J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2013/12/26/2013021136/justel

Titel
26 DECEMBER 2013. - Programmawet (I)

Bron :
KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
Publicatie : 31-12-2013 nummer :   2013021136 bladzijde : 103976   BEELD
Dossiernummer : 2013-12-26/09
Inwerkingtreding : 10-01-2014

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling
Art. 1
TITEL 2. - Energie
ENIG HOOFDSTUK. - Wijzigingen van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt
Art. 2-3
TITEL 3. - Binnenlandse Zaken
ENIG HOOFDSTUK. - Opheffing van het begrotingsfonds tot uitvoering van het correctiemechanisme ingesteld bij de overdracht van ex-rijkswachtgebouwen aan de gemeenten en de meergemeentepolitiezones
Art. 4-8
TITEL 4. - Economie en Noordzee
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Art. 9-10
HOOFDSTUK 2. - Fonds voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling op het vlak van metrologie
Art. 11
HOOFDSTUK 3. - Fonds Leefmilieu
Art. 12
TITEL 5. - Werk
ENIG HOOFDSTUK. - Risicogroepen
Art. 13-15
TITEL 6. - Maatschappelijke Integratie
ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie
Art. 16
TITEL 7. - Sociale Zaken
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de afdelingen 2 en 3 van hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet (I) van 24 december 2002
Art. 17-20
HOOFDSTUK 2. - Sociaal statuut der kunstenaars
Art. 21-24
HOOFDSTUK 3. - Kinderbijslag
Art. 25-26
TITEL 8. - Volksgezondheid
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
Afdeling 1. - Geneesmiddelen
Art. 27
Afdeling 2. - Heffingen op de omzet
Art. 28-31
Afdeling 3. - Bijdrage op marketing
Art. 32
Afdeling 4. - Forensisch psychiatrische centra
Art. 33-35
Afdeling 5. - Prijstransparantie
Art. 36
Afdeling 6. - Forfaitaire bedragen voor heropname en non-cumul van ambulante forfaits met ziekenhuisforfaits in geval van opname via de spoeddiensten
Art. 37-38
Afdeling 7. - Administratiekosten van de verzekeringsinstellingen
Art. 39
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen
Art. 40
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen
Art. 41
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen
Afdeling 1. - Bereidingsvergunning
Art. 42-46
Afdeling 2. - Aangifteplicht voor reclame en sponsoring voor in België gecommercialiseerde geneesmiddelen en in België verdeelde medische hulpmiddelen
Art. 47-48
TITEL 9. - Financiën
HOOFDSTUK 1. - Fiscale maatregelen in het kader van het relanceplan 2013
Art. 49-54
HOOFDSTUK 2. - Inwerkingtreding
Art. 55
TITEL 10. - Infrabel
Art. 56

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  TITEL 2. - Energie

  ENIG HOOFDSTUK. - Wijzigingen van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt

  Art. 2. In artikel 7, § 1, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, laatst gewijzigd bij de wet van 28 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het achtste en het negende lid worden twee leden ingevoegd, luidende :
  "Voor de verbruiken vanaf 1 januari 2014 wordt de toeslag, toepasbaar door elektriciteitsbedrijven op hun eindafnemers, per verbruikslocatie, verminderd, op basis van de voortschrijdende jaarlijkse som van de afnamen, als volgt :
  1° voor de verbruiksschijf vanaf 20 MWh/jaar tot 50 MWh/jaar : met 15 procent;
  2° voor de verbruiksschijf vanaf 50 MWh/jaar tot 1 000 MWh/jaar : met 20 procent;
  3° voor de verbruiksschijf vanaf 1 000 MWh/jaar tot 25 000 MWh/jaar : met 25 procent;
  4° voor de verbruiksschijf hoger dan 25 000 MWh/jaar : met 45 procent.
  Per verbruikslocatie en per jaar, bedraagt de toeslag gefactureerd door de elektriciteitsbedrijven voor die verbruikslocatie maximaal 250.000 euro.";
  2° in het vroegere negende lid, dat het elfde lid wordt, worden de woorden "het zevende en achtste lid" vervangen door de woorden "het zevende, achtste, negende en tiende lid".

  Art. 3. Artikel 21bis, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, wordt opgeheven.

  TITEL 3. - Binnenlandse Zaken

  ENIG HOOFDSTUK. - Opheffing van het begrotingsfonds tot uitvoering van het correctiemechanisme ingesteld bij de overdracht van ex-rijkswachtgebouwen aan de gemeenten en de meergemeentepolitiezones

  Art. 4. In de tabel opgenomen in bijlage van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt de rubriek 13-12 opgeheven.

  Art. 5. In artikel 135 van de programmawet van 2 augustus 2002, gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragrafen 1 en 2 worden opgeheven;
  2° in paragraaf 3 worden de woorden "op een som die door het fonds" vervangen door de woorden "op het correctiemechanisme dat".

  Art. 6. Artikel 79, § 1, van de programmawet van 27 december 2005 wordt opgeheven.

  Art. 7. De beschikbare middelen op het begrotingsfonds tot uitvoering van het correctiemechanisme ingesteld bij de overdracht van ex-rijkswachtgebouwen aan de gemeenten en de meergemeentepolitiezones op 1 januari 2013, evenals de middelen ontvangen na die datum en bestemd voor hetzelfde begrotingsfonds overeenkomstig de bepalingen van de rubriek 13-12 van de tabel opgenomen in bijlage van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen worden van bestemming veranderd en gevoegd bij de algemene middelen van de Schatkist.

  Art. 8. Deze titel heeft uitwerking met ingang van 31 december 2012.

  TITEL 4. - Economie en Noordzee

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht

  Art. 9. In artikel V.14 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "terugbetaalbare implantaten bedoeld in artikel 35, § 1, van de bijlage van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 24 augustus 1994" vervangen door de woorden "gelijkgestelde voorwerpen, apparaten en substanties bedoeld in artikel V.9, 2°, die in uitvoering van hetzelfde artikel V.9, 2°, door de minister zijn aangewezen en terugbetaalbaar zijn in het kader van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "is verplicht" vervangen door de woorden "alsook de onderneming die, gelijkgestelde voorwerpen, apparaten en substanties bedoeld in artikel V.9, 2°, die in uitvoering van hetzelfde artikel V.9, 2°, door de minister zijn aangewezen en die niet terugbetaalbaar zijn in het kader van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen in de handel brengt, zijn verplicht".

  Art. 10. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van artikel 9.

  HOOFDSTUK 2. - Fonds voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling op het vlak van metrologie

  Art. 11. § 1. Bij toepassing van artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, wordt een begrotingsfonds voor de financiering van onderzoek op het vlak van metrologie opgericht.
  § 2. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wet van 24 december 1993, wordt de rubriek 32 - Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, aangevuld als volgt :
  "Benaming van het organiek begrotingsfonds :
  32-16 Fonds voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling op het vlak van metrologie
  Aard van de toegewezen ontvangsten :
  a) ontvangsten voortvloeiend uit de deelname aan Europese metrologische onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, meer bepaald subsidies of ontvangsten afkomstig uit de organisatie van seminaries, internationale vergaderingen en opleidingen;
  b) schenkingen en legaten.
  Aard van de toegestane uitgaven :
  Kosten verbonden aan de deelname aan Europese metrologische onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, meer bepaald :
  a) personeelskosten;
  b) investeringen in materiaal;
  c) onkosten voor verplaatsingen en opleidingen;
  d) deelname in de beheerskosten;
  e) kosten verbonden aan de organisatie van seminaries, vergaderingen en opleidingen;
  f) technische verbruiksgoederen.".

  HOOFDSTUK 3. - Fonds Leefmilieu

  Art. 12. De tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 tot oprichting van begrotingsfondsen, laatst gewijzigd bij de wet van 17 augustus 2013, de tweede kolom, "Aard van de toegewezen ontvangsten", van de rubriek "25-4 Fonds Leefmilieu", wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "De heffingen die bedoeld worden in artikel 11, § 3, tweede lid, 2°, van de wet van 17 augustus 2013 betreffende de prospectie, de exploratie en de exploitatie van de rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht.
  De compensatie in milieuvoordelen die bedoeld worden in de ministeriële besluiten houdende verlening van een vergunning of een machtiging in uitvoering van hoofdstuk VI van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.".

  TITEL 5. - Werk

  ENIG HOOFDSTUK. - Risicogroepen

  Art. 13. Artikel 189, vierde lid, van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De Koning kan daarbij voor een of meerdere van de risicogroepen die Hij bepaalt, de wijze van uitvoering van de in het eerste lid bedoelde inspanningen bepalen.".

  Art. 14. Artikel 191, § 3, derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 27 december 2012, wordt vervangen als volgt :
  "De projecten bedoeld in het eerste lid zijn bestemd voor de risicogroepen die de Koning aanwijst onder deze bedoeld in artikel 189, vierde lid.".

  Art. 15. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van artikel 14, dat uitwerking heeft met ingang van 1 november 2013.

  TITEL 6. - Maatschappelijke Integratie

  ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie

  Art. 16. In titel II, hoofdstuk VI, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, wordt een afdeling 4/1 ingevoegd die een artikel 43/1 bevat, luidende :
  "Afdeling 4/1. Bijzondere toelagen.
  Art. 43/1. Wat het jaar 2014 betreft wordt aan het centrum een bijzondere toelage van 49,12 EUR toegekend per dossier dat in aanmerking werd genomen in 2012 voor de terugbetalingen door de Staat.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van deze toelage voor de volgende jaren evenals het referentiejaar dat in aanmerking wordt genomen.".

  TITEL 7. - Sociale Zaken

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de afdelingen 2 en 3 van hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet (I) van 24 december 2002

  Art. 17. In artikel 331 van de programmawet (I) van 24 december 2002 worden in de laatste zin van het laatste lid de woorden "voor de categorie 3" opgeheven.

  Art. 18. In artikel 342 van dezelfde wet wordt het woord "drie" vervangen door het woord "vijf".

  Art. 19. In artikel 343 van dezelfde wet worden twee nieuwe paragrafen ingevoegd tussen de paragrafen 3 en 4, luidend als volgt :
  " § 3/1. Als nieuwe werkgever van een vierde werknemer wordt beschouwd een werkgever die sedert ten minste vier opeenvolgende kwartalen die het kwartaal van indienstneming van een vierde werknemer voorafgaan, niet onderworpen is geweest aan de voornoemde wet van 27 juni 1969, voor de tewerkstelling van meer dan drie werknemers andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidsarbeiders bedoeld in het artikel 8bis van het voornoemde besluit van 28 november 1969 en gelegenheidswerknemers bedoeld in artikel 8ter van het voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969.
  § 3/2. Als nieuwe werkgever van een vijfde werknemer wordt beschouwd een werkgever die sedert ten minste vier opeenvolgende kwartalen die het kwartaal van indienstneming van een vijfde werknemer voorafgaan, niet onderworpen is geweest aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 voor de tewerkstelling van meer dan vier werknemers andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 8bis van voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 en gelegenheidswerknemers bedoeld in artikel 8ter van voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969.".

  Art. 20. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2014.

  HOOFDSTUK 2. - Sociaal statuut der kunstenaars

  Art. 21. In artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd door de wet van 24 december 2002, worden de paragrafen 1 en 2 vervangen als volgt :
  " § 1. Deze wet vindt eveneens toepassing op de personen die, omdat ze niet door een arbeidsovereenkomst kunnen zijn verbonden daar een of meerdere essentiële elementen voor het bestaan van de overeenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ontbreken en die tegen betaling van een loon prestaties leveren of werken produceren van artistieke aard, in opdracht van een natuurlijke persoon of rechtspersoon. In dat geval wordt de opdrachtgever als de werkgever beschouwd en moet hij de verplichtingen bedoeld in de artikelen 21 en volgende naleven.
  De artistieke aard van deze prestaties of werken moet worden aangetoond door middel van een visum kunstenaar afgeleverd door de commissie Kunstenaars.
  Op voorwaarde dat, bij zijn aanvraag voor een visum kunstenaar, de aanvrager de commissie Kunstenaars een verklaring op erewoord bezorgt, waarbij wordt verklaard dat de voorwaarde bedoeld in het vorige lid is vervuld, wordt hij verondersteld zijn activiteit overeenkomstig dit artikel uit te oefenen. Dit vermoeden geldt voor een duur van drie maanden en kan eenmaal hernieuwd worden, na ontvangst van een ontvangstbewijs van de commissie Kunstenaars waarbij de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard. In geval van weigering van het visum voor het verstrijken van voornoemde termijn, vervalt het vermoeden vanaf de datum van de weigering.
  Wanneer deze prestaties niet worden geleverd in gelijkaardige socio-economische voorwaarden als die waarin een werknemer zich ten opzichte van zijn werkgever bevindt, kan de commissie Kunstenaars de betrokkene die daarom verzoekt een verklaring van zelfstandige activiteiten afleveren.
  Deze bepaling vindt echter geen toepassing wanneer de persoon de prestatie van artistieke aard levert ter gelegenheid van gebeurtenissen van zijn of haar familie.
  § 2. Om de artistieke aard van een prestatie of werk vast te stellen, wordt inzonderheid rekening gehouden met de activiteitensector waarin de prestatie of het werk werd gecreëerd of uitgevoerd. Daarnaast oordeelt de commissie Kunstenaars op basis van een methodologie bepaald in haar huishoudelijk reglement bekrachtigd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad of de betrokkene "prestaties levert of werken produceert van artistieke aard" in de zin van dit artikel.".

  Art. 22. Artikel 172, § 2, van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt aangevuld met de bepalingen onder 4° tot 6°, luidende :
  "4° het afleveren van de kunstenaarskaart bedoeld in artikel 17sexies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
  5° het afleveren van het visum bedoeld in artikel 1bis, § 1, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders volgens de nadere regels bepaald door de Koning;
  6° het verstrekken van adviezen over ontwerpen van wet, van besluit en over alle normontwerpen die haar door de auteur van deze ontwerpen worden voorgelegd.".

  Art. 23. In artikel 172 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de organisatie, de samenstelling en de werking van deze commissie. Hij kan onder andere bepalen dat de samenstelling wordt gewijzigd naargelang de aard van de dossiers die haar worden voorgelegd.";
  2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende :
  " § 5. Er kan door de partijen binnen de maand die volgt op de kennisgeving van de beslissingen bij ter post aangetekend schrijven tegen deze beslissingen voor de arbeidsrechtbank een beroep worden ingesteld.
  De beslissing wordt definitief indien geen enkel beroep wordt aangetekend.
  Met deze rechtsvordering worden de rechtsvorderingen in eerste aanleg, in beroep en in cassatie bedoeld.".

  Art. 24. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2014.

  HOOFDSTUK 3. - Kinderbijslag

  Art. 25. Artikel 94, § 9, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Voor het dienstjaar 2013 wordt het bedrag van de toelagen verschuldigd aan de vrije kinderbijslagfondsen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen, verminderd met 5,5 miljoen euro. De vermindering wordt proportioneel over die fondsen gespreid in verhouding tot het aandeel waarop ze recht hebben.
  Voor het dienstjaar 2014 wordt het bedrag van de toelagen verschuldigd aan de vrije kinderbijslagfondsen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen, verminderd met 5,5 miljoen euro. De vermindering wordt proportioneel over die fondsen gespreid in verhouding tot het aandeel waarop ze recht hebben.".

  Art. 26. Artikel 25, in de mate dat het een derde lid invoegt in artikel 94, § 9, van dezelfde wetten, heeft uitwerking met ingang van 15 december 2013.
  Artikel 25, in de mate dat het een vierde lid invoegt in artikel 94, § 9, van dezelfde wetten, treedt in werking op 1 januari 2014.

  TITEL 8. - Volksgezondheid

  HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

  Afdeling 1. - Geneesmiddelen

  Art. 27. Artikel 191, eerste lid, 15° septies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 augustus 2005, vervangen bij de wet van 27 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 13 december 2006, 19 december 2008, 22 december 2008, 28 december 2011, 17 februari 2012 en 27 december 2012, wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :
  " § 7. Het saldo van de besparing die door aanvragers gerealiseerd wordt bovenop de vooropgestelde besparing bepaald bij paragraaf 5, als gevolg van de bijkomende vrijwillige verminderingen van de vergoedingsbasis op 1 april 2013, om op 1 april 2013 tot de groep van de goedkoopste geneesmiddelen te blijven behoren voor de farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, c), die op 1 maart 2013 tot de groep van de goedkoopste geneesmiddelen behoorden en waarvan de vergoedingsbasis als gevolg van de bepalingen van paragraaf 5 of paragraaf 6, verminderd werd, wordt verdeeld onder die betrokken aanvragers.
  De verdeling onder de betrokken aanvragers gebeurt volgens hun aandeel in de besparing die gerealiseerd wordt bovenop de vooropgestelde besparing bepaald bij paragraaf 5, zoals beschreven in het voorgaande lid.
  Dit saldo wordt vóór 31 december 2013 teruggestort.".

  Afdeling 2. - Heffingen op de omzet

  Art. 28. In artikel 191, eerste lid, 15° novies, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, 21 december 2007, 8 juni 2008, 19 december 2008, 22 december 2008, 23 december 2009, 29 december 2010, 28 december 2011 en 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2014 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2014 is verwezenlijkt.";
  2° in het vijfde lid, laatste zin, wordt het woord "en" vervangen door de vermelding "," en wordt de zin aangevuld als volgt :
  "en voor 1 mei 2015 voor de omzet die in 2014 is verwezenlijkt.";
  3° in het zevende lid, eerste zin, wordt het woord "en" vervangen door de vermelding "," en worden de woorden "en de heffing op de omzet 2014" ingevoegd tussen de woorden "omzet 2013" en de woorden "worden via";
  4° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2014 dienen het in het vorige lid bedoelde voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden vóór 1 juni 2014 en 1 juni 2015 op rekening van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding respectievelijk "voorschot heffing omzet 2014" en "saldo heffing omzet 2014";
  5° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2014 wordt het voornoemde voorschot bepaald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2013 is verwezen-lijkt.";
  6° het laatste lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing omzet 2014 zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2014.".

  Art. 29. Artikel 191, eerste lid, 15°, vierde lid, 1°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 juni 2006 en gewijzigd bij de wet van 24 juli 2008, wordt aangevuld als volgt :
  "De Koning kan de procedures en toekenningsvoorwaarden bepalen volgens dewelke een verlenging van het statuut van weesgeneesmiddel kan verkregen worden voor de toepassing van dit artikel, indien dit statuut vervallen is uitsluitend, ofwel overeenkomstig artikel 5, punt 12, c), van artikel 12 van verordening EG141/2000, ofwel na 10 jaar na de datum van de nationale toekenning. Voor geneesmiddelen met indicaties die niet of niet meer beschouwd worden als zeldzaam of waarvoor het statuut vrijwillig werd ingetrokken, kan een dergelijke aanvraag niet worden ingediend.".

  Art. 30. In artikel 191, eerste lid, 15° duodecies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 29 december 2010, 28 december 2011 en 27 december 2012, wordt het vijfde lid aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2014 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2014 is verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2013 is verwezenlijkt.".

  Art. 31. In artikel 191, eerste lid, 15° terdecies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013, wordt het vijfde lid aangevuld als volgt :
  "Voor het jaar 2014 worden de percentages van deze weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct. voor het deel van de omzet van 1,5 tot en met 3 miljoen euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan 3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2014 vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vastgesteld worden voor de weesheffing 2014.".

  Afdeling 3. - Bijdrage op marketing

  Art. 32. In artikel 191, eerste lid, 31°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Voor 2014 wordt de compensatoire bijdrage gehandhaafd.";
  2° in het tweede lid worden de woorden ", voor het jaar 2013, en verwezenlijkt in 2014, voor het jaar 2014" ingevoegd tussen de woorden "verwezenlijkt in 2013" en "en wordt gestort";
  3° in het derde lid wordt het woord "2013" ingevoegd tussen de woorden "voorschot" en "vastgesteld".
  4° het derde lid wordt aangevuld als volgt :
  "Het voorschot 2014, vastgesteld op 0,13 pct. van het in 2013 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór 1 juni 2014 gestort op rekening van het Rijkinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding van "Voorschot compensatoire bijdrage 2014", en het saldo wordt vóór 1 juni 2015 gestort op dezelfde rekening met de vermelding "Saldo compensatoire bijdrage 2014".";
  5° het vijfde lid wordt aangevuld met de woorden "voor de bijdrage 2013 en, in het boekjaar 2014, voor de bijdrage 2014".

  Afdeling 4. - Forensisch psychiatrische centra

  Art. 33. In artikel 14, tweede lid, van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en de gewoontemisdadigers gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt de zin "Deze wordt gekozen uit de inrichtingen georganiseerd door de regering." vervangen als volgt :
  "Zij wordt gekozen uit de inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij georganiseeerd door de federale overheid of uit de forensische psychiatrische centra georganiseerd door de federale overheid en aangewezen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad op voorstel van de voor justitie, volksgezondheid en sociale zaken bevoegde ministers.".

  Art. 34. In artikel 56 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 30 december 2001, 22 augustus 2002, 27 december 2004, 11 juli 2005, 27 december 2005, 27 december 2006, 19 december 2008 en 10 december 2009, wordt een paragraaf 3ter ingevoegd, luidende :
  " § 3ter. De verzekering voor geneeskundige verzorging verleent een tegemoetkoming aan de forensisch psychiatri-sche centra voor de geneeskundige verstrekkingen die worden verleend aan personen die op basis van artikel 14 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers er verblijven en die geen recht hebben op geneeskundige verstrekkingen volgens artikel 121.
  De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming dekt de kosten van de in artikel 34 bedoelde verstrekkingen alsook de in artikel 37 bedoelde persoonlijke aandelen.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de Algemene Raad, het globaal budget van de in het eerste lid bedoelde tegemoetkomingen.
  De Koning bepaalt ook, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst van de forensisch psychiatrische centra waarvoor de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt toegekend, alsook de criteria voor de bepaling van het jaarbudget van elk centrum, de voorwaarden waaronder deze tegemoetkoming wordt toegekend en de nadere regels inzake betaling.
  De Koning bepaalt eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden onder dewelke de verzekering voor geneeskundige verzorging een tegemoetkoming verleent in de in artikel 34 bedoelde verstrekkingen, verleend naar aanleiding van een opname in een in artikel 34, eerste lid, 6°, bedoelde verplegingsinrichting aan in het eerste lid bedoelde personen, die door de hoofdgeneesheer van het forensisch psychiatrisch centrum naar een verplegingsinrichting worden verwezen. Hij bepaalt eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat voor de toepassing van dit lid moet worden verstaan onder "opname".
  De uitgaven met betrekking tot de in deze paragraaf voorziene tegemoetkomingen worden aangerekend op de budgettaire doelstelling van de gezondheidszorg van het Instituut.".

  Art. 35.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum van inwerkingtreding van de artikelen 33 en 34.
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 33 vastgesteld op 01-05-2014 bij KB 2014-07-01/01, art. 2)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 34 vastgesteld op 01-08-2014 bij KB 2014-12-19/98, art. 10)

  

  Afdeling 5. - Prijstransparantie

  Art. 36. In artikel 35, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende :
  "De nomenclatuur van de in artikel 34, eerste lid, 4°, bedoelde verstrekkingen, voor zover het brillen en andere oogprothesen, hoortoestellen, bandagen, orthesen en uitwendige prothesen betreft, wordt vastgesteld op grond van de aannemings- en vergoedingscriteria die de Koning bepaalt en volgens welke die verstrekkingen kunnen worden ingedeeld in verschillende categorieën. Die aannemingscriteria hebben betrekking op prijzen, op de kosten voor de verzekering en op de medische, therapeutische en sociale elementen. De Koning kan voor de verstrekkingen waarvoor lijsten van vergoedbare producten worden opgesteld, de procedure vaststellen voor de opname, wijziging of schrapping van een product op de lijst van vergoedbare producten .".

  Afdeling 6. - Forfaitaire bedragen voor heropname en non-cumul van ambulante forfaits met ziekenhuisforfaits in geval van opname via de spoeddiensten

  Art. 37. In titel III, hoofdstuk V, afdeling VIbis, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt een artikel 56quinquies ingevoegd, luidende :
  "Art. 56quinquies. In geval van een nieuwe opname van de patiënt in eenzelfde ziekenhuis tijdens een periode die aanvangt op de dag van het ontslag van de vorige opname en die eindigt op de tiende dag na de dag van het ontslag van de vorige opname, worden de forfaitaire tegemoetkomingen die berekend worden per opname in een algemeen ziekenhuis, die zijn voorzien door of krachtens deze wet of de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, verminderd tot 82 % van hun waarde. Deze verminderde forfaitaire tegemoetkomingen worden steeds afgerond naar de hogere eurocent.
  Onder opname in de zin van dit artikel, wordt een verblijf verstaan dat ten minste één nacht behelst.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassing van dit artikel uitbreiden tot andere categorieën van ziekenhuizen en het in het eerste lid bedoelde percentage wijzigen, rekening houdend met de evolutie van het aantal heropnames in de ziekenhuizen.
  Tijdens de opvang in een functie eerste opvang van spoedgevallen of in een functie gespecialiseerde spoedgevallenzorg kunnen de krachtens artikel 60, § 2, voorziene forfaitaire tegemoetkomingen alsook de krachtens deze wet voorziene consultancehonoraria en de forfaitaire honoraria per voorschrift en per dag van de geneesheer-specialist voor röntgendiagnose (geaccrediteerd of niet geaccrediteerd), niet worden gecumuleerd door eenzelfde ziekenhuis, voor eenzelfde dag en eenzelfde patiënt met de in het eerste lid bedoelde forfaitaire tegemoetkomingen, ongeacht of deze al dan niet werden verminderd met toepassing van hetzelfde lid.
  De vermindering van de in het eerste lid bedoelde verzekeringstegemoetkoming en de in het vierde lid bedoelde forfaitaire tegemoetkomingen kunnen niet ten laste worden gelegd van de patiënt.".

  Art. 38. Artikel 37 treedt in werking op 1 januari 2014.

  Afdeling 7. - Administratiekosten van de verzekeringsinstellingen

  Art. 39. In artikel 195, § 1, 2°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 1997 en bij de wetten van 27 december 1994, 22 februari 1998, 22 augustus 2002, 27 december 2005, 27 december 2006, 26 maart 2007, 8 juni 2008, 22 december 2008, 23 december 2009, 29 december 2010, 17 februari 2012 en 28 juin 2013, worden de eerste en de tweede zin van het derde lid vervangen door de volgende bepalingen :
  "Het bedrag van de administratiekosten van de vijf landsbonden wordt vastgelegd op 766.483.000 EUR voor 2003, 802.661.000 EUR voor 2004, 832.359.000 EUR voor 2005, 863.156.000 EUR voor 2006, 895.524.000 EUR voor 2007, 929.160.000 EUR voor 2008, 972.546.000 EUR voor 2009, 1.012.057.000 EUR voor 2010, 1.034.651.000 EUR voor 2011, 1.029.840.000 EUR voor 2012, 1.027.545.000 EUR voor 2013 en 1.052.317.000 EUR voor 2014. Voor de Kas voor geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen wordt dit bedrag vastgesteld op 13.195.000 EUR voor 2003, 13.818.000 EUR voor 2004, 14.329.000 EUR voor 2005, 14.859.000 EUR voor 2006, 15.416.000 EUR voor 2007, 15.995.000 EUR voor 2008, 16.690.000 EUR voor 2009, 17.368.000 EUR voor 2010, 17.770.000 EUR voor 2011, 17.687.000 EUR voor 2012, 17.648.000 EUR voor 2013 en 18.073.000 EUR voor 2014.".

  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen

  Art. 40. In artikel 33 van de wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 1° wordt aangevuld met de woorden "die terugbetaalbaar zijn in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen";
  2° in de bepaling onder 2° worden de woorden "zoals dat artikel uitwerking heeft op de datum van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad" ingevoegd tussen de woorden "geneeskundige verzorging en uitkeringen "en de woorden ", meer bepaald".

  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen

  Art. 41. In artikel 46, tweede lid, van de wet van 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen, worden de woorden "0,09 %." telkens vervangen door de woorden "0,22 %.".

  HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen

  Afdeling 1. - Bereidingsvergunning

  Art. 42. In artikel 6ter, § 1, eerste lid, van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, ingevoegd bij de wet van 21 juni 1983 en gewijzigd bij de wet van 1 mei 2006, worden de woorden ", houders van een bereidingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12bis, § 1/1," ingevoegd tussen de woorden "de fabrikanten" en de woorden "groothandelaars,".

  Art. 43. In artikel 12bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 mei 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "in een apotheek" ingevoegd tussen de woorden "in het klein worden uitgevoerd" en de woorden "door personen gemachtigd" en wordt het woord "vergunninghouder" vervangen door de woorden "houder van een bereidingsvergunning";
  2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 1/1. In afwijking van § 1, is een vergunning voor de vervaardiging niet vereist voor de verrichtingen die uitgevoerd worden door een houder van een bereidingsvergunning die bestaan uit :
  1° het bereiden van geneesmiddelen voor menselijk gebruik zoals bedoeld in artikel 6quater, § 1, eerste lid, 1° ;
  2° reconstitutie van geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zijnde de verrichtingen, daaronder begrepen fractionering, toebereiding, afvulling, verpakking en presentatie, met het oog op het gebruik of de toepassing van een vergund geneesmiddel op basis van individuele recepten die deze verrichtingen voorschrijven. Deze verrichtingen kunnen worden uitgevoerd krachtens een door een geneesheer ondertekend en gedagtekend verzoek voor een groep van patiënten dat opgesteld wordt op basis van individuele recepten.
  Voor het uitvoeren van in het eerste lid bedoelde verrichtingen buiten een apotheek, is een vergunning voor het bereiden vereist. De bereidingsvergunning wordt verleend aan een natuurlijke of rechtspersoon, door de minister of zijn afgevaardigde en is slechts geldig voor de lokalen en de op de vergunning aangewezen verrichtingen. De vergunning is persoonlijk. De Koning stelt de voorwaarden, de termijnen en de regels van de procedure vast voor de verlening, het behoud, de overdracht en de gehele of gedeeltelijke intrekking en schorsing van de bereidingsvergunning. De Koning kan het model van de vergunning vaststellen.
  De bereidingsvergunning omvat een vergunning voor het in bezit hebben, aanschaffen en verkopen van verdovende middelen en psychotrope stoffen in de mate waarin deze verdovingsmiddelen en psychotrope stoffen nodig zijn voor de uitvoering van de vergunde verrichtingen. De Koning stelt de algemene normen vast waaraan de bereidingsvergunning is onderworpen ter verzekering van de kwaliteit, de veiligheid en de traceerbaarheid van de bereide geneesmiddelen, alsook ter verzekering van de traceerbaarheid van de gebruikte vergunde geneesmiddelen en grondstoffen. De Koning kan specifieke normen vaststellen voor de verrichtingen volgens de indeling die Hij vaststelt.
  De hoedanigheid van houder van een bereidingsvergunning is onverenigbaar met de zeggenschap, rechtstreeks of middellijk, over een apotheek.".

  Art. 44. In artikel 12ter, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2013, wordt tussen het zesde en het zevende lid een lid ingevoegd, luidende :
  "Het bezit van een in artikel 12bis, § 1/1, bedoelde bereidingsvergunning, omvat tevens die voor de uitoefening van groothandel in de geneesmiddelen die nodig zijn voor de uitvoering van de vergunde verrichtingen.".

  Art. 45. In artikel 13bis, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2013, worden de woorden "de bereidingsvergunning zoals bedoeld in artikel 12bis, § 1/1," ingevoegd tussen de woorden "De VHB," en de woorden "en de registratie van geneesmiddelen,".

  Art. 46. Deze afdeling treedt in werking op 1 juli 2014.
  De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de in het eerste lid vermelde datum.

  Afdeling 2. - Aangifteplicht voor reclame en sponsoring voor in België gecommercialiseerde geneesmiddelen en in België verdeelde medische hulpmiddelen

  Art. 47. In de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen wordt een artikel 19septies ingevoegd, luidende :
  "Art. 19septies. Merkhouders van in België verdeelde medische hulpmiddelen en vergunning- of registratiehouders van in België gecommercialiseerde geneesmiddelen voor menselijk gebruik, dienen vóór 30 september 2014 bij het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten een verklaring in van de reclame- en sponsoringsuitgaven die geheel of gedeeltelijk gericht zijn op de Belgische markt aangaande de periode van 1 februari 2014 tot 1 juli 2014. Hierbij worden de reclame- en sponsoringskosten uitgesplitst in functie van het gebruikte communicatiemiddel, de geografische spreiding en de status van tussenkomst van het RIZIV.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst van de reclame- en sponsoringuitgaven die worden meegedeeld, de nadere regels inzake de aangifteprocedure en, na advies van het FAGG, de inhoud van het aangifteformulier. De Koning kan eveneens de in het eerste lid bedoelde periode wijzigen.".

  Art. 48. In dezelfde wet wordt een artikel 19octies ingevoegd, luidende :
  "Art. 19octies. De in artikel 19septies bedoelde merkhouders en vergunning- of registratiehouders, die geen of een kennelijk onjuiste verklaring indienen, worden gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en een geldboete van 100 EUR tot 1.000 EUR.
  Artikel 17, §§ 1 tot 5 en 8, is van toepassing op het eerste lid.".

  TITEL 9. - Financiën

  HOOFDSTUK 1. - Fiscale maatregelen in het kader van het relanceplan 2013

  Art. 49. In artikel 67bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, worden de woorden "ten belope van 20 pct." vervangen door de woorden "ten belope van 40 pct.".

  Art. 50. In artikel 154bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, 17 mei 2007, 27 maart 2009 en 7 november 2011, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :
  "Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 180 uren voor :
  - de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers uit de horecasector op voorwaarde dat deze laatste in elke plaats van uitbating gebruik maken van het in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen bedoelde geregistreerd kassasysteem, en die deze kassa overeenkomstig dat besluit hebben aangegeven bij de belastingadministratie;
  - de werknemers tewerkgesteld bij werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem.".

  Art. 51. In artikel 201 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2009 houdende fiscale en diverse bepalingen, worden zes leden ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid, luidende :
  "In afwijking van het eerste lid wordt, in dezelfde gevallen, voor vaste activa verkregen of tot stand gebracht in de jaren 2014 en 2015 door een vennootschap die op grond van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschap wordt aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin die investeringen worden verricht, de investeringsaftrek op 4 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de nieuwe materiële of immateriële vaste activa gebracht voor zover deze vaste activa rechtstreeks verband houden met de bestaande of geplande economische werkzaamheid die door de vennootschap werkelijk wordt.
  De vaste activa waarvan de waarde, op basis van artikel 205ter, zou worden afgetrokken in de berekening van het risicokapitaal voor de aftrek voor risicokapitaal, worden voor de toepassing van het vorige lid nooit geacht vaste activa te zijn die betrekking hebben op de economische activiteit.
  Deze investeringsaftrek is slechts van toepassing als de vennootschap voor het belastbaar tijdperk waarin de investering wordt verricht, onherroepelijk verzaakt aan de in de artikelen 205bis tot 205novies bedoelde aftrek voor risicokapitaal.
  De in het tweede lid bedoelde aftrek wordt altijd in één keer toegepast.
  Wat de in het tweede lid beoogde investeringsaftrek betreft, wordt de in artikel 72 bedoelde overdracht van de niet verleende vrijstelling bij geen of onvoldoende winst, enkel toegestaan in het volgende belastbaar tijdperk.
  Indien de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de toepassing van de in het tweede lid vermelde investeringsaftrek verlengen. De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit lid genomen besluit.".

  Art. 52. In artikel 2751 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, 17 mei 2007, 22 december 2008, 27 maart 2009 en 7 november 2011, wordt tussen het zesde en het zevende lid een lid ingevoegd, luidende :
  "Het in het zesde lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 180 uren voor :
  - de werkgevers die in elke plaats van uitbating gebruik maken van het in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een bedoelde geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen bedoelde geregistreerd kassasysteem, en die deze kassa overeenkomstig dat besluit hebben aangegeven bij de belastingadministratie;
  - de werkgevers die werken in onroerende staat verrichten op voorwaarde dat zij gebruik maken van een in hoofdstuk V, afdeling 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bedoeld elektronisch aanwezigheidsregistratiesysteem.".

  Art. 53. Artikel 2755 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2009 en 7 november 2011, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
  " § 3. De in § 1, eerste lid, bedoelde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt verhoogd met 2,2 procentpunten voor ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem.
  Onder ondernemingen die werken in een volcontinu arbeidssysteem wordt verstaan, de ondernemingen waar het werk wordt verricht door de werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002, in minstens vier ploegen van minstens 2 werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang, die een continue bezetting tijdens de gehele week en het weekend garanderen, en die elkaar opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak. De bedrijfstijd in dergelijke ondernemingen, zijnde de tijd dat het bedrijf functioneert, bedraagt minstens 160 uur op weekbasis.".

  Art. 54. In artikel 289ter/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2011 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 wat de werkbonus en de opzeggingsvergoeding betreft en gewijzigd bij de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, worden woorden "8,95 pct." vervangen door de woorden "14,40 pct.".

  HOOFDSTUK 2. - Inwerkingtreding

  Art. 55. De artikelen 49 tot 53 treden in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van de bepalingen in de artikelen 50 en 52 met betrekking tot de werken in onroerende staat, die in werking treden op dezelfde dag als de artikelen 6 tot 14 van de wet van 8 december 2013 tot wijziging van artikel 30bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot aanpassing van de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk die betrekking hebben op de voorafgaande aangifte en op de registratie van aanwezigheden voor wat de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen betreft.
  Artikel 54 treedt in werking op 1 april 2014.

  TITEL 10. - Infrabel

  Art. 56. Artikel 355, tweede lid, van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, ingevoegd door de programmawet van 23 december 2009, gewijzigd bij de wet van 2 december 2011 en gewijzigd bij de wet van 22 juni 2012, wordt vervangen als volgt :
  "Bovendien wordt er bij de realisatie van investeringen voor opdrachten van openbare dienst die Infrabel verwezenlijkt :
  - op de balans een overdracht van de rubriek "overgedragen winst" naar de rubriek "kapitaalsubsidies" doorgevoerd als een investering verwezenlijkt is door middel van de overgedragen winst; deze overdracht is beperkt tot een gecumuleerd bedrag van maximum 290 miljoen euro;
  - op de balans een overdracht van de rubriek "kapitaal" naar de rubriek "kapitaalsubsidies" doorgevoerd als een investering verwezenlijkt is door middel van de eigen thesaurie; deze overdracht is beperkt tot een gecumuleerd bedrag van maximum 202,3 miljoen euro.
  De overdracht bedoeld in het voorgaande lid komt tot stand zonder boeking op de resultatenrekening, voor een bedrag gelijk aan de identificeerbare materiële en immateriële activa die gefinancierd zijn door middel van de overgedragen winst of door middel van de beschikbare thesaurie.".
  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Ciergnon, 26 december 2013.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
E. DI RUPO
De Minister van Economie en Noordzee,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen,
Mevr. J. MILQUET
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
De Minister van Werk,
Mevr. M. DE CONINCK
De Minister van Overheidsbedrijven,
J.-P. LABILLE
De Minister van Financiën,
K. GEENS
De Staatssecretaris voor Energie,
M. WATHELET
De Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie,
Mevr. M. DE BLOCK
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 53 - 3147-(2013/2014) : 001 : Ontwerp van programmawet (I). 002 tot 004 : Amendementen. 005 tot 010 : Verslagen. 011 : Tekst aangenomen door de commissies. 012 : Amendement. 013 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Integraal Verslag : 16 en 18 december 2013. Stukken van de Senaat : 5 -2397 -2013/2014 : Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat. [Nrs. 2 t.e.m. 4 : Verslagen].
   Nr. 5 : Beslissing om niet te amenderen. Handelingen van de Senaat : 18 en 19 december 2013.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 3 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie