J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 19 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2009/06/05/2009035886/justel

Titel
5 JUNI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-09-2009 en tekstbijwerking tot 17-08-2018) Zie wijziging(en)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 23-09-2009 nummer :   2009035886 bladzijde : 63442       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2009-06-05/62
Inwerkingtreding : 01-10-2009

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Organisatie van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding
HOOFDSTUK I. - Definities
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen
Art. 2
TITEL II. - Arbeidsmarktbeheer
HOOFDSTUK I. - Arbeidsmarktregie
Afdeling I. - Rechten en plichten van de werkzoekende
Art. 3-5, 5/1
Afdeling II. - Premies, vergoedingen en verzekering
Onderafdeling I. - Premies en vergoedingen
Art. 6-10
Onderafdeling II. - Verzekering
Art. 11-12
Afdeling III. - Mandaat tot het verrichten van kosteloze arbeidsbemiddeling
Art. 13-19
Afdeling IV. - Mandaat tot het verrichten van kosteloze trajectbegeleiding
Art. 20-25
Afdeling V. - Mandaat tot het verrichten van kosteloze competentieontwikkeling
Art. 26-31
HOOFDSTUK II. - Arbeidsbemiddeling, georganiseerd door de VDAB
Afdeling I. - Universele dienstverlening voor de werkzoekende
Art. 32-35
Afdeling II. - Trajectwerking
Art. 36-40
Afdeling III. [1 Afdeling 3. Beroepsverkennende stage ]1
Art. 41-44
Afdeling IV. - Universele dienstverlening voor de werkgever
Art. 45-47
HOOFDSTUK III. - Tewerkstellingscellen
Afdeling I. - Oprichting en doel van de tewerkstellingscel
Art. 48-50
Afdeling II. - Opdrachten van de VDAB in de tewerkstellingscel
Art. 51-52
Afdeling III. - Opdrachten van het outplacementbureau
Art. 53-55
Afdeling IV. - Stuurgroep van de tewerkstellingscel
Art. 56-58
Afdeling V. - Rapportering en evaluatie
Art. 59-60
TITEL III. - Competentieontwikkeling
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen
Art. 61-65
HOOFDSTUK II. - De organisatie van de beroepsopleiding
Afdeling I. - Toelating tot de beroepsopleiding
Art. 66-77
Afdeling II. - De overeenkomst voor beroepsopleiding
Art. 78-83
Afdeling III. - Opleidingsstage en praktisch werk
Art. 84, 84/1, 84/2, 84/3, 84/4, 84/5, 84/6, 84/7, 84/8, 85-86
Afdeling IV. - Opleiding in een onderwijsinstelling
Art. 87-89
HOOFDSTUK III. - De individuele beroepsopleiding
Afdeling I. - Algemeen stelsel
Art. 90-98
Afdeling I/1. [1 - Afdeling 1/1. IBO voor kwetsbare werkzoekenden (K-IBO)]1
Art. 98/1, 98/2, 98/3, 98/4
Afdeling II.
Art. 99-102, 102/1
Afdeling III.
Art. 103-111
HOOFDSTUK IV. [1 - De werkervaringsstage]1
Art. 111/0/1, 111/0/2, 111/0/3, 111/0/4, 111/0/5, 111/0/6, 111/0/7, 111/0/8, 111/0/9, 111/0/10, 111/0/11, 111/0/12
HOOFDSTUK V. [1 - De activeringsstage]1
Art. 111/0/13, 111/0/14, 111/0/15, 111/0/16, 111/0/17, 111/0/18, 111/0/19, 111/0/20
HOOFDSTUK VI. [1 Hoofdstuk VI. De beroepsinlevingsstage ]1
Art. 111/0/21, 111/0/22, 111/0/23, 111/0/24, 111/0/25, 111/0/26, 111/0/27, 111/0/28, 111/0/29
TITEL III/1. [1 - Activering en beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt]1
HOOFDSTUK I. [1 - Activering en opvolging zoekgedrag]1
Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
Art. 111/1, 111/2, 111/3, 111/4, 111/5
Afdeling 2. [1 - Opvolging van het werkzoekgedrag]1
Art. 111/6, 111/7, 111/8, 111/9, 111/10, 111/11, 111/12, 111/13, 111/14, 111/15, 111/16, 111/17
Afdeling 3. [1 - De controledienst en het verhoor]1
Art. 111/18, 111/19, 111/20, 111/21, 111/22, 111/23
Afdeling 4. [1 - Herzieningsprocedure]1
Art. 111/24, 111/25
Afdeling 5. [1 - Controle van beschikbaarheid tijdens outplacementbegeleiding]1
Art. 111/26
Afdeling 6. [1 - Jonge verplicht ingeschreven werkzoekende in beroepsinschakelingstijd]1
Art. 111/27, 111/28, 111/29, 111/30
HOOFDSTUK 2. [1 Vrijstellingen]1
Afdeling 1. [1 Algemene principes bij vrijstellingen ]1
Art. 111/31. [1 De vrijstelling van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt voor een studie, opleiding of stage die door VDAB wordt toegekend aan de verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, houdt in dat die werkzoekende niet hoeft in te gaan op een passend aanbod of passende dienstbetrekking, en dat hij zich niet langer moet integreren op de arbeidsmarkt voor de duurtijd van de vrijstelling.
Art. 111/32. [1 § 1. De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan vrijgesteld worden gedurende de periode waarin hij een andere studie, opleiding of stage volgt dan die, vermeld in artikel 111/33 tot en met 111/38, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Art. 111/33. [1 § 1. De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt en die met VDAB een opleidingsovereenkomst heeft gesloten van ten minste vier weken en gemiddeld ten minste twintig uur per week, wordt ambtshalve vrijgesteld voor de duur van de opleidingsovereenkomst, met een maximum van twaalf maanden.
Art. 111/34. [1 De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, wordt vrijgesteld gedurende de periode waarin hij een onderwijskwalificerende opleiding volgt in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 87, met een opleidingsovereenkomst die met VDAB werd afgesloten en met een maximumduur van twaalf maanden.
Art. 111/35. [1 § 1. De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan op zijn verzoek een vrijstelling verkrijgen voor de periode waarin hij studies van het secundair onderwijs volgt, als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
Art. 111/36. [1 De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan vrijgesteld worden gedurende de periode waarin hij een studie hoger onderwijs volgt, als al de volgende voorwaarden vervuld zijn:
Art. 111/37. [1 De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan op zijn verzoek een vrijstelling verkrijgen voor de periode waarin hij een opleiding of het begeleidingstraject voor de vorming en opleiding in een zelfstandig beroep volgt, als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
Art. 111/38. [1 De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt en die als kandidaat-ondernemer een overeenkomst sluit met een activiteitencoöperatie, kan voor de periode van die overeenkomst een vrijstelling verkrijgen. De vrijstelling wordt alleen toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Afdeling 2. [1 Werkingsprincipes]1
Art. 111/39. [1 § 1. Met toepassing van afdeling 1 wordt de vrijstelling van dit hoofdstuk toegekend voor de duurtijd van de studie, opleiding of stage, met inbegrip van de daarin gelegen vakantieperiodes, evenwel beperkt tot twaalf maanden.
Art. 111/40. [1 § 1. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet langer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, wordt zijn vrijstelling stopgezet.
Art. 111/41. [1 Met behoud van de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen over verjaring kan VDAB de beslissing over het al dan niet geven van een vrijstelling met toepassing van dit hoofdstuk herzien als:
Art. 111/42. [1 . Elke gemotiveerde beslissing van VDAB over de vrijstelling wordt meegedeeld aan de verplicht ingeschreven werkzoekende en vermeldt onder meer de beroepsmogelijkheid, de bevoegde rechtbank, de termijn waarin en de wijze waarop het beroep moet worden ingesteld.
Art. 111/43. [1 § 1. Om volledig te zijn, moet het dossier alle stukken bevatten die dienstig zijn om een beslissing te nemen over de vrijstelling van beschikbaarheid voor het volgen van een studie, opleiding of stage.
TITEL IV. - Slotbepalingen
Art. 112-114

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Organisatie van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding

  HOOFDSTUK I. - Definities

  Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° het decreet van 7 mei 2004 : het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ";
  2° de VDAB : de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 7 mei 2004;
  3° de raad van bestuur : de raad van bestuur van de VDAB, vermeld in artikel 7 van het decreet van 7 mei 2004;
  4° arbeidsmarktregie : het operationaliseren van de door de Vlaamse overheid toevertrouwde opdrachten op het vlak van arbeidsmarktbeleid, het in kaart brengen en ordenen van de activiteiten van de betrokken arbeidsmarktactoren, het verwezenlijken van de afstemming tussen de betrokken actoren door het opnemen van een coördinerende rol, het bewerkstelligen van oplossingen en het opzetten van een transparant en permanent arbeidsmarktgegevenssysteem;
  5° trajectbegeleiding : het geheel van adviezen en diensten dat erop gericht is niet-werkende werkzoekenden te begeleiden met het oog op de verdere ontwikkeling van hun loopbaan of de participatie in een traject waarin de meting van competenties centraal staat [6 en de competenties versterkt en bestendigd kunnen worden]6;
  6° competentieontwikkeling : elke maatregel die tot doel heeft een persoon bekwaamheid te verstrekken om beroepsarbeid te verrichten;
  7° de werkzoekende : elke persoon die is ingeschreven bij de VDAB, met inbegrip van de personen die op zoek zijn naar een zelfstandige beroepsactiviteit;
  8° de niet-werkende werkzoekende :
  a) de werkzoekende die geen betaalde beroepsarbeid verricht;
  b) de onvrijwillig deeltijdse werknemer, vermeld in artikel 29 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
  c) de deeltijdse werknemer die een opleiding volgt in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 87, waarvoor hij vrijstelling heeft gekregen van de [6 VDAB]6;
  9° de cursist : de persoon die een competentieontwikkeling als vermeld in artikel 61, 1° tot en met 6°, volgt;
  10° de uitkeringsgerechtigde werkloze : de persoon die voldoet aan de voorwaarden om werkloosheidsuitkeringen te ontvangen;
  11° de werknemer : de persoon die tewerkgesteld is met een arbeidsovereenkomst of de persoon die zonder dat hij door een arbeidsovereenkomst is verbonden, tegen loon arbeidsprestaties verricht onder het gezag van een andere persoon of die arbeid verricht onder vergelijkbare voorwaarden;
  12° personen met een indicatie van een arbeidshandicap : de persoon, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap;
  13° het mandaat : de opdracht, gegeven door de raad van bestuur aan natuurlijke personen of rechtspersonen, om taken uit te voeren op het vlak van kosteloze arbeidsbemiddeling, kosteloze trajectbegeleiding of kosteloze competentieontwikkeling;
  14° [3 ...]3
  15° [6 beroepsverkennende]6 stage : stage voor werkzoekenden, die niet past in het kader van van een opleiding, maar in hun beroeps- of loopbaanoriëntatie. De stage vindt plaats tijdens een trajectbegeleiding of activering en kan aan een opleiding voorafgaan. Die stagevorm heeft tot doel een individueel proces te ondersteunen en te versterken, waarbij een werkzoekende zicht krijgt op de concrete arbeidsmarkt, zijn interesses en aanwezige competenties, en waarbij die competenties getest en geactiveerd kunnen worden met het oog op verdere stappen naar tewerkstelling;
  16° activering : proces waarbij de werkzoekende, in samenwerking met een begeleider, de medische, mentale, psychische, psychiatrische en sociale problemen die zijn inschakeling op de arbeidsmarkt in de weg staan, probeert op te lossen;
  17° ad-hoctewerkstellingscel : samenwerkingsverband dat naar aanleiding van de herstructurering van een onderneming werd opgericht als feitelijke vereniging of als autonome rechtpersoon, waarbij minstens de onderneming, minstens een van de representatieve werknemersorganisaties en de VDAB betrokken zijn;
  18° permanente tewerkstellingscel : de tewerkstellingscel in beheer van de VDAB waarin verschillende ondernemingen in herstructurering participeren;
  19° tewerkstellingscel : zowel de ad-hoctewerkstellingscel als de permanente tewerkstellingscel;
  20° outplacementbegeleiding : het geheel van begeleidende diensten en adviezen die in opdracht van de werkgever door een derde individueel of in groep worden verleend om een werknemer in staat te stellen zelf binnen een zo kort mogelijke termijn een betrekking bij een nieuwe werkgever te vinden of een beroepsactiviteit als zelfstandige te ontplooien;
  21° het outplacementbureau : het bureau voor outplacementactiviteiten, vermeld in het [1 besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot uitvoering van het decreet [2 van 10 december 2010]2 betreffende de private arbeidsbemiddeling]1;
  22° administratieve overheid : de overheid, vermeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
  [2 23° bemiddelaar: personeelslid van de VDAB dat de nodige initiatieven neemt om de werkzoekende te ondersteunen bij de verbetering van zijn tewerkstellingsmogelijkheden [6 en de opvolging van het werkzoekgedrag]6;
   24° controledienst: de dienst die binnen de VDAB is belast met de controle van de beschikbaarheid van de verplicht ingeschreven werkzoekende en het in voorkomend geval bepalen van de bijbehorende sanctie;
   25° partnerorganisaties: organisaties waarmee de VDAB samenwerkt in het kader van een overheidsopdracht, subsidieovereenkomst of samenwerkingsovereenkomst;
   26° RVA: de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;]2
  [4 27° werkervaringsstage: een stage voor een werkzoekende op een reële werkvloer, die als voornaamste doel heeft om de werkzoekende generieke competenties te laten opbouwen die van elke werknemer verwacht worden, los van de functie van de werknemer, en om de werkzoekende werkervaring te laten opdoen, zodat een eerste stap naar herintrede op de arbeidsmarkt gezet kan worden;]4
  [5 28° activeringsstage: een stage die openstaat voor werkzoekenden bij wie een medisch, mentaal, psychisch, psychiatrisch of sociaal probleem, of een combinatie van die problemen, de inschakeling op de arbeidsmarkt verhindert. De stage oriënteert de werkzoekende naar betaald werk en bereidt de werkzoekende voor op betaald werk door zijn algemene basisvaardigheden te versterken en door drempels weg te werken die de inschakeling op de arbeidsmarkt bemoeilijken of verhinderen.]5
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het Tewerkstellingsbeleid, bepaalt, na advies van de raad van bestuur van de VDAB, wat moet worden verstaan onder onderneming in herstructurering als vermeld in het eerste lid, 17° en 18°;
  [6 29° beroepsinlevingsstage: een betaalde opleiding op de werkvloer waarbij de cursist competenties en werkervaring verwerft en waarbij de VDAB geen begeleiding biedt;]6
  [6 30° tewerkstellingsbreuk: het gemiddeld aantal uren per week van de werknemer gedeeld door het gemiddeld aantal uren per week van de maatpersoon;]6
  [6 31° kwetsbare werknemer:
   a) de volgende verplicht ingeschreven deeltijdse werknemers:
   1) de deeltijds werkenden met inkomensgarantie-uitkering;
   2) de deeltijds werkende werkzoekenden in hun beroepsinschakelingstijd;
   b) de volgende werknemers in werkonzekerheid:
   1) de werknemers die het slachtoffer zijn van collectief ontslag of herstructurering, of de werknemers van ondernemingen in moeilijkheden;
   2) de werknemers van wie de arbeidsovereenkomst geheel of gedeeltelijk geschorst is ingevolge tijdelijke werkloosheid;
   3) de werknemers in hun opzeggingstermijn;
   4) de werknemers in tijdelijke arbeid;
   c) de werknemers in een van de volgende tewerkstellingsprogramma's:
   1) een tewerkstellingsprogramma in het kader van collectief maatwerk als vermeld in het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
   2) een tewerkstellingsprogramma in het kader van de lokale diensteneconomie, vermeld in artikel 3, 4°, van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;
   3) een tewerkstellingsprogramma als vermeld in artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
   4) een tewerkstellingsprogramma in het kader van het wijk-werken, vermeld in artikel 3, 9°, van het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017;
   5) een tewerkstellingsprogramma in het kader van sociale inschakelingseconomie als vermeld in artikel 59 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen;
   d) werknemers die om medische redenen, erkend door een arbeidsgeneesheer conform boek I, titel, 4 van de codex over het welzijn op het werk, hun huidige functie niet meer kunnen uitoefenen;]6
  [6 32° collectieve sluiting: de periode waarin de onderneming of een technische bedrijfseenheid van de onderneming gesloten is met toepassing van:
   a) de wetgeving op de jaarlijkse vakantie van werknemers;
   b) eventueel verhoogd met een aantal bijkomende vakantiedagen voorzien bij Koninklijk Besluit, algemeen verbindend verklaard krachtens artikel 6 van de Gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie;]6
  [6 33° GGMMI: het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen, vermeld in artikel 3, eerste lid, van cao nr. 43 van 2 mei 1988 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen.]6
  ----------
  (1)<BVR 2010-12-10/13, art. 25, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
  (2)<BVR 2015-12-18/78, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (3)<BVR 2016-11-25/20, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (4)<BVR 2016-12-23/53, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (5)<BVR 2017-03-10/13, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  (6)<BVR 2018-07-06/18, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen

  Art. 2.De raad van bestuur kan zich laten bijstaan door [1 de provinciale werkgroepen sociale partners en de werkgroep sociale partners Brussel]1. [1 De werkgroepen verlenen inzonderheid advies over het jaarondernemingsplan van de VDAB.]1
  [1 De VDAB richt in elke Vlaamse provincie een provinciale werkgroep sociale partners op en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een werkgroep sociale partners Brussel. De werkgroepen zijn samengesteld uit:
   1° de VDAB;
   2° een gelijk aantal vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. De sociale partners bepalen welke organisaties deelnemen aan de werkgroepen.]1
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  TITEL II. - Arbeidsmarktbeheer

  HOOFDSTUK I. - Arbeidsmarktregie

  Afdeling I. - Rechten en plichten van de werkzoekende

  Art. 3. De werkzoekende heeft bij de arbeidsbemiddeling, de trajectbegeleiding en de competentieontwikkeling de rechten en plichten, vermeld in het decreet van 30 april 2004 houdende het Handvest van de Werkzoekende.

  Art. 4. De werkzoekende die meent dat hij in die rechten is geschaad, kan klacht indienen op basis van het decreet van 1 juni 2001 houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van bestuursinstellingen.

  Art. 5.[1 De niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende zijn ertoe gehouden]1 in te gaan op de aangeboden kansen in verband met begeleiding, opleiding en tewerkstelling, op basis van zijn bekwaamheden.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 5/1. [1 De VDAB stelt, na advies van de raad van bestuur, een charter op dat de rechten en plichten van werkzoekenden en werkgevers in het kader van dit besluit weergeeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling II. - Premies, vergoedingen en verzekering

  Onderafdeling I. - Premies en vergoedingen

  Art. 6.[1 § 1. De volgende personen hebben recht op gratis gebruik van leermateriaal, -materieel en persoonlijke beschermingsmiddelen die nodig zijn voor de competentieontwikkeling:
   1° de cursist die bij de VDAB is ingeschreven als niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende;
   2° de leerling, vermeld in artikel 62, 5°, tijdens een opleiding die georganiseerd wordt door de VDAB;
   3° de kwetsbare werknemer.
   § 2. De cursist die bij de VDAB is ingeschreven als niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende, die hun studie of leertijd hebben beëindigd, heeft recht op een van de volgende vergoedingen:
   1° een abonnement van een openbare vervoersmaatschappij waarmee de VDAB een overeenkomst heeft gesloten;
   2° een forfaitaire vergoeding voor verplaatsingen heen en terug, tussen zijn verblijfplaats en de opleidingsplaats. Die vergoeding bedraagt 0,15 euro per kilometer. Bij een verplaatsing met andere openbare vervoersmaatschappijen dan de openbare vervoersmaatschappijen, vermeld in punt 1°, betaalt de cursist zelf zijn abonnement. Als de forfaitaire verplaatsingsvergoeding niet volstaat om de kosten te dekken, betaalt de VDAB de effectieve abonnementskosten;
   3° een forfaitaire vergoeding voor verre verplaatsing van 50 euro per aanwezige dag als de enkele verplaatsingstijd voor de cursist meer dan twee uur bedraagt of als de afstand tussen de verblijfplaats en de opleidingsplaats meer dan honderd kilometer bedraagt.
   De vergoedingen kunnen door de Vlaamse Regering worden aangepast op voorstel of na raadpleging van de raad van bestuur van de VDAB;
   4° de terugbetaling van de effectieve uitgaven voor kinderopvang voor alle niet-schoolgaande kinderen tot ze toegelaten worden tot het kleuteronderwijs, en voor alle schoolgaande kinderen tot het einde van het basisonderwijs. Voor alle schoolgaande kinderen geldt een maximumbedrag, conform artikel 30, § 2, eerste lid, 2°, a), en § 3, van het Subsidiebesluit Buitenschoolse Opvang van 16 mei 2014, voor kinderopvang tijdens schoolvrije dagen. Die uitgaven worden alleen terugbetaald voor de dagen waarop effectief beroepsopleiding wordt gevolgd. Op dagen van collectieve sluiting van de opleidingsinstelling of de werkgever of de leerwerkplek worden er geen uitgaven terugbetaald. De uitgaven worden terugbetaald als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
   a) de uitgaven zijn betaald aan een van de volgende instellingen:
   1) instellingen of opvangvoorzieningen die erkend zijn of gesubsidieerd of gecontroleerd worden door Kind en Gezin;
   2) instellingen of opvangvoorzieningen die erkend zijn of gesubsidieerd of gecontroleerd worden door de lokale openbare besturen of door de besturen van de gemeenschappen of gewesten;
   3) kinderdagverblijven of zelfstandige opvanggezinnen die onder het toezicht van Kind en Gezin staan;
   4) kleuter- of lagere scholen, of instellingen of opvangvoorzieningen die verbonden zijn aan de school of de inrichtende macht;
   b) de cursist verantwoordt het bedrag van de uitgaven met betalingsbewijzen.
   § 3. De volgende categorieën van cursisten hebben recht op een stimulanspremie van 100 euro:
   1° de leefloongerechtigde, vermeld in artikel 2, 13° van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", en de behoeftige, vermeld in artikel 2, 13° van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, die een of meer personen ten laste hebben;
   2° de uitkeringsgerechtigde werkloze die volgens de werkloosheidsreglementering wordt beschouwd als werknemer met gezinslast en die bij de start van de opleiding minstens een jaar bij de VDAB is ingeschreven als niet-werkende werkzoekende. Voor de berekening van de periode van een jaar geldt de termijn vanaf de inschrijving als niet-werkende werkzoekende, die niet langer dan drie maanden onderbroken mag worden door een voltijdse tewerkstelling tijdens het jaar dat voorafgaat aan de opleiding, gerekend van datum tot datum;
   3° de niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende die een of meer personen ten laste hebben, die niet behoren tot de personen, vermeld in 1° of 2°, en die ofwel een inkomensvervangende tegemoetkoming ontvangen als vermeld in artikel 2 en 6 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, ofwel een invaliditeitsuitkering ontvangen als vermeld in titel III, hoofdstuk III, afdeling VI van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
   De stimulanspremie wordt uitbetaald als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
   1° de cursist voldoet aan al de volgende voorwaarden:
   a) de cursist volgt ten minste acht weken beroepsopleiding;
   b) de cursist volgt ten minste twintig uur per week beroepsopleiding;
   2° de cursist heeft ten minste acht weken beroepsopleiding gevolgd.
   Vanaf de vijfde week krijgt de cursist de premie.
   § 4. De vergoedingen en de premie, vermeld in paragraaf 1 tot en met 3, zijn ten laste van de VDAB.
   § 5. De vergoedingen en de premie, vermeld in dit artikel, worden één keer per maand betaald. Ze worden overgeschreven op een bankrekening]1.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 7.[1 De cursist die bij de VDAB is ingeschreven als niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende die een door de VDAB erkende beroepsopleiding volgen]1 bij een natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie de VDAB samenwerkt of die in opdracht van de VDAB opleiding organiseert, heeft recht op de vergoedingen en de premie, vermeld in artikel 6.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 8.[1 De cursist die bij de VDAB is ingeschreven als niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende die een opleiding volgen in een onderwijsinstelling]1 als vermeld in artikel 87, heeft recht op :
  1° de vergoedingen en de premie, vermeld in artikel 6;
  2° de terugbetaling van het inschrijvingsgeld als andere tegemoetkomingen voor studiefinanciering niet mogelijk zijn;
  3° de terugbetaling van de studiekosten. De VDAB bepaalt jaarlijks het bedrag van de studiekosten op basis van het cursusmateriaal, de stagekledij en de verplichte studieactiviteiten.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 9.De cursist die bij de VDAB is [1 ingeschreven als niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende die een opleiding volgen]1 die past in een door de VDAB erkend traject naar werk, in een centrum voor volwassenenonderwijs, als vermeld in artikel 109, § 3, 8°, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs of aan een hogeschool of een universiteit als werkstudent, als vermeld in artikel 2, 22°, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, heeft gedurende een jaar recht op :
  1° de vergoedingen en de premie, vermeld in artikel 6;
  2° de terugbetaling van het inschrijvingsgeld;
  3° de terugbetaling van het cursusmateriaal.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 10.De VDAB kan, binnen de uitgetrokken budgettaire middelen, overeenkomsten sluiten met vervoersmaatschappijen [1 waardoor de niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende een verminderd tarief kunnen genieten voor verplaatsingen]1 voor onder meer sollicitaties, trajectbegeleiding en de medische en psychologische onderzoeken, vermeld in artikel 35.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Onderafdeling II. - Verzekering

  Art. 11. De VDAB verzekert de cursist, vermeld in artikel 6 tot en met 9, tegen ongevallen die zich tijdens de opleiding, de stage of op de weg van en naar de opleidingsplaats of stageplaats voordoen. De verzekering verleent dezelfde waarborgen als die welke zijn opgenomen in de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen en de uitvoeringsbesluiten ervan. Bij een ongeval wordt de vergoeding berekend op basis van het loon waarop een meerderjarige werknemer in loondienst, die tewerkgesteld is in het aan te leren beroep, recht heeft.
  De volgende cursisten vallen niet onder de toepassing van het eerste lid :
  1° de werknemer die op verzoek van zijn werkgever een opleiding volgt als vermeld in artikel 70;
  2° de cursist die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent;
  3° de leerling.

  Art. 12. De cursist die in het kader van zijn opleiding of stage schade berokkent aan de VDAB of aan derden, is alleen aansprakelijk als het gaat om bedrog, een zware fout of een herhaalde lichte fout.

  Afdeling III. - Mandaat tot het verrichten van kosteloze arbeidsbemiddeling

  Art. 13.Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die arbeidsbemiddeling tot doel heeft, kan [1 ...]1 onder de voorwaarden, bepaald door de raad van bestuur, worden gemandateerd om activiteiten op het vlak van kosteloze arbeidsbemiddeling uit te oefenen.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 14.De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 13, richt aan de VDAB een verzoek waarin zijn algemene werking, bestaansredenen, opzet en doel worden uiteengezet.
  De rechtspersoon, vermeld in artikel 13, voegt bij zijn aanvraag tot mandatering de volgende gegevens :
  1° een exemplaar van zijn statuten of oprichtingsbesluit, alsook de lijst van zijn bestuurders. De statuten of het oprichtingsbesluit vermelden de volgende gegevens :
  a) de benaming van het bureau, het adres van de hoofdzetel en de locaties waar de bemiddelingsactiviteiten zullen worden uitgeoefend;
  b) [1 ...]1
  c) de samenstelling van de raad van bestuur van het bureau, de wijze van benoeming van de bestuurders, hun ontslagneming of hun afzetting, hun bevoegdheden en de duur van hun mandaat;
  d) de organisatie van de controle op de verrichtingen van het bureau door de leden van de raad van bestuur;
  e) de voorwaarden volgens dewelke eventueel de versmelting met een ander bureau voor bijzondere arbeidsbemiddeling of zijn ontbinding plaatsvindt;
  2° bewijsstukken waaruit blijkt dat de activiteiten op het vlak van arbeidsbemiddeling uitgevoerd zullen worden door personen die over de nodige kwalificaties beschikken;
  3° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij beschikt over het nodige materiaal, materieel en de nodige accommodatie om de arbeidsbemiddeling te verstrekken.
  De natuurlijke persoon, vermeld in artikel 13, voegt bij zijn aanvraag tot mandatering de volgende gegevens :
  1° de locaties waar de activiteiten op het vlak van arbeidsbemiddeling zullen worden uitgeoefend;
  2° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij beschikt over de nodige kwalificaties om activiteiten op het vlak van arbeidsbemiddeling uit te oefenen;
  3° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij beschikt over het nodige materiaal, materieel en de nodige accommodatie om de arbeidsbemiddeling te verstrekken;
  4° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij kosteloos bemiddelt of zal bemiddelen voor werkzoekenden;
  5° een verklaring dat hij bij een eventuele overschakeling naar een rechtspersoon, door een rechtspersoon op te richten of zich aan te sluiten bij een bestaande rechtspersoon, dat onmiddellijk aan de VDAB zal melden en zich zal schikken naar de voorwaarden, vermeld in het tweede lid.
  ----------
  (1)<BVR 2013-05-17/01, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 17-06-2013>

  Art. 15.Het mandaat om kosteloze arbeidsbemiddeling uit te oefenen, kan door de raad van bestuur worden verleend als de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 13, voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
  1° activiteiten als opleidings- of begeleidingsverstrekker verrichten in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de [1 opleidingscheques]1 voor werknemers;
  2° activiteiten als dienstverlener in de pijler opleiding verrichten in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2008 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschapsbevorderende diensten;
  3° een sectorale instelling zijn die beheerd wordt door de sociale partners;
  4° beschikken over een van de volgende kwaliteitscertificaten :
  a) Q*for-certificaat;
  b) ISO-certificaat;
  c) CEDEO-certificaat;
  d) Recognised for Excellence;
  e) K2c-, K2b- of K2a-label voor opleiding of begeleiding;
  f) ESF-label, uitgereikt door de vzw ESF-agentschap;
  g) Borea-keurmerk;
  h) andere door de raad van bestuur aanvaarde certificaten.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 16.Met behoud van de toepassing van [1 artikel 4 van het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling]1 moet de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 13 :
  1° de door de raad van bestuur vastgestelde voorwaarden met betrekking tot de rechten van de werkzoekende en de voorwaarden, opgelegd naar aanleiding van een evaluatie, naleven. De voorwaarden worden opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst die wordt gesloten tussen de VDAB en de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 13;
  2° de collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in de Nationale Arbeidsraad, over de aanwerving en selectie van werknemers toepassen;
  3° gevolg geven aan elke aanbieding van werk of elk verzoek om werk.
  ----------
  (1)<BVR 2010-12-10/13, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2011>

  Art. 17. Het toezicht en de controle op de bepalingen van titel II, hoofdstuk I, afdeling III wordt uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn.

  Art. 18. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 13, registreert de vacatures die hij behandelt in het elektronische databestand van de VDAB. Die vacatures worden onder dezelfde voorwaarden als de VDAB-vacatures gepubliceerd via de bestaande publicatiemiddelen.

  Art. 19.Het mandaat wordt [1 ...]1 door de raad van bestuur geschorst of stopgezet als de persoon de bepalingen van dit besluit overtreedt, de voorwaarden, vastgesteld door de raad van bestuur, niet naleeft, of als zijn bedrijvigheid in die mate afneemt dat zijn bestaan kennelijk niet meer verantwoord is.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Afdeling IV. - Mandaat tot het verrichten van kosteloze trajectbegeleiding

  Art. 20.Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die trajectbegeleiding tot doel heeft, kan [1 ...]1 onder de voorwaarden, vastgesteld door de raad van bestuur, worden gemandateerd om activiteiten op het vlak van kosteloze trajectbegeleiding uit te oefenen.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 21.De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 20, richt aan de VDAB een verzoek waarin zijn algemene werking, bestaansredenen, opzet en doel worden uiteengezet.
  De rechtspersoon, vermeld in artikel 20, voegt bij zijn aanvraag tot mandatering de volgende gegevens :
  1° een exemplaar van zijn statuten of oprichtingsbesluit, alsook de lijst van zijn bestuurders. De statuten of het oprichtingsbesluit vermelden de volgende gegevens :
  a) de benaming van de rechtspersoon, het adres van de hoofdzetel en de locaties waar de begeleidingsactiviteiten zullen worden uitgeoefend;
  b) [1 ...]1
  c) de samenstelling van de raad van bestuur van de rechtspersoon, de wijze van benoeming van de bestuurders, hun ontslagneming of hun afzetting, hun bevoegdheden en de duur van hun mandaat;
  d) de organisatie van de controle op de verrichtingen van de rechtspersoon door de leden van de raad van bestuur;
  e) de voorwaarden volgens dewelke eventueel de versmelting met een andere rechtspersoon voor kosteloze begeleiding of zijn ontbinding plaatsvindt;
  2° bewijsstukken waaruit blijkt dat de activiteiten op het vlak van trajectbegeleiding uitgevoerd zullen worden door personen die over de nodige kwalificaties beschikken;
  3° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij beschikt over het nodige materiaal, materieel en de nodige accommodatie om de trajectbegeleiding te verstrekken.
  De natuurlijke persoon, vermeld in artikel 20, voegt bij zijn aanvraag tot mandatering de volgende gegevens :
  1° de locaties waar de activiteiten op het vlak van trajectbegeleiding zullen worden uitgeoefend;
  2° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij beschikt over de nodige kwalificaties om activiteiten op het vlak van trajectbegeleiding uit te oefenen;
  3° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij beschikt over het nodige materiaal, materieel en de nodige accommodatie om de trajectbegeleiding te verstrekken;
  4° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij werkzoekenden kosteloos begeleidt of zal begeleiden;
  5° een verklaring dat hij bij een eventuele overschakeling naar een rechtspersoon, door een rechtspersoon op te richten of zich aan te sluiten bij een bestaande rechtspersoon, dit onmiddellijk aan de VDAB zal melden en zich zal schikken naar de voorwaarden, vermeld in het tweede lid.
  ----------
  (1)<BVR 2013-05-17/01, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 17-06-2013>

  Art. 22.Het mandaat om kosteloze trajectbegeleiding uit te oefenen, kan door de raad van bestuur worden verleend als de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 20, activiteiten van private arbeidsbemiddeling verricht in overeenstemming met titel II, hoofdstuk I, afdeling III of in overeenstemming met het [1 decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling]1.
  De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 20, moet bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
  1° activiteiten als opleidings- of begeleidingsverstrekker verrichten in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de [2 opleidingscheques]2 voor werknemers;
  2° activiteiten als dienstverlener in de pijler opleiding verrichten in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2008 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschaps-bevorderende diensten;
  3° een sectorale instelling zijn die beheerd wordt door de sociale partners;
  4° beschikken over een van de volgende kwaliteitscertificaten :
  a) Q*for-certificaat;
  b) ISO-certificaat;
  c) CEDEO-certificaat;
  d) Recognised for Excellence;
  e) K2c-, K2b- of K2a-label voor opleiding of begeleiding;
  f) ESF-label, uitgereikt door de vzw ESF-agentschap;
  g) Borea-keurmerk;
  h) andere door de raad van bestuur aanvaarde certificaten.
  ----------
  (1)<BVR 2010-12-10/13, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2011>
  (2)<BVR 2015-12-18/78, art. 10, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 23. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 20, moet :
  1° de door de raad van bestuur vastgestelde voorwaarden met betrekking tot de rechten van de werkzoekende en de voorwaarden, opgelegd naar aanleiding van een evaluatie, naleven. De voorwaarden worden opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst die wordt gesloten tussen de VDAB en de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 20;
  2° gevolg geven aan elk verzoek om begeleiding.

  Art. 24. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 20, registreert de begeleidingsactiviteiten die hij uitvoert in het elektronische databestand van de VDAB.

  Art. 25.Het mandaat wordt [1 ...]1 door de raad van bestuur geschorst of stopgezet als de persoon de bepalingen van dit besluit overtreedt, de voorwaarden, vastgesteld door de raad van bestuur, niet naleeft, of als zijn bedrijvigheid in die mate afneemt dat zijn bestaan kennelijk niet meer verantwoord is.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 6, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Afdeling V. - Mandaat tot het verrichten van kosteloze competentieontwikkeling

  Art. 26.Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die competentieontwikkeling tot doel heeft, kan [1 ...]1 onder de voorwaarden, bepaald door de raad van bestuur, worden gemandateerd om activiteiten op het vlak van kosteloze competentieontwikkeling uit te oefenen.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 7, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 27.De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 26, richt aan de VDAB een verzoek waarin zijn algemene werking, bestaansredenen, doel en opzet worden uiteengezet.
  De rechtspersoon, vermeld in artikel 26, voegt bij zijn aanvraag tot mandatering de volgende gegevens :
  1° een exemplaar van zijn statuten of oprichtingsbesluit, alsook de lijst van zijn bestuurders. De statuten of het oprichtingsbesluit vermelden de volgende gegevens :
  a) de benaming van de rechtspersoon, het adres van de hoofdzetel en de locaties waar de activiteiten op het vlak van competentieontwikkeling zullen worden uitgeoefend;
  b) [1 ...]1
  c) de samenstelling van zijn raad van bestuur, de wijze van benoeming van de bestuurders, hun ontslagneming of hun afzetting, hun bevoegdheden en de duur van hun mandaat;
  d) de organisatie van de controle op de verrichtingen van de rechtspersoon door de leden van de raad van bestuur;
  e) de voorwaarden volgens dewelke eventueel de versmelting met een andere rechtspersoon voor kosteloze competentieontwikkeling of zijn ontbinding plaatsvindt;
  2° bewijsstukken waaruit blijkt dat de activiteiten op het vlak van competentieontwikkeling uitgevoerd zullen worden door personen die over de nodige kwalificaties beschikken;
  3° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij beschikt over het nodige materiaal, materieel en de nodige accommodatie om de competentieontwikkeling te verstrekken.
  De natuurlijke persoon, vermeld in artikel 26, voegt bij zijn aanvraag tot mandatering de volgende gegevens :
  1° de locaties waar de activiteiten op het vlak van competentieontwikkeling zullen worden uitgeoefend;
  2° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij beschikt over de nodige kwalificaties om activiteiten op het vlak van competentieontwikkeling uit te oefenen;
  3° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij beschikt over het nodige materiaal, materieel en de nodige accommodatie om de competentieontwikkeling te verstrekken;
  4° bewijsstukken waaruit blijkt dat hij werkzoekenden kosteloos opleidt of zal opleiden;
  5° een verklaring dat hij bij een eventuele overschakeling naar een rechtspersoon, door een rechtspersoon op te richten of zich aan te sluiten bij een bestaande rechtspersoon, dat onmiddellijk aan de VDAB zal melden en zich zal schikken naar de voorwaarden, vermeld in het tweede lid.
  ----------
  (1)<BVR 2013-05-17/01, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 17-06-2013>

  Art. 28.Het mandaat om kosteloze competentieontwikkeling uit te oefenen, kan door de raad van bestuur worden verleend als de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 26, voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
  1° activiteiten als opleidings- of begeleidingsverstrekker verrichten in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 betreffende de [1 opleidingscheques]1 voor werknemers;
  2° activiteiten als dienstverlener in de pijler opleiding verrichten in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2008 tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor ondernemerschaps-bevorderende diensten;
  3° een sectorale instelling zijn die beheerd wordt door de sociale partners;
  4° beschikken over een van de volgende kwaliteitscertificaten :
  a) Q*for-certificaat;
  b) ISO-certificaat;
  c) CEDEO-certificaat;
  d) Recognised for Excellence;
  e) K2c-, K2b- of K2a-label voor opleiding of begeleiding;
  f) ESF-label, uitgereikt door de vzw ESF-agentschap;
  g) Borea-keurmerk;
  h) andere door de raad van bestuur aanvaarde certificaten.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 11, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 29. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 26, moet :
  1° de door de raad van bestuur vastgestelde voorwaarden met betrekking tot de rechten van de werkzoekende en de voorwaarden, opgelegd naar aanleiding van een evaluatie, naleven. De voorwaarden worden opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst die wordt gesloten tussen de VDAB en de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 26;
  2° gevolg geven aan elk verzoek om competentieontwikkeling.

  Art. 30. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 26, registreert de activiteiten op het vlak van competentieontwikkeling die hij uitvoert in het elektronische databestand van de VDAB.

  Art. 31.Het mandaat wordt [1 ...]1 door de raad van bestuur geschorst of stopgezet als de persoon de bepalingen van dit besluit overtreedt, de voorwaarden, vastgesteld door de raad van bestuur, niet naleeft, of als zijn bedrijvigheid in die mate afneemt dat zijn bestaan kennelijk niet meer verantwoord is.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  HOOFDSTUK II. - Arbeidsbemiddeling, georganiseerd door de VDAB

  Afdeling I. - Universele dienstverlening voor de werkzoekende

  Art. 32.[1 Iedereen die wettelijk toegang heeft tot de arbeidsmarkt, mag zich als werkzoekende bij VDAB inschrijven. ]1
  ----------
  (1)<BVR 2016-12-23/40, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 33.De werkzoekende die zich bij de VDAB inschrijft, verstrekt de volgende gegevens :
  1° identificatiegegevens;
  2° studie- en beroepsverleden;
  3° beroepskwalificaties met de eventuele vermelding van de behaalde titel of titels van beroepsbekwaamheid;
  4° beroepsaspiraties;
  5° ervaring en verworven competenties.
  De VDAB reikt aan de werkzoekende die erom verzoekt een bewijs van inschrijving uit.
  [1 6° elementen om de afstand tot de arbeidsmarkt, de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, de evaluatie van het pad naar werk en de randvoorwaarden die een belemmering vormen bij de zoektocht naar werk, in te schatten.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 34. De VDAB kan, binnen de uitgetrokken budgettaire middelen, alle initiatieven nemen om de werkzoekende te helpen bij de verbetering van zijn tewerkstellingsmogelijkheden.
  De VDAB prospecteert de arbeidsmarkt met de bedoeling zo veel mogelijk vacatures te kennen. De VDAB maakt die vacatures bekend bij de werkzoekenden.
  Voor de werkzoekende met een verminderde competitiviteitsgraad op de arbeidsmarkt kan de VDAB bijzondere stappen zetten om zijn opname in het arbeidscircuit te verbeteren.

  Art. 35.[1 In het belang van de niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende kan de VDAB, met het oog op een werkaanbieding, een beroepsopleiding of een trajectbepaling:
   1° de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende laten nagaan door middel van een geneeskundig onderzoek;
   2° de niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende onderwerpen aan een psychologisch onderzoek;
   3° de beroepskwalificatie van de niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende laten onderzoeken.
   De niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende hebben recht op een bespreking van de resultaten van de onderzoeken, vermeld in het eerste lid. De onderzoeken zijn gratis voor de niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende.]1
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 12, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling II. - Trajectwerking

  Art. 36.[1 De begeleiding naar werk omvat alle opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsacties en start met de inschatting van de behoeften van de werkzoekende. Tijdens die inschatting worden de stappen uitgestippeld die nodig zijn voor de integratie op de arbeidsmarkt.
   Het eerste lid is ook van toepassing als de begeleiding naar werk wordt georganiseerd door natuurlijke personen of rechtspersonen met wie de VDAB samenwerkt of die in opdracht van de VDAB begeleiding organiseren voor niet-werkende werkzoekenden.]1
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 37.
  <Opgeheven bij BVR 2015-12-18/78, art. 14, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 38.
  <Opgeheven bij BVR 2015-12-18/78, art. 14, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 39.
  <Opgeheven bij BVR 2015-12-18/78, art. 14, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 40.
  <Opgeheven bij BVR 2015-12-18/78, art. 14, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling III. [1 Afdeling 3. Beroepsverkennende stage ]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 41.De VDAB [1 of de partnerorganisatie]1 kan in het kader van de begeleiding naar werk of de voorbereiding daarop een [1 beroepsverkennende]1 stage organiseren in samenwerking met een onderneming, een vereniging zonder winstoogmerk of een administratieve overheid.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 42.[1 De niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende die een [2 beroepsverkennende]2 stage lopen, hebben recht op de vergoedingen, vermeld in artikel 6 [2 , § 2]2.]1
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 15, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 43.De VDAB sluit ten gunste van de werkzoekende die een oriënterende stage loopt, een verzekeringscontract af voor ongevallen die zich voordoen tijdens de oriënterende stage of op de weg van en naar de plaats waar de [1 beroepsverkennende]1 stage plaatsvindt. Dat verzekeringscontract voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 11.
  De werkzoekende die in het kader van oriënterende stage schade berokkent aan de VDAB of aan derden, is alleen aansprakelijk als het gaat om bedrog, een zware fout en een herhaalde lichte fout.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 44.Voor de uitvoering van de [1 beroepsverkennende]1 stage wordt tussen de VDAB [1 of de partnerorganisatie]1, de werkzoekende en de onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid een overeenkomst gesloten, waarvan het model door de raad van bestuur [1 van de VDAB]1 wordt bepaald.
  De overeenkomst vermeldt :
  1° de identiteit van de partijen;
  2° de aanvangsdatum van de [1 beroepsverkennende]1 stage en de vermoedelijke duur ervan. De stage mag maximaal dertig dagen duren;
  3° de omschrijving van de activiteiten die in het kader van de [1 beroepsverkennende]1 stage plaatsvinden op de werkvloer;
  4° de verplichtingen van de partijen van de overeenkomst.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Afdeling IV. - Universele dienstverlening voor de werkgever

  Art. 45. De VDAB helpt de werkgevers bij de preselectie van de meest geschikte kandidaten.

  Art. 46. De werkgevers delen in hun werkaanbieding de volgende informatie mee :
  1° de aard van de functie;
  2° de aard van het aangeboden contract;
  3° de arbeidsduur en arbeidstijdregeling;
  4° de bezoldiging;
  5° de vereiste competenties, de vereiste titel of titels van beroepsbekwaamheid;
  6° de plaats waar de functie verricht moet worden, behalve als dat vooraf niet kan worden vastgesteld of als het gaat om functies die niet aan een bepaalde plaats van tewerkstelling gebonden zijn;
  7° eventueel de bedoeling om een wervingsreserve aan te leggen;
  8° de wijze waarop gesolliciteerd kan worden;
  9° de aanwervings- en selectieprocedure.

  Art. 47. De werkgevers die een beroep doen op de diensten van de VDAB, leven de collectieve arbeidsovereenkomsten na over de aanwerving en selectie van werknemers, die gesloten zijn in de Nationale Arbeidsraad.
  De VDAB behandelt alleen de werkaanbiedingen die voldoen aan de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen.

  HOOFDSTUK III. - Tewerkstellingscellen

  Afdeling I. - Oprichting en doel van de tewerkstellingscel

  Art. 48. De onderneming in herstructurering of haar vertegenwoordiger, minstens een van de representatieve werknemersorganisaties, en de VDAB sluiten een overeenkomst tot oprichting van de tewerkstellingscel. Die overeenkomst bepaalt :
  1° de identiteitsgegevens van de betrokken partijen in de tewerkstellingscel;
  2° de adresgegevens van de tewerkstellingscel;
  3° de doelstelling van de tewerkstellingscel;
  4° de nauwkeurige opgave van de diverse begeleidingsmaatregelen die door elk van de betrokken partijen en het outplacementbureau worden genomen voor de werknemers die getroffen worden door een herstructurering van hun onderneming;
  5° de afspraken over het meedelen van gegevens van de werknemers die getroffen worden door een herstructurering van hun onderneming, aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  6° de aanwijzing van een aanspreekpunt voor de werknemers die getroffen worden door een herstructurering van hun onderneming;
  7° de regeling voor interne en externe communicatie van de tewerkstellingscel;
  8° de geldigheidsduur van de overeenkomst.

  Art. 49. De tewerkstellingscel heeft als taak de werknemers die getroffen worden door een herstructurering van hun onderneming en die ingeschreven zijn in de tewerkstellingscel, zo snel mogelijk te begeleiden naar een nieuwe duurzame tewerkstelling door hen minstens een outplacementbegeleiding aan te bieden.
  De tewerkstellingscel streeft naar een optimaal gebruik van het beschikbare pakket aan begeleidingsmaatregelen voor elke werknemer die bij de tewerkstellingscel is ingeschreven.

  Art. 50. De tewerkstellingscel wordt uiterlijk opgericht op de dag waarop de eerste werknemer die getroffen wordt door een herstructurering van zijn onderneming, ontslagen wordt, en is minstens operationeel tot alle begeleidingsmaatregelen die zijn opgenomen in de overeenkomst, vermeld in artikel 48, zijn afgerond.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt evenwel niet gelijkgesteld met een ontslag : het niet-verlengen van een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd wegens de herstructurering, of het feit dat een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid die een tewerkstelling bij de werkgever in herstructurering als voorwerp heeft, ingevolge de herstructurering niet verlengd wordt.

  Afdeling II. - Opdrachten van de VDAB in de tewerkstellingscel

  Art. 51. De VDAB neemt de directie van de tewerkstellingscel op zich en is belast met de organisatie en de coördinatie van de tewerkstellingscel. Dat omvat de volgende taken :
  1° alle betrokken partijen samenroepen om de tewerkstellingscel op te richten;
  2° de taken en dienstverlening van de tewerkstellingscel coördineren;
  3° de dienstverlening en de werkzaamheden van de tewerkstellingscel evalueren.

  Art. 52. De directie van de tewerkstellingscel zorgt voor de inschrijving van de werknemers die getroffen worden door een herstructurering van hun onderneming, en levert een bewijs van inschrijving in de tewerkstellingscel af. De betrokken werknemers schrijven zich ook in als werkzoekende bij de VDAB.

  Afdeling III. - Opdrachten van het outplacementbureau

  Art. 53. Het outplacementbureau voert de outplacementbegeleiding uit overeenkomstig de aanvullende gedragscode die als bijlage 1 is gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2009 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 2°, e), van het decreet van 7 mei 2004.

  Art. 54. Het outplacementbureau neemt op verzoek van de leden van de stuurgroep, vermeld in artikel 56, deel aan de stuurgroep en verschaft daar de nodige informatie om de voortgang en de evaluatie van de outplacementbegeleiding mogelijk te maken.

  Art. 55. Het outplacementbureau maakt voor elke werknemer die getroffen wordt door een herstructurering van zijn onderneming en die op het einde van de outplacementbegeleiding nog geen duurzame tewerkstelling heeft aangevat, een eindverslag van de outplacementbegeleiding op. Het outplacementbureau bezorgt dat verslag aan de VDAB binnen een maand na het einde van de outplacementbegeleiding.

  Afdeling IV. - Stuurgroep van de tewerkstellingscel

  Art. 56. De werking van de tewerkstellingscel wordt aangestuurd en gevolgd door een stuurgroep.

  Art. 57. De stuurgroep van de ad-hoctewerkstellingscel is minstens samengesteld uit :
  1° minstens een vertegenwoordiger van de VDAB;
  2° minstens een vertegenwoordiger van de onderneming in herstructurering;
  3° de vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties.
  De VDAB zit de stuurgroep voor.

  Art. 58.§ 1. De stuurgroep van de permanente tewerkstellingscel is samengesteld uit vaste leden en ad-hocleden. De stuurgroep kan zich laten bijstaan door deskundigen.
  De vaste leden, vermeld in het eerste lid zijn de volgende :
  1° minstens een vertegenwoordiger van de VDAB;
  2° de vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties die in de SERV vertegenwoordigd zijn [1 ...]1;
  3° minstens een vertegenwoordiger van de onderneming in herstructurering of de vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties die in de SERV vertegenwoordigd zijn [1 ...]1.
  Een afgevaardigde van het opleidingsfonds van de sector, als er een is, kan ad-hoclid van de stuurgroep van de permanente tewerkstellingscel zijn.
  In het tweede lid wordt verstaan onder de SERV de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, vermeld in het decreet van 7 mei 2004 inzake de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.
  § 2. De werking van de stuurgroep van de permanente tewerkstellingscel wordt geregeld in een huishoudelijk reglement.
  Het huishoudelijk reglement bepaalt ten minste :
  1° de bevoegdheden van de VDAB als voorzitter van de permanente stuurgroep;
  2° de wijze van bijeenroeping en beraadslaging;
  3° de periodiciteit van de vergaderingen;
  4° de bekendmaking van de handelingen;
  5° het aantal aanwezige leden dat minimaal nodig is om geldig te vergaderen;
  6° de aanwijzing van de bevoegde permanente stuurgroep als de werkgever in herstructurering actief is in de ambtsgebieden van verschillende [1 permanente tewerkstellingscellen]1;
  7° de locatie van de permanente tewerkstellingscel.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Afdeling V. - Rapportering en evaluatie

  Art. 59. Het outplacementbureau rapporteert mondeling over de ondernomen acties, de resultaten en de stand van zaken in het kader van de begeleiding en hertewerkstelling van de werknemers die getroffen worden door een herstructurering van hun onderneming, tijdens de bijeenkomsten van de stuurgroep. In het schriftelijke verslag van die bijeenkomsten worden de persoonsgegevens van de betrokken werknemers niet vermeld.

  Art. 60.De VDAB rapporteert jaarlijks aan de raad van bestuur [1 ...]1 over de werking van de tewerkstellingscellen.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  TITEL III. - Competentieontwikkeling

  HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

  Art. 61.Competentieontwikkeling kan onder meer bestaan uit :
  1° een beroepsopleiding, dat is een van de volgende activiteiten die door de VDAB wordt georganiseerd of als dusdanig door de VDAB wordt erkend :
  a) het aanleren van een vak, een beroep of een functie;
  b) bijscholing in het vak, het beroep of de functie;
  c) het verwerven van de noodzakelijke basisvaardigheden voor de uitoefening van een beroepsactiviteit;
  d) beroepsomscholing, vervolmaking en uitbreiding van de vakkennis of de aanpassing ervan aan de ontwikkelingen binnen het vak, het beroep of de functie;
  [1 e) oriëntering met het oog op competentieversterking;]1
  2° het bijbrengen en beheren van competenties;
  3° een persoonsgerichte vorming;
  4° een sollicitatietraining;
  5° de observatie van een persoon als vermeld in artikel 62, tijdens een bepaalde periode, zodat zijn lichamelijke en intellectuele vaardigheden kunnen worden vastgesteld en, met het oog op de realisatie van de doelstellingen, vermeld in dit artikel, de meest geschikte beroepsrichting kan worden bepaald;
  6° [1 ...]1 oriëntering naar de arbeidsmarkt;
  7° aanvullende dienstverlening, zoals informatieverstrekking over opleiding en werk, loopbaanbegeleiding en certificering.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 62.De activiteiten, vermeld in artikel 61, kunnen volgens de voorwaarden, vermeld in titel III, worden gevolgd door :
  1° een werkzoekende;
  2° een werknemer op eigen verzoek;
  3° een werknemer op verzoek van zijn werkgever;
  4° een persoon met een zelfstandige beroepsactiviteit;
  5° een leerling op verzoek van zijn onderwijsinstelling;
  [1 6° een kwetsbare werknemer.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 63. De competentieontwikkeling wordt aangeboden in het Nederlands. In uitzonderlijke omstandigheden kan de raad van bestuur de toestemming geven om daarvan af te wijken.

  Art. 64. Om de competentieontwikkeling te organiseren, kan de VDAB eigen centra oprichten of samenwerken met derden. Als met derden wordt samengewerkt, kunnen de kosten onder de partijen worden verdeeld.
  De raad van bestuur bepaalt de wijze waarop de competentieontwikkeling wordt aangeboden.

  Art. 65.De raad van bestuur stelt een huishoudelijk reglement op voor de centra. Het reglement bepaalt onder meer de rechten en de plichten van de cursisten, zowel voor orde en tucht als voor de uitvoering van opdrachten die ze in het kader van de opleiding krijgen. Het reglement wordt ter beschikking gesteld van de cursist voor de aanvang van de opleiding [1 of het]1 moet aangeplakt zijn op een goed zichtbare plaats in elk centrum.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  HOOFDSTUK II. - De organisatie van de beroepsopleiding

  Afdeling I. - Toelating tot de beroepsopleiding

  Art. 66.De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 kan aan de niet-werkende werkzoekende [1 en de verplicht ingeschreven werkzoekende]1 voorstellen om een passende beroepsopleiding te volgen.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 14, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 67.De werkzoekende, de werknemer [1 , de kwetsbare werknemer]1 en de persoon met een zelfstandige beroepsactiviteit die een beroepsopleiding wil volgen, doet een aanvraag bij de VDAB[1of de partnerorganisatie ]1.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 15, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 68.De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 beslist of een kandidaat voor een beroepsopleiding in aanmerking komt.
  Die beslissing wordt genomen op basis van de arbeidsmarktvereisten en arbeidsmarktbehoeften, en op grond van de geschiktheid en het competentieprofiel van de kandidaat.
  Als de toelating tot de beroepsopleiding geweigerd wordt, kan de werkzoekende om herziening van zijn aanvraag verzoeken bij de raad van bestuur [1 ...]1.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 11, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 16, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 69. De onderwijsinstelling kan met toestemming van de betrokken leerlingen aan de VDAB vragen dat een of meer van hun leerlingen bij de VDAB een beroepsopleiding kunnen volgen. De raad van bestuur bepaalt, binnen de uitgetrokken budgettaire middelen, welke onderwijsniveaus daarvoor in aanmerking komen, alsook de voorwaarden.

  Art. 70. De werkgever kan met toestemming van de betrokken werknemers aan de VDAB vragen dat een of meer van zijn werknemers door de VDAB worden opgeleid. De VDAB kan die beroepsopleidingen organiseren met behulp van de infrastructuur van de onderneming of van derden.
  Die werknemers kunnen tot de opleiding toegelaten worden als de werkgever er zich schriftelijk toe verbindt dat hij met de werknemers die de beroepsopleiding volgen, overeenkomt dat de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst tijdens de opleiding is geschorst en dat ze gedurende de opleiding verder aanspraak blijven maken op hun loon en de andere voordelen, onder meer de verzekering tegen arbeidsongevallen en ongevallen op de weg van en naar het werk, die ze zouden ontvangen als ze effectief in de onderneming zouden werken.

  Art. 71. Als werknemers op verzoek van hun werkgever een beroepsopleiding volgen, moet de werkgever daarvoor betalen. Het bedrag wordt bepaald op basis van de inhoud en de duur van de opleiding.

  Art. 72.§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder algemene opleiding verstaan : een opleiding die bestaat in onderricht dat niet uitsluitend of hoofdzakelijk op de huidige of toekomstige functie van de werknemer in de begunstigde onderneming gericht is, maar door middel waarvan bekwaamheden worden verkregen die in ruime mate naar andere ondernemingen of werkgebieden overdraagbaar zijn, zodat de inzetbaarheid van de werknemer wordt verbeterd.
  § 2. De werkgevers kunnen een vermindering verkrijgen van het bedrag, vermeld in artikel 71, voor de algemene opleiding van de volgende categorieën van werknemers :
  1° de risicowerknemers, op voorwaarde dat het opleidingscontract binnen zes maanden na hun aanwerving wordt gesloten. Als risicowerknemers worden beschouwd :
  a) de werknemers die gedurende de twaalf maanden die aan de indienstneming voorafgaan, zonder onderbreking [2 werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen]2 hebben ontvangen;
  b) de werknemers die op het ogenblik van de indienstneming sinds minstens zes maanden zonder onderbreking het leefloon ontvangen hebben;
  c) de werknemers die op het ogenblik van de indienstneming door de VDAB erkend zijn als personen met een arbeidshandicap;
  d) de werknemers, ouder dan achttien jaar, die geen houder zijn van een diploma of een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs;
  e) de werknemers die tegelijkertijd de volgende voorwaarden vervullen :
  1) ze hebben geen [2 werkloosheids-, inschakelings- of onderbrekingsuitkeringen]2 ontvangen gedurende de periode van drie jaar die aan de indienstneming voorafgaat;
  2) ze hebben geen beroepsactiviteit verricht gedurende de periode van drie jaar die de indienstneming voorafgaat;
  3) ze hebben voor die periode van drie jaar de beroepsactiviteit onderbroken of hebben nooit een dergelijke activiteit verricht;
  f) de werknemers van minder dan achttien jaar die onderworpen zijn aan de deeltijdse leerplicht en die het secundair onderwijs met volledig leerplan niet meer volgen. In afwijking van de termijn van zes maanden, vermeld in punt 1°, geldt voor die categorie een termijn van twee jaar;
  2° de werknemers die met werkloosheid bedreigd worden :
  a) in geval van collectief ontslag, na kennisgeving aan de hand van de nominatieve lijst van de betrokken werknemers aan de VDAB, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag;
  b) in geval van individueel ontslag, als ze tegelijkertijd de volgende voorwaarden vervullen :
  1) ze hebben kennis gekregen van de opzegging overeenkomstig de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  2) ze zijn ingeschreven op een nominatieve lijst die, naargelang van het geval, voor advies is voorgelegd aan de ondernemingsraad, de vakbondsafvaardiging, het comité voor preventie en bescherming op het werk of de vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;
  c) de werknemers die behoren tot een onderneming in moeilijkheden. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Beroepsomscholing en -Bijscholing, bepaalt, na advies van de raad van bestuur, wat moet worden verstaan onder onderneming in moeilijkheden;
  d) de werknemers die behoren tot een onderneming in herstructurering. De Vlaamse minister, bevoegd voor de Beroepsomscholing en -Bijscholing, bepaalt, na advies van de raad van bestuur, wat moet worden verstaan onder onderneming in herstructurering;
  3° de werknemers die behoren tot ondernemingen met niet meer dan 25 werknemers;
  4° de werknemers die om medische redenen hun huidige functie niet langer kunnen uitoefenen. De medische ongeschiktheid van die werknemers moet worden erkend door een arbeidsgeneesheer als vermeld in het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers;
  5° de werknemers die een werkervaring opdoen in het kader van een door de VDAB erkend traject naar werk.
  De vermindering van het bedrag, vermeld in artikel 71, bedraagt 50 % voor de risicowerknemers, vermeld in het eerste lid, 1°, a) tot en met e), en 100 % voor de risicowerknemers, vermeld in het eerste lid, 1°, f).
  De vermindering van het bedrag, vermeld in artikel 71, bedraagt 100 % voor de werknemers, vermeld in het eerste lid, 2°, a) tot en met c), en 50 % voor de werknemers, vermeld in het eerste lid, 2°, d).
  De vermindering van het bedrag, vermeld in artikel 71, bedraagt 50 % voor de ondernemingen, vermeld in het eerste lid, 3°, met minder dan 10 werknemers en 25 % voor de ondernemingen met 10 tot 25 werknemers. De vermindering van het bedrag, vermeld in 73, wordt niet toegekend als de raad van bestuur bepaalt dat het ondernemingen betreft die kunstmatige afsplitsingen of filialen zijn van grotere ondernemingen.
  De vermindering van het bedrag, vermeld in artikel 73, bedraagt 100 % voor de werknemers, vermeld in het eerste lid, 4°.
  De vermindering van het bedrag, vermeld in artikel 71, bedraagt 100 % voor de werknemers, vermeld in het eerste lid, 5°.
  [1 § 3. De vermindering is alleen van toepassing als die een stimulerend effect heeft. De vermindering wordt geacht een stimulerend effect te hebben als de werkgever, voor de aanvang van de opleiding, bij de VDAB een schriftelijke aanvraag heeft ingediend. De aanvraag bevat de volgende gegevens:
   1° de naam en de grootte van de onderneming;
   2° een beschrijving van de opleiding, met inbegrip van de aanvangs- en einddatum;
   3° de locatie van de opleiding;
   4° een lijst van de opleidingskosten en de totale kosten, en
   5° het soort steun en het bedrag aan overheidsfinanciering dat voor het opleidingsproject nodig is.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-12-19/99, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 08-02-2015>
  (2)<BVR 2015-12-18/78, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 73. Als de werkgever binnen vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de opleidingsovereenkomst gesloten wordt, overgaat tot collectief ontslag zonder naleving van de informatie- en raadplegingsprocedures, vermeld in het tweede lid, moet de werkgever de tegemoetkomingen die hij heeft ontvangen op basis van artikel 72, 1°, 2°, c) en d), en 3° en 4°, aan de VDAB terugstorten.
  Onder informatie- en raadplegingsprocedures als vermeld in het eerste lid wordt verstaan : de procedures, vermeld in :
  1° artikelen 3, 7 en 11 van de CAO nummer 9 van 9 maart 1972 houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 12 september 1976;
  2° artikel 6 van de CAO nummer 24 van 2 oktober 1975 betreffende de procedure van inlichting en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers met betrekking tot het collectief ontslag, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 21 januari 1976;
  3° artikelen 6 tot en met 8 van het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag;
  4° artikelen 4 en 37 van de CAO nummer 62 van 6 februari 1996 betreffende de instelling van een Europese Ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 22 maart 1996;
  5° artikel 66 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling.

  Art. 74. Ondernemingen of groeperingen van ondernemingen kunnen geheel of gedeeltelijk vrijgesteld worden van de betaling van de opleidingskosten van hun werknemers nadat ze een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten met de VDAB. De graad van vrijstelling wordt door de raad van bestuur bepaald naar rata van de inbreng van de ondernemingen of de groeperingen van ondernemingen.

  Art. 75.[1 De bepaling, vermeld in artikel 72, valt onder de toepassing van:
   1° de de-minimissteun, vermeld in verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
   2° verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;.
   De tegemoetkoming op basis van de percentages, vermeld in artikel 72, wordt voor de toepassing van die bepaling beperkt tot de toegestane steunintensiteit én het maximumbedrag van twee miljoen euro, vermeld in artikel 4 van de verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-12-19/99, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 08-02-2015>

  Art. 76. Aan personen met een zelfstandige beroepsactiviteit en aan werknemers die op hun verzoek een opleiding volgen, met uitzondering van de onvrijwillig deeltijdse werknemer, vermeld in artikel 1, 9°, wordt een tegemoetkoming in de opleidingskosten gevraagd. Het bedrag van die tegemoetkoming wordt bepaald op basis van de inhoud en de duur van de opleiding.
  In uitzonderlijke omstandigheden kan de raad van bestuur beslissen dat geen tegemoetkoming in de opleidingskosten wordt gevraagd.

  Art. 77.De personen die een beroepsopleiding of stage hebben gevolgd, hebben recht op een attest van de verworven competenties, met vermelding van het leertraject en de leerinhouden. [1 Dit attest wordt uitgereikt door de VDAB of door de partnerorganisatie.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 17, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Afdeling II. - De overeenkomst voor beroepsopleiding

  Art. 78. Met uitzondering van de werknemers die op verzoek van hun werkgever een beroepsopleiding volgen, vermeld in artikelen 70 tot en met 73, wordt met iedere cursist die een beroepsopleiding volgt een overeenkomst gesloten voor de aanvang van de opleiding of uiterlijk op de eerste dag van de opleiding.

  Art. 79. De overeenkomst wordt schriftelijk aangegaan. Aan iedere partij die betrokken is bij de overeenkomst, wordt een exemplaar overhandigd.

  Art. 80. De overeenkomst vermeldt :
  1° de identiteit van de partijen;
  2° de aanvangsdatum van de opleiding en de vermoedelijke duur ervan;
  3° de omschrijving, de inhoud en de doelstelling van de opleiding;
  4° de rechten en plichten van de partijen, vermeld in het decreet van 30 april 2004 houdende het Handvest van de Werkzoekende en de wetgeving op de arbeidsbescherming.

  Art. 81. De onmogelijkheid voor de cursist om de opleiding te volgen wegens ziekte of ongeval schorst de uitvoering van de overeenkomst. De cursist is ertoe gehouden zijn ongeschiktheid te rechtvaardigen met een geneeskundig getuigschrift.

  Art. 82.De VDAB [1 of de partnerorganisatie]1 kan de overeenkomst beëindigen zonder opzegging :
  1° als de cursist valse stukken heeft voorgelegd bij zijn toelating tot het centrum of als hij ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen betreffende de goede orde of tucht van het centrum, in zijn contractuele verplichtingen of in de uitvoering van de opdrachten die hem in het kader van de opleiding zijn opgelegd;
  2° als de schorsing, vermeld in artikel 81, een dusdanige duur heeft bereikt dat de re-integratie van de cursist in de opleiding niet zonder moeilijkheden kan verlopen;
  3° als de cursist niet geschikt is om met goed gevolg de opleiding te volgen.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 18, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 83.De bepalingen van deze afdeling zijn ook van toepassing als de opleiding wordt georganiseerd door natuurlijke personen of rechtspersonen waarmee de VDAB samenwerkt of die in opdracht van de VDAB opleiding organiseren voor niet-werkende werkzoekenden [1 en verplicht ingeschreven werkzoekenden]1.
  De raad van bestuur bepaalt op basis van de arbeidsmarktvereisten en arbeidsmarktbehoeften [1 welke opleidingen een niet-werkende werkzoekende en een verplicht ingeschreven werkzoekende kunnen volgen]1 met een VDAB-overeenkomst bij natuurlijke personen of rechtspersonen als vermeld in het eerste lid.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 18, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling III. - Opleidingsstage en praktisch werk

  Art. 84.[1 De VDAB of de partnerorganisatie kan in het kader van een beroepsopleiding opleidingsstages organiseren.]1.
  De opleidingsstage en het praktische werk moeten nuttig en passend zijn in het kader van de opleiding. De opleidingsstage en het praktische werk worden in het opleidingsprogramma ingeschakeld op het ogenblik dat de cursist over de nodige vaardigheden beschikt om ze uit te voeren, zodoende ze ertoe bijdragen dat de cursist vertrouwd raakt met de jobinhoud, de arbeidsomstandigheden en het arbeidsritme.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 19, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 84/1. [1 De VDAB of de partnerorganisatie dient de opleidingsstages te integreren in een opleiding. De opleidingsstage draagt ertoe bij dat de cursist minstens de competenties verwerft die in het opleidingstraject beoogd worden. De leeractiviteiten worden aangepast aan de mate van competentiebeheersing en zelfsturing van de cursist.
   De VDAB of de partnerorganisatie ziet erop toe dat op de werkvloer, in samenspraak met de aanbieder van de opleidingsstageplaats, een mentor aangesteld wordt die de cursist bij zijn toegewezen taken begeleidt, die toeziet op de vorderingen van de cursist en die de vorderingen evalueert.
   Een onderneming, een vereniging zonder winstoogmerk of een administratieve overheid komt in aanmerking als aanbieder van een opleidingsstageplaats.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 20, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 84/2. [1 De VDAB of de partnerorganisatie bepaalt de duur van de opleidingsstages. De totale duur bedraagt ten hoogste zes maanden. In uitzonderlijke gevallen kan de stage langer dan zes maanden duren als het inoefenen van de geleerde competenties gerechtvaardigd is door de moeilijkheidsgraad of specifieke locatie. Die rechtvaardiging wordt schriftelijk vastgelegd en door de VDAB of de partner als bijlage bij de opleidingsstageovereenkomst gevoegd. De totale duur van de opleidingsstages bedraagt maximaal de helft van de totale opleidingsduur.
   De VDAB of de partnerorganisatie beslist over de verlenging of voortijdige beëindiging van de opleidingsstageovereenkomst. Als de VDAB of de partnerorganisatie de beslissing tot voortijdige beëindiging van de opleidingsstageovereenkomst neemt, is de VDAB of de partnerorganisatie geen enkele vergoeding verschuldigd aan de cursist of aan de aanbieder van de opleidingsstageplaats.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 20, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 84/3. [1 Tussen de VDAB of de partnerorganisatie, de aanbieder van de opleidingsstageplaats en de cursist wordt een opleidingsstageovereenkomst gesloten, waarvan de raad van bestuur van de VDAB het model bepaalt. Die opleidingsstageovereenkomst wordt uiterlijk op de eerste dag van de opleidingsstage op de werkvloer gesloten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 20, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 84/4. [1 Art. 84/4. De opleidingsstageovereenkomst vermeldt:
   1° de identiteit van de partijen;
   2° de aanvangsdatum van de opleidingsstage en de duur ervan;
   3° de omschrijving, de inhoud en de doelstelling van de opleidingsstage;
   4° de rechten en plichten van de partijen, vermeld in het decreet van 30 april 2004 houdende het Handvest van de Werkzoekende en de wetgeving op de arbeidsbescherming.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 20, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 84/5. [1 Als het voor de cursist niet mogelijk is de opleidingsstage te volgen wegens ziekte of ongeval, wordt de uitvoering van de overeenkomst geschorst. De cursist is ertoe gehouden zijn ongeschiktheid te rechtvaardigen met een geneeskundig getuigschrift. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 84/6. [1 De VDAB of de partnerorganisatie kan in de volgende gevallen de overeenkomst beëindigen zonder opzegging:
   1° de cursist heeft valse stukken voorgelegd bij zijn toelating tot de opleidingsstage of hij schiet ernstig tekort in zijn verplichtingen betreffende de goede orde of tucht, in zijn contractuele verplichtingen of in de uitvoering van de opdrachten die hem in het kader van de opleidingsstage zijn opgelegd;
   2° de schorsing, vermeld in artikel 84/5, heeft een dusdanige duur bereikt dat de re-integratie van de cursist in de opleiding niet zonder moeilijkheden kan verlopen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 84/7. [1 De cursist heeft, na afloop van de opleiding, recht op een attest van de verworven competenties, met vermelding van het leertraject en de leerinhouden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 20, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 84/8. [1 Artikel 6, 11, 12 en 79 zijn van toepassing op de opleidingsstage. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 20, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 85.Om de doeltreffendheid van de beroepsopleiding van de cursist te verhogen, kan de VDAB, in samenwerking met een onderneming, een vereniging zonder winstoogmerk of een administratieve overheid praktische werken organiseren [1 ...]1 op voorwaarde dat die werken verenigbaar zijn met het doel van de opleiding.
  De volgende voorwaarden moeten in acht worden genomen bij de uitvoering van de werken :
  1° de handelswaarde van het uit te voeren werk mag niet meer bedragen dan 8925 euro. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100). Het bedrag wordt verhoogd of verminderd overeenkomstig artikel 4 van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarbij rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld;
  2° de grondstoffen en materialen zijn voor rekening van de aanvrager van het praktische werk;
  3° de verplaatsingskosten van de cursisten en de instructeur zijn voor rekening van de aanvrager van het praktische werk;
  4° aan ondernemingen en verenigingen zonder winstoogmerk rekent de VDAB voor de uitvoering van het praktische werk een prijs aan per uur en per cursist. De raad van bestuur bepaalt het bedrag;
  5° voor administratieve overheden en voor verenigingen zonder winstoogmerk met een humanitair en welzijnskarakter is de uitvoering van het praktische werk gratis. De raad van bestuur bepaalt de lijst van de verenigingen zonder winstoogmerk met een humanitair en welzijnskarakter;
  6° eventuele fouten of onvolkomenheden aan het werk zijn voor rekening van de aanvrager van het praktische werk.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Art. 86. Om de beroepsopleiding af te stemmen op de vereisten van de nationale of de internationale arbeidsmarkt, kan de VDAB samenwerkingsovereenkomsten sluiten met instellingen, organisaties of verenigingen van andere gemeenschappen, gewesten of staten.

  Afdeling IV. - Opleiding in een onderwijsinstelling

  Art. 87.Rekening houdend met de arbeidsmarktvereisten en arbeidsmarktbehoeften bepaalt de raad van bestuur [1 welke opleidingen en onder welke voorwaarden een niet-werkende werkzoekende en een verplicht ingeschreven werkzoekende kunnen volgen]1 met een VDAB-overeenkomst in een door de openbare besturen opgerichte, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 19, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 88.[1 De VDAB beslist of een niet-werkende werkzoekende en een verplicht ingeschreven werkzoekende een opleiding in een onderwijsinstelling kunnen volgen met een VDAB-overeenkomst.]1
  Die beslissing wordt genomen op basis van de geschiktheid en het competentieprofiel van de kandidaten.
  [3 ...]3
  [4 Bij een negatieve beslissing kan de niet-werkende werkzoekende en de verplicht ingeschreven werkzoekende klacht indienen via de klachtenprocedure van de VDAB of via de Vlaamse Ombudsdienst]4.
  De VDAB beslist ook over de verlenging of de voortijdige beëindiging van de opleiding.
  ----------
  (1)<BVR 2015-12-18/78, art. 20, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<BVR 2016-11-25/20, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (3)<BVR 2016-12-23/40, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (4)<BVR 2018-07-06/18, art. 21, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 89. Bij het einde van de opleiding heeft de cursist recht op een diploma, getuigschrift of certificaat. De cursist die de opleiding niet beëindigt, heeft recht op een deelcertificaat van de onderwijsinstelling, met de vermelding van de verworven competenties, het leertraject en de leerinhouden.

  HOOFDSTUK III. - De individuele beroepsopleiding

  Afdeling I. - Algemeen stelsel

  Art. 90. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder individuele beroepsopleiding : de beroepsopleiding, vermeld in artikel 61, 1°, als ze wordt verstrekt in een onderneming, een vereniging zonder winstoogmerk of bij een administratieve overheid.

  Art. 91.De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 beslist of een werkzoekende een individuele beroepsopleiding kan volgen.
  Die beslissing wordt genomen op basis van [2 het verschil tussen de functievereisten]2 en het competentieprofiel van de kandidaat.
  [2 De cursist mag niet eerder in de onderneming, de vereniging zonder winstoogmerk of de administratieve overheid gewerkt hebben in dezelfde functie, met uitzondering van maximaal vier weken uitzendarbeid voor de start van de individuele beroepsopleiding]2.
  De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 beslist ook over de verlenging of voortijdige beëindiging van de individuele beroepsopleiding. Als de VDAB de beslissing tot voortijdige beëindiging van de individuele beroepsopleiding neemt, is hij geen enkele vergoeding verschuldigd aan de cursist, de onderneming, de vereniging zonder winstoogmerk of de administratieve overheid.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 14, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 22, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 92.§ 1. De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 bepaalt de opleidingsduur van de individuele beroepsopleiding. De opleidingsduur bedraagt ten minste vier weken en ten hoogste 26 weken.
  [2 ...]2
  § 2.[2 ...]2
  § 3. [1 ...]1
  [2 ...]2.
  ----------
  (1)<BVR 2016-11-25/20, art. 15, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 23, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 93.[1 1. De cursist die een individuele beroepsopleiding volgt, krijgt van de VDAB een IBO-premie. Die premie is afgestemd op het bedrag van het vervangingsinkomen van de cursist.
   De IBO-premie bedraagt:
   1° 20 % van het GGMMI bij een vervangingsinkomen van minstens 38,5 euro per dag;
   2° 40 % van het GGMMI bij een vervangingsinkomen van minstens 25,66 euro per dag en maximaal 38,49 euro per dag;
   3° 60 % van het GGMMI bij een vervangingsinkomen van maximaal 25,65 euro per dag;
   4° 80 % van het GGMMI als de cursist geen inkomen heeft.
   De bedragen van het vervangingsinkomen, vermeld in het tweede lid, worden aangepast aan de spilindex.
   § 2. Bij een deeltijdse IBO wordt de IBO-premie berekend volgens de tewerkstellingsbreuk.
   § 3. De cursist die een IBO volgt, heeft recht op de vergoedingen, vermeld in artikel 6, § 2, als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.
   § 4. De VDAB betaalt maandelijks de IBO-premie aan de cursist. De VDAB geeft de cursist een overzicht van de premie en de vergoedingen die aan hem zijn uitbetaald.
   § 5. De onderneming, de vereniging zonder winstoogmerk of de administratieve overheid waar de cursist de individuele beroepsopleiding volgt, is aan de VDAB maandelijks een kostprijs verschuldigd. Deze bedraagt:
   1° 650 euro als de loonschaal minder dan 1 700 euro bedraagt;
   2° 800 euro als de loonschaal tussen de 1 700 en 2 000 euro bedraagt;
   3° 1 000 euro als de loonschaal tussen de 2 000 en 2 300 euro bedraagt;
   4° 1 200 euro als de loonschaal tussen de 2 300 en 2 600 euro bedraagt;
   5° 1 400 euro als de loonschaal meer dan 2 600 euro bedraagt.
   § 6. Bij een deeltijdse IBO wordt de kostprijs berekend volgens de tewerkstellingsbreuk.
   § 7. De bedragen van de loonschalen, vermeld in paragraaf 5, worden aangepast aan de spilindex]1.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 24, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 94.De werkgever verbindt er zich toe met de cursist die in zijn onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid een individuele beroepsopleiding heeft gevolgd, onmiddellijk na het einde van de opleiding een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur te sluiten.
  Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen over het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten om een dringende reden mag de werkgever aan de arbeidsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, op zijn vroegst een einde maken na verloop van de tijd die overeenstemt met de duur van de opleiding.
  De werkgever verbindt er zich toe de cursist die de opleiding in de onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid beëindigd heeft, tewerk te stellen in de onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid onder de voorwaarden die voor dat beroep gelden en minstens tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke golden gedurende de periode dat de cursist de opleiding volgde.
  [1 [2 In afwijking van het eerste lid, kan de werkgever met de cursist die in zijn onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid een individuele beroepsopleiding heeft gevolgd, onmiddellijk na het einde van de opleiding een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur sluiten, op voorwaarde dat hij aan de VDAB [3 of de partnerorganisatie]3 aantoont dat die keuze overeenstemt met het gangbare aanwervingsbeleid. De arbeidsovereenkomst wordt gesloten voor minstens dezelfde duur als de duur van de opleiding.]2
   [2 ...]2 ]1
  De werkgever verbindt er zich toe de cursist een attest met de vermelding van de verworven competenties te geven bij het einde van de opleiding.
  ----------
  (1)<BVR 2010-07-09/23, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 11-08-2010>
  (2)<BVR 2013-09-06/13, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-10-2013>
  (3)<BVR 2018-07-06/18, art. 25, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 95.De werkgever verzekert de cursist die in zijn onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid een individuele beroepsopleiding volgt, tegen ongevallen tijdens de opleiding en op de weg van en naar de opleidingsplaats. De verzekering verleent dezelfde waarborgen als de waarborgen, vermeld in de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen en de uitvoeringsbesluiten ervan. Bij een ongeval wordt de vergoeding berekend op basis van het loon waarop een meerderjarige werknemer in loondienst die tewerkgesteld is in het aan te leren beroep, recht heeft.
  De cursist die in het kader van zijn individuele beroepsopleiding schade berokkent aan de werkgever of aan derden, is alleen aansprakelijk in geval van bedrog, een zware fout of een herhaalde lichte fout.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 26, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 96.De VDAB kan beslissen om aan de onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid die haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, of die een cursist die bij haar een individuele beroepsopleiding heeft gevolgd, ontslaat zonder dringende reden, gedurende drie jaar geen individuele beroepsopleiding toe te kennen. Die periode van drie jaar gaat in op de datum [1 van de kennisgeving van de beslissing]1.
  Tegen die [1 beslissing]1 van de VDAB, vermeld in het eerste lid, kan de onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid beroep aantekenen bij de raad van bestuur binnen dertig dagen na de schriftelijke kennisgeving van de beslissing.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 27, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 97.Voor de uitvoering van de individuele beroepsopleiding wordt tussen de VDAB, [1 of de partnerorganisatie]1 de cursist en de onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid een overeenkomst gesloten, waarvan het model door de raad van bestuur [1 van de VDAB]1 wordt bepaald.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 28, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 98.
  <Opgeheven bij BVR 2016-11-25/20, art. 16, 011; Inwerkingtreding : 01-09-2016>

  Afdeling I/1. [1 - Afdeling 1/1. IBO voor kwetsbare werkzoekenden (K-IBO)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2012-01-27/11, art. 29, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 98/1.[1 n deze afdeling wordt verstaan onder K-IBO: de individuele beroepsopleiding, vermeld in artikel 90, die verstrekt wordt aan:
   1° de niet-werkende werkzoekende met een indicatie van arbeidshandicap;
   2° de niet-werkende werkzoekende die jonger dan 25 jaar is en die ten minste gedurende twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de start van de K-IBO bij de VDAB als zodanig is ingeschreven;
   3° de niet-werkende werkzoekende die ouder dan 25 jaar is en die ten minste gedurende 24 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de start van de K-IBO bij de VDAB als zodanig is ingeschreven;
   4° personen ten laste van het RIZIV die actieve stappen naar tewerkstelling zetten.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 29, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 98/2.[1 De VDAB of de partnerorganisatie bepaalt de opleidingsduur van de K-IBO. De opleidingsduur bedraagt ten minste een maand en ten hoogste een jaar ]1.
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 29, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 98/3.[1 § 1. De cursist die een K-IBO volgt, krijgt van de VDAB een K-IBO-premie. Die premie is afgestemd op het bedrag van het vervangingsinkomen van de cursist.
   De IBO-premie bedraagt:
   1° 20 % van het GGMMI bij een vervangingsinkomen van minstens 38,5 euro per dag;
   2° 40 % van het GGMMI bij een vervangingsinkomen van minstens 25,66 euro per dag en maximaal 38,49 euro per dag;
   3° 60 % van het GGMMI bij een vervangingsinkomen van maximaal 25,65 euro per dag;
   4° 80 % van het GGMMI als de cursist geen inkomen heeft.
   De bedragen van het vervangingsinkomen, vermeld in het tweede lid, worden aangepast aan de spilindex.
   § 2. Bij een deeltijdse K-IBO wordt de K-IBO-premie berekend volgens de tewerkstellingsbreuk.
   § 3. De cursist die een K-IBO volgt, heeft recht op de vergoedingen, vermeld in artikel 6, § 2, als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.
   § 4. De VDAB betaalt maandelijks de K-IBO-premie aan de cursist. De VDAB geeft de cursist een overzicht van de premie en de vergoedingen die aan hem zijn uitbetaald.
   § 5. De onderneming, de vereniging zonder winstoogmerk of de administratieve overheid waar een K-IBO georganiseerd wordt, is geen maandelijks bedrag verschuldigd]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 29, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 98/4.[1 Artikel 91 en artikel 94 tot en met 97 zijn van toepassing op de K-IBO]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-07-06/18, art. 29, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Afdeling II.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 29, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 99.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 100.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 101.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 102.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 102/1.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Afdeling III.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 103.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 104.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 105.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 106.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 107.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 108.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 109.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 110.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111.
  <Opgeheven bij BVR 2018-07-06/18, art. 30, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  HOOFDSTUK IV. [1 - De werkervaringsstage]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 111/0/1.[1 De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 kan de werkzoekende in het kader van de begeleiding naar werk een werkervaringsstage voorstellen bij een werkgever. De werkervaringsstage staat open voor elke werkzoekende als:
   1° de VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 oordeelt dat de werkervaringsstage passend is in zijn traject naar werk;
   2° de werkzoekende voldoende leerpotentieel heeft om de afstand tot het normale economische circuit te overbruggen;
   3° de werkzoekende een gebrek aan generieke competenties en werkervaring heeft.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 31, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/2.[1 De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 beslist of een werkzoekende een werkervaringsstage mag volgen.
   De VDAB beslist over de verlenging of de voortijdige beëindiging van de werkervaringsstage.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 32, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/3.[1 De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 bepaalt de duur van de werkervaringsstage. De werkervaringsstage bedraagt ten minste twintig uur per week. De duur van de werkervaringsstage bedraagt maximaal zes maanden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 33, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/4.[1 De werkervaringsstage wordt aangevat met een opleidingsplan. Dat opleidingsplan omvat de aan te leren competenties en de wijze waarop die competenties aangeleerd zullen worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 34, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 111/0/5.[1 Tijdens de duur van de werkervaringsstage wordt de werkzoekende regelmatig opgevolgd door VDAB [2 of de partnerorganisatie]2. De werkgever bij wie de stage wordt aangevat, staat in voor de ondersteuning van de werkzoekende op de werkvloer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 34, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/6. [1 De niet-werkende werkzoekende of de verplicht ingeschreven werkzoekende die een werkervaringsstage volgt, heeft recht op de vergoedingen, vermeld in artikel 6, § 2, als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het voormelde artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 111/0/7. [1 De werkzoekende die een werkervaringsstage volgt, heeft recht op een maandelijkse vergoeding van 200 euro die betaald wordt door de VDAB. De vergoeding wordt naar verhouding verminderd voor maanden waarin de stagiair geen volledige prestaties heeft geleverd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 111/0/8. [1 Tijdens de werkervaringsstage is de stagiair verzekerd voor ongevallen als vermeld in artikel 11. De werkzoekende die in het kader van de werkervaringsstage schade berokkent aan de VDAB of aan derden, wordt alleen aansprakelijk gesteld in de gevallen, vermeld in artikel 12.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 111/0/9.[1 Voor de uitvoering van de werkervaringsstage wordt tussen de VDAB, [2 of de partnerorganisatie]2 de stagiair en de werkgever een overeenkomst gesloten, waarvan het model door de raad van bestuur van de VDAB wordt bepaald.
   De overeenkomst vermeldt ten minste:
   1° de identiteit van de partijen;
   2° de aanvangsdatum van de werkervaringsstage en de duur ervan;
   3 de omschrijving van de activiteiten die in het kader van de werkervaringsstage plaatsvinden op de werkvloer;
   4° de rechten en plichten van de partijen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 35, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/10. [1 De werkervaringsstage wordt geschorst gedurende de periodes van ziekte en moederschapsverlof, ongeval of overmacht voor de duur van die periode.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Art. 111/0/11.[1 De werkervaringsstage wordt stopgezet:
   1° als de periode van schorsing, vermeld in artikel 111/0/10, een zodanige duur heeft bereikt dat de re-integratie van de werkzoekende niet zonder moeilijkheden kan verlopen;
   2° als de stagiair of de werkgever zijn contractuele verplichtingen niet langer nakomt en de VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 vaststelt dat de verdere uitvoering van de werkervaringsstage onmogelijk is geworden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 36, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/12. [1 Indien de werkervaringsstage deel uitmaakt van een traject tijdelijke werkervaring, kan de trajectbegeleider, vermeld in artikel 1, 1° van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de tijdelijke werkervaring van 23/12/2016, de werkervaringsstage inzetten met toepassing van artikel 17 van hetzelfde besluit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/53, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  HOOFDSTUK V. [1 - De activeringsstage]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-03-10/13, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  

  Art. 111/0/13. [1 De activeringsstage maakt integraal deel uit van een intensief en specifiek begeleidingstraject met het oog op psycho-medisch-sociale remediëring. De VDAB kan aan werkzoekenden die geactiveerd worden via een intensief en specifiek begeleidingstraject, een activeringsstage voorstellen bij een werkgever.
   Een activeringsstage staat open voor werkzoekenden bij wie een medisch, mentaal, psychisch, psychiatrisch of sociaal probleem, of een combinatie van die problemen, de inschakeling op de arbeidsmarkt verhindert.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-03-10/13, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  

  Art. 111/0/14.[1 De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 bepaalt de duur van de activeringsstage naargelang de afstand tot de arbeidsmarkt. De activeringsstage heeft een maximale doorlooptijd van zes maanden. Het aantal uren op de werkvloer wordt gradueel opgebouwd naargelang de capaciteiten van de stagiair.
   De VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 beslist of de werkzoekende een activeringsstage kan volgen. De VDAB beslist ook over de voortijdige beëindiging van de activeringsstage. Een activeringsstage kan niet verlengd worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-03-10/13, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 37, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/15.[1 De activeringsstage kan onmiddellijk worden stopgezet door de begeleider:
   1° als de stagiair werk vindt;
   2° als de stagiair of de werkgever hun contractuele verplichtingen niet langer nakomen en de VDAB [2 of de partnerorganisatie]2 vaststelt dat de verdere uitvoering van de activeringsstage onmogelijk is geworden;
   3° als het doel, vermeld in artikel 1, 28°, bereikt is;
   4° als de VDAB vaststelt dat het doel, vermeld in artikel 1, 28°, niet haalbaar is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-03-10/13, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 38, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/16.[1 Een beschrijving van de acties om de beginsituatie in kaart te brengen, wordt bij de aanvang van de activeringsstage bepaald en door de VDAB [2 of de partnerorganisatie]2goedgekeurd. Op het einde van de activeringsstage wordt een opleidings- of trajectplan opgemaakt, tenzij blijkt dat de stagiair niet toeleidbaar is naar de arbeidsmarkt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-03-10/13, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 39, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/17.[1 Tijdens de duur van de activeringsstage wordt de werkzoekende regelmatig opgevolgd door de VDAB [2 of de partnerorganisatie]2. De werkgever waarbij de stage wordt aangevat staat in voor de ondersteuning van de werkzoekende op de werkvloer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-03-10/13, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 40, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  Art. 111/0/18. [1 De werkzoekende die een activeringsstage volgt, heeft recht op de vergoedingen, vermeld in artikel 6, § 2, als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het voormelde artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-03-10/13, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  

  Art. 111/0/19. [1 Tijdens de activeringsstage wordt de stagiair verzekerd voor ongevallen als vermeld in artikel 11. Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-03-10/13, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  

  Art. 111/0/20.[1 Voor de uitvoering van de activeringsstage wordt tussen de VDAB, [2 of de partnerorganisatie]2 de stagiair en de werkgever een overeenkomst gesloten, waarvan de raad van bestuur van de VDAB het model bepaalt.
   De overeenkomst bevat ten minste de volgende elementen:
   1° de identiteit van de partijen;
   2° de aanvangsdatum van de activeringsstage en de vermoedelijke duur ervan;
   3° de omschrijving van de activiteiten die in het kader van de activeringsstage plaatsvinden op de werkvloer;
   4° de rechten en de plichten van de partijen, onder andere:
   a) de vergoedingen en premies;
   b) de begeleiding en evaluatie;
   c) het naleven van voorschriften inzake veiligheid en A.R.A.B.;
   d) het respecteren van de privacy]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-03-10/13, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 11-04-2017>
  (2)<BVR 2018-07-06/18, art. 41, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>

  HOOFDSTUK VI. [1 Hoofdstuk VI. De beroepsinlevingsstage ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 111/0/21.[1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
   1° de opleidingen met een werkplekcomponent waarbij beroepsinlevingsstages conform het decreet of de regelgeving in kwestie impliciet of expliciet uitgesloten zijn;
   2° de arbeidsprestaties uitgevoerd door een leerling of student bij een werkgever in het kader van een opleiding die hij volgt in een door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest ingerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of opleidingscentrum;
   3° de stages georganiseerd binnen het kader van een cursus die leidt tot het afleveren van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid;
   4° de opleidingsactiviteiten die plaatsvinden in het kader van een arbeidsovereenkomst als vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
   5° de bepalingen ingesteld door of krachtens decreten, ordonnanties of collectieve arbeidsovereenkomsten die bij een paritair orgaan gesloten zijn conform de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
   6° de stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van een vrij beroep of een intellectueel dienstverlenend beroep en die tijdens hun stage onderworpen zijn aan de deontologie van een orde die of een instituut dat opgericht is door wettelijke of reglementaire bepalingen;
   7° de tewerkstelling van studenten conform artikel 120 tot en met 130ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomste. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 111/0/22. [1 Voor een verplicht ingeschreven werkzoekende gelden al de volgende voorwaarden:
   1° de VDAB of de partnerorganisaties van de VDAB oordelen dat de beroepsinlevingsstage in het traject naar werk past;
   2° de werkzoekende heeft geen behoefte aan begeleiding van de VDAB of de partnerorganisaties van de VDAB tijdens zijn beroepsinlevingsstage. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 111/0/23. [1 De beroepsinlevingsstage kan uitgevoerd worden bij een werkgever die op een van de volgende locaties gevestigd is:
   1° een vestigingsplaats in het Vlaamse Gewest;
   2° een vestigingsplaats in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, op voorwaarde dat de VDAB er een Nederlandstalig opleidingsplan heeft goedgekeurd.
   De werkgever bij wie de werkzoekende de stage aanvat, staat in voor de begeleiding van de werkzoekende op de werkvloer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 111/0/24. [1 Het opleidingsplan dat tussen de partijen overeengekomen is, wordt voorafgaand aan de uitvoering van de beroepsinlevingsstage goedgekeurd door de VDAB.
   Het opleidingsplan omvat:
   1° de aan te leren competenties;
   2° de wijze waarop die competenties aangeleerd worden;
   3° een motivering voor de termijn van de beroepsinlevingsstage, die tussen de partijen overeengekomen is;
   4° de identiteit van de partijen;
   5° het adres waarop de stagiair gedomicilieerd is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 111/0/25. [1 Voor de uitvoering van de beroepsinlevingsstage wordt tussen de werkgever en de stagiair een overeenkomst gesloten, uiterlijk op het tijdstip waarop de stagiair de uitvoering van zijn beroepsinlevingsstage aanvangt. Die overeenkomst wordt schriftelijk vastgesteld en bevat de volgende vermeldingen:
   1° de voornamen, de achternaam en de hoofdverblijfplaats van de stagiair;
   2° wat de werkgever betreft: de voornamen, de achternaam en de hoofdverblijfplaats van de werkgever of de naam en de vestigingsplaats van de onderneming;
   3° de plaats van de uitvoering van de beroepsinlevingsstage;
   4° de omschrijving van de activiteiten die in het kader van de beroepsinlevingsstage plaatsvinden op de werkvloer;
   5° de aanvangsdatum en de duur van de beroepsinlevingsstage;
   6° de dagelijkse en wekelijkse duur van de aanwezigheid in de onderneming;
   7° de vergoeding;
   8° de manier waarop een einde kan worden gemaakt aan de beroepsinlevingsstage;
   9° het opleidingsplan dat tussen de partijen overeengekomen is en dat de VDAB goedgekeurd heeft;
   10° de rechten en plichten van de partijen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 111/0/26.[1 Voor iedere beroepsinlevingsstage betaalt de werkgever een vergoeding die minimaal de helft van het GGMMI bedraagt. Die vergoeding wordt toegepast in verhouding tot de tewerkstellingsbreuk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 111/0/27.[1 De beroepsinlevingsstage duurt maximaal zes maanden. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 111/0/28.[1 De werkgever verzekert de stagiair die in zijn onderneming, vereniging zonder winstoogmerk of administratieve overheid een beroepsinlevingsstage volgt, tegen ongevallen tijdens de opleiding en op de weg van en naar de opleidingsplaats. De verzekering verleent dezelfde waarborgen als de waarborgen, vermeld in de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen en de uitvoeringsbesluiten ervan. Bij een ongeval wordt de vergoeding berekend op basis van het loon waarop een meerderjarige werknemer in loondienst die tewerkgesteld is in het aan te leren beroep, recht heeft.
  De werkgever verzekert de stagiair die in het kader van zijn beroepsinlevingsstage schade berokkent aan de werkgever of aan derden]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  Art. 111/0/29. [1 Elke partij kan het beroepsinlevingscontract eenzijdig beëindigen met een opzeggingstermijn van drie dagen, zonder dat er een schadevergoeding verschuldigd is.
   De stagiair kan het beroepsinlevingscontract met een opzeggingstermijn van één dag beëindigen, zonder dat hij een schadevergoeding verschuldigd is, wanneer als de stagiair een arbeidsovereenkomst heeft gesloten als vermeld in artikel 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   De partijen kunnen in onderling overleg het beroepsinlevingscontract beëindigen zonder termijn of schadevergoeding.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-07-06/18, art. 42, 016; Inwerkingtreding : 01-09-2018>
  

  TITEL III/1. [1 - Activering en beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  HOOFDSTUK I. [1 - Activering en opvolging zoekgedrag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling 1. [1 - Algemene bepalingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/1. [1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
   1° actie: het ingaan op een voorstel tot gesprek, bemiddeling, werkaanbieding, werkervaring, inschakeling, opleiding of begeleiding;
   2° afspraken: de verbintenissen die zijn opgenomen in het afsprakenblad en in het ultieme afsprakenblad;
   3° schriftelijk: via brief of elektronisch;
   4° verblijfplaats: het laatst aan de VDAB doorgegeven adres als dat binnen het Vlaamse Gewest ligt of, bij gebrek daaraan, de verblijfplaats, vermeld in artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
   5° passende dienstbetrekking: de dienstbetrekking, vermeld in hoofdstuk V, afdeling 2 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering;
   6° passend aanbod: een aanbod tot begeleiding, bemiddeling, opleiding of werk dat aansluit bij de noden en competenties van de verplicht ingeschreven werkzoekende;
   7° opvolgingsgesprek: het gesprek tussen de bemiddelaar en de verplicht ingeschreven werkzoekende dat de opvolging van het werkzoekgedrag van de verplicht ingeschreven werkzoekende opent of voortzet.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/2. [1 Om termijnen te berekenen met toepassing van dit hoofdstuk, worden als dagen alle kalenderdagen meegeteld. Als een termijn eindigt op een zaterdag, zondag, of feestdag als vermeld in artikel X 11 van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006, wordt als laatste dag van de termijn de eerstvolgende werkdag bedoeld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/3. [1 De bemiddelaar volgt het werkzoekgedrag op van de verplicht ingeschreven werkzoekende.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/4. [1 Bij de inschrijving als werkzoekende wordt de verplicht ingeschreven werkzoekende op de hoogte gebracht:
   1° dat hij zich moet integreren op de arbeidsmarkt, enerzijds door actief een betrekking te zoeken tijdens zijn werkloosheid, en anderzijds door mee te werken aan de acties en afspraken die hem door de VDAB worden voorgesteld;
   2° dat hij kan worden uitgenodigd voor een opvolgingsgesprek, waarop hij verplicht aanwezig moet zijn;
   3° van de mogelijke gevolgen van de beoordeling van zijn werkzoekgedrag;
   4° van zijn rechten en plichten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/5. [1 De verplicht ingeschreven werkzoekende wordt door de VDAB uitgenodigd om na te gaan welke zijn mogelijkheden zijn om een of meer acties uit te voeren. Zijn aanwezigheid op dat gesprek is verplicht. De verplicht ingeschreven werkzoekende moet de acties uitvoeren die in onderling overleg zijn overeengekomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling 2. [1 - Opvolging van het werkzoekgedrag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/6. [1 § 1. De verplicht ingeschreven werkzoekende wordt door de VDAB uitgenodigd voor een opvolgingsgesprek om na te gaan of hij zich voldoende heeft geïntegreerd op de arbeidsmarkt, enerzijds door elke overeengekomen actie en afspraak uit te voeren, anderzijds door voldoende inspanningen te leveren om actief een betrekking te zoeken.
   Het opvolgingsgesprek vindt op zijn vroegst plaats de zevende dag na de verzending, tenzij anders overeengekomen. De verplicht ingeschreven werkzoekende moet aanwezig zijn op elk opvolgingsgesprek.
   § 2. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet aanwezig is op het opvolgingsgesprek en hij een geldige reden heeft, wordt hem een tweede uitnodiging gestuurd.
   Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet ingaat op de tweede uitnodiging voor het opvolgingsgesprek, vermeld in het eerste lid, ongeacht of hij al dan niet een geldige reden heeft, wordt hem aangetekend een derde uitnodiging gestuurd.
   Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet ingaat op de derde uitnodiging, vermeld in het tweede lid, ongeacht of hij al dan niet een geldige reden heeft, wordt zijn dossier bezorgd aan de controledienst.
   § 3. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet aanwezig is op het opvolgingsgesprek en hij geen geldige reden heeft, wordt hem aangetekend een tweede uitnodiging gestuurd.
   Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet ingaat op de tweede uitnodiging, vermeld in het eerste lid, en hij een geldige reden heeft, wordt hem aangetekend een derde uitnodiging gestuurd.
   Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet ingaat op de derde uitnodiging, vermeld in het tweede lid, ongeacht of hij al dan niet een geldige reden heeft, wordt zijn dossier bezorgd aan de controledienst.
   § 4. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet aanwezig is op het opvolgingsgesprek en hij geen geldige reden heeft, wordt hem aangetekend een tweede uitnodiging gestuurd.
   Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet ingaat op de tweede uitnodiging, vermeld in het eerste lid, en hij geen geldige reden heeft, wordt zijn dossier bezorgd aan de controledienst.
   § 5. Een opvolgingsgesprek kan ook plaatsvinden op verzoek van de verplicht ingeschreven werkzoekende, binnen een redelijke termijn na het vorige opvolgingsgesprek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/7. [1 § 1. Tijdens het opvolgingsgesprek beoordeelt de bemiddelaar het werkzoekgedrag van de verplicht ingeschreven werkzoekende op basis van:
   1° de volgende inlichtingen waarover de VDAB al beschikt en die tijdens het gesprek aan de verplicht ingeschreven werkzoekende worden meegedeeld:
   a) de overeengekomen acties en afspraken;
   b) de sollicitatiefeedback van de werkgever en de verplicht ingeschreven werkzoekende;
   c) de informatie afkomstig van de RVA en de partnerorganisaties van de VDAB;
   d) de gegevens over de loopbaan van de werkzoekende. Die inlichtingen worden tijdens het gesprek aan de verplicht ingeschreven werkzoekende meegedeeld;
   2° de inlichtingen over de inspanningen die de verplicht ingeschreven werkzoekende heeft geleverd om zich te integreren op de arbeidsmarkt, en die door de verplicht ingeschreven werkzoekende zelf zijn meegedeeld.
   In geval van twijfel over de juistheid van de inlichtingen die de verplicht ingeschreven werkzoekende meedeelt, kan de VDAB de verklaringen en documenten die de verplicht ingeschreven werkzoekende voorlegt, verifiëren.
   § 2. Bij de beoordeling van de inspanningen die de verplicht ingeschreven werkzoekende heeft geleverd, houdt de bemiddelaar rekening met:
   1° zijn competenties;
   2° zijn leeftijd;
   3° zijn opleidingsniveau;
   4° zijn verplaatsingsmogelijkheden;
   5° zijn fysieke en mentale capaciteiten;
   6° de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de verplicht ingeschreven werkzoekende zijn verblijfplaats heeft. Onder subregio wordt het gebied verstaan waarin inwoners van dezelfde gemeente als de verplicht ingeschreven werkzoekende en van de aangrenzende gemeenten zich verplaatsen om te gaan werken;
   7° zijn sociale en familiale situatie
   8° andere relevante gegevens.
   § 3. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende van oordeel is dat hij fysiek of mentaal niet of niet meer geschikt is om een bepaald beroep uit te oefenen of bepaalde acties te verrichten, kan de VDAB een medisch onderzoek laten uitvoeren. De verplicht ingeschreven werkzoekende mag zich laten bijstaan door zijn behandelende arts. De arts die aangewezen is door de VDAB, geeft een advies over de beroepen die de verplicht ingeschreven werkzoekende nog kan uitoefenen of over de acties die hij nog kan verrichten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/8. [1 Als de bemiddelaar tijdens het opvolgingsgesprek, vermeld in artikel 111/6, vaststelt dat de verplicht ingeschreven werkzoekende voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren op de arbeidsmarkt, brengt hij de verplicht ingeschreven werkzoekende op de hoogte van die beoordeling uiterlijk veertien dagen na het gesprek. De verplicht ingeschreven werkzoekende wordt er ook van op de hoogte gebracht dat hij zijn inspanningen om zich te integreren op de arbeidsmarkt moet voortzetten en dat later een nieuw opvolgingsgesprek volgt. De bemiddelaar bepaalt de frequentie van de opvolgingsgesprekken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/9. [1 Als de bemiddelaar tijdens het opvolgingsgesprek, vermeld in artikel 111/6, vaststelt dat de verplicht ingeschreven werkzoekende onvoldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren op de arbeidsmarkt, dan maken de bemiddelaar en de verplicht ingeschreven werkzoekende tijdens het opvolgingsgesprek in onderling overleg een afsprakenblad op, rekening houdend met de persoonlijke situatie en competenties van de verplicht ingeschreven werkzoekende en de criteria van de passende dienstbetrekking.
   Het afsprakenblad wordt opgesteld in twee exemplaren, gedateerd en ondertekend door de bemiddelaar en de verplicht ingeschreven werkzoekende. Een exemplaar wordt aan de verplicht ingeschreven werkzoekende overhandigd. Door de ondertekening verbindt de verplicht ingeschreven werkzoekende zich ertoe de afspraken uit te voeren tijdens de afgesproken periode. De bemiddelaar brengt de verplicht ingeschreven werkzoekende tevens op de hoogte van de beoordeling van zijn inspanningen om zich te integreren op de arbeidsmarkt uiterlijk veertien dagen na het gesprek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/10. [1 Op het tijdstip dat afgesproken is in het afsprakenblad, vermeld in artikel 111/9, vindt opnieuw een opvolgingsgesprek plaats. Tijdens dat opvolgingsgesprek beoordeelt de bemiddelaar de naleving door de verplicht ingeschreven werkzoekende van de afspraken die zijn opgenomen in het afsprakenblad en de inspanningen die hij heeft geleverd om zich te integreren op de arbeidsmarkt. De verplicht ingeschreven werkzoekende moet aanwezig zijn op het opvolgingsgesprek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/11. [1 § 1. Als de bemiddelaar vaststelt dat de verplicht ingeschreven werkzoekende de afspraken die hij in het afsprakenblad, vermeld in artikel 111/9, is aangegaan, heeft nageleefd en voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren op de arbeidsmarkt, brengt hij de verplicht ingeschreven werkzoekende op de hoogte van die beoordeling uiterlijk veertien dagen na het opvolgingsgesprek. De verplicht ingeschreven werkzoekende wordt er ook van op de hoogte gebracht dat hij zijn inspanningen om zich te integreren op de arbeidsmarkt moet voortzetten en dat hij voor een nieuw opvolgingsgesprek zal worden uitgenodigd.
   Tijdens hetzelfde opvolgingsgesprek maken de bemiddelaar en de verplicht ingeschreven werkzoekende in onderling overleg een nieuw afsprakenblad op, rekening houdend met de persoonlijke situatie en competenties van de verplicht ingeschreven werkzoekende en met de criteria van de passende dienstbetrekking.
   § 2. Als het afsprakenblad, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, ter ondertekening wordt voorgelegd aan de verplicht ingeschreven werkzoekende in toepassing van artikel 111/9, ondertekenen hij en de bemiddelaar het afsprakenblad. De verplicht ingeschreven werkzoekende verbindt zich ertoe de afspraken uit te voeren die van hem verwacht worden tijdens de afgesproken periode. Het afsprakenblad wordt opgesteld in twee exemplaren, gedateerd, waarvan een exemplaar aan de verplicht ingeschreven werkzoekende wordt overhandigd.
   Ook als het afsprakenblad, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, niet ter ondertekening wordt voorgelegd aan de verplicht ingeschreven werkzoekende, in toepassing van artikel 111/6, verbindt hij zich ertoe de afspraken uit te voeren die van hem verwacht worden tijdens de afgesproken periode.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/12. [1 Als de bemiddelaar vaststelt dat de verplicht ingeschreven werkzoekende de afspraken die hij in het afsprakenblad, vermeld in artikel 111/9, is aangegaan, niet heeft nageleefd, en onvoldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren op de arbeidsmarkt, brengt hij de verplicht ingeschreven werkzoekende op de hoogte van die beoordeling tijdens het opvolgingsgesprek.
   Tijdens hetzelfde opvolgingsgesprek bepaalt de bemiddelaar de afspraken die worden opgenomen op een ultiem afsprakenblad, rekening houdend met de persoonlijke situatie en competenties van de verplicht ingeschreven werkzoekende en de criteria van de passende dienstbetrekking. De verplicht ingeschreven werkzoekende verbindt zich ertoe de afspraken uit te voeren tijdens de volgende maand.
   Het ultieme afsprakenblad wordt opgesteld in twee exemplaren, gedateerd en ondertekend door de bemiddelaar en de verplicht ingeschreven werkzoekende. Een exemplaar wordt aan de verplicht ingeschreven werkzoekende overhandigd. Door de ondertekening verbindt de verplicht ingeschreven werkzoekende zich tot de uitvoering van de afspraken tijdens de afgesproken periode. Dit ultieme afsprakenblad wordt beschouwd als een formele verwittiging in het kader van de controle op de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van de verplicht ingeschreven werkzoekende.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/13. [1 Op het tijdstip dat afgesproken is in het ultieme afsprakenblad, vermeld in artikel 111/12, vindt een nieuw opvolgingsgesprek plaats. Tijdens dat opvolgingsgesprek beoordeelt de bemiddelaar de naleving door de verplicht ingeschreven werkzoekende van de afspraken die zijn opgenomen in het ultieme afsprakenblad.
   Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet ingaat op de uitnodiging voor het opvolgingsgesprek, wordt zijn dossier bezorgd aan de controledienst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/14. [1 Als de bemiddelaar vaststelt dat de verplicht ingeschreven werkzoekende de afspraken die hij in het ultieme afsprakenblad is aangegaan, heeft nageleefd, brengt hij de verplicht ingeschreven werkzoekende op de hoogte van die positieve beoordeling uiterlijk veertien dagen na het opvolgingsgesprek.
   De verplicht ingeschreven werkzoekende wordt er ook van op de hoogte gebracht dat hij zijn inspanningen om zich te integreren op de arbeidsmarkt moet voortzetten en dat hij voor een nieuw opvolgingsgesprek zal worden uitgenodigd.
   Tijdens hetzelfde opvolgingsgesprek maken de bemiddelaar en de verplicht ingeschreven werkzoekende in onderling overleg een aangepast afsprakenblad op, rekening houdend met de persoonlijke situatie van de verplicht ingeschreven werkzoekende en de criteria van de passende dienstbetrekking.
   Als het afsprakenblad, vermeld in het derde lid, ter ondertekening aan de verplicht ingeschreven werkzoekende wordt voorgelegd, in toepassing van artikel 111/9, ondertekenen hij en de bemiddelaar het afsprakenblad. De verplicht ingeschreven werkzoekende verbindt zich ertoe de afspraken uit te voeren die van hem verwacht worden tijdens de afgesproken periode. Het afsprakenblad wordt opgesteld in twee gedateerde exemplaren, waarvan een exemplaar wordt overhandigd aan de verplicht ingeschreven werkzoekende.
   Ook als het afsprakenblad, vermeld in het derde lid, niet ter ondertekening wordt voorgelegd aan de verplicht ingeschreven werkzoekende, in toepassing van artikel 111/6, verbindt hij zich ertoe de afspraken uit te voeren die van hem verwacht worden tijdens de afgesproken periode.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/15. [1 Als de bemiddelaar vaststelt dat de verplicht ingeschreven werkzoekende de afspraken die hij in het ultieme afsprakenblad is aangegaan, niet heeft nageleefd, brengt hij de verplicht ingeschreven werkzoekende, uiterlijk veertien dagen na het opvolgingsgesprek, op de hoogte van die negatieve beoordeling en bezorgt hij zijn dossier aan de controledienst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/16.[1 Met behoud van de toepassing van artikel 111/6, 111/13 en 111/15 bezorgt de bemiddelaar een dossier aan de controledienst als:
   1° de verplicht ingeschreven werkzoekende weigert een trajectovereenkomst, afsprakenblad of ultiem afsprakenblad te ondertekenen als hem dat ter ondertekening wordt voorgelegd;
   2° de verplicht ingeschreven werkzoekende zich niet aanmeldt bij een werkgever en daarvoor geen geldige reden heeft, nadat hij daarvoor van de VDAB een opdracht heeft ontvangen;
   3° de verplicht ingeschreven werkzoekende weigert een passende dienstbetrekking of een passend aanbod te aanvaarden;
   4° door toedoen van de verplicht ingeschreven werkzoekende een begeleidingsplan, competentieversterking of opleidingscontract mislukt of wordt stopgezet.
  [2 Het dossier van de verplicht ingeschreven werkzoekende van wie de vrijstelling werd stopgezet met toepassing van artikel 111/40, wordt bezorgd aan de controledienst en geeft aanleiding tot toepassing van het eerste lid, 4°. ]2
   De verplicht ingeschreven werkzoekende die zich op een medische reden beroept om een passende dienstbetrekking of een passend aanbod te weigeren, kan onderworpen worden aan een medisch onderzoek als vermeld in artikel 111/7, § 3. Als de medische reden waarop de verplicht ingeschreven werkzoekende zich beroept om de passende dienstbetrekking of het passende aanbod te weigeren, niet voldoende wordt geacht, wordt zijn dossier bezorgd aan de controledienst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<BVR 2016-12-23/40, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 111/17. [1 Als de briefwisseling van de VDAB naar de verblijfplaats van de verplicht ingeschreven werkzoekende terugkeert naar de VDAB, en de VDAB alle redelijke pogingen heeft ondernomen om de verplicht ingeschreven werkzoekende te bereiken, wordt het dossier van de verplicht ingeschreven werkzoekende bezorgd aan de controledienst.
   Als de controledienst vaststelt dat de uitnodigingen voor het opvolgingsgesprek zijn verzonden naar de verblijfplaats van de verplicht ingeschreven werkzoekende, gaat die onmiddellijk over tot schorsing van het recht op een uitkering tot de verplicht ingeschreven werkzoekende zich opnieuw inschrijft bij de VDAB.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling 3. [1 - De controledienst en het verhoor]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/18. [1 Er wordt een controledienst opgericht die kennisneemt van de dossiers die hem worden bezorgd. Die controledienst is een onafhankelijke en neutrale dienst.
   De controledienst oefent zijn taken onpartijdig uit en de controletaak wordt gescheiden van de bemiddelings-, begeleidings- en opleidingstaken van de VDAB. De medewerkers van de controledienst vermijden ieder reëel en vermeend belangenconflict. Telkens als een verdenking zou kunnen ontstaan op dat vlak, moet de medewerker zich laten vervangen.
   De controledienst is bovendien onafhankelijk, hetgeen betekent dat de medewerkers van de VDAB die met de controletaak zijn belast, niet mogen worden beïnvloed bij het nemen van hun beslissingen en zich alleen mogen laten leiden door objectieve overwegingen en feiten. Onafhankelijkheid in de adviesfunctie, vermeld in artikel 111/20, wil zeggen dat de controledienst alle belangen en standpunten in overweging neemt en als adviseur volledig losstaat van de belangen van enige partij.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/19. [1 De controledienst beoordeelt de ontvankelijkheid van dossiers die aan hem worden bezorgd. Als het dossier ontvankelijk is, wordt de verplicht ingeschreven werkzoekende uitgenodigd om gehoord te worden over de feiten die aan de grondslag liggen van de reden waarom het dossier is doorgestuurd naar de controledienst, en over zijn verweermiddelen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/20. [1 De controledienst kan ook, als de bemiddelaar daarom verzoekt, een niet-bindend, onafhankelijk en neutraal advies verstrekken over de toepassing van deze titel. Dat advies kan geen gevolgen hebben voor de werkloosheids- of inschakelingsuitkering van de verplicht ingeschreven werkzoekende.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/21.[1 § 1. Het verhoor, vermeld in artikel 111/19, vindt op zijn vroegst plaats de eenentwintigste dag na de verzending van de uitnodiging [2 , tenzij anders is overeengekomen]2. De uitnodiging wordt verstuurd met een brief die de reden, de dag, het uur en de plaats van het verhoor vermeldt, alsook de mogelijkheid om niet te verschijnen maar schriftelijk verweermiddelen naar voren te brengen. De controledienst brengt de verplicht ingeschreven werkzoekende op de hoogte van zijn rechten en plichten en bezorgt hem de informatie bedoeld in artikel 111/22, § 2, 2° en 3°.
   Als de verplicht ingeschreven werkzoekende wil gebruikmaken van het schriftelijke verweer, moet de bevoegde regionale afdeling van de controledienst, behoudens in geval van overmacht, dat verweer ontvangen uiterlijk de werkdag die voorafgaat aan de werkdag waarop de verplicht ingeschreven werkzoekende voor het verhoor is uitgenodigd.
   Schriftelijk verweer is niet mogelijk als de reden waarom het dossier bezorgd is aan de controledienst, betrekking heeft op het niet-uitvoeren van de afspraken die opgenomen zijn in het afsprakenblad, het ultieme afsprakenblad of de trajectovereenkomst.
   § 2. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende de dag waarvoor hij uitgenodigd is, verhinderd is, mag hij vragen dat het verhoor verdaagd wordt tot een datum die niet later mag vallen dan zeven dagen na de datum die eerst was vastgesteld. Behalve in geval van overmacht wordt het uitstel slechts eenmaal verleend. De bevoegde regionale afdeling van de controledienst moet, behoudens in geval van overmacht, het verzoek tot uitstel uiterlijk ontvangen de zevende dag nadat de uitnodiging verzonden is.
   § 3. De verplicht ingeschreven werkzoekende heeft de mogelijkheid om zich op het verhoor te laten bijstaan door een persoon naar keuze of om zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat, een afgevaardigde van een werknemersorganisatie of zijn voorlopige bewindvoerder.
   § 4. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet aanwezig is op het verhoor, noch in persoon noch door vertegenwoordiging, of geen schriftelijk verweer indient en als hij geen uitstel van het verhoor heeft aangevraagd, neemt de controledienst een beslissing bij verstek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<BVR 2016-12-23/40, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 111/22. [1 § 1. De controledienst beslist over de schorsing, vermindering of uitsluiting van het recht op werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen. De controledienst kan ook een verwittiging geven.
   § 2. De controledienst houdt, voor zover die informatie ter beschikking is uiterlijk op het moment van het verhoor, rekening met:
   1° de informatie, afkomstig van de verplicht ingeschreven werkzoekende;
   2° de informatie, afkomstig van de bemiddelaar. Hieronder vallen het dossier dat de bemiddelaar heeft bezorgd aan de controledienst, de beoordelingen en de evaluaties die de bemiddelaar heeft opgemaakt conform afdeling 2;
   3° de informatie, afkomstig van partnerorganisaties;
   4° de beslissingen die zijn genomen binnen een periode van twaalf maanden vóór de controledienst een beslissing heeft genomen;
   5° de informatie, afkomstig van de RVA, met inbegrip van de door RVA of de diensten van de andere gewesten bevoegd voor de controle op de beschikbaarheid opgelegde sancties, als die sancties zijn opgelegd binnen de periode van vierentwintig maanden vóór de controledienst een beslissing heeft genomen.
   De controledienst heeft het recht om alle relevante informatie op te vragen ter verduidelijking van de dossiers die hem worden bezorgd, zowel bij VDAB-medewerkers als bij partnerorganisaties en overheidsinstellingen die relevante informatie over de dossiers kunnen bezitten. Bij een vermoeden van het gebruik van vervalste stukken zal de controledienst de RVA hiervan op de hoogte stellen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/23. [1 § 1. De gemotiveerde beslissing van de controledienst wordt schriftelijk meegedeeld aan de verplicht ingeschreven werkzoekende binnen veertien kalenderdagen na het verhoor. Als de beslissing invloed heeft op het recht op uitkeringen, wordt ze meegedeeld aan de RVA ter uitvoering.
   De gemotiveerde beslissing die bezorgd wordt aan de werkzoekende, vermeldt onder meer de beroepsmogelijkheid, de bevoegde rechtbank, de termijn waarin en de wijze waarop het beroep moet worden ingesteld.
   § 2. Als een beroep bij de arbeidsrechtbank wordt ingesteld tegen een beslissing van de controledienst, brengt de VDAB de RVA daarvan op de hoogte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling 4. [1 - Herzieningsprocedure]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/24. [1 Met behoud van de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen over verjaring kan de controledienst zijn beslissing herzien binnen de termijn voor het instellen van een beroep bij het bevoegde rechtscollege of, als het beroep al is ingesteld, tot de sluiting van de debatten als:
   1° vastgesteld wordt dat de beslissing van de controledienst is aangetast door een juridische of materiële vergissing;
   2° op de datum waarop de beslissing is ingegaan, het recht door een wettelijke of reglementaire bepaling is gewijzigd;
   3° een nieuw feit of nieuw bewijsmateriaal dat een weerslag heeft op de rechten van de verzoeker, ingeroepen wordt;
   4° vastgesteld wordt dat de beslissing van de controledienst is aangetast doordat de verplicht ingeschreven werkzoekende onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd, een vereiste aangifte niet heeft gedaan of te laat heeft gedaan, onjuiste of vervalste stukken heeft voorgelegd of onregelmatigheden heeft begaan.
   De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, met behoud van de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen over verjaring. Die beslissing wordt aan de RVA meegedeeld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/25. [1 Als tegen de beslissing van de controledienst beroep is ingesteld, en die beslissing wordt herzien met toepassing van deze afdeling, wordt de herziening aan het bevoegde arbeidsgerecht meegedeeld. De controledienst brengt het bevoegde arbeidsgerecht op de hoogte van de nieuwe beslissing als ze een weerslag kan hebben op het geding.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling 5. [1 - Controle van beschikbaarheid tijdens outplacementbegeleiding]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/26. [1 Het dossier van de verplicht ingeschreven werkzoekende wordt bezorgd aan de controledienst als:
   1° een werknemer weigert mee te werken aan of in te gaan op een aanbod van outplacementbegeleiding, als dat aanbod reglementair verplicht is;
   2° een werknemer zich niet inschrijft of niet ingeschreven blijft als hij daartoe verplicht is, in overeenstemming met de termijnen, bepaald krachtens artikel 34 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, bij een tewerkstellingscel waaraan de werkgever deelneemt;
   3° een werknemer zijn werkgever niet schriftelijk in gebreke stelt als die laatste geen outplacementbegeleiding heeft aangeboden met toepassing van artikel 13 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, binnen de termijnen en conform de procedure, vermeld in cao nr. 82, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 10 juli 2002;
   4° een werknemer weigert mee te werken aan of in te gaan op een aanbod van outplacementbegeleiding dat georganiseerd wordt door een tewerkstellingscel waaraan de werkgever deelneemt.
   De verplicht ingeschreven werkzoekende die zich op een medische reden beroept om de situaties, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, te rechtvaardigen, kan onderworpen worden aan een medisch onderzoek. De medische onderzoeken worden uitgevoerd door de artsen die door de VDAB zijn aangesteld. De verplicht ingeschreven werkzoekende mag zich laten bijstaan door zijn behandelende arts.
   Als de medische reden waarop de verplicht ingeschreven werkzoekende zich beroept om de situaties, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 4°, te rechtvaardigen niet voldoende wordt geacht, wordt zijn dossier bezorgd aan de controledienst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Afdeling 6. [1 - Jonge verplicht ingeschreven werkzoekende in beroepsinschakelingstijd]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/27. [1 § 1. In deze afdeling wordt onder jonge verplicht ingeschreven werkzoekende verstaan de verplicht ingeschreven werkzoekende die is ingeschreven met het oog op het verkrijgen van inschakelingsuitkeringen en die voldoet aan de voorwaarden inzake leeftijd en studies, vermeld in artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
   § 2. Bij zijn eerste inschrijving als werkzoekende in het kader van de beroepsinschakelingstijd wordt de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende er schriftelijk van op de hoogte gebracht:
   1° dat hij zich moet integreren op de arbeidsmarkt, enerzijds door actief een betrekking te zoeken tijdens zijn werkloosheid en anderzijds door mee te werken aan de acties en afspraken die hem door de VDAB worden voorgesteld;
   2° dat in de loop van de zesde en elfde maand van de beroepsinschakelingstijd, zijn werkzoekgedrag door de VDAB beoordeeld zal worden;
   3° dat hij op het einde van de beroepsinschakelingstijd toegelaten kan worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen als hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling en aan de vereisten gesteld in het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991.
   De jonge verplicht ingeschreven werkzoekende wordt ook op de hoogte gebracht van het verdere verloop van de opvolgingsprocedure van het actieve werkzoekgedrag en van de eventuele gevolgen.
   § 3. De jonge verplicht ingeschreven werkzoekende wordt uitgenodigd voor een gesprek bij een bemiddelaar in de loop van de zesde en elfde maand van zijn beroepsinschakelingstijd met het oog op de beoordeling van zijn werkzoekgedrag.
   § 4. In afwijking van paragraaf 3 zal de VDAB geen uitnodiging sturen naar de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende die over een geldige reden beschikt waardoor hij niet beschikbaar is voor een gesprek.
   Een nieuwe uitnodiging wordt op zijn vroegst gestuurd als de gebeurtenis die een geldige reden is als vermeld in het eerste lid, is afgelopen.
   § 5. Er zal ook geen uitnodiging gestuurd worden naar de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende als de bemiddelaar op basis van het dossier over genoeg elementen beschikt die tot een positieve beoordeling leiden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/28. [1 De jonge verplicht ingeschreven werkzoekende moet aanwezig zijn op de gesprekken, vermeld in artikel 111/27. Als de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende zich niet aanmeldt op die gesprekken, wordt hem een nieuwe aangetekende uitnodiging gestuurd. Als hij niet ingaat op de nieuwe aangetekende uitnodiging, wordt zijn dossier bezorgd aan de controledienst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  Art. 111/29.[1 § 1. Tijdens het gesprek, vermeld in artikel 111/27, § 3, beoordeelt de VDAB het werkzoekgedrag van de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende op basis van:
   1° de volgende inlichtingen waarover de VDAB al beschikt in verband met de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende:
   a) de overeengekomen acties en afspraken;
   b) de tewerkstellingsperiodes;
   c) de ziekteperiodes;
   d) de inlichtingen van de RVA;
   e) andere relevante gegevens;
   2° de inlichtingen van de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende zelf over de stappen die hij gezet heeft om werk te zoeken.
   De inlichtingen, vermeld in het eerste lid, worden tijdens het gesprek aan de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende meegedeeld. In geval van twijfel over de juistheid van de informatie die de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende meedeelt, kan de VDAB de verklaringen en documenten die de verplicht ingeschreven werkzoekende voorlegt, verifiëren.
   § 2. Bij de beoordeling van de inspanningen die de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende heeft geleverd, houdt de VDAB rekening met:
   1° zijn competenties;
   2° zijn leeftijd;
   3° zijn opleidingsniveau;
   4° zijn verplaatsingsmogelijkheden;
   5° zijn fysieke en mentale capaciteiten;
   6° de toestand van de arbeidsmarkt in de subregio waar de verplicht ingeschreven werkzoekende zijn hoofdverblijfplaats heeft. Onder subregio wordt verstaan het gebied waarin inwoners van dezelfde gemeente als de verplicht ingeschreven werkzoekende en van de aangrenzende gemeenten zich verplaatsen om te gaan werken;
   7° zijn sociale en familiale situatie;
   8° andere relevante gegevens.
   § 3. In geval van een positieve beoordeling informeert de VDAB de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende schriftelijk daarover, uiterlijk veertien dagen na het gesprek. Als het gaat om het gesprek tijdens de zesde maand van de beroepsinschakelingstijd, wordt de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende er ook van op de hoogte gebracht dat hij opgeroepen zal worden voor een nieuw gesprek in de loop van de elfde maand van de beroepsinschakelingstijd.
   De jonge verplicht ingeschreven werkzoekende wordt er verder van op de hoogte gebracht dat het recht op inschakelingsuitkeringen kan worden geopend als hij een tweede al dan niet opeenvolgende positieve beoordeling van zijn werkzoekgedrag krijgt, op voorwaarde dat hij voldoet aan de andere voorwaarden, vermeld in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
   § 4. Als de bemiddelaar geen positieve beoordeling geeft, bezorgt hij het dossier aan de controledienst, samen met zijn advies. De controledienst geeft het dossier een positieve of negatieve beoordeling. Als de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende dat wil, kan hij gehoord worden bij de controledienst over de beoordeling van zijn werkzoekgedrag.
   Het verhoor vindt op zijn vroegst plaats de eenentwintigste dag na de verzending van de uitnodiging [2 , tenzij anders is overeengekomen]2. De uitnodiging wordt verstuurd met een brief die de reden, de dag, het uur en de plaats van het verhoor vermeldt. De controledienst brengt de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende op de hoogte van zijn rechten en plichten.
   Als de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende de dag waarvoor hij uitgenodigd is, verhinderd is, mag hij vragen dat het verhoor verdaagd wordt tot een datum die, behoudens in geval van overmacht, niet later mag vallen dan [2 zeven]2 dagen na de datum die eerst was vastgesteld. Behalve in geval van overmacht wordt het uitstel slechts eenmaal verleend. De controledienst moet het verzoek tot uitstel uiterlijk ontvangen binnen zeven dagen nadat de uitnodiging verzonden is, behoudens in geval van overmacht.
   De jonge verplicht ingeschreven werkzoekende heeft de mogelijkheid om zich op het verhoor te laten bijstaan door een persoon naar keuze of om zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat, een afgevaardigde van een werknemersorganisatie of zijn voorlopige bewindvoerder. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet aanwezig is op het verhoor, noch in persoon noch door vertegenwoordiging, en hij geen uitstel van het verhoor heeft aangevraagd, neemt de controledienst een beslissing bij verstek.
   § 5. De controledienst zal een negatieve beoordeling uitspreken als:
   1° de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende niet ingaat op de uitnodiging, vermeld in artikel 111/28;
   2° de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende niet aanwezig is, noch in persoon noch door vertegenwoordiging, op het verhoor, vermeld in paragraaf 4;
   3° de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende tijdens het verhoor niet kan aantonen dat hij zich voldoende integreert op de arbeidsmarkt.
   § 6. In geval van een negatieve beoordeling brengt de VDAB uiterlijk veertien dagen na het gesprek de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende daarvan op de hoogte.
   Als het gaat om het gesprek tijdens de zesde maand van de beroepsinschakelingstijd, wordt de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende er ook van op de hoogte gebracht dat hij opgeroepen zal worden voor een nieuw gesprek in de loop van de elfde maand van de beroepsinschakelingstijd.
   De jonge verplicht ingeschreven werkzoekende wordt er verder van op de hoogte gebracht dat hij als gevolg van de negatieve beoordeling voor een nieuwe beoordeling van zijn werkzoekgedrag zal opgeroepen worden, op zijn vroegst in de loop van de vijftiende maand en daarna telkens in de loop van de drie maanden die volgen op het vorige gesprek.
   De termijn van drie maanden, vermeld in het derde lid, wordt berekend vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de beoordeling had moeten plaatsvinden als dat gesprek niet kon plaatsvinden om een reden die niet toe te schrijven is aan de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<BVR 2016-12-23/40, art. 6, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 111/30. [1 De VDAB brengt de RVA ervan op de hoogte als de jonge verplicht ingeschreven werkzoekende een beoordeling van zijn werkzoekgedrag heeft gekregen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-12-18/78, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  

  HOOFDSTUK 2. [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

  Afdeling 1. [1 Algemene principes bij vrijstellingen ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

   Art. 111/31. [1 De vrijstelling van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt voor een studie, opleiding of stage die door VDAB wordt toegekend aan de verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, houdt in dat die werkzoekende niet hoeft in te gaan op een passend aanbod of passende dienstbetrekking, en dat hij zich niet langer moet integreren op de arbeidsmarkt voor de duurtijd van de vrijstelling.
   De werkzoekende, vermeld in het eerste lid, moet wel ingaan op afspraken bij VDAB die tot doel hebben de studie, opleiding of stage op te volgen waarvoor vrijstelling werd verleend of afspraken die worden gemaakt in het kader van het feit waarvoor de vrijstelling werd verleend. De verplicht ingeschreven werkzoekende moet tevens de studie, opleiding of stage regelmatig blijven volgen voor de duurtijd van de vrijstelling. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

   Art. 111/32. [1 § 1. De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan vrijgesteld worden gedurende de periode waarin hij een andere studie, opleiding of stage volgt dan die, vermeld in artikel 111/33 tot en met 111/38, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de vraag om vrijstelling van de verplicht ingeschreven werkzoekende komt bij VDAB aan vóór de start van de studie, opleiding of stage. In geval van laattijdige aanvraag kan de vrijstelling slechts verleend worden voor de periode vanaf de datum waarop VDAB de aanvraag heeft ontvangen;
   2° de studie, opleiding of stage wordt aanvaard door VDAB als ze past in het traject naar werk van de verplicht ingeschreven werkzoekende. De aanvaarding geldt alleen voor het verlenen van de vrijstelling met toepassing van dit hoofdstuk;
   3° het betreft een studie, opleiding of stage van ten minste vier weken en gemiddeld ten minste twintig uur per week, en de lessen mogen niet hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur worden gegeven;
   4° het volgen van een studie, opleiding of stage en de modaliteiten van opvolging kunnen door de bemiddelaar opgenomen worden in het formeel afsprakenblad. Als het gaat om een opleiding die niet door VDAB georganiseerd, erkend of gesubsidieerd wordt, is de opmaak van dat formeel afsprakenblad verplicht;
   5° de verplicht ingeschreven werkzoekende blijft ingeschreven bij VDAB voor de duurtijd van de vrijstelling.
   § 2. De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan van VDAB de toelating krijgen om een studie, opleiding of stage te volgen zonder vrijstelling van beschikbaarheid, maar met behoud van uitkeringen.
   § 3. Paragraaf 1 is ook van toepassing als het om een studie, opleiding of stage in het buitenland gaat. In dat geval moeten de volgende aanvullende voorwaarden vervuld zijn opdat de verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, vrijgesteld kan worden:
   1° de vrijstelling geldt voor een periode van ten hoogste drie maanden. Die periode is eenmaal verlengbaar met ten hoogste negen maanden;
   2° dezelfde studie, opleiding of stage kan niet in België gevolgd worden;
   3° de verplicht ingeschreven werkzoekende beschikt niet over een diploma of getuigschrift dat gelijkwaardig of hoger is dan een diploma van het hoger onderwijs, of beschikt over een diploma of getuigschrift van het hoger onderwijs waarvan VDAB oordeelt dat het weinig kansen biedt op de arbeidsmarkt;
   4° de verplicht ingeschreven werkzoekende heeft zijn studies of leertijd op de dag waarop hij de vrijstelling aanvraagt, sedert ten minste twee jaar beëindigd;
   5° de verplicht ingeschreven werkzoekende zal gedurende de studie, opleiding of stage in het buitenland verblijven.
   De verplicht ingeschreven werkzoekende kan slechts eenmaal van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, genieten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

   Art. 111/33. [1 § 1. De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt en die met VDAB een opleidingsovereenkomst heeft gesloten van ten minste vier weken en gemiddeld ten minste twintig uur per week, wordt ambtshalve vrijgesteld voor de duur van de opleidingsovereenkomst, met een maximum van twaalf maanden.
   Als de opleidingsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, langer duurt dan twaalf maanden, kan de vrijstelling automatisch verlengd worden tot het einde van de opleidingsovereenkomst, zonder dat hiervoor een tussenkomst van de werkzoekende is vereist.
   § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt voor de verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt en die met VDAB een individuele beroepsopleiding als vermeld in artikel 90 sluit, een halftijdse betrekking in de onderneming waar de individuele beroepsopleiding plaatsvindt, gelijkgesteld met gemiddeld twintig uur per week.
   § 3. De toepassing van dit artikel kan uitsluitend aanleiding geven tot het verlenen van een vrijstelling en er kunnen bijgevolg geen andere rechten aan ontleend worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
   Art. 111/34. [1 De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, wordt vrijgesteld gedurende de periode waarin hij een onderwijskwalificerende opleiding volgt in een onderwijsinstelling als vermeld in artikel 87, met een opleidingsovereenkomst die met VDAB werd afgesloten en met een maximumduur van twaalf maanden.
   Als de opleidingsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, langer duurt dan twaalf maanden, kan de vrijstelling automatisch verlengd worden tot het einde van de opleidingsovereenkomst, zonder dat hiervoor een tussenkomst van de werkzoekende is vereist.
   Als de aanvraag van een verplicht ingeschreven werkzoekende voor een vrijstelling als vermeld in het eerste lid werd geweigerd op basis van artikel 88, tweede lid, dan kan voor diezelfde opleiding geen vrijstelling worden toegekend met toepassing van dit hoofdstuk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
   Art. 111/35. [1 § 1. De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan op zijn verzoek een vrijstelling verkrijgen voor de periode waarin hij studies van het secundair onderwijs volgt, als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° de verplicht ingeschreven werkzoekende voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111/32, § 1;
   2° de verplicht ingeschreven werkzoekende is niet als vrije leerling ingeschreven en woont de activiteiten, opgelegd door het studieprogramma, bij;
   3° de studies worden door een gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend en behoren tot het secundair onderwijs;
   4° de verplicht ingeschreven werkzoekende beschikt niet over een diploma of getuigschrift dat gelijkwaardig of hoger is dan een diploma van het secundair onderwijs;
   5° de verplicht ingeschreven werkzoekende heeft zijn studies of leertijd sedert ten minste één jaar beëindigd op de dag waarop hij de vrijstelling aanvraagt;
   6° de gevolgde studie of opleiding leidt tot een diploma secundair onderwijs.
   De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, is niet van toepassing als het gaat om een opleiding secundair-na-secundair als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.
   § 2. In dit artikel wordt verstaan onder alternerende opleiding: de opleiding, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 10 juni 2016 tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen, en de alternerende opleiding, vermeld in artikel 1bis, tweede lid van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
   De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids-of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan op zijn verzoek een vrijstelling verkrijgen voor de periode waarin hij een alternerende opleiding volgt.
   De vrijstelling wordt alleen toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de verplicht ingeschreven werkzoekende voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111/32, § 1;
   2° de verplicht ingeschreven werkzoekende is bij de aanvang van de alternerende opleiding geen houder van een diploma of een getuigschrift van het secundair onderwijs;
   3° de financiële voordelen die de verplicht ingeschreven werkzoekende tijdens de alternerende opleiding ontvangt, zijn beperkt tot de vergoedingen ten laste van de werkgever, vastgesteld overeenkomstig de reglementering van toepassing op deze alternerende opleidingen;
   4° de alternerende opleiding geeft aanleiding tot een beroepskwalificatie;
   5° de verplicht ingeschreven werkzoekende heeft zijn studies of leertijd sedert ten minste één jaar beëindigd op de dag waarop hij de vrijstelling aanvraagt.
   De voorwaarde, vermeld in het derde lid, 2°, is niet van toepassing als het gaat om een opleiding secundair-na-secundair als vermeld in het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.
   § 3. De verplicht ingeschreven werkzoekende kan slechts eenmaal van de vrijstelling, vermeld in dit artikel, genieten.
   In afwijking van het eerste lid, kan een werkzoekende een vrijstelling verkrijgen voor het volgen van een opleiding secundair-na-secundair indien deze aansluit op een eerder verkregen vrijstelling verkregen voor het volgen van een opleiding secundair onderwijs. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

   Art. 111/36. [1 De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan vrijgesteld worden gedurende de periode waarin hij een studie hoger onderwijs volgt, als al de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° de verplicht ingeschreven werkzoekende voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111/32, § 1, 1°, 2°, 4° en 5° ;
   2° de verplicht ingeschreven werkzoekende is niet als vrije leerling ingeschreven en woont de activiteiten, opgelegd door het studieprogramma, bij;
   3° de studies zijn door een gemeenschap georganiseerd, gesubsidieerd of erkend, behoren tot het hoger onderwijs en bestaan uit ten minste 27 nieuwe studiepunten, waarbij de lessen niet hoofdzakelijk op zaterdag of na 17 uur worden gegeven;
   4° de verplicht ingeschreven werkzoekende beschikt niet over een diploma of getuigschrift dat gelijkwaardig is aan of hoger is dan een diploma van het hoger onderwijs, of hij beschikt over een diploma of getuigschrift van het hoger onderwijs waarvan de VDAB oordeelt dat het weinig kansen biedt op de arbeidsmarkt;
   5° de verplicht ingeschreven werkzoekende heeft zijn studies of leertijd ten minste twee jaar beëindigd op de dag waarop hij de vrijstelling aanvraagt.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-12-08/15, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 21-01-2018>

   Art. 111/37. [1 De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt, kan op zijn verzoek een vrijstelling verkrijgen voor de periode waarin hij een opleiding of het begeleidingstraject voor de vorming en opleiding in een zelfstandig beroep volgt, als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
   1° de verplicht ingeschreven werkzoekende voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111/32, § 1;
   2° de verplicht ingeschreven werkzoekende heeft de studies of een leertijd sedert ten minste twee jaar beëindigd op de dag waarop hij de vrijstelling aanvraagt.
   De verplicht ingeschreven werkzoekende kan slechts eenmaal van de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, genieten. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

   Art. 111/38. [1 De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt en die als kandidaat-ondernemer een overeenkomst sluit met een activiteitencoöperatie, kan voor de periode van die overeenkomst een vrijstelling verkrijgen. De vrijstelling wordt alleen toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
   1° de verplicht ingeschreven werkzoekende voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 111/32, § 1, 1°, 2°, 4° en 5° ;
   2° de activiteitencoöperatie is erkend conform artikel 81, § 3, van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III);
   3° de verplicht ingeschreven werkzoekende behoort tot de doelgroep van moeilijk te plaatsen werklozen of andere kansengroepen, vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 juni 2009 houdende diverse bepalingen betreffende het statuut van kandidaat-ondernemer in een activiteitencoöperatie.
   De vrijstelling wordt toegekend voor de duur van de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, met een maximum van twaalf maanden. Ze kan verschillende keren worden toegekend, op voorwaarde dat de gecumuleerde duur van de periodes van vrijstelling voor een of meer overeenkomsten niet meer bedraagt dan achttien maanden. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Afdeling 2. [1 Werkingsprincipes]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

   Art. 111/39. [1 § 1. Met toepassing van afdeling 1 wordt de vrijstelling van dit hoofdstuk toegekend voor de duurtijd van de studie, opleiding of stage, met inbegrip van de daarin gelegen vakantieperiodes, evenwel beperkt tot twaalf maanden.
   Tenzij anders is bepaald in dit hoofdstuk, kan de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, telkens verlengd worden voor een periode van ten hoogste twaalf maanden als VDAB vaststelt dat de verplicht ingeschreven werkzoekende aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
   1° hij volgt de studie, opleiding of stage op regelmatige wijze en werkt actief mee aan de door VDAB voorgestelde acties;
   2° hij heeft zijn opleidingsjaar met vrucht afgerond en werkt actief mee aan de door VDAB voorgestelde acties.
   § 2. De verplicht ingeschreven werkzoekende die al een vrijstelling had gekregen van de RVA met toepassing van artikel 91 tot en met 94 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, zoals van kracht vóór 1 januari 2017, blijft vrijgesteld voor de duurtijd van de gegeven vrijstelling, beperkt tot twaalf maanden na de initiële beslissing tot vrijstelling. Hij kan een vernieuwing van de voormelde vrijstelling aanvragen bij VDAB, met toepassing van dit hoofdstuk.
   § 3. De verplicht ingeschreven werkzoekende die al een vrijstelling had gekregen voor een studie, opleiding of stage in een ander gewest, blijft vrijgesteld voor een periode tot twaalf maanden na de initiële beslissing tot vrijstelling. Hij kan een vernieuwing van de voormelde vrijstelling aanvragen bij VDAB, met toepassing van dit hoofdstuk.
   § 4. De raad van bestuur van VDAB bepaalt de inhoud en het model van de documenten die gebruikt worden bij de aanvraag van een vrijstelling als vermeld in afdeling 1. De raad van bestuur van VDAB bepaalt ook de wijze waarop de aanvraag om vrijstelling moet worden aangevraagd. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

   Art. 111/40. [1 § 1. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet langer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in deze afdeling, wordt zijn vrijstelling stopgezet.
   VDAB kan een aanwezigheidsattest vragen aan de werkzoekende met vrijstelling.
   § 2. Als blijkt dat de verplicht ingeschreven werkzoekende een formeel afsprakenblad, gemaakt in het kader van de voormelde vrijstelling, niet naleeft, kan een ultiem afsprakenblad worden opgesteld conform artikel 111/12. Als het dossier van de verplicht ingeschreven werkzoekende wordt bezorgd aan de controledienst met toepassing van artikel 111/13, en de controledienst neemt een negatieve beslissing, dan wordt de vrijstelling stopgezet. De verplicht ingeschreven werkzoekende van wie de vrijstelling werd ingetrokken, wordt daarvan op de hoogte gebracht.
   § 3. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende niet ingaat op een afspraak met VDAB die tot doel heeft de studie, opleiding of stage op te volgen waarvoor vrijstelling werd verleend, wordt zijn dossier aan de controledienst bezorgd conform artikel 111/6. Als de controledienst een negatieve beslissing neemt, wordt de vrijstelling stopgezet. De verplicht ingeschreven werkzoekende wordt hiervan op de hoogte gebracht.
   § 4. Als de verplicht ingeschreven werkzoekende zijn studie, opleiding of stage stopzet om redenen die aan hemzelf te wijten zijn, wordt de vrijstelling stopgezet en wordt zijn dossier aan de controledienst bezorgd met toepassing van artikel 111/16, eerste lid, 4°. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

   Art. 111/41. [1 Met behoud van de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen over verjaring kan VDAB de beslissing over het al dan niet geven van een vrijstelling met toepassing van dit hoofdstuk herzien als:
   1° vastgesteld wordt dat de beslissing van VDAB is aangetast door een juridische of materiële vergissing;
   2° vastgesteld wordt dat de beslissing van VDAB is aangetast doordat de verplicht ingeschreven werkzoekende onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd, een vereiste aangifte niet of te laat heeft gedaan, onjuiste of vervalste stukken heeft voorgelegd of onregelmatigheden heeft begaan.
   De nieuwe beslissing heeft uitwerking op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, met behoud van de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen over verjaring. De beslissing wordt aan de RVA meegedeeld.
   Als tegen de beslissing van VDAB beroep is ingesteld en die beslissing wordt herzien met toepassing van het eerste lid, wordt de herziening aan het bevoegde arbeidsgerecht meegedeeld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

   Art. 111/42. [1 . Elke gemotiveerde beslissing van VDAB over de vrijstelling wordt meegedeeld aan de verplicht ingeschreven werkzoekende en vermeldt onder meer de beroepsmogelijkheid, de bevoegde rechtbank, de termijn waarin en de wijze waarop het beroep moet worden ingesteld.
   Als een beroep bij de arbeidsrechtbank wordt ingesteld tegen een beslissing van VDAB, wordt de RVA daarvan op de hoogte gebracht. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2016-12-23/40, art. 7, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2017>
  

   Art. 111/43. [1 § 1. Om volledig te zijn, moet het dossier alle stukken bevatten die dienstig zijn om een beslissing te nemen over de vrijstelling van beschikbaarheid voor het volgen van een studie, opleiding of stage.
   De volgende stukken zijn dienstige stukken als vermeld in het eerste lid:
   1° een behoorlijk ingevuld aanvraagformulier;
   2° een behoorlijk ingevuld en ondertekend attest met gegevens over de studie, opleiding of stage. Dat attest wordt ter beschikking gesteld door de VDAB.
   De VDAB registreert de datum van ontvangst van alle stukken die bij de aanvraag zijn toegevoegd op elektronische wijze.
   De VDAB gaat na of de ingediende stukken behoorlijk zijn ingevuld en of alle stukken die noodzakelijk zijn om een beslissing te nemen over de vrijstelling van beschikbaarheid voor het volgen van een studie, opleiding of stage, zijn ingediend.
   § 2. Als het dossier onvolledig is, brengt de VDAB de werkzoekende daarvan schriftelijk op de hoogte met de vermelding van alle ontbrekende stukken en inlichtingen.
   Het vervolledigde dossier moet behoorlijk aangevuld aan de VDAB bezorgd worden binnen een termijn van vier weken, die ingaat de derde werkdag die volgt op de dag waarop de VDAB de werkzoekende daarvan schriftelijk op de hoogte heeft gebracht.
   Als het dossier niet binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is aangevuld of vervolledigd, wordt de aanvraag geannuleerd. De werkzoekende wordt daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht.
   Als het dossier binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, is aangevuld of vervolledigd, wordt het dossier afgewerkt. De werkzoekende wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de beslissing over de vrijstelling van beschikbaarheid voor het volgen van een studie, opleiding of stage.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2017-12-08/15, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 21-01-2018>
  

  TITEL IV. - Slotbepalingen

  Art. 112. De volgende regelingen worden opgeheven :
  1° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992 tot uitvoering van artikel 87, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 november 1994, 15 juli 2002 en 26 oktober 2007;
  3° het ministerieel besluit van 14 februari 1994 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van artikel 89, § 4, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding.

  Art. 113. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

  Art. 114. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Tewerkstellingsbeleid, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de Beroepsomscholing en -Bijscholing, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 5 juni 2009.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming,
F. VANDENBROUCKE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Vlaamse Regering,
   Gelet op Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt;
   Gelet op het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", gewijzigd bij de decreten van 27 april 2007, 21 november 2008 en 19 december 2008;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 oktober 2007;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 1992 tot uitvoering van artikel 87, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 november 1994, 15 juli 2002 en 26 oktober 2007;
   Gelet op het ministerieel besluit van 14 februari 1994 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van artikel 89, § 4, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
   Gelet op het advies van de raad van bestuur van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, gegeven op 6 juni 2007;
   Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 6 mei 2009;
   Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 3 april 2009;
   Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 19 mei 2009 met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;
   Na beraadslaging,
   Besluit :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 28-06-2019 GEPUBL. OP 03-10-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 93; 98/3)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 24-05-2019 GEPUBL. OP 26-08-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 15; 22; 28)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-05-2019 GEPUBL. OP 01-08-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 25-01-2019 GEPUBL. OP 18-03-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 45/1; 45/2)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 06-07-2018 GEPUBL. OP 17-08-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6; 33; 41; 42; 43; 44; 61; 62; 65; 66; 67; 68; 77; 82; 84; 84/1-84/8; 88; 91; 92; 93; 94; 95; 96; 97; 98/1-98/4; 111/0/1; 111/0/2; 111/0/3; 111/0/5; 111/0/9; 111/0/11; 111/0/14; 111/0/15; 111/0/16; 111/0/17; 111/0/20; 111/0/21-111/0/29)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 08-12-2017 GEPUBL. OP 11-01-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 111/36; 111/43)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-03-2017 GEPUBL. OP 11-04-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 111/0/13; 111/0/14; 111/0/15; 111/0/16; 111/0/17; 111/0/18; 111/0/19; 111/0/20)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 23-12-2016 GEPUBL. OP 03-02-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 111/0/1-111/0/12)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 23-12-2016 GEPUBL. OP 30-01-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 32 ; 88 ; 111/16 ; 111/21 ; 111/29 ; 111/31-111/42)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 25-11-2016 GEPUBL. OP 23-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 13; 19; 20; 25; 26; 31; 58; 60; 68; 85; 88; 91; 92; 98)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 29-01-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 5; 5/1; 6; 7; 8; 9; 10; 15; 22; 28; 35; 36; 37-40; 42; 66; 72; 83; 87; 88; 111/1-111/30)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 29-01-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 72; 75)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 06-09-2013 GEPUBL. OP 25-09-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 94)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 17-05-2013 GEPUBL. OP 07-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 21; 27)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 25-01-2013 GEPUBL. OP 18-02-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 99-102; 102/1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 27-01-2012 GEPUBL. OP 01-03-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 98/1; 98/2; 98/3; 98/4; 99; 100)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 18-03-2011 GEPUBL. OP 19-04-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 94)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-12-2010 GEPUBL. OP 29-12-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 16; 22; 103)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 09-07-2010 GEPUBL. OP 10-08-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 94)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 19 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
    Franstalige versie