesteld tegen de indeling van een functie in een functiefamilie [2 ...]2 en/of de functieklasse waarin de functie werd gewogen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-10-03/06, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (2)<BVR 2018-04-20/03, art. 8, 044; Inwerkingtreding : 14-07-2017>

  Art. 1.14ter. [1 De beroepscommissie Functieclassificatie wordt voorgezeten door een voorzitter die geen actief personeelslid is van de diensten van de Vlaamse overheid en is verder paritair samengesteld uit drie deskundigen namens de overheid en drie deskundigen namens de representatieve vakorganisaties, vertegenwoordigd in het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest.
   De voorzitter en de leden van de beroepscommissie Functieclassificatie hebben een goede kennis van de organisatie-eigen wegingsmethodiek.
   De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, stelt de voorzitter aan en wijst de leden van de overheid aan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-10-03/06, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>

  Art. 1.14quater.[1 De beroepscommissie Functieclassificatie onderzoekt het beroepschrift, vraagt voor zover dat nodig is ontbrekende informatie op en kan de partijen horen.
   De beroepscommissie Functieclassificatie beslist bij consensus over de functiefamilie of [2 ...]2 de bijbehorende functieklasse. Als er geen consensus wordt bereikt, heeft de voorzitter de beslissende stem.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-10-03/06, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (2)<BVR 2018-04-20/03, art. 9, 044; Inwerkingtreding : 14-07-2017>

  Art. 1.14quinquies. [1 De beroepscommissie Functieclassificatie kan de beroepschriften die betrekking hebben op dezelfde functie, collectief behandelen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-10-03/06, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>

  Art. 1.14sexies. [1 Behalve bij gewettigde afwezigheid verschijnt de verzoeker persoonlijk. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze of bij gewettigde verhindering zich door die persoon van zijn keuze laten vertegenwoordigen.
   Als de verzoeker, hoewel hij volgens de voorschriften werd opgeroepen, niet verschijnt zonder geldige reden of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde verhindering, wordt hij behoudens in geval van overmacht geacht af te zien van zijn beroep. De uitspraak of beslissing vóór het beroep wordt in dat geval de definitieve uitspraak of beslissing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-10-03/06, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>

  Art. 1.14septies.[1 § 1. De beroepscommissie Functieclassificatie stelt een huishoudelijk reglement vast, dat ten minste de procedureregels en de praktische werking bepaalt.
   § 2. Aan de voorzitters van de beroepscommissie Functieclassificatie wordt een presentiegeld van 150 euro per zitting van een halve dag toegekend. Dat presentiegeld volgt de evolutie van het gezondheidsindexcijfer overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en onverminderd artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
   § 3. De voorzitters en de leden van de overheid en van de vakorganisaties ontvangen een reis- en maaltijdvergoeding overeenkomstig de regeling die van toepassing is voor de ambtenaar van de diensten van de Vlaamse overheid.
   In afwijking van het eerste lid ontvangen de voorzitters als vergoeding voor hun reiskosten een treinbiljet eerste klasse heen en terug of de tegenwaarde ervan.
   § 4. De regeling voor de voorzitters, vermeld in paragraaf 2 en 3, geldt ook voor extra vergaderingen van de voorzitters met het oog op de operationalisering van de beroepscommissie Functieclassificatie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 7, 039; Inwerkingtreding : 01-06-2016>

  HOOFDSTUK Iter. [1 Het Selectiekwaliteitscomité ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-07-03/11, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>

  Art. 1.14octies.[1 § 1. [2 Het Selectiekwaliteitscomité adviseert de diensten van de Vlaamse overheid over de integriteit, deontologie en kwaliteit van het selectie- en herplaatsingsbeleid.]2
   [2 ...]2
   Het Selectiekwaliteitscomité bestaat uit vijf leden, die worden aangewezen door de Vlaamse Regering.
   § 2. Het Selectiekwaliteitscomité stelt een huishoudelijk reglement op waarin de regels voor de werking van het Selectiekwaliteitscomité worden opgenomen.
   § 3. De externe leden van het Selectiekwaliteitscomité ontvangen per zitting een presentiegeld van 71,42 euro.
   In afwijking van het eerste lid wordt aan de voorzitter een presentiegeld toegekend van 150 % van het bedrag, vermeld in het eerste lid.
   De presentiegelden, vermeld in dit artikel, volgen de evolutie van het gezondheidsindexcijfer zoals vermeld in artikel VII 9.
   § 4. De leden van het Selectiekwaliteitscomité hebben recht op een reiskostenvergoeding overeenkomstig artikel VII 80 tot en met VII 82.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-07-03/11, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>
  (2)<BVR 2018-04-20/03, art. 10, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  HOOFDSTUK II. - Tijdelijke vervanging en terugkeerrecht.

  Art. 1.15. De lijnmanager duidt bij tijdelijke afwezigheid of verhindering het personeelslid aan dat hem vervangt.

  Art. 1.16.[1 [3 Een ambtenaar die ten gevolge van de opname van een verlof voltijds afwezig is heeft een terugkeerrecht naar de entiteit, raad of instelling van herkomst.]3
   In afwijking van het eerste lid is er een terugkeerrecht naar de oorspronkelijke betrekking voor :
   1° [4 ...]4
   2° de titularissen van de middenkaderfuncties die met verlof zijn voor de uitoefening van een ambt op een kabinet of voor een project goedgekeurd door de Vlaamse Regering;
   3° [2 de personeelsleden die binnen de entiteit, raad of instelling tijdelijk bijkomende of zwaardere taken uitoefenen waardoor de functiezwaarte tijdelijk verhoogt.]2 ]1
  [3 4° de ambtenaren die minder dan zeven maanden voltijds afwezig zijn of die afwezig zijn als gevolg van een verlof vermeld in deel X, titel 2, 3, 4, 6 of 6bis.]3
  ----------
  (1)<BVR 2009-12-04/09, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 4, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2017-12-15/23, art. 3, 042; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (4)<BVR 2019-09-06/08, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  TITEL IV. - Overgangs- en opheffingsbepalingen.

  Art. 1.17.§ 1. [1 ...]1
  § 2. De functies vermeld in artikel I 4, § 1, tweede lid, worden [1 ook uitgedrukt in graden in afwachting van de koppeling van functies aan loopbanen en beloning]1 (...). <BVR 2007-03-16/55, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  ----------
  (1)<BVR 2014-10-03/06, art. 6, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>

  Art. 1.18.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2008>

  Art. 1.19. De gevallen van beroep ingesteld bij een raad van beroep voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden verdergezet volgens de op die datum van kracht zijnde reglementering.
  De definitieve uitspraak na beroep gebeurt overeenkomstig dit besluit.

  Art. 1.20.De aanstellingen in een hoger ambt eindigen op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 1.20bis.<Opgeheven bij BVR 2011-04-29/08, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 1.21.[§ 1.] <BVR 2007-03-16/55, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007> In afwijking van artikel I 16, eerste lid, heeft de ambtenaar die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn functie onderbroken heeft voor het opnemen van een in dit artikel vermelde andere functie of verlof, een recht op terugkeer naar de oorspronkelijke betrekking, tot het tijdstip van verlenging of beëindiging van de afwezigheid voor het opnemen van die welbepaalde functie of van het lopend verlof.
  [1 § 2. ...]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 1.22.Opgeheven wordt - onverminderd artikel I 19 : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende oprichting en samenstelling van een raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen, zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002.

  DEEL II. - RECHTEN, PLICHTEN, ONVERENIGBAARHEDEN EN CUMULATIE VAN ACTIVITEITEN.

  HOOFDSTUK I. - Deontologische rechten en plichten.

  Art. 2.1. § 1. Het personeelslid zet zich op een actieve en constructieve wijze in voor de realisatie van de opdracht en de doelstellingen van de diensten van de Vlaamse overheid.
  Het personeelslid oefent zijn functie op een loyale en correcte wijze uit onder het gezag van zijn lijnmanager en/of functionele chef.
  § 2. In de omgang met anderen en in de contacten met het publiek respecteert het personeelslid de persoonlijke waardigheid en handelt het zonder discriminatie.

  Art. 2.2.§ 1. Het personeelslid heeft recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn functie.
  Onverminderd de reglementering inzake openbaarheid van bestuur, is het hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op :
  1° de veiligheid van het land;
  2° de bescherming van de openbare orde;
  3° de financiële belangen van de overheid;
  4° het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten;
  5° het medisch geheim;
  6° het vertrouwelijke karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens;
  7° het interne beraad, zolang in de betrokken aangelegenheid geen eindbeslissing is genomen.
  Het is hem ook verboden feiten bekend te maken waarvan de bekendmaking de concurrentiepositie van de organisatie waarin hij werkt kan schaden of waarvan de bekendmaking een inbreuk is op de rechten en de vrijheden van de burger, in het bijzonder op het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om de op hem betrekking hebbende gegevens openbaar te maken.
  Deze paragraaf geldt eveneens voor het personeelslid dat niet meer in dienst is.
  § 2. [Het personeelslid dat in de uitoefening van zijn functie onregelmatigheden vaststelt, brengt [1 een functionele chef]1 hiervan onmiddellijk op de hoogte. Hij kan ook rechtstreeks [3 Spreekbuis, het meldpunt voor welzijn en integriteit op het werk van de Vlaamse overheid of]3 [2 Audit Vlaanderen]2 op de hoogte brengen overeenkomstig [4 artikel III.115, § 3, van het bestuursdecreet van 7 december 2018]4.
  Een onregelmatigheid is een nalatigheid, misbruik of misdrijf als vermeld in artikel 3, § 2, eerste lid, van het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst.] <BVR 2007-03-16/55, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  Indien hij op basis van gegronde redenen vermoedt of vaststelt dat zijn lijnmanager hem zal verbieden of verhinderen om misdrijven bekend te maken, brengt hij rechtstreeks de procureur des Konings hiervan op de hoogte.
  Het personeelslid kan, buiten de gevallen van kwade trouw, persoonlijk voordeel of valse aangifte die een dienst of persoon schade toebrengen, niet onderworpen zijn aan een tuchtstraf of een andere vorm van openlijke of verdoken sanctie, om de enkele reden dat hij onregelmatigheden aangeeft of bekend maakt.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2013-10-18/26, art. 33, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<BVR 2014-03-14/28, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 28-05-2014>
  (4)<BVR 2019-05-10/12, art. 62, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 2.3.§ 1. Het personeelslid kan schriftelijk of mondeling melding doen van een onregelmatigheid bij de Vlaamse Ombudsman onder de voorwaarden bepaald in artikel 3, § 2, van het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst.
  [1 Het personeelslid, vermeld in het eerste lid, kan aan de Vlaamse ombudsman vragen om onder zijn bescherming te worden geplaatst, ofwel op het ogenblik van de melding, ofwel in de loop van het onderzoek door de Vlaamse Ombudsman.
   Als de Vlaamse ombudsman de bescherming verleent, deelt hij dat mee aan het personeelslid.]1
  § 2. De bescherming heeft uitwerking vanaf de eerste vastgestelde melding van de onregelmatigheid door het personeelslid uitgezonderd wat betreft de schorsing van tuchtprocedures die uitwerking hebben vanaf het verzoek van het personeelslid om onder de bescherming van de Vlaamse Ombudsman te worden geplaatst.
  De bescherming neemt een einde twee jaar na het afsluiten van het onderzoek door de Vlaamse Ombudsman naar de gemelde onregelmatigheid.
  [1 Zodra de Vlaamse ombudsman het moment opportuun acht, deelt hij de begindatum van de beschermingsperiode mee aan het personeelslid en aan de lijnmanager. De Vlaamse ombudsman deelt ook de einddatum van de beschermingsperiode mee aan het personeelslid en aan de lijnmanager.]1
  De Vlaamse Ombudsman deelt de begindatum en de einddatum van de beschermingsperiode mee aan het personeelslid en de lijnmanager.
  ----------
  (1)<BVR 2014-03-14/28, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 28-05-2014>

  Art. 2.4. § 1. Tijdens de beschermingsperiode, bedoeld in artikel II 3, § 2, kan het personeelslid niet onderworpen zijn aan een tuchtstraf of een andere open of verdoken maatregel om redenen die verband houden met de melding van de onregelmatigheid. De bewijslast hiervoor berust bij de bevoegde overheid.
  Als de bevoegde overheid tijdens de beschermingsperiode een tuchtstraf oplegt of andere maatregelen neemt ten aanzien van het personeelslid moet de overheid in de motivering duidelijk aangeven dat er geen verband is tussen de tuchtstraf of de maatregel en de melding van de onregelmatigheid.
  § 2. Als het personeelslid vermoedt dat een maatregel, bedoeld in § 1 toch verband houdt met de melding van de onregelmatigheid, kan hij aan de Vlaamse Ombudsman vragen om dit mogelijke verband te onderzoeken. De bewijslast hiervoor berust bij de bevoegde overheid.
  De Vlaamse Ombudsman deelt het resultaat van zijn onderzoek mee aan het personeelslid en de lijnmanager.
  Als de Vlaamse Ombudsman van oordeel is dat er een mogelijk verband is tussen de maatregel, bedoeld in § 1 en de melding van de onregelmatigheid, richt hij aan de bevoegde overheid het verzoek om de maatregel te herzien.
  De bevoegde overheid deelt binnen een termijn van twintig werkdagen na ontvangst van het verzoek aan de Vlaamse Ombudsman mee of zij al dan niet akkoord gaat met dat verzoek.
  Als de bevoegde overheid niet akkoord gaat met het verzoek van de Vlaamse Ombudsman of weigert uitvoering te geven aan zijn verzoek of niet antwoordt aan de Vlaamse Ombudsman binnen de voormelde termijn van twintig werkdagen, brengt de Vlaamse Ombudsman hierover verslag uit bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, die in overleg met de functioneel bevoegde minister een standpunt bepaalt en dit standpunt meedeelt aan de Vlaamse Ombudsman en aan de lijnmanager.

  Art. 2.5. Het personeelslid behandelt de klanten van zijn entiteit welwillend.
  Het personeelslid mag, zelfs buiten de functie, rechtstreeks noch via een tussenpersoon, giften, beloningen of enig ander voordeel die verband houden met de functie, vragen, eisen of aannemen.

  Art. 2.6. § 1. Het personeelslid heeft recht op informatie en vorming zowel wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de functie-uitoefening als met het oog op de uitbouw van de beroepsloopbaan.
  § 2. Het personeelslid houdt zich op de hoogte van de evolutie van de technieken, reglementeringen en navorsingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is.
  § 3. De vorming is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een entiteit.
  De onkosten die inherent zijn aan de deelname aan deze vormingsactiviteiten worden gedragen door de diensten van de Vlaamse overheid.

  Art. 2.7. § 1. De rechten en de plichten worden nader toegelicht in een deontologische code die vastgesteld wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.
  § 2. In de beleidsdomeinen, raden of instelling kan door de hoofden van de entiteiten, raden of instelling voor specifieke problemen een aanvullende code opgesteld worden.

  HOOFDSTUK II. - Intellectuele eigendomsrechten.

  Art. 2.8.§ 1. Het personeelslid draagt aan de Vlaamse Gemeenschap of de IVA met rechtspersoonlijkheid of de EVA, de strategische adviesraad of het Gemeenschapsonderwijs het geheel van de vermogensrechten over op de werken waarvan hij de (mede)auteur [1 of (mede)schepper]1 is en die hij ter uitvoering van zijn functie tot stand brengt.
  [1 Deze overdracht betreft alle vermogensrechten die deel zouden uitmaken van zijn auteursrechten, inclusief de auteursrechten op computerprogramma's met inbegrip van het begeleidend en voorbereidend materiaal, op databanken, en op alle andere werken die het personeelslid ter uitvoering van zijn functie tot stand brengt. De overdracht betreft ook alle sui generis vermogensrechten op databanken die het personeelslid ter uitvoering van zijn functie tot stand brengt.]1
  § 2. De vergoeding voor deze overdracht van rechten is begrepen in het salaris, zoals bepaald overeenkomstig het van kracht zijnde geldelijk statuut.
  § 3. Het personeelslid verleent aan de Vlaamse Gemeenschap, de IVA met rechtspersoonlijkheid, de EVA, de strategische adviesraad of het Gemeenschapsonderwijs de toelating om de werken, bedoeld in § 1, onder de naam van het Vlaamse ministerie of van de IVA met rechtspersoonlijkheid of de EVA, de strategische adviesraad of het Gemeenschapsonderwijs aan het publiek mee te delen en onder die naam te exploiteren. Deze toelating geldt voor een duur van 20 jaar vanaf de datum van creatie van het werk.
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 7, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 2.9. § 1. Alle uitvindingen die door het personeelslid ter uitvoering van zijn functie worden gedaan of die verkregen worden door middelen die door de werkgever ter beschikking worden gesteld, zijn het exclusieve eigendom van de Vlaamse Gemeenschap, de IVA met rechtspersoonlijkheid, de EVA, de strategische adviesraad of het Gemeenschapsonderwijs, zonder dat het personeelslid een recht op vergoeding kan doen gelden.
  § 2. In afwijking van § 1 wordt voor de overdracht van vermogensrechten op de in § 1 bedoelde uitvindingen die niet ter uitvoering van de functie worden gedaan aan het personeelslid een financiële tegemoetkoming toegekend, waarvan het bedrag bepaald wordt door de functionele minister.
  Om de hoogte van de tegemoetkoming te bepalen worden volgende criteria gebruikt :
  - de industriële of commerciële waarde van de uitvinding;
  - het belang van de bijdrage van de respectieve partijen bij de totstandkoming van de uitvinding.

  HOOFDSTUK III. - Onverenigbaarheden.

  Art. 2.10. De hoedanigheid van personeelslid is onverenigbaar met elke activiteit die het personeelslid zelf of via een tussenpersoon verricht en waardoor ofwel :
  1° de functieplichten niet kunnen worden vervuld;
  2° de waardigheid van de functie in het gedrang komt en/of het vertrouwen van het publiek in de dienst wordt aangetast;
  3° de eigen onafhankelijkheid wordt aangetast;
  4° een conflict tussen tegenstrijdige belangen ontstaat.

  Art. 2.11.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 8, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  HOOFDSTUK IV. - Cumulatie van beroepsactiviteiten.

  Art. 2.12.§ 1. Het personeelslid mag zonder toestemming geen activiteiten cumuleren binnen de diensturen, tenzij deze inherent zijn aan de functie, en onverminderd de deontologische toetsing.
  [1 De toestemming is ook nodig voor de cumulatie van beroepsactiviteiten tijdens een verlof, onverminderd andere reglementaire bepalingen.]1
  § 2. De toestemming tot cumulatie wordt gegeven :
  - door de opdrachtgever voor de hoofden van een entiteit;
  - door de voorzitter van de strategische adviesraad voor het hoofd van het secretariaatspersoneel;
  - [3 ...]3 <BVR 2007-03-16/55, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  - door de functionele minister voor het hoofd van het Gemeenschapsonderwijs en
  - door de lijnmanager voor de personeelsleden die onder hun gezag staan.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 9, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 8, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 2.13. De uitoefening van activiteiten buiten de diensturen kan enkel getoetst worden aan de deontologische regels inzake onverenigbaarheden, onverminderd andere reglementaire bepalingen.

  HOOFDSTUK V. - Overgangsbepaling.

  Art. 2.14. De toestemming tot cumulatie gegeven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft behouden, tot de lijnmanager waaronder het personeelslid ressorteert, deze desgevallend herroept.

  DEEL III. - REKRUTERING EN SELECTIE VAN HET PERSONEEL.

  HOOFDSTUK I. - Toegangsvoorwaarden via externe aanwerving.

  Art. 3.1.§ 1. Voor de toegang tot een functie bij de diensten van de Vlaamse overheid gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden :
  1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;
  2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  3° [1 ...]1;
  4° de medische geschiktheid bezitten die vereist is voor de uit te oefenen functie.
  § 2. De Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken bepaalt de bevoegde instanties en de controleprocedure voor de vereiste medische geschiktheid.
  § 3. Onverminderd § 2 controleert de [2 preventieadviseur-arbeidsarts]2 van de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk de vereiste lichamelijke geschiktheid voor welbepaalde categorieën personeelsleden overeenkomstig de federale bepalingen.
  § 4. De functies waarvoor in de functiebeschrijving en het profiel bepaald wordt dat zij een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse Gemeenschap, worden voorbehouden voor Belgen.
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 8, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (2)<BVR 2020-07-17/69, art. 3, 059; Inwerkingtreding : 01-08-2020>

  Art. 3.2.Als algemene aanwervingsvoorwaarden om als personeelslid van de diensten van de Vlaamse overheid te worden aangeworven, gelden :
  1° [2 het diploma of studiegetuigschrift bezitten dat overeenstemt met het administratief niveau van de functie waarin wordt aangeworven, zoals bepaald in bijlage 2 bij dit besluit, of een ervaringsbewijs [5 , toegangsbewijs of bewijs van beroepskwalificatie]5, vermeld in artikel III 3, § 2, voor dezelfde functie;
   In dit besluit wordt verstaan onder ervaringsbewijs : een ervaringsbewijs als vermeld in artikel 4 van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid, waarover een protocol wordt gesloten in het Sectorcomité XVIII omdat het relevant is voor de diensten van de Vlaamse overheid.]2
  2° slagen voor een vergelijkende selectie via een objectief wervingssysteem.
  [Deze verplichting geldt niet voor contractuele personeelsleden die in dienst genomen worden :
  - voor vervangingsopdrachten [3 die minder dan één jaar duren]3;
  - voor tijdelijke en uitzonderlijke personeelsbehoeften met een arbeidsovereenkomst van maximaal één jaar en uitzonderlijk verlengbaar [1 met maximaal één jaar]1;
  - in startbanen;
  - met doctoraatsbeurzen.] <BVR 2007-03-16/55, art. 15, 2°, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  [1 - topsporters en hun omkadering.]1
  [4 - in het buitenland, ter ondersteuning van het personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt.]4
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 4, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (2)<BVR 2012-09-21/06, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-10-2012>
  (3)<BVR 2019-04-26/35, art. 3, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  (4)<BVR 2019-09-06/08, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  (5)<BVR 2020-07-17/69, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 01-08-2020>

  Art. 3.3.§ 1. [1 In afwijking van artikel III 2, 1°, kan door de lijnmanager, voorafgaand aan de rekrutering, van die voorwaarde worden afgeweken als de functie voorkomt op de lijst van knelpuntfuncties binnen de diensten van de Vlaamse overheid die door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, wordt vastgesteld na advies van de selectoren.
   § 2. Daarnaast kan de lijnmanager, voorafgaand aan de selectie, bij een met redenen omklede beslissing waaruit een redelijk vermoeden van meerwaarde van deze procedure blijkt, opnemen in het selectiereglement dat in afwijking van artikel III 2, 1°, ook personen die nog niet beschikken over het diploma, studiegetuigschrift, ervaringsbewijs [3 toegangsbewijs of bewijs van beroepskwalificatie]3, zich kandidaat kunnen stellen voor de functie. Zij krijgen enkel toegang tot de selectieprocedure na het behalen van een toegangsbewijs, uitgereikt door de VDAB, na beoordeling van hun competenties zoals hierna bepaald. Het toegangsbewijs van de VDAB is zeven jaar geldig voor dezelfde functie bij de diensten van de Vlaamse overheid.
   Van een kandidaat die niet beschikt over een diploma, studiegetuigschrift, ervaringsbewijs [3 toegangsbewijs of bewijs van beroepskwalificatie]3 als vermeld in het selectiereglement, wordt een portfolio beoordeeld. De kandidaat lijst relevante kennis, vaardigheden en attitudes voor de functie op in het portfolio en staaft dit met zoveel mogelijk bewijsstukken.
   De VDAB duidt per vacature beoordelaars aan met de nodige expertise om portfolio's te beoordelen.
   De lijnmanager bepaalt samen met de VDAB en de selector de te bewijzen competenties waarop de beoordeling van het portfolio voor de vacature gebeurt.
   De VDAB reikt na een positieve beoordeling van een portfolio bovenvermeld toegangsbewijs uit. Het toegangsbewijs vermeldt de functie waarvoor het geldt, welke competenties op welk niveau werden beoordeeld, en de ingangsdatum en geldigheidsduur van het toegangsbewijs.
   De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, kan nadere voorwaarden bepalen.
   § 3. Een intern personeelslid dat een functie vervult die tot hetzelfde niveau behoort als de vacante functie, hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel III 2, 1°, van dit besluit, tenzij specifieke diplomavoorwaarden bepaald zijn.]1
  § 4.[2 ...]2
  ----------
  (1)<BVR 2012-09-21/06, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 01-10-2012>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 9, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (3)<BVR 2020-07-17/69, art. 5, 059; Inwerkingtreding : 01-08-2020>

  Art. 3.4.De administratieve niveaus en de overeenstemmende diploma's of getuigschriften zijn :
  

  
  
niveau A :[...] master diploma
<BVR 2007-03-16/55, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
 [1 ...
 ]1
niveau B :bachelor diploma
 [1 ...
 ]1
niveau C :secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs
niveau D :geen diplomaverplichting
(1)<BVR 2018-04-20/03, art. 11, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>



  Art. 3.5.Bijzondere aanwervingsvoorwaarden voor een functie kunnen worden vastgesteld door [1 de lijnmanager]1, in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en [na overleg met [1 de selector]1]. <BVR 2007-03-16/55, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 11, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  HOOFDSTUK II. - De selectie via een objectief wervingssysteem.

  Art. 3.6.§ 1. De in dit besluit vermelde voorschriften voor de selector worden in geval van een privaatrechtelijke selector opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst tussen de selector en de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken.
  § 2. De selector organiseert op basis van de personeelsbehoeften van de lijnmanagers de noodzakelijke vergelijkende selecties [3 ...]3 volgens een systeem dat, naar vorm en inhoud, de nodige waarborgen biedt inzake gelijke behandeling, verbod van willekeur, onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
  [1 § 3. De Vlaamse Regering wijst voor de statutaire wervingen in de ministeries één selector aan.]1
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
   Art. 3.6. § 1. [2 De in dit besluit vermelde voorschriften voor de selector en de door de Vlaamse minister van Bestuurszaken opgelegde kwaliteitscriteria voor selectoren en selecties worden in geval van een privaatrechtelijke selector opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst tussen de selector en de Vlaamse Regering.
   De door de Vlaamse minister van Bestuurszaken opgelegde kwaliteitscriteria voor selectoren en selecties worden in geval van een externe selector opgenomen in de overheidsopdracht tussen de selector en de vertegenwoordiger van de Vlaamse Overheid.]2
  § 2. De selector organiseert op basis van de personeelsbehoeften van de lijnmanagers de noodzakelijke vergelijkende selecties voor generieke en specifieke functies volgens een systeem dat, naar vorm en inhoud, de nodige waarborgen biedt inzake gelijke behandeling, verbod van willekeur, onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
  [1 § 3. De Vlaamse Regering wijst voor de statutaire wervingen in de ministeries één selector aan.]1

  ----------
  (1)<BVR 2009-01-09/35, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-02-2009>
  (2)<BVR 2013-02-01/12, art. 3, 023; Inwerkingtreding : onbepaald>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 10, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 3.7.[1 Elke vacature wordt minstens op de website van de VDAB [3 of de website Werken voor Vlaanderen]3 gepubliceerd met inachtneming van een redelijke termijn tussen de publicatie ervan en de uiterste datum van kandidaatstelling, zoals bepaald door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.]1
  [2 In afwijking van het eerste lid worden vacatures voor functies in het buitenland die gericht zijn tot kandidaten die in het buitenland wonen, algemeen bekendgemaakt in het land in kwestie.]2
  ----------
  (1)<BVR 2014-10-03/06, art. 7, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 11, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (3)<BVR 2017-12-15/20, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 3.8.[1 De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met de lijnmanager.
   De selector sluit, in overleg met de lijnmanager, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.
   De selector beoordeelt, in overleg met de lijnmanager, de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeftes van de (sub)entiteit.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie wordt meegedeeld aan de kandidaten.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 12, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 3.9.[1 De selector stelt per selectie, in overleg met de lijnmanager, een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden voldaan moet zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook :
   1° een mogelijke voorselectie, naargelang het aantal kandidaten;
   2° een mogelijke beperkte procedure;
   3° de samenstelling van de jury, waarvan de lijnmanager bij interne selectietesten minstens deel uitmaakt;
   4° de regels voor de rangschikking;
   5° de geldigheidsduur van de reserve;
   6° het verlies en het behoud van een plaats in de reserve;
   7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de invulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.
   Met toepassing van artikel III 3, § 2, van dit besluit vermeldt het selectiereglement dat ook kandidaten zonder de diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen, vermeld in het selectiereglement, kunnen kandideren en, in voorkomend geval, welk ander bewijsstuk kandidaten moeten voorleggen om toegang te krijgen tot de selectieprocedure.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 13, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 3.10.[1 De lijnmanager kiest uit de geschikte kandidaten de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of hij kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en).
   De betrokken lijnmanagers kunnen in onderling akkoord de duur verlengen van een reserve die voor één of meer entiteiten, raden of instelling werd aangelegd. De lijnmanager van het Agentschap Overheidspersoneel kan de duur verlengen van een reserve die voor alle diensten van de Vlaamse overheid is aangelegd.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 14, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK III. - De proeftijd, evaluatie in de proeftijd en gevolgen.

  Art. 3.11. De benoemende overheid laat na controle van de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden, de geslaagde voor een vergelijkende selectie bedoeld in artikel III 2, 2°, die door de lijnmanager gekozen werd, toe tot een proeftijd in zijn graad/functie, en geeft deze een dienstaanwijzing bij de betrokken entiteit, raad of instelling.
  (Tweede lid opgeheven) <BVR 2007-03-16/55, art. 21, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 3.12.§ 1. De ambtenaar legt de eed af in handen van de [1 lijnmanager]1 wanneer hij tot de proeftijd toegelaten wordt.
  § 2. Indien de ambtenaar weigert de eed af te leggen is zijn toelating tot de proeftijd van rechtswege nietig.
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 15, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 3.13.Tijdens de proeftijd kan de ambtenaar onder bepaalde voorwaarden, slechts eenmaal een andere dienstaanwijzing krijgen binnen het beleidsdomein, de strategische adviesraad of het Gemeenschapsonderwijs, of [eenmaal] [1 overgeplaatst worden]1 via de horizontale mobiliteit voor dezelfde functie, door of in akkoord met de betrokken lijnmanager(s). <BVR 2007-03-16/55, art. 22, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  Na deze wijziging van dienstaanwijzing [2 of na deze overplaatsing via de horizontale mobiliteit]2 begint eenmalig een nieuwe proeftijd.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 15, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2018-04-20/03, art. 12, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 3.14. De ambtenaar op proef is onderworpen aan de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten, tuchtregeling, administratieve toestanden, geldelijk statuut, verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en definitieve ambtsneerlegging, inzonderheid vrijwillig ontslag en pensionering, van de vaste ambtenaar.

  Art. 3.15.[1 § 1. De lijnmanager bepaalt de duur van de proeftijd, als volgt:
   - niveau D: 4 maanden;
   - niveau C en B: minimaal 4 en maximaal 9 maanden;
   - niveau A: minimaal 6 en maximaal 12 maanden.
   Eén maand proeftijd stemt hierbij overeen met de prestatie van eenentwintig voltijdse of deeltijdse werkdagen.
   Voor de bepaling van het aantal gepresteerde werkdagen worden eveneens meegerekend:
   - de wettelijke en decretale feestdagen, 2 en 15 november, 26 december, en de vakantiedagen tussen kerstmis en nieuwjaar vermeld in artikel X 11, § 2, eerste lid van dit besluit;
   - de inhaalrust vermeld in artikel VII 28 van dit besluit;
   - de dienstvrijstellingen.
   § 2.De ambtenaar op proef behoudt de hoedanigheid van ambtenaar op proef zolang het aantal werkdagen dat overeenstemt met het aantal maanden proeftijd niet gepresteerd is.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 5, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 3.16.<BVR 2007-03-16/55, art. 24, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De lijnmanager bepaalt bij de aanvang van de proeftijd de inhoud van het programma en de evaluatiecriteria van de proeftijd in overleg met de functiehouder, de begeleider en de personeelsfunctie.
  Voor specifieke personeelscategorieën kan het programma van de proeftijd tevens voorzien in het slagen voor een [1 competentieproef]1 en/of het afleggen van praktische proeven.
  [2 § 2. [4 Ten minste op het einde van de proeftijd wordt een evaluatiegesprek gehouden. Het evaluatiegesprek wordt vastgelegd in een verslag dat de evaluatoren opstellen. De geëvalueerde kan binnen vijftien kalenderdagen opmerkingen toevoegen aan het definitieve evaluatieverslag. Artikel IV 3, IV 4, IV 5 § 1, eerste lid, en § 2, en artikel IV 6 zijn van toepassing op de evaluatie van het personeelslid.
   Het eindevaluatiegesprek van de proeftijd wordt uiterlijk gehouden binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, berekend conform artikel III 15.
   Als het eindevaluatiegesprek niet plaatsvindt binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef. In afwijking daarvan wordt bij afwezigheid van het personeelslid de schriftelijke evaluatie, vermeld in artikel IV 4 en IV 5, § 1, eerste lid, opgestart binnen dertig kalenderdagen na het einde van de proeftijd, zo niet wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.
   Het eindevaluatieverslag wordt aan het personeelslid en aan de benoemende of indienstnemende overheid betekend binnen dertig kalenderdagen na het evaluatiegesprek of binnen zestig kalenderdagen nadat de schriftelijke evaluatie is opgestart. Als het eindevaluatieverslag niet binnen die termijnen wordt betekend aan de ambtenaar op proef, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.]4
   § 3. Na de minimumduur van de proeftijd voor niveau A, B en C kunnen de evaluatoren na elk evaluatiegesprek beslissen dat de proeftijd van de ambtenaar op proef wordt beëindigd. Dat gesprek geldt als eindevaluatiegesprek van de proeftijd. [4 Bij afwezigheid van het te evalueren personeelslid is de procedure, vermeld in paragraaf 2, van overeenkomstige toepassing.]4
   § 4. [3 De negatieve eindevaluatie van de proefperiode heeft het ontslag van de ambtenaar op proef tot gevolg.]3 Een positieve eindevaluatie heeft de vaste benoeming van de ambtenaar op proef tot gevolg.
   § 5. Een negatieve eindevaluatie van de proefperiode heeft het ontslag van het contractuele personeelslid tot gevolg.
   § 6. [4 ...]4
   § 7. [4 ...]4
   § 8. [3 ...]3
   § 9. [3 ...]3]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 17, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (3)<BVR 2019-04-26/35, art. 4, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  (4)<BVR 2019-09-06/08, art. 4, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 3.17.[1 Tot de dag waarop het ontslag of de vaste benoeming ingaat]1, behoudt de ambtenaar op proef deze hoedanigheid.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 18, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 3.18.[1 De benoemende overheid betekent de beslissing tot ontslag of tot vaste benoeming aan de ambtenaar en de indienstnemende overheid betekent de beslissing tot ontslag aan het contractueel personeelslid.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 19, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 3.19.[1 Het ontslag van de ambtenaar op proef gaat in de eerste werkdag die volgt op [3 ...]3 de beslissing tot ontslag. Met ingang van die dag]1 [wordt met de ambtenaar op proef een arbeidsovereenkomst afgesloten voor een bepaalde duur van drie maanden.] <BVR 2007-03-16/55, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  Wanneer de bijdragen ingehouden op de arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden niet volstaan, stort de werkgever bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de nog ontbrekende werkgevers- en werknemersbijdragen voor de opname van de ambtenaar op proef in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsverzekering.
  [2 De regeling vermeld, in het eerste lid, is niet van toepassing op :
   1° een ontslagen ambtenaar op proef van wie de arbeidsovereenkomst is geschorst voor de duur van de statutaire proeftijd als de resterende duur van de arbeidsovereenkomst na het ontslag als ambtenaar op proef minstens drie maanden bedraagt;
   2° een ontslagen ambtenaar op proef die teruggeplaatst wordt in zijn vorige graad na definitieve beslissing van de benoemende overheid.]2
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 20, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 16, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (3)<BVR 2019-04-26/35, art. 5, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 3.20. § 1. De ambtenaar die tijdens de proeftijd een zware fout begaat, wordt ontslagen zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding.
  § 2. Het ontslag wegens een zware fout zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding wordt door de benoemende overheid gegeven binnen de drie werkdagen na kennisname van het feit dat als zware fout wordt beschouwd.
  § 3. Voorafgaand aan de ontslagbeslissing hoort de benoemende overheid, samen met de functionele chef, de ambtenaar, die zich kan laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
  § 4. De werkgever stort voor de ambtenaar die wegens een zware fout wordt ontslagen, bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen nodig voor hun opname in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering (sector uitkeringen) en de moederschapsbescherming.

  HOOFDSTUK IV. - Benoeming tot ambtenaar.

  Art. 3.21.Tot ambtenaar bij de diensten van de Vlaamse overheid kan enkel worden benoemd wie aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° [2 1° de toelatingsvoorwaarden vervullen en aan de aanwervingsvoorwaarden die voor de functie zijn vastgesteld, voldaan hebben]2;
  2° met goed gevolg de proeftijd doorlopen hebben;
  3° [2 ...]2
  [1 4° de ambtenaar op proef die bij het uitoefenen van zijn functie wordt tewerkgesteld in de onmiddellijke nabijheid van de kanalen, moet het bewijs leveren dat hij kan zwemmen]1
  ----------
  (1)<BVR 2007-12-14/44, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 03-02-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 21, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  HOOFDSTUK IVbis.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 17, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 3.21bis.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 17, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.

  Art. 3.21ter.[1 [4 "Het Agentschap Overheidspersoneel"]4[3 ...]3 begeleidt de selector, vermeld in [2 artikel III 6, § 3]2 , zolang hiervoor geen vrije keuze van selector bestaat.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2008-05-23/44, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-01-09/35, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-02-2009>
  (3)<BVR 2009-05-29/42, art. 22, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (4)<BVR 2015-07-03/11, art. 5, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>

  Art. 3.22.[1 Wie meedingt naar een betrekking via externe aanwerving, wordt, voor zover hij op 30 juni 2016 vrijgesteld was van het generieke gedeelte bij aanwerving, niet meer getest voor de competenties waarvoor hij vrijgesteld is. De voormelde vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van het generieke gedeelte.
   Volgende personen zijn op 30 juni 2016 onbeperkt vrijgesteld van het generieke gedeelte :
   1° personen die behoren tot de wervingsreserve van een vergelijkend aanwervingsexamen waarvan de geldigheidsduur bij de inwerkingtreding van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 nog niet was verstreken;
   2° personen die slaagden voor een vergelijkend aanwervingsexamen waarvan de procedure na de inwerkingtreding van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 nog niet was afgerond;
   3° personen die wat betreft de generieke competenties voor de graad in kwestie geschikt werden bevonden na de inwerkingtreding van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 en voor 31 december 2011.
   Volgende personen zijn op 30 juni 2016 voor de resterende duur van de periode van zeven jaar vrijgesteld van het generieke gedeelte :
   personen die wat betreft de generieke competenties voor de graad in kwestie al geschikt werden bevonden in het kader van een statutaire of contractuele aanwervingsprocedure met algemene oproep zoals vermeld in artikel III 7, als die procedure werd aangevat ten vroegste vanaf de inwerkingtreding van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 en voor 1 juli 2016.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 18, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 3.23.
  <Opgeheven bij BVR 2019-09-06/08, art. 5, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 3.24.
  <Opgeheven bij BVR 2018-04-20/03, art. 13, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 3.25.
  <Opgeheven bij BVR 2019-09-06/08, art. 5, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 3.26.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 3.27.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 31; Inwerkingtreding : 16-03-2007> In afwijking van artikel III 9, eerste lid, stelt de lijnmanager van het [1 Agentschap Overheidspersoneel]1, in overleg met het lijnmanagement, voor de statutaire wervingen in de ministeries per selectie of selectiegroep een selectiereglement vast zolang hiervoor geen vrije keuze van selector bestaat.
  ----------
  (1)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>

  Art. 3.28.
  <Opgeheven bij BVR 2012-09-21/06, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 3.29. [1 De beperking van de mogelijkheid tot verlenging van de arbeidsovereenkomst met maximaal één jaar, vermeld in art. III 2, 2°, tweede streepje, geldt niet voor contractuele personeelsleden die vóór 1 mei 2011 in dienst werden genomen voor een tijdelijke en uitzonderlijke personeelsbehoefte met een arbeidsovereenkomst van maximaal één jaar en uitzonderlijk verlengbaar.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-04-29/08, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 01-05-2011>

  Art. 3.30. [1 De selectiereglementen bedoeld in artikel III 9, derde lid, worden gedurende de periode van 1 oktober 2012 tot 31 december 2014 onderhandeld in het Sectorcomité XVIII.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-09-21/06, art. 6, 022; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 3.31.[1 Contractuele selecties die aan de voorwaarden, vermeld in deel III, hoofdstuk II voldoen, en die tussen 1 januari 2006 en 31 oktober 2014 op de website van de VDAB en/of op de website van Jobpunt Vlaanderen gepubliceerd werden, worden gelijkgesteld met een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking.]1
  [2 Voor de contractuele personeelsleden die vóór hun indiensttreding of overheveling geslaagd zijn voor een selectie bij een andere overheid geldt dat contractuele selecties die aan de voorwaarden, vermeld in deel III, hoofdstuk II voldoen, en die vanaf 1 januari 2006 op de website van Selor, de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten, de VDAB of Jobpunt Vlaanderen gepubliceerd werden, gelijkgesteld worden met een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 19, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2017-12-15/20, art. 2, 041; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 3.32. [1 Voor statutaire proeftijden die aanvingen vóór 1 juli 2016 blijven de bepalingen die golden bij de aanvang van de statutaire proeftijd van kracht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 19, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  Art. 3.33. [1 De bepalingen inzake de raad van beroep die golden voor 1 juni 2019 blijven van toepassing op de statutaire proeftijden die zijn aangevat voor 1 juni 2019.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-04-26/35, art. 6, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  

  DEEL IV. - DE EVALUATIE IN DE LOOPBAAN.

  HOOFDSTUK I. - Basisprincipes van de evaluatie.

  Art. 4.1.§ 1. Onverminderd de evaluatie tijdens of na de proeftijd wordt elk personeelslid dat in de loop van een kalenderjaar gedurende ten minste drie maanden prestaties heeft geleverd, met betrekking tot deze prestaties en de wijze waarop ze geleverd werden, geëvalueerd.
  § 2. De evaluatie heeft betrekking op één kalenderjaar. Evenwel kan in onderling akkoord tussen geëvalueerde en evaluatoren de periode waarover geëvalueerd wordt op maximum 15 maanden worden gebracht.
  § 3. Onverminderd de voorwaarde van ten minste drie maanden prestaties in een kalenderjaar [1 kan het personeelslid dat vrijwillig uit dienst treedt of op rust gesteld wordt in de loop van dat jaar, met zijn akkoord nog geëvalueerd worden vóór zijn uitdiensttreding of opruststelling]1.
  [2 § 4. Het personeelslid kan na de zesde maand die volgt op de kennisgeving van het evaluatieverslag aan het personeelslid worden geëvalueerd met betrekking tot de prestaties en de wijze waarop de prestaties werden geleverd, op voorwaarde dat:
   1° het evaluatieverslag dat betrekking had op de vorige evaluatie de einduitspraak onvoldoende bevatte;
   2° het personeelslid tijdens de periode die het voorwerp is van de evaluatie gedurende minimaal drie maanden prestaties heeft geleverd. Verloven die zich tijdens deze periode voordoen, schorten deze periode op zolang het personeelslid nog geen drie maanden effectief heeft gepresteerd;
   3° de evaluatoren die gebruik willen maken van de evaluatiemogelijkheid vermeld in het eerste lid, dit naar aanleiding van de kennisgeving van het evaluatieverslag aan het personeelslid meedelen.
   Als de evaluatie na zes maanden niet werd besloten met een onvoldoende, dan worden de prestaties van het personeelslid en de wijze waarop deze werden geleverd de eerstvolgende keer geëvalueerd bij het begin van het volgende kalenderjaar.]2
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 26, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2019-04-26/35, art. 7, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 4.2. De evaluatie gebeurt door een gesprek en een verslag waaraan een tegensprekelijke procedure is gekoppeld, zoals bepaald in dit deel.
  De lijnmanager kan beslissen dat in de evaluatie van personeelsleden rekening gehouden wordt met de informatie van categorieën personeelsleden aan wie ze leidinggeven of met wie ze samenwerken.

  Art. 4.3. De personeelsleden worden geëvalueerd door ten minste twee functionele chefs, tenzij een afwijking functioneel noodzakelijk is. Tenminste één evaluator is een ambtenaar van een hogere rang of van dezelfde rang met een hogere trap in de functionele loopbaan, dan de geëvalueerde.
  De beleidsraad, de strategische adviesraad of het hoogste collectief orgaan in het Gemeenschapsonderwijs bepaalt de evaluatielijnen voor specifieke gevallen waar de algemene regel niet toepasbaar is.
  De evaluatoren worden op hun beurt geëvalueerd op hun wijze van evalueren.

  HOOFDSTUK II. - De procedure.

  Art. 4.4.De evaluatie gebeurt na een gesprek tussen de geëvalueerde en ten minste één evaluator. [1 Het gesprek kan plaatsvinden in de laatste maand van de periode waarover geëvalueerd wordt. De tijdsspanne tussen twee jaarlijkse evaluatiegesprekken moet minstens tien kalendermaanden bedragen.]1
  Op verzoek van de geëvalueerde of een evaluator gebeurt het evaluatiegesprek met twee evaluatoren.
  Indien de geëvalueerde afwezig is tijdens de evaluatieperiode, gebeurt de evaluatie indien mogelijk mondeling of anders schriftelijk. [2 Bij een schriftelijke evaluatie maakt een van de evaluatoren een ontwerp van evaluatieverslag op en stuurt dat naar het personeelslid. Het personeelslid kan gedurende vijftien kalenderdagen opmerkingen bezorgen aan de evaluatoren. Het ontwerpverslag bevat in voorkomend geval het voorstel van de einduitspraak "loopbaanvertraging" of "onvoldoende".]2
  Indien de geëvalueerde van niveau D hier schriftelijk om vraagt, wordt het evaluatiegesprek gevoerd in aanwezigheid van een waarnemer van zijn keuze.
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 20, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<BVR 2019-09-06/08, art. 6, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 4.5.§ 1. [3 De evaluatoren leggen de evaluatie vast in een definitief opgesteld verslag in een van de volgende gevallen:
   1° na het evaluatiegesprek;
   2° nadat ze bij een schriftelijke evaluatie de opmerkingen hebben ontvangen van het personeelslid bij het ontwerp van evaluatieverslag;
   3° nadat de vijftien kalenderdagen, vermeld in artikel IV 4, derde lid, zijn verstreken als het personeelslid geen opmerkingen heeft geformuleerd bij het ontwerp van evaluatieverslag.
   Het definitieve verslag bevat, in voorkomend geval, de einduitspraak "loopbaanvertraging" of "onvoldoende", die loopbaangevolgen heeft conform dit besluit. Het definitieve evaluatieverslag wordt bezorgd aan de geëvalueerde binnen drie maanden nadat de periode verstreken is waarover geëvalueerd wordt.]3
  § 2. Indien de twee evaluatoren geen consensus bereiken, bezorgen zij tezelfdertijd de aparte verslagen aan de geëvalueerde.
  De evaluatie van de hoogste functionele chef is doorslaggevend of, bij gelijkheid, van de tweede evaluator.
  § 3. De geëvalueerde kan opmerkingen toevoegen aan het definitieve beschrijvende evaluatieverslag. [1 Het personeelslid bezorgt het evaluatieverslag met zijn eventuele opmerkingen [2 ...]2 terug binnen 15 kalenderdagen na het ontvangen van het evaluatieverslag.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 27, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2019-09-06/08, art. 7, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 4.6.[1 Alle personeelsleden of personen onder wiens functioneel gezag het te evalueren personeelslid prestaties heeft verricht, kunnen gunstige of ongunstige feiten met betrekking tot het presteren van het personeelslid vaststellen.
  [2 Ongunstige feiten worden schriftelijk vastgesteld, indien mogelijk na een gesprek. Het te evalueren personeelslid kan opmerkingen toevoegen aan het document. Het personeelslid bezorgt het document, gebeurlijk met zijn opmerkingen, [3 ...]3 terug binnen de 15 kalenderdagen na het ontvangen van het document.]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 10, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2013-02-01/12, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2013>
  (3)<BVR 2014-02-21/48, art. 7, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 4.7.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 29, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  HOOFDSTUK III. - [1 Beroep tegen de evaluatie onvoldoende of loopbaanvertraging]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 30, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 4.8.§ 1. Onverminderd de regeling voor het top- en middenkader, kan de ambtenaar van wie het evaluatieverslag wordt besloten [2 met de einduitspraak "loopbaanvertraging" of "onvoldoende"]2 daartegen beroep instellen bij de raad van beroep.
  Het beroep wordt ingesteld binnen de 15 kalenderdagen na het bezorgen van het evaluatieverslag [2 aan de geëvalueerde]2.
  § 2. De raad van beroep brengt een gemotiveerd advies uit binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift.
  § 3. Onverminderd artikel I 9, § 1, tweede lid, wordt het dossier vervolgens binnen de 15 kalenderdagen voorgelegd aan de instantie bevoegd voor de definitieve beslissing. Zij beslist binnen de 15 kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad. [1 De instantie die bevoegd is voor de definitieve beslissing, kan de evaluatie " onvoldoende " al dan niet behouden, of kan de evaluatie " onvoldoende " vervangen door een loopbaanvertraging.]1
  [1 § 4. Als de raad van beroep unaniem beslist dat de " onvoldoende " ongegrond is, kan hij aansluitend bij eenparigheid van stemmen beslissen om de evaluatie " onvoldoende " te vervangen door de toekenning van een loopbaanvertraging.]1
  [3 § 5. De in dit artikel vastgestelde termijnen worden opgeschort tussen Kerstmis en Nieuwjaar.]3
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 11, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 31, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 21, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 4.9. Overeenkomstig artikel I 8 bepaalt de beleidsraad, de strategische adviesraad of het Gemeenschapsonderwijs welk collectief orgaan bevoegd is voor de definitieve beslissing inzake de evaluatie (...). <BVR 2007-03-16/55, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK IIIbis. Bijzondere bepaling met betrekking tot de provinciegouverneur. <Ingevoegd bij par BVR 2007-03-16/55, art. 34; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 4.9bis.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 22, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepaling.

  Art. 4.10. Het personeelslid behoudt in de periode tussen de datum van inwerkingtreding van dit besluit en de datum van toekenning van de eerste evaluatie na deze inwerkingtreding, de evaluatie die hem het laatst werd toegekend.

  Art. 4.11.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 32, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  DEEL V. - DE TOP- EN MIDDENKADERFUNCTIES.

  TITEL I. - De management- en projectleiderfuncties van n-niveau en de functie van algemeen directeur.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Art. 5.1. Deze titel regelt de procedure van vacature-invulling en de arbeidsvoorwaarden voor :
  1° de managementfuncties van N-niveau, die aan het hoofd staan van een departement, een IVA of een EVA en het Gemeenschapsonderwijs;
  2° de management- of projectleiderfuncties die door de Vlaamse Regering worden aangeduid als behorende tot het N-niveau;
  3° de functie van algemeen directeur.

  Art. 5.2. De management- en projectleiderfuncties van N-niveau en de functie van algemeen directeur zijn mandaatfuncties met een duur van maximum 6 jaar, die hernieuwbaar zijn volgens de bepalingen van artikel V 15 van dit besluit.

  Art. 5.3.§ 1. [2 De functie van algemeen directeur, vermeld in artikel III.6 en III.9, § 1, van het bestuursdecreet van 7 december 2018, en in artikel 1quater, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, en in de departementen, is een functie die zich organiek en functioneel situeert tussen het N-niveau en het niveau N-1.]2
  De algemeen directeur verleent bijstand aan het hoofd van het agentschap of van het departement die is belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap of van het departement.
  § 2. [1 De functie van algemeen directeur kan alleen worden opgenomen in het personeelsplan van een entiteit, die meer dan 1000 personeelsleden telt.
   In afwijking van het eerste lid, kan de functie van algemeen directeur in uitzonderlijke omstandigheden ook worden opgenomen in het personeelsplan van een entiteit, die wordt uitgebreid of opgericht door fusie van twee of meer entiteiten.]1
  § 3. [1 ...]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-10-03/06, art. 8, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (2)<BVR 2019-05-10/12, art. 63, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  HOOFDSTUK II. - De selectie voor de mandaatfuncties.

  Afdeling 1. - In aanmerking komende kandidaten.

  Art. 5.4.De management- en projectleiderfuncties van N-niveau en de functies van algemeen directeur worden vacant verklaard via een open procedure, waarbij tezelfdertijd interne en externe kandidaten meedingen.
  De oproep wordt tenminste [1 op de website van de VDAB]1 [2 of op de website Werken voor Vlaanderen]2 gepubliceerd. Hij regelt de wijze van kandidaatstelling en bevat een beknopte weergave van de functiebeschrijving en het competentieprofiel, evenals van het salaris respectievelijk de salarisschaal, zoals bepaald in artikel V 12.
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 23, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2019-09-06/08, art. 8, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 5.5.§ 1. Voor de vacature-invulling van de management- en projectleiderfuncties van N-niveau komen enkel de kandidaten in aanmerking die beschikken over een leidinggevende ervaring van minstens 5 jaar, verworven in de laatste 10 jaar, of over 10 jaar [1 relevante beroepservaring]1.
  Voor de vacature-invulling van de functies van algemeen directeur komen enkel de kandidaten in aanmerking die beschikken over een leidinggevende ervaring van minstens 3 jaar, verworven in de laatste 10 jaar, of over 8 jaar [1 relevante beroepservaring]1.
  Voor de berekening van de ervaring bedoeld in het eerste en het tweede lid worden deeltijdse prestaties als voltijds beschouwd.
  Onder leidinggevende ervaring wordt ervaring verstaan inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector.
  § 2. [De kandidaten, vermeld in § 1, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de algemene toelatingsvoorwaarden voor een betrekking in de publieke sector;
  2° ten minste in het bezit zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau A, zoals bepaald in Vlaamse overheidsdienst, met uitzondering van de interne kandidaten die al tot niveau A of een gelijkgesteld niveau behoren.
  [3 ...]3
  [3 § 3. De selector stelt, in overleg met de opdrachtgever, per selectie een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden voldaan moet zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook de mogelijkheid van :
   1° een voorselectie, naargelang het aantal kandidaten;
   2° een beperkte procedure;
   3° de geldigheidsduur van de reserve.
   § 4. De indienstnemende overheid kan, voorafgaand aan de selectie, door toepassing van artikel III 3, § 2, en III 9, van dit besluit, opnemen in de oproep tot kandidaten, vermeld in artikel V 4, dat kandidaten die niet beschikken over de in het selectiereglement vermelde diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen, kunnen worden toegelaten tot de selectieprocedure, en desgevallend, welk ander bewijsstuk de kandidaat moet afleveren om toegang te krijgen tot de selectieprocedure.
   De indienstnemende overheid kan bijzondere aanwervingsvoorwaarden in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en na overleg met de selector, vaststellen.]3
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 12, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2012-09-21/06, art. 7, 022; Inwerkingtreding : 01-10-2012>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 24, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Afdeling 2. - Selectiecriteria en -procedure.

  Art. 5.6.[1 De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met de indienstnemende overheid.
   De Vlaamse Regering bepaalt, op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, een algemeen profiel voor de management- en projectleiderfuncties van N-niveau en de functies van algemeen directeur. De indienstnemende overheid kan dat profiel voor de specifieke vacature aanvullen met bijkomende competenties of andere vereisten.
   De selector sluit, in overleg met de opdrachtgever, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of aan de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.
   De selector beoordeelt de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeften van de entiteit. Bij de beoordeling van de competenties wordt rekening gehouden met een externe potentieelinschatting.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 25, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 5.7.§ 1. De kandidaten worden geselecteerd in functie van de criteria bepaald in de artikelen V 5 en V 6 door of met bemiddeling van [4 "Het Agentschap Overheidspersoneel"]4 [1 ...]1. [2 [4 "Het Agentschap Overheidspersoneel"]4treedt op als selector in het kader van het samenwerkingsprotocol tussen de Vlaamse Regering en Selor betreffende de bemiddeling van Selor voor de statutaire selecties in een Vlaams ministerie.]2 <BVR 2007-03-16/55, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  [5 ...]5
  § 2. Indien voor de toepassing van § 1 beroep gedaan wordt op een selectiebureau, legt de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken het selectiebureau dat voorgedragen wordt door [4 "Het Agentschap Overheidspersoneel" ]4 [1 ...]1] ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse Regering. <BVR 2007-03-16/55, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  § 3.[4 "Het Agentschap Overheidspersoneel"]4[1 ...-1] stelt aan de opdrachtgever een lijst met geschikte kandidaten voor. <BVR 2007-03-16/55, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  [6 § 4. De opdrachtgever houdt een interview met de geschikte kandidaten om na te gaan welke kandidaat het best voldoet aan het competentieprofiel voor de functie. De opdrachtgever wordt bijgestaan door een vertegenwoordiging van de Vlaamse Regering als de Vlaamse Regering de in dienst nemende overheid is.]6
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 33, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2010-01-22/11, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 30-10-2009>
  (3)<BVR 2012-02-03/05, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (4)<BVR 2015-07-03/11, art. 6, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>
  (5)<BVR 2016-06-24/15, art. 26, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (6)<BVR 2018-01-12/08, art. 1, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>

  Art. 5.7bis. [1 In afwijking van artikel V 7, § 1, worden de titularissen van een management- of een projectleidersfunctie van N- niveau en van de functie van algemeen directeur, van wie de laatste jaarlijkse evaluatie is besloten met de waardering dat het prestatieniveau in sommige gevallen boven de verwachting en de norm ligt of een hogere waardering, niet getest op de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de respectieve vacante management- of projectleidersfunctie van N-niveau of de vacante functie van algemeen directeur, waarvoor ze zich kandidaat stellen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-01-12/08, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  

  HOOFDSTUK III. - De aanwijzing en de rechtspositie.

  Art. 5.8.[1 § 1. [2 ...]2
   De opdrachtgever kiest uit de lijst met geschikte kandidaten de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of hij kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en);
   4° het interview.
   § 2. Als de opdrachtgever geen kandidaat uit de lijst kiest, wordt de procedure opnieuw opgestart.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 27, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2018-01-12/08, art. 3, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>

  Art. 5.9.§ 1. [1 Als de geselecteerde kandidaat voor de functie van N-niveau of voor de functie van algemeen directeur extern aangeworven wordt, heeft hij de keuze tussen één van de twee volgende mogelijkheden :
   1° een benoeming bij de diensten van de Vlaamse overheid en vervolgens een aanwijzing in de mandaatfunctie van N-niveau of van algemeen directeur;
   2° een indienstneming met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.]1
  [1 § 1bis. Als hij opteert voor een benoeming bij de diensten van de Vlaamse overheid als vermeld in paragraaf 1, 1°, laat de indienstnemende overheid hem ofwel toe tot een proeftijd in de graad van directeur-generaal en wijst ze hem aan in de mandaatfunctie van N-niveau, ofwel tot een proeftijd in de graad van adjunct-directeur-generaal en wijst ze hem aan in de mandaatfunctie van algemeen directeur. Nadat hij met goed gevolg de proeftijd doorlopen heeft, wordt hij [2 vastbenoemd in de graad van directeur-generaal of in de graad van adjunct-directeur-generaal]2 bij de diensten van de Vlaamse overheid.
  [3 Als de ambtenaar tot de proeftijd wordt toegelaten, legt hij de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister, de voorzitter van de raad van bestuur of de voorzitter van het Auditcomité van de Vlaamse administratie.]3
   De opdrachtgever bepaalt de nadere regelen en evalueert de proeftijd. De proeftijd bedraagt minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden. [4 Artikel III 15, § 1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.]4
   De betrokkene oefent zijn taak uit volgens een arbeidsregeling, die vastgesteld wordt in overeenstemming met de opdrachtgever.
  [2 Bij een negatieve eindevaluatie van de proeftijd heeft de ambtenaar op proef het recht om te worden gehoord door de indienstnemende overheid en kan de betrokkene zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
   Als de ambtenaar op proef wil gebruikmaken van dat recht, vraagt hij schriftelijk om gehoord te worden binnen een termijn van vijftien kalenderdagen, vanaf de dag die volgt op de dag van ontvangst van het eindevaluatieverslag, hetzij aan de minister-president van de Vlaamse Regering, hetzij aan de voorzitter van de raad van bestuur, hetzij aan de voorzitter van de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs.
   Als de indienstnemende overheid de negatieve eindevaluatie van de proeftijd bevestigt, wordt de titularis van de mandaatfunctie van N-niveau of van algemeen directeur ontslagen.
   Voor het ontslag van de ambtenaar op proef is artikel III 19 van toepassing.]2
   § 1ter. Als hij opteert voor een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur als vermeld in paragraaf 1, 2°, neemt de indienstnemende overheid, op voorstel van de opdrachtgever, de geselecteerde kandidaat voor de mandaatfunctie van N-niveau of voor de mandaatfunctie van algemeen directeur in dienst met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
   De arbeidsovereenkomst stelt de arbeidsvoorwaarden vast in overleg tussen de voor de mandaatfunctie geselecteerde kandidaat en de opdrachtgever, op basis van een modelcontract, vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, dat tevens rekening houdt met de bepalingen van dit besluit. De proeftijd bedraagt minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden. [4 Artikel III 15, § 1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.]4
   De betrokkene oefent zijn taak uit volgens een arbeidsregeling, die vastgesteld wordt in overeenstemming met de opdrachtgever.]1
  § 2. [2 Als de geselecteerde kandidaat voor de mandaatfunctie van N-niveau of voor de mandaatfunctie van algemeen directeur al ambtenaar is bij de diensten van de Vlaamse overheid, laat de indienstnemende overheid hem toe ofwel tot een proeftijd in de graad van directeur-generaal en wijst ze hem aan in de mandaatfunctie van N-niveau, ofwel tot een proeftijd in de graad van adjunct-directeur-generaal en wijst ze hem aan in de mandaatfunctie van algemeen directeur.
   De opdrachtgever bepaalt de nadere regelen van de proeftijd en evalueert de proeftijd. De proeftijd bedraagt minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden. [4 Artikel III 15, § 1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.]4
   De betrokkene oefent zijn mandaat uit volgens een arbeidsregeling die is vastgesteld in overeenstemming met de opdrachtgever.
   Nadat de ambtenaar op proef met goed gevolg de proeftijd doorlopen heeft, wordt hij vastbenoemd in de graad van directeur-generaal of in de graad van adjunct-directeur-generaal bij de diensten van de Vlaamse overheid.
   Bij een negatieve eindevaluatie van de proeftijd heeft de ambtenaar op proef het recht om te worden gehoord door de indienstnemende overheid en kan de betrokkene zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
   Als de ambtenaar op proef wil gebruikmaken van dat recht, vraagt hij schriftelijk om gehoord te worden binnen een termijn van vijftien kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de dag van ontvangst van het eindevaluatieverslag, hetzij aan de minister-president van de Vlaamse Regering, hetzij aan de voorzitter van de raad van bestuur, hetzij aan de voorzitter van de Raad voor het Gemeenschapsonderwijs.
   Als de indienstnemende overheid de negatieve eindevaluatie van de proeftijd bevestigt, wordt de titularis van de mandaatfunctie van N-niveau of van algemeen directeur teruggeplaatst in zijn vorige graad.]2
  ----------
  (1)<BVR 2010-01-22/11, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 30-10-2009>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 8, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2014-10-03/06, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (4)<BVR 2016-06-24/15, art. 28, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK IV. - [1 Mobiliteit]1
  ----------
  (1)<Opnieuw opgenomen bij BVR 2012-02-03/05, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 03-02-2012>

  Art. 5.10.[1 In afwijking van de hoofdstukken 2 en 3, kan de indienstnemende overheid vacante management- en projectleiderfuncties van N-niveau of van algemeen directeur invullen door mobiliteit. [4 De indienstnemende overheid bepaalt voor de specifieke vacature bijkomende competenties en/of andere vereisten.]4
   Een vacante management- en projectleiderfunctie van N-niveau of van algemeen directeur wordt bekend gemaakt. [4 ...]4
   De titularissen van een management- en projectleiderfunctie van N-niveau of van algemeen directeur, die beschikken over een evaluatie, die niet met onvoldoende werd besloten, kunnen zich kandidaat stellen naar aanleiding van de bekendmaking van een vacature.
  [4 De opdrachtgever organiseert de selectie.
   De opdrachtgever beoordeelt de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeften van de entiteit.
   De opdrachtgever heeft een interview met de kandidaten over de beleidsvisie ten aanzien van de vacante mandaatfunctie, om na te gaan welke kandidaat het best voldoet aan het competentieprofiel voor de functie.
   De opdrachtgever kiest de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of hij kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van het interview.]4
  [2 Als de geselecteerde kandidaat een contractuele mandaathouder is, heeft hij de keuze tussen de volgende mogelijkheden:
   1° een benoeming bij de diensten van de Vlaamse overheid;
   2° het behoud van zijn arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur .
   Als hij opteert voor een benoeming bij de diensten van de Vlaamse overheid, is artikel V 9, § 1bis, van overeenkomstige toepassing.]2
   De indienstnemende overheid op voorstel van de opdrachtgever wijst de geselecteerde kandidaat [2 die al ambtenaar is bij de diensten van de Vlaamse overheid]2 aan in de mandaatfunctie van N-niveau of in de mandaatfunctie van algemeen directeur.]1
  ----------
  (1)<Opnieuw opgenomen bij BVR 2012-02-03/05, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 03-02-2012>
  (2)<BVR 2014-05-23/18, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<BVR 2014-10-03/06, art. 11, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (4)<BVR 2016-06-24/15, art. 29, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK V. - De arbeidsvoorwaarden.

  Afdeling 1. - Administratieve arbeidsvoorwaarden.

  Art. 5.11.§ 1. [1 De titularissen van een management- of een projectleidersfunctie of de functie van algemeen directeur kunnen alleen de volgende langdurige verloven opnemen :
   1° moederschaprust en opvangverlof;
   2° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, bijstand aan of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid of ouderschapsverlof;
   3° verlof wegens ziekte, arbeidsongeval of beroepsziekte;
   4° [2 ...]2]1
  § 2. [In geval van afwezigheid van de titularis van de management- of projectleiderfunctie van N-niveau, wordt die persoon ambtshalve door de algemeen directeur vervangen.
  Als de entiteit of instelling niet beschikt over een algemeen directeur, beslist de indienstnemende overheid :
  1° ofwel dat ze een vervanger aanwijst onder de afdelingshoofden van de diensten van de Vlaamse overheid;
  2° ofwel dat ze een vervanger aanwijst uit de lijst van geschikte kandidaten voor dezelfde management- of projectleiderfunctie van N-niveau, vermeld in artikel V 7, § 3;
  3° ofwel dat een nieuwe procedure moet worden opgestart voor de vervulling van de management- of projectleiderfunctie van N-niveau. In dit geval kan de indienstnemende overheid in afwijking van artikel V 4 van dit besluit de oproep beperken tot de interne kandidaten.
  [3 4° ofwel dat ze een vervanger aanwijst onder de titularissen van een management- of projectleiderfunctie van N-niveau van de diensten van de Vlaamse overheid;]3
  De indienstneming van de vervanger [3 , vermeld in het tweede lid, 1° tot en met 3°]3 gebeurt hetzij bij vervangingsovereenkomst, hetzij door aanwijzing in het mandaat [2 vermeld in artikel V9, § 1bis, en artikel V9, § 2,]2, van dit besluit voor maximaal de nog lopende duur van het mandaat. [3 De vervanger, vermeld in het tweede lid, 4°, wordt maximaal aangewezen voor de nog lopende duur van het mandaat.]3
  Als een afdelingshoofd als vervanger wordt aangewezen, heeft hij na de beëindiging van de vervanging recht op terugkeer naar zijn mandaat van afdelingshoofd.] <BVR 2007-03-16/55, art. 40, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  § 3. [In geval van afwezigheid van de titularis van de functie van algemeen directeur, beslist de indienstnemende overheid :
  1° ofwel dat ze een vervanger aanwijst onder de afdelingshoofden van de diensten van de Vlaamse overheid;
  2° ofwel dat ze een vervanger aanwijst uit de lijst van geschikte kandidaten voor dezelfde functie van algemeen directeur, vermeld in artikel V 7, § 3;
  3° ofwel dat een nieuwe procedure moet worden opgestart voor de vervulling van de functie van algemeen directeur. In dit geval kan de indienstnemende overheid in afwijking van artikel V 4 de oproep beperken tot de interne kandidaten.
  De indienstneming van de vervanger gebeurt hetzij bij vervangingsovereenkomst, hetzij door aanwijzing in het mandaat [2 vermeld in artikel V9, § 1bis, en artikel V9, § 2,]2 voor maximaal de nog lopende duur van het mandaat.
  Als een afdelingshoofd als vervanger wordt aangewezen, heeft hij na de beëindiging van de vervanging recht op terugkeer naar zijn mandaat van afdelingshoofd.] <BVR 2007-03-16/55, art. 40, 004; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 34, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2010-01-22/11, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 30-10-2009>
  (3)<BVR 2011-04-29/08, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Afdeling 2. - Geldelijke arbeidsvoorwaarden.

  Art. 5.12.[1 § 1. De Vlaamse Regering deelt de management [6 ...]6 functies van het N-niveau in 4 klassen in, op voorstel van een wegingcommissie. [6 De projectleidersfunctie van het N-niveau wordt ingedeeld in klasse A. Voor een indeling in een andere klasse is een weging noodzakelijk.]6
   § 2. De titularis van een management- of projectleiderfunctie van het N-niveau geniet :
  1. een bezoldiging in de salarisschaal A311;
   2. een managementtoelage, die in afwijking van artikel VII 39, § 2, wordt berekend op de som van het jaarsalaris en de mandaattoelage;
   3. een vakantiegeld en een eindejaarstoelage zoals bepaald in deel VII van dit besluit, evenals alle andere toelagen, vergoedingen en sociale voordelen indien zij aan de toekenningvoorwaarden voldoen [4 , met uitzondering van de toelage voor een tijdelijke functieverzwaring, vermeld in artikel VII 44bis]4;
   4. een mandaattoelage waarvan het bedrag volgens de klasse op jaarbasis à 100 % (spilindex 138,01) bedraagt :
   Klasse D 19.840 EUR
   Klasse D 13.420 EUR
   Klasse D 8.780 EUR
   Klasse D 6.280 EUR
  [2 5. [5 [7 ...]7]5 ]2
   § 3. De titularis van een functie van algemeen directeur geniet :
   1. een bezoldiging in de salarisschaal A288;
   2. een managementtoelage, een vakantiegeld en een eindejaarstoelage zoals bepaald in deel VII van dit besluit, evenals alle andere toelagen, vergoedingen en sociale voordelen indien zij aan de toekenningvoorwaarden voldoen [4 , met uitzondering van de toelage voor een tijdelijke functieverzwaring, vermeld in artikel VII 44bis]4;
   3. een mandaattoelage van euro 720 op jaarbasis à 100 %.
   § 4. [3 De vervanger van een N-functie, vermeld in artikel V 11, § 2, eerste lid en tweede lid, 1° tot en met 3°, geniet de bezoldiging en de toelagen, zoals bepaald in paragraaf 2 [8 en heeft recht op het mobiliteitskrediet vermeld in het artikel V 12bis]8 voor zover de vervanging drie maanden of langer duurt.
   De vervanger van een N-functie, vermeld in artikel V 11, § 2, tweede lid, 4°, geniet de mandaattoelage voor de entiteit of het project waarvan hij bijkomend de leiding waarneemt voor zover de vervanging 3 maanden of langer duurt.]3
   § 5. De vervanger van een functie van algemeen directeur, bedoeld in artikel V 11, § 3, geniet de bezoldiging en de toelagen zoals bepaald in § 3 voor zover de vervanging 3 maanden of langer duurt.
   § 6. Wat de toekenning en berekening van salaris, toelagen, vergoedingen en sociale voordelen betreft, is de regeling die vermeld is in deel VII van dit besluit van toepassing.]1
  ----------
  (1)<BVR 2007-07-06/39, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 35, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (3)<BVR 2011-04-29/08, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (4)<BVR 2014-02-21/48, art. 9, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (5)<BVR 2014-05-23/18, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (6)<BVR 2018-01-12/08, art. 4, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  (7)<BVR 2018-01-12/08, art. 5, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  (8)<BVR 2019-04-26/35, art. 8, 049; Inwerkingtreding : 01-04-2018>

  Afdeling 3. [1 - Mobiliteitskrediet]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-01-12/08, art. 6, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  

  Art. 5.12bis.[1 § 1. De titularis van een management- of projectleidersfunctie van N-niveau ontvangt voor zijn persoonlijke verplaatsingen een jaarlijks mobiliteitskrediet van 14.400 euro. De verplaatsingen omvatten zowel het woon-werkverkeer, als dienstverplaatsingen en privé-verplaatsingen met één of meer van de mobiliteitsopties, vermeld in paragraaf 2.
   Het bedrag van 14.400 euro wordt verhoogd tot 21.600 euro indien de titularis van een management- of projectleidersfunctie van N-niveau een elektrisch of plug-in hybride dienstvoertuig (klasse 1) verwerft.
   § 2. De N-functie kan het mobiliteitskrediet, vermeld in paragraaf 1, aanwenden voor één of meer van de volgende mobiliteitsopties:
   1. een dienstwagen;
   2. een abonnement of andere vervoersbewijzen van het openbaar vervoer;
   3. een fietsvergoeding voor gebruik van eigen fiets [2 of eigen speed pedelec.]2;
   4. de aankoop of leasing van een al dan niet elektrische fiets of motor;
   5. een abonnement fietsdelen;
   6. een abonnement autodelen;
   7. een parkingabonnement of parkingkaartjes;
   8. een kilometervergoeding vermeld in § 4.
   Als de N-functie een andere duurzame mobiliteitsoptie kiest, dan de mobiliteitsopties vermeld in het eerste lid, is die keuze onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken.
   § 3. Bij een afwezigheid van meer dan vier maanden zonder onderbreking of bij aanstelling of beëindiging van het mandaat in de loop van het kalenderjaar, wordt het mobiliteitskrediet, vermeld in paragraaf 1 pro rata toegekend.
   § 4. De N-functie die opteert voor een kilometervergoeding voor verplaatsingen met een eigen voertuig, maar in het bezit is van een tankkaart van de werkgever, ontvangt een kilometervergoeding vermeld in artikel VII 80, § 1, verminderd met 20%.
   Bij gebruik van een elektrische of plug-in hybride of benzine/hybride wagen, wordt de vermindering, vermeld in het eerste lid, niet toegepast.
   De kilometervergoeding wordt toegekend als het privé-voertuig beantwoordt aan de overeenstemmende normen voor de ecoscore en de brandstof die gelden voor de aankoop of huur van dienstvoertuigen en die de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken heeft vastgesteld.
   § 5. Op het einde van elk kalenderjaar of bij de beëindiging van het mandaat wordt een afrekening gemaakt van het gebruikte mobiliteitskrediet. Als uit die afrekening blijkt dat het beschikbare mobiliteitskrediet overschreden is, wordt het saldo van de N-functie teruggevorderd.
   § 6. De titularis van een management- of projectleidersfunctie van het N-niveau die opteert voor een mobiliteitsoptie vermeld in paragraaf 2, 2.; 3. of 8. kan geen aanspraak maken op de overeenkomstige voordelen vermeld in de artikelen VII 80, VII 95 en VII 102.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-01-12/08, art. 6, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  (2)<BVR 2019-09-06/08, art. 9, 054; Inwerkingtreding : 01-04-2019>

  HOOFDSTUK VI. - De evaluatie, het einde en de hernieuwing van de functie.

  Art. 5.13.§ 1. [4 Met behoud van de toepassing van hetgeen is bepaald in paragraaf 2, worden de titularis van een management- of projectleiderfunctie van N-niveau en de titularis van de functie van algemeen directeur jaarlijks geëvalueerd over de prestaties en de wijze van functie-uitoefening, in voorkomend geval ter uitvoering van [6 het ondernemingsplan]6.
   Ook de titularis van een management- of projectleidersfunctie van N-niveau en de titularis van de functie van algemeen directeur die in de loop van het evaluatiejaar of tijdens de evaluatieperiode die volgt op het evaluatiejaar, vrijwillig uit dienst treden of op rust gesteld worden [6 of waarvan het mandaat eindigt door de redenen, vermeld in artikel V 14, 2° tot en met 6°]6, worden met hun akkoord nog geëvalueerd over de prestaties en de wijze waarop ze hun functie hebben uitgeoefend, in voorkomend geval ter uitvoering van [6 het ondernemingsplan]6, zowel van het afgelopen evaluatiejaar als, in voorkomend geval, van het lopende evaluatiejaar.
   De evaluatie heeft betrekking op één kalenderjaar. De titularissen, vermeld in het eerste en tweede lid, worden geëvalueerd op voorwaarde dat ze in de loop van het kalenderjaar ten minste drie maanden prestaties hebben geleverd.]4
  [4 § 1bis. De evaluatie, vermeld in paragraaf 1, wordt uitgevoerd door de opdrachtgever, die daarin wordt bijgestaan door [5 "Het Agentschap Overheidspersoneel"]5. [5 "Het Agentschap Overheidspersoneel"]5 laat zich bijstaan door een externe instantie. De Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken, legt de aanstelling van de externe instantie ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse Regering.
   De jaarlijkse evaluatie gebeurt na een gesprek tussen de geëvalueerde en de opdrachtgever. In de evaluatie wordt onder meer rekening gehouden met de informatie van personeelsleden die onder het gezag van de geëvalueerde staan. [7 De opdrachtgever kan in overleg met de externe instantie en de geëvalueerde beslissen dat in de evaluatie ook rekening wordt gehouden met informatie van externe belanghebbenden.]7
   Bij de jaarlijkse evaluatie van de titularis van een management- of projectleidersfunctie van N-niveau in een EVA wordt de raad van bestuur gehoord, tenzij de raad van bestuur evaluator is. Bij de jaarlijkse evaluatie van de algemeen directeur wordt de titularis van de managementfunctie van N-niveau gehoord.
   De evaluatie wordt vastgelegd in een evaluatieverslag, dat wordt bezorgd aan de geëvalueerde binnen drie maanden na het verstrijken van de evaluatieperiode. De geëvalueerde kan opmerkingen toevoegen aan het evaluatieverslag. De geëvalueerde bezorgt het evaluatieverslag met zijn eventuele opmerkingen terug binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van het evaluatieverslag.]4
  [4 § 1ter. Tijdens de evaluatie kunnen geen personen tussenbeide komen die een advies hebben verleend bij de selectieprocedure van de titularis, in voorkomend geval met uitzondering van de opdrachtgever.
   De jaarlijkse evaluatie die eindigt in een uitspraak "onvoldoende" moet door de Vlaamse Regering bekrachtigd worden.
   In afwijking van het tweede lid wordt de jaarlijkse evaluatie die eindigt met de uitspraak "onvoldoende" voor het Gemeenschapsonderwijs bekrachtigd door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.]4
  § 2. [4 Uiterlijk zes maanden voor het einde van het mandaat volgt een [7 mandaatevaluatie]7, met het oog op het opnemen van een volgend mandaat. De Vlaamse Regering, op voorstel van de opdrachtgever en bijgestaan door een externe instantie, voert de [7 mandaatevaluatie]7 uit.]4
  [4 De eindevaluatie gebeurt na een gesprek tussen de geëvalueerde en de opdrachtgever. Er wordt rekening gehouden met de jaarlijkse evaluaties.]4
  [7 Bij de mandaatevaluatie van de titularis van een management- of projectleidersfunctie van N-niveau in een EVA wordt de raad van bestuur gehoord. Bij de mandaatevaluatie van de algemeen directeur wordt de titularis van de managementfunctie van N-niveau gehoord.]7
  De Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken legt de externe instantie bedoeld in het eerste lid ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse Regering.
  [7 § 2bis. In afwijking van paragraaf 2 wordt een vervroegde mandaatevaluatie uitgevoerd binnen een termijn van zes maanden nadat de titularissen van een management- of projectleidersfunctie van N-niveau en van de functie van algemeen directeur een tweede opeenvolgende keer binnen hetzelfde mandaat van zes jaar een jaarlijkse evaluatie hebben gekregen met de waardering dat het prestatieniveau onder de verwachtingen ligt of grotendeels aan de verwachtingen voldoet.]7
  § 3. Bij een evaluatie welke eindigt met een [1 uitspraak]1 "onvoldoende", heeft de titularis het recht om te worden gehoord door de Vlaamse Regering en kan de betrokkene zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
  [3 In afwijking van het eerste lid wordt de titularis van de managementfunctie van N-niveau van het Gemeenschapsonderwijs gehoord door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.]3
  § 4. Wanneer een evaluatie niet resulteert in de [1 uitspraak]1 "onvoldoende" wordt zij geacht positief te zijn.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 36, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (3)<BVR 2009-05-29/42, art. 36, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (4)<BVR 2014-10-03/06, art. 12, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (5)<BVR 2015-07-03/11, art. 7, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>
  (6)<BVR 2017-01-27/13, art. 9, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (7)<BVR 2018-01-12/08, art. 7, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>

  Art. 5.14.De mandaatfunctie eindigt in volgende gevallen :
  1° bij een evaluatie met [1 uitspraak]1 "onvoldoende";
  2° in beginsel na 12 jaar in dezelfde functie, onverminderd artikel V 15;
  3° in onderling overleg met de opdrachtgever;
  4° op vraag van betrokkene zelf;
  5° na de duurtijd van het project, indien dit korter is dan 6 jaar;
  [2 6° bij de afschaffing van de entiteit.]2
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 37, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 13, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>

  Art. 5.15.Wanneer de [3 mandaatevaluatie]3 bedoeld in artikel V 13, § 2 niet resulteert in een [1 einduitspraak]1 "onvoldoende", wordt de titularis van het mandaat in zijn mandaat hernieuwd, zonder opnieuw een beroep te doen op de mededinging, voor een bijkomende en, in beginsel eenmalige, termijn van zes jaar.
  [2 In afwijking van het eerste lid, wordt het mandaat van de titularis, na afloop van het tweede mandaat, voor een eenmalige bijkomende termijn van zes jaar hernieuwd zonder dat opnieuw een beroep op de mededinging wordt gedaan, als de titularis van het mandaat voldoet aan de volgende voorwaarden :
   1° als de [3 mandaatevaluatie]3 vermeld in artikel V 13, § 2, na afloop van het tweede mandaat niet resulteert in een einduitspraak "onvoldoende";
   2° [3 als de titularis van het mandaat tijdens ten minste drie van de vijf laatste evaluaties, waaronder de twee laatste evaluaties, een evaluatie heeft gekregen met de waardering dat het prestatieniveau in sommige gevallen boven de verwachting en de norm ligt ofwel een hogere waardering;]3
   3° als de Vlaamse Regering op voorstel van de opdrachtgever instemt met de door de mandaathouder voorgelegde toekomstvisie met betrekking tot de mandaatfunctie.]2
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 38, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 14, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (3)<BVR 2018-01-12/08, art. 8, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>

  Art. 5.15bis. [1 In afwijking van artikel V 15, eerste lid, beslist de in dienst nemende overheid vóór het einde van het tweede of het derde mandaat over de verlenging van het mandaat van de titularissen van de management- of projectleidersfunctie van N-niveau of van de functie van algemeen directeur tot die titularis de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Die verlenging is beperkt tot maximaal twee jaar.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-01-12/08, art. 9, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  

  Art. 5.16.Aan de bij arbeidsovereenkomst aangeworven titularis van de mandaatfunctie zoals bedoeld in [1 artikel V9, § 1ter,]1 waarvan het mandaat wordt beëindigd en die niet wordt aangeworven in een volgend of in een ander mandaat wordt ontslag verleend met toepassing van de regels van het arbeidsrecht.
  ----------
  (1)<BVR 2010-01-22/11, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 30-10-2009>

  Art. 5.17.[3 § 1.]3 [1 De bij eenzijdige administratieve rechtshandeling aangestelde titularis, vermeld in [2 artikel V 9, § 1bis, eerste lid]2, en [2 artikel V 9, § 2, eerste lid]2 van wie het mandaat wordt beëindigd en die niet wordt aangesteld in een volgend of in een ander mandaat :
   1° wordt uiterlijk binnen één jaar na de schriftelijke kennisgeving van de beëindiging van het mandaat herplaatst in de interne arbeidsmarkt in een passende functie van de terugvalgraad;
   2° geniet de mandaattoelage, vermeld in artikel V12, § 2, 4, als hij de mandaatfunctie verder uitoefent in afwachting van de aanstelling van een nieuwe titularis.]1
  [3 § 2. De regeling van de horizontale mobiliteit, vermeld in artikel V 39bis, is van overeenkomstige toepassing op de titularissen van de terugvalgraad van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal."]3
  ----------
  (1)<BVR 2010-01-22/11, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 30-10-2009>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 10, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 30, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 5.17bis. [1 Als het mandaat van de titularis van een managementfunctie van N-niveau wordt beëindigd door de afschaffing van de entiteit, herplaatst de in dienst nemende overheid de titularis in de interne arbeidsmarkt in een vacante projectleidersfunctie van N-niveau.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-01-12/08, art. 10, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  

  TITEL II. - Statuut van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.

  Art. 5.18. Deze titel regelt de procedure van vacature-invulling en de arbeidsvoorwaarden voor het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, die een functie is van N-niveau en, na externe aanwerving, ingenomen wordt door ambtenaren.

  HOOFDSTUK II. - De selectie.

  Afdeling 1. - In aanmerking komende kandidaten.

  Art. 5.19.De functie van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad wordt vacant verklaard via een open procedure, waarbij tezelfdertijd interne en externe kandidaten meedingen.
  De oproep wordt tenminste [1 op de website van de VDAB]1 [2 of op de website Werken voor Vlaanderen]2 gepubliceerd. Hij regelt de wijze van kandidaatstelling en bevat een beknopte weergave van de functiebeschrijving en het competentieprofiel, evenals de salarisschaal, zoals bepaald in artikel V 29.
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 31, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2019-09-06/08, art. 10, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 5.20.[1 § 1. Om in aanmerking te komen, moeten de kandidaten :
   1° voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden voor een betrekking in de publieke sector;
   2° ten minste in het bezit zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau A, zoals bepaald in Vlaamse overheidsdienst, met uitzondering van de interne kandidaten die al tot niveau A of een gelijkgesteld niveau behoren;
   3° beschikken over een leidinggevende ervaring van minstens vijf jaar, die verworven werd in de laatste tien jaar, of over tien jaar relevante beroepservaring.
   Onder leidinggevende ervaring wordt in het eerste lid, 3°, ervaring verstaan inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de private sector.
   Voor de berekening van de relevante beroepservaring, vermeld in het eerste lid, 3°, worden deeltijdse prestaties als voltijds beschouwd.
   § 2. De selector stelt, in overleg met de strategische adviesraad, per selectie een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden moet voldaan zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook :
   1° een mogelijke voorselectie, naargelang het aantal kandidaten;
   2° een mogelijke beperkte procedure;
   3° de samenstelling van de jury;
   4° de regels voor de rangschikking;
   5° de geldigheidsduur van de reserve;
   6° het verlies en behoud van een plaats in de reserve;
   7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de vervulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.
   § 3. De indienstnemende overheid kan, voorafgaand aan de selectie, door toepassing van artikel III 3, § 2, en III 9, opnemen in de oproep voor kandidaten, vermeld in artikel V 19, dat kandidaten die niet beschikken over de in het selectiereglement vermelde diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen kunnen worden toegelaten tot de selectieprocedure, en desgevallend, welk ander bewijsstuk de kandidaat moet afleveren om toegang te krijgen tot de selectieprocedure.
   De in dienst nemende overheid kan na overleg met de selector, in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, bijzondere aanwervingsvoorwaarden vaststellen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 32, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Afdeling 2. - Selectiecriteria en -procedure.

  Art. 5.21.[1 De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met de indienstnemende overheid.
   De Vlaamse Regering bepaalt, op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, een algemeen profiel voor de functie van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad. De indienstnemende overheid kan dat profiel voor de specifieke vacature aanvullen met bijkomende competenties en/of andere vereisten.
   De selector sluit, in overleg met de strategische adviesraad, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.
   De selector beoordeelt de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeftes van de (sub)entiteit. Bij de beoordeling van de competenties wordt rekening gehouden met een externe potentieelinschatting.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 33, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 5.22.§ 1. [1 De kandidaten worden geselecteerd op basis van de criteria vermeld in artikel V 20 en V 21 door of met bemiddeling van [3 het Agentschap Overheidspersoneel]3.]1
  [4 ...]4
  § 2. Indien voor de toepassing van § 1 beroep gedaan wordt op een selectiebureau legt de Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken het selectiebureau dat voorgedragen wordt door [3 het Agentschap Overheidspersoneel]3 [1 ...]1] ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse Regering. <BVR 2007-03-16/55, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  § 3. [3 Het Agentschap Overheidspersoneel]3[1 ...]1] stelt aan de strategische adviesraad een lijst met geschikte kandidaten voor.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 39, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2012-02-03/05, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (3)<BVR 2015-07-03/11, art. 8, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>
  (4)<BVR 2016-06-24/15, art. 34, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK III. - De aanwijzing en arbeidsvoorwaarden. <BVR 2007-03-16/55, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 5.23.[3 § 1. De strategische adviesraad houdt een interview met de geschikte kandidaten om na te gaan welke kandidaat het best voldoet aan het competentieprofiel voor de functie.
   § 2. De strategische adviesraad kiest uit de lijst met geschikte kandidaten de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of hij kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en);
   4° het interview.
   Als de strategische adviesraad geen kandidaat uit de lijst kiest, wordt de procedure opnieuw opgestart.]3
  § 3. De strategische adviesraad doet [via de functionele minister] een voorstel aan de Vlaamse Regering die, onverminderd afwijkende decretale bepalingen, [1 de geselecteerde kandidaat toelaat tot de proeftijd in de graad van hoofd secretariaatspersoneel strategische adviesraad]1. <BVR 2007-03-16/55, art. 42, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  [1 De ambtenaar legt de eed af in handen van de voorzitter van de strategische adviesraad als hij tot de proeftijd toegelaten wordt.]1
  [1 § 4. De strategische adviesraad bepaalt de nadere regels en evalueert de proeftijd.
   Met behoud van de toepassing van het eerste lid, zijn artikel III 12, § 2, artikel III 14, III 15, III 17, III 18, III 19 en III 20 van toepassing, op voorwaarde dat de volgende aanpassingen doorgevoerd worden :
   1° in artikel III 15, § 1, wordt het woord " lijnmanager " gelezen als " de strategische adviesraad ";
   2° in artikel III 18 en III 20, § 2, worden de woorden " de benoemende overheid " gelezen als " de indienstnemende overheid ";
  3° in artikel III 19 wordt de eerste zin gelezen als volgt :
   " Het ontslag van de ambtenaar op proef gaat in op de eerste werkdag die volgt op de beslissing tot ontslag. ";
   4° in artikel III 20, § 3, worden de woorden " de benoemende overheid " gelezen als " de indienstnemende overheid " en worden de woorden " de functionele chef " gelezen als " de voorzitter van de strategische adviesraad ".
   Bij een negatieve eindevaluatie van de proeftijd heeft de ambtenaar op proef het recht om te worden gehoord door de functioneel bevoegde minister en kan hij zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. De functioneel bevoegde minister stelt een verslag op voor de Vlaamse Regering.
   In afwijking van het derde lid heeft de ambtenaar op proef bij de Vlaamse Onderwijsraad het recht om te worden gehoord door de algemene raad.
   Als de Vlaamse Regering op basis van het verslag van de functioneel bevoegde minister of de algemene raad van de Vlaamse Onderwijsraad de negatieve eindevaluatie van de proeftijd bekrachtigt, wordt de ambtenaar op proef ontslagen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 15, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 35, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 5.24.[1 Met behoud van de toepassing van afwijkende decretale bepalingen benoemt de Vlaamse Regering het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad bij de diensten van de Vlaamse overheid nadat hij met goed gevolg de proeftijd heeft doorlopen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 11, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>

  Art. 5.25. De administratieve en geldelijke arbeidsvoorwaarden zijn gelijk aan deze van de ambtenaar van de diensten van de Vlaamse overheid zoals (...) bepaald in dit besluit (...), onverminderd wat bepaald is in deze titel. <BVR 2007-03-16/55, art. 43, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 5.26. Het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad oefent zijn taak uit volgens een arbeidsregime vastgesteld in overeenstemming met de strategische adviesraad.

  Art. 5.27.[1 De hoofden van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad kunnen alleen de volgende langdurige verloven opnemen :
   1° moederschaprust en opvangverlof;
   2° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, bijstand aan of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid of ouderschapsverlof;
   3° verlof wegens ziekte, arbeidsongeval of beroepsziekte;
   4° verlof om een ambt uit te oefenen bij een kabinet, na goedkeuring door de Vlaamse Regering.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 40, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 5.28. De titularis van de functie of, ingeval van overmacht, de benoemende overheid, duidt bij afwezigheid van de titularis een vervanger aan.
  Wanneer een vervanger moet worden aangeduid, beslist de benoemende overheid, in functie van de duur van de afwezigheid, over de toepassing van de selectieprocedure volgens de bepalingen van dit besluit.
  De indienstneming van deze plaatsvervanger aangewezen volgens de in het vorige lid vermelde procedure gebeurt hetzij bij contract, hetzij door aanstelling in een hoger ambt.

  Art. 5.29.§ 1. De Vlaamse Regering bepaalt bij vacantverklaring van de functie op voorstel van (de functionele minister) de salarisschaal hetzij A285 en na 6 jaar schaalanciënniteit A286, hetzij A286, hetzij A311. <BVR 2007-03-16/55, art. 44, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  De toelagen, vergoedingen en sociale voordelen zijn deze die gelden volgens de bepalingen van dit statuut, voorzover de voorwaarden van toekenning blijven bestaan [2 , met uitzondering van de toelage voor een tijdelijke functieverzwaring, vermeld in artikel VII 44bis]2.
  § 2. [3 ...]3
  [1 § 3. De functionele minister beslist over het persoonlijke gebruik van een dienstwagen in binnen- en buitenland.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 41, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 11, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 36, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK IIIbis. [1 - Horizontale mobiliteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  Art. 5.29bis. [1 In afwijking van hoofdstuk 1 en 2 en van artikel V 23 en V 24, kan de indienstnemende overheid een vacante functie van hoofd van het het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad invullen door mobiliteit. De indienstnemende overheid bepaalt voor de specifieke vacature bijkomende competenties en/of andere vereisten.
   Een vacante functie van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad wordt bekend gemaakt.
   De titularissen van een functie van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, die beschikken over een evaluatie, die niet met onvoldoende werd besloten, kunnen zich kandidaat stellen naar aanleiding van de bekendmaking van een vacature.
   De opdrachtgever organiseert de selectie.
   De opdrachtgever beoordeelt de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeftes van de entiteit.
   De opdrachtgever heeft een interview met de kandidaten over de beleidsvisie ten aanzien van de vacante functie, om na te gaan welke kandidaat het best voldoet aan het competentieprofiel voor de functie.
   De opdrachtgever kiest de voor hem meest geschikte kandidaat voor de functie of kiest uitzonderlijk niet, wanneer hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van het interview.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 37, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  HOOFDSTUK IV. - De evaluatie.

  Art. 5.30.[1 Het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad wordt jaarlijks geëvalueerd over de prestaties en de wijze van functie-uitoefening door de strategische adviesraad, hierin bijgestaan [3 door het Agentschap Overheidspersoneel]3. [3 door het Agentschap Overheidspersoneel]3 laat zich bijstaan door een externe instantie. De Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken legt de aanstelling van de externe instantie ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse Regering.
   Ook het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad die in de loop van het evaluatiejaar of tijdens de evaluatieperiode die volgt op het evaluatiejaar, vrijwillig uit dienst treedt of op rust gesteld wordt, wordt met zijn akkoord nog geëvalueerd over de prestaties en de wijze waarop hij zijn functie heeft uitgeoefend zowel van het afgelopen evaluatiejaar als, in voorkomend geval, van het lopende evaluatiejaar, overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid.]1
  [2 De evaluatie heeft betrekking op één kalenderjaar. De titularis, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt geëvalueerd op voorwaarde dat hij in de loop van het kalenderjaar ten minste drie maanden prestaties heeft geleverd.
   De jaarlijkse evaluatie gebeurt na een gesprek tussen de geëvalueerde en de strategische adviesraad. Voor de evaluatie kan rekening worden gehouden met de informatie van personeelsleden die onder het gezag van de geëvalueerde staan.]2
  [2 De evaluatie wordt vastgelegd in een evaluatieverslag, dat wordt bezorgd aan de geëvalueerde binnen drie maanden na het verstrijken van de evaluatieperiode. De geëvalueerde kan opmerkingen toevoegen aan het evaluatieverslag. De geëvalueerde bezorgt het evaluatieverslag met zijn eventuele opmerkingen terug binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van het evaluatieverslag.]2
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 42, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 16, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (3)<BVR 2015-07-03/11, art. 9, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>

  Art. 5.31.Wanneer de jaarlijkse evaluatie door de strategische adviesraad is geëindigd in een [1 uitspraak]1 "onvoldoende" dient deze bekrachtigd te worden door de Vlaamse Regering. De titularis heeft het recht om te worden gehoord door de Vlaamse Regering en hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.
  [2 In afwijking van het eerste lid wordt de jaarlijkse evaluatie die eindigt met de uitspraak " onvoldoende " voor de algemeen secretaris van de Vlaamse Onderwijsraad bekrachtigd door de Algemene Raad van de Vlaamse Onderwijsraad en heeft de titularis het recht om gehoord te worden door de Algemene Raad van de Vlaamse Onderwijsraad.]2
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 43, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2012-02-03/05, art. 6, 020; Inwerkingtreding : 03-02-2012>

  HOOFDSTUK V. - Einde van de functie.

  Art. 5.32. Er wordt een einde gemaakt aan de aanstelling van het hoofd van het secretariaatspersoneel van de strategische adviesraad in toepassing van de procedure inzake definitieve beroepsongeschiktheid zoals bepaald in artikel XI 8.

  TITEL III. - De rechtspositie voor het middenkader.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Art. 5.33. Deze titel regelt de procedure van vacature-invulling en de arbeidsvoorwaarden voor het middenkader zijnde.
  1° de managementfuncties van N-1 niveau
  2° projectleiderfuncties van N-1 niveau

  Art. 5.34. De management- en projectleiderfuncties van N-1 niveau worden, ook desgevallend na externe aanwerving, ingenomen door ambtenaren, die benoemd zijn in het middenkader in de graad van hoofdadviseur met de rang A2M.

  Art. 5.35.§ 1. Overeenkomstig artikel I 4, § 2 - 2° is een tijdelijke dienstaanwijzing inherent aan deze functies.
  § 2. [De rotatie wordt gerealiseerd via de horizontale mobiliteit van de interne arbeidsmarkt.] <BVR 2007-03-16/55, art. 45, 1°, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  § 3. In afwijking van § 2 kan op voorstel van [de lijnmanager van het [2 Agentschap Overheidspersoneel]2] een N-1 titularis worden toegewezen aan een andere geschikte vacante N-1 functie, los van de procedure van vacantverklaring en mits akkoord van de N-1 en de betrokken N-functies. <BVR 2007-03-16/55, art. 45, 2°, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  [1 § 4. In afwijking van paragraaf 2, is artikel I 5, § 5, van toepassing op de N-1 functies.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 44, 014; Inwerkingtreding : zie BVR 2009-05-29/42, art. 164>
  (2)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>

  HOOFDSTUK II. - De selectie.

  Afdeling 1. - In aanmerking komende kandidaten.

  Art. 5.36.<BVR 2007-03-16/55, art. 46, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. [4 [6 De N-1 functie wordt door het hoofd van de entiteit, raad of instelling vacant verklaard via een open procedure, waarbij terzelfdertijd interne en externe kandidaten meedingen.]6]4
  [5 De oproep voor externe kandidaten wordt ten minste op de website van de VDAB [7 of op de website Werken voor Vlaanderen]7 gepubliceerd.]5
  De oproep regelt de wijze van kandidaatstelling en bevat een beknopte weergave van de functiebeschrijving en het competentieprofiel, alsook de salarisschaal, vermeld in artikel V 43.
  § 2. De kandidaten die in aanmerking komen, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de algemene toelatingsvoorwaarden voor een betrekking in de publieke sector;
  2° ten minste in het bezit zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau A, zoals bepaald in Vlaamse overheidsdienst, met uitzondering van de interne kandidaten die al tot niveau A of een gelijkgesteld niveau behoren;
  3° beschikken over 6 jaar [1 relevante beroepservaring]1 [4 ...]4.
  [5 ...]5
  De [2 benoemende overheid]2 kan bijzondere aanwervingsvoorwaarden in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en na overleg met de selector, vaststellen.
  [5 § 3. Het Agentschap Overheidspersoneel treedt op als selector.
   § 4. De selector stelt, in overleg met het hoofd van de entiteit, raad of instelling, per selectie een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden voldaan moeten zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook :
   1° een mogelijke voorselectie, naargelang het aantal kandidaten;
   2° een mogelijke beperkte procedure;
   3° de samenstelling van de jury;
   4° de regels voor de rangschikking;
   5° de geldigheidsduur van de reserve;
   6° het verlies en behoud van een plaats in de reserve;
   7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de vervulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.
   § 5. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, voorafgaand aan de selectie, met toepassing van artikel III 3, § 2, en III 9, opnemen in de oproep tot kandidaten, vermeld in paragraaf 1, dat kandidaten die niet beschikken over de in het selectiereglement vermelde diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen kunnen worden toegelaten tot de selectieprocedure, en desgevallend, welk ander bewijsstuk de kandidaat moet afleveren om toegang te krijgen tot de selectieprocedure.
   Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan bijzondere aanwervingsvoorwaarden in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en na overleg met de selector, vaststellen.]5
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 12, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2008-05-23/44, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (3)<BVR 2012-09-21/06, art. 9, 022; Inwerkingtreding : 01-10-2012>
  (4)<BVR 2014-02-21/48, art. 12, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (5)<BVR 2016-06-24/15, art. 38, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (6)<BVR 2018-01-12/08, art. 11, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  (7)<BVR 2019-09-06/08, art. 11, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Afdeling 2. - Selectiecriteria en -procedure.

  Art. 5.37.[1 De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met het hoofd van de entiteit, raad of instelling.
   De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, bepaalt een algemeen profiel voor de management- en projectleiderfuncties van N-1 niveau. De lijnmanager kan dat profiel voor de specifieke vacature aanvullen met bijkomende competenties of andere vereisten.
   De selector sluit, in overleg met het hoofd van de entiteit, raad of instelling, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 39, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 5.38.[1 Het managementorgaan van het beleidsdomein waar er een vacature is, beoordeelt, in overleg met de selector, de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeftes van de (sub)entiteit. Bij de beoordeling van de competenties wordt rekening gehouden met een externe potentieelinschatting die georganiseerd wordt door het Agentschap Overheidspersoneel.
   [2 Voor de beoordeling van de competenties en andere vereisten worden het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Onderwijsraad geacht deel uit te maken van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en worden de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen geacht deel uit te maken van het beleidsdomein Omgeving.]2
   In afwijking van het eerste lid kan het managementorgaan van het beleidsdomein die bevoegdheid toewijzen aan het managementorgaan van de entiteit, de raad of de instelling waar de vacature zich bevindt of aan een beleidsdomeinoverschrijdend managementorgaan.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 40, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2019-01-25/26, art. 17, 046; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 5.39.§ 1. [1 [2 Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kiest de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of hij kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en).
   Het hoofd van de entiteit, raad of instelling laat de meest geschikte kandidaat toe tot een proeftijd in de graad van hoofdadviseur en wijst hem aan in de vacantverklaarde managementfunctie van N-1 niveau met als graad afdelingshoofd of projectleider N-1 en als rang A2A.]2
   Inzake de proeftijd zijn artikel III 12, III 14 en III 15 van overeenkomstige toepassing.]1
  § 2. [1 Het hoofd van de entiteit, raad of instelling bepaalt bij de aanvang van de proeftijd de nadere regelen van de proeftijd en evalueert de proeftijd.
   Artikel III 16, § 2 en § 3 zijn van overeenkomstige toepassing.
   Nadat de titularis, vermeld in paragraaf 1, met goed gevolg de proeftijd doorlopen heeft, wordt hij vastbenoemd in de graad van hoofdadviseur, zoals bepaald in artikel V 34 van dit besluit.
   Onder voorbehoud van het negende lid heeft een negatieve eindevaluatie van de proefperiode hetzij het ontslag van de ambtenaar op proef, die extern geworven is hetzij de terugplaatsing in de vorige graad van de ambtenaar op proef, die al ambtenaar was bij de diensten van de Vlaamse overheid, tot gevolg.
   Het eindevaluatieverslag wordt betekend aan de ambtenaar op proef binnen 30 kalenderdagen na het evaluatiegesprek.
   Indien het eindevaluatieverslag niet binnen 30 kalenderdagen wordt betekend aan de ambtenaar op proef, wordt de proeftijd geacht gunstig te zijn voor de ambtenaar op proef.
  [3 ...]3]1
  [1 § 3. Tot de dag waarop hij teruggeplaatst wordt in zijn vorige graad of waarop het ontslag ingaat, behoudt de ambtenaar op proef zijn hoedanigheid.
   § 4. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling betekent de beslissing tot vaste benoeming of tot ontslag of tot terugplaatsing in de vorige graad aan de ambtenaar op proef.
   § 5. Artikel III 19 en III 20 zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 13, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 41, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (3)<BVR 2019-04-26/35, art. 9, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  HOOFDSTUK IIbis. [1 - Horizontale mobiliteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 42, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  Art. 5.39bis. [1 Bij invulling van een N-1 functie via de horizontale mobiliteit zijn artikel V 37 en V 38 niet van toepassing. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling organiseert de selectie en bepaalt voor de specifieke vacature bijkomende competenties en/of andere vereisten. In afwijking van artikel V 36, § 4, stelt het hoofd van de entiteit, raad of instelling een selectiereglement vast.
   De titularissen van een N-1 functie en de titularissen van de functie van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, die beschikken over een evaluatie die niet met onvoldoende is besloten, kunnen zich kandidaat stellen naar aanleiding van de bekendmaking van een vacature.
   Het hoofd van de entiteit, raad of instelling sluit de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement, uit van deelname aan de selectie.
   Het hoofd van de entiteit, raad of instelling houdt een interview met de kandidaten om na te gaan welke kandidaat het best voldoet aan het competentieprofiel voor de functie.
   De ambtenaar wordt overgeplaatst naar de entiteit, raad of instelling van de vacature en behoudt ook de graad waarin hij vastbenoemd is. Het overplaatsingsbesluit vermeldt de termijn waarbinnen het afdelingshoofd of de projectleider N-1 zijn nieuwe functie opneemt.
   In afwijking van het vijfde lid, wordt de titularis van de graad van hoofd secretariaatspersoneel strategische adviesraad, vastbenoemd in de graad van hoofdadviseur en aangesteld als afdelingshoofd of projectleider N-1.
   Bij overgang van de graad van hoofd secretariaatspersoneel strategische adviesraad naar de mandaatgraad van afdelingshoofd of projectleider N-1, wordt de schaalanciënniteit of de periode verworven in de graad van hoofd secretariaatspersoneel strategische adviesraad, aangerekend op de schaalanciënniteit in de mandaatgraad van afdelingshoofd of projectleider N-1 en in de graad van hoofdadviseur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 42, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  Art. 5.39ter. [1 De regeling van de horizontale mobiliteit vermeld in artikel V 39bis, is van overeenkomstige toepassing op de titularis van de terugvalgraad van hoofdadviseur.
   Artikel VI 18, VI 25, VI 26 en VI 27, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 42, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  HOOFDSTUK III. - [1 De arbeidsvoorwaarden]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 14, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 5.40.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 15, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 5.41. De administratieve en geldelijke arbeidsvoorwaarden zijn gelijk aan deze van de ambtenaar van de diensten van de Vlaamse overheid zoals (...) bepaald in dit besluit (...). <BVR 2007-03-16/55, art. 49, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 5.42.§ 1. De houder van een management- of projectleiderfunctie van N-1 niveau oefent zijn taak uit volgens een arbeidsregime vastgesteld in overeenstemming met de lijnmanager, die aan het hoofd staat van de entiteit, raad of instelling.
  [5 ...]5
  § 2. [1 De titularis van een management- of projectleiderfunctie van N-1 niveau kan alleen de volgende langdurige verloven opnemen :
   1° moederschaprust en opvangverlof;
   2° loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen, bijstand aan of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid of ouderschapsverlof;
   3° verlof wegens ziekte of arbeidsongeval of beroepsziekte;
   4° verlof om een ambt uit te oefenen bij een kabinet;
   5° verlof voor een project, dat de Vlaamse Regering heeft goedgekeurd.]1
  § 3. De titularis van de functie of ingeval van overmacht, de lijnmanager van N-niveau, duidt bij afwezigheid een plaatsvervanger aan.
  Wanneer een vervanger moet worden aangeduid beslist de lijnmanager van N-niveau, in functie van de duur van de afwezigheid, over de toepassing van de selectieprocedure volgens de bepalingen van dit besluit. De plaatsvervanger [2 , die al ambtenaar is bij de diensten van de Vlaamse overheid,]2 krijgt een tijdelijke dienstaanwijzing voor de duur van de afwezigheid hetzij in toepassing van artikel V 35, § 3, hetzij na vacantverklaring. [2 De indienstneming van de plaatsvervanger, aangewezen na vacantverklaring op de externe arbeidsmarkt, gebeurt bij vervangingsovereenkomst.]2
  [De plaatsvervanger kan als effectieve titularis van de management- of projectleiderfunctie van N-1 niveau aangewezen worden als die functie definitief vacant wordt.] <BVR 2007-03-16/55, art. 50, 2°, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  [§ 4. In geval van afwezigheid van de titularis van een functie van N-1 niveau, waarvan de duur meer dan drie maanden en minder dan een jaar bedraagt, kan de lijnmanager een waarnemende titularis aanwijzen onder de ambtenaren [6 die met toepassing van artikel V 53 over een vrijstelling beschikken voor de externe potentieelinschatting of de eindbeoordeling van de generieke competenties voor een N-1 functie, of die minder dan zeven jaar geleden geslaagd zijn voor de externe potentieelinschatting voor een N-1 functie]6. Deze aanwijzing kan éénmaal worden verlengd voor een duur van maximaal één jaar.
  De waarnemende titularis beschikt over alle prerogatieven die verbonden zijn aan de functie van N-1 niveau.
  [3 De regeling betreffende de toelage voor tijdelijke functieverzwaring, vermeld in artikel VII 44bis en artikel VII 170, is van toepassing op de waarnemende titularis.]3] <BVR 2006-09-29/39, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 29-09-2006>
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 46, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2011-04-29/08, art. 14, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (3)<BVR 2014-10-03/06, art. 17, 032; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (4)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (5)<BVR 2016-06-24/15, art. 43, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (6)<BVR 2017-01-27/13, art. 10, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 5.43.§ 1. Aan de graad van hoofdadviseur met rang A2M wordt volgende functionele loopbaan verbonden :
  

  
- hoofdadviseurA212
- hoofdadviseur met 10 jaar schaalancienniteitA213


  § 2. Aan de mandaatgraad van afdelingshoofd met rang A2A wordt volgende functionele loopbaan verbonden :
  

  
- afdelingshoofdA285
- afdelingshoofd met 6 jaar schaalancienniteitA286


  § 3. (Aan de mandaatgraad van projectleider met rang A2A wordt de volgende functionele loopbaan verbonden :
  - projectleider N-1 [1 ...]1 : A 285;
  - projectleider N-1 [1 ...]1 met 6 jaar schaalanciënniteit : A 286.) <BVR 2007-03-16/55, art. 51, 1°, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  (§ 4. Bij overgang van de mandaatgraad van afdelingshoofd of projectleider naar de graad van hoofdadviseur wordt de schaalanciënniteit, verworven in het mandaat van afdelingshoofd of projectleider, aangerekend op de schaalanciënniteit in de graad van hoofdadviseur.) <BVR 2007-03-16/55, art. 51, 2°, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  ----------
  (1)<BVR 2013-02-01/12, art. 5, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2013>

  HOOFDSTUK IV. - Evaluatie.

  Art. 5.44.De functiehouder wordt jaarlijks geëvalueerd over de prestaties en de wijze van functie-uitoefening, door zijn lijnmanager en na 6 jaar over een mandaatperiode.
  Inzake de evaluatie zijn de artikelen IV 1, IV 2, IV 3, 2de lid, IV 4, IV 5 § 1 en § 3 [1 en IV 6]1 van toepassing.
  ----------
  (1)<BVR 2018-04-20/03, art. 14, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 5.45. § 1. Bij een uitspraak "onvoldoende" kan de functiehouder beroep instellen bij de raad van beroep binnen de 15 kalenderdagen na het bezorgen van het evaluatieverslag. Het beroep is opschortend.
  § 2. De raad van beroep brengt een gemotiveerd advies uit binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift.
  § 3. Onverminderd artikel I 9, § 1, tweede lid wordt het dossier vervolgens binnen de 15 kalenderdagen voorgelegd aan de functionele minister die binnen de 15 kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep beslist of de uitspraak gehandhaafd wordt.

  HOOFDSTUK V. - Einde van de dienstaanwijzing in een middenkaderfunctie.

  Art. 5.46.<BVR 2007-03-16/55, art. 52, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Onverminderd de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid, vermeld in artikel XI 8, § 1, wordt de dienstaanwijzing in een mandaatgraad van afdelingshoofd en projectleider beëindigd :
  1° bij een onvoldoende;
  2° op verzoek van de betrokkene zelf;
  3° om organisatorische redenen bij afschaffing van de betrekking.
  De dienstaanwijzing in een mandaatgraad van afdelingshoofd en projectleider kan beëindigd worden na telkens 6 jaar.
  [1 § 1bis. De dienstaanwijzing in een mandaatgraad van afdelingshoofd bij de GDPB of een interne dienst Preventie en Bescherming kan in de gevallen, vermeld in § 1, alleen worden beëindigd na akkoord van respectievelijk het Hoog Overlegcomité Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest of het bevoegde overlegcomité of, onverminderd § 1, eveneens worden beëindigd om functionele redenen op verzoek van respectievelijk het Hoog Overlegcomité Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest of het bevoegde overlegcomité.
   Als er geen akkoord bereikt wordt in het Hoog Overlegcomité Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest, wordt de beslissing genomen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.
   Als er geen akkoord bereikt wordt in het bevoegde overlegcomité, wordt de beslissing genomen door de functionele minister voor het IVA met rechtspersoonlijkheid en de raden en door de raad van bestuur voor het EVA en de instelling.]1
  § 2. De dienstaanwijzing in een mandaatgraad van projectleider kan, onverminderd § 1, eveneens beëindigd worden in onderling overleg met de opdrachtgever en na de duurtijd van het project als dat korter is dan 6 jaar.
  § 3. In de overgangsperiode tot een nieuwe passende aanstelling behoudt de titularis in de gevallen van § 1, 3°, en van § 1, tweede lid, gedurende maximaal 12 maanden zijn salaris van de mandaatgraad, ten laste van de entiteit van herkomst.
  In de gevallen vermeld in § 1, 1° en 2°, [1 § 1bis,]1 en § 2 en in de gevallen vermeld in § 1, 3°, en § 1, tweede lid vanaf de 13de maand, indien binnen de 12 maanden geen andere mandaatfunctie gevonden wordt, wordt de titularis bezoldigd binnen het middenkader in de graad van hoofdadviseur overeenkomstig artikel V 43, § 1.
  § 4. Op verzoek van de betrokkene zelf kan een einde gesteld worden aan het behoren tot het middenkader via een herplaatsing in een passende functie binnen de diensten van de Vlaamse overheid.
  [2 Op zijn verzoek kan de titularis van de graad van hoofdadviseur worden herplaatst in een betrekking van dezelfde graad binnen de diensten van de Vlaamse overheid.]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 17, 010; Inwerkingtreding : onbepaald (op de datum van inwerkingtreding van het besluit houdende aanwijzing als afdelingshoofd van de GDPB)>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 44, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  TITEL IV. - Gemeenschappelijke bepaling.

  Art. 5.47.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 45, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  TITEL V. - Overgangs- en opheffingsbepalingen.

  HOOFDSTUK I. - De management- en projectleiderfuncties van N-niveau en de functie van algemeen directeur.

  Art. 5.48.[1 Wie meedingt naar een management- of projectleidersfunctie van N-niveau of een functie van algemeen directeur wordt, als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van selectietesten voor diezelfde management- of projectleidersfunctie van N-niveau of voor diezelfde functie van algemeen directeur, niet getest voor de gedragscompetenties en de vaktechnische competenties die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor diezelfde functie. De vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van selectietesten voor diezelfde functie, behalve bij een onvoldoende.
   Wie meedingt naar een management- of projectleidersfunctie van N-niveau wordt, als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van selectietesten voor een andere management- of projectleidersfunctie van N-niveau, niet getest voor de competenties waarvoor hij vrijgesteld is. De vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van de selectietesten voor die andere management- of projectleidersfunctie van N-niveau, behalve bij een onvoldoende.
   Wie meedingt naar een functie van algemeen directeur, wordt, voor zover hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van selectietesten voor een management- of projectleidersfunctie van N-niveau of voor een andere functie van algemeen directeur, niet getest voor de competenties waarvoor hij vrijgesteld is. De vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van de selectietesten voor die management- of projectleidersfunctie van N-niveau of voor die andere functie van algemeen directeur, behalve bij een onvoldoende.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 46, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 11, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 5.49.
  <Opgeheven bij BVR 2019-05-10/12, art. 64, 051; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 5.50.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 47, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 5.51.[1 § 1. Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel V 12, behoudt de titularis van :
   1) een management- of projectleiderfunctie van het N-niveau bedoeld in artikel V 9, § 2, die vanuit rang A4 of rang A3 aangewezen wordt, het salaris en de salarisschaal, geldend vóór de aanstelling, evenals de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen die hij vóór de aanstelling genoot in zoverre de voorwaarden van toekenning blijven bestaan en dat aan deze voorwaarden blijft voldaan;
   2) een management- of projectleiderfunctie van het N-niveau bedoeld in [2 artikel V9, § 1ter,]2 die reeds door een arbeidsovereenkomst met de Vlaamse gemeenschap of het Vlaams gewest of een daarvan afhangende instelling verbonden was, de contractuele regeling geldend vóór de aanstelling, evenals de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen die hij vóór de aanstelling genoot in zoverre de voorwaarden van toekenning blijven bestaan en dat aan deze voorwaarden blijft voldaan;
   3) een functie van algemeen directeur hetzij het salaris en de salarisschaal verbonden aan de rang A2L, zijnde A286 en na 6 jaar effectieve prestaties A288, hetzij, in voorkomend geval, het salaris en de salarisschaal welke was verbonden aan de met de functie van adjunct-leidend ambtenaar overeenstemmende graad en welke hem voordien was toegekend; evenals de toelagen, vergoedingen en sociale voordelen die hij vóór de aanstelling genoot in zoverre de voorwaarden van toekenning blijven bestaan en dat aan deze voorwaarden blijft voldaan.
   § 2. De in § 1 bedoelde titularis bekomt deze overgangsregeling indien deze gunstiger is dan de organieke regeling vermeld in artikel V 12.
   § 3. In afwijking van § 2 geniet de titularis bedoeld in § 1, 1), de mandaattoelage bovenop de overgangsregeling.]1
  ----------
  (1)<BVR 2007-07-06/39, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  (2)<BVR 2010-01-22/11, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 30-10-2009>

  Art. 5.51bis.
  <Opgeheven bij BVR 2019-09-06/08, art. 12, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 5.51ter. [1 De ambtenaren die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit titularis zijn van een mandaatfunctie van N-niveau of van een mandaatfunctie van algemeen directeur en die voor hun aanwijzing in die mandaatfunctie geen titularis waren van een graad van rang A4 of rang A3, worden benoemd in de graad van directeur-generaal of adjunct-directeur-generaal.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2010-01-22/11, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 30-10-2009>

  Art. 5.51quater. [1 De indienstnemende overheid kan na 6 jaar het mandaat van de management- en projectleidersfunctie van N-niveau of van de functie van algemeen directeur vacant verklaren, mits akkoord van de contractuele titularis, die aangesteld werd vüür 30 oktober 2009.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-02-03/05, art. 10, 020; Inwerkingtreding : 03-02-2012>

  Art. 5.51quinquies. [1 In afwijking van artikel V 3, § 2, eerste lid, en van artikel V 14, 2°, van dit besluit, blijft de titularis van de uitdovende functie van algemeen directeur, die aangesteld is op de datum van de inwerkingtreding van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 oktober 2014 tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wat betreft de invoering van de functieclassificatie, het topkader en andere bepalingen, zijn mandaat verder uitoefenen, tot dat mandaat wordt beëindigd overeenkomstig artikel V 15, eerste lid.
   In het eerste lid wordt verstaan onder uitdovende functie van algemeen directeur : de functie van algemeen directeur in de entiteit met minder dan 1000 personeelsleden, met uitzondering van de entiteit die wordt uitgebreid of opgericht door fusie van twee of meer entiteiten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-10-03/06, art. 18, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>

  Art. 5.51sexies. [1 De procedures voor de invulling van topkaderfuncties via werving en mobiliteit, die aangevat zijn vóór 1 juli 2016, worden voort gezet overeenkomstig de reglementering die van kracht was bij de aanvang van de procedures.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 47, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  HOOFDSTUK II. [1 - De rechtspositie voor het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 48, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 5.52.[1 Wie meedingt naar een functie van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, wordt, als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van selectietesten voor een management- of projectleidersfunctie van N-niveau, niet getest voor de competenties waarvoor hij vrijgesteld is. De vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van de selectietesten voor die management- of projectleidersfunctie van N-niveau, behalve bij een onvoldoende.
   Wie meedingt naar een functie van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, wordt als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van selectietesten voor een functie van algemeen directeur, niet getest voor de competenties waarvoor hij vrijgesteld is. De vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van de selectietesten voor die functie van algemeen directeur, behalve bij een onvoldoende.
   Wie meedingt naar een functie van hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, wordt, als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van selectietesten voor een andere functie als hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, niet getest voor de competenties waarvoor hij vrijgesteld is. De vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van de selectietesten voor die andere functie als hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, behalve bij een onvoldoende.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 48, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 12, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 5.52bis. [1 De procedures voor de invulling van functies als hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, die aangevat zijn vóór 1 juli 2016, worden voort gezet overeenkomstig de reglementering die van kracht was bij de aanvang van de procedures.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 49, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  Art. 5.52ter. [1 Voor de toepassing van artikel V 12 bis, § 4, derde lid, geldt voor wat betreft normen inzake de ecoscore en de brandstof de reglementering die van toepassing was op het ogenblik van de aankoop of leasing van het privé-voertuig.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-01-12/08, art. 12, 043; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  

  HOOFDSTUK III. - De rechtspositie voor het middenkader.

  Art. 5.53.[1 Wie meedingt naar een middenkaderfunctie, wordt, als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van de externe potentieelinschatting in de selectieprocedure voor een middenkaderfunctie voor de resterende duur van de vrijstelling, vrijgesteld van de externe potentieelinschatting in de selectieprocedure voor een middenkaderfunctie, behalve bij een onvoldoende.
   Wie meedingt naar een middenkaderfunctie, wordt, als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van de eindbeoordeling van de generieke competenties in de selectieprocedure voor een middenkaderfunctie, niet getest voor de competenties waarvoor hij vrijgesteld is. De vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van de eindbeoordeling van de generieke competenties, behalve bij een onvoldoende.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 50, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 13, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 5.54.Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 50, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 5.55.<BVR 2007-03-16/55, art. 56, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De schaalanciënniteit, verworven in het mandaat van afdelingshoofd of projectleider sinds 1 januari 1995, wordt aangerekend op de schaalanciënniteit in de graad van hoofdadviseur en in de mandaatgraad van afdelingshoofd of projectleider zoals bepaald in artikel V 43.
  § 2. In afwijking van artikel V 43 genieten de hoofdadviseur, het afdelingshoofd en de projectleider de salarisregeling [1 die van toepassing is op de datum voorafgaand aan die van de aanstelling]1, als die voordeliger is.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 19, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2006>

  Art. 5.56. Onverminderd artikel V 42, § 2, is de regeling van artikel V 46, § 2, eerste lid, eveneens van toepassing op de afdelingshoofden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit tewerkgesteld zijn bij een andere werkgever of met een andere opdracht belast werden met behoud van hun mandaat overeenkomstig het personeelsstatuut dat op hen van toepassing was vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, en die na beëindiging van hun tewerkstelling bij de andere werkgever of van hun opdracht, terugkeren naar de diensten van de Vlaamse overheid. Zij krijgen bij voorrang een mandaat toegewezen in toepassing van artikel V 35, § 3.

  Art. 5.56bis. [1 Voor de personeelsleden die op 31 december 2015 bij het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie als directielid waren aangewezen, en na 1 januari 2016 worden aangesteld in de graad van afdelingshoofd, wordt de periode als directielid aangerekend op de schaalanciënniteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-03-04/14, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 5.56ter. [1 De lijnmanager van het Agentschap Innoveren en Ondernemen kan de personeelsleden, die bij het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie aangesteld waren als directielid en overgedragen werden naar het Agentschap Innoveren en Ondernemen, tijdelijk belasten met de leiding van een afdeling tot aan de aanstelling van de afdelingshoofden bij dit agentschap.
   De in het eerste lid bedoelde personeelsleden genieten een toelage die gelijk is aan het verschil tussen het salaris dat het betrokken personeelslid zou ontvangen in de salarisschaal A286 en het salaris in de salarisschaal die verbonden is aan zijn graad. Het betrokken personeelslid behoudt deze toelage tot aan de aanstelling van de afdelingshoofden bij dit agentschap.
   Wat de toekenning en berekening van de toelage betreft, is de regeling die vermeld is in deel VII van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-03-04/14, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 5.56quater. [1 De positieve resultaten van de procedure voor directielid bij het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie worden gelijkgesteld met de positieve resultaten van de beoordeling van de generieke competenties voor een management- of projectleiderfunctie van N-1 niveau, als uit de rapporten voor de selectie van directielid blijkt dat er getest werd op dezelfde competenties als opgenomen in het generiek competentieprofiel voor N-1 functies.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-03-04/14, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 5.56quinquies. [1 De procedures voor de invulling van middenkaderfuncties, die aangevat zijn vóór 1 juli 2016, worden voortgezet overeenkomstig de reglementering die van kracht was bij de aanvang van de procedures.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 51, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  Art. 5.56sexies. [1 Voor het personeelslid dat op 31 juli 2016 bij de entiteit Audit Vlaanderen als contractuele manager-auditor was tewerkgesteld, en na 1 augustus 2016 wordt aangesteld in de graad van afdelingshoofd, wordt de periode als contractuele manager-auditor aangerekend op de schaalanciënniteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-04-20/03, art. 15, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  

  Art. 5.56septies.[1 Voor de ambtenaar die op 31 juli 2016 was aangewezen in een IT-mandaat van rang A2A, en na 1 augustus 2016 wordt aangesteld in de graad van afdelingshoofd, wordt de periode als IT-mandaathouder van rang A2A aangerekend op de schaalanciënniteit.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-04-20/03, art. 16, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 5.56octies.
  <Opgeheven bij BVR 2018-04-20/03, art. 17, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 5.56novies. [1 De bepalingen inzake de raad van beroep die golden voor 1 juni 2019 blijven van toepassing op de statutaire proeftijden die zijn aangevat voor 1 juni 2019.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-04-26/35, art. 10, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  

  HOOFDSTUK IV. - Opheffingsbepaling.

  Art. 5.57. Opgeheven wordt voor de entiteiten, raden en instelling die ressorteren onder dit besluit :
  het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 2005 betreffende de aanduiding en uitoefening van de management- en projectleiderfuncties en van de functie van algemeen directeur bij de diensten van de Vlaamse overheid, zoals gewijzigd.

  DEEL VI. - DE ADMINISTRATIEVE LOOPBAAN. <Deel VI, bestaande uit de artikelen 6.1 tot en met 6.13, wordt vervangen door deel VI, bestaande uit de artikelen 6.1 tot en met 6.142, bij BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  TITEL I. - Algemene bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.1.[3 De lijnmanager die beslist om een vacature op het personeelsplan van zijn entiteit, raad of instelling in te vullen kan, met behoud van de toepassing van artikel [4 VI 18, § 2,]4 zijn oproep richten tot de kandidaten uit het betrokken beleidsdomein of uit alle beleidsdomeinen als hij een beroep doet op de interne arbeidsmarkt via :
   1° een bevorderingsprocedure binnen het niveau;
   2° de horizontale mobiliteit;
   3° de aanwijzing in een mandaat;
   4° de procedure van tijdelijke aanstelling.
   Bij keuze voor vacature-invulling via een bevordering binnen het niveau of de horizontale mobiliteit kan de lijnmanager de oproep beperken tot de personeelsleden van zijn entiteit, raad of instelling.]3
  Bij keuze voor vacature-invulling via bevordering door overgang naar een [1 hoger]1 niveau doet de lijnmanager een oproep tot de kandidaten uit alle beleidsdomeinen.
  [5 Voor de toepassing van de interne arbeidsmarkt worden het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Onderwijsraad geacht deel uit te maken van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en worden de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen geacht deel uit te maken van het beleidsdomein Omgeving]5
  ----------
  (1)<AGF 2009-05-29/42, art. 51, 014; En vigueur : 01-04-2009>
  (2)<AGF 2011-04-29/08, art. 15, 017; En vigueur : 29-04-2011>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 52, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (4)<BVR 2017-01-27/13, art. 15, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (5)<BVR 2019-01-25/26, art. 18, 046; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 6.2.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 53, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.3.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 53, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.3bis.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 53, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.3ter. [1 Als een contractueel personeelslid een statutaire functie opneemt na bevordering of overplaatsing via horizontale mobiliteit, geldt de vereiste inzake eedaflegging, vermeld in artikel III 12.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 13, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Art. 6.4. <BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken is gemachtigd om te beslissen over de toepassingsproblemen en gelijkstellingen inzake beleidsdomeinoverschrijdende procedurekwesties.

  TITEL II. - HIERARCHISCHE INDELING DER GRADEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.5.<BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De hiërarchische indeling van de graden omvat 4 niveaus en [1 16]1 rangen. Ze wordt in bijlage 3 vastgesteld.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 23, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.6.[1 De rang situeert een graad binnen zijn niveau. De graad is de titel die de ambtenaar in een rang situeert.
   Elke rang wordt aangeduid met een letter en een cijfer. De letter geeft het niveau aan, het cijfer situeert de rang in zijn niveau.
   De vier niveaus omvatten het volgende aantal rangen :
   1° niveau A : zeven rangen, genummerd A1, A2, A2M, A2E, A2A, A2L en A3;
   2° niveau B : drie rangen, genummerd B1, B2 en B3;
   3° niveau C : drie rangen, genummerd C1, C2 en C3;
   4° niveau D : drie rangen, genummerd D1, D2 en D3.
   Binnen elk niveau worden de rangen genummerd volgens hun plaats in de hiërarchie, waarbij de hoogste rang het hoogste cijfer toegewezen krijgt.
   Binnen niveau A is :
   1° rang A2L hoger dan rang A2A
   2° rang A2A hoger dan rang A2E
   3° rang A2E hoger dan rang A2M
   4° rang A2M hoger dan rang A2.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  TITEL III. - ANCIENNITEIT. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.7. <BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Voor een ambtenaar bestaan volgende administratieve anciënniteiten :
  1° de graadanciënniteit;
  2° de niveauanciënniteit;
  3° de dienstanciënniteit;
  4° de schaalanciënniteit.

  Art. 6.8.<BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De graadanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar bij de overheid heeft gepresteerd in de hoedanigheden van ambtenaar op proef en vastbenoemde, in de graden die door de reglementering in aanmerking worden genomen voor toegang tot een andere graad, of in vergelijkbare graden.
  § 2. De niveauanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar bij de overheid heeft gepresteerd in de hoedanigheden van ambtenaar op proef en vastbenoemde, in een graad van het betreffend niveau, of van een vergelijkbaar niveau.
  § 3. De dienstanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar bij de overheid in om het even welke hoedanigheid heeft gepresteerd.
  § 4. Onder " overheid " moeten in § 1 tot en met § 3 van dit artikel worden begrepen :
  de diensten van de Vlaamse overheid;
  de diensten en instellingen van de Belgische staat;
  de diensten en instellingen van de gemeenschappen en gewesten;
  de diensten en instellingen van de Europese Unie en/of de Europese Economische Ruimte;
  de diensten en instellingen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
  de provincies, gemeenten en OCMW's van België.
  § 5. De schaalanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar bij de diensten van de Vlaamse overheid heeft verricht in de hoedanigheden van ambtenaar op proef en vastbenoemde, in de betrokken salarisschaal.
  De Vlaamse minister bevoegd voor de bestuurszaken beslist of, en (in voorkomend geval) in welke mate, voorgaande prestaties verricht bij de diensten vermeld in § 4 die niet behoren tot de diensten van de Vlaamse overheid in aanmerking komen voor de schaalanciënniteit.

  Art. 6.9.<BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Als " werkelijke diensten " worden beschouwd :
  1° de perioden waarin krachtens dit besluit het salaris wordt doorbetaald, of bij ontstentenis van salaris, de aanspraak of bevordering tot een hoger salaris behouden blijft;
  2° voor de toepassing van artikel VI 8 : de perioden bij de diensten van de Vlaamse overheid en de andere overheden, vermeld in artikel VI 8, § 4.

  Art. 6.10.<BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De graad-, de niveau-, de dienst- en de schaalanciënniteit worden uitgedrukt in jaren en volle kalendermaanden. Ze beginnen op de eerste dag van een maand.
  [1 De gedeelten van maanden worden opgeteld en gevoegd bij het aantal volledige maanden op het moment van de berekening van de nuttige anciënniteit.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-04-20/03, art. 18, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  TITEL IV. - MOBILITEIT. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK 1. - Herplaatsing. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.11.<BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Onder herplaatsing wordt verstaan :
  1° [1 de overplaatsing van een ambtenaar van rang A2E en rang A2 of lager naar een vacante statutaire betrekking van een graad van dezelfde of een lagere rang;]1
  2° [1 de overplaatsing van een contractueel personeelslid met als enige of als beginsalarisschaal een salarisschaal die overeenstemt met rang A2E en rang A2 of lager, naar een vacante contractuele betrekking met dezelfde salarisschaal of geldelijke loopbaan of naar een vacante contractuele betrekking met als enige of als hoogste salarisschaal, een salarisschaal die overeenstemt met een lagere rang.]1
  § 2. Artikel I 5, § 2, is van toepassing op de herplaatsing van contractuelen.
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 19, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.12.<BVR 2007-03-16/55, art. 57, 004; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. [1 De lijnmanager wijst de personeelsleden van zijn entiteit, raad of instelling aan die in aanmerking komen voor herplaatsing [2 na zorgvuldige begeleiding en ondersteuning]2. Die personeelsleden worden aangemeld bij het [2 herplaatsingsbureau]2 van [3 het Agentschap Overheidspersoneel]3.]1
  [2 Het personeelslid kan aan de lijnmanager vragen om aangewezen te worden voor herplaatsing.
   Het herplaatsingsbureau beslist telkens na een ontvankelijkheidstoets of het personeelslid in aanmerking komt voor de herplaatsing. De ontvankelijkheidstoets omvat tenminste:
   - een aanmeldingsgesprek, een intakegesprek en een opvolgingsgesprek;
   - psychotechnische proeven, een interview en een persoonlijkheidsvragenlijst;
   - de opmaak van een rapport.
   Het personeelslid kan enkel herplaatst worden naar een functie in een lagere rang in een van de volgende gevallen:
   1° als het herplaatsingsbureau vaststelt dat het personeelslid niet langer geschikt is om functies uit te oefenen van dezelfde rang en als het personeelslid hiermee akkoord gaat;
   2° om medische redenen.
   De lijnmanager kan een personeelslid, dat afgewezen is voor herplaatsing door het herplaatsingsbureau, na een trajectbegeleiding opnieuw aanmelden bij het herplaatsingsbureau.]2
  § 2. Het personeelslid in herplaatsing behoudt zijn dienstaanwijzing tot hij herplaatst wordt.
  § 3. [2 ...]2
  § 4. De lijnmanager van de entiteit, raad of instelling waar een vacante betrekking is, en het [2 herplaatsingsbureau]2 beslissen gezamenlijk over de geschiktheid van het personeelslid voor de functie. Als verschillende personeelsleden in herplaatsing geschikt zijn, kiest de lijnmanager van de entiteit, raad of instelling waar er een vacante betrekking is op zorgvuldige wijze het meest geschikte personeelslid voor de functie. De gemotiveerde beslissing houdt rekening met de functiebeschrijving van de vacature en met het gewenste profiel.
  § 5. De lijnmanagers van de entiteiten, raden of instelling in kwestie bepalen samen wanneer het personeelslid zijn nieuwe functie moet opnemen.
  § 6. Als de ambtenaar tweemaal een aangeboden betrekking weigert, wordt hij ambtshalve herplaatst naar de eerstvolgende betrekking, die hem wordt aangeboden.
  [2 De regeling, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing in het geval van een herplaatsing naar een functie in een lagere rang.]2
  [4 § 7. Het herplaatsingsbureau kan een lopend herplaatsingstraject stopzetten indien het personeelslid in herplaatsing de aangeboden mogelijkheden niet actief benut.]4
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 20, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2015-07-03/11, art. 12, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>
  (4)<BVR 2016-06-24/15, art. 54, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.13.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 21, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.14.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Het herplaatste personeelslid wordt ingeschakeld in de rechtspositieregeling van het personeel van de entiteit, raad of instelling waarin hij terechtkomt. [3 ...]3
  [3 De ambtenaar wordt benoemd in de nieuwe graad en ingeschaald in de daaraan verbonden salarisschaal op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan van de nieuwe graad. De ambtenaar die wordt herplaatst naar een functie in een lagere rang behoudt echter het salaris dat hij had in zijn salarisschaal van herkomst op het moment van de herplaatsing, tot het moment dat hij in zijn organieke graad een hoger salaris bereikt.
   Het contractuele personeelslid, vermeld in artikel VI 11, § 1, 2°, krijgt een arbeidsovereenkomst met de salarisschaal of de geldelijke loopbaan, verbonden aan de nieuwe betrekking. In geval van een geldelijke loopbaan wordt hij ingeschaald op de overeenkomstige trap. Het contractuele personeelslid dat wordt herplaatst naar een functie in een lagere rang behoudt echter het salaris dat hij had in zijn salarisschaal van herkomst op het moment van de herplaatsing, tot het moment dat hij een hoger salaris bereikt in zijn nieuwe betrekking.]3
  Het personeelslid dat voor zijn herplaatsing geslaagd is voor een examen voor overgang naar een [2 hoger]2 niveau of voor verhoging in graad of voor een vergelijkende [1 competentieproef]1, behoudt de aanspraken die hij door het slagen voor een van die examens of voor die proef heeft verworven.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 54, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (3)<BVR 2014-02-21/48, art. 22, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.15.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 23, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.16. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Het herplaatsingsbesluit wordt ambtshalve ondertekend door de lijnmanagers van de ontvangende en uitsturende entiteiten, raden of instelling.

  Art. 6.17.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Hoofdstuk 1 is niet van toepassing op de ambtenaar op proef, behalve bij herplaatsing om redenen van herstructurering. [1 De ontvangende lijnmanager bepaalt de duur van de proeftijd overeenkomstig deel III, hoofdstuk 3 [2 ...]2.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 56, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 16, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  HOOFDSTUK 2. - Horizontale mobiliteit. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.18.[1 § 1. Onder horizontale mobiliteit wordt verstaan :
   1° de overplaatsing van een ambtenaar van rang A2E en rang A2 of lager naar een statutaire functie van dezelfde of een lagere rang;
   2° de overplaatsing van een contractueel personeelslid, met als enige of als beginsalarisschaal een salarisschaal die overeenstemt met rang A2E en rang A2 of lager, naar een contractuele functie met dezelfde of een lagere rangindicie van de salarisschaal waarin het personeelslid voor de overplaatsing wordt uitbetaald;
   3° de overplaatsing van een contractueel personeelslid met als enige of als beginsalarisschaal een salarisschaal die overeenstemt met rang A2E en rang A2 of lager, naar een statutaire functie met overeenstemmende of gelijkwaardige inhoud van dezelfde rang dan de rangindicie van de salarisschaal waarin het personeelslid voor de overplaatsing wordt uitbetaald.
   Bij overplaatsing naar een functie waarvoor conform bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd, een specifiek diploma vereist is, gelden dezelfde diplomavoorwaarden.
   § 2. Een contractueel personeelslid kan alleen meedingen naar een statutaire functie via horizontale mobiliteit als het geslaagd is voor een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking als vermeld in deel III.
   De bepalingen over de proeftijd, vermeld in deel III, hoofdstuk III, zijn van toepassing op het contractuele personeelslid dat overgeplaatst wordt naar een statutaire functie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 55, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.19. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een vacante betrekking die via de horizontale mobiliteit ingevuld wordt, wordt bekendgemaakt.

  Art. 6.20. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Ieder personeelslid kan zich kandidaat stellen voor een vacante betrekking door een gerichte kandidaatstelling naar aanleiding van een bekendmaking van een vacature.

  Art. 6.21. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een personeelslid komt alleen voor overplaatsing in aanmerking als hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° hij bevindt zich in de administratieve toestand van dienstactiviteit;
  2° hij beantwoordt aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om de vacante functie uit te oefenen.

  Art. 6.22.[1 De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met de lijnmanager.
   De lijnmanager kan bijzondere vereisten in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en na overleg met de selector, vaststellen.
   De selector sluit, in overleg met de lijnmanager, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.
   De selector beoordeelt, in overleg met de lijnmanager, de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeftes van de (sub)entiteit.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie.
   De lijnmanager kiest uit de geschikte kandidaten de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of hij kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en).]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 56, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.23.[1 De selector stelt, in overleg met de lijnmanager, per selectie een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden moet voldaan zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook :
   1° een mogelijke voorselectie, naargelang het aantal kandidaten;
   2° een mogelijke beperkte procedure;
   3° de samenstelling van de jury, waarvan de lijnmanager bij interne selectietesten minstens deel uitmaakt;
   4° de regels voor de rangschikking;
   5° de geldigheidsduur van de reserve;
   6° het verlies en behoud van een plaats in de reserve;
   7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de vervulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 56, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.24. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Het geselecteerde personeelslid moet binnen drie maanden na de selectiebeslissing zijn nieuwe functie opnemen.
  Het geselecteerde personeelslid kan een aangeboden betrekking weigeren.

  Art. 6.25.[1 Het overgeplaatste personeelslid wordt ingeschakeld in de rechtspositieregeling van het personeel van de entiteit, raad of instelling waarin hij terechtkomt.
   Het personeelslid dat voor zijn overplaatsing geslaagd is voor een examen of proef, behoudt de aanspraken die hij door het slagen daarvoor heeft verworven.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 57, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.26.[1 § 1. De ambtenaar wordt benoemd in de graad waartoe de vacante betrekking behoort en ingeschaald in de daaraan verbonden salarisschaal, op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan van de nieuwe graad. Hij behoudt de graadanciënniteit en de schaalanciënniteit, verworven in de laatste graad.
   In afwijking van het eerste lid wordt de schaalanciënniteit bij een benoeming in een graad met een functionele loopbaan van kortere duur dan die van de laatste graad, breuksgewijs herleid pro rata het verschil in schaalanciënniteit voor het bereiken van de volgende trap.
   § 2. Het contractuele personeelslid krijgt een arbeidsovereenkomst met de salarisschaal of met de geldelijke loopbaan die verbonden is aan de nieuwe contractuele functie. De totaliteit van de prestaties in de vorige contractuele functie telt mee voor de bepaling van het salaris of de salarisschaal in de nieuwe contractuele functie.
   Het contractuele personeelslid dat wordt overgeplaatst naar een statutaire functie, wordt benoemd in de graad waartoe de vacante betrekking behoort en ingeschaald in de daaraan verbonden salarisschaal.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 57, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.27.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Het overplaatsingsbesluit wordt ambtshalve ondertekend door de lijnmanagers van de ontvangende en de uitsturende entiteit, raad of instelling.
  Bij overplaatsing van de ambtenaar op proef met het oog op vaste benoeming of op bevordering [2 ...]2 bepaalt de ontvangende lijnmanager de duur van de proeftijd overeenkomstig deel III, hoofdstuk 3 [2 ...]2. [1 Tijdens de proeftijd bij aanwerving en bevordering kan de ambtenaar eenmaal overgeplaatst worden via de horizontale mobiliteit.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 57, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 17, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 6.28.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 58, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.29.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 58, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.30.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 28, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  HOOFDSTUK 2bis. - [1 Externe mobiliteit]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>

  Art. 6.30bis.[1 Dit hoofdstuk bepaalt de nadere regels volgens welke een ambtenaar van een externe overheid [2 of een vastbenoemd personeelslid van de onderwijssector]2 mobiliteit naar de diensten van de Vlaamse overheid kan verkrijgen.
  Het is niet van toepassing op de functies van N-niveau, van algemeen directeur [4 , van N-1 niveau, van preventieadviseur-coördinator en van preventieadviseur.]4
  Ambtenaren komen tijdens hun stageperiode niet in aanmerking voor externe mobiliteit.
  [3 ...]3]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 25, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 59, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (4)<BVR 2018-04-20/03, art. 19, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 6.30ter.[1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° externe mobiliteit : de benoeming van een statutaire ambtenaar van een externe overheid [2 of van een vastbenoemd personeelslid uit de onderwijssector]2 in een vacante betrekking bij een entiteit, raad of instelling door de benoemende overheid, nadat de ambtenaar [2 of het vastbenoemde personeelslid uit de onderwijssector]2 zich daarvoor kandidaat heeft gesteld.
  2° externe overheid :
  a) een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst, alsook de diensten die ervan afhangen, het Ministerie van Landsverdediging of een van de rechtspersonen, vermeld in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
  b) de diensten van de andere gemeenschappen en gewesten, van de colleges van de gemeenschapscommissies en van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen;
  c) [2 de entiteiten en raden die niet behoren tot de diensten van de Vlaamse overheid,[3 ...]3 de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het Algemeen Secretariaat van het Vlaams Parlement en de instellingen die verbonden zijn aan het Vlaams Parlement;]2
  d) de gemeenten, de provincies, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met uitzondering van het ziekenhuis in eigen beheer, vermeld in artikel 218 van het O.C.M.W.-decreet, de autonome gemeentebedrijven, de autonome provinciebedrijven en de O.C.M.W.-verenigingen, met uitzondering van de ziekenhuisverenigingen.]1
  [2 3° onderwijssector:
   a) de instellingen van het gemeenschapsonderwijs, vermeld in artikel 2, § 1 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991;
   b) de instellingen van het gesubsidieerd onderwijs, vermeld in artikel 4, § 1 van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991;
   c) de hogescholen vermeld in [4 artikel II 3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013]4;
   d) de universiteiten vermeld in [4 artikel II 2 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013]4;
   e) de onderwijsinspectie vermeld in artikel 45 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs;
   f) de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken vermeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken.]2
  ----------
  (1)<BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 26, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2018-04-20/03, art. 20,1°, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (4)<BVR 2018-04-20/03, art. 20,2°-3°, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 6.30quater.[1 De lijnmanager kan de oproep beperken tot een of meer van de categorieën, vermeld in artikel [3 ...]3 VI 30ter, 2° [2 en 3°]2 .]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 27, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 60, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.30quinquies.[1 Om externe mobiliteit te verkrijgen moet de ambtenaar van de externe [2 overheid of het vastbenoemde personeelslid van de onderwijssector :]2
  1° de voorwaarden vervullen, vermeld in artikel III 1;
  2° een graad, rang, functie of vakklasse bekleden die door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, als gelijkwaardig wordt erkend met de graad of rang waartoe de vacante betrekking behoort;
  3° beantwoorden aan de vereisten, gesteld door de wetten inzake het taalgebruik in bestuurszaken;
  4° beantwoorden aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om de vacante betrekking uit te oefenen;
  5° beantwoorden aan het functieprofiel van de betrekking.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 28, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.30sexies.[1 De ambtenaar [2 of het vastbenoemde personeelslid van de onderwijssector]2 dient zijn aanvraag voor externe mobiliteit in naar aanleiding van een aanbieding van externe mobiliteit die [3 "het Agentschap Overheidspersoneel]3 heeft bekendgemaakt.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 29, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2015-07-03/11, art. 13, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>

  Art. 6.30septies.[1 De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met de lijnmanager.
   De lijnmanager kan bijzondere vereisten in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en na overleg met de selector, vaststellen.
   De selector sluit, in overleg met de lijnmanager, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.
   De selector beoordeelt, in overleg met de lijnmanager, de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeften van de (sub)entiteit.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 61, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.30octies.[1 § 1. De lijnmanager van de entiteit, raad of instelling waar de betrekking vacant is, kiest uit de geschikte kandidaten de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of hij kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en).
   § 2. De selector stelt, in overleg met de lijnmanager, per selectie een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden moet voldaan zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook :
   1° een mogelijke voorselectie, naargelang het aantal kandidaten;
   2° een mogelijke beperkte procedure;
   3° de samenstelling van de jury, waarvan de lijnmanager bij interne selectietesten minstens deel uitmaakt;
   4° de regels voor de rangschikking;
   5° de geldigheidsduur van de reserve;
   6° het verlies en behoud van een plaats in de reserve;
   7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de vervulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 62, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.30novies.[1 De entiteit, raad of instelling die externe mobiliteit toekent, brengt de kandidaat,[2 het Agentschap Overheidspersoneel]2 de externe overheid waartoe de ambtenaar behoort, daarvan op de hoogte.
  De kandidaat beschikt over een maximale termijn van drie maanden, na de selectiebeslissing, om zijn ambt overeenkomstig de statutaire bepalingen van de externe overheid waar hij benoemd is, op te nemen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>
  (2)<BVR 2015-07-03/11, art. 14, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>

  Art. 6.30decies. [1 In afwijking van artikel III 2, 2°, en met behoud van de toepassing van artikel VI 30undecies leidt externe mobiliteit van rechtswege tot de benoeming van de ambtenaar in de graad, waartoe de vacante betrekking waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld, behoort, zodra hij de eed heeft afgelegd.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>

  Art. 6.30undecies. [1 De lijnmanager van de entiteit, raad of instelling die externe mobiliteit toekent, kan een proeftijd van maximaal drie maanden opleggen. Die termijn is verlengbaar met de duur van de afwezigheden, boven het aantal van tien werkdagen afwezigheid.
  Tijdens de proeftijd kan de ambtenaar op proef of de lijnmanager van de entiteit, raad of instelling die externe mobiliteit toekent, met een opzeggingstermijn van drie dagen, een einde stellen aan de vooropgezette externe mobiliteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>

  Art. 6.30duodecies. [1 § 1. De ambtenaar behoudt de dienst-, niveau- en graadanciënniteit die hij verworven had bij de overheid van herkomst.
  § 2. De ambtenaar wordt bezoldigd in de salarisschaal van de graad van de vacante betrekking aan het bedrag dat overeenstemt met zijn geldelijke anciënniteit.
  § 3. Indien aan de graad een functionele loopbaan is verbonden, dan wordt de ambtenaar ingeschaald op de trap van de functionele loopbaan op basis van de gecumuleerde schaalanciënniteit die hij op datum van de overdracht heeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-07-01/06, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 24-07-2011>

  HOOFDSTUK 3. - Standplaatsbepaling. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.31. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De administratieve standplaats is de gemeente waar het personeelslid hoofdzakelijk zijn ambt uitoefent of een zo centraal mogelijk bepaalde gemeente in zijn ambtsgebied.
  § 2. Voor de personeelsleden met een rang tot en met A2A of met een salarisschaal die overeenstemt met een rang tot en met A2A kan de lijnmanager de standplaats :
  1° vaststellen, als die om dienstredenen niet samenvalt met de gemeente waar de centrale administratie of de buitendienst gevestigd is;
  2° wijzigen.
  § 3. Voor de functies van N-niveau en algemeen directeur wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de indienstnemende overheid.
  § 4. De vaststelling en wijziging van de standplaats gebeurt in overeenstemming met het betrokken contractuele personeelslid.

  TITEL V. - DE BEVORDERING. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK 1. - Definitie en algemene bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.32.[1 [2 ...]2
   Een bevorderingsbetrekking is een statutaire betrekking die overeenkomstig bijlage 4 door bevordering kan worden ingevuld.
   Er zijn twee soorten van bevordering:
   1° de bevordering door verhoging in [3 rang]3 binnen hetzelfde niveau;
   2° de bevordering door overgang naar een hoger niveau.
   Voor het contractuele personeelslid wordt begrepen onder bevordering: de benoeming in een bevorderingsbetrekking met dezelfde, respectievelijk een hogere, niveau-indicie dan die van de salarisschaal waarin het bij de vacantverklaring wordt uitbetaald.
   [2 ...]2]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 31, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<BVR 2018-04-20/03, art. 21, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  (3)<BVR 2019-09-06/08, art. 14, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Art. 6.33.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De lijnmanager verklaart de betrekkingen van [1 rang A2E en rang A2 en lager]1 vacant.
  De vacature wordt bekendgemaakt aan alle [2 personeelsleden]2 die in aanmerking komen.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 32, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 32, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.34.[1 § 1. De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met de lijnmanager.
   De lijnmanager kan bijzondere vereisten in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en na overleg met de selector, vaststellen.
   De selector sluit, in overleg met de lijnmanager, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.
   De selector beoordeelt, in overleg met de lijnmanager, de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeftes van de (sub)entiteit.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie.
   § 2. De selector stelt, in overleg met de lijnmanager, per selectie een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden moet voldaan zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   § 3. Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook :
   1° een mogelijke voorselectie naargelang het aantal kandidaten;
   2° een mogelijke beperkte procedure;
   3° de samenstelling van de jury, waarvan de lijnmanager bij interne selectietesten minstens deel uitmaakt;
   4° de regels voor de rangschikking;
   5° de geldigheidsduur van de reserve;
   6° het verlies en behoud van een plaats in de reserve;
   7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de vervulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.
   § 4. De lijnmanager kiest uit de geschikte kandidaten de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of hij kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en).]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 63, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.35.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> [2 Het personeelslid]2 kan een bevordering weigeren [1 ...]1.
  [1 lid 2 opgeheven]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 65, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 33, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.36.[2 De benoemende overheid laat het geselecteerde personeelslid toe tot de proeftijd en geeft het een dienstaanwijzing bij de betrokken entiteit, raad of instelling uiterlijk binnen drie maanden na de selectiebeslissing.]2
  [2 Het personeelslid kan pas worden bevorderd nadat het met goed gevolg de proeftijd in de bevorderingsbetrekking heeft volbracht. Voor die proeftijd gelden de bepalingen, vermeld in deel III, hoofdstuk III.
   Het personeelslid dat voor de proeftijd als ambtenaar was tewerkgesteld, wordt in geval van een negatieve eindevaluatie van de proeftijd teruggeplaatst in zijn vorige graad na de definitieve beslissing van de benoemende overheid.]2
  [1 Het personeelslid dat]1 op het tijdstip van de bevordering met verlof is, gelijkgesteld met dienstactiviteit, alsook de preventieadviseur-coördinator en de preventieadviseurs mogen respectievelijk het verlof, het mandaat of de opdracht voortzetten tot aan de toegestane einddatum.
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 34, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 64, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.37.[1 Kandidaten voor een bevorderingsbetrekking moeten voldoen aan al de volgende vereisten:
   1. ambtenaar zijn of contractueel personeelslid en geslaagd zijn voor een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking als vermeld in deel III, hoofdstuk 2, van dit besluit;
   2. geen laatste functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met een "onvoldoende";
   3. de vereisten voor de functie op de datum, vermeld in het selectiereglement.
   Om toegelaten te worden tot de proeftijd in de bevorderingsbetrekking moeten de geslaagden van de bevorderingsprocedure voldoen aan al de volgende vereisten:
   1. de vereisten vermeld in artikel VI 39 t.e.m. VI 46;
   2. zich in dienstactiviteit bevinden;
   3. geen ambtenaar op proef of contractueel personeelslid op proef meer zijn.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-04-20/03, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 6.37bis. [1 De regelingen die in deze titel en in bijlage 4 bij dit besluit van toepassing zijn op ambtenaren van een bepaalde rang of niveau, gelden ook voor de contractuele personeelsleden die bij de vacantverklaring van de bevorderingsbetrekking, betaald worden in een salarisschaal met de rangindicie respectievelijk de niveau-indicie die overeenstemt met de rang respectievelijk het niveau in kwestie.
   De vereisten voor schaal-, graad- of niveauanciënniteit in deze titel betreffen voor contractuele personeelsleden de loopbaanduur in een contractuele betrekking van waaruit benoeming in de bevorderingsbetrekking mogelijk is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-21/48, art. 35, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.37ter.[1 [2 Het Agentschap Overheidspersoneel]2 treedt op als selector voor de bevordering naar het hogere niveau en bij de Vlaamse ministeries tevens voor de bevordering binnen het niveau.
   [3 ...]3.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-21/48, art. 35, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<BVR 2015-07-03/11, art. 15, 034; Inwerkingtreding : 01-05-2015>
  (3)<BVR 2017-01-27/13, art. 18, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  HOOFDSTUK 2. - Bevordering binnen het niveau. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.38.[1 [3 ...]3
   [4 ...]4 ".
   Voor de berekening van de " relevante beroepservaring " vermeld in dit hoofdstuk, worden deeltijdse prestaties als voltijds beschouwd.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 33, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 36, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 65, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (4)<BVR 2018-04-20/03, art. 23, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 6.39.[1 § 1. [3 Een ambtenaar van rang B1, C1 en D1 die beschikt over]3 zes jaar relevante beroepservaring of schaalanciënniteit in één of meer salarisschalen in de betrokken graad kan worden bevorderd tot respectievelijk :
   1° een leidinggevende functie in een graad van de rang B2, C2 en D2
   2° of een graad van leidinggevend hoofddeskundige (B3), leidinggevend hoofdmedewerker (C3) en leidinggevend hoofdassistent (D3).
   § 2. [3 Een ambtenaar van rang B2, C2 en D2]3 kan worden bevorderd tot respectievelijk een graad van leidinggevend hoofddeskundige (B3), leidinggevend hoofdmedewerker (C3) en leidinggevend hoofdassistent (D3).
   § 3. Een ambtenaar van rang A1 die beschikt over zes jaar relevante beroepservaring, kan worden bevorderd :
   1° tot de graad van directeur;
   2° van de graad van arts tot de graad van directeur-arts;
   3° van de graad van informaticus tot de graad van directeur-informaticus;
   4° [8 ...]8
   5° van de graad van ingenieur tot de graad van directeur-ingenieur;
   6° van de graad van wetenschappelijk attaché tot de graad van wetenschappelijk directeur;
   7° van de graad van wetenschappelijk attaché tot de graad van directeur-ingenieur, indien hij in het bezit is van een diploma dat toegang geeft tot de graad van ingenieur.
  [6 8° van de graad van dierenarts tot de graad van directeur-dierenarts.]6
   § 4. [7 Een directeursfunctie is een leidinggevende functie van rang A2.]7
   § 5. [7 ...]7
   § 6. [7 ...]7
   § 7. [7 ...]7
   § 8. [7 ...]7]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 33, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 66, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (3)<BVR 2011-04-29/08, art. 20, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (4)<BVR 2012-02-03/05, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 03-02-2012>
  (5)<BVR 2014-02-21/48, art. 37, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (6)<BVR 2015-11-13/17, art. 1, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (7)<BVR 2016-06-24/15, art. 66, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (8)<BVR 2018-04-20/03, art. 24, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 6.40.[1 § 1. [3 Een ambtenaar van rang B1, C1 en D1 die beschikt over]3 zes jaar relevante beroepservaring met betrekking tot de inhoudelijke materie, kan bevorderd worden tot een inhoudelijke functie in een graad van respectievelijk de rang B2, C2 en D2.
   [3 Een ambtenaar van rang B1, C1 en D1 die]3 over twaalf jaar relevante beroepservaring met betrekking tot de inhoudelijke materie beschikt, kan bevorderd worden tot respectievelijk een graad van senior hoofddeskundige (B3), senior hoofdmedewerker (C3) en senior hoofdassistent (D3).
   § 2. [3 Een ambtenaar van rang B2, C2 en D2 die]3 over acht jaar relevante beroepservaring met betrekking tot de inhoudelijke materie beschikt, kan bevorderd worden tot respectievelijk een graad van senior hoofddeskundige (B3), senior hoofdmedewerker (C3) en senior hoofdassistent (D3).
   § 3. Een ambtenaar van rang A1 die beschikt over zes jaar relevante beroepservaring met betrekking tot de inhoudelijke materie, kan worden bevorderd :
   1° tot de graad van adviseur;
   2° van de graad van arts tot de graad van adviseur-arts;
   3° van de graad van informaticus tot de graad van adviseur-informaticus;
   4° van de graad van ingenieur tot de graad van adviseur-ingenieur;
   5° van de graad van wetenschappelijk attaché tot de graad van adviseur-ingenieur, indien hij in het bezit is van een diploma dat toegang geeft tot de graad van ingenieur.
  [6 6° van de graad van dierenarts tot de graad van adviseur-dierenarts.]6
   § 4. Een ambtenaar van rang A1 die beschikt over twaalf jaar relevante beroepservaring met betrekking tot de inhoudelijke materie, kan worden bevorderd tot een graad van senior adviseur (A2E).
   De ambtenaar van rang A2 of rang A2M die over acht jaar relevante beroepservaring met betrekking tot de inhoudelijke materie beschikt, kan worden bevorderd tot een graad van senior adviseur (A2E).
   § 5. [7 ...]7
   § 6. [7 ...]7]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 33, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 67, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (3)<BVR 2011-04-29/08, art. 21, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (4)<BVR 2012-02-03/05, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 03-02-2012>
  (5)<BVR 2014-02-21/48, art. 38, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (6)<BVR 2015-11-13/17, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (7)<BVR 2016-06-24/15, art. 67, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.41.[1 [2 In afwijking van artikel VI 39 en VI 40 kan de scheepstechnicus, motorist of schipper met twee jaar relevante beroepservaring of graadanciënniteit bevorderd worden tot respectievelijk een graad van hoofdscheepstechnicus, hoofdmotorist of hoofdschipper.]2
  [3 ...]3]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 33, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 39, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 68, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.42.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 33, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.43.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 33, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  HOOFDSTUK 3. - Bevordering door overgang naar een [1 hoger]1 niveau. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 68, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.44.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 40, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.45.
  <Opgeheven bij BVR 2018-04-20/03, art. 25, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 6.46.[2 § 1.]2 [1 [5 De bevordering naar een hoger niveau]5 staat open :
   1° voor bevordering tot een graad van de rang A1 : voor [4 het personeelslid]4 van niveau B of C van de diensten van de Vlaamse overheid [4 dat]4 in beide niveaus samen ten minste drie jaar anciënniteit telt;
   2° voor bevordering tot een graad van de rang B1 : voor [4 het personeelslid]4 van niveau C van de diensten van de Vlaamse overheid [4 dat]4, wat de bevordering naar specifieke functies betreft, in het bezit is van het in de functiebeschrijving gevraagde diploma;
   voor bevordering tot een graad van de rang C1 : voor [4 het personeelslid]4 van niveau D van de diensten van de Vlaamse overheid [4 dat]4 ten minste twee jaar anciënniteit telt in dat niveau.]1
  [2 § 2. In afwijking van paragraaf 1 staat [5 de bevordering naar de graad]5 van informaticus (rang A1) open voor [4 een personeelslid]4 van niveau B of C [4 dat]4 beschikt over :
   1° ofwel [3 minstens]3 een graduaats- of bachelordiploma in de informatica en drie jaar relevante informatica-ervaring;
   2° ofwel zes jaar relevante informatica-ervaring.]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 35, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 71, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (3)<BVR 2011-04-29/08, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (4)<BVR 2014-02-21/48, art. 42, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (5)<BVR 2016-06-24/15, art. 70, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.47.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 71, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.48.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 72, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK 4.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 73, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.49.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 73, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.50.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 73, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.51.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 73, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.52.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 73, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.53.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 73, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.54.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 45, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.55.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 46, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.56.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 47, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.57.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 47, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.57bis.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 48, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.58.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 49, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  TITEL VI. - GRAADVERANDERING EN FUNCTIEWIJZIGING. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK 1. - [1 Specifieke graadveranderingen binnen het zeewezen]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-12-02/41, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 02-12-2011>

  Art. 6.59.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. [2 Volgende graadveranderingen zijn mogelijk bij de IVA Maritieme Dienstverlening en Kust mits te slagen voor een vergelijkende competentieproef en het bezit van het in de functiebeschrijving gevraagde diploma, brevet, certificaat, getuigschrift of vaarbevoegdheidsbewijs :
   1° van de graad van speciaal assistent (functie matroos of stoker) naar de graad van schipper of motorist;
   2° van de graad van motorist naar de graad van schipper;
   3° van de graad van schipper naar de graad van motorist.]2
  § 2. De graadverandering naar schipper, vermeld in § 1, kan ook verkregen worden door de technisch assistent van de beheersdiensten van [4 het agentschap De Vlaamse Waterweg nv.]4 als hij slaagt voor een vergelijkende [1 competentieproef]1.
  § 3. De inschaling in de functionele loopbaan gebeurt met behoud van de verworven anciënniteiten. In voorkomend geval gebeurt de inschakeling op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan.
  § 4. Om een graadverandering na vergelijkende [1 competentieproef]1 te verkrijgen, mag de ambtenaar geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met een " onvoldoende ".
  [3 § 5. Een ambtenaar die geslaagd is voor een vergelijkende competentieproef en aan wie op basis daarvan een andere functie binnen dezelfde graad wordt aangeboden, kan die functie weigeren.]3
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2008-05-23/44, art. 40, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (3)<BVR 2009-05-29/42, art. 77, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (4)<BVR 2018-04-20/03, art. 26, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  HOOFDSTUK 2. - [1 Specifieke functiewijzigingen binnen het zeewezen]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-12-02/41, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 02-12-2011>

  Art. 6.60.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De functiewijziging naar loods met de functie van stuurman van de loodsboot of chefloods is afhankelijk van het slagen voor een vergelijkende [1 competentieproef]1 en van het bezit van het diploma, brevet, certificaat of getuigschrift zoals gevraagd in de functiebeschrijving.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.61.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De functiewijziging naar loods met de functie van kapitein van de loodsboot is afhankelijk van het slagen voor een vergelijkende [1 competentieproef]1 en van het bezit van het diploma, brevet, certificaat of getuigschrift zoals gevraagd in de functiebeschrijving. Die functiewijziging kan op zijn vroegst ingaan na 100 effectieve vaardagen in de functie van stuurman.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.62.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De functiewijziging naar loods algemene functie is afhankelijk van het slagen voor een vergelijkende [1 competentieproef]1 en van het bezit van het diploma, brevet, certificaat of getuigschrift zoals gevraagd in de functiebeschrijving. Tevens dient men voorafgaandelijk een reeks proefreizen af te leggen, zoals vermeld in artikel VI 113, § 1, 2° en 3°.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.63.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Voor de schipper bij de IVA Maritieme Dienstverlening en Kust is een functiewijziging mogelijk als hij slaagt voor een vergelijkende [1 competentieproef]1 en over een diploma, brevet, certificaat, getuigschrift of vaarbevoegdheidsbewijs beschikt zoals vermeld in de functiebeschrijving.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.64.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Om een functiewijziging na vergelijkende [1 competentieproef]1 te verkrijgen, mag de ambtenaar geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met een " onvoldoende ".
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  HOOFDSTUK 3. [1 - Graadverandering]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 50, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.65.
  <Opgeheven bij BVR 2016-06-24/15, art. 74, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK 3bis. [1 Graadverandering binnen rang A2]1 [2 opgeheven]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2008-05-23/44, art. 41, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 79, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.65bis.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 79, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  HOOFDSTUK IV. - Vrijwillige terugzetting in graad. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.66.[2 De vastbenoemde ambtenaar kan op zijn verzoek tijdens zijn loopbaan eenmaal om functionele of persoonlijke redenen teruggezet worden in graad.]2 [1 De vrijwillige terugzetting in graad gebeurt :
   1° voor de ambtenaar van rang A2E : in een graad van adviseur of directeur (rang A2);
   2° voor de ambtenaar van rang A1 en C1 : respectievelijk in rang B2 en D2;
   3° voor de ambtenaar van rang B1 : in rang C1;
   4° voor de ambtenaren met een andere rang : in de onmiddellijk lagere rang dan die waarin de ambtenaar was benoemd.
   Als aan de nieuwe graad een functionele loopbaan verbonden is, wordt de ambtenaar ingeschaald in de op één na hoogste salarisschaal van de functionele loopbaan.
   Als de terugzetting leidt tot financieel voordeel, wordt het salaris van de betrokken ambtenaar op het moment van de terugzetting in graad geblokkeerd tot op het moment dat hij in zijn organieke graad een hogere salarisschaal bereikt.
   De vrijwillige terugzetting in graad is niet afhankelijk van het bestaan van een vacante betrekking.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 42, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2011-04-29/08, art. 25, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>

  Art. 6.67. De vrijwillige terugzetting in graad wordt toegekend door de benoemende overheid voor de graad waarin de ambtenaar wordt teruggezet, na advies van het bevoegde managementorgaan van de entiteit, raad of instelling.

  TITEL VII. - DE IT-MANDATEN EN TIJDELIJKE AANSTELLINGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK 1. - De IT-mandaten. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.68.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Volgende graden worden uitsluitend via een mandaat begeven :
  1° contractbeheerder;
  2° strategiebeheerder;
  3° coördinator IT-relatiebeheer;
  4° financieel-administratief beheerder;
  5° beheerder interne IT-dienstverlening.
  § 2. [3 Voor de aanwijzing in één van de mandaten, vermeld in paragraaf 1, komen alleen vastbenoemde ambtenaren van rang A1, A2, A2M en A2E in aanmerking.]3
  § 3. [3 De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met de lijnmanager.
   De lijnmanager kan bijzondere vereisten in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en na overleg met de selector, vaststellen.
   De selector sluit, in overleg met de lijnmanager, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.
   De selector beoordeelt, in overleg met de lijnmanager, de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeften van de (sub)entiteit.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie.]3
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 43, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 75, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.69. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De te begeven betrekkingen, de voorwaarden van aanwijzing en de wijze waarop de kandidaten hun interesse kenbaar kunnen maken, worden meegedeeld aan alle ambtenaren die in aanmerking komen.

  Art. 6.70.[1 De selector stelt, in overleg met de lijnmanager, per selectie een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden moet voldaan zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook :
   1° een mogelijke voorselectie naargelang het aantal kandidaten;
   2° een mogelijke beperkte procedure;
   3° de samenstelling van de jury, waarvan de lijnmanager bij interne selectietesten minstens deel uitmaakt;
   4° de regels voor de rangschikking;
   5° de geldigheidsduur van de reserve;
   6° het verlies en behoud van een plaats in de reserve;
   7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de vervulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 76, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.71.[1 De lijnmanager kiest uit de geschikte kandidaten de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en).]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 77, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.72. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De ambtenaar behoudt tijdens het mandaat de functionele loopbaan in de graad waarin hij werd benoemd. De werkelijke diensten die de ambtenaar als mandaathouder presteert, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de schaalanciënniteit in de functionele loopbaan.
  De aanwijzing in een mandaat houdt tevens de dienstaanwijzing in voor de betrokken ambtenaar.

  Art. 6.73.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Het mandaat wordt toegekend voor de duur van zes jaar en is meermaals met dezelfde duur verlengbaar. De verlenging gebeurt stilzwijgend.
  [3 Artikel V 42, § 2, is van toepassing op de houder van een IT-mandaat van rang A2A.]3
  § 2. Het mandaat wordt ambtshalve beëindigd bij een functioneringsevaluatie die met een onvoldoende wordt besloten, bij een bevordering of een aanwijzing in een ander mandaat, en bij een nieuwe dienstaanwijzing.
  [2 De regeling vermeld in het eerste lid is niet van toepassing in geval van overdracht met toepassing van artikel I 5ter van dit besluit.]2
  De overheid die bevoegd is voor de aanwijzing, kan het mandaat ook beëindigen om functionele redenen, bij langdurige afwezigheid of op verzoek van de mandaathouder zelf.
  [1 lid 3 opgeheven]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 19, 032; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2017-01-27/13, art. 19, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  HOOFDSTUK 2. - [1 De projectleiders]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 80, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Afdeling 1. - De projectleiders. [1 Opscchrift opgeheven]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 81, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.74.[1 Een projectleider is een ambtenaar of een contractueel personeelslid, tijdelijk belast met de leiding van een project voor een beleidsdomein of voor alle beleidsdomeinen. De duur van het project bedraagt ten hoogste vijf jaar en is eenmalig verlengbaar met een periode van maximum een jaar.
   Zowel de projecten voor een beleidsdomein als de projecten voor alle beleidsdomeinen worden opgestart door het hoofd van een bepaalde entiteit, raad of instelling na voorafgaandelijk akkoord van respectievelijk de functioneel bevoegde minister(s) en de Vlaamse Regering.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 51, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.75.[1 § 1. [2 De projectleidersfuncties worden vacant verklaard en bekendgemaakt aan alle ambtenaren en contractuele personeelsleden die in aanmerking komen volgens de scopebepaling van artikel VI 1.
   Alleen ambtenaren en contractuele personeelsleden die geslaagd zijn voor een objectief wervingssysteem met algemene bekendmaking vermeld in deel III, hoofdstuk 2, van dit besluit kunnen kandideren voor een projectleidersfunctie.]2
  [3 § 2. De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met de lijnmanager.
   De lijnmanager kan bijzondere vereisten in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en na overleg met de selector, vaststellen.
   De selector sluit, in overleg met de lijnmanager, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.
   De selector beoordeelt, in overleg met de lijnmanager, de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie, rekening houdend met de specifieke behoeftes van de (sub)entiteit.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie.
   § 3. De selector stelt, in overleg met de lijnmanager, per selectie een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden moet voldaan zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook :
   1° een mogelijke voorselectie (naargelang het aantal kandidaten);
   2° een mogelijke beperkte procedure;
   3° de samenstelling van de jury, waarvan de lijnmanager bij interne selectietesten minstens deel uitmaakt;
   4° de regels rond de rangschikking;
   5° de geldigheidsduur van de reserve;
   6° het verlies en behoud van een plaats in de reserve;
   7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de vervulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.
   § 4. De lijnmanager kiest uit de geschikte kandidaten de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie, of hij kiest uitzonderlijk niet, als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde selectiebeslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en).
   Het hoofd van de entiteit, raad of instelling stelt de meest geschikte kandidaat aan die als projectleider belast wordt met een project voor een beleidsdomein of voor alle beleidsdomeinen.]3]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 82, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 52, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 78, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.76. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De duur van de tijdelijke aanstelling tot projectleider is gelijk aan de duur van het project.
  De projectleider heeft voor de duur van het project hiërarchisch gezag over de andere personeelsleden die meewerken aan het project.

  Art. 6.77.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> [1 § 1.]1 De aanstelling tot projectleider houdt tevens de dienstaanwijzing in voor de betrokken ambtenaar.
  De ambtenaar behoudt tijdens de aanstelling de functionele loopbaan in de graad waarin hij werd benoemd. De werkelijke diensten die de ambtenaar als projectleider presteert, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de schaalanciënniteit in de functionele loopbaan.
  [1 § 2. Het contractuele personeelslid dat aangesteld wordt tot projectleider, krijgt een contract van bepaalde duur in de functie van projectleider voor de duur van het project.
   De lopende arbeidsovereenkomst van het contractuele personeelslid wordt voor de duur van de tijdelijke aanstelling geschorst.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 53, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.78.[1 § 1. De tijdelijke aanstelling van de ambtenaar wordt ambtshalve beëindigd bij een functioneringsevaluatie die met een onvoldoende wordt besloten, bij een beslissing tot loopbaanvertraging, bij een bevordering of bij een aanwijzing in een mandaat en, in voorkomend geval, bij een wijziging van dienstaanwijzing.
  [2 De regeling vermeld in het eerste lid is niet van toepassing in geval van overdracht met toepassing van artikel I 5ter van dit besluit.]2
   De overheid die bevoegd is voor de aanstelling, kan die aanstelling ook beëindigen om functionele redenen, bij langdurige afwezigheid of op verzoek van de functiehouder zelf.
   § 2. De tijdelijke aanstelling van het contractuele personeelslid wordt beëindigd volgens de regels van het arbeidsrecht.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 54, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 20, 032; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Afdeling 2. - De staffunctie. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.79.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.80.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.81.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.82.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 44, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  HOOFDSTUK 3. - De waarneming van een hoger ambt.

  Art. 6.83.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 55, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.84.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 56, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.85.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 57, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  HOOFDSTUK 4. - [1 De preventiefuncties]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Afdeling 1. - [1 Definities]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.86.[1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° lijnmanager :
  a) als het gaat om de Gemeenschappelijke Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk, hierna GDPB te noemen : [2 de leidend ambtenaar van het [3 Agentschap Overheidspersoneel]3]2;
  b) als het gaat om een Interne dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk, hierna IDPB te noemen : de lijnmanager van de entiteit, raad of instelling;
  2° overlegcomité :
  a) als het gaat om de GDPB : het Hoog Overlegcomité Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest;
  b) als het gaat om een IDPB : het bevoegde overlegcomité;
  3° comité GDPB :
  het aansturingscomité van de GDPB.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (2)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (3)<BVR 2020-09-11/13, art. 20, 060; Inwerkingtreding : 01-09-2020>

  Afdeling 2. - [1 De preventiediensten]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.87.[1 [2 Voor de departementen, de IVA's zonder rechtspersoonlijkheid, de IVA's met rechtspersoonlijkheid, de raden en de EVA's, met uitzondering van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, de Openbare Psychiatrische Zorgcentra Geel en Rekem en het Agentschap Plantentuin Meise bestaat er een GDPB. De andere diensten van de Vlaamse overheid, de kabinetten van de leden van de Vlaamse Regering en andere instanties binnen de Vlaamse overheidssector kunnen zich ook daarbij aansluiten.
   Elk EVA en elke instelling beschikt over een IDPB, tenzij ze zich aansluiten bij de GDPB.]2
  In afwijking van het tweede lid kan het Gemeenschapsonderwijs samen met de scholengroepen aangesloten zijn bij een gemeenschappelijke dienst voor preventie en bescherming op het werk. Voor de preventieadviseur-coördinator en de preventieadviseurs van het Gemeenschapsonderwijs die werken voor die gemeenschappelijke dienst gelden de richtlijnen voor een IDPB, vermeld in dit besluit.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (2)<BVR 2018-04-20/03, art. 27, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Afdeling 3. - [1 Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.88. [1 Een preventieadviseur-coördinator leidt de GDPB.
  Zodra de IDPB uit minstens twee preventieadviseurs bestaat, kan een preventieadviseur-coördinator de dienst leiden.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.89.[1 § 1. [2 Het mandaat van preventieadviseur-coördinator en de tijdelijke aanstelling als preventieadviseur zijn toegankelijk voor ambtenaren onder de hierna bepaalde voorwaarden.
   De aanwijzing in het mandaat van preventieadviseur-coördinator of de tijdelijke aanstelling als preventieadviseur kan, in afwijking van artikel I 5, § 1, gecombineerd worden met :
   1° een overplaatsing via de horizontale mobiliteit;
   2° een aanwerving vanuit de externe arbeidsmarkt e[3 ...]3.]2
  § 2. [2 Bij de aanwijzing van een ambtenaar van een andere entiteit, raad of instelling in het mandaat van preventieadviseur-coördinator of de tijdelijke aanstelling als preventieadviseur met overdracht via horizontale mobiliteit wordt de ambtenaar overgeplaatst naar de entiteit, raad of instelling van de vacature en behoudt de ambtenaar tevens de graad waarin hij vastbenoemd is.
   Het overplaatsingsbesluit vermeldt de termijn waarbinnen de preventieadviseur of preventieadviseur-coördinator zijn nieuwe functie opneemt.
   Bij de aanwijzing van een ambtenaar van dezelfde of een andere entiteit, raad of instelling in het mandaat van preventieadviseur-coördinator of de tijdelijke aanstelling als preventieadviseur zonder overdracht via horizontale mobiliteit behoudt de ambtenaar tevens de graad waarin hij vastbenoemd is. Na afloop van het mandaat of de tijdelijke aanstelling keert de ambtenaar terug naar de entiteit, raad of instelling van herkomst.
   De extern via aanwerving of externe mobiliteit geworven ambtenaar wordt benoemd bij de entiteit, raad of instelling van de vacature in een graad van waaruit de aanwijzing in het mandaat of de tijdelijke aanstelling voor een ambtenaar mogelijk is overeenkomstig artikel VI 93, § 1.]2
  § 3. De aanwijzing tot preventieadviseur-coördinator en de tijdelijke aanstelling als preventieadviseur gebeuren voor de duur van zes jaar, en zijn meermaals met dezelfde duur verlengbaar. De verlenging gebeurt stilzwijgend.
  Voor een extern geworven ambtenaar begint de termijn van het mandaat of de tijdelijke aanstelling te lopen op de dag van de toelating tot de proeftijd als ambtenaar.
  § 4. De aanwijzing tot preventieadviseur-coördinator en de tijdelijke aanstelling tot preventieadviseur houden voor de duur van de aanwijzing of de aanstelling de dienstaanwijzing in voor het betrokken personeelslid.
  § 5. Het mandaat van preventieadviseur-coördinator is een mandaatgraad van rang A2.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 79, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (3)<BVR 2018-04-20/03, art. 28, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 6.90. [1 Als de preventieadviseur-coördinator zijn eerste aanwijzing in het mandaat voortijdig beëindigt, kan hij vervangen worden door een kandidaat die voorkomt op een lijst die een bijzondere commissie als vermeld in artikel VI 94, § 3 heeft voorgedragen aan de lijnmanager.
  Als een preventieadviseur zijn eerste aanstelling voortijdig beëindigt, kan hij vervangen worden door een persoon met een geldige kandidaatstelling.
  De vervanger van een preventieadviseur-coördinator of preventieadviseur, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt aangewezen of aangesteld voor de duur van zes jaar, met verlengingsmogelijkheid als vermeld in artikel VI 89, § 3.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.91.[1 De aanwijzing in het mandaat van preventieadviseur-coördinator GDPB gebeurt voltijds. De aanwijzing in het mandaat van preventieadviseur-coördinator IDPB en de aanstelling van een preventieadviseur gebeuren voor de volledige arbeidsduur of voor een gedeelte ervan.]1
  [2 Artikel V 42, § 2, is van toepassing op de houder van een mandaat van preventieadviseur-coördinator.]2
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 20, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 6.92. [1 De lijnmanager stuurt de preventieadviseur-coördinator van de GDPB functioneel aan en treedt op als eerste en enige evaluator, na voorafgaandelijke bespreking in het comité GDPB.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Afdeling 4. - [1 Aanwijzings- en aanstellingsprocedure]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.93.[1 § 1 De ambtenaar die wordt aangewezen in het mandaat van preventieadviseur-coördinator, behoort tot de rang A1 of A2.
  De ambtenaar die tijdelijk wordt aangesteld tot preventieadviseur, behoort tot de rang A1 of A2, of tot het niveau B, C of D.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. De ambtenaar die wordt aangewezen in het mandaat van preventieadviseur-coördinator of die tijdelijk wordt aangesteld tot preventieadviseur behoudt de functionele loopbaan in de graad waarin hij is benoemd. De werkelijke diensten die de ambtenaar als preventieadviseur-coördinator of preventieadviseur presteert, komen in aanmerking voor de vaststelling van de schaalanciënniteit in de functionele loopbaan.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 80, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 6.94.[1 [3 § 1. De lijnmanager stelt de competenties vast waarover de preventieadviseur-coördinator moet beschikken, in aanvulling op de vereisten die opgelegd zijn door de welzijnsreglementering.
   De lijnmanager stelt, in overleg met de preventieadviseur-coördinator, waar hij is aangewezen, de competenties vast waarover de preventieadviseur moet beschikken, in aanvulling op de vereisten die opgelegd zijn door de welzijnsreglementering.
   § 2. De selector organiseert de selectie voor een functie in overleg met de lijnmanager.
   De lijnmanager kan bijzondere vereisten in overeenstemming met de functiebeschrijving en het competentieprofiel, en na overleg met de selector, vaststellen.
   De selector sluit, in overleg met de lijnmanager, de kandidaten die niet voldoen aan de statutaire voorwaarden of de voorwaarden van het selectiereglement uit van deelname aan de selectie.
   Elke selectie kan uit verschillende testen bestaan. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van de motivering van een eventuele uitsluiting op basis van een test of selectie.
   De selector stelt, in overleg met de lijnmanager, per selectie een selectiereglement vast.
   Het selectiereglement regelt minstens welke diploma's, studiegetuigschriften, ervaringsbewijzen of toegangsbewijzen toegang geven tot de selectieprocedure, de datum waarop aan de voorwaarden moet voldaan zijn, het aantal en de aard van de testen, en de criteria op basis waarvan de geschiktheid of het geslaagd zijn beoordeeld worden.
   Het selectiereglement regelt in voorkomend geval ook :
   1° een mogelijke voorselectie naargelang het aantal kandidaten;
   2° een mogelijke beperkte procedure;
   3° de samenstelling van de jury, waarvan de lijnmanager bij interne selectietesten minstens deel uitmaakt;
   4° de regels voor de rangschikking;
   5° de geldigheidsduur van de reserve;
   6° het verlies en behoud van een plaats in de reserve;
   7° de mogelijkheid om een bijkomende test te organiseren voor de vervulling van een bijkomende vacature voor dezelfde of een vergelijkbare functie.
   § 3. Een bijzondere commissie beoordeelt de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie van preventieadviseur-coördinator.
   Die bijzondere commissie is samengesteld als volgt :
   1° een vertegenwoordiger van een gespecialiseerd extern bureau;
   2° twee vertegenwoordigers van het Hoog Overlegcomité Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest als het gaat om de GDPB en de lijnmanager als het gaat om een IDPB;
   3° een selectiedeskundige.
   De bijzondere commissie legt aan de lijnmanager de lijst voor van de kandidaten die over de vereiste competenties en andere vereisten voor de uitoefening van de functie van preventieadviseur-coördinator beschikken.
   § 4. De selector beoordeelt, in overleg met de lijnmanager, de competenties en andere vereisten die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie van preventieadviseur, rekening houdend met de specifieke behoeftes van de (sub)entiteit.
   § 5. De lijnmanager draagt de kandidaat die volgens hem het meest geschikt is voor de functie van preventieadviseur-coördinator en preventieadviseur en die aan de voorwaarden voldoet, voor aan het overlegcomité. Hij draagt uitzonderlijk geen kandidaat voor als hij meent dat geen van de geschikte kandidaten voldoet aan de profielvereisten. De gemotiveerde beslissing houdt rekening met :
   1° de kandidaatstelling;
   2° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel;
   3° de beoordeling van de eventuele selectietest(en).]3
  § 6. Als het overlegcomité een akkoord bereikt, wijst de lijnmanager een persoon aan in het mandaat van preventieadviseur-coördinator of stelt hij iemand aan tot preventieadviseur.
  § 7. Als het Hoog Overlegcomité Vlaamse Gemeenschap - Vlaams Gewest geen akkoord bereikt over een aanwijzing of aanstelling bij de GDPB, neemt [2 de minister-president]2 na afloop van de wettelijk voorgeschreven verzoeningsprocedure een beslissing, met behoud van de toepassing van de specifieke bepalingen in de welzijnsreglementering over de aanstelling van een preventieadviseur psychosociale aspecten.
  Als het bevoegde overlegcomité geen akkoord bereikt over een aanwijzing of aanstelling bij een IDPB neemt de [4 ...]4 de raad van bestuur voor het EVA en de instelling na afloop van de wettelijk voorgeschreven verzoeningsprocedure een beslissing, met behoud van de toepassing van de specifieke bepalingen in de welzijnsreglementering over de aanstelling van een preventieadviseur psychosociale aspecten.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (2)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (3)<BVR 2016-06-24/15, art. 81, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (4)<BVR 2018-04-20/03, art. 29, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Afdeling 5. - [1 Beëindigingsregels]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.94bis. [1 De ambtenaar met de functie van preventieadviseur-coördinator of preventieadviseur kan op eigen verzoek het mandaat of de tijdelijke aanstelling beëindigen als hij een met de lijnmanager overeen te komen opzeggingstermijn in acht neemt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.94ter. [1 De lijnmanager kan na akkoord van het overlegcomité om functionele redenen of om organisatorische redenen, met inachtname van de welzijnsreglementering, de aanwijzing van de preventieadviseur-coördinator of de aanstelling van de preventieadviseur beëindigen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-01-10/16, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  HOOFDSTUK 5. - [1 De functies van junior auditor bij het IVA Interne Audit van de Vlaamse Administratie]1
  ----------
  (1)<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 84, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.95.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 84, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.96.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 84, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.97.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 84, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.98.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 84, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.99.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 84, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.100.<Opgeheven bij BVR 2009-05-29/42, art. 84, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  HOOFDSTUK 6. - De huisbewaarders. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.101. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De lijnmanager stelt de huisbewaarder aan.

  Art. 6.102. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De oproep tot de kandidaten voor een aanstelling als huisbewaarder wordt gericht tot de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid.
  § 2. Als huisbewaarder kunnen alleen de personeelsleden worden aangesteld die aan de onderstaande voorwaarden voldoen :
  1° ze werken bij voorkeur in het gebouw waarvoor een huisbewaarder gezocht wordt;
  2° ze behoren bij voorkeur tot de entiteit, raad of instelling waarvan de diensten het gebouw bezetten;
  3° ze behoren bij voorkeur tot niveau D;
  4° ze hebben op de dag van de kandidatenvoordracht geen onvoldoende op hun evaluatie.
  Bij gelijke geschiktheid van kandidaten van hetzelfde niveau, wordt prioriteit gegeven aan de statutaire kandidaat.
  § 3. Bij gebrek aan kandidaten of als geen kandidaten beantwoorden aan de functiebeschrijving en het gewenste profiel, kan een persoon contractueel aangesteld worden die niet tot de diensten van de Vlaamse overheid behoort.

  Art. 6.103.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De aanstelling van de huisbewaarder eindigt :
  1° bij zijn pensionering;
  2° als hij ontslag neemt of afgezet wordt;
  3° als de bevoegde overheid de functie van huisbewaarder afschaft;
  4° bij het overlijden van de huisbewaarder;
  5° ingeval van een tekortkoming die de beëindiging van zijn aanstelling rechtvaardigt.
  § 2. De tekortkoming, vermeld in § 1, 5°, wordt vastgesteld door de gebouwverantwoordelijke of bij gebrek aan gebouwverantwoordelijke, door de ambtenaar met de hoogste graad in dat gebouw. Na de huisbewaarder te hebben gehoord, stuurt die onverwijld zijn verslag met de eventuele schriftelijke opmerkingen van de huisbewaarder aan de verantwoordelijke van de personeelsfunctie van het beleidsdomein. Hij bezorgt een afschrift van zijn verslag aan de lijnmanager.
  De beslissing tot ontslag wordt genomen door de lijnmanager.
  § 3. Als een huisbewaarder zijn functie wil beëindigen, moet hij de lijnmanager ten minste drie maanden van te voren met een [1 beveiligde zending]1 daarvan op de hoogte brengen, behalve in geval van overmacht.
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 21, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  TITEL 8. - DE FUNCTIONELE LOOPBAAN VAN DE AMBTENAAR. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK 1. - Definitie en toepassingsgebied. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.104. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De functionele loopbaan bestaat in de opeenvolgende toekenning aan een ambtenaar van een steeds hogere salarisschaal binnen eenzelfde rang op basis van schaalanciënniteit en zonder wijziging van graadbenaming.

  Art. 6.105. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De schaalanciënniteit wordt jaarlijks opgebouwd op basis van de functioneringsevaluatie :
  1° hetzij op een normale snelheid, waarbij de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan de werkelijke diensten;
  2° hetzij vertraagd, waarbij de in aanmerking komende diensten :
  a) gelijk zijn aan de helft van de werkelijke diensten als de functioneringsevaluatie met de aanduiding " loopbaanvertraging " besloten wordt;
  b) vervallen als de functioneringsevaluatie met een onvoldoende besloten wordt.
  De opbouw van de schaalanciënniteit, zoals bedoeld in het eerste lid, heeft uitwerking op 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar en dit gedurende een periode van 12 maanden.

  Art. 6.106.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> In afwijking van artikel VI 105 bouwt de ambtenaar :
  1° a) met verlof voor opdracht;
  b) met militaire dienst of burgerdienst;
  c) met vakbondsverlof als vaste afgevaardigde,
  schaalanciënniteit op aan normale snelheid;
  2° a) [2 met een volledige onderbreking van de loopbaan in het kader van het zorgkrediet of een voltijdse loopbaanonderbreking in het kader van een federaal zorgverlof, met uitzondering van het voltijds ouderschapsverlof.]2
  b) met voltijds politiek verlof;
  c) tijdens een periode van tuchtschorsing, bedoeld in artikel VIII 4;
  d) [3 ...]3
  geen schaalanciënniteit op.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 85, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2016-08-30/19, art. 2, 038; Inwerkingtreding : 02-09-2016>
  (3)<BVR 2017-12-15/23, art. 4, 042; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 6.107. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Als een ambtenaar tussen 1 juli en 30 juni overgaat naar een volgende salarisschaal in de functionele loopbaan of naar een hogere hiërarchische graad, verkrijgt hij in zijn nieuwe salarisschaal of graad de normale loopbaansnelheid voor de resterende periode tot 30 juni.

  Art. 6.108.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De toekenning van de hogere salarisschaal in de functionele loopbaan of van een andere functie kan bovendien afhankelijk worden gesteld van het behalen van brevetten of getuigschriften of van het slagen voor een vergelijkende [1 competentieproef]1 zoals bepaald in de functiebeschrijving.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  HOOFDSTUK 2. - De diverse functionele loopbanen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.109.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007 met uitzondering van artikel VI 109, § 1, 5°, wat betreft de overgang van de salarisschaal B231 naar B232, die uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2006, zie BVR 2007-03-16/55, art. 81, 2°> § 1. Binnen de hieronder vermelde rangen geldt een functionele loopbaan. De overgang tussen de hieronder opgesomde salarisschalen geschiedt na het aantal jaren schaalanciënniteit dat ernaast vermeld wordt :
  

  
in rang A1 :
 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 6 jaar
 van A111 naar A112
 A121 naar A122
 A141 naar A142
 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 12 jaar
 van A112 naar A113
 A122 naar A123
 c) van de tweede naar de derde salarisschaal na 6 jaar
 van A142 naar A143
 d) van de derde naar de vierde salarisschaal na 9 jaar
 van A 113 naar A 114
 A 123 naar A 124
 A 143 naar A 144
in rang A1 wetenschappelijk personeel :
 - basis functionele loopbaan
 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 4 jaar
 van A165 naar A166
 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 6 jaar van A166 naar A167
 - expert functionele loopbaan
 a) van de vierde naar de vijfde salarisschaal na 10 jaar van A168 naar A169
a) in rang A2 :
 van de eerste naar de tweede salarisschaal na 10 jaar
 van A211 naar A212
 A221 naar A222
 [1 ...]1
 A261 naar A262
 b) in rang A2 - vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering in het buitenland
 - van de eerste naar de tweede salarisschaal na 6 jaar
 van A211 naar A212
 - van de tweede naar de derde salarisschaal na 6 jaar
 van A212 naar A213
in rang B1 :
 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 8 jaar
 van B111 naar B112
 B121 naar B122
 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 10 jaar
 van B112 naar B113
 B122 naar B123
 c) van de derde naar de vierde salarisschaal na 9 jaar
 van B 113 naar B 114
 B 123 naar B 124
in rang B2 :
 van de eerste naar de tweede salarisschaal na 10 jaar
 van B211 naar B212
 B221 naar B222
 B231 naar B232
in rang C1 :
 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 8 jaar
 van C111 naar C112
 C121 naar C122
 C131 naar C132
 C141 naar C142
 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 10 jaar
 van C112 naar C113
 C122 naar C123
 C132 naar C133
 C142 naar C143
 c) van de derde naar de vierde salarisschaal na 9 jaar
 van C113 naar C114
 C123 naar C124
 C133 naar C134
 C143 naar C144
in rang C2 :
 van de eerste naar de tweede salarisschaal na 10 jaar
 van C211 naar C212
 C221 naar C222
 C241 naar C242
in rang D1 :
 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 8 jaar
 van D111 naar D112
 D121 naar D 122
 D131 naar D132
 D141 naar D142
 b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 9 jaar
 van D112 naar D113
 D122 naar D123
 D132 naar D133
 D142 naar D143
in rang D2 :
 van de eerste naar de tweede salarisschaal na 10 jaar
 van D211 naar D212
 D221 naar D222
 D231 naar D232
 D241 naar D242
(1)<BVR 2008-05-23/44, art. 59, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>


  § 2. In afwijking van § 1 start de ambtenaar van rang A1 (wetenschappelijk personeel) op de tweede trap van de functionele loopbaan, zijnde de salarisschaal A 166 als hij houder is van :
  het diploma van :
  a) master in de geneeskunde (beroepstitel arts);
  b) master in de diergeneeskunde;
  c) master in de ingenieurswetenschappen;
  d) master in de bio-ingenieurswetenschappen;
  e) master in de farmaceutische zorg;
  f) master in de geneesmiddelenontwikkeling;
  of bij overgangsmaatregel, het diploma van :
  a) arts;
  b) dierenarts;
  c) burgerlijk ingenieur;
  d) landbouwkundig ingenieur;
  e) ingenieur in de scheikunde en de landbouwindustrieën;
  f) bio-ingenieur;
  g) apotheker;
  [1 of van]1 een doctoraat op proefschrift of van een diploma of certificaat dat met toepassing van de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend.
  § 3. In afwijking van § 1 wordt een ambtenaar van rang A1 (wetenschappelijk personeel) bevorderd tot de tweede trap van de functionele loopbaan, namelijk de salarisschaal A 166, op de eerste van de maand die volgt op de toekenning van het doctoraat, diploma of certificaat dat hij tijdens zijn loopbaan in de entiteit, raad of instelling verwerft.
  § 4. Een ambtenaar van rang A1 (wetenschappelijk personeel), titularis van de salarisschaal A 166, die houder is van een doctoraat op proefschrift of van een diploma of certificaat dat met toepassing van de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend, en die ten minste 4 jaar werkelijke prestaties [2 binnen de diensten van de Vlaamse overheid en de met rechtspersoonlijkheid beklede patrimonia]2 en 6 jaar functierelevante wetenschappelijke activiteit telt, kan door de lijnmanager van de entiteit, raad of instelling, [1 in afwijking van § 1, 2°]1, bevorderd worden tot de derde trap van de functionele loopbaan, namelijk de salarisschaal A 167.
  [2 § 5. ...]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 59, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 86, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.110.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De lijnmanager van de entiteit, raad of instelling kan na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling aan een ambtenaar van rang A1 van het wetenschappelijk personeel die 6 jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 167 telt, de titel van wetenschappelijk attaché-expert en de salarisschaal A 168 toekennen, als hij :
  - hetzij houder is van een doctoraat op proefschrift of van een diploma of certificaat dat met toepassing van de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord hiermee als gelijkwaardig wordt erkend;
  - hetzij het bewijs levert dat hij in een tak van de wetenschap waarop het ambt betrekking heeft, uitzonderlijk wetenschappelijk werk heeft verricht dat met een doctoraat op proefschrift kan worden vergeleken, op basis van zijn functioneringsevaluatie.
  Het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling wordt voor de toepassing van dit artikel uitgebreid met minimaal twee [1 toonaangevende]1 wetenschappers van het vakgebied in kwestie, die mee beslissen.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 87, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.111.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De lijnmanager van de entiteit, raad of instelling kan na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling aan de ambtenaar van rang A2 van het wetenschappelijk personeel die onder hem ressorteert en tien jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 265 telt, op basis van zijn functioneringsevaluatie de salarisschaal A 266 toekennen.
  Het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling wordt voor de toepassing van dit artikel uitgebreid met minimaal twee [1 toonaangevende]1 wetenschappers van het vakgebied in kwestie, die mee beslissen.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 87, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  TITEL IX. - BIJZONDERE BEPALINGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK 1. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van het scheepspersoneel. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.112.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. [2 De loods met de functie van chefloods op proef wordt in vast verband benoemd, als hij :
   1° met goed gevolg een opleiding heeft beëindigd;
   2° geslaagd is voor de competentieproef voor zijn graad en functie
   De nadere bepalingen inzake de opleiding worden vastgesteld door het bevoegde agentschap van het bevoegde beleidsdomein.]2
  § 2. Een ambtenaar op proef die tweemaal niet slaagt voor de [1 competentieproef]1, wordt zonder mogelijkheid van beroep ontslagen op de datum van de ondertekening van het proces-verbaal van de tweede [1 competentieproef]1.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 88, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.113.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Een loods met algemene functie en een loods met de functie van stuurman van de loodsboot op proef worden in vast verband benoemd, als zij :
  1° met goed gevolg een opleiding hebben beëindigd;
  2° geslaagd zijn voor de [1 competentieproef]1 voor hun graad en functie;
  3° een reeks proefreizen hebben afgelegd.
  De nadere bepalingen inzake de opleiding en de proefreizen worden vastgesteld door het bevoegde agentschap van het bevoegde beleidsdomein.
  § 2. Een ambtenaar op proef die tweemaal niet slaagt voor de [1 competentieproef]1 of tweemaal zonder succes de reeks proefreizen aflegt, wordt zonder mogelijkheid van beroep ontslagen op de datum van de ondertekening van het proces-verbaal van de tweede [1 competentieproef]1 of van de tweede reeks proefreizen.
  Die procedure moet beëindigd zijn voor het verstrijken van de proeftijd.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van de personeelsleden van de regionale luchthavens. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.114. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Alleen de personen die in het bezit zijn van het getuigschrift voor luchthaveninspectie hebben toegang tot de graad van technicus of hoofdtechnicus, belast met de luchthaveninspectie bij de regionale luchthavens.
  § 2. Alleen de personen die in het bezit zijn van het getuigschrift voor luchthavenbeveiliging mogen de functie uitoefenen van technicus of hoofdtechnicus, belast met de luchthavenbeveiliging bij de regionale luchthavens.

  Art. 6.115. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Om het getuigschrift voor luchthaveninspectie te verkrijgen moet de kandidaat geslaagd zijn voor een examen, georganiseerd door het federale Bestuur van de Luchtvaart, als dat een wettelijke vereiste is, of, in het andere geval, voor een examen dat wordt georganiseerd en waarvan het programma wordt vastgesteld door de functionele minister.
  § 2. Om het getuigschrift voor luchthavenbeveiliging te verkrijgen moet de kandidaat slagen voor een examen georganiseerd door het Nationaal Opleidingscentrum Luchtvaartbeveiliging.

  Art. 6.116. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Onverminderd de toegangsvereisten tot de graad van hoofdtechnicus moet de ambtenaar twee jaar ervaring hebben op een luchthaven om te kunnen worden benoemd tot hoofdtechnicus, belast met de luchthaveninspectie of met de luchthavenbeveiliging.

  Art. 6.117. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Om te kunnen worden benoemd als adjunct van de directeur, belast met de luchthaveninspectie, moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden die de reglementering inzake de luchthavenexploitatie bepaalt voor de beheerder van een luchthaven.

  HOOFDSTUK 3. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van het buitenlandpersoneel. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.118. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Inzake de tewerkstelling van contractueel personeel in het buitenland, wordt het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke recht en de bevoegde rechtsmacht contractueel bepaald, als dat reglementair toegestaan is door het internationaal privaat recht en/of de rechtsorde van het land van tewerkstelling.

  HOOFDSTUK 4. [1 - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van het personeel van het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 83, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  Art. 6.118bis. [1 Alleen de personen die beschikken over een positief veiligheidsadvies van de Nationale Veiligheidsoverheid dat niet ouder is dan drie jaar, zoals bedoeld in de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie van veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, hebben toegang tot een functie bij het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 83, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  TITEL X. - OVERGANGSBEPALINGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 6.119. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De procedures tot invulling van statutaire en contractuele betrekkingen via herplaatsing en horizontale mobiliteit en de procedures inzake bevordering, de loopbaanexamens en de vergelijkende bekwaamheidsproeven die aangevat werden vóór de inwerkingtreding van dit besluit, worden verdergezet overeenkomstig de reglementering van kracht bij de aanvang ervan.

  Art. 6.120.[1 § 1. De lijnmanager van het [3 Agentschap Overheidspersoneel]3 kan de duur van de reserves van loopbaanexamens verlengen als de geldigheidsduur nog niet verstreken is op 1 januari 2009.]1
  [2 § 2. De laureaten putten uit het feit dat ze geslaagd zijn, gelijke aanspraken voor bevordering bij een entiteit, raad of instelling, ongeacht de dienst of instelling waarvoor het examen oorspronkelijk georganiseerd werd.]2
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 89, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 89, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (3)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>

  Art. 6.121. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De personeelsleden in dienst op datum van inwerkingtreding van dit besluit behouden de anciënniteiten en functionele loopbaan die voortvloeien uit het statuut dat op hen van toepassing was vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

  Art. 6.122. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Op de personeelsleden van de Openbare Psychiatrische Ziekenhuizen Geel en Rekem, blijven onverminderd de bepalingen van dit besluit, de instellingsspecifieke besluiten van de Vlaamse openbare instellingen van toepassing, waaronder zij ressorteerden vóór de inwerkingtreding van dit besluit, wat betreft de artikelen die verplichtingen inhouden met toepassing van de ziekenhuiswetgeving wat betreft het daarin voorgeschreven advies.

  Art. 6.123.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De ambtenaren die als groep een functie uitoefenen die wordt afgeschaft in een bepaald niveau en die volgens het personeelsplan bij aanwerving alleen wordt begeven in een [1 hoger]1 niveau, kunnen bevorderd worden tot de graad van het [1 hogere]1 niveau waarin de functie zich situeert op voorwaarde dat ze slagen voor een bijzonder vergelijkend overgangsexamen waaraan zij tweemaal mogen deelnemen.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 90, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.124.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> In geval van organisatie van een bijzonder vergelijkend overgangsexamen overeenkomstig artikel VI 123 kunnen de contractuele personeelsleden die als groep de functie uitoefenen, die naar het andere niveau is overgebracht, in afwijking van het artikel I 5, § 2 contractueel in dienst worden genomen in de betrekking die in het [1 hogere]1 niveau overeenstemt met die functie, op voorwaarde dat ze in het bezit zijn van een diploma dat overeenstemt met dat niveau [2 , of een ervaringsbewijs of toegangsbewijs voor die functie als vermeld in artikel III 2,]2 en slagen voor een proef, waarvan de inhoud gelijk is aan die van het bijzonder vergelijkend overgangsexamen voor de ambtenaren. Aan dat examen mogen ze tweemaal deelnemen. De vereiste van het diplomabezit geldt niet [2 als de functie voorkomt op de lijst van knelpuntfuncties, vermeld in artikel III 3]2.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 91, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 58, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.125. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een geslaagde voor een aanwervingsexamen, een examen voor overgang naar het hogere niveau of een examen voor verhoging in graad dat toegang geeft tot rang 21 of 22 of voor een onderzoek naar de beroepsgeschiktheid voor verandering van graad in rang 21 of 22 en dat georganiseerd werd vóór de datum van inwerkingtreding van ofwel het Vlaams personeelsstatuut van 24 november 1993, ofwel van het personeelsstatuut van de Vlaamse wetenschappelijke instellingen van 28 januari 1997, behoudt zijn rechten op benoeming in de graad met dezelfde kwalificatie in niveau B.

  Art. 6.126. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een ambtenaar die op 1 januari 2006 wordt bezoldigd in een salarisschaal van niveau E, wordt, met ingang van die datum, bevorderd in niveau D, overeenkomstig de tabel die als bijlage 9 bij dit besluit is gevoegd.
  Een contractueel personeelslid dat in dienst is op 1 januari 2006 in een betrekking met een salarisschaal van niveau E wordt, met ingang van die datum, tewerkgesteld in een contractuele betrekking met een salarisschaal van niveau D, overeenkomstig de tabel die als bijlage 9 bij dit besluit is gevoegd.

  Art. 6.127. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Voor de berekening van de administratieve anciënniteiten van de technisch beambte, in de hoedanigheid van hulparbeider in vast dienstverband benoemd met toepassing van het koninklijk besluit van 12 maart 1973 houdende tijdelijke maatregelen ten gunste van sommige ambtenaren van de rijksbesturen, worden de diensten die hij sedert 1 april 1972 in een deeltijds ambt met ten minste de helft van de prestaties van een voltijds ambt heeft verricht, in aanmerking genomen naar rato van het aantal werkelijk gepresteerde uren.

  Art. 6.128. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De op 1 januari 1999 van de Intercommunale Maatschappij van de Linker Scheldeoever naar het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap overgehevelde ambtenaar die geslaagd is in een bevorderingsexamen naar de graad van brigadier, dat afgerond of georganiseerd werd vóór 1 januari 1999, behoudt zijn rechten op bevordering naar de graad van technicus; bij bevordering verkrijgt deze de salarisschaal C123 indien hij op vermelde datum ingeschaald werd in de salarisschaal D201 of D202.
  Het in het vorig lid bedoelde voordeel geldt ook voor de ambtenaar die bezoldigd wordt in de salarisschaal D201 of D202 en die slaagt in een overgangsexamen naar de graad van technicus.

  Art. 6.129.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een ambtenaar die op 1 oktober 2002 van het ministerie van Middenstand en Landbouw naar het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werd overgeheveld en die geslaagd is voor een vergelijkend examen naar de graad van directiesecretaris of opsteller, behoudt zijn rechten op benoeming in de graad van deskundige of medewerker.
  Een ambtenaar die op 1 oktober 2002 van het ministerie van Middenstand en Landbouw naar het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werd overgeheveld en die geslaagd is voor de eerste twee gedeelten van het vergelijkend overgangsexamen naar niveau A dat werd beëindigd of lopend was op de datum van de overheveling, behoudt zijn rechten op benoeming in de graad van adjunct van de directeur [1 ...]1.
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 22, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 6.130. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> In afwijking van artikel VI 40, a, komen alle technisch assistenten en technisch hoofdassistenten die op 1 januari 2003 de functie van wachter der waterwegen uitoefenen in aanmerking om voor de eerstvolgende bevorderingsronde bevorderd te worden tot de graad van leidinggevend hoofdassistent met de functie van leidinggevend wachter der waterwegen, voor zover zij vooraf slagen in een test met betrekking tot de leidinggevende capaciteiten.

  Art. 6.131. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Voor de personeelsleden die belast zijn met de luchthaveninspectie en die in 1997 de door de afdeling Personenvervoer en Luchthavens georganiseerde cursus over luchthaveninspectie hebben gevolgd, wordt het volgen van die cursus gelijkgesteld met het bezit van het getuigschrift, vermeld in artikel VI 114, § 1.
  De personeelsleden die belast zijn met de luchthavenbeveiliging en nog niet beschikken over het getuigschrift, vermeld in artikel VI 114, § 2, moeten voldoen aan de opleidingsvoorwaarden die opgelegd worden door het Directoraat-Generaal van de Luchtvaart.

  Art. 6.132.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 61, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 6.133. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Voor een contractuele personeelslid, bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dat in dienst getreden op 1 januari 1999, na contractuele prestaties tot en met 31 december 1998 bij de Intercommunale Maatschappij van de Linker Scheldeoever, worden de prestaties die het tot en met die laatstvermelde datum zonder onderbreking bij die maatschappij heeft verricht, mee in aanmerking genomen voor de vaststelling van de anciënniteit in het kader van het ontslagrecht.

  Art. 6.134. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De ambtenaar die krachtens artikel VIII 44 van het stambesluit VOI van 30 juni 2000 of krachtens artikel VIII 50 van het personeelsstatuut van de Vlaamse wetenschappelijk instellingen van 28 januari 1997 een vrijstelling behaalde voor het algemene gedeelte van een loopbaanexamen, behoudt op zijn verzoek die vrijstelling voor de volgende loopbaanexamens voor dezelfde graad of voor een lagere graad van hetzelfde niveau, waaraan hij deelneemt.

  Art. 6.135. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een ambtenaar die krachtens artikel VIII 92, § 1, van het Stambesluit VOI van 30 juni 2000 of krachtens artikel VIII 92, § 1, van het personeelsstatuut van de Vlaamse wetenschappelijk instellingen van 28 januari 1997 ooit werd vrijgesteld van een examengedeelte voor overgang naar een hoger niveau met uitzondering van niveau A, behoudt op zijn verzoek die vrijstelling voor de volgende vergelijkende examens voor overgang naar hetzelfde niveau, waaraan hij deelneemt.

  Art. 6.136. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De personeelsleden uit de loopbaan van correspondent der vorsing respectievelijk technicus der vorsing, die op 1 januari 1996 in dienst waren van een Vlaamse wetenschappelijke instelling, en ingevolge artikel VIII 101, tweede lid, van het personeelsstatuut van de Vlaamse wetenschappelijke instellingen van 28 januari 1997 ambtshalve benoemd zijn in de graad van medewerker of hoofdmedewerker, respectievelijk technicus, kunnen benoemd worden in de graad van deskundige, op voorwaarde dat ze slagen voor een bijzonder vergelijkend overgangsexamen waaraan zij tweemaal mogen deelnemen.

  Art. 6.137. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De wetenschappelijke personeelsleden van rang A1 die op 1 januari 1997 in dienst waren van een Vlaamse wetenschappelijke instelling en die uiterlijk op die datum een gelijkstelling hebben verkregen voor het verrichten van een wetenschappelijk werk dat met een doctoraat op proefschrift kan worden vergeleken, kunnen tot de graad van wetenschappelijk directeur worden benoemd zonder in het bezit te zijn van het vereiste doctoraat op proefschrift of van het diploma of certificaat dat met toepassing van de richtlijnen van de Europese Unie of een bilateraal akkoord als gelijkwaardig wordt erkend.

  Art. 6.138. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een ambtenaar die op 1 oktober 2002 van het centrum voor Landbouwkundig Onderzoek en het centrum voor Landbouweconomie naar de diensten van de Vlaamse Regering is overgeheveld en die geslaagd is voor een vergelijkend examen naar de graad van gespecialiseerd technicus der vorsing of onderhoudstechnicus, behoudt zijn rechten op benoeming in de graad van deskundige.

  Art. 6.139. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De lijnmanager van de entiteit, raad of instelling kan na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling aan een ambtenaar van rang A1 die vóór 1 januari 2006 benoemd was bij een Vlaamse wetenschappelijke instelling en die vier jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 113 telt, op basis van zijn functioneringsevaluatie de salarisschaal A 119 toekennen.

  Art. 6.140.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De lijnmanager van de entiteit, raad of instelling kan na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling aan de ambtenaar van rang A2 die vóór 1 januari 2006 benoemd was bij een Vlaamse wetenschappelijke instelling en vier jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 212 telt, op basis van zijn functioneringsevaluatie de salarisschaal A 213 toekennen.
  Het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling wordt voor de toepassing van dit artikel uitgebreid met minimaal twee [1 toonaangevende]1 wetenschappers van het vakgebied in kwestie, die mee beslissen.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 87, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.141. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 57; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Wat de toepassing van artikel VI 18, § 4, betreft, hebben de contractuele personeelsleden die in dienst zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die behoren tot de wervingsreserve van een vergelijkend aanwervingsexamen waarvan de geldigheidsduur bij de inwerkingtreding van dit besluit nog niet is verstreken, of die slagen voor een vergelijkend wervingsexamen waarvan de procedure bij de inwerkingtreding van dit besluit nog niet is afgerond, rechtstreekse toegang tot de functiespecifieke test voor eenzelfde functie.

  Art. 6.142.[1 Een adjunct van de directeur die [2 ...]2 tijdelijk aangesteld is als opdrachthouder, wordt [2 met ingang van 1 juni 2008]2 ambtshalve benoemd in de graad van adviseur.
   Een ingenieur of informaticus die [2 ...]2 tijdelijk aangesteld is als opdrachthouder, wordt [2 met ingang van 1 juni 2008]2 ambtshalve benoemd in de graad van respectievelijk adviseur-ingenieur of adviseur-informaticus.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 62, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 92, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.143.[2 § 1. Een ambtenaar die tijdelijk aangesteld is als senior auditor, wordt met ingang van 1 juni 2008 ambtshalve benoemd in de graad van adviseur.]2
   [1 § 2. De anciënniteit opgebouwd in de vroegere functie van senior auditor wordt in rekening gebracht voor de bepaling van de anciënniteit in de graad van adviseur.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2008-05-23/44, art. 63, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 93, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.144.[1 § 1. De lijnmanager kan aan een ambtenaar met de graad van directeur eenmalig [2 tussen 23 mei 2008 en 31 december 2009]2 een graadverandering toekennen naar de graad van adviseur, op voorwaarde dat die ambtenaar een functie uitoefent die een doorgedreven specialisatie in inhoudelijke materie veronderstelt. Hij is vrijgesteld van de proef waarbij de functiespecifieke competenties van de kandidaat getest worden.
   § 2. De lijnmanager kan aan een ambtenaar met de graad van adviseur eenmalig [2 tussen 23 mei 2008 en 31 december 2009]2 een graadverandering toekennen naar de graad van directeur, op voorwaarde dat die ambtenaar een leidinggevende functie uitoefent. Hij is vrijgesteld van de proef waarbij de generieke en functiespecifieke competenties van de kandidaat getest worden.
   § 3. Bij graadverandering als vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2 behoudt de ambtenaar de verworven anciënniteiten en wordt hij ingeschakeld op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan. De ambtenaar heeft nooit een lager salaris dan hij in zijn vorige functionele loopbaan zou hebben ontvangen volgens de regeling die op hem van toepassing was op de datum van de graadverandering.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 94, 014; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2011-04-29/08, art. 30, 017; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.145.[1 De ambtenaar kan de bevordering maar eenmaal weigeren in geval van een bevordering na een overgangsexamen of vergelijkende competentieproef waarvan het proces-verbaal werd afgesloten vóór 1 oktober 2004.]1
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 95, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 6.146. [1 In afwijking van artikel VI 109 § 1, 3°, a), verkrijgt de adviseur die vóór 1 januari 2008 werd benoemd en die bezoldigd wordt in salarisschaal A251, na tien jaar schaalanciënniteit de schaal A252.
   Deze overgangsregeling blijft gelden voor de directeur die een graadverandering bekomt vanuit de graad van adviseur en die in die laatste graad werd aangesteld vóór 1 januari 2008.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2009-05-29/42, art. 96, 014; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 6.147. [1 In afwijking van artikel VI 109 § 1, heeft de ambtenaar van rang A1 met de graad van bedrijfsadviseur, pedagogisch adviseur of kunstadviseur die op 1 januari 2009 werd overgeheveld van het Vlaams Agentschap voor Ondernemen naar het Agentschap voor Ondernemen volgende functionele loopbaan :
   a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 3 jaar
   van A111 naar A112
   b) van de tweede naar de derde salarisschaal na 9 jaar
   van A112 naar A120
   c) van de derde naar de vierde salarisschaal na 9 jaar
   van A120 naar A114]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2009-05-29/42, art. 97, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 6.148. [1 In artikel VI 149 en VI 150 wordt onder de woorden de van de Federale Overheidsdienst Financiën overgehevelde ambtenaar en de woorden het van de Federale Overheidsdienst Financiën overgeheveld personeelslid verstaan : de op 16 november 2010, 1 december 2010 of 1 januari 2011 van de Federale Overheidsdienst Financiën overgehevelde ambtenaren of personeelsleden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-12-02/41, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 16-11-2010>

  Art. 6.149.[1 § 1. De van de Federale Overheidsdienst Financiën [2 en de Nationale Plantentuin van België]2 overgehevelde ambtenaar die geslaagd is voor een overgangsexamen naar het hogere niveau bij de federale overheid, behoudt het voordeel van het slagen voor het overgangsexamen naar het hogere niveau bij de diensten van de Vlaamse overheid. [3 ...]3.
   § 2. De van de Federale Overheidsdienst Financiën overgehevelde ambtenaar van niveau B die geslaagd is voor een bekwaamheidsproef die toegang geeft tot de klasse A2 bij de federale overheid, behoudt het voordeel van het slagen voor het overgangsexamen naar niveau A bij de diensten van de Vlaamse overheid. [3 ...]3.
   § 3. Het van de Federale Overheidsdienst Financiën overgeheveld personeelslid dat :
   1° vóór de overheveling ingeschreven is voor de deelname aan of geslaagd is voor een of meer onderdelen van een overgangsexamen of bekwaamheidsproef bij de federale overheid, kan na de overheveling nog eenmaal (verder) deelnemen aan de eerstvolgende door de federale overheid georganiseerde onderdelen van het overgangsexamen of de bekwaamheidsproef;
   2° vóór de overheveling ingeschreven is voor de deelname aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding bij de federale overheid, kan na de overheveling deelnemen aan de eerstvolgende door de federale overheid georganiseerde competentiemeting of gecertificeerde opleiding en kan daarvoor eenmaal herkansen als hij niet geslaagd is.
   3° vóór de overheveling niet geslaagd is voor de door de federale overheid georganiseerde competentiemeting of gecertificeerde opleiding, kan zich na de overheveling nog eenmaal inschrijven voor deelname aan de eerstvolgende door de federale overheid georganiseerde competentiemeting of gecertificeerde opleiding.]1
  [2 § 4. Het personeelslid overgeheveld van de Nationale Plantentuin van België dat:
   1° vóór de overheveling ingeschreven was voor de deelname aan of geslaagd was voor een of meer onderdelen van een overgangsexamen bij de federale overheid, kan na de overheveling nog eenmaal (verder) deelnemen aan de eerstvolgende onderdelen van het overgangsexamen die door de federale overheid georganiseerd worden;
   2° vóór de overheveling ingeschreven was voor de deelname aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding bij de federale overheid, kan na de overheveling deelnemen aan de eerstvolgende competentiemeting of gecertificeerde opleiding die door de federale overheid georganiseerd wordt.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-12-02/41, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 16-11-2010>
  (2)<BVR 2014-05-23/18, art. 3, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (3)<BVR 2017-01-27/13, art. 23, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 6.149bis.[1 § 1. De vanaf 1 januari 2015 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid overgehevelde ambtenaar die geslaagd is voor een overgangsexamen naar het hogere niveau bij de federale overheid, behoudt het voordeel van het slagen voor het overgangsexamen naar het hogere niveau bij de diensten van de Vlaamse overheid. [2 ...]2.
   § 2. De vanaf 1 januari 2015 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid overgehevelde ambtenaar van niveau B die geslaagd is voor een bekwaamheidsproef die toegang geeft tot de klasse A2 bij de federale overheid, behoudt het voordeel van het slagen voor het overgangsexamen naar niveau A bij de diensten van de Vlaamse overheid. [2 ...]2.
   § 3. Het vanaf 1 januari 2015 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid overgehevelde personeelslid dat :
   1° vóór de overheveling ingeschreven was voor de deelname aan of geslaagd was voor een of meer onderdelen van een overgangsexamen bij de federale overheid, kan na de overheveling nog eenmaal deelnemen aan de eerstvolgende onderdelen van het overgangsexamen die door de federale overheid georganiseerd worden;
   2° vóór de overheveling ingeschreven was voor de deelname aan een competentiemeting of gecertificeerde opleiding bij de federale overheid, kan na de overheveling deelnemen aan de eerstvolgende competentiemeting of gecertificeerde opleiding die door de federale overheid georganiseerd wordt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-11-13/17, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 24, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 6.149ter. [1 De ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is en die geslaagd is voor een overgangsexamen naar het hogere niveau bij de provinciale overheid, behoudt het voordeel van het slagen voor het overgangsexamen naar het hogere niveau bij de diensten van de Vlaamse overheid.
   De ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is en die vóór de overheveling ingeschreven was voor de deelname aan of geslaagd was voor een of meer onderdelen van een overgangsexamen bij de provinciale overheid, kan na de overheveling nog één keer deelnemen aan de eerstvolgende onderdelen van het overgangsexamen die de provinciale overheid organiseert.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-12-15/20, art. 3, 041; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 6.150.[1 § 1. De van de Federale Overheidsdienst Financiën [2 en de Nationale Plantentuin van België]2 overgehevelde ambtenaar die bij de diensten van de Vlaamse overheid wordt ingeschaald in een graad waaraan een functionele loopbaan verbonden is, heeft in de salarisschaal die verbonden is aan die graad, een schaalanciënniteit gelijk aan :
   1° een derde van zijn graadanciënniteit in zijn oude graad of in de oude graden die op dezelfde trap van dezelfde functionele loopbaan ingeschakeld worden, voor de graadanciënniteit tussen 0 en 12 jaar;
   2° twee derde van zijn graadanciënniteit, berekend overeenkomstig 1°, voor de graadanciënniteit boven de 12 jaar.
   Het resultaat van die berekening wordt uitgedrukt in volledige maanden.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 krijgt de ambtenaar die op de datum van overheveling geslaagd is voor een competentiemeting of een gecertificeerde opleiding, voor de periode vanaf de datum van inschrijving voor die meting of opleiding een schaalanciënniteit die gelijk is aan de graadanciënniteit in zijn oude graad of oude graden die op dezelfde trap van dezelfde functionele loopbaan ingeschakeld worden. Voor de periode vóór de inschrijving voor die meting of opleiding wordt de schaalanciënniteit berekend overeenkomstig paragraaf 1.
   § 3. Als voor de inschakeling in de functionele loopbaan naast de oude graad ook de oude salarisschaal bepalend is, is in afwijking van paragraaf 1 en voor de toepassing van paragraaf 2 en 4, de graadanciënniteit gelijk aan de periode van toekenning van die salarisscha(a)l(en).
   § 4. Voor de ambtenaar die in de beginsalarisschaal van de functionele loopbaan wordt ingeschaald, is in afwijking van paragraaf 1 de schaalanciënniteit gelijk aan de graadanciënniteit zoals vermeld in paragraaf 3.
   § 5. Het resultaat van de berekening kan een kleiner of een groter aantal jaren schaalanciënniteit opleveren dan vereist is voor de overgang naar de volgende salarisschaal in de functionele loopbaan. Het eventuele restsaldo aan schaalanciënniteit gaat verloren zodat de ambtenaar in de nieuwe schaal start met 0 jaar schaalanciënniteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-12-02/41, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 16-11-2010>
  (2)<BVR 2014-05-23/18, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 6.150bis.[1 § 1. De ambtenaar die vanaf 1 januari 2015 overgeheveld is in het kader van een staatshervorming van de federale overheid en die bij de diensten van de Vlaamse overheid wordt ingeschaald in een graad waaraan een functionele loopbaan verbonden is, heeft in de salarisschaal die verbonden is aan die graad, een schaalanciënniteit die gelijk is aan:
   1° een derde van de anciënniteit die hij verworven heeft in zijn federale schaal op de datum van de overheveling of in de oude schalen die op dezelfde trap van dezelfde functionele loopbaan ingeschakeld worden, voor de anciënniteit tussen nul en twaalf jaar;
   2° twee derde van de anciënniteit in zijn federale schaal die hij had op de datum van de overheveling, berekend overeenkomstig 1°, voor de anciënniteit boven de twaalf jaar.
   Het resultaat van die berekening, vermeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt in volledige maanden.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 krijgt de ambtenaar die op de datum van overheveling geslaagd is voor een competentiemeting of een gecertificeerde opleiding, voor de periode vanaf de datum van de inschrijving voor die meting of opleiding een schaalanciënniteit die gelijk is aan de anciënniteit in zijn oude schaal die hij had op de datum van de overheveling of in de oude schalen die op dezelfde trap van dezelfde functionele loopbaan ingeschakeld worden. Voor de periode vóór de inschrijving voor die meting of opleiding wordt de schaalanciënniteit berekend conform paragraaf 1.
   § 3. Voor de ambtenaar die in de beginsalarisschaal van de functionele loopbaan wordt ingeschaald, is in afwijking van paragraaf 1 de schaalanciënniteit gelijk aan de anciënniteit, vermeld in paragraaf 2.
   § 4. Het resultaat van de berekening, vermeld in de paragrafen 1, 2 en 3, kan een kleiner of een groter aantal jaren schaalanciënniteit opleveren dan vereist is voor de overgang naar de volgende salarisschaal in de functionele loopbaan. Het restsaldo aan schaalanciënniteit vervalt.]1
  ----------
  (1)<BVR 2019-06-28/45, art. 1, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 6.150ter. [1 Het personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is en dat bij de diensten van de Vlaamse overheid wordt ingeschaald in een graad waaraan een functionele loopbaan verbonden is, behoudt de schaalanciënniteit die het bij de provincie in de overeenkomstige schaal op de datum van de overheveling heeft opgebouwd, rekening houdende met de gecumuleerde schaalanciënniteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-12-15/20, art. 4, 041; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

  Art. 6.151. [1 De vastbenoemde gewestelijk ontvanger die overgedragen wordt van het Vlaams Gewest, wordt met ingang van 1 januari 2013 ambtshalve benoemd in de graad van adviseur, en heeft in de salarisschaal die verbonden is aan die graad een schaalanciënniteit die gelijk is aan :
   1° een derde van zijn graadanciënniteit in zijn oude graad van gewestelijk ontvanger, voor de graadanciënniteit tussen nul en twaalf jaar;
   2° twee derde van zijn graadanciënniteit in zijn oude graad van gewestelijk ontvanger voor de graadanciënniteit boven de twaalf jaar.
   Het resultaat van die berekening wordt uitgedrukt in volledige maanden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2013-02-01/12, art. 6, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  Art. 6.152. [1 Tot de datum waarop de federale overheid de machtiging tot oprichting van de GDPB verleent, worden in deel VI, titel 7, hoofdstuk 4 en in deze titel onder de benaming "GDPB" de "IDPB voor de ministeries van de diensten van de Vlaamse overheid" verstaan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-01-10/16, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.153. [1 § 1. De preventieadviseur-coördinator die op 30 september 2013 aangewezen is in het mandaat van preventieadviseur-coördinator bij een IDPB behoudt de rang A2A.
  § 2. Een preventieadviseur die belast is met de leiding van de dienst neemt de leiding waar van de GDPB in afwachting van de aanwijzing van een preventieadviseur-coördinator bij de GDPB.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-01-10/16, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.154. [1 De procedures tot aanwijzing of aanstelling in de functies van preventieadviseur-coördinator of van preventieadviseur die binnen de diensten van de Vlaamse overheid aangevat werden voor 1 oktober 2013 worden verdergezet overeenkomstig de reglementering van kracht bij de aanvang ervan.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-01-10/16, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 6.155.[1 De lijnmanager van het [3 Agentschap Overheidspersoneel]3 kan de preventieadviseur-coördinator of preventieadviseur van een entiteit, raad of instelling met een IDPB die aansluit bij de GDPB, overplaatsen naar de GDPB, na het akkoord van het Hoog Overlegcomité Vlaamse Gemeenschap-Vlaams Gewest.
  Bij overplaatsing van de preventieadviseur-coördinator overeenkomstig het eerste lid wordt die aangesteld als preventieadviseur met behoud van de salarisschaal A 287.
  Als geen overplaatsing plaatsvindt, wordt de aanwijzing van de preventieadviseur-coördinator of de aanstelling van de preventieadviseur beëindigd overeenkomstig de wettelijke bepalingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-01-10/16, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (2)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (3)<BVR 2020-09-11/13, art. 21, 060; Inwerkingtreding : 01-09-2020>

  Art. 6.156.[1 De lijnmanager van het [3 Agentschap Overheidspersoneel]3 kan bij aansluiting van nieuwe leden bij de GDPB, die niet tot de diensten van de Vlaamse overheid behoren en voordien over een interne preventiedienst beschikten, met het akkoord van het Hoog Overlegcomité Vlaamse Gemeenschap-Vlaams Gewest, preventieadviseurs van deze interne preventiedienst in de werking van de GDPB inschakelen, onder de leiding van de preventieadviseur-coördinator van de GDPB. Die inschakeling gebeurt voor een termijn van maximaal zes jaar die meermaals kan worden verlengd met het akkoord van het Hoog Overlegcomité Vlaamse Gemeenschap-Vlaams Gewest. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-01-10/16, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (2)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (3)<BVR 2020-09-11/13, art. 22, 060; Inwerkingtreding : 01-09-2020>

  Art. 6.157. [1 § 1. Als in het personeelsplan van de entiteit geen betrekking is opgenomen in de graad of graden van de wetenschappelijke loopbaan waarvan de ambtenaar titularis is, kan de benoemende overheid aan de titularis van een wetenschappelijke graad in die entiteit op zijn verzoek een graadverandering toekennen naar de overeenkomstige administratieve graad.
   § 2. Bij een graadverandering als vermeld in paragraaf 1 behoudt de ambtenaar de verworven anciënniteiten. In voorkomend geval gebeurt de inschakeling op de overeenkomstige trap van de functionele loopbaan. De ambtenaar heeft nooit een lager salaris dan hij in zijn vorige salarisschaal zou hebben gehad volgens de regeling die van toepassing is op de datum van de graadverandering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-21/48, art. 59, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 6.158.[1 § 1. Na de overheveling van de federale overheid naar de diensten van de Vlaamse overheid in het kader van een staatshervorming kan de ambtenaar die op datum van overheveling titularis is van de titel van attaché, adviseur of adviseur-generaal in klasse A2, A3 of A4 en die in het bezit is van een diploma dat bij aanwerving bij de Vlaamse overheid toegang geeft tot de graad van ingenieur, informaticus, arts of dierenarts, een graadverandering krijgen naar een andere graad met inschaling in een salarisschaal overeenkomstig de volgende tabel als de ambtenaar slaagt voor dezelfde proef of hetzelfde examen als de proef of het examen voor aanwerving of bevordering in die graad:
  

  
Federale schaal Vlaamse schaal na graadverandering Vlaamse graad na graadverandering
A21 A121 ingenieur, arts, informaticus of dierenarts
A22 A122
  
A23 A122 (A121 SH)
  
A31 A123
  
A32 A124
  
A33 A221 directeur-ingenieur, directeur-arts, directeur-informaticus, directeur-dierenarts, adviseur-ingenieur, adviseur-arts, adviseur-informaticus, of adviseur-dierenarts
A41 A222

In afwijking van het eerste lid moet de ambtenaar die bij de federale overheid geslaagd is voor een aanwervingsexamen waarvoor uitsluitend een of meer diploma's vereist zijn zoals vermeld in het eerste lid, slagen voor een proef die minstens een interview voor een jury bevat.
   Als de vacature via graadverandering vervuld wordt, kan de lijnmanager de oproep richten tot kandidaten van de entiteit, van het beleidsdomein in kwestie of van alle beleidsdomeinen.
   § 2. Bij de graadverandering, vermeld in paragraaf 1 behoudt de ambtenaar de verworven anciënniteiten en wordt hij ingeschaald in de salarisschaal die verbonden is aan de nieuwe graad met een schaalanciënniteit die berekend wordt conform artikel VI 150bis uitgaande van de datum waarop hij bij de federale overheid de titel van attaché, adviseur of adviseur-generaal in klasse A2, A3 of A4 verkreeg.]1
  ----------
  (1)<BVR 2019-06-28/45, art. 2, 050; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 6.159. [1 De personeelsleden met de graad van IWT-adviseur behouden bij hun overdracht aan een andere entiteit de volgende functionele loopbaan :
   In rang A2 - IWT-adviseur :
   1. van de eerste naar de tweede salarisschaal na drie jaar
   van A201 naar A202
   2. van de tweede naar de derde salarisschaal na zes jaar
   van A202 naar A221
   3. van de derde naar de vierde salarisschaal na drie jaar
   van A221 naar A282.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-03-04/14, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 6.160.[1 Wie meedingt naar een betrekking via een procedure opgenomen in deel VI van dit besluit, wordt, als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van de test van de generieke competenties voor een graad, functie, mandaat of tijdelijke aanstelling, niet getest voor de competenties waarvoor hij vrijgesteld is. Deze vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van de test van de generieke competenties, behalve bij een onvoldoende.
   Wie meedingt naar een betrekking via een procedure opgenomen in deel VI van dit besluit, wordt, als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van een test van de functiespecifieke competenties voor die functie, niet getest voor de gedragscompetenties en de vaktechnische competenties die overeenkomstig de functiebeschrijving nodig zijn voor de functie. Deze vrijstelling geldt voor de resterende duur van de vrijstelling van de test van de functiespecifieke competenties of van de gehele test van functiespecifieke competenties voor die functie, behalve bij een onvoldoende.
   Wie meedingt naar een betrekking via een procedure opgenomen in deel VI van dit besluit, wordt, als hij [2 op 30 juni 2016]2 vrijgesteld was van een test van de externe potentieelinschatting voor die functie, vrijgesteld van de externe potentieelinschatting, als het selectiereglement een externe potentieelinschatting vermeldt, behalve bij een onvoldoende.]1
  [2 Wie meedingt naar een betrekking via een procedure als vermeld in deel VI van dit besluit, wordt, als hij geslaagd was voor een overgangsexamen naar het hogere niveau op 30 juni 2016 of op een latere datum in toepassing van de artikelen VI 129, VI 149 of VI 149bis, niet getest voor de competenties die getest zijn in het generieke gedeelte van het overgangsexamen. De vrijstelling geldt voor de resterende duur van de geldigheid van de werfreserve, behalve bij een onvoldoende.]2
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 85, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 25, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 6.161. [1 In afwijking van art. VI 18 § 2, eerste lid, kan een contractueel personeelslid meedingen voor een vaste betrekking in een gelijkwaardige functie via de horizontale mobiliteit als hij overeenkomstig artikel III 22 bij aanwerving voor die graad vrijgesteld is van het generieke gedeelte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 85, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  Art. 6.162. [1 Selecties overeenkomstig één van de procedures opgenomen in deel VI van dit besluit, die aangevat werden vóór 1 juli 2016, worden verder gezet overeenkomstig de reglementering die van kracht was bij de aanvang van de procedures.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-06-24/15, art. 85, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
  

  Art. 6.163. [1 Langdurige verloven die voor 1 februari 2017 toegekend werden aan de houder van een IT-mandaat van rang A2A of de houder van een mandaat van preventieadviseur-coördinator, blijven verder lopen tot aan de goedgekeurde einddatum.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-01-27/13, art. 26, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  

  Art. 6.164. [1 In afwijking van artikel VI 14 behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en de ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij herplaatsing naar een graad van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 15, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  

  Art. 6.165. [1 In afwijking van artikel VI 26, § 1 behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en de ambtenaar die vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een graad van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.
   In afwijking van artikel VI 26, § 2 behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een contractuele functie met een salarisschaal van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.
   In afwijking van artikel VI 26, § 3, behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2015 tot 31 december 2018 in het kader van een staatshervorming en het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van de afslanking van de provincies overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat respectievelijk conform artikel VII 190 en artikel VII 202 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal respectievelijk conform bijlage 14 en bijlage 17, die bij dit besluit zijn gevoegd, bij overplaatsing door horizontale mobiliteit naar een statutaire functie met een overeenstemmende of gelijkwaardige inhoud van dezelfde rang zijn salarisschaal in overgangsregeling tot op het moment dat zijn organieke regeling voordeliger is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 15, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  

  Art. 6.166. [1 De ambtenaar die vanaf 1 januari 2019 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid overgeheveld is en die bij de federale overheid geslaagd is voor een overgangsexamen naar het hogere niveau, behoudt het voordeel van het slagen voor het overgangsexamen naar het hogere niveau bij de diensten van de Vlaamse overheid.
   De ambtenaar die vanaf 1 januari 2019 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid overgeheveld is en die vóór de overheveling ingeschreven is voor de deelname aan of geslaagd is voor een of meer onderdelen van een overgangsexamen bij de federale overheid, kan na de overheveling nog één keer deelnemen aan de eerstvolgende onderdelen van het overgangsexamen die de federale overheid organiseert.
   De ambtenaar die vanaf 1 januari 2019 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid FAMIFED overgeheveld is en die op 1 januari 2019 nog niet geslaagd is voor het laatste functiespecifieke gedeelte van het overgangsexamen, is vrijgesteld van het slagen voor dat gedeelte van het overgangsexamen bij de federale overheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-06-28/46, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 6.167. [1 In afwijking van artikel VI 14 behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2019 in het kader van een staatshervorming overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die conform artikel VII 209 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is conform bijlage 19 die bij dit besluit is gevoegd, bij herplaatsing naar een graad van dezelfde rang, zijn geldelijke regeling vermeld in artikel VII 209, als die voordeliger is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-06-28/46, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 6.168. [1 In afwijking van artikel VI 26, § 1, behoudt de ambtenaar die vanaf 1 januari 2019 in het kader van een staatshervorming overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en die conform artikel VII 210 met ingang van de datum van de overheveling ambtshalve benoemd en ingeschaald is conform bijlage 19 die bij dit besluit is gevoegd, bij overplaatsing naar een graad van dezelfde rang, zijn geldelijke regeling, vermeld in artikel VII 209, als die voordeliger is.
   In afwijking van artikel VI 26, § 2, eerste lid, behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2019 in het kader van een staatshervorming overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat conform artikel VII 209 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal conform bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, bij overplaatsing naar een contractuele functie met een salarisschaal van dezelfde rang, zijn geldelijke regeling, vermeld in artikel VII 209, als die voordeliger is.
   In afwijking van artikel VI 26, § 2, tweede lid, behoudt het contractuele personeelslid dat vanaf 1 januari 2018 in het kader van een staatshervorming overgeheveld is naar de diensten van de Vlaamse overheid en dat conform artikel VII 209 met ingang van de datum van de overheveling tewerkgesteld is in de betrekking en bezoldigd in de salarisschaal conform bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, bij overplaatsing naar een statutaire functie met een overeenstemmende of gelijkwaardige inhoud van dezelfde rang, zijn geldelijke regeling vermeld in artikel VII 209, als die voordeliger is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-06-28/46, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 6.169. [1 De ambtenaar die vanaf 1 januari 2019 in het kader van een staatshervorming van de federale overheid overgeheveld is en die bij de diensten van de Vlaamse overheid wordt ingeschaald in een graad waaraan een functionele loopbaan verbonden is, heeft in de salarisschaal die verbonden is aan die graad, op 1 januari 2019 een schaalanciënniteit die gelijk is aan de geldelijke anciënniteit die hij sinds 1 januari 2017 bij de federale overheid heeft opgebouwd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-06-28/46, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 6.170. [1 In afwijking van artikel VI 109 behoudt de pedagogisch adviseur en de bedrijfsadviseur, die als gevolg van de ontbinding van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - SYNTRA Vlaanderen is overgeplaatst, de functionele loopbaan in rang A1, die bestaat uit de salarisschalen A111, A112, A120 en A114. De tweede, derde en vierde salarisschaal worden bereikt na respectievelijk drie jaar, negen jaar en negen jaar schaalanciënniteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2020-11-27/16, art. 2, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  

  DEEL VII. - DE VERLONING. <Deel VII, bestaande uit de artikelen 7.1 tot en met 7.4, is vervangen door een deel VII, bestaande uit de artikelen 7.5 tot en met 7.151, bij BVR 2007-03-16/55, art. 58, 005; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  TITEL I.- HET SALARIS. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK 1. - De bepaling van het salaris tegen 100 %. <BVR 2007-03-16/55, art. 58, 005; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.1.<BVR 2007-03-16/55, art. 58, 005; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De ambtenaar wordt bezoldigd in de salarisschaal zoals bepaald in artikel VII 12 en ontvangt het salaris dat overeenstemt met het aantal jaren geldelijke anciënniteit.
  § 2. Het contractuele personeelslid geniet de beginsalarisschaal van de ambtenaar met dezelfde of een gelijkwaardige betrekking, tenzij reglementair anders is bepaald.
  § 3. De geldelijke regeling van de onderstaande contractuele personeelsleden wordt bij de aanwerving vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, in overleg met de functionele minister(s) :
  1° een contractueel personeelslid dat in het kader van de tijdelijke en uitzonderlijke personeelsbehoeften, een betrekking uitoefent die niet vergelijkbaar is met andere statutaire en contractuele functies, en waarvan de geldelijke regeling niet reglementair is vastgesteld;
  2° een contractueel personeelslid met een hooggekwalificeerde betrekking, met uitzondering van de N-functies en de functies van algemeen directeur, die bij arbeidsovereenkomst worden uitgeoefend.
  [1 3° een contractueel personeelslid dat een van de volgende bijkomende of specifieke opdrachten uitoefent :
   a) Vlaams bouwmeester [2 ...]2;
   b) programmamanager financieel hervormingstraject bij het Departement Financiën en Begroting;
   c) projectmanager Vlaams Fiscaal Platform bij het Departement Financiën en Begroting;
   d) projectmanager migratie gewestbelastingen bij het intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Belastingdienst;
   e) ICT-manager bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.]1
  § 4. De arbeidsvoorwaarden en de geldelijke voorwaarden van de contractuele personeelsleden die in dienst zijn genomen ter ondersteuning van het personeel dat Vlaanderen in het buitenland vertegenwoordigt, worden bepaald door het hoofd van de entiteit, raad of instelling.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 64, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  (2)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>

  Art. 7.2.[1 § 1. Voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit bij aanwerving en het opnemen van een nieuwe functie valoriseert de benoemende of indienstnemende overheid de ervaring uit de publieke sector, als begunstigde van een beurs bij een erkende onderwijsinstelling of openbare instelling, en de functierelevante ervaring uit de private sector of als zelfstandige.
   De lijnmanager van het Agentschap Overheidspersoneel beslist over het openbare karakter van de diensten of instellingen uit de publieke sector.
   § 2. De perioden van afwezigheid die overeenkomstig de in de betrokken dienst of instelling geldende regeling gelijkgesteld worden met dienstactiviteit, worden gelijkgesteld met ervaring als vermeld in paragraaf 1, eerste lid.
   § 3. Voor de valorisatie van ervaring uit de private sector of als zelfstandige:
   1° worden de volgende gebeurtenissen gelijkgesteld met aanwerving als vermeld in paragraaf 1, eerste lid:
   a) het personeelslid verandert van hoedanigheid binnen dezelfde entiteit;
   b) de arbeidsovereenkomst van het contractuele personeelslid wordt aangepast, op voorwaarde dat die contractwijziging via een objectieve selectie wordt doorgevoerd;
   2° komt voor de loodsen, de speciaal assistent met de functie van matroos of de functie van stoker, de schipper met de functie van bootsman of de functie van schipper, de motorist, de scheepstechnicus en de hoofdscheepstechnicus alleen de vaartijd die verworven is nadat het vereiste basisdiploma behaald is, voor valorisatie in aanmerking.
   § 4. Prestaties in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel VI 30ter, 3°, worden gevalideerd aan de hand van een attest, afgeleverd door het Departement Onderwijs en Vorming of door de desbetreffende onderwijsinstelling. Alleen de prestaties die verricht zijn als titularis van een bezoldigd ambt of die betaald zijn met een weddetoelage komen in aanmerking.
   De prestaties, vermeld op het attest, vermeld in het eerste lid, die in tienden zijn betaald, worden in aanmerking genomen volgens de volgende formule: het aantal dagen van een periode van prestaties wordt vermenigvuldigd met 1,2 en vervolgens gedeeld door 30. Het quotiënt, zonder rekening te houden met de cijfers na de komma, bepaalt het aantal maanden.
   § 5. Bij het opnemen van een nieuwe functie als vermeld in paragraaf 1, behoudt het personeelslid ten minste de ervaring uit de private sector of als zelfstandige die op dat ogenblik al gevaloriseerd is.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-04-20/03, art. 30, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 7.2bis. [1 Voor de periodieke salarisverhogingen tijdens de loopbaan in de functie komen alle perioden van dienstactiviteit in aanmerking.
   Contractuele prestaties met een deeltijds contract komen in aanmerking volgens de prestatieregeling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-04-20/03, art. 31, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  

  Art. 7.2ter. [1 § 1. De diensten die in aanmerking komen, worden berekend per kalendermaand.
   De duur van de gevaloriseerde prestaties in zowel de publieke als de private sector mag nooit meer bedragen dan de werkelijke duur van de gepresteerde diensten.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 komen de gepresteerde onvolledige kalendermaanden toch in aanmerking als de begindatum van de tewerkstelling vóór of op de 15de van de maand valt of als de einddatum op of na de 15de van de maand valt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-04-20/03, art. 31, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  

  Art. 7.2quater. [1 Voor het personeelslid dat bevorderd is tot niveau A, wordt de geldelijke anciënniteit aangerekend vanaf de leeftijd van 23 jaar.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-04-20/03, art. 31, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  

  Art. 7.2quinquies. [1 Met behoud van de toepassing van artikel VII 2 tot en met artikel VII 2quater komen voor de geldelijke anciënniteit van een lid van het wetenschappelijk personeel ook de volgende opdrachten, prestaties en activiteiten in aanmerking:
   1° een opdracht in het belang van het hoger onderwijs of van de wetenschap zonder salaris of in non-activiteit;
   2° prestaties als lid van het onderwijzend of wetenschappelijk personeel, met inbegrip van de vrijwillige assistenten, van een Belgische universiteit of van een daarmee wettelijk gelijkgestelde instelling of van een buitenlandse universiteit, waarvan de diploma's als gelijkwaardig erkend worden;
   3° de wetenschappelijke activiteiten van het personeelslid, als begunstigde van een bezoldiging, toelage of beurs die toegekend is door:
   a) een staat waarmee België, een gemeenschap of een gewest een cultureel, wetenschappelijk of technologisch akkoord of een culturele, wetenschappelijke of technologische overeenkomst heeft gesloten, in het kader van dat akkoord of die overeenkomst;
   b) de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek die erkend zijn door de Vlaamse Regering;
   4° de wetenschappelijke activiteiten bij een erkende wetenschappelijke instelling.
   De lijnmanager van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie kan ook de wetenschappelijke activiteiten van het wetenschappelijk personeelslid bij andere instellingen dan de instellingen, vermeld in het eerste lid, 3° en 4°, valoriseren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-04-20/03, art. 31, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  

  Art. 7.2sexies. [1 De deeltijdse prestaties die binnen de openbare dienst verplicht zijn in het kader van de stages van jongeren, komen met ingang van 1 januari 2007 in aanmerking voor de berekening van het salaris.
   De onvolledige prestaties tegen 80% die conform het koninklijk besluit nr. 259 van 31 december 1983 betreffende de duur der prestaties van de personeelsleden tijdens het eerste jaar van de indiensttreding als volledige prestaties beschouwd zijn, komen in aanmerking voor de berekening van het salaris.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-04-20/03, art. 31, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
  

  Art. 7.2septies. [1 § 1. Om de functie van leertrajectbegeleider te kunnen uitoefenen, is twee jaar nuttige praktijkervaring vereist.
   § 2. De volgende ervaring wordt als nuttige praktijkervaring als vermeld in paragraaf 1, aanvaard:
   1° de voltijdse of deeltijdse praktijkervaring als lesgever van bepaalde of onbepaalde duur of als leertijdverantwoordelijke in de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, vermeld in artikel 26/2, § 1, 1° van het decreet van 16 maart 2012 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid;
   2° de voltijdse of deeltijdse praktijkervaring als bediende op een leersecretariaat;
   3° de voltijdse of deeltijdse praktijkervaring in jongerenwerking;
   4° de voltijdse of deeltijdse praktijkervaring met school- en loopbaanbegeleiding;
   5° de combinatie van de bovenvermelde categorieën als ze samen een voltijdse ervaring vormen.
   In het eerste lid wordt verstaan onder voltijds:
   1° 720 uur per jaar voor een lesgever bepaalde duur in de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   2° 1080 uur per jaar voor een lesgever onbepaalde duur in de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   3° 38 uur per week voor leertijdverantwoordelijke in de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;
   4° 38 uur per week voor een bediende op een leersecretariaat;
   5° 38 uur per week voor jongerenwerking;
   6° 38 uur per week voor school- en loopbaanbegeleiding.
   § 3. Om de salarisverhogingen voor de leertrajectbegeleider toe te kennen, kunnen de voorgaande deeltijdse prestaties die verricht worden als lesgever in verschillende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen worden samengeteld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2020-11-27/16, art. 3, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  

  Art. 7.3.<BVR 2007-03-16/55, art. 58, 005; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Een ambtenaar die bevorderd wordt in graad of salarisschaal heeft nooit een lager salaris dan hij in zijn vorige graad of salarisschaal zou hebben genoten volgens de regeling die van toepassing is op de datum van de bevordering.
  § 2. [1 Het personeelslid dat wordt herplaatst, overgeplaatst, een specifieke graadverandering krijgt of wordt teruggezet in graad, wordt ingeschaald conform artikel VI 14, VI 25, VI 26, VI 59 en VI 66.]1
  § 3. Als aan het bekleden van een bepaalde functie een hogere salarisschaal verbonden is, dan verliest de ambtenaar het recht op die salarisschaal in geval van wijziging van dienstaanwijzing.
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 86, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 7.4. <BVR 2007-03-16/55, art. 58, 005; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Voor een ambtenaar die een onvoldoende als functioneringsevaluatie heeft gekregen, wordt de eerstvolgende periodieke salarisverhoging gedurende zes maanden uitgesteld.

  Art. 7.5.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Als het salaris, verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, van een ambtenaar van 21 jaar lager is dan [1 13.499,00]1 euro (100 %), wordt het verschil toegekend in de vorm van een bijslag op het salaris.
  § 2. Als het salaris voor volledige prestaties, verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, van een contractueel die 21 jaar oud is, lager is dan [1 12.727,66]1 euro (100 %), wordt het verschil toegekend in de vorm van een bijslag op het salaris.
  § 3. Voor het bepalen van de leeftijd van het personeelslid wordt de verjaardag die niet op de eerste van de maand valt, steeds verschoven naar de eerste van de volgende maand.
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 7.5bis. [1 Voor de berekening van de verbrekingsvergoeding vermeld in artikel XI 6 en XI 8bis, wordt het bruto weeksalaris bekomen door het bruto maandsalaris te delen door dertien en te vermenigvuldigen met drie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-04-26/35, art. 11, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>
  

  HOOFDSTUK 2. - De verrekening van onbezoldigde afwezigheden. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.6.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Als het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het bedrag van het maandloon berekend volgens de volgende formule :

  
M=VW/PWXn%xNM


  Daarbij geldt :
  M = het te betalen maandloon (100 %);
  VW = het aantal gepresteerde werkdagen of daarmee gelijkgestelde dagen krachtens § 3 van dit artikel;
  PW = het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkrooster van het personeelslid;
  n % = het percentage waaraan het personeelslid prestaties verricht;
  NM = het normale maandsalaris (100 %) = het jaarsalaris/12 (100 % en voor voltijdse prestaties).
  [2 In geval van combinatie van verlof voor deeltijdse prestaties en andere onbezoldigde afwezigheden, geldt in afwijking van het eerste lid, voor de personeelsleden met de graad van loods, operationele functie:
   VW = het normaal aantal beschikbaarheidsdagen op jaarbasis volgens zijn prestatieregime gedeeld door 12, verminderd met het aantal dagen onbetaalde afwezigheden.
   PW = het normaal aantal beschikbaarheidsdagen op jaarbasis volgens zijn prestatieregime gedeeld door 12.]2
  § 2. [1 [4 Het personeelslid dat afwezig is als gevolg van verlof voor deeltijdse prestaties ontvangt een salarisbonus berekend overeenkomstig paragraaf 2bis als aan één van de volgende voorwaarden voldaan is:
   1° het personeelslid heeft de leeftijd van 60 jaar bereikt;
   2° het personeelslid heeft een kind ten laste dat recht geeft op bijkomende kinderbijslag wegens zijn aandoening of handicap;
   3° het personeelslid heeft als éénouder gezin ten minste één kind jonger dan vijftien jaar ten laste;
   4° het personeelslid verstrekt mantelzorg aan een inwonend gezins- of familielid in de eerste of tweede graad.
   In de gevallen vermeld onder punt 2°, 3° en 4° wordt de salarisbonus gedurende een periode van maximaal 5 jaar toegekend.]4]1
  [4 § 2bis. Als het salaris van het in de paragraaf 2 vermelde personeelslid minder dan 35.000 euro (à 100%) bedraagt, ontvangt hij het salaris dat verschuldigd is voor het verlof voor deeltijdse prestaties zoals bepaald in paragraaf 1, vermenigvuldigd met het quotiënt van de volgende deling:
   de deeltijdse prestaties in % + 20 % van het deeltijds niet-gepresteerde deel in %
   de deeltijdse prestaties in %.
   Als het salaris van het in de paragraaf 2 vermelde personeelslid minder dan 37.000 euro (à 100 %), maar meer dan 35.000 euro (à 100 %) bedraagt, bedraagt het in het eerste lid vermelde percentage van het deeltijds niet-gepresteerde deel 15 %.
   Het quotiënt wordt berekend tot op vier decimalen.
   Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder salaris verstaan, het jaarsalaris vermeerderd met de maandelijkse betaalde toelagen, met uitzondering van de toelage voor prestaties buiten de normale arbeidstijdregeling, de gevarentoelage, de permanentietoelage en de toelage voor ploegenarbeid.]4
  [4 § 2ter. Voor de ambtenaar die erkend is als een persoon met een chronische ziekte of handicap, en door de [5 arbeidsarts]5 werd toegelaten tot de deeltijdse prestaties wegens handicap of chronische ziekte vermeld in artikel X 27bis, bedraagt het in paragraaf 2bis, eerste lid, vermelde percentage van het deeltijds niet-gepresteerde deel 30%.
   Het salarisplafond vermeld in paragraaf 2bis, eerste en tweede lid is niet van toepassing.]4
  § 3. De afwezigheidsdagen waarop volgens deel X het salaris wordt doorbetaald, worden met gepresteerde werkdagen gelijkgesteld, onverminderd artikel VIII 3 en VIII 4 en artikel IX 4.
  § 4. Voor het contractuele schoonmaak- en cateringpersoneel met wisselende prestaties wordt het maandsalaris berekend aan de hand van de volgende breuk :

  
aantal uren werkelijke prestaties op een jaar
  -------------------------------------------------------
  1976


  [3 § 5. In afwijking van paragraaf 1 ontvangen de personeelsleden met de graad van loods, functie operationele loods, het volledige salaris als zij ten vroegste vanaf de leeftijd van 58 jaar tot aan hun pensionering zijn ingeschakeld in de voor hen specifiek uitgewerkte dienst- en beurtregeling van "vijf dagen op - zes dagen af.]3
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 98, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2017-09-22/03, art. 1,1°, 040; Inwerkingtreding : 01-11-2016>
  (3)<BVR 2017-09-22/03, art. 1,2°, 040; Inwerkingtreding : 01-10-2017>
  (4)<BVR 2017-12-15/23, art. 6, 042; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  (5)<BVR 2020-07-17/69, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 01-08-2020>

  Art. 7.7.[1 Als een ambtenaar overlijdt wordt het volledige maandsalaris betaald aan zijn rechthebbende(n).]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>

  Art. 7.8.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Het contractuele personeelslid dat als arbeider in dienst werd genomen en arbeidsongeschikt is wegens ziekte of ongeval van gemeen recht, heeft na het verstrijken van de periode waarin het loon volledig is gewaarborgd, recht op aanvullend loon volgens de regeling die geldt in de privésector.
  Voor een contractueel personeelslid [3 ...]3 dat als bediende wordt tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van minder dan 3 maanden of voor een welomschreven werk dat normaal een tewerkstelling vergt van minder dan 3 maanden, geldt voor het aanvullend loon dezelfde regeling als voor een contractueel personeelslid met de hoedanigheid van arbeider.
  [4 ...]4
  [2 Het contractuele personeelslid behoudt het recht op bezoldiging voor de feestdagen [4 en vervangende vakantiedagen vermeld in artikel X 11, § 2, eerste lid]4 die vallen in een periode van 30 dagen die volgt op de aanvang van de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst die het gevolg is van een :
   a) een ziekte of ongeval;
   b) een arbeidsongeval of een beroepsziekte die een algehele arbeidsongeschiktheid meebrengt;
   c) een periode van moederschapsrust.]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 67, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 100, 014; Inwerkingtreding : 16-03-2007>
  (3)<BVR 2017-01-27/13, art. 28, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
  (4)<BVR 2019-04-26/35, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  HOOFDSTUK 3. - De betaling van het maandsalaris. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.9. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Het salaris volgt de evolutie van het gezondheidsindexcijfer overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk worden gekoppeld, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982 en onverminderd artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  Het salaris tegen 100 % wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.

  Art. 7.10.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Het maandsalaris is gelijk aan 1/12 van het geïndexeerde salaris. Het wordt na verlopen termijn via [1 een Europese SEPA-]1 overschrijving betaald, met als valutadatum de laatste werkdag van de maand. In afwijking hiervan wordt het maandsalaris van december de eerste werkdag van januari betaald.
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 87, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 7.11.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. [2 Als bij de indiensttreding niet onmiddellijk het juiste maandsalaris kan worden betaald, wordt als voorschot het beginsalaris betaald. Als het personeelslid op de laatste werkdag van de maand van de indiensttreding nog geen voorschot ontvangen heeft, ontvangt hij van rechtswege nalatigheidsintresten, berekend op het beginsalaris met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt]2.
  § 2. [1 Als een personeelslid het vakantieverlof waarop hij recht heeft, niet heeft kunnen opnemen vóór het einde van de arbeidsrelatie(s) bij de diensten van de Vlaamse overheid, worden die dagen uitbetaald, onverminderd de toepassing van artikel X 9, § 1, vierde lid, en artikel XI 7 van dit statuut.
   In geval van overlijden van het personeelslid worden de niet-opgenomen vakantieverlofdagen uitbetaald aan de erfgenamen.]1
  § 3. Voor de toepassing van § 2 is het salaris dat in aanmerking moet worden genomen voor de uitbetaling, die voor volledige prestaties, eventueel aangevuld met de haard- en standplaatstoelage en [2 de toelage voor tijdelijke functieverzwaring]2.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 68, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2017-01-27/13, art. 29, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.12.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007 met uitzondering van :
  - artikel VII 12, § 1 wat betreft de salarisschalen voor de maritiem verkeersleiders, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2006, zie BVR 2007-03-16/55, art. 81, 3°
  - de invoeging van de vermelding " vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering in het buitenland " in artikel VII 12, 1°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2006, zie BVR 2007-03-16/55, art. 81, 12°>
  § 1. Aan de hieronder vermelde graden worden de salarisschalen verbonden die overeenkomen met de lettercijfercode die ernaast vermeld worden. De salarisschalen zijn opgenomen als bijlage 5 bij dit besluit.
  

  
Algemeen personeel  
 Secretaris-generaal (mandaat) A311
 Administrateur-generaal (mandaat) A311
 Gedelegeerd bestuurder (mandaat) A311
 Projectleider N-niveau (mandaat) A311
 [6 Directeur-generaal (terugvalgraad)]6 [6 A311]6
 Hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad A311
  ofA286
  ofA285
 en na 6 jaar effectieve prestaties A286
 Algemeen directeur(mandaat) A288
 [6 Adjunct-directeur-generaal (terugvalgraad)]6 [6 A288]6
 [8 Afdelingshoofd (mandaat) A285
 na zes jaar schaalanciënniteit in A 285 A286]8
 [8 Projectleider N-1 (mandaat) A285
 [12 hoofdstatisticus A285 na zes jaar schaalanciënniteit in A285 A286]12  
 na zes jaar schaalanciënniteit in A285 A286]8
 Contractbeheerder, coordinator IT-relatiebeheer en strategiebeheerder (mandaat) A286
 Beheerder interne IT-dienstverlening (mandaat) A285
 Preventieadviseur-coordinator (mandaat) A287
 Financieel-administratief beheerder (mandaat) A284
 Hoofdadviseur [6 (terugvalgraad)]6 A212
 na 10 jaar schaalancienniteit A213
 Navorser A261
 na 10 jaar schaalancienniteit in A261 A262
 Navorser met de functie van secretaris van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB) A262
 na vier jaar werkelijke prestaties op advies van de voorzitter van de VRWB en na een functioneringsevaluatie A263
 [1 Senior adviseur A213
 [3 [10 adviseur-ingenieur, adviseur-arts, adviseur-informaticus, adviseur-dierenarts]10 ]3 A221
 na 10 jaar schaalancienniteit in schaal A221 A222
 Adviseur A211
 na 10 jaar schaalancienniteit in schaal A211 A212]1
 [1 ...]1  
 [14 ... ]14
 [10 Directeur-ingenieur, directeur-arts, directeur-informaticus en directeur-dierenarts]10 A221
 na 10 jaar schaalancienniteit in A221 A222
 Directeur A211
 na 10 jaar schaalancienniteit in A211 A212
 Vertegenwoordiger van de Vlaamse Regering in het buitenland A211
 na 6 jaar schaalancienniteit in A211 A212
 na 6 jaar schaalancienniteit in A212 A213
 [8 [13 ...]13 ]8  
    
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [10 Ingenieur, arts, informaticus en dierenarts]10 A121
 na 6 jaar schaalancienniteit in A121 A122
 na 12 jaar schaalancienniteit in A122 A123
 na 9 jaar schaalancienniteit in A123 A124
 [1 ...]1  
 [2 ...]2  
 Attaché A171
 indien in het bezit van doctorsdiploma A172
 Adjunct van de directeur A111
 na 6 jaar schaalancienniteit in A111 A112
 na 12 jaar schaalancienniteit in A112 A113
 na 9 jaar schaalancienniteit in A113 A114
 [1 ...]1  
 Leidinggevend hoofddeskundige B311
 [1 Senior hoofddeskundige B311]1
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 Hoofdprogrammeur B221
 na 10 jaar schaalancienniteit in B221 B222
 Hoofddeskundige B211
 na 10 jaar schaalancienniteit in B211 B212
 Programmeur B121
 na 8 jaar schaalancienniteit in B121 B122
 na 10 jaar schaalancienniteit in B122 B123
 na 9 jaar schaalancienniteit in B123 B124
 Deskundige B111
 na 8 jaar schaalancienniteit in B111 B112
 na 10 jaar schaalancienniteit in B112 B113
 na 9 jaar schaalancienniteit in B113 B114
 Leidinggevend hoofdmedewerker C311
 [1 Senior hoofdmedewerker C311]1
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 Hoofdtechnicus C221
 na 10 jaar schaalancienniteit in C221 C222
 Hoofdmedewerker C211
 na 10 jaar schaalancienniteit in C211 C212
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 Technicus C121
 na 8 jaar schaalancienniteit in C121 C122
 na 10 jaar schaalancienniteit in C122 C123
 na 9 jaar schaalancienniteit in C123 C124
 Medewerker C111
 na 8 jaar schaalancienniteit in C111 C112
 na 10 jaar schaalancienniteit in C112 C113
 na 9 jaar schaalancienniteit in C113 C114
 Leidinggevend hoofdassistent D311
 [1 Senior hoofdassistent D311]1
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 Speciaal hoofdassistent D231
 na 10 jaar schaalancienniteit in D231 D232
 Technisch hoofdassistent D221
 na 10 jaar schaalancienniteit in D221 D222
 Hoofdassistent D211
 na 10 jaar schaalancienniteit in D211 D212
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 [13 ...]13 [13 ...]13
 Speciaal assistent D131
 na 8 jaar schaalancienniteit in D131 D132
 na 9 jaar schaalancienniteit in D132 D133
 Technisch assistent D121
 na 8 jaar schaalancienniteit in D121 D122
 na 9 jaar schaalancienniteit in D122 D123
 Assistent D111
 na 8 jaar schaalancienniteit in D111 D112
 na 9 jaar schaalancienniteit in D112 D113
Wetenschappelijk personeel  
 Wetenschappelijk directeur A265
 krachtens artikel VI 111 A266
 Wetenschappelijk attache A165
 na 4 jaar schaalancienniteit in A165  
 of krachtens artikel VI 109 2 en 3 A166
 na 6 jaar schaalancienniteit in A166  
 of krachtens artikel VI 109 4 A167
 krachtens artikel VI 110 (expert functionele loopbaan) A168
 na 10 jaar schaalancienniteit in A168 A169
[13 - Loods]13  
 [13 op proef : salaris à 80 % van de salarisschaal verbonden aan de functie zoals hieronder is bepaald]13  
 [13 algemene functie]13 A141
 [13 na 6 jaar schaalanciënniteit in A141]13 A142
 [13 na 6 jaar schaalanciënniteit in A142]13 A143T
 [13 na 9 jaar schaalanciënniteit in A143T]13 A144T
 [13 functies chef-loods, kapitein van de loodsboot of stuurman van de loodsboot]13 A144T
 [13 Maritiem verkeersleider]13 B231
 [13 na 10 jaar schaalanciënniteit in B231]13 B232T
    
 [13 Senior/Leidinggevend hoofdmedewerker (functie regioverkeersleider)]13 C311T
    
 [13 Hoofdscheepstechnicus]13 C241T
 [13 na 10 jaar schaalanciënniteit in C241T]13 C242T
    
 [13 Hoofdmedewerker (functie teamplanner loodsdienstcoördinator)]13 C211T
 [13 -na 10 jaar schaalanciënniteit in C211T]13 C212T
    
 [13 Radarwaarnemer]13 C131
 [13 na 8 jaar schaalanciënniteit in C131]13 C132
 [13 -na 10 jaar schaalanciënniteit in C132]13 C133T
 [13 -na 9 jaar schaalanciënniteit in C133T]13 C134T
    
 [13 Scheepstechnicus]13 C141
 [13 na 8 jaar schaalanciënniteit in C141]13 C142
 [13 -na 10 jaar schaalanciënniteit in C142]13 C143T
 [13 -na 9 jaar schaalanciënniteit in C143T]13 C144T
    
 [13 Medewerker (functie loodsdienst-rededienstcoördinator)]13 C111
 [13 na 8 jaar schaalanciënniteit in C111]13 C112
 [13 na 10 jaar schaalanciënniteit in C112]13 C113T
 [13 na 9 jaar schaalanciënniteit in C113T]13 C114T
    
 [13 Senior/leidinggevend hoofdassistent (functie hoofdmotorist/hoofdschipper)]13 D311T
    
 [13 Hoofdschipper en hoofdmotorist]13 D241T
 [13 na 10 jaar schaalanciënniteit in D241T]13 D242T
    
 [13 Speciaal hoofdassistent (functie kok ingescheept)]13 D231T
 [13 na 10 jaar schaalanciënniteit in D231T]13 D232T
    
 [13 Schipper en motorist]13 D141
 [13 na 8 jaar schaalanciënniteit in D141]13 D142T
 [13 na 9 jaar schaalanciënniteit in D142T]13 D143T
    
 [13 Speciaal assistent (functie matroos/stoker/kok ingescheept)]13 D131
 [13 na 8 jaar schaalanciënniteit in D131]13 D132T
 [13 na 9 jaar schaalanciënniteit in D132T]13 D133T
    
Contractuele betrekkingen  
 Arts, belast met taken die van de VRGT werden overgenomen A121
 na 6 jaar effectieve of daarmee gelijkgestelde prestaties in deze betrekking A122
 na 12 jaar effectieve of daarmee gelijkgestelde prestaties in de tweede salarisschaal A123
 adjunct van de directeur (statisticus-psycholoog), belast met taken die van de VRGT werden overgenomen A111
 na 6 jaar effectieve of daarmee gelijkgestelde prestaties in deze betrekking A112
 na 12 jaar effectieve of daarmee gelijkgestelde prestaties in de tweede salarisschaal A113
 deskundige (gezondheidswerker of verpleegkundige), belast met taken die van de VRGT werden overgenomen B111
 na 8 jaar effectieve of daarmee gelijkgestelde prestaties in deze betrekking B112
 na 10 jaar effectieve of daarmee gelijkgestelde prestaties in de tweede salarisschaal B211
 commercieel adviseur regionale luchthavens A211
 coordinator Sociaal Impulsfonds (SIF) A163
 coordinator (migranten) en coordinator (interface) bij het beleidsdomein Welzijn en Volksgezondheid A112
 [14 ... ]14
 [15 vakantiewerker: 80% van D111
 vakantiewerker bij Agentschap Opgroeien regie als consultatiebureau-arts: 80% van A111
 De tewerkstelling als vakantiewerker consultatiebureau-arts is enkel mogelijk tijdens de maanden juli, augustus en september aansluitend op het academiejaar waarin de student het diploma van master in de geneeskunde heeft behaald, en op voorwaarde dat de student aansluitend op zijn tewerkstelling als jobstudent niet in dienst wordt genomen bij Agentschap Opgroeien regie. ]15
 Voor de toepassing van deze bepalingen worden met effectieve prestaties gelijkgesteld : de prestaties en afwezigheden die in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de geldelijke ancienniteit.  
Overgangsregeling  
 Secretaris-generaal A411
 Directeur-generaal, administrateur-generaal A311
 Algemeen directeur wetenschappelijke instelling (mandaat) A366
 Algemeen directeur wetenschappelijke instelling A365
 Eerste opdrachthouder A361
 Adjunct-administrateur-generaal A286
 Na 6 jaar het mandaat van afdelingshoofd te hebben uitgeoefend A288
 Met ingang van 1 juni 1994 :  
 - inspecteur-generaal A224
 - bestuursdirecteur A224
 - bestuursdirecteur met leidinggevende functie binnen een informaticadienst A232
 Adjunct eerste opdrachthouder A263
 [1 Adviseur-ingenieur/arts/informaticus met de functie van senior auditor, aangesteld voor 1 januari 2008 A221
 na 3 jaar A222
 Adviseur met de functie van senior auditor, aangesteld voor 1 januari 2008 A211
 na 3 jaar A212
 Adviseur benoemd voor 1 januari 2008 [4 Deze overgangsregeling blijft gelden voor de directeur die een graadverandering bekomt vanuit de graad van adviseur en die in die laatste graad werd aangesteld vóór 1 januari 2008.]4 A251
 na 10 jaar schaalancienniteit in A251 A252]1
 [1 ...]1  
 [9 Adviseur (de gewestelijk ontvanger die op 1 januari 2013 overgedragen werd ingevolge artikel VI 151 of artikel VII 165) A218]9
 [16 de bedrijfsadviseur, pedagogischadviseur of kunstadviseur die op 1 januari 2009 is overgeheveld van het Vlaams Agentschap voor Ondernemen naar het Agentschap Ondernemen, en de pedagogisch adviseur en bedrijfsadviseur die op 1 januari 2021 is overgeheveld van SYNTRA Vlaanderen naar het departement Werk en Sociale Economie, het Agentschap Innoveren en Ondernemen of de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding: A111
 na 3 jaar schaalanciënniteit in A111 A112
 na 9 jaar schaalanciënniteit in A112 A120
 na 9 jaar schaalanciënniteit in A120 A114]16
 [11 - IWT-adviseur die op 1 januari 2016 werd overgeheveld naar een andere entiteit A201
 1. na drie jaar schaalanciënniteit in A201 A202
 2. na zes jaar schaalanciënniteit in A202 A221
 3. na drie jaar schaalanciënniteit in A221 A282
 contractueel IWT-adviseur (opstartformatie) A214]11
(1)<BVR 2008-05-23/44, art. 69, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
(2)<BVR 2008-05-23/44, art. 69, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(3)<BVR 2009-05-29/42, art. 101, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
(4)<BVR 2009-05-29/42, art. 101, 014; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
(5)<BVR 2009-05-29/42, art. 101, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
(6)<BVR 2010-01-22/11, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 30-10-2009>
(7)<BVR 2011-04-29/08, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
(8)<BVR 2013-02-01/12, art. 8, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2013>
(9)<BVR 2013-02-01/12, art. 8, 2°, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
(10)<BVR 2015-11-13/17, art. 6, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
(11)<BVR 2016-03-04/14, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
(12)<BVR 2016-06-24/15, art. 88, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>
(13)<BVR 2017-09-22/03, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 01-11-2016>
(14)<BVR 2018-04-20/03, art. 32, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
(15)<BVR 2019-09-06/08, art. 16, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
(16)<BVR 2020-11-27/16, art. 4, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2021>


  § 2. De ambtenaar van rang A1 van wie het mandaat van contractbeheerder, coördinator IT-relatiebeheer, strategiebeheerder, financieel-administratief beheerder, beheerder interne IT-dienstverlening of preventieadviseur-coördinator na twee of meer mandaten van 6 jaar beëindigd wordt en wiens functioneringsevaluatie niet met een onvoldoende werd besloten, geniet de salarisschaal, opgenomen in bijlage 6 bij dit besluit.
  § 3. In afwijking van § 2 wordt de eindemandaatregeling voor de financieel-administratief beheerder begrensd tot de salarisschaal A119.
  § 4. [2 ...]2
  § 5. De loods op proef die slaagt voor de [1 competentieproef]1, vermeld in artikel [3 VI 60, VI 61 en VI 62]3 en die operationeel ingezet wordt, heeft recht op 100 % van zijn salaris.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2008-05-23/44, art. 69, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (3)<BVR 2011-04-29/08, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>

  Art. 7.13. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. In afwijking van artikel VII 12 blijft degene voor wie bij de inschakeling in de nieuwe loopbaanstructuur een overgangsschaal bepaald werd, die overgangsschaal verder genieten tot een organieke salarisschaal voordeliger wordt. Ingeval die ambtenaar wordt bevorderd in graad of salarisschaal, is artikel VII 3, § 1, van toepassing.
  § 2. Een mandaathouder geniet de salarisschaal, vermeld in artikel VII 12, § 1, tenzij de salarisschaal verbonden aan de organieke graad voordeliger is.
  § 3. Een ambtenaar die de extra salarisschaal A263, A253, A213, A129 of A119 toegekend kreeg, behoudt die salarisschaal.

  TITEL II. - DE TOELAGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.14. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De hieronder vermelde toelagen worden uitbetaald :
  1° hetzij als verloning voor taken die niet inherent zijn aan de graad en/of de uitgeoefende functie;
  2° hetzij voor de uitoefening van een welbepaalde functie.

  Art. 7.15.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De toelage is niet verschuldigd :
  1° in het geval geen salaris wordt betaald;
  2° of bij een afwezigheid die langer dan 35 werkdagen duurt.
  [3 De regeling, vermeld in het eerste lid, 1°, is niet van toepassing op de toelagen, vermeld in artikel VII 41, VII 56, VII 57, VII 124, § 1, artikel VII 140, VII 141, VII 145, VII 145bis, VII 148, VII 179, VII 180 en VII 181.]3
  [1 De regeling, vermeld in het eerste lid, [2 2°,]2 is niet van toepassing op de toelagen, vermeld in artikel VII 18, VII 20, VII 35, VII 41, VII 46, VII 57, VII 124, § 1, artikel VII 129, § 2, artikel VII 140, VII 141, VII 145 en VII 145bis.]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 35, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>
  (2)<BVR 2014-02-21/48, art. 61, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (3)<BVR 2018-04-20/03, art. 33, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 7.15bis. [1 § 1. Het personeelslid dat slachtoffer is van een arbeidsongeval en dat maximaal 35 werkdagen afwezig is, ontvangt :
   1. de forfaitaire toelagen die op maandbasis worden betaald;
   2. het gemiddelde van de variabele toelagen die betaald zijn gedurende de twaalf maanden voor het ongeval.
   § 2. Artikel VII 15 is van toepassing op de betaling van de toelagen bij een afwezigheid ingevolge een arbeidsongeval van meer dan 35 werkdagen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2011-04-29/08, art. 36, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>

  Art. 7.16. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Tenzij anders is bepaald, worden :
  1° de toelagen maandelijks na vervallen termijn betaald;
  2° de forfaitaire toelagen naar rata van de prestaties betaald, zoals bepaald in artikel VII 6;
  3° de toelagen afgerond op de hogere cent.

  Art. 7.17. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De toelagebedragen die hierna tegen 100 % vermeld zijn en de toelagen die op het salaris berekend worden, volgen de evolutie van het indexcijfer zoals bepaald in artikel VII 9.

  HOOFDSTUK 2. - Algemene toelagen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Afdeling 1. - De haard- en standplaatstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.18.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. [2 Een gehuwd personeelslid, een personeelslid dat samenleeft of een alleenstaand personeelslid aan wie de kinderbijslag wordt uitbetaald, heeft recht op een haardtoelage van :
   1° 719,89 euro (100 %) als het salaris 16.421,84 euro (100 %) niet overschrijdt;
   2° 359,95 euro (100 %) als het salaris hoger is dan 16.421,84 euro (100 %), maar niet meer bedraagt dan 18.695,86 euro (100 %).]2
  § 2. Een personeelslid dat geen recht heeft op een haardtoelage, ontvangt een standplaatstoelage van :
  1° 359,95 euro (100 %) als het salaris niet hoger is dan [1 16.421,84]1 euro (100 %);
  2° 179,98 euro (100 %) als het salaris hoger is dan [1 16.421,84]1 euro (100 %) maar niet meer bedraagt dan [1 18.695,86]1 euro (100 %).
  § 3. Als de twee echtgenoten of de twee personen die samenleven elk beantwoorden aan de voorwaarden om de haardtoelage te verkrijgen, wijzen ze in wederzijds akkoord diegene van de twee aan, aan wie de haardtoelage wordt uitbetaald. De standplaatstoelage wordt toegekend aan de ambtenaar die geen haardtoelage krijgt.
  § 4. Als het recht op de haard- en standplaatstoelage in de loop van een maand wijzigt, wordt voor de hele maand het voordeligste stelsel toegepast.
  ----------
  (1)<BVR 2009-01-09/35, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 103, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Art. 7.19.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De bezoldiging van een personeelslid van wie het salaris hoger is dan [1 16.421,84]1 euro, respectievelijk [1 18.695,86]1 euro mag niet kleiner zijn dan in het geval het salaris gelijk zou zijn aan dat bedrag. In voorkomend geval wordt een gedeeltelijke haard- of standplaatstoelage toegekend.
  Onder bezoldiging wordt in het eerste lid verstaan : het salaris, verhoogd met de volledige of gedeeltelijke haard- of standplaatstoelage, en voor de ambtenaar verminderd met de inhouding voor het Fonds voor Overlevingspensioenen.
  ----------
  (1)<BVR 2009-01-09/35, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Afdeling 2. - Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Onderafdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.20.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage zijn een percentage van het brutosalaris zoals hieronder is bepaald.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° brutosalaris : het geïndexeerde jaarsalaris desgevallend verhoogd met de haard- of standplaatstoelage [1 en de salarisbonus zoals bedoeld in artikel VII 6 § 2]1;
  2° brutomaandsalaris : het brutosalaris, gedeeld door 12.
  § 3. Als niet tijdens de hele referteperiode volledige prestaties werden verricht, wordt het vakantiegeld en de eindejaarstoelage herleid naar rata van het verdiende brutosalaris tegenover het brutosalaris bij volledige prestaties voor de volledige referteperiode.
  § 4. [2 In afwijking van artikel VII 21, § 2, en VII 22, § 2, wordt bij de beëindiging van de tewerkstelling bij de werkgever of bij de wijziging van hoedanigheid, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage berekend op het brutosalaris voor volledige prestaties van de laatste maand van tewerkstelling, en wordt het vakantiegeld en de eindejaarstoelage betaald tijdens de maand die volgt op de beëindiging van de bovengenoemde tewerkstelling.]2
  § 5. Het vakantiegeld en de eindejaarstoelage van een contractueel personeelslid worden niet verminderd bij [1 moederschapsrust]1, ziekte- [3 ,vaderschaps- of geboorteverlof]3.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 104, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 104, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2009>
  (3)<BVR 2017-12-15/23, art. 7, 042; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Onderafdeling 2. - Vakantiegeld. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.21.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Onder referteperiode wordt verstaan, het kalenderjaar dat voorafgaat aan het vakantiejaar.
  § 2. Het vakantiegeld bedraagt 92 % van het brutomaandsalaris van de maand april van het vakantiejaar. Het wordt betaald tijdens de maand mei van het vakantiejaar.
  § 3. Wat het vakantiegeld voor jonge werknemers betreft, wordt, uitgezonderd voor de jobstudenten, de periode vanaf 1 januari van de referteperiode tot de dag voor de datum waarop het personeelslid in dienst wordt genomen eveneens in aanmerking genomen, op voorwaarde dat het personeelslid :
  1° minder dan 25 jaar oud is op het einde van de referteperiode;
  2° uiterlijk in dienst is getreden op de laatste werkdag van de vier maanden die volgen op het einde van zijn studies als rechtgevende op kinderbijslag, of de leerovereenkomst.
  [1 Als de jonge werknemer uit dienst treedt vóór het einde van de referteperiode, wordt het vakantiegeld berekend naar rato van het aantal maanden effectieve tewerkstelling. Als de jonge werknemer vóór zijn indiensttreding bij een andere werkgever werkte, wordt het vakantiegeld verminderd met het bedrag dat hij bij die andere werkgever heeft ontvangen.]1
  § 4. Er wordt een inhouding verricht van 13,07 % op het vakantiegeld ten belope van 85 % van het brutomaandsalaris.
  ----------
  (1)<BVR 2018-04-20/03, art. 34, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Onderafdeling 3. - Eindejaarstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.22.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Onder referteperiode wordt verstaan, de periode van 1 januari tot en met 30 september.
  § 2. [1 De eindejaarstoelage is gelijk aan het hieronder bepaalde percentage van het brutosalaris van de maand november :

  
[1% van het brutosalaris vanaf het kalenderjaar 2019
voor rang A2 en hoger, A291, A292, A168, A169, A118, A119, A129, A128 en A14864,71 %
voor rang A1, B3, B2, C3 en C271,47 %
voor rang B1, C1, D3 en D277,68 %
voor rang D184,12 %]1
(1)<BVR 2019-09-06/02, art. 1, 053; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

]1
  § 3. De eindejaarstoelage wordt uitbetaald tijdens de maand december van het desbetreffende jaar.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 71, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2006>

  Afdeling 3. - De toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.23.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 62, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 7.24.
  <Opgeheven bij BVR 2014-02-21/48, art. 62, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Afdeling 4. - Diensthoofdentoelage. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 72, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 7.25.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 72, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 7.26.<Opgeheven bij BVR 2008-05-23/44, art. 72, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Afdeling 5. - Projectleiderstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.27.[1 Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, aan het personeelslid dat met toepassing van artikel VI 74 tot en met VI 78 wordt belast met de leiding van een project, een projectleiderstoelage toekennen die wordt vastgesteld conform artikel VII 44bis, § 4 en § 5.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-21/48, art. 63, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Afdeling 6. - Toelagen voor prestaties buiten de normale arbeidstijdregeling. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.28. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Een personeelslid dat op vraag van de lijnmanager of zijn gemachtigde overuren verricht, krijgt compenserende inhaalrust, gelijk aan het aantal overuren, of overloon zoals in artikel VII 31 bepaald. De lijnmanager beslist in welke mate het personeelslid hierin de keuzevrijheid heeft. Als de inhaalrust niet binnen de vier maanden na de overuren genomen is, wordt ambtshalve overloon betaald.
  Onder overuren wordt verstaan, de opgelegde prestaties boven op de uren die voor het personeelslid vastgesteld zijn in de toepasselijke arbeidstijdregeling. Voor een personeelslid op wie de normale arbeidstijdregeling van toepassing is, zijn dat prestaties boven 38 uur per week en/of 7.36 uur per dag.
  § 2. Als het personeelslid niet vóór het begin van de normale diensttijd op de hoogte gebracht werd van de verplichting overuren te presteren, wordt het overloon vermeld in § 1, betaald tegen 125 % als er minstens één overuur gepresteerd wordt.
  § 3. Het overloon vermeld in § 1, wordt betaald tegen 150 % als de overuren tussen 22 uur en 7 uur gepresteerd worden.

  Art. 7.29. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een personeelslid dat bij uitzondering buiten zijn dienstverplichtingen of permanentieplicht opgeroepen wordt, ontvangt een verstoringstoelage zoals bepaald in artikel VII 31.

  Art. 7.30.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Een personeelslid dat op vraag van de lijnmanager prestaties verricht s nachts, op zaterdag of op zondag, krijgt een toelage per verricht uur zoals bepaald in artikel VII 31. [1 De lijnmanager kan beslissen de zondagtoelage om te zetten in niet te presteren uren, gelijk aan het aantal zondaguren.
   Als de omzetting niet binnen de 4 maanden opgenomen wordt, wordt de zondagtoelage ambtshalve betaald.]1
  § 2. De prestatie, vermeld in § 1, van meer dan een half uur wordt vergoed naar rato van een vol uur.
  ----------
  (1)<BVR 2011-12-02/41, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 02-12-2011>

  Art. 7.31. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De toelagen vermeld in deze afdeling, worden berekend en toegekend volgens de onderstaande bepalingen :

  
 BedragBerekeningsbasisVoorwaarden
    
Overloon1/1850 per uursalaris, verhoogd met de haard- of standplaatstoelage, [3 ...]3 [2 de zinsnede ''de toelage voor tijdelijke functieverzwaring,]2 de examentoelage en de bevorderingspremie 
Verstoringstoelage4/1850Idem 
Zondagprestaties1/1850 per uurIdemprestaties op zondag of op een wettelijke, decretale of reglementaire feestdag tussen 0 uur en 24 uur
Nachtprestaties[1 3 euro]1/uur tegen 100 % - tussen 22 uur en 6 uur
   - tussen 18 uur en 8 uur indien beeindigd op of na 22 uur of begonnen op of voor 6 uur
Zaterdagprestaties[4 25 % van 1/1976 van de jaarwedde]4 prestaties op zaterdag tussen 0 uur en 24 uur
(1)<BVR 2008-05-23/44, art. 73, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
(2)<BVR 2016-06-24/15, art. 89, 037; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
(3)<BVR 2017-01-27/13, art. 30, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>
(4)<BVR 2019-09-06/02, art. 2, 053; Inwerkingtreding : 01-10-2019>



  Art. 7.32.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De continudiensten of diensten met een beurtrolsysteem waar vóór 1 januari 1994 een andere regeling van toepassing was, behouden die regeling.
  § 2. Een personeelslid van niveau A heeft geen recht op de toelagen, opgenomen in deze afdeling. Een personeelslid van rang A1 heeft wel recht op de nachttoelage [1 , de toelage voor overloon en de toelage voor zaterdagprestaties, met uitzondering van :
   1° het personeelslid van de rang A1 die een diensthoofdentoelage geniet als vermeld in artikel VII [2 151]2;
   2° het personeelslid van de graad van loods.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 74, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 106, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Afdeling 7. - De gevaartoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.33.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een personeelslid [1 ...]1 die een werk verricht dat opgenomen is in bijlage 7, ontvangt een gevaartoelage waarvan het bedrag wordt bepaald als volgt :
  

  
Aantal uren gevaarlijk werk per maandToelagebedrag
  
Minder dan 7 uur1,10 euro per uur tegen 100 %
Van 7 tot 25 uur1,20 euro per uur tegen 100 %
Meer dan 25 uur1,25 euro per uur tegen 100 %


  De werkzaamheden, vermeld in bijlage 7, worden door de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken in een omzendbrief verduidelijkt.
  [2 De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, kan voor de DAB Vloot een forfaitaire regeling bepalen.]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-09-05/40, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  (2)<BVR 2017-09-22/03, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 01-10-2017>

  Art. 7.34. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> In afwijking van artikel VII 33 geldt voor de volgende werkzaamheden een afwijkende regeling :
  1° werk 60 : de toelage wordt verleend voor de hele wachtperiode en bedraagt het dubbele van de hoogste toelage;
  2° werk 61 : de toelage wordt verleend voor de hele wachtperiode en bedraagt de helft van de hoogste toelage;
  3° werk 62 : de toelage bedraagt het dubbele van de normale toelage;
  4° werk 63 en 64 : de toelage bedraagt respectievelijk 14 euro en 9,10 euro per uur (100 %);
  5° werk 50 en 66, uitgeoefend op de regionale luchthavens : de toelage bedraagt het dubbele van de hoogste toelage.

  Afdeling 8. - De prestatietoelagen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Onderafdeling 1. - [1 De managementstoelage.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 75, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 7.35.[1 De secretaris-generaal, de administrateur-generaal, de gedelegeerd bestuurder, het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad, de algemeen directeur en de personeelsleden van het middenkader kunnen een managementstoelage ontvangen tussen 0 en 20 % van hun salaris als zij beantwoorden aan de voorwaarden vermeld in artikel VII 39, § 1.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 75, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 7.36.[1 Het percentage van managementstoelage wordt voor de secretaris-generaal, de administrateur-generaal, de gedelegeerd bestuurder, het hoofd van het secretariaatspersoneel van een strategische adviesraad en de algemeen directeur bepaald door de Vlaamse Regering, [2 voor de afgevaardigd bestuurder van het Gemeenschapsonderwijs door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs,]2 en voor het middenkader door het hoofd van de entiteit, raad of instelling.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 75, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 107, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Onderafdeling 2. - Functioneringstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.37.[1 De personeelsleden die beantwoorden aan de voorwaarden vermeld in artikel VII 39, § 1, kunnen een functioneringstoelage krijgen tot maximaal 15 % van hun salaris.
   In voorkomend geval bedraagt voor de personeelsleden van niveau D de functioneringstoelage minimaal 5 % van hun salaris.
   De personeelsleden die in aanmerking komen voor de managementstoelage, komen niet in aanmerking voor een functioneringstoelage.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 75, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Art. 7.38.[1 Het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling beslist over de toekenning van de functioneringstoelage, tenzij de evaluatoren geen deel uitmaken van de entiteit, raad of instelling. In dat geval beslist de beleidsraad.]1
  [2 In afwijking van het eerste lid beslist het managementorgaan van het Gemeenschapsonderwijs over de toekenning van de functioneringstoelage, als de evaluatoren geen deel uitmaken van de instelling.]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 75, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2011-04-29/08, art. 37, 017; Inwerkingtreding : 29-04-2011>

  Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.39.[1 § 1. Een prestatietoelage kan toegekend worden als uit de functioneringsevaluatie blijkt dat de betrokkene uitstekend heeft gepresteerd ten opzichte van de verwachtingen die in de planning werden geformuleerd.
   § 2. Onder salaris als vermeld in artikel VII 35 en 37 wordt verstaan, het geïndexeerde jaarsalaris dat van toepassing is in de maand december van het evaluatiejaar en in voorkomend geval het bedrag van [3 de toelage voor tijdelijke functieverzwaring]3 of de mandaattoelage zoals gedefinieerd in art. V 12, § 2.]1
  [2 § 3. Een prestatietoelage kan ook toegekend worden op basis van de evaluatie [3 ...]3 zoals bepaald in de artikelen IV 1, [3 V 13, § 1,]3 en V 30.]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 75, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 108, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (3)<BVR 2017-01-27/13, art. 31, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.40.[1 De prestatietoelagen worden uitbetaald voor 1 augustus van het jaar dat volgt op het evaluatiejaar.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 75, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Afdeling 9. - De bevorderingspremie. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.41.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Een ambtenaar die vanaf 1 januari 1994 bevorderd werd naar het [1 hoger]1 niveau, heeft steeds een bezoldiging die ten minste het in § 3 vermelde bedrag hoger is dan het salaris in zijn salarisschaal op het ogenblik van de bevordering.
  § 2. Onder bezoldiging, vermeld in § 1, wordt verstaan, het salaris in de bevorderingsgraad en de bevorderingspremie samen.
  § 3. Het bedrag van de bevorderingspremie aan 100 % is maximaal gelijk aan :
  - 1 240 euro bij bevordering naar niveau A;
  - 870 euro bij bevordering naar niveau B;
  - 745 euro bij bevordering naar niveau C.
  ----------
  (1)<BVR 2009-05-29/42, art. 70, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

  Afdeling 10. - Permanentietoelage en toelage voor ploegenarbeid. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Onderafdeling 1. - Permanentietoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.42.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Aan de personeelsleden die door de lijnmanager worden aangewezen om zich buiten de diensturen voor interventies thuis beschikbaar te houden, wordt een permanentietoelage toegekend.
  § 2. Het maandelijkse bedrag van de in § 1 bedoelde toelage bedraagt :
  

  
aantal uren permanentie per maandmaandelijkse toelage (aan 100 %)
  
21 < of = aantal uren < of = 5075 euro
51 < of = aantal uren < of = 100100 euro
101 < of = aantal uren < of = 200125 euro
aantal uren > 200140 euro



  Onderafdeling 2. - Toelage voor ploegenarbeid. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.43. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Aan het personeelslid dat een volledige maand in een twee- of drieploegensysteem of in een onderbroken dienst is ingeschakeld, wordt een toelage toegekend van 100 euro (100 %) per maand. Voor een ploegensysteem met opeenvolgende diensten mogen de ploegen elkaar met maximaal een vierde overlappen.
  § 2. Bij onvolledige maanden ploegenwerk bedraagt de toelage 1/134 van het in § 1 bedoelde bedrag per uur dat effectief ploegenarbeid wordt verricht.

  Onderafdeling 3. - Algemene bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.44. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Voor dezelfde periode kan maar een van de in deze afdeling bedoelde toelagen toegekend worden. Beide toelagen zijn niet cumuleerbaar met een meer gunstige regeling.

  Afdeling 11. [1 - Toelage voor tijdelijke functieverzwaring]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-21/48, art. 64, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 7.44bis.[1 § 1. [2 In dit artikel wordt verstaan onder :
   1° functieverzwaring : een verzwaring van de functie waarbij de tijdelijk uitgeoefende functie minstens één functieklasse zwaarder weegt dan de basisfunctie;
   2° oorspronkelijk salaris : het jaarsalaris tegen 100%, in voorkomend geval verhoogd met de toelagen voor specifieke personeelscategorieën als vermeld in hoofdstuk 3, dat het personeelslid ontvangt vóór de aanvang van de tijdelijke functieverzwaring.]2
   § 2. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, aan het personeelslid dat binnen de entiteit, raad of instelling tijdelijk bijkomende of zwaardere taken uitoefent waardoor de functiezwaarte tijdelijk verhoogt, een toelage toekennen voor de tijd dat het personeelslid de bijkomende of zwaardere taken uitoefent.
   § 3. Wanneer de precieze duurtijd van de tijdelijke functieverzwaring vooraf kan worden bepaald, bedraagt deze minimaal dertig kalenderdagen en maximaal vijf jaar. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, die periode na afloop maximaal één keer verlengen met een periode van maximaal één jaar.
   Wanneer de precieze duurtijd van de tijdelijke functieverzwaring vooraf niet kan worden bepaald, bedraagt deze minimaal dertig kalenderdagen en maximaal één jaar. Het hoofd van de entiteit, raad of instelling kan, na advies van het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling, die periode maximaal één keer verlengen met een periode van maximaal één jaar.
   § 4. De tijdelijke functieverzwaring wordt vastgesteld aan de hand van de [3 functiematrix]3.
   § 5. Het bedrag van de toelage (100%) is gelijk aan het verschil tussen het oorspronkelijk salaris van de functiehouder en een bedrag dat vastgesteld moet worden binnen de ondergrens en de bovengrens van de functieklasse waarin de verzwaarde functie wordt ingedeeld, zoals vastgesteld in bijlage 10 bij dit besluit.
   Het bedrag van de toelage (100%) is minimaal gelijk aan vijf procent van het oorspronkelijk salaris van de functiehouder, zonder dat de toekenning van de toelage er toe mag leiden dat hierdoor de bovengrens van de functieklasse waarin de verzwaarde functie wordt ingedeeld, wordt te boven gegaan.
   Voor functiehouders met een management- of projectleidersfunctie van N-1-niveau is het bedrag van de toelage (100%) maximaal gelijk aan het verschil tussen het oorspronkelijke salaris en het overeenstemmende salaris voor dezelfde geldelijke anciënniteit in de salarisschaal A 311. Voor de andere functiehouders is het bedrag van de toelage (100%) maximaal gelijk aan het verschil tussen het oorspronkelijke salaris en het overeenstemmende salaris voor dezelfde geldelijke anciënniteit in de salarisschaal A 213.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-21/48, art. 64, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 22, 032; Inwerkingtreding : 01-11-2014>
  (3)<BVR 2018-04-20/03, art. 35, 044; Inwerkingtreding : 14-07-2017>

  Afdeling 12. [1 - Toelage voor carpooling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-21/48, art. 65, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 7.44ter.[1 Het personeelslid dat voor een dienstreis gebruik maakt van een eigen voertuig, en één of meerdere andere personeelsleden meeneemt, ontvangt een toelage voor carpooling.
   Het bedrag van deze toelage is gelijk aan de helft van de kilometervergoeding zoals bepaald in artikel VII 80 van hetzelfde besluit.
  [2 De entiteiten hebben de keuze tussen een maandelijkse of jaarlijkse betaling]2]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-21/48, art. 65, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (2)<BVR 2016-06-24/15, art. 90, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  HOOFDSTUK 3. - Toelagen voor specifieke personeelscategorieën. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Afdeling 1. - [1 Personeelsleden van het agentschap Jongerenwelzijn]1
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 38, 017; Inwerkingtreding : 01-07-2010>

  Art. 7.45.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> [2 § 1.]2 [1 [4 De volgende toelagen worden toegekend aan het personeelslid van de afdeling Gemeenschapsinstellingen, tewerkgesteld in een gemeenschapsinstelling of in het Vlaams detentiecentrum De Wijngaard:]4

  
 bedragVoorwaarden
   
Jeugdzorgtoelage877 euro tegen 100 % per jaarPersoneelslid is werkzaam in een instelling, behalve niveau A
   
Vakopleidingstoelage2,50 euro tegen 100 % per lesuur vakopleidingPersoneelslid van niveau D geeft in de werkplaatsen vakopleiding
   
Toelage pedagogische bekwaamheid125 euro tegen 100 % per maandPersoneelslid van niveau D met de functie van vakleraar levert het bewijs dat hij een cursus van pedagogische bekwaamheid volgt of gevolgd heeft


  [2 § 2. [4 De volgende toelage wordt toegekend aan het personeelslid dat tewerkgesteld is in de afdeling Ondersteuningscentra en Sociale Diensten bij de Jeugdrechtbank of de afdeling Intersectorale Toegangspoort :
  
  

  
 bedragvoorwaarden
Jeugdzorgtoelage877 euro tegen 100 %
   per jaar
personeelslid van niveau B werkzaam in de buitendiensten van de afdeling [1 Continuïteit en Toegang]1 en de afdeling Ondersteuningscentra en Sociale Diensten bij de Jeugdrechtbank, met uitzondering van de administratieve teams.
[2 jeugdzorgtoelage administratieve personeelsleden met baliefunctie439 euro tegen 100% per jaarpersoneelslid van niveau C of D met een administratieve functie dat werkt in de afdeling Continuïteit en Toegang of in de afdeling Ondersteuningscentra en Sociale Diensten van de jeugdrechtbank, dat gedurende 1 tot 9 volledige dagen per maand een baliefunctie uitoefent
 877 euro tegen 100% per jaarpersoneelslid van niveau C of D met een administratieve functie dat werkt in de afdeling Continuïteit en Toegang of in de afdeling Ondersteuningscentra en Sociale Diensten van de jeugdrechtbank, dat 10 volledige dagen of meer per maand een baliefunctie uitoefent]2
(1)<BVR 2018-04-20/03, art. 36, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>
(2)<BVR 2019-09-06/08, art. 17, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

]4]2
  [2 § 3. Ingeval de in dit artikel vermelde toelagen niet volledig verschuldigd zijn, worden ze betaald overeenkomstig artikel VII 6.]2
  ----------
  (1)<BVR 2011-04-29/08, art. 39, 017; Inwerkingtreding : 01-03-2002>
  (2)<BVR 2011-04-29/08, art. 39, 017; Inwerkingtreding : 01-07-2010>
  (3)<BVR 2014-02-21/48, art. 66, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (4)<BVR 2016-06-24/15, art. 91, 037; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. - Milieutoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.46.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Aan de toezichthoudende personeelsleden van de entiteit Milieu en Natuurbeleid die permanent beschikbaar zijn voor het uitvoeren van opgevorderde controles of voor het uitvoeren van dringende opdrachten buiten de diensturen, worden de volgende toelagen toegekend :
  

  
 bedragBijkomende voorwaarden
   
niveau C en B en rang A1432 euro tegen100 % per maandper kwartaal minimaal 21 opgevorderde en/of geplandecontroles, verdeeld als volgt :
  - 6 tussen 0 uur en 8 uur
  - 12 tussen 17 uur en 1 uur
  - 3 op zaterdag, zondag of feestdag
  
   
rang [1 A2E, A2M en]1 A2 als begeleider en coordinator216 euro tegen 100 % per maandper kwartaal minimaal 7 opgevorderde en/of geplande controles, verdeeld als volgt :
  - 2 tussen 0 uur en 8 uur
  - 4 tussen 17 uur en 1 uur
  - 1 op zaterdag, zondag of feestdag
  
(1)<BVR 2013-02-01/12, art. 9, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2011>



  Art. 7.47. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De toelage vermeld in artikel VII 46, wordt naar rata van de effectieve prestaties betaald, als het aantal opdrachten niet bereikt wordt wegens ziekte, verlof voor deeltijdse prestaties, gewettigde afwezigheid en jaarlijkse vakantie van ten minste 2 weken.
  § 2. In de andere gevallen dan die vermeld in § 1, moet het tekort in het volgende kwartaal gecompenseerd worden.
  § 3. De volgens § 1 en § 2 onterecht toegekende toelage wordt in mindering van de toelage van een volgend kwartaal gebracht, of teruggevorderd.

  Afdeling 3. Toelage voor rekenplichtigen en kastoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.48.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Aan de personeelsleden die rekenplichtig zijn, of aan hun plaatsvervangers wordt onder de hieronder bepaalde voorwaarden een forfaitaire toelage toegekend.
  

  
BegunstigdeBedrag
Speciale rekenplichtigen :286 euro tegen 100 %/maand
  
- centraliserend rekenplichtige der 
uitgaven 
- centraliserend rekenplichtige der 
ontvangsten 
- rekenplichtige der geschillen 
- rekenplichtige van het MINA-fonds, van 
het VIF, van het VIPA, en van de Dienst 
voor Gemeenschaps- en Gewestbelastingen 
  
Controleurs van de vastleggingen238,50 euro tegen 100 %/maand
  
Gewone en buitengewone rekenplichtigen71,50 euro tegen 100 %/maand
voor een financiele rekening van een 
Vlaams ministerie of het personeelslid 
dat werkzaam is op een financiele dienst 
in een IVA of EVA met 
rechtspersoonlijkheid of een financiele 
verantwoordelijkheid heeft overeenkomstig 
zijn functiebeschrijving en die in de 
dagelijkse praktijk financiele 
verrichtingen uitvoert en opvolgt onder 
handtekening van het hoofd van de 
entiteit, instelling of raad, of zijn 
gedelegeerde


  § 2. De speciale rekenplichtigen en de controleurs van de vastleggingen worden aangesteld door de Vlaamse minister bevoegd voor Financiën en Begroting. De gewone en buitengewone rekenplichtigen van een Vlaams ministerie worden aangesteld door het hoofd van de entiteit, instelling of raad, op gunstig advies van het hoofd van het [1 Departement Financiën en Begroting]1.
  De lijnmanager wijst de personeelsleden aan die werken op een financiële dienst van een IVA of EVA met rechtspersoonlijkheid of met een financiële verantwoordelijkheid, dat bijgevolg recht heeft op de toelage van 71,50 euro, na gunstig advies van het afdelingshoofd.
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-17/18, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

  Art. 7.49.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De toelage aan de controleurs van de vastleggingen wordt maandelijks betaald na voorlegging van de maandelijkse lijsten voor het Rekenhof.
  § 2. De toelage aan de gewone en buitengewone rekenplichtigen wordt driemaandelijks, na verlopen termijn uitbetaald, na indiening van de correcte rekeningen en verantwoording over het afgelopen kwartaal. Die kwartaaltoelage is bovendien maar verschuldigd als op de rekeningen in kwestie verantwoorde verrichtingen geboekt werden ten belope van 7 400 euro.
  § 3. De toelagen vermeld in artikel VII 48 mogen niet :
  1° gecumuleerd worden;
  2° toegekend worden aan een ambtenaar van rang A2 of hoger.
  § 4. Tenzij een vervanger aangewezen wordt, worden de toelagen vermeld in artikel VII 48, niet herleid pro rata van de prestaties.
  [1 § 5. De personeelsleden die op 31 december 2015 de functie van controleur van de vastleggingen uitoefenden, en hiervoor de toelage vermeld in artikel VII 48 ontvingen, behouden het recht op deze toelage bij wijze van overgangsregeling, op voorwaarde dat zij verder tewerk gesteld blijven bij de diensten van het Vlaams ministerie, bevoegd voor het financiële en budgettaire beleid, die belast zijn met de opmaak en consolidatie van de algemene rekeningen en dit tot ten laatste 31 december 2025.]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-06-24/15, art. 92, 037; Inwerkingtreding : 01-07-2016>

  Art. 7.49bis. [1 De personeelsleden die hun rekenplichtigheid verliezen door het afschaffen van hun financiële rekening na 31 december 2006, voor de buitengewone rekenplichtigen, en na 31 december 2007 voor de speciale en gewone rekenplichtigen, door een rationalisering in de financiële administratie, behouden hun premie op voorwaarde dat ze blijven werken op een boekhoudcel en daar verantwoordelijk zijn voor de boeking van ontvangsten en/uitgaven.
   De toelage aan de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, die gewone en buitengewone rekenplichtigen waren, wordt driemaandelijks, na verloop van de termijn uitbetaald, na het verwerken van alle openstaande problemen met betrekking tot de transacties die zij hebben verricht. Die kwartaaltoelage is bovendien maar verschuldigd als zij transacties hebben geboekt ten belope van minstens 7400 euro.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2008-05-23/44, art. 76, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2007>

  Afdeling 4. - Gezagvoerderstoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.50. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007, met uitzondering van artikel VII 50, wat betreft de gezagvoerderstoelage voor de leidinggevend hoofdassistent (functie hoofdschipper), dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2006, zie BVR 2007-03-16/55, art. 81, 4°> Het personeelslid dat het gezag moet voeren over een varende eenheid van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, waarvan het gezag normaal toebedeeld wordt aan een personeelslid van een hoger niveau, een hogere rang of functie, krijgt een gezagvoerderstoelage onder de volgende voorwaarden :

  
begunstigdeuit te voeren functiebedrag per uur tegen
  100 % werkelijke
  prestatie
schipperhoofdschipper1/1976 van 2 235 euro
speciaal assistentschipper1/1976 van 1 120 euro
(functie matroos  
of stoker)  
loods, functieloods, functie kapitein1/1976 van 2 730 euro
stuurman  
hoofdschipperloods, functie kapitein1/1976 van 2 730 euro
 stuurman 
leidinggevendloods, functie kapitein1/1976 van 2 730 euro
hoofdassistentstuurman 
(functie  
hoofdschipper) 



  Afdeling 5. - Toelage voor technische bekwaamheid. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.51. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Er wordt een forfaitaire toelage voor technische bekwaamheid van 6,50 euro per effectief gepresteerde dag toegekend onder volgende voorwaarden :

  
begunstigden die werken in voorwaarden
[1 de werkstations van het [2 Agentschap Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]2 en de werkstations van het Agentschap voor Onderwijsdiensten]1 sinds 6 maanden belast met de vaststelling en/of vereffening van salarissen of de controle ervan
[1 de afdeling Studietoelagen van het [2 Agentschap Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen]2]1 sedert 6 maanden belast met de behandeling van aanvragen voor studietoelagen of de controle ervan
(1)<BVR 2009-05-29/42, art. 109, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
(2)<BVR 2018-04-20/03, art. 37, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>


  § 2. De toelage wordt verleend, geschorst en opgeheven door het hoofd van de entiteit, raad of instelling op voorstel van de lijnmanager. De toelage kan niet worden toegekend aan een personeelslid van niveau A.

  Afdeling 6. [1 Toelage voor het secretariaat van de Vlaamse Regering.]1
  ----------
  (1)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>

  Art. 7.52.[1 De leidend ambtenaar van het [3 Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken]3 wijst de personeelsleden aan die met secretariaatstaken voor de Vlaamse Regering belast worden. Die personeelsleden krijgen een toelage waarvan het bedrag wordt vastgesteld door de leidend ambtenaar, met een maximum van 5.694,00 euro aan 100 % per jaar.]1
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 77, 010; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
  (2)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
  (3)<BVR 2020-09-11/13, art. 23, 060; Inwerkingtreding : 01-09-2020>

  Afdeling 6bis. [1 - Toelage voor facilitaire kabinetsondersteuning]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2009-12-04/09, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-09-2009>

  Art. 7.52bis. [1 Het personeelslid dat aangewezen is voor een ondersteunende functie bij een kabinet van een Vlaamse minister krijgt een toelage, waarvan het bedrag wordt vastgesteld door de lijnmanager, met een minimum van 3.000 euro per jaar en een maximum van 5.694 euro per jaar (100 %).]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2009-12-04/09, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-09-2009>

  Afdeling 7. - BET-toelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.53. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De personeelsleden die werken het Beheers- en Exploitatieteam van de Schelderadarketen in Vlissingen, krijgen een forfaitaire toelage van 1 785 euro tegen 100 % per jaar voor extraprestaties.

  Afdeling 8. - [1 Gemeenschappelijke of Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Art. 7.54.[1 De preventieadviseur bij een Gemeenschappelijke of Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk ontvangt een van de volgende toelagen :
   1° een toelage van 2.590,50 euro (100 %) op jaarbasis als hij houder is van het getuigschrift van aanvullende vorming van het eerste niveau;
   2° een toelage van 1.785 euro (100 %) op jaarbasis als hij houder is van het getuigschrift van aanvullende vorming van het tweede niveau.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-01-10/16, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 01-10-2013>

  Afdeling 9. - Sociale Dienst voor het Vlaamse Overheidspersoneel. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.55. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De secretaris en penningmeester van de vzw Sociale Dienst voor het Vlaamse Overheidspersoneel ontvangen een toelage van 1 785 euro (100 %) op jaarbasis.

  Afdeling 10. - Huisvesting en vervangende toelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.56.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De lijnmanager van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en [1 Kust, van]1 de [2 De Vlaamse Waterweg nv]2 en het Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis in Geel en in Rekem [1 en van het agentschap Jongerenwelzijn]1 bepaalt de functies en arbeidsplaatsen waaraan het gebruik van een woning, ter beschikking gesteld door de werkgever, verbonden is, om deze personeelsleden toe te laten hun taak gemakkelijker te vervullen.
  Hij bepaalt tevens de aard van de voordelen die verbonden zijn aan het ter beschikking gesteld krijgen van een woning, alsook de daaraan verbonden bijzondere dienstverplichtingen.
  § 2. De technici met de functie van bos- of natuurwachter van het IVA Natuur en Bos hebben woonstplicht in hun ambtsgebied en zijn verplicht de hun ter beschikking gestelde woning te betrekken.
  § 3. Het personeelslid dat in een woning woont waarvan de werkgever hem het genot verleent, geniet een voordeel van alle aard, waarvan de waarde wordt bepaald op het hierna vermelde percentage van het gemiddelde van het minimum- en het maximumsalaris van zijn salarisschaal :

  
aard van het voordeelpercentage van het gemiddelde van de salarisschaal - bruto
  
enkel huisvesting10 %
huisvesting, verwarming en verlichting12,5 %


  § 4. Vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het einde van de dienstbetrekking of het overlijden, is een huur verschuldigd waarvan het bedrag door de lijnmanager in kwestie wordt vastgesteld.
  ----------
  (1)<BVR 2015-11-13/17, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<BVR 2018-04-20/03, art. 38, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 7.57.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Een vervangende toelage van 1 640 euro per jaar (100 %) wordt toegekend aan de personeelsleden vermeld in artikel VII 56, § 1 en § 2, aan wie geen woning ter beschikking kan worden gesteld.
  [1 In afwijking van artikel VII 16, 2°, wordt de toelage niet naar rato van de prestaties betaald.]1
  ----------
  (1)<BVR 2019-09-06/08, art. 18, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Afdeling 11. - Toelage voor onregelmatige prestaties voor de wachters der waterwegen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.58.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Aan het personeelslid, belast met de functie van wachter der waterwegen wordt een toelage voor onregelmatige prestaties toegekend van 620 euro (100 %) per jaar.
  § 2. De toelage vermeld in § 1, wordt bij besluit van de lijnmanager van de entiteit, raad of instelling in kwestie verhoogd met een coëfficiënt, zoals hieronder is aangegeven :

  
waterbemeesteringtijgebonden1,2
 dagelijkse waterbemeestering1,2
 regelmatige waterbemeestering1,1
 weinig waterbemeestering1
bedieningsregeling24 uur op 24 uur1,3
 16 uur op 24 uur1,2
 13 uur op 24 uur1,1
 andere regeling1
aantal beweegbaremeer dan 51,2
kunstwerkenvan 3 tot en met 51,1
 2 of minder1
aantal kilometer waterwegmeer dan 501,2
 van 31 tot en met 501,1
 30 of minder1
 district havens en kustgebied1,2



  Afdeling 12. - Luchthaventoelage. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.59. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Aan het personeelslid, tewerkgesteld op de regionale luchthavens, wordt een luchthaventoelage toegekend van 82 euro (100 %) per maand.
  § 2. Het personeelslid van wie de som van de toelage voor productiviteitspremie, ploegenwerk, kastoelage en brevettoelage in 1998 per maand meer bedraagt dan het bedrag, vermeld in § 1, behoudt dat bedrag, tot op het ogenblik dat de toelage vermeld in § 1, hoger wordt.

  Afdeling 13. - Bijzondere toelageregeling voor het loodspersoneel. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.60.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De loods met de operationele functie ontvangt, naargelang zijn graadanciënniteit en de in artikel VII 61 bedoelde coëfficiënten, per effectieve beloodsing een loodstoelage, waarvan het bedrag hierna tegen 100 % bepaald is :

  
[1 Loodstoelage in eurogroep 1groep 2groep 3groep 4
  na 6 jaarna 9 jaarna 14 jaar
rivierloodsen142,13169,52207,75247,16
kanaalloodsen141,98169,36207,59247,00
Scheldemondenloodsen55,5178,8495,13142,61
kustloodsen91,10123,04171,24206,96]1
(1)<BVR 2017-09-22/03, art. 4, 040; Inwerkingtreding : 01-11-2016>


  [4 De loods met de operationele functie die multivalent wordt ingezet, ontvangt de in het eerste lid vermelde loodstoelage volgens de toelageregeling van het korps waarbij hij prestaties levert.
   De maandelijkse bruto loodstoelage, vermeld in het eerste lid, wordt voor de personeelsleden bezoldigd in één van de in artikel VII 12, § 1, 3° vermelde T-schalen, verminderd met een twaalfde van 7.460 euro (100 %).
   Als het bedrag van de maandelijkse bruto loodstoelage niet volstaat om de voormelde vermindering toe te passen, wordt het saldo van het bruto maandsalaris afgetrokken.]4
  § 2. De loodstoelagen vermeld in § 1 worden maandelijks voor 50 % rechtstreeks aan de loods toegekend. De resterende 50 % wordt maandelijks gestort in een groepsfonds per loodstoelagegroep en station. Dit groepsfonds wordt maandelijks verdeeld onder de loodsen van die groep volgens het aantal beschikbaarheidsdagen.
  Voor de kustloodsen dienen de in het vorige lid vermelde percentages respectievelijk gelezen te worden als " 85 % " en " 15 % ".
  [5 De schaalvergrotingscoëfficiënt voor de Scheldemondenloodsen die bepaald wordt ter uitvoering van artikel VII 61, wordt maandelijks voor 100% in het groepsfonds per loodstoelagegroep gestort.]5
  Onder beschikbaarheidsdagen wordt verstaan de dagen dat de loods volgens zijn beurtregeling moet werken, en ook effectief door de dienst voor loodsprestaties ingezet kan worden.
  Met beschikbaarheidsdagen worden gelijkgesteld :
  1° de beurtdagen verlof voor jaarlijkse vakantie en feestdagen;
  2° [3 ...]3
  3° de dagen waarop hij, in rust zijnde, zich beschikbaar verklaart bij oproep door de dienstleiding voor een [4 loodsprestaties]4. [4 ...]4.
  [3 Voor de dagen dat de loods met operationele functie volgens zijn dienstregeling met rust is, maar toch een dienstopdracht vervult, inclusief de activiteiten als loods-lesgever, krijgt de loods een beschikbaarheidsdag.
   De loods moet de extra beschikbaarheidsdag, vermeld in het [5 vijfde lid, 3°, en zesde lid]5, compenseren, uiterlijk drie maanden na de [5 loodsprestatie of]5 dienstopdracht.
   In afwijking van het [5 zevende]5 lid kan de loods ervoor kiezen om de beloning voor de dienstopdracht 100% individueel toegekend te krijgen, en krijgt hij geen beschikbaarheidsdag. De keuze voor die individuele beloning kan de loods jaarlijks herroepen.]3
  [5 In afwijking van het zevende lid kan de rivierloods ervoor kiezen om de extra-beschikbaarheidsdag, toegekend ter uitvoering van het vijfde lid, 3°, niet te compenseren.]5
  § 3. [2 Voor het personeelslid met de functie van chefloods, stuurman of kapitein die na aanwerving of functiewijziging de functie van operationele loods uitoefent, wordt de in § 1 benodigde graadanciënniteit verhoogd met het aantal jaren en maanden gedurende dewelke de functie van chefloods, stuurman of kapitein uitgeoefend werd.]2
  § 4. De loods met de operationele functie ontvangt per kalenderdag verlof wegens arbeidsongeval, ongeval op de weg van en naar het werk of wegens beroepsziekte, een toelage van [1 36,99]1 euro tegen 100 %.
  § 5. De loods met de operationele functie die door de dienstleiding met een administratieve opdracht belast wordt, ontvangt per 4 uur een forfaitaire toelage van [1 50,70]1 euro tegen 100 % met een maximum van [1 101,41]1 euro tegen 100 % per dag. Die toelage wordt niet toegekend voor de administratieve opdracht als loodslesgever [4 en de administratieve opdracht werkoproepen]4.
  § 6. Ingeval een functie van chefloods vacant is gesteld, of een langdurige afwezigheid van een chefloods voorzien is of een feit is, ontvangt de loods met de algemene functie die deze functie gedurende ten minste dertig kalenderdagen waarneemt, voor die periode de overeenkomstige salarisschaal en toelagen.
  § 7. [4 In afwijking van § 2 kunnen de kanaalloodsen op vrijwillige basis en per periode van één kalenderjaar opteren voor 100 % individuele betoelaging. Zij putten dus niet uit het groepsfonds.
   Het groepsfonds kanaalloodsen wordt maandelijks verdeeld onder de loodsen die onder de in de paragraaf 2 vermelde 50 %/50 %-regeling vallen, alsook onder de individueel varende loodsen wat betreft hun tijdens de periode van betoelaging via het groepsfonds opgespaarde verlofdagen overeenkomstig artikel X 9, vijfde lid.
   In afwijking van het eerste lid, kan tijdens het opstartjaar de keuze voor individuele betoelaging gemaakt worden voor de resterende periode van het kalenderjaar.]4
  [4 § 8. De operationele loodsen bezoldigd in loodstoelagegroep 4, ontvangen gedurende de vier jaar die volgen op de volledige invoering van een aangepaste technische loopbaan - optimalisatietraject, schaalvergroting -, een jaarlijkse compenserende toelage, als blijkt dat de jaarlijkse verhouding van dat jaar, onder de laagste verhouding ligt tijdens de referteperiode.
   In het eerste lid wordt verstaan onder:
   1°. jaarlijkse verhouding: de jaarlijkse verhouding is het gemiddelde van de maandelijkse verhoudingen tussen het aantal geleverde prestaties in loodstoelagegroep 4 ten opzichte van de totale prestaties van het korps en het aantal loodsen in loodstoelagegroep 4 ten opzichte van het totale aantal loodsen van het korps;
   2° referteperiode: de periode van vier jaar die voorafgaat aan de aangepaste technische loopbaan, vermeld in het eerste lid.
   Alleen een jaarlijkse verhouding die onder de laagste verhouding ligt, wordt als significant beschouwd en leidt tot een compenserende toelage.
   Het totaal bedrag van de toe te kennen compensaties wordt per loodsenkorps bepaald.
   Per korps wordt het aantal loodsprestaties dat de loodsen in loodstoelagegroep 4 minder hebben gepresteerd, vermenigvuldigd met het bedrag van de loodstoelage 4 van dat korps, vermeld in paragraaf 1.
   Het aantal prestaties dat de loodsen in loodstoelagegroep 4 minder hebben gepresteerd, wordt verkregen door het verschil tussen het aantal prestaties dat ze werkelijk hebben verricht en het aantal prestaties dat ze hadden moeten verrichten op jaarbasis.
   Het aantal prestaties dat ze hadden moeten verrichten wordt verkregen door het aantal loodsen in loodstoelagegroep 4 ten opzichte van het aantal loodsen van het korps te vermenigvuldigen met het gemiddelde van de jaarlijkse verhoudingen van de referteperiode.
   Het bedrag verkregen conform het tweede lid, wordt gedeeld door het aantal beschikbaarheidsdagen van de groep loodstoelage 4 binnen dat korps in dat jaar.
   De operationele loods die loodsprestaties leverde in loodstoelagegroep 4, verkrijgt een jaarlijkse compenserende toelage die gelijk is aan het bedrag vermeld in het derde lid, vermenigvuldigd met zijn beschikbaarheidsdagen in loodstoelagegroep 4 in dat jaar.]4
  ----------
  (1)<BVR 2009-01-09/35, art. 8, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  (2)<BVR 2013-02-01/12, art. 10, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2013>
  (3)<BVR 2014-02-14/14, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (4)<BVR 2017-09-22/03, art. 4, 040; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (5)<BVR 2018-09-14/05, art. 1, 045; Inwerkingtreding : 01-10-2018>

  Art. 7.61. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, bepaalt de coëfficiënt waarmee de in artikel VII 60, § 1 bepaalde loodstoelagen vermenigvuldigd worden :
  1° per loodsprestatie volgens het af te leggen traject;
  2° per extraprestatie.

  Art. 7.62.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Als de loods met de operationele functie weigert of onbekwaam is schepen te loodsen die beantwoorden aan onderstaande minimale lengtenormen, ontvangt hij in afwijking van artikel VII 60, § 1, de loodstoelage die volgens onderstaande tabel overeenkomt met de schepen die hij wel loodst. De sinds 5 jaar in de loodstoelagegroep 4 ingedeelde loods die om medische redenen, bevestigd door de [1 arbeidsarts]1, schepen van een lagere categorie loodst, ontvangt minimaal loodstoelage 2.
  

  
loodstoelage 4onbeperkt
loodstoelage 3tot 210 m
loodstoelage 2tot 175 m
loodstoelage 1tot 150 m


  ----------
  (1)<BVR 2020-07-17/69, art. 7, 059; Inwerkingtreding : 01-08-2020>

  Art. 7.63.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De loods met een andere functie dan operationele loods ontvangt een algemene toelage, een toelage voor extraprestaties en/of een toelage voor het effectief geven van opleiding, zoals hieronder bepaald is :

  
[1algemene toelagetoelage voor extra-prestatiestoelage voor het effectief geven van opleiding en het afnemen van proefreizen aan de hoofdschipper - gezagvoerder van de loodsboot tender en andere nautische functies
  
loods, chef-loods (dagdienst)12.910 euro2.322 euro
  
loods, chef-loods (continudienst) of nautisch dienstchef12.910 euro5.400 euro
  
loods, kapitein van de loodsboot12.910 euro13.420 euro10.074 euro
  
Loods, stuurman van de loodsboot80 % van de toelagen van de kapitein
(1)<BVR 2009-01-09/35, art. 9, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2009>


  [2 De maandelijkse bruto-toelage, vermeld in het eerste lid, wordt voor de personeelsleden bezoldigd in één van de in artikel VII 12, § 1, 3° vermelde T-schalen, verminderd met een twaalfde van 7.460 euro (100 %)
   Als het bedrag van de maandelijkse bruto-toelage niet volstaat om de voormelde vermindering toe te passen, wordt het saldo van het bruto maandsalaris afgetrokken.]2
  (2)<BVR 2017-09-22/03, art. 5, 040; Inwerkingtreding : 01-10-2017>

  Art. 7.64.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Deze afdeling is niet van toepassing op de loods op proef, behalve indien de loods op proef slaagt voor de in artikel III 16 bedoelde [1 competentieproef]1 en die operationeel ingezet wordt.
  § 2. De toelagen vermeld in deze afdeling worden bij een algemene verhoging van de salarisschalen voor 2/3 gekoppeld aan de gemiddelde salarisverhoging van niveau A.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>

  Afdeling 14. - Zeegeld. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.65.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007, met uitzondering van artikel VII 65, § 1, wat betreft het zeegeld voor de leidinggevend hoofdassistent (functie opperschipper), de leidinggevend hoofdmedewerker (functie hoofdscheepstechnicus), de leidinggevend hoofdassistent (functie hoofdschipper - gezagvoerder), de leidinggevend hoofdassistent (functie officier werktuigkundige) en de leidinggevend hoofdassistent (functie motorist), dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2006, zie BVR 2007-03-16/55, art. 81, 5°>
   § 1. De ambtenaar van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, aangewezen voor de zeedienst of de rededienst, ontvangt voor elk verblijf aan boord van een vaartuig van dit agentschap, hetzij op zee zeewaarts buiten de koppen van de staketsels van de thuishaven, hetzij in een vreemde haven, per begonnen periode van 24 uur éénmaal het dagbedrag dat in onderstaande tabel naast zijn graad/functie tegen 100 % vermeld is :

  
[1 Graad/functiezeedienstrededienst
  
 dagbedragjaarbedragdagbedragjaarbedrag
  
loods (functie chef-loods)16,98 euro---
  
stagiair-loods14,40 euro1.986 euro--
  
Leidinggevend hoofdmedewerker (functie hoofdscheepstechnicus)15,96 euro2.218 euro 
  
Hoofdscheepstechnicus15,96 euro2.218 euro--
  
Scheepstechnicus14,40 euro1.986 euro--
  
Leidinggevend hoofdassistent (functie hoofdschipper)16,98 euro- 
  
Leidinggevend hoofdassistent (functie hoofdschipper - gezagvoerder)14,40 euro1.986 euro 
  
Leidinggevend hoofdassistent (functie officier werktuigkundige)15,96 euro2.218 euro 
  
Leidinggevend hoofdassistent (functie motorist)14,40 euro 5,67 euro745 euro
  
hoofdschipper (functie gezagvoerder)14,40 euro1.986 euro--
  
Hoofdmotorist (functie motorist)14,40 euro-5,67 euro745 euro
  
Hoofdmotorist (functie officier werktuigkundige)15,96 euro2.218 euro--
  
speciaal hoofdassistent (functie kok ingescheept)14,40 euro1.986 euro 
  
Schipper14,40 euro1.986 euro5,67 euro745 euro
  
Motorist14,40 euro1.986 euro5,67 euro745 euro
  
speciaal assistent (functie kok ingescheept en de functie matroos/stoker)14,40 euro1.986 euro5,67 euro745 euro]1
(1)<BVR 2009-05-29/42, art. 111, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>


  Met zeedienst worden prestaties bedoeld van de loodsdienst (kotter en/of tender), de sleepdienst, de bebakenings- of beboeiingsdienst, de reddingsdienst of prestaties met het hydrografisch vaartuig en met de politieboot tijdens surveillanceopdrachten.
  [1 De geïndexeerde dagbedragen in de bovenstaande tabel worden [3 voor de personeelsleden die een maaltijdcheque ontvangen]3 verminderd met [2 de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque zoals bepaald in artikel VII 109ter van dit besluit]2 .]1
  § 2. Als per 24 uur zowel zeedienst- als rededienstprestaties geleverd worden, dan wordt slechts eenmaal het hoogste dagbedrag toegekend.
  § 3. [3 ...]3.
  § 4. De ambtenaar die ingevolge een arbeidsongeval niet voor de [4 zee- of rededienst]4 ingezet kan worden, ontvangt per kalenderdag 1/365ste van het op hem toepasselijke jaarbedrag.
  § 5. Bij een algemene herziening van de salarisschalen van het varend personeel worden de bedragen, vermeld in § 1, verhoogd of verlaagd met een coëfficiënt die verkregen wordt door de som van de rekenkundige gemiddelden van de nieuwe schalen van de in § 1 genoemde ambtenaren, te delen door de som van de rekenkundige gemiddelden van de schalen die geldig zijn op de datum van inschaling.
  Het rekenkundige gemiddelde wordt verkregen door de som van het minimum en het maximum van de salarisschaal door twee te delen. De coëfficiënt wordt berekend tot op vier decimalen.
  § 6. De ambtenaar van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken of van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust, die belast is met hydrografische werkzaamheden op zee aan boord van een hydrografisch vaartuig, of die controleopdrachten uitvoert aan boord van een baggerschip, ontvangt per 24 uur een dagbedrag " zeedienst " als vermeld in § 1 voor de scheepstechnicus. [3 ...]3.
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 80, 010; Inwerkingtreding : 01-07-0007>
  (2)<BVR 2011-04-29/08, art. 40, 017; Inwerkingtreding : 01-02-2011>
  (3)<BVR 2013-02-01/12, art. 11, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
  (4)<BVR 2014-02-21/48, art. 67, 028; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Afdeling 15. - De huisbewaarder. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Onderafdeling 1. - Voordelen en rechten toegekend aan de huisbewaarder. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.66. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Als vergoeding voor de plichten, heeft de huisbewaarder alleen voordelen in natura, namelijk kosteloze huisvesting, verwarming en verlichting in een woning die aan de hedendaagse comfortnormen voldoet.

  Art. 7.67. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De verhuiskosten van het eigen meubilair zijn ten laste van de huisbewaarder, behalve als de diensten zelf hun lokalen verlaten en zich vestigen in een nieuw dienstgebouw waar de betrokkene weer als huisbewaarder wordt aangesteld.

  Onderafdeling 2. - Toelage voor vervanging van huisbewaarder. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.68. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Er wordt een toelage toegekend aan de persoon die bij beslissing van de lijnmanager de huisbewaarder vervangt tijdens zijn vakantieverlof of ziekte van ten minste één week.
  § 2. Per dag prestatie ontvangt de vervanger een toelage van 7/1976 van het geïndexeerde minimumbedrag van de salarisschaal D 111.

  Onderafdeling 3. - Beëindiging van de functie van huisbewaarder. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.69.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. Als de aanstelling van de huisbewaarder wordt beëindigd om een van de redenen, vermeld in artikel VI 103, krijgt de belanghebbende, of, bij overlijden, de echtgeno(o)t(e) of samenwonende partner, of als hij/zij weduw(e)(naar) is of de samenwonende partner overleden is, de nabestaanden die onder hetzelfde dak wonen, drie maanden de tijd om een andere woning te zoeken. Het hoofd van de personeelsfunctie in kwestie die bevoegd is voor het beleidsdomein waarschuwt de betrokkene met een [1 beveiligde zending]1.
  § 2. In geval van :
  1° afzetting of ontslag van ambtswege;
  2° ontslag om dringende redenen door de werkgever of de werknemer;
  wordt de termijn vermeld in § 1 ingekort tot 1 maand.
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 32, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Afdeling 16. [1 - Specifieke toelageregeling voor het personeel van de grote varende eenheden van de DAB Vloot.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-14/14, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 7.70.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007, met uitzondering van artikel VII 70, § 1 wat betreft de toelageregeling Tender - Kotter voor de leidinggevend hoofdassistent (functie hoofdschipper), dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2006, zie BVR 2007-03-16/55, art. 81, 6°> § 1. Per volledige zeebeurt wordt aan de personeelsleden van de tender en kotter de volgende uurtoelage toegekend :
  

  
functieuurtoelage
matroos36 uur
(hoofd)schipper en (hoofd)scheepstechnicus38 uur
kok40 uur
leidinggevend hoofdassistent (functie hoofdschipper)38 uur


  In het bovenvermelde aantal uren zijn de vier uren binnenbeurt begrepen waarvoor geen toelage wordt toegekend.
  § 2. In geval van gedeeltelijke zeebeurt wordt de toelage, vermeld in § 1, pro rata berekend.
  [1 § 3. Voor prestaties op de sleepdienst aan de kust gelden de volgende voorwaarden:
   1° een normale dagprestatie bedraagt tien uur;
   2° het eerste overuur op dagbasis wordt vergoed tegen 125%, de volgende overuren worden vergoed tegen 150%;
   3° een derde van de niet-gepresteerde uren aan boord worden als overuren vergoed, conform artikel VII 28, § 1.
   § 4. Als een andere grote varende eenheid uitzonderlijk wordt ingezet in continudienst, wordt aan de betrokken personeelsleden een derde van de niet-gepresteerde uren aan boord als overuren vergoed conform artikel VII 28, § 1.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-02-14/14, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Afdeling 17. [1 - STCW-toelage (Standards of Training, Certification and Watchkeeping).]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2008-09-05/40, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 7.70bis.[1 Op voorwaarde dat het personeelslid in het bezit is van een geldig STCW-vaarbevoegdheidsbewijs overeenkomstig de functie, wordt een STCW-toelage toegekend, zoals hierna bepaald :

  
[2 STCWGraadfunctiejaarbedrag (100 %)
Ilo-certificaatspeciaal assistent/speciaal hoofdassistentkok940 euro
II/4speciaal assistentmatroos/stoker [9]940 euro
III/4Motoristmotorist1.690 euro
II/4Schipperschipper-bootsman1.690 euro (100 %)
II/3Schipperschipper1.690 euro
III/1, III/2, III/3Scheepstechnicusscheepstechnicus1.690 euro
II/1, II/2, II/3Schipperschipper-stuurman2.190 euro
III/4hoofdmotorist/leidinggevend hoofdassistenthoofdmotorist2.190 euro
III/2 of III/3hoofdscheepstechnicus/leidinggevend hoofdmedewerkerhoofdscheepstechnicus2.190 euro
II/2, II/3hoofdschipper/leidinggevend hoofdassistenthoofdschipper2.690 euro]2


   De personeelsleden van niveau A zijn uitgesloten van die toelage.
  [2 De personeelsleden met de functie van schipper-stuurman en hoofdschipper behouden het jaarbedrag vermeld in de bovenstaande tabel, slechts op voorwaarde dat ze de " Bridge Resource Management " opleiding hebben gevolgd, en daarvan een trainingscertificaat kunnen voorleggen.]2
   [2 Derde lid opgeheven.]2]1
  [3 De maandelijks bruto-toelage vermeld in het eerste lid, wordt voor de personeelsleden bezoldigd in één van de in artikel VII 12, § 1, 3° vermelde T-schalen, verminderd met een twaalfde van 1.690 euro (100 %) of een twaalfde van 940 euro (100 %) voor de functies kok, matroos of stoker op jaarbasis.
   Als het bedrag van de maandelijkse bruto toelage niet volstaat om de voormelde vermindering toe te passen, wordt het saldo van het bruto maandsalaris afgetrokken.]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2008-09-05/40, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (2)<BVR 2013-02-01/12, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2013>
  (3)<BVR 2017-09-22/03, art. 6, 040; Inwerkingtreding : 01-10-2017>

   Afdeling 18. [1 - Toelage voor technische bekwaamheid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2008-09-05/40, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 7.70ter.[1 § 1. De personeelsleden met de functie van verkeersleider centrale Zandvliet of Zeebrugge, regioverkeersleider verkeerscentrale Zandvliet of Zeebrugge, nautisch verkeersleider MRCC (Maritiem Reddings en Coördinatiecentrum), verkeersleider MRCC, verkeersleider Zelzatebrug, regioverkeersleider Zelzatebrug, loodsdienstcoördinator en rededienstcoördinator ontvangen een toelage van 2 250 euro (à 100 %) per jaar voor technische bekwaamheid.
   De toelage, vermeld in het eerste lid, wordt voor de personeelsleden die na 1 januari 2008 in dienst zijn getreden, niet toegekend tijdens de proeftijd [2 behalve indien de proeftijd aansluit op een contractuele tewerkstelling in dezelfde functie]2.
   § 2. Bovenop de toelage vermeld in § 1 ontvangen de verkeersleiders en regioverkeersleiders van de centrale Zandvliet en Zeebrugge waarop artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2007 betreffende de opleiding, de kwalificatie en de aansprakelijkheid van de personeelsleden die belast zijn met de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen buiten het havengebied en het personeel van het MRCC, van toepassing is, een toelage van 1 000 euro (100 %) per jaar.
   § 3. Bovenop de toelage vermeld in § 1 ontvangen de nautisch verkeersleiders MRCC waarop artikel 12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 september 2007, vermeld in § 2, van toepassing is, een toelage van 500 euro (100 %) per jaar. "
   § 4. De toelage vermeld in § 2 en § 3 wordt enkel uitbetaald als de betrokken personeelsleden in het bezit zijn van een geldig VTS (Vessel Traffic System) of MRCC-certificaat.
   § 5. De verkeersleiders en regioverkeersleiders waarop § 2 van toepassing is dienen ten laatste op 31 december 2008 in het bezit te zijn van een geldig VTS-certificaat, zoniet wordt de toelage vermeld in § 2 niet verder uitbetaald totdat ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden.
   De nautisch verkeersleiders waarop § 3 van toepassing is dienen ten laatste op 30 juni 2009 in het bezit te zijn van een geldig MRCC-certificaat, zoniet wordt de toelage vermeld in § 3 niet verder uitbetaald totdat ze opnieuw voldoen aan de voorwaarden.]1
  [3 § 6. De maandelijks brutotoelage vermeld in paragraaf 1,2 en 3 wordt voor de personeelsleden bezoldigd in één van de in artikel VII 12, § 1, 3° vermelde T-schalen, verminderd met een twaalfde van 1.690 euro (100 %).
   Als het bedrag van de maandelijkse bruto toelage niet volstaat om de voormelde vermindering toe te passen, gebeurt wordt het saldo van het bruto maandsalaris afgetrokken.]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2008-09-05/40, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (2)<BVR 2009-05-29/42, art. 113, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
  (3)<BVR 2017-09-22/03, art. 7, 040; Inwerkingtreding : 01-10-2017>

  Afdeling 19.
  <Opgeheven bij BVR 2012-06-08/08, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Art. 7.70quater.
  <Opgeheven bij BVR 2012-06-08/08, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-12-2012>

  Afdeling 20. [1 - Arbeidsmarkttoelage voor artsen en arts-specialisten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2009-05-29/42, art. 115, 014; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Art. 7.70quinquies.[1 § 1. Aan een arts wordt een arbeidsmarkttoelage toegekend van 4.650 euro (100 %) op jaarbasis. De toekenning van de toelage mag niet tot gevolg hebben dat het salaris, verhoogd met de toelage, meer bedraagt dan 51.360 euro (100 %). In voorkomend geval wordt de toelage verminderd tot 2.250 euro (100 %).
   § 2. Aan een arts-specialist wordt een arbeidsmarkttoelage toegekend van 6.000 euro (100 %) op jaarbasis. Als de arts-specialist titularis is van een [2 C- of P-schaal]2 wordt die toelage pas toegekend vanaf twaalf jaar geldelijke anciënniteit.
   § 3. De toelagen worden pro rata van de prestaties toegekend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2009-05-29/42, art. 115, 014; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (2)<BVR 2011-04-29/08, art. 41, 017; Inwerkingtreding : 01-12-2008>

  Afdeling 21. [1 - Toelage voor de matroos die tijdelijk fungeert als schipper-bootsman [2 of als schipper-stuurman]2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-14/14, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 23, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Art. 7.70sexies.[1 Het personeelslid met de functie van matroos die de functie van schipper-bootsman [2 of schipper-stuurman]2 tijdelijk uitoefent, krijgt per uur werkelijke prestatie een toelage van 1/1976 van 1.120 euro tegen 100%.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-02-14/14, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<BVR 2014-10-03/06, art. 23, 032; Inwerkingtreding : 01-04-2014>

  Afdeling 22. [1 - Risicotoelage voor personeelsleden van het team Mobiele Eenheid van het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht van de afdeling Justitiehuizen van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-01-27/13, art. 33, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.70septies. [1 Aan personeelsleden van het team Mobiele Eenheid van het Vlaams Centrum voor Elektronisch Toezicht van de afdeling Justitiehuizen van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt een toelage van 1150 euro (100%) per jaar toegekend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-01-27/13, art. 33, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  HOOFDSTUK 4. - Cumulatiebepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.71.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Het personeelslid dat van een toelage geniet als vermeld in de linkerkolom van de onderstaande tabel, kan niet genieten van de toelagen vermeld in de rechterkolom.
  

  
overloon a 125 of 150 %verstoringstoelage (VII 29 en 31)- genot
(VII 28 en 31)van het gunstigste stelsel
nachtwerk (VII 30 en 31)loodstoelage (VII 60 - 62)
functioneringstoelagemanagements- [7...]7 toelage
(VII 37 - 38)(VII 35 - 36)
milieutoelage (VII 46)overloon (VII 28 en 31), zaterdag-,
 zondag- en nachtwerk (VII 30 en 31),
 gevaartoelage (VII 33 - 34),
 produktiviteitspremie (VII 113)
secretariaat [6 Kanselarij en Bestuur]6overloon (VII 28 en 31), zaterdag-,
 zondag- en nachtwerk (VII 30 en 31)
(VII 52) 
BET-toelage (VII 53)overgangsregeling BET-toelage (VII 120)
 en vergoeding voor het werken in
 Vlissingen (VII 91)
wachters der waterwegen (VII 56)overloon (VII 28 en 31), zaterdag-,
 zondag- en nachtwerk (VII 30 en 31)
diensthoofdentoelage (VII 25 - 26)luchthaventoelage (VII 59)
toelage voor prestaties buitentoelagen die krachtens andere
de normale arbeidstijdregelingreglementeringen voor
(VII 28 - 31)nacht-, zaterdag- of zondagprestaties
 worden toegekend. In dit geval wordt
 het meest gunstige stelsel toegepast
permanentietoelage (VII 42)toelage voor de milieu-inspectie
 (VII 46)
 diensthoofdentoelage (VII 25 - 26)
 toelage voor de personeelsleden van het
 Agentschap voor Maritieme
 Dienstverlening en Kust, tewerkgesteld
 bij het Beheers- en Exploitatieteam
 van de Schelderadarketen in
 Vlissingen (VII 53)
 huisvesting (vrije woonst) (VII 56)
 vervangende toelage (VII 57)
 toelage voor onregelmatige prestaties
 voor de wachters der waterwegen
 (VII 58)
 [4 bijzondere toelageregeling voor het loodspersoneel (VII 60 - 64) ]4
  
 overgangsregeling loodstoelagen
 (VII 118)
 overgangsregeling voor personeelsleden
 op 1/1/94 tewerkgesteld bij het
 Beheers- en Exploitatieteam te
 Vlissingen (VII 120)
 overgangsregeling vrije woonst of
 vervangende toelage (VII 130)
 verstoringstoelage (VII 29 en 31)
toelage voor ploegenarbeidloodsentoelage (VII 60 - 62 en VII 118)
(VII 43) 
[5 specifieke toelageregelingtoelageregeling voor overuren als
voor het personeel van de grote varendevermeld in afdeling 6
eenheden van de DAB Vloot]5 
[1 Helitoelage operationele loodsen (VII 60, # 7)Gevaartoelage (VII 33)]1
[2 artsentoelage (VII 70 quinquies)diensthoofdentoelage (VII 151)]2
[3 toelage facilitaire kabinetsondersteuning (VII 52bis)overloon (VII 28 en 31), zaterdag-, zondag- en nachtwerk (VII 30 en 31)]3
(1)<BVR 2008-09-05/40, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
(2)<BVR 2009-05-29/42, art. 116, 014; Inwerkingtreding : 29-05-2009>
(3)<BVR 2009-12-04/09, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-09-2009>
(4)<BVR 2013-02-01/12, art. 13, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2013>
(5)<BVR 2014-02-14/14, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
(6)<BVR 2015-03-13/03, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 01-04-2015>
(7)<BVR 2018-04-20/03, art. 39, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>



  TITEL III. - DE VERGOEDINGEN. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke bepalingen. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007>

  Art. 7.72. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> De hierna bepaalde vergoedingen worden verleend als terugbetaling van werkelijk gemaakte kosten voor rekening van de werkgever.

  Art. 7.73.<Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> § 1. De vergoedingen die hierna " tegen 100 % " vermeld zijn, volgen de evolutie van het gezondheidsindexcijfer zoals vermeld in artikel VII 9. Het te betalen bedrag wordt afgerond op de hogere cent.
  § 2. Tenzij het anders bepaald is, worden de forfaitaire vergoedingen maandelijks na vervallen termijn betaald.
  [1 § 3. Ingeval een vergoeding werd geforfaitariseerd en op maandbasis wordt uitbetaald, wordt de betaling stopgezet :
   1° als er geen salaris wordt betaald;
   2° of bij een afwezigheid die langer dan 35 werkdagen duurt.
   § 4. [3 ...]3]1
  [2 § 5. Paragraaf 3 is van toepassing op de betaling van forfaitaire vergoedingen bij een afwezigheid ingevolge een arbeidsongeval van meer dan 35 werkdagen.]2
  ----------
  (1)<BVR 2008-05-23/44, art. 81, 010; Inwerkingtreding : 23-05-2008>
  (2)<BVR 2013-02-01/12, art. 14, 023; Inwerkingtreding : 01-02-2013>
  (3)<BVR 2018-04-20/03, art. 40, 044; Inwerkingtreding : 01-05-2018>

  Art. 7.74. <Ingevoegd bij BVR 2007-03-16/55, art. 58; Inwerkingtreding : 16-03-2007> Onder motorvoertuig wordt verstaan auto, bromfiets of motorfiets.

  HOOFDSTUK 2. [1 - Vergoedingen voor binnenlandse dienstreizen]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.75.[1 De kosten die een personeelslid heeft gemaakt in het kader van een binnenlandse dienstreis, worden terugbetaald onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.76.[1 Een dienstreis is de verplaatsing van de woonplaats of de standplaats naar een bestemming die niet de vaste plaats van tewerkstelling is, en die het personeelslid maakt in opdracht van de lijnmanager.
   De verplaatsing die een personeelslid maakt voor een medisch onderzoek, een vormingsactiviteit, voor het inkijken van zijn personeelsdossier indien de te consulteren documenten niet elektronisch kunnen geraadpleegd worden, voor het afleggen van een proef of examen of naar aanleiding van een arbeids(weg)ongeval, wordt gelijkgesteld met een dienstreis.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.77.[1 De lijnmanager beslist welk vervoermiddel functioneel en financieel het meest verantwoord is.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.78.[1 Het personeelslid dient binnen een termijn van vier maanden een kostenstaat in bij de lijnmanager.
   Een volledig ingevulde kostenstaat, ingediend binnen een termijn van drie maanden, en die drie maand na de indiening nog niet werd betaald, wordt vanaf de vierde maand verhoogd met een intrest van 3% (op jaarbasis).]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.79.[1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de loodsen voor de prestaties die recht geven op de vergoeding, vermeld in artikel VII 88, noch op het scheepspersoneel voor de prestaties die recht geven op zeegeld als vermeld in artikel VII 65.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Afdeling 2. [1 - Reiskosten]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.80.[1 § 1. De lijnmanager kent de volgende forfaitaire vergoeding toe voor een dienstreis met eigen voertuig :
  
  

  
 bedrag per kilometer
motorvoertuig0,3412 euro (vanaf 1 juli 2015). Het geactualiseerde bedrag vanaf 1 juli 2015 is vermeld in de dienstmededeling KB/VO 2015/1.
[1fiets en speed pedelec ]10,21 euro
(1)<BVR 2019-09-06/08, art. 6, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

§ 2. Noodzakelijke parkeerkosten worden terugbetaald op voorlegging van de bewijsstukken.
   § 3. De kilometervergoeding voor motorvoertuigen wordt jaarlijks op 1 juli herzien na beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken.
   Bij een ongewijzigde federale berekeningswijze van de kilometervergoeding deelt de administrateur-generaal van het Agentschap Overheidspersoneel jaarlijks het bedrag van de kilometervergoeding mee.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.81.[1 § 1. Voor een dienstreis met het openbaar vervoer stelt de werkgever het personeelslid een vervoersbewijs ter beschikking.
   Als de werkgever het personeelslid vooraf geen vervoersbewijs ter beschikking stelt, worden de door het personeelslid gemaakte kosten voor een dienstreis met het openbaar vervoer terugbetaald op voorlegging van de bewijsstukken.
   § 2. Het personeelslid dat een dienstreis maakt met het openbaar vervoer, reist in tweede klasse of economy class.
   § 3. Eventuele taxikosten worden uitzonderlijk terugbetaald op voorlegging van de bewijsstukken.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Afdeling 3. [1 - Maaltijdvergoeding]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.82.[1 § 1. De maaltijdvergoeding bedraagt 9,50 euro (tegen 100%) en wordt toegekend onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk :
  
  

  
middagmaal dienstreis van minimaal zes uur
avondmaal dienstreis van minimaal zes uur die begint om 14 uur of later

Het bedrag, vermeld in het eerste lid, wordt na indexatie verminderd met de werkgeversbijdrage in een maaltijdcheque, vermeld in artikel VII 109ter.
   § 2. De vergoeding voor middagmaal en de vergoeding voor avondmaal kunnen worden gecumuleerd voor dienstreizen die minstens twaalf uur duren.
   § 3. Er wordt geen maaltijdvergoeding toegekend voor dienstreizen binnen een straal van 5 kilometer vanaf de stand- of woonplaats, of binnen een straal van 25 kilometer als het personeelslid zich verplaatst met een motorvoertuig. Voor het bepalen van de afstand, zo ook de 5- en 25 kilometergrens, wordt de werkelijke afstand in aanmerking genomen.
   De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, kan op het principe, vermeld in het eerste lid, tijdelijk en individueel een uitzondering verlenen waardoor het betrokken personeelslid toch een maaltijdvergoeding ontvangt.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Afdeling 3bis. [1 - Forfaitaire vergoeding voor het thuis opladen van een volledig elektrisch dienstvoertuig of een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 20, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Art. 7.82bis. [1 Het personeelslid dat voor een binnenlandse dienstreis gebruik maakt van volledig elektrisch dienstvoertuig of van een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is, en dat voertuig mee naar huis neemt, ontvangt de volgende forfaitaire vergoeding:
  

  
 bedrag per keer dat het personeelslid het dienstvoertuig mee naar huis neemt
volledig elektrisch dienstvoertuig 6,67 euro
dienstvoertuig dat een plug-in hybride is 2,73 euro

De Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, herziet minstens om de twee jaar de vergoeding vermeld in het voorgaande lid, op basis van:
   1° de gemiddelde eenheidsprijs van elektriciteit in euro per kWh, vastgesteld door de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt;
   2° de evoluties in de batterijtechnologie;
   3° andere nieuwe technologische ontwikkelingen.
   Het personeelslid dat met toepassing van artikel V 12bis of VII 109sexies beschikt over een volledig elektrisch dienstvoertuig of een dienstvoertuig dat een plug-in hybride is, kan geen aanspraak maken op de vergoeding, vermeld in het eerste lid.
   In afwijking van het derde lid ontvangt het personeelslid de vergoeding, vermeld in het eerste lid, in afwachting van de installatie van een thuislaadpunt als vermeld in artikel VII 109decies.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 20, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Afdeling 4. [1 - Binnenlandse dienstreis met overnachting]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.83.[1 De hotelkosten die het personeelslid maakt in het kader van een binnenlandse dienstreis met overnachting, worden op voorlegging van de bewijsstukken vergoed binnen de grenzen van de maximale logementsvergoeding, die is vastgesteld met toepassing van artikel VII 85.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Afdeling 5. [1 - Reizende functies]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  Art. 7.84.[1 § 1. Het managementorgaan van de entiteit, raad of instelling wijst de personeelsleden aan die een reizende functie uitoefenen.
   Om een reizende functie te kunnen uitoefenen als vermeld in het eerste lid, moet het personeelslid jaarlijks gemiddeld ten minste 3000 kilometer met zijn eigen motorvoertuig afleggen en zestig dienstreizen per jaar maken.
   § 2. Voor de reizende functies kan een maandelijkse forfaitaire kilometervergoeding voor motorvoertuigen worden toegekend, alsook een forfaitaire maaltijdvergoeding (tegen 100%).]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-01-27/13, art. 34, 039; Inwerkingtreding : 01-02-2017>

  HOOFDSTUK 3. [1 - Buitenlandse dienstreis]1
  ----------
  (1)<BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Afdeling 1. [1 - Algemene bepaling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Art. 7.85.[1 De kosten die een personeelslid maakt in het kader van een buitenlandse dienstreis, worden terugbetaald onder de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk.
   Derden die een buitenlandse dienstreis maken in opdracht van de diensten van de Vlaamse overheid, hebben recht op dezelfde vergoedingen onder dezelfde voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van de vergoeding voor representatiekosten, vermeld in artikel VII 85ter decies.]1
  ----------
  (1)<BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>

  Afdeling 2. [1 - Algemene bepaling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Onderafdeling 1. [1 - Zendingsaanvraag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Art. 7.85bis. [1 § 1. Zendingsopdrachten in het buitenland worden gegeven door de lijnmanager.
   De functioneel bevoegde minister(s) verlenen toestemming voor een zendingsopdracht van de lijnmanager.
   § 2. De lijnmanager beslist welk vervoermiddel functioneel en financieel het meest verantwoord is op basis van de volgende criteria:
   1° kostprijs;
   2° snelheid;
   3° veiligheid;
   4° duurzaamheid.
   Er wordt niet met het vliegtuig gereisd als de bestemming op minder dan vijfhonderd kilometer ligt of de reis over het land minder dan zes uur in beslag neemt, tenzij de verplaatsing met een ander vervoermiddel dan het vliegtuig een onevenredig verlies van tijd of middelen meebrengt, of om andere zwaarwichtige redenen niet opportuun of praktisch uitvoerbaar wordt geacht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Onderafdeling 2. [1 - Voorschotten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Art. 7.85ter. [1 Het personeelslid heeft recht op een voorschot voor bepaalde kosten, als vermeld in artikel VII 85sexies, VII 85octies, VII 85decies en VII 85ter decies.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Afdeling 3. [1 - Kosten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Art. 7.85quater.[1 Op de zendingsaanvraag worden de uitgaven geraamd voor de kosten, vermeld in deze afdeling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Onderafdeling 1. [1 - Reiskosten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-09-06/08, art. 21, 054; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
  

  Art. 7.85quinquies. [1 § 1. De kosten van de reis naar het buitenland en de verplaatsing naar