J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1991/09/26/1991914350/justel

Titel
26 SEPTEMBER 1991. - Koninklijk besluit tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-08-2000 en tekstbijwerking tot 26-05-2016)

Bron : VERKEERSWEZEN
Publicatie : 18-10-1991 nummer :   1991914350 bladzijde : 23286
Dossiernummer : 1991-09-26/32
Inwerkingtreding : 01-11-1991

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definitie en toepassingsdrempel.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Indeling volgens het bedrag van de inschrijving.
Art. 3
HOOFDSTUK III. - Indeling volgens de categorieėn en ondercategorieėn van werken.
Art. 4-5
HOOFDSTUK IV. - De procedure.
Art. 6-9
HOOFDSTUK V. - Erkenning.
Art. 10-14
HOOFDSTUK VI. - Overdracht van de erkenning.
Art. 15
HOOFDSTUK VII. - Sancties.
Art. 16
HOOFDSTUK VIII. - Afwijkingen.
Art. 17
HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen.
Art. 18
HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen.
Art. 19-21

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definitie en toepassingsdrempel.

  Artikel 1. Worden voor de toepassing van dit besluit beschouwd als opdrachten voor de aanneming van werken, de aannemingsovereenkomsten die tot voorwerp hebben :
  1° het bouwen, het afbreken, het verbouwen, het inrichten of het herstellen van goederen welke uit hun aard onroerend zijn;
  2° het vervaardigen en het plaatsen, of het plaatsen van uitrustingsbestanddelen, wanneer zij een onafscheidbaar geheel met de onroerende goederen vormen. Vormen een geheel met voormelde onroerende goederen die uitrustingsbestanddelen waarvan het wegnemen, het uit elkaar nemen of waarvan het vervangen niet kan gebeuren zonder deze bestanddelen zelf of het gedeelte van de onroerende goederen waaraan zij verbonden zijn, te breken of te beschadigen.

  Art. 2.Het bedrag bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken wordt vastgesteld op (75 000 EUR), exclusief B.T.W., voor de in categorieėn en (50 000 EUR), exclusief B.T.W., voor de in ondercategorieėn ingedeelde werken. <KB 2000-07-20/53, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-13/09, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 26-05-2016>

  HOOFDSTUK II. - Indeling volgens het bedrag van de inschrijving.

  Art. 3.§ 1. De erkende aannemers worden voor elke categorie of ondercategorie in acht klassen ingedeeld.
  § 2. Het maximale bedrag exclusief B.T.W. van de aanneming van werken die aan de aannemer mag worden gegund is voor elk van de eerste zeven klassen vastgesteld als volgt :
  klasse 1 : (135 000 EUR)
  klasse 2 : (275 000 EUR)
  klasse 3 : (500 000 EUR)
  klasse 4 : (900 000 EUR)
  klasse 5 : (1 810 000 EUR)
  klasse 6 : (3 225 000 EUR)
  klasse 7 : (5 330 000 EUR). <KB 2000-07-20/53, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. Het totaal bedrag, exclusief B.T.W., van al de werken, zowel openbare als private, welke door dezelfde aannemer in Belgiė en in het buitenland gelijktijdig mogen worden uitgevoerd op het ogenblik van het gunnen van de opdracht, wordt voor elk van de acht klassen vastgesteld als volgt :
  klasse 1 : (682 000 EUR)
  klasse 2 : (2 200 000 EUR)
  klasse 3 : (4 000 000 EUR)
  klasse 4 : (7 000 000 EUR)
  klasse 5 : (14 500 000 EUR)
  klasse 6 : (26 000 000 EUR)
  klasse 7 : (43 000 000 EUR)
  klasse 8 : (260 000 000 EUR). <KB 2000-07-20/53, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Voor de berekening van de werken die gelijktijdig mogen worden uitgevoerd, wordt er voor de werken in uitvoering door een tijdelijke vereniging of uit te voeren door een dergelijke vereniging, slechts rekening gehouden met het aandeel van de aanneming uit te voeren of nog uit te voeren door elk der deelnemers aan een dergelijke vereniging.
  § 4. Voor de gunning van een opdracht is de vereiste erkenningsklasse deze welke overeenstemt met het goed te keuren bedrag van de inschrijving.
  § 5. De erkenning in een klasse laat de uitvoering toe van de werken gerangschikt in de lagere klassen.
  § 6. [1 ...]1
  ----------
  (1)<KB 2016-05-13/09, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 26-05-2016>

  HOOFDSTUK III. - Indeling volgens de categorieėn en ondercategorieėn van werken.

  Art. 4. De werken worden volgens hun aard ingedeeld in de categorieėn en ondercategorieėn, welke door volgende kenletters en kencijfers worden aangeduid en door de Minister nader worden bepaald.
  A Algemene aannemingen van baggerwerken.
  A 1 Lichten van schepen en opruimen van wrakken.
  B Algemene aannemingen en waterbouwkundige werken.
  B 1 Ruimen van waterlopen.
  C Algemene aannemingen van wegenbouwkundige werken.
  C 1 Gewone rioleringswerken.
  C 2 Watervoorziening en leggen van allerhande leidingen.
  C 3 Niet-elektrische verkeerstekens langs verbindingswegen, allerhande, niet-elektrische veiligheidsinrichtingen, afsluitingen en schermen.
  C 5 Bitumineuze verhardingen en bestrijkingen.
  C 6 Leggen van sterkstroom- en telecommunicatiekabels in sleuven, zonder aaneenkoppeling.
  C 7 Horizontale doorpersingen van buizen voor kabels en leidingen.
  D Algemene aannemingen van bouwwerken.
  D 1 Alle ruwbouwwerken en onder kap brengen van gebouwen.
  D 4 Geluids- en warmte-isolatie, lichte scheidingswanden, valse plafonds en blinde vloeren, al dan niet geprefabriceerd.
  D 5 Schrijnwerk in het algemeen, houten spanten en trappen.
  D 6 Marmer- en steenhouwerswerk.
  D 7 Smeedwerk.
  D 8 Dakbedekkingen in asfalt- of gelijkaardige produkten en dichtingswerken.
  D 10 Tegelwerk.
  D 11 Pleister- en raapwerk.
  D 12 Niet-metalen en niet-asfaltbedekkingen.
  D 13 Verfwerk.
  D 14 Glazenmakerswerk.
  D 15 Parketwerk.
  D 16 Sanitaire installaties en verwarmingsinstallaties met gas door middel van individuele toestellen.
  D 17 Centrale verwarming, thermische installaties.
  D 18 Ventilatie, luchtverwarming en airconditioning.
  D 20 Metalen schrijnwerk.
  D 21 Reinigen en opknappen van gevels.
  D 22 Metalen dakbedekkingen en zinkwerk.
  D 23 Restauratie door ambachtslieden.
  D 24 Restauratie van monumenten.
  D 25 Muur- en vloerbekledingen met uitzondering van marmer-, parket- en tegelwerk.
  D 29 Vloerdeklaag en bekleding van industriėle vloeren.
  E Algemene aannemingen van burgerlijke bouwkunde.
  E 1 Moerriolen.
  E 2 Paalfunderingen, dam- en diepwanden.
  E 4 Horizontale doorpersingen van samenstellende elementen van kunstwerken.
  F Algemene aannemingen van metaalconstructies.
  F 1 Montage- en demontagewerken (zonder leveringen).
  F 2 Bouw van metalen draagstructuren.
  F 3 Industrieel schilderwerk.
  G Algemene aannemingen van grondwerken.
  G 1 Borings- en sonderingswerken en injecties.
  G 2 Draineerwerken.
  G 3 Beplantingen.
  G 4 Speciale bekledingen voor sportvelden.
  G 5 Afbraakwerken.
  H Algemene aannemingen van spoorwerken.
  H 1 Lassen van spoorstaven.
  H 2 Plaatsen van stroomdraden.
  K Algemene aannemingen van mechanische uitrustingen.
  K 1 Uitrustingen van kunstwerken en van industriėle mechanica.
  K 2 Installaties van overladings- en hijstoestellen (kranen, rolbruggen...).
  K 3 Oleomechanische uitrustingen.
  L Algemene aannemingen van hydromechanische uitrustingsinstallaties.
  L 1 Installaties van leidingen.
  L 2 Uitrustingen van pomp- en turbinestations.
  M Algemene aannemingen van elektronische uitrustingen.
  M 1 Elektronische uitrustingen met industriėle of hoge frekwentie met inbegrip van de uitrusting van voedingsstations.
  N Algemene aannemingen van transportinstallaties in gebouwen.
  N 1 Liften, goederenliften, roltrappen en roltapijten.
  N 2 Vervoer langs kokers of buizen van voorwerpen, documenten of goederen (pneumatisch, mechanisch...).
  Ekektrische installaties.
  P 1 Elektrische installaties in gebouwen, inbegrepen de installaties van stroomaggregaten, de uitrustingen voor brand- en diefstalmelding, telecommunicatie in gebouwen en hun omgeving en installaties of uitrustingen van gemengde telefonie.
  P 2 Elektrische en elektromechanische installaties van kunstwerken en nijverheidsinrichtingen en elektrische buiteninstallaties.
  P 3 Installaties van bovengrondse elektriciteitsleidingen.
  P 4 Elektrische installaties van haveninrichtingen.
  S Algemene aannemingen van telecommunicatie-uitrustingen en van het databeheer.
  S 1 Openbare telefoon- en telegraafuitrustingen.
  S 2 Uitrustingen voor afstandsbediening, afstandscontrole en afstandsmeting.
  S 3 Uitrustingen voor radio- en televisieuitzendingen, radar en antenne-installaties.
  S 4 Uitrustingen voor informatieverwerking en procesregeling.
  Speciale installaties.
  T 2 Bliksemafleiders, ontvangst-antennes.
  T 3 Koelinrichtingen.
  T 4 Uitrustingen voor wasserij en grote keukens.
  T 6 Slachthuisinrichtingen.
  U Installaties voor huisvuilverwerking.
  V Installaties voor waterzuivering.

  Art. 5. § 1. Een aannemer kan in meer dan één categorie en/of ondercategorie en in verschillende klassen worden erkend.
  § 2. De erkenning in een categorie brengt geen erkenning in de daarbij behorende ondercategorieėn met zich mede, behalve wat betreft :
  - de erkenning in de categorie B, die de erkenning in de ondercategorie B 1 met zich medebrengt;
  - de erkenning in de categorie C, die de erkenning in de ondercategorie C 1 met zich medebrengt;
  - de erkenning in de categorie D, die de erkenning in de ondercategorie D 1 met zich medebrengt, onverminderd de toepassing van de vestigingswetgeving;
  - de erkenning in de categorie E, die de erkenning in de ondercategorie E 1 met zich medebrengt;
  - de erkenning in de categorie F, die de erkenning in de ondercategorie F 2 met zich medebrengt;
  - de erkenning in de categorie C, die de erkenning in de ondercategorie C 5 met zich medebrengt, met verlaging van drie klassen.
  § 3. De erkenning in de ondercategorie E 1, brengt de erkenning met zich mede in de ondercategorie C 1;
  - de erkenning in de ondercategorie P 1, brengt de erkenning met zich mede in de ondercategorieėn P 2, P 3 en S 1 met verlaging van twee klassen;
  - de erkenning in de ondercategorie P 2, brengt de erkenning met zich mede in de ondercategorieėn P1, P 3 en S 1 met verlaging van twee klassen.
  § 4. De erkenning in de categorie B, brengt de erkenning met zich mede in de categorieėn A, E en G, met verlaging van drie klassen.
  - de erkenning in de categorie C, brengt de erkenning met zich mede in de categorie G, met verlaging van drie klassen;
  - de erkenning in de categorie D, brengt de erkenning met zich mede in de categorieėn E en G, met verlaging van drie klassen;
  - de erkenning in de categorie E, brengt de erkenning met zich mede in de categorieėn D en G, met verlaging van drie klassen.
  § 5. De §§ 1, 2, 3 en 4 van dit artikel zijn niet van toepassing op de voorlopige erkenningen.
  § 6. Behoudens andersluidende bepaling in het bestek van de aanneming, brengt de erkenning in een categorie of ondercategorie voor een bepaalde aanneming de toelating mede tot het uitvoeren van de werken die door hun aard de aanvulling vormen van een in hoofdzaak uit te voeren werk, zelfs indien ze tot een andere categorie of ondercategorie behoren.
  § 7. De categorie of ondercategorie waarin een aanneming die werken omvat die in verscheidene categorieėn en/of ondercategorieėn gerangschikt zijn, moet worden gerangschikt is die waartoe het gedeelte van het uit te voeren werk behoort waarvan het bedrag het grootste percentage van de aannemingssom vertegenwoordigt.
  In geval de aanneming werken van verschillende aard omvat waarvan de relatieve belangrijkheid ongeveer gelijk is, mag zij gerangschikt worden in meerdere van de betreffende categorieėn of ondercategorieėn. De inschrijver dient evenwel slechts erkend te zijn in één van de voorgeschreven categorieėn of ondercategorieėn.

  HOOFDSTUK IV. - De procedure.

  Art. 6. § 1. Om zijn erkenning te verkrijgen richt de aannemer een aanvraag tot de Minister, door indiening van een volledig dossier houdende de door de Minister bepaalde documenten en bewijsstukken. Hij kan die aanvraag zelf doen, via zijn lasthebber of door tussenkomst van een beroepsvereniging.
  § 2. De Minister levert de aanvrager een getuigschrift af dat de indiening van het volledige dossier bevestigt.
  § 3. Het door de Commissie uitgebracht definitief advies wordt onmiddellijk aan de Minister overgemaakt die over de aanvraag tot erkenning beslist.
  § 4. Wanneer de Commissie over een erkenningsaanvraag bij de Minister een negatief advies heeft uitgebracht, brengt zij dat ter kennis van de betrokken aannemer bij een aangetekende brief. De aanvrager of de beroepsvereniging kan, binnen de maand na ontvangst van het advies, om de herziening ervan verzoeken bij een rechtstreeks aan de Commissie gerichte aangetekende brief.
  Hij heeft het recht te worden gehoord en zich door een raadsman te laten bijstaan.

  Art. 7. De procedure bepaald in artikel 6 is van toepassing om een erkenning in een hogere klasse of een uitbreiding van de erkenning tot andere categorieėn en ondercategorieėn te verkrijgen, evenals voor de overdracht van de erkenning.

  Art. 8. Ingeval de procedure voorzien bij artikel 6 van de wet van 20 maart 1991 wordt toegepast, worden de bewijsstukken die de aannemer bij zijn inschrijving heeft gevoegd door de opdrachtgever onmiddellijk aan de Commissie voor advies overgemaakt.
  Artikel 6, § 4, is van overeenkomstige toepassing.

  Art. 9. De adviezen van de Commissie worden bij gewone meerderheid van stemmen uitgebracht.
  Wanneer het standpunt van de minderheid ten minste een vierde der stemmen van de aanwezige leden heeft bekomen, wordt het eveneens aan de Minister medegedeeld.
  Bij staking van stemmen worden de twee adviezen, samen met het standpunt van de voorzitter, aan de Minister medegedeeld.

  HOOFDSTUK V. - Erkenning.

  Art. 10. § 1. Om de financiėle en economische draagkracht van de aannemers te beoordelen, wordt rekening gehouden met :
  1° het eigen vermogen en in het geval van de herziening bedoeld in artikel 18 van de wet van 20 maart 1991 eveneens de solvabiliteitsratio;
  2° de totale omzet aan werken tijdens drie van de jongste acht jaren.
  § 2. Voor de erkenning in de verschillende klassen :
  1° zijn de volgende bedragen aan eigen vermogen vereist :
  klasse 2 : (45 000 EUR)
  klasse 3 : (85 000 EUR)
  klasse 4 : (150 000 EUR)
  klasse 5 : (308 000 EUR)
  klasse 6 : (550 000 EUR)
  klasse 7 : (895 000 EUR)
  klasse 8 : (1 800 000 EUR). <KB 2000-07-20/53, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Voor de toepassing van dit besluit, wordt als eigen vermogen beschouwd :
  a) voor de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid :
  Het eigen vermogen zoals bedoeld in het schema van de balans opgenomen in bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen verminderd met de door de vennoten, aandeelhouders, bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap verschuldigde sommen.
  b) voor de eenmanszaken en de vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid : het geheel der goederen dat de gemeenschappelijke waarborg voor de schuldeisers vormt.
  2° dienen de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid die op het ogenblik van de herziening van hun erkenning, overeenkomstig artikel 18 van de wet, geen solvabiliteitsratio bereiken van minstens 21,7 % voor de ondernemingen met een jaarrekening volgens een verkort schema en van minstens 14,3 % voor de ondernemingen met een jaarrekening volgens een volledig schema, aan te tonen dat hun solvabiliteitsratio er niet met meer dan 20 % op achteruitging sinds het verkrijgen van hun eerste erkenning op basis van de wet van 20 maart 1991.
  Deze ratio wordt berekend overeenkomstig de formule : Eigen Vermogen/Totaal Vermogen x 100, zoals gehanteerd door de Nationale Bank van Belgiė.
  In geval de solvabiliteitsratio er met meer dan 20 % is op achteruitgegaan kan de Minister aan de betrokkene vragen dat een onderzoek wordt ingesteld naar zijn financiėle draagkracht door middel van een advies gegeven door een accountant of bedrijfsrevisor en kan de Commissie vragen om de betrokken accountant of bedrijfsrevisor ter zake te horen, ten einde na te gaan of de betrokken aannemer desalniettemin over de nodige financiėle draagkracht beschikt om de erkenning te behouden.
  3° de solvabiliteit zoals bepaald onder 2° van artikel 10, § 2 zal voor de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid die zich beroepen op artikel 3, § 1, 2° van de wet van 20 maart 1991, beoordeeld worden op het ogenblik van het indienen van de offerte, overeenkomstig de wijze voorzien onder 2° met dien verstande dat bij gebrek van een eerste erkenning op basis van de wet van 20 maart 1991, de gebeurlijke achteruitgang van hun solvabiliteit met meer dan 20 % wordt vergeleken met hun solvabiliteit op het moment van hun vorige inschrijving overeenkomstig artikel 3, § 1, 2° van de wet.
  § 3. De totale omzet aan werken tijdens drie van de jongste acht jaren vereist voor de erkenning in de verschillende klassen bedraagt :
  klasse 2 : (400 000 EUR)
  klasse 3 : (750 000 EUR)
  klasse 4 : (1 350 000 EUR)
  klasse 5 : (2 750 000 EUR)
  klasse 6 : (5 000 000 EUR)
  klasse 7 : (10 700 000 EUR)
  klasse 8 : (18 600 000 EUR). <KB 2000-07-20/53, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 11. § 1. Om de technische bekwaamheid van de aannemers te beoordelen, worden volgende gegevens in aanmerking genomen :
  1° voor elke categorie of ondercategorie waarvoor een erkenning wordt aangevraagd : de referenties van uitgevoerde werken waarvan het aantal en het bedrag, exclusief B.T.W., hierna worden bepaald in § 2, 1°;
  2° het gemiddeld aantal werklieden en kaderleden gedurende drie semesters vrij te kiezen uit de vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het semester waarin de aanvraag wordt ingediend overeenkomstig § 2, 2°.
  Onder semester wordt verstaan : twee opeenvolgende R.S.Z.-kwartalen.
  § 2. Volgende referenties zijn vereist voor de erkenning in de verschillende klassen :
  1° werken uitgevoerd in de jongste acht jaren :
  klasse 2 : 2 van (89 000 EUR)
  of 3 van (55 000 EUR)
  of 4 van (37 500 EUR)
  of 5 van (27 500 EUR)
  klasse 3 : 2 van (178 000 EUR)
  of 3 van (110 000 EUR)
  of 4 van (75 000 EUR)
  of 5 van (55 000 EUR)
  klasse 4 : 2 van (325 000 EUR)
  of 3 van (200 000 EUR)
  of 4 van (137 000 EUR)
  of 5 van (100 000 EUR)
  klasse 5 : 2 van (580 000 EUR)
  of 3 van (360 000 EUR)
  of 4 van (246 000 EUR)
  of 5 van (179 000 EUR)
  klasse 6 : 2 van (1 177 000 EUR)
  of 3 van (725 000 EUR)
  of 4 van (500 000 EUR)
  of 5 van (365 000 EUR)
  klasse 7 : 2 van (2 100 000 EUR)
  of 3 van (1 300 000 EUR)
  of 4 van (887 000 EUR)
  of 5 van (645 000 EUR)
  klasse 8 : 2 van (3 465 000 EUR)
  of 3 van (2 150 000 EUR)
  of 4 van (1 470 000 EUR)
  of 5 van (1 070 000 EUR). <KB 2000-07-20/53, art. 29, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Gaat het om erkenningen in een ondercategorie, dan worden de vermelde bedragen met 30 % verminderd.
  2° het gemiddelde aantal werklieden en kaderleden gedurende drie semesters vrij te kiezen uit de vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het semester waarin de aanvraag werd ingediend :

                               Werklieden               Kaderleden
                     Type A              Type B
  Klasse 2             3                    3             1
         3             5                    4             1
         4             8                    5             1
         5            13                    8             2
         6            23                   12             5
         7            44                   23             9
         8            83                   44            15

Enkel de erkenningen in de hiernavolgende categorieėn en ondercategorieėn vallen onder type B :
  - D 17;
  - K 3;
  - L, L 1 en L 2;
  - M en M 1;
  - P 2, P 3 en P 4;
  - S, S 1, S 2, S 3 en S 4;
  - T 3, T 4 en T 6.
  Voor het bepalen van deze gemiddelden wordt rekening gehouden met het aantal werklieden en kaderleden tewerkgesteld door een tijdelijke vereniging, waaraan de aannemer deelneemt en dit in verhouding tot zijn deelneming.
  § 3. Voor de toepassing van dit besluit worden als kaderpersoneel beschouwd :
  - de aannemer zelf voor de éénmanszaken, de afgevaardigde-bestuurder of de zaakvoerder voor de vennootschappen;
  - de houders van een universitair diploma of van een diploma van het niet-universitair hoger onderwijs;
  - de houders van een diploma van het technisch onderwijs - technische afdeling - met volledig leerplan (STO of A2) of van het onderwijs voor sociale promotie (STL of B1);
  - de houders van een getuigschrift van ondernemersopleiding;
  - de personen die gedurende ten minste tien jaar als meesterknecht werkzaam zijn geweest.
  § 4. Met werkman wordt gelijkgesteld :
  1° de erkende leerlingen;
  2° de zelfstandige helpers en de meewerkende vennoten;
  3° de technische bedienden.
  Personen tewerkgesteld in een deeltijds arbeidsstelsel worden naar rato van hun tewerkstelling meegerekend.

  Art. 12. In het geval van een erkenning in de categorieėn U en V en de ondercategorie D 23 worden de criteria gesteld bij artikelen 10 en 11 inzake omzet, uitgevoerde werken en aantal werklieden - type B - en kaderleden met 30 % verminderd.
  Gaat het om een erkenning in de ondercategorie D 23 dan worden tevens de criteria gesteld bij artikel 10 inzake eigen vermogen met 50 % verminderd.

  Art. 13. Om de gelijkwaardigheid inzake de financiėle en economische draagkracht en de technische bekwaamheid te beoordelen van de inschrijving op de officiėle lijst van de erkende aannemers in een andere lid-Staat van de Europese Gemeenschappen wordt rekening gehouden met de criteria bepaald in de artikelen 10, 11 en 12.

  Art. 14. § 1. De voorlopige erkenning kan verkregen worden, overeenkomstig artikel 6, voor elke categorie of ondercategorie van activiteiten uitgeoefend sinds minder dan vijf jaar en waarvoor geen erkenning werd bekomen.
  § 2. Met de volgende criteria wordt rekening gehouden voor het bepalen van de klasse, de categorie en/of ondercategorie van de voorlopige erkenning :
  1° het eigen vermogen en in geval van de herziening bedoeld in artikel 18 van de wet van 20 maart 1991 eveneens de solvabiliteitsratio;
  2° het aantal werklieden, alsmede het aantal kaderleden, op het tijdstip van het onderzoek van de aanvraag.
  § 3. De voorlopige erkenning blijkt uit een bijzonder getuigschrift afgegeven door de Minister.
  Dat getuigschrift vermeldt het nummer van inschrijving in een register met betrekking tot de klasse van voorlopige erkenning in een categorie of ondercategorie van werken, alsook de datum waarop de voorlopige erkenning verkregen werd en tot wanneer ze geldig is.
  § 4. Niemand kan gelijktijdig voorlopig erkend zijn in meer dan vijf categorieėn of ondercategorieėn.
  § 5. De klasseverhoging van een voorlopige erkenning kan ten vroegste ter gelegenheid van de eerste verlenging bekomen worden. De voorlopige erkenning kan slechts maximaal met één klasse worden verhoogd.
  § 6. De verlengingsaanvragen moeten uiterlijk drie maanden vóór de vervaldatum ingediend worden.
  Behoudens in geval van herziening, klasseverhoging en uitbreiding gebeurt de verlenging zonder dat daartoe een volledig dossier moet worden ingediend.
  De geldigheidsduur van elke verlenging, verkregen ingevolge een te laat ingediende aanvraag, zal worden beperkt tot het nog resterend aantal maanden te rekenen vanaf de vervaldatum van de te verlengen voorlopige erkenning.

  HOOFDSTUK VI. - Overdracht van de erkenning.

  Art. 15. § 1. In de hiernavolgende gevallen kan, onverminderd de mogelijkheid tot herziening, de overdracht van de erkenning plaatsvinden :
  1° Bij fusie waarbij het geheel van het activa- en passivavermogen van de erkende onderneming wordt ingebracht.
  De overdracht kan in dit geval enkel plaatsvinden indien de verzoekende onderneming voldoet aan de criteria inzake eigenvermogen en solvabiliteitsratio;
  2°
  a) bij splitsing van een erkende onderneming met meerdere erkenningen, waarbij elk van de erkenningen slechts aan één van de nieuwe entiteiten wordt toegewezen;
  b) bij omvorming van een eenmanszaak in een vennootschap of bij overname van een eenmanszaak door een andere eenmanszaak.
  De overdracht kan in deze gevallen enkel plaatsvinden indien de verzoekende onderneming voldoet aan de criteria inzake eigen vermogen, solvabiliteitsratio en het aantal werklieden en kaderleden.
  § 2. In alle andere gevallen kan om aan de ter zake gestelde voorwaarden te voldoen gebruik gemaakt worden van de door de eertijds erkende onderneming gerealiseerde referenties inzake omzet, uitgevoerde werken en tewerkstelling op voorwaarde dat door de bevoegde personen van de overdragende onderneming definitief en zonder voorbehoud afstand wordt gedaan van de haar verleende erkenningen en de door haar gerealiseerde referenties.
  De verzoekende onderneming dient te voldoen aan alle bij de artikelen 10 en 11 gestelde criteria.

  HOOFDSTUK VII. - Sancties.

  Art. 16. De voorstellen tot klasseverlaging, schorsing, intrekking en uitsluiting worden door de Commissie in een met redenen omkleed advies aan de Minister voorgesteld, nadat de aannemer kennis heeft kunnen nemen van de hem ten laste gelegde feiten en van het administratief dossier en in de mogelijkheid gesteld werd om in zijn verweermiddelen gehoord te worden.

  HOOFDSTUK VIII. - Afwijkingen.

  Art. 17. De afwijking bedoeld in artikel 21 van de wet van 20 maart 1991 kan enkel worden toegestaan in de hiernavolgende gevallen :
  1° wanneer er ten behoeve van een voldoende concurrentie aanleiding bestaat om de in de lagere klassen erkende aannemers toe te laten tot de uitvoering der werken;
  Er wordt in ieder geval geacht onvoldoende concurrentie te bestaan zodra minder dan zes ondernemingen beschikken over de erkenning noodzakelijk voor het verkrijgen van de opdracht.
  2° wanneer er ten behoeve van de instandhouding of het herstel van het cultureel patrimonium en het bouwkundig erfgoed aanleiding bestaat om deze restauratiewerken te gunnen aan ambachtelijk werkende bedrijven;
  3° wanneer geen regelmatige offerte werd neergelegd door een voldoend erkend aannemer om reden van onaanvaardbare prijzen of inbreuken inzake de bepalingen betreffende de normale mededingingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 7 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten;
  4° wanneer door de gunning van een bepaalde opdracht het totaal bedrag van al de werken, zowel openbare als private, die gelijktijdig mogen worden uitgevoerd, rekening houdend met de stand van de aan de gang zijnde aannemingen, het bedrag dat in artikel 2, § 3 is vastgesteld voor de klasse waarin zij erkend zijn, overschrijdt.
  De aannemers moeten hun afwijkingsaanvragen bij de offerte voegen. De bevoegde overheden van de publiekrechtelijke personen of personen waarop de wet betreffende de overheidsopdrachten van toepassing is, waaronder de werken ressorteren, waarvoor een voorstel tot het sluiten van een aannemingsovereenkomst is ingediend, geven de Commissie kennis van de afwijkingsaanvragen wanneer zij inschrijvingen betreffen die in aanmerking genomen kunnen worden.

  HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen.

  Art. 18. § 1. De aannemers die erkend zijn op de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 maart 1991 behouden hun erkenningen totdat hun toestand herzien zal zijn overeenkomstig dit besluit.
  § 2. Deze herziening zal als volgt gebeuren :
  1° per klasse in stijgende volgorde. De aannemers worden gerangschikt volgens hun hoogste erkenning;
  2° in alfabetische volgorde binnen elke klasse;
  3° alle erkenningen van een aannemer worden gelijktijdig behandeld.
  § 3. Deze herziening gebeurt nochtans zonder uitstel :
  1° in geval van aanvraag tot bevordering;
  2° in geval van aanvraag tot uitbreiding;
  3° in geval van overdracht van erkenning.
  § 4. In afwachting van deze herziening zijn de volgende erkenningen, toegekend op basis van de vroegere regeling ingesteld bij de besluitwet van 3 februari 1947 houdende regeling van de erkenning der aannemers, gelijkwaardig aan de erkenningen vereist ingevolge de inwerkingtreding van dit besluit :

  Vereiste erkenning :
                     gelijkwaardige erkenning
                                            toegekend op basis van de
                                            vroegere regeling ingesteld
                                            door de besluitwet van
                                            3 februari 1947
      D 23                                         D 24
      U                                            T 9
      V                                            T 10



  HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen.

  Art. 19. <Opheffingsbepaling van KB 1982-08-09/30 en MB 1982-08-13/30>

  Art. 20. Dit besluit treedt in werking op 1 november 1991.

  Art. 21. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Verkeerswezen en Institutionele Hervormingen en Onze Staatssecretaris voor Institutionele Hervormingen, belast met de Herstructurering van het Ministerie van Openbare Werken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken;
   Gelet op het advies van de Commissie voor de overheidsopdrachten, gegeven op 15 juli 1991;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Verkeerswezen en Institutionele Hervormingen en van Onze Staatssecretaris voor Institutionele Hervormingen, belast met de Herstructurering van het Ministerie van Openbare Werken,
   (Verslag aan de Koning en Advies van de Raad van Staten, B.St. 18-10-1991, p. 23286-23295)
   .....

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-05-2016 GEPUBL. OP 26-05-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 10; 11)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie