J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten
Erratum Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1999/12/22/1999000985/justel

Titel
22 DECEMBER 1999. - Wet betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.

Bron :
BINNENLANDSE ZAKEN
Publicatie : 10-01-2000 nummer :   1999000985 bladzijde : 00578       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 1999-12-22/39
Inwerkingtreding : 10-01-2000

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-17

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  Art. 2. Onverminderd de toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is deze wet van toepassing op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag :
  1° hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar; deze termijn wordt teruggebracht tot drie jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan;
  2° hetzij om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze vóór hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar hun land van herkomst, noch naar het land waarvan ze de nationaliteit hebben;
  3° hetzij ernstig ziek zijn;
  4° hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in (het land) hebben ontwikkeld. (Erratum. Zie B.St. 02-02-2000, p. 3291)

  Art. 3. Er wordt een Commissie voor regularisatie opgericht die bestaat uit enerzijds kamers die elk zijn samengesteld uit een magistraat of een gewezen magistraat, of nog, een lid of een gewezen lid van een administratief rechtsorgaan, een advocaat en een afgevaardigde van een erkende niet-gouvernementele organisatie actief in het domein van de mensenrechten, en anderzijds uit een secretariaat.
  Een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt de wijze van aanstelling van de leden van de Commissie voor regularisatie, de procedure- en werkingsregels, alsook de onderzoeksmiddelen waarover zij beschikt.

  Art. 4. De aanvraag tot regularisatie wordt ingediend bij de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft binnen een termijn van drie weken te rekenen van de inwerkingtreding van deze wet en wordt overgezonden aan de Commissie voor regularisatie.
  De Commissie voor regularisatie verstrekt een advies aan de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De minister of zijn gemachtigde oordeelt over de aanvragen. In voorkomend geval gaat hij over tot het afgeven van een machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 13 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

  Art. 5. De in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, zijn van de toepassing van deze wet uitgesloten.

  Art. 6. De in artikel 2, 1°, bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister, bij wie de aanvraag aanhangig is gemaakt door de Commissie voor regularisatie, kennelijk bedrog hebben gepleegd bij de procedure van hun asielaanvraag, zijn van de toepassing van deze wet uitgesloten.

  Art. 7. De burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft, geeft aan de aanvrager een ontvangstbewijs af voor de aanvraag en zendt ze, binnen acht dagen volgend op de ontvangst, over aan de Commissie voor regularisatie.

  Art. 8. De burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft, kan, binnen een maand volgend op de ontvangst van de aanvraag, een sociaal verslag overzenden dat alle met betrekking tot deze aanvraag nuttige elementen omvat waarvan hij kennis heeft.
  Wanneer de vreemdelingen bedoeld in artikel 2 bij het indienen van hun aanvraag niet alle in artikel 9 vereiste stukken hebben neergelegd, beschikken ze over een termijn van een maand te rekenen van het indienen van hun aanvraag om hun dossier te vervolledigen. De burgemeester moet deze aanvullende stukken onmiddellijk overleggen aan de Commissie voor regularisatie.

  Art. 9. Het bij de aanvraag gevoegde dossier moet omvatten :
  1° een bewijsstuk waaruit blijkt dat de aanvrager bekend is :
  a) hetzij bij een bestuur of een openbare dienst, zoals de Dienst Vreemdelingenzaken, een politiedienst, een gemeentebestuur of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
  b) hetzij bij een instelling, zoals een ziekenhuis of een school;
  2° een bewijsstuk waaruit blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk op het Belgisch grondgebied verbleef op 1 oktober 1999;
  3° de naam, voornaam, geboorteplaats en -datum, nationaliteit, burgerlijke staat en samenstelling van het gezin van de aanvrager;
  4° een kopie van de vereiste identiteits- en reisdocumenten, namelijk het paspoort met, in voorkomend geval, een visum en, bij ontstentenis hiervan, elk ander document waaruit de identiteit van de aanvrager kan vastgesteld worden;
  5° de aanduiding van de verblijfplaats van de aanvrager en de aanduiding van het adres waar hij woonplaats moet kiezen in het kader van deze procedure;
  6° voor de in artikel 2, 1°, bedoelde vreemdelingen, het dossiernummer bij de Dienst Vreemdelingenzaken;
  7° voor de in artikel 2, 2°, bedoelde vreemdelingen, een schriftelijke verklaring die de redenen weergeeft waarom zij onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze vóór hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar het land waarvan ze de nationaliteit hebben, noch naar hun land van herkomst;
  8° voor de in artikel 2, 3°, bedoelde vreemdelingen, een medisch attest dat slechts mag overgezonden worden aan de beoefenaars van de geneeskunde die de commissie voor regularisatie zullen bijstaan;
  9° voor de in artikel 2, 4°, bedoelde vreemdelingen een bewijs dat hun aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval, het bewijs dat ze wettig in België verbleven hebben en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat ze in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen hebben om het grondgebied te verlaten.
  Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn.
  Om te oordelen of een verblijf relevant is, zal bovendien rekening gehouden worden met het criterium van artikel 2, 4°, te weten humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen.

  Art. 10. De oproepingen van de Commissie voor regularisatie worden rechtsgeldig bezorgd op het in artikel 9, 5°, bedoelde adres, per gewone post en, met toepassing van artikel 25 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, door tussenkomst van de gemeentepolitie van de plaats waar de aanvrager verblijft. Elke adreswijziging moet onmiddellijk per aangetekende brief worden medegedeeld aan de Commissie voor regularisatie en aan de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft.

  Art. 11. De niet-gerechtvaardigde afwezigheid van de aanvrager op de in artikel 10 bedoelde oproeping zal automatisch leiden tot een negatieve beslissing.

  Art. 12. § 1. Wanneer het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vaststelt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is, zendt het de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de minister.
  Dit advies wordt ter kennis gebracht van de betrokkene op de wijzen bepaald in de artikelen 10 en 13. De betrokkene beschikt vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie bedoeld in de voornoemde artikelen over drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister, en dit per aangetekende brief.
  Als de minister wenst af te wijken van dit advies, maakt hij de aanvraag aanhangig bij een kamer van de Commissie voor regularisatie, die na een procedure op tegenspraak, een nieuw advies uitbrengt. De aanvraag wordt vervolgens opnieuw overgezonden aan de minister, die een definitieve beslissing neemt.
  § 2. Wanneer het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vaststelt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig is, maar stukken bevat die aanleiding kunnen geven tot betwisting, wordt de aanvraag bij een kamer van de Commissie voor regularisatie aanhangig gemaakt. Na een procedure op tegenspraak, brengt zij een advies uit en zendt de aanvraag voor beslissing over aan de minister.
  § 3. Wanneer het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vaststelt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig is, maar dat prima facie blijkt dat de aanvraag toch niet kan leiden tot een gunstig advies, wordt ze bij een kamer van de Commissie voor regularisatie aanhangig gemaakt. Na een procedure op tegenspraak brengt de kamer een advies uit en zendt de aanvraag voor beslissing over aan de minister.
  § 4. Wanneer het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vaststelt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig is, en dat prima facie blijkt dat de aanvraag kan leiden tot een gunstig advies, zendt het deze met een gunstig advies voor beslissing over aan de minister.
  Als de minister wenst af te wijken van dit advies, maakt hij de aanvraag aanhangig bij een kamer van de Commissie voor regularisatie, die na een procedure op tegenspraak, een nieuw advies uitbrengt. De aanvraag wordt vervolgens opnieuw overgezonden aan de minister, die een definitieve beslissing neemt.

  Art. 13. De beslissing van de minister of diens gemachtigde wordt op rechtsgeldige wijze bezorgd op het in artikel 9, 5°, bedoelde adres, per gewone post en, met toepassing van artikel 25 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, door tussenkomst van de gemeentepolitie van de plaats waar de aanvrager verblijft.

  Art. 14. Behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale veiligheid, of tenzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9, zal er niet feitelijk worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel 12.

  Art. 15. De regularisatieaanvragen op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, waarvoor op de dag van de inwerkingtreding van deze wet, nog geen beslissing werd genomen krachtens de omzendbrief van 15 december 1998 over de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de regularisatie van bijzondere situaties, worden voor onderzoek gestuurd naar de Commissie voor regularisatie, behalve indien de aanvragers binnen vijftien dagen na de bekendmaking van deze wet, per aangetekende brief gericht aan de minister bevoegd voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, hun wil te kennen geven dat zij hun aanvraag behandeld willen zien op grond van artikel 9 van de voornoemde wet van 15 december 1980.

  Art. 16. De indiening van een aanvraag op grond van artikel 2 verbiedt de aanvrager om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  De indiening, na de inwerkingtreding van deze wet, van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de voornoemde wet van 15 december 1980 verbiedt de aanvrager om, gelijktijdig of daarna, een aanvraag in te dienen op grond van artikel 2.

  Art. 17. Deze wet (treedt) in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. (Erratum. Zie B.St. 02-02-2000, p. 3291)
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 22 december 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Binnenlandse Zaken,
  A. DUQUESNE
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

originele versie
1900000070
PUBLICATIE :
2000-02-02
bladzijde : 03291

Erratum



Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Gewone zitting 1999-2000. Kamer van Volksvertegenwoordigers : Parlementaire documenten. - Wetsontwerp nr. 50 0234/001. - Amendementen nr. 0234/002-004. - Verslag nr. 0234/005. - Tekst verbeterd door de Commissie nr. 0234/006. - Amendement nr. 0237/007. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering nr. 0234/008. Handelingen in de Kamer. - Bespreking en aanneming van 24 en 25 november 1999. Senaat. Parlementaire documenten. - Ontwerp overgezonden aan de Senaat nr. 2-202/1. - Amendementen nr. 2-202/2. - Verslag nr.2-202/3. - Tekst aangenomen door de Commissie nr. 2-202/4. - Amendementen nr. 2-202/5-7. Tekst aangenomen in plenaire vergadering2-202/8. - Beslissing om niet te amenderen nr. 2 -202/9. Handelingen van de Senaat. - Bespreking en aanneming. - Vergaderingen van 15 en 16 december 1999.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten
Erratum Franstalige versie