J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 6 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1985/06/12/1986029022/justel

Titel
12 JUNI 1985. - Besluit van de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap betreffende de toekenning van sommige voordelen aan de personen die een beroepsopleiding ontvangen. (Vertaling)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 10-06-1986 en tekstbijwerking tot 22-04-2013) Zie wijziging(en)

Bron : DUITSTALIGE GEMEENSCHAP
Publicatie : 28-02-1986 nummer :   1986029022 bladzijde : 2659
Dossiernummer : 1985-06-12/37
Inwerkingtreding : 01-07-1985
Opheffing : 31-01-1991 (ART. 35bis)    ***    01-07-1990 (ART. 38)

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - Centra voor beroepsopleiding.
Afdeling 1. - Centra.
Art. 5-9
Afdeling 2. - Toelating tot de centra.
Art. 10-13
Afdeling 3. - Overeenkomst van beroepsopleiding.
Art. 14-21
Afdeling 4. - Rechten en plichten.
Art. 22-27
HOOFDSTUK III. - Opleiding in een technische onderwijsinrichting.
Art. 28-30
HOOFDSTUK IV. - Individuele beroepsopleiding in een onderneming.
Art. 31-35, 35bis
HOOFDSTUK 4.1. [1 - Instapstage]1
Art. 35.1-35.5
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
Art. 36-38

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder :
  1. de Executieve : de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;
  2. de Rijksdienst : de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening opgericht bij artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  3. het beheerscomité : het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  4. het subregionaal tewerkstellingscomité : het subregionaal tewerkstellingscomité zoals bepaald in de artikelen 30bis tot en met 30undecies van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
  5. de directeur : de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst of de ambtenaar die door de administrateur-generaal van de Rijksdienst is aangewezen;
  6. de administrateur-generaal : de persoon belast met het dagelijks beheer van de Rijksdienst zoals omschreven in de artikelen 9 tot en met 12 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg;
  7. cursist : de persoon die een beroepsopleiding ontvangt;
  8. uitkeringsgerechtigde werkloze : de persoon die, in de zin van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, voldoet aan de voorwaarden om werkloosheidsuitkeringen te ontvangen.

  Art. 2. Onder beroepsopleiding dient verstaan te worden elke maatregel die tot doel heeft aan een persoon beroepsbekwaamheid te geven vereist om arbeid in loondienst te verrichten.
  Zij kan bestaan in :
  1. het aanleren van een vak of van een beroep;
  2. de herscholing in het vak of in het beroep;
  3. het verwerven van een basisopleiding nodig voor de uitoefening van een beroepsactiviteit;
  4. de vervolmaking en de verruiming van de beroepskennis of de aanpassing ervan aan de evolutie van het vak of van het beroep.
  De Rijksdienst wordt belast met de organisatie van de beroepsopleiding.

  Art. 3. Beroepsopleiding kan worden toegestaan aan diegene die zich als werkzoekende bij een dienst voor openbare arbeidsbemiddeling heeft laten inschrijven.
  Worden vrijgesteld van deze verplichtingen.
  1. de cursisten die werknemer zijn en de opleiding volgen na 18 uur en/of op zaterdag en zondag;
  2. de werknemers die, verbonden door een arbeidsovereenkomst, op aanvraag van hun werkgever een opleiding volgen.

  Art. 4. <BDG 1989-10-05/31, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 12-12-1989> De in artikel 3 van dit besluit bepaalde personen ontvangen hun opleiding in een centrum voor beroepsopleiding zoals bepaald in dit besluit.
  Werklozen kunnen daarenboven een beroepsopleiding ontvangen in een technische onderwijsinrichting of in een onderneming zoals bepaald in dit besluit.

  HOOFDSTUK II. - Centra voor beroepsopleiding.

  Afdeling 1. - Centra.

  Art. 5. Het beheerscomité kan centra voor beroepsopleiding oprichten; dit kan geschieden met de middelen van de Rijksdienst zelf of met de medewerking van ondernemingen, groeperingen van ondernemingen, openbare besturen of openbare of private verenigingen in het binnenland of in het naburig buitenland door middel van overeenkomsten waarbij de verdeling van de kosten onder de contracterende partijen wordt bepaald.
  De kosten die de Rijksdienst op basis van deze overeenkomst kan dragen zijn per cursist ten hoogste gelijk aan het gewaarborgd minimum maandloon overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in de Nationale Arbeidsraad.
  Bovendien kan het beheerscomité op voorstel van de Executieve overeenkomsten met zogenoemde organisatoren van cursussen in het binnenland en in het buitenland afsluiten. Praktikanten uit de streek wordt aldus de gelegenheid geboden bijscholings- of omscholingscursussen te volgen die door zulke organisatoren worden georganiseerd. De kosten die door de Rijksdienst moeten worden gedragen worden uitvoerig in de overeenkomst vastgelegd.
  Namens de Rijksdienst worden deze overeenkomsten ondertekend door de administrateur-generaal. Om doeltreffend van de praktische opleiding van de personen die een opleiding ontvangen te verhogen, kan de directeur praktische werken in samenwerking met openbaar bestuur organiseren nadat hij vastgesteld heeft dat zij verenigbaar zijn met het doel van de opleiding en nadat het subregionaal tewerkstellingscomité hierover een gunstig advies heeft uitgebracht.
  De centra werken onder leiding van de directeur in wiens ambtsgebied zij gelegen zijn.
  Op voorstel van het beheerscomité kan de Executieve de algemene voorwaarden bepalen waaronder een cursist, die een opleiding ontvangt in een door de Rijksdienst met eigen middelen opgericht centrum, zijn opleiding kan voltooien in een onderneming.

  Art. 6. Centra, welke opgericht werden op initiatief van ondernemingen, van groeperingen van ondernemingen of van openbare of private verenigingen, kunnen als centrum voor beroepsopleiding worden erkend, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  1. rechtspersoonlijkheid hebben en bestuurd worden door een beheersorgaan, dat onder zijn leden ten minste twee afgevaardigden per werknemersorganisatie en ten minste twee afgevaardigden per werkgeversorganisatie telt vertegenwoordigd in het bevoegd subregionaal tewerkstellingscomité.
  Die afgevaardigden worden door hun respectieve organisaties voorgesteld; de statuten moeten de persoon of personen aanwijzen die het centrum in gerechtelijke en buitengerechtelijke behandelingen vertegenwoordigen;
  2. de goedkeuring bekomen van hun werkplan, inzonderheid wat de duur en het leerprogramma betreft, evenals van het financieringsplan.
  De cursussen moeten op een peil staan dat op zijn minst gelijkwaardig is aan dit van de cursussen die in de door de Rijksdienst opgerichte centra worden gegeven;
  3. de verplichting op zich nemen de kandidaten, die de vereiste geschiktheidsvoorwaarden vervullen, in het centrum op te nemen, in zover er plaatsen beschikbaar zijn; 25 pct. van de beschikbare plaatsen worden voorbehouden aan de kandidaten voorgesteld door de Rijksdienst behalve wanneer deze volledig of gedeeltelijk eraan verzaakt;
  4. de verbintenis aangaan met de kandidaten voorgedragen door de Rijksdienst, alsmede met de in artikel 3 bedoelde personen, een overeenkomst van beroepsopleiding te sluiten;
  5. de verplichting op zich nemen bij de Rijksdienst alle vereiste bewijsstukken in te dienen om deze controle mogelijk te maken.

  Art. 7. Na advies van het beheerscomité, beslist de Executieve over de erkenning van de centra voor beroepsopleiding en over de eventuele intrekking van de erkenning.
  Het toezicht op de werking van de erkende centra wordt uitgeoefend door de Rijksdienst.

  Art. 8. De erkende centra genieten een financiële tegemoetkoming vanwege de Rijksdienst.
  Het bedrag van deze tegemoetkomingen wordt bepaald door de Executieve, na advies van het beheerscomité.
  De kosten die de Rijksdienst op basis van deze overeenkomsten kan dragen zijn per cursist ten hoogste gelijk aan het gewaarborgd minimum maandloon overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in de Nationale arbeidsraad.

  Art. 9. Elk centrum voor beroepsopleiding maakt een huishoudelijk reglement op, waarvan de clausules worden vastgelegd door het beheerscomité.
  Het reglement bepaalt onder meer de verplichtingen van de cursisten, zowel inzake orde en tucht als inzake de uitvoering van opdrachten die hen in het kader van de opleiding opgelegd worden.
  Het huishoudelijk reglement moet aangeplakt zijn en blijven op een goed zichtbare plaats in de lokalen van het centrum.

  Afdeling 2. - Toelating tot de centra.

  Art. 10. § 1. De in artikel 3 bedoelde cursisten die een opleiding in een centrum wensen te ontvangen doen een aanvraag bij de subregionale tewerkstellingsdienst in het ambtsgebied waar zij verblijven of bij een erkend centrum. Het erkend centrum brengt de subregionale tewerkstellingsdienst hiervan onmiddellijk op de hoogte.
  § 2. De werkgevers kunnen met toestemming van de belanghebbenden aan de directeur in wiens ambtsgebied hun onderneming gelegen is, vragen één of meer door hen te werk gestelde werknemers in een door de Rijksdienst opgericht centrum worden opgeleid.
  Deze werknemers worden bij voorrang tot het centrum toegelaten, zo de werkgever zich schriftelijk tegenover de Rijksdienst verbindt :
  1. de werknemers die de beroepsopleiding hebben ontvangen, opnieuw in dienst te nemen gedurende een periode van ten minste zes maanden en onder op zijn minst gelijke arbeids- en loonsvoorwaarden als die welke deze werknemers genoten op het ogenblik dat zij de onderneming verlieten om de opleiding te ontvangen;
  2. met de werknemers die de opleiding ontvangen, overeen te komen, dat hun arbeidsovereenkomst tijdens de opleiding is geschorst en dat zij gedurende de opleiding verder aanspraak blijven maken op het loon en de andere voordelen, onder meer qua verzekering tegen arbeidsongevallen en ongevallen op de weg van en naar het werk, als waren zij tijdens de opleiding in de onderneming effectief tewerkgesteld.

  Art. 11. De directeur kan aan de uitkeringsgerechtigde werkloze die in zijn ambtsgebied woont een opleiding in een centrum aanbieden.

  Art. 12.[1 De beslissing over verzoeken om beroepsopleiding wordt gebaseerd op de geschiktheid, het beroepsverleden en de persoonlijke toestand van de kandidaten. De kandidaten kunnen aan medische onderzoeken, psychologische testen en geschiktheidstesten onderworpen worden.]1
  ----------
  (1)<BDG 2013-02-28/18, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-03-2013>

  Art. 13. Een overeenkomst van beroepsopleiding wordt met iedere cursist individueel gesloten voordat zijn opleiding in een centrum begint of ten laatste de eerste dag van zijn opleiding.

  Afdeling 3. - Overeenkomst van beroepsopleiding.

  Art. 14. De overeenkomst van beroepsopleiding wordt aangegaan door de directeur, indien de opleiding in een centrum van de Rijksdienst wordt gegeven en, door de persoon of personen die het centrum in gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen vertegenwoordigen, indien de opleiding in een erkend centrum wordt gegeven.

  Art. 15. De overeenkomst wordt schriftelijk aangegaan; aan iedere partij wordt een exemplaar overhandigd. Van de overeenkomsten gesloten door een erkend centrum wordt bovendien een afschrift aan de administrateur-generaal van de Rijksdienst toegezonden.

  Art. 16. De overeenkomst moet de volgende vermeldingen en clausules bevatten :
  1. identiteit, domicilie en eventueel verblijfplaats van de partijen;
  2. de aanvangsdatum van de opleiding en haar vermoedelijke duur, die de 2000 uren niet mag overschrijden;
  3. de omschrijving van de opleiding;
  4. de verplichtingen van de partijen;
  5. de bepalingen van de artikelen 14, 19 en 20.

  Art. 17. <BDG 1986-05-07/33, art. 1, 002> Met uitzondering van de onder artikel 10, § 2 bedoelde cursusdeelnemers sluit de Rijksdienst inzake ongevallen tijdens de opleiding en op de weg van en naar de opleidingsplaats een verzekeringscontract af dat bij ongeval dezelfde voordelen waarborgt als degene die in de arbeidsongevallenwet voorzien zijn.

  Art. 18. Bij een overeenkomst van beroepsopleiding is op de partijen de wetgeving op de arbeidsbescherming van toepassing.

  Art. 19. De onmogelijkheid voor de cursist om de opleiding te volgen ingevolge ziekte of ongeval schorst de uitvoering van de overeenkomst.
  De cursist is ertoe gehouden zijn ongeschiktheid door een geneeskundig getuigschrift te rechtvaardigen.
  Wanneer de schorsing een dusdanige duur heeft bereikt dat de reïntegratie van de cursist in de opleiding niet zonder moeilijkheden kan gebeuren, kan de opleiding zonder opzegging worden beëindigd door de persoon die daarvoor in artikel 14 wordt bepaald.

  Art. 20. De personen, die daarvoor in artikel 14 worden bepaald, kunnen :
  1. de overeenkomst zonder uitstel opzeggen indien de cursist valse stukken heeft voorgelegd bij zijn toelating tot het centrum;
  2. de overeenkomst zonder uitstel opzeggen indien hij herhaaldelijk te kort komt aan zijn verplichtingen betreffende de goede orde of tucht van het centrum;
  3. de overeenkomst opzeggen mits een opzegging van vijf opleidingsdagen, ingaand de dag na de opzegging, indien de cursist niet de nodige geschiktheid bezit om met goed gevolg het normale verloop van de opleiding te volgen.

  Art. 21. Vorderingen uit overeenkomsten van beroepsopleiding verjaren één jaar na de beëindiging van de overeenkomst.

  Afdeling 4. - Rechten en plichten.

  Art. 22. Rechten en plichten van de cursisten in opleiding.
  Het centrum moet :
  1. aan de cursist in opleiding de nodige beroepsbekwaamheid bijbrengen;
  2. met de zorg van een goed huisvader waken over de gezondheid en de veiligheid van de cursist en voor de naleving van de goede zeden en de welvoeglijkheid gedurende de opleiding;
  3. de cursist geen taken doen verrichten welke vreemd zijn aan de opleiding;
  4. zich schikken naar de verplichtingen die voortspruiten uit de wetten, decreten en reglementsbepalingen welke het in acht nemen moet;
  5. onder dezelfde voorwaarden als bepaald bij artikel 38 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, de reiskosten terugbetalen welke door de cursist gedragen worden wanneer hij zich naar een door het beheerscomité aangeduide geneesheer begeeft.

  Art. 23. De cursist moet :1. zich naarstig en gewetensvol toeleggen op het verwerven van de beroepsbekwaamheid die hem door het centrum wordt gegeven;
  2. regelmatig de cursussen voor beroepsopleiding bijwonen;
  3. zich schikken naar het huishoudelijk reglement van het centrum;
  4. de welvoeglijkheid en de goede zeden in acht nemen;
  5. handelen overeenkomstig de onderrichtingen die hem worden gegeven;
  6. zich onthouden van alles wat hetzij zijn eigen veiligheid, hetzij die van zijn medewerknemers of van derden, kan in gevaar brengen;
  7. het gereedschap en de ongebruikte grondstoffen die hem door het centrum worden toevertrouwd in goede staat teruggeven;
  8. in geval van ongeschiktheid zich ertoe verbinden de door het beheerscomité aangeduide geneesheer te ontvangen en zich te laten onderzoeken en desgevraagd zich bij de door het beheerscomité aangeduide geneesheer aanbieden, hetzij de geneesheer die betrokkene behandelt, oordeelt dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich te verplaatsen.

  Art. 24. De cursist die een opleiding ontvangt in een bij artikel 5 of 6 van dit besluit bedoeld centrum heeft aanspraak op :
  1. (een premie van F 40 per effectief gevolgd uur beroepsopleiding.) <BDG 1995-12-29/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  (In schrijnende gevallen kan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap door een met redenen omklede beslissing een bijzondere premie van F 100 toekennen per effectief gevolgd uur beroepsopleiding; in bijzonder schrijnende gevallen kan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap door een met redenen omklede beslissing het bedrag van die bijzondere premie verhogen.) <BDG 1995-12-29/30, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  2. mits een opleiding van minimum 300 uren met goed gevolg werd beëindigd, een voordeel in natura dat bestaat uit het individueel gereedschap, nodig voor de uitoefening van het aangeleerd beroep welk hun werd toevertrouwd bij de aanvang van de opleiding. De waarde van dit gereedschap wordt bepaald op 75 pct. van de aankoopwaarde. Evenwel wordt het voordeel in natura beperkt tot een maximum bedrag van F 2 000;
  3. de reis- en verblijfkosten zoals bepaald door de Executieve, na advies van het beheerscomité.
  De in deze bepaling bedoelde voordelen zijn ten laste van de Rijksdienst.

  Art. 25. Van de in artikel 24, 1., 2. en 3. bepaalde voordelen worden uitgesloten :
  1. de in artikel 10, § 2 bepaalde cursisten;
  2. de cursisten die, hetzij in hoedanigheid van zelfstandige, hetzij in hoedanigheid van loontrekkende, een opleiding volgen na 18 uur en/of op zaterdagen en zondagen.

  Art. 26. De cursist behoudt zijn aanspraak op de in artikel 24, 1. bepaalde premie :
  1. wanneer hij in een van de gevallen verkeert zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 augustus 1963 betreffende het behoud van het normaal loon van de werklieden, de bedienden en de werknemers aangeworven door de dienst op binnenschepen van afwezigheidsdagen ter gelegenheid van familiegebeurtenissen of van de vervulling van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten;
  2. voor de gewone dagen van opleiding waarop ingevolge de wetgeving op de betaalde feestdagen geen beroepsopleiding verstrekt wordt;
  3. wanneer hij zich normaal naar de opleidingsplaats begeeft en er met vertraging of niet aankomt, op voorwaarde echter dat die vertraging of die afwezigheid te wijten is aan een oorzaak die hem overkomen is op de weg naar de plaats van opleiding en die onafhankelijk is van zijn wil.

  Art. 27. De in artikel 24, 1. en 3., bepaalde premie respectievelijk reis- en verblijfkosten worden per maand betaald.

  HOOFDSTUK III. - Opleiding in een technische onderwijsinrichting.

  Art. 28. Onder opleiding in een technische onderwijsinrichting wordt verstaan de beroepsopleiding zoals bepaald in artikel 2 van dit besluit, wanneer zij verstrekt wordt in een door de openbare besturen opgerichte erkende of gesubsidieerde inrichting voor nijverheids-, beroeps-, of technisch onderwijs.

  Art. 29. De directeur beslist of een uitkeringsgerechtigde werkloze een beroepsopleiding in een technische onderwijsinrichting dient te volgen. Hij beslist ook over de beëindiging of de voortzetting van de opleiding.

  Art. 30. De uitkeringsgerechtigde werkloze die een opleiding krijgt en een technische onderwijsinrichting heeft aanspraak op :
  1. (een premie van F 40 per effectief gevolgd uur beroepsopleiding;) <BDG 1995-12-29/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
  2. de reis- en verblijfkosten zoals bepaald door de Executieve, na advies van het beheerscomité.
  De cursist behoudt zijn aanspraak op de in lid 1 bepaalde premie onder dezelfde voorwaarden als bepaald in artikel 26, 1. en 3. van het besluit.
  (De Rijksdienst sluit voor de cursusdeelnemers een verzekeringscontract af inzake ongevallen tijdens de opleiding en op de weg van en naar de opleidingsplaats dat bij ongeval dezelfde voordelen waarborgt als degene die in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 voorzien zijn). <BDG 1986-05-07/33, art. 2, 002>

  HOOFDSTUK IV. - Individuele beroepsopleiding in een onderneming.

  Art. 31. <BDG 1989-10-05/31, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 12-12-1989> De directeur beslist of een werkloze, die in zijn ambtsgebied verblijft, een opleiding in een onderneming kan genieten. Over de toelating wordt beslist door de directeur in wiens ambtsgebied de onderneming gevestigd is. Hij beslist ook over de beëindiging of de voortzetting van de opleiding. Het beheerscomité stelt, in het bijzonder voor wat de duur en de premie betreft de voorwaarden vast onder dewelke een opleiding in een onderneming kan gegeven worden.

  Art. 32. <BDG 1989-10-05/31, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 12-12-1989> De werkloze die zijn opleiding volgt in een onderneming verkrijgt ten laste van de werkgever een met het verrichte werk overeenkomende premie.
  (lid 2, opgeheven) <BDG 1990-09-17/31, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 1990-07-01>

  Art. 33. De werkgever overhandigt aan de werkloze wekelijks een verklaring met vermelding van de in artikel 32 bedoelde premie, die hem werd uitbetaald.
  Het model van de verklaring wordt door het beheerscomité bepaald.

  Art. 34. De werkgever verbindt er zich toe de uitkeringsgerechtigde werkloze, die in de onderneming een beroepsopleiding heeft gevolgd, onmiddellijk na het einde van de opleiding in loondienst tewerk te stellen voor een duur ten minste gelijk aan de duur van de opleiding.
  De werkgever verbindt er zich toe de uitkeringsgerechtigde werkloze die de opleiding in de onderneming beëindigd heeft tewerk te stellen in het aangeleerd beroep en onder de in de onderneming voor dat beroep geldende voorwaarden.

  Art. 35. De werkgever verzekert een uitkeringsgerechtigde werkloze die in zijn onderneming een beroepsopleiding volgt tegen ongevallen, overkomen tijdens de opleiding en op de weg van en naar de opleidingsplaats onder dezelfde voorwaarden als ware hij in het aan te leren beroep in loondienst tewerkgesteld in de onderneming.

  Art. 35bis. <ingevoegd bij BDG 1990-09-17/31, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 1990-08-01> Alle cursisten onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk IV ontvangen, voor een maximale duur van zes maanden, een premie van 50 F per effectief gevolgd uur beroepsopleiding.

  HOOFDSTUK 4.1. [1 - Instapstage]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2013-02-28/18, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-03-2013>

  Art. 35.1. [1 De niet-werkend werkzoekende kan overeenkomstig artikel 36quater van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering een instapstage doorlopen indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet :
   1° hij is ingeschreven bij de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap;
   2° hij heeft hoogstens een diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2013-02-28/18, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-03-2013>

  Art. 35.2. [1 De instapstage begint ten vroegste op de eerste dag van de zevende maand nadat de stagiair als werkzoekende werd ingeschreven bij de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2013-02-28/18, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-03-2013>

  Art. 35.3. [1 De instapstage wordt geregeld door een overeenkomst tussen de stagiair, de stagegever en de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap.
   De overeenkomst moet op zijn minst de volgende gegevens bevatten :
   1° de identiteit van de partijen;
   2° het adres van de woonplaats resp. het adres van de vestigingsplaats en van de maatschappelijke zetel van de partijen;
   3° het ondernemingsnummer van de stagegever;
   4° de doelstelling van de overeenkomst;
   5° de manier waarop de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap de stage begeleidt;
   6° de duur van de overeenkomst die niet langer of korter mag zijn dan de duur bepaald in artikel 36quater, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
   7° de maandelijkse vergoeding die de stagegever verschuldigd is overeenkomstig artikel 36quater, § 1, 8°, en § 5 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, alsook de verplichting die vergoeding binnen vier werkdagen na de betrokken maand uit te betalen;
   8° de rechten en plichten van de partijen;
   9° een algemene bepaling waarin staat dat de overeenkomst onder artikel 36quater van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering valt;
   10° een verwijzing naar de geldende bepalingen betreffende de bescherming van de persoonsgegevens;
   11° de voorwaarden waaronder de instapstage kan worden afgebroken.
   De Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap legt het model van de overeenkomst vast.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2013-02-28/18, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-03-2013>

  Art. 35.4. [1 Voordat de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap het attest bedoeld in artikel 36quater, § 5, derde lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering opmaakt, verzoekt hij de stagiair en de stagegever per aangetekend schrijven om hun standpunt te bepalen.
   De standpuntbepalingen worden binnen zeven kalenderdagen bij de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap ingediend. Indien binnen die termijn geen standpuntbepalingen voorliggen of slechts één standpuntbepaling voorligt, maakt de Dienst voor Arbeidsbemiddeling van de Duitstalige Gemeenschap het voormelde attest binnen zeven kalenderdagen op.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2013-02-28/18, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-03-2013>

  Art. 35.5. [1 Het geven van een instapstage verplicht de stagegever niet om de stagiair op het einde van de stageperiode op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BDG 2013-02-28/18, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-03-2013>

  HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.

  Art. 36. (opgeheven) <BDG 1986-05-07/33, art. 3, 002>

  Art. 37. Worden opgeheven wat de Duitstalige Gemeenschap betreft :
  1. de bepalingen van artikel 82 tot en met 117 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid;
  2. het koninklijk besluit van 30 oktober 1975 betreffende de toekenning van een omscholingsuitkering aan sommige uitkeringsgerechtigde werklozen die een beroepsopleiding volgen.

  Art. 38. (opgeheven) <BDG 1990-09-17/31, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 1990-07-01>

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Wij, de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap,
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 4;
   Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 52 en 54;
   Gelet op de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzonderheid op artikel 7, § 1, derde lid, b, gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1951, 14 februari 1961, 16 april 1963, 11 januari en 10 oktober 1967, 10 oktober 1969, 27 juni 1969, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 27 januari 1959 en 17 januari 1961, de wet van 11 oktober 1978 en 24 december 1979;
   Gelet op het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, inzonderheid op de artikelen 82 tot 117, zoals gewijzigd door de koninklijke besluiten van 29 juli 1964, 12 april 1965, 12 januari 1968, 13 februari en 28 november 1969, 16 februari 1970, 7 december 1973, 11 april en 6 oktober en 22 december 1978;
   Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, inzonderheid op artikel 15;
   .....
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid;
   Overwegende dat het noodzakelijk is om dringend de nodige maatregelen te treffen ten einde de continuïteit van de beroepsopleiding te verzekeren.
   Op voordracht van de Voorzitter van de Executieve, Gemeenschapsminister voor Vorming en na de beraadslaging van de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap van 12 juni 1985,
   .....

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------OPGEHEVEN DOOR---------------------------------------------------
BEELD
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 13-12-2018 GEPUBL. OP 15-02-2019
  • ---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
    BEELD
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 28-02-2013 GEPUBL. OP 22-04-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 35.1-35.5)
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 29-12-1995 GEPUBL. OP 22-03-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 24; 30)
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 17-09-1990 GEPUBL. OP 09-11-1990
    (GEWIJZIGDE ART. : 35BIS; 32; 38)
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 05-10-1989 GEPUBL. OP 02-12-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 31; 32; 38)
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 17-12-1986 GEPUBL. OP 29-01-1987
  • BESLUIT DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 07-05-1986 GEPUBL. OP 10-06-1986

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 6 gearchiveerde versies
    Franstalige versie