J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 13 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1998/07/05/1998011215/justel

Titel
5 JULI 1998. - Wet betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen.
(NOTA : art. gewijzigd door W 2019-05-05/19, art. 51; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2020)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-07-1998 en tekstbijwerking tot 30-05-2018) Zie wijziging(en)

Bron : ECONOMISCHE ZAKEN
Publicatie : 31-07-1998 nummer :   1998011215 bladzijde : 24613       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 1998-07-05/57
Inwerkingtreding : 01-01-1999

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Procedure van collectieve schuldenregeling en schuldbemiddelaar.
Art. 2
HOOFDSTUK III. - Andere wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 3-13
HOOFDSTUK IV. - Diverse wijzigingsbepalingen.
Art. 14-18
HOOFDSTUK V. - (Centrale voor kredieten aan particulieren) van de Nationale Bank van België. <W 2005-12-13/35, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
Art. 19
HOOFDSTUK VI. - [1 FOD Economie]1
Art. 20, 20bis, 20ter, 20quater
HOOFDSTUK VII. - Inwerkingtreding.
Art. 21

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling.

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK II. - Procedure van collectieve schuldenregeling en schuldbemiddelaar.

  Art. 2. § 1. Het opschrift van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen door het volgende opschrift :
  "Bewarend beslag, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling."
  § 2. In het vijfde deel van hetzelfde Wetboek wordt een titel IV ingevoegd met als opschrift "Collectieve schuldenregeling", die de artikelen 1675/2 tot 1675/19 bevat, luidend als volgt :
  "HOOFDSTUK I. - Procedure van collectieve schuldenregeling.
  Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
  Art. 1675/2. Elke natuurlijke persoon met woonplaats in België, die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel kan, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.
  Indien de in het eerste lid bedoelde persoon vroeger koopman is geweest, kan hij dat verzoek slechts indienen ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel of, zo hij failliet werd verklaard, na de sluiting van het faillissement.
  De persoon waarvan de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling werd herroepen bij toepassing van artikel 1675/15, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot 5°, kan gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis van herroeping geen verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.
  Art. 1675/3. Bij wege van een collectieve schuldenregeling stelt de schuldenaar, onder toezicht van de rechter, aan zijn schuldeisers voor een minnelijke aanzuiveringsregeling te treffen.
  Indien over deze minnelijke aanzuiveringsregeling geen akkoord wordt bereikt, kan de rechter een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen.
  De aanzuiveringsregeling strekt ertoe de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, met name hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden.
  Afdeling 2. - Inleiding van de procedure.
  Art. 1675/4. § 1. De vordering tot collectieve schuldenregeling wordt ingeleid bij verzoekschrift en behandeld overeenkomstig de artikelen 1027 tot 1034.
  § 2. Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen :
  1° de dag, de maand, en het jaar;
  2° de naam, de voornamen, de geboortedatum, het beroep en de woonplaats van de verzoeker en in voorkomend geval de naam, de voornamen, de woonplaats en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;
  3° het onderwerp en in het kort de gronden van de vordering;
  4° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen;
  5° de identiteit van de eventueel voorgestelde schuldbemiddelaar;
  6° naam, voornamen, beroep, woonplaats en geboortedatum van de echtgenoot van de verzoeker of de met de verzoeker samenwonende(n), desgevallend hun huwelijksvermogensstelsel evenals de samenstelling van het gezin;
  7° een gedetailleerde staat en raming van de baten en de lasten van het vermogen van de verzoeker, van het gemeenschappelijk vermogen indien hij gehuwd is onder een stelsel van gemeenschap van goederen en van het vermogen van de echtgenoot of de met de verzoeker samenwonende(n);
  8° een gedetailleerde staat en raming van de, binnen de zes maanden voorafgaand aan de inleiding van het verzoekschrift, vervreemde goederen die deel uitmaakten van de vermogens bedoeld in 7°;
  9° de naam, de voornamen en de woonplaats of, wanneer het een rechtspersoon betreft, de benaming en de zetel van de schuldeisers van de verzoeker en in voorkomend geval van de schuldenaars van de verzoeker en van de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld :
  10° in voorkomend geval de geheel of gedeeltelijk betwiste schulden en de gronden van betwisting;
  11° de procedures tot het verkrijgen van uitstel van betaling, bedoeld in artikel 1334, en die tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten, bedoeld in artikel 1337bis en in artikel 59, § 1, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, waarin de verzoeker betrokken is :
  12° de redenen van de onmogelijkheid om zijn schulden terug te betalen;
  13° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
  § 3. Als de vermeldingen onvolledig zijn, vraagt de rechter binnen acht dagen de verzoeker om zijn verzoekschrift aan te vullen.
  Art. 1675/5. <ERR, B.St. 18-09-1998, p. 30343> De procedures bedoeld in artikel 1675/4, § 2, 11°, zijn geschorst, zolang geen uitspraak is gedaan over de toelaatbaarheid van de vordering tot het bekomen van een collectieve schuldenregeling.
  De beschikking van toelaatbaarheid houdt van rechtswege de schrapping in van de ingediende vorderingen op grond van de procedures bedoeld in het eerste lid.
  Art. 1675/6. § 1. Onverminderd artikel 1028, tweede lid, doet de rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van de vordering binnen acht dagen na indiening van het verzoekschrift. Als de rechter aan de verzoeker vraagt zijn verzoekschrift aan te vullen overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, volgt de beschikking over de toelaatbaarheid uiterlijk acht dagen na neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift ter griffie.
  § 2 Als de rechter het verzoek toelaatbaar acht, stelt hij in zijn beschikking, met diens akkoord, een schuldbemiddelaar aan en, in voorkomend geval, een gerechtsdeurwaarder en/of een notaris.
  § 3. In zijn beschikking doet de rechter ambtshalve uitspraak over de eventuele toekenning van volledige of gedeeltelijke rechtsbijstand.
  § 4. De griffie betekent de beschikking aan de griffies van de rechtbanken waarbij de in artikel 1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn gemaakt.
  Art. 1675/7. § 1. Onverminderd de toepassing van § 3, doet de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg.
  Tot de boedel behoren alle goederen van de verzoeker op het ogenblik van de beschikking, alsmede de goederen die hij tijdens de uitvoering van de collectieve aanzuiveringsregeling verkrijgt.
  § 2. Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom worden geschorst. De reeds gelegde beslagen behouden echter hun bewarende werking.
  Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel.
  § 3. De beschikking van toelaatbaarheid houdt voor de verzoeker het verbod in om, behoudens toestemming van de rechter :
  - enige daad te stellen die een normaal vermogensbeheer te buiten gaat;
  - enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen, behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft;
  - zijn onvermogen te vergroten.
  § 4. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid lopen verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling.
  § 5. Onverminderd de toepassing van artikel 1675/15 is iedere daad gesteld door de schuldenaar in weerwil van de gevolgen verbonden aan de beschikking van toelaatbaarheid niet tegenwerpbaar aan de schuldeisers.
  § 6. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid vangen aan de eerste dag die volgt op het opmaken van het bericht van collectieve schuldenregeling bedoeld in artikel 1390quinquies.
  Art. 1675/8. Tenzij deze opdracht hem reeds was toevertrouwd in de beschikking van toelaatbaarheid kan de schuldbemiddelaar, belast met een procedure van minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, zich richten tot de rechter overeenkomstig (artikel 1675/14, § 2, derde lid,) teneinde de schuldenaar of een derde te gelasten hem al de nuttige inlichtingen te verstrekken over verrichtingen uitgevoerd door de schuldenaar en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen. <ERR, B.St. 18-09-1998, p. 30343>
  Hoedanook kan de derde gehouden tot het beroepsgeheim of tot de zwijgplicht, zich daarop niet beroepen. De artikelen 877 tot 882 zijn op hem van toepassing.
  Art. 1675/9. § 1. Uiterlijk drie dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid moet de griffier deze bij gerechtsbrief ter kennis brengen van :
  1° de verzoeker onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7, evenals aan zijn echtgenoot-niet verzoeker;
  2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van een afschrift van het verzoekschrift en van de als bijlage toegevoegde stukken, van een formulier van aangifte van schuldvordering, van de tekst van § 2, van dit artikel en van de tekst van artikel 1675/7;
  3° de schuldbemiddelaar onder toevoeging van een afschrift van het verzoekschrift en van de als bijlage toegevoegde stukken;
  4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van een afschrift van de tekst van artikel 1675/7. Zij worden ervan op de hoogte gebracht dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, in handen van de schuldbemiddelaar moet gebeuren.
  Deze kennisgeving geldt als (betekening). <ERR, B.St. 18-09-1998, p. 30343>
  § 2. De aangifte van schuldvordering moet uiterlijk een maand na toezending van de beschikking van toelaatbaarheid bij de schuldbemiddelaar worden verricht, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht, hetzij bij aangifte op zijn kantoor met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde.
  Die aangifte omschrijft de aard van de schuldvordering alsmede de verantwoording ervan, het bedrag ervan in hoofdsom, interesten en kosten, de eventuele redenen van voorrang, alsook de procedures waartoe ze aanleiding kan geven.
  Afdeling 3. - Minnelijke aanzuiveringsregeling.
  Art. 1675/10. § 1. De schuldbemiddelaar neemt ter plaatse op de griffie kennis van de op naam van de schuldenaar opgestelde berichten van beslag, delegatie en overdracht.
  § 2. De schuldbemiddelaar stelt een ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling op dat de noodzakelijke maatregelen bevat voor de verwezenlijking van de in artikel 1675/3, derde lid, bedoelde doelstelling.
  § 3. Alleen de niet betwiste schuldvorderingen of die welke bij een titel, zelfs een onderhandse, zijn vastgesteld, kunnen in het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling worden opgenomen ten belope van de aldus verantwoorde bedragen.
  § 4. De schuldbemiddelaar zendt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht naar de schuldenaar, in voorkomend geval diens echtgenoot, en de schuldeisers.
  De regeling moet door alle belanghebbende partijen goedgekeurd worden. Ieder bezwaar moet ofwel bij ter post aangetekende brief met ontvangstbericht ofwel door middel van een verklaring bij de schuldbemiddelaar uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden ingebracht. Bij ontstentenis van bezwaar onder die voorwaarden en binnen die termijn, worden de partijen geacht met de regeling in te stemmen.
  Artikel 51 is niet van toepassing.
  Het bericht gezonden naar de belanghebbende partijen neemt de tekst over van het tweede lid van deze paragraaf.
  § 5. Bij instemming bezorgt de schuldbemiddelaar de minnelijke aanzuiveringsregeling, het verslag van zijn werkzaamheden en de dossierstukken aan de rechter.
  De rechter doet uitspraak op stukken en neemt akte van het gesloten akkoord. Artikel 1043, tweede lid, is van toepassing.
  Afdeling 4. - Gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
  Art. 1675/11. § 1. Wanneer de schuldbemiddelaar vaststelt dat geen overeenkomst over een minnelijke aanzuiveringsregeling kan worden bereikt en in ieder geval wanneer binnen de vier maanden te rekenen van zijn aanwijzing geen overeenkomst kon worden bereikt, maakt hij een proces-verbaal in die zin op dat hij, met het oog op een eventuele gerechtelijke aanzuiveringsregeling, aan de rechter bezorgt.
  De schuldbemiddelaar legt het dossier van de procedure van minnelijke aanzuiveringsregeling, met toevoeging van zijn opmerkingen, ter griffie neer.
  § 2. De rechter bepaalt op een nabije datum een rechtsdag. De griffier roept de partijen en de schuldbemiddelaar op bij gerechtsbrief. De schuldbemiddelaar brengt verslag uit. De rechter doet uitspraak uiterlijk vijftien dagen volgend op het sluiten van de debatten.
  § 3. Wanneer het bestaan of het bedrag van een schuldvordering betwist wordt, stelt de rechter, totdat daarover uitspraak zal zijn gedaan, voorlopig vast welk gedeelte van het betwist bedrag in consignatie moet worden gegeven, rekening ook gehouden, in voorkomend geval, met het dividend dat op grond van de aanzuiveringsregeling wordt toegewezen. In voorkomend geval, zijn de artikelen 661 en 662 van toepassing.
  § 4. In afwijking van de artikelen 2028 tot 2032 en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, hebben de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld slechts verhaal op de schuldenaar in de mate dat zij deelnemen aan de aanzuiveringsregeling en mits eerbiediging ervan.
  Art. 1675/12. § 1. De rechter, kan, mits eerbiediging van de gelijkheid onder schuldeisers, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen die de volgende maatregelen kan bevatten :
  1° uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten;
  2° vermindering van de conventionele rentevoet tot de wettelijke rentevoet;
  3° opschorting, voor de duur van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, van de gevolgen van de zakelijke zekerheden, zonder dat deze maatregel de grondslag kan schaden, evenals opschorting van de uitwerking van de overdrachten van schuldvordering;
  4° gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire interesten, vergoedingen en kosten.
  § 2. Het vonnis geeft de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die de vijf jaar niet mag overschrijden.
  De terugbetalingstermijn van de kredietovereenkomsten kan worden verlengd. De verlengde terugbetalingstermijn van deze kredietovereenkomsten mag de duurtijd van de aanzuiveringsregeling, zoals vastgesteld door de rechter, vermeerderd met de helft van de resterende looptijd van deze kredietovereenkomsten niet overschrijden.
  § 3. De rechter maakt die maatregelen afhankelijk van de vervulling door de schuldenaar van passende handelingen om de betaling van de schuld te vergemakkelijken of te waarborgen. Hij maakt ze ook afhankelijk van het zich onthouden door de schuldenaar van daden die zijn onvermogen zouden doen toenemen.
  § 4. Onverminderd de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op het bestaansminimum en met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412.
  Art. 1675/13. § 1. Indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te bereiken, kan de rechter, op vraag van de schuldenaar, besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal onder de volgende voorwaarden :
  - alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar, overeenkomstig de regels inzake de gedwongen tenuitvoerleggingen. De verdeling heeft plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang;
  - na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp uit van een aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft, bedoeld in artikel 1412, eerste lid.
  Onverminderd artikel 1675/15, § 2, kan de kwijtschelding van schulden maar verkregen worden als de schuldenaar de door de rechter opgelegde aanzuiveringsregeling heeft nageleefd, en behoudens terugkeer van de schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
  § 2. Het vonnis duidt de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die ligt tussen drie en vijf jaar. Artikel 51 is niet van toepassing.
  § 3. De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden :
  - de onderhoudsgelden die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling;
  - de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;
  - de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement.
  § 4. In afwijking van de voorgaande paragraaf kan de rechter kwijtschelding verlenen voor de schulden van een gefailleerde die overblijven na een faillissement waarvan de sluiting is uitgesproken met toepassing van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, de bankbreuk en de opschorting van betaling sedert ten minste 10 jaar op het moment van neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4. Deze kwijtschelding kan niet worden verleend aan de gefailleerde die veroordeeld werd wegens eenvoudige of bedrieglijke bankbreuk.
  § 5. Onverminderd de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op het bestaansminimum en met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412.
  Afdeling 5. - Bepalingen gemeenschappelijk aan beide procedures. <ERR, B.St. 18-09-1998, p. 30343>
  Art. 1675/14. § 1. De schuldbemiddelaar wordt belast met de opvolging en de controle van de in de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling bepaalde maatregelen.
  De schuldenaar stelt de schuldbemiddelaar onverwijld in kennis van iedere wijziging van zijn vermogenstoestand die optrad na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4.
  § 2. De zaak blijft ingeschreven op de rol van de beslagrechter, ook in geval van beschikking van toelaatbaarheid in hoger beroep, tot het einde of de herroeping van de regeling.
  Artikel 730, § 2, a, eerste lid, is niet van toepassing.
  Bij moeilijkheden die de tenuitvoerlegging van de regeling belemmeren of wanneer nieuwe feiten opduiken, die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen, laat de schuldbemiddelaar, de schuldenaar of een belanghebbende schuldeiser, door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden, de zaak opnieuw voor de rechter brengen.
  De griffier stelt de schuldenaar en de schuldeisers in kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt.
  § 3. De schuldbemiddelaar laat op het bericht van collectieve schuldenregeling, de collectieve aanzuiveringsregeling vermelden, haar verwerping, en de datum waarop die eindigt of wordt herroepen.
  Art. 1675/15. § 1. De herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan worden uitgesproken door de rechter, aan wie de zaak, door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden, opnieuw wordt voorgelegd, op verzoek van de schuldbemiddelaar of van een belanghebbende schuldeiser wanneer de schuldenaar :
  1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;
  2° hetzij zijn verplichtingen niet nakomt;
  3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd;
  4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt;
  5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd.
  De griffier stelt de schuldenaar en de schuldeisers in kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt.
  § 2. Elke schuldeiser kan vanaf het einde van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling die een kwijtschelding van schulden in hoofdsom inhoudt, gedurende een periode van vijf jaar aan de rechter een herroeping van de regeling vragen omwille van een bedrieglijke handeling in zijn nadeel gesteld door de schuldenaar.
  § 3. In geval van herroeping herwinnen de schuldeisers individueel het recht hun vordering uit te oefenen op de goederen van de schuldenaar voor de inning van het niet betaalde deel van hun schuldvorderingen.
  Art. 1675/16. De uitspraken die door de rechter worden gedaan in het raam van de procedure van de collectieve schuldenregeling, worden door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht.
  Zij zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling.
  Behalve wat de beschikking van toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/6 betreft, zijn zij niet vatbaar voor derdenverzet.
  De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet.
  HOOFDSTUK II. - De schuldbemiddelaar.
  Art. 1675/17. § 1. Als schuldbemiddelaar kunnen slechts worden aangewezen :
  - de advocaten, de ministeriële ambtenaren of de gerechtelijke mandatarissen in de uitoefening van hun beroep of ambt;
  - de overheidsinstellingen of de particuliere instellingen, die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend. Deze instellingen doen hiervoor een beroep op natuurlijke personen die aan de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden voldoen.
  § 2. De schuldbemiddelaar moet onafhankelijk en onpartijdig zijn tegenover de betrokken partijen.
  De schuldbemiddelaar kan worden gewraakt indien er wettige redenen zijn om te twijfelen aan zijn onpartijdigheid of zijn onafhankelijkheid. Een partij kan de door haar voorgedragen schuldbemiddelaar alleen wraken om een reden of een feit waarvan ze pas in kennis werd gesteld nadat de schuldbemiddelaar was aangewezen. Geen wraking kan nog worden voorgedragen na het verstrijken van de in artikel 1675/9, § 2, bedoelde termijn voor aangifte van de schuldvordering, tenzij de partij slechts na verloop van deze termijn kennis heeft gekregen van de reden van wraking. De wrakingsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 970 en 971.
  § 3. De rechter ziet toe op de naleving van de bepalingen inzake de collectieve schuldenregeling. Stelt hij een verzuim vast in hoofde van de schuldbemiddelaar, dan geeft hij hiervan kennis aan de procureur des Konings, die oordeelt welke tuchtrechtelijke gevolgen zulks kan meebrengen of aan de in § 1, tweede streepje, van dit artikel, bedoelde bevoegde overheid.
  Ieder jaar, telkens de rechter het (verzoekt) en op het einde van de aanzuiveringsregeling maakt de schuldbemiddelaar aan de rechter een verslag over omtrent de stand van de procedure en haar verloop. <ERR, B.St. 18-09-1998, p. 30343>
  De staat van kosten, ereloon of emolumenten bedoeld in artikel 1675/19, wordt opgenomen op het einde van het verslag.
  De schuldenaar en de schuldeisers kunnen kennisnemen van dit verslag ter griffie en zonder verplaatsing.
  § 4. In geval van verhindering van de schuldbemiddelaar voorziet de rechter ambtshalve in diens vervanging. De rechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van iedere belanghebbende, te allen tijde en zo dit volstrekt noodzakelijk blijkt, de schuldbemiddelaar vervangen. De schuldbemiddelaar wordt vooraf opgeroepen om in raadkamer (te worden gehoord). <ERR, B.St. 18-09-1998, p. 30343>
  Art. 1675/18. Onverminderd de verplichtingen die hem door de wet worden opgelegd en behalve wanneer hij wordt opgeroepen om in rechte te getuigen, mag de schuldbemiddelaar geen feiten bekend maken waarvan hij kennis had uit hoofde van zijn functie. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.
  Art. 1675/19. De regels en barema's tot vaststelling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar worden door de Koning bepaald. De Koning oefent deze bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de Ministers tot wier bevoegdheid Justitie en Economische Zaken behoren.
  De staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar komt ten laste van de schuldenaar en wordt bij voorrang betaald.
  Tenzij deze maatregelen getroffen werden door de beschikking bedoeld in (artikel 1675/10, § 5), in artikel 1675/12 of in artikel 1675/13, geeft de rechter, op verzoek van de schuldbemiddelaar, een bevel tot tenuitvoerlegging voor het voorschot dat hij bepaalt of ten belope van het bedrag van de erelonen, emolumenten en kosten dat hij vaststelt. Zo nodig hoort hij voorafgaandelijk in raadkamer de opmerkingen van de schuldenaar, van de schuldeisers en van de schuldbemiddelaar. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Bij elk verzoek van de schuldbemiddelaar wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties en van de gedragen of te dragen kosten gevoegd.". <ERR, B.St. 18-09-1998, p. 30343>

  HOOFDSTUK III. - Andere wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 3. In artikel 1326, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "en de verkoop uit de hand vermeld in de artikelen 1580bis en 1580ter" ingevoegd tussen de woorden "De openbare verkopingen vermeld in artikel 1621" en het woord "brengen".

  Art. 4. Een artikel 1390quinquies, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
  "Art. 1390quinquies. Binnen de vierentwintig uur na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid, wordt door de griffier een bericht van collectieve schuldenregeling opgemaakt om, desgevallend, te worden gevoegd bij de berichten van beslag bedoeld in artikel 1390. Het model van de berichten van collectieve schuldenregeling wordt door de Koning opgemaakt.".

  Art. 5. In artikel 1391 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "berichten van beslag, delegatie en overdracht" telkens vervangen door de woorden "berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling".

  Art. 6. Artikel 1564, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met het volgende lid :
  "Het bevel brengt ter kennis van de schuldenaar dat hij aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed kan overmaken binnen de acht dagen van het betekenen van het exploot van beslaglegging.".

  Art. 7. In artikel 1567, tweede lid, worden tussen de woorden "hetzij uit hoofde van een verzoek om uitstel," en de woorden "kan de vervolger" de woorden "hetzij uit hoofde van een procedure van collectieve schuldenregeling," ingevoegd.

  Art. 8. Artikel 1568, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met een 4°, luidend als volgt :
  "4° de vermelding van de mogelijkheid die de schuldenaar geboden wordt, om binnen de acht dagen die volgen op het betekenen van het exploot van beslaglegging, op straffe van onontvankelijkheid, aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed over te maken.".

  Art. 9. In artikel 1580, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden tussen de woorden "de veiling" en "van de in beslag genomen goederen" de woorden "of de verkoop uit de hand" ingevoegd.

  Art. 10. Een artikel 1580bis, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
  "Art. 1580bis. Indien het belang van de partijen zulks vereist, kan de rechter de verkoop uit de hand bevelen.
  Bij tegeldemaking van het onroerend goed dat als hoofdverblijf van de schuldenaar dient, kan de rechter bovendien als verkrijger de persoon aanduiden die aan de schuldenaar het gebruik van zijn woning laat.
  De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een exploot van beslaglegging hebben laten overschrijven, de beslagene en desgevallend de derde houder moeten worden gehoord of bij gerechtsbrief behoorlijk worden opgeroepen.
  De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand en, desgevallend, de aanduiding van de verkrijger overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en desgevallend van de derde houder, dienen.
  Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
  De verkoop moet geschieden binnen de vastgestelde termijn en door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd.
  Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
  De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.".

  Art. 11. Een artikel 1580ter, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
  "Art. 1580ter. Wanneer de beslagleggende schuldeiser machtiging vraagt om uit de hand te verkopen, legt hij de rechter een door een notaris opgesteld ontwerp van verkoopakte voor en zet de redenen uiteen waarom de verkoop uit de hand geboden is.
  De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een beslag hebben laten overschrijven, de beslagene en desgevallend de derde houder moeten worden gehoord of bij gerechtsbrief behoorlijk worden opgeroepen.
  De machtiging wordt verleend indien het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder zulks vereist.
  De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder, dient.
  Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
  De verkoop moet geschieden, binnen de vastgestelde termijn, door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd en overeenkomstig het ontwerp van verkoopakte dat aan de rechter is voorgelegd.
  Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
  De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.".

  Art. 12. Een artikel 1580quater, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
  "Art. 1580quater. Wanneer artikel 1580bis of artikel 1580ter wordt toegepast, blijft de zaak ingeschreven op de rol tot het verlijden van de notariële akte. Bij moeilijkheden kan zij opnieuw voor de rechter gebracht worden door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden.
  Bij weigering van toelating tot verkoop uit de hand of bij het niet plaats vinden ervan benoemt de rechter een notaris belast met de veiling van de goederen en met de verrichtingen tot rangregeling.".

  Art. 13. In artikel 1581, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden tussen de woorden "de veiling" en "van de in beslag genomen goederen" de woorden "of de verkoop uit de hand" ingevoegd.

  HOOFDSTUK IV. - Diverse wijzigingsbepalingen.

  Art. 14. Artikel 69, § 4, eerste lid, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, gewijzigd door artikel 3, 2°, van de wet van 6 juli 1992, wordt aangevuld met een 8° luidend als volgt :
  "8° de schuldbemiddelaar bij de uitvoering van zijn opdracht in het kader van een collectieve schuldenregeling, zoals bedoeld in de artikelen 1675/2 tot 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek.".

  Art. 15. In het Burgerlijk Wetboek wordt een artikel 2276quater ingevoegd luidend als volgt :
  "Art. 2276quater. De schuldbemiddelaars zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid vijf jaar na het beëindigen van hun taak.".

  Art. 16. Artikel 162 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt aangevuld met een 46°, luidend als volgt :
  "46° de akten, vonnissen en arresten, betreffende de procedure van collectieve schuldenregeling ingesteld overeenkomstig de artikelen 1675/2 tot en met 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek.".

  Art. 17. Artikel 99 van de hypotheekwet van 16 december 1851 wordt aangevuld met het volgende lid :
  "In de aanmaning wordt de mogelijkheid van de derde-bezitter vermeld om, op straffe van onontvankelijkheid, binnen de acht dagen die volgen op de betekening van het op hem verrichte beslag, aan de rechter ieder koopaanbod uit de hand van zijn onroerend goed over te maken.".

  Art. 18. Artikel 97 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn wordt aangevuld met een derde lid, luidend als volgt :
  "Het voorgaande lid heeft geen toepassing op de door een OCMW, bij toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, gemaakte kosten inzake schuldbemiddeling.".

  HOOFDSTUK V. - (Centrale voor kredieten aan particulieren) van de Nationale Bank van België. <W 2005-12-13/35, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>

  Art. 19.
  § 1. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de gegevens met betrekking tot de berichten van collectieve schuldenregeling, die in de (Centrale voor kredieten aan particulieren van de Nationale Bank van België moeten worden geregistreerd, evenals de personen die ertoe gehouden zijn deze gegevens te sturen naar deze Centrale voor Kredieten). <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  § 2. Deze gegevens moeten overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels worden ingezien door de personen bedoeld in artikel 69, § 4, eerste lid, 1°, 2°, 3° en 5°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, gewijzigd door artikel 3, 2°, van de wet van 6 juli 1992 (...) <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  De aanvragen tot raadpleging moeten de personen individualiseren op wie de raadpleging betrekking heeft aan de hand van hun [1 identificatienummer van het Rijksregister,]1 naam, voornaam, en geboortedatum.
  § 3. Deze gegevens mogen enkel gebruikt worden in het raam van :
  1° het verstrekken, het beheer of het uitvoeren van kredietovereenkomsten of betalingsmiddelen, of
  2° de opdracht toevertrouwd aan een schuldbemiddelaar krachtens een procedure van collectieve schuldenregeling.
  Zodra zij verkregen zijn mogen zij niet meer medegedeeld worden aan andere personen.
  § 4. Deze gegevens moeten worden uitgewist wanneer het behoud ervan in de (Centrale voor kredieten aan particulieren) niet meer verantwoord is. De Koning bepaalt een termijn voor de bewaring van de gegevens of van categorieën van gegevens. <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  § 5. De Nationale Bank van België kan, met het akkoord van de Minister van Financiën en van de Minister van Economische Zaken, de bedragen vaststellen die haar verschuldigd zijn uit hoofde van de kosten met betrekking tot de raadpleging van deze gegevens.
  § 6. De buitenlandse risicocentrales die belast zijn met een gelijkaardige opdracht kunnen eveneens de gegevens verworven door de (Centrale voor kredieten aan particulieren) ontvangen. <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  § 7. De Koning (oefent de bevoegdheden uit), Hem toegekend bij dit artikel, op de gezamenlijke voordracht van de ministers die Financiën, Economische Zaken en Justitie onder hun bevoegdheid hebben, na raadpleging van de Nationale Bank van België en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. <ERR, B.St. 18-09-1998, p. 30343>
  ----------
  (1)<W 2010-06-13/02, art. 64, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2010>

  HOOFDSTUK VI. - [1 FOD Economie]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-26/03, art. 60, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 20.[1 § 1. De FOD Economie wordt belast met de betaling van :
   1° het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaars, voor de verrichtingen, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek;
   2° van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren gericht tot de personen bedoeld in deze wet met betrekking tot de doelstellingen en de werking van deze wet, en meer in het algemeen, de financiering van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren omtrent schuldoverlast. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de modaliteiten en de nadere regels betreffende de toekenning van de middelen van de FOD Economie die worden gebruikt voor deze maatregelen inzake informatie en sensibiliseren;
   3° het gedeelte van de erelonen, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaars dat door de rechter bepaald is overeenkomstig artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek;
   4° de inrichtings- en werkingskosten van de FOD Economie, van de kosten van het administratieve personeel en van het controlepersoneel toegewezen voor de uitvoering van de opdrachten bedoeld in deze paragraaf.
  5° [4 ...]4
   § 2. Om de tussenkomst van de FOD Economie te verkrijgen, delen de schuldbemiddelaars aan de FOD Economie het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van hun ereloon, de emolumenten en de kosten voor de verrichtingen uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek, mee. Zij dienen hun aanvraag tot betaling in bij een aangetekende zending gericht aan de FOD Economie of aan de hand van elk andere communicatiemiddel uitdrukkelijk aanvaard door de FOD Economie. Deze aanvraag bevat de volgende documenten en inlichtingen :
   1° het bevel van tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek en waar nodig een afschrift van de verslagen, bedoeld in artikel 1675/17, § 3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de bedragen die door de rechter niet ten laste zijn gelegd van de FOD Economie, levert de schuldbemiddelaar het bewijs van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de toepassing van deze wet worden de gerechtelijke beslissingen die verwijzen naar het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast geacht te verwijzen naar de FOD Economie;
   2° een gedagtekende en ondertekende verklaring van de schuldbemiddelaar, waarbij hij de naam van de consument voor wie hij tussenkomt, het bedrag van het onbetaald gebleven saldo evenals het gerechtelijk arrondissement binnen hetwelk de uitvoerbare titel bedoelt in artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek werd afgeleverd, meedeelt;
   3° het rekeningnummer waarop de betaling door de FOD Economie gebeurt;
   4° elke inlichting die van aard is om de aanvraag tot betaling te staven.
   De FOD Economie controleert naar vorm en inhoud de aanvraag tot betaling van de schuldbemiddelaar. Wanneer de aanvraag niet volledig is, verwittigt de FOD de schuldbemiddelaar en wijst hij op de ontbrekende gegevens en documenten. De aanvraag wordt geacht volledig te zijn op de dag dat de FOD Economie alle ontbrekende gegevens en documenten heeft ontvangen.
   De betaling door de FOD Economie gebeurt binnen de drie maanden nadat de volledige aanvraag bij de FOD is toegekomen. Indien de betaling niet kan plaatsvinden binnen de drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag, wordt de schuldbemiddelaar hiervan verwittigd.
   Wanneer de lopende middelen van de FOD Economie een tekort vertonen voor het lopende begrotingsjaar, worden de betalingen bedoeld bij het derde lid, overgedragen naar het volgende begrotingsjaar. Zij worden bij voorrang vereffend.
   Wanneer ingevolge een materiële vergissing blijkt dat de FOD tot een niet-verschuldigde betaling is overgegaan, vordert hij de terugbetaling van de niet-verschuldigde sommen. Wanneer ingevolge bedrog, list of valse verklaring vanwege de schuldbemiddelaar blijkt dat het FOD Economie tot een niet-verschuldigde betaling is overgegaan, vordert het de terugbetaling van de niet-verschuldigde sommen, verhoogd met een nalatigheidsintrest die berekend wordt tegen de wettelijke intrestvoet te rekenen vanaf de dag van de betaling van deze sommen. In voorkomend geval zijn de artikelen 1289 tot 1299 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
   § 3. Om de uitgaven van de FOD Economie te stijven, zijn gehouden een jaarlijkse bijdrage te betalen :
   1° de kredietgevers. Worden als kredietgevers beschouwd, de ondernemingen die onderworpen zijn [2 aan Titel 4, Hoofdstuk 4]2, afdeling 1 tot 3, van boek VII van het Wetboek van economisch recht;
   2° het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) voor rekening van de operatoren die activiteiten uitoefenen bedoeld in artikel 2, 4° en 5°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
   3° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) voor rekening van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
   4° de Kansspelcommissie voor rekening van de kansspelinrichtingen bedoeld in de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
   De jaarlijkse bijdrage is eenmalig en ondeelbaar verschuldigd. De bijdrageplichtigen zijn ertoe gehouden op verzoek van de FOD Economie, de verschuldigde bijdragen over te schrijven op de ontvangstenrekening van de FOD. Het verzoek gebeurt bij een aangetekende zending. De bijdrageplichtigen maken de bijdragen over ten laatste binnen de maand vanaf de dag die volgt op de afgifte van de aangetekende zending.
   De FOD Economie gaat over tot een nazicht van de overschrijving. In geval de bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald, handelt de FOD overeenkomstig artikel 20bis.
   De berekening van de bijdrage van de kredietgevers gebeurt op basis van een coëfficiënt toegepast op het totaal bedrag van de betalingsachterstanden van de kredietovereenkomsten geregistreerd op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd in de Centrale voor kredieten aan particulieren beheerd door de Nationale Bank van België. Deze gegevens worden door de Nationale Bank van België medegedeeld aan de FOD Economie.
   Deze coëfficiënt bedraagt :
   1° 0,30 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de personen die hypothecair krediet verstrekken;
   2° 3 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de personen die consumentenkrediet verstrekken.
   De bijdrage van de kredietgevers is slechts verschuldigd wanneer zij meer bedraagt dan 25 euro. De Koning kan dit bedrag wijzigen in functie van de inningskosten van de FOD Economie, na advies van het Begeleidingscomité.
   De bijdrage van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, bedraagt respectievelijk 1.200.000 euro, 600.000 euro en 200.000 euro.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de coëfficiënten weerhouden voor de bijdrage van de kredietgevers, de bedragen van de bijdragen van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, de lijst van de bijdrageplichtigen of de verdeling onder hen, wijzigen, rekening houdend met het deel dat hun schuldvorderingen vertegenwoordigen in de schuldenlast van particulieren en de bijdragen die zij verrichten krachtens andere wettelijke bepalingen om voormelde schuldenlast te verminderen.
   De Koning kan nadere voorwaarden en regels bepalen betreffende het innen van de toegewezen ontvangsten en de betaling van de toegestane uitgaven.
   In geval van intrekking of schorsing van de vergunning of de registratie met toepassing van boek VII van het Wetboek van economisch recht, blijft de kredietgever onderworpen aan de verplichting tot bijdrage. Indien de rechten die voortvloeien uit een kredietovereenkomst het voorwerp uitmaken van een overdracht van schuldvordering, blijft de bijdrage verschuldigd door de overdrager; wanneer de overdrager niet meer bestaat, is de bijdrage verschuldigd door de overnemer.
   § 4. Er wordt een Begeleidingscomité opgericht dat de werkzaamheden van de FOD Economie verder opvolgt. Dit Begeleidingscomité is samengesteld als volgt :
   1° de leidinggevende ambtenaar aangeduid door de minister bevoegd voor Economie, die het voorzitterschap waarneemt;
   2° een ambtenaar van de FOD Economie aangeduid door de minister bevoegd voor de Economie;
   3° een ambtenaar van de FOD Justitie, Bestuur Burgerlijke Wetgeving en Erediensten, aangeduid door de minister bevoegd voor Justitie;
   4° een lid, aangeduid door de Nationale Bank van België;
   5° een lid, aangeduid door de Belgische Vereniging van Banken en een lid aangeduid door de Beroepsverening van het Krediet, die niet tot een kredietinstelling behoort;
   6° een lid aangeduid door de Orde van Vlaamse Balies en een lid aangeduid door de "Ordre des barreaux francophones et germanophone";
   7° een lid aangeduid door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders;
   8° een lid aangeduid door de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen;
   9° een lid aangeduid door de Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten.
   Het Begeleidingscomité heeft als opdracht :
   1° aan de ministers die Economie, Justitie en Financiën onder hun bevoegdheden hebben, een jaarverslag uitbrengen over de opdrachten uitgevoerd door de FOD Economie overeenkomstig paragraaf 1. De leidinggevende ambtenaar van de FOD Economie of zijn gedelegeerde verschaft hierover ruimschoots op voorhand aan het begeleidingscomité of aan elk lid die hier om vraagt de nodige informatie over de cijfers betreffende de inkomsten en uitgaven van de FOD Economie in de uitoefening van zijn taken bedoeld in dit artikel;
   2° de adviezen op te maken die voorzien zijn door deze wet;
   3° het opstellen van het reglement van inwendige orde.
   Aan de leden van het Begeleidingscomité worden geen presentiegelden, noch vergoedingen of terugbetalingen van kosten toegekend. Het secretariaat van het Begeleidingscomité wordt waargenomen door de FOD Economie.
   § 5. Een bedrag van ten hoogste 25 % van de door de bijdragebetalers verschuldigde bijdragen mag worden gebruikt ter betaling van de maatregelen inzake informatie en sensibiliseren, bedoeld in paragraaf 1, 2°.
   Het begeleidingscomité selecteert, volgens de procedure die het bepaalt, de projecten die beantwoorden aan de doelstelling beoogd door paragraaf 1, 2°. Het legt die ter goedkeuring voor aan de minister bevoegd voor Economie.
   Het begeleidingscomité bepaalt de beoordelingscriteria voor de projecten en brengt elk jaar aan de minister bevoegd voor Economie advies uit over de uitgevoerde maatregelen inzake informatie en sensibiliseren omtrent schuldoverlast op basis van een verslag van de bevoegde ambtenaar bij de FOD Economie. De bevoegde ambtenaar van de FOD Economie of zijn gemachtigde is belast met de opvolging en de controle van de opdrachten toevertrouwd aan derden. Voor elke opdracht wordt de bevoegde ambtenaar, of zijn gemachtigde, bijgestaan door het Begeleidingscomité, dat hiertoe onder zijn leden een of meer personen kan aanduiden.
   § 6. De Koning oefent de Hem bij dit artikel toegekende bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de Ministers die Economie en Justitie onder hun bevoegdheid hebben.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-26/03, art. 61, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<W 2016-06-29/01, art. 57, 012; Inwerkingtreding : 16-07-2016>
  (3)<W 2016-12-25/14, art. 108, 013; Inwerkingtreding : 09-01-2017>
  (4)<W 2018-05-25/02, art. 61, 014; Inwerkingtreding : 09-06-2018>

  Art. 20bis.<Ingevoegd bij W 2002-04-19/39, art. 3; Inwerkingtreding : 17-06-2002> Ingeval de in dit hoofdstuk bedoelde bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald door de kredietgevers, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, wordt de kredietgever verbod opgelegd nog verder hypothecaire leningen en kredietopeningen, hypothecaire kredieten of consumentenkredieten te verlenen vanaf de vijftiende kalenderdag, volgend op de dag van de kennisgeving van de ingebrekestelling van de betaling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
  De ingebrekestelling herneemt de tekst van het voorgaande lid.
  De voornoemde maatregel neemt van rechtswege een einde op de eerste dag, volgend op die waarop de verplichte bijdrage op de rekening van [2 de FOD Economie]2 wordt gecrediteerd.
  [1 Ingeval de in dit hoofdstuk bedoelde bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald door de personen bedoeld [2 in artikel 20, § 1, eerste lid, 2° tot 4°]2, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, wordt de bijdrage ambtshalve verhoogd met 50 % vanaf de vijftiende kalenderdag volgend op de dag van de kennisgeving van de ingebrekestelling van de betaling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
   De ingebrekestelling herneemt de tekst van het voorgaande lid.]1
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 186, 007; Inwerkingtreding : 30-12-2009>
  (2)<W 2015-12-26/03, art. 62, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 20ter.<Ingevoegd bij W 2002-04-19/39, art. 3; Inwerkingtreding : 17-06-2002> § 1. Met een geldboete van 250 EUR tot 50.000 EUR worden gestraft :
  1° zij die de bijdragen, verschuldigd aan [1 de FOD Economie]1, niet betalen, onvolledig betalen of niet tijdig betalen;
  2° zij die in weerwil van het verbod bedoeld in artikel 20bis , doorgaan met het afsluiten van hypothecaire leningen of kredietopeningen, hypothecaire kredieten of consumentenkredieten;
  3° zij die opzettelijk het vervullen van de opdracht van de in artikel 20quater genoemde personen met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken aan de bepalingen van dit hoofdstuk verhinderen of belemmeren.
  § 2. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in § 1.
  ----------
  (1)<W 2015-12-26/03, art. 63, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 20quater. <Ingevoegd bij W 2002-04-19/39, art. 3; Inwerkingtreding : 17-06-2002> § 1. Onverminderd de plichten van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de door de Minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren aangestelde ambtenaren bevoegd om de in artikel 20ter vermelde inbreuken op te sporen en vast te stellen. De processen-verbaal welke door die ambtenaren worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift ervan wordt bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding binnen dertig dagen na de datum van de vaststellingen, aan de overtreder toegezonden.
  § 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren :
  1° binnentreden tijdens de gewone openings- of werkuren in de lokalen en vertrekken waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
  2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering en ter plaatse de bescheiden, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
  3° tegen ontvangstbewijs beslag leggen op de in punt 2. bedoelde documenten, noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen; bij ontstentenis van een bevestiging door het openbaar ministerie binnen de tien werkdagen is het beslag van rechtswege opgeheven;
  4° indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank. De bezoeken in de bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden.
  § 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren de bijstand van de federale politie vorderen.
  § 4. De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal. Voor hun overige taken blijven zij ondergeschikt aan hun meerderen in het bestuur.

  HOOFDSTUK VII. - Inwerkingtreding.

  Art. 21.Deze wet treedt in werking de eerste dag van de zesde maand na die waarin zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gedaan te Brussel, 5 juli 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Econonie,
E. DI RUPO
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
De Minister van Financiën,
J.-J. VISEUR
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

originele versie
1998011271
PUBLICATIE :
1998-09-18
bladzijde : 30343

Errata



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 05-05-2019 GEPUBL. OP 19-06-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • WET VAN 25-05-2018 GEPUBL. OP 30-05-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • WET VAN 25-12-2016 GEPUBL. OP 30-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • WET VAN 29-06-2016 GEPUBL. OP 06-07-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • WET VAN 26-12-2015 GEPUBL. OP 30-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 20bis; 20ter)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-03-2011 GEPUBL. OP 09-03-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • WET VAN 29-12-2010 GEPUBL. OP 31-12-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • WET VAN 13-06-2010 GEPUBL. OP 21-06-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 19)
  • originele versie
  • WET VAN 23-12-2009 GEPUBL. OP 30-12-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 20bis)
  • originele versie
  • WET VAN 05-08-2006 GEPUBL. OP 29-08-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • WET VAN 13-12-2005 GEPUBL. OP 21-12-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 20)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • WET VAN 19-04-2002 GEPUBL. OP 07-06-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 20BIS; 20TER; 20QUA)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 1996-1997 : Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Wetsontwerp : nr. 1073/1. - Amendementen : nrs. 1073/2 tot 10. - Verslag : nr. 1073/11. - Tekst aangenomen door de Commissie : nr. 1073/12. - Amendement : nr. 10 73/13. - Artikelen aangenomen in plenaire vergadering : nr. 1073/14. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat : nr. 1073/15. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 18 en 19 maart 1998. - Aanneming. Vergadering van 26 maart 1998. Gewone zitting 1997-1998 : Senaat. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers : nr. 1-929/1. - Amendementen : nrs. 1-929/2 tot 4. - Verslag : nr. 1-929/5. - Tekst aangenomen door de Commissie : nr. 1-929/6. - Amendementen : nrs. 1- 929/7 tot 9. - Evocatieprocedure : Beslissing om niet te amenderen : nr. 1-929/10. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 10 juni 1998. - Aanneming. Vergadering van 11 juni 1998.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 7 uitvoeringbesluiten 13 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie