J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 158 uitvoeringbesluiten 30 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/ordonnantie/1997/06/05/1997031238/justel

Titel
5 JUNI 1997. - Ordonnantie betreffende de milieuvergunningen.
(NOTA : art. 79 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij ORD 2016-06-23/15, art. 2; Inwerkingtreding : onbepaald, van kracht bij de volgende hernieuwing van minstens drie volledige mandaten in het Milieucollege)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-06-1997 en tekstbijwerking tot 20-04-2018)

Bron : BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 26-06-1997 nummer :   1997031238 bladzijde : 17055   BEELD
Dossiernummer : 1997-06-05/33
Inwerkingtreding : 06-07-1997

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Definities en algemene bepalingen.
Art. 1-7bis., 7ter, 8-9
TITEL II. - Indiening en onderzoek van de aanvragen om een milieu-attest en een milieuvergunning.
HOOFDSTUK I. - Bepalingen die gelden voor alle inrichtingen of voor verschillende klassen van inrichtingen.
Afdeling 1. - Aanvragen om een milieu-attest en een milieuvergunning.
Art. 10-13, 13bis, 13ter, 13quater
Afdeling 2. - Vergunningen [1 van klasse II]1 aangevraagd door een publiekrechtelijke rechtspersoon of betreffende inrichtingen van openbaar nut.
Art. 14-17
HOOFDSTUK II. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.A.
Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.
Art. 18-20, 20bis
Afdeling 2. [1 - Begeleidingscomité en opdrachthouder.]1
Art. 21-25
Afdeling 3. - De effectenstudie.
Art. 26-29
Afdeling 4. - Speciale regelen van openbaarmaking.
Art. 30-31
Afdeling 4bis. - <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 5; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Informatieverspreiding voor de omwonenden van Seveso-bedrijven.
Art. 31bis
Afdeling 5. - Afgifte van het attest of de vergunning.
Onderafdeling 1. - Afgifte van het milieu-attest of van de milieuvergunning zonder voorafgaand attest.
Art. 32
Onderafdeling 2. - Afgifte van de milieuvergunning na de toekenning van het milieu-attest.
Art. 33-35, 35bis, 36
HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.B.
Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.
Art. 37-39
Afdeling 2. - Speciale regelen van openbaarmaking.
Art. 40-42
Afdeling 3. - Afgifte van het milieu-attest of van de milieuvergunning zonder voorafgaand attest.
Art. 43
Afdeling 4. - Aanvraag om een milieuvergunning ingevolge de toekenning van een milieu-attest.
Art. 44-46, 46bis, 47
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse II [1 , van klasse ID]1 en de tijdelijke inrichtingen.
Afdeling 1. - Indiening en onderzoek van de aanvragen betreffende de inrichtingen van klasse II.
Art. 48-51
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de tijdelijke inrichtingen [1 en de inrichtingen van klasse ID.]1
Art. 52-53, 53bis
HOOFDSTUK V. - Rechtsgeldigheid van de beslissingen en de voorwaarden voor de afgifte van milieu-attesten en milieuvergunningen.
Art. 54-57, 57bis, 57ter, 58-65
TITEL III. - Activiteiten onderworpen aan voorafgaande aangifte.
Art. 66-69, 69bis, 69ter
TITEL IV. - Personen onderworpen aan de erkenning.
HOOFDSTUK I. - Indiening van de aanvraag.
Art. 70, 70bis, 71
HOOFDSTUK II. - Onderzoek van de aanvraag.
Art. 72-73
HOOFDSTUK III. - Inhoud van de erkenning.
Art. 74, 74bis, 75-76, 76bis, 77-78
TITEL IVbis. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> - Personen onderworpen aan registratie.
Art. 78/1, 78/1bis, 78/2, 78/3, 78/4, 78/4bis, 78/4ter, 78/5, 78/6, 78/7
TITEL V. - De administratieve rechtsmiddelen.
Art. 79-84
TITEL VI. - Openbaarmaking van de beslissingen.
Art. 85-87
TITEL VII. - Toezicht, dwang- en strafmaatregelen.
Art. 88-99
TITEL VIII. - Slotbepalingen.
Art. 100-104
BIJLAGE
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Definities en algemene bepalingen.

  Artikel 1. Grondwettelijke machtiging.
  Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.

  Art. 2. Doelstellingen.
  (Deze ordonnantie strekt ertoe een rationeel energiegebruik te waarborgen, evenals de bescherming tegen elke vorm van gevaar, hinder of ongemak die een inrichting of een activiteit rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen veroorzaken aan het leefmilieu, de gezondheid of de veiligheid van de bevolking, met inbegrip van elke persoon die zich binnen de ruimte van een inrichting bevindt, zonder er als werknemer beschermd te kunnen zijn.) <ORD 2007-06-07/70, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 02-07-2008>

  Art. 3.Definities.
  Voor de toepassing van deze ordonnantie, verstaat men onder :
  1° inrichting : elke inrichting die door een natuurlijke persoon of door een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon wordt uitgebaat en waarvan de activiteit in een klasse is ondergebracht;
  2° tijdelijke inrichting : elke inrichting die niet langer uitgebaat wordt dan :
  a) (drie jaar, wanneer het gaat over een inrichting die nodig is voor een werf voor asbestverwijdering); <ORD 2007-07-19/65, art. 2, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  b) [2 een jaar]2, in de andere gevallen,
  en waarvan de gevaren, de hinder of de nadelen beperkt zijn tot de duur van de vergunning;
  3° mobiele inrichting : een inrichting die gemakkelijk verplaatsbaar is om op verschillende sites te worden uitgebaat;
  4° uitbating : de vestiging, de indienststelling, de instandhouding, het gebruik of het onderhoud van een inrichting, alsook elke vorm van emissie afkomstig van een inrichting;
  5° project : de inrichting waarvoor een aangifte, een aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning wordt ingediend;
  6° gemengd project : een project waarvoor op het ogenblik van de indiening ervan tegelijkertijd een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.A of I.B en een stedenbouwkundige vergunning nodig is;
  7° dossier :
  a) de aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning (, de aangifte) en de aanvullingen die in de loop van het onderzoek van de aanvraag door de aanvrager zijn aangebracht; <ORD 2007-07-19/65, art. 2, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  b) alle stukken die door het bestuur naar aanleiding van het onderzoek van de aanvraag worden opgesteld;
  8° aanvrager : de natuurlijke persoon of de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die een milieu-attest of milieuvergunning aanvraagt (of een aangifte verricht); <ORD 2007-07-19/65, art. 2, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  9° uitbater : elke persoon die een inrichting uitbaat of voor wiens rekening een inrichting wordt uitgebaat;
  10° Instituut : Brussels Instituut voor Milieubeheer;
  11° bevoegde overheid : de overheid die gemachtigd is om een milieu-attest of milieuvergunning uit te reiken (of een aangifte te ontvangen); <ORD 2007-07-19/65, art. 2, 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  12° Overlegcommissie : de territoriaal bevoegde commissie opgericht bij (artikel 9 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening); <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  13° openbaar onderzoek : de maatregelen waarvan de nadere regels vastgesteld zijn in (artikel 6 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening); <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  14° speciale regelen van openbaarmaking : de procedure bepaald [2 in artikel 188/7]2 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening; <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  15° [2 effecten van een project : de noemenswaardige, rechtstreekse en indirecte, tijdelijke of permanente effecten op korte en lange termijn van een project, met inbegrip van de effecten die kunnen resulteren uit de vatbaarheid van het project voor de risico's van ernstige ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het desbetreffende project, op :
   a) de bevolking en de gezondheid van de mens;
   b) de biodiversiteit, waarbij er bijzondere aandacht uitgaat naar de op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende het behoud van de natuurlijke habitat evenals van de ongerepte fauna en flora en van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand, die zijn omgezet door de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, beschermde soorten en woongebieden;
   c) de grond, de bodem, het water, de lucht, het klimaat, het energieverbruik en de geluidsomgeving;
   d) de materiële goederen, het culturele erfgoed en het landschap, met inbegrip van het onroerend erfgoed;
   e) de stedenbouw, de algehele mobiliteit en het sociaal en economisch vlak;
   f) de interactie tussen deze factoren;]2
  16° definitieve beslissing : een beslissing is definitief wanneer alle in deze ordonnantie of in (het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening) voorziene administratieve beroepen of termijnen om ze in te stellen zijn uitgeput. <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  17° (" emissierecht ", het recht om in de loop van de opgegeven periode een ton kooldioxide-equivalent uit te stoten, dat enkel geldig is voor de naleving van de eisen van de ordonnantie [2 van 31 januari 2008]2 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, en dat overdraagbaar is volgens de bepalingen van deze zelfde ordonnantie.) <ORD 2008-01-31/31, art. 25, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  18° (" vergunning voor broeikasgasemissies " : deel van de milieuvergunning dat de houder ervan uitdrukkelijk toelating geeft tot het uitstoten van gespecificeerde broeikasgassen op de betreffende inrichting, onder de voorwaarden van de ordonnantie [2 van 31 januari 2008]2 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, en dit voor een maximumduur van vijf jaar, die verlengd kan worden, maar die niet langer kan zijn dan de geldigheidsduur van de milieuvergunning.) <ORD 2008-01-31/31, art. 25, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  (19° publiek : een of meerdere natuurlijke of rechtspersonen en de verenigingen, organisaties of groepen die samengesteld zijn uit deze personen;
  20° betrokken publiek : het publiek dat de gevolgen ondervindt of zou kunnen ondervinden van een project, of dat belanghebbende is bij een beroep in de zin van de artikelen 80 en 81. Voor het doel van deze defi nitie, wordt de vereniging die ten gunste van milieubescherming werkt op het grondgebied van het Gewest geacht belang te hebben bij het indienen van een beroep, op voorwaarde dat :
  a) de vereniging een VZW is;
  b) de VZW reeds bestaat op het ogenblik dat het aanvraagdossier voor de in het kader van het beroep betwiste milieuvergunning wordt ingediend;
  c) het statutaire doel van de VZW de bescherming van het leefmilieu is;
  d) het geschade belang dat in het beroep ingeroepen wordt, past in het kader van het statutair doel van de VZW zoals dat omschreven is op de datum van de indiening van het dossier.) <ORD 2008-07-10/41, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  [1 21° " beste beschikbare technieken " : het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatie-methoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden te vormen, is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dat niet mogelijk blijkt, algemeen te beperken. Onder :
   a) " technieken " : wordt verstaan : zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
   b) " beschikbare " : wordt verstaan : op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van de betrokken lidstaat worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant onder redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;
   c) " beste " : wordt verstaan : de meest doeltreffende technieken voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.
   Bij de bepaling van de beste beschikbare technieken moeten de in bijlage 1 vermelde punten speciaal in aanmerking worden genomen.]1
  [2 22° evaluatie van de milieueffecten : een proces bestaande uit :
   a) de uitwerking, door de aanvrager, van een effectenverslag of een effectenstudie;
   b) het raadplegen van de administraties en instanties bedoeld onder artikel 13 en het uitvoeren van het openbaar onderzoek;
   c) het onderzoek door de vergunnende overheid van de in het effectenverslag of de effectenstudie naar voren gebrachte informatie en van de eventuele, volgens noodzaak en op vraag van de vergunnende overheid door de aanvrager bijgeleverde informatie, alsook alle relevante informatie die werd ontvangen in het kader van de raadplegingen en het openbaar onderzoek zoals bedoeld onder b).
   d) de met redenen omklede conclusie van de vergunnende overheid aangaande de merkbare milieueffecten van het project, rekening houdend met de resultaten van het onder c) bedoelde onderzoek en, desgevallend, met haar eigen aanvullende onderzoek;
   e) het verwerken van de met redenen omklede conclusie van de vergunnende overheid in het milieuattest of de milieuvergunning;
   23° BWRO : Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, vastgesteld door het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004.]2
  ----------
  (1)<ORD 2012-06-14/02, art. 66, 022; Inwerkingtreding : 07-07-2012>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 238, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 4.Klassen van inrichtingen.
  [3 De inrichtingen worden verdeeld tussen de klassen I.A, I.B, II, I.C, I.D en III afhankelijk van de aard en de omvang van de gevaren en hinder die zij kunnen veroorzaken en rekening houdend met de aard, de afmetingen of de situering, alsook met onderstaande relevante selectiecriteria :
   1. Eigenschappen van de projecten
   Met name ten opzichte van onderstaande punten gaat men de eigenschappen van de projecten na :
   a) de omvang en de opvatting van het volledige project;
   b) de cumulatie met andere bestaande en/of toegelaten projecten;
   c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, in het bijzonder de bodem, de grond, het water en de biodiversiteit;
   d) de afvalproductie;
   e) de verontreiniging en de hinder;
   f) het risico op ernstige ongelukken en/of rampen voor de desbetreffende inrichtingen, dat met name, rekening houdend met de stand van de wetenschappelijke kennis, te wijten is aan de klimaatverandering;
   g) de risico's voor de gezondheid van de mens (bijvoorbeeld te wijten aan de water- of aan de luchtverontreiniging).
   2. Ligging van de inrichtingen
   Rekening houdend met onderstaande punten, neemt men de milieugevoeligheid van de geografische gebieden waarop het project een weerslag kunnen hebben in aanmerking :
   a) het bestaande en goedgekeurde gebruik van de grond;
   b) de relatieve rijkdom, de beschikbaarheid, de kwaliteit en de regeneratiecapaciteit van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied (met inbegrip van de bodem, de grond, het water en de biodiversiteit) en van zijn ondergrond;
   c) de draagkracht van de natuurlijke omgeving, met in het bijzonder aandacht voor volgende gebieden :
   1. vochtige gebieden, oevers, estuaria;
   2. kustgebieden en mariene zones;
   3. berggebieden en wouden;
   4. reservaten en natuurparken;
   5. gebieden die staan geïnventariseerd in of worden beschermd door de wetgeving; Natura 2000-gebieden krachtens de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   6. gebieden die de in de Europese wetgeving vastgelegde en voor het project relevante milieu-kwaliteitsnormen niet in acht nemen of verondersteld worden ze niet in acht te nemen;
   7. gebieden met een sterke bevolkingsdichtheid;
   8. vanuit historisch, cultureel of archeologisch standpunt belangrijke landschappen en sites.
   3. Type en eigenschappen van de potentiële impact
   De waarschijnlijke merkbare milieueffecten van een inrichting neemt men volgens de onder punt 1 en 2 opgesomde criteria in beschouwing, ten opzichte van de effecten van het project op de onder artikel 3, 15° vermelde factoren en rekening houdend met :
   a) de omvang en de ruimtelijke uitgebreidheid van de impact (bijvoorbeeld geografisch gebied en grootte van de bevolking die mogelijk kan worden getroffen);
   b) de aard van de impact;
   c) de grensoverschrijdende aard van de impact;
   d) de intensiteit en de complexiteit van de impact;
   e) de waarschijnlijkheid van de impact;
   f) de verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de impact;
   g) de cumulatie van de impact met die van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten;
   h) de mogelijkheid om de impact efficiënt terug te dringen;]3
  De lijst der inrichtingen van klasse I.A wordt vastgelegd bij wege van ordonnantie.
  De lijst van de inrichtingen van de klassen I.B, II [, I.C] [2 , ID]2 en III wordt door de Regering vastgelegd. <ORD 2007-07-19/65, art. 3, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [3 ...]3
  [3 ...]3
  ----------
  (1)<BESL 2010-06-17/03, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 09-07-2010>
  (2)<ORD 2014-04-03/16, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 239, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 5.Bevoegde ambtenaren.
  De Regering stelt de leidinggevende ambtenaren van het Instituut aan die gemachtigd zijn de milieu-attesten en milieuvergunningen af te geven (of de aangiften te ontvangen en de uitbatingsvoorwaarden voorzien in artikel 68 voor te schrijven). <ORD 2007-07-19/65, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [1 De in het eerste lid bedoelde ambtenaren vervullen hun opdracht objectief, zonder dat ze zich in een mogelijke positie bevinden die aanleiding geeft tot een belangenconflict.
   Wanneer het Instituut of het college van burgemeester en schepenen ook de aanvrager is, dan ziet het erop toe dat deze opdrachten verder, met inachtneming van een gepaste scheiding tussen de conflicterende functies, worden vervuld.
   Onverminderd de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake toegang tot milieu-informatie en tot informatie betreffende de ruimtelijke ordening in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hebben de bepalingen van onderhavige ordonnantie met betrekking tot de effectenbeoordeling en de openbare onderzoeken geen weerslag op de verplichting die de bevoegde ambtenaren hebben om zich te voegen naar de beperkingen ingevolge de wettelijke bepalingen inzake handels- en industrieel geheim, met name de intellectuele eigendom, alsook inzake bescherming van het algemeen belang, namelijk artikel XI. 165 van het Wetboek van Economisch Recht, artikel 30 van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie en artikel 11 van de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake toegang tot milieu-informatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   Deze beperkingen worden restrictief geïnterpreteerd door in elk specifiek geval het belang dat de bekendmaking van de informatie zou hebben voor het publiek af te wegen tegen het specifieke belang dat wordt gediend door de bekendmaking te weigeren, onverminderd artikel 11, § 3, tweede lid van de ordonnantie van 18 maart 2004 inzake toegang tot milieu-informatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   Het Instituut ziet erop toe over voldoende deskundigheid te beschikken om de effectenbeoordelingen te onderzoeken of desgevallend toegang tot een dergelijke expertise te krijgen.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 240, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 6.Uitbatingsvoorwaarden.
  § 1. De Regering stelt elke bepaling vast die van toepassing is op elke inrichting of categorie van inrichtingen, om de bescherming van het leefmilieu, de gezondheid of de veiligheid, overeenkomstig artikel 2, te waarborgen.
  Hiertoe kan zij :
  1° een categorie van bepaalde inrichtingen of bepaalde aspecten van een categorie van inrichtingen verbieden;
  2° alle reglementeringen of algemene voorwaarden vaststellen betreffende de uitbating van inrichtingen.
  3° (broeikasgasemissierechten vaststellen die zij bepaalt in het toewijzingsplan.) <ORD 2008-01-31/31, art. 26, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  [1 Bij de vaststelling door de Regering van algemene bindende voorwaarden of voorschriften moeten deze :
   1° zorgen voor een geïntegreerde aanpak en een hoog niveau van bescherming van het milieu dat gelijkwaardig is aan het niveau dat door middel van milieuvergunningen kan worden bereikt
   2° gebaseerd zijn op de beste beschikbare technieken, zonder dat het gebruik van een techniek of een specifieke technologie wordt voorgeschreven;
   3° gelijke tred houden met de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken.]1
  § 2. Vóór de inschrijving van een inrichting in klasse (I.C of) III, kan de Regering de algemene uitbatingsvoorwaarden van (deze categorieën) van inrichtingen bepalen overeenkomstig paragraaf 1, 2°. <ORD 2007-07-19/65, art. 5, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (De bevoegde overheid), die een voorafgaande aangifte ontvangt, kan tevens bijzondere uitbatingsvoorwaarden opleggen, rekening houdende met de bijzondere eigenschappen en de omgeving van een bepaalde inrichting en overeenkomstig artikel 68. <ORD 2007-07-19/65, art. 5, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  ----------
  (1)<BESL 2013-11-21/12, art. 74, 025; Inwerkingtreding : 19-12-2013>

  Art. 7.Handelingen onderworpen aan een vergunning en een aangifte.
  § 1. De volgende handelingen zijn onderworpen aan een milieuvergunning wanneer ze betrekking hebben op de inrichtingen van [3 klasse IA, IB, ID en II]3 :
  1° de uitbating van een inrichting;
  2° de verplaatsing van een inrichting [4 naar een andere exploitatieplaats]4;
  3° het opstarten van een inrichting waarvan de vergunning niet binnen de overeenkomstig artikel 59 voorgeschreven termijn werd gebruikt;
  4° het heropstarten van een inrichting waarvan de uitbating gedurende twee opeenvolgende jaren werd onderbroken;
  5° het voortzetten van de uitbating van een inrichting waarvan de vergunning is vervallen;
  6° het voortzetten van de uitbating van een niet aan een vergunning onderworpen inrichting die thans in een klasse is opgenomen.
  De krachtens het eerste lid, 6° vereiste vergunning voor de exploitatie van een inrichting moet uiterlijk binnen zes maanden na de inwerkingtreding van het besluit tot indeling van de inrichting aangevraagd worden. De uitbating kan gedurende die termijn zonder vergunning voortgezet worden tot de beslissing over de vergunningsaanvraag ter kennis wordt gebracht.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. De volgende handelingen worden onderworpen aan een voorafgaande aangifte wanneer zij inrichtingen betreffen van klasse (I.C of) III : <ORD 2007-07-19/65, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  1° de uitbating van een inrichting;
  2° de verplaatsing van een inrichting [4 naar een andere exploitatieplaats]4;
  3° het heropstarten van een inrichting waarvan de uitbating gedurende twee opeenvolgende jaren werd onderbroken;
  4° het voortzetten van de uitbating van een niet aan een aangifte onderworpen inrichting die thans is opgenomen in de lijst; de aangifte, die in dit geval is vereist, moet uiterlijk binnen zes maanden na inwerkingtreding van het besluit tot indeling van de inrichting in een klasse worden verstuurd; de uitbating kan zonder voorafgaande aangifte gedurende deze termijn worden voortgezet;
  5° de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting die aan een aangifte is onderworpen voor zover zij niet tot gevolg heeft dat de inrichting in een hogere klasse moet worden ondergebracht;
  6° het heropstarten van de uitbating van een vernielde inrichting of een inrichting die tijdelijk buiten gebruik werd gesteld.
  [2 § 4. Het beheerplan aangenomen door de Regering overeenkomstig artikelen 29, 32, 37 of 50 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud geldt als milieuvergunning of aangifte voor de installaties die het plan identificeert, noodzakelijk voor de handelingen voorzien in artikelen 29 § 1, lid 5, 3° of 49, lid 2, 9° van dezelfde ordonnantie]2
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2012-03-01/15, art. 108, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (3)<ORD 2014-04-03/16, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>
  (4)<ORD 2017-11-30/19, art. 241, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 7bis. [1 Wijziging van de vergunning.
   § 1. Vóór elke verbouwing [3 uitbreiding of verplaatsing binnen dezelfde exploitatieplaats]3 van een inrichting waarvoor een milieuvergunning afgeleverd is, of van meerdere inrichtingen die al dan niet een technische en geografische uitbatingseenheid vormen waarvoor een milieuvergunning afgeleverd is, of vóór elke heropstart van een vernielde inrichting of een inrichting die tijdelijk wegens uitbatingsredenen buiten gebruik gesteld is, maakt de uitbater zijn voornemen [3 ...]3 kenbaar :
   1° aan het college van burgemeester en schepenen, indien de vergunning en de [3 verbouwing, uitbreiding of verplaatsing binnen dezelfde exploitatieplaats]3 betrekking hebben op een of meerdere inrichtingen van klasse II of van klasse III, met uitsluiting van de vergunningen bedoeld in artikel 14;
   2° aan het Instituut in alle andere gevallen.
   De verbouwing bestaat uit de wijziging van een van de elementen die vervat zijn in de vergunningsaanvraag, met uitzondering van de elementen bedoeld in artikel 10, 1° of 2°.
   De uitbreiding bestaat uit de toevoeging van een of meerdere ingedeelde inrichtingen.
   [3 De uitbreiding, de verbouwing of de verplaatsing binnen dezelfde exploitatieplaats]3 heeft betrekking op inrichtingen die toegestaan zijn vóór of na hun ingebruikname.
  [2 Zodra de bevoegde overheid de aanvraag van de wijziging van de vergunning ontvangt [3 ...]3 geeft zij een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]2
   § 2. De in § 1 bedoelde overheid beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf die kennisgeving om te beslissen of er een vergunningsaanvraag ingediend moet worden, of de vergunningsvoorwaarden gewijzigd moeten worden, dan wel of de uitbater kan overgaan tot de verbouwing, de uitbreiding [3 , de verplaatsing binnen dezelfde exploitatieplaats]3 of de heropstart van de uitbating.
   Indien de uitbater binnen de in het eerste lid gestelde termijn geen dergelijke beslissing ontvangen heeft, mag de uitbater tot de verbouwing, de uitbreiding of de heropstart overgaan.
   In afwijking op het tweede lid, als de verbouwing, de uitbreiding of de heropstart op zich betrekking heeft op de opstart van een of meerdere inrichtingen van klasse IA of IB, bij het uitblijven van een beslissing in de tijdspanne voorzien in het eerste lid, moet een milieuvergunningsaanvraag ingediend worden.
   § 3. De in § 1 bedoelde overheid legt de indiening van een vergunningsaanvraag op indien [3 de verbouwing, de uitbreiding of de verplaatsing binnen dezelfde exploitatieplaats]3 leidt tot de toepassing van een rubriek van een hogere klasse in vergelijking met de klasse van de initiële vergunning of van dien aard is dat ze de hinder of de ongemakken die uit de uitbating van de vergunde inrichting(en) voortvloeien ernstig vergroot.
   De in § 1 bedoelde overheid legt de indiening van een vergunningsaanvraag op indien de vernietiging of het buiten gebruik stellen van de vergunde inrichting het gevolg is van gevaren, hinder of ongemakken die voortvloeien uit de uitbating en waarmee geen rekening is gehouden bij de aflevering van de oorspronkelijke vergunning.
   De vergunning wordt afgeleverd door :
   1° het college van burgemeester en schepenen, indien de vergunning die de uitbater wenst te wijzigen en [3 de verbouwing, de uitbreiding of de verplaatsing binnen dezelfde exploitatieplaats]3 betrekking hebben op inrichtingen van klasse II of van klasse III, met uitsluiting van de vergunningen bedoeld in artikel 14;
   2° het Instituut in alle andere gevallen.
   § 4. De in § 1 bedoelde overheid beslist dat de uitbatingsvoorwaarden van de vergunning gewijzigd moeten worden indien de verbouwing, de uitbreiding [3 , de verplaatsing binnen dezelfde exploitatieplaats]3 of de heropstart van dien aard is dat ze de hinder of de ongemakken die uit de uitbating van de vergunde inrichting voortvloeien niet ernstig vergroot.
   De in § 1 bedoelde overheid beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf de in § 2 bedoelde beslissing om de uitbatingsvoorwaarden van de vergunning te wijzigen, in overeenstemming met artikel 64. De termijn van 30 dagen wordt met 20 dagen verlengd wanneer krachtens artikel 64 een openbaar onderzoek opgelegd wordt.
   Indien de wijziging van de uitbatingsvoorwaarden niet aan de uitbater bekendgemaakt werd, dan mag hij de verbouwing, de uitbreiding [3 , de verplaatsing binnen dezelfde exploitatieplaats]3 of de heropstart alleen volgens de voorwaarden die vervat zijn in de oorspronkelijke vergunning uitvoeren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2009-03-26/10, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2011-02-03/01, art. 12, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 242, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 7ter [1 Splitsing van de milieuvergunning.
   De splitsing van een milieuvergunning is de handeling waarbij een vergunning die meerdere inrichtingen dekt, wordt gesplitst in twee of meer vergunningen die elk een of meerdere verschillende inrichtingen dekken.
   Vóór elke splitsing van een milieuvergunning maakt de uitbater [3 ...]3 aan de bevoegde overheid zijn voornemen bekend en preciseert hij de inrichtingen die na de splitsing door elk van de toekomstige vergunninghouders uitgebaat zullen worden.
  [2 Zodra de bevoegde overheid de splitsingsaanvraag ontvangt per aangetekende brief of per drager geeft zij een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]2
   De bevoegde overheid staat deze splitsing toe indien zij vaststelt dat de eenheden van inrichtingen die uit de splitsing voortvloeien, verschillende technische en geografische uitbatingseenheden als dusdanig vormen.
   De bevoegde overheid beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf de in het tweede lid bedoelde kennisgeving om de splitsing toe te staan of te weigeren. Indien de uitbater binnen deze termijn geen beslissing ontvangen heeft, dan stuurt hij een herinnering aan de overheid. Die beschikt over een nieuwe termijn van 30 dagen vanaf de kennisgeving van de herinnering om de splitsing toe te staan of te weigeren. Na deze termijn wordt de splitsing geacht geweigerd te zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2009-03-26/10, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2011-02-03/01, art. 13, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 243, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 8.Milieu-attest.
  Een milieu-attest kan worden aangevraagd voor de inrichtingen van klasse I.A en I.B. Het houdt geen vrijstelling in van het verkrijgen van de milieuvergunning.
  Onder voorbehoud van de resultaten van het grondige onderzoek dat zou plaatsvinden indien een dergelijke vergunningsaanvraag zou worden ingediend, bepaalt het milieu-attest in hoeverre en onder welke voorwaarden een milieuvergunning voor de in de aanvraag bedoelde inrichting mag worden afgegeven. De in het milieu-attest gestelde voorwaarden zijn de basisvoorwaarden waardoor de gevaren, hinder of ongemakken veroorzaakt door de inrichting kunnen worden voorkomen, verminderd of verholpen.
  Het akkoord en de voorwaarden, vastgesteld in het milieu-attest, blijven twee jaar geldig na afgifte van het attest, tenzij ze :
  a) ofwel niet meer conform de toe te passen dwingende bepalingen zijn, welk ook het juridisch instrument is dat hen vermeldt;
  b) ofwel geen specifieke aangepaste maatregelen inhouden of niet meer inhouden om gevaren, hinder of ongemakken te voorkomen, te verminderen of te verhelpen, met inbegrip van de aanwending van [1 de beste beschikbare technieken]1.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 244, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 9.<ORD 2008-07-10/41, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008> Vormen van de mededelingen
  § 1. [2 Alle documenten en stukken worden tegen een indienings- of een ontvangstbewijs per post verstuurd of per drager afgeleverd, behoudens hiermee strijdige bepalingen in onderhavige ordonnantie. In de contacten tussen het Instituut en de colleges van burgemeester en schepenen enerzijds of de gemachtigde ambtenaar anderzijds, worden documenten en stukken voor zover mogelijk in elektronische vorm met ontvangstbewijs of overeenkomstig de door de Regering vastgelegde procedure overgemaakt.]2
  De Regering kan andere vormen van mededeling toestaan of opleggen, meer bepaald elektronische vormen. [1 In geval van indiening via elektronische weg van een aanvraag krachtens deze ordonnantie bezorgt de bevoegde overheid zodra ze die aanvraag ontvangen heeft via elektronische weg een afgiftebewijs waarop de behandelingstermijnen en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]1
  § 2. Buiten het aanplakken van de milieuvergunning, kan de Regering andere vormen van mededeling toestaan of opleggen, meer bepaald elektronische vormen.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 14, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 245, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  TITEL II. - Indiening en onderzoek van de aanvragen om een milieu-attest en een milieuvergunning.

  HOOFDSTUK I. - Bepalingen die gelden voor alle inrichtingen of voor verschillende klassen van inrichtingen.

  Afdeling 1. - Aanvragen om een milieu-attest en een milieuvergunning.

  Art. 10.Inhoud van de aanvraag.
  De aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning bevat de volgende gegevens :
  1° als de aanvrager een natuurlijke persoon is : zijn naam, voornaam en woonplaats; als het om een rechtspersoon gaat : de naam van de firma of van de vennootschap, de rechtsvorm, het adres van de zetel van de vennootschap, alsook de hoedanigheid van de ondertekenaar van de aanvraag;
  2° de beschrijving van de plaats waar het project gepland is en van de directe omgeving, met name met behulp van plannen [3 opgemaakt op een schaal die de lezing bevordert en maximum in formaat A3]3;
  3° de voorstelling van het project of, voor een attestaanvraag, de voorstelling van de voornaamste bestanddelen ervan, met name met behulp van plannen [3 opgemaakt op een schaal die de lezing bevordert en maximum in formaat A3]3;
  4° in geval van een gemengd project, een afschrift van het aanvraagformulier voor een stedenbouwkundig attest of een stedenbouwkundige vergunning.
  5° [2 ...]2.
  [5° Voor de uitbating van een tankstation zoals gedefinieerd in artikel 2, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations, een attest van het Fonds vermeld in het voornoemde samenwerkingsakkoord, behalve wanneer de aanvraag betrekking heeft op een van de handelingen vermeld in [3 artikel 7bis]3.]" < ORD 2007-07-09/37, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 20-09-2007>)
  [3 6° een verkennend bodemonderzoek, indien dat vereist is op grond van artikel 13, §§ 3 en 5, van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems of de vrijstelling van het uitvoeren van dergelijk bodemonderzoek, zoals bepaald in artikel 13/4 van voornoemde ordonnantie.]3
  De Regering kan de gegevens die moeten worden vermeld in de aanvragen om een milieu-attest of een milieuvergunning [3 met inbegrip van de gegevens die zijn vereist opdat de Dienst Brandweer en Dringende Medische Hulp zijn advies zou kunnen uitbrengen]3 nader omschrijven en aanvullen. Zij bepaalt de vorm van de aanvraag.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 246, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 11.Technische en geografische uitbatingseenheid.
  Wanneer verschillende inrichtingen een technische en geografische uitbatingseenheid vormen, dienen zij het voorwerp uit te maken van één enkele aangifte of één enkele aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning.
  Als de inrichtingen tot verschillende klassen behoren, wordt de aanvraag ingediend en onderzocht volgens de regels die van toepassing zijn op de inrichting van de meest strikte klasse.
  [1 De volgorde van de minst strenge tot de strengste klasse is de volgende : III, I.C, I.D, II, I.B, I.A. Het Instituut is bevoegd om de aanvragen betreffende de inrichtingen van klasse I.C en I.D te behandelen wanneer deze inrichtingen met de inrichtingen van een strengere klasse een technische en geografische eenheid vormen.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 247, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 12.Gemengd project.
  In geval van een gemengd project :
  1° moeten de aanvragen om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning en een milieu-attest of -vergunning tegelijkertijd [2 bij de gemachtigde ambtenaar]2 worden ingediend, ofwel in de vorm van een milieu-attest en een stedenbouwkundig attest, ofwel in de vorm van een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning;
  2° is het dossier van de aanvraag om een milieu-attest of -vergunning onvolledig indien geen overeenkomstige aanvraag om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning werd ingediend;
  3° maken de aanvragen om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning en een milieu-attest of -vergunning, naargelang het geval, het voorwerp uit van [1 een advies van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,]1 een voorbereidende nota op de effectenstudie, [2 ...]2 een effectenverslag of een studie van enige effecten;
  4° worden de aanvragen om een milieu-attest of -vergunning en een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning tegelijkertijd door de bevoegde overheid voor advies voorgelegd aan de personen of diensten die worden geraadpleegd krachtens artikel 13 wanneer de geraadpleegde personen of diensten dezelfde zijn in de twee procedures;
  5° worden de aanvragen om een stedenbouwkundig attest of een stedenbouwkundige vergunning en een milieu-attest of milieuvergunning samen onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking [2 zodra deze vereiste van toepassing is op minstens een van de beide aanvragen]2;
  6° gaan de bevoegde overheden, krachtens deze ordonnantie en (het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening), [1 parallel]1 over tot het onderzoek van de aanvragen om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning en een milieu-attest of milieuvergunning; de Regering legt de regels vast van deze samenwerking; <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  7° worden het milieu-attest of de milieuvergunning geschorst zolang geen definitief stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning werd verkregen;
  8° houdt de definitieve beslissing tot weigering van het stedenbouwkundig attest of de stedenbouwkundige vergunning van rechtswege de nietigheid in van het milieu-attest of de milieuvergunning;
  9° begint de vervaltermijn enkel te lopen vanaf het ogenblik waarop de stedenbouwkundige vergunning aan de milieuvergunninghouder wordt uitgereikt [2 de aanvraag tot verlenging van de uitvoeringstermijn van de milieuvergunning wordt ingediend bij de gemachtigde ambtenaar]2;
  10° wordt door het Instituut een afschrift van alle administratieve stukken of documenten aan de aanvrager gestuurd en tegelijkertijd ook aan de overheid die bevoegd is krachtens (het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening); <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  11° [2 indien de aanvraag om stedenbouwkundige vergunning vervalt overeenkomstig artikel 177/1 of artikel 191 van het BWRO, vervalt de aanvraag om milieuvergunning. In afwijking, voor de inrichtingen in bedrijf die niet zijn beoogd door de stedenbouwkundige vergunning maar wel door de milieuvergunning, verliest het project zijn gemengd karakter en wordt de procedure voortgezet overeenkomstig hoofdstuk II " Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.A " of hoofdstuk III " Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.B " van titel II, naargelang het geval.]2
  [1 Indien de aanvraag van een milieuattest of een milieuvergunning betrekking heeft op inrichtingen van klasse IB en de aanvraag van een stedenbouwkundig attest of een stedenbouwkundige vergunning een effectenstudie vereist, dan wordt de aanvraag van een milieuattest of een milieuvergunning ingediend en onderzocht volgens de regels die van toepassing zijn op de aanvragen van een milieuattest of een milieuvergunning betreffende de inrichtingen van klasse IA.]1
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 248, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 13.Geraadpleegde administraties en instanties.
  [§ 1.] De Regering wijst de administraties of instanties aan waarvan het advies is vereist in de loop van het onderzoek van de aanvragen om een milieu-attest of een milieuvergunning [of waarvan het advies in de loop van het onderzoek van de aangiften van klasse [I.C of] III kan worden ingewonnen]. Zij legt de raadplegingsprocedure vast. <ORD 2001-12-06/57, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 8, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Wanneer bij [2 de aangifte,]2 de aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning de betrokken administraties of instanties worden geraadpleegd, worden de adviezen aan de bevoegde overheid meegedeeld :
  1° binnen 60 dagen na het doorgeven van het dossier aan de geraadpleegde administraties en instanties voor de inrichtingen van klasse I.A en I.B;
  2° binnen 30 dagen na het doorgeven van het dossier aan de geraadpleegde administraties en instanties voor de inrichtingen van [2 de klassen II, III en I.C]2;
  [3° binnen vijftien dagen na het doorgeven van het dossier aan de geraadpleegde administraties en instanties voor de voorlopige inrichtingen.] [Deze raadpleging is evenwel niet vereist, wanneer de exploitatieduur van de tijdelijke inrichting [2 en de inrichtingen van klasse I.D]2 niet hoger ligt dan [2 een jaar]2.] <ORD 2001-12-06/57, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 8, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [2 Bij ontstentenis daarvan, wordt de procedure voortgezet, zonder dat enig advies dat na die termijn werd overgemaakt in aanmerking kan worden genomen. De vergunning kan evenwel niet worden afgeleverd zonder het advies van de Dienst Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp wanneer dit vereist is. Indien deze dienst zijn advies niet verstuurt binnen de in het tweede lid bedoelde termijn, wordt de procedure voortgezet en wordt de termijn waarbinnen de vergunnende overheid zich moet uitspreken over de aanvraag verlengd met het aantal dagen vertraging dat de Dienst Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp heeft opgelopen bij het verzenden van zijn advies.]2
  De adviezen maken integraal deel uit van het dossier.
  [1 § 2. Wanneer de bevoegde overheid vaststelt dat een project aanzienlijke impact zou kunnen hebben op het milieu van een ander Gewest, een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband, of wanneer een met impact bedreigd ander Gewest, andere Lidstaat of andere Staat van het genoemde verdrag erom vraagt, dan zorgt de bevoegde overheid voor het overmaken aan de bevoegde instantie van het mogelijk bedreigde Gewest of de mogelijk bedreigde Staat, uiterlijk op het ogenblik waarop de openbare onderzoeken geregeld door de ordonnantie in de artikelen 30, 40 en 50 aanvangen, van alle beschikbare informatie over het project en zijn eventuele grensoverschrijdende effecten, alsook de aard van de beslissing die genomen zou kunnen worden. De bevoegde overheid verleent aan de bestemmeling van deze informatie een redelijke termijn om aan te geven of er een wens is aan de beslissingsprocedure deel te nemen.
   In dit geval, overhandigt de bevoegde overheid bovendien zo spoedig mogelijk het volgende, met opdracht de participatie van het bedoelde publiek te organiseren :
   a) de relevante inhoud van het aanvraagdossier in verband met het project;
   b) de gegevens van de overheid waarbij relevante inlichtingen kunnen worden verkregen en waaraan opmerkingen kunnen worden gericht;
   c) de juiste modaliteiten van de participatie van het publiek;
   d) de termijn waarbinnen de beslissing dient te worden genomen.
   De bevoegde overheid houdt rekening met de bemerkingen die tijdens deze procedure worden geformuleerd en maakt haar beslissing bekend aan de instantie die aan het beslissingsproces heeft deelgenomen.
   Wanneer een project dat gelegen is op een grondgebied van een ander Gewest, een andere lidstaat of een andere Staat die deel uitmaakt van het genoemde verdrag, aanzienlijke effecten op het leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou kunnen hebben, dan wordt, in de optiek van wederkerigheid, het project, samen met de documenten over de evaluatie van de effecten die aan de bevoegde instanties van dit andere Gewest of van deze andere Staat werden overgemaakt, ter beschikking gesteld van het publiek volgens de regels die van toepassing zijn op het gebied van openbare enquête. Het Instituut centraliseert de opmerkingen van het publiek en maakt ze over aan de bevoegde instantie van de plaats waar het project wordt uitgevoerd.
   De Regering bepaalt de procedure van deze uitwisseling van gegevens, en zorgt ervoor dat de raadpleging van het betroffen publiek in aanmerking wordt genomen voordat de bevoegde overheid haar beslissing vastlegt.]1
  ----------
  (1)<BESL 2010-06-17/03, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 09-07-2010>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 249, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 13bis. [1 Parkeerplaatsen
   Een milieucertificaat of -vergunning voor parkeerplaatsen bij een gebouw of deel van een gebouw mag slechts worden uitgereikt binnen de grens van het aantal plaatsen voortvloeiend uit de toepassing van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Art. 13ter. [1 § 1. De houder van een lopende milieuvergunning op de dag van de inwerkingtreding van artikelen 2.3.53 en 2.3.54 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing die overtollige parkeerplaatsen in de zin van dat Wetboek toestaat kan, te allen tijde, volledig of gedeeltelijk afzien van het behoud van deze overtollige parkeerplaatsen.
   Deze verzaking neemt de vorm aan, hetzij van een volledige of gedeeltelijke afschaffing van die plaatsen, of van een omzetting van alle of een deel van die plaatsen in parkeerplaatsen die exclusief ter beschikking gesteld worden van de buurtbewoners, via verhuur, verkoop of enig ander mechanisme dat hun een exclusief gebruiksrecht verleent, of een combinatie van beide, of van hun herbestemming voor de andere doeleinden beschreven in artikel 2.3.52, § 3, punt 4°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
   De gevolgen van die verzaking zijn definitief en onherroepbaar.
   De verzaking wordt betekend overeenkomstig artikel 7bis.
   § 2. Zolang hij niet heeft afgezien van de overtollige parkeerplaatsen, mag de houder van een milieuvergunning bedoeld in § 1 echter de verlenging ervan aanvragen mits behoud van alle toegestane of overtollige parkeerplaatsen op voorwaarde dat hij de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing betaalt.
   § 3. Voor de installaties die gedekt zijn door een milieuvergunning bedoeld in § 1 kan de bevoegde overheid, bij het verstrijken van de vergunning en als de exploitant daarom verzoekt, een nieuwe milieuvergunning uitreiken die betrekking heeft op bestaande en voordien toegekende overtollige plaatsen, mits betaling van de belasting bedoeld in artikel 2.3.55 van het Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing. In zover ze betrekking heeft op overtollige plaatsen in de zin van dit Wetboek, kan de Regering de duur van deze vergunning beperken vanaf de uitreiking ervan.
   § 4. De houders van vergunningen bedoeld in §§ 2 en 3 hiervoor mogen, naar aanleiding van hun vraag tot verlenging of aanvraag van een nieuwe milieuvergunning, de bepalingen van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing inroepen.
   In voorkomend geval zal de persoon die om de verlenging of de nieuwe milieuvergunning verzoekt, in zijn aanvraag, het aantal parkeerplaatsen opgeven dat opnieuw moet worden aangewend voor de functies bepaald in artikel 2.3.52, § 3, punt 3°, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.
   In zover ze op toegestane parkeerplaatsen in toepassing van de voorgaande leden betrekking heeft, is de duur van de nieuwe vergunning niet beperkt in toepassing van § 3 van onderhavig artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>

  Art. 13quater. [1 Hergebruik van relevante effectenbeoordelingen en eventuele beperking van de te beoordelen aspecten
   § 1. Om overlappingen bij de effectenbeoordeling te vermijden, houdt de aanvrager bij de uitwerking van de effectenstudie of het effectenverslag rekening met de beschikbare resultaten van andere relevante effectenbeoordelingen in het kader van de wetgeving van de Europese Unie of de nationale en gewestelijke wetgevingen.
   Hiertoe :
   1° maken de betrokken gewestelijke besturen aan de opstellers van de documenten van voorafgaande effectenbeoordelingen de gegevens over waarover zij beschikken, met name de documenten die hen werden meegedeeld in het kader van de behandeling van andere vergunningsaanvragen;
   2° mogen de opstellers van de documenten van voorafgaande effectenbeoordelingen zich niet verzetten tegen het hergebruik, in het kader van latere effectenbeoordelingen, van de gegevens in de documenten waarvan zij de opstellers zijn en die bij een vergunningsaanvraag werden gevoegd.
   De Regering kan de modaliteiten vaststellen voor de uitvoering van onderhavige paragraaf.
   § 2. De voorafgaande effectenbeoordeling is beperkt tot de specifieke aspecten van de vergunnings- of milieu attestaanvraag die niet nog niet werden behandeld wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden :
   1° het beschouwde project is gelegen binnen een perimeter van een planologisch of programmatorisch instrument dat was onderworpen aan een milieueffectenrapport of binnen de perimeter van een verkavelingsvergunning die was onderworpen aan een voorafgaande effectenbeoordeling;
   2° het beschouwde project stemt overeen met dit planologisch of programmatorisch instrument of met deze verkavelingsvergunning;
   3° dit planologisch of programmatorisch instrument is in werking getreden of deze verkavelingsvergunning werd afgeleverd minder dan vijf jaar vóór de indiening van de aanvraag voor een milieuvergunning of een milieuattest voor het beschouwde project.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 250, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Afdeling 2. - Vergunningen [1 van klasse II]1 aangevraagd door een publiekrechtelijke rechtspersoon of betreffende inrichtingen van openbaar nut.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 251, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 14.[2 De]2 milieuvergunning wordt door het Instituut afgegeven in de volgende gevallen :
  1° wanneer zij wordt aangevraagd door een door de regering aangewezen publiekrechtelijk rechtspersoon;
  2° wanneer zij betrekking heeft op handelingen en werken van openbaar nut, bepaald door de regering;
  3° wanneer zij betrekking heeft op een beschermd, of op de bewaarlijst ingeschreven goed of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is;
  4° (...);) <ORD 2002-07-18/37, art. 72, 005; Inwerkingtreding : 31-05-2003> <ORD 2004-02-19/44, art. 126, 007; Inwerkingtreding : 08-04-2004>
  (5° wanneer liet een in de inventaris opgenomen niet-uitgebate bedrijfsruimte betreft) <ORD 2003-12-18/48, art. 29, 006; Inwerkingtreding : 12-01-2004>
  [2 De aanvraag om een milieuvergunning wordt bij het Instituut ingediend]2 Er wordt dadelijk een indieningsbewijs afgegeven [1 waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van het Instituut vermeld staan]1. [2 ...]2
  [2 ...]2
  Wanneer het dossier volledig is, verricht het Instituut binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag de volgende handelingen :
  1° het bezorgt de aanvrager [2 per aangetekende zending]2 een ontvangbewijs vergezeld van het dossiernummer en de gegevens van de ambtenaar die het dossier behandelt;
  2° het stuurt een afschrift van het volledige dossier door aan de personen of diensten die krachtens artikel 13 worden geraadpleegd.
  Indien het dossier onvolledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte, onder dezelfde voorwaarden, en vermeldt het de ontbrekende documenten en inlichtingen. Binnen twintig dagen, na ontvangst hiervan, verricht het Instituut de in het derde lid aangegeven handelingen.
  Indien de in het derde lid, 1° bedoelde kennisgeving niet binnen de voorgeschreven termijn gebeurt, richt de aanvrager een afschrift van het dossier aan de personen en diensten die krachtens artikel 13 een advies moeten verstrekken. De verzendingsdatum van het afschrift van het dossier dient als aanvangsdatum voor de berekening van de proceduretermijnen.
  [2 ...]2
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 15, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 252, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 15.
  <Opgeheven bij ORD 2017-11-30/19, art. 253, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 16.Speciale regelen van openbaarmaking [3 ...]3.
  [2 Alvorens het ontvangstbewijs voor de aanvraag uit te reiken, zal het Instituut, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten.]2
  Voor de aanvraag om een vergunning betreffende een inrichting van klasse II, wanneer het dossier volledig is, stelt het Instituut, binnen [4 twintig dagen]4 na ontvangst van de aanvraag, volgende handelingen :
  1° het bezorgt de aanvrager een ontvangbewijs vergezeld van het dossiernummer en de gegevens van de beambte die het dossier behandelt;
  2° het verstuurt een afschrift van het volledige dossier aan de krachtens artikel 13 geraadpleegde personen of diensten.
  Indien het dossier onvolledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte, onder dezelfde voorwaarden, en vermeldt het de ontbrekende documenten en inlichtingen. Binnen [4 twintig dagen]4, na ontvangst hiervan, stelt het Instituut de in het eerste lid aangegeven handelingen.
  Het Instituut stuurt gelijktijdig, met de verzending van het ontvangbewijs aan de aanvrager, het volledige dossier aan het College van burgemeester en schepenen om het voor openbaar onderzoek voor te leggen. [1 Het Instituut legt de uiterste datum vast waarop het openbaar onderzoek afgesloten moet zijn.]1
  Indien de in het eerste lid, 1° bedoelde kennisgeving niet binnen de voorgeschreven termijn gebeurt, richt de aanvrager een afschrift van het dossier aan de personen en diensten die krachtens artikel 13 een advies moeten verstrekken en aan het College van burgemeester en schepenen. De verzendingsdatum van het afschrift van het dossier dient als aanvangsdatum voor de berekening van de proceduretermijnen.
  Wanneer een project het voorwerp uitmaakt van een aanvraag om een milieuvergunning en een aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning die speciale regelen van openbaarmaking vereisen, kan het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de twee aanvragen gelijktijdig aan hetzelfde openbaar onderzoek onderwerpen.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2012-03-01/15, art. 109, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 254, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (4)<ORD 2017-11-30/19, art. 255, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 17.Afgifte van de milieuvergunning [2 ...]2.
  Het Instituut geeft de milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse II af en betekent zijn beslissing aan de aanvrager [1 binnen 60 dagen]1 na de datum van het ontvangbewijs van de aanvraag of, bij gebrek hieraan, na het versturen van het afschrift van het dossier zoals voorgeschreven in artikel 16, vierde lid.
  [1 Indien echter het openbaar onderzoek, rekening houdend met de uiterste datum waarop het krachtens de beslissing van het Instituut afgesloten moet zijn, gedeeltelijk tijdens een schoolvakantie gehouden wordt, dan wordt de in het eerste lid bedoelde termijn verlengd met :
   1. 10 dagen indien het de paasvakantie of de kerstvakantie betreft;
   2. 45 dagen indien het de zomervakantie betreft.]1
  Het uitblijven van een beslissing betekend [1 binnen de termijn voorzien in het eerste lid, eventueel verlengd overeenkomstig het tweede lid,]1 komt neer op een weigering van de vergunning.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 256, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  HOOFDSTUK II. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.A.

  Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.

  Art. 18.Inhoud van de aanvraag.
  § 1. De aanvraag om een milieu-attest of -vergunning bevat de gegevens die vereist zijn overeenkomstig artikel 10, alsook een voorbereidende nota op de effectenstudie.
  § 2.[3 De voorbereidende nota bestaat ten minste uit de volgende elementen :
   1° een projectbeschrijving met daarin informatie over de site, de opvatting, de afmetingen en andere relevante eigenschappen van het project en de werf, alsook de beoogde uitvoeringsplanning;
   2° een beschrijving van de bestaande situatie, met name van de elementen en het geografische gebied waarvoor het project gevolgen kan hebben;
   3° een eerste inventaris van de voorspelbare merkbare milieueffecten van het project en de werf;
   4° een beschrijving van de kenmerken van het project en/of van de geplande maatregelen om de merkbare voorspelbare negatieve milieueffecten van het project en de werf te vermijden, te voorkomen en, indien mogelijk, te compenseren;
   5° in voorkomend geval, de vermelding van een afwijkingsaanvraag krachtens artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing alsook van de redenen die tot staving ervan worden ingeroepen;
   6° een beschrijving van de redelijke oplossingen die door de aanvrager onderzocht werden, in functie van het project en zijn specifieke kenmerken, en een vermelding van de voornaamste redenen voor de gemaakte keuze met het oog op de milieueffecten van het project en de werf;
   7° alle bijkomende informatie opgesomd in bijlage 2, in functie van de specifieke eigenschappen van het project of van het soort project en van de milieuelementen waarop een effect zou kunnen plaatsvinden. Deze bijkomende informatie kan door het Instituut geëist worden in de loop van het onderzoek van de aanvraag van de vergunning, als het van mening is dat deze informatie rechtstreeks van nut is voor het inschatten van de belangrijke milieueffecten van het project;
   8° een niet-technische samenvatting van de voormelde elementen;
   9° het typebestek betreffende milieueffectenstudie, waartoe de Regering besloten heeft, dat van toepassing is op het project;
   10° de identiteit en de contactgegevens van de voorgestelde opdrachthouder voor het uitvoeren van de effectenstudie.]3
  ----------
  (1)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, § 2, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>
  (2)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, § 5, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 257, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 19.Indiening van de aanvraag.
  § 1. [4 Behalve in het geval van een gemengd project, wordt de aanvraag om een milieuattest of milieuvergunning ingediend bij het Instituut.]4
  § 2. [4 Het Instituut levert de aanvrager, bij ontvangst van de in § 1 bedoelde aanvraag, een indieningsbewijs af waarin het nummer van het dossier, de contactgegevens van de behandelende ambtenaar, de behandelingstermijnen van het dossier en de verweermiddelen tegen de beslissing zijn aangegeven.]4
  [2 § 2bis. [4 ...]4 Het Instituut stuurt onmiddellijk een afschrift van [4 de]4 aanvraag en het bijbehorende indieningsbewijs aan de gemeente op het grondgebied waarvan het grootste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.]2
  § 3. [4 ...]4
  § 4. [4 ...]4
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<BESL 2012-07-19/47, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 28-08-2012>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (4)<ORD 2017-11-30/19, art. 258, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 20.[2 Ontvangstbewijs.]2
  § 1. Wanneer het dossier volledig is, stuurt het Instituut, binnen [2 vijfenveertig]2 dagen na ontvangst van het aanvraagdossier, bij ter post aangetekende brief een ontvangbewijs aan de aanvrager.
  Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte, binnen [2 vijfenveertig]2 dagen na ontvangst van het dossier, en vermeldt het welke stukken of inlichtingen ontbreken.
  [2 Binnen vijfenveertig dagen na ontvangst hiervan, stuurt het Instituut een ontvangstbewijs naar de aanvrager wanneer het dossier volledig is of brengt het Instituut de aanvrager op de hoogte van de stukken of inlichtingen die ontbreken, wanneer het dossier onvolledig is.]2
  [1 ...]1
  § 2. [2 ...]2
  [1 § 3. [2 ...]2]1
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 259, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 20bis. [1 Aanvraag van het advies van de DBDMH.
   Tegelijk met de verzending van het in artikel 20 bedoelde ontvangstbewijs, raadpleegt het Instituut de Dienst Brandweer en Dringende Medische Hulp volgens de modaliteiten die zijn voorzien in artikel 13.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 260, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Afdeling 2. [1 - Begeleidingscomité en opdrachthouder.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 261, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 21.
  <Opgeheven bij ORD 2017-11-30/19, art. 262, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 22.Begeleidingscomité.
  § 1. Het Begeleidingscomité wordt ermee belast de procedure tot uitvoering van de effectenstudie te volgen.
  Het bestaat [2 ...]2 uit één vertegenwoordiger van iedere gemeente op het grondgebied waarvan het project moet worden uitgevoerd, één vertegenwoordiger van het Instituut [2 ,één vertegenwoordiger van Brussel Mobiliteit]2 en één vertegenwoordiger van [1 het bestuur belast met stedenbouw]1. [2 Het begeleidingscomité kan andere instanties of experts uitnodigen om deel te nemen aan zijn werkzaamheden, zonder dat deze instanties of experts stemgerechtigd zijn.]2
  Het secretariaat van het Begeleidingscomité wordt door het Instituut waargenomen.
  Indien het om een gemengd project gaat, wordt het secretariaat door het Instituut en door [1 het bestuur belast met stedenbouw]1 gezamenlijk waargenomen.
  § 2. De Regering bepaalt de regels voor [2 ...]2 de werking van het Begeleidingscomité, alsook de onverenigbaarheidsregels.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 263, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 23.Beslissingen van het Begeleidingscomité.
  § 1. [1 Tegelijk met de verzending van het in artikel 20 bedoelde ontvangstbericht, roept het Instituut het begeleidingscomité bijeen.
   Binnen vijftien dagen na de verzending van het ontvangstbewijs, betekent het begeleidingscomité aan de aanvrager zijn beslissing omtrent de volgende punten :
   1° voor elke in artikel 3, 15° bedoelde factor, het (de) geografische gebied(en) dat (die) in aanmerking moet(en) worden genomen in de effectenstudie evenals, in voorkomend geval, de inlichtingen bedoeld in artikel 26;
   2° het (de) alternatief (alternatieven) en/of variant(en) die in de effectenstudie moeten worden beoordeeld;
   3° de termijn waarbinnen de effectenstudie moet worden afgesloten, met dien verstande dat, behoudens behoorlijk met redenen omklede uitzonderlijke omstandigheden verbonden aan de te beoordelen effecten, deze termijn niet meer mag bedragen dan zes maanden vanaf de verzending van de beslissing van het begeleidingscomité;
   4° de keuze van de opdrachthouder.]1
  § 2. Indien het Begeleidingscomité niet instemt met de keuze van de opdrachthouder, verzoekt het de aanvrager nieuwe voorstellen te doen. Het Begeleidingscomité spreekt zich uit over de keuze van de opdrachthouder en brengt zijn beslissing ter kennis van de aanvrager binnen 15 dagen na de ontvangst van de nieuwe voorstellen.
  § 3. De Regering erkent de natuurlijke of de publiek- of de privaatrechtelijke rechtspersonen die kunnen worden aangewezen als opdrachthouder.
  De Regering bepaalt de voorwaarden van deze erkenning, alsook de onverenigbaarheidsregels.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 264, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 24.Aanhangigmaking bij de Regering.
  § 1. [1 Indien het begeleidingscomité zijn beslissing niet binnen de in artikel 23 voorziene termijn meedeelt of de maximumduur van de studie verlengd heeft wegens uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 42, kan de aanvrager het dossier aanhangig maken bij de Regering.]1
  [1 Binnen zestig dagen na de aanhangigmaking, doet de Regering uitspraak over de in artikel 23, § 1, tweede lid, 1° tot 4° bedoelde punten en betekent ze haar beslissing aan de aanvrager.]1
  § 2. Indien de Regering niet instemt met de keuze van de opdrachthouder, verzoekt zij de aanvrager om nieuwe voorstellen te doen. De Regering spreekt zich uit over de keuze van de opdrachthouder en brengt haar beslissing ter kennis van de aanvrager binnen 15 dagen na ontvangst van de nieuwe voorstellen.
  § 3. Indien de beslissing van de Regering niet binnen de termijn wordt betekend, kan de aanvrager, bij ter post aangetekende brief, een aanmaning richten aan de Regering.
  Indien de Regering haar beslissing niet heeft meegedeeld na het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen die loopt vanaf de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende zending met de aanmaning, worden [1 de door de aanvrager voorgestelde opdrachthouder wordt als aangesteld beschouwd en het komt hem toe de kenmerken van de studie voorzien in artikel 23 § 1, tweede lid, 1° en 2°, te bepalen]1.
  De termijn, waarbinnen de effectenstudie moet worden uitgevoerd, bedraagt hoogstens 6 maanden.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 265, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 25. Verhouding aanvrager-opdrachthouder.
  In de overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachthouder, moeten de beslissingen, die overeenkomstig artikel 23 of artikel 24 zijn genomen, worden nageleefd.
  De kosten van de effectenstudie zijn voor rekening van de aanvrager.

  Afdeling 3. - De effectenstudie.

  Art. 26.[1 De effectenstudie moet minstens de volgende elementen omvatten :
   1° De gegevens die de aanvrager verstrekt om zijn project te rechtvaardigen, een projectbeschrijving met daarin informatie over de site, de opvatting, de omvang en de andere relevante eigenschappen van het project en de werken, met inbegrip van de vooropgestelde uitvoeringsplanning;
   2° een beschrijving en een gedetailleerde en nauwkeurige beoordeling van de waarschijnlijke aanzienlijke effecten van het project en de werken op het leefmilieu, met inbegrip van de beschrijving van de elementen en het geografische gebied die er de invloed van kunnen ondergaan;
   3° een beschrijving van de kenmerken van het project en/of de maatregelen met het oog op het vermijden, voorkomen of verminderen en indien mogelijk compenseren van de waarschijnlijke aanzienlijke negatieve effecten van het project en de werken op het leefmilieu, alsook de maatregelen teneinde ernstige ongelukken te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken, met inbegrip van de beoordeling van de efficiëntie van deze maatregelen, met name ten opzichte van de bestaande normen;
   4° een beschrijving van de redelijke alternatieven die de aanvrager heeft onderzocht, afhankelijk van het project en de specifieke eigenschappen ervan, en de vermelding van de belangrijkste redenen voor de gemaakte keuze ten aanzien van de effecten van het project en de werken op het leefmilieu, met inbegrip, in voorkomend geval, van de opgave van het project en de belangrijkste reden voor de keuze van de aanvrager;
   5° wanneer ze vereist is, de passende beoordeling van de effecten zoals opgelegd door de gewestelijke wetgeving betreffende het natuurbehoud;
   6° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving van de redenen die een afwijking rechtvaardigen overeenkomstig artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing;
   7° alle bijkomende informatie onder bijlage II, in functie van de specifieke eigenschappen van een project of van een bijzonder type van project en van de milieuelementen waarop een effect zou kunnen plaatsvinden. Deze bijkomende informatie kan door het Instituut worden gevraagd in het kader van het onderzoek van een vergunningsaanvraag, indien het van oordeel is dat deze informatie aanzienlijke milieueffecten heeft op het milieuproject;
   8° de stand van zaken van de vervulde prestaties, de vermelding van de gebruikte methodes en de beschrijving van de aangetroffen moeilijkheden, met inbegrip van de gegevens die werden gevraagd door de opdrachthouder van de studie en die de aanvrager zonder rechtvaardiging niet heeft meegedeeld;
   9° een niet-technische samenvatting van de voorgaande elementen.
   De Regering keurt een typemodel van bestek goed waarin ze de in het eerste lid bedoelde elementen kan preciseren en aanvullen; ze kan tevens de modaliteiten bepalen voor de presentatie van de effectenstudie.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 266, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 27. Uitvoering van de effectenstudie.
  De opdrachthouder houdt het Begeleidingscomité regelmatig op de hoogte van het verloop van de effectenstudie.
  Hij beantwoordt de vragen en de opmerkingen van het Begeleidingscomité.
  De Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel.

  Art. 28.Einde van de studie.
  [1 Indien de opdrachthouder van oordeel is dat de effectenstudie volledig is, bezorgt hij een exemplaar ervan aan het begeleidingscomité en aan de aanvrager.]1
  Indien het Begeleidingscomité beslist dat de effectenstudie niet overeenstemt met het bestek, deelt het binnen 30 dagen na ontvangst van de effectenstudie aan de aanvrager mee welke aanvullende elementen bestudeerd moeten worden of welke wijzigingen aan de studie moeten worden aangebracht, met beschrijving van de elementen ter verantwoording van zijn beslissing. In dit geval, deelt het de aanvrager de termijn mee waarbinnen deze aanvullende studie of wijzigingen moeten worden bezorgd.
  Wanneer het Begeleidingscomité van oordeel is dat de effectenstudie volledig is, moet het binnen 30 dagen na ontvangst van bedoelde studie :
  1° de effectenstudie afsluiten;
  2° de lijst vastleggen van de bij de effecten van het project betrokken gemeenten van het Gewest waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben;
  3° zijn beslissing aan de aanvrager ter kennis brengen met vermelding van het aantal exemplaren van het dossier dat aan het Instituut moet worden bezorgd met het oog op het openbaar onderzoek.
  Indien het Begeleidingscomité de in het tweede en in het derde lid bedoelde termijn niet in acht neemt, kan de aanvrager zijn dossier bij de Regering aanhangig maken. Hij beschikt eveneens over die mogelijkheid indien het Begeleidingscomité heeft beslist de effectenstudie als onvolledig te verklaren.
  De Regering treedt op in de plaats van het Begeleidingscomité. Zij deelt haar beslissing mee binnen 30 dagen na de aanhangigmaking ervan.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 267, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 29.Wijziging van de aanvraag.
  De aanvrager wordt geacht zijn aanvraag te handhaven, tenzij hij binnen 15 dagen na de kennisgeving van de beslissing waarbij het Begeleidingscomité, of bij ontstentenis, de Regering de studie afsluit, aan het Instituut zijn beslissing meedeelt om :
  1° hetzij zijn aanvraag in te trekken;
  2° hetzij ze te wijzigen teneinde ervoor te zorgen dat het project verenigbaar is met de conclusies van de effectenstudie.
  In dit laatste geval, zendt de aanvrager de wijzigingen in zijn aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning [1 , alsook het advies van de Dienst voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp indien de wijzigingen een wijziging van de plannen inhouden,]1 [2 aan het Instituut of, in de hypothese bedoeld in artikel 28, vierde en vijfde lid, aan de Regering]2 binnen 6 maanden na de kennisgeving van de afsluiting van de effectenstudie.
  Indien de aanvrager de wijzigingen in zijn aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning niet binnen deze termijn heeft bezorgd, [2 vervalt de vergunningsaanvraag]2.
  De termijn van afgifte van het milieu-attest of de milieuvergunning wordt opgeschort [1 vanaf de datum waarop de aanvrager zijn voornemen om zijn aanvraag te wijzigen aan het Instituut bekendgemaakt heeft]1 totdat de wijzigingen zijn ingediend.
  [2 Wanneer de aanvrager een aanvulling op de effectenstudie laat uitvoeren voor het geheel of een deel van de in het eerste lid, 2° bedoelde wijzigingen, wordt deze aanvulling uitgevoerd door de opdrachthouder die de effectenstudie heeft uitgevoerd en maakt ze wezenlijk deel uit van de overgemaakte wijzigingen. Deze aanvulling moet niet worden voorgelegd aan het begeleidingscomité.]2
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 268, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Afdeling 4. - Speciale regelen van openbaarmaking.

  Art. 30.Openbaar onderzoek.
  § 1. Na ontvangst van de door de aanvrager geleverde exemplaren van het dossier dat in voorkomend geval overeenkomstig artikel 29, eerste lid, 2° werd gewijzigd, bezorgt het Instituut of, in het in artikel 28, vierde en vijfde lid bedoelde geval, de Regering een exemplaar ervan aan het College van burgemeester en schepenen van elke gemeente die bij de effecten van het project betrokken is en waar het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking onderworpen dient te worden.
  Het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier moet bestaan uit :
  1° de attest- of vergunningsaanvraag;
  2° [1 het typemodel van bestek van de effectenstudie dat is goedgekeurd door de Regering;]1
  [1 2° bis de in artikel 23, § 1, tweede lid bedoelde beslissing van het begeleidingscomité of, in voorkomend geval, de in artikel 24, § 1, tweede lid bedoelde beslissing van de Regering;]1
  3° de effectenstudie;
  4° de beslissing tot afsluiting van de effectenstudie;
  5° in voorkomend geval, de beslissing van de aanvrager om de aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning te wijzigen;
  6° de eventuele wijzigingen in de attest- of vergunningsaanvraag.
  § 2. Het College van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente of zijn gemachtigde onderwerpt het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking.
  Het openbaar onderzoek vindt plaats in elke gemeente en duurt 30 dagen.
  Het Instituut bepaalt de datum waarop de verschillende openbare onderzoeken uiterlijk moeten worden afgesloten.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 269, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 31.Overleg.
  § 1. Het College van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd of zijn gemachtigde maakt het dossier aanhangig bij de Overlegcommissie die uitgebreid wordt tot de vertegenwoordigers van elke gemeente die betrokken is bij de effecten van het project en dit binnen vijftien dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek bedoeld in ([2 artikel 188/9]2 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening). <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  § 2. De Overlegcommissie betekent haar advies aan het Instituut binnen [2 vijfenveertig]2 dagen na afloop van het openbaar onderzoek overeenkomstig [2 in artikel 188/9]2 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  [2 Indien de overlegcommissie haar advies niet overmaakt binnen de in het eerste lid gestelde termijn van vijfenveertig dagen, wordt de procedure voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht nog in aanmerking moet worden genomen.]2
  § 3. Binnen dezelfde termijn als die toegekend aan de Overlegcommissie, brengen het College van burgemeester en schepenen van elke gemeente waar het project aan openbare onderzoeken werd onderworpen en [1 het bestuur belast met stedenbouw]1 hun advies uit en brengen dit ter kennis van het Instituut. Wanneer de adviezen niet binnen de voorgeschreven termijn worden betekend, [2 wordt de procedure voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht nog in aanmerking moet worden genomen]2.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 270, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Afdeling 4bis. - <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 5; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Informatieverspreiding voor de omwonenden van Seveso-bedrijven.

  Art. 31bis.[1 Zodra het Instituut het krachtens artikel 63, § 1, 7°, opgelegde Sevesoverslag ontvangt, stelt het er op zijn website een vereenvoudigde versie van ter beschikking. Tevens stuurt het een kopie van deze vereenvoudigde versie naar de burgemeester van de gemeente waar zich het Sevesobedrijf bevindt.
   Een papieren versie kan worden verstuurd naar eenieder die daarom verzoekt.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 271, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Afdeling 5. - Afgifte van het attest of de vergunning.

  Onderafdeling 1. - Afgifte van het milieu-attest of van de milieuvergunning zonder voorafgaand attest.

  Art. 32.Afgiftetermijn.
  § 1. Het Instituut geeft het milieu-attest of de milieuvergunning af.
  § 2. [1 Eerste lid opgeheven]1
  Het stuurt [1 ...]1 een kennisgeving van zijn beslissing [2 binnen de termijn van]2 450 dagen na de betekening van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 20, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier niet volledig is, ontbreken, [2 binnen de termijn van]2 450 dagen na de [2 46ste]2 dag na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan [2 het Instituut]2 of na de [2 46ste]2 dag na de verzendingsdatum van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan het Instituut.
  [1 Indien het echter een gemengd project betreft, dan moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren [2 binnen een termijn van]2 450 dagen na de laatste kennisgeving [2 ...]2 van, enerzijds, het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor het milieuattest of de milieuvergunning door het Instituut en van, anderzijds, het ontvangstbewijs van de volledigheid van het aanvraagdossier voor het stedenbouwkundige attest of de stedenbouwkundige vergunning door [2 ...]2 de gemachtigde ambtenaar.
  [2 ...]2]1
  (Wanneer de aanvrager van een attest of een vergunning voor een inrichting van klasse I.A onderworpen is aan de inachtneming van de regelgeving betreffende de overheidsopdrachten om de persoon te kiezen die belast is met de effectenstudie, begint de voormelde termijn van 450 dagen te lopen op de datum waarop het Begeleidingscomité de definitieve keuze van bovenvermelde persoon aanvaardt.) <ORD 2001-12-06/57, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  [2 Wanneer het begeleidingscomité of de Regering wegens uitzonderlijke omstandigheden een realisatieduur van de effectenstudie vaststelt van meer dan zes maanden, wordt de in deze paragraaf bedoelde termijn verlengd met evenveel dagen of maanden als het begeleidingscomité of de Regering heeft toegestaan als bijkomende termijn voor de studie.]2
  § 3. Het uitblijven van een beslissing betekend binnen de in § 2 gestelde termijnen komt neer op de weigering van het milieu-attest of van de milieuvergunning.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 272, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Onderafdeling 2. - Afgifte van de milieuvergunning na de toekenning van het milieu-attest.

  Art. 33.Inhoud van de aanvraag.
  § 1. [4 De aanvraag om een milieuvergunning bevat de aanwijzingen die zijn vereist in artikel 10. Behalve in het geval van een gemengd project, wordt ze ingediend bij het Instituut.]4
  § 2. [4 Het Instituut levert de aanvrager, bij ontvangst van de in § 1 bedoelde aanvraag, een indieningsbewijs af waarin het nummer van het dossier, de contactgegevens van de behandelende ambtenaar, de behandelingstermijnen van het dossier en de verweermiddelen tegen de beslissing zijn aangegeven.]4
  [2 § 2bis. [4 ...]4 Het Instituut stuurt onmiddellijk een afschrift van [4 de]4 aanvraag en het bijbehorende indieningsbewijs aan de gemeente op het grondgebied waarvan het grootste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.]2
  § 3. [4 ...]4
  § 4. [4 ...]4
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<BESL 2012-07-19/47, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 28-08-2012>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (4)<ORD 2017-11-30/19, art. 273, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 34.Ontvangbewijs.
  § 1. Wanneer het dossier volledig is, stuurt het Instituut binnen [1 vijfenveertig]1 dagen na ontvangst voor het aanvraagdossier van de milieuvergunning een ontvangbewijs aan de aanvrager [1 per aangetekende brief ]1.
  § 2. Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het Instituut binnen [1 vijfenveertig]1 dagen na ontvangst van het aanvraagdossier voor de milieuvergunning de aanvrager hiervan op de hoogte met vermelding van de ontbrekende stukken of inlichtingen.
  Binnen [1 vijfenveertig]1 dagen na ontvangst hiervan, stuurt het Instituut een ontvangbewijs aan de aanvrager.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 274, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 35. Vrijstelling van de speciale regelen van openbaarmaking en raadpleging.
  De aanvraag om een milieuvergunning wordt vrijgesteld van de speciale regelen van openbaarmaking en van het advies van de geraadpleegde personen of diensten aan wie de aanvraag om een milieu-attest werd voorgelegd, op voorwaarde dat er geen nieuwe redenen zijn die dergelijke regelen of adviezen zouden verantwoorden.

  Art. 35bis. [1 Vrijstelling van effectenstudie.
   Wanneer de aanvraag voor een milieuvergunning overeenstemt met het afgegeven milieuattest, dient de aanvrager geen nieuwe effectenstudie uit te voeren.
   Wanneer de aanvrager aantoont dat de wijzigingen aangebracht na de afgifte van het milieuattest geen aanzienlijke verhoging van de hinder veroorzaken, met name ten aanzien van bijlage 2, dient hij geen nieuwe effectenstudie uit te voeren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 275, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 36.Afgifte van de vergunning na de toekenning van het attest.
  § 1. Het Instituut geeft de milieuvergunning af.
  § 2. Het stuurt de aanvrager een kennisgeving van zijn beslissing binnen een termijn van 45 dagen na de dag van de betekening van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 34, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier niet volledig is, ontbreken, binnen diezelfde termijn van 45 dagen na de [2 46ste]2 dag hetzij na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan [2 het Instituut]2, hetzij na de verzendingsdatum van de ontbrekende stukken en inlichtingen aan het Instituut.
  [1 Indien het echter een gemengd project betreft, dan moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 45 dagen na de laatste kennisgeving, [2 ...]2 van enerzijds het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor de milieuvergunning door het Instituut, en van anderzijds het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor de stedenbouwkundige vergunning door [2 ...]2 de gemachtigde ambtenaar.
  [2 ...]2]1
  [1 De termijn bedoeld in [2 eerste en tweede]2 lid hierboven]1 kan, bij een met redenen omklede beslissing, een enkele maal voor een maximumduur van 45 dagen worden verlengd.
  [1 § 2bis. Indien echter de milieuvergunningsaanvraag onderworpen is aan bijzondere regelen van openbaarmaking, dan wordt de in § 2, [2 eerste en tweede]2, bedoelde termijn van 45 dagen op 160 dagen gebracht.]1
  § 3. Bij het uitblijven van een beslissing, betekend binnen de in § 2 [1 of in § 2bis]1 gestelde termijn, geldt het attest als milieuvergunning uitgereikt voor een duur van 15 jaar.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 276, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse I.B.

  Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.

  Art. 37.Inhoud van de aanvraag.
  De aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning zonder voorafgaand attest betreffende de inrichtingen van klasse I.B bevat de gegevens die vereist zijn overeenkomstig artikel 10, alsook een effectenverslag.
  [5 Het effectenverslag bevat minstens de volgende elementen :
   1° een projectbeschrijving met daarin informatie over de site, de constructie, de afmetingen en de andere relevante eigenschappen van het project en van de werken, met inbegrip van de beoogde uitvoeringsplanning;
   2° een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de vermoedelijke significante effecten van het project en de werken op het leefmilieu, met inbegrip van de beschrijving van de elementen en van het geografische gebied dat er de effecten van kan ondergaan, met name met behulp van plannen;
   3° een beschrijving van de kenmerken van het project en/of van de maatregelen met het oog op het vermijden, voorkomen of verminderen en indien mogelijk compenseren van de vermoedelijke significante negatieve effecten van het project en de werken op het leefmilieu, met name ten opzichte van de bestaande normen;
   4° een beschrijving van de redelijke alternatieven die de aanvrager heeft onderzocht, afhankelijk van het project en de specifieke eigenschappen ervan, en de vermelding van de belangrijkste redenen voor de gemaakte keuze ten aanzien van de effecten van het project en van de werken op het leefmilieu en de belangrijkste reden voor de keuze van de aanvrager ten aanzien van het leefmilieu;
   5° in voorkomend geval, de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving van de redenen die een afwijking rechtvaardigen overeenkomstig artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing;
   6° wanneer ze vereist is, de passende beoordeling van de effecten zoals opgelegd door de gewestelijke wetgeving betreffende het natuurbehoud;
   7° alle bijkomende informatie onder bijlage II in functie van de specifieke eigenschappen van het project of van een bijzonder type van project en van de milieu-elementen waarop een effect zou kunnen plaatsvinden. Deze bijkomende informatie kan door de bevoegde overheid worden vereist tijdens de behandeling van de vergunningsaanvraag indien zij van mening is dat de informatie rechtstreeks van nut is voor de beoordeling van de aanzienlijke effecten van het project op het leefmilieu;
   8° een niet-technische samenvatting van de voorgaande elementen;
   9° de gegevens van de auteur van het effectenverslag en de elementen waaruit blijkt dat hij een bevoegd expert is.]5
  [4 Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het in het vorige lid bedoelde effectenrapport worden opgemaakt door een daartoe erkende persoon.]4
  [5 Op vraag van de aanvrager brengt het Instituut, rekening houdend met de informatie die de aanvrager bezorgde, in het bijzonder over de specifieke projecteigenschappen, met name de situering en de technische capaciteit en de waarschijnlijke weerslag ervan op het leefmilieu, advies uit over het toepassingsgebied en het detailniveau van de informatie die de aanvrager in het effectenverslag moet bezorgen. Indien het dit nodig acht, raadpleegt het Instituut in dit verband het college van burgemeester en schepenen van het grondgebied waar het project moet worden uitgevoerd, de gemachtigde ambtenaar en de Dienst Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp.]5
  De Regering kan de in het [5 tweede lid]5 bedoelde elementen nader bepalen en aanvullen; ze kan tevens de wijze van voorstelling van het effectenverslag bepalen.
  ----------
  (1)<BESL 2010-06-17/03, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 09-07-2010>
  (2)<ORD 2012-03-01/15, art. 111, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (3)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, § 3, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>
  (4)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, § 7, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>
  (5)<ORD 2017-11-30/19, art. 277, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 38.Indiening van de aanvraag.
  § 1. [4 Behalve in het geval van een gemengd project, wordt de aanvraag om een milieuattest of milieuvergunning ingediend bij het Instituut.]4
  § 2. [4 Het Instituut levert, bij ontvangst, een indieningsbewijs af waarin het nummer van het dossier, de contactgegevens van de behandelende ambtenaar, de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing zijn aangegeven.]4
  [2 § 2bis. [4 ...]4 Het Instituut stuurt onmiddellijk een afschrift van [4 de]4 aanvraag en het bijbehorende indieningsbewijs aan de gemeente op het grondgebied waarvan het grootste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.]2
  § 3. [4 ...]4
  § 4. [4 ...]4
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 18, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<BESL 2012-07-19/47, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 28-08-2012>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (4)<ORD 2017-11-30/19, art. 278, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 39.Ontvangbewijs.
  § 1. [2 Wanneer het dossier, met inbegrip van het effectenverslag, volledig is, stuurt het Instituut per aangetekende brief een ontvangstbewijs naar de aanvrager binnen vijfenveertig dagen vanaf de ontvangst van het aanvraagdossier.]2
  Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het Instituut binnen [2 vijfenveertig]2 dagen na ontvangst van het dossier de aanvrager hiervan op de hoogte en vermeldt het welke stukken en inlichtingen ontbreken.
  Binnen [2 vijvenveertig]2 dagen na ontvangst hiervan, verricht het Instituut de in paragraaf 2 vermelde handelingen.
  [1 ...]1
  § 2. Binnen 30 dagen na afgifte van het ontvangbewijs of, bij ontstentenis, [1 binnen de [2 vijfenzeventig]2 dagen na ontvangst van het aanvraagdossier]1, gaat het Instituut over tot :
  1° [2 ...]2
  2° het verzenden, aan de administraties en instanties die overeenkomstig artikel 13 moeten worden geraadpleegd, van een afschrift van het volledige dossier;
  3° het vastleggen van de lijst van de bij de effecten van het project betrokken gemeenten waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben en het aanwijzen van de gemeente die ermee belast wordt de Overlegcommissie samen te roepen;
  4° het meedelen aan de aanvrager van het aantal te leveren exemplaren van het dossier met het oog op het openbaar onderzoek.
  [1 § 2bis. [2 ...]2]1
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 279, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Afdeling 2. - Speciale regelen van openbaarmaking.

  Art. 40.Openbaar onderzoek.
  § 1. Het Instituut of, overeenkomstig artikel 39, § 4, de Regering bezorgt, aan elke bij de effecten van het project betrokken gemeente waar een openbaar onderzoek moet plaatshebben, een exemplaar van het volledige dossier.
  § 2. Binnen 15 dagen na ontvangst van het dossier, onderwerpt het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente of zijn gemachtigde het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking.
  Het openbaar onderzoek vindt plaats in elke gemeente en duurt [1 dertig dagen]1. Het Instituut bepaalt de datum waarop de verschillende openbare onderzoeken uiterlijk moeten worden afgesloten.
  § 3. Het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier moet bestaan uit :
  1° de aanvraag om een milieu-attest of -vergunning, met inbegrip van het effectenverslag;
  2° indien het om een gemengd project gaat, de aanvraag om een stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning;
  3° de stukken of inlichtingen die de aanvrager heeft verstrekt met toepassing van artikel 39, § 2.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 280, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 41.Overleg.
  § 1. Het College van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd of zijn gemachtigde maakt het dossier aanhangig bij de Overlegcommissie die uitgebreid wordt tot de vertegenwoordigers van elke gemeente die betrokken is bij de effecten van het project en dit binnen 15 dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek bedoeld in [2 artikel 188/9]2 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  § 2. De Overlegcommissie brengt haar advies uit binnen [2 vijfenveertig]2 dagen na afloop van het openbaar onderzoek overeenkomstig [2 artikel 188/9 van het BWRO]2. <ORD 2004-05-13/31, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 26-05-2004>
  [2 Indien de overlegcommissie haar advies niet overmaakt binnen de in het eerste lid gestelde termijn van vijfenveertig dagen, wordt de procedure voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht nog in aanmerking moet worden genomen.]2
  § 3. Binnen dezelfde termijn als die toegekend aan de Overlegcommissie, brengen het College van burgemeester en schepenen van elke gemeente waar het project aan openbare onderzoeken werd onderworpen en [1 het bestuur belast met stedenbouw]1 hun advies uit en delen het mee aan het Instituut. Indien deze adviezen niet binnen de voorgeschreven termijn worden betekend, [2 wordt de procedure voortgezet zonder dat enig advies dat na die termijn werd uitgebracht nog in aanmerking moet worden genomen]2.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 281, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 42.Aanvraag tot uitvoering van een effectenstudie.
  § 1. In uitzonderlijke omstandigheden, kan de Overlegcommissie in een bijzonder omkleed advies de Regering aanbevelen een effectenstudie te laten uitvoeren.
  [2 Onder de in het eerste lid bedoelde uitzonderlijke voorwaarden moet men verstaan elk merkbaar negatief effect dat een project onderworpen aan een effectenverslag kan hebben op een of meer van de factoren opgelijst in artikel 3, 15°, en waarvan het vermoedelijk belang zodanig is dat het gerechtvaardigd is om de effectenbeoordeling van dit project te laten opmaken door een opdrachthouder, erkend voor effectenstudies en diens werkzaamheden te laten controleren door een begeleidingscomité.]2
  § 2. Indien de Regering oordeelt dat een effectenstudie moet worden uitgevoerd, beschikt ze over [2 dertig]2 dagen na ontvangst van het dossier om de aanvrager in kennis te stellen van haar beslissing.
  In dit geval :
  1° verzoekt de Regering de aanvrager om [2 een voorbereidende nota op de effectenstudie overeenkomstig artikel 18, § 2]2 aan het Instituut te doen toekomen;
  2° [2 regelt de modaliteiten van de samenwerking tussen het Instituut en het bestuur belast met stedenbouw in het geval van een gemengd project;]2
  3° bepaalt ze, naast de leden aangesteld overeenkomstig artikel 22, paragraaf 1, tweede lid, de samenstelling van het Begeleidingscomité.
  [2 Binnen vijftien dagen na ontvangst van de beslissing van de Regering, roept het Instituut het begeleidingscomité bijeen en wordt de procedure voortgezet overeenkomstig artikelen 22 en volgende.]2
  [2 ...]2
  Indien de Regering een dergelijke studie niet geraden acht, motiveert zij haar beslissing en bezorgt ze het dossier aan het Instituut.
  § 3. Indien er binnen de in § 2 bedoelde termijn geen beslissing wordt genomen, moet de effectenstudie niet worden uitgevoerd.
  § 4. Wanneer de effectenstudie is verwezenlijkt, moet het dossier dat overeenkomstig artikel 30 aan het openbaar onderzoek wordt onderworpen, bovendien volgende gegevens bevatten :
  1° de bezwaren en opmerkingen die in het kader van het in artikel 40 bedoelde openbaar onderzoek aan het College van burgemeester en schepenen zijn gericht, alsook het proces-verbaal van sluiting van dit onderzoek;
  2° de notulen van de Overlegcommissie;
  3° het advies van de in dit artikel bedoelde Overlegcommissie.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 282, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Afdeling 3. - Afgifte van het milieu-attest of van de milieuvergunning zonder voorafgaand attest.

  Art. 43.Afgifte van het attest of van de vergunning.
  § 1. Het Instituut geeft het milieu-attest of de milieuvergunning af.
  § 2. [1 Eerste lid opgeheven]1
  Het stuurt [1 ...]1 een kennisgeving van zijn beslissing [3 binnen de termijn van]3 160 dagen na de dag van de betekening van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 39, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier niet volledig is, ontbreken, [3 binnen de termijn van]3 160 dagen na de [3 46ste]3 dag na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan [3 het Instituut]3 of na de [3 46ste]3 dag na verzendingsdatum van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan het Instituut.
  [3 Indien het echter een gemengd project betreft, dan moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 160 dagen na de laatste kennisgeving van het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor het milieuattest of de milieuvergunning door het Instituut enerzijds, en voor het stedenbouwkundige attest of de stedenbouwkundige vergunning door de gemachtigde ambtenaar anderzijds.]3
  [3 ...]3
  § 3. Het uitblijven van een beslissing, betekend binnen de in § 2 gestelde termijnen, komt neer op een weigering van het milieu-attest of -vergunning.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 14, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 283, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Afdeling 4. - Aanvraag om een milieuvergunning ingevolge de toekenning van een milieu-attest.

  Art. 44.Inhoud en indiening van de aanvraag.
  § 1. [4 De aanvraag om een milieuvergunning bevat de aanwijzingen die zijn vereist in artikel 10. Behalve in het geval van een gemengd project wordt ze ingediend bij het Instituut.]4
  § 2. [4 Het Instituut levert, bij ontvangst, een indieningsbewijs af waarin het nummer van het dossier, de contactgegevens van de behandelende ambtenaar, de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing zijn aangegeven.]4
  [2 § 2bis. [4 ...]4 Het Instituut stuurt onmiddellijk een afschrift van [4 de]4 aanvraag en het bijbehorende indieningsbewijs aan de gemeente op het grondgebied waarvan het grootste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd.]2
  § 3. [4 ...]4
  § 4. [4 ...]4
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 19, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<BESL 2012-07-19/47, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 28-08-2012>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (4)<ORD 2017-11-30/19, art. 284, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 45.Ontvangbewijs.
  § 1. Wanneer het dossier volledig is, richt het Instituut binnen [1 vijfenveertig]1 dagen na ontvangst van het dossier voor de aanvraag van de milieuvergunning een ontvangbewijs aan de aanvrager [1 per aangetekende brief]1.
  § 2. Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte binnen [1 vijfenveertig]1 dagen na ontvangst van het dossier voor de aanvraag van de milieuvergunning met vermelding van de ontbrekende stukken en inlichtingen.
  Binnen 10 dagen na ontvangst hiervan, richt het Instituut een ontvangbewijs aan de aanvrager.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 285, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 46. Vrijstelling van speciale regelen van openbaarmaking en raadpleging.
  De aanvraag om een milieuvergunning wordt vrijgesteld van de speciale regelen van openbaarmaking en van het advies van de geraadpleegde personen en diensten aan wie de aanvraag om een milieu-attest wordt voorgelegd, op voorwaarde dat er geen nieuwe redenen zijn die dergelijke regelen en adviezen zouden verantwoorden.

  Art. 46bis. [1 Vrijstelling van effectenverslag.
   Wanneer de aanvraag voor een milieuvergunning overeenstemt met het afgegeven milieuattest, dient de aanvrager geen nieuw effectenverslag te realiseren.
   Indien de wijzigingen aangebracht na de afgifte van het milieuattest niet de toepassing vereisen van een hogere klasse dan die van het milieuattest, en indien de aanvrager aantoont dat ze geen aanzienlijke verhoging van de hinder veroorzaken, met name ten aanzien van bijlage 2, dient hij geen nieuw effectenverslag te realiseren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 286, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 47.Afgifte van de vergunning na de toekenning van een attest.
  § 1. Het Instituut geeft de milieuvergunning af.
  § 2. Het stuurt de aanvrager een kennisgeving van zijn beslissing binnen een termijn van 45 dagen na de dag van de kennisgeving van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 45, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier niet volledig is, ontbreken, binnen diezelfde termijn van 45 dagen na de [2 46ste]2 dag hetzij na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan [2 het Instituut]2, hetzij na de datum van verzending van de ontbrekende stukken of inlichtingen aan het Instituut.
  [1 Indien het echter een gemengd project betreft, dan moet de kennisgeving van de beslissing gebeuren binnen de 45 dagen na de laatste kennisgeving [2 ...]2 van enerzijds het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor de milieuvergunning door het Instituut en van anderzijds het ontvangstbewijs van het volledige aanvraagdossier voor de stedenbouwkundige vergunning door [2 ...]2 de gemachtigde ambtenaar.
  [2 ...]2]1
  [1 De termijn bedoeld in het [2 eerste en tweede lid]2 hierboven]1 kan, bij een met redenen omklede beslissing, een enkele maal met een maximumduur van 45 dagen worden verlengd.
  [1 § 2bis. Indien echter de milieuvergunningsaanvraag onderworpen is aan speciale regelen van openbaarmaking, dan wordt de in § 2, [2 eerste en tweede lid]2 bedoelde termijn van 45 dagen op 160 dagen gebracht.]1
  § 3. Bij het uitblijven van een beslissing, betekend binnen de in § 2 [1 of in § 2bis]1gestelde termijn, geldt het milieu-attest als een milieuvergunning met een geldigheidsduur van 15 jaar.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 15, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 287, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende de inrichtingen van klasse II [1 , van klasse ID]1 en de tijdelijke inrichtingen.
  ----------
  (1)<ORD 2014-04-03/16, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Afdeling 1. - Indiening en onderzoek van de aanvragen betreffende de inrichtingen van klasse II.

  Art. 48.Inhoud van de aanvraag.
  § 1. De aanvraag om een milieuvergunning bevat de gegevens die vereist zijn overeenkomstig artikel 10. Zij moet worden [3 ingediend bij]3 het bestuur van de gemeente waar de inrichting is gelegen.
  [2 Indien de aanvraag een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing behelst, bevat ze ook een effectenrapport opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon. Conform artikel 2.3.54, § 4, van het Brussels Wetboek voor Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet het effectenrapport worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon. Dat effectenrapport bevat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving van de redenen die deze afwijking rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen.]2
  Het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde geeft [3 bij ontvangst]3 aan de aanvrager een indieningsbewijs [1 waarop de behandelingstermijnen van de aanvraag en de rechtsmiddelen tegen zijn beslissing]1.
  § 2. [3 ...]3
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 20, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 288, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 49.Ontvangbewijs.
  [1 § 1. Alvorens het ontvangstbewijs voor de vergunningsaanvraag uit te reiken, zal het college van burgemeester en schepenen, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten.]1
  [ 1 § 2.]1 Wanneer het dossier volledig is, richt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde binnen [2 twintig]2 dagen na de datum van het indieningsbewijs of na het versturen van de aanvraag aan de gemeente aan de aanvrager een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief.
  [ 1 § 3.]1 Wanneer het dossier onvolledig is, brengt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de aanvrager hiervan op de hoogte binnen [2 twintig]2 dagen na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan de gemeente met vermelding van de ontbrekende stukken of inlichtingen.
  Binnen [2 twintig]2 dagen na ontvangst hiervan, verricht het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de in § 1 vermelde handelingen.
  ----------
  (1)<ORD 2012-03-01/15, art. 112, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 289, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 50. Openbaar onderzoek.
  Binnen vijftien dagen na het versturen van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de termijn voor het versturen ervan, indien geen enkele aanvraag om een bijkomend document aan de aanvrager werd gericht, onderwerpt het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde het dossier aan een openbaar onderzoek.
  Wanneer een project het voorwerp uitmaakt van een aanvraag om een milieuvergunning en een aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning, waarvoor speciale regelen van openbaarmaking zijn vereist, kan het College van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde de twee aanvragen gelijktijdig aan een openbaar onderzoek onderwerpen.

  Art. 51.Afgifte van de vergunning.
  § 1. Het College van burgemeester en schepenen geeft de milieuvergunning af.
  § 2. Het stuurt de aanvrager bij een ter post aangetekende brief een kennisgeving van zijn beslissing binnen 60 dagen na de datum van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 49, of, indien het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier onvolledig is, ontbreken, minder dan 60 dagen na de 11de dag hetzij na de datum van het indieningsbewijs of het versturen van de aanvraag, hetzij na de verzendingsdatum van de ontbrekende stukken of inlichtingen.
  De in het tweede lid bedoelde termijn wordt opgeschort telkens als in ongeacht welke fase van de procedure een termijn wordt verlengd.
  [1 Wanneer voor het project ook een stedenbouwkundige vergunning moet worden aangevraagd en de aanvraag van de milieuvergunning niet samen met de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning aan het openbaar onderzoek onderworpen is, wordt de termijn voor afgifte opgeschort in afwachting van de resultaten van het openbaar onderzoek betreffende de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning.]1
  § 3. Het uitblijven van een beslissing, betekend binnen de in § 2 gestelde termijn, komt neer op de weigering van de milieuvergunning.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 290, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de tijdelijke inrichtingen [1 en de inrichtingen van klasse ID.]1
  ----------
  (1)<ORD 2014-04-03/16, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 52.Indiening van de aanvraag.
  § 1. [4 De aanvraag van een milieuvergunning wordt ingediend bij de bevoegde overheid. Ze bevat de aanwijzingen die zijn vereist door artikel 10.
   De bevoegde overheid levert, bij ontvangst, een indieningsbewijs af waarin de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing zijn aangegeven.
   Het Instituut is de bevoegde overheid voor de vergunningsaanvragen voor tijdelijke inrichtingen van klasse I.A of I.B en voor de inrichtingen van klasse I.D. Het college van burgemeester en schepenen is de bevoegde overheid voor de vergunningsaanvragen voor de tijdelijke inrichtingen van klasse II.]4
  § 1bis. (In de gevallen bedoeld in artikel 13, § 1, tweede lid, 3°, wordt het dossier onmiddellijk voor advies overgemaakt aan het Instituut wanneer de bevoegde overheid het college van burgemeester en schepenen is of aan deze laatste overgemaakt wanneer de bevoegde overheid het Instituut is.) <ORD 2007-07-19/65, art. 9, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [2 § 1ter. Alvorens het ontvangstbewijs voor de vergunningsaanvraag uit te reiken, zal de bevoegde autoriteit, volgens de modaliteiten voorzien in artikel 61 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, nagaan of het project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied, en, in voorkomend geval, bepalen dat het aanvraagdossier een passende beoordeling moet omvatten.]2
  § 2. Wanneer het dossier vollediC is, verstuurt (de bevoegde overheid) binnen [4 twintig]4 dagen na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag aan de aanvrager een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief. <ORD 2001-12-06/57, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 9, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  § 3. Wanneer het dossier onvolledig is, brengt (de bevoegde overheid) de aanvrager hiervan op de hoogte binnen [4 twintig]4 dagen na de datum van het indieningsbewijs of verzending van de aanvraag met vermelding van de ontbrekende stukken of inlichtingen. <ORD 2007-07-19/65, art. 9, 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Binnen 10 dagen na ontvangst hiervan, richt (de bevoegde overheid) aan de aanvrager een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief. <ORD 2007-07-19/65, art. 9, 5°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 21, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2012-03-01/15, art. 113, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (3)<ORD 2014-04-03/16, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>
  (4)<ORD 2017-11-30/19, art. 291, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 53. Afgifte van de vergunning.
  § 1. (De bevoegde overheid) geeft de milieuvergunning af. <ORD 2007-07-19/65, art. 10, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (Ze) stuurt de aanvrager een kennisgeving per ter post aangetekende brief van (haar) beslissing binnen 30 dagen na de datum van het ontvangbewijs, zoals bedoeld in artikel 52, § 2 en § 3, of, wanneer het ontvangbewijs of het bericht dat het dossier onvolledig is, ontbreken, binnen 30 dagen (vanaf de 26ste dag) na de datum van het indieningsbewijs of het versturen van de aanvraag of de datum van verzending van de ontbrekende stukken of inlichtingen. <ORD 2001-12-06/57, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 10, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (Derde lid geschrapt) <ORD 2007-07-19/65, art. 10, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  § 2. Indien er geen beslissing ter kennis wordt gebracht binnen de in § 1 gestelde termijn, kan de aanvrager, bij een ter post aangetekende brief, een aanmaning sturen aan (de bevoegde overheid). <ORD 2007-07-19/65, art. 10, 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Indien de aanvrager geen beslissing heeft ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 10 dagen, ingaand op de dag waarop de aangetekende aanmaningsbrief ter post is afgegeven, wordt de vergunning geacht te zijn (geweigerd). <ORD 2001-12-06/57, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (Opgeheven). <ORD 2001-12-06/57, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>

  Art. 53bis. [1 Bijzondere procedure in het geval van een passende beoordeling.
   In het geval het aanvraagdossier voor een milieuvergunning voor een tijdelijke installatie een passende beoordeling omvat in toepassing van artikel 61 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud, wordt het aanvraagdossier onderzocht, door de bevoegde autoriteit, volgens de proceduremodaliteiten van artikelen 50 en 51, in afwijking van artikel 53.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2012-03-01/15, art. 114, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>

  HOOFDSTUK V. - Rechtsgeldigheid van de beslissingen en de voorwaarden voor de afgifte van milieu-attesten en milieuvergunningen.

  Art. 54. Definitie.
  Voor de toepassing van deze titel, wordt onder " beslissing " verstaan : elke beslissing die uitspraak doet over een aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning, over een administratief beroep of over een aanvraag tot verlenging van een vergunning die krachtens artikel 62 wordt ingediend.

  Art. 55.<ORD 2001-12-06/57, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> In acht te nemen elementen bij het nemen van de beslissing.
  Naast de in de aanvraag of in het beroep vermelde gegevens en onverminderd alle andere inlichtingen die nuttig kunnen zijn, moet bij het nemen van iedere beslissing met de volgende elementen rekening worden gehouden :
  1° (de beste beschikbare technieken om de behoeften aan primaire energie tot een minimum te beperken en de CO2-uitstoot te verminderen, om de gevaren, hinder of ongemakken van de inrichting te voorkomen, te verminderen of te verhelpen, alsook de concrete gebruiksmogelijkheden van deze technieken;) <ORD 2007-06-07/70, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 02-07-2008>
  2° de wisselwerking tussen de gevaren, hinder en ongemakken van de geplande inrichting en die van bestaande inrichtingen;
  3° de waarschijnlijkheid, de mogelijkheid en de gevolgen van zware ongevallen in de geplande inrichting en de wisselwerking ervan met die van de bestaande inrichtingen (domino-effect);
  4° de dwingende bepalingen die van toepassing zijn, met inbegrip van de programma's ter vermindering van de vervuiling en met name de voorschriften en doelstellingen van het gewestplan en het gewestplan betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen die bindend zijn voor de uitreikende overheid anderzijds;
  5° [2 de adviezen die binnen de termijn worden uitgebracht door de geraadpleegde personen en diensten, eveneens in het kader van het openbaar onderzoek. Indien er een effectenstudie werd uitgevoerd of een effectenverslag werd opgemaakt, zal met de gegevens en de besluiten daarvan in het bijzonder rekening worden gehouden;]2
  6° (Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren krachtens artikel 12, § 3 van de ordonnantie van [2 31 januari 2008]2 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, het vermogen van de exploitant om zijn emissies te bewaken en aan te geven [2 ;]2) <ORD 2008-01-31/31, art. 27, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  7° (het ontvankelijk tegemoetkomingsverzoek voor de sluiting van een tankstation bij het Fonds vermeld in het samenwerkingsakkoord van 13 december 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering en financiering van de bodemsanering van tankstations;) <ORD 2007-07-09/37, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 20-09-2007>
  [2 8° de ingebrekestellingen en proces-verbalen die in toepassing van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid van 25 maart 1999 jegens de aanvrager werden opgemaakt voor overtreding van onderhavige ordonnantie of bijbehorende uitvoeringsbesluiten;
   9° voor milieuvergunningen van klasse I.A en I.B staat de aanvrager in voor de follow-up van de merkbare milieu-effecten van de uitvoering van de vergunning, om zo in een vroeg stadium een onvoorziene negatieve impact te kunnen opsporen en de corrigerende maatregelen te nemen die hij passend acht om de merkbare negatieve effecten te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren. Deze follow-up vindt minstens één keer om de vijf jaar plaats. De projectuitvoerder kan evenwel, indien hij dat noodzakelijk acht, deze follow-up op kortere termijn aanvatten. De types van parameters die gevolgd dienen te worden en de duur van de follow-up zijn evenredig met de aard, de situering en de omvang van het project en met de ernst van de milieueffecten. Om overlappingen bij de follow-up te vermijden, mag de opvolging desgevallend in zijn huidige vorm, zoals die blijkt uit de wetgeving van de Europese Unie of de nationale en gewestelijke wetgeving, worden toegepast.]2
  [1 Nadat de vergunningsaanvraag aan een passende beoordeling van zijn effecten op een natuurreservaat, een bosreservaat of een Natura 2000-gebied is onderworpen, beslist de bevoegde autoriteit om het project toe te staan, met of zonder afwijking, of om het project te weigeren, rekening houdende met de criteria en de modaliteiten bepaald in artikel 64 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud. ]1
  Bij het nemen van elke beslissing, moeten de belangen die in artikel 2 worden genoemd en de belangen van de aanvrager of de uitbater onderling worden afgewogen.
  Deze gegevens moeten naar behoren vermeld staan in de motivering van de beslissing [2 ...]2.
  ----------
  (1)<ORD 2012-03-01/15, art. 115, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 292, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 56.Bijzondere uitbatingsvoorwaarden.
  Ongeacht de andere voorwaarden, kan de overheid, die de milieuvergunning afgeeft, het volgende bepalen :
  1° de voorwaarden voor het sluiten van een verzekeringspolis die de burgerlijke aansprakelijkheid van de uitbater dekt in geval van schade ten gevolge van een toestand van gevaar, hinder of ongemak, zoals bedoeld in artikel 2;
  2° de voorwaarden voor de controle van de inrichting en haar omgeving en in het algemeen voor elke periodieke controle die noodzakelijk is voor de bescherming bedoeld in artikel 2;
  3° de voorwaarden voor de maatregelen die moeten worden genomen, wanneer er zich een ongeluk of een incident voordoet, waardoor schade wordt berokkend aan het leefmilieu en de personen die krachtens artikel 2 beschermd worden;
  4° de voorwaarden voor de door het vrachtvervoer te volgen wegen van of naar de inrichting;
  5° de voorwaarden voor de toestand waarin de plaats zich na het beëindigen van de uitbating moet bevinden en de waarborgen die de uitbater daaromtrent moet geven;
  6° de voorwaarden voor de tijdstippen waarop de inrichting in werking mag zijn.
  (7° Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren krachtens artikel 12, § 3, van de ordonnantie van [3 31 januari 2008]3 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, de geschikte maatregelen om het Instituut in staat te stellen deze emissierechten te beheren.) <ORD 2008-01-31/31, art. 28, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  (8° Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren krachtens artikel 12, § 3, van de ordonnantie van [3 31 januari 2008]3 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, een verplichting om bij het Instituut een hoeveelheid emissierechten in te leveren gelijk aan de totale emissies van de inrichting, alsook eisen inzake bewaking, aangifte en verificatie van de emissies.) <ORD 2008-01-31/31, art. 28, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  (9° de voorwaarden betreffende het rationeel energiegebruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen.) <ORD 2007-06-07/70, art. 35, 011; Inwerkingtreding : 02-07-2008>
  [1 10° elke verzachtende of corrigerende maatregel die het mogelijk maakt om de doelstellingen van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud te garanderen;]1
  [2 11° Voor de voedingssupermarkten, voorwaarden inzake het beheer van de onverkochte voedingswaren waarvan de vervaldatum niet bereikt is, maar die de zaakvoerder niet meer wenst te verkopen en die voldoen aan de wettelijke normen inzake voedselveiligheid.]2
  ----------
  (1)<ORD 2012-03-01/15, art. 116, 020; Inwerkingtreding : 26-03-2012>
  (2)<ORD 2014-03-27/74, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 26-03-2015>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 293, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 57.[1 Wijziging van de aanvraag in de loop van het onderzoek.
   De vergunnende overheid kan voorwaarden opleggen die wijzigingen van de vergunningsaanvraag impliceren. Wanneer de uitbatingsvoorwaarden die de vergunnende overheid van plan is op te leggen wijzigingen van de aanvraag inhouden die geen gevolgen hebben voor het voorwerp daarvan, bijkomend zijn en bedoeld om te beantwoorden aan de bezwaren bij het oorspronkelijke project, kan de milieuvergunning worden toegekend na ontvangst van de gevraagde aanvullingen, zonder dat hierop opnieuw de behandelingsprocedure waartoe de aanvraag aanleiding gaf, moeten worden uitgevoerd.
   Wanneer de uitbatingsvoorwaarden die de bevoegde overheid van plan is op te leggen wijzigingen van de aanvraag inhouden die niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden, wordt de gewijzigde aanvraag opnieuw onderworpen aan de behandelingsprocedure die de vergunnende overheid vaststelt.
   In dat laatste geval wordt de termijn voor aflevering van de milieuvergunning zoals bepaald in artikelen 17, 32, 36, 43, 47 en 51 opgeschort vanaf het moment waarop de aanvrager op de hoogte wordt gebracht van de verplichting om zijn aanvraag te wijzigen tot de ontvangst van de documenten die resulteren uit de behandelingsprocedure.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 294, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 57bis. [1 Wijziging van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning op initiatief van de aanvrager.
   § 1. Indien het een gemengd project betreft en de aanvrager beslist om zijn aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning te wijzigen in overeenstemming met artikel 177/1 van het BWRO, brengt hij het Instituut daar zo snel mogelijk van op de hoogte nadat de overlegcommissie heeft plaatsgevonden en ten laatste op de 30ste dag voor het verstrijken van de termijn voor aflevering, zoals bepaald in artikelen 32, 36, 43 of 47, afhankelijk van welk artikel van toepassing is.
   § 2. De aanvrager bezorgt zijn gewijzigde aanvraag gelijktijdig aan het Instituut en aan de gemachtigde ambtenaar.
   § 3. Binnen de dertig dagen nadat de door de aanvrager doorgestuurde wijzigingen werden ontvangen, laat het Instituut aan de aanvrager weten of het al dan niet nodig is om verdere aanvullingen bij zijn milieuvergunningsaanvraag te verstrekken.
   Indien aanvullingen nodig zijn, verstrekt de aanvrager die aan het Instituut, dat een ontvangstbevestiging van volledigheid of onvolledigheid van de aanvullingen aflevert. In voorkomend geval bezorgt de aanvrager de ontbrekende documenten aan het Instituut tot hij van het Instituut een ontvangstbewijs van volledigheid van de aanvullingen ontvangt. De gemachtigde ambtenaar beslist vervolgens of op de wijzigingen al dan niet behandelingsprocedure moeten worden uitgevoerd.
   § 4. De termijn voor aflevering wordt opgeschort vanaf het moment waarop het Instituut bericht ontvangt van de beslissing van de aanvrager om zijn aanvraag te wijzigen tot het moment waarop de overlegcommissie haar advies uitbrengt indien de gemachtigde ambtenaar heeft beslist dat nieuwe bijzondere bekendmakingsmaatregelen moeten worden doorlopen. Is dat niet het geval, dan wordt de termijn opgeschort tot de 30ste dag die volgt op de kennisgeving zoals bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, of, indien aanvullingen nodig zijn, de ontvangstbevestiging van volledigheid zoals bedoeld in paragraaf 3, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 295, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 57ter. [1 Wijziging van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning op initiatief van de gemachtigde ambtenaar.
   § 1. Indien het een gemengd project betreft en de aanvrager beslist om zijn aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning te wijzigen met toepassing van artikel 177/1 van het BWRO, brengt hij het Instituut daar zo snel mogelijk van op de hoogte ten vroegste nadat de overlegcommissie heeft plaatsgevonden en ten laatste op de 30ste dag voor het verstrijken van de termijn voor aflevering, zoals bepaald in de artikelen 32, 36, 43 of 47, naargelang het geval.
   § 2. De aanvrager bezorgt zijn gewijzigde aanvraag gelijktijdig aan het Instituut en aan de gemachtigde ambtenaar.
   § 3. Binnen de dertig dagen nadat de door de aanvrager doorgestuurde wijzigingen werden ontvangen, laat het Instituut aan de aanvrager weten of het al dan niet nodig is om verdere aanvullingen bij zijn milieuvergunningsaanvraag te verstrekken.
   Indien aanvullingen nodig zijn, verstrekt de aanvrager die aan het Instituut, dat een ontvangstbewijs van volledigheid of onvolledigheid van de aanvullingen aflevert. In voorkomend geval bezorgt de aanvrager de ontbrekende documenten aan het Instituut tot hij van het Instituut een ontvangstbewijs van volledigheid van de aanvullingen ontvangt. De gemachtigde ambtenaar beslist vervolgens of op de wijzigingen al dan niet onderzoekshandelingen moeten worden uitgevoerd.
   § 4. De termijn voor aflevering wordt opgeschort vanaf het moment waarop het Instituut bericht ontvangt van de in paragraaf 1 bedoelde beslissing van de gemachtigde ambtenaar en, indien de gemachtigde ambtenaar heeft beslist dat nieuwe speciale regelen van openbaarmaking moeten worden doorlopen, tot het moment waarop de overlegcommissie haar advies uitbrengt. Is dat niet het geval, dan wordt de termijn opgeschort tot de 30ste dag die volgt op de kennisgeving zoals bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, of, indien aanvullingen nodig zijn, de ontvangstbevestiging van volledigheid zoals bedoeld in paragraaf 3, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 296, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 58. Mobiele inrichtingen.
  Wanneer een inrichting mobiel is, wijst de milieuvergunning de plaatsen aan waar zij mag worden uitgebaat. De algemene uitbatingsvoorwaarden of de uitbatingsvoorwaarden, vermeld in de milieuvergunning, moeten worden nageleefd op alle plaatsen waar de inrichting wordt uitgebaat.

  Art. 59.Termijn van verval.
  § 1. De bevoegde overheid bepaalt de termijn waarbinnen de milieuvergunning moet worden uitgevoerd. Deze termijn mag niet langer zijn dan [3 drie jaar]3 na de kennisgeving van de definitieve beslissing.
  [2 In het geval dat verplichtingen inzake identificatie en de behandeling van de bodemverontreiniging moeten worden vervuld vóór de uitvoering van een milieuvergunning in uitvoering van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, wordt deze termijn van rechtswege opgeschort tot het Instituut heeft vastgesteld dat deze verplichtingen correct uitgevoerd werden.]2
  § 2. De milieuvergunning vervalt indien de vergunninghouder, binnen de gestelde termijn, niet duidelijk met de uitvoering van de vergunning van start is gegaan. Het verval van de vergunning geschiedt van rechtswege.
  § 3. [3 Op vraag van de vergunninghouder kan de termijn voor de uitvoering van de milieuvergunning echter worden verlengd per periode van een jaar, wanneer de aanvrager aantoont dat hij zijn milieuvergunning niet heeft kunnen uitvoeren als gevolg van overmacht of omdat hij een of meer overheidsopdrachten heeft moeten afsluiten.
   Op straffe van vervallenverklaring hoort de verlengingsaanvraag minstens twee maanden voor het verstrijken van de onder § 1 bedoelde termijn plaats te vinden.
   Wanneer voor de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van de milieuvergunning werd ingediend, wordt de uitvoeringstermijn gedurende de volledige procedure van rechtswege opgeschort, van de indiening van het verzoek tot aan de kennisgeving van de eindbeslissing.
   De verlenging wordt toegekend door de vergunningverlenende overheid. Bij ontstentenis van een beslissing op het einde van de uitvoeringstermijn wordt de verlenging als toegekend beschouwd.]3
  § 4. De beslissing tot weigering van de verlenging is niet vatbaar voor beroep.
  [3 § 5. Bij een gemengd project brengt de verlenging van de vervaldatum van de stedenbouwkundige vergunning overeenkomstig artikel 101 van het BWRO de verlenging van rechtswege mee van de uitvoeringstermijn van de milieuvergunning.]3
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 16, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2009-03-05/30, art. 79,§1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 297, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 60. Duur van het attest.
  § 1. Het milieu-attest is 2 jaar geldig.
  § 2. Op verzoek van de attesthouder, kan het attest evenwel worden verlengd met een periode van 1 jaar. De verlenging moet, op straffe van verval, worden aangevraagd ten minste 6 maanden vóór het verstrijken van de in § 1 bedoelde termijn.
  De verlenging wordt verleend door de uitreikende overheid. Bij het uitblijven van een beslissing 3 maanden vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen aan het attest uitvoering moest worden gegeven, wordt de verlenging geacht toegekend te zijn.
  § 3. De beslissing tot weigering van de verlenging is niet vatbaar voor beroep.

  Art. 61.[1 § 1. Vanaf de uitvoering ervan is de milieuvergunning vijftien jaar geldig, voor zover dat de houder zich gevoegd heeft naar artikel 63, § 1, 2°. In het tegenovergestelde geval is de milieuvergunning vijftien jaar vanaf de afleverdatum geldig.
   In het geval van tijdelijke inrichtingen is de maximale geldigheidsduur van de milieuvergunning :
   1° drie jaar, als het gaat over werkzaamheden van asbestverwijdering;
   2° een jaar, in de andere gevallen.
   § 2. De bevoegde overheid kan de in paragraaf 1 vastgelegde termijn verminderen; in dit geval, zal zij haar beslissing speciaal met redenen omkleden.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 298, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 62.Verlenging van de vergunning.
  § 1. [3 Op het einde ervan mag de milieuvergunning worden verlengd. Milieuvergunningen voor tijdelijke inrichtingen zijn evenwel niet verlengbaar.]3
  § 2. [3 De houder van de milieuvergunning vraagt, uiterlijk een jaar voor het verstrijken ervan, de verlenging van de vergunning aan bij in eerste instantie de vergunningverlenende overheid, zoniet dient hij een nieuwe milieu-vergunningsaanvraag in. Deze aanvraag tot verlenging kan niet meer dan twee jaar voor het verstrijken ingediend worden, zoniet is ze onontvankelijk.]3
  [1 De bevoegde overheid geeft zodra ze de aanvraag [3 ...]3 ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]1
  § 3. De aanvraag tot verlenging bevat de volgende gegevens :
  1° als de aanvrager een natuurlijke persoon is : zijn naam, voornaam en woonplaats; als het om een rechtspersoon gaat : de naam van de firma of van de vennootschap, de rechtsvorm, het adres van de zetel van de vennootschap, alsook de hoedanigheid van de ondertekenaar van de aanvraag;
  2° de lijst van de ingedeelde inrichtingen waarvoor de verlenging van de milieuvergunning wordt aangevraagd;
  3° de wijzigingen die aan de ingedeelde inrichtingen werden aangebracht sinds de afgifte van de milieuvergunning.
  [2 4° in voorkomend geval, een evaluatie opgemaakt door een daartoe erkende of geregistreerde persoon dat een gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving bevat van de redenen die een afwijking krachtens artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing rechtvaardigen, van haar gevolgen voor het milieu en de mobiliteit en van de maatregelen om ze te vermijden, te verwijderen of te verminderen. Als de aanvraag een afwijking behelst die verband houdt met meer dan tien bijkomende plaatsen, moet de effectenevaluatie worden opgesteld door een te dien einde geregistreerd of erkend persoon;]2
  [3 5° een verkennend bodemonderzoek, indien dat vereist is op grond van artikel 13, § 2, 4°, van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems of de vrijstelling van het uitvoeren van dergelijk bodemonderzoek, zoals bepaald in artikel 13/4 van voornoemde ordonnantie ;]3
  De Regering kan de gegevens die moeten worden vermeld in de aanvraag tot verlenging van de milieuvergunning nader omschrijven en aanvullen.
  § 4. Wanneer het dossier volledig is, richt de bevoegde overheid binnen 30 dagen na de datum van verzending van de verlengingsaanvraag, bij een ter post aangetekende brief, aan de aanvrager een ontvangbewijs.
  Zodra het dossier volledig is, vraagt de bevoegde overheid de adviezen die vereist zijn krachtens artikel 13 van deze ordonnantie. [3 In afwijking van artikel 13 wordt het advies van de Dienst Brandweer en Dringende Medische Hulp gunstig geacht wanneer het niet is uitgebracht binnen de gestelde termijn.]3 <ORD 2001-12-06/57, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (Wanneer de in eerste instantie uitreikende overheid echter overweegt nieuwe exploitatievoorwaarden op te leggen omdat een inrichting, bij het uitvoeren van een of meerdere industriële activiteiten als bedoeld in bijlage I van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering [3 van 21 november 2013 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriële emissies]3, een dusdanige verontreiniging veroorzaakt dat de emissiegrenswaarden van de milieuvergunning moeten worden herzien of dat nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen, dan worden de verlengingsaanvraag, het ontwerp van nieuwe exploitatievoorwaarden en een toelichtende nota aan een openbaar onderzoek van [3 dertig]3 dagen onderworpen vóór enige beslissing wordt genomen.
  De toelichtende nota, die is opgesteld door de in eerste instantie uitreikende overheid, moet het mogelijk maken de draagwijdte van de beoogde nieuwe exploitatievoorwaarden te beoordelen.
  [3 In de in de leden 3 en 4 bedoelde gevallen en wanneer]3 de verlengingsaanvraag een inrichting van klasse I A of I B betreft, moet de in eerste instantie uitreikende overheid het volledige dossier bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied de inrichting zich bevindt, en moet dit college het openbaar onderzoek organiseren binnen twee weken na ontvangst van voornoemd dossier. Binnen tien dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek, bezorgt het college van burgemeester en schepenen de klachten en opmerkingen aan de in eerste instantie uitreikende overheid.) <ORD 2008-07-10/41, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  § 5. Wanneer het dossier niet volledig is, brengt de bevoegde overheid de aanvrager hiervan op de hoogte binnen 30 dagen na de datum van verzending van de aanvraag tot verlenging, met vermelding van de ontbrekende stukken en inlichtingen.
  Binnen 10 dagen na de datum van verzending hiervan, stuurt de uitreikende overheid een ontvangbewijs aan de aanvrager bij een ter post aangetekende brief.
  [3 De bevoegde instantie verklaart het dossier onvolledig indien ze van mening is dat een actualisering nodig is van de evaluatie van de effecten van de ingedeelde inrichtingen ten aanzien van de evolutie van de regelgeving en van de evolutie van de exploitatie en de omgeving ervan, samen met de oplossingen die worden aangereikt om de vastgestelde milieueffecten met inachtneming van de beste beschikbare technieken te verminderen.
   Ze verklaart het eveneens onvolledig indien ze niet over bewijzen beschikt dat de geklasseerde inrichtingen uitgebaat worden overeenkomstig de voorwaarden van de te verlengen vergunning.]3
  § 6. De bevoegde overheid stuurt de aanvrager een kennisgeving van haar beslissing uiterlijk 6 maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning. Zij kan er nieuwe uitbatingsvoorwaarden aan toevoegen [2 en zich, in voorkomend geval, uitspreken over de rechtvaardiging van het aantal parkeerplaatsen toegestaan in toepassing van artikel 2.3.54, § 4 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing in afwijking van artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van datzelfde Wetboek.]2.
  [2 Onverminderd artikel 13ter, § 2 weigert de bevoegde overheid deels de verlenging voor het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op overtollige parkeerplaatsen in de zin van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing.]2
  Indien er binnen deze termijn geen beslissing ter kennis wordt gebracht [3 en voor zover het dossier volledig is verklaard]3, kan de aanvrager, bij een ter post aangetekende brief, een aanmaning sturen aan de bevoegde overheid. Indien, bij het verstrijken van een nieuwe termijn van twee maanden met ingang op de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending met de aanmaning, de aanvrager geen beslissing heeft ontvangen, wordt de vergunning geacht te worden verlengd voor een duur van 15 jaar. [2 In zover ze verband houdt met het gedeelte van de milieuvergunning dat betrekking heeft op parkeerplaatsen die de normen vastgelegd in artikelen 2.3.53 en 2.3.54, §§ 1 tot 3 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing overschrijden, wordt de vergunning verlengd volgens de voorwaarden die in de verlengingsaanvraag zijn vermeld, onverminderd artikel 13ter, § 2.]2.
  [3 Hoe dan ook, behalve in geval van beroep zoals bedoeld in artikel 80 of 81 van deze ordonnantie, kan een milieuvergunning waarvan de geldigheid op zijn einde loopt niet worden verlengd, ook niet stilzwijgend.]3
  § 7. De verlenging van de duur van de milieuvergunning stelt de vergunninghouder niet vrij van zijn plichten en belemmert de toepassing niet van de maatregelen en strafbepalingen bedoeld in de artikelen 95 en 96 voor de feiten die voorafgaan aan de beslissing, zij het een stilzwijgende, tot verlenging.
  § 8. Iedere beslissing tot verlenging moet (ingeschreven worden in het register bedoeld in artikel 86 en) aangeplakt worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 87. <ORD 2008-07-10/41, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  Bij een stilzwijgende beslissing, moet de aanvrager een bericht aanplakken dat de stilzwijgende verlenging bekendmaakt.
  De Regering stelt de regels voor de toepassing van deze paragraaf vast.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 22, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2013-05-02/09, art. 4.1.1, 024; Inwerkingtreding : 31-05-2013>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 299, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 63.Verplichtingen van de vergunninghouders.
  § 1. Onverminderd de verplichtingen die hem door andere bepalingen zijn opgelegd, moet elke houder van een milieuvergunning :
  1° [4 het bericht dat het bestaan van zijn milieuvergunning aangeeft]4 de hiervoor geldende beslissing, alsook [4 van]4 elke beslissing tot wijziging, schorsing of intrekking van de milieuvergunning aanplakken op het gebouw waarin de inrichtingen zich bevinden en, in de buurt van de inrichting, op een van de openbare weg zichtbare plaats;
  2° kennis geven, aan de bevoegde overheid in eerste instantie, ten minste 15 dagen op voorhand, van de datum waarop de uitvoering van de milieuvergunning kan beginnen;
  3° alle nodige maatregelen treffen om de gevaren, hinder of ongemakken ten gevolge van de inrichting te voorkomen, te verminderen of te verhelpen;
  4° onmiddellijk het Instituut en de gemeente op de hoogte brengen van elk ongeval of incident dat het leefmilieu of de gezondheid en de veiligheid van de personen zou kunnen schaden;
  5° onmiddellijk de bevoegde overheid in eerste instantie op de hoogte brengen van de veranderingen die zich sinds de afgifte van de milieuvergunning hebben voorgedaan in één van de gegevens of voorwaarden vermeld in het aanvraagdossier of in de milieuvergunning;
  6° onmiddellijk de bevoegde overheid in eerste instantie inlichten over elke verandering van vergunninghouder, alsook over elke stopzetting van de activiteiten; [1 deze aangifte wordt ondertekend door de overdrager en de overnemer van de vergunning. De overnemer van een milieuvergunning voor een risicoactiviteit in de zin van artikel 3, 3°, van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, moet instaan voor de verplichtingen die worden voorgeschreven in voormelde ordonnantie.[3 ...]3]1
  7° [4 ...]4 [4 aan een door de bijzondere exploitatievoorwaarden bepaalde periodiciteit]4 een verslag opstellen betreffende de naleving van de dwingende bepalingen die van toepassing zijn en van de voorwaarden van de milieuvergunning en dat gewijd is aan de specifieke maatregelen die werden goedgekeurd voor de verwezenlijking van de in artikel 2 bedoelde doelstellingen, met inbegrip van het aanwenden van de [4 beste beschikbare technieken]4. Hiertoe, kan de uitbater een beroep doen op de diensten van de door de Regering erkende personen. (Hij brengt buiten zijn bedrijf de bekendmaking aan dat het verslag opgesteld is en dat een vereenvoudigde versie ervan beschikbaar is bij het Instituut); <ORD 2001-12-06/57, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (8° de bevoegde overheid de gegevens bezorgen die noodzakelijk zijn om toe te zien op de naleving van de in de vergunning gestelde voorwaarden.) <ORD 2001-12-06/57, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  § 2. Elke persoon die de houder is of was van een milieuvergunning, is bovendien verplicht de plaats van een inrichting waarvan de uitbating ten einde loopt of niet meer toegelaten is, opnieuw in een dusdanige toestand te brengen dat er zich geen gevaar, hinder of ongemak voordoet.
  [2 Wanneer het herstel leidt tot de identificatie en behandeling van een bodemverontreiniging, is de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems van toepassing.]2
  § 3. De Regering kan aan de houders van milieuvergunningen andere verplichtingen opleggen.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-05/30, art. 79,§2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<ORD 2009-03-05/30, art. 79,§3, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (3)<ORD 2017-06-23/23, art. 80, 030; Inwerkingtreding : 23-07-2017>
  (4)<ORD 2017-11-30/19, art. 300, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 64.[1 Wijziging van de uitbatingsvoorwaarden.]1
  § 1. De (in eerste instantie) uitreikende overheid wijzigt de milieuvergunning, wanneer zij vaststelt dat deze vergunning niet of niet meer de passende voorwaarden inhoudt, met inbegrip van het gebruik van de [2 beste beschikbare technieken]2, om het gevaar, de hinder of de ongemakken voor het leefmilieu en de gezondheid te vermijden, te beperken of te verhelpen. <ORD 2001-12-06/57, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (Wanneer de in eerste instantie uitreikende overheid overweegt nieuwe exploitatievoorwaarden op te leggen omdat een inrichting, bij het uitvoeren van een of meerdere industriële activiteiten als bedoeld in bijlage I van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering [2 van 21 november 2013 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door industriële emissies]2, een dusdanige verontreiniging veroorzaakt dat de emissiegrenswaarden van de milieuvergunning moeten worden herzien of dat nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen, dan worden het ontwerp van nieuwe exploitatievoorwaarden en een toelichtende nota aan een openbaar onderzoek van [2 dertig]2 dagen onderworpen vóór enige beslissing wordt genomen.
  De toelichtende nota, die is opgesteld door de in eerste instantie uitreikende overheid, moet het mogelijk maken de draagwijdte van de beoogde nieuwe exploitatievoorwaarden te beoordelen.
  [2 In de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen en wanneer]2 de milieuvergunning een inrichting van klasse I A of I B betreft, moet de in eerste instantie uitreikende overheid het ontwerp van nieuwe exploitatievoorwaarden en de toelichtende nota bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied de inrichting zich bevindt, en moet dit college het openbaar onderzoek organiseren binnen twee weken na ontvangst van voornoemde documenten. Binnen tien dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek bezorgt het college van burgemeester en schepenen de klachten en opmerkingen aan de in eerste instantie uitreikende overheid.) <ORD 2008-07-10/41, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  [2 De vergunnende overheid in eerste instantie kan ze tevens wijzigen op verzoek van de houder van de milieuvergunning, op voorwaarde dat de wijziging]2 niet een groter gevaar of grotere hinder voor het leefmilieu en de gezondheid met zich brengt.
  (Het Instituut past de vergunning aan door de broeikasgasemissierechten erin op te nemen of te schrappen.) <ORD 2008-01-31/31, art. 29, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  § 2. Elke beslissing tot wijziging wordt genomen, nadat de houder van de milieuvergunning de kans heeft gekregen zijn opmerkingen ofwel mondeling, ofwel schriftelijk, bekend te maken.
  § 3. De beslissing tot wijziging wordt met redenen omkleed en aan de houder van de milieuvergunning bij een ter post aangetekende brief betekend. (Bovendien dient dit te worden ingeschreven in het in artikel 86 bedoelde register en aangeplakt volgens de bepalingen van artikel 87.) <ORD 2008-07-10/41, art. 7, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 17, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 301, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 65. Schorsing of intrekking.
  De uitrdt genomen, nadat de houder van eikende overheid kan de milieuvergunning schorsen of intrekken, indien de houder van de milieuvergunning niet naleeft wat volgt :
  1° de algemene uitbatingsvoorwaarden voor de inrichtingen, vastgesteld bij besluit van de Regering;
  2° de bijzondere voorwaarden opgenomen in de milieuvergunning;
  3° de verplichtingen opgesomd in artikel 63.
  Elke beslissing tot schorsing of tot intrekking worde milieuvergunning de kans heeft gekregen zijn opmerkingen ofwel mondeling, ofwel schriftelijk, bekend te maken.
  De beslissing tot schorsing of tot intrekking wordt aan de houder van de milieuvergunning bij een ter post aangetekende brief betekend.

  TITEL III. - Activiteiten onderworpen aan voorafgaande aangifte.

  Art. 66.Aangifteprocedure.
  § 1. De aangifte betreffende de inrichtingen van klasse (I.C. of) III wordt gedaan via een formulier waarvan de inhoud en het model worden vastgesteld door de Regering. Het formulier wordt [2 ...]2 opgestuurd aan (de bevoegde overheid). <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (Het Instituut is de bevoegde overheid voor de aangiften van klasse I.C. Het College van burgemeester en schepenen is de bevoegde overheid voor de aangiften van klasse III.) <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [1 De bevoegde overheid geeft zodra ze de aangifte [2 ...]2 ontvangen heeft een afgiftebewijs af waarop de behandelingstermijnen van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing vermeld staan.]1
  § 2. Wanneer de aangifte volledig is, stuurt (de bevoegde overheid) een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief aan de aangever en stuurt het een afschrift van de aangifte aan het Instituut (of aan het College van burgemeester en schepenen al naargelang het gaat om een aangifte van klasse III of van klasse 1.C) binnen 20 dagen na ontvangst van de aangifte. <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 3° en 4°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Wanneer de aangifte niet volledig is, brengt (de bevoegde overheid) de aanvrager hiervan op de hoogte binnen 20 dagen na ontvangst van de aangifte en vermeldt het welke documenten en inlichtingen ontbreken. <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 5°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  Binnen 10 dagen na ontvangst ervan, verricht (de bevoegde overheid) de in het eerste lid bedoelde handelingen. <ORD 2007-07-19/65, art. 11, 6°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 23, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 302, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 67.Aanvang van de uitbating.
  [1 § 1.]1 De uitbating, de verplaatsing, de heropstarting van de uitbating, de verbouwing of de uitbreiding van inrichtingen van klasse (I.C of) III kan worden aangevat na ontvangst van het ontvangbewijs dat akte neemt van de aangifte door de aanvrager [1 ...]1. <ORD 2007-07-19/65, art. 12, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  [1 § 2. Indien hij binnen de in § 1 gestelde termijn geen ontvangstbewijs heeft ontvangen dat akte neemt van de aangifte door de aanvrager, kan deze laatste per post aangetekende brief een herinnering sturen aan de bevoegde overheid.
   Indien de aanvrager na het verstrijken van een nieuwe termijn van tien dagen, die ingaat op de datum van afgifte van de aangetekende brief met de herinnering bij de post, het ontvangstbewijs nog niet ontvangen heeft, kan de uitbating, de verplaatsing, de heropstarting van de uitbating, de verbouwing of de uitbreiding van inrichtingen niet worden aangevat.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 303, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 68.Bijzondere uitbatingsvoorwaarden.
  Ongeacht andere voorwaarden, kan (de bevoegde overheid) die een voorafgaande aangifte ontvangt, aan de aangever, [1 ...]1 volgende voorwaarden opleggen : <ORD 2007-07-19/65, art. 13, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  1° de voorwaarden voor het sluiten van een verzekeringspolis die de burgerlijke aansprakelijkheid van de uitbater dekt in geval van schade ten gevolge van een toestand van gevaar, hinder of ongemak zoals bedoeld in artikel 2;
  2° de voorwaarden voor de controle van de inrichting en haar omgeving en in het algemeen voor elke periodieke controle die noodzakelijk is voor de bescherming bedoeld in artikel 2;
  3° de voorwaarden voor de maatregelen die moeten worden genomen wanneer er zich een ongeluk of een incident voordoet waardoor schade wordt berokkend aan het leefmilieu en de personen die krachtens artikel 2 beschermd worden;
  4° de voorwaarden voor de door het vrachtvervoer te volgen wegen van of naar de inrichting;
  5° de voorwaarden voor de toestand waarin de plaats zich na het beëindigen van de uitbating moet bevinden en de waarborgen die de uitbater daaromtrent moet geven;
  6° de voorwaarden voor de tijdstippen waarop de inrichting in werking mag zijn.
  [1 De bevoegde overheid kan de uitbatingsvoorwaarden wijzigen overeenkomstig de procedure van artikel 64.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 304, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 69.Aanplakking van de aangifte of van de uitbatingsvoorwaarden.
  De uitbater van een inrichting van klasse (I.C of van klasse) III is verplicht [2 ...]2 [1 het in artikel 87 bedoelde advies]1, aan te plakken. Het aanplakbiljet moet worden aangebracht op het gebouw waarin de inrichtingen zich bevinden en, in de buurt van de inrichting, op een van de openbare weg zichtbare plaats.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 18, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 305, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 69bis. [1 Vervaltermijn van de aangiften.
   De in artikel 59 bepaalde regels betreffende het verval van de milieuvergunning, zijn van toepassing op de aangiften.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 306, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 69ter. [1 Verplichtingen van de aangevers
   De verplichtingen van de vergunninghouders bedoeld in artikel 63 zijn van toepassing op de aangevers, met uitzondering van punt 7°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 307, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  TITEL IV. - Personen onderworpen aan de erkenning.

  HOOFDSTUK I. - Indiening van de aanvraag.

  Art. 70. Personen onderworpen aan de erkenning.
  De Regering wijst de natuurlijke of rechtspersonen aan die wegens hun activiteit aan de voorafgaande erkenning zijn onderworpen.
  Zij kan de bijzondere regels eigen aan elke erkenningscategorie vastleggen.

  Art. 70bis. [1 Erkenning van rechtswege
   De Regering legt de voorwaarden vast volgens dewelke rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een erkenning of een gelijkwaardige titel verstrekt in een ander gewest of in een andere lidstaat van de Europese Unie voor de uitoefening van dezelfde activiteiten en waarvan de gelijkwaardigheid werd aangetoond, van rechtswege erkend worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 308, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 71.Inhoud van de aanvraag.
  § 1. Onverminderd de bepalingen voor elke activiteit die aan een erkenning is onderworpen, wordt de aanvraag ingediend met de volgende stukken en inlichtingen :
  1° indien het gaat om een natuurlijke persoon :
  a) de naam, voornaam en woonplaats van de aanvrager;
  b) een nota, samen met de bewijsstukken, met beschrijving van de bevoegdheden, de diploma's, de beroepservaring en de technische middelen waarover de aanvrager beschikt;
  c) [1 ...]1
  2° indien het gaat om een rechtspersoon :
  a) zijn rechtsvorm, de naam van de firma of van de vennootschap, de zetel van de vennootschap en de hoedanigheid van de ondertekenaar van de aanvraag;
  b) een afschrift van de bekendmaking van zijn statuten en van de laatste akte tot benoeming van de bestuurders of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de aanvraag tot bekendmaking van de statuten;
  c) de lijst van de namen van de bestuurders, de zaakvoerders of personen die voor de vennootschap verbintenissen kunnen aangaan en de personen die de activiteit uitoefenen waarvoor de erkenningsaanvraag wordt ingediend;
  d) een beschrijvende nota met voor elk van deze personen de bevoegdheden, de diploma's en de beroepservaring;
  e) de technische middelen waarover de aanvrager beschikt;
  f) [1 ...]1
  [1 3° indien het gaat om een persoon die houder is van een gelijkwaardig document dat is uitgereikt in een ander Gewest of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte :
   a) een kopie van het document dat is uitgereikt door de bevoegde overheid van het Gewest of van de lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
   b) indien het document in een andere taal werd uitgereikt, een vertaling daarvan in het Nederlands of het Frans, naar gelang van de taal die is gekozen voor de indiening van de erkenningsaanvraag;
   c) elk element op basis waarvan de aanvrager kan aantonen dat de voorwaarden voor de verwerving van het document dat hij bezit gelijk zijn aan de voorwaarden die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest oplegt.]1
  De Regering kan [1 de in 1°, 2° en 3° bedoelde]1 elementen nader omschrijven en aanvullen.
  § 2. De erkenningsaanvraag wordt in 4 exemplaren [2 ...]2 opgestuurd aan het Instituut.
  [2 Binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag verstrekt het Instituut een afgiftbewijs met vermelding van het dossiernummer, de contactgegevens van de behandelende ambtenaar, de termijn voor de behandeling van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing.]2
  § 3. Wanneer het dossier volledig is, verricht het Instituut binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag de volgende handelingen :
  1° het stuurt de aanvrager een ontvangbewijs bij een ter post aangetekende brief;
  2° het zendt een afschrift van de aanvraag over aan de personen en diensten waarvan het advies is vereist krachtens artikel 72.
  § 4. Wanneer het dossier niet volledig is, brengt het Instituut de aanvrager hiervan op de hoogte binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag en vermeldt het de stukken of inlichtingen die ontbreken.
  Binnen 10 dagen na ontvangst hiervan, verricht het Instituut de in [1 paragraaf 3]1 [2 of in deze paragraaf]2 vermelde handelingen.
  § 5. [2 ...]2
  [2 § 6. In geval van een aanvraag tot vernieuwing van de erkenning, worden bij de aanvraag de volgende inlichtingen gevoegd :
   1° de namen, voornaam en woonplaats, indien het gaat om een natuurlijke persoon, of bedrijfsnaam, rechtsvorm, adres van de zetel van de vennootschap en de hoedanigheid van de ondertekenaar van de aanvraag, indien het gaat om een rechtspersoon;
   2° de activiteit en het nummer van de erkenning die het voorwerp van de aanvraag tot vernieuwing uitmaakt;
   3° de wijzigingen aan het erkenningsdossier sinds de verstrekking van deze erkenning.
   De paragrafen 2 tot 4 zijn van toepassing op de aanvraag tot verlenging van de erkenning.]2
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 24, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 309, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  HOOFDSTUK II. - Onderzoek van de aanvraag.

  Art. 72.Raadpleging van besturen.
  § 1. Zodra het ontvangbewijs van een erkenningsaanvraag is betekend, vraagt het Instituut naargelang het geval het advies :
  1° van het Bestuur Uitrusting en Vervoerbeleid voor de aspecten verbonden met transport en verkeer;
  2° van de Dienst Monumenten en Landschappen voor de aspecten verbonden met de bescherming van het erfgoed;
  3° van [1 het bestuur belast met stedenbouw]1 voor de aangelegenheden verbonden met planning en stedenbouw;
  4° van het Bestuur Economie voor de aspecten verbonden met de economische ontwikkeling.
  § 2. De adviezen worden uitgebracht en aan het Instituut meegedeeld binnen 60 dagen na het versturen van het verzoek om advies. Na deze termijn, wordt het advies gunstig geacht.
  [2 § 3. Het Instituut kan bij andere instanties elk advies inwinnen dat het nuttig acht.]2
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 237, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 310, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 73.Beslissing [1 ...]1.
  § 1. [1 Het Instituut levert de erkenning af en houdt daarbij met name rekening met de elementen in de aanvraag en de ontvangen adviezen.
   De Regering levert evenwel de erkenning af van de opdrachthouders van de effectenstudies.]1
  § 2. [1 De vergunningverlenende overheid deelt haar beslissing aan de aanvrager mee bij een ter post aangetekende brief binnen de 120 dagen na de datum van de ontvangstbevestiging of, bij ontbreken van de mededeling van de ontvangstbevestiging of het onvolledig karakter van het dossier binnen de termijn, binnen de 120 dagen na de 31e dag volgend op de datum van verzending van de aanvraag of de 11e dag volgend op de datum van de verzending van de documenten of inlichtingen die ontbraken en bedoeld worden in artikel 71, § 4.]1 Deze termijn kan, bij een met redenen omklede beslissing, eenmalig worden verlengd met een maximumduur van 45 dagen.
  Indien er geen beslissing ter kennis wordt gebracht binnen de termijn, die eventueel wordt verlengd, komt dat neer op de weigering van de erkenning.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 311, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  HOOFDSTUK III. - Inhoud van de erkenning.

  Art. 74. Inhoud en openbaarmaking van de erkenning.
  De erkenning bepaalt de activiteiten waarvoor de aanvrager erkend is.
  Zij wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Alle handelingen, facturen, publicaties, brieven, rekeningen van bestellingen en andere stukken afkomstig van de erkende persoon moeten zijn erkenning en de duur ervan vermelden.

  Art. 74bis. [1 Algemene en bijzondere voorwaarden.
   § 1. Vooraleer een activiteit te onderwerpen aan erkenning, kan de Regering de algemene voorwaarden voor het uitoefenen van de activiteit vastleggen.
   § 2. Als ze, op het ogenblik waarop zij de erkenning verstrekt, vaststelt dat de activiteiten beoogd in de erkenning, gevaar, hinder of ongemak veroorzaken of dreigen te veroorzaken, zoals omschreven in artikel 2, kan de bevoegde overheid bij met redenen omklede beslissing aan elke houder van de erkenning bijzondere voorwaarden opleggen voor het uitoefenen van zijn activiteit, met name :
   1° voorwaarden betreffende het afsluiten van een verzekeringspolis die de burgerlijke aansprakelijkheid van de houder van de erkenning dekt bij schade die voortvloeit uit het gevaar, de hinder of het ongemak zoals omschreven in artikel 2;
   2° voorwaarden betreffende de te nemen maatregelen bij ongevallen of voorvallen die schade zouden kunnen berokkenen aan het milieu of aan beschermde personen krachtens artikel 2.
   Wanneer het na het verstrekken van de erkenning vaststelt dat de beoogde activiteiten gevaar, hinder of ongemak veroorzaken of dreigen te veroorzaken, zoals is beschreven in artikel 2, kan de afleverende overheid in eerste instantie bij met redenen omklede beslissing elke houder van een erkenning bijzondere voorwaarden opleggen, met name de voorwaarden opgesomd in het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 312, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 75.Duur van de erkenning.
  De erkenning wordt toegekend voor een periode van maximum vijftien jaar. De Regering kan per soort erkenning een kortere maximumperiode bepalen. [1 De erkenning kan op haar vervaldatum vernieuwd worden voor een maximumduur van vijftien jaar.]1 <ORD 2001-12-06/57, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  [1 De houder van de erkenning vraagt er, uiterlijk zes maanden voor het verstrijken ervan, de vernieuwing van aan bij de in eerste instantie uitreikende overheid, zoniet dient hij een nieuwe erkenningsaanvraag in. Deze aanvraag tot vernieuwing kan niet meer dan een jaar voor het verstrijken ingediend worden, zoniet is ze onontvankelijk.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 313, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 76.Wijziging.
  Onverminderd de verplichtingen die hem door andere bepalingen zijn opgelegd, moet elke erkende persoon de uitreikende overheid onmiddellijk op de hoogte brengen van elke wijziging van één van de elementen van zijn erkenning [1 met inbegrip van het stopzetten van de activiteit]1.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 314, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 76bis.<Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 14; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Wijziging van de erkenning.
  § 1. De in eerste instantie uitreikende overheid kan, op verzoek van de erkenninghouder [1 of uit eigen beweging]1, de erkenning wijzigen. Bij die wijziging, dienen de voorwaarden voor de toekenning van de erkenning waarin de bestaande regelgeving voorziet, echter wel te worden nageleefd.
  § 2. Elke beslissing tot wijziging van de erkenning wordt genomen na de erkenninghouder de kans te hebben gegeven zijn opmerkingen schriftelijk of mondeling bekend te maken.
  § 3. De beslissing tot wijziging wordt met redenen omkleed en wordt aan de erkenninghouder bij een ter post aangetekende brief meegedeeld. Ze wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  [1 § 4. De erkenning kan niet worden overgedragen aan een derde.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 315, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 77.Schorsing of intrekking.
  § 1. [1 De afleverende overheid in eerste instantie kan steeds de erkenning opschorten of intrekken als de houder van de erkenning :
   1° niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden;
   2° prestaties levert betreffende activiteiten onderworpen aan erkenning of registratie waarvoor hij niet erkend is;
   3° prestaties van onvoldoende kwaliteit levert.]1
  § 2. Elke beslissing tot schorsing of intrekking van de erkenning wordt genomen, nadat de erkenninghouder de kans heeft gekregen zijn opmerkingen ofwel mondeling, ofwel schriftelijk, bekend te maken.
  § 3. De beslissing tot schorsing of intrekking wordt aan de erkenninghouder meegedeeld bij een ter post aangetekende brief. Zij wordt bovendien bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 316, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 78.Lijst van de erkende personen.
  De lijst van de erkende personen en de activiteiten waarvoor zij erkend zijn wordt [1 en bijgewerkt op de website van het Instituut]1 bekendgemaakt.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 317, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  TITEL IVbis. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> - Personen onderworpen aan registratie.

  Art. 78/1. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Personen onderworpen aan registratie.
  De Regering stelt de lijst vast van de activiteiten waarvoor de uitoefenaars ervan zich vooraf moeten laten registreren. Ze kan de bijzondere nadere registratievoorschriften bepalen die voor elke activiteitencategorie gelden.

  Art. 78/1bis. [1 Registratie van rechtswege.
   De Regering legt de voorwaarden vast volgens dewelke rechtspersonen of natuurlijke personen die in het bezit zijn van een registratie of een gelijkwaardige titel verstrekt in een ander Gewest of in een andere lidstaat van de Europese Unie voor de uitoefening van dezelfde activiteiten en waarvan de gelijkwaardigheid werd aangetoond, van rechtswege geregistreerd worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 318, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 78/2.<Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Registratieprocedure.
  § 1. De aan de uitoefening van de activiteit voorafgaande registratie wordt gedaan via een formulier waarvan de inhoud en het model voor de Regering bepaald worden. Het formulier wordt [2 ...]2 aan het Instituut betekend.
  [2 Binnen de tien dagen na ontvangst van de registratieaanvraag verstrekt het Instituut een afgiftebewijs met vermelding van het dossiernummer, de contactgegevens van de behandelende ambtenaar, de termijn voor de behandeling van het dossier en de rechtsmiddelen tegen de beslissing.]2
  § 2. Als het betekende registratieformulier volledig is, stuurt het Instituut de verzender binnen 20 werkdagen na verzending van het registratieformulier een ter post aangetekend ontvangstbewijs.
  Wanneer het registratieformulier niet volledig is, brengt het Instituut de verzender daarvan op de hoogte binnen [2 twintig]2 dagen na ontvangst van het formulier en vermeldt het welke documenten en inlichtingen ontbreken.
  Binnen [2 tien]2 werkdagen na verzending van de ontbrekende documenten en inlichtingen bij ter post aangetekend schrijven, stuurt het Instituut de verzender een ter post aangetekend ontvangstbewijs.
  ----------
  (1)<ORD 2011-02-03/01, art. 25, 019; Inwerkingtreding : 04-02-2011>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 319, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 78/3. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Aanvang van de activiteit.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 78/4, kan de activiteit een aanvang nemen na ontvangst van het ontvangstbewijs dat de registratie bevestigd of, bij niet-ontvangst ervan, de dag na het verstrijken van de termijn waarover het Instituut beschikt om het op te sturen.

  Art. 78/4. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Algemene en bijzondere voorwaarden.
  § 1. Vóór een activiteit onderworpen, wordt aan de registratieformaliteit kan de Regering de algemene voorwaarden met betrekking tot de uitoefening van die activiteit bepalen.
  § 2. Het Instituut kan, op het ogenblik dat het in artikel 78/2 bedoelde ontvangstbewijs verstuurt of wanneer het later vaststelt dat de activiteiten waarvan sprake in de registratie een als in artikel 2 bedoeld gevaar, hinder of ongemak veroorzaken, elke verzender ook bijzonder voorwaarden opleggen betreffende de uitoefening van zijn activiteit, met name :
  1. voorwaarden voor het sluiten van een verzekeringspolis die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzender dekt in geval van schade ten gevolge van een vorm van gevaar, hinder of ongemak zoals bedoeld in artikel 2;
  2. voorwaarden voor de maatregelen die moeten worden genomen wanneer er zich een voorval of ongeluk voordoet dat schade kan berokkenen aan het leefmilieu en aan de personen die krachtens artikel 2 beschermd worden;
  3. voorwaarden voor de tijdstippen waarop de inrichting in werking mag zijn.

  Art. 78/4bis. [1 Wijzigingen.
   Onverminderd de verplichtingen opgelegd door andere bepalingen, is elke registratiehouder ertoe gehouden aan het Instituut onmiddellijk elke wijziging van een van de elementen van zijn registratie te melden, met inbegrip van het stopzetten van de activiteit.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 321, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 78/4ter. [1 Wijziging van de registratie
   § 1. De verstrekkende overheid kan in eerste instantie de registratie wijzigen op vraag van de houder of uit eigen beweging, mits naleving van de voorwaarden voor de toekenning van registratie voorzien in de bestaande reglementeringen.
   § 2. Elke beslissing om een registratie te wijzigen wordt pas genomen nadat de houder de mogelijkheid gekregen heeft om zijn opmerkingen schriftelijk of mondeling te formuleren.
   § 3. De beslissing tot wijziging wordt gemotiveerd en aan de houder van de registratie meegedeeld per ter post aangetekende zending. Ze wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
   § 4. De registratie kan niet worden overgedragen aan een derde.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 322, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  

  Art. 78/5.<Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> Schorsing of intrekking.
  § 1. [1 Het Instituut kan op het even welk moment de registratie opschorten of intrekken als de houder :
   1° niet meer voldoet aan de registratievoorwaarden;
   2° prestaties levert betreffende activiteiten onderworpen aan registratie waarvoor hij niet erkend is;
   3° prestaties van onvoldoende kwaliteit levert.]1
  § 2. Elke beslissing tot schorsing of intrekking van de registratie wordt genomen na de verzender de mogelijkheid te hebben gegeven zijn opmerkingen schriftelijk of mondeling bekend te maken.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 323, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 78/6. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> De krachtens artikel 78/1 vereiste registratie moet worden aangevraagd uiterlijk binnen zes maanden na de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de lijst van aan registratie onderworpen activiteiten. Mits aan die voorwaarden voldaan wordt, mag de activiteit zonder registratie worden voortgezet.

  Art. 78/7. <Ingevoegd bij ORD 2001-12-06/57, art. 15; Inwerkingtreding : 12-02-2002> De registratie wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

  TITEL V. - De administratieve rechtsmiddelen.

  Art. 79.Het Milieucollege.
  Er wordt een Milieucollege opgericht dat bevoegd is voor de behandeling van de beroepen tegen de beslissingen van de bevoegde overheid, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
  [1 Het Milieucollege bestaat uit 9 deskundigen, benoemd door de Regering, op een dubbele lijst van kandidaten voorgedragen door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. De mandaten worden voor 6 jaar toegekend en zijn eenmaal hernieuwbaar. Het Milieucollege wordt om de 3 jaar voor een derde van zijn leden hernieuwd.]1
  De Regering bepaalt de organisatie en de regels voor de werking van het Milieucollege, de vergoeding van zijn leden, alsook de onverenigbaarheidsregels. Het secretariaat wordt door de ambtenaren [2 van het bestuur belast met stedenbouw]2 waargenomen.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-05/30, art. 79,§4, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2010>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 324, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 80.Beroep bij het Milieucollege.
  § 1. [1 De aanvrager en elk lid van het betrokken publiek kunnen bij het Milieucollege beroep aantekenen tegen de beslissingen, ook al zijn zij stilzwijgend genomen, die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 7bis, 7ter, 17, 32, 36, 43, 47, 51, 53, 62, 64, 65, [3 67,]3 68, 73, [374bis, ]3 76bis, 77, 78/2, § 2, 78/4, § 2 [3 , 78/4ter]3 en 78/5 van deze ordonnantie.]1
  Binnen 5 dagen na ontvangst van het beroep, zendt het Milieucollege een afschrift ervan aan de overheid die de bestreden beslissing heeft genomen, alsook aan de aanvrager wanneer deze niet de verzoeker is.
  De verzoeker of zijn raadsman, alsook de bevoegde overheid of haar gemachtigde worden op hun verzoek door het Milieucollege gehoord. Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen.
  De in het tweede lid bedoelde overheid stuurt het Milieucollege, binnen 10 dagen na ontvangst van het afschrift van het beroep, een afschrift van het dossier.
  § 2. [2 De beslissing van het Milieucollege wordt aan de verzoeker en aan de bevoegde overheid meegedeeld binnen 60 dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending die het eerste beroep bevat. Indien verschillende beroepen worden ingesteld tegen dezelfde beslissing, wordt de termijn van 60 dagen verlengd met het aantal dagen die liggen tussen de datums van afgifte bij de post van de aangetekende zendingen van het eerste en het laatste van die beroepen, met evenwel een maximum van 25 dagen. In dat geval, brengt het Milieucollege de partijen op de hoogte van de datum waarop de kennisgevingstermijn ingaat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn verlengd met 15 dagen. Ingeval de begindatum van de kennisgevingstermijn in de periode van 15 juni tot 15 augustus valt, wordt die termijn verlengd met 45 dagen.]2
  [1 De beslissing van het Milieucollege vervangt de bij hem aanhangig gemaakte beslissing.]1
  § 3. Als er geen kennisgeving van de beslissing wordt verstuurd binnen de voorgeschreven termijn, dan wordt de bestreden beslissing, ook al is zij stilzwijgend genomen, geacht bevestigd te zijn.
  § 4. Tegen beslissing van het Milieucollege betreffende de afgifte, de wijziging, de schorsing of de intrekking van een erkenning, kan geen beroep worden ingesteld bij de Regering.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 19, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2014-05-08/54, art. 127, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 325, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 81.Beroep bij de Regering.
  § 1. (De aanvrager en elk lid van het betrokken publiek kunnen) bij de Regering een beroep instellen tegen een beslissing van het Milieucollege of, met toepassing van artikel 80, § 3, tegen de bevestiging van de bestreden beslissing, al is zij stilzwijgend genomen, van de bevoegde overheid. <ORD 2008-07-10/41, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  In afwijking op het eerste lid, wordt geen enkel beroep ingesteld bij de Regering tegen de beslissing van het Milieucollege betreffende de afgifte, de wijziging, de schorsing of de intrekking van een erkenning.
  De Regering of de persoon die zij hiertoe machtigt hoort, op hun aanvraag, de verzoeker of zijn raadsman en het Milieucollege of zijn gemachtigde. Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de andere partijen betrokken bij het beroep opgeroepen.
  § 2. De beslissing van de Regering wordt aan de partijen betekend binnen 60 dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met 15 dagen verlengd.
  (§ 3. De Regering kan het attest, de milieuvergunning [1 ...]1 afgeven, of de registratie bevestigen, overeenkomstig de bepalingen van de titels II, IV en IVbis.) <ORD 2001-12-06/57, art. 17, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 326, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 82.Geen kennisgeving van de beslissing binnen de termijn.
  Indien de beslissing niet ter kennis wordt gebracht binnen de in artikel 81, § 2 voorgeschreven termijn, kan de aanvrager bij een ter post aangetekende brief de Regering een aanmaning sturen.
  Indien de aanvrager geen beslissing heeft ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen die ingaat op de dag waarop de aangetekende aanmaningsbrief ter post is afgegeven, dan is de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, ook al is zij stilzwijgend genomen, bevestigd.
  [1 ...]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 327, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 83.[1 Termijn voor het indienen van beroep.
   Het beroep wordt gericht aan de bevoegde overheid, per ter post aangetekende brief, binnen de dertig dagen :
   1° na de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing of bij het verstrijken van de termijn om uitspraak te doen;
   2° als de beslissing niet moet worden meegedeeld, na het uithangen van de beslissing of van de aangifte door de houder van de vergunning of door de aangever in de buurt van de inrichting, op een plaats die zichtbaar is van op de openbare weg;
   3° bij ontbreken van uithanging, na kennisneming van de beslissing, met name via de elektronische bekendmaking van de beslissing door middel van het register bijgehouden door het Instituut en toegankelijk voor het publiek, overeenkomstig artikel 86;
   4° na de bekendmaking bij uittreksel van de erkenning of de registratie in het Belgisch Staatsblad.]1
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 328, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 84.Effect van het beroep.
  § 1. Het beroep heeft geen schorsende kracht.
  § 2. Het beroep schorst de bestreden beslissing slechts wanneer ze door ernstig gevaar of onherstelbare schade behoorlijk is gemotiveerd en werd ingediend door :
  1° de gemeente voor de inrichtingen (al dan niet tijdelijk) van klasse I.A. [1 I.B of I.D.]1; <ORD 2007-07-19/65, art. 16, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  2° het Instituut voor de inrichtingen (al dan niet tijdelijk) van klasse II (...); <ORD 2007-07-19/65, art. 16, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  3° de gemachtigde ambtenaar bedoeld in artikel [1 5 van het BWRO]1.
  In dit geval, wordt tot de schorsing van de bestreden beslissing opdracht gegeven binnen 5 werkdagen na de indiening van het beroep door de voorzitter van het Milieucollege of door het lid dat hij hiertoe aanwijst.
  § 3. Binnen 5 werkdagen vóór de indiening van haar beroep tot schorsing, moet de eisende partij een afschrift hiervan versturen aan de bevoegde overheid en, in voorkomend geval, aan de aanvrager van het milieu-attest of de milieuvergunning. Zij moet het bewijs van haar zendingen bij het beroep voegen.
  Alvorens zich uit te spreken over het schorsende karakter van het beroep, moet de voorzitter van het Milieucollege of het lid van het Milieucollege dat hij hiertoe heeft aangewezen de partijen horen. De verzoeker, de bevoegde overheid en de aanvrager van het milieu-attest of van de milieuvergunning moeten aanwezig zijn of vertegenwoordigd zijn tijdens dit verhoor. Indien de verzoeker noch aanwezig is, noch vertegenwoordigd is, wordt de schorsing verworpen. De andere partijen die noch aanwezig zijn, noch vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de schorsing indien hiertoe opdracht wordt gegeven.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 329, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  TITEL VI. - Openbaarmaking van de beslissingen.

  Art. 85.Kennisgeving.
  Elke beslissing tot afgifte of weigering, wijziging, (verlenging,) schorsing of intrekking van het milieu-attest of de milieuvergunning, of (...) elke voorafgaande aangifte (registratie) of beslissing, waarbij aan een inrichting van klasse (I.C of van klasse) III bijzondere uitbatingsvoorwaarden worden opgelegd, wordt aan de bevoegde overheid ter kennis gebracht binnen 8 dagen : <ORD 2001-12-06/57, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002> <ORD 2007-07-19/65, art. 17, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008> <ORD 2008-07-10/41, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  1° (voor al dan niet tijdelijke inrichtingen van [1 klasse IA, IB en ID]1 , of inrichtingen van klasse I.C), aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan het project moet worden uitgevoerd; <ORD 2007-07-19/65, art. 17, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  2° (voor al dan niet tijdelijke inrichtingen van klasse II en inrichtingen van klasse III), aan het Instituut; <ORD 2007-07-19/65, art. 17, 3°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
  (3° voor de registraties, aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente van de woonplaats of maatschappelijke zetel van de verzender.) <ORD 2001-12-06/57, art. 19, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  ----------
  (1)<ORD 2014-04-03/16, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 86.Register. (§ 1. Het Instituut houdt een register bij van de [1 beslissingen genomen krachtens deze ordonnantie]1 op heel het grondgebied van het Gewest.
  Elke gemeente houdt een register bij van de [1 beslissingen genomen met betrekking tot]1 de inrichtingen die op haar grondgebied zijn gevestigd.) <ORD 2001-12-06/57, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  [1 Het register moet eveneens de beslissingen omvatten die genomen werden door het Milieucollege en de Regering in toepassing van artikelen 80 en 81.]1
  § 2. De registers vermelden ten minste de identiteit van de houders, de activiteitensector, de datum en de aard van de beslissing en de vervaldatum ervan.
  (§ 3. Het door het Instituut bijgehouden register wordt door elektronische communicatiemiddelen voor het publiek toegankelijk gemaakt volgens de door de Regering vastgestelde modaliteiten.) <ORD 2008-07-10/41, art. 12, 015; Inwerkingtreding : 16-08-2008>
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 330, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 87.Aanplakking van de beslissing.
  [1 De ontvanger van de beslissingen [2 tot toekenning]2, ook al zijn zij stilzwijgend genomen, die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 7bis, 7ter, 17, 32, 36, 43, 47, 51, 53, 62, 64, [2 ...]2 68, 73, 76bis, [2 ...]2 78/2, § 2, 78/4, § 2 [2 , 78/5, 80 en 81]2 van deze ordonnantie, dient een bekendmaking van het bestaan van deze beslissing aan te plakken op het gebouw waar de inrichtingen zich bevinden en in de buurt van de inrichtingen op een plaats die zichtbaar is vanaf de openbare weg. Bij ontstentenis, mag hij de toestemmingen die eruit voortvloeien niet aanwenden.
  [2 De bestemmeling van een van de beslissingen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 65, 77 of 78/5 dient op het gebouw waar de inrichtingen zich bevinden en in de buurt van de inrichtingen, op een plaats die goed zichtbaar is vanaf de openbare weg, een bekendmaking aan te plakken waarin het bestaan van deze beslissing is aangegeven.]2
   De Regering legt de vorm vast van de aan te plakken bekendmaking.]1
  Het aanplakbiljet moet gedurende 15 dagen in een perfecte staat van zichtbaarheid en leesbaarheid worden gehouden.
  ----------
  (1)<ORD 2009-03-26/10, art. 20, 016; Inwerkingtreding : 16-04-2009>
  (2)<ORD 2017-11-30/19, art. 331, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  TITEL VII. - Toezicht, dwang- en strafmaatregelen.

  Art. 88.(Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 89. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 90. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 91. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 92. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 93. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 94. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 95. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 96.Overtredingen en strafbepalingen.
  § 1. De persoon die :
  1° een krachtens artikel 6 (of krachtens artikel 78/4) vastgestelde bepaling overtreedt of in strijd met de toekenningsvoorwaarden van de milieuvergunning [3 van de aangifte]3, van de erkenning of de door de Regering gestelde uitbatingsvoorwaarden handelt, <ORD 2001-12-06/57, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  2° zonder milieuvergunning of voorafgaande aangifte een activiteit uitoefent zoals bedoeld in artikel 7,
  3° zonder erkenning, een activiteit uitoefent die, door de Regering, overeenkomstig artikel 70, aan een voorafgaande erkenning is onderworpen (of, zonder zich te hebben laten registreren, een activiteit uitoefent die, overeenkomstig artikel 78/1, door de Regering, onderworpen werd aan een voorafgaande registratie), <ORD 2001-12-06/57, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  (4° zich verzet tegen de organisatie of het verloop van een deel van de onderzoeksprocedure voor een aanvraag om een milieu-attest of een milieuvergunning, of voor een erkenningsaanvraag, de uitoefening van de opdracht van de ambtenaren belast met het toezicht op de inrichtingen of van de erkende of aan een registratie onderworpen personen, of de uitoefening van de opdrachten die de rechter aan het Instituut kan toevertrouwen,) <ORD 2001-12-06/57, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  5° een verplichting die aan elke houder van een milieuvergunning of erkenning [3 of registratie of aan elke aangever]3 werd opgelegd niet nakomt,
  6° geen gevolg geeft aan een beslissing tot schorsing of intrekking van een milieuvergunning of erkenning (of registratie), <ORD 2001-12-06/57, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  7° (Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren krachtens artikel 12, § 3, van de ordonnantie van [3 31 januari 2008]3 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto, vanaf 2006 uiterlijk op 30 april van elk jaar niet voldoende emissierechten inlevert in verhouding tot de emissies van het voorgaande jaar.
  Wanneer verschillende inrichtingen zich in de zin van artikel 18 van dezelfde ordonnantie verenigd hebben om hun emissierechten te beheren, is de boete ten laste van de door de exploitanten gemachtigde beheerder.
  Indien een gemachtigde beheerder zich niet schikt naar de betaling van de boete, blijft elke exploitant van een inrichting die deel uitmaakt van de pool evenwel aansprakelijk voor de overtollige emissies afkomstig van zijn eigen inrichting.) <ORD 2008-01-31/31, art. 30, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  8° Voor inrichtingen die broeikasgasemissierechten moeten inleveren, vanaf 2006 uiterlijk op 28 februari van elk jaar, niet zijn aangifte van broeikasgasemissierechten en zijn keurings- en gelijkvormigheidattest met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar indient, overeenkomstig artikelen 14 en 15 van de ordonnantie van [3 31 januari 2008]3 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en met betrekking tot de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto;) <ORD 2008-01-31/31, art. 30, 014; Inwerkingtreding : 12-02-2008>
  [3 9° als aanvrager van een milieuvergunning of milieuattest, als aangever of als auteur van een voorafgaande milieueffectenbeoordeling betreffende een aanvraag van een milieuvergunning, milieuattest of aangifte, de door deze ordonnantie opgelegde verplichtingen inzake de voorafgaande milieueffectenbeoordeling niet nakomt;]3
  wordt [2 de straf voorzien in artikel 31, § 1, van het Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid]2 gestraft.
  § 2. [2 Het minimale bedrag van de geldboete wordt verdubbeld in de volgende gevallen :
   - wanneer het gaat om een inrichting van klasse I.A, I.B. of om een aan erkenning onderworpen activiteit; of
   - wanneer het misdrijf opzettelijk of uit winstbejag werd gepleegd.]2
  § 3. [1 [2 ...]2 ]1
  [1 § 4. [2 ...]2 ]1
  ----------
  (1)<ORD 2012-05-10/01, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 02-06-2012>
  (2)<ORD 2014-05-08/54, art. 128, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD 2014-05-08/54, art. 159>
  (3)<ORD 2017-11-30/19, art. 332, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  Art. 97. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 98. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 99. (Opgeheven) <ORD 1999-03-25/53, art. 43, 002; Inwerkingtreding : 1999-07-04 en bevestigd bij VARIA 2014-04-25/A3, art. 59,11°, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  TITEL VIII. - Slotbepalingen.

  Art. 100.Dossierrecht.
  § 1. Een dossierrecht, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor bescherming van het leefmilieu wordt gestort, wordt geheven ten laste van elke natuurlijke of rechtspersoon die een aangifte, een aanvraag bij de overeenkomstig deze ordonnantie bevoegde overheid indient voor het verkrijgen van een milieu-attest, een milieuvergunning of een erkenning, alsook ten laste van elke natuurlijke of rechtspersoon die overeenkomstig de artikelen 80 en 81 van deze ordonnantie een beroep bij de bevoegde overheid indient.
  Het in het eerste lid bedoelde dossierrecht is verschuldigd op de datum waarop de natuurlijke of rechtspersoon een aangifte, een aanvraag om een milieu-attest of -vergunning of het beroep indient.
  Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde dossierrecht wordt vastgesteld als volgt :
  1° (625 EUR) voor een aanvraag om een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.A; <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° (2 500 EUR) voor een aanvraag om een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.A, waaraan geen aanvraag om een milieu-attest is voorafgegaan; <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° (1 250 EUR) voor een aanvraag om een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.A, waaraan een aanvraag om een milieu-attest is voorafgegaan; <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  4° (250 EUR) voor elke aanvraag om een milieu-attest of milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse I.B en voor elke aanvraag om een erkenning (ingediend door rechtspersoon); <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <ORD 2001-12-06/57, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  5° ((125 EUR)) voor elke aanvraag om een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse II [1 , een inrichting van klasse ID]1 , (voor elke aanvraag om een erkenning ingediend door een natuurlijke persoon), alsook voor de natuurlijke of rechtspersonen die een beroep indienen. <BESL 2001-11-08/48, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <Erratum, B.S. 11-01-2002, p. 858> <ORD 2001-12-06/57, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 12-02-2002>
  § 2. Onverminderd de bevoegdheid van de gemeenten om ter zake belastingen te heffen, mag de regering, binnen de perken van de beschikbare kredieten en volgens de door haar te stellen regels, subsidies toekennen aan de gemeenten voor de uitvoering van de in deze ordonnantie bedoelde opdrachten.
  ----------
  (1)<ORD 2014-04-03/16, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 10-05-2014>

  Art. 101. Uitvoering van de Europese richtlijnen.
  De Regering kan de bepalingen van deze ordonnantie opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen om de maatregelen te nemen die nodig zijn voor het nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijnen van de Europese Gemeenschap.

  Art. 102. Opheffings- en wijzigingsbepalingen.
  Opgeheven worden :
  1° de artikelen 1 tot 76 en 82 tot 84 van de ordonnantie van 30 juli 1992 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd door de ordonnantie van 23 november 1993;
  2° de ordonnantie van 30 juli 1992 betreffende de voorafgaande effectenbeoordeling van bepaalde projecten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd bij de ordonnantie van 23 november 1993 en haar bijlagen, voor zover zij van toepassing is op de inrichtingen onderworpen aan een milieuvergunning.
  De bijlage bij de ordonnantie van 30 juli 1992 betreffende de milieuvergunning, zoals ingevoerd door artikel 37 van de ordonnantie van 23 november 1993, wordt gewijzigd als volgt :
  1° in de rubriek nr. 69, worden de woorden " Behalve indien deze uitsluitend dienen voor woningen of kantoren ", ingevoegd vóór de woorden " Garages, overdekte plaatsen waar motorvoertuigen worden geparkeerd ";
  2° in de rubriek nr. 149, worden de woorden " Behalve indien deze uitsluitend dienen voor woningen of kantoren " ingevoegd vóór de woorden " Parkeerplaatsen in open lucht voor motorvoertuigen, buiten de openbare weg ".
  De lijst der inrichtingen van klasse I.B en II kan, overeenkomstig artikel 4, § 1, door de Regering worden vervangen, gewijzigd of aangevuld.
  Deze bepaling is niet van toepassing voor de aanvragen om een milieu-attest of milieuvergunning die werden ingediend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie.

  Art. 103. Overgangsbepalingen.
  De attesten, vergunningen en erkenningen, die werden toegekend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie, blijven geldig voor de gestelde termijn, onverminderd de toepassing van de artikelen 63 tot 65, 76 en 77.
  De procedures voor het onderzoek van de aanvragen en de afgifte van de attesten, vergunningen en erkenningen, alsook de behandeling van de ingestelde administratieve beroepen geschieden overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op het ogenblik van de indiening van de aanvraag of het beroep, wanneer deze werden ingediend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie.

  Art. 104.Codificatie.
  De Regering kan de bepalingen van deze ordonnantie codificeren met de bepalingen die deze uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd en met andere toepasbare ordonnanties inzake leefmilieu, waterbeleid en natuurbehoud.
  Hiertoe kan zij :
  1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de voorstelling van de te codificeren bepalingen wijzigen;
  2° de verwijzingen die in de te codificeren bepalingen zouden zijn vervat, wijzigen, teneinde ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;
  3° de opstelling van de te codificeren bepalingen wijzigen, teneinde de overeenstemming ervan te waarborgen en de terminologie ervan eenvormig te maken zonder dat aan de in deze bepalingen gehuldigde beginselen afbreuk kan worden gedaan.
  De codificatie zal het opschrift " Brussels Milieuwetboek " dragen.
  Het regeringsbesluit tot codificatie zal het voorwerp uitmaken van een ontwerp van ordonnantie tot bekrachtiging dat aan [1 het Brussels Hoofdstedelijk Parlement]1 zal worden voorgelegd.
  ----------
  (1)<ORD 2017-11-30/19, art. 333, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>

  BIJLAGE
  

  Art. N1. [1 Bijlage 1. - Overwegingen waarmee in het algemeen of in bijzondere gevallen rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de beste beschikbare technieken, omschreven in artikel 3, 21°, rekening houdend met de eventuele kosten en baten van een actie en met het voorzorgs- en preventiebeginsel :
   1. de toepassing van technieken die weinig afval veroorzaken;
   2. de toepassing van minder gevaarlijke stoffen;
   3. de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en recycling van de in het proces uitgestoten en gebruikte stoffen en van afval;
   4. vergelijkbare processen, apparaten of exploitatiemethoden die met succes op industriële schaal zijn beproefd;
   5. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
   6. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;
   7. de data van ingebruikneming van de nieuwe of bestaande installaties;
   8. de tijd die nodig is voor het omschakelen op een betere beschikbare techniek;
   9. het verbruik en de aard van de grondstoffen (met inbegrip van water) en de energie-efficiëntie;
   10. de noodzaak het algemeen effect van de emissies en de risico's op het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;
   11. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken;
   12. de door de Commissie krachtens artikel 17, § 2 van Richtlijn 2008/1/EG van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging of door internationale organisaties bekendgemaakte informatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2012-06-14/02, art. 67, 022; Inwerkingtreding : 07-07-2012>
  

  Art. N2.[1 Bijlage 2. - Informatie bedoeld onder artikelen 26 en 37 van de ordonnantie
  1. Een projectbeschrijving, met in het bijzonder :
   a) een beschrijving van de situering van het project;
   b) een beschrijving van de fysieke eigenschappen van het volledige project, met inbegrip van de desgevallend noodzakelijke afbraakwerkzaamheden en van de eisen inzake het grondgebruik tijdens de opbouw- en werkingsfasen;
   c) een beschrijving van de voornaamste eigenschappen van de operationele projectfase (in het bijzonder de vervaardigingsprocedés) : bijvoorbeeld de energiebehoefte en het energiegebruik, de aard van en de hoeveelheden gebruikte materialen en natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van het water, de aarde, de bodem en de biodiversiteit);
   d) een raming van de types en de verwachte hoeveelheden residu's en uitstoot (zoals verontreiniging van het water, de lucht, de bodem en de ondergrond, lawaai, trillingen, licht, warmte, straling) en van de types en de hoeveelheden geproduceerd afval tijdens de bouw- en de werkingsfase.
   2. Een beschrijving van de redelijke alternatieven (bijvoorbeeld in termen van projectopvatting, technologie, situering, omvang en schaal) die de aanvrager heeft onderzocht in functie van het voorgestelde project en van zijn specifieke eigenschappen, alsook een opgave van de voornaamste redenen voor de gemaakte keuze, met name een vergelijking van de milieueffecten;
   3. Een beschrijving van de relevante aspecten van de huidige staat van het leefmilieu (referentiescenario) en een overzicht van de waarschijnlijke evolutie ervan bij het uitblijven van de projectuitvoering, in de mate waarin de natuurlijke veranderingen ten opzichte van het referentiescenario kunnen worden beoordeeld aan de hand van een redelijke inspanning en op basis van de beschikbare milieu-informatie en wetenschappelijke kennis.
   4. Een beschrijving van de onder artikel 3, 15° vermelde factoren die een merkbare impact van het project kunnen te verwerken krijgen : de bevolking, de gezondheid van de mens, de biodiversiteit (bijvoorbeeld de fauna en de flora), de grond (bijvoorbeeld het grondgebruik), de bodem (bijvoorbeeld de organische stoffen, de erosie, de inklinking, de waterondoorlaatbaarheid), het water (bijvoorbeeld de hydromorfologische veranderingen, de kwantiteit en de kwaliteit), de lucht, het klimaat (bijvoorbeeld de uitstoot van broeikasgassen, de inwerkingen die voor de aanpassing relevant zijn), de materiële goederen, het culturele erfgoed, met inbegrip van de architecturale en de archeologische aspecten, en het landschap.
   5. Een beschrijving van de merkbare milieueffecten die het project zou kunnen hebben en die afkomstig zijn van onder andere :
   a) de opbouw en het bestaan van het project, met inbegrip van de eventuele afbraakwerken;
   b) het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, in het bijzonder de grond, de bodem, het water en de biodiversiteit, rekening houdend met, in de mate van het mogelijke, de duurzame beschikbaarheid van deze hulpbronnen;
   c) de uitstoot van verontreinigende stoffen, het lawaai, de trillingen, het licht, de warmte en de straling, het veroorzaken van hinder, de verwijdering en de nuttige aanwending van afval;
   d) de risico's voor de gezondheid van de mens, voor het culturele erfgoed of voor het leefmilieu (die te wijten zijn aan bijvoorbeeld ongelukken of rampen);
   e) de opeenstapeling van de effecten met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten, rekening houdend met de eventuele bestaande milieuproblemen in voor het leefmilieu bijzonder belangrijke gebieden die mogelijk getroffen kunnen worden of omtrent het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen;
   f) de effecten van het project op het klimaat (bijvoorbeeld de aard en de omvang van de uitstoot van broeikasgassen) en de kwetsbaarheid van het project voor de klimaatverandering;
   g) de gebruikte technologieën en stoffen.
   De beschrijving van de eventuele merkbare effecten op de onder artikel 3, paragraaf 1, vermelde factoren zou moeten gaan over de rechtstreekse gevolgen en desgevallend over de bijkomende, cumulatieve, grensoverschrijdende, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve onrechtstreekse gevolgen van het project op korte, middellange en lange termijn. Deze beschrijving zou rekening moeten houden met de voor het project relevante doelstellingen inzake milieubescherming die werden vastgelegd op het niveau van de Europese Unie of van de lidstaten.
   6. Een beschrijving van de gebruikte voorspelmethodes of overtuigingselementen om de merkbare milieueffecten te identificeren en te beoordelen, met name een gedetailleerde opsomming van de moeilijkheden (bijvoorbeeld technische of kennislacunes) die zich voordeden bij het inzamelen van de vereiste informatie, alsook de voornaamste onzekerheden.
   7. Een beschrijving van de beoogde maatregelen om de merkbare en vastgestelde negatieve milieueffecten van het project te vermijden, voorkomen, reduceren of, indien mogelijk, te compenseren en, desgevallend, van de eventuele opvolgingsmodaliteiten die men voorstelt (bijvoorbeeld een post-projectanalyse). Deze beschrijving zou moeten uitleggen in welke mate de merkbare negatieve milieueffecten worden vermeden, voorkomen, gereduceerd of gecompenseerd en zou hierbij zowel over de opbouw- als de werkingsfase moeten gaan.
   8. Een beschrijving van de verwachte merkbare negatieve milieueffecten van het projetct als resultaat van de kwetsbaarheid van het project voor risico's op ernstige ongevallen en/of rampen. De beschikbare relevante informatie die werd verkregen aan de hand van risocobehoordelingen conform de Europese wetgeving, waaronder richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en van de Raad of richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad, of aan de hand van passende beoordelingen conform de nationale wetgeving, mogen hiervoor worden gebruikt, voor zover dat aan de eisen van de huidige ordonnantie wordt voldaan.
   Desgevallend omvat deze beschrijving de maatregelen die men overweegt om de merkbare negatieve milieueffecten van deze evenementen te voorkomen of te verzwakken, alsook verdere uitleg over de voorbereiding en het antwoord dat men overweegt op dergelijke noodsituaties.
   9. Een niet-technische samenvatting van de op basis van punt 1 tot 8 bezorgde informatie.
   10. Een referentielijst met daarin de bronnen die werden gebruikt voor de beschrijvingen en de beoordelingen in het effectenverslag of de effectenstudie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij ORD 2017-11-30/19, art. 334, 031; Inwerkingtreding : 20-04-2019>
  
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 5 juni 1997.
De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Werkgelegenheid, Huisvesting en Monumenten en Landschappen,
Ch. PICQUE
De Minister belast met Economie, Financiën, Begroting, Energie en Externe Betrekkingen,
J. CHABERT
De Minister belast met Ruimtelijke Ordening, Openbare Werken en Vervoer,
H. HASQUIN
De Minister belast met Openbaar Ambt, Buitenlandse Handel, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
R. GRIJP
De Minister belast met Leefmilieu en Waterbeleid, Renovatie, Natuurbehoud en Openbare Netheid,
D. GOSUIN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Brusselse Hoofdstedelijke Raad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 30-11-2017 GEPUBL. OP 20-04-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 22; 31; 33; 38; 41; 42; 43; 44; 72; 3; 4; 5; 7; 7bis; 7ter; 8; 9; 10; 11; 12; 13; 13quater; 14; 15; 16; 18; 19; 20; 20bis; 21; 22; 23; 24; 26; 28; 29; 30; 31; 31bis; 32; 33; 34; 35bis; 36; 37; 38; 39; 40; 41; 42; 43; 44; 45; 46bis; 47; 48; 51; 52; 55; 56; 57; 57bis; 57ter; 59; 61; 62; 63; 64; 66; 67; 68; 69; 69bis; 69ter; 70bis; 71; 72; 73; 74bis; 75; 76; 76bis; 77; 78; 78/1bis; 78/2; 78/4; 78/4bis; 78/4ter; 78/5; 79; 80; 81; 82; 83; 84; 86)
    (GEWIJZIGDE ART. : 87; 96; 104; N2)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 23-06-2017 GEPUBL. OP 13-07-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 63)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 23-06-2016 GEPUBL. OP 14-07-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 79) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 27-03-2014 GEPUBL. OP 16-03-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 56)
  • BEELD
  • VARIA VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 18-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 88-95; 97-99)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 08-05-2014 GEPUBL. OP 18-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 80; 96)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 03-04-2014 GEPUBL. OP 30-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 7; 52; 85; 100)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 21-11-2013 GEPUBL. OP 09-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 02-05-2013 GEPUBL. OP 21-05-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 18; 37; 13bis; 13ter; 18; 26; 37; 48; 62)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 19-07-2012 GEPUBL. OP 28-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 33; 38; 44)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 14-06-2012 GEPUBL. OP 27-06-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; N)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 10-05-2012 GEPUBL. OP 23-05-2012
    (GEWIJZIGD ART. : 96)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 01-03-2012 GEPUBL. OP 16-03-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 16; 26; 37; 49; 52; 53BIS; 55; 56)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 03-02-2011 GEPUBL. OP 04-02-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 7bis; 7ter; 9; 14; 19; 33; 38; 44; 48; 52; 62; 66; 71; 78/2)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 28-10-2010 GEPUBL. OP 25-11-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 7bis; 7ter; 9; 14; 19; 33; 38; 44; 48; 52; 62; 66; 71; 78/2)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 17-06-2010 GEPUBL. OP 29-06-2010
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 13; 26; 37)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 26-03-2009 GEPUBL. OP 16-04-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 7BIS; 7TER; 10; 12; 16; 17; 20; 29; 32; 36; 39; 43; 47; 59; 64; 69; 80; 87)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 05-03-2009 GEPUBL. OP 10-03-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 59; 63; 79)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 10-07-2008 GEPUBL. OP 06-08-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 9; 62; 64; 80; 81; 83; 85; 86)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 31-01-2008 GEPUBL. OP 12-02-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6; 55; 56; 64; 96)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 09-07-2007 GEPUBL. OP 10-09-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 55)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 19-07-2007 GEPUBL. OP 24-08-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 5; 6; 7; 11; 13; 52; 53; 66; 67; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 68; 69; 80; 84; 85; 87)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 07-06-2007 GEPUBL. OP 11-07-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 10; 18; 37; 55; 56)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 13-05-2004 GEPUBL. OP 24-06-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 63)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 03-06-2004 GEPUBL. OP 23-06-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6; 55; 56; 64; 96)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 13-05-2004 GEPUBL. OP 26-05-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 12; 14; 31; 41)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 19-02-2004 GEPUBL. OP 29-03-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 18-12-2003 GEPUBL. OP 12-01-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 18-07-2002 GEPUBL. OP 07-08-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 14)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 06-12-2001 GEPUBL. OP 02-02-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; 13; 26; 31BIS; 32; 52; 53; 55; 62)
    (GEWIJZIGDE ART. : 63; 64; 75; 76BIS; 78/1-78/7; 80)
    (GEWIJZIGDE ART. : 81; 83; 85; 86; 96; 100)
  • BEELD
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 08-11-2001 GEPUBL. OP 04-12-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 96; 100)
  • BEELD
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 25-03-1999 GEPUBL. OP 24-06-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 88-95; 97-99)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 1996-1997 : Documenten van de Raad. - A-138/1 : Ontwerp van ordonnantie. - A-138/2. : Verslag. - A-138/3 : Amendementen na verslag. Volledig verslag. - Bespreking. Vergaderingen van 29 en 30 mei 1997. - Aanneming. Vergadering van 30 mei 1997.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 158 uitvoeringbesluiten 30 gearchiveerde versies
    Franstalige versie