J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 80 uitvoeringbesluiten 80 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
27 SEPTEMBER 1947. - ARAB : Algemeen reglement voor de bescherming van de arbeid, titel III. (Art. 184 - N5*723quinquies)
(NOTA : De bepalingen betreffende de groeven en de bijhorigheden ervan zijn opgeheven voor het Waalse Gewest. <DWG 2002-07-04/41, art. 18, Inwerkingtreding : 01-10-2002>)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-03-1981 en tekstbijwerking tot 22-03-2018) Zie wijziging(en)

Publicatie : 03-10-1947 nummer :   1947092750 bladzijde : 9040
Dossiernummer : 1947-09-27/02
Inwerkingtreding : 13-10-1947

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL III- BIJZONDERE BEPALINGEN TOEPASSELIJK IN ZEKERE NIJVERHEIDSTAKKEN
HOOFDSTUK I- Toestellen, installaties, arbeidsprocédés, gemeen aan verscheidene nijverheidstakken.
Eerste Afdeling-Elektrische installaties. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>)
Eerste deel- Constructie.
I. Algemene bepalingen.
A. Bepalingen en algemeenheden.
Sterkstroominstallaties.
Art. 184
Lage, gemiddelde en hoge spanning.
Art. 185
Lokalen van de elektriciteitsdienst.
Art. 186
Onbrandbare stoffen.
Art. 187-188
Onder spanning staande genaakbare geleiders en toestellen.
Art. 189
Geisoleerde, blanke, beschermde, ingesloten of gepantserde stukken.
Art. 190
B. Gevaar voor aanraking.
Open lokalen.
Art. 191
Bewaakte lokalen.
Art. 192
Gewone lokalen van de elektriciteitsdienst.
Art. 193
Gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst.
Art. 194
Inrichting en verlichting der gewone en der gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst.
Art. 195
Aardverbinding.
Art. 196
C. Verhittingsgevaar.
Doorsnede van de geleiders.
Art. 197
Automatische schakelaars en smeltzekeringen.
Art. 198
D. Toegelaten spanningen binnen open lokalen en bewaakte lokalen.
Art. 199
E. Isolering van laagspanningsbinneninstallaties.
Art. 200
F. Isolering van laagspanningsbuiteninstallaties.
Art. 201
II. Generators, motors en transformators.
Bescherming tegen contact en verhittingsgevaar.
Plaats waar de machines dienen opgesteld.
Art. 202
Statische transformators onder hoogspanning of gemiddelde spanning.
Art. 203
III. Toestellen.
A. Schakelborden.
Algemene bepalingen.
Art. 204
Minimumafstand in de lucht tussen de oppervlakten van blanke delen onder hoogspanningswisselstroom, of tussen die oppervlakken en de massa (Is niet van toepassing op de blanke delen der gepantserde toestellen).
Art. 205
Materialen.
Art. 206
Verbindingen.
Art. 207
B. Stroomafneming.
Art. 208
C. Schakelaars, commutators.
Bouw.
Art. 209
Schakelaars.
Art. 210
Uitschakeling van neutrale geleiders en van aardleidingen.
Art. 211
Reglementaire aanduidingen.
Art. 212
D. Smeltzekeringen.
Werkingsvoorwaarden.
Art. 213
IV. Ontladingslampen, licht-, verwarmings- en drijfkrachttoestellen. <KB 11-12-1958, art. 4>
Hangtoestellen.
Art. 214
Gebruik van sommige lamphouders met Edison-schroefdraad.
Art. 214bis
Verbod van verlichting met lampen aangebracht op stroomkringen met hoogspanning of gemiddelde spanning.
Art. 215
Draag- en beweegbare toestellen gevoed door soepele geleiders.
Art. 216
Brandgevaar.
Art. 217
V. Accumulatoren (nijverheidsbatterijen).
Lokalen.
Art. 218
Plaatsing van de batterijen.
Art. 219
Ontploffingsgevaar.
Art. 220
VI. Installaties.
A. Bovengrondse lijnen.
1. Algemene voorschriften.
Art. 221
Stutten(palen, masten, armen, draagijzers, verankeringen, spandraden).
Art. 222
Geleiders.
Art. 223
Buitenspanningstellen van de hoogspannings- en gemiddelde spanningslijnen.
Art. 224
Mechanische stabiliteit.
Art. 225
Onbereikbaarheid.
Art. 226
Gemeenschappelijke steunen. <KB 22-01-1957, art. 2>
Art. 227
Kruisingen.
Art. 228
2. <KB 22-01-1957, art. 4> Aanvullende voorschriften, toepasselijk op de bovengrondse lijnen waarvan de nominale spanning tussen de geleiders en de aarde 15 kV te boven gaat zonder 30 kV te overschrijden.)
Art. 229
3. Contactlijnen.
Art. 229bis
Gebruiksvoorwaarden.
Art. 230
Schakelaars, signaallampen.
Art. 231
B. Ondergrondse lijnen.
Bescherming.
Art. 232
Het merken van ondergrondse kabels. <KB 05-08-1974, art. 1>
Art. 233
Nabijheid en kruising van ondergrondse telecommunicatiekabels. <KB 05-08-1974, art. 1>
Art. 234
Nabijheid van gasleidingen.
Art. 235
Verbindingen.
Art. 236
Isolering.
Art. 237
Beschutting en mechanische weerstand.
Art. 238
Stroomsterkte, doorsnede der geleiders, nominale sterkte der smeltveiligheden.
Art. 239
Plaatsing op isolatoren.
Art. 240
Plaatsing in buizen. <KB 15-04-1958, art. 2>
Art. 241
Armering of buizen in magnetisch metaal.
Art. 242
Doorgang door muren, schotten en plafonds- Verlaten van de vloeren. <KB 15-04-1958, art. 3>
Art. 243
Aansluitingen.
Art. 244-245
Ketels en metalen vergaarbakken.
Art. 246
Installaties van ontladingslampen. <KB 19-02-1962, art. 2>
Art. 247
Bad- of stortbadzalen.
Art. 248
Vochtige of natte lokalen.
Art. 249
Lokalen door geleidende vochten doordrongen of waarin zich bijtende dampen ontwikkelen.
Art. 250
Lokalen die licht ontvlambare stoffen bevatten.
Art. 251, 251bis
Lokalen die springstoffen bevatten.
Art. 252
Tweede deel- Exploitatie en toezicht.
I. Beschuttingsinrichtingen en waarschuwingsborden.
Beschuttingsinrichtingen.
Art. 253
Waarschuwingsborden.
Art. 254
Kenmerken van de machines.
Art. 255
Schematisch plan.
Art. 256
II. Exploitatie, herstelling en uitbreiding van de installaties.
Onderhoud, schoonmaak en herstelling van hoog- of gemiddelde-spanningsinstallaties.
Art. 257
Bediening onder stroom en bediening onder spanning.
Art. 258
Werken en bedieningen buiten spanning.
Art. 259
Opnieuw in werking stellen.
Art. 260
IIbis. <KB 05-08-1974, art. 2> Werken in de nabijheid van ondergrondse elektrische kabels.
Art. 260bis
III. Toezicht.
Controle van de installaties. <KB 01-07-1971, art. 1>
Art. 261
Onderzoekingen.
Art. 262
IV. Plichten van de eigenaars, beheerders, onderzoekers, opzichters en werklieden.
Plichten van de erkende organismen, van de met de controle belaste afgevaardigden van de distributeurs of van de overheid.
Art. 263
Plichten van de eigenaar of beheerder.
Art. 264
Plichten van de opzichters.
Art. 265
Door de werklieden na te leven algemene voorschriften.
Art. 266
Derde deel- Overgangsbepalingen. <KB 30-04-1955, art. 1>
Art. 266bis
Afdeling II- Hefwerktuigen.
Art. 267
I. (Algemene voorschriften betreffende de hefwerktuigen.) <KB 19-09-1980, art. 1>
Art. 268
II. (Bijzondere voorschriften.) <KB 19-09-1980, art. 1>
A. (Bijzondere voorschriften betreffende de hijswerktuigen.) <KB 19-09-1980, art. 1>
Art. 269
B. (Bijzondere voorschriften betreffende hoogwerkers.) <KB 19-09-1980, art. 1>
Art. 269bis
(C. Bijzondere voorschriften voor personenliften, die niet als paternosterliften of als personenbouwliften kunnen beschouwd worden, en voor goederenliften en fabrieksliften.) <KB 1983-09-02/33, art. 12, 007>
Art. 270, 270bis
(D. Bijzondere voorschriften voor hydraulische personenliften, goederenliften en fabrieksliften.) <KB 1983-02-09/33, art. 13, 007>
Art. 271
(E. Bijzondere voorschriften voor personenbouwliften.) <KB 1983-09-02/33, art. 14, 007>
Art. 272
(F. Bijzondere voorschriften voor materiaalliften.) <KB 1983-09-02/33, art. 15, 007>
Art. 273, 273bis, 274
III. Maatregelen tijdens de bewegingen te treffen om de veiligheid der personen te verzekeren.
Art. 275
IV. Speciale bepalingen betreffende de toestellen voor het vervoer van personen.
Art. 276-278
V. Onderhoud.
Art. 279
VI. Keuring bij ontvangst en onderzoeken.
Art. 280-281, 281bis, 281ter, 281quater
VII. Bepalingen betreffende de kabelbanen.
Art. 282-283
Afdeling IIbis- Hefbruggen. <KB 02-02-1976, art. 1>
Art. 283bis
Afdeling III- Acetyleen - (Centrigfuges) - Motors met inwendige verbranding - Arbeidsprocédés door pneumatische verstuiving - Recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas. <KB 16-09-1970, art. 2>
§ 1. Opslagplaatsen van calciumcarbid.
A. Opslagplaatsen voor calciumcarbid.
Art. 284-291
B. Produktie van acetyleen.<KB 09-10-1969, art. 1>
Art. 292-308
C. Toestellen die werken met een zuurstof- of luchtacetyleenvlam. - Terugslagveiligheden. - Las- en snijposten met de steekvlam. - Reduceertoestellen. <KB 09-10-1969, art. 1>
Art. 309-318
D. Administratieve maatregel. <R 17-08-1948>
Art. 319
§ 2. Centrifuges.<KB 16-09-1970, art. 1>
Art. 320-326
§ 3. Ontploffingsmotoren of motoren met inwendige verbranding.<KB 18-10-1956>
A. Algemene voorwaarden. <KB 18-10-1956>
Art. 327, 327bis, 328-332
B. Bijzondere voorwaarden voor de installaties waarvan de aanloopreservoirs gevuld zijn met aan de drijfcylinders afgetapte gassen.<KB 18-10-1956>
Art. 333
C. Vervaardiging van de aanloopreservoirs.<KB 07-02-1966, art. 1>
Art. 334-3387
D. Beproevingen, onderzoekingen en aanduidingen. <KB 07-02-1966, art. 3>
Art. 339-341, 341bis, 342-348
§ 5. Recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas.
Art. 349, 349bis
Aard en kenmerken van het materiaal.
Art. 350
Regels voor de vervaardiging.
Art. 351
Thermische behandeling.
Art. 352
Controle over de vervaardiging en verificatie van de hoedanigheden van het materiaal.
Art. 353
Beproevingen, beproevingsdrukken en vullingsgraden. <KB 07-12-1979, art. 2>
Art. 354
Aanduidingen die op de recipiënten dienen vermeld.
Art. 355
Vaststelling van de tarra en het inhoudsvermogen.
Art. 356
Attesten van ontvangst. <KB 18-05-1957, art. 3>
Art. 357
Hernieuwing der beproeving.
Art. 358
Voorschriften betreffende het gebruik der recipiënten.
Art. 359
Erkende organismen. <KB 20-06-1962, art. 20>
Art. 360, 360bis, 360ter
Algemene bepalingen.
Art. 361, 361bis, 361ter, 361quater, 362-363, 363bis
HOOFDSTUK II. - Speciale maatregelen op sommige bedrijven toepasselijk.
Afdeling I. - Metaalnijverheid. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming
A. Behandeling van zink- of loodertsen. <KB 09-03-1962, art. 10>
Art. 364, 364bis, 365-373
B. Fabrieken en herstellingswerkplaatsen voor elektrische loodaccumulators.
Art. 374, 374bis, 375
Bewerking van de platen na het gieten.
Art. 376
Loodoxyde.
Art. 377-382
Vorming van de platen.
Art. 383-386
C. Werkplaatsen voor het polijsten van metalen en elektrolytische neerslag
Art. 387, 387bis, 388-392, 392bis
Afdeling Ibis. <Ingevoegd voor het Waalse Gewest door BWG 1999-03-04/42, art. 10; Inwerkingtreding : 08-04-1999> - Inrichtingen voor de productie en de omzetting van asbest en voor de vervaardiging van asbesthoudende producten.
Art. 392ter
Afdeling II- Scheikundige nijverheden.
A. Gebruik, aankoop, verkoop en vervoer van sommige giftige produkten.
Art. 393-394
Phosphor.
Art. 395-396
Loodhoudend email.
Art. 397
(rubriek opgeheven)<KB 03-10-1973, art. 6>
Art. 397bis
Loodwit, loodsulfaat en andere witte loodhoudende pigmenten. <KB 22-12-1970, art. 1>
Art. 398-401
B. <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>
Art. 402-408
C. Bereiding van loodverbindingen.
Algemene voorwaarden.
Art. 409-412
Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodwit.
Art. 413-421
Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodoxyde: massicot, loodlit, menie.
Art. 422-424
Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodchromaat en van de verven die er bevatten.
Art. 425
Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodarseniaat.
Art. 426-433
Afdeling III.
A. Bouw- en onderhoudswerken. <KB 28-12-1976,art. 1, § 1>
Art. 433bis
I. Materieel, toestellen, installaties en produktieinrichtingen. <KB 28-12-1976, art. 2>
Art. 434
II. Aardewerken.
Art. 435-437, 437bis
III. Stellingen, platformen, bruggetjes, vloeren. <KB 14-03-1975, art. 5>
Art. 438
a) Stellingen.
Art. 439-444
Vaste stellingen met steigers.
Art. 445-447
Vaste stellingen met(ladders). <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>
Art. 448-449
Stabiliteit van de vaste stellingen met steigers of met(ladders). <KB 10-06-1952, art 14 en bijl.>
Art. 450
Vliegende stellingen. <KB 28-12-1976, art. 5>
Art. 451-453, 453bis
Stellingen op schragen.
Art. 454
Stellingen op wielen en verplaatsbare stellingen. <KB 28-13-1976, art. 9>
Art. 454bis
Opstellen van hefwerktuigen op de stellingen.
Art. 455
Periodisch nazicht van de stellingen.
Art. 456
b) Platformen, bruggetjes.
Art. 457-458
c) Ladders.
Art. 459-461
Werken op daken, torens, schoorstenen, enz.
Art. 462
Fabrieksschoorstenen. <KB 30-12-1959>
Art. 462bis, 462ter, 462quater, 462quinquies, 462sexies, 462septies, 462octies, 462nonies, 462decies, 462undecies, 462duodecies, 462tredecies
Oprichten en losmaken van gewelfbogen, schoren en plankenbekledingen.
Art. 463
IV. Slopingswerken.
Art. 464
V. Bescherming van de openingen.
Art. 465
VI. Algemene voorzorgen.
Art. 466-467, 467bis, 468
B. Werk in de persluchtcaissons. [1 opgeheven]1
Art. 468bis, 469-488, 488bis, 488ter, 488quater, 488quinquies, 488sexies, 489-501
Afdeling IV- Steenbakkerij.
Art. 502, 502bis, 503-504
Afdeling V- Openluchtgroeven.
Art. 505, 505bis, 506-512, 512bis, 512ter
Afdeling VI-Tijdelijke huisvesting der werknemers. [1 opgeheven]1
Art. 513-524, 524bis, 524ter
Afdeling VII- Vervoernijverheid.
§ 1. Laden, lossen, bouwen, herstellen en onderhouden der vaartuigen.
Art. 525
Stellingen, bruggetjes,(...) vloeren, ladders, enz. <KB 14-03-1975, art. 10>
Art. 526-531, 531bis, 532-534
Bescherming tegen het vallen van goederen.
Art. 535-539
Werkzaamheden in de plaatsen waar gevaarlijke gassen kunnen voorhanden zijn.
Art. 540, 540bis
Werkzaamheden nabij gevaarlijke openingen.
Art. 541
Vervoer van het werkvolk.
Art. 542
Stilstaan van de voertuigen op de kaaien.
Art. 543
Verlichting.
Art. 544
Te nemen maatregelen om de gevolgen van brand of van het vallen in het water te voorkomen.
Art. 545-546, 546bis
Voorzorgen te nemen gedurende de schaftijd en na het stopzetten van het werk.
Art. 547-548
§ 2. Aanduiding van het gewicht op grote colli's die per schip vervoerd worden.
Art. 549-550
Afdeling VIII- Voedingsnijverheid.
§ 1. Brood- en banketbakkerij.
Art. 551-560
§ 2. Afvalwaters der suikerfabrieken.
Art. 561-562
§ 3. Afvalwaters van gistfabrieken en stokerijen.
Art. 563, 563bis, 564
Afdeling IX- Handelsondernemingen.
§ 1. Autogarages. Werkplaatsen voor het herstellen of onderhouden van voertuigen met ontploffingsmotoren of motoren met inwendige verbranding. <KB 21-04-1958, art. 2>
Toepassingsgebied. <KB 21-04-1958, art. 2>
Art. 565
Bouw. <KB 21-04-1958, art. 2>
Art. 566
Verluchting. <KB 21-04-1958, art. 2>
Art. 567
Kunstmatige verlichting. <KB 21-04-1958, art. 2>
Art. 568
Verwarming. <KB 16-07-1959, art. 2>
Art. 569-570
Kuilen voor voertuigonderzoek. <KB 21-04-1958, art. 2>
Art. 571
Afvalwaters. <KB 21-04-1958, art. 2>
Art. 572
Gasgeneratoren. <KB 21-04-1958, art. 2>
Art. 573
Opslagplaatsen voor benzinebussen en stoffen die gemakkelijk brandbaar of ontvlambaar zijn. <KB 21-04-1958, art. 2>
Art. 574
Beschermingsmiddelen tegen brand en ontploffingen. <KB 21-04-1958, art. 2>
Art. 574bis, 574ter, 575
Opslaan in vaten of in bussen.
Art. 576-582
Opslag in ondergrondse houders.
A. Algemene voorwaarden.
Art. 583-586
B. Rechtstreeks in de grond bedolven houders.
Art. 587-590
C. In een groeve geplaatste houders.
Art. 591-598
D. Beproevingsbewijzen.
Art. 599, 599bis
Opslaan in tanks.
A. Tanks.
Art. 600-604
B. Funderingen en dammen.
Art. 605-609
Op alle opslagplaatsen toepasselijke bepalingen.
A. Behandeling en toestellen.
1. Algemene bepalingen.
Art. 610-615
2. Aftappen van benzine in bussen.
Art. 616-623
B. Onderzoeken en herstellingen.
1. Putten, houders en tanks.
Art. 624-625
2. Vaten en bussen.
Art. 626-627
C. Verlichting.
Art. 628
D. Verwarming.
Art. 629
E. Brand.
Art. 630-631
F. Toezicht.
Art. 632-634
G. (Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1996-05-23/42, art. 3; Inwerkingtreding : zie BWG 1996-05-23/42, art. 5> Bijzondere bepalingen betreffende de voor de opslag en het laden van benzine in terminals en benzinestations gebruikte procedes en installaties.
Art. 634bis/1, 634bis/2, 634bis/3, 634bis/4, 634bis/5, 634bis/6
§ IIbis. (Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1997-07-03/32, art. 4; Inwerkingtreding : 12-08-1997> Opslag van ontvlambare vloeistoffen met een vlampunt van meer dan 50° C en van hoogstens 100 °C.
Art. 634ter/1, 634ter/2, 634ter/3, 634ter/4, 634ter/5, 634ter/6, 634quater
§ 3. Schouwspelzalen. <KB 15-09-1953> [1 (NOTA : Titel III, hoofdstuk II, afdeling IX, § 3, "Schouwspelzalen", wordt opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
A. Toepassingsgebied. <KB 15-09-1953>
Art. 635
B. Bouw en inrichting. <KB 15-09-1953>
Bouw. <KB 15-09-1953>
Art. 636
Plaatsen en toe- en uitgangswegen. <KB 15-09-1953>
Art. 637
Zitplaatsen. <KB 15-09-1953>
Art. 638
Wandelgangen. <KB 15-09-1953>
Art. 639
Gangen in de zaal. <KB 15-09-1953>
Art. 640
Trappen. <KB 15-09-1953>
Art. 641
(Uitgangen en nooduitgangen.) <KB 19-09-1980, art. 13>
Art. 642
(Gebruik van de uitgangen en de nooduitgangen.) <KB 19-09-1980, art. 14>
Art. 643
Controle-inrichtingen. <KB 15-09-1953>
Art. 644
Deuren. <KB 15-09-1953>
Art. 645
C. Elektrische installatie. - Verlichting. <KB 15-09-1953>
Algemeenheden. <KB 15-09-1953>
Art. 646
Elektriciteitsbronnen. <KB 15-09-1953>
Art. 647
Algemene en noodverlichting. <KB 15-09-1953>
Art. 648
Voeding van de noodverlichting. <KB 15-09-1953>
Art. 649
Stroomkringen van de algemene verlichting. <KB 15-09-1953>
Art. 650
Stroomkringen van de noodverlichting. <KB 15-09-1953>
Art. 651-652
D. Verwarming en luchtverversing. <KB 15-09-1953>
Art. 653
E. Algemene maatregelen voor veiligheid, gezondheid en gemak. <KB 19-05-1953>
Rookverbod. <KB 19-05-1953>
Art. 654-656
Maatregelen tegen het gerucht. <KB 19-05-1953>
Art. 657
F. Bijzondere voorschriften ten aanzien van schouwburgen, variététheaters en feestzalen, met een speelruimte langs boven of langs onder uitgerust met mechanische toestellen. <KB 07-10-1970, art. 7>
Art. 658
Scheidingsmuren tussen de inrichting en de aanpalende gebouwen. <KB 19-05-1953>
Art. 659
Bouw van het toneel en zijn aanhorigheden. <KB 19-05-1953>
Art. 660
Metalen gordijn. <KB 19-05-1953>
Art. 661
Controle van het metalen gordijn. <KB 19-05-1953>
Art. 662, 662bis
Ventilatieschermen in het dak van het toneel. <KB 19-05-1953>
Art. 663
Uitgangen van het toneel en van zijn aanhorigheden. <KB 19-05-1953>
Art. 664
Toneelmeubelen en-schermen. <KB 19-05-1953>
Art. 665
G. Bijzondere bepalingen ten aanzien van bioscopen waar ontvlambare films afgedraaid worden. <KB 19-05-1953>
Bouw van filmprojectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>
Art. 666
Uitgangen van de projectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>
Art. 667
Bouw der deuren. <KB 19-05-1953>
Art. 668
Schoorstenen. <KB 19-05-1953>
Art. 669
Openingen van het projectiekamertje. <KB 19-05-1953>
Art. 670
Elektrische installaties der projectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>
Art. 671
Projectietoestel. <KB 19-05-1953>
Art. 672
Bewaring der films. <KB 19-05-1953>
Art. 673
Materieel der projectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>
Art. 674
Personeel der kamertjes. <KB 19-05-1953>
Art. 675
Toegang tot de projectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>
Art. 676
H. Algemene bepalingen
Toezicht op de elektrische installaties. <KB 19-05-1953>
Art. 677
Naleving der veiligheidsmaatregelen. <KB 19-05-1953>
Art. 678-681
§ 4. INSTALLATIE EN UITBATING VAN BENZINESTATIONS (Ingevoegd voor het Waalse Gewest door BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999)
HOOFDSTUK I. - (Toepassingsgebied.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/1, 681bis/2
HOOFDSTUK II. - (Bouw.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
(Bouw van de tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/3, 681bis/4
(Installatie van de tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Afdeling 1. - (Algemene bepalingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/5, 681bis/6, 681bis/7, 681bis/8, 681bis/9, 681bis/10, 681bis/11, 681bis/12, 681bis/13, 681bis/14
(Installatie van de tanks en verbindingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Afdeling 1. - (Algemene bepalingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/15, 681bis/16, 681bis/17, 681bis/18
(Ingegraven tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/19, 681bis/20, 681bis/21
(Bovengrondse tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/22, 681bis/23, 681bis/24, 681bis/25, 681bis/26, 681bis/27, 681bis/28
(Leidingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/29, 681bis/30, 681bis/31, 681bis/32, 681bis/33
(Brandstofverdelers.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/34, 681bis/35, 681bis/36
(Bevoorradingsplaatsen en ruimten voor het vullen van vaste tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/37, 681bis/38, 681bis/39
(Elektrische installatie.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/40, 681bis/41, 681bis/42
(Bescherming tegen corrosie.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/43
Art. 681bis/43 WAALS GEWEST
HOOFDSTUK III. - (Werkwijze.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/44, 681bis/45, 681bis/46, 681bis/47, 681bis/48
HOOFDSTUK IV. - (Brandpreventie.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/49, 681bis/50, 681bis/51, 681bis/52, 681bis/53, 681bis/54, 681bis/55
HOOFDSTUK V. - (Milieubescherming.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Afdeling 1. - (Water.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/56, 681bis/57, 681bis/58
Afdeling 2. - (Lucht.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Eerste onderafdeling. (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
Art. 681bis/59, 681bis/60
Art. 681bis/60/1 WAALS GEWEST
Art. 681bis/60/2
Afdeling 3. - (Geluidshinder.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/61, 681bis/62
Afdeling 4. - (Grond en ondergrond.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
(Indicatief onderzoek.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/63 WAALS GEWEST
Art. 681bis/64 WAALS GEWEST
(Karakteriserings- en risico-onderzoek.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/65 WAALS GEWEST
Art. 681bis/66 WAALS GEWEST
Art. 681bis/67 WAALS GEWEST
Art. 681bis/68 WAALS GEWEST
Art. 681bis/69 WAALS GEWEST
Art. 681bis/70 WAALS GEWEST
HOOFDSTUK VI. - (Controle.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Afdeling 1. - (Controle van het benzinestation.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/71
Art. 681bis/71 WAALS GEWEST
Art. 681bis/72
Afdeling 2. - (Kwalificatie van de deskundigen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/73
HOOFDSTUK VII. - (Overgangsbepalingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>
Art. 681bis/74, 681bis/75
BIJLAGEN.
Art. N1*681bis, 1N1*681bis, 2N1*681bis, 3N1*681bis, 4N1*681bis, 5N1*681bis, 6N1*681bis, 7N1*681bis, N2*681bis
Afdeling X- Verschillende industrieën.
§ 1. (opgeheven) <KB 10-07-1972>
Art. 682-684, 684bis
§ 2. Ontsmetting van het haar in de borstelmakerijen. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>)
Art. 685, 685bis
§ 3. Haarsnijderij. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>)
Art. 686-692
§ 4. <opgeheven> <KB 15-12-1978, art. 5>
Art. 693-695
§ 5. Blauwzuur en alle grondstof waaruit het kan ontstaan.
Aankoop, verkoop en gebruik van dicyaan, cyaanwaterstof en zijn zouten, alsmede van organische cyaanverbindingen. <KB 22-12-1970, art. 1>
Art. 696-701
Verdelging van knaagdieren en insecten.
A. Algemene maatregelen.
Art. 702-708
B. Bijzondere maatregelen.
1. Meubelen.
Art. 709-713
2. Schepen en boten.
Art. 714-721
Algemene maatregelen(vervolg). <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>
Art. 722-N4*723
HOOFDSTUK III- Gevaarlijke stoffen en preparaten. <KB 09-04-1980>
Afdeling I- Algemene bepalingen. <KB 09-04-1980>
A. Toepassingsgebied. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis1
B. Definities. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis2-723bis3
Afdeling II- Identificatie en indeling van de gevaarlijke stoffen en preparaten. <KB 09-04-1980>
A. Identificatie en indeling van de gevaarlijke stoffen. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis4-723bis4*2
B. Identificatie en indeling van de gevaarlijke preparaten. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis5-723bis5*3*2
Afdeling III- Verpakking en opslag. <KB 09-04-1980>
A. Verpakking. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis6
B. Opslag. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis7
Afdeling IV- Modaliteiten voor identificering van de risico's. <KB 09-04-1980>
A. Algemeenheden. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis8
B. Voorstelling van de informatie. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis9
C. Inhoud van het etiket of zijn reproduktie. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis10-723bis14
Afdeling V- Verbodsbepalingen betreffende de produktie en het gebruik van giftige stoffen en preparaten. <KB 09-04-1980>
Art. 723bis15
Afdeling VI. - Gecontroleerde produktie en gebruik van sommige gevaarlijke stoffen en preparaten.
Art. 723bis16-723bis17, 723bis17bis, 723bis18-723bis20
Afdeling VII. - <KB 1986-02-27/33, art. 1, 25> Informatie van de werknemers.
Art. 723bis21, N1*723bis, N2*723bis, N3*723bis, N4*723bis, N5*723bis, N6*723bis
HOOFDSTUK IV-<KB 15-12-1978, art. 1> Stoffen onder de vorm van deeltjes of vezels waarvan de inademing schadelijke fysische of fysico-chemische uitwerking heeft op de gezondheid. [1 opgeheven]1
Art. 723ter1
Sectie I- <KB 15-12-1978, art. 1> Vrij siliciumdioxide.
Art. 723ter2-723ter4
Sectie II-Asbest. [1 opgeheven]1
Art. 723ter5-723ter8
HOOFDSTUK V-<KB 20-07-1979, art. 1 en bijl.> Stoffen die gevaarlijk zijn na langdurige inademing. [1 Opgeheven]1
Art. 723quater1
Eerste Afdeling-<KB 20-07-1979, art. 1 en bijl.> Vinylchloridemonomeer. [1 Opgeheven]1
Art. 723quater2-723quater13
Afdeling 2-<KB 20-07-1979, art. 1> Polymeren. [1 opgeheven]1
Art. 723quater14-N1*723quater14
HOOFDSTUK VI. - <KB 1985-02-01/31, art. 1, 011> Bijzondere maatregelen in verband met bepaalde industriële activiteiten.
Art. 723quinquies, N1*723quinquies, N2*723quinquies, N3*723quinquies, N4*723quinquies, N5*723quinquies

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL III- BIJZONDERE BEPALINGEN TOEPASSELIJK IN ZEKERE NIJVERHEIDSTAKKEN

  HOOFDSTUK I- Toestellen, installaties, arbeidsprocédés, gemeen aan verscheidene nijverheidstakken.

  Eerste Afdeling-Elektrische installaties. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>)

  Eerste deel- Constructie.

  I. Algemene bepalingen.

  A. Bepalingen en algemeenheden.

  Sterkstroominstallaties.

  Art. 184. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Onverminderd de wetten en reglementen die van kracht zijn in de mijnen, ondergrondse graverijen en groeven, zijn de voorschriften die het voorwerp van deze afdeling uitmaken toepasselijk op alle sterkstroominstallaties met uitzondering van de vaste installaties die dienen tot de eigenlijke elektrische tractie van de spoorwegen en de tramwegen (*) en van deze die de elektrische uitrusting van het rollend materieel uitmaken. (*) Als voorbeeld, worden niet aanzien als eigenlijke tractieïnstallaties, de lijnen voor het overbrengen van elektrische energie van de centrale naar de onderstations en de onderstationsinstallaties)
  Deze voorschriften zijn niet van toepassing op de inrichtingen voor telecommunicatie (telegrafie, telefonie of signalisatie).
  (Zij zijn evenmin van toepassing op de installaties die onderworpen zijn aan het Algemeen Reglement op de elektrische installaties bindend verklaard door het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor de huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend wordt verklaard, en door het koninklijk besluit van 2 september 1981 houdende wijziging van het Algemeen Reglement op de elektrische installaties en houdende bindendverklaring ervan op de elektrische installaties in inrichtingen gerangschikt als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk, en in inrichtingen beoogd bij artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming.) <KB 1981-09-02/30, art. 10, 006>
  (Lid niet vertaald)
  Behoudens strijdige bepaling, zijn de aanwijzingen betreffende de spanning en de intensiteit evenzeer van toepassing op gelijkstroom als op wisselstroom; in dit laatste geval gelden ze voor de effectieve spanning en intensiteit.

  Lage, gemiddelde en hoge spanning.

  Art. 185. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Een elektrische installatie heet "laagspanningsinstallatie" wanneer de spanning tussen de geleiders en de aarde niet meer dan 600 volt bedraagt bij gelijkstroom en 250 volt bij wisselstroom.
  Wordt ook nog "laagspanningsinstallatie" geheten, een onderstationinstallatie voor elektrische tractie met gelijkstroom, wanneer de spanning tussen de geleiders en de aarde in normaal bedrijf niet meer dan 700 volt bedraagt.
  Een elektrische installatie wordt "gemiddelde spanningsinstallatie" geheten, wanneer ze werkt op wisselstroom en de spanning tussen de geleiders en de aarde tussen 250 en 375 volt begrepen is.
  Al de andere installaties worden "hoogspanningsinstallaties" genoemd.
  Nochtans voorziet het reglement:
  a) bijzondere voorschriften toepasselijk op de laagspanningsinstallaties met wisselstroom, waarvan de spanning tussen de geleider en de aarde meer dan 150 volt bedraagt;
  b) aanvullende voorschriften, toepasselijk op de hoogspanningsinstallaties waarvan de spanning tussen de geleiders en de aarde 15.000 volt overtreft zonder boven 100.000 volt te gaan.
  In de installaties met driephasenstroom zonder neutraalgeleider en die waar de neutraalgeleider niet is geaard, is de in aanmerking te nemen spanning de phasenspanning gedeeld door 1,73.
  Wanneer een phase bestendig met de aarde verbonden is, wordt de phasenspanning in aanmerking genomen.

  Lokalen van de elektriciteitsdienst.

  Art. 186. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Onder "gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst" verstaat men die lokalen waar enkel de personen mogen intreden belast met de bediening, de bewaking, het onderhoud of de herstelling van de daarin geplaatste werktuigen.
  Onder "gewone lokalen van de elektriciteitsdienst" verstaat men de lokalen speciaal bestemd tot de werking der elektrische machines of toestellen, voor zover het intreden, in die lokalen verboden is voor personen, die niet op de hoogte zijn van de gevaren van de elektriciteit.
  Onder "bewaakte lokalen" verstaat men de nijverheids- of handelslokalen waar ook personen mogen binnengaan die niet op de hoogte zijn van de gevaren van elektriciteit op voorwaarde dat zij er wegens hun dienst geroepen zijn.
  Al de andere lokalen worden in dit reglement "open lokalen" genoemd.

  Onbrandbare stoffen.

  Art. 187. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Worden onbrandbare stoffen genoemd, die welke in normale gebruiksvoorwaarden niet kunnen worden ontvlamd, noch verbrand.
  (Aarding.) <KB 26-02-1971, art. 1>

  Art. 188. <KB 26-02-1971, art. 1>
  (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) § 1. Onder aarding wordt verstaan een blijvende, goed geleide verbinding met de aarde, bestaande uit een geleider, die op doelmatige en duurzame wijze, zonder tussenplaatsing van een smeltzekerheid of schakelaar, verbonden is met een of meer metalen stukken die met de aarde een voldoend ontwikkelde contactoppervlakte vormen.
  § 2. De aardverbinding, bestaande uit de gezamenlijke metalen stukken in contact met de aarde, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° de minimumcontactoppervlakte met de grond bedraagt 0,5 m2;
  2° de aarde van de electroden moet zodanig gekozen zijn dat ze weerstaan aan de door de bodem veroorzaakte corrosie;
  3° de verspreidingsweerstand van de aarde bedraagt ten hoogste 10 ohm.
  § 3. De in voorgaande paragraaf vermelde contactoppervlakte mag van 0,5 m2 op 0,125 m2 gebracht worden, wanneer metalen electroden onder de vorm van met kracht in de aarde gedreven palen of buizen worden gebruikt.
  § 4. Wanneer de voorwaarde 3° van § 2 niet kan worden nageleefd om reden van de grote weerstand van de aarde, dan moet de contactoppervlakte met de aarde ten minste verdubbeld worden door toevoeging van een tweede aardverbindingsinrichting, die zich op een voldoende afstand van de eerste bevindt.
  Deze vereiste mag in de laagspanningsinstallaties door de volgende vervangen worden: de installatie is beschermd door een automatische aardstroomschakelaar met differentiële inrichting van hoge gevoeligheid (nominale uitschakelstroom kleiner dan of gelijk aan 30 mA); deze automatische stroomschakelaar mag eveneens vervangen worden door een gelijkaardige minder gevoelige stroomschakelaar, op voorwaarde dat het produkt van zijn nominale uitschakelstroom met de aardingsweerstand van de te beschermen toestellen 50 V niet overtreft in de droge en niet geleidende plaatsen en 24 V in de vochtige of geleidende plaatsen.
  § 5. Een aardverbinding wordt "beveiligingsaardverbinding" genoemd, wanneer deze door middel van een aardgeleider verbonden is met de massa's, omhulsels en andere metalen onderdelen, waarvoor de aarding is voorgeschreven bij deze afdeling, alsmede met de secundaire ketens en nulpunten van de meettransformatoren.
  § 6. Een aardverbinding wordt "exploitatieaardverbinding" genoemd, wanneer ze bestemd is voor de aarding van het nulpunt van de vermogentransformatoren, overspanningsafleiders of bliksemafleiders.
  § 7. De ondergrondse metalen buizen van een privaat waterdistributienet, alsmede de grote metalen geraamten die in verbinding staan met de aarde mogen als beveiligingsaardverbinding worden gebruikt voor de wisselstroominstallaties met lage of gemiddelde spanning, niettegenstaande de bepalingen van § 2.
  § 8. De beveiligings- en de exploitatieaardverbindingen moet gescheiden zijn; ze mogen nochtans samen aangesloten worden wanneer de verspreidingsweerstand van de aardverbinding ten hoogste 1 ohm bedraagt.
  § 9. Het is eveneens verplicht afzonderlijke beveiligingsaardverbindingen in te richten voor installaties of gedeelten van installaties met lage of gemiddelde spanning enerzijds, en hoge spanning anderzijds; een enkele aardverbinding mag nochtans gebruikt worden wanneer de verspreidingsweerstand van de aardverbinding minder bedraagt dan 10 ohm.
  § 10. De ontladingslampen van alle categorieën, alsmede alle andere gebruikstoestellen die gevoed worden door een laagspanningsnet zijn gelijkgesteld met laagspanningsinstallaties, wat hun aarding betreft.
  § 11. De aardgeleider heeft een doorsnede van ten minste 16 mm2 wanneer hij dienst doet als beveiligingsgeleider van een hoogspanningsinstallatie of wanneer hij bestemd is om het nulpunt van de laagspanning van een vermogentransformator te aarden.
  § 12. Bij de hoogspanningsborden mag de massa der meettransformatoren nochtans met de hoofdaardgeleider verbonden worden door middel van een verbinding waarvan de doorsnede ten minste gelijk is aan die van de geleider die de energie naar de spanningsreductors toevoert, of aan die van de laagspanningsgeleider voor de intensiteitsreductors, zonder dat die doorsnede minder dan 6 mm2 is noch groter moet zijn dan 16 mm2.
  § 13. Anderzijds is de doorsnede van de aardgeleider voor de aarding van de secundaire ketens van de meettransformatoren ten minste gelijk aan de doorsnede van de secundaire wikkeling, zonder dat zij kleiner dan 2,5 mm2 mag zijn.
  § 14. Bij de elektrische installaties van lage of gemiddelde spanning wordt de minimumdoorsnede aangeduid in de hieronderstaande tabel:
  Doorsnede van fasegeleiders die de toestellen voeden:
  S (mm2)
  S < of = 16
  16 < S < of = 35
  S > 35
  Minimumdoorsnede van de aardgeleider: Sp (mm2)
  (Die doorsneden zijn die welke toegelaten zijn voor de koperen geleiders. Voor de geleiders die uit een ander metaal zijn samengesteld, worden de doorsneden zodanig bepaald dat een gelijkwaardige geleidbaarheid wordt bekomen als die welke voortvloeit uit de toepassing van de tabel.
  De aardgeleiders zijn uit hetzelfde metaal samengesteld als de aktieve geleiders).
  Sp = S
  (Indien de aardgeleider geen deel uitmaakt van de voedingsleiding (buis of kabel), dan is Sp ten minste gelijk aan 2,5 m2, wanneer de aardgeleider voorzien is van een mechanische bescherming, en aan 4 mm2, indien die mechanische bescherming ontbreekt).
  Sp = 16 mm2
  Sp = S/2
  (Sp mag de genormaliseerde doorsnede zijn die onmiddellijk onder S/2 gelegen is).
  § 15. De aarding van andere metalen stukken zoals stutten of leuningen wordt verwezenlijkt door middel van een koperen aardgeleider met een minimumdoorsnede van 2,5 mm2, wanneer hij voorzien is van een mechanische bescherming, of van 4 mm2, indien deze mechanische bescherming ontbreekt.
  § 16. De aardgeleiders mogen dezelfde leidingen gebruiken als de energiegeleiders die een elektrische installatie of een elektrisch toestel voeden.
  § 17. De geisoleerde aardgeleiders die wel of niet deel uitmaken van een voedingsleiding van een toestel zijn gekenmerkt door de groen-gele kleurencombinatie; deze kleurencombinatie moet uitsluitend gebruikt worden voor de aarding.
  § 18. De kopermantel van de leidingen met minerale isolatie en de koperen draden die langs de pantsering van sommige kabels lopen mogen eveneens als aardgeleider gebruikt worden op voorwaarde dat ze de in de tabel van § 14 opgelegde doorsneden hebben.
  § 19. De hieronder vermelde bepalingen moeten niet nageleefd worden in de elektrische installaties die vóór 1 januari 1972 in dienst zijn gesteld:
  - de voorwaarde 3 van § 2, indien de bepalingen van § 3, niet ingeroepen worden.
  - de § 8;
  - de waarden bepaald in de tabel van § 14 voor de doorsneden van de aardgeleider, wanneer de opgelegde doorsneden groter zijn dan 6 mm2; in die gevallen moet de doorsnede van de aardgeleider ten minste gelijk zijn aan 6 mm2;
  - § 17 betreffende de kleuren van de aardgeleiders.
  Zij zijn echter wel van toepassing op de wijzigingen en uitbreidingen, die gebeuren na 1 januari 1972, aan installaties die voor deze datum in dienst zijn gesteld.

  Onder spanning staande genaakbare geleiders en toestellen.

  Art. 189. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Worden aangezien als genaakbaar, al de geleiders en toestellen die, zonder speciale middelen, kunnen worden aangeraakt van op de grond, van op de daken, balkons, vensters, vervoermiddelen, werkvloeren, dienstbruggetjes en andere plaatsen, waar personen kunnen werken, verblijven of voorbijgaan.

  Geisoleerde, blanke, beschermde, ingesloten of gepantserde stukken.

  Art. 190. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) "Geisoleerd" worden genoemd de delen onder spanning die helemaal omgeven zijn met een vast of vloeibaar diëlectricum dat een isoleringsvermogen biedt dat past bij de te voorziene maximum bedrijfsspanning.
  "Blank" worden genoemd de delen onder spanning die aan deze voorwaarde niet voldoen.
  "Beschermd" worden genoemd de blanke of geisoleerde delen onder spanning die, op bestendige wijze, tegen toevallige aanraking beschut zijn door een metalen of ander omhulsel, of dit vol weze of niet.
  ("Ingesloten") worden genoemd de blanke of geisoleerde delen onder spanning die op bestendige wijze, tegen toevallige aanraking beschut zijn door een, al dan niet vol, geaard metalen omhulsel.
  "Gepantserd" worden genoemd de blanke of geisoleerde delen onder spanning die tegen elke aanraking beschut zijn door een vol, onvervormbaar, geaard metalen omhulsel.

  B. Gevaar voor aanraking.
  De voorschriften van de artikels 191, 192, 193, 194 zijn samengevat in de onderstaande tabel: <Niet opgenomen>

  Open lokalen.

  Art. 191. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de open lokalen worden:
  a) de genaakbare blanke delen onder laagspanning beschermd;
  b) de genaakbare of ongenaakbare blanke delen onder hoge of gemiddelde spanning gepantserd;
  c) de genaakbare geisoleerde delen onder gemiddelde spanning beschermd en de genaakbare geisoleerde delen onder hoge spanning gepantserd;
  d) de ongenaakbare geisoleerde delen onder hoge spanning ingesloten.

  Bewaakte lokalen.

  Art. 192. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de bewaakte lokalen worden:
  a) de genaakbare blanke delen onder lage of gemiddelde spanning beschermd;
  b) de genaakbare of ongenaakbare blanke delen onder hoogspanning gepantserd;
  c) de genaakbare geisoleerde delen onder gemiddelde spanning toegelaten, op voorwaarde de afstanden te eerbiedigen voorzien onder a) van artikel 193 voor de blanke laagspanningsdelen; die afstanden moeten niet in acht genomen worden wanneer de delen beschermd zijn;
  d) de genaakbare geisoleerde hoogspanningsdelen ingesloten.

  Gewone lokalen van de elektriciteitsdienst.

  Art. 193. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de gewone lokalen van de elektriciteitsdienst:
  a) mogen de delen onder lage of gemiddelde spanning blank blijven, op voorwaarde dat ze, in hun ongunstigste stand, nog ten minste 2m50 hoger liggen dan de vloeren waarop het verkeer plaats heeft. Ze mogen eveneens blank blijven, op welke hoogte boven de vloer ze ook liggen, indien de verkeersdoorgangen een horizontaal gemeten afstand bieden van ten minste:
  0m75 tussen blanke laagspanningsdelen in hun ongunstigste stand en de tegenoverstaande wand;
  1m25 tussen blanke delen onder gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand en de tegenoverstaande wand;
  1m25 tussen blanke laagspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
  2m00 tussen blanke delen onder gemiddelde spanning en blanke delen onder laagspanning, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
  2m50 tussen blanke delen onder gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang.
  Die afstanden moeten niet in acht genomen worden indien de delen beschermd zijn;
  b) worden de blanke hoogspanningsdelen ingesloten;
  c) worden de genaakbare geisoleerde delen onder gemiddelde spanning toegelaten, op voorwaarde daarbij de afstanden in acht te nemen voorzien onder a) voor de blanke laagspanningsdelen; die afstanden moeten niet geëerbiedigd worden indien de delen beschermd zijn;
  d) worden de genaakbare geisoleerde hoogspanningsdelen ingesloten.

  Gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst.

  Art. 194. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst:
  a) mogen de delen met lage of gemiddelde spanning blank blijven, op voorwaarde dat ze, in hun ongunstigste stand ten minste 2 meter hoger liggen dan de vloeren waarop het verkeer plaats heeft; die afstanden moeten niet geëerbiedigd worden zo de stukken beschermd zijn;
  b) mogen de hoogspanningsdelen blank blijven, op voorwaarde dat ze, in hun ongunstigste stand, ten minste 2m50 hoger liggen dan de vloeren waarop het verkeer plaats heeft; die hoogte wordt met 1 centimeter vermeerderd voor elke kilovolt boven 20 kilovolt van de nominale bedrijfsspanning tussen phasen; die afstanden moeten niet geëerbiedigd worden indien de delen ingesloten zijn ;
  c) mogen de delen onder lage, gemiddelde of hoge spanning, eveneens blank blijven, indien de verkeersdoorgangen een horizontaal gemeten afstand bieden van minstens:
  0m70 tussen blanke laagspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, en de tegenoverstaande wand;
  1m20 tussen blanke delen onder gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand, en de tegenovergestelde wand;
  1m50 tussen blanke hoogspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, en de tegenoverstaande wand;
  1m00 tussen blanke laagspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
  1m50 tussen blanke laagspanningsdelen en blanke delen onder gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
  2m00 tussen blanke laagspanningsdelen en blanke hoogspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
  2m00 tussen blanke delen met gemiddelde spanning, in hun ongunstigste stand, aan weerskanten van een doorgang;
  2m25 tussen blanke delen met gemiddelde spanning en blanke hoogspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerszijden van een doorgang;
  2m50 tussen blanke hoogspanningsdelen, in hun ongunstigste stand, aan weerszijden van een doorgang.
  Die afstanden moeten niet geëerbiedigd worden indien de delen met lage of gemiddelde spanning beschermd zijn en indien de hoogspanningsdelen ingesloten zijn;
  d) zijn de genaakbare geisoleerde hoogspanningsdelen toegelaten, op voorwaarde dat de afstanden geëerbiedigd worden, voorzien onder c) voor de blanke delen onder gemiddelde spanning; die afstanden moeten niet in acht genomen worden, indien die delen ingesloten zijn;
  e) moeten de blanke delen onder spanning zich niet op de in de voorgaande alinea's voorziene afstanden bevinden, indien ze beschermd zijn (bijvoorbeeld door traliewerk, cellen met deuren, enz.).
  De hoogte van het traliewerk of der sluitingsdeuren van de cellen mag niet minder zijn dan 1m50 boven de vloer dienende tot het verkeer.
  Tussen een gesloten cel en de tegenovergelegen wand is de vrije doorgangbreedte minstens 0m75. Die breedte wordt op minstens 1 meter gebracht, wanneer de gesloten cellen aan weerskanten van de doorgang zijn aangebracht.

  Inrichting en verlichting der gewone en der gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst.

  Art. 195. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De gewone en de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst worden in dier voege ingericht en verlicht dat het mogelijk is er heen en weer te gaan en er de dienst te verzekeren, zonder zich bloot te stellen aan toevallig contact met onder spanning staande delen.
  Enkel de onvermijdelijke water-, gas-, ventilatie- en verwarmingsleidingen worden in de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst die hoogspanningstoestellen bevatten toegelaten.

  Aardverbinding.

  Art. 196. <KB 26-02-1971, art. 2> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de laag-, middel- of hoogspanningsinstallaties, zijn alle metalen stukken die deel uitmaken van elektrische machines, lijnen of toestellen, hetzij als geraamte, hetzij als beschuttende bekleding of nog als stutten en als leuningen, met de aarde verbonden, volgens de voorwaarden vermeld in artikel 188, wanneer ze niet bestemd zijn om normaal onder spanning te staan.
  Deze bepaling is niet van toepassing:
  1. op de vaste toestellen en op de beweegbare toestellen met vaste standplaats voor huishoudelijk gebruik die met laagspanning gevoed worden, opgesteld in droge niet geleidende plaatsen, wanneer zij zich bevinden op meer dan 1,25 m van elk geleidend element waarvan men niet met zekerheid weet dat het van de aarde geisoleerd is;
  2. op de metalen delen van de verlichtingstoestellen met gloeilampen of op de installaties van ontladingslampen van categorie A, voor zover zij normaal niet toegankelijk zijn:
  3. op sommige toestellen of onderdelen, vermeld in deze afdeling, waarvoor de aarding niet verplicht is;
  4. op de metalen gedeelten van de steunen van de bovengrondse laagspanningslijnen.
  5. op sommige toestellen waarvan de goede werking niet samengaat met hun aarding, voor zover maatregelen genomen zijn om te voorkomen dat gevaarlijke spanningen bij aanraking kunnen ontstaan.
  De aarding der metalen delen van de draagstangen der ontladingslampen is niet vereist indien de lampen niet op een metalen onderstel geplaatst zijn en de draagstangen rechtstreeks bevestigd zijn op voor de elektriciteit slecht geleidende stoffen zoals metselwerk, beton of gelijkaardig materiaal.
  Door draagstangen verstaat men de stangen of ringen die de lampen of buizen vasthouden, andere dan deze die de stukken houden dienende tot de voeding van de lampen.
  Bij de installaties onder lage of gemiddelde spanning, is het niet nodig een bijzondere aarddraad te gebruiken, zoals bepaald in artikel 188, indien die metalen delen, zonder tussenplaatsing van isoleermateriaal, bevestigd zijn op metalen geraamten die zelf geaard zijn of uit zichzelf een goed geleidingsvermogen met de aarde hebben.

  C. Verhittingsgevaar.

  Doorsnede van de geleiders.

  Art. 197. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De doorsnede van de elektrische geleiders is zo dat de maximumstroom, voorzien in normaalbedrijf, in bedoelde geleiders nooit een temperatuurverhoging veroorzaken kan die gevaarlijk is voor de bewaring hunner isoleringen of voor welke stoffen ook die zich in hun nabijheid bevinden.
  De keuze van de afmetingen en het plaatsen van deze geleiders zal zo gebeuren dat ze steeds een voldoende mechanische weerstand behouden, de belastingen waaraan ze onderhevig zijn in aanmerking genomen.

  Automatische schakelaars en smeltzekeringen.

  Art. 198. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De elektrische lijnen alsmede al de stroomkringen van de machines en transformatoren of andere ontvangtoestellen dienen verplichtend beschermd tegen een abnormale verhoging van de stroom door middel van automatische schakelaars of door smeltzekeringen.
  Dit voorschrift is niet toepasselijk:
  a) op de opwekkingsstroomketens van de generators en motoren;
  b) op de stroomketens van de rotors der wisselstroommotoren;
  c) op de neutraalgeleider in de stelsels waar zulke geleider aanwezig is;
  d) op de wisselstroomdynamo's beschermd tegen gevaarlijke stroomverhogingen door middel van bijzondere constructieschikkingen of door speciale toestellen.

  D. Toegelaten spanningen binnen open lokalen en bewaakte lokalen.

  Art. 199. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) 1° [Binnen de open en de bewaakte lokalen is alleen de laagspanning toegelaten voor de voeding van de stroomketens voor verlichting, verwarming, drijfkracht en de in artikel 216 bedoelde draagbare toestellen.
  De gemiddelde en hoge spanning zijn toegelaten aan de klemmen van de ontladingslampen; de hulptoestellen van deze lampen echter, die ook de transformatoren omvatten, moeten door laagspanning gevoed worden.
  2° Nochtans is, binnen de bewaakte lokalen, de gemiddelde spanning toegelaten voor de voeding van vaste nijverheidstoestellen en van niet draagbare beweegbare toestellen.] <KB 11-12-1958, art. 3>
  3° (De hoogspanning mag eveneens in de bewaakte lokalen worden toegelaten voor de voeding van de elektromotoren en de vermogentransformaten, alsmede aan de klemmen van de elektrische generatoren, onder voorbehoud van de naleving van de volgende voorwaarden:
  1. De voedingsspanning tussen de fazen mag niet meer dan 20 000 volt bedragen.
  2. De minimumbeschermingswijze van de motoren en generatoren bedraagt P 3x volgens de norm NBN 197.
  3. De motoren of generatoren zijn van op een afstand bediend, zoniet mogen het in werking brengen en het stilleggen van de machines slechts toevertrouwd worden aan gevolmachtigde personen, met de nodige bevoegdheid.
  4. Berichten die in de nabijheid van de bedieningsplaatsen zijn uitgehangen houden het verbod in de bediening door onbevoegde personen te laten uitvoeren.
  De hoogspanning is bovendien toegelaten in de bewaakte lokalen waar verf of enige andere bedekking wordt aangebracht door middel van elektrostatische procédés. De gebruikte installaties moeten in dit geval aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1. Indien het een automatische installatie betreft:
  a) is de kortsluitingsstroom van de generator beperkt tot 4 mA;
  b) bevinden de toestellen zich in een gesloten lokaal met doeltreffende verluchting;
  c) mag de installatie slechts onder spanning staan wanneer de verluchting verzekerd is en de deur van het lokaal gesloten is; de spanning wordt bij het ontstaan van een vonk onmiddellijk onderbroken.
  2. Indien het een installatie betreft met een pistool dat met de hand wordt bediend:
  a) is de kortsluitingsstroom van de generator beperkt tot 0,7 mA;
  b) mag de door de generator geleverde energie 300 mJ niet overtreffen;
  c) mag de energie die door de elektroden van het pistool geleverd wordt 0,25 mJ niet overtreffen. De spanning van de elektroden moet nul benaderen wanneer ze bij een geaard voorwerk worden gebracht en moet deze grens bereiken van zodra de equipotentiële verbinding met de aarde verwezenlijkt is;
  d) is het handvat van het toestel voorzien van een schakelaar om de elektroden onder spanning te brengen; dit handvat moet uit metaal zijn en geaard.) <KB 26-2-1971, art. 3>

  E. Isolering van laagspanningsbinneninstallaties.

  Art. 200. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De totale isoleerweerstand van een laagspanningsinstallatie, ten opzichte van de aarde, dient te allen tijde 25.000 ohms te overtreffen, zonder dat de weerstand van iedere stroomkring, in ohms uitgedrukt, minder mag zijn dan duizendmaal de spanning tussen de geleiders van het net uitgedrukt in volt ((220 volt): 220.000 ohm). Uitzondering wordt gemaakt voor de voedingsstroomkringen aangebracht in badkamers en stortbadzalen, in vochtige, natte of door geleidende vochten doordrongen lokalen of waarin zich bijtende dampen ontwikkelen die in de hiernavermelde artikelen 248, 249 en 250 worden bepaald. Die stroomkringen mogen worden uitgeschakeld op het ogenblik van het meten van de totale isolatieweerstand der installatie; nochtans mag de isolatieweerstand van ieder dezer stroomkringen niet minder dan 25.000 ohm bedragen. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>
  Het meten van de isolatieweerstand geschiedt minstens onder bedrijfsspanning en met een minimum van 100 volt.

  F. Isolering van laagspanningsbuiteninstallaties.

  Art. 201. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De voorschriften van artikel 200 betreffende de voedingsstroomkringen aangebracht in vochtige of natte lokalen zijn ook toepasselijk op laagspanningsbuiteninstallaties.

  II. Generators, motors en transformators.

  Bescherming tegen contact en verhittingsgevaar.

  Plaats waar de machines dienen opgesteld.

  Art. 202. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De generators, transformators en motors, alsmede hun toebehoren, dienen in dier voege aangebracht en in stand gehouden, dat ze op een voldoende afstand van alle brand- en ontplofbare stoffen verwijderd zijn ten einde brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen, zelfs bij toevallige verhitting of nog een abnormale vonkenvoortbrengst.

  Statische transformators onder hoogspanning of gemiddelde spanning.

  Art. 203. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De statische transformators onder hoogspanning of onder gemiddelde spanning, met uitzondering van de meettransformators, zijn voorzien van een met de aarde verbonden metalen bekleding.
  De secundaire ketens van de transformators der meettoestellen worden geaard. Ingeval echter die transformators relais voeden, moeten de secundaire ketens niet noodzakelijk rechtstreeks met de aarde verbonden worden, indien die secundaire ketens van overspanningsveiligheden voorzien zijn.
  De aansluitingen met elke hoogspannings- of gemiddeldespanningstransformator zijn voorzien van de uitschakelingstoestellen nodig voor het verbreken op een zichtbare wijze, zowel van de primaire als van de secundaire ketens. Dit voorschrift geldt niet:
  a) voor de transformator die een groep vormt met een andere machine. In dat geval mogen de uitschakelingstoestellen tussen de transformator en de machine waarmede hij een groep vormt, wegvallen;
  b) voor de transformators der meettoestellen;
  c) (voor de secundaire stroomketen van de transformatoren tot voeding der ontladingslampen en van de transformatoren met een vermogen van maximum 500 VA.) <KB 11-12-1958, art. 5>
  Bij transformators die parallel moeten werken en waarvan de laagspanningnulleiders onderling verbonden en niet geaard zijn, moeten de uitschakelaars tegelijk de nulleiding en de phasen verbreken.

  III. Toestellen.

  A. Schakelborden.

  Algemene bepalingen.

  Art. 204. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De dwarsstang tot verbinding van de messen der schakelaars welke vooraan op het schakelbord zijn geplaatst, wordt uitsluitend uit een isolerende stof vervaardigd.

  Minimumafstand in de lucht tussen de oppervlakten van blanke delen onder hoogspanningswisselstroom, of tussen die oppervlakken en de massa (Is niet van toepassing op de blanke delen der gepantserde toestellen).

  Art. 205. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst, die tegen weersinvloeden beschut zijn, bedraagt de voorgeschreven afstand in de lucht de vlakken van blanke delen onder hoge wisselspanning of tussen die vlakken en de massa ten minste 50 millimeter. Hij wordt vermeerderd met 6,75 millimeter per kilovolt of breuk van kilovolt van de nominale bedrijfsspanning tussen phasen. Nochtans is deze regel slechts toepasselijk tot aan de spanning van 100 kilovolt. (De aldus berekende afstand moet eventueel verhoogd worden om met de bijzondere omstandigheden der installaties rekening te houden)
  Over het algemeen wordt de nominale bedrijfsspanning tussen phasen vastgesteld naar de aanduidingen van de in artikel 255 omschreven herkomstplaten der generators, der motoren en der transformators. Bij een eenvoudige groepschakelpost wordt die spanning vastgesteld naar de aanduidingen van de herkomstplaten van de naastbij gelegen transformatiepost.
  De minimum-afstand wordt voorgeschreven:
  a) tussen de oppervlakken der blanke delen onder spanning en de massa;
  b) tussen de oppervlakken der blanke delen onder spanning, die tot verschillende phasen behoren;
  c) tussen de oppervlakken der blanke delen van een zelfde phase die in open stand gescheiden zijn.
  Aan de bevestingspunten wordt de afstand in de lucht gemeten volgens de kortste weg, om de isolatoren heen.
  Voormelde minimum-afstand tussen de oppervlakken der blanke delen onder spanning en de massa mag met 20 t.h. verminderd worden, in de volgende gevallen:
  a) wanneer de uitrusting der borden verbonden is met een bovengrondse lijn of een bovengronds net, waarvan de nominale bedrijfsspanning tussen phasen groter is dan 50 kilovolt en waarvan het nulpunt rechtstreeks en op bestendige wijze geaard is;
  b) wanneer de uitrusting der borden verbonden is met een kabel of met een net van ondergrondse kabels, waarvan de nominale spanning tussen phasen groter is dan 25 kilovolt.

  Materialen.

  Art. 206. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De panelen, lessenaars of andere draaginrichtingen, waarop de toestellen voor bedienings-, voorzienings-, veiligheids- of meetdoeleinden bevestigd zijn, moeten uit onbrandbaar materiaal vervaardigd zijn. Het is evenwel toegelaten hout te gebruiken voor het vervaardigen der bedieningsstangen, isoleerstoeltjes, telefoontoestellen en voor dragers van elementen en accumulatoren.
  De gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst waarin de toestellen onder hoge of onder gemiddelde spanning geborgen worden, moeten met onbrandbare materialen gebouwd worden; het is nochtans toegelaten, bij het bouwen van die lokalen, hout te gebruiken voor de vloeren, deuren, vensters en daken.
  Het is verboden in de nabijheid der borden voor hoge of gemiddelde spanning enige opslag van brandbare stoffen aan te leggen.

  Verbindingen.

  Art. 207. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De schakelborden worden in dier voege aangebracht, dat de verbindingen der geleiders onderling en met de toestellen gemakkelijk kunnen worden nagezien.
  De bedrijfsspanning wordt op zichtbare wijze vermeld.
  Door middel van duurzame aanwijsplaten worden de hoofdstroomkringen nauwkeurig aangeduid.

  B. Stroomafneming.

  Art. 208. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In geval van hoogspanning belet een meerpolige schakelaar automatisch, de contactstop onder stroom in te steken of uit te trekken.
  Bij installaties onder gemiddelde spanning moet er een meerpolige uitschakelaar zijn om, tijdens het insteken of uittrekken van de contactstop, de contactbuisjes buiten spanning te kunnen stellen.
  Dit voorschrift is echter niet van toepassing op de contacten en stoppen voor synchronisatie van voltmeters of meettoestellen.

  C. Schakelaars, commutators.

  Bouw.

  Art. 209. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De platen- en voetstukken van de schakelaars en commutators bestaan uit isolerend, ontbrandbaar en niet-hygroscopisch materiaal. De schakelaars en de commutators snijden in dier voege de stroom af, dat de verbreking onder bedrijfsspanning verkregen wordt zonder een blijvende lichtboog te verwekken.

  Schakelaars.

  Art. 210. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Over het algemeen zijn de schakelaars meerpolig; nochtans is het toegelaten eenpolige schakelaars te gebruiken:
  a) bij laagspanningsstroomkringen, die uitsluitend verlichtings-, verwarmings- of huisdrijfkrachttoestellen voeden;
  b) in stroomkringen voor toevoer naar de voedingskabels voor elektrische gelijkstroomstractie, welke door middel van een met de aarde verbonden pool werkt.
  (Het gebruik van meerpolige schakelaars is evenwel verplicht in de laagspanningsstroomketens die dienen tot de voeding der spanningsopvoeringstransformatoren van de installaties van ontladingslampen van de bij artikel 247 bepaalde categorieën B en C.) <KB 11-12-1958, art. 6>

  Uitschakeling van neutrale geleiders en van aardleidingen.

  Art. 211. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Buiten de lokalen van de elektriciteitsdienst, moeten de neutrale leidingen en de aardleidingen niet gemakkelijk kunnen worden uitgeschakeld ofwel mogen ze slechts gelijktijdig met de andere leidingen kunnen worden uitgeschakeld.

  Reglementaire aanduidingen.

  Art. 212. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De hoogspannings- of gemiddelde spanningsschakelaars en commutators zijn voorzien van een toestel, dat duidelijk aanduidt of ze zich in de stand van inschakeling of van verbreking van de stroom bevinden.
  De nominale waarden van de spanning en van de stroom waarvoor die toestellen berekend zijn, worden op de schakelaars en commutators vermeld.

  D. Smeltzekeringen.

  Werkingsvoorwaarden.

  Art. 213. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De werking van de smeltzekeringen moet geschieden onder bedrijfspanning, zonder gevaarlijke vonkspatting, noch voortbrenging van een blijvende lichtboog, onder een stroom, waarvan de sterkte het dubbel van de nominale stroomsterkte niet overtreft. De nominale waarde van de stroomsterkte wordt op elke smeltzekering vermeld.

  IV. Ontladingslampen, licht-, verwarmings- en drijfkrachttoestellen. <KB 11-12-1958, art. 4>

  Hangtoestellen.

  Art. 214. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Wanneer de leidingen terzelfdertijd dienen als hangdraad, mogen de aansluitpunten met de lampen, lantaarnen of plafondrozetten aan geen trekkracht blootgesteld zijn.
  De opgehangen lichttoestellen worden in dier voege geplaatst, dat de stroomgeleiders niet kunnen beschadigd worden noch door draaiing, noch door enige andere verplaatsing van die toestellen.

  Gebruik van sommige lamphouders met Edison-schroefdraad.

  Art. 214bis. <KB 25-01-1968, art. 1> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De lamphouders met Edison-schroefdraad van de types E 14 en E 27 die in gebruik worden gesteld vanaf 1 maart 1969 moeten van een model of van een type zijn dat goedgekeurd is door de Minister van Economische Zaken overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 december 1967 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke de lamphouders met Edison-schroefdraad moeten bieden en moeten, op een zichtbare zijde, de voorgeschreven aanduidingen dragen.
  Dit artikel is echter niet van toepassing op de lamphouders voor bijzondere doeleinden, bijvoorbeeld voor kerstboomverlichting, lichtreclames, toneel- en illuminatieverlichting en op de bijzondere lamphouders voor verwarmingstoestellen, enz.
  Een lamphouder die uit het armatuur genomen niet meer als lamphouder bruikbaar is wordt niet geacht onder het toepassingsgebied van dit artikel te vallen.

  Verbod van verlichting met lampen aangebracht op stroomkringen met hoogspanning of gemiddelde spanning.

  Art. 215. <KB 11-12-1958, art. 7> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de lokalen van alle categorieën is het verboden verlichtingstoestellen en installaties van ontladingslampen te plaatsen op stroomketens van gemiddelde of hoge spanning. Zijn nochtans toegelaten:
  a) de spanningsverkliklampen. Deze lampen dienen onttrokken te zijn aan elke toevallige aanraking;
  b) de installaties van ontladingslampen die beantwoorden aan de voorschriften van deze afdeling.

  Draag- en beweegbare toestellen gevoed door soepele geleiders.

  Art. 216. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Een door een soepele leiding gevoed toestel wordt aangezien als draagbaar, wanneer het, voorzien van zijn elektrische uitrusting, in de hand gehouden wordt of kan worden, terwijl het werkt. (Voorbeeld: handlamp, schuiflamp, draagbare boormachine)
  In tegenovergesteld geval wordt het aangezien als beweegbaar.
  Men onderscheidt twee soorten van beweegbare toestellen:
  a) die welke, terwijl ze worden verplaatst, onder spanning zijn of kunnen zijn; (Voorbeeld: boormachine op slede)
  b) die welke, terwijl ze worden verplaatst, niet onder spanning kunnen zijn. (Voorbeeld: railfrees)
  In alle gevallen geschiedt het inleiden van de soepele geleiders door middel van een isolerende nippel in dier voege, dat er voor het beschadigen van die geleiders geen vrees bestaat.
  In alle lokalen worden de draagbare en beweegbare toestellen beschreven onder littera a) beschermd.
  De beweegbare toestellen beschreven onder littera b) zijn onderworpen aan de regelen voor de vaststaande toestellen voorzien in de artikelen 191, 192, 193 en 194.
  (Voor alle gebruik is de massa van de beweegbare en draagbare toestellen en hun metalen beschermingsbekleding met de aarde verbonden; met dit doel omvat de verplaatsbare leiding een speciale geleider die met de aarde verbonden is en waarvan de doorsnede vastgesteld is in artikel 188.
  Uitzondering op deze laatste regel mag worden gemaakt voor de loopbanen en de draagbare toestellen voor huishoudelijk gebruik alsook voor de draagbare werktuigen met elektromotoren van de klasse II die beantwoorden aan de veiligheidsvoorschriften van de norm NBN 605. Nochtans zijn de lampen en toestellen beschermd.) <KB 26-02-1971, art. 4>
  Het is verboden draagbare toestellen en de beweegbare toestellen van een stopcontact (wandtype) te voorzien; ze moeten ofwel een steker hebben, ofwel uitgerust zijn met een soepele geleider, waaraan zich op het einde een steker bevindt.
  (Met uitzondering van de snoeren die er vast aan verbonden zijn en in dit geval niet voorzien zijn van een niet-demonteerbare contactstop of enig ander niet-demonteerbaar aansluitsysteem, moeten de snoeren met aderisolatie van rubber of van polyvinylchloride welke dienen om draag- en beweegbare toestellen te voeden en in gebruik worden gesteld vanaf 1 maart 1969 van een type zijn dat goedgekeurd is door de Minister van Economische Zaken en een aanduiding dragen om melding te maken van deze goedkeuring, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 december 1967 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke de snoeren met aderisolatie van rubber of met aderisolatie van polyvinylchloride moeten bieden.) <KB 25-01-1968, art. 2>

  Brandgevaar.

  Art. 217. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Al de onder spanning staande delen van de verlichtings- en verwarmingstoestellen dienen aangebracht op voetstukken van onbrandbaar en niet-hygroscopisch isoleermateriaal.
  Geschikte inrichtingen verhinderen het vallen van witgloeiende stukjes van de koolspitsen.

  V. Accumulatoren (nijverheidsbatterijen).

  Lokalen.

  Art. 218. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De vaststaande accumulatorbatterijen worden enkel in zulke lokalen van de elektriciteitsdienst geplaatst, die voortdurend en doelmatig worden geventileerd. De vloer van die lokalen bestaat uit ondoordringbare en door electrolyten onaantastbare materialen.

  Plaatsing van de batterijen.

  Art. 219. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De elementen van de batterijen worden van hun draagstellen geisoleerd en deze stellen dienen ook van de aarde geisoleerd.
  De batterijen worden in dier voege geplaatst dat de spanning tussen de naast elkander gelegen uiteinden van twee reeksen elementen geen 600 volt overtreft. Een geisoleerde dienstdoorgang gaat rondom de hoogspanningsbatterijen.
  De grens van 600 volt wordt op 700 volt gebracht voor de in de onderstations aangebrachte batterijen tot voeding van lijnen voor elektrische tractie met gelijkstroom.

  Ontploffingsgevaar.

  Art. 220. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) (Voor de verlichting der accumulatorzalen zijn alleen gloeilampen en de ontladingslampen van de bij artikel 247 bepaalde categorieën A en B toegelaten.) <KB 16-02-1962, art. 1>
  Deze lampen, de lamphouders of de elektroden alsmede de hulptoestellen worden in hermetische armaturen of kasten geplaatst.) <KB 16-02-1962, art. 1>
  Het gebruik van blote vuren of van toestellen, die vonken kunnen teweegbrengen, is in die zalen ondergeschikt aan het in werking brengen van ventilatiemiddelen waardoor alle ontploffingsgevaar wordt vermeden. Dit gebruik is verboden gedurende het laden van de batterijen.

  VI. Installaties.

  A. Bovengrondse lijnen.

  1. Algemene voorschriften.

  Art. 221. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De vertikale afstanden worden vastgesteld in de onderstelling dat de temperatuur + 40° C bedraagt en er geen wind is.

  Stutten(palen, masten, armen, draagijzers, verankeringen, spandraden).

  Art. 222. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de netten met laagspanning en gemiddelde spanning wordt de spandraad alleen toegelaten wanneer hij op een afdoende en duurzame wijze met de aarde is verbonden of wanneer op een hoogte, die niet kan worden bereikt, een isolator is ingeschakeld.
  Voor hoogspanningslijnen is het gebruik van spandraden verboden.
  Voor hoogspanningslijnen worden de metalen delen der steunen, met inbegrip van de wapeningen van gewapendbetonsteunen op doelmatige en duurzame wijze met de aarde verbonden, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van een aardleiding welke aan het boveneind der steunen wordt aangebracht. In dit laatste geval wordt die leiding ten minste om de 500 meter geaard, op voorwaarde dat de afstand tussen twee opeenvolgende steunen niet groter zij dan die lengte. Bedraagt de afstand tussen die steunen meer dan 500 meter, dan wordt de leiding bij elke steun geaard.
  Dezelfde voorschriften zijn van toepassing op de lijnen met gemiddelde spanning op metalen steunen, afzonderlijk geplaatst op een blok van beton of metselwerk. Wanneer de steunen der lijnen met gemiddelde spanning aangebracht zijn op metalen vakwerk met goed geleidingsvermogen naar de grond, of wanneer palen van hout of van gewapend beton gebruikt worden, is men niet verplicht de metalen delen der steunen (dwarsstukken, ijzers en betonwapeningen) te aarden.
  Alle houten palen moeten boomstammen zijn.
  Ze hebben minstens de volgende afmetingen:

  
 Lengte der palenOmtrek aan de top
 M.M.
 80,40
 90,40
 100,41
 10,50,42
 110,42
 120,43
 140,45
 170,45


  Wanneer gebruik wordt gemaakt van een met de aarde verbonden afdalende draad, wordt die draad op een minimumhoogte van 2m50 vanaf de grond beschut. Die beschutting dient nochtans niet aangebracht zo, op de hoogte van 2m50 boven de grond, de bevestigingsmiddelen der aardleiding een genoegzaam weerstandsvermogen bezitten en dicht genoeg bij elkaar staan om het afrukken er van zonder behulp van speciale middelen, moeilijk te maken.
  (De stutten die hoogspannings- en gemiddelde spanningslijnen dragen worden op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond of op minstens 2 meter afstand van de energielijnen voorzien van een inrichting waardoor het beklimmen, zonder speciale middelen, bemoeilijkt wordt. Uitzondering op dit voorschrift kan gemaakt worden voor de gemiddelde spanningsinstallaties, aangelegd in de aanhorigheden der gebouwen en openluchtplaatsen van nijverheidsinrichtingen. (Op elke stut is een waarschuwingsbord voor gevaar voor elektrische spanning aangebracht overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk). Bovendien draagt ten minste een paal op vijf een tweede plaat waarop, rekening houdend met de voorschriften van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de tekst voorkomt : "Draden niet aanraken ook als zij op de grond liggen", "Ne pas toucher aux fils, même tombés à terre" of "Das Berühren der Drähte, auch der zu Boden gefalenen, ist stengstens verboten)) <KB 07-03-1967, art. 1> <KB 19-09-1980, art. 5> <KB 1997-06-17/46, art. 21, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
  Gepaste conserveringsmiddelen worden aangebracht op de stutten om deze tegen de vernielende inwerking van de weersomstandigheden en tegen de vochtigheid van de grond te beschermen, en ten einde de bewaring van hun mechanisch weerstandsvermogen te verzekeren.

  Geleiders.

  Art. 223. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Het gebruik van geleiders, waarvan het bederf de mechanische weerstand kan in gevaar brengen, is verboden.
  De minimumtrekvastheid der geleiders bedraagt 280 kilogram voor laagspanning en 500 kilogram voor hoogspanning en gemiddelde spanning.
  De geleiders en de aardleidingen der hoogspannings- en gemiddelde spanningslijnen bestaan uit kabels van minstens zeven draden. De hoogspannings- of gemiddelde spanningsgeleiders worden in dier voege aan de isolatoren bevestigd, dat ze de mechanische weerstand der geleiders niet schaden.
  De voegen moeten steeds een breukvastheid van minstens 95 t.h. van die der geleiders bezitten.
  De geleiders die op de top van de stutten zijn geplaatst, op vele punten met de aarde zijn verbonden en de lijnen tegen de werking van de atmospherische elektriciteit moeten beschermen, mogen niet uit ijzer zijn vervaardigd, zelfs niet wanneer het gegalvaniseerd is. Een kabel uit gietstaal mag nochtans worden gebruikt indien deze op doelmatige en duurzame wijze tegen atmospherische invloeden beschut is. De kabel heeft ten minste 25 mm2 doorsnede en de diameter der draden is ten minste 2 millimeter. De bevestiging op de top der stutten geschiedt door middel van beugels met afgeronde kanten, derwijze gemaakt dat het ontstaan van galvanische koppels onmogelijk wordt.
  Gegalvaniseerde ijzerdraad van minstens 3 millimeter diameter mag worden gebruikt voor de afleidingen naar de aardplaat der laagspanningslijnen.

  Buitenspanningstellen van de hoogspannings- en gemiddelde spanningslijnen.

  Art. 224. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De bovengrondse hoogspannings- en gemiddelde spanningslijnen worden van de nodige toestellen voorzien om ze spoedig buiten spanning te stellen.
  Ten einde, in geval van noodzakelijkheid, op staande voet het personeel van de exploitant te kunnen verwittigen, worden de lokalen, de kabienen of stutten, die uitschakelingstoestellen bevatten of dragen, voorzien van de nodige aanduidingen en namelijk, van zijn telefoonnummer. In de bebouwde kommen waar de lijn doorheen gaat worden de aanduidingen minstens om de 500 meter herhaald.

  Mechanische stabiliteit.

  Art. 225. <KB 22-01-1957, art. 1> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>)
  (1) De afmetingen van de geleiders, beschermdraden, aarddraden, steunen, verankeringen, draagijzers en van alle onderdelen der lijn worden berekend in verband met de spanningen teweeggebracht door de blijvende belastingen en door de ongunstigste der beide combinaties van toevallige belastingen welke door volgende omstandigheden worden veroorzaakt:
  a) Temperatuur van + 15° C met normale horizontale maximum wind;
  b) Temperatuur van _ 15° C met beperkte horizontale wind.
  In elk geval wordt verondersteld dat de wind uit de ongunstigste richting waait.
  Bij de berekening van de overlangse en dwarse afmetingen van de steunen, verankeringen en draagijzers dient, in voorkomend geval, rekening gehouden met de momenten die zich gelijktijdig volgens de twee symmetrie-assen voordoen.
  (2) Om de globale werking van de wind op de onderdelen van de lijn vast te stellen wordt de formule:
  F = c q A,
  gebruikt, waarin:
  - F de windbelasting in kg' is; (kg' duidt de krachteenheid aan: een kilogram-kracht is gelijk aan 9,80665 N (Newton).)
  - c de gezamenlijke aerodynamische coëfficiënt in de richting van de wind, sleepcoëfficiënt genoemd, waarvan de waarde afhangt van de vorm en soms van de afmetingen van het voorwerp, dat door de wind getroffen wordt;
  - A de oppervlakte in m2 uitgedrukt, der volle stukken welke het onderdeel aan de wind blootstelt loodrecht op de richting waarin deze waait;
  - q de dynamische druk in kg/m2, waarvan de waarde wordt gegeven door de formule:
  q = a v2/2 g
  waarin:
  - a het soortgelijk gewicht van de lucht is, hetzij 1,225 kg'/m2 op 15° C en onder een druk van 760 mm kwik;
  - v de betrekkelijk snelheid van de lucht ten opzichte van het beschouwde voorwerp in m/sec;
  - g de versnelling van de zwaartekracht gelijk aan 9,81 m/sec2.
  (21) De waarden van de in aanmerking te nemen snelheid en dynamische druk worden hierna aangeduid.
  (211) Normale horizontale maximumwind.
  De tabel I, die hier volgt, geeft, in functie van de hoogte boven de grond, de waarden van:
  1. De snelheid van de normale horizontale maximumwind, welke op de windmeters wordt afgelezen en in aanmerking dient genomen bij het ontwerpen van een bouwonderdeel, waarvan de grootste afmeting niet meer dan 1 m bedraagt;
  2. De overeenstemmende dynamische druk q.

                                  TABEL I
                        Hoogte           v        q
                     boven de grond    m/sec    kg'/m2
                        Tot 25 m       34,64      75
                        op  50 m       35,78      80
                        op  75 m       36,88      85
                        op 100 m       37,95      90
                        op 125 m       38,99      95
                        op 150 m       40,00     100
                        op 175 m       40,99     105
                        op 200 m       41,95     110


  Voor de berekening van de winddruk op de steunen, dwarsstukken, isolatoren wordt de werkelijke dynamische druk gelijk aan 0,8 q gekozen.
  Voor de berekening van de winddruk op de geleiders, bescherm- en aarddraden (*), wordt de werkelijke dynamische druk gekozen gelijk aan: ( (*): Voor de geleiders, bescherm- en aarddraden is de in aanmerking te nemen hoogte deze van het bevestigingspunt aan de isolatoren of de steun)
  - 0,7 q voor de overspanningen minder dan 100 m lang;
  - 0,5 q voor de overspanningen meer dan 100 m lang.
  (212) Beperkte horizontale wind.
  Voor de berekening der onderdelen van de leiding (1) is de in aanmerking te nemen werkelijke dynamische druk gelijk aan 0,25 q. <(1) Voor de geleiders, bescherm- en aarddraden is de in aanmerking te nemen hoogte deze van het bevestigingspunt aan de isolatoren of de steun>
  (22) De waarden van de in de formule op te nemen sleepcoëfficiënt c bedragen onderscheidenlijk:
  (221) Geleiders, bescherm- en aarddraden: 1,2 voor de gladde cylindrische draden en 1,45 voor de uit gewrongen draden samengestelde kabels;
  (222) Uit één of twee profielijzers samengestelde palen.
  De waarden van c worden aangegeven in de tabel die hier volgt:

                                     TABEL II
                                        a
                     Grey-             ---         b
                     profielijzer       I 1,57  I      I
                     (a=b)          b   I     a I------I 1,87
                                       ---      I      I
                     Normaal         ---        I      I
                     profielijzer     I         I------I 1,68
                                      I  2,00   I      I
                                     ---
                     Normale        --  --      I     I
                     profielijzers   I  I       I-----I
                                     I  I 1,25          1,51
                                     I  I       I-----I
                                    --  --      I     I


  (223) Masten in metalen vakwerk met vierkante of rechthoekige basis met gelijke tegenover elkaar staande vlakken en samengesteld uit normale profielijzers. De waarde van de sleepcoëfficiënt voor de gehele mast, in de veronderstelling dat de wind loodrecht op het vlak van de mast blaast, wordt aangegeven door de formule:
  c = 3,2 _ 2,8 doorsnede waarin doorsnede = A/A'
  waarbij A de oppervlakte is der volle gedeelten en A' de oppervlakte overeenstemmende met de buitenomtrek van het beschouwde vlak, beide in m2 uitgedrukt.
  Deze coëfficiënt c houdt rekening met de druk van de wind op de 4 vlakken van de mast.
  Bedoelde formule is van toepassing binnen de grenzen:
  0,1 < doorsnede < 0,6
  (224) Palen in metalen buizen met een gemiddelde doormeter van 0,20 m en meer. De waarde van c is gelijk aan 0,5.
  (225) Masten in vakwerk met vierkante of rechthoekige basis met gelijke tegenover elkaar staande vlakken en samengesteld uit metalen buizen. De waarde van c is gelijk aan 7/10 van de waarde geleverd door de formule uit (223) hierboven.
  (226) Betonnen palen minder dan 25 m hoog. De waarden van coëfficiënt c worden verstrekt in de onderstaande tabel III:

                               TABEL III
              Betonpalen                         c-waarden
              Doorsnede                      Wind loodrecht op
                                              het         het
                                            grootste    kleinste
                                              vlak        vlak
       
      Rechthoek zonder uitsparing             1,85        1,40
      Rechthoek met uitsparingen              1,60        1,30
       in het grote vlak
      I-profiel zonder uitsparing             1,60        1,40
      I-profiel met uitsparingen              1,50        1,30
       in het lijf
      Kringvormig, gemiddelde                       0,50
       middelijn  van 0,20 m en                     1,75


  (227) Houten palen met een gemiddelde middellijn van 0,20 m en meer, c = 0,50.
  (3) Bij de berekening wordt gelijktijdig rekening gehouden met:
  a) de door de werking van de wind op de geleiders, beschermdraden, aarddraden, steunen, verankeringen en draagijzers, veroorzaakte spanningen;
  b) de door het trekken der geleiders, beschermdraden en aarddraden veroorzaakte spanningen bepaald onder de hierboven vastgestelde voorwaarden;
  c) het eigen gewicht van de geleiders, beschermdraden, aarddraden, isolatoren, draagijzers en van de steun.
  (4) De verscheidene onderdelen der lijnen worden volgens onderstaande voorschriften vastgesteld:
  (41) De geleiders, beschermdraden en aarddraden worden berekend met een veiligheidscoëfficiënt ten opzichte van de breukbelasting van het beschouwde element gelijk aan 3.
  (42) De stalen steunen worden overeenkomstig onderstaande voorschriften berekend:
  (421) De bij de berekeningen in aanmerking te nemen doorsneden zijn, voor de getrokken of gebogen stukken, de "nuttige" doorsneden, d.w.z. na aftrek van de klinknagel- of boutgaten en, voor de gedrukte stukken, de hieronder in (423) en (424) bepaalde "gereduceerde" doorsneden.
  (422) De toelaatbare spanningen in de stukken van gewalst staal der palen uit enkelvoudig profielijzer en der vakwerkmasten zijn in onderstaande tabel IV aangegeven.

                                TABEL IV
                                                   Toelaatbare
                                                   spanningen
                Staalhoedanigheid                    kg'/mm2
                      -----                            ---
           Staal met een breukvastheid
            tussen 37 en 45 kg'/mm2
            (A 37-staal) :
           Trek-, druk, buiging                       17,0
           Afschuiving                                10,2
           Staal met een breukvastheid
            tussen 52 en 62 kg'/mm2
            (A 52-staal) :
           Trek-, druk, buiging                       26,0
           Afschuiving                                15,6


  (423) De aan niet-excentrische druklasten onderworpen stukken worden zodanig berekend dat de gemiddelde drukspanning of de gereduceerde doorsnede van het stuk de in tabel IV vermelde waarden niet overschrijdt.
  Voor de volle uit gewalst staal vervaardigde staven wordt de verminderingsfactor phi der doorsnede in functie van de slankheid lambda in onderstaande tabel V aangegeven. <De bladspiegel van deze tabel werd om technische redenen aangepast; de formules werden omgezet>

                                     Tabel V
           Slankheidsgraad                Verminderingsfactor
              [lambda]                      voor het staal
                                              A 37-staal
           Lager dan 20 :
                           1
           Tussen 20 en 105 :
    15,784 - 0,0892[lambda]
                               -----------------------
                                         14
           Hoger dan 105 :
                     212.200
                               -----------------------------------------
                               14 (1,516 + 0,0142[lambda]) [lambda] ** 2
       
                                              A 52-staal
           lager dan 20                           1
           Tussen 20 en 105 :
    24,180 - 0,159[lambda]
                               ----------------------
                                         21
           Hoger dan 105 :
                     212.200
                               -----------------------------------------
                               21 (1,516 + 0,0142[lambda]) [lambda] ** 2


  De slankheid lambda van een stuk is gelijk aan de verhouding der aan de knik onderworpen lengte tot de met het beschouwde knikvlak overeenstemmende traagheidsstraal. De gereduceerde doorsnede wordt voor de ongunstigste slankheid berekend.
  Voor de vakwerkmasten mag de slankheid 150 voor de randstaven en 200 voor de andere elementen niet overschrijden.
  (424) Voor de gedrukte stukken samengesteld uit niet aansluitende elementen (vakwerkstukken) wordt de verminderingsfactor phi**e van het gehele stuk, overeenstemmend met de meest ongunstige slankheid bepaald; de bepaling van deze verminderingsfactor phi**e geschiedt volgens tabel V alsof het om een vol stuk ging.
  De gereduceerde doorsnede van het stuk wordt bepaald door de totale doorsnede der samenstellende elementen met de verminderingsfactor van het gehele stuk phi**e en met de individuele verminderingsfactor phi van één der elementen er van te vermenigvuldigen.
  Nochtans, indien de slankheid van een samenstellend element 40 niet overtreft, moet enkel de verminderingsfactor van het gehele stuk phi**e in aanmerking genomen worden.
  (425) Voor de stukken bestaande uit een enkel hoekijzer, is de traagheidsstraal in aanmerking te nemen voor de berekening van de gereduceerde doorsnede, gelijk aan de minimum traagheidsstraal. Nochtans, voor de randstaven in dewelke zich beurtelings op beide flenzen van het hoekijzer vakwerkverbindingsknopen bevinden, mag de met een flens evenwijdige traagheidsstraal aangenomen worden.
  (426) De kniklengte in aanmerking te nemen bij de berekening van de slankheid voor de vaststelling van de gereduceerde doorsnede is, in het geval van vakwerkmasten, de lengte tussen de tegen een vervorming in het vlak beoogd voor het knikken van het beschouwde element verzekerde punten, behalve in geval de uiteinden van de stukken in dit knikvlak ingeklemd zijn, in welk geval men de 8/10 van deze lengte neemt.
  Het kruispunt van een getrokken staaf en van een gedrukte staaf mag beschouwd worden als een tegen een vervorming in het knikvlak verzekerd punt voor zover de kracht waarvoor de getrokken staaf berekend is in absolute waarde ten minste gelijk zij aan de drukkracht, en dat de verbinding op het kruispunt der staven voldoende zij.
  (427) Wanneer een stuk tegelijkertijd gedrukt en gebogen is, moeten de spanningen met hetzelfde teken, voortkomende uit beide effecten, opgeteld worden. In dit geval wordt de drukspanning berekend volgens de gereduceerde doorsnede overeenstemmend met het meest waarschijnlijke knikvlak en de buigspanning vermeerderd om rekening te houden met de zijdelingse knikweerstand van de gedrukte randstaaf.
  De verhogingsfactor der buigspanning wordt gelijk genomen aan:
  1/(1-0,0005 L/iY) <om technische redenen werd deze formule omgezet volgens de FORTRAN-conventie>
  Hierin is:
  L = theoretische lengte van het stuk of afstand van centrum tot centrum der op doeltreffende wijze tegen een zijdelingse vervorming verzekerde punten.
  iy = traagheidsstraal van het gedrukte deel van het stuk genomen ten opzichte van de met het buigvlak evenwijdige as.
  (428) De toelaatbare schuifspanning der bouten en klinknagels beloopt ten hoogste 4/5 der toelaatbare spanning bij enkelvoudige trekkracht.
  De gemiddelde druk op het diametrale contactoppervlak voor de met een dubbele afschuiving belaste bouten en klinknagels is ten hoogste gelijk aan de hierna vermelde waarden:
  - gedraaide klinknagels en bouten: 2,4 maal de hierboven bepaalde schuifspanning;
  - gewone ruwe bouten: 2 maal de hierboven bepaalde schuifspanning.
  Voor de met een enkelvoudige afschuiving belaste bouten worden de hierboven voorgeschreven grenzen voor de gemiddelde druk op het diametrale contactoppervlak met één vijfde verminderd.
  (429) De gelaste verbindingen vertonen, voor de hoogste kracht waaraan zij worden onderworpen, een veiligheidscoëfficiënt met betrekking tot hun breukbelasting, die ten minste 3 bedraagt, wanneer de kracht in het metaal der verbonden staven met één der onder (422) (tabel IV) voorgeschreven toelaatbare spanningen berekend wordt.
  (43) De palen van gewapend beton voldoen aan volgende voorschriften:
  De behoorlijk ingeklemde palen mogen niet breken vooraleer de geleidelijk aangrijpende belasting die er wordt op toegepast een waarde bereikt heeft gelijk aan:
  a) bij gewone palen van gewapend beton:
  1. 2,5 maal de totale belasting wanneer de breuk het gevolg is van het overschrijden van de elasticiteitsgrens van het staal. Deze breuk is gekenmerkt door het ontstaan van steeds groter wordende scheuren in de trekzone;
  2. 3,5 maal de totale belasting wanneer de breuk optreedt door vergruizing van het beton in de drukzone, zonder dat de elasticiteitsgrens van het staal bereikt is geworden;
  b) bij palen van spanbeton:
  2,5 maal de totale belasting.
  Onder totale belasting wordt verstaan de som van de nuttige kopbelasting en van de windkopbelasting, beide beschouwd dezelfde richting en dezelfde zin te hebben.
  De nuttige kopbelasting is één enkele fictieve belasting aangrijpende in het hierna bepaalde fictieve aangrijpingsvlak, die uit oogpunt van het in de bovenste inklemmingsdoorsnede optredende moment, de krachten vervangt welke werkelijk, door tussenkomst van de uitrusting in de gegeven zin en richting op de paal worden uitgeoefend.
  De nuttige in aanmerking te nemen kopbelasting is deze, welke rekening houdt met het grootste traagheidsmoment.
  Bij een symmetrische paal kan deze belasting met dezelfde waarde in de twee tegenovergestelde zinnen aangrijpen. Bij een asymmetrische paal is die waarde verschillend volgens de beschouwde zin. De grootste dezer twee waarden bepaalt de waarde der nuttige kopbelasting van de asymmetrische paal.
  De windkopbelasting in een gegeven richting en zin is één enkele en het hierna bepaalde fictieve aangrijpingsvlak aangrijpende fictieve belasting die, uit oogpunt van het in de bovenste inklemmingsdoorsnede optredende moment, de kracht vervangt welke door de in de gegeven richting en zijn blazende wind op de paal werkelijk wordt uitgeoefend.
  Het fictieve aangrijpingsvlak der kopbelastingen is een 0,30 m onder de kop van de paal gelegen dwarsvlak, waarin voorvermelde krachten geacht zijn aan te grijpen.
  (44) De houten palen worden berekend:
  met een veiligheidscoëfficiënt met betrekking tot de breukbelasting van 3,5, wanneer het laag- of gemiddelde spanningsinstallaties geldt.
  met een veiligheidscoëfficiënt met betrekking tot de breukbelasting van 5, wanneer het hoogspanningsinstallaties geldt, waarvan de nominale spanning, tussen de geleider en de aarde 15 kV of minder bedraagt. De veiligheidscoëfficiënt 5 wordt op 3,5 gebracht voor niet ingedolven houten steunen, welke op ten minste 0,10 m boven de grond gehouden worden door middel van derwijze aangebrachte voetstukken of voeten uit ijzer of gewapend beton, dat het benedendeel der houten steunen verlucht wordt.
  (5) De stabiliteit tegen het omvallen der steunen wordt onderzocht rekening gehouden met het maximum kantelingsmoment en met de voor de stabiliteit voordelige tegenwerkende momenten.
  De tegenwerkende momenten worden bepaald door:
  a) het gezamenlijk gewicht;
  b) de reactie van de grond welke zich tegen het kantelen der funderingen verzet.
  De stabiliteit is de verhouding tussen de som der tegenwerkende momenten en het kantelingsmoment; zij beloopt ten minste 1,25 in de onderstelling van het grootste kantelingsmoment.

  Onbereikbaarheid.

  Art. 226. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De geleiders, de beschermnetten en draden van de bovengrondse lijnen zijn onbereikbaar. Ze worden slechts als dusdanig aangezien, wanneer ze te allen tijde aan de volgende voorwaarden voldoen en dat in al hun gedeelte, die noch beschut, noch met een tegen de weersomstandigheden bestand isoleermiddel bedekt zijn.
  1° Laagspanningsinstallaties
  De laagspanningsgeleiders, de beschermnetten en -draden worden als onbereikbaar beschouwd:
  a) wanneer ze zich bevinden op minstens 6 meter boven het vlak der openbare wegen, waar ze langs lopen, en op ten minste 7 meter boven het vlak der openbare wegen, die ze oversteken (de afstand verticaal gemeten). Wanneer de draagpalen van lijnen langs de openbare weg in taluds (ingraving of ophoging) zijn aangebracht, moeten de geleiders minstens 6 meter boven het punt van indringing van de draagpaal in de grond (de afstand verticaal gemeten), gelegen zijn; daarenboven moeten de geleiders op ten minste vijf meter van de kruinlijn van het talud van een weg in ophoging of op minstens drie meter van gelijk welk punt van het talud van een weg in uitgraving gehouden worden;
  b) wanneer ze zich op minstens 6 meter boven de grond van koeren, tuinen of terreinen bevinden, wanneer zij gespannen zijn (de afstand verticaal gemeten);
  c) indien in de nabijheid van gelijk welk gebouw, ze zich bevinden buiten de profielen van vrije ruimte AB of CD van de hierna volgende schets, te weten, namelijk:
  op minstens 2 meter boven daken, schoorstenen, kroonlijsten, platformen, balkons, dorpels;
  op minstens 1 meter boven de kant der vorstpan van de dakvensters;
  op minstens 0,50 m onderlangs kroonlijsten;
  op minstens 0,30 m onderlangs balkons en loggia's;
  op minstens 1 meter van de balkonleuning;
  op minstens 0,75 m van kroonlijsten, van loggia's van het muurvlak vóór vensters; (Wordt beschouwd als zijnde vóór de vensters, de ruimte begrensd door de omtrek EFGH van bijgaande schets)
  op minstens 0,15 m van de muurvlakken;
  al deze afstanden horizontaal gemeten.
  Voor de aftakkingen zijn bovenstaande voorwaarden van onbereikbaarheid van toepassing; nochtans, wanneer het profiel geen enkel punt heeft waar de afstand tot het vlak der muren 0,15 m bedraagt, mogen de aftakkingen in het profiel onder de kroonlijst dringen, op voorwaarde dat ze ten minste 0,30 m boven de bovendorpel van deuren, vensters en voor het publiek toegankelijke openingen blijven.
  De aftakkingen worden eveneens als onbereikbaar aangezien, wanneer ze zich op ten minste 4 meter boven de stoepen bevinden, buiten het profiel van de rijweg, alsmede in de voor voertuigen ontoegankelijke delen der koeren en tuinen gelegen vóór de gebouwen.
  De bijzondere voorwaarden, vastgesteld voor de aftakkingen, zijn insgelijks van toepassing op de leidingen voor stroomtoevoer naar de toestellen der openbare verlichting.
  2° Gemiddelde spanningsinstallaties, hoogspanningsinstallaties, waarvan de spanning tussen de geleiders en de aarde 15.000 volt of minder bedraagt.
  De minimumafstanden tot de grond, voorzien in a van 1° van dit artikel voor de laagspanningsinstallaties, worden met minstens 1 meter vermeerderd.
  De verticale minimumafstanden tot de gebouwen, voorzien in 1° van dit artikel voor de laagspanningsinstallaties, worden vermeerderd met minstens 1,5 maal het elektrisch zekerheidskwota, zonder dat die vermeerdering minder mag bedragen dan 1 meter. (Het elektrisch zekerheidskwota is de kortste afstand tussen de blanke delen onder spanning en de massa-afstand in de lucht gemeten, langs de normale isolator of de normale keten van isolatoren der lijn)
  De horizontale minimumafstanden tot de gebouwen, voorzien in 1° van dit artikel voor de laagspanningsinstallaties worden vermeerderd met ten minste:
  a) 1,5 maal het elektrische zekerheidskwota, en
  b) de horizontale afwijking der geleiders, berekend in de onderstelling van een vrije slingerbeweging bij een temperatuur van + 15° C en een horizontale winddruk van 60 kilogram per vierkante meter normaal aangegrepen plat vlak. In geen geval mag de totale vermeerdering minder dan 1 meter bedragen.
  Behoudens bijzondere gevallen, zoals centrales, onderstations, eindpunten, is het verboden de steunen der geleiders op de gebouwen te bevestigen.
  Met afwijking van de drie voorgaande alinea's zijn de voorwaarden, in 1° voorgeschreven voor de laagspanningsinstallaties, ook van toepassing op de installaties met gemiddelde spanning, aangelegd op nijverheidsgebouwen en in de aanhorigheden en koeren van die inrichtingen. <De schets waarvan sprake in art. 226, 1°, C, werd om technische redenen niet afgedrukt. U kunt hem vinden in het Belgisch Staatsblad van 4 april 1949>

  Gemeenschappelijke steunen. <KB 22-01-1957, art. 2>

  Art. 227. <KB 22-01-1957, art. 2> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In geval van boven elkaar geplaatste hoog- of gemiddelde spanningslijnen op dezelfde steunen, worden de hoogspanningslijnen op ten minste 1,50 boven de andere lijnen aangebracht.
  Bedoelde hoogspanningslijnen worden volgens een der volgende veiligheidsinrichtingen gemonteerd:
  Inrichting A.
  Iedere geleider wordt op de steun bevestigd door middel van ten minste twee isolatoren, op een voldoende onderlinge afstand om te beletten dat de vlam van een aardingsboog, optredend aan een der isolatoren, er een andere zou kunnen bereiken en daar eveneens een boog doen ontstaan.
  Iedere geleider wordt aan een der isolatoren bevestigd en met ieder der bijkomende isolatoren verbonden door een stuk geleider van dezelfde doorsnede en dezelfde aard, waaraan hij aan weerszijden van het steunpunt aangesloten wordt.
  De bevestiging der geleiders aan de isolatoren en de verbinding der geleiders onderling worden verkregen door bijzondere bevestigingsmiddelen die in staat zijn iedere verschuiving te beletten, zonder daardoor de mechanische weerstand der geleiders te schaden.
  Inrichting B.
  Bij uitrusting van de lijn met isolatoren van het opgehangen type, wordt iedere geleider gehouden door middel van bevestigingsstukken aan de uiteinden van minstens twee isolatorenkettingen, afzonderlijk bevestigd aan de dwarsijzers der steunen.
  Een bretel, gevormd door een geleider van dezelfde doorsnede en dezelfde aard als de voor de lijn gebruikte geleider, wordt door middel van klemmen aan weerszijden van de eindstukken der isolatorenkettingen bevestigd. Die bretel wordt, daarenboven, met de geleider verbonden door een of meer bijkomende klemmen, aangebracht tussen de bevestigingspunten aan de isolatorenkettingen.
  Inrichting C.
  De veiligheidsinrichting B mag vervangen worden door een inrichting bestaande uit een enkele isolatorenketting en een verdubbeling van de geleider door een bretel gevormd door een geleider met dezelfde doorsnede en van dezelfde aard als de voor de lijn gebruikte geleider, en vastgehecht aan weerszijden van het bevestigingspunt van deze laatste aan de isolatorenketting.
  Zowel voor de B _ als voor de C _ inrichting:
  1° moeten de bevestigingsstukken der geleiders aan de isolatoren en de klemmen der bretellen aan de geleiders iedere verschuiving beletten zonder daardoor de mechanische weerstand der geleiders te schaden.
  2° moet de afstand tussen het eindstuk van elke isolatorenketting en de buitenklem der bretel ten minste 0,40 m bedragen.
  In de volgens een der A, B of C inrichtingen aangelegde overspanningen worden de aan de onderkant aangebrachte laag- of gemiddelde spanningslijnen van doelmatige spanningsveiligheden voorzien.
  Ingeval hoog- of gemiddelde spanningslijnen en private telecommunicatielijnen op dezelfde steunen boven elkaar voorkomen, worden de hoog- of gemiddelde spanningslijnen ten minste 1,50 m boven de andere aangebracht.
  De telecommunicatietoestellen worden met de telecommunicatielijnen door middel van bijkomende buiten het bereik van de operateurs gestelde en van doelmatige spanningsveiligheden voorziene transformatoren verbonden.
  Buiten het traject op gemeenschappelijke steunen, worden die private telecommunicatielijnen aangelegd als ondergrondse kabels of volgens de voorschriften van toepassing op de hoog- en gemiddelde spanningslijnen waaronder ze gelegd worden, tenzij, bij de aftakkingspunten in de telecommunicatielijnen buiten het bereik gestelde bijtransformatoren, voorzien van doelmatige spanningsveiligheden, ingeschakeld worden.
  In plaats van bijkomende transformatoren mogen er andere toestellen worden gebruikt, die even veel veiligheid waarborgen.

  Kruisingen.

  Art. 228. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Bij kruising in één spanwijdte of op gemeenschappelijke stutten van hoogspanningslijnen en van lijnen onder lage of gemiddelde spanning of van lijnen onder hoge of onder gemiddelde spanning en van lijnen voor telecommunicatie, moeten de respectieve ligging der geleiders en hun minimumafstanden, vastgesteld in artikel 227, in acht genomen worden. (De boven kruisende lijnen worden volgens één der drie in artikel 227 bepaalde veiligheidsinrichtingen gemonteerd. De gebruikte inrichtingen ter verzekering van de verbinding der geleiders vertonen bestendig een breukvastheid welke deze van de geleider ten minste moet evenaren. De elektrische weerstand per lengte-eenheid van het de verbinding omvattende geleideronderdeel, evenaart, of is kleiner dan deze van de geleider zelf.) <KB 22-01-1957, art. 3>

  2. <KB 22-01-1957, art. 4> Aanvullende voorschriften, toepasselijk op de bovengrondse lijnen waarvan de nominale spanning tussen de geleiders en de aarde 15 kV te boven gaat zonder 30 kV te overschrijden.)

  Art. 229. <KB 22-01-1957, art. 4> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De minimumtrekvastheid der geleiders en de aardleidingen bedraagt ten minste 1.200 kg.
  Indien aardleidingen in staalkabel worden gebruikt, zijn de bij artikel 223 voorgeschreven voorwaarden toepasselijk.
  De minimumdoorsnede wordt echter van 25 mm2 verhoogd tot 35 mm2.
  De steunen bestaan uit palen van metaal of gewapend beton.
  De bij a) van 1° uit artikel 226 voor de laagspanningsinstallaties voorgeschreven minimumafstanden van de grond worden vermeerderd met 1,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer, zonder dat deze vermeerdering minder dan 1 meter mag bedragen. Daarenboven mag bij uitrusting met isolatoren van het opgehangen type de minimumhoogte boven de wegen niet kleiner zijn dan 5 meter in de onderstelling van de door het breken van de onderste geleider in een der aangrenzende overspanningen, teweeggebrachte bijkomende helling der kettingen.
  De minimumafstand tot aan de grond der door de lijnen overspannen koeren, tuinen of terreinen, bedraagt niet minder dan 5 meter (loodrecht gemeten afstand), vermeerderd met 1,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer, zonder dat deze vermeerdering kleiner dan 1 meter mag zijn.
  De bij 1 van artikel 226 voorgeschreven loodrechte minimumafstanden tot aan de gebouwen worden met ten minste 2,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer vermeerderd.
  De bij 1° van artikel 226 voorgeschreven horizontale minimumafstanden tot aan de gebouwen worden vermeerderd met ten minste 1,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer, en de horizontale afwijking der geleiders, berekend in de onderstelling van een vrije slingerbeweging bij een temperatuur van + 15° C en de normale horizontale maximumwind, waarvan de kenmerken in artikel 225 worden opgegeven.
  In geen geval mogen de horizontale of loodrechte afstanden tot aan de gebouwen kleiner dan 3 meter zijn. De minimumafstand van 3 meter wordt op 4 meter gebracht, wanneer de geleiders boven terrassen lopen. Bij uitrusting met isolatoren van het opgehangen type worden de minimumafstanden van 3 of 4 meter bovendien geëerbiedigd, in de onderstelling van breuk van de onderste geleider in een van de aangrenzende overspanningen.
  Het gebruik van gemeenschappelijke steunen voor het aanleggen van lijnen dezer categorie en van laag- of gemiddelde spanningsleidingen is verboden.
  Het gebruik van gemeenschappelijke steunen voor de aanleg van lijnen dezer categorie en van private steunen voor de aanleg van lijnen dezer categorie en van private telecommunicatielijnen is toegelaten onder de bij artikel 227 voorgeschreven voorwaarden, behalve wat de minimumafstand tussen de twee lijnen categorieën betreft dewelke aan de hierna voor de kruising opgelegde voorwaarden moet voldoen.
  Bij kruising met een elektrische lijn van een andere categorie of met een private telecommunicatielijn, worden de lijnen dezer categorie in de kruisingsoverspanning volgens een der drie in artikel 227 bepaalde veiligheidsinrichtingen gemonteerd en op een afstand van ten minste 2,5 maal het elektrisch veiligheidscijfer boven de andere lijnen aangebracht, zonder dat deze afstand kleiner dan 2 meter mag zijn. Indien de lijn met isolatoren van het opgehangen type uitgerust is, mag de factor 2,5 bij uitzondering tot 1,25 verminderd worden, in de onderstelling van breuk van de onderste geleider in een der aangrenzende overspanningen, en de minimumafstand van 2 m verlaagd worden tot 1,50 m.
  (2bis. Aanvullende voorschriften toepasselijk op de bovengrondse lijnen waarvan de nominale spanning tussen de geleiders en de aarde 30 kV overtreft.
  De onder 2° hierboven bepaalde aanvullende voorschriften zijn eveneens toepasselijk op de bovengrondse lijnen waarvan de nominale spanning tussen de geleiders en de aarde 30 kV overtreft.
  Bij gebruik van een der in artikel 227 bepaalde veiligheidsinrichtingen hoeft de in de alinea's 4, 8 en 11 van 2° hierboven voorziene onderstelling van breuk van de onderste geleider in een der aangrenzende overspanningen evenwel niet in aanmerking genomen indien volgende voorwaarden zijn vervuld:
  a) in geval van lijnen waarvan de nominale spanning tussen geleiders en aarde minder is dan of gelijk aan 60 kV, is de doorsnede der geleiders in aluminium-staal gelijk aan of groter dan 100 mm2 en de doorsnede der geleiders in koper gelijk aan of groter dan 70 mm2;
  b) in geval van lijnen waarvan de nominale spanning tussen geleiders en aarde groter is dan 60 kV, is de door der geleiders in aluminium-staal gelijk aan of groter dan 100 mm2;
  c) de isolatiekettingen zijn boven- en onderaan voorzien van een bescherminrichting, ring of hoorn;
  d) de afmetingen der bretel, welke de geleider verdubbelt, beantwoorden aan de in onderstaande tabel vermelde minima: <KB 22-01-1957, art. 4> <De bladspiegel van deze tabel werd om technische redenen aangepast>)

                     Kolom (1) : nominale spanning tussen
                                  geleider en aarde
                     Kolom (2) : nominale spanning tussen
                                  overeenstemmende geleiders
                     Kolom (3) :
    afstand van het eindstuk van
                                 elke isolatorenketting tot aan
                                  de buitenklem der bretel
                     Kolom (4) : afstand van de bretel tot aan
                                  de geleider ter hoogte van de
                                  tang
                                   (1)      (2)    (3)    (4)
                                    V        V      m      m
                                 127500   220000   1,25   0,40
                                  86750   150000   1,00   0,30
                                  63600   110000   0,85   0,25
                                  40500    70000   0,70   0,25



  3. Contactlijnen.

  Art. 229bis. <Ingevoegd bij KB 1991-11-25/51, art. 1; Inwerkingtreding : 25-01-1992> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De Minister die Energie onder zijn bevoegdheid heeft kan bij besluit de te nemen maatregelen vastleggen om de rechtstreekse en onrechtstreekse uitwerking op het organisme van mens en huisdier evenals op elektrische en/of elektronische uitrustingen en toestellen te beperken van de elektrische en magnetische velden die worden voortgebracht door lijnen voor transport en verdeling van elektrische energie.

  Gebruiksvoorwaarden.

  Art. 230. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Enkel de beweegbare ontvangtoestellen met laagspanning of gemiddelde spanning mogen door contactlijnen met schuivende of rollende contactaansluiting worden gevoed. Die lijnen mogen zich, in strijd met de bepalingen van artikel 226, minstens op 2m50 voor laagspanning of op minstens 5 meter voor gemiddelde spanning boven de grond of de werkvloeren in de nijverheidsinstallaties bevinden. Indien de beweegbare ontvangtoestellen de openbare weg gebruiken bedraagt de afstand boven de grond ten minste 6 meter.
  Ingeval de hoogte van 5 meter niet kan in acht genomen worden, beschut een geaard metalen net het personeel. Wanneer het net bevestigd is aan ijzeren getimmerten met goed geleidingsvermogen naar de grond, is de bijzondere aarding van het net niet verplichtend.

  Schakelaars, signaallampen.

  Art. 231. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Elke contactlijn moet afzonderlijk, op gans haar lengte, buiten spanning gesteld kunnen worden door middel van een schakelaar. Indien deze schakelaar niet toelaat op klaarblijkende wijze te onderscheiden 't zij door zijn bouwwijze, 't zij door een daartoe bestemd toestel, of hij zich in of buiten stroom bevindt, wordt zijn stand door één of meerdere signaallampen aangeduid.
  Op de brugkranen daarenboven moeten de trolleydraden door een hefboomuitschakelaar buiten spanning gesteld kunnen worden. Hij bevindt zich in de cabine zo deze laatste vast is of op de loopbrug, op een gemakkelijk te bereiken plaats, indien de cabine beweegbaar is.

  B. Ondergrondse lijnen.

  Bescherming.

  Art. 232. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Elke ondergrondse elektrische leiding wordt minstens op haar ganse loop beschermd door een bedekking in duurzame en stevige materialen, ertoe bestemd haar bij het uitgraven tegen aanraking der werktuigen te beschutten. De beschutting steekt aan weerskanten over de kabels uit; zij wordt in dier voege aangebracht dat boven de kabels geen doorlopende lengtevoeg gevormd wordt.
  De kabels worden op een diepte van minstens 0m60 ingedolven.
  Nochtans, wanneer het indelven op 0m60 niet mogelijk is, wordt de beschutting gemaakt van een onafgebroken omhulsel van duurzame en stevige materialen.

  Het merken van ondergrondse kabels. <KB 05-08-1974, art. 1>

  Art. 233. <KB 05-08-1974, art. 1> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>)
  § 1. De ligging van een kabel wordt op zichtbare en duurzame wijze aangeduid. Daartoe wordt een merkteken aan de eindpunten van elk rechtlijnig deel geplaatst. Indien het rechtlijnig deel langer is dan 200 m worden tussenliggende merktekens geplaatst op ten minste alle 200 m. Merktekens worden tevens geplaatst aan de eindpunten van de bochten. In de bochten van meer dan 20 m lengte wordt een bijkomend merkteken geplaatst in het midden van de beschreven boog. Indien de afstand tussen dit merkteken en deze die het begin van de boog aanduiden groter is dan 50 m worden bijkomende merktekens geplaatst zodat de afstand tussen twee opeenvolgende merktekens ten hoogste 50 m bedraagt.
  In het geval van een bundel kabels mag gebruik gemaakt worden van gemeenschappelijke merktekens voor het geheel van deze kabels.
  Indien het onmogelijk is het merkteken te plaatsen precies boven de ligging van een of meerdere kabels, wordt het geplaatst op een zo klein mogelijke afstand ervan.
  In geval van private eigendommen worden de merktekens bij voorkeur geplaatst aan de grenzen van de percelen ofwel op andere plaatsen waar ze de uitbating en in het bijzonder de exploitatie van landbouwgronden niet hinderen door hun aanwezigheid.
  Het is niet verplicht de ligging aan te duiden van:
  - de laagspanningsaansluitingen van abonnenten;
  - de kabels geplaatst door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen op haar eigen domein;
  - de kabels die de palen van een openbare verlichtingsinstallatie of van een lichtsignalisatie onderling verbinden alsook de kabels die deze palen verbinden met hun voedingsposten.
  Moet ook niet aangeduid worden de ligging van de kabels geplaatst in een openbare weg, wanneer de overheid die deze openbare weg beheert zich uitdrukkelijk verzet tegen het plaatsen van merktekens aldaar, wegens de bijzondere aard van de wegbekleding.
  § 2. De gebruikte merktekens zijn in een duurzaam materiaal. Hun oppervlakte mag niet kleiner zijn dan 0,01 m2 en hun kleinste afmeting niet kleiner dan 0,08 m. Zij dragen, uitstekend op hun zichtbaar vlak, de volgende aanduidingen:
  - een bliksemschicht voor de aanduiding van een enkele kabel;
  - twee bliksemschichten voor de aanduiding van een bundel onder of naast elkander liggende kabels.
  De bepalingen van het voorgaande lid gelden niet voor de merktekens die op 31 december 1974 geplaatst of in voorraad zijn; deze merktekens mogen verder gebruikt worden voor het aanduiden van de aanwezigheid van ondergrondse kabels.
  § 3. De eigenaar van een kabel moet steeds in staat zijn de plannen of, bij gebreke daarvan, de aanduidingen te verstrekken welke nodig zijn om die te lokaliseren.
  Hij zal ze verstrekken aan om het even wie gemachtigd is werken uit te voeren in de nabijheid van de kabel, en dit binnen een tijdsruimte van maximaal zeven werkdagen na de ontvangst van de aanvraag die hem te dien einde wordt toegestuurd.
  § 4. Wat betreft de installaties die zij gebruikt of die op haar domein zijn gelegen kan de militaire overheid, om redenen van militaire veiligheid zich verzetten tegen de gehele of gedeeltelijke toepassing van dit artikel.

  Nabijheid en kruising van ondergrondse telecommunicatiekabels. <KB 05-08-1974, art. 1>

  Art. 234. <KB 05-08-1974>
  (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) § 1. Voor de toepassing van dit artikel verstaat men door "telecommunicatiekabels" de kabels die uitsluitend dienen voor telefonie, telegrafie, telesignalisatie, telemetingen, telebedieningen en in het algemeen voor het overbrengen van informaties of gegevens alsook voor om 't even welk telecommunicatiesysteem van welke aard ook aangelegd ten behoeve van hetzij publiekrechtelijke personen, hetzij van ondernemingen die het voortbrengen, overbrengen en verdelen van elektrische energie en gas tot doel hebben.
  § 2. In de nabijheid van en bij kruising met ondergrondse telecommunicatiekabels wordt elke energiekabel derwijze aangelegd dat al zijn punten zich bevinden op ten minste 0,50 m van de op het ogenblik van zijn plaatsing bestaande telecommunicatiekabels.
  § 3. Om dwingende redenen kan van het bepaalde in § 2 worden afgeweken. In dat geval neemt hij die de elektrische leiding plaatst, na overleg met de eigenaar van de telecommunicatiekabel, de passende maatregelen om latere vergissingen over de identificatie van de kabels uit te sluiten, om schade te voorkomen en om de storingen in de communicaties te vermijden en het gevaar dat uit deze afwijking zou kunnen voortvloeien.
  § 4. Indien op aanvraag van derden telecommunicatie- en energiekabels worden verplaatst en dwingende redenen bestaan om van het bepaalde in § 2 af te wijken, worden de in § 3 bedoelde maatregelen genomen, na overeenkomst tussen de betrokken partijen.
  § 5. De afwijking als bedoeld in de §§ 3 en 4 kan maar geschieden mits de goedkeuring van de betrokken Ministers of van de ambtenaren die zij daartoe aanwijzen.
  § 6. De onder § 1 vermelde personen en ondernemingen mogen afwijken van het bepaalde in § 2 voor wat hun eigen telecommunicatieinstallaties betreft, op voorwaarde dat zij de nodige beschikkingen treffen om het gevaar te vermijden

  Nabijheid van gasleidingen.

  Art. 235. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de nabijheid van gasleidingen worden de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om ophoping van gas te vermijden in de kijk- of mangaten; in die nabijheid dient dat gebruik van buizen voor het beschermen van gepantserde grondkabels vermeden. Nochtans wanneer de omstandigheden er toe verplichten dergelijke bescherming te gebruiken worden voorzorgsmaatregelen getroffen om ophoping van gas te voorkomen.

  Verbindingen.

  Art. 236. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De verbindingen tussen verschillende stukken van een zelfde kabel dienen beschut door sterke dicht gesloten metalen kasten die met een geschikte isoleerstof zijn gevuld.
  Een verbinding tussen een bovengrondse hoog- of gemiddelde spanningslijn en een kabel mag enkel worden aangebracht in een gesloten metalen kast of in een gesloten lokaal van de elektriciteitsdienst.
  Nochtans voor lijnen onder gemiddelde spanning mag de metalen kast door elk ander doelmatig beschuttingsmiddel vervangen worden.
  C. Binneninstallaties.
  1. Algemene voorschriften.

  Isolering.

  Art. 237. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Binnen open lokalen moeten alle elektrische leidingen aangelegd worden door middel van geleiders welke, op doelmatige en duurzame wijze, door een onafgebroken vochtvrije bekleding geisoleerd zijn.
  Het is nochtans toegelaten blanke geleiders te gebruiken in de nijverheidsgebouwen, mits naleving der voorwaarden bepaald in de artikelen 191, 192, 230 en 231.
  In de loodsen is het toegelaten blanke elektrische laag- en gemiddelde spanningsleidingen te plaatsen; de minimumhoogte boven de grond is 6 meter. De afstand tussen de stutten mag 20 meter niet overschrijden.

  Beschutting en mechanische weerstand.

  Art. 238. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Wanneer de geleiders bijzonder zijn blootgesteld aan mechanische beschadiging, dienen ze door een speciale bekleding bedekt, die ze tegen beschadiging vrijwaart.

  Stroomsterkte, doorsnede der geleiders, nominale sterkte der smeltveiligheden.

  Art. 239. <KB 26-02-1971, art. 5> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De elektrische installaties zijn in al hun delen opgevat en verwezenlijkt in functie van de nominale stroomsterkte en -spanningen.

  Plaatsing op isolatoren.

  Art. 240. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) <KB 15-04-1958, art. 1> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De zichtbare blanke of geisoleerde en in dit laatste geval, niet met een uit metaal of uit thermoplastic bestaande bescherming omgeven geleiders moeten op isolatoren van onbrandbaar en niet hygroscopisch materiaal aangebracht worden, op zodanige wijze dat zij noch de wanden der lokalen, noch een der voorwerpen die er zich in bevinden kunnen raken.
  Uitzondering wordt gemaakt voor de geisoleerde geleiders, dienend om beweegbare nijverheidstoestellen te controleren en uit te rusten.

  Plaatsing in buizen. <KB 15-04-1958, art. 2>

  Art. 241. <KB 15-04-1958, art. 2> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Het gebruik van buizen uit thermoplastic is slechts toegelaten zo deze buizen voldoen aan de voorschriften vervat in de laatste uitgave van de norm NBN 409, verschenen op de datum van het verwerken der buizen. De buizen die voldoen aan de voorschriften vervat in de vorige uitgave mogen echter verwerkt worden gedurende een periode van een jaar vanaf het verschijnen van de nieuwe uitgave.
  De afstand tussen de klemmen die de buizen uit thermoplastic aan de wanden bevestigen bedraagt maximaal 0,50 m.
  Het is verboden:
  1° buizen of kokers uit brandbaar materiaal te gebruiken welke niet met metaal bekleed zijn;
  2° in een zelfde buis energiegeleiders en telecommunicatiedraden te plaatsen;
  3° in een zelfde buis geleiders te plaatsen die met twee verschillende energiebronnen verbonden zijn;
  4° verbindingen tussen geleiders in de buizen te brengen;
  5° buizen uit thermoplastic te gebruiken op de plaatsen waar de temperatuur normaal 60° C zou kunnen overschrijden.
  Het derde lid, 2° en 3°, van dit artikel is niet toepasselijk ingeval kabels gebruikt worden. Het is evenmin toepasselijk op de draden voor bediening of meting op afstand of voor telecommunicatie wanneer die draden toestellen verbinden die zich bevinden in gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst of wanneer zij deel uitmaken van een geheel waarvan het uitsluitend industriëel gebruik klaarblijkelijk is.
  Aansluitingen op een laagspanningsdistributienet, enerzijds, en op een hoogspannings- of gemiddelde spanningstransformatiepost, anderzijds, worden als verschillende energiebronnen beschouwd. De verschillende verdeelborden van eenzelfde installatie, worden niet als verschillende energiebronnen beschouwd.

  Armering of buizen in magnetisch metaal.

  Art. 242. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De geleiders, die tot een zelfde wisselstroomkring horen, worden, in een zelfde omhulsel samengebracht, wanneer dit omhulsel, armatuur of buis, in magnetisch metaal is en geen doorlopend lengtevoeg bezit (en wanneer de geleiders beschermd zijn door veiligheden waarvan de nominale stroomsterkte groter is dan 25 A.) <KB 11-12-1958, art. 9>

  Doorgang door muren, schotten en plafonds- Verlaten van de vloeren. <KB 15-04-1958, art. 3>

  Art. 243. <KB 15-04-1958, art. 3> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De geisoleerde niet gearmeerde geleiders dienen in buizen aangebracht wanneer zij geplaatst worden tussen een plafond en een vloer, of wanneer zij in een bekleding verzonken worden. Zij dienen eveneens in buizen aangebracht bij de doorgang door muren, schotten en plafonds.
  Wanneer die buizen niet van staal zijn moeten zij mechanisch beschut worden op al de plaatsen waar gevaar voor beschadiging bestaat. Deze beschutting wordt onder meer tot stand gebracht boven de vloeren, tot op een hoogte van minstens 0,10 m in de woonlokalen en van minstens 1 meter in de andere lokalen

  Aansluitingen.

  Art. 244. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De verbindingen tussen geleiders moeten gesoldeerd worden of tot stand gebracht door middel van aansluitstukken met drukschroeven of ook nog door elk ander gelijkwaardig stelsel.
  Die aansluitingen moeten te allen tijde onderzocht kunnen worden.
  2. Bijzondere voorschriften betreffende de laagspanningsbinneninstallaties. <KB 26-02-1971, art. 6>

  Art. 245. <KB 26-02-1971, art. 6> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De verlichtingstoestellen met gloeilampen worden niet gevoed met een nominale spanning die 250 volt overtreft.
  3. Speciale voorschriften betreffende de aanleg van elektrische installaties in sommige lokalen.

  Ketels en metalen vergaarbakken.

  Art. 246. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Op geen enkel punt van de stroomkring mag de spanning ten opzichte van de aarde die voor het onderzoek van ketels en metalen vergaarbakken gebruikte handlampen voedt 120 volt bij gelijkstroom en 35 volt bij wisselstroom overschrijden. Dit voorschrift is toepasselijk vanaf de verbinding der beweegbare geleiders aan de vaste leidingen. De beweegbare geleiders worden beschut door een omhulsel van leder of ander, uit oogpunt van weerstand tegen slijtage, gelijkwaardig materiaal. Nochtans is het gebruik van een metalen omhulsel verboden.

  Installaties van ontladingslampen. <KB 19-02-1962, art. 2>

  Art. 247. <KB 19-02-1962, art. 2>
  (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) § 1. Onder "ontladingslamp" wordt verstaan, een lamp waarin, met het doel een al dan niet zichtbare straling uit te zenden, een elektrische ontlading plaats grijpt tussen verschillende elektroden in een geioniseerde gasatmosfeer.
  De installaties van ontladingslampen worden in drie categorieën A, B en C ingedeeld.
  Categorie A. Installaties die aan de lamphouders of aan de eindelektroden van een lamp, of aan de uiterste lamphouders of eindelektroden van een reeks lampen, wanneer de lamp of de lampen opgesteld zijn en normaal werken, een spanning geven welke, behalve tijdens de ontstekingsperiode, niet hoger is dan 250 V bij wisselstroom of 750 V bij gelijkstroom.
  Categorie B. Installaties die aan de lamphouders of aan de eindelektroden van een lamp of aan de uiterste lamphouders of aan de eindelektroden van een reeks lampen, wanneer de lamp of de lampen opgesteld zijn en normaal werken, een wisselspanning geven welke, behalve tijdens de ontstekingsperiode, begrepen is tussen 250 V en 750 V.
  Wanneer de lamp of één der lampen van de reeks uitgenomen is, mag deze spanning nochtans 1 000 V bereiken tussen lamphouders of uiterste eindelektroden.
  Categorie C. Installaties die aan de lamphouders of aan de eindelektroden van een lamp of aan de uiterste lamphouders of eindelektroden van een reeks lampen een spanning geven welke hoger is dan 750 V wanneer de lamp of de lampen opgesteld zijn en normaal werken of hoger dan 1 000 V wanneer de lamp of één der lampen van de reeks uitgenomen is.
  § 2. Voorschriften toepasselijk op de installaties van de categorie A.
  De stroomketens die de ontladingslampen van de categorie A voeden zijn onderworpen aan de voorschriften die de laagspanningsinstallaties beheersen.
  § 3. Voorschriften toepasselijk op de installaties van de categorie B.
  De stroomketens die de ontladingslampen van de categorie B voeden zijn onderworpen aan de voorschriften die de installaties met gemiddelde spanning beheersen.
  § 4. Voorschriften toepasselijk op de installaties van de categorie C.
  In de vaste installaties mag de secundaire nullastspanning niet meer bedragen dan 12 kV. Deze bepaling geldt niet voor de installaties die vóór 15 maart 1963 verwezenlijkt werden.
  Behoudens hiernavermelde strijdige bepalingen, voldoen de stroomketens die de ontladingslampen van de categorie C voeden aan de voorschriften die de hoogspanningsinstallaties beheersen.
  De primaire stroomketen van elke transformator of groep transformatoren is van volgende uitschakeltoestellen voorzien:
  Buiteninstallaties:
  Een meerpolige hulpschakelaar "brandweerschakelaar" genaamd, buiten, langs de straat of langs een doorgang en liefst op de voorgevel geplaatst, op een hoogte begrepen tussen 3 m en 4 m boven de grond en op een horizontale afstand van maximum 5 m van het dichtstbijgelegen uiteinde der lampen.
  De schakelaar is geplaatst in een kast met voeg van het hermetisch type.
  De kast is stevig bevestigd op een plaats die met behulp van een ladder gemakkelijk bereikbaar is. Er dient vermeden de kast boven een venster of een deur te plaatsen. De bediening van deze schakelaar wordt gemakkelijk uitgevoerd van op de grond met behulp van een roede voorzien van een haak. In deze kast is, achter een venster van doorzichtig materiaal waarvan de diameter minstens 4 cm bedraagt, een verkliklamp geplaatst die gevoed wordt door de primaire stroomketen van de transformator of van de groep transformatoren. Deze lamp brandt wanneer de primaire klemmen van de transformator of van de groep transformatoren onder spanning staan. Door het venster geeft zij een rood licht. De wand van de kast, voorzien van dit venster, is gemakkelijk van op de grond zichtbaar.
  Indien de kast uit metaal is, moet zij geaard zijn onder de voorwaarden voorzien bij artikel 188.
  Binneninstallaties:
  Een meerpolige schakelaar zo dicht mogelijk bij de ontladingslampen geplaatst ofwel op het ontstekingsbord van het lokaal waarin de lampen opgesteld zijn.
  § 5. Aanvullende voorschriften gemeenschappelijk voor de installaties van de categorieën B en C.
  A. Voeding.
  a) Voor de voeding der ontladingslampen van de categorieën B en C is het gebruik van spaartransformatoren verboden. Deze bepaling geldt niet voor de installaties van de categorie B die vóór 15 maart 1962 verwezenlijkt werden.
  (Onverminderd het bepaalde in artikel 15 van het in het volgende lid bedoelde koninklijk besluit, moeten de voedingstransformatoren welke in dienst gesteld worden zes maanden na de datum van homologatie bij koninklijk besluit van de norm NBN 575 overeenkomstig de bepalingen van die norm zijn.
  Deze die in dienst gesteld worden vanaf 1 september 1968 moeten bovendien van een model zijn dat goedgekeurd is door de Minister van Economische Zaken, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 december 1967 tot vaststelling van de veiligheidswaarborgen welke de voedingstransformatoren van de ontladingslampen der categorieën B en C moeten bieden en moeten, op een zichtbare zijde, de voorgeschreven aanduidingen dragen.) <KB 25-1-1968, art. 3>
  b) De ontladingslampen worden gevoed door een speciale stroomketen vertrekkende van het hoofdverdeelbord of van een hulpverdeelbord. Deze speciale stroomketen is voorzien van een meerpolige schakelaar, "normaal schakelaar" genoemd, die de hulptoestellen van de ontladingslampen, waaronder ook de transformatoren begrepen zijn, bedient.
  Elke andere schakelaar in deze stroomketen geplaatst is eveneens meerpolig.
  B. Plaats van de hulptoestellen der ontladingslampen.
  De binnen in de gebouwen aangebrachte hulptoestellen onder gemiddelde of hoge spanning, van de ontladingslampen, zijn geplaatst in een lokaal dat gescheiden is van het overige der installatie.
  Dit lokaal is enkel toegankelijk voor personen die gemachtigd zijn er binnen te treden.
  Zo deze schikking ontbreekt zijn de hulptoestellen geplaatst in één of meerdere kasten uit onbrandbare stof.
  In de buiteninstallaties zijn de buiten gebouwen aangebrachte hulptoestellen met gemiddelde of hoge spanning van de ontladingslampen geplaatst in één of meerdere kasten uit onbrandbare stof die tegen de weersomstandigheden bestand zijn en het materieel waarborgen tegen het indringen van waterspatten.
  Ingeval ze op brandbaar materiaal bevestigd zijn, zijn de hulptoestellen of de kasten die de hulptoestellen bevatten, op thermisch isolatiemateriaal geplaatst.
  Een meerpolige schakelaar, "veiligheidsschakelaar" genoemd, wordt mechanisch bediend, door de deur van het lokaal of door het deksel van de kast die de hulptoestellen bevat, op zulke wijze dat de stroomketen geopend is wanneer het binnenste van het lokaal of van de kast bereikbaar is.
  C. (Gemiddelde spannings- of hoogspanningsgeleiders.
  De bepalingen van deze rubriek C gelden niet voor de installaties die vóór 15 maart 1962 verwezenlijkt werden.
  Om de spanningopvoeringstransformatoren te verbinden met de eindelektroden van de lampen of met de lamphouders, alsook om de tussenliggende elektroden of lamphouders met elkaar te verbinden worden, wanneer de verbinding meer dan 30 cm lang is, een van de volgende geleiderstypes gebruikt:
  1° kabels onder loodmantel, al of niet gepantserd, voorzien voor een nominale spanning die ten minste gelijk is aan de nullastspanning van de transformator;
  2° kabels die geisoleerd zijn voor een nominale spanning welke minstens gelijk is aan de nullastspanning van de transformator. Deze kabels zijn beschermd.
  Verbindingen tussen geleiders zijn toegelaten in de installaties van de categorie B. Deze verbindingen moeten uitgevoerd worden door middel van bus- of bekklemmen die voldoen aan § 18 van de norm NBN 575 en waarvan alle delen onder spanning of mogelijk onder spanning onbereikbaar zijn voor de genormaliseerde tastvinger. Zij moeten bovendien, tegen elke toevallige aanraking beschermd zijn door een omhulsel uit onbrandbaar materiaal.
  Het is geoorloofd de verbindingen die minder dan 30 cm lang zijn uit te voeren in draad bedekt met een isolerend omhulsel dat voorzien is voor de nullastspanning van de transformator en dat een voldoende mechanische weerstand biedt. Deze lengte mag op 60 cm gebracht worden wanneer de draden in twee tussenliggende punten van hun lengte vastgemaakt zijn.
  De isolering van deze verbindingen met betrekkelijk dikke glazen buizen, gelet op hun binnendiameter "capillaire buizen" genoemd, wordt beschouwd voldoende mechanische weerstand te bieden gezien de aard van deze verbindingen tussen elektroden van ontladingslampen die zelf betrekkelijk breekbaar zijn.) <15-09-1964, art. 1>
  D. Lamphouders en elektroden.
  De lamphouders en elektroden van ontladingslampen moeten beschermd zijn tegen toevallige aanraking.
  De mechanische weerstand van het daartoe gebruikte isolerend omhulsel moet minstens gelijk zijn aan deze van de lampen zelf. De lampen en hun lamphouders of elektroden zijn bevestigd door middel van en op onbrandbare onderstellen.
  E. Steunen van de lampen.
  De steunen van de lampen, andere dan deze bedoeld in artikel 196 worden geaard onder de voorwaarden vermeld in artikel 188.
  F. Terugkeer van de stroom.
  Het is verboden de aarde of een metalen geraamte als stroomgeleider te gebruiken.
  § 6. Draagbare en beweegbare toestellen.
  a) Het bepaalde in § 5, A, b, van dit artikel is niet toepasselijk op de voedingketens van draagbare of beweegbare toestellen.
  b) De blanke delen onder spanning zijn gegroepeerd in een zelfde kast die bij voorkeur uit isolerend materiaal bestaat. Indien een metalen kast gebruikt wordt is deze geaard tenzij het materieel dat zij bevat door een dubbele isolatie beschermd is.
  (lid opgeheven) <KB 26-02-1971, art. 7>
  c) Het is geoorloofd de verbinding van deze toestellen door middel van een gewone contactdoos uit te voeren, op voorwaarde dat de secondaire stroomsterkte niet groter is dan 25 mA.
  d) De "normaal" en "hulp" schakelaars zijn niet verplicht.
  e) In de draagbare en beweegbare toestellen mag de secundaire nullastspanning de 6 kV niet overschrijden.

  Bad- of stortbadzalen.

  Art. 248. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Zowel in openbare als in private bad- of stortbadzalen mag geen enkel deel van de elektrische installatie noch enig beweegbaar toestel onder het bereik zijn van een persoon die zich van de badkuip of van het stortbad bedient of daarmede in aanraking is.
  De elektrische badkachels, alsmede de daarop aangesloten waterleidingen mogen in de nabijheid van de badkuip of van het stortbad aangebracht worden, op voorwaarde dat alle metalen delen, behalve de geleiders, voortdurend elektrisch met de aarde verbonden zijn en dat de vanuit de badkuip of van onder het stortbad bereikbare elektrische leidingen beschermd worden door een geaard metalen omhulsel met grote mechanische weerstand.
  Elke schel of elk ander elektrisch toestel, al dan niet verbonden aan een licht- of drijfkrachtleiding en vanuit het bad of van onder het stortbad bediend, mag dit slechts worden door middel van een hermetisch trekschakelaar, met niet-geleidend snoer.
  Elke elektrische installatie in dergelijke lokalen moet daarenboven voldoen aan de voorschriften van artikel 249.

  Vochtige of natte lokalen.

  Art. 249. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Worden als zodanig aangezien, de lokalen waarin de vochtigheid zich in de vorm van waterdruppels verdicht of die aanhoudend of tijdelijk vol waterdamp of wasem zijn (wasplaatsen, melkerijen, zekere kelders, bad- of stortbadlokalen, wasserijen, enz., zowel openbare als private).
  Behoudens materiële onmogelijkheid, worden de geleiders en de toestellen, die de stroomkringen van deze lokalen bedienen, buiten die lokalen aangebracht.
  Ingeval de installatie gedeeltelijk of geheel binnen de lokalen wordt aangebracht, dienen de volgende voorschriften nageleefd.
  Zijn alleen toegelaten:
  a) (montage in staalpantserbuizen met geschroefde verbindingsstukken of in buizen uit thermoplastic op voorwaarde dat de verbindingen tussen die buizen op zulke wijze uitgevoerd worden dat zij volkomen hermetisch zijn;) <KB 15-04-1958, art. 4>
  b) montage met draden of kabels, waarvan de isolering beschermd is door een waterdichte en vochtvaste armering;
  c) montage met draden of kabels geisoleerd met gummi en bevestigd op klok-isolatoren in isolerend, onbrandbaar en niet-hygroscopisch materiaal, waarbij de draden over heel de lengte op ten minste 20 millimeter van de wanden gehouden worden.
  Het inleiden van de geleiders in een verlichtingstoestel, in een schakelaar, in een smeltzekering, in een weerstand, enz., dient in dier voege gedaan, dat het water dat langs de geleiders afloopt, niet in die toestellen dringen kan.
  Het moet mogelijk zijn al de geleiders buiten spanning te stellen, zelfs wanneer zij met de aarde zijn verbonden.
  Ieder stroomkring wordt door een meerpolige schakelaar bediend.
  De hulsels van de lamphouders zijn in porselein of in een ander gelijkwaardig isoleermateriaal. Nochtans worden gewone lamphouders toegelaten, op voorwaarde dat ze in hermetische bekledingen worden aangebracht.
  Sleutellamphouders worden niet toegelaten.
  De schakelaars, de smeltzekeringen of andere gebruikte toestellen moeten van het hermetisch type met rubbervoeg zijn.
  De draagbare toestellen, de beweegbare toestellen en leidingen mogen niet blijvend aangesloten worden.
  Enkel laagspanning wordt toegelaten. Nochtans wordt het plaatsen van motoren met gemiddelde spanning toegelaten, onder de volgende voorwaarden:
  a) de motoren zijn gans gesloten of gesloten-geventileerd, met aanzuiging en wegpersing der lucht buiten de lokalen;
  b) de vaste motoren worden gevoed door middel van pantserkabels. Voor voeding en uitrusting van brugkranen en andere beweegbare manutentie-toestellen, zijn geisoleerde en ongepantserde slappe kabels toegelaten. Die kabels worden beschermd door een omkleding, bestand tegen sleet en tegen vocht. Daarvoor een metalen omkleding gebruiken is verboden. Glij- en rolcontacten in de lucht voor de voeding van die toestellen zijn verboden;
  c) er worden ingesloten automatische schakelaars gebruikt;
  d) het gebruik van smeltzekeringen is verboden.
  (De installaties van ontladingslampen der categorieën A en B zijn toegelaten op voorwaarde dat de wijze van bescherming voorzien bij artikel 220 wordt toegepast voor hun hulptoestellen en deze voorzien bij artikel 247, § 5, D, voor hun lamphouders en elektroden.
  De installaties van ontladingslampen van de categorie C zijn toegelaten buiten de gebouwen.) <KB 19-02-1962, art. 3>

  Lokalen door geleidende vochten doordrongen of waarin zich bijtende dampen ontwikkelen.

  Art. 250. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Dusdanige lokalen zijn o.a. de vee- of paardestallen, kaasfabrieken, leerlooierijen, waslokalen van papier- en andere nijverheidsinrichtingen, enz.
  De voorschriften betreffende de lokalen, waarvan spraak in artikel 249, dienen hier toegepast; nochtans zijn de hulsels der lamphouders van porselein of elk ander gelijkwaardig isoleermateriaal. De lampen en hun houders zijn in hermetische toestellen aangebracht.
  Het materieel moet aan scheikundige inwerking kunnen weerstaan.

  Lokalen die licht ontvlambare stoffen bevatten.

  Art. 251. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) a) Magazijnen, uitstalramen, enz. Voor de vaste leidingen wordt enkel montage in buizen of met metaal gepantserde geisoleerde leidingen toegelaten.
  De borden, schakelaars, stopcontacten, zekeringen worden minstens op 0m50 afstand van ontvlambare stoffen aangebracht.
  Ten einde elk brandgevaar te vermijden, worden de lampen op een voldoende afstand van elke ontvlambare stof geplaatst.
  (Alleen laagspanning is toegelaten. Nochtans zijn installaties van ontladingslampen der categorieën A, B en C toegelaten.) <KB 11-12-1958, art. 12, § 1>
  b) (Maalderijen, houtzagerijen. Voor de vaste leidingen worden enkel montages in staalbuizen of in pantserdraad of pantserkabel toegelaten, alsook montage in buizen uit thermoplastic. Evenwel is ook elk ander montagestelsel toegelaten, indien het dezelfde hoedanigheden van dichtheid en mechanische weerstand bezit.) <KB 15-04-1958, art. 5, § 1>
  Alle toestellen, die vonken kunnen afgeven, zoals schakelaars, rheostaten, zekeringen, lampen, aanzetters, dienen door hermetische omhulsels beschut.
  De maalderijmotoren zijn gans gesloten of gesloten geventileerd met aanzuiging en wegpersing der lucht buiten de lokalen.
  De houtzagerijmotoren mogen van het open type zijn, op voorwaarde op doelmatige wijze tegen ophopingen van houtafval te zijn beschut.
  Het gebruik van booglampen is verboden.
  (Alleen laagspanning is toegelaten. Nochtans zijn installaties van ontladingslampen der categorieën A en B toegelaten, alsmede installaties van motoren met gemiddelde spanning. Deze installaties voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 249.) <KB 11-12-1958, art. 12, § 2>
  c) (opgeheven) <KB 26-02-1971, art. 8>

  Art. 251bis. <KB 26-02-1971, art. 9> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Industriële benzineopslagplaatsen.
  Wanneer elektrische installaties zijn ingericht in lokalen of ruimten die in de nabijheid zijn gelegen of van benzinetanks die in open lucht zijn opgesteld of van hun inrichtingen voor het vullen of aftappen en dat het gevaar voor ontvlambare vloeistoffen of de vorming van een ontplofbaar mengsel, ontvlambare dampen/lucht, bestaat of te vrezen is, dan beantwoorden deze aan de volgende voorschriften:
  1. het aantal elektrische toestellen is tot het strikt noodzakelijke minimum beperkt;
  2. de elektromotoren zijn zoveel mogelijk in open lucht opgesteld;
  3. een alpolige schakelaar die buiten elk van de bedoelde plaatsen is opgesteld moet het mogelijk maken de installaties volledig te isoleren;
  4. de elektrische installaties worden slechts met elektrische laagspanningsstroom gevoed.
  Nochtans zijn de installaties van ontladingslampen van de categorieën A en B toegelaten.
  Voor de voeding van de elektromotoren met een minimumvermogen van 100 pk mag gebruik gemaakt worden van de hoogspanning op voorwaarde dat de bepalingen van de artikelen 192 en 199 en de volgende voorwaarden worden nageleefd:
  a) de ganse inrichting is gepantserd;
  b) de verspreidingsweerstand van de aarding bedraagt ten hoogste één ohm.
  De keuze van de elektrische uitrusting, alsook de wijze van opstelling ervan worden bepaald door de graad van gevaar van de betrokken ruimten, daartoe onderverdeeld in vier zones:
  Zone 0:
  In deze zone is een ontplofbaar mengsel gas/lucht bestendig of gedurende lange perioden aanwezig.
  De elektrische toestellen zijn er verboden, behalve de elektrische toestellen met intrinsieke veiligheid van eerste categorie, bepaald in de norm NBN 683 of de gelijkwaardige.
  Zone 1:
  In deze zone kan zich tijdens de normale werking van de installaties een ontplofbaar mengsel gas/lucht vormen.
  De wijzen van beveiliging die voor de elektrische toestellen zijn toegelaten zijn de volgende:
  - de intrinsieke veiligheid, bepaald in de norm NBN 683;
  - de ontploffingsvaste hulzen, bepaald in de norm NBN 286;
  - de omhulsels met inwendige overdruk, bepaald in de norm NBN 716;
  - het poedervormige isolatiemateriaal.
  De enige montages toegelaten voor de elektrische leidingen zijn:
  - de montage in TIAF buizen, bepaald in de norm NBN 45;
  - de gepantserde kabel, onder loodmantel, waarvan de pantsering en de mantel geaard zijn;
  - de soepele geleiders van het type CTF-B.N, bepaald in de norm NBN 10.01;
  - de leidingen met minerale isolatie, bepaald in de norm NBN 693;
  - elke andere montage, indien ze dezelfde veiligheidswaarborgen biedt.
  Zone 2:
  In deze zone is het bestaan van een ontplofbaar mengsel gas/lucht weinig waarschijnlijk en zou het, indien dit wel het geval was, slechts gedurende een korte tijd blijven bestaan.
  De toegelaten wijzen van beveiliging voor de toestellen zijn de volgende:
  - de wijzen van beveiliging, bepaald voor de zone 1;
  - de verhoogde veiligheid, bepaald in de norm NBN 717:
  - de olieonderdompeling.
  De toegelaten montages zijn:
  - de montages van de zone 1;
  - de montages in TAF buizen, bepaald in de norm NBN 45;
  - de montages in buizen uit thermoplastische stoffen, op voorwaarde dat de koppelingen hermetisch zijn en dat de buizen beschermd zijn door een stalen buis of door elk ander gelijkwaardig middel, op de plaatsen waar ze aan stoten zijn blootgesteld;
  - elke andere montage, indien ze dezelfde veiligheidswaarborgen biedt.
  Zone 3:
  In deze zone is het risico voor het ontstaan van een gevaarlijke atmosfeer als verwaarloosbaar te beschouwen.
  De toestellen en montages van het normale industriële type mogen in die plaatsen aangewend worden.
  De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing:
  1. op de opslagplaatsen in tanks, opgericht in open lucht, van ontvlambare stoffen waarvan het ontvlammingspunt kleiner is dan of gelijk is aan 21° C;
  2. op de opslagplaatsen, in vaten en bussen, van ontvlambare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt kleiner is dan of gelijk is aan 50° C, opgericht in gesloten lokalen, wanneer ze opgenomen zijn onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen.

  Lokalen die springstoffen bevatten.

  Art. 252. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Enkel laagspanning is toegelaten.
  Elke elektrische installatie wordt buiten de lokalen aangebracht en bediend door een meerpolige schakelaar, die gans de installatie kan isoleren.
  Enkel gloeilampen worden toegelaten. Ze worden in een nis geplaatst die langs binnen door een dik glas of elk ander gelijkwaardig toestel is gesloten.
  Indien, om een bijzonder reden, de lampen binnen de lokalen dienen geplaatst, dan wordt het hublotstelsel toegepast en de voedingsleidingen worden door staalpantserbuizen beschut; die buizen worden met metselwerk, warmtewerende stof of beton ommanteld.
  Het gebruik van draaglampen en elektromotoren is verboden.
  Iedere elektrische luchtlijn is verboden, indien zij niet ten minste 20 meter verwijderd is van de lokalen waar de springstoffen geborgen zijn; die welke tot voeding van die lokalen dienen, worden van op dien afstand vervangen door ondergrondse pantserkabels, waarvan de aansluitingen met het bovengronds net voorzien worden van bliksemafleiders en van smeltveiligheden.
  De palen van de bovengrondse lijn zijn voorzien van met de aarde verbonden bliksemafleiders.

  Tweede deel- Exploitatie en toezicht.

  I. Beschuttingsinrichtingen en waarschuwingsborden.

  Beschuttingsinrichtingen.

  Art. 253. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Buiten de lokalen van de elektriciteitsdienst en de bewaakte lokalen, worden de beschuttingsinrichtingen in dier voege vastgemaakt dat ze niet gemakkelijk geopend, weggenomen of verplaatst kunnen worden.

  Waarschuwingsborden.

  Art. 254. <KB 1997-06-17/46, art. 22, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De aanwezigheid van leidingen of toestellen op hoogspanning of gemiddelde spanning wordt aangeduid door waarschuwingsborden voor gevaar voor elektrische spanning, met een zijde van minstens 20 cm, overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.
  Deze bepaling is niet toepasselijk op installaties van ontladingslampen van de categorie B. Voor installaties van ontladingslampen van categorie C en voor hoog- of gemiddelde spanningsleidingen of -toestellen in de ontstekingsinrichtingen van stookoliebranders mag de zijde van het waarschuwingsbord voor gevaar voor elektrische spanning tot 5 cm teruggebracht worden.
  Daarenboven wordt op de installaties van ontladingslampen van categorie C de maximum waarde van de nullastspanning aangeduid.

  Kenmerken van de machines.

  Art. 255. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De generators, motoren en transformatoren zijn voorzien van een herkomstplaat, waarop o.a. is aangeduid de naam van de constructeur, een volgnummer, alsook de nominale waarden van de bedrijfsspanning en van het normaal vermogen of van de daarmede overeenstemmende stroom.

  Schematisch plan.

  Art. 256. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Voor elke elektrische installatie, met een vermogen van minstens 50 kW, maakt en houdt men ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren en van het onderzoekend personeel één of meer schematische plannen, die aanduiden: de spanningen en de aard van de stroom, het vermogen en de kenmerken der generators, der motoren en der transformatoren.

  II. Exploitatie, herstelling en uitbreiding van de installaties.

  Onderhoud, schoonmaak en herstelling van hoog- of gemiddelde-spanningsinstallaties.

  Art. 257. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De werkzaamheden tot onderhoud, schoonmaak of herstelling van de elektrische hoog- of gemiddeldespanningsinstallaties worden alleen uitgevoerd door personen die daartoe opdracht hebben. Die personen beschikken over een noodverlichting voor de werken binnen de lokalen.

  Bediening onder stroom en bediening onder spanning.

  Art. 258. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) In de hoog- en gemiddelde spanningsinstallaties is het verboden onder stroom staande smeltzekeringen te behandelen; uitzondering op deze regel mag gemaakt worden voor de smeltveiligheden die de potentiaaltransformatoren en de transformatoren met een vermogen van hoogstens 10 KVA beschermen, op voorwaarde dat, voor deze laatste, de laagspanningsstroomketen helemaal verbroken is, vooraleer de primaire stroomverbrekers bediend worden.
  Het in werking stellen van onder stroom staande hoog- of gemiddelde spanningssectieschakelaars wordt enkel toegelaten voor het in of buiten bedrijf stellen van installaties, waarbij het geinstalleerd schijnbaar vermogen 100 KVA niet overschrijdt.
  Nochtans is dit voorschrift niet toepasselijk in geval van openluchtschakelaars van luchtlijnen, die op afstand bediend worden en voorzien zijn van hoornen of van elk ander toestel, geschikt om hoge stroomverbrekers bedienen, welke voorzien zijn van toestellen tot beperking van de stroom, op voorwaarde evenwel dat het personeel gedurende de bediening beschermd is.
  (De bediening) onder spanning van schakelaars en smeltzekeringen voor hoge spanning mag enkel geschieden met behulp van gereedschap, waarvan het geheel twee in serie isolerende delen bevat, waarvan elk een voldoende isolering bezit. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>

  Werken en bedieningen buiten spanning.

  Art. 259. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De toestellen en de gedeelten hoogspanningsleiding, die herstellings-, vernieuwings-, regelings- of onderhoudswerken vereisen, worden vooraf buiten spanning gesteld en vervolgens, in de meest onmiddellijke nabijheid van de plaats der werken met de aarde verbonden. De aarding geschiedt aan weerskanten van die toestellen of die leidingsgedeelten, wanneer het onder spanning zetten eventueel mogelijk is aan beide zijden.
  De bevelen tot het uitschakelen en tot aarden worden uitsluitend gegeven door de daartoe gemachtigde persoon, die het herstellen, vernieuwen, regelen of onderhouden der toestellen of leidinggedeelten onder hoge spanning leidt. Die persoon beveelt daarenboven het aanbrengen in de nabijheid der bedieningstoestellen van bordjes houdende verbod om weer in te schakelen.

  Opnieuw in werking stellen.

  Art. 260. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Het wegnemen der aardingen, het wegnemen der bordjes met verbod om weer in te schakelen en het weer onder spanning brengen van een deel of het geheel der hoogspanningsinstallatie mag slechts bevolen worden door de daartoe gemachtigde persoon. Alvorens zijn bevelen te geven, vergewist deze persoon er zich van dat de uitvoering er van niet schadelijk is voor personen of voor zaken.

  IIbis. <KB 05-08-1974, art. 2> Werken in de nabijheid van ondergrondse elektrische kabels.

  Art. 260bis. <KB 05-08-1974, art. 2> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>)
  § 1. Geen enkel grond-, bestratings- of ander werk mag worden uitgevoerd in de nabijheid van een ondergrondse elektrische kabel zonder dat de eigenaar van de ondergrond, de overheid die de eventueel gebruikte openbare weg beheert en de eigenaar van de kabel vooraf zijn geraadpleegd. Het feit dat de in artikel 233 bedoelde merktekens al dan niet aanwezig zijn ontslaat niet van deze raadpleging.
  Het bepaalde in het eerste lid is niet toepasselijk wanneer dringend werken moeten worden uitgevoerd om onderbreking van de dienst te vermijden.
  Als de raadpleging niet heeft kunnen plaatshebben, mag het werk niet uitgevoerd worden zonder voorafgaande lokalisering van de kabels.
  § 2. Geen mechanische machines of werktuigen mogen worden gebruikt, in de veiligheidsruimte die begrensd is door twee verticale vlakken op 50 cm afstand aan weerskanten van de kabel, zonder dat de aannemer en de eigenaar van de kabel vooraf zijn overeengekomen over de na te leven voorwaarden.
  § 3. Wat betreft de installaties die zij gebruikt of die op haar domein zijn gelegen, kan de militaire overheid, om redenen van militaire veiligheid, zich verzetten tegen de gehele of gedeeltelijke toepassing van dit artikel.

  III. Toezicht.

  Controle van de installaties. <KB 01-07-1971, art. 1>

  Art. 261. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) [1 Hetzij de organismen, hetzij de controlediensten geïntegreerd in een overheidsdienst of in een rechtspersoon van publiek recht, erkend voor de controles van de elektrische installaties door de Minister die Energie onder zijn bevoegdheid heeft, overeenkomstig de bepalingen van artikel 275 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, zijn belast met de door onderstaand artikel 262 voorgeschreven controlebezoeken.]1
  ----------
  (1)<KB 2005-08-10/42, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 03-09-2005>

  Onderzoekingen.

  Art. 262. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De elektrische installaties worden onderzocht (door een erkend organisme, door een met de controle belaste afgevaardigde van de distributie, of door de overheid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 261, litt. a): <KB 01-07-1971, art. 2>
  1° vóór het in bedrijf stellen van elke installatie;
  2° éénmaal per jaar voor elke hoog- of gemiddelde spanningsinstallatie;
  (Er wordt een uitzondering gemaakt voor de installatie van ontladingslampen der categorie B en voor ontstekingsinrichtingen van stookoliebranders, voor dewelke het jaarlijks onderzoek niet wordt opgelegd) <KB 28-06-1962, art. 2>
  3° vóór het in werking stellen van elke werkelijke wijziging of vergroting van een hoog- of gemiddelde spanningsinstallatie.

  IV. Plichten van de eigenaars, beheerders, onderzoekers, opzichters en werklieden.

  Plichten van de erkende organismen, van de met de controle belaste afgevaardigden van de distributeurs of van de overheid.

  Art. 263. <KB 01-07-1971, art. 3> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Het erkend organisme, de met de controle belaste afgevaardigde van de distributeur of de overheid die de controle uitvoert, vergewist er zich van dat de installaties in al hun delen voldoen aan de voorschriften van deze afdeling, (...) <KB 1993-06-10/35, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 1993-07-16>
  Geldt het een laagspanningsinstallatie, dan wordt er, na het onderzoek gedaan in het 1° van artikel 262 bedoelde geval, een proces-verbaal opgemaakt, dat door de eigenaar of de beheerder van de installatie op elke vordering dient voorgelegd aan de met het toezicht belaste ambtenaar.
  Geldt het een hoog- of gemiddelde spanningsinstallatie, dan vermeldt het erkend organisme, de met de controle belaste afgevaardigde van de distributeur of de overheid die de controle uitvoert zijn waarnemingen in een speciaal daarvoor bestemd register, dat op elke vordering van de met het toezicht belaste ambtenaar dient voorgelegd.)

  Plichten van de eigenaar of beheerder.

  Art. 264. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De eigenaar of beheerder van een elektrische installatie is er toe gehouden de bepalingen van deze afdeling na te leven of te doen naleven, onverminderd de rechtshalve openstaande beroepen. Behalve waar het een particuliere laagspanningsinstallatie geldt, is de eigenaar of de beheerder namelijk gehouden:
  a) voor een hoog- of gemiddelde spanningsinstallatie, (het erkend organisme, de met de controle belaste afgevaardigde van de distributeur of de overheid die de controle uitvoert) in te lichten omtrent elke wijziging of merkelijke uitbreiding van de installatie, en zulks voor het in werking stellen van de wijzigingen en uitbreidingen; <KB 01-07-1971, art. 4>
  b) ingeval er werken worden uitgevoerd aan de onder spanning staande installaties, ter beschikking van zijn personeel het nodige materieel te stellen, en namelijk datgene voorzien bij artikel 258;
  c) ter beschikking van zijn personeel te stellen: exemplaren van de tekst van deze afdeling, schema's van de verbindingen, afschriften van de schriftelijke onderrichtingen, die hij nodig acht te geven zowel met het oog op de veiligheid van de arbeid als de redding bij ongevallen. Een exemplaar alsmede van de geschreven onderrichtingen, wordt aan iedere opzichter, waarvan spraak in artikel 261, sub littera b, overhandigd;
  d) er zich van te verzekeren, dat zijn opzichters de reglementsbepalingen kennen en verstaan, alsmede de onderrichtingen die ze moeten doen naleven;
  e) op goed gekozen plaatsen, een onderrichting aan te plakken betreffende de eerste hulp bij ongevallen;
  f) [1 (NOTA : opgeheven wat de bescherming van de werknemers betreft)]1 de met het toezicht belaste ambtenaar onmiddellijk te verwittigen van elk ongeval aan personen overkomen en dat rechtstreeks of onrechtstreeks te wijten is aan de tegenwoordigheid van installaties, dienende tot het voortbrengen, transformeren, overbrengen, verdelen, meten of benutten van elektrische energie, die hun toebehoren of waarvan zij het beheer hebben.
  ----------
  (1)<KB 2005-02-24/32, art. 20, 063; Inwerkingtreding : 14-03-2005>
  

  Plichten van de opzichters.

  Art. 265. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De opzichters zijn verplicht, elk binnen de grenzen der hun opgedragen taak:
  a) minstens eenmaal per maand al de delen van de hoog- of gemiddelde spanningsinstallaties te onderzoeken, waarmede zij belast zijn en zich inzonderheid er van te verzekeren, dat de veiligheids- en beschuttingstoestellen in goede staat zijn;
  b) op staanden voet aan hun overheid de defecten te doen kennen, die ze vaststellen.

  Door de werklieden na te leven algemene voorschriften.

  Art. 266. (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) Het is aan de werklieden verboden:
  a) de onder spanning staande geleiders, alsook de niet beschutte delen van machines, toestellen of leidingen zonder noodzakelijkheid aan te raken;
  b) de beschuttende bekledingen weg te nemen of te beschadigen of zonder daartoe bevel te hebben ontvangen, te openen;
  c) onder spanning werken uit te voeren zonder het speciaal materiaal te bezigen, dat te dien einde te hunner beschikking is gesteld;
  d) in de gesloten lokalen van de elektriciteitsdienst te treden, zonder daartoe bevel te hebben ontvangen; in die lokalen gereedschap, klederen of andere voorwerpen neer te leggen, die zij voor het verrichten van hun werkzaamheden niet nodig hebben en waarvan de aanwezigheid in de lokalen niet door dienstredenen gewettigd kan worden.

  Derde deel- Overgangsbepalingen. <KB 30-04-1955, art. 1>

  Art. 266bis. <KB 30-04-1955, art. 1> (NOTA : opgeheven wat het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk betreft <KB 2008-06-02/33, art. 29, 072; Inwerkingtreding : 29-06-2008>) De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de installaties welke reeds vóór 27 januari 1932 bestonden.
  Nochtans, wanneer de veiligheid der personen op het spel staat, hebben de ambtenaren, belast met het hoger toezicht over de elektrische installaties het recht te eisen dat de in het eerste lid bedoelde installaties zo gewijzigd worden, dat zij voldoen aan de voorschriften van deze afdeling. Bovendien zijn de voorschriften, welke geen verandering der toestellen of van de staat der plaatsen vergen, bindend, zelfs voor de oude installaties.
  Tegen de beslissingen van voornoemde ambtenaren kunnen de betrokkenen beroep aantekenen bij de bevoegde Minister, die uitspraak doet na het advies van het Vast electro-technisch comité of van de bevoegde vaste afdeling ingewonnen te hebben.

  Afdeling II- Hefwerktuigen.

  Art. 267. <Zie nota's onder TITEL> <KB 19-09-1980, art. 1> Toepassingsgebied. - Definities.
  1. Toepassingsgebied.
  1.1. Met uitzondering van de hefwerktuigen van de schepen, die onder toepassing vallen van de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen, zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing op de hefwerktuigen gebruikt door de (personen, ondernemingen en instellingen) bedoeld in artikel 28 van dit reglement. <KB 1987-09-17/31, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
  1.2. Worden niet als hefwerktuigen, in de zin van deze afdeling beschouwd :
  1.2.1. de gietijzerbreekmachines en toestellen om de palen en paalplanken (heistellingen) te heien op voorwaarde dat deze machines uitsluitend gebruikt worden voor het hijsen van de vallende drijfhamer of het heiblok, en niet voor het hijsen van materialen;
  1.2.2. de hefwerktuigen die met de hand bewogen worden en die geen enkele reductieinrichting bevatten;
  1.2.3. de graafmachines, mechanische schoppen en andere soortgelijke toestellen wanneer ze uitsluitend voor grondwerken worden aangewend;
  1.2.4. de hefbruggen voor motorvoertuigen.
  (2. Definities :
  Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
  2.1. hefwerktuig : de hijswerktuigen, de hoogwerkers, de personenliften, de goederenliften, de bouwliften, de materiaalliften en de toestellen die tijdelijk of bij gelegenheid als dusdanig gebruikt worden;
  2.2. hijswerktuig : een werktuig met intermitterend bedrijf ingericht en bestemd voor het hijsen en het eventueel verplaatsen van opgehangen lasten;
  2.3. hoogwerker : een toestel omvattende een werkplatform voor één of meerdere personen en hun eventueel materieel, bevestigd hetzij op een al of niet draaibare gearticuleerde arm, hetzij op een schaarsysteem, hetzij op een telescopische arm of zuiger, dat zich bij middel van een hydraulische, pneumatische of electromechanische aandrijving in de hoogte of in de gewenste richting kan bewegen, en dat speciaal bestemd is voor het uitvoeren van montage-, herstellings- en onderhoudswerken zonder het werkplatform te verlaten.
  Het geheel is opgesteld op een verrijdbaar onderstel;
  2.4. personenlift : een vast opgesteld hefwerktuig dat welbepaalde (stopplaatsen) bedient en dat uitgerust is met een kooi waarvan de afmetingen en de bouwwijze het betreden door personen mogelijk maken en die zich, langs vertikale geleiders of geleiders waarvan de helling ten overstaan van de vertikale kleiner is dan 15°, beweegt; <KB 1984-12-12/30, art. 1, 009>
  2.5. goederenlift : een vast opgesteld hefwerktuig dat bepaalde (stopplaatsen) bedient en uitgerust is met een kooi die door zijn afmetingen en samenstelling niet toegankelijk is voor personen en zich langs vertikale geleiders of geleiders waarvan de helling ten overstaan van de vertikale kleiner is dan 15°, beweegt. <KB 1984-12-12/30, art. 1, 009>
  De kooi is niet toegankelijk voor personen indien :
  1° ofwel alle afmetingen de volgende grootten niet overschrijden :
  a) oppervlakte : 1,00 m2;
  b) diepte : 1,00 m;
  c) hoogte : 1,20 m.
  De kooihoogte mag nochtans hoger zijn dan 1,20 m wanneer de kooi door middel van vaste schotten in compartimenten is ingedeeld die elk voor zich aan de hogervermelde eisen voldoen;
  2° ofwel de kooivloer zodanig is ingericht dat een persoon er geen plaats kan op nemen omwille van de aanwezigheid van een rollenbaan, rails of een soortgelijke hinderpaal;
  2.6. (fabriekslift : een vast opgesteld hefwerktuig dat bepaalde stopplaatsen bedient, uitgerust met een kooi of laadvloer toegankelijk voor personen welke zich langs één of meerdere vertikale geleiders of waarvan de helling ten overstaan van de vertikale kleiner is dan 15° beweegt en waarvan de bediening slechts kan geschieden van buitenuit en dat voor het vervoer van personen verboden is.) <KB 1984-12-12/30, art. 1, 009>
  2.7. hydraulische personen-, goederen- en fabriekslift : een toestel waarbij de energie voor het heffen van de last geleverd wordt door een motor die een pomp aandrijft die een vloeistof tegen een zuiger stuwt welke direct of indirect de verplaatsing van de kooi of de laadvloer verzekert (meerdere motoren, pompen en zuigers kunnen gebruikt worden). De hydraulische heftafels die gebruikt worden als personen-, goederen- of fabriekslift zijn hieronder begrepen, zelfs in het geval ze niet bewegen langs vertikale geleiders of geleiders waarvan de helling ten overstaan van de vertikale geleiders kleiner is dan 15°;
  2.8. hydraulische personen-, goederen- en fabriekslift met directe aandrijving : een toestel waarvan de zuiger of de cilinder direct bevestigd is aan de kooi of het kooiraam;
  2.9. hydraulische personen-, goederen- en fabriekslift met indirecte aandrijving : een toestel waarvan de zuiger of de cilinder met de kooi of het kooiraam verbonden is op een andere wijze dan direct, bijvoorbeeld via kabels of kettingen;
  2.10. personenbouwlift : een personenlift op een tijdelijke bouwplaats opgesteld;
  2.11. materiaallift : een tijdelijk opgesteld hefwerktuig uitsluitend bestemd voor het vervoer van materialen, goederen of meubelen (ladderliften), daartoe voorzien van een mobiele uitrusting die zich langs een of meerdere vertikale of hellende geleiders beweegt.
  Onder mobiele uitrusting moet verstaan worden : een bak, laadvloer, kooi of soortgelijke voorziening tot het verplaatsen van materialen en goederen;
  2.12. bedrijfslast : de toelaatbare last, die met behulp van de niet-verwisselbare hijsmiddelen mag worden gehesen, dit wil zeggen de toelaatbare som van de massa van de nuttige last, het hijsgereedschap (stroppen, de sluitings, ander soortgelijk gereedschap) en de verwisselbare hijsmiddelen (grijpers, jukken, soortgelijk materieel);
  2.13. schacht van personen- en goederenlift : de ruimte waarin de kooi zich beweegt en ook het eventuele tegengewicht. Deze ruimte wordt begrensd door de bodem van de schachtput, de wanden en het plafond;
  2.14. schachtdeur : elke deur die toegang geeft tot de schacht;
  2.15. bordesdeur : schachtdeur die op elk niveau, toegang verleent tot de kooi of de laadvloer;
  2.16. mechanisch gedwongen elektrisch contact : een schakelaar waarvan het openen wordt verwezenlijkt door een mechanisch ingrijpen dat voldoende is om de scheiding te verzekeren van de contactpunten, zo nodig door verbreking in geval van toevallig aan elkaar lassen of mechanisch vastraken van de schakelaar;
  2.17. veiligheidscontact : een toestel dat minstens een mechanisch gedwongen elektrisch contact bevat en in werking brengt en waarvan het openen de kooi tot stilstand brengt en het opnieuw in beweging brengen van de kooi onmogelijk maakt;
  2.18. deurcontact : een veiligheidscontact dat slechts kan gesloten worden wanneer de deur gesloten is;
  2.19. automatische grendeling : een slot waarin het terugtrekken van het grendelend element verwekt wordt door een nok (of elk ander toestel dat dezelfde uitwerking heeft). Het slot grendelt de deur in kwestie in haar sluitstand en maakt het openen slechts mogelijk wanneer de kooivloer of de laadvloer zich in de betrokken ontgrendelingszone bevindt;
  2.20. grendelcontact : een veiligheidscontact waarvan het contact niet kan gesloten worden zolang de deur niet vergrendeld is;
  2.21. ontgrendelingszone : een vertikale zone gelegen aan beide zijden van de hoogte van de bordesdrempel en waarin de kooivloer of laadvloer zich moeten bevinden wanneer de overeenstemmende bordesdeur ontgrendeld is;
  2.22. positieve grendeling : een automatische grendeling waarvan het ingrijpen in de deuren en het vrijmaken van het grendelend element worden gecontroleerd door een grendelcontact en die de deur grendelt in haar sluitstand en het openen slechts mogelijk maakt wanneer de kooi of de laadvloer zich in de ontgrendelingszone waar zij moeten stoppen bevinden;
  2.23. grendelcontrolecontact (bij post-positieve grendeling) : een veiligheidscontact dat slechts kan gesloten zijn wanneer de kooi zich in de ontgrendelingszone bevindt en dat, wanneer de deur niet vergrendeld is bij het vertrek van de kooi, deze tot stilstand brengt door het afschakelen van de stroom, wanneer deze zich niet meer in de overeenstemmende ontgrendelingszone bevindt;
  2.24. veiligheidskring : een elektrische kring waarin zowel onderdelen met als zonder galvanische scheiding voorkomen en waarvan de opbouw zodanig is dat slechts een gevaarlijke situatie kan ontstaan nadat minstens twee onderscheiden storingen gelijktijdig optreden. Deze kring zorgt ervoor dat het toestel tot stilstand gebracht wordt ten laatste vanaf de eerste sekwentie waaraan het eerste gestoord element moet deelnemen;
  2.25. nominale snelheid : de snelheid van de kooi voor dewelke het toestel gebouwd werd en voor dewelke een normale werking gewaarborgd wordt door de leverancier;
  2.26. vanginrichting : mechanische inrichting ontworpen voor het vastzetten en vasthouden van de kooi of het tegengewicht op hun geleiders bij te hoge neerwaartse snelheid of bij breuk van de ophangorganen;
  2.27. blokkeervang : vanginrichting waarbij het vastzetten op de geleiders tot stand komt door vrijwel onmiddellijke blokkering;
  2.28. blokkeervang met bufferwerking : vanginrichting waarbij het vastzetten op de geleiders tot stand komt door vrijwel onmiddellijke blokkering maar zodanig dat de reactie op het opgehangen deel wordt begrensd door tussenkomst van een veerkrachtig stelsel;
  2.29. remvang : vanginrichting waarbij het vastzetten plaatsvindt door remmen op de geleiders en waarbij voorzieningen zijn getroffen om de reactie op het opgehangen deel te begrenzen tot een toelaatbare waarde;
  2.30. snelheidsbegrenzer : inrichting die bij het overschrijden van een ingestelde snelheid het stoppen van de machine inleidt en zo nodig de vanginrichting in werking stelt;
  2.31. personen-, goederen- en fabriekslift met tractieaandrijving : personen-, goederen- en fabriekslift waarvan de kabels worden aangedreven door wrijving in de groeven van de tractieschijf van de machine;
  2.32. personen-, goederen- en fabriekslift met gekoppelde aandrijving : personen-, goederen- en fabriekslift opgehangen aan kettingen of waarvan de kabels anders dan door wrijving worden aangedreven;
  2.33. breukventiel van hydraulische leiding : ventiel bestemd om zich automatisch te sluiten wanneer de drukvermindering in het ventiel, veroorzaakt door een vermeerdering van het debiet, een vooraf ingestelde waarde overschrijdt;
  2.34. hydraulische druk bij vollast : de statische druk uitgeoefend op de hydraulische leiding direct verbonden aan de cilinder waarbij de kooi met zijn nominale belasting op de hoogste bediende stopplaats stilstaat.) <KB 1983-09-02/33, art. 1, 007>

  I. (Algemene voorschriften betreffende de hefwerktuigen.) <KB 19-09-1980, art. 1>

  Art. 268. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  II. (Bijzondere voorschriften.) <KB 19-09-1980, art. 1>

  A. (Bijzondere voorschriften betreffende de hijswerktuigen.) <KB 19-09-1980, art. 1>

  Art. 269. <Zie nota's onder TITEL> <KB 19-09-1980, art. 1>
  1. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  2. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  3. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  4. (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
  5. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  B. (Bijzondere voorschriften betreffende hoogwerkers.) <KB 19-09-1980, art. 1>

  Artikel 269bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 19-09-1980, art. 1>
  1. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  2. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  3. (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  (C. Bijzondere voorschriften voor personenliften, die niet als paternosterliften of als personenbouwliften kunnen beschouwd worden, en voor goederenliften en fabrieksliften.) <KB 1983-09-02/33, art. 12, 007>

  Art. 270.<KB 1983-09-02/33, art. 12, 007> (NOTA : Opgeheven wat betreft de electrische goederenliften die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen. <KB 1995-05-05/32, art. 36, 4°, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>) (NOTA : Opgeheven wat betreft de electrische personen- en fabrieksliften die na 30 juni 1999 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen. <KB 1998-08-10/83, art. 41, 1°; Inwerkingtreding : 01-07-1997>) [1 (NOTA : opgeheven wat de liften bestemd voor vervoer van " personen " of " personen en goederen " betreft.)]1
  1. Vanginrichtingen van personenliften.
  1.1. Elke kooi van een personenlift welke opgehangen is aan kabels of kettingen is voorzien van een vanginrichting die slechts in dalende zin kan werken en die in staat is de volbelaste kooi bij de snelheid van het inwerkingtreden van de snelheidsbegrenzer, zelfs bij breuk van de ophangingstuigen, tot stilstand te brengen door het klemmen op de geleiders en in stilstand te houden.
  Deze vanginrichting is een remvang als de nominale snelheid van de lift groter is dan 1,00 m/s.
  Zij kan zijn :
  a) een blokkeervang met bufferwerking als de nominale snelheid niet groter is dan 1,00 m/s.
  b) een blokkeervang als de nominale snelheid niet groter is dan 0,63 m/s.
  De vertraging is zodanig opgevat dat er geen gevaar bestaat voor de personen in de kooi bij het tot stilstand komen ervan door de vang.
  1.2. Het in werking treden van de vanginrichting van de kooi wordt verwekt ingeval van overdreven snelheid bij het neerdalen, ten vroegste wanneer de snelheid van de kooi 115 pct. bereikt van de nominale snelheid en voordat een snelheid bereikt is van :
  a) 0,80 m/s voor een blokkeervang andere dan met vangrollen;
  b) 1,00 m/s voor een blokkeervang met vangrollen;
  c) 1,50 m/s voor een blokkeervang met bufferwerking, (of een remvang gebruikt voor snelheden kleiner dan 1,00 m/s);
  d) 1,25v + (0,25/v)
  (v staat voor nominale snelheid in m/s) voor een andere vanginrichting.
  1.3. Elk in werking treden van de vanginrichting van de kooi van een personenlift met elektrische bediening heeft het openen van de bedieningsketen door een ander veiligheidscontact dan dit van de snelheidsbegrenzer, voor gevolg. Dit veiligheidscontact maakt het onmogelijk de personenlift terug in beweging te brengen zolang de vanginrichting niet in oorspronkelijke toestand werd teruggebracht.
  1.4. De vanginrichtingen welke voorgeschreven zijn in artikel 270.9. beantwoorden aan de bepalingen van artikel 270.1.1., met dit verschil dat het toegelaten is een blokkeervang te gebruiken tot een nominale snelheid van 1,00 m/s.
  2. Elektrisch contact van de ophanging van personenliften met elektrische bediening.
  Indien de ophanging van het toestel slechts twee kabels of kettingen omvat heeft het ongelijk verlengen of de slapheid van de ophangingskabels of de kettingen van de kooi van de personenlift met elektrische bediening het openen van de bedieningskring voor gevolg door het openen van een veiligheidscontact.
  3. Snelheidsbegrenzer van personenliften met elektrische bediening.
  Een personenlift met elektrische bediening is uitgerust met een snelheidsbegrenzer die de vanginrichting in werking brengt in het geval voorzien bij artikel 270.1.2. en die een veiligheidscontact opent of een inrichting welke dezelfde veiligheidswaarborgen biedt ingeval van overdreven snelheid bij het neerdalen.
  Voor een personenlift met een nominale snelheid van meer dan 1,00 m/s opent de snelheidsbegrenzer dit veiligheidscontact of een inrichting welke dezelfde veiligheidswaarborgen biedt, bij een kleinere snelheid dan deze waarbij de vanginrichting in werking treedt.
  (Wanneer de snelheid bij het stijgen bij een personenlift met elektrische bediening de in artikel 270.1.2. voorziene snelheden kan overschrijden, dan opent de snelheidsbegrenzer eveneens een veiligheidscontact of een inrichting welke dezelfde veiligheidswaarborgen biedt, in geval van overdreven snelheid bij het stijgen.) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  Bij keuring en beproeving moet de vanginrichting bij een lagere snelheid dan aangegeven in artikel 270.1.2. in werking kunnen worden gesteld door de snelheidsbegrenzer te laten inklinken door middel van om het even welk veilig middel.
  De kabels voor snelheidsbegrenzers moeten gemakkelijk van de vanginrichting kunnen worden losgemaakt.
  (Het slap worden of de breuk van de kabel van de snelheidsbegrenzer moet gecontroleerd worden door een veiligheidscontact). <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  4. Schachtput.
  4.1. Voor elke personenlift, goederenlift en fabriekslift is beneden in de schacht een put aangebracht onder het laagste niveau dat door de kooi bediend wordt.
  4.2. De put is zo diep dat wanneer de kooi of laadvloer op de geheel ingedrukte buffers of op een vaste tegenhouder staat, er tussen de onderzijde van de kooi of de laadvloer en de bodem van de schachtput een ruimte overblijft waarin een rechthoekig parallellepipedum van 0,50 m x 0,60 m x 1,00 m rustend om op het even welke zijde, kan beschreven worden.
  4.3. De schacht is voorzien van een vast aangebrachte inrichting welke gemakkelijk toegankelijk is vanaf de bordesdeur van de laagste stopplaats, zodat het onderhouds- en controlepersoneel de putvloer op een veilige wijze kan bereiken en verlaten; deze inrichting moet buiten de baan van de bewegende delen van het toestel blijven.
  Indien een lokaal op het niveau van de schachtput aan de put paalt, is een toegangsdeur tot de schachtput voorzien. De aanwezigheid van een dergelijke deur houdt in dat de in voorgaand lid bedoelde vast aangebrachte inrichting niet verplichtend is.
  4.4. Indien onder de laagste stopplaats nog één of meerdere niet bediende verdiepingen zijn, is onmiddellijk onder deze stopplaats een voldoende stevige en onbrandbare werkvloer aangebracht, zodanig dat de schachtputafmetingen van punt 4.2. nageleefd worden.
  4.5. In de schacht van een elektrisch bediend toestel is een veiligheidsschakelaar aangebracht die de bedieningsstroom onderbreekt.
  Deze schakelaar is gemakkelijk bereikbaar voor een persoon als hij de toegangsdeur tot de schachtput heeft geopend en ook voor een persoon in de schachtput.
  Het weer in dienst stellen is slechts mogelijk door een opzettelijke handeling van deze personen.
  Een stopcontact is in de schachtput aangebracht.
  4.6. De voorschriften van de punten 4.2. en 4.3. zijn niet van toepassing op een goederenlift waarvan de horizontale afmetingen van de schacht kleiner zijn dan of gelijk aan 1,00 m :
  Zij zijn evenmin van toepassing op een personenlift, goederenlift of fabriekslift geplaatst in een gebouw dat reeds bestond op het ogenblik van de geplande installatie;
  1. indien het aanbrengen van een schachtput het verzwakken van de fundering van het gebouw tot gevolg kan hebben;
  2. indien het grondwaterpeil onder het gebouw een hoogte kan bereiken, die hoger is dan de bodem van de aan te brengen put.
  In deze gevallen :
  1. maken met de hand uittrekbare klampen het mogelijk de kooi of de laadvloer tegen te houden op een hoogte, die voldoende is om elk risico van verpletterd te worden te vermijden voor de personen, die zich beneden in de schacht bevinden;
  2. is een schakelaar, die beantwoordt aan de bepalingen van 4.5. in het benedendeel van de schacht geplaatst ter beschikking van de onderhoudswerkman.
  5. Uitloop en vrije ruimte boven de kooi van personen-, goederen- en fabrieksliften met een kooi opgehangen aan kabels of kettingen.
  5.1. Uitloop en vrije ruimte boven voor personen-, goederen- en fabrieksliften met tractieaandrijving :
  5.1.1. Als het tegengewicht op de geheel ingedrukte buffers of op een vaste tegenhouder staat, is gelijktijdig voldaan aan de volgende voorwaarden :
  a) de weg die de kooi boven nog geleid kan doorlopen, is ten minste gelijk aan 0,10 m + 0,035v**2, de weg uitgedrukt in meter en v (nominale snelheid) in meter per seconde;
  b) de vrije afstand boven het kooidak is ten minste gelijk aan 1,00 m + 0,035v**2.
  5.1.2. Voor snelheden boven de 2,50 m/s en wanneer de vertraging van de personen-, goederen- en fabriekslift gecontroleerd wordt door een inrichting zoals bepaald in de norm NBN E 52-014/197, "Veiligheidsvoorschriften voor het vervaardigen en het aanbrengen van personen- en goederenliften. Deel I : Elektrische personenliften", mag de waarde van 0,035v**2 zoals hierboven gebruikt voor de berekening van de veiligheidsuitloop boven het bovenste niveau worden verminderd :
  a) tot de helft voor een toestel met een nominale snelheid kleiner dan of gelijk aan 4 m/s;
  b) tot een derde voor een toestel met een nominale snelheid > 4 m/s.
  In beide gevallen mag deze waarde echter niet kleiner zijn dan 0,25 m.
  5.2. Uitloop en vrije ruimte boven voor personen-, goederen- en fabrieksliften met gekoppelde aandrijving :
  5.2.1. Wanneer de kooi op de bovenste stopplaats staat, is de weg die de kooi boven nog geleid kan doorlopen, en in voorkomend geval, voordat de buffers in werking komen, ten minste gelijk aan 0,50 m.
  5.2.2. Als de bovenste buffers door de kooi geheel zijn ingedrukt, of als de kooi tot stilstand komt door een vaste tegenhouder, is aan de volgende voorwaarden gelijktijdig voldaan :
  _ de vrije afstand boven het kooidak is ten minste gelijk aan 1,00 m;
  _ de vrije afstand tussen het laagste deel van het plafond en :
  a) het hoogste deel dat vast is aangebracht op het dak van de kooi met uitzondering van dat genoemd onder b), is ten minste gelijk aan 0,30 m;
  b) het hoogste deel van de leisloffen of leirollen, desgevallend het schot of delen van vertikale schuifdeuren, is ten minste gelijk aan 0,10 m.
  5.3. De voorschriften van de punten 5.1. en 5.2. zijn niet van toepassing op een goederenlift waarvan de horizontale afmetingen van de schacht kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 1,00 m.
  6. Buffers van kooi en tegengewicht van personenliften.
  6.1. Een personenlift is voorzien van buffers geplaatst in het onderste gedeelte van de schacht en bestemd om de kooi en het tegengewicht te remmen en tegen te houden wanneer de uiterste stopplaatsen overschreden worden, zonder, met nominale belasting, gevaar mede te brengen voor de personen in de kooi.
  De buffers mogen ook aan de kooi en aan het tegengewicht bevestigd worden.
  6.2. Buffers aan kooien of tegengewichten stuiten op een voetstuk dat ten minste 0,50 m hoog is, gelegen aan het einde van de baan. Deze bepaling is niet van toepassing voor tegengewichtsbuffers, als het voor het onderhouds- of toezichtspersoneel in de schachtput niet mogelijk is onder het gewicht te komen.
  6.3. Een personenlift met gekoppelde aandrijving is bovendien voorzien van buffers die op de kooi zijn geplaatst en die in werking komen als de kooi boven te ver doorloopt.
  Als de personenlift een tegengewicht heeft komen de buffers die boven de kooi zijn geplaatst slechts in werking als de tegengewichtsbuffers geheel zijn ingedrukt.
  6.4. Energieopnemende buffers mogen slechts gebruikt worden als de nominale snelheid niet groter is dan 1,00 m/s.
  6.5. Energieopnemende buffers met terugslagdemping mogen slechts worden gebruikt als de nominale snelheid niet groter is dan 1,60 m/s.
  6.6. Energieafvoerende buffers kunnen bij elke nominale snelheid gebruikt worden.
  De lift mag slechts kunnen werken als deze buffers in de normale stand zijn teruggekomen.
  De hiervoor gebruikte inrichting moet een elektrisch veiligheidscontact zijn.
  7. Noodeindschakelaars.
  Een personenlift, een goederenlift en een fabriekslift zijn, behalve de loopbegrenzers opgelegd door het artikel 268.2.2., voorzien van een loopbegrenzer welke onder dezelfde voorwaarden werkt bij het neerdalen.
  Na het werken van een noodeindschakelaar is het opnieuw in dienst stellen van het toestel slechts mogelijk door een tussenkomst in de machinekamer.
  De noodeindschakelaars van personenliften, goederenliften en fabrieksliften met elektrische bediening zijn veiligheidscontacten. Zij schakelen de voedingskring uit.
  Voor de toestellen met elektrische bediening met tractieschijf is het toegelaten dat de veiligheidsschakelaars alleen de hoofdstuurkring onderbreken.
  Het gebruik van een meebewegende kabel of ketting voor het functioneren van de noodeindschakelaar is toegelaten voor zover een ander element de goede staat van de bewegingsoverbrenging controleert en de kooi tot stilstand brengt in geval van defect aan de overbrenging.
  In het geval van personenliften met meerdere snelheden of met veranderlijke snelheid en waarvan de schokbrekers niet voorzien zijn om de kooi of het tegengewicht te remmen en tegen te houden bij grote snelheid, moet de inrichting tot het inzetten van de vertraging aan de uiterste stopplaatsen gecontroleerd worden door een veiligheidsschakelaar of een veiligheidskring.
  8. Stop en stopcontrole van de machine van elektrisch gedreven personenliften.
  Bij rechtstreeks door een elektrisch stroomnet gevoede machines is de energietoevoer afgesloten door twee onafhankelijke contactoren waarvan de contacten in serie op minstens twee fasen van de voedingskring van de motor geschakeld zijn.
  Indien, bij de stilstand van de personenlift, één van de contactoren de hoofdcontacten niet geopend heeft, is een volgende start onmogelijk ten laatste bij de volgende verandering van richting.
  Bij machines met veranderlijke spanning (Ward-Leonard aandrijving) mag hiervan afgeweken worden op voorwaarde dat voldaan wordt aan het gestelde in 12.7.2. van de norm NBN E 52-014/1979.
  9. Schachten gelegen boven plaatsen toegankelijk voor personen.
  Het tegengewicht van een personenlift, goederenlift of fabriekslift waarvan de schacht gelegen is boven plaatsen toegankelijk voor personen is uitgerust met een vanginrichting, behalve indien de vloer voldoende weerstandbiedend uitgevoerd is of indien een voldoende stevige ondersteuning aangebracht is.
  10. Schachten waarin kooien, laadvloeren of tegengewichten behorend tot verschillende toestellen ondergebracht zijn.
  Een scheiding vanaf de bodem van de schachtput en tot op een hoogte van minstens 2,50 m wordt aangebracht tussen de bewegende organen (kooi en tegengewicht) behorend tot verschillende toestellen die zich in eenzelfde schacht bevinden.
  Indien de horizontale afstand van de rand van een kooidak tot de bewegende organen (kooi en tegengewicht) van andere toestellen kleiner is dan 0,30 m moet de hierboven genoemde scheidingswand doorlopen over de gehele schachthoogte.
  11. Verlichting in de schacht.
  De schacht van een personenlift en van een goederenlift is voorzien van een vaste verlichtingsinstallatie die toelaat aan het personeel belast met de onderhouds- en controlewerkzaamheden zich zonder hinder te verplaatsen.
  (Deze bepaling is niet van toepassing op de toestellen waarvoor het omwille van de constructie niet toegelaten of niet mogelijk is zich in de schacht te verplaatsen op het dak van de kooi of op de laadvloer.) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  De verlichtingssterkte beantwoordt aan de bepalingen van artikel 62 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming (minimum 50 lux).
  12. Schachtwanden.
  12.1. De schacht van een personenlift, goederenlift en fabriekslift is omgeven met volle en op hun ganse hoogte doorlopende wanden; de enige toegelaten openingen zijn deze welke de normale toegangen tot de toestellen verlenen, de toegangen voor het nazicht en het onderhoud, en de openingen voor de doorgang van de kabels en de bedieningsorganen.
  12.2. Deze wanden bestaan uit metselwerk of beton of zijn van een graad van weerstand tegen brand van ten minste een half uur zoals bepaald door de norm NBN 713-020/1968, "weerstand tegen brand van de bouwelementen", en hebben bovendien een voldoende mechanische weerstand.
  12.3. (De voorschriften van de punten 12.1 en 12.2 zijn niet van toepassing op een toestel opgesteld in open lucht, in een fabriekshall of in andere omstandigheden waarbij de schacht geen luchtaanzuigkoker kan vormen langswaar de uitbreiding van een brand wordt bevorderd, een trappenhal uitgezonderd.
  De voorschriften van de punten 12.1 en 12.2 zijn eveneens niet van toepassing op bestaande toestellen op datum van 1 april 1984 opgesteld in een trappenhal) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  12.4. De schachten van de toestellen bedoeld in 12.3 beantwoorden nochtans aan de volgende bepalingen :
  12.4.1. De wanden zijn vol, doorlopend en in onbrandbare materialen. Voor een toestel opgesteld in open lucht of in een fabriekshall mogen zij uit metalen vlechtwerk bestaan vanaf een hoogte van 2,50 m boven de plaatsen in de nabijheid ervan, die betreedbaar zijn voor personen.
  12.4.2. Voor een toestel opgesteld in open lucht of in een fabriekshall moeten de wanden aan de niet toegangszijde niet over de gehele hoogte doorlopend zijn maar hun hoogte boven alle plaatsen in de nabijheid ervan die betreedbaar zijn voor personen is niet kleiner dan 2,50 m.
  12.4.3. De wanden uit metalen vlechtwerk hebben mazen van ten hoogste 75 mm met een minimum draaddikte van 2 mm.
  12.4.4. De wanden en panelen in veiligheidsglas en de panelen in gewapend glas hebben een minimumdikte van 6 mm.
  De wanden bestaande uit andere materialen zijn van gelijkwaardige stevigheid en strakheid.
  13. Schachtdeuren.
  13.1. Elke opening die uitgeeft op een schacht (behalve de openingen voor het doorlaten van de kabels en de bedieningsorganen en de openingen in de wanden in toepassing van de voorschriften van punt 12.4. is voorzien van een schachtdeur.
  (...) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  13.2. De hoogte van de schachtdeuren andere dan de bordesdeuren, die toegang verlenen tot de schacht, mag niet kleiner zijn dan 1,40 m.
  (De hoogte van de schachtdeuren die niet toelaten zich in de schacht te begeven (inspectieluiken) mag niet groter zijn dan 0,50 m.) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  13.3. Elke schachtdeur, behalve de bordesdeuren, is voorzien van een sleutelslot. Ze is normalerwijze op slot gehouden. De sleutel mag niet op de deur blijven steken en moet toevertrouwd worden aan een verantwoordelijke aangestelde.
  Wanneer de hoogte van de schachtdeur 1,50 m of meer bedraagt is ze op dezelfde wijze beveiligd als de bordesdeuren. (...) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  Op de schachtdeuren die geen bordesdeuren zijn wordt een veiligheidssignalisering aangebracht overeenkomstig artikel 54quinquies en zijn bijlagen, aangevuld met een opschrift dat de toegang verbiedt aan de personen die er niet door hun functie geroepen zijn.
  13.4. Elke schachtdeur is volwandig. Zij mag nochtans uitgerust zijn met een kijkraam in veiligheidsglas of gewapend glas met een minimumdikte van 6 mm.
  Ten minste een van de afmetingen van het kijkraam is kleiner dan of gelijk aan 15 cm.
  Het veiligheidsglas of het gewapend glas kan vervangen worden onder dezelfde voorwaarden als deze vervat in artikel 270.14.2.2., lid 2.
  13.5. Wanneer een brandweerstand opgelegd is door reglementaire bepalingen betreffende de brandbeveiliging van het betrokken gebouw, hebben de schachtdeuren een weerstand tegen brand van minstens een half uur, hetzij zoals bepaald door de norm NBN 713-020/1968 en zijn addendum 1 (1982), zonder dat het criterium thermische isolatie dient in overweging genomen te worden, hetzij zoals bepaald in de norm NBN E 52-014/1979.
  14. De schachtdeuren van personenliften, goederenliften en fabrieksliften met elektrische bediening.
  14.1. De schachtdeuren van personenliften, goederenliften en fabrieksliften met elektrische bediening zijn voorzien van een deurcontact.
  Indien de deur samengesteld is uit meerdere onafhankelijke panelen wordt elk paneel gecontroleerd door een op beide panelen werkend deurcontact indien er slechts twee zijn of door een deurcontact op elk paneel.
  (Deurcontacten waarvan de bedieningsorganen bereikbaar zijn voor onbevoegden mogen niet op eenvoudige wijze buiten gebruik kunnen gesteld worden.) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  14.2. De deuren zijn van zulkdanige stevigheid dat zij te allen tijde de goede werking van de voorgeschreven deurcontacten en in voorkomend geval van de grendelcontacten verzekeren.
  15. Bordesdeuren van fabrieksliften en deuren van goederenliften.
  De deuren van goederenliften en de bordesdeuren van fabrieksliften zijn voorzien van een automatische grendeling.
  (Deze voorschriften zijn niet van toepassing op goederenliften die aan de drie volgende voorwaarden voldoen :
  1° de toegelaten last niet groter is dan 50 kg;
  2° de vloerafmetingen van de kooi maximaal 0,50 m x 0,50 m bedragen;
  3° de onderste rand van de opening van de stopplaats zich minstens 0,70 m boven de omringende vloer bevindt.) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  De deuren van goederenliften met elektrische bediening hoger dan 1,50 m, zijn voorzien van een positieve grendeling overeenkomstig artikel 270.16.3.
  De bordesdeuren van fabrieksliften met elektrische bediening zijn voorzien van een positieve grendeling overeenkomstig artikel 270.16.3. en beantwoorden tevens aan de bepalingen van artikel 270.16.4. en 16.5.
  16. Bordesdeuren van personenliften met elektrische bediening.
  16.1. De vrije doorgangshoogte van de bordesdeuren is minimum 2,00 m.
  16.2. De bordesdeuren van personenliften met elektrische bediening zijn, benevens het deurcontact, uitgerust met een positieve grendeling.
  Bij horizontaal schuivende bordesdeuren die gelijktijdig met de kooideuren worden bediend kan het deurcontact samen met het grendelcontact worden uitgevoerd, op voorwaarde dat de effektieve sluiting van het paneel hierdoor wordt verzekerd.
  16.3. De positieve grendeling voldoet aan de volgende voorwaarden :
  16.3.1. Elke teruggaande beweging van het grendelend element dat de ontgrendeling van de deur voor gevolg heeft veroorzaakt onvermijdelijk het openen van het of de grendelcontacten.
  16.3.2. Het sluiten van het of de grendelcontacten geschiedt slechts na het effectief grendelen van de deur. Wederkerig geschiedt het ontgrendelen van de deur slechts na het openen van het of de grendelcontacten.
  Deze voorwaarden zijn vervuld, zelfs in geval van kortsluiting van het of de deurcontacten.
  16.3.3. Het deurcontact en het of de grendelcontacten zijn niet in parallel geschakeld.
  16.3.4. Het of de grendelcontacten zijn met geen enkel ander veiligheidscontact, al dan niet deel uitmakend van het slot, in parallel geschakeld.
  16.3.5. (...) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  (16.3.5.) De positieve grendeling is derwijze opgevat dat het mogelijk is door middel van een genormaliseerde sleutel zoals beschreven in de norm NBN E 52-014/1979 betreffende de elektrische personenliften, de deur te openen wanneer de kooi zich niet achter deze laatste bevindt (tijdens uitzonderlijke behandelingen om de controle, het onderhoud of sommige dringende herstellingswerken mogelijk te maken). <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  Een exemplaar van deze genormaliseerde sleutel is ter beschikking van de personen die uit hoofde van hun functie gemachtigd zijn hem te gebruiken, maar buiten het bereik van andere personen.
  Het is tevens mogelijk na het gebruik van de genormaliseerde sleutel de kooideur te openen in de gevallen en onder de omstandigheden voorzien in de norm NBN E 52-014/1979.
  16.4. Het normaal openen van een bordesdeur mag slechts mogelijk zijn wanneer de kooi stilstaat of op het punt staat tot stilstand te komen in de betrokken ontgrendelingszone.
  Deze ontgrendelingszone is beperkt tot 0,35 m boven en onder het niveau van de stopplaats voor de automatische deuren en tot 0,20 m boven en onder het niveau van de stopplaats voor de deuren die met de hand geopend worden.
  Het ontgrendelen kan, bij afwezigheid van de kooi, slechts geschieden door middel van de genormaliseerde sleutel.
  16.5. Bij normaal gebruik mag geen enkele verplaatsing van de kooi mogelijk zijn met open bordesdeuren en/of open kooideuren :
  16.5.1. Evenwel, ten behoeve van het gelijkstoppen (nivelleren) met deuren welke zich reeds openen of van het nastellen met open deuren, mogen de deur- en grendelcontacten overbrugd worden onder de volgende voorwaarden :
  1° deze bewegingen zijn begrensd tot de ontgrendelingszone bij middel van een veiligheidscontact of van een veiligheidskring;
  2° de snelheid bij nivelleren is begrensd tot 0,80 m/s en bij nastellen tot 0,30 m/s;
  3° de overbrugging der deurveiligheden bij nivelleren mag slechts mogelijk zijn nadat de vertraging naar een bepaalde verdieping ingeleid is.
  16.5.2. Wanneer bovendien ingevolge dienstnoodwendigheden de kooi buiten de ontgrendelingszone moet worden stilgelegd, mag men een van de hiernavolgende procédés aanwenden :
  16.5.2.1. Nadat de kooi voorafgaandelijk stilgelegd werd op de gewenste hoogte, mag het openen van de bordesdeur of in het geval 16.5.2.1.2. hieronder van het bovenste gedeelte van de bordesdeur, slechts mogelijk zijn op voorwaarde :
  16.5.2.1.1. dat de kooi voorzien is van een stootbord van voldoende afmetingen om volledig de ruimte tussen de vloer van de kooi en het bordes af te sluiten ofwel;
  16.5.2.1.2. dat de bordesdeur uit twee delen bestaat, beide uitgerust met een deurcontact en positieve grendeling, terwijl het onderste gedeelte vergrendeld blijft en de ruimte tussen de vloer van de kooi en het bordes volledig afsluit.
  16.5.3. Laadhoogtebesturing met open deur :
  Het verplaatsen van de kooi van op het bordespeil tot op het verlangde peil en terug, mag slechts mogelijk gemaakt worden met open bordesdeur of met het bovenste gedeelte van de bordesdeur open en eventueel met open kooideur, mits de volgende voorwaarden :
  16.5.3.1. de kooi kan niet meer dan tot 1,65 m boven de desbetreffende stopplaats worden verplaatst;
  16.5.3.2. de verplaatsing van de kooi is beperkt door een veiligheidscontact;
  16.5.3.3. de snelheid tijdens de verplaatsing is niet groter dan 0,30 m/s;
  16.5.3.4. de schachtdeur en de kooideur (zo er een is) openen uitsluitend aan de zijde voor het op laadhoogte stellen;
  16.5.3.5. de verplaatsingszone kan vanaf de bedieningsplaats van de laadhoogtebesturing goed worden waargenomen;
  16.5.3.6. de kooi is voorzien van een stootbord van voldoende afmetingen om volledig de ruimte tussen de vloer van de kooi en het bordes af te sluiten;
  16.5.3.7. de laadhoogtebesturing is slechts mogelijk na het bedienen van een veiligheidscontact met sleutel die slechts uit het contact kan worden getrokken na het beëindigen van de laadhoogtebesturing;
  16.5.3.8. het inschakelen van het veiligheidscontact met sleutel :
  16.5.3.8.1. schakelt de normale besturing uit;
  16.5.3.8.2. staat slechts het verplaatsen van de kooi toe door blijvende druk op een knop; de richting van de verplaatsing is duidelijk aangegeven;
  16.5.3.8.3. stelt buiten werking :
  _ het grendelcontact van de desbetreffende bordesdeur;
  _ het deurcontact van de desbetreffende bordesdeur;
  _ het kooideurcontact aan de desbetreffende zijde;
  16.5.3.9. de laadhoogtebesturing wordt ongedaan gemaakt door het inschakelen van de inspectiebesturing voorzien in artikel 270.19.4.;
  16.5.3.10. in de kooi is een blokkeerinrichting aangebracht.
  17. Horizontaal of vertikaal schuivende bordesdeuren met meerdere panelen mechanisch aan elkaar verbonden van personenliften met elektrische bediening.
  17.1. Wanneer de panelen van horizontaal of vertikaal schuivende deuren door een directe mechanische verbinding aan elkaar verbonden zijn volstaat het een enkel paneel door een positieve grendeling te vergrendelen op voorwaarde dat deze enige vergrendeling het openen van de andere panelen belet.
  Wanneer de panelen door een indirecte mechanische verbinding (kabels, riemen of kettingen) aan elkaar verbonden zijn, dient elk paneel positief vergrendeld te worden, hetzij door één grendeling die op alle panelen inwerkt, hetzij door afzonderlijke grendelingen.
  In het geval van een indirecte mechanische verbinding tussen de panelen is het nochtans toegelaten slechts één paneel te grendelen op voorwaarde dat deze enige grendeling het openen van de andere panelen belet en dat ze beantwoordt aan de volgende voorwaarden :
  1° het grendelsysteem maakt het voorwerp uit van een certificaat overeenkomstig de bepalingen en beproevingen van de norm NBN E 52-014/1979, ofwel;
  2°
  a) De kabels, kettingen en riemen hebben een minimale breukbelasting van 16 maal de kracht die erop uitgeoefend wordt wanneer een kracht van 150 N uitgeoefend wordt op het snelste paneel van het betreffende geheel in de richting van het openen.
  Bij de berekening wordt rekening gehouden met de geometrie van de inrichting waarbij zowel de wrijvingen als de inertiekrachten verwaarloosd worden.
  b) Bij het gebruik van kabels is de verhouding tussen de diameter van de schijven en de diameter van de kabel minstens 15.
  Bij kettingen en riemen worden de aanbevelingen van de fabrikant van deze elementen gevolgd.
  c) De kabels hebben een minimum diameter van 3 mm.
  d) De verbinding van de elementen bezit een minimum breukweerstand die gelijk is aan 80 pct. van deze van het zwakste element.
  17.2. Wanneer de panelen door een directe mechanische verbinding aan elkaar verbonden zijn volstaat de aanwezigheid van een deurcontact op een enkel paneel, (...) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>.
  Wanneer de panelen door een indirecte mechanische verbinding (kabels, riemen of kettingen) aan elkaar verbonden zijn, wordt elk paneel gecontroleerd hetzij door één deurcontact dat op de panelen inwerkt, hetzij door een deurcontact op elk paneel.
  (Hiervan mag afgeweken worden onder dezelfde omstandigheden en voorwaarden als onder 17.1. 3e lid, met in achtname van de bepalingen van de norm NBN E.52.014/1979 inzake de controle van de sluitstand van de deurpanelen). <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  18. Geleiding van de kooi en van het tegengewicht van de personenliften en goederenliften.
  De geleiding van de kooi en van het tegengewicht bij personenliften en goederenliften wordt verwezenlijkt met stijve metalen geleidingen.
  19. Kooien van personenliften.
  19.1. De kooien van personenliften hebben op gans hun hoogte volle wanden.
  Het dak is eveneens vol en is stevig genoeg om aan het gewicht van twee personen of 2000 N te weerstaan, en bevat een vrije oppervlakte uit één stuk waarop men steun kan vinden, met een minimale oppervlakte van 0,12 m2 en waarvan de kleinste afmeting ten minste 0,25 m bedraagt.
  Onder de kooi is een inrichting voorzien om er een veiligheidsgordel of valbreker op de gepaste plaatsten aan te hechten.
  Gedeeltelijk of volledig glazen daken zijn verboden.
  De glazen panelen die eventueel in de zijwanden zijn aangebracht zijn uitgevoerd in veiligheidsglas of gewapend glas met een minimum dikte van 6 mm.
  De glazen plafondlichten zijn vastgezet in een geraamte waardoor hun val verhinderd wordt.
  De wanden, de vloer en het dak hebben een voldoende mechanische sterkte om te weerstaan aan de krachten die optreden bij de normale werking en het gebruik van de personenlift.
  De bekledingsmaterialen zijn van de klassen vastgesteld overeenkomstig tabel 3 van de norm NBN S 21-203/1980 "Reactie bij brand van de materialen".
  19.2. De valluiken en nooddeuren van personenliften steken bij het openen op geen enkele manier uit buiten het horizontaal profiel van de kooi.
  De valluiken en de nooddeuren kunnen van buiten de kooi zonder sleutel geopend worden en van in de kooi met behulp van de genormaliseerde sleutel.
  De valluiken en nooddeuren van personenliften met elektrische bediening zijn voorzien van een veiligheidscontact. Het terug sluiten van het valluik of de nooddeur alleen, heeft niet het teruginschakelen van de bedieningskring voor gevolg.
  19.3. Een personenliftkooi is in alle omstandigheden op een natuurlijke wijze voldoende verlucht.
  Voor een kooi met volle deuren bedraagt de totale nuttige oppervlakte van de bovenste en de onderste verluchtingsopeningen elk minimum 1 dm2 per m2 oppervlakte van de kooi.
  Gelijkwaardige maatregelen worden getroffen voor de verluchting van de schacht.
  De verluchtingsopeningen van de kooi zijn zo opgevat of aangebracht dat het niet mogelijk is om vanuit de kooi een stijve rechte staaf van 10 mm diameter door deze verluchtingsopeningen te steken.
  19.4. Op het dak van de kooi van een personenlift met elektrische bediening zijn geplaatst : een stopcontact met aarding, een veiligheidsschakelaar welke de voedingskring of hoofdbedieningskring verbreekt en een inspectiedoos met schakelaar die de besturing van buiten uit en vanuit de kooi uitschakelt en de inspectiebesturing inschakelt bestaande uit daal- en stijgknoppen welke een permanente druk vereisen.
  De bediening is afhankelijk van al de veiligheidscontacten van het toestel.
  De aftakdozen voor de soepele leidingen zijn gemakkelijk toegankelijk.
  19.5. In de kooi zijn op goed zichtbare, goed leesbare en onuitwisbare wijze de volgende aanduidingen aangebracht :
  19.5.1. de naam en het telefoonnummer van de onderhoudsdienst;
  19.5.2. het fabricatiejaar;
  19.5.3. de toegelaten maximum belasting overeenkomstig artikel 268.1.5°;
  19.5.4. de duidelijke aanduiding van de functie van de diverse bedieningsorganen;
  19.5.5. het jaar van indienststelling.
  19.6. De kooiopeningen van een personenlift hebben een minimumhoogte van 2,00 m.
  Elk kooitoegang is voorzien van een volle deur.
  De kooideuren zijn zo stevig dat het goed functioneren van het voorgeschreven deurcontact te allen tijde verzekerd is.
  De horizontale afstand tussen de kooideur en de schachtwand, bordesdeur inbegrepen, bedraagt niet meer dan 15 cm op de plaatsen waar een persoon zich in deze zone zou kunnen begeven.
  Wanneer de kooideur voorzien is van een positieve grendeling waarbij de ontgrendeling slechts mogelijk is in de ontgrendelingszone is de bepaling van vorig lid slechts van toepassing in deze ontgrendelingszone.
  Bij automatische deuren mag de speling tussen kooidrempel en drempel van de schachtdeuren niet meer dan 3,5 cm bedragen op de stopplaats.
  19.7. De kooiopeningen moeten niet voorzien zijn van deuren indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
  19.7.1. de nominale snelheid is kleiner dan of gelijk aan 0,63 m/s;
  19.7.2. de schachtwand, bordesdeuren inbegrepen, die tegenover de beschouwde opening staat, ten minste op de breedte van deze, is samengesteld uit elementen die volledig effen, voldoende hard, weerstandbiedend en onvervormbaar zijn zoals metaalplaten en dergelijke en zonder scherpe randen of uitstekende gedeelten van meer dan (5 mm). Indien nodig zijn deze elementen nastelbaar; <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  19.7.3. de horizontale speling tussen kooidrempel, opstaande kanten van de kooiopening en schachtwand bedraagt niet meer dan 2 cm;
  19.7.4. de breedte van de bordesdeuren moet zodanig zijn dat de nuttige doorgang van de bordesopening minstens gelijk is aan de kooiopening, met het doel het vastklemmen van klederen, inzonderheid aan de zijde van de scharnieren, te beletten;
  19.7.5. het dak aan de toegangszijde staat 6 tot 8 cm achteruit tegenover de kooidrempel;
  19.7.6. een drempelbeveiliging met twee foto-elektrische inrichtingen of een intrekbare drempel samen met een foto-elektrische inrichting of een ander systeem met gelijkwaardige veiligheidsgaranties wordt aangebracht.
  (Indien gebruik gemaakt wordt van twee foto-elektrische inrichtingen is de ene ten hoogste op 5 cm en de andere op een hoogte van 0,5m. tot 1 m boven de kooidrempel aangebracht met een insprong van meer dan 3 cm en maximum 5 cm ten overstaan van de drempelboord.
  Indien gebruik gemaakt wordt van een intrekbare drempel samen met een foto-elektrische inrichting dan is deze op een hoogte van 0,5m. tot 1 m aangebracht zoals hierboven bepaald.
  De drempelbeveiliging is zodanig opgevat dat het inwerkingtreden ervan een blijvende stilstand van de kooi veroorzaakt, waarbij het opnieuw in werking komen van de lift slechts mogelijk is ofwel na een handeling in de kooi , ofwel van buitenuit na het openen van de bordesdeur, op voorwaarde dat de drempelbeveiliging teruggekeerd is in haar normale stand.) <KB 1984-12-12/30,art. 2 , 009>
  19.8. Wanneer er een kooideur aanwezig is wordt ze uitgerust met een deurcontact welke elke bediening en verplaatsing van de personenlift belet zolang deze deur niet in sluitstand is, onafgezien of de kooi al dan niet bezet is.
  Het gelijkstoppen is nochtans mogelijk, met op kooideur, in dezelfde voorwaarden als deze voorzien voor de bordesdeuren in artikel 270.16.5.
  Dezelfde voorschriften als deze van artikel 270.17.2. zijn van toepassing op de horizontaal of vertikaal schuivende kooideuren bestaande uit meerdere mechanisch verbonden panelen.
  19.9. Een personenliftkooi is voorzien van een noodverlichting die automatisch inschakelt bij het uitvallen van de voeding van de normale verlichting.
  19.10. Een personenliftkooi is voorzien van een noodoproepinstallatie die, bij een onvoorziene stilstand van de kooi, toelaat in alle omstandigheden een persoon die kan tussenkomen te verwittigen.
  19.11. De noodverlichting en de noodoproepinstallatie worden gevoed :
  _ hetzij door een automatisch opladende noodstroombron met gepast vermogen;
  _ hetzij door een gelijkwaardige stroombron, andere dan de normale netvoeding.
  De gewone droge batterijen worden niet aanvaard als voeding voor deze noodinstallaties.
  19.12. De kooidrempel van elke personenlift is voorzien van een stootbord waarvan de hoogte minimum gelijk is aan 0,75 m.
  20. Automatische horizontaal schuivende deuren van personenliften.
  Een beveiligingsinrichting veroorzaakt de stilstand en/of het geheel of gedeeltelijk heropenen van de automatische horizontaal schuivende bordes- en kooideuren van personenliften wanneer een hindernis het sluiten van de deur verhindert.
  Wanneer de beweging van de bordesdeur verbonden is met deze van de kooideur mag de beveiligingsinrichting gemeenschappelijk zijn.
  Het effekt van de inrichting mag geneutraliseerd zijn de laatste 5 cm van de weg van elk paneel.
  21. Laadvloeren van fabrieksliften.
  De laadvloeren van fabrieksliften zijn aan de niet toegangszijden voorzien van volle wanden of wanden met openingen om het contact van de lasten met de schachtwanden te verhinderen.
  (22. Kooien van goederenliften en fabrieksliften.
  22.1. De kooien van goederenliften en fabrieksliften zijn aan de niet toegangszijden voorzien van volle wanden of wanden met openingen om het contact van de lasten met de schachtwanden te verhinderen.
  De wanden, de vloer en het dak hebben een voldoende mechanische sterkte om te weerstaan aan de krachten die optreden bij normale werking en gebruik van de goederenlift of fabriekslift.
  22.2. Bij goederenliften en fabrieksliften waar het toegelaten en/of noodzakelijk is dat personen zich in de schacht verplaatsen op het dak van de kooi voor controle en onderhoud is voldaan aan de bepalingen van artikel 270.19.1., leden 2 en 3, en 19.4.). <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  23. Lieren van elektrische personenliften.
  23.1. De diameter van de traktieschijven, de leischijven en de trommel is minstens gelijk aan 40 maal de diameter van de kabels.
  (23.2. De traktieschijven zijn zodanig gebouwd dat :
  23.2.1. de kooi tot stilstand komt als de rem in werking treedt wanneer de kooi neerdaalt met een last gelijk aan 1,25 maal de nominale belasting;
  23.2.2. de lege kooi niet omhoog kan worden verplaatst als het tegengewicht op de buffers rust en de machine in de opwaartse richting draait;
  23.2.3. de kabels niet kunnen afspringen in het geval van vrijdragende traktieschijven). <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  23.3. De kabels van trommellieren wikkelen slechts in een laag op de trommel. De trommel is op zulkdanige wijze van groeven voorzien dat het uitspringen van de kabel voorkomen wordt en dat de kabelwindingen niet met elkaar in aanraking komen.
  Wanneer de kooi op de geheel ingedrukte buffers rust, moet er minstens nog 1 1/2 winding in de groeven van de trommel overblijven.
  Trommellieren zijn voorzien van een slappe kabelcontact dat de lier stopt indien de kooi die neerdaalt stilstaat voordat de machine gestopt is.
  23.4. De lier is van een rem voorzien.
  Deze stopt automatisch en geleidelijk de lier en houdt deze in stilstand, zodra de voedingsstroom van de motor of de controle daarop of de voedingsstroom van de rem verbroken wordt.
  De rem is in staat de dalende kooi te stoppen met een last gelijk aan 1,25 maal de nominale belasting. Wanneer de remwerking verkregen wordt door tussenkomst van veren, werken deze op samendrukking.
  23.5. De lier is zodanig uitgerust dat zij met de hand kan bediend worden met behulp van een glad en vol wiel. De kracht die hiertoe moet worden verricht om de kooi met haar nominale belasting omhoog te tornen, mag niet groter zijn dan 400 N. In het geval het wiel afneembaar is, wordt zijn aanwezigheid in de machinekamer verzekerd dank zij een veiligheidscontact.
  Deze bepaling is niet van toepassing op de toestellen uitgerust met een elektrische tornbesturingsinrichting die voldoet aan punt 14.2.1.4. van de norm NBN E 52-014/1979.
  23.6. In het geval de spanning van het net uitvalt of bij afwezigheid van de stuurstroom stopt de lier automatisch en treedt de rem in werking.
  23.7. De toevallige aarding van een stuurkring mag niet tot gevolg hebben dat :
  a) de lier in werking komt;
  b) de lier in werking blijft;
  c) de rem gelost wordt;
  d) de rem gelost blijft.
  24. Kabels en kettingen van personenliften, goederenliften en fabrieksliften.
  24.1. De kooi en het tegengewicht zijn opgehangen aan ten minste twee staalkabels of twee kettingen.
  (Voor goederenliften met een nominale last kleiner dan of gelijk aan 100 kg volstaat een staalkabel of een ketting). <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  24.2. De veiligheidscoëfficiënt van het geheel der kabels is minimum gelijk aan :
  12 voor de trommellieren;
  16 voor de tractieschijven wanneer de kooiophanging maar twee kabels telt;
  12 voor de tractieschijven wanneer de kooiophanging meer dan twee kabels telt.
  (8 voor traktieschijven van goederenliften wanneer de toegelaten last in de kooi kleiner dan of gelijk is aan 100 kg.) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  De veiligheidscoëfficiënt van het geheel der kettingen is minimum gelijk aan 10.
  De veiligheidscoëfficiënt van een kabel is de verhouding tussen de minimale breukbelasting van de kabel en de grootste kracht in die kabel wanneer de kooi met de nominale last zich op de laagste stopplaats bevindt. Voor het berekenen van deze grootste kracht moeten in aanmerking genomen worden, het aantal kabels, de takelophangfaktor (bij takelophanging), de nominale last, de massa van de kooi, de massa van de kabel, en de massa van de delen van de soepele leiding en van de compensatieinrichting die door de kooi worden gedragen.
  De effektieve breuklast van een kabel gestaafd door een beproevingscertificaat afgeleverd door de leverancier van de kabel kan de minimale breuklast van de kabel vervangen.
  De veiligheidscoëfficiënt van een ketting is de verhouding tussen de breuklast gewaarborgd door de leverancier en de grootste kracht in die ketting bepaald zoals hierboven voor de kabel.
  24.3. Het is verboden kabels te gebruiken waarvan de breukspanningsgrens van de draden kleiner is dan 1300 N/mm2.
  24.4. De diameter van de kabels is ten minste gelijk aan 8 mm.
  (Voor goederenliften met een nominale last kleiner dan of gelijk aan 100 kg opgehangen aan minstens twee kabels mag de diameter van de kabels 6 mm bedragen.) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  24.5. Ten minste aan een van hun uiteinden is een automatisch toestel voorzien om de gelijkmatige verdeling van de belasting over de ophangingskabels te bevorderen.
  25. Schacht, machinekamer, schijvenruimte en aanhorigheden van personenliften, goederenliften en fabrieksliften.
  25.1. De toegang tot de machinekamer, de lieren, de lei-inrichtingen en de toestellen is gemakkelijk en veilig en gebeurt met vaste middelen.
  Bij de goederenliften mag de toegang eventueel gebeuren via ladders die voor dit doel voorbehouden zijn en te allen tijde beschikbaar zijn in de nabijheid van de toegang op het toegangsniveau.
  25.2. De machinekamer, de schijvenruimte, de aanhorigheden en de schacht zijn uitsluitend voorbehouden aan de machines en de uitrusting van de personenliften, fabrieksliften en goederenliften.
  25.3. Op de toegangsdeuren wordt een veiligheidssignalering aangebracht overeenkomstig artikel 54 quinquies en zijn bijlagen, aangevuld met een opschrift dat de toegang verbiedt aan de personen die er niet door hun werk geroepen zijn.
  25.4. Een of meerdere metalen steunen of haken zijn aan het plafond van de machinekamer voorzien op oordeelkundig gekozen plaatsen om de behandeling van zware lasten bij de montage of de vervanging van het zware materieel mogelijk te maken.
  De maximaal toegelaten belasting van deze steunen of haken is aangeduid in de nabijheid ervan.
  25.5. In de machinekamer zijn de naam en het adres van de constructeur of de invoerder evenals het fabricatiejaar van het hefwerktuig aangebracht.
  25.6. De vrije loop- en werkhoogte van de machinekamer bedraagt minstens 1,80 m. Onder vrije loop- en werkhoogte wordt verstaan de hoogte gemeten onder de balken vanaf de vloer of het vlak waarop men zich moet bevinden om werkzaamheden te verrichten.
  Boven draaiende machinedelen is daarenboven een vrije ruimte voorzien van ten minste 0,30 m hoogte.
  Voor onderhoud en controle van de bewegende delen is een horizontaal vrij oppervlak van tenminste 0,50 m x 0,60 m voorzien en de toegang tot deze vrije oppervlakken heeft een breedte van ten minste 0,50 m.
  25.7. De machinekamer is voorzien van een vaste elektrische verlichting met een of meerdere schakelaars die toelaten licht te maken aan elke toegang en die een verlichtingsniveau verzekert van minstens 200 lux gemeten op de vloer. Tevens is een stopcontact aangebracht.
  25.8. De machinekamer is bestendig en voldoende verlucht.
  (26. Overgangsmaatregelen.
  26.1. De voorschriften van de hierna volgende punten van dit artikel zijn niet van toepassing op de op de datum van 1 april 1984 bestaande of in opbouw zijnde toestellen :
  _ punt 1.1., leden 2, 3 en 4;
  _ punt 1.2. wat betreft het verband tussen de snelheid en het type van vanginrichting;
  _ punten 1.3., 1.4., en 3, leden 3 en 6;
  _ punt 4.2. : voor de toestellen bestaande op 1 januari 1958 op voorwaarde dat punt 4.6., laatste lid nageleefd wordt of indien voldaan wordt aan de volgende bepalingen :
  Beneden in de schacht is een put aangebracht onder het laagste peil dat door de kooi bediend wordt. Deze put is zo diep dat wanneer de kooi lager dan de overschrijdingsreserve is gekomen en tegen een vaste tegenhouder is gestuit, er tussen de bodem van de kooi en de bodem van de put een voldoende vrije ruimte blijft opdat een persoon er in kan vertoeven zonder verpletterd te worden. Deze ruimte moet minstens 40 cm hoog zijn. Wanneer het door de grondplanafmetingen van de put en de plaats van de organen en de onderdelen van het hefwerktuig niet mogelijk is in de put te gaan liggen, dan is de veiligheidsruimte minstens 1,20 m hoog, zoniet dient er in een der schachtwanden, bij voorkeur langs de kant van de toegangsopeningen, een nis aangebracht waarin een persoon kan schuilen.
  _ punt 4.5. laatste lid;
  _ punten 5, 6.2., 6.3., 6.4., 6.5., 6.6., 7, 8, 9, 10, lid 2, 11, 12,2;
  _ punt 12.4.1. : op voorwaarde dat de wanden minstens doorlopend zijn en dat de openingen in de wanden uit metalen vlechtwerk beantwoorden aan de volgende maximum afmetingen :
  _ 10 mm met minimumdoorsnede van de draad van 2 mm wanneer de afstand tot de in beweging zijnde organen minder dan 100 mm bedraagt;
  _ 30 mm met minimumdoorsnede van de draad van 2 mm wanneer deze afstand 100 tot 300 mm bedraagt;
  _ 60 mm met minimumdoorsnede van de draad van 3 mm wanneer deze afstand meer dan 300 mm bedraagt.
  Indien de wanden van de toegangszijde niet volledig vol zijn moet de kooi voorzien zijn van een volle kooideur.
  _ punten 13.2., 13.3., lid 2 en 13.5.;
  _ punt 14.1., lid 3;
  _ punt 15, lid 1 voor goederenliften met deuren tot 1,50 m hoogte;
  _ punt 15, lid 2, 3° : indien de onderste rand zich minstens 0,60 m boven de omringende vloer bevindt;
  _ punt 16.1.;
  _ punt 18 : voor kooien met een toegelaten last van maximaal 50 kg en voor tegengewichten;
  _ punten 19.1., leden 3, 4, 6 en 8, 19.5.2., 19.5.5. en 19.6., lid 1;
  _ punt 19.7.1. Kooiopeningen zonder deur zijn evenwel verboden voor toestellen waarvan de nominale snelheid 1,25 m/s overtreft;
  _ punten 19.7.4., 20 en 23.1.;
  _ punt 24.1., lid 1 voor goederenliften en voor fabrieksliften uitgerust met een vanginrichting;
  _ punten 24.3., 24.4., 24.5., 25.2., 25.4. en 25.6.
  26.2. Voor de op de datum van 1 april 1984 bestaande of in opbouw zijnde toestellen worden bovendien de volgende afwijkingen van de bepalingen van dit artikel verleend :
  _ punt 3., lid 1 : het veiligheidscontact moet niet noodzakelijk aangebracht worden;
  _ punt 10., lid 1 : een scheidingswand met een hoogte van 2 m is aanvaardbaar;
  _ punt 13.4. : kijkramen met een diameter van 20 cm, evenals kijkramen met grotere afmetingen voorzien van een metalen bescherming met mazen van hoogstens 40 mm en een draaddoorsnede van minstens 2,5 mm mogen behouden blijven;
  _ punten 15, 16 en 17 : de bestaande grendelingen die aan de hierna vermelde voorwaarden voldoen mogen behouden blijven :
  De tong van het slot of elk tot hetzelfde doel dienend toestel werkt automatisch.
  Het slot bestaat uit een grendelingstoestel met elektrisch contact, dat door de kooi wordt aangezet en aldus werkt dat ontgrendeling slechts mogelijk is wanneer de kooi ter hoogte van de overeenstemmende laadplaats stilstaat met een toegestane speling van 15 cm boven of onder dit peil, terwijl alle andere bordesdeuren gesloten blijven; deze speling is alleen toegelaten wanneer de toegang tot de kooi aldus aangelegd is dat ongevallen van personen door verplettering tussen de kooi en de vloer van de laadplaats vermeden worden. Door ontgrendeling van een deur moet elke beweging van de kooi onmogelijk zijn. Het slot wordt evenwel op dusdanige wijze vervaardigd dat het mogelijk is, en zulks uitsluitend door middel van een werktuig of van een speciale sleutel, een bordesdeur te openen wanneer de kooi er niet achter staat, tijdens uitzonderlijke werkzaamheden voor het toezicht, het onderhoud en sommige dringende herstellingen.
  _ punten 16.3.5. en 16.4. : de genormaliseerde sleutel mag vervangen worden door een speciaal werktuig met uitsluiting van een schroevendraaier;
  _ punt 17 : op voorwaarde dat er minstens een vergrendeling is op het aangedreven paneel en een deurcontact op het meegenomen paneel en dat de verbinding tussen de panelen voldoende waarborgen biedt;
  _ punt 19.7.3. : een speling van 3 cm is aanvaardbaar;
  _ punt 19.7.6. : een intrekbare drempel of een foto-elektrische cel nabij de drempel geplaatst zijn aanvaardbaar;
  _ punt 19.8. : het deurcontact moet niet noodzakelijk een veiligheidscontact zijn;
  _ punt 19.12. : een stootbord met een hoogte gelijk aan de halve ontgrendelingszone + 10 cm is aanvaardbaar;
  _ punt 22.1. : een laadvloer zonder wanden is aanvaardbaar;
  _ punt 23.5. : het tornwiel moet niet noodzakelijk vol zijn;
  _ punt 24.2. : een veiligheidscoëfficiënt gelijk aan 10 is aanvaardbaar voor trommellieren;
  _ punt 25.5 : het fabricatiejaar mag vervangen worden door de aanduiding "gebouwd vóór of na 1 januari 1958";
  _ punt 25.7. : een verlichtingsniveau van 100 lux overeenkomstig artikel 62 van dit reglement is aanvaardbaar.
  26.3. Voor de op 1 april 1984 bestaande of in opbouw zijnde toestellen zijn de bepalingen van dit artikel slechts toepasselijk op 1 april 1989. In afwachting van het beëindigen van de aanpassingswerken blijven de bepalingen die op deze toestellen vóór 1 april 1984 van toepassing waren van kracht (koninklijk besluit van 26 februari 1957 en koninklijk besluit van 15 april 1958).
  26.4. Vanaf de datum van 28 oktober 1983 is de installatie, het indienstnemen en het gebruik van een fabriekslift verboden. Deze bepaling is niet van toepassing op de bestaande en in opbouw zijnde fabrieksliften op deze datum.
  26.5. Bij de vervanging van de op datum van 1 april 1984 bestaande toestellen door nieuwe toestellen in dezelfde schacht, mag afgeweken worden van de volgende punten :
  _ 4.2. op voorwaarde dat de bepalingen van punt 4.6., laatste lid, nageleefd worden;
  _ 5.1. op voorwaarde dat de vrije hoogte boven het kooidak volgens 5.1.1. minstens 0,75 m bedraagt;
  _ 25.6. op voorwaarde dat de vrije loop- en werkhoogte minstens 1,50 m bedraagt.) <KB 1984-12-12/30, art. 2, 009>
  ----------
  (1)<KB 2003-03-09/52, art. 15, 059; Inwerkingtreding : 10-05-2003>

  Art. 270bis. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  (D. Bijzondere voorschriften voor hydraulische personenliften, goederenliften en fabrieksliften.) <KB 1983-02-09/33, art. 13, 007>

  Art. 271.<KB 1983-09-02/33, art. 13, 007> (NOTA : Opgeheven wat betreft de hydraulische goederenliften die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen. <KB 1995-05-05/32, art. 36, 5°, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>) (NOTA : Opgeheven wat betreft de hydraulische personen- en fabrieksliften die na 30 juni 1999 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen. <KB 1998-08-10/83, art. 41, 2°; Inwerkingtreding : 01-07-1997>) [1 (NOTA : opgeheven wat de liften bestemd voor vervoer van " personen " of " personen en goederen " betreft.)]1 1. [De voorschriften van artikel 270, behalve de artikelen 270.5. en 270.7 leden 1, 4 en 5, zijn toepasselijk op de hydraulische personenliften, goederenliften en fabrieksliften.] <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  (De voorschriften van artikel 270.1., 2., 3., 23.1., 24 behalve 24.2. lid 1, zijn enkel toepasselijk op hydraulische personenliften met indirecte aandrijving.) <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  2. De volgende bijzondere voorschriften worden eveneens in acht genomen.
  (2.1. Vanginrichting.
  De hydraulische personenliften, goederenliften en fabrieksliften met directe aandrijving die niet uitgerust zijn met een mechanische vanginrichting overeenkomstig artikel 270.1, zijn voorzien van een veiligheidsinrichting (leidingbreukventiel) in het hydraulisch systeem die een ongewilde daling van de kooi verhindert bij defekt of breuk van hydraulische leidingen. Deze beveiliging maakt deel uit van de cilinder en is voorzien van een controlemiddel.
  De personenliften die niet voorzien zijn van een mechanische vanginrichting overeenkomstig artikel 270.1. en waarvan de cilinder ingegraven is, zijn voorzien van :
  1° ofwel een dubbelwandige cilinder;
  2° ofwel een cilinder geplaatst in een beschermbuis die aan de volgende criteria voldoet :
  _ vervaardigd zijn uit staal met een voldoende dikte en onderaan gesloten zijn om de indringing van water te verhinderen;
  _ een voldoende diameter en lengte hebben om elk contact tussen de cilinder enerzijds en de wanden en de bodem van de beschermbuis anderzijds te vermijden;
  _ zodanig aangebracht zijn dat de indringing van water langs boven in de tussenruimte vermeden wordt;
  _ beschermd zijn tegen de risico's van corrosie.
  Indien toch de indringing van water in de tussenruimte wordt vastgesteld, worden de nodige maatregelen genomen, hetzij om dit te verhelpen, hetzij om de installatie bijkomend te beveiligen of te testen.) <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  2.2. Snelheidsbegrenzer.
  De hydraulische personenliften (...)zijn uitgerust met een mechanische of hydraulische snelheidsbegrenzer. <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  De in 2.1. genoemde veiligheidsinrichting wordt als een hydraulische snelheidsbegrenzer aangezien.
  Een mechanische snelheidsbegrenzer is slechts toegelaten samen met een vanginrichting. De voorschriften van artikel 270.3. zijn erop van toepassing.
  2.3. Vrije ruimte boven de kooi.
  Wanneer de zuiger in zijn hoogste stand is en tegen de cilinder stoot dient voldaan te zijn aan de voorwaarden van artikel 270.5.1.1.b).
  Bij toestellen met directe aandrijving mag de term 0,035 v**2 vervallen.
  2.4. Noodeindschakelaar.
  (De noodeindschakelaar werkt voordat de zuiger bij het stijgen in mechanisch contact komt met de cilinder.) <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  (Bij de toestellen met elektrische bediening mag de noodeindschakelaar de hoofdstuurkring onderbreken in plaats van de elektrische voedingskring.) <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  2.5. Machinekamer en aanhorigheden.
  De vloer van de machinekamer is zodanig ingericht dat in geval van lek aan het hydraulisch systeem, de totale hoeveelheid olie binnen het lokaal opgevangen wordt (eventueel door gebruik te maken van verhoogde boorden met in achtname van de vrije werk- en loophoogten).
  De elektrische installaties zijn aangebracht boven het hoogste niveau dat de olie kan bereiken wanneer deze zich in het lokaal verspreidt.
  2.6. Machine, hydraulische leidingen en veiligheden.
  2.6.1. Zuiger :
  2.6.1.1. De verbinding tussen de zuiger en de kooi en tussen de eventuele zuigerelementen onderling zijn voldoende stevig. Bij de berekening ervan wordt onder andere rekening gehouden met de mogelijke knikkrachten.
  De verbinding tussen de zuiger en de kooi, alsmede de ophanging van de cilinder, zijn zodanig opgevat dat er geen buigmomenten op de cilinder kunnen optreden.
  De bevestiging van de zuiger aan de kooi mag niet uit zichzelf kunnen loskomen.
  2.6.1.2. Een aanslag tussen zuiger en cilinder verhindert dat de zuiger de uiterste standen van de cilinder zou overschrijden.
  2.6.2. Cilinder.
  De cilinder is beschermd tegen de risico's van corrosie.
  De metalen wand van een ingegraven cilinder mag niet in rechtstreeks contact zijn met de omringende aarde.
  2.6.3. Hydraulische leidingen :
  2.6.3.1. De leidingen en hun toebehoren zijn aangepast aan de gebruikte vloeistof en druk. Zij zijn beschermd tegen mechanische beschadigingen.
  2.6.3.2. De leidingen en hun toebehoren zijn op gepaste wijze bevestigd en toegankelijk met het oog op een controle.
  Indien de leidingen (stijve of buigzame) door muren of vloeren gaan zijn zij beschermd door kokers waarvan de afmetingen toelaten de leidingen te demonteren voor hun controle. Geen enkele verbinding is binnen deze kokers gemaakt.
  2.6.3.3. De nodige ontluchtingen van het hydraulisch systeem zijn op gepaste plaatsen en in voldoende aantal aangebracht.
  Tussen de pomp en het leidingbreukventiel van de cilinder is een manometer aangebracht, voorzien van een scheidingskraan, en waarop de nominale en maximaal toegelaten drukken aangeduid zijn.
  2.6.3.4. Vaste leidingen zijn voorzien voor een minimum barstdruk van vier maal de druk bij volbelaste kooi en de soepele leidingen voor vijf maal deze druk.
  2.6.4. Hydraulische veiligheid.
  Tussen de pomp en het leidingbreukventiel van de cilinder is een drukbegrenzer aangebracht die bij werking, de vloeistof terug naar het reservoir voert.
  Deze drukbegrenzer treedt in werking voordat de druk 140 pct. van de druk bij volbelaste kooi bereikt en het in werking treden heeft de opening van een (elektrisch contact) voor gevolg dat de installatie stopt. <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  2.6.5. Vrijmaken van personen uit geblokkeerde liftkooi.
  Een hydraulische personenlift is voorzien van een manueel bediend ventiel om de kooi te laten dalen zelfs indien de voedingsstroom is uitgevallen.
  De daalsnelheid van de kooi mag in dit geval niet hoger zijn dan 0,30 m/s.
  In het geval dat de kooi uitgerust is met een mechanische (vanginrichting) moet een manuele pomp aangebracht zijn die toelaat de kooi omhoog te bewegen ten einde de (vanginrichting) te kunnen deblokkeren. <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  2.6.6. Kabels en kettingen.
  (De ophangkabels en de kettingen van personenliften met indirecte aandrijving hebben respectievelijk een veiligheidscoëfficiënt van 12 en 10.) <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  2.6.7. Beveiliging tegen de langzame daling van de personenliftkooi met open deur.
  Een langzame daling van een personenliftkooi van meer dan 0,10 m beneden het niveau van de stopplaats dient door een van de volgende middelen verhinderd te worden :
  a) door een inrichting met klamp (en);
  b) door een vanginrichting bediend door de daalbeweging van de kooi;
  c) door een systeem voor nastelling;
  d) door het gebruik van zelfsluitende deuren en het terugroepen van de kooi naar het laagste niveau na een instelbare tijd.
  2.7. Overgangsmaatregelen.
  2.7.1. Wat betreft de bepalingen in verband met de toestellen waarvan sprake in artikel 270 die toepasselijk zijn op de hydraulische toestellen gelden dezelfde overgangsmaatregelen als voor de eerstgenoemde toestellen.
  (2.7.2. De voorschriften van de volgende punten zijn niet van toepassing op de bestaande of in opbouw zijnde toestellen op de datum van 1 april 1984 :
  _ de punten 2.1., laatste zin van lid 1, lid 2, 2.3., 2.5., 2.6.1.1. wat betreft de berekening, 2.6.2. lid 2, 2.6.3.2., 2.6.3.4., 2.6.6. en 2.6.7;
  _ punt 1, lid 2 : wat betreft de aanwezigheid van een snelheidsbegrenzer, op voorwaarde dat de volgende veiligheidsinrichtingen aanwezig zijn :
  1° een leidingbreukventiel;
  2° een vanginrichting die in werking treedt bij breuk van een van de ophangkabels of de ophangingstuigen.) <KB 1984-12-12/30, art. 4, 009>
  2.7.3. Voor de bestaande of in opbouw zijnde toestellen op de datum van inwerkingtreding van dit besluit treden de voorschriften 2.2., 2.6.3.1., 2.6.3.3., 2.6.4. en 2.6.5. in werking na een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  ----------
  (1)<KB 2003-03-09/52, art. 15, 059; Inwerkingtreding : 10-05-2003>

  (E. Bijzondere voorschriften voor personenbouwliften.) <KB 1983-09-02/33, art. 14, 007>

  Art. 272. <Zie nota's onder TITEL> <KB 1983-09-02/33, art. 14, 007>
  1. De voorschriften van artikel 270.1., 2., 3., 4.3. lid 1, 4.4., 4.5., 5, 6, 8, 9, 18, 19.4. (ook voor montagebesturing), 19.5., 23 en 24 betreffende de personenliften en de voorschriften van artikel 271 betreffende de hydraulische personenliften zijn toepasselijk op personenbouwliften.
  2. De volgende bijzondere voorschriften worden eveneens in acht genomen :
  2.1. Vanginrichting :
  Elke kooi van een personenbouwlift met tandbeugel is voorzien van een vanginrichting die beantwoordt aan de bepalingen van artikel 270.1.
  2.2. Vrije ruimte boven de kooi :
  Bij personenbouwliften met tandbeugel, wanneer de kooi in zijn hoogste stand staat, dient voldaan te zijn aan de voorschriften van artikel 270.5.1.1.b) maar waarbij de term 0,035 v**2 mag vervallen.
  2.3. Ontgrendelingszone :
  De ontgrendelingszone mag niet meer dan 0,20 m bedragen boven en onder het niveau van de stopplaats.
  2.4. Schacht.
  2.4.1. De zijden van de schacht waarin de bordesdeuren zijn aangebracht zijn voorzien van over de gehele hoogte doorlopende wanden. Van dit voorschrift kan afgeweken worden wanneer voldaan is aan de voorschriften voorzien bij punt 2.5.4. wat de inrichtingen voor het sluiten en vergrendelen van de kooideuren betreft.
  2.4.2. Wanneer gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid tot afwijking voorzien bij punt 2.4.1. is deze schachtwand minstens 2,00 m hoog boven de vloer van elke stopplaats en boven elke andere vloer, overloop, trap of ladder gelegen op minder dan 0,70 m van de ruimte waarin de kooi en het tegengewicht zich bewegen.
  2.4.3. Wanneer er zich vloeren, overlopen, trappen of ladders op minder dan 0,70 m van de andere zijden van de schacht bevinden dan zijn deze zijden voorzien van wanden van minstens 2,00 m hoog boven het niveau van deze vloeren, overlopen, trappen of ladders.
  2.4.4. Op het niveau van de grond bedraagt de hoogte van de wanden minstens 2,50 m.
  2.4.5. De wanden voorzien bij de punten 2.4.1., 2.4.2., 2.4.3. en 2.4.4. zijn vol of uitgevoerd in metalen traliewerk. Dit traliewerk heeft mazen van maximaal 3 cm en een minimum draaddikte van 2 mm ofwel mazen van maximaal 1 cm horizontaal en maximaal 6 cm vertikaal met een minimum draaddikte van 1,8 mm.
  2.4.6. De openingen die toegang verlenen tot de schacht zijn voorzien van bordesdeuren, zodanig uitgevoerd dat zij toelaten duidelijk te zien of de kooi zich erachter bevindt.
  Ze bestaan uit een stevig kader en voldoen voor wat hun panelen betreft aan de bepalingen van punt 2.4.5.
  De vrije doorgangshoogte van de openingen die toegang verlenen tot de schacht bedraagt minstens 2,00 m.
  2.4.7. Tenzij de bordesdeuren voorzien zijn van positieve grendelingen die beantwoorden aan artikel 270.16., omvat elke bordesdeur een grendelingsinrichting die slechts vanuit de kooi kan bediend worden met uitzondering van de grendelingsinrichting van de onderste stopplaats die eveneens van buitenuit kan bediend worden met behulp van een speciale inrichting, tenzij de onderste stopplaats uitgerust is met een automatische grendeling.
  Elke grendelingsinrichting van de bordesdeur is voorzien van een grendelcontact. In het geval een automatische grendeling wordt gebruikt voor de bordesdeuren van de onderste stopplaats mag het grendelcontact van de bordesdeur vervangen worden door een deurcontact en een grendelcontrolecontact.
  2.4.8. De afstand tussen de bordesdeuren en de kooidrempel mag niet meer dan 15 cm bedragen. De afstand tussen de drempel van de stopplaatsen en de kooidrempel mag niet meer dan 5 cm bedragen.
  2.4.9. Beneden in de schacht worden, hetzij een schachtput aangebracht beantwoordend aan de voorschriften van artikel 270.4.1. en 4.2. en voorzien van een afvoersysteem voor regenwater, hetzij voorzieningen beantwoordend aan de voorschriften van artikel 270.4.6. laatste lid.
  2.5. Kooi :
  2.5.1. De kooi is over haar gehele hoogte voorzien van doorlopende wanden : deze zijn vol over een hoogte van minimum 1,00 m ten overstaan van de kooivloer gemeten.
  Het overige gedeelte beantwoordt aan de voorschriften van artikel 2.4.5.
  2.5.2. De kooi is voorzien van een dak dat stevig genoeg is om te weerstaan aan de te voorziene krachten, inzonderheid bij montagewerkzaamheden, en minstens aan het gewicht van twee personen of 2000 N en omvat een horizontaal vrij oppervlakt uit een stuk met een minimale oppervlakte van 0,12 m2 en waarvan de kleinste afmeting ten minste 0,25 m meet.
  Het dak heeft een valluik dat voorzien is van een veiligheidscontact dat slechts gesloten kan zijn wanneer het valluik gesloten is.
  Een vaste ladder aangebracht in de kooi, laat toe het dak van de kooi te bereiken.
  De buitenrand van het kooidak is voorzien van een plint met een minimum hoogte van 10 cm en van een leuning, die indien nodig, neerklapbaar of uitschuifbaar mag zijn, waarvan de loopreling aangebracht is op een hoogte van 1,00 m tot 1,20 m en de tussenreling op een hoogte van 0,40 m tot 0,50 m.
  In het geval de leuning neerklapbaar of inschuifbaar is moet ze voorzien zijn van een veiligheidscontact dat gekoppeld is met de inspectiebesturing en zodanig werkt dat de leuning moet opgeklapt of uitgeschoven zijn bij inspectiebesturing en dat de leuning dient neergeklapt of ingeschoven te zijn bij normaal bedrijf.
  2.5.3. De kooitoegangen zijn voorzien van stevige deuren. Deze deuren voldoen aan de bepalingen van 2.5.1. betreffende de wanden.
  De vrije doorgangshoogte van de kooitoegang bedraagt minstens 2,00 m.
  2.5.4. De kooideuren die gelegen zijn tegenover doorlopende schachtwanden zijn voorzien van een deurcontact.
  De kooideuren die niet gelegen zijn tegenover doorlopende schachtwanden zijn voorzien van een deurcontact en van een automatische vergrendeling met grendelcontrolecontact.
  2.5.5. De bediening van de personenbouwlift mag slechts vanuit de kooi kunnen gebeuren en dit met behulp van inrichtingen die, wanneer ze losgelaten worden automatisch het stoppen van de kooi veroorzaken.
  Slechts personen, die voldoende bevoegd zijn, mogen een dergelijke personenbouwlift bedienen.
  Deze bepalingen zijn niet toepasselijk indien de bordesdeuren voorzien zijn van positieve grendelingen die beantwoorden aan artikel 270.16.
  De nodige aanduidingen in verband met de bediening zijn duidelijk zichtbaar, goed leesbaar en onuitwisbaar aangebracht in de nabijheid van de bedieningsinrichtingen.
  2.5.6. De kooi is voorzien van een verlichting en een alarminstallatie.
  2.6. Noodeindschakelaars :
  2.6.1. De personenbouwlift wordt automatisch tot stilstand gebracht zodra de kooi hetzij de bovenste, hetzij de onderste stopplaats bereikt.
  2.6.2. Onafhankelijk hiervan wordt het stoppen van de personenbouwlift tevens teweeggebracht door de kooi of door het tegengewicht zodra de kooi hetzij de bovenste, hetzij de onderste stopplaats voorbijgaat.
  Indien de personenbouwlift een trommellier bevat wordt de stilstand ervan steeds veroorzaakt door de kooi.
  De noodeindschakelaar kan niet automatisch terug gesloten worden door de verplaatsing van de kooi.
  Het verbreken van de stroom door de noodeindschakelaar wordt teweeggebracht door een veiligheidscontact.
  Het schakelt de voedingskring uit.
  Voor toestellen met traktieschijf is het toegelaten dat de veiligheidsschakelaars alleen de hoofdstuurkring onderbreken.
  2.6.3. Een inrichting is aangebracht die belet dat de personenbouwlift kan functioneren met een overbelasting van meer dan 20 pct. in de kooi.
  2.7. Lier :
  2.7.1. De lier en haar aanhorigheden zijn zodanig opgevat en/of opgesteld dat zij doelmatig beschermd zijn tegen de weersomstandigheden en tegen de indringing van vreemde voorwerpen eigen aan de bouwwerkzaamheden.
  2.7.2. Een hoofdschakelaar laat toe de elektrische installatie van de personenbouwlift in alle fasen buiten werking te stellen.
  Deze schakelaar moet in alle omstandigheden bereikbaar zijn en wordt aan het benedendeel van de schacht of nabij de lier geplaatst.
  2.8. Tandbeugelsysteem :
  2.8.1. De tandlatten worden op zodanige wijze bevestigd dat hun uitlijning verzekerd blijft onder de normale omstandigheden van gebruik en werking.
  2.8.2. Bij normale werking en belasting grijpen de tanden minstens de helft van de hoogte in op de tandlat.
  2.8.3. Het tandbeugelsysteem dient zodanig ontworpen en berekend te zijn dat een gelijkwaardige veiligheid bereikt wordt als deze opgelegd voor de kabels.
  2.8.4. De tandlatten lopen zowel bovenaan als onderaan voldoende ver door om te beletten dat de tandwielen uit de tandlatten zouden grijpen.
  2.9. Elektrische contacten en deurmechanismen.
  De elektrische contacten en deurmechanismen zijn zodanig opgevat en/of opgesteld dat zij doelmatig beschermd zijn tegen weersinvloeden, tegen de indringing van vreemde voorwerpen eigen aan de bouwwerken. Zij zijn bovendien zodanig opgevat en/of opgesteld dat zij doelmatig beschermd zijn tegen elke bediening van buiten de schacht, behalve in de gevallen voorzien in artikel 270.16.3.6.
  2.10. Overgangsmaatregelen :
  2.10.1. Voor wat betreft de bepalingen van de personenliften waarvan sprake in artikel 270, toepasselijk op de personenbouwliften, gelden dezelfde overgangsmaatregelen als voor de personenliften.
  2.10.2. De voorschriften van 2.4.8., 2.6.3., 2.8.3. en 2.9. zijn niet van toepassing op de toestellen welke in dienst gesteld werden voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  2.10.3. Voor de bestaande of in opbouw zijnde toestellen op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, treden de voorschriften 2.5.2. en 2.6.2. 2e tot 5e lid, in werking na een termijn van één jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

  (F. Bijzondere voorschriften voor materiaalliften.) <KB 1983-09-02/33, art. 15, 007>

  Art. 273. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 273bis. <Zie nota's onder TITEL> (.....) <KB 19-09-1980, art. 5>

  Art. 274. <Zie nota's onder TITEL> (.....) <KB 19-09-1980, art. 5>

  III. Maatregelen tijdens de bewegingen te treffen om de veiligheid der personen te verzekeren.

  Art. 275. <Zie nota's onder TITEL> (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  IV. Speciale bepalingen betreffende de toestellen voor het vervoer van personen.

  Art. 276. <Zie nota's onder TITEL> (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  Art. 277. <Zie nota's onder TITEL> (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  Art. 278. <Zie nota's onder TITEL> De ophaaltoestellen die in de openluchtgroeven en -graverijen worden gebruikt, mogen slechts met toelating van de bevoegde minister en onder de door deze voor te schrijven voorwaarden tot het overbrengen van het personeel aangewend worden.

  V. Onderhoud.

  Art. 279. <Zie nota's onder TITEL> (Opegeheven) <KB 1999-05-04/45, art. 29, 050; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  VI. Keuring bij ontvangst en onderzoeken.

  Art. 280. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1957, art. 11> (Het bedrijfshoofd is er toe verplicht elke personenlift, elke goederenlift, elke fabriekslift, elke personenbouwlift, elke materiaallift en elk ander hefwerktuig dat bestemd is tot personenvervoer of voorzien is om zich te verplaatsen of lasten te vervoeren boven of in de nabijheid van plaatsen waar personen kunnen vertoeven, te doen onderzoeken en keuren door een overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk I, door Onze bevoegde Minister voor de controle van de hefwerktuigen erkend organisme.) <KB 1984-12-12/30, art. 11, 009>
  Dit onderzoek moet plaats hebben vooraleer het toestel in dienst wordt gesteld en na elke omvorming er van waardoor zijn kenmerken wat de veiligheid van het gebruik er van betreft kunnen gewijzigd worden.
  (Het (erkend) organisme gaat na: <KB 20-06-1962, art. 2, al. 1>
  a) of alle delen van de inrichting een voldoende weerstand vertonen door statische en bedrijfsproeven en wanneer het nodig is door alle bijkomende onderzoekingsprocédés en controles, gegrondvest op de regelen der kunst ter zake;
  b) of er generlei slechte afwerking valt te bespeuren;
  c) of de werking van het toestel en zijn aanhorigheden geen enkele oorzaak van gevaar vertoont;
  d) of er voldaan is aan al de reglementaire voorschriften aangaande de veiligheid.) <KB 31-07-1957, art. 1>
  Voor de rolbruggen, zal dit onderzoek uitgebreid worden tot de vervoerbanen.
  De kettingen en soortgelijk tuig zoals haken, ringen, sluitingen, wartels welke verlengd, veranderd of gerepareerd zijn door lassen moeten opnieuw beproefd en onderzocht worden.
  De in dit artikel bedoelde werktuigen mogen slechts in gebruik gesteld worden nadat (het erkend organisme) een proces-verbaal heeft afgeleverd waarbij de maximum toelaatbare belasting wordt vastgesteld, waarin de datum en de uitslag van de keuringen en nazichten worden vermeld en waarbij bevestigd wordt dat het toestel met volle zekerheid kan gebruikt worden. Dit proces-verbaal zal aan de gebruiker van het heftoestel worden afgeleverd die het ter beschikking zal houden van de met het toezicht belaste ambtenaar. <KB 20-06-1962, art. 2, al. 1>
  (NOTA : Opgeheven wat betreft de bepalingen inzake de keuring voor indienststelling van personen- en fabrieksliften bedoeld in dit besluit. <KB 1998-08-10/83, art. 41, 3°; Inwerkingtreding : 01-07-1997>

  Art. 281.[1 (NOTA : opgeheven voor wat betreft de liften)]1 [De in voormeld artikel 280 beoogde hefwerktuigen dienen minst om de twaalf maand onderworpen aan een nauwkeurig en volledig onderzoek, uitgevoerd door (een erkend organisme.) Dit onderzoek omvat, inzonderheid, het nazien van het geraamte, van het mechanisme en van de verschillende onderdelen, van de rolbanen, en, in het algemeen, van al de leden welke zonder voorafgaand demonteren te bereiken zijn.] <KB 26-02-1957, art. 12> <KB 20-06-1962, art. 3, al. 1>
  Daarenboven moeten de kabels, kettingen, haken, stangen, schijven, zwengels, remmen, slagnokken en andere om 't even welke delen, die, ten opzichte van de veiligheid, van belang zijn, ten minste om de drie maanden onderzocht worden.
  (Wanneer deze stukken deel uitmaken van toestellen die uitsluitend dienen voor goederenvervoer en die slechts zelden gebruikt worden, mag de frequentie van die onderzoeken, op eensluidend advies van (het erkend organisme), zodanig verminderd worden, dat gedurende de tijdsruimte begrepen tussen twee opeenvolgende onderzoekingen deze stukken niet meer gebruikt worden dan gedurende een regelmatig gebruik van drie maanden. De tijdsruimte tussen twee onderzoeken mag evenwel geen twaalf maanden overschrijden. Dit lid is niet van toepassing op de hefwerktuigen, gebruikt voor het vervoer van goederen vergezeld door een begeleider.) <KB 20-06-1962, art. 3, al. 1>
  (Indien zij het nuttig achten, zullen (de erkende organismen) zowel vóór als tijdens het gebruik, kabels en kettingen aan beproevingen laten onderwerpen.) <KB 26-02-1957, art. 13> <KB 20-06-1962, art. 3, al. 1>
  Zij zullen het uitgloeien eisen van de organen waarvan het metaal ontaardingen mocht ondergaan hebben, namelijk ten gevolge van de intensiteit of van de aard van het verrichte werk.
  (Het (erkend organisme) zal een omstandig verslag opmaken van zijn vaststellingen en gevolgtrekkingen met aanduiding van de datum van het nazicht. Dit verslag zal aan de gebruiker van het toestel overgemaakt worden, die het te allen tijde ter beschikking zal houden van de met het toezicht van de inrichting belaste technische ambtenaar.) <KB 26-02-1957, art. 14> <KB 20-06-1962, art. 3, al. 1>
  ----------
  (1)<KB 2003-03-09/52, art. 15bis, 059; Inwerkingtreding : het KB 2003-03-09/52 treedt in werking op 10-05-2003, maar het artikel 15bis ervan werd ingevoegd door een beschikking die op 30-05-2005 in werking treedt>

  Art. 281bis.<Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1957, art. 15> Wat de hefwerktuigen betreft die gebruikt worden door het Rijk en door de instellingen van openbaar nut welke bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut in categorie A gerangschikt zijn, worden [1 de wettelijke onderzoekingen en de controleonderzoekingen van de hefwerktuigen]1 verricht, 't zij door ambtenaren van de Administratie van de Electriciteit en van de Electromechanica van het Ministerie van Openbare Werken en van Wederopbouw, 't zij door (een erkend organisme.) <KB 20-06-1962, art. 4, al. 1>
  ----------
  (1)<KB 2003-03-09/52, art. 4, 059; Inwerkingtreding : het KB 2003-03-09/52 treedt in werking op 10-05-2003, maar het art. 15ter ervan werd ingevoegd door een beschikking die op 15-04-2005 in werking treedt>

  Art. 281ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 20-06-1962, art. 5> De controle van de hefwerktuigen die dient gedaan door de erkende organismen, mag eveneens uitgevoerd worden door personen van Belgisch publiek recht en door personen van vreemd recht die door Onze bevoegde Minister te dien einde zijn erkend.

  Art. 281quater. [1 In afwijking van de artikelen 280 en 281, zijn de door de werkgever voorgelegde verslagen van indienststelling of van de meest recente periodieke controle van toestellen voor het hijsen of heffen van lasten, opgesteld door een keuringsinstelling uit het land van herkomst van het toestel, aanvaardbaar mits aan volgende voorwaarden is voldaan :
   1° het land van herkomst is een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
   2° het betreft een toestel waarvan elke verblijfsduur in België de drie maanden niet overschrijdt;
   3° het verslag is opgemaakt door een geaccrediteerde, erkende of gelijkwaardige keuringsinstelling;
   4° het verslag is opgesteld in één van de drie landstalen of gaat vergezeld van een vertaling in één van deze talen en heeft betrekking op de elementen van onderzoek zoals bedoeld in artikel 280, derde lid, a) tot en met d).
   In geval van concrete aanwijzingen die doen vermoeden dat de veiligheidsvoorschriften niet werden nageleefd, kan de met het toezicht belaste ambtenaar de werkgever verplichten de in de artikelen 280 en 281 bedoelde controles te laten heruitvoeren of vervolledigen door een geaccrediteerde, erkende of gelijkwaardige keuringsinstelling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2010-01-26/17, art. 1, 075; Inwerkingtreding : 24-02-2010>

  VII. Bepalingen betreffende de kabelbanen.

  Art. 282. <Zie nota's onder TITEL> De verschillende bepalingen die voor de hefwerktuigen zijn voorgeschreven, gelden ook voor de kabelbanen, die zo aangelegd zijn, dat het breken van een kabel of van enigerlei orgaan of onderdeel ongelukken aan personen kan teweegbrengen.

  Art. 283. <Zie nota's onder TITEL> <KB 26-02-1957, art. 16> Ter gelegenheid van de keuring, die het in gebruik stellen van de kabelbanen voorafgaat, moet (het erkend organisme) de inrichting in al haar bijzonderheden nazien, zowel vóór als na het onder spanning brengen van de kabels, alsmede na het aanbrengen van de maximumlast die in de loop van de dienst is toegelaten. <KB 20-06-1962, art. 6, al. 1>

  Afdeling IIbis- Hefbruggen. <KB 02-02-1976, art. 1>

  Art. 283bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 02-02-1976, art. 1>
  1. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  2. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  3. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  4. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  5. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  6. Schouwingen.
  6.1. De hefbruggen worden jaarlijks onderzocht door een overeenkomstig artikel 829 van dit reglement voor de controle van hefwerktuigen erkend organisme.
  6.2. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  6.3. Ter gelegenheid van elk bezoek stelt het organisme een getuigschrift op waarin het verklaart dat het toestel voldoet aan de bepalingen van dit artikel en dat het in goede staat van onderhoud en werking verkeert.
  6.4. De getuigschriften worden ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaar gehouden.

  Afdeling III- Acetyleen - (Centrigfuges) - Motors met inwendige verbranding - Arbeidsprocédés door pneumatische verstuiving - Recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas. <KB 16-09-1970, art. 2>
  (...) <KB 09-03-1962, art. 1>

  § 1. Opslagplaatsen van calciumcarbid.
  Acetyleengenerators - Gebruik van de steekvlam <R 17-08-1948>

  A. Opslagplaatsen voor calciumcarbid.

  Art. 284. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 09-03-1962, art. 2> De voorschriften van deze littera A zijn van toepassing op de opslagruimten van calciumcarbid of andere carbiden kunnen onder de werking van water acetyleen voortbrengen, die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
  (Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.) <KB 1987-09-17/31, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

  Art. 285. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> Het carbid zal in gesloten metalen recipiënten worden gehouden, welke, in goed zichtbare letters, de aanduiding van de korreling zullen dragen.

  Art. 286. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> De carbidrecipiënten zullen opgeslagen worden in plaatsen, waar ze tegen de vochtigheid beschut zijn. Zij mogen niet in ondergrondse lokalen worden opgeslagen.
  (Op de plaatsen waar het opslaan geschiedt, alsmede binnen en buiten de lokalen die als opslagplaats dienen, worden verbodsborden, die verbieden een brand met water te blussen, aangebracht, overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.) <KB 1997-06-17/46, art. 23, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
  De recipiënten zullen derwijze geplaatst worden dat zij naar gelang van hun aankomstdatum, kunnen weggehaald worden.

  Art. 287. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> De opslagplaatsen voor meer dan 1.000 kg carbid zullen in uitsluitend tot dat gebruik voorbehouden lokalen worden ingericht. Deze lokalen zullen uit onbrandbaar materiaal gebouwd zijn; zij zullen droog, in ruime mate verlucht en goed verlicht zijn.

  Art. 288. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> Voor de kunstmatige verlichting zal er in de lokalen die tot opslagplaats dienen, slechts elektriciteit op laagspanning toegelaten worden.
  De elektrische geleidingen zullen over de gehele lengte, neerhangende draden inbegrepen, in stalen buisjes worden geplaatst met aangeschroefde verbindingen. Elk ander monteerstelsel zal evenwel worden toegelaten zo het dezelfde hermetische kwaliteiten en dezelfde mechanische weerstand biedt.
  Al de toestellen welke vonken kunnen teweeg brengen, zoals schakelaars, stroomafsluiters, lampen, dienen met een hermetisch omhulsel beschermd.
  Bij ontstentenis van elektrische installatie zullen er andere vaste verlichtingstoestellen mogen gebruikt worden die buiten de lokalen, welke tot opslagplaatsen dienen zijn aangebracht en van deze gescheiden zijn door een dik vensterglas; deze installatie zal zodanig dienen ingericht dat er zich in geen geval een ontvlamming van acetyleen kan voordoen.

  Art. 289. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> Het is verboden in de opslagplaatsen te roken of er een toestel of om het even welk voorwerp binnen te brengen welk in staat is een gas te doen ontvlammen. (Verbodsborden die vuur, open vlam en het roken verbieden en die voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, worden zowel binnen als in de omgeving van de opslagplaatsen aangebracht.) <KB 1997-06-17/46, art. 24, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>

  Art. 290. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948>
  Zo deze verrichting buiten de opslagplaats geschiedt, zal deze slechts mogen gedaan worden op een afstand van ten minste 3 meter, in horizontale projectie gemeten, van elke vuurhaard, vlam of gloeiend voorwerp.

  Art. 291. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <R 17-08-1948> De ledige recipiënten zullen op droge wijze schoongemaakt worden.
  Carbidafval en -stof zullen ver van elke vuurhaard, vlam of gloeiend voorwerp, in de vrije lucht, in ten minste tien maal zoveel water als hun gewicht bedraagt, gedompeld worden totdat er geen gasontwikkeling meer plaats heeft.
  De afvalwateren zullen slechts in een waterloop, een kanaal of een openbaar riool mogen ontlast worden, nadat de daarin suspensie gehouden kalk werd verwijderd.

  B. Produktie van acetyleen.<KB 09-10-1969, art. 1>

  Art. 292. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 293. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 294. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 295. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 296. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 297. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 298. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 299. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 300. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 301. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 302. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 303. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 304. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 305. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 306. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 307. (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 308. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  C. Toestellen die werken met een zuurstof- of luchtacetyleenvlam. - Terugslagveiligheden. - Las- en snijposten met de steekvlam. - Reduceertoestellen. <KB 09-10-1969, art. 1>

  Art. 309. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 310. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 311. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 312. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 313. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <tweede en derde lid opgeheven ; bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 314. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 315. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 316. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 317. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  Art. 318. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  D. Administratieve maatregel. <R 17-08-1948>

  Art. 319. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1987-09-17/31, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

  § 2. Centrifuges.<KB 16-09-1970, art. 1>

  Art. 320. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Art. 321. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  Art. 322. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  Art. 323. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-09-1970, art. 1> Onderzoekingen.
  323.1. Er wordt overgegaan tot:
  1° ten minste een onderzoek om de twaalf maanden, voor de centrifuges die minder dan twaalf uur per dag werken;
  2° ten minste een onderzoek om de zes maanden, voor de centrifuges die twaalf uur of meer per dag werken of die bijtende stoffen bewerken.
  De frekwentie van de onderzoekingen wordt verhoogd voor de toestellen die onder zeer ongunstige voorwaarden werken. Zij wordt vastgesteld door het erkend organisme.
  323.2. Elk onderzoek geeft vanwege het erkend organisme aanleiding tot het opmaken van een verslag, hetwelk verplichtend de oorsprong, het fabrieksnummer en de datum van het in werking stellen van de centrifuge vermeldt, alsmede de tijdens het onderzoek gedane vaststellingen, de daaruit te trekken besluiten en de redenen waarom sommige onderdelen niet zouden onderzocht geweest zijn.
  Dit verslag wordt aan de gebruiker van het toestel overhandigd, die het steeds ter beschikking houdt van de technische ambtenaar die met het toezicht over de inrichting is belast.

  Art. 324. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  Art. 325. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>

  Art. 326. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 16-09-1970, art. 1>

  § 3. Ontploffingsmotoren of motoren met inwendige verbranding.<KB 18-10-1956>

  A. Algemene voorwaarden. <KB 18-10-1956>

  Art. 327. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 327bis. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 328. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 329. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 330. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 331. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 332. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  B. Bijzondere voorwaarden voor de installaties waarvan de aanloopreservoirs gevuld zijn met aan de drijfcylinders afgetapte gassen.<KB 18-10-1956>

  Art. 333. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  C. Vervaardiging van de aanloopreservoirs.<KB 07-02-1966, art. 1>

  Art. 334. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 335. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 336. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 337. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 3387. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  D. Beproevingen, onderzoekingen en aanduidingen. <KB 07-02-1966, art. 3>

  Art. 339. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 340. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 341. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999> <Bevestigd door KB 1999-06-13/81, art. 31, Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  Art. 341bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 08-09-1961, art. 3> De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing op de werkplaatsen waar men verf of bedekking op om 't even welk oppervlak aanbrengt met al dan niet pneumatische procédés met het pistool of door elektrostatische procédés.

  Art. 342. <Zie nota's onder TITEL> Het werk dient in een speciaal lokaal uitsluitend tot dit gebruik voorbehouden, uitgevoerd.

  Art. 343. <Zie nota's onder TITEL> De grond van dit lokaal dient effen en waterdicht te zijn. Hij dient in goede staat van zindelijkheid behouden.

  Art. 344. <Zie nota's onder TITEL> De damp en de wasems, die bij het verstuiven gevormd worden, dienen op de plaats zelf van hun ontstaan opgevangen, verwijderd, verdicht, opgeslorpt of te niet gedaan, zodat zij niet kunnen:
  a) in het lokaal blijven hangen of zich in de belendende lokalen verspreiden;
  b) de personen die er te werk gesteld zijn of het gebuurte hinderen;
  c) bij toeval ontbranden, zowel binnen als buiten het verstuivingslokaal.

  Art. 345. <Zie nota's onder TITEL> <KB 10-06-1952, art. 11> De leidingen en buizen voor de ontruiming der uitwasemingen worden zo aangelegd dat de neerslag, die er in ontstaat, gemakkelijk kan ontruimd worden.
  Zij worden regelmatig gereinigd met procédés die alle veiligheidswaarborgen bieden. Het is verboden ze met de vlam of met elk ander procédé dat vonken kan verwekken,te reinigen,wanneer in de bestuivingsinstelling ontvlambare stoffen gebruikt worden.
  Al de metalen delen er van dienen met de aarde verbonden.

  Art. 346. <Zie nota's onder TITEL> De cabines voor verstuiving en de afvoerinstallaties van de uitwasemingen mogen geen enkele dode ruimte vertonen, in dewelke zich ontplofbare mengsels of ophopingen zouden kunnen vormen.

  Art. 347. <Zie nota's onder TITEL> Zo er voor de verstuiving ontvlambare produkten gebruikt worden:
  a) dient het lokaal voor de verstuiving in onbrandbare materialen gebouwd :
  b) dienen de werkposten aldus ingericht dat iedere werkman, in geval van brand, zonder gevaar een uitgang kan bereiken.
  De deuren van het lokaal voor verstuiving zullen langs buiten open draaien.
  De doorgangen dienen van elke hindernis vrij gehouden :
  c) de elektrische inrichtingen dienen aan navermelde voorschriften te beantwoorden.
  De geleidingen dienen over hun ganse lengte, hangdraden inbegrepen, onder stalen buizen met aangeschroefde koppelingen geplaatst. Elk ander monteringstoestel is evenwel toegelaten zo het gelijkwaardighe hoedanigheden van luchtdichtheid en van mechanische weerstand biedt.
  De aanwezigheid binnen het lokaal van smeltveiligheden, schakelaars, rheostaten, aanzetters, zal slechts toegelaten zijn indien deze toestellen luchtdicht zijn.
  De kunstmatige verlichting zal uitsluitend door middel van elektrische gloei- of lichtlampen geschieden. Deze lampen en hun douille dienen in hermetische toestellen geplaatst.
  Enkel volledig gesloten motoren en gesloten verluchte motoren met opvanging en uitdrijving van lucht buiten het lokaal, zijn toegelaten.
  Buiten het lokaal dient een meerpolige schakelaar de mogelijkheid te bieden de inrichting volledig uit te schakelen.
  Alleen laagspanning is toegelaten.
  De elektrische motoren dienen met de aarde verbonden.
  d) de verwarming van het lokaal mag enkel geschieden door middel van toestellen waarvan de bouw, de plaatsing en het gebruik voldoende waarborgen bieden om elk brand- en ontploffingsgevaar te voorkomen;
  e) Met droog zand gevulde emmers of blustoestellen in goede staat dienen in het lokaal dicht bij de werkposten en de uitgangsdeuren geplaatst.

  Art. 348. <Zie nota's onder TITEL> In de lokalen waar de verstuiving van ontvlambare produkten geschiedt, is het verboden:
  a) stocks te verstuiven groter dan de behoeften voor een halve dag werk, te bewaren;
  b) werken te verrichten, die het gebruik vereisen van een toestel met open vuur of dat vonken kan verwekken.
  (Verbodsborden, die vuur, open vlam en het roken verbieden en die voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, worden zowel op de buitenzijde van de deuren als binnen de lokalen aangebracht.) <KB 1997-06-17/46, art. 25, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>

  § 5. Recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas.

  Art. 349.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Art. 349bis.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Aard en kenmerken van het materiaal.

  Art. 350.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Regels voor de vervaardiging.

  Art. 351.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Thermische behandeling.

  Art. 352.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Controle over de vervaardiging en verificatie van de hoedanigheden van het materiaal.

  Art. 353.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Beproevingen, beproevingsdrukken en vullingsgraden. <KB 07-12-1979, art. 2>

  Art. 354.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Aanduidingen die op de recipiënten dienen vermeld.

  Art. 355.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Vaststelling van de tarra en het inhoudsvermogen.

  Art. 356.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Attesten van ontvangst. <KB 18-05-1957, art. 3>

  Art. 357.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Hernieuwing der beproeving.

  Art. 358.[1 (NOTA : opgeheven met uitzondering van drukapparatuur die in artikel 3, § 2, 3° van KB 2002-03-14/30 bedoeld is.)]1 A. Uit te voeren verrichtingen.
  De recipiënten dienen periodisch onder volgende voorwaarden onderzocht:
  1° Recipiënten die samengeperste of vloeibaar gemaakte gassen inhouden:
  De recipiënten worden grondig gereinigd, gedroogd, gewogen, van binnen en van buiten onderzocht. De recipiënten die gebreken of gevaarlijke invretingen vertonen en diegene waarvan het gewichtsverlies groter is dan het tiende van het aanvankelijk gewicht, worden afgekeurd.
  De recipiënten die kolengas inhouden en wier gewichtsverlies groter is dan 5 t.h. worden afgekeurd.
  De recipiënten met groot inhoudsvermogen, voorzien van een opening, waarbij het aan een bezoeker zal mogelijk gemaakt worden er binnen in te dringen, dienen niet gewogen. In dit geval, zal op het attest betreffende de nieuwe beproeving, de plaats alsmede het detail van de vastgestelde invretingen of beschadigingen worden vermeld.
  Het gewichtsverlies van 10 t.h. zal de afkeuring van de recipiënt niet noodzakelijk als gevolg moeten hebben, indien deze terug wordt gebezigd voor het opsluiten van een ander gas met een minder hoge druk.
  Buiten bovenvermelde onderzoekingen, worden al de recipiënten onder de bij artikel 354 voorziene voorwaarden aan een waterdrukproef onderworpen.
  (Dat nazicht en die beproevingen worden herhaald binnen de termijnen opgelegd in de bijlagen A en B van het Europees Verdrag betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, zoals aangevuld door bijlage A van het koninklijk besluit van 15 maart 1976 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 juni 1977, 7 april 1978 en 25 september 1978.
  Voor de recipiënten met koolzuuranhydride welke een verplaatsbaar blustoestel vormen of aan een verplaatsbare of vaste blusinstallatie zijn aangepast, mogen dat nazicht en die beproevingen slechts om de tien jaar worden herhaald.
  Het nazicht en de beproevingen van die recipiënten worden evenwel herhaald ter gelegenheid van een herlading van die recipiënten, als die herlading meer dan vijf jaar na een beproeving of herbeproeving plaatsgrijpt.
  Bovendien worden die recipiënten ten minste eenmaal per jaar onderzocht door een bevoegd persoon; dat onderzoek bestaat uit een uitwendige optische controle, het nagaan van het gewicht en van de goede werking van de kranen.) <KB 07-12-1979, art. 4>
  1°bis. (Vóór elke vulling van recipiënten die bestemd zijn om butaangas, propaangas of een mengsel van beide in te houden, worden de recipiënten uitwendig door een bevoegde persoon nagezien.
  De recipiënten waarvan de beschermingslaag beschadigd is dienen behoorlijk te worden gereinigd en een volledig nieuwe beschermingslaag moet daarop aangebracht.
  De recipiënten die deuken of vervormingen vertonen worden verwijderd en mogen niet opnieuw gevuld worden alvorens zij de bovenvermelde onderzoekingen en beproevingen hebben ondergaan.) <KB 14-05-1956, art. 1, 2°>
  2° (Recipiënten voor opgelost acetyleen :
  Alle vijf jaar wordt de toestand van de poreuze stof onderzocht en inzonderheid vastgesteld of die stof de recipiënt vult zonder ledige ruimten over te laten.
  Indien de poreuze stof uit de recipiënten kan worden gehaald, zal er alle tien jaar één recipiënt op vijfhonderd, van dezelfde vervaardiging, worden genomen.
  Deze recipiënt zal aan een inwendig optisch onderzoek worden onderworpen. Wordt er een gewichtsverlies, dat een tiende van het aanvankelijk gewicht overschrijdt, of overdreven invretingen van het metaal vastgesteld, dan wordt het lot recipiënten afgekeurd.) <KB 1993-06-24/40, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 24-07-1993>
  3° (Recipiënten voor samengeperst gas die deel uitmaken van een autonoom duikerspak, namelijk van een uitrusting voor het duiken met een voorraad inadembaar gas door de duiker meegevoerd:
  Voor elk herladen worden die recipiënten van buiten nagezien door een bevoegd persoon. De recipiënten waarvan de beschermingsbekleding beschadigd is worden behoorlijk gereinigd en de bekleding wordt helemaal vernieuwd.
  Naast de in 1° voorgeschreven proeven en verificaties, worden de recipiënten alle twee jaar nagezien door een erkend organisme dat zich vergewist van de goede staat van de binnen- en buitenbeschermingsbekledingen.
  De bepalingen voorzien in B hierna zijn toepasselijk op die verificaties.) <KB 19-04-1966, art. 2>
  B. (Attesten betreffende de nieuwe beproeving.
  Het met het periodisch onderzoek belaste organisme stelt een attest op met vermelding van de uitslag van deze bewerkingen.
  Dit attest wordt aan de gebruiker overgemaakt die het, te allen tijde, ter beschikking houdt van de bevoegde technische ambtenaar.
  Elke recipiënt waarvan het periodiek nazicht en de periodieke beproeving met succes hernieuwd werden draagt de letter R gevolgd door de datum van de nieuwe beproeving en de ijkstempel van het aangenomen organisme.) <KB 18-5-1957, art. 4>
  (Deze ijkstempel mag enkel worden aangebracht indien aan al de in § 5 vervatte voorschriften is voldaan.) <KB 29-10-1958, art. 3>
  ----------
  (1)<KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Voorschriften betreffende het gebruik der recipiënten.

  Art. 359.(NOTA : Opgeheven voor wat betreft de draagbare brandblussers en flessen voor ademhalingstoestellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 32; Inwerkingtreding : 1999-11-29>
  A. [Vullen van de recipiënten.
  Het vullen van verplaatsbare recipiënten voor ontvlambare gassen met een inhoudsvermogen van minder dan 300 liter mag alleen gebeuren in inrichtingen speciaal ontworpen en uitgerust voor deze activiteit.] <KB 1993-06-10/35, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 1993-07-16>
  [Verplaatsbare recipiënten, tankwagens inbegrepen, mogen niet aangewend worden voor het vullen met vloeibaar handelspropaan, vloeibaar handelsbutaan of een mengsel van deze gassen, van om het even welk recipiënt met een inhoudsvermogen dat groter is dan 1 liter en kleiner dan 300 liter.] <KB 1985-01-21/30,art. 1, 010>
  B. Montering van de recipiënten: De uitgangsnippel van de ventielen dient derwijze van een schroefdraad voorzien, dat een vergissing in de verbinding, zowel bij het vullen als bij het benutten, praktisch zijn uitgesloten.
  Wat de ontvlambare gassen betreft, dient de schroefdraad links te gaan, wat de andere gassen betreft, dient hij rechts te gaan.
  Bovendien, dient deze nippel voor de waterstof een mannelijke en voor de zuurstof een vrouwelijke te zijn.
  [1 C. ...]1
  D. [2 ...]2
  E. Voorzorgen te nemen voor het opslaan en het hanteren van met gas gevulde recipiënten.
  De recipiënten dienen beschut tegen de inwerking van de zonnestralen of de inwerking van iedere andere warmtebron; zij mogen niet worden geworpen of hardhandig gehanteerd. Indien de recipiënten "staande" zijn opgeslagen, dienen er voorzorgsmaatregelen genomen om te beletten dat zij zouden omkantelen.
  Na het gebruik en vóór alle vervoer, zullen de recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas, zelfs ledig, luchtdicht gesloten worden.
  Gedurende het gebruik moeten de kranen voorzien blijven van de sleutel die gebeurlijk voor hunne behandeling nodig is.
  (De drukontspanners die eventueel gebruikt worden, moeten voorzien zijn van nippels die verschillend zijn voor de verscheidene gassen; zij hebben de kleur die in D van dit artikel voorgeschreven is voor het gas waarvoor ze bestemd zijn.
  Geen enkele drukontspanner mag voor ander gas gebruikt worden dan waarvoor hij werd vervaardigd.
  Het is verboden drukontspanners te verwarmen door middel van een vlam of een vuurhaard.) <KB 09-10-1969, art. 2>
  F. [1 ...]1
  G. [1 ...]1
  H. [1 ...]1
  I. [1 ...]1
  J. [1 ...]1
  K. [De binnen- en buitenoppervlakken van de wanden van de recipiënten waarvan sprake in artikel 358, A, 3°, worden beschermd tegen corrosie door een aangepaste bekleding, steeds in goede staat behouden.] <KB 19-04-1966, art. 3>
  ----------
  (1)<KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>
  (2)<KB 2011-09-14/06, art. 5, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Erkende organismen. <KB 20-06-1962, art. 20>

  Art. 360.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Art. 360bis.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Art. 360ter.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Algemene bepalingen.

  Art. 361.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Art. 361bis.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Art. 361ter.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Art. 361quater.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Art. 362.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Art. 363.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-14/30, art. 25, 057; Inwerkingtreding : op 1 juli 2001 voor de flessen, de cilinders en de cryogene recipiënten en op 1 juli 2003 voor de drukvaten, de flessenbatterijen en de tanks volgens KB 2002-03-14/30, art. 27, maar het art. 25 van KB 2002-03-14/30 werd gewijzigd met inwerking op 14-03-2003>

  Art. 363bis. <Zie nota's onder TITEL> <AR 1984-07-12/32, art. 1, 008> De bepalingen van deze paragraaf hebben betrekking op het laden en lossen van vloeibaar gemaakte gassen in of uit tankwagens, tankwagons en laadketels.
  Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders en van de voorwaarden die kunnen opgelegd worden bij de vergunningsbesluiten, waarvan sprake is in titel I, zijn de bepalingen van deze paragraaf van toepassing op de in artikel 28 van dit reglement bedoelde (personen, ondernemingen en instellingen). <KB 1987-09-17/31, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
  1. Elke verrichting van laden en lossen moet gebeuren onder het gezag en onder het toezicht van de werkgever van de onderneming waarin het laden of lossen plaatsvindt, of van een aangestelde die hij daartoe heeft aangeduid.
  De werkgever of zijn aangestelde is vertrouwd met de installatie voor het laden en/of lossen en met de uitrusting van de opslaghouders van de inrichting en is op de hoogte van de uitrusting van de voertuigen die geladen of gelost worden.
  Gedurende de laad- en losverrichtingen moet de werkgever of zijn aangestelde zich op een redelijke afstand van de laad- of losplaats bevinden, zodat hij in geval van een incident onverwijld kan ingrijpen.
  De hierboven bedoelde aangestelde is een werknemer van de onderneming waar het laden en/of lossen plaatsvindt.
  2. Voor de inrichting, de uitrusting en het onderhoud zowel van de laad- en/of losplaats als van de ermee verbonden opslag- en overslaginstallaties, evenals voor de laad- en/of losverrichtingen treft de werkgever van de onderneming waar het laden of het lossen plaatsvindt, aangepaste maatregelen om de aantoonbare risico's inherent aan het laden en lossen van vloeibaar gemaakte gassen te ondervangen.
  Hij besteedt bijzondere aandacht aan de maatregelen die tot doel hebben een overdruk in de opslaghouders, tanks en leidingen, het overvullen van opslaghouders en tanks, het uitvoeren van verkeerde handelingen, het brandgevaar en de gevaren inherent aan statische electriciteit te voorkomen.
  3. De werkgever van de onderneming waar het laden of lossen plaatsvindt stelt schriftelijk instructies op die in het bijzonder een beschrijving bevatten van de te volgen procedure voor de laad- en losverrichtingen, alsook de te volgen consignes om de in punt 2 bedoelde risico's tot een minimum te herleiden en de maatregelen die in geval van een incident of een ongeval moeten genomen worden.
  Deze instructies worden ter beschikking gesteld van de in punt 1 bedoelde aangestelde.
  De werkgever waakt over de naleving van deze instructies.
  De personen die belast zijn met het laden en/of lossen of er aan deelnemen worden door hun werkgever op de hoogte gebracht van de door hen uit te voeren bewerkingen en van de te treffen maatregelen in geval van een incident of een ongeval.
  Wanneer personen die niet tot de onderneming behoren deelnemen aan laad- of losverrichtingen brengt de werkgever of de aangestelde deze personen op de hoogte van de verrichtingen en van de maatregelen eigen aan de inrichting.
  4. Onverminderd het bepaalde onder 5,d) , zijn de bepalingen van de punten 1, 2 en 3 niet van toepassing wanneer het gaat om :
  a) het lossen van met vloeibaar gemaakte handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan geladen tankwagens in vaste houders die enkel dienen voor huishoudelijk gebruik of in vaste houders bestemd voor het bevoorraden van motorvoertuigen;
  b) het lossen van met vloeibaar gemaakt gas geladen tankwagens in vaste houders opgesteld in ondernemingen die minder dan twintig werknemers tewerkstellen en waar het opslaan, overtappen, vervaardigen, verwerken of verhandelen van vloeibaar gemaakt gas niet behoort tot de doelstellingen van de onderneming;
  c) het laden en/of lossen van vloeibaar gemaakt handelspropaan of -butaan of mengsels daarvan in of uit tankwagens in (relaisopslagplaatsen) waar niet bestendig technisch personeel is tewerkgesteld, door firma's die een schriftelijke toelating van de exploitant van het (relaisopslagplaats) bezitten om deze verrichtingen te mogen uitvoeren; <vervangen bij KB 1989-09-11/33, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 14-10-1989>
  d) het laden van vloeibaar gemaakt handelspropaan of -butaan of mengsels daarvan in tankwagens vanuit tankwagons, wanneer het laden wordt uitgevoerd op de terreinen van de N.M.B.S. door firma's die een schriftelijk toelating van de N.M.B.S. bezitten om deze verrichtingen te mogen uitvoeren.
  (e) het lossen van tankwagens die diepgekoelde vloeibaar gemaakte gassen bevatten van de cijfers 7° en 8° van de klasse 2 van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, in vaste houders, opgesteld bij gebruikers van die gassen.) <KB 1989-09-11/33, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 14-10-1989>
  5. In de in punt 4 bedoelde gevallen zijn de volgende bepalingen van toepassing :
  a) De laad- en losverrichtingen worden uitgevoerd onder het toezicht en het gezag van de transporteur van het produkt per tankwagen of van zijn aangestelde.
  De transporteur of zijn aangestelde blijven in de nabijheid van de installaties gedurende de overtapverrichtingen.
  b) De transporteur stelt schriftelijke instructies op die in het bijzonder bevatten :
  een beschrijving van de te volgen procedure voor de overtapverrichtingen;
  de in acht te nemen veiligheidsconsignes die tot doel hebben een overdruk in de opslaghouders, tanks of leidingen, het overvullen van opslaghouders en tanks, het uitvoeren van verkeerde handelingen, het brandgevaar en de gevaren inherent aan statische electriciteit te voorkomen;
  de te nemen maatregelen in geval van een incident of een ongeval.
  De instructies houden rekening met de karakteristieken eigen aan de opslaghouders en tanks en hun uitrusting.
  c) De aangestelde van de transporteur moet vertrouwd zijn met de laad- en losverrichtingen van tankwagens en op de hoogte gebracht zijn van de uitrusting van de opslaghouders en/of tankwagons die bij het overtappen betrokken zijn.
  De transporteur dient hem hiertoe een geschikte theoretische en praktische vorming te verschaffen.
  De transporteur stelt de in punt 5. b) bedoelde instructies ter beschikking van de aangestelde. Hij vergewist zich ervan dat deze instructies begrepen zijn en waakt over hun naleving.
  d) De bepalingen van punt 2 zijn van toepassing op de exploitant van (relaisopslagplaatsen) bedoeld in punt 4. c) en op de transporteur die een overtapping verricht in de opslagplaatsen bedoeld in 4. d). <vervangen bij KB 1989-09-11/33, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 14-10-1989>
  6. Indien het laden of lossen van vloeibaar gemaakte gassen door middel van slangen gebeurt, dienen deze slangen aan elk uiteinde beschermd door veiligheidsinrichtingen die het debiet volledig of gedeeltelijk stoppen in geval van breuk van de slang.
  Deze veiligheidsinrichtingen treden automatisch in werking of zijn van op afstand bedienbaar. Zij dienen geplaatst ofwel op de slang, ofwel onmiddellijk stroomopwaarts en stroomafwaarts van de slang, ofwel op de leidingen in vloeistoffase en in gasfase van de opslaghouders en de tanks.
  (De voorschriften van dit punt zijn niet van toepassing op het laden en lossen van diepgekoelde vloeibaar gemaakte gassen van de cijfers 7° a) en 8° a) van de klasse 2 van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg.) <KB 1989-09-11/33, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 14-10-1989>
  7. (...) <KB 1999-06-13/81, art. 31, 051; Inwerkingtreding : 1999-11-29>

  HOOFDSTUK II. - Speciale maatregelen op sommige bedrijven toepasselijk.

  Afdeling I. - Metaalnijverheid. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming
  ----------
  <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>)

  A. Behandeling van zink- of loodertsen. <KB 09-03-1962, art. 10>

  Art. 364.<KB 09-03-1962, art. 11> (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De voorschriften van deze littera zijn van toepassing op de behandeling van zink- of loodertsen die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt is.

  Art. 364bis.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De ovens of toestellen welke gas, rook of stof ontwikkelen, waardoor de lucht bevuild kan worden, aan de plantengroei schade kan worden veroorzaakt of aan de in de nabijheid wonende personen, hinder kan worden berokkend, zullen in wijde, goed verlichte en verluchte hall's worden opgericht en wel in dier voege dat gas, rook noch stof in deze hall's blijven hangen, en, vóór hun opneming in het luchtruim, op een voldoende wijze zijn verdund en dat deze opneming, op zulk een hoogte geschiedt, dat zij noch aan de gezondheid van de werknemer, noch aan de openbare gezondheid schaadt.

  Art. 365.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De zwavelhoudende gassen, die voortkomen van het roosteren van ertsen, dienen naar toestellen van een zwavelzuurfabriek of naar andere opslorpingstoestellen geleid. Het afvalwater, waarin zuur aanwezig is, zal, alvorens het in rivieren of beken wegvloeit, worden opgevangen, gezuiverd en geneutraliseerd. Het zal van alle vrij mineraal zuur worden ontlast, alsmede van alle schadelijke bestanddelen, die de gezondheid van de omgeving zouden kunnen in gevaar brengen, de vissen vergiftigen of schade berokkenen aan de dieren, die aan deze rivieren of beken komen drinken.

  Art. 366.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De hoogte boven de omliggende grond, van de schoorstenen of andere afvoeropeningen, waarlangs residugas, rook of andere uitwasemingen van ovens of toestellen ontsnappen, dient vastgesteld, rekening houdende met het gehalte aan zwavelige verbindingen van dit gas, rook of uitwasemingen.
  Zij zal niet minder bedragen dan de afmetingen in de volgende tabel aangeduid: <De bladspiegel van deze tabel werd om technische redenen aangepast>

                     Kolom (1) : graad van verdunning der
                                  gasachtige samenstellingen
                                  van het zwavel
                     Kolom (2) : minimum der voorgeschreven
                                  hoogte voor gas of rook waarvan
                                  de warmtegraad 150° C overtreft
                     Kolom (3) : minimum der voorgeschreven
                                  hoogte voor gas of rook waarvan
                                  de warmtegraad onder 150° C blijft
                                    (1)       (2)          (3)
                                 1/12.000    7 meter    10 meter
                                 1/10.000   10   -      15   -
                                 1/ 7.500   14   -      23   -
                                 1/ 5.000   20   -      35   -
                                 1/ 3.000   30   -      50   -
                                 1/ 2.000   40   -      65   -
                                 1/ 1.000   60   -     100   -


  Alle uitdrijving in het luchtruim van gas of rook, waarin meer dan één volume per duizend gasvormige zwavelverbindingen aanwezig is, is verboden.

  Art. 367.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Ten einde van de bezinksels, van rook of gas gemakkelijk stalen te kunnen nemen, dienen er in de wanden van de schoorstenen of andere leidingen, waarlangs de uitdrijving van rook of gas geschiedt, openingen aangebracht op plaatsen, die gemakkelijk te bereiken zijn.
  Het gehalte aan gasvormige zwavelverbindingen van dit gas of rook zal, telkens de met het toezicht belaste ambtenaar er om verzoekt, bepaald worden.
  Het nodige materieel zal aan deze ambtenaar worden verstrekt.

  Art. 368.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Men dient, bij het stoken der reductie-ovens, in dier voege te werk te gaan, dat al de bestanddelen van de brandstof, voor dit stoken gebruikt, volledig worden verbrand.

  Art. 369.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Doeltreffende toestellen dienen gebeurlijk het opzuigen en, in voorkomend geval, het verdunnen van gas of rook, door deze ovens uitgedreven, alsook in de mate van het mogelijke de verdichting van het schadelijk stof te verzekeren.

  Art. 370.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Tijdens het schoonmaken en het vullen der smeltkroezen, dienen de werklieden van de zinkreductieovens tegen de uitstraling van de warmte beschut, door middel van toestellen, die de opening dekken van alle geledigde smeltkroezen, van de rijen waaraan zij niet werken.

  Art. 371.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het bezinksel, uit de reductieovens getrokken, dient onmiddellijk vergaard in bijzondere ruimten of vergaarbakken, onder het peil van de werkvloer aangebracht. Deze kamers, alsook de galerijen of kelders, waarin het laden en het vervoer van deze resten plaats heeft, dienen ruim en goed verlucht. Aan het personeel dient verboden, daar tijdens het schoonmaken binnen te gaan, tenware deze resten in gesloten trechters werden opgevangen, waaruit zij rechtstreeks in voor het vervoer bestemde wagentjes kunnen worden gelost.
  Zo men op deze manier niet kan te werk gaan, en zo de resten door daarvoor aangestelde werklieden met de schop moeten worden weggenomen, dienen er maatregelen getroffen, om deze werklieden, tijdens deze bewerking, tegen het stof en de uitwasemingen te beschutten.

  Art. 372.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het vervoer, het opstapelen en het bewaren van de ovenresten dienen op zulke wijze te geschieden, dat er uit deze bewerking en behandeling voor het personeel van de werkplaats geen hinder voortvloeit en evenmin aan de omgeving last of nadeel worden berokkend.

  Art. 373.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Zelfs indien al de bovenstaande voorwaarden worden nageleefd, zijn de bedrijfshoofden er toe verplicht aan hun ovens, toestellen en fabricagemiddelen, alsmede aan de schoorstenen en andere zuig- of verdichtingstoestellen voor gas, rook of stof, alle wijzigingen of bij te voegen stukken aan te brengen, waarvan de noodzakelijkheid later door de overheid, die de bedrijfsvergunning zal hebben verleend, op verslag van de technische ambtenaar, met het hoog toezicht over de inrichting belast, zou worden erkend.

  B. Fabrieken en herstellingswerkplaatsen voor elektrische loodaccumulators.

  Art. 374.<KB 09-03-1962, art. 12> (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De voorschriften van deze littera zijn van toepassing op de vervaardiging van elektrische loodaccumulatoren en op de werkplaatsen voor het monteren en herstellen van elektrische loodaccumulatoren die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
  (Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.) <KB 1987-09-17/31, art. 11, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

  Art. 374bis.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het lood voor de vervaardiging van de platen der accumulatoren en hun ondergeschikte delen bestemd, dient zeer zuiver te zijn en mag, afgezien van het antimonium, slechts sporen van arseniekhoudende stoffen bevatten.
  Het gebruik van oud lood, dat tot andere doeleinden werd gebezigd, wordt verboden.

  Art. 375.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De smeltkroezen voor het lood dienen derwijze opgesteld dat de uitwasemingen van het gesmolten lood zich niet in het werkhuis kunnen verspreiden; te dien einde dienen de kroezen overdekt te zijn met een vang, uit onbrandbare stoffen, waarvan de verschillende delen derwijze zijn samengebracht dat zij een stevig en ondoordringbaar geheel vormen, dat de kroes volkomen bedekt, met uitzondering van de opening, welke juist groot genoeg moet zijn om het gesmolten lood te scheppen. De kap dient aan een schoorsteen van voldoende doorsnede verbonden, waardoor de uitwasemingen naar buiten worden geleid. De tocht van de schoorsteen dient krachtig te wezen; desnoods zal hij aangewakkerd worden.

  Bewerking van de platen na het gieten.

  Art. 376.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het tijdens om 't even welke vormbewerking voortgebracht stof zal door middel van een ter plaatse aangepaste zuiger worden verwijderd.

  Loodoxyde.

  Art. 377.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het loodoxyde dient in goed gesloten recipiënten bewaard, in een tot dit doel speciaal ingericht vertrek. Vloer en wanden dienen met een effen, aaneensluitende en ondoordringbare bekleding bedekt, welke met veel water kan worden gereinigd.

  Art. 378.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De voorbereiding van het deeg, namelijk, het behandelen, het wegen, het malen en mengen van droge oxyde alsmede het mengen er van met zwavelzuur dienen in een afzonderlijk speciaal daartoe voorbehouden lokaal te geschieden.
  De bij de omstandigheden aangewezen voorzorgen zullen getroffen worden ten einde het ontsnappen van stof te vermijden.

  Art. 379.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De werkplaats waar de platen worden gepasteerd dient van de andere lokalen gescheiden.

  Art. 380.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De deuren van bovenbedoelde twee lokalen moeten, buiten de strikt nodige tijd om er door te gaan, gesloten blijven.

  Art. 381.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De vloer van het pasteerlokaal dient met een harde, effen bekleding bedekt, welke aan de inwerking van de zuren weerstaat en lichtjes naar de verzamelriool overhelt. Hij zal dagelijks onmiddellijk na het werk met veel water worden gereinigd.

  Art. 382.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De voor het pasteren bestemde tafels dienen helemaal uit metaal vervaardigd. Zij mogen van geen laden voorzien zijn.
  De tafels alsmede de stutten en fabricagebijhorigheden moeten dagelijks onmiddellijk na het werk met veel water gewassen en gespoeld worden.
  Buiten de dagelijkse reiniging er van, dienen de tafels en fabricagebijhorigheden alsmede de vloer van het pasteerlokaal zo dikwijls besproeid als het nodig is om het verdrogen van deegafval te vermijden.

  Vorming van de platen.

  Art. 383.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De platen dienen gevormd in lokalen, waarvan de vloer met een waterdichte bekleding moet bedekt zijn die door de electrolieten niet kan worden aangetast.

  Art. 384.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Om deze lokalen te verlichten mogen slechts gloeilampen worden aangewend; de lampen en de lamphouders er van dienen in hermetisch gesloten toestellen geplaatst.

  Art. 385.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De beschadigde en gesulfateerde platen en, over 't algemeen, de loodafval zullen in waterdichte en gesloten recipiënten worden geplaatst.

  Art. 386.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Al de lokalen, waar de platen gevormd worden, zullen hevig geventileerd worden.

  C. Werkplaatsen voor het polijsten van metalen en elektrolytische neerslag

  Art. 387.<KB 09-03-1962, art. 13> (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De voorschriften van deze littera zijn van toepassing op het gladschuren van metalen en op de galvanische neerslag die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
  [Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.] <KB 1987-09-17/31, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

  Art. 387bis.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De slijpstenen, schijven, viltbekledingen, enz., van de polijstmolentjes dienen voorzien van omhulsels, die alleen het voor de arbeid volstrekt nodig gedeelte onbedekt laten en verbonden zijn aan mechanische zuigtoestellen derwijze ingericht en opgesteld dat noch de werklieden der inrichting, noch de buren door het stof kunnen gehinderd worden; desnoods zal er gebruik worden gemaakt van neerslagkamers.

  Art. 388.<KB 22-06-1956> (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De baden voor elektrolytische neerslag dienen opgesteld in een lokaal van de andere lokalen gescheiden door volkomen dichte beschotten en deuren. De zijwanden van het lokaal moeten tot minstens één meter hoogte van een waterdichte bekleding voorzien zijn. De bevloering dient effen te zijn, waterdicht, lichtjes afhellend en zodanig onderhouden dat het stagneren van vloeistoffen wordt vermeden. De baden mogen de afscheidingsmuren niet raken.
  De baden voor elektrolytische neerslag van het chroom zullen voorzien zijn van toestellen om het gas op te vangen, dat chroomzuur bevat. Deze toestellen dienen derwijze aangebracht dat ze over heel de lengte van de elektrodes de wasems en dampen kunnen opvangen en dienen zo dicht mogelijk bij het oppervlak van het bad geplaatst. Tevens dienen zij voorzien van geschikte toestellen, bestemd om de ontsnapping van het chroomzuur te voorkomen. De toestellen, welke dienen om het gas op te vangen, moeten in gang worden gezet vóór dat de elektrodes onder spanning worden gebracht.

  Art. 389.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Cyaankali en, over 't algemeen, alle giftige produkten dienen onmiddellijk, bij ontvangst er van, achter slot in goed waterdichte recipiënten in een kast geborgen.

  Art. 390.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Tot het smelten, het versmelten, het oplossen of het mengen van giftige produkten mag alleen worden overgegaan in open lucht of onder een aan een schoorsteen verbonden rookvang; deze bewerkingen mogen alleen door een vertrouwbaar persoon worden uitgevoerd.

  Art. 391.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De nodige schikkingen dienen getroffen opdat het gas voortkomend van het afbijten, door middel van zuren of van het schoonbijten van metaal, noch de werklieden der inrichting, noch de buren zou hinderen.

  Art. 392.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 6, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het afvalwater moet worden geneutraliseerd vooraleer het uit de inrichting wordt verwijderd.

  Art. 392bis.<Zie nota's onder TITEL> (ingevoegd voor het Waalse Gewest bij <BWG 1999-01-21/33, art. 1, Inwerkingtreding : 20-02-1999>) Bij de fabricage of de bewerking van non-ferrometalen is het gebruik van hexachloorethaan verboden [1 ...]1.
  ----------
  (1)<BWG 2003-02-13/47, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 06-03-2003>

  Afdeling Ibis. <Ingevoegd voor het Waalse Gewest door BWG 1999-03-04/42, art. 10; Inwerkingtreding : 08-04-1999> - Inrichtingen voor de productie en de omzetting van asbest en voor de vervaardiging van asbesthoudende producten.

  Art. 392ter. <Zie nota's onder TITEL> <Ingevoegd voor het Waalse Gewest door BWG 1999-03-04/42, art. 10; Inwerkingtreding : 08-04-1999> § 1. Bij de productie of de omzetting van asbest of bij de vervaardiging van asbesthoudende producten neemt de exploitant de nodige maatregelen om vaste afvalstoffen aan de bron te voorkomen of te verminderen.
  § 2. Bij gebruik van asbest impliceren de in § 1 bedoelde maatregelen dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technologie die geen overmatig hoge kosten veroorzaakt, met inbegrip van recycling of behandeling.
  In de zin van deze paragraaf wordt verstaan onder gebruik van asbest : de werkzaamheden waarbij per jaar een hoeveelheid van meer dan 100 kg ruwe asbest wordt behandeld en die betrekking hebben op :
  1° de productie van ruwe asbest uit asbesthoudend gesteente met uitzondering van alle procédés die rechtstreeks verbonden zijn met het winnen van het gesteente,
  en/of;
  2° de vervaardiging en industriële afwerking van de volgende producten die ruwe asbest bevatten : asbestcement of asbestcementproducten, asbestfrictiemateriaal, asbestfilters, asbestweefsels, asbestpapier- en karton, dichtings-, verpakkings-, verstevigings- en dichtheidsmateriaal van asbest, vloerbedekkingen van asbest en asbesthoudende vulmiddelen.

  Afdeling II- Scheikundige nijverheden.

  A. Gebruik, aankoop, verkoop en vervoer van sommige giftige produkten.

  Art. 393.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 394. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 03-10-1973, art. 6>

  Phosphor.

  Art. 395.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 396.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Loodhoudend email.

  Art. 397.[1 (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming)]1 Omtrent het gebruik van loodhoudend email wordt hieronder een verbod of beperking opgelegd in navermelde bedrijven, voor de daartegenover bepaalde industriële bewerkingen.
  Bedrijven:
  Werkplaatsen voor het emailleren van ijzer en ruwijzer.
  Industriële bewerkingen:
  Het gebruik van loodhoudend email voor het zogenaamd "stofemailleren" is verboden.
  Het toepassingsgebied van de bepalingen van dit artikel zal, op advies van de Diensten voor de Technische en medische Arbeidsbescherming, bij ministeriële besluiten mogen gewijzigd of aangevuld worden.
  (Dit artikel is van toepassing op het emailleerwerk dat onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt is.) <KB 09-03-1962, art. 14>
  ----------
  (1)<KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  (rubriek opgeheven)<KB 03-10-1973, art. 6>

  Art. 397bis. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 03-10-1973, art. 6>

  Loodwit, loodsulfaat en andere witte loodhoudende pigmenten. <KB 22-12-1970, art. 1>

  Art. 398. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1990-11-05/33, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 22-11-1991>

  Art. 399. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1990-11-05/33, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 22-11-1991>

  Art. 400. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 1990-11-05/33, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 22-11-1991>

  Art. 401. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 22-12-1970, art. 2>

  B. <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

  Art. 402. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

  Art. 403. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

  Art. 404. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

  Art. 405. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

  Art. 406. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

  Art. 407. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

  Art. 408. <Zie nota's onder TITEL> <opheffingsbepaling van KB 01-07-1952, art. 10>

  C. Bereiding van loodverbindingen.

  Algemene voorwaarden.

  Art. 409.<KB 09-03-1962, art. 15> (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De voorschriften van deze littera zijn van toepassing op de bereiding van loodverbindingen, op de bereiding van loodwit en op de bereiding van loodchromaten en van loodchromaathoudende verfstoffen die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
  (Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.) <KB 1987-09-17/31, art. 14, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

  Art. 410. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Alle dagen, onmiddellijk na de schorsing van 't werk, moeten de vloer der werkplaatsen, de toestellen en het gereedschap zorgvuldig met veel water grondig gereinigd worden. Op 't einde van elke week, moeten de muren, het timmerwerk, enz., en over 't algemeen, al de plaatsen waar loodhoudend stof ligt, afgewassen worden.
  Het schoonmaken zonder water is volstrekt verboden.

  Art. 411. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Bij elke behandeling van loodverbindingen worden de nodige maatregelen getroffen om te vermijden dat de handen met die produkten in aanraking komen, er stof ontstaat en die produkten in de ruimte verspreid worden.

  Art. 412. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De handvatten van het gereedschap en al de door de werklieden te hanteren voorwerpen moeten in volkomen reine staat gehouden worden.
  Het stof zal opgezogen worden op de plaats zelf waar het voortgebracht wordt en zal in kamers of gepaste toestellen samengebracht worden.

  Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodwit.

  Art. 413. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het lood moet gesmolten worden in een bijzonder lokaal, onder een rookvang, derwijze opgesteld dat de werkman-smelter zich buiten het bereik van alle uitwasemingen bevindt.
  Tijdens (het aftappen) van het lood mag er in de rookvang slechts een opening zijn, welke voor die verrichting volstrekt noodzakelijk is. Buiten de smelttijd moet hij gans kunnen gesloten of op de smeltkroes nedergelaten worden. Een machinale ventilator moet een voortdurende en sterke luchtstroom onder de rookvang verzekeren. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>

  Art. 414. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De nodige maatregelen moeten genomen worden om te vermijden dat het wegnemen van de roosters, de plaatjes of de mest het minste stof zou veroorzaken. Desnoods, zullen die roosters, plaatjes of elke mestbed op voldoende wijze bevochtigd worden.

  Art. 415. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het afkloppen, afbijten en zeven met de handen is verboden.

  Art. 416. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De niet in het water gedompelde machinale bijt- of verbrijzeltoestellen moeten voorzien zijn van goed dicht gesloten metalen bekledingen, welke verbonden zijn aan krachtig werkende opzuigingstoestellen, derwijze geplaatst dat het loodhoudend stof niet naar buiten kan vliegen.
  De toestellen zullen slechts geopend worden na het volkomen neerslaan van het stof; dit zal desnoods verzekerd worden door een straal waterdamp of verstoven water.

  Art. 417. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Van af het afbijten van de roosters tot na het einde van het verbrijzelen met water, moet het loodwit machinaal van het ene toestel naar het andere worden overgebracht.
  De werklieden mogen niet in de ovens binnendringen om er het droog loodwit uit te halen, alvorens deze lokalen verkoeld zijn.

  Art. 418. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De loodwitbroodjes moeten machinaal verbrijzeld worden en de verbrijzel-, maal- en builtoestellen zullen derwijze geplaatst zijn dat het loodwit automatisch van het een in het ander toestel komt. Die toestellen, in een bijzonder lokaal geplaatst, moeten voorzien zijn van goede metalen bekledingen, zo dat er niet het minste loodwit uit kan komen. Zij moeten voorzien zijn van machinale opzuigingstoestellen en mogen slechts geopend worden na volledige neerslag van het poederachtige stof.

  Art. 419. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het verpakken van droog loodwit moet machinaal en derwijze geschieden dat hoegenaamd geen stof ontsnappen kan.

  Art. 420. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het loodwitpoeder zal derwijze door middel van een toestel in de laadrechter van de pletmachine met olie gebracht worden dat er hoegenaamd geen stof kan ontstaan. De trechter zal voorzien zijn van een bekleding, waaronder, gedurende de ganse werktijd, de lucht door middel van een krachtige mechanische ventilator zal opgezogen worden.

  Art. 421. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het mengen van het droog loodwit met de olie alsook de eerste verbrijzelverrichting moeten in een volkomen dicht gesloten toestel geschieden. Van dit toestel zal het loodwitdeeg automatisch naar de verschillende pletrollen gebracht worden.

  Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodoxyde: massicot, loodlit, menie.

  Art. 422. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De nodige voorzorgen dienen genomen opdat, tijdens het roeren en het uit de oven halen, de werklieden niet aan damp en stof worden blootgesteld. Staan de ovens niet in open lucht, dan moeten, boven de deuren rookvangen met krachtige luchtstroom geplaatst worden.

  Art. 423. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het tot poeder stampen en builen zal in (luchtdicht gesloten) toestellen worden verricht, die slechts zullen geopend worden na volledige neerslag van de poederachtige stof. <KB 10-6-1952, art. 14 en bijl.>

  Art. 424. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Bij het overgieten, in vaten doen en samendrukken, zullen de nodige voorzorgen genomen worden om het opjagen van het stof volkomen te verhinderen.

  Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodchromaat en van de verven die er bevatten.

  Art. 425. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het tot poeder stampen, builen, samendrukken en verpakken, moeten derwijze geschieden dat hoegenaamd geen stof ontsnappe. Die verrichtingen moeten geschieden hetzij onder krachtig werkende opzuigtoestellen, hetzij in luchtdicht gesloten toestellen, die slechts zullen geopend worden nadat de poederachtige stof volledig is neergeslagen.

  Bijzondere voorwaarden aangaande het bereiden van loodarseniaat.

  Art. 426. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De invretende vloeistoffen dienen mechanisch te worden vervoerd en overgegoten.

  Art. 427. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De vaten en recipiënten die voor de reacties en de behandelingen dienen, zullen uit materiaal worden vervaardigd dat door de aangewende stoffen niet kan worden aangetast.

  Art. 428. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het tot poeder stampen, het builen, het samendrukken, het inpakken en alle andere behandelingen van de grondstoffen of van het bereid produkt moeten derwijze geschieden dat er zich in de werkplaatsen geen stof kan verspreiden.

  Art. 429. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Buiten vermelde voorschriften en die hoofdzakelijk ten doel hebben lood- en andere vergiftigingen te voorkomen, moeten de fabrikanten navermelde maatregelen nemen, om de andere bezwaren van hun bedrijf te voorkomen.

  Art. 430. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Mesthopen en carbonatatiekamers mogen niet opgericht worden nabij de woningen, die aan derden toebehoren.
  De nodige voorzorgen zullen genomen worden opdat het water der naburige putten niet besmet worde door de met de organische stoffen van de mest beladen vloeistoffen.

  Art. 431. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Water waarin lood- of arseenverbindingen opgelost zijn of waarin deze zweven, mag alleen in openbare riolen aflopen; het is verboden het in de grond te laten dringen of het buiten de inrichting te laten wegvloeien.

  Art. 432. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Alle brandbare stof moet van de droogplaatsen worden verwijderd.

  Art. 433. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 7, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De tijdens het bereiden voortgebrachte schadelijke gassen zullen derwijze worden gecondenseerd of opgeslorpt dat ze noch de werklieden noch de buren zouden kunnen hinderen.

  Afdeling III.

  A. Bouw- en onderhoudswerken. <KB 28-12-1976,art. 1, § 1>

  Art. 433bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1976, art. 1, § 1> Afdeling III van dit hoofdstuk is van toepassing op de (personen, ondernemingen en instellingen) bedoeld in artikel 28 van dit reglement. <KB 1987-09-17/31, art. 15, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

  I. Materieel, toestellen, installaties en produktieinrichtingen. <KB 28-12-1976, art. 2>

  Art. 434.<Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1976, art. 2>
  434.1.1.
  Het materieel, de toestellen, de installaties en de produktieinrichtingen van elke aard zijn aangepast aan de uit te voeren werkzaamheden.
  Ze hebben voldoende weerstand om aan de lasten en krachten, waaraan ze kunnen worden onderworpen, te weerstaan.
  Ze mogen geen gebreken vertonen die de veiligheid in het gedrang kunnen brengen en worden in goede staat gehouden.
  434.1.2.
  De toestellen, de installaties en de produktieinrichtingen zijn zodanig aangebracht, opgesteld of gebruikt dat ze een voldoende stabiliteit bieden.
  434.2.1.
  De elementen die als uitvoerings- of beschermingsmiddelen gebruikt werden, zoals stellingen, bekistingen, beschoeiingen, stutten, platformen, loopbruggen, trappen, ladders, leuningen, panelen, vangnetten en -vloeren, zijn ontworpen, berekend en vervaardigd volgens de richtlijnen van de Administratie van de arbeidsveiligheid of bij ontstentenis ervan, volgens de normen, kodes voor goede praktijk of regels van de kunst, algemeen toegepast of aanbevolen in België.
  434.2.2.
  Op elke aanvraag van de met het toezicht gelaste ambtenaar, deelt het ondernemingshoofd of zijn afgevaardigde, voor elke stelling met een hoogte van meer dan 8 m, de referentie mede van de norm, de berekeningsmethode of de kode voor goede praktijk gebruikt voor het ontwerpen van de stelling.
  434.3.1.
  De gebruikte materialen zijn van goede kwaliteit en verkeren in goede staat.
  434.3.2.
  Het gebruikte hout is van het soort met lange vezels, zonder barsten noch andere gebreken die de weerstand ervan kunnen schaden.
  Daarenboven is het volledig van zijn schors ontdaan als het gebruikt wordt voor het maken van stellingen, platformen, loopbruggen, trappen en ladders.
  434.3.3.
  De metalen onderdelen vertonen geen scheuren noch andere gebreken die de weerstand ervan kunnen schaden.
  434.3.4.
  Elk onderdeel dat in slechte staat verkeert of waarvan de stevigheid twijfelachtig is, wordt verwijderd zodat het niet meer kan worden gebruikt.
  434.4.1.
  De toestellen uitgerust met beweegbare platformen, bakken, grijpers of andere dergelijke uitrustingen mogen niet alleen gelaten worden met deze uitrustingen in geheven stand.
  434.4.2.
  De beweegbare toestellen en de voertuigen mogen slechts opgesteld en gebruikt worden op plaatsen waar hun stabiliteit verzekerd is, inzonderheid rekening houdend met de aard en de staat van de bodem en de vorm van het terrein.
  (Wanneer laders op wielen of rupsen, tractors op wielen of rupsen, wegschaven of scrapertractors, met een nominaal vermogen van minstens 15 kW, moeten gebruikt worden onder omstandigheden die de door de constructeur vastgestelde stabiliteitsgrenzen benaderen, dienen deze bouwmachines te worden voorzien van een constructie ter bescherming bij omslaan die conform is met een norm of code van goede praktijk. De bestuurdersplaats moet uitgerust zijn met een veiligheidsgordel.) <KB 1991-09-18/33, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 22-12-1991>
  (Lid 3 opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
  434.4.3.
  Een persoon die niet volledig 18 jaar oud is of die de vereiste geschiktheden niet bezit om een beweegbaar toestel of een voertuig op de openbare weg te besturen, mag dat toestel of dat voertuig op een bouwplaats niet besturen, of toegelaten worden te besturen, ongeacht of die persoon al dan niet tot de onderneming behoort.
  434.5.1.
  (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
  434.5.2.
  (Opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
  434.6.1.
  Aangepaste stellingen worden gebruikt voor alle werkzaamheden die niet zonder gevaar met een ladder of andere middelen kunnen worden uitgevoerd.
  434.6.2.
  Loopbruggen, trappen, bordessen, ladders, hellende vlakken of liften zijn oordeelkundig verdeeld zodat de werknemers beschikken over gemakkelijke toegangs- en evacuatiemiddelen
  434.6.3.
  Het is verboden zich van de ene naar de andere verdieping van een afgewerkte stelling te begeven door langs de elementen van het geraamte ervan te klimmen of er zich langs te laten glijden.
  434.7.1.
  [1 ...]1
  434.8.1.
  [1 ...]1
  434.8.2.
  [1 ...]1
  434.9.1.
  [1 ...]1
  434.9.5.
  Doeltreffende maatregelen worden genomen om de stabiliteit van bekistingspanelen met grote oppervlakte te verzekeren bij de behandeling, het gebruik en de opslag ervan, rekening houdend met de invloed van de wind.
  434.9.6.
  Het onder spanning brengen van de bewapening in voorgespannen beton, alsook het wegnemen van de hiervoor gebruikte vijzels gebeuren onder het toezicht van het ondernemingshoofd of zijn afgevaardigde.
  Deze persoon zorgt voor het plaatsen van inrichtingen die de werknemers doelmatig kunnen beschermen tegen het gevaar van een mogelijke vrijmaking van de tijdens het onder spanning brengen van de bewapening erin opgestapelde energie.
  ----------
  (1)<KB 2013-08-30/51, art. 25, 079; Inwerkingtreding : 17-10-2013>

  II. Aardewerken.

  Art. 435. <Zie nota's onder TITEL> De werken van alle aard tot ophoging, uitgraving, uitholling van grond, moeten derwijze uitgevoerd worden dat elke grondinzakking voorkomen wordt.
  Naar gelang de werken vorderen, zullen de wanden van de uitgegraven gedeelten door aan de aard van de grond en van het werk aangepaste steunen geschraagd worden.
  De ondersteuningswerken dienen door een onderlegd personeel onder het toezicht van een verantwoordelijke aangestelde gedaan.
  Gepaste maatregelen dienen getroffen om ongevallen te voorkomen, die door de instorting van opgehoopte aarde, opgestapelde bouwstoffen, of het vallen van materieel of van eender welke zware voorwerpen zouden kunnen veroorzaakt worden.

  Art. 436. <Zie nota's onder TITEL> Elke putas dient nauwkeurig te worden gemerkt, ten opzichte van twee vaste punten. De gesteldheid van de putwanden dient dagelijks gecontroleerd.
  Het is verboden op de schragingshouten buizen, balken of ander bouwmateriaal te laten rusten.

  Art. 437. <Zie nota's onder TITEL> De arbeiders, die op in helling aangelegde uitgravingswerken arbeiden, mogen zich nooit de ene boven de anderen bevinden. Zij zullen door passende middelen tegen de gevaren van verzakking worden beveiligd.
  De uitgravingen van meer dan 1m50 diepte dienen van een voldoend aantal ladders voorzien om aan het personeel de mogelijkheid te geven deze snel te ontruimen.
  Tijdens de ganse duur der werken moeten de plaatsen, waar de oneffenheid van de grond tot ongevallen aanleiding kan geven, zoveel mogelijk, behoorlijk overdekt of met stevig gevestigde schutsels omringd zijn.

  Art. 437bis.[Opgeheven] <KB 1999-05-03/51, art. 61, 048; Inwerkingtreding : 1999-08-01; opnieuw opgeheven bij KB 2001-01-25/34, art. 66, 054; Inwerkingtreding : 01-05-2001>

  III. Stellingen, platformen, bruggetjes, vloeren. <KB 14-03-1975, art. 5>

  Art. 438. <Zie nota's onder TITEL> De (stellingen, platformen, bruggetjes, vloeren) en, over 't algemeen, al de installaties waarop het werkvolk kan verplicht zijn te gaan, te werken of te staan moeten, in al hun delen, voldoen aan al de eisen van stevig, sterk en vast werk, rekening gehouden met de lasten en spanningen waaraan zij kunnen onderworpen worden. <KB 14-03-1975, art. 6>
  (alinea 2 tot 5 opgeheven) <KB 28-12-1976, art. 3>

  a) Stellingen.

  Art. 439. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 28-12-1976, art. 4>

  Art. 440.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 441.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 442.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 443.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 444.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Vaste stellingen met steigers.

  Art. 445.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 446.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 447.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Vaste stellingen met(ladders). <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>

  Art. 448.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 449.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Stabiliteit van de vaste stellingen met steigers of met(ladders). <KB 10-06-1952, art 14 en bijl.>

  Art. 450.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Vliegende stellingen. <KB 28-12-1976, art. 5>

  Art. 451.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 452.<Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1976, art. 6>
  452.1.
  Dit artikel is van toepassing op de beweegbare hangstellingen.
  452.2.
  Een in dit artikel bedoelde stelling, de uitrusting van en de draaginrichting inbegrepen, is gelijkgesteld met een heftoestel en onderworpen aan de voorschriften van titel III, hoofdstuk I, afdeling II van dit reglement, zonder dat er aanleiding bestaat de beperking van artikel 267ter b, toe te passen.
  Dit toestel wordt niet beschouwd als een lift of een vrachtenlift, zelfs indien het verplaatst wordt langs één of meedere geleiders.
  452.3. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.4. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.5. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.6. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.7. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.8. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.9. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.10. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.11. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.12. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.13. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.14. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.15. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  452.16.
  Onverminderd de voorschriften van artikel 434.7.1. waarbij het aanbrengen van kollektieve beveiligingselementen wordt opgelegd, dragen de op een werkvloer tewerkgestelde werknemers [1 een veiligheidsharnas beantwoordend aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de persoonlijke beschermingsmiddelen; het harnas wordt aan]1 een voldoend stevig element van de hangstelling of van de ophanging vastgehecht door middel van een inrichting die elk onverwacht loshaken uitsluit.
  ----------
  (1)<KB 2005-06-13/46, art. 28, 065; Inwerkingtreding : 24-07-2005>

  Art. 453.<Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1976, art. 7>
  453.1. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De bakken, manden, draagstoelen of gelijkaardige inrichtingen, met een enkele ophanging, mogen door de werknemers enkel als draag- en werkinrichtingen gebruikt worden in uitzonderlijke omstandigheden, zoals:
  - het uitvoeren van werken van korte duur;
  - als de schikking van de plaats of de aard van het werk het gebruik van stellingen uitsluit;
  - het vervoer van werknemers in putten en andere plaatsen waarvan de toegang moeilijk of gevaarlijk is.
  Het gebruik ervan als draag- en werkinrichtingen is onderworpen aan de naleving van de voorschriften van dit artikel.
  453.2.
  De in dit artikel bedoelde toestellen, heel de uitrusting ervan en de hefinrichting, zijn gelijkgesteld met de heftoestellen en onderworpen aan de voorschriften van titel III, hoofdstuk I, afdeling II van dit reglement, zonder dat er aanleiding bestaat de beperking van artikel 267ter, b, toe te passen.
  453.3. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De toestellen zijn speciaal ontworpen voor het dragen van de werknemers, het materieel en de materialen die hen vergezellen. Ze mogen voor geen andere doeleinden worden gebruikt.
  453.4. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De bakken en de manden hebben een minimale diepte van 1 m en zijn gedragen door twee stevige onvervormbare metalen beugels, die onder de bodem en langs de zijwanden ervan doorgaan, stevig eraan vastgehecht zijn en voorzien van een onafneembare inrichting voor de bevestiging van de ophanginrichting.
  (Bakken, manden en dergelijke mogen slechts aan de haak van een heftoestel bevestigd worden indien deze haak voorzien is van een veiligheidspal met zekere mechanische vastzetting zoals bijvoorbeeld door vastschroeven of inklikken.) <KB 1991-01-02/46, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 25-01-1991>
  453.5. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Telkens het mogelijk is, zijn de draagstoelen en gelijkaardige inrichtingen voorzien van een rugleuning, een voetsteun en handvatten, die de werknemers in staat stellen zich elders dan aan de kabel of het touw vast te houden.
  453.6. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Doeltreffende de maatregelen worden genomen om slingerende en draaiende bewegingen en andere verplaatsingen van de inrichtingen, waarbij de werknemers zouden kunnen worden gekwetst, te voorkomen.
  453.7. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De hefinrichtingen zijn uitgerust met een rem die het toestel tot stilstand brengt bij het wegvallen van de drijfkracht. Indien de inrichting mechanisch gedreven wordt, brengt de rem de inrichting tot stilstand zodra men het bedieningsorgaan loslaat.
  453.8. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Als de inrichtingen mechanisch gedreven worden, mag enkel gebruik gemaakt worden van stalen kabels; het gebruik van touwen en kabels uit natuurlijke of synthetische vezels is verboden, behalve als de werkomstandigheden dit noodzakelijk maken.
  453.9. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De veiligheidscoëfficiënt op trek:
  a) van de staalkabels bedraagt:
  - 12 indien de inrichting met de hand gedreven wordt;
  - 16 indien de inrichting mechanisch gedreven wordt;
  b) van de touwen of kabels uit natuurlijke of synthetische vezels bedraagt:
  - 16 indien de inrichting met de hand gedreven wordt;
  - 20 indien de inrichting mechanisch gedreven wordt.
  453.10. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De lasten zijn derwijze opgesteld of vastgehecht dat het vallen en elk gevaarlijk overhellen of kantelen ervan voorkomen wordt.
  453.11. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De snelheid van de inrichting mag 20 M/min. niet overschrijden.
  453.12. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  De ruimte waarin de inrichtingen worden verplaatst zijn vrij van elke hindernis.
  Het is verboden meer dan twee personen tegelijk te vervoeren.
  453.13. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  In alle omstandigheden oefent een aangestelde een voortdurende kontrole uit over de verplaatsing van de inrichting.
  Indien de gebruiksomstandigheden van de inrichting hem niet toelaten het met het oog te volgen, volgt een tweede aangestelde de verplaatsing en leidt ze met behulp van een doeltreffend kommunicatiesysteem.
  453.14. (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1996 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen; blijft evenwel van toepassing voor het gebruik van werkbakken of gelijkaardige inrichtingen opgehangen aan een hijskraan) <KB 1995-05-05/32, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Het is verboden deze inrichtingen te gebruiken als ze aan een wind zijn blootgesteld, die gevaarlijk is voor de stabiliteit ervan of voor die van de werknemers en meer bepaald inzonderheid als de windsnelheid op de plaats van de arbeid 60 km/u. bereikt.
  453.15.
  [Doeltreffende voorzorgen zijn genomen om te beletten dat de vervoerde werknemers in de diepte zouden kunnen vallen; zij dragen [1 een veiligheidsharnas beantwoordend aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de persoonlijke beschermingsmiddelen]1.
  [1 Het veiligheidsharnas wordt vastgehecht]1 aan een bevestigingspunt verschillend van de hefhaak van het heftoestel, door middel van een systeem dat elk onverwacht loshaken uitsluit. [1 Het harnas]1 mag vastgehecht worden aan het kabelblok waaraan de haak bevestigd is, maar het bevestigingspunt moet onafhankelijk van de hefhaak zijn.] <KB 1991-01-02/46, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 25-01-1991>
  ----------
  (1)<KB 2005-06-13/46, art. 29, 065; Inwerkingtreding : 24-07-2005>

  Art. 453bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1976, art. 8>
  Het ondernemingshoofd of zijn afgevaardigde laat slechts het gebruik van de inrichtingen bedoeld in de artikelen 451, 452 en 453 toe aan werknemers die voldoende bekwaam en betrouwbaar zijn en na zich ervan vergewist te hebben dat deze personen al de voorschriften kennen waarvan de naleving noodzakelijk is om de veiligheid te verzekeren.

  Stellingen op schragen.

  Art. 454.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Stellingen op wielen en verplaatsbare stellingen. <KB 28-13-1976, art. 9>

  Art. 454bis.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Opstellen van hefwerktuigen op de stellingen.

  Art. 455. <Zie nota's onder TITEL> Wanneer op een stelling een hefwerktuig dient opgesteld, moeten:
  a) de delen, waaruit deze stelling bestaat zorgvuldig nagezien, en, desnoods, behoorlijk versterkt worden;
  b) de dwarshouten onbeweegbaar gemaakt worden;
  c) de staanders op stevige wijze vastgemaakt worden aan een weerstandbiedend gedeelte van het gebouw op de plaats waar het hefwerktuig dient opgesteld.
  Indien de vloer van het hefwerktuig zich niet beweegt tussen geleiders of wanneer de vracht de stelling kan raken gedurende de ophaling of de daling, dient een verticaal schutsel opgesteld op de ganse hoogte van de stelling om te beletten dat de vloer of de vracht er aan hapert.

  Periodisch nazicht van de stellingen.

  Art. 456.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  b) Platformen, bruggetjes.

  Art. 457. <Zie nota's onder TITEL> Elk werkplatform dat meer dan 2 meter boven de grond is aangebracht zal van een aaneensluitende vloer voorzien zijn.
  (De breedte van de platformen moet aan de aard van het uit te voeren werk aangepast zijn. De breedte zal in geen geval minder dan 40 cm mogen bedragen, zo het platform uitsluitend gebruikt wordt om personen te dragen; 60 cm zo het gebruikt wordt om materiaal op te stapelen; 100 cm zo het gebruikt wordt om een ander hoger platform te dragen. Deze minima maten worden niet vereist voor de bestanddelen van de bij artikel 448 van dit reglement bedoelde steigers.) <KB 10-06-1952, art. 12>
  De balken en de planken waaruit een werkplatform samengesteld is of die als plinten gebruikt worden, moeten:
  a) een dikte hebben welke alle veiligheid biedt ten aanzien van de afstand tussen twee steunpunten, dikte welke in generlei geval minder dan 30 millimeter zal mogen bedragen;
  b) een breedte hebben van ten minste 15 centimeter.
  De platformen dienen zodanig gebouwd dat de balken en de planken waarmede zij gebouwd zijn, zich niet kunnen verplaatsen.
  (alinea 5 tot 7 opgeheven) <KB 28-12-1976, art. 10>
  De planken, welke voor het bouwen der bruggetjes aangewend worden, zullen zodanig op hun steunsels gehecht worden dat zij zich niet kunnen verplaatsen of vallen.
  Zij zullen onderling verbonden zijn door middel van dwarsbalken of andere sterke banden waardoor zij niet kunnen van elkaar glijden. Er zal tussen de planken geen gevaarlijke ruimte mogen bestaan.
  De bruggetjes zullen breed genoeg zijn om het verkeer van personen en de uitvoering van het werk zonder gevaar te laten geschieden. Deze breedte zal niet minder dan 50 centimeter mogen bedragen.
  Op de vloer van de bruggetjes zal er, wanneer deze door om het even welke oorzaak ook zou kunnen glijachtig worden, as of zand gestrooid worden.
  Wanneer hun helling 1/4 te boven gaat, zullen zij voorzien worden van op behoorlijke afstand geplaatste latten.
  (alinea 13 opgeheven) <KB 28-12-1976/5, art. 10>

  Art. 458. <Zie nota's onder TITEL> De platformen en de bruggetjes zullen steeds vrij gehouden worden van elke onnodige belemmering.

  c) Ladders.

  Art. 459.
  <Opgeheven bij KB 2005-08-31/38, art. 26, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 460. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 14-03-1975, art. 9>

  Art. 461. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven) <KB 14-03-1975, art. 9>

  Werken op daken, torens, schoorstenen, enz.

  Art. 462. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1976, art. 11>
  462.1.1.
  Dit artikel is van toepassing op de bouw- en onderhoudswerkzaamheden aan of op daken van elke aard of samenstellende onderdelen ervan.
  462.1.2.
  Onverminderd de andere voorschriften van dit reglement, worden de meest doeltreffende kollektieve veiligheidsmaatregelen getroffen om het vallen van werknemers, materieel of materialen te voorkomen.
  462.1.3.
  Als de aard van het werk niet toelaat hetzij gepaste werk- of loopvloeren hetzij kollektieve beveiligings- of vangelementen, opgelegd bij de artikelen 434.7.1. en 434.9.1. te gebruiken of indien het aanbrengen van deze middelen risico oplevert buiten verhouding met dat van het uit te voeren werk, dan wordt de veiligheid van de werknemers verzekerd door het dragen van veiligheidsgordels of -harnassen, beantwoordend aan de voorschriften van artikel 158sexies.
  462.1.4.
  Het is verboden werknemers op gladde kroonlijsten of in gladde dakgoten te laten lopen zonder doeltreffende maatregelen te treffen om het glijden of het vallen te beletten.
  462.2.1.
  Als werkzaamheden worden uitgevoerd op of vanop bouwvallige onderdelen of op dekkingen uit materialen met beperkte weerstand, zoals glas, fibrocement, kunststof, voert het ondernemingshoofd of zijn afgevaardigde voor de aanvang van ieder werk een preventief onderzoek uit omtrent de staat van deze onderdelen of van de bedekking.
  462.2.2.
  Het gevaar wordt door passende en goed zichtbare berichten aangeduid.
  462.2.3.
  De nodige voorzorgen worden getroffen om te beletten dat de werknemers rechtstreeks op deze onderdelen of op de bedekking steunen.
  Zij beschikken met dat doel over stellingen, ladders, planken en andere gelijkaardige middelen.
  462.3.1.
  Slechts werknemers die in dit soort werk ervaren zijn en die de geschiktheden bezitten voor werk op hoogten, mogen op torenspitsen en daken werken waarvan de helling 34° (2/3) overschrijdt.
  462.3.2.
  Indien ladders, planken of andere gelijkaardige inrichtingen, die de werknemers dragen, afhellen, dan worden doeltreffende voorzorgen genomen om het glijden ervan te vermijden.
  Ten einde het kantelen van deze elementen te voorkomen, worden ze op meerdere plaatsen ondersteund en in elk geval aan ieder uiteinde.
  Naarmate de werken vorderen, worden deze inrichtingen derwijze verplaatst dat de werknemers niet rechtstreeks moeten steunen op delen met beperkte weerstand.

  Fabrieksschoorstenen. <KB 30-12-1959>

  Art. 462bis.<KB 30-12-1959> Voor de uitvoering van de bouw, gedeeltelijke of volledige sloping, verhoging, herstelling en onderhoud van fabrieksschoorstenen in baksteen of beton is het verboden, behalve in uitzonderlijke of spoedeisende gevallen:
  a) werken uit te voeren [1 zonder veiligheidsharnas]1, vastgehecht bij middel van zijn haak aan een veiligheidskabel, aan een klimijzer of een band in goede staat; de haak is voorzien van een stelsel dat het ongelegen opengaan ervan belet;
  b) gereedschap te plaatsen tussen de gordel en het lichaam en in niet daartoe bestemde zakken;
  c) met de hand lasten (gereedschap, stellingsmaterieel en materialen) te hijsen of te laten zakken vanaf de werkpost opgesteld op de schoorsteen;
  d) bakstenen te hijsen of te laten zakken in koorden;
  e) te stellen of een katrol vast te hechten aan de versterkingsbanden zonder voorafgaand nazicht van hun staat en wanneer hun stevigheid twijfelachtig schijnt te zijn;
  f) aan een persoon die alleen op de schoorsteen werkt, een buitenstelling te plaatsen, te verplaatsen of weg te nemen, behalve voor het plaatsen of het wegnemen van de vier eerste of laatste steunen (consoles);
  g) de werken door een arbeider alleen te laten uitvoeren;
  h) op een schoorsteen te klimmen die niet voorzien is van stevig vastgehechte klimijzers of ladders;
  i) werken uit te voeren aan schoorstenen in werking zonder de nodige voorzorgen te nemen om de arbeiders te onttrekken aan de werking van gassen of rook, eventueel door het dragen van een beschermingsmasker aangepast aan de natuur van het gas of de rook.
  Elke last van meer dan 30 kg zal behandeld worden bij middel van een windas voorzien van een rem, een pal of gelijk welk ander veiligheidstoestel dat beantwoordt aan de bepalingen van artikel 270.
  ----------
  (1)<KB 2005-06-13/46, art. 30, 065; Inwerkingtreding : 24-07-2005>

  Art. 462ter.<Zie nota's onder TITEL> <KB 30-12-1959> Wanneer het optrekken of neerlaten van de arbeiders geschiedt door middel van een windas, moeten de arbeiders plaats nemen hetzij in een gesloten bak van voldoende diepte, hetzij op een daartoe bestemde zitplaats voorzien van een omheining en een voetsteun, gesloten bij middel van een ketting of een staaf. De arbeider moet daarenboven [1 een veiligheidsharnas]1 dragen die rechtstreeks aan de kabel is vastgehecht en slechts wordt losgemaakt wanneer hij op de stelling staat.
  De hijsinrichting gebouwd voor een maximum last van 200 kg mag slechts één arbeider terzelfdertijd optrekken of neerlaten. Twee arbeiders mogen er plaats nemen, wanneer de inrichting voorzien is voor een last van 400 kg.
  ----------
  (1)<KB 2005-06-13/46, art. 31, 065; Inwerkingtreding : 24-07-2005>

  Art. 462quater. <Zie nota's onder TITEL> <KB 30-12-1959> (Gedurende de uitvoering van de werken dragen de arbeiders die op de grond werken beschermingshelmen uit licht metaal of uit een andere stof met evenveel weerstandsvermogen en sterkte.) <KB 7-2-1961>
  Alle voorzorgen worden genomen om de arbeiders die zich aan de voet van de schoorsteen bevinden te beveiligen tegen eventueel vallen van materiaal.
  Wanneer bij het bouwen, verhogen of slopen de materialen bij middel van de kabel van de windas neergelaten worden, is het nodig schutdaken te plaatsen boven de ingang en de doorgangen op een lengte van minstens 1/10e van de hoogte van de schoorsteen zonder dat deze lengte meer dan 5 m moet zijn, alsmede boven de vaste werkposten zoals windas, betonmolen, enz., voor zover zij zich binnen de hierboven aangehaalde zone bevinden.

  Art. 462quinquies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 30-12-1959> Voor de werken langs buiten uit te voeren hebben de stellingen minstens twee planken van ten minste 27 cm breedte. Bij het verlaten van de stelling wordt een kabel die de steunen langs binnen omsluit rond de schoorsteen vastgehecht en de planken worden onder elkaar en aan de steunen stevig vastgehecht. Deze laatste zijn in metaal.
  Een andere stalen kabel van ten minste 8 mm diameter wordt rond de schoorsteen vastgemaakt boven de stelling met een aanhechtingsstelsel dat het ontstaan van knopen belet. Bij het wegnemen van de stelling, mag deze kabel slechts weggenomen worden na het voltooien van het wegnemen.

  Art. 462sexies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 30-12-1959> Vóór het verlaten van de stelling, worden de werktuigen en materialen die er moeten blijven verzameld en in recipiënten geplaatst die evenals alle stukken die er niet kunnen in geplaatst worden, stevig aan de schoorsteen vastgehecht worden.

  Art. 462septies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 30-12-1959> Voor de werken langs binnen uitgevoerd, wordt onder de werkvloer en ten hoogste op 1,5 m afstand een structuur opgesteld van dragende elementen die ten minste gelijkwaardig is aan de werkvloer.
  Daarenboven wordt op maximum 2 m van de grond van elke schoorsteen of van de toegangsvloer een stevig overdekt schutdak opgesteld binnen in de schoorsteen, wanneer materialen langs binnen moeten opgetrokken worden en de binnendiameter van de schoorsteen op de hoogte van de grond of van de werkvloer meer dan 1,75 m breed is.
  Het steunstelsel van de bovenste katrol wordt stevig aan de werkvloer of aan een onderdeel van de bouw vastgehecht.

  Art. 462octies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 30-12-1959> In geval van bouw, herbouw of verhoging wordt een stevige koord met knopen aan de driepikkel of de galg vastgemaakt en hangt steeds langs de buitenkant van de schoorsteen tot op ten minste 1 m onder de boord van de schoorsteen.

  Art. 462nonies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 30-12-1959> Gedurende de ganse duur van de werken vermeld in artikel 462bis, eerste lid, wordt de omgeving van de schoorsteen afgesloten binnen een straal die de buitenzijde van de schoorsteen met 1/10e van de hoogte van de schoorsteen en met een minimum van 5 m overtreft.
  Duidelijk leesbare opschriften die het gevaar der in gang zijnde werken aanwijzen en het verbod binnen de aldus begrensde zones te komen worden in voldoende aantal uitgehangen.
  Wanneer zich in de hierboven aangehaalde straal gebruikte gebouwen bevinden waarvan het dak geen voldoende weerstand bezit, worden veiligheidsmaatregelen genomen om de gebruikers te beschutten tegen het vallen van materialen en brokstukken.
  Wanneer het onmogelijk is in de twee voorgaande leden aangehaalde voorzorgsmaatregelen te treffen, wordt een veiligheidsstelling gebouwd, onafhankelijk van de werkstellingen. Deze stelling wordt opgesteld tien meter of minder onder de werken.
  Zij is samengesteld uit steunen (consolen) waarvan de horizontale breedte 2 m bedraagt met leuningen en uitgerust om alle materiaal en brokstukken die zouden vallen tegen te houden.

  Art. 462decies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 30-12-1959> De sloping van een schoorsteen door omwerping mag slechts uitgevoerd worden wanneer het mogelijk is de toegang te verbieden binnen een sector met een openingshoek van 45° aan beide kanten van de voor de val voorziene richting en waarvan de straal genomen vanaf het middelpunt van de schoorsteen ten minste gelijk is aan de hoogte van de schoorsteen.

  Art. 462undecies. <Zie nota's onder TITEL> <KB 30-12-1959> In geval van volledige sloping van een schoorsteen mogen de materialen slechts naar beneden gestort worden binnen een verboden zone die een breedte heeft van ten minste 1/10e van de hoogte van de schoorsteen met een minimum van 5 m.

  Art. 462duodecies. <KB 30-12-1959> Alvorens over te gaan tot het volledig of gedeeltelijk slopen van een schoorsteen, worden de twijfelachtige gedeelten omspannen door banden, kabels of koorden.)

  Art. 462tredecies.[Opgeheven] <KB 1999-05-03/51, art. 61, 048; Inwerkingtreding : 1999-08-01; opnieuw opgeheven bij KB 2001-01-25/34, art. 66, 054; Inwerkingtreding : 01-05-2001>

  Oprichten en losmaken van gewelfbogen, schoren en plankenbekledingen.

  Art. 463. <Zie nota's onder TITEL> De gewelfbogen, schoren, plankenbekledingen en alle andere dergelijke installaties dienende tot schraging van bouwwerken moeten derwijze opgesteld zijn dat zij alle gewenste waarborgen van stevigheid en stabiliteit bieden.
  Het losmaken van gewelfbogen en het wegnemen der schoren en alle verrichtingen van die aard zullen met de nodige voorzorgen geschieden om instortingen te vermijden. Zij zullen slechts mogen verricht worden door bevoegde personen op uitdrukkelijk bevel van de werkleider en onder zijn persoonlijke controle.
  De nodige veiligheidsmaatregelen zullen getroffen worden om ongevallen te vermijden welke zouden kunnen veroorzaakt worden, door gedeelten van bouwwerk, waarvan pas de gewelfbogen werden gelost of de plankenbekledingen verwijderd.

  IV. Slopingswerken.

  Art. 464. <Zie nota's onder TITEL> <KB 28-12-1976, art. 12>
  464.1.
  De slopings- of ontmantelingswerkzaamheden worden uitgevoerd onder de leiding van een bekwaam persoon.
  464.2.
  Voor de aanvang van de slopings- of ontmantelingswerkzaamheden gaat hij over of doet hij overgaan tot een grondig onderzoek dat de staat van de konstruktie omvat en zonodig de berekeningen nodig om de stabiliteits- en weerstandsomstandigheden te kennen van de te slopen delen of van de aanpalende delen, ten einde de te treffen veiligheidsmaatregelen voor de beveiliging van de werknemers vast te stellen.
  464.3.
  Het slopen alsook het ontmantelen van konstrukties van gewapend beton, voorgespannen materialen of van metaal wordt uitgevoerd onder de leiding van personen die vertrouwd zijn met de bijzondere technieken die het slopen of het ontmantelen van zulke konstrukties vergen.
  464.4.
  Aangepaste voorzorgen worden genomen om te voorkomen dat de werknemers door vallend of wegvliegend puin worden geraakt.
  464.5.
  De stabiliteit van de overblijvende en aanpalende delen is te allen tijde verzekerd.
  464.6.
  Slechts geschikte en bekwame werknemers mogen een slopings- of ontmantelingswerk uitvoeren. Hun werkzaamheden mogen voor hen of voor de andere werknemers geen abnormaal risico meebrengen.
  464.7.
  Vanaf het begin van de slopings- of ontmantelingswerkzaamheden wordt de toegang tot de gevaarlijke gedeelten van de bouwplaats verboden door aangepaste en goed zichtbare berichten of door afsluitingen of andere aangepaste middelen.
  Enkel de door de verantwoordelijke toegelaten personen alsmede de met het toezicht belaste ambtenaren mogen de gevaarlijke gedeelten betreden.
  464.8.
  Als de aangestelden belast zijn de toegang tot een gevaarlijke plaats te verbieden, zijn ze in voldoend aantal en beschikken ze over de nodige middelen en het nodige gezag.
  464.9.
  Elk toegangsverbod, beslist door de verantwoordelijke van de slopings- of ontmantelingswerkzaamheden, wordt door alle betrokken personen nageleefd.

  V. Bescherming van de openingen.

  Art. 465. <Zie nota's onder TITEL> Elke opening die in de vloer van een gebouw of in een werkplatform wordt aangebracht dient behoorlijk bedekt of voorzien van:
  a) een of meer passende leuningen die ten minste op 1 meter hoogte boven het platform of de vloer aangebracht zijn;
  b) plinten van voldoende hoogte om te vermijden dat materiaal en gereedschap van dit platform zouden vallen.
  Wanneer er een werk geschiedt op of boven een niet bedekte roostering, dan zullen de roosterbalken moeten voorzien zijn van een vloer welke alle veiligheid biedt of zullen alle andere doeltreffende maatregelen moeten getroffen worden om te vermijden dat personen zouden vallen.

  VI. Algemene voorzorgen.

  Art. 466. <Zie nota's onder TITEL> De arbeiders zullen beveiligd zijn tegen de aanraking van het materiaal of tegen materiaal dat gedurende de werken zou kunnen vallen.
  (Lid 2 opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
  (Lid 3 opgeheven) <KB 1999-05-04/43, art. 12, 049; Inwerkingtreding : 14-06-1999>
  (De in voorgaand lid genoemde bouwmachines in gebruik gesteld na 30 mei 1990 mogen niet worden gebruikt indien zij niet zodanig ontworpen zijn dat zij overeenkomstig voornoemd koninklijk besluit van 14 februari 1990 van een beveiligingsconstructie tegen vallende voorwerpen kunnen worden voorzien.) <KB 1991-09-18/33, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 22-12-1991>
  Het stellingsmateriaal, het gereedschap of andere voorwerpen, zullen niet op de grond geworpen worden maar zorgvuldig naar beneden gebracht.
  Elk platform en elke andere werkvloer zullen moeten voorzien zijn van toegangsmiddelen welke alle veiligheid bieden.

  Art. 467. <Zie nota's onder TITEL> Gedurende alle bouwwerk, herstelling, verandering, onderhoud of sloping van een gebouw, zullen de nodige maatregelen moeten getroffen worden om te vermijden dat arbeiders in aanraking komen met elektrische geleiders of toestellen onder lage spanning.
  De uitstekende spijkers van het afgebroken materiaal zullen platgeslagen of uitgetrokken worden.
  Hetzelfde zal geschieden voor elke spijker die uitsteekt en gevaar kan opleveren. (Bij de uitvoering van slopingswerken en bij de ontkisting van betonwerken dienen passende beveiligingsmaatregelen getroffen ten einde te vermijden dat uitstekende spijkers de voeten van de arbeiders zouden kwetsen.) <KB 15-10-1955>
  Het materiaal dat op de werf ligt zal opeengestapeld en derwijze geschikt worden dat generlei ongeval te vrezen is.

  Art. 467bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-04-1975> De personen tewerkgesteld aan de bediening van torenbouwkranen bezitten een bekwaamheidsbrevet, afgeleverd door een inrichting die, op basis van haar opleidingsprogramma, door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid erkend wordt.
  Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder torenbouwkraan verstaan, een kraan met een toren van meer dan 10 m hoog en een al dan niet regelbare horizontale of schuine giek en bestemd om lasten in horizontale of vertikale richting te verplaatsen op de bouwplaatsen.

  Art. 468.<Zie nota's onder TITEL> In geval van verdrinkingsrisico, zullen er gemakkelijk bereikbare reddingstoestellen ter beschikking van het personeel gesteld worden.

  B. Werk in de persluchtcaissons. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 468bis.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 469.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 470.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 471.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 472.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 473.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 474.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 475.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 476.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 477.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 478.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 479.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 480.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 481.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 482.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 483.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 484.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 485.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 486.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 487.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 488.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 488bis.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 488ter.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 488quater.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 488quinquies.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 488sexies.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 489.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 490.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 491.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 492.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 493.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 494.
  <Opgeheven bij KB 2003-12-23/43, art. 37, 061; Inwerkingtreding : 05-02-2004>

  Art. 495. <Zie nota's onder TITEL> <opgeheven> <KB 17-04-1972, art. 2, 1°>

  Art. 496. <Zie nota's onder TITEL> <opgeheven> <KB 17-04-1972, art. 5>

  Art. 497. <Zie nota's onder TITEL> <opgeheven> <KB 17-04-1972, art. 5>

  Art. 498. <Zie nota's onder TITEL> <opgeheven> <KB 17-04-1972, art. 5>

  Art. 499. <Zie nota's onder TITEL> <opgeheven> <KB 17-04-1972, art. 5>

  Art. 500. <Zie nota's onder TITEL> <opgeheven> <KB 17-04-1972, art. 5>

  Art. 501. <Zie nota's onder TITEL> <opgeheven> <KB 17-04-1972, art. 5>

  Afdeling IV- Steenbakkerij.

  Art. 502. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 09-03-1962, art. 16> De voorschriften van deze afdeling zijn van toepassing op de steenbakkerijen die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.

  Art. 502bis. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 13-02-1957> De gesloten ovens voor het steenbakken moeten voorzien zijn van een schoorsteen, waarlangs al de verbrandingsprodukten op een hoogte van minstens 25 m ontruimd worden.
  In deze ovens mag het steenbakken te allen tijde geschieden.

  Art. 503. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 13-02-1957> Het steenbakken in open ovens en in veldovens moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° het aansteken zal slechts geschieden wanneer de oven volledig ineengezet is, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 504;
  2° het steenbakken mag slechts geschieden van 1 mei tot 31 december;
  3° een laag ongeblust kalkpoeder van 5 cm dikte zal, vóór het aansteken, op het bovenoppervlak van de oven gestrooid worden;
  4° de nodige maatregelen zullen getroffen worden om het ontsnappen van verbrandingsgassen langs de zijwanden van de oven te beletten.

  Art. 504. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 13-02-1957> Het aansteken der veldovens mag evenwel geschieden vóór hun volledige ineenzetting, zo buitengewone technische omstandigheden het vereisen. In dit geval moeten volgende voorwaarden nageleefd worden:
  1° het steenbakken mag slechts geschieden van 1 mei tot 31 december;
  2° een hoeveelheid ongeblust kalkpoeder moet met de te gebruiken brandstof vermengd worden, opdat het mengsel ten minste 4 % calciumoxyde zou bevatten;
  3° de nodige maatregelen zullen getroffen worden om het ontsnappen van verbrandingsgassen langs de zijwanden van de oven te beletten.

  Afdeling V- Openluchtgroeven.

  Art. 505. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  <KB 09-03-1962, art. 17> De voorschriften van deze afdeling zijn van toepassing op de openluchtgroeven die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.

  Art. 505bis. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  De werken zullen derwijze worden uitgevoerd, dat het schielijk afzakken van de grond zoveel mogelijk worde vermeden.
  Bij voorkomend geval zullen de werken voorzien zijn van behoorlijke en met de aard der laag passende steunmiddelen.

  Art. 506. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  Niemand mag springstoffen in de groeven of in de daaraanpalende aanhorigheden inbrengen, tenzij hij uitdrukkelijk daartoe gemachtigd weze door het bestuur der ontginning, dat de voorzichtigheidsmaatregelen zal opleggen, welke het zal nodig achten.
  De voorschriften van het koninklijk besluit van 29 oktober 1894 houdende algemeen reglement betreffende de springstoffen, zullen worden nageleefd wat betreft het behouden, het uitdelen, het vervoer naar de werven en het gebruik der springstoffen, alsook wat betreft het toezicht over het gebruik der brisante springstoffen. <zie nu in plaats van KB 29-10-1894, KB 23-09-1958>

  Art. 507. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  Het is verboden op de werven dynamiet en gelijkaardige mengsels te brengen, die door de vorst werden getroffen of zich niet in volmaakte staat van bewaring bevinden.

  Art. 508. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  Het is verboden op de werven brisante springstoffen en ontploffers te laten liggen, die niet onmiddellijk worden gebruikt.

  Art. 509. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  Het plaatsen der springstoffen in de mijnovens en het vullen van het boorgat zullen alleenlijk mogen geschieden door middel van vulstokken, die niet van metaal zijn vervaardigd. Men zal daarbij de schokken en schielijk stoten vermijden.

  Art. 510. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990> De nodige voorzorgsmaatregelen zullen worden genomen ten einde de gevaren te vermijden, welke de niet ontplofte mijnen opleveren.

  Art. 511. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  De nodige maatregelen zullen worden genomen om het personeel van de uitbating en het omliggende der groef te beschutten tegen de door het ontploffen der mijnen voortgebrachte projecties.

  Art. 512. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  De voorschriften van deze afdeling doen geen afbreuk aan de bepalingen van de wetten en bijzondere verordeningen betreffende de verbindingswegen, de waterlopen, de krijgsdienstbaarheden alsook de bestuurswijze der landen en bossen.

  Art. 512bis. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  <KB 07-11-1956> De werken van alle aard, tijdelijk of bestendig in een openluchtgroef uitgevoerd, geschieden onder het gezag van een verantwoordelijk persoon.

  Art. 512ter. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor zover het betrekking heeft op de arbeidsbescherming) <KB 1990-01-16/30, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 10-02-1990>
  <KB 07-11-1956> De verantwoordelijke persoon wordt door de exploitant van de groef aan de technische ambtenaar van het gebied aangeduid.
  Hij heeft als opdracht er op te letten dat de wetten, reglementen en besluiten die de technische ambtenaren moeten doen uitvoeren, nageleefd worden. Hij legt alle maatregelen op die nodig geacht worden om de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders, de veiligheid van de werken en de instandhouding van de eigendommen en van de nuttige wateren te verzekeren. Hij waakt over de uitvoering van deze maatregelen.
  De brief tot aanstelling van de verantwoordelijke persoon wordt door laatstgenoemde mede ondertekend, als bewijs dat hij aanvaardt.
  De verantwoordelijke persoon mag zich laten bijstaan door één of meer adjuncten of helpers, die onder zijn bevelen staan en voor de uitvoering van hun opdracht verantwoordelijk zijn.

  Afdeling VI-Tijdelijke huisvesting der werknemers. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 513.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 514.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 515.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 516.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 517.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 518.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 519.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 520.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 521.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 522.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 523.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 524.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 524bis.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 524ter.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 8, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Afdeling VII- Vervoernijverheid.

  § 1. Laden, lossen, bouwen, herstellen en onderhouden der vaartuigen.

  Art. 525. <Zie nota's onder TITEL> (Onverminderd de bepalingen genomen ter uitvoering van de wet van 25 augustus 1920 op de veiligheid der schepen zijn de voorschriften van deze paragraaf betreffende:
  het laden en lossen van vaartuigen en schepen;
  het bouwen, herstellen en onderhouden van vaartuigen en schepen;
  het behandelen van goederen in de havens, dokken alsmede op de aanlegplaatsen en kaaien langs bevaarbare wegen; van toepassing op de (personen, ondernemingen en instellingen) bedoeld in artikel 28 van dit reglement.) <KB 29-12-1956, art. 7> <KB 1987-09-17/31, art. 17, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
  Deze bepalingen worden aangeplakt op goed zichtbare plaatsen der dokken, werven, kaaien en andere soortgelijke plaatsen, die dikwijls voor de bij dit artikel bepaalde werken gebruikt worden.) <KB 15-05-1951, art. 1>

  Stellingen, bruggetjes,(...) vloeren, ladders, enz. <KB 14-03-1975, art. 10>

  Art. 526. <Zie nota's onder TITEL> <KB 14-03-1975, art. 11> De bepalingen van de artikelen 438 tot 444, 455 en 456 zijn van toepassing op de stellingen, bruggetjes, vloeren en platformen gebruikt voor het werk omschreven in deze paragraaf.

  Art. 527. <Zie nota's onder TITEL> De aan het vaartuig hangende stellingen dienen derwijze vastgemaakt dat zij niet kunnen schommelen.
  De stellingen, gebruikt om schilderwerk of andere werken te verrichten aan de vlot of op stapel liggende vaartuigen, moeten van leuningen voorzien zijn, welke aan de eisen van onbuigbaarheid en stevigheid beantwoorden.
  De leuningen van de stellingen, waarop het werkvolk zittend arbeidt, moeten o.m. uit twee steunlatten of -stangen bestaan, waarvan de ene derwijze geplaatst is dat ze tot leiding van de hand van de werkman, die over de vloer gaat, kan dienen en de andere op de hoogte van de schouder van de gezeten werkman is aangebracht.
  Worden er evenwel vliegende stellingen gebezigd, zal men er zich kunnen bij beperken de werkman van een aan een vast gedeelte van het vaartuig verbonden veiligheidsgordel met draagbanden te voorzien.

  Art. 528. <Zie nota's onder TITEL> (Indien de overgang van een vaartuig op een ander, van de oever, kade of wharf op een vaartuig of omgekeerd, gevaar biedt, moeten toegangsmiddelen derwijze zijn opgesteld dat deze overgang gans veilig zij.
  Deze toegangsmiddelen moeten bestaan:
  a) waar het redelijkerwijze uitvoerbaar is, uit de statietrap van het schip, een loopplank of een dergelijke inrichting;
  b) in de andere gevallen uit een ladder.
  De arbeiders mogen geen gebruik maken van, en van hen mag niet worden verlangd dat zij gebruik maken van andere toegangsmiddelen dan die, welke hierboven zijn omschreven of toegelaten.
  De wharfs en de kaden moeten voldoende vrij van goederen worden gehouden om een vrije doorgang te behouden naar de toegangsmiddelen die ter beschikking gesteld worden van de arbeiders om zich op het vaartuig te begeven of er van terug te komen.) <KB 05-06-1957, art. 3>
  (Wanneer er langs de kant van de kaai of de werf een doorgang gelaten is, moet hij minstens 0,90 m breed zijn en vrij van alle hindernissen andere dan de vaste constructies, de gebruikte toestellen en werktuigen.
  In de mate van het mogelijke en rekening gehouden met het verkeer en de dienst:
  1° dienen alle gevaarlijke delen van de toegangswegen of werkplaatsen (bijvoorbeeld: gevaarlijke openingen, bochten en randen) voorzien van een passende leuning van minstens 0,75 m hoog;
  2° de gevaarlijke overgangen op de bruggen, caissons en sluisdeuren van dokken dienen langs beide kanten, tot een hoogte van minstens 0,75 m, voorzien van leuningen, op elk uiteinde verlengd, tot een voldoende afstand, die 4,50 m niet dient te overschrijden.) <KB 15-05-1951, art. 2>

  Art. 529. <Zie nota's onder TITEL> De planken, waarmede de bruggetjes en de werkvloeren zijn gebouwd, moeten derwijze op hun steunsels vastgehecht zijn dat zij zich niet kunnen verplaatsen noch omslaan. Zij moeten aan mekaar vastgemaakt zijn door middel van dwarsstukken of andere sterke banden, zodat ze zich niet kunnen scheiden.
  Er mag geen gevaarlijke opening tussen de planken bestaan.
  De planken van de stellingen, welke boven de luikgaten zijn opgericht, moeten aan het vaartuig vastgemaakt zijn.

  Art. 530. <Zie nota's onder TITEL> (Al de werkvloeren moeten voorzien zijn van leuningen van behoorlijke hoogte. De bruggetjes en andere gelijkaardige toestellen dienen over hun hele lengte, langs weerszijden voorzien van een doelmatige leuning met een werkelijke hoogte van minstens 0,82 m; indien het valreeptrappen betreft, zullen deze langs een zijde voorzien zijn van een doelmatige leuning van dezelfde hoogte, onder voorwaarde dat de andere zijde doelmatig door de wand van het schip beschermd zij.
  De werkvloeren en de bruggetjes zullen breed genoeg zijn om zonder gevaar het verkeer van personen en de uitvoering van het werk toe te laten; deze breedte mag niet minder dan 0,55 m bedragen.) <KB 15-05-1951, art. 3>
  Op de vloer van de bruggetjes zal er, wanneer deze door om het even welke oorzaak ook zou kunnen (glibberig) worden, as of zand gestrooid worden. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>
  Geen bruggetje mag dusdanig worden aangelegd dat het een helling van meer dan een vierde zou hebben, tenzij het van traptreden of uitstekende dwarslatten voorzien is, waarbij elke uitglijding wordt verhinderd.
  De plaats van de bruggetjes dient derwijze gekozen dat de gebruikers er van zich op geen enkel ogenblik onder hangende vrachten zouden bevinden.
  (Voor het vervoer van de last tussen het schip en de wal mag geen gebruik worden gemaakt van steekwagens (handwagens), indien de helling van de stelling zo groot is, dat zij gevaar oplevert.) <KB 05-06-1957, art. 4>

  Art. 531. <Zie nota's onder TITEL> De steunsels van de bruggetjes en de werkvloeren moeten vast staan, goed vastgezet en zich voldoende dicht bij elkaar bevinden om gevaarlijke schommelingen en buigingen te vermijden, welke bij het gaan van personen of onder de invloed van stoten kunnen teweeggebracht worden.
  Het is verboden de bruggetjes en vloeren te doen rusten op balen van niet al te dichte stoffen, of nog op zakken met stoffen die kunnen uitlopen.
  (lid 3 opgeheven) <KB 05-06-1957, art. 5, al. 1>
  (Alvorens met de arbeid aan een luikopening wordt aangevangen, moeten alle schilden en merkels daaruit verwijderd worden of moeten deze stevig vastgezet om te voorkomen dat zij van hun plaats geraken. De nodige voorzorgsmaatregelen moeten getroffen worden om te vermijden dat het behandelen van vrachten het vallen van de luiken zou teweeg brengen.) <KB 05-06-1957, art. 5, al. 2>
  De door de omstandigheden aangewezen voorzorgsmaatregelen dienen getroffen ten einde de veiligheid te waarborgen van het werkvolk, dat nevens het luikgat dient te staan om toezicht te houden over het werk in het ruim.

  Art. 531bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 05-06-1957, art. 6> Ten einde de veiligheid der arbeiders te verzekeren wanneer zij bezig zijn met het wegnemen of inzetten van luiken en schilden en merkels, welke gebruikt worden voor het afdekken van luikopeningen:
  1° moeten de luiken, schilden en merkels, die voor het afdekken van luikopeningen dienen, in goede staat gehouden worden;
  2° moeten de luiken voorzien zijn van handgrepen passend bij hun afmetingen en gewicht, tenzij de inrichting van het luikgat of van de luiken zodanig is, dat zij handgrepen onnodig maakt;
  3° moeten de schilden en merkels, die voor het afdekken van luikopeningen dienen, voorzien zijn van zodanige inrichtingen voor het uitnemen en inzetten, dat de arbeiders niet op die schilden en merkels behoeven te klimmen, om bedoelde inrichtingen te bevestigen;
  4° moeten alle luiken en schilden en merkels voor zover zij niet onderling verwisselbaar zijn, duidelijk gemerkt zijn om aan te geven tot welk dek en welk luik zij behoren, alsmede op welke plaats zij behoren;
  5° mogen de luiken niet gebruikt worden voor het maken van dek- of ladingsstellingen of voor enig ander doel, waardoor zij zouden kunnen worden beschadigd.

  Art. 532.<KB 14-03-1975, art. 12> [1 De ladders, gebruikt voor het werk bepaald in artikel 525, worden slechts beschouwd als voldoende veiligheidswaarborgen biedend als :
   1° ze voor de voeten een steun bieden waarvan de diepte vermeerderd met de vrije ruimte achter deze steun ten minste gelijk is aan 0,115 m en waarvan de breedte ten minste gelijk is aan 0,25 m;
   2° ze voor de handen een stevige steun bieden;
   3° ze onder het dek niet meer inspringen dan redelijkerwijze nodig is om de luikgaten niet te belemmeren;
   4° ze in dezelfde richting verlengd zijn met inrichtingen die een stevige steun voor handen en voeten bieden en op de luikhoofden geplaatst zijn (bijvoorbeeld klampen);
   5° de inrichtingen waarvan sprake in 4° voor de voeten een steun bieden waarvan de diepte vermeerderd met de vrije ruimte achter deze inrichtingen ten minste gelijk is aan 0,115 m voor een breedte van ten minste 0,25 m;
   6° ingeval er afzonderlijke ladders aangebracht zijn tussen de lager gelegen dekken, die ladders in de mate van het mogelijke in een lijn liggen met de ladder die van het bovendek vertrekt.
   Als de ladders gebruikt worden in een onoverdekt schip, moet de ondernemer van het werk die ladders verstrekken. Ze zijn aan het bovenste gedeelte voorzien van haken of andere inrichtingen die toelaten ze stevig te bevestigen.]1
  Ladders of andere toegangsmiddelen, die voldoende veiligheidswaarborgen bieden, worden geplaatst in de luikgaten of loodrecht onder de rand, als de werknemers werk moeten uitvoeren in de ruimen waarvan de bodem meer dan 1,5 m onder het peil van het dek ligt.
  [1 Als, wegens de bouw van een schip, het aanbrengen van een ladder praktisch onmogelijk is, zijn andere veilige toegangsmiddelen toegelaten.]1
  Bij de luikhoofden wordt een voldoende vrije ruimte gelaten om de toegangsmiddelen te bereiken.
  De tunnels voor de assen zijn aan beide zijden voorzien van aangepaste handvatsels en voetsteunen.
  De werknemers mogen geen andere toegangsmiddelen gebruiken of gehouden worden te gebruiken dan die welke in dit artikel aangeduid of toegelaten zijn.
  Alle voorzorgen worden genomen opdat de werknemers gemakkelijk de ruimen of de tussendekken kunnen ontruimen, als zij tewerkgesteld zijn aan het laden of het lossen van steenkool of andere stortgoederen.
  ----------
  (1)<KB 2005-08-31/38, art. 25, 068; Inwerkingtreding : 25-09-2005>

  Art. 533. <Zie nota's onder TITEL> <KB 05-06-1957, art. 8>
  (...) (Lid opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  (Het uitgloeien voorzien in artikel 279 heeft plaats onder het toezicht van (een overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk I, door Onze bevoegde Minister voor de controle van de hefwerktuigen erkend organisme.) <KB 20-06-1962, art. 24>
  Het uitgloeien geschiedt op de volgende wijze voor de kettingen en soortgelijk gerei, zoals haken, ringen, sluitingen, wartels aan boord van de schepen.) <KB 15-04-1958, art. 4>
  1° kettingen en gerei van 12 millimeter en half of minder, regelmatig in gebruik, éénmaal in de zes maanden;
  2° alle andere kettingen en gerei, die regelmatig in gebruik zijn, daaronder begrepen kettinghangers, doch met uitzondering van ophangkettingen, die aan laadbomen of masten vastzitten éénmaal in de twaalf maanden;
  Indien echter gerei van zodanige aard uitsluitend gebruikt wordt aan de kranen en andere hijswerktuigen, welke met de hand worden bewogen, zal de tussentijd bedoeld onder 1° twaalf maanden zijn in plaats van zes maanden en de tussentijd, bedoeld onder 2°, twee jaar in plaats van twaalf maanden. Eveneens kan de met het toezicht belaste ambtenaar, indien hij van mening is, dat in verband met de afmetingen, de bouw, de materialen of het geringe gebruik van het bovengenoemde gerei, het inachtnemen van de in deze alinea gestelde voorschriften betreffende het uitgloeien niet nodig is voor de bescherming der arbeiders door middel van een schriftelijk certificaat, dat hij naar goeddunken weder kan intrekken, vrijstelling van de toepassing van de genoemde voorschriften voor dat gerei verlenen, zo nodig onder in dat certificaat te vermelden voorwaarden.
  (Voor de hefwerktuigen van de boten en schepen die uitgesloten zijn van de toepassing van de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen, mogen de uitgloeiingen, proeven en keuringen bedoeld in dit artikel, alsook in de artikelen 279, 280 en 281, verricht worden op initiatief van de eigenaars of stouwers van die boten en schepen.
  De hefwerktuigen van de schepen, die onder de toepassing vallen van de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen, mogen slechts gebruikt worden voor de verrichtingen omschreven in artikel 525, indien de kapitein in het bezit is van een register of van getuigschriften van die hefwerktuigen, geldig in het raam van de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid der schepen. Dat register en die getuigschriften worden steeds aan boord van het schip ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.) <KB 14-04-1975, art. 3>

  Art. 534. <Zie nota's onder TITEL> <KB 14-04-1975, art. 4> De hefwerktuigen worden zo opgesteld dat de bestuurder ervan steeds makkelijk toezicht kan houden op de last en op de doorgangsruimte van de last. Doeltreffende maatregelen worden genomen om elke vermindering van de zichtbaarheid in de doorgangsruimte te beletten.
  Zo het onmogelijk is te voldoen aan de vereisten bedoeld in het eerste lid, worden de bewegingen uitgevoerd op het bevel en volgens de aanwijzingen van een aangestelde.
  Alleen de personen die bevoegd en betrouwbaar zijn, mogen aangeduid worden om hefwerktuigen te bedienen en om signalen te geven aan de bestuurders van die werktuigen.
  Geen last mag aan een hefwerktuig blijven hangen tijdens de afwezigheid van de bestuurder uit de stuurpost van het toestel.
  De laadbomen aan boord, die gebruikt worden voor de verrichtingen omschreven in artikel 525, worden onbeweeglijk gehouden door ten minste twee kabels.
  Doeltreffende maatregelen worden getroffen om te beletten dat de laadboomvoet uit zijn steun gelicht wordt tijdens de hefverrichtingen.

  Bescherming tegen het vallen van goederen.

  Art. 535. <Zie nota's onder TITEL> De nodige maatregelen dienen genomen om te beletten dat vrachten of vrachtgedeelten, door hefwerktuigen verplaatst, nederstorten. De lengten moeten zo bevestigd en gesloten zijn dat het vallen wordt voorkomen. De vrachten bestaande uit gegroepeerde colli moeten derwijze samengesteld zijn dat geen enkel er van bij het behandelen kunnen losraken.
  Ten einde het sluiten te bevorderen en het glijden der colli te voorkomen, moet men in de vrachten bestaande uit metalen stukken zoals spoorstaven, balken, staafijzer, enz., tussen het metaal en de lengen houtstukken aanbrengen.
  De metalen dwarsstukken en dergelijke zullen, door middel van twee onderscheiden kabels of kettingen aan de haak van het werktuig worden gehangen. Men dient er voor te zorgen ze op twee houten stukken neer te leggen zodanig dat het mogelijk wordt gemaakt gemakkelijk de kabels weg te nemen.
  Het is verboden:
  1° voor het laden en lossen van bakstenen en andere goederen met een dergelijke vorm, schalen te bezigen.
  Daarvoor dienen bakken gebezigd, die niet hoger dan hun zijwanden mogen worden geladen;
  2° voor het laden en lossen van boomstammen, enterhaken te gebruiken. Deze werkzaamheden mogen slechts door middel van kabels of kettingen worden uitgevoerd;
  3° de haken van de hefwerktuigen in de vracht zelf, aan de hoepels of andere banden, waarmede de goederen zijn ingepakt, vast te maken;
  4° (schinkelhaken te gebruiken bij het laden en lossen van vaten, tenzij de bouw en de aard der vaten en de schikking en de toestand van de haken het mogelijk maken dit te doen zonder waarschijnlijkheid van gevaar.) <KB 05-06-1957, art. 10>
  (De kettingen mogen niet door middel van knopen ingekort worden; voorzorgen zullen genomen worden om te voorkomen dat zij door wrijving tegen scherpe kanten beschadigd worden.) <KB 15-05-1957, art. 10>

  Art. 536. <Zie nota's onder TITEL> Ten einde het schommelen van de te vervoeren vrachten, teweeggebracht door plotselinge spanning van de hijskettingen of kabels te vermijden mogen deze vrachten niet worden opgelicht vooraleer ze zich loodrecht onder de katrollen bevinden.

  Art. 537. <Zie nota's onder TITEL> Indien het laden of het lossen geschiedt door sleping en slingering, moeten de bazen, bedrijfshoofden of hun gelastigden zorgen dat de personen, die nabij de geslingerde vrachten staan, worden gewaarschuwd van het gevaar en verzocht worden zich te verwijderen.

  Art. 538. <Zie nota's onder TITEL> (Doeltreffende maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat er gevaarlijke werkwijzen worden gevolgd bij het op- en afstapelen, stuwen en uitbreken van lading, of bij de daarmede verband houdende werkzaamheden.) <KB 05-06-1957, art. 11>
  Om de instorting der voorlopig op de kaaien opgestapelde goederen te voorkomen, moeten de zakken met methode worden op hopen gezet, hetzij bij afwisselende lagen van overlangs- en dwarsliggende zakken, hetzij bij opeenvolgende lagen, welke steeds kleiner worden derwijze dat de stapel een pyramidevorm aanneemt.
  De opgestapelde houtstukken moeten opgesteld worden in opeenvolgende lagen, en de stabiliteit van de stapel zal verzekerd worden door middel van tussenliggende stukken die op passende afstand van elkaar en dwars zullen geplaatst worden.
  Het is verboden op de kaaien ten voorlopige titel houtstapels op te richten die naar boven toe verbreden.
  De samengehoopte vaten moeten door doelmatige middelen vastgezet zijn.
  De handels- of profielijzers en de buizen moeten in kruiswijze opeenvolgende lagen opgesteld, of door doelmatige middelen vastgemaakt zijn.
  Alle andere materialen dienen derwijze opgeslagen dat de stabiliteit er van verzekerd zij.

  Art. 539. <Zie nota's onder TITEL> De bazen, bedrijfshoofden of hun gelastigden moeten hun werklieden verbieden zonder noodzakelijkheid onder de hangende vrachten te staan of te gaan.

  Werkzaamheden in de plaatsen waar gevaarlijke gassen kunnen voorhanden zijn.

  Art. 540. <Zie nota's onder TITEL> De bepalingen van artikel 53 van dit reglement zijn van toepassing, wat de werkzaamheden betreft in het ruim, de hokken, de vergaarbakken, de drijfasgangen, alsmede de ruimte gelegen tussen de scheepswand en de wegering en in andere dergelijke plaatsen.
  (Het gebruik van transporttoestellen gedreven door motoren met inwendige verbranding in de scheepsruimen is onderworpen aan de volgende bepalingen:
  1° de luiken van het schip zijn voor ten minste de helft van de oppervlakte ervan geopend;
  2° de verluchting op het peil van de vloer van de ruimen wordt verzekerd door opzuiging of aanvoer van lucht naar mate van ten minste 30 m3 per uur en per werknemer en op zulke wijze dat het tewerkgesteld personeel niet kan gehinderd zijn.) <KB 15-01-1969>

  Art. 540bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 05-06-1957, art. 12> De door de omstandigheden vereiste maatregelen zullen genomen worden om een behoorlijke bescherming der arbeiders te verzekeren, wanneer ze goederen moeten verwerken of in de nabijheid moeten werken van goederen, die gevaar opleveren voor het leven of voor hun gezondheid, hetzij door de aard dier goederen zelve, hetzij door de toestand waarin deze zich op dat ogenblik bevinden, of wanneer de arbeiders moeten werken op plaatsen waar deze goederen zich bevonden hebben.

  Werkzaamheden nabij gevaarlijke openingen.

  Art. 541. <Zie nota's onder TITEL> De luik- of andere gaten, welke dienen tot het doorlaten van de vrachten, moeten van voldoende hoge leuningen voorzien zijn, indien deze openingen gevaar bieden, voor het werkvolk, dat er naast gaat of arbeidt; nochtans mag de kant, dienende tot het doorlaten der vracht, vrij blijven, indien de vracht door sleping wordt verplaatst.
  Indien het onmogelijk is een leuning aan te leggen, zullen de werklieden, die in de omtrek van het luikgat of op de daarover aangebrachte vloeren werken, een van schouderriemen voorziene veiligheidsgordel dragen, die aan een vast punt van het vaartuig stevig zal worden vastgemaakt.
  De gordels en de koorden moeten in al hun delen een voldoende weerstand bieden en moeten immer in goede staat worden gehouden. De mogelijke valhoogte voor de drager van de gordel mag 1m25 niet te boven gaan.
  (Terwijl de arbeiders aan boord van het schip zijn om de werken uit te voeren, zal elk voor de arbeiders toegankelijk luikgat van het goederenruim, en waarvan de diepte, gemeten van het peil van de brug tot de bodem van het ruim, 1,50 m overtreft en dat niet tot een werkelijke hoogte van ten minste 0,75 m door de hoofden van de luikgaten beschermd is, zo zij niet gebruikt wordt voor het doorlaten van de goederen, kolen of andere grondstoffen, tot een hoogte van 0,90 m door een behoorlijke leuning omringd zijn of doeltreffend gesloten worden. (De bepalingen van dit alinea zijn eveneens van toepassing gedurende de duur der maaltijden of van andere korte onderbrekingen van de arbeid.)) <KB 15-05-1951, art. 7> <KB 05-06-1957, art. 13>
  (De voorschriften van dit artikel zijn niet van toepassing op de binnenvaartuigen die een bruto-tonnemaat van 500 ton niet overschrijden.) <KB 09-10-1975>

  Vervoer van het werkvolk.

  Art. 542. <Zie nota's onder TITEL> Het overbrengen van arbeidersploegen aan boord van aan de rede of in dokken liggende schepen, boten of lichters, alsook het aan wal brengen, zal geschieden door middel van behoorlijke vaartuigen, waarvan de bouw aan al de vereisten van stevigheid en vastheid moet voldoen. Op die vaartuigen zal aangeduid zijn hoeveel personen in eens mogen overgebracht worden.

  Stilstaan van de voertuigen op de kaaien.

  Art. 543. <Zie nota's onder TITEL> Indien, na uitspanning, de vrachtwagens, karren of andere dergelijke voertuigen gedurende enige tijd op de kaaien moeten blijven staan, moeten zij onbeweeglijk gemaakt worden door middel van procédés die alle vereiste waarborgen bieden.
  Indien men de desselboom van voertuigen ophaalt moet men hem derwijze vastmaken dat hij niet onverwacht kan neervallen.

  Verlichting.

  Art. 544. <Zie nota's onder TITEL> (De verlichtingsinstallaties en -toestellen waarvan er gebruik wordt gemaakt in de plaatsen, waar de arbeiders enig werk verrichten, zowel als in deze waar ze moeten doorgaan, dienen derwijze aangebracht, opgesteld en onderhouden dat zij alle gewenste veiligheidswaarborgen bieden voor de arbeiders en de navigatie van de andere vaartuigen niet hinderen.) <KB 05-06-1957, art. 14>
  Het is verboden petroleum of minerale oliën te gebruiken voor het verlichten van de plaatsen der vaartuigen waar het werkvolk een werk verricht of waar het moet doorgaan.

  Te nemen maatregelen om de gevolgen van brand of van het vallen in het water te voorkomen.

  Art. 545. <Zie nota's onder TITEL> De inrichtingen moeten derwijze zijn aangelegd dat in geval van brand de redding van het personeel verzekerd zij.
  De uitgangen mogen nooit door goederen of andere voorwerpen belemmerd zijn.
  Het is verboden in het scheepsruim te roken.

  Art. 546. <Zie nota's onder TITEL> Behalve de maatregelen die dienen getroffen om te voorkomen dat de werklieden in het water zouden vallen, moeten de bazen of de bedrijfshoofden ten minste één reddingsboei ter beschikking van hun werkvolk stellen. Deze boei moet zich op de werkplekken bevinden, derwijze dat men ze dadelijk en zonder moeite kan gebruiken.

  Art. 546bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 05-06-1957, art. 15> Niemand zal het recht hebben om leuningen, loopplanken, gerei, ladders, reddingstoestellen of -middelen, lichten, merken, stellingen of enig ander voorwerp door de bepalingen van deze paragraaf voorgeschreven, weg te nemen of te verplaatsen, tenzij hij daartoe behoorlijk gemachtigd is, of indien dit noodzakelijk is; de bedoelde voorwerpen moeten weder op hun plaats worden gebracht na afloop van de termijn, gedurende welke het wegnemen noodzakelijk was.

  Voorzorgen te nemen gedurende de schaftijd en na het stopzetten van het werk.

  Art. 547. <Zie nota's onder TITEL> Het bedrijfshoofd of zijn gelastigde dient er op te waken dat het werkvolk zijn maaltijd niet nuttigt in plaatsen welke gevaarlijk mochten zijn hetzij wegens uitwasemingen, die er kunnen ontstaan, hetzij wegens de mogelijkheid van vallen of instorten van voorwerpen, hetzij wegens de onmiddellijke nabijheid van mechanisch gedreven toestellen of vervoerwegen.

  Art. 548. <Zie nota's onder TITEL> Ten einde er zich van te vergewissen of, na het stopzetten der werkzaamheden, al de op het vaartuig te werk gestelde werklieden de werven hebben verlaten, moeten de bazen, bedrijfshoofden of hun gelastigden overgaan tot een controle die minstens zal bestaan in een inspectie van het scheepsruim.

  § 2. Aanduiding van het gewicht op grote colli's die per schip vervoerd worden.

  Art. 549. <Zie nota's onder TITEL> (Op elke colli en voorwerp, dat bruto 1.000 kilogram (een metrieke ton) of meer weegt en bestemd is om per zee of langs bevaarbare binnenwateren te worden vervoerd, moet alvorens te worden geladen, langs buiten op duidelijke, goed zichtbare en duurzame wijze, het gewicht ervan vermeld staan.) <R 04-10-1948, art. 1>
  Deze aanduiding zal niet meer dan 5 t.h. van het werkelijk gewicht mogen afwijken.
  Voor de colli's, welke, hetzij in doorvoer, hetzij met een vrijstellingsbiljet van de vreemde komen, dient bovenstaand voorschrift niet nageleefd.

  Art. 550. <Zie nota's onder TITEL> De verplichting van het aanduiden van het gewicht op de grote colli's valt ten laste van de verzender.
  Nochtans, indien deze handelt voor rekening van een derde, is laatstgenoemde er toe gehouden, wanneer hij er kennis van heeft dat de colli per zee of langs binnenwateren dient vervoerd, alvorens er zich van te ontdoen, het gewicht er op te merken.

  Afdeling VIII- Voedingsnijverheid.

  § 1. Brood- en banketbakkerij.

  Art. 551. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 09-03-1962, art. 18> De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing op de brood- en banketbakkerijen die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
  (Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.) <KB 1987-09-17/31, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 10-12-1987>

  Art. 552. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) Bedoelde lokalen dienen minstens 2m50 hoog te zijn.

  Art. 553. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) Elke oven dient voorzien:
  1° Van een rookvang bestemd om de uitwasemingen op te vangen, die bij het bakken, bij het inschieten en het uithalen mochten ontsnappen. De rookvang dient verbonden aan een schoorsteen die in open lucht uitgeeft en hoog genoeg is opdat de buurt door de ontlaste produkten niet zou worden gehinderd;
  2° Van een schoorsteen voor het verwijderen der verbrandingsprodukten, waarvan het ontlasten aan de buurt geen ongemakken mag veroorzaken.

  Art. 554. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) De met hout gestookte ovens dienen voorzien van een behoorlijk toestel om gloeiende houtkool en as te doven. Een speciale ventileerschoorsteen dient aangebracht wanneer verspreiding van het verbrandingsgas in de lokalen niet door het bestaande toestel wordt verhinderd.

  Art. 555. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) De ovens, alsmede de fondementen daarvan, mogen geen scheidsmuren raken. De ruimte tussen de ovens en die muren dient op degelijke wijze geventileerd of alle andere maatregelen dienen getroffen om te beletten dat de warmte in de naburige gebouwen zou overgebracht worden.

  Art. 556. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) Tijdens de arbeid dienen de lokalen voortdurend verlucht, zonder een voor de arbeiders schadelijke tocht te veroorzaken. De luchtverversing dient verzekerd naar de verhouding van 60 kubieke meter verse lucht per uur en per arbeider.

  Art. 557. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) De ovenwanden dienen langs de kant van de werklokalen met warmtewerende stoffen bestreken ofwel in dier voege gebouwd dat de temperatuur er van 45° Celsius niet kan overtreffen.

  Art. 558. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) In zover het mogelijk is, dienen de arbeidslokalen ruimschoots en natuurlijk verlicht door vensters waarvan de totale oppervlakte minstens gelijk is aan een tiende van de oppervlakte der lokalen.

  Art. 559. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) Al de lokalen dienen steeds zeer zindelijk gehouden. De grond en de benedenkant van de muren dienen op minstens één meter hoogte, van een glad en waterdicht bekleedsel voorzien. Dagelijks en onmiddellijk na het werk dienen de lokalen en de toestellen, die voor het bereiden van het deeg hebben gediend, zorgvuldig met water gereinigd. Geschikte maatregelen dienen getroffen om het vermenigvuldigen van insecten te vermijden.
  (lid 2 opgeheven) <KB 18-02-1960, art. 23>

  Art. 560. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) In de werklokalen mag hoegenaamd tot geen toiletverzorging worden overgegaan. Het is verboden in deze lokalen te slapen.

  § 2. Afvalwaters der suikerfabrieken.

  Art. 561. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 09-03-1962, art. 19> De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing op de bietsuikerfabrieken die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.

  Art. 562. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) Het uitstorten in de waterlopen van de afvalwaters voortkomend van de suikerfabrieken en van de suikerbietenrasperijen wordt slechts toegelaten mits inachtneming van volgende voorwaarden:
  1° De hoeveelheid zwevende stoffen opgehouden in de afvalwaters mag 100 milligram per liter of de hoeveelheid zwevende stoffen in de waterloop ter hoogte van de uitstorting der afvalwaters niet overschrijden;
  2° De afvalwaters voortkomende van het ruimen van de diffusietoestellen, van de pulppersen alsmede van de schuimaarde dienen aan de volgende voorwaarden te beantwoorden:
  a) Hun biologisch zuurstofverbruik mag niet meer dan honderd milligram per liter bedragen na vijf dagen droogkamer bij 20 graden;
  b) Zij mogen geen enkele zelfstandigheid inhouden van aard om de gezondheid van de buurt in gevaar te brengen, de vis te vergiftigen of de dieren te schaden die gaan drinken aan de waterloop die deze afvalwaters ontvangt;
  c) Zij mogen aan de biologische capaciteit van de waterloop die deze afvalwaters ontvangt geen merkelijke wijzigingen aanbrengen.
  Welk ook hun omloop in de fabriek weze moeten bovenbedoelde waters behoorlijk gezuiverd worden alvorens ze met de vervoer- of reinigingswaters van de bieten mogen vermengd worden; deze menging mag nochtans geschieden na decantatie van deze laatste waters;
  3° Het opnemen der monsters bij de uitgang der afvalwaters uit de inrichting, hun ontleding en de interpretatie van de uitslagen daarvan dienen te gebeuren overeenkomstig de ter zake door het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin (Dienst voor zuivering van afvalwater) bepaalde voorschriften.

  § 3. Afvalwaters van gistfabrieken en stokerijen.

  Art. 563. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 09-03-1962, art. 20> De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing op de stokerijen en op de gistfabrieken die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.

  Art. 563bis. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) Het water van gistfabrieken en van stokerijen mag enkel in waterlopen of daarvan afhangende sloten of greppels worden uitgestort wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° Het afvloeisel, voortkomend van de zuivering van de afvalwaters, mag niet meer dan 30 milligram per liter zwevende stoffen bevatten;
  2° Het niet gefiltreerde niet verdunde en op 20° C bewaarde afvloeisel mag over vijf dagen niet meer dan 100 milligram zuurstof per liter opnemen;
  3° Het mag geen enkele stof bevatten die de vissen zou kunnen vergiftigen of schadelijk zou kunnen zijn voor dieren die aan de opnemende waterloop drinken, noch nadelig inwerken op het biologisch vermogen van het natuurlijk water van die waterloop;
  4° Geen water mag er worden uitgestort op een temperatuur van meer dan 25° C.

  Art. 564. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) Voor de controle van het afvloeisel gelden alleen de door Onze Minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, op voorstel van de Dienst voor zuivering van afvalwater aangenomen ontledingsmethoden.

  Afdeling IX- Handelsondernemingen.

  § 1. Autogarages. Werkplaatsen voor het herstellen of onderhouden van voertuigen met ontploffingsmotoren of motoren met inwendige verbranding. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Toepassingsgebied. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Art. 565. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1958, art. 2> De beschikkingen van deze paragraaf zijn toepasselijk op de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde autogarages en werkplaatsen voor het herstellen of onderhouden van voertuigen met ontploffingsmotoren of motoren met inwendige verbranding.
  (Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement voor zover het autogarages voor ten minste drie voertuigen en werkplaatsen voor het herstellen of onderhouden van voertuigen met ontploffingsmotoren of motoren met inwendige verbranding betreft.) <KB 1987-09-17/31, art. 19, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

  Bouw. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Art. 566. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1958, art. 2> a) De garages, werkplaatsen en hun aanhorigheden zijn van alle bewoonde lokalen en hun toegangen afgescheiden door vlle muren, schutsels, zolderingen, vloeren in metselwerk of in beton;
  b) Deuren met automatische sluiting die aan het vuur weerstaan mogen evenwel in die muren en schutsels aangebracht worden;
  c) De bewoonde lokalen hebben minstens een van de garage, werkplaats en aanhorigheden onafhankelijke toegang;
  d) De vloer van de garages en de werkplaatsen is effen, ondoordringbaar en onbrandbaar;
  e) (De bepalingen van lid a) hierboven zijn niet van toepassing op de inrichtingen die vergund werden vóór 6 juli 1958.
  Deze garages, werkplaatsen en hun aanhorigheden zijn van alle bewoonde lokalen afgescheiden door muren, zolderingen, schutsels in metselwerk of in beton of voorzien van een bekleding die aan het vuur weerstaat, die geen enkel brandbaar bestanddeel bevat en die minimum 1,5 cm dik is.
  De inrijgangen die van de hogervermelde garages en werkplaatsen afgezonderd zijn door een aan het vuur weerstaande deur moeten niet beschouwd worden als "aanhorigheden" voor de toepassing van de voorschriften van dit lid a);) <KB 16-7-1959, art. 1>
  f) (De inrijgangen die van de garages en werkplaatsen gescheiden zijn door een openluchtkoer van minstens 3 m diepte moeten niet beschouwd worden als "aanhorigheden" voor de toepassing van de voorschriften van de leden a) en c) hierboven.) <KB 16-07-1959, art. 1>

  Verluchting. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Art. 567. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1958, art. 2> a) De garages en werkplaatsen worden verlucht door een inrichting met een dergelijke doeltreffendheid dat de atmosfeer er nooit giftig of ontplofbaar kan worden;
  b) In de ondergrondse garages en werkplaatsen, dient er op een oordeelkundig gekozen plaats en in elk geval op het laagste niveau een mechanisch verluchtingsstelsel aangebracht, dat de in de lokalen verspreide gassen en rook opzuigt en naar buiten drijft;
  c) Het is verboden een ontploffingsmotor of een motor met inwendige verbranding, werkingsklaar te maken of te herstellen indien deze verrichtingen het langdurig draaien van deze motor vergen, tenzij er een inrichting bestaat die de gassen rechtstreeks in de buitenlucht drijft.

  Kunstmatige verlichting. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Art. 568. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1958, art. 2> a) De kunstmatige verlichting der garages en werkplaatsen wordt uitsluitend verzekerd door elektrische lampen;
  b) De voedingsspanning der verplaatsbare lampen gaat de 25 V niet te boven in wisselstroom en 50 V in gelijkstroom. Dit voorschrift is van toepassing vanaf de aansluiting van de verplaatsbare geleiders met de vaste geleiders.
  De transformatoren voor spanningsvermindering hebben afzonderlijke windingen. De massa van deze transformatoren is met de aarde verbonden.
  c) De soepele geleiders bieden een voldoende weerstand aan de slijtage. Ze mogen door geen metalen omhulsel beschermd worden.
  d) De kunstmatige verlichting der kuilen voor voertuigonderzoek wordt verzekerd (door ingesloten elektrische lampen) naar de zin van artikel 190 van dit reglement en gevoed met laagspanning. <KB 05-11-1964, art. 5>

  Verwarming. <KB 16-07-1959, art. 2>

  Art. 569. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-07-1959, art. 2> De toestellen bestemd tot het eventueel verwarmen van de lokalen worden derwijze opgesteld dat het brandgevaar tot een minimum herleid is.

  Art. 570. <Zie nota's onder TITEL> (opgeheven voor de toestellen die na 31 december 1994 in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen) <KB 1995-05-05/32, art. 36, 041; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Kuilen voor voertuigonderzoek. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Art. 571. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1958, art. 2> a) Welke ook de lengte zij van de er boven staande voertuigen moeten in de kuilen werkend personeel deze steeds gemakkelijk kunnen verlaten;
  b) Er moeten daartoe vaste en stevig vastgehechte toestellen (ladders, leuningen, trappen, enz.) aangebracht worden;
  c) Wanneer de kuilen niet in gebruik zijn, worden ze overdekt met een aaneensluitende vloerbedekking of omringd door een stevig vastgehechte leuning.

  Afvalwaters. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Art. 572. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1958, art. 2> De afvoerpijpen van het was- en ander afvalwater waarin er benzine, petroleum of olie zou kunnen aanwezig zijn, dienen voorzien van een toestel waardoor de afloop van deze produkten in openbare of particuliere riolen, beken, grachten, enz., in alle geval vermeden wordt.

  Gasgeneratoren. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Art. 573. <Zie nota's onder TITEL> (NOTA : Opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming door KB 1999-05-04/43, art. 12; Inwerkingtreding : 14-06-1999) <KB 21-04-1958, art. 2> a) Bij het aansteken van een gasgenerator, worden alle nodige voorzorgen getroffen om brandgevaar te vermijden.
  b) Het verplaatsen van toortsen of brandende stoffen wordt tot het uiterste minimum herleid. Het aansteken van brandbare stoffen geschiedt in de mate van het mogelijke na ze in de gasgenerator geplaatst te hebben.
  c) Het is verboden brandstof te brengen in de gasgenerator van een geborgen wagen, wanneer de gasgenerator ontstoken is.
  d) Het is verboden een ontstoken gasgenerator te reinigen.
  e) Het is verboden vuur in de gasgenerator van een geborgen wagen te onderhouden. Er worden daarentegen alle nodige schikkingen getroffen om dit zo snel mogelijk te doven.

  Opslagplaatsen voor benzinebussen en stoffen die gemakkelijk brandbaar of ontvlambaar zijn. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Art. 574. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1958, art. 2> a) Het is verboden in de garages en in de werkplaatsen bussen met benzine of waarin benzine geweest is te plaatsen. Deze mogen slechts opgesteld worden in een daartoe speciaal bestemd lokaal.
  b) Het is verboden in de garages of werkplaatsen gemakkelijk brandbare of ontvlambare stoffen op te stapelen.

  Beschermingsmiddelen tegen brand en ontploffingen. <KB 21-04-1958, art. 2>

  Art. 574bis. <Zie nota's onder TITEL> <KB 21-04-1958, art. 2> a) Blusapparaten die in goede staat zijn, worden op oordeelkundig gekozen plaatsen opgesteld.
  b) Bestaat er een waterleiding onder drukking, dan wordt er, bij voorkeur bij de ingang, een waterkraan met spuitslang aangebracht.

  Art. 574ter. <Zie nota's onder TITEL> <KB 16-07-1959, art. 3> Het herstellen van reservoirs van autovoertuigen die brandstof hebben ingehouden bij middel van de steekvlam, de elektrische boog of van enig toestel met open is verboden.
  § 2. Opslaan van ontvlambare vloeistoffen.
  <NOTA : Voor het Waalse Gewest wordt § 2 vervangen als volgt : " Opslaan van ontvlambare vloeistoffen met een vlampunt van hoogstens 50°C. " (BWG 1997-07-03/32, art. 1; Inwerkingtreding : 12-08-1997)>

  Art. 575. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Opslaan in vaten of in bussen.

  Art. 576. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 577. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 578. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 579. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 580. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 581. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 582. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Opslag in ondergrondse houders.
  (NOTA : Voor het Brusselse Hoofstedelijke Gewest, worden art. 583 tot en met 599 opgeheven voor wat de ingedeelde inrichtingen betreft waarvan sprake is in het besluit tot vaststelling van uitbatingsvoorwarden voor benzinestations. <BESL 1999-01-21/50, art. 72, Inwerkingtreding : 03-04-1999>

  A. Algemene voorwaarden.

  Art. 583. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 584. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  <NOTA : Voor het Waalse Gewest wordt artikel 584 door de volgende bepaling vervangen : "Art. 584. Wanneer de tanks niet moeten voldoen aan de bijzondere bepalingen betreffende de procédés en installaties voor de opslag en het laden van benzine in terminals en benzinestations, monden de luchtafvoer- en toevoerpijpen van de ondergrondse tanks op een voldoende hoogte in de open lucht uit en worden ze derwijze aangelegd dat het uitgedreven gas niet in de naburige lokalen kan binnendringen." (BWG 1996-05-23/42, art. 1, Inwerkingtreding : 07-07-1996)>

  Art. 585. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 586. (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  B. Rechtstreeks in de grond bedolven houders.

  Art. 587. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 588. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 589. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 590.(NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) [Opgeheven] <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  
  Art. 590. (Waals Gewest) <BWG 1997-07-03/32, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 12-08-1997> (NOTA : afwijking van dit artikel bij MB 2003-05-08/59, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 29-03-2004) § 1. Vóór hun installatie ondergaan de houders een waterdrukproef onder de drukking van 3 kg/cm2 om na te gaan of ze daarna geen scheuren, dichtheidsgebreken en blijvende vervormingen vertonen.
  § 2. [1 De ingegraven houders met één enkele wand worden onderworpen aan een dichtheidsproef d.m.v. een vloeistof onder een druk van 1 kg/cm2 of aan een ultrasoon dichtheidsonderzoek met inachtneming van de volgende tijdsintervallen :
   1° om de tien jaar als ze tien à twintig jaar geleden zijn aangekocht;
   2° om de vijf jaar als ze éénentwintig à dertig jaar geleden zijn aangekocht;
   3° om de drie jaar als ze ouder zijn dan dertig jaar of als hun aankoopdatum niet kan worden vastgesteld.
   De leidingen van deze houders worden ook aan een dichtheidsproef onderworpen met inachtneming van dezelfde periodiciteit.
   Ook de houders met dubbele wand en hun leidingen worden om de tien jaar aan een dichtheidsproef onderworpen.
   De in 1° en 2° bedoelde periodiciteit wordt berekend vanaf de datum van het besluit tot toekenning van de exploitatievergunning of vanaf de datum van de laatste controle.]1
  § 3. Houders die geplaatst zijn in gronden met een corrosieve werking op metaal of in de nabijheid van elektrische installaties die zwerfstromen veroorzaken, mogen niet onderworpen worden aan de dichtheidsproef d.m.v. een vloeistof onder de drukking van 1 kg/cm2, tenzij ze eerst van elke ontvlambare stof zijn ontdaan.
  § 4. Het ultrasoon dichtheidsonderzoek bestaat in de opvang en de amplificatie van de ultrasone trillingen die veroorzaakt worden door de water- of luchtdoorlaat via een opening in de wand van de houder, wanneer hij in onderdruk wordt gebracht. De trillingen worden opgevangen en geamplifieerd d.m.v. twee ultrasone opnemers, de ene in de vloeistof, de andere boven de vloeistofspiegel.
  § 5. De ultrasone dichtheidsproef wordt volgens de volgende voorschriften uitgevoerd :
  1° de ultrasone opnemers zijn intrinsiek veilig wanneer ze worden gebruikt voor de controle op houders die ontvlambare vloeistoffen met een vlampunt van hoogstens 50° C bevatten of hebben bevat. Ze worden geïnstalleerd met inachtneming van de vereisten die in de certificaten gespecificeerd worden. De beproevingscertificaten liggen tot de beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaren;
  2° de verbinding tussen de opnemers en de apparatuur voor de analyse van het elektronische signaal is beschermd door een explosieveilig scheidingsvlak met aardsysteem, wanneer de opnemers worden gebruikt voor de controle op houders die ontvlambare vloeistoffen met een vlampunt van hoogstens 50 °C bevatten of hebben bevat;
  3° de leidingen voor het zuigen en persen van dampen zijn met brandpluggen uitgerust;
  4° alle uitrustingen (vacuümpomp, motor,...) zijn explosieveilig wanneer ze worden gebruikt voor de controle op houders die ontvlambare vloeistoffen met een vlampunt van hoogstens 50 °C bevatten of hebben bevat; zij voldoen aan de veiligheidsnormen;
  5° de vacuümpomp bestaat uit :
  a) een voor de technicus goed zichtbare vacuümmeter met een vrije rode wijzer heeft, die de niet te overschrijden maximale onderdruk aangeeft;
  b) een drukregelaar die de vacuümpomp automatisch uitschakelt, zodra de onderdrukwaarde de toegelaten maximale onderdruk bereikt;
  6° om de aanwezigheid van water op de bodem van de houders op te sporen wordt een geschikt toestel gebruikt. Vóór elke controle wordt nagegaan of de houders water bevatten : de technicus die de controle heeft uitgevoerd, laat de exploitant weten dat de houder water bevat en waarschuwt hem voor corrosiegevaar;
  7° de waarde van de maximale onderdruk mag niet hoger zijn dan 25 kPa.
  De juiste waarde van de onderdruk wordt vastgesteld om te voorkomen dat de ontvlambare vloeistof haar kookpunt bereikt bij de tijdens de proef heersende temperatuur en naar gelang het implosiegevaar van de houder. Hierbij wordt rekening gehouden met de geometrie van de houder, de aard van de wanden (metaal of kunststof), de werkelijke wanddikte (door corrosie afgenomen in geval van verouderde metaalhouders);
  8° de vacuümpomp werkt in de open lucht en bevindt zich op minstens 3 meter van het mangat van de houder;
  9° de dampen van de ontvlambare vloeistoffen worden in een geschikte houder gerecupereerd of in de open lucht weggeperst. In dit geval wordt de leiding voor het wegpersen van de dampen loodrecht aangebracht en bevindt de uitlaatopening zich op een hoogte van minstens 3 meter boven de grond;
  10° het is streng verboden te roken of vuur te stoken in de controlezone of bij de uiltaatopening.
  Om attent te maken op deze verboden en op het feit dat een houder met ontvlambare vloeistoffen een controle ondergaat, worden leesbare borden aangebracht, die moeten beantwoorden aan de voorschriften van artikel 54quinquies van Titel II van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming;
  11° de voor het monteren en demonteren van de installatie gebruikte gereedschappen mogen in geen enkel geval vonken veroorzaken;
  12° de technicus beschikt binnen handbereik over een poederblusser van minimum 6 kg.
  [1 13° het is streng verboden een parallellepipedumvormige houder aan een dichtheidstest door overdruk of onderdruk te onderwerpen.]1
  § 6. [1 Indien de dichtheidsproef of het ultrasoon dichtheidsonderzoek duidelijk wijst op een gebrekkige dichtheid van de wanden van de houder of van de leidingen, moet de technicus onmiddellijk de volgende personen verwittigen :
   1° de burgemeester;
   2° de met het toezicht belaste ambtenaar.
   Als de wanden van de houder dichtheidsgebreken vertonen, neemt de exploitant de volgende maatregelen :
   1° vooraleer de houder te herstellen, inert te maken of te verwijderen, vergewist hij zich ervan dat hij geledigd, ontlucht en gereinigd is door een vennootschap die onafhankelijk is van de erkende technicus die de test heeft uitgevoerd;
   2° na herstelling van de installatie laat hij een tweede test uitvoeren door een erkende technicus die onafhankelijk is van de vennootschap die de herstellingen heeft uitgevoerd om na te gaan of de installatie weer waterdicht is;
   3° als de houder niet verwijderd kan worden, vergewist de exploitant zich ervan dat hij gevuld is met zand, onoplosbaar schuim of met elk ander inert materiaal waarvoor de technisch ambtenaar zijn voorafgaande machtiging heeft gegeven.]1
  [1 § 7. De meetapparaten worden gecontroleerd met inachtneming van de volgende voorschriften :
   1° voor elke test in situ :
   a) vooraleer de apparaten geïnstalleerd worden, wordt de meetketen op de tast getest;
   b) vooraleer de meetketen in onderdruk wordt gebracht, wordt ze door de technicus getest aan de hand van een bedwingbare kunstmatige lekkage of van een gelijkwaardig proces;
   2° de goede werking van de apparaten en opnemers, met name de ijking ervan, wordt om de zes maanden onderzocht door de onderhoudsdienst van de vervaardiger van de apparaten of door elke andere bevoegde technische dienst;
   3° de erkende technicus houdt een register met de volgende gegevens :
   a) de identificatie van de apparaten;
   b) de datum van de jaarlijkse en/of tweejaarlijkse verificaties;
   c) de personalia, firma en naam van de persoon die het apparaat heeft gecontroleerd;
   d) de eventuele opmerkingen en vaststellingen.]1
  [1 § 8. De met het toezicht belaste ambtenaar bedoeld in § 6 is de ambtenaar of het personeelslid aangewezen krachtens [2 deel VIII van Boek I van het Milieuwetboek]2.]1

  ----------
  (1)<BWG 2000-11-30/39, art. 1, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  (2)<BWG 2008-12-05/51, art. 5, 073; Inwerkingtreding : 06-02-2009>

  C. In een groeve geplaatste houders.

  Art. 591.(NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) [Opgeheven] <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  
  Art. 591. (Waals Gewest) <BWG 1997-07-03/32, art. 3, 043; Inwerkingtreding : 12-08-1997> § 1. De houders moeten met ten minste twee lagen roestwerende verf bedekt worden om oxydatie te voorkomen.
  Vóór hun installatie ondergaan ze een waterdrukproef onder de drukking van 1 kg/cm2 om na te gaan of ze daarna geen scheuren, dichtheidsgebreken en blijvende vervormingen vertonen.
  § 2. [1 De in een opgehoogde kuil geplaatste houders met één enkele wand worden onderworpen aan een dichtheidsproef d.m.v. een vloeistof onder een druk van 1 kg/cm2 of een ultrasoon dichtheidsonderzoek, zoals bepaald in artikel 590, §§ 4 tot 7, met inachtneming van de volgende tijdsintervallen :
   1° om de tien jaar als ze tien à twintig jaar geleden zijn aangekocht;
   2° om de vijf jaar als ze éénentwintig à dertig jaar geleden zijn aangekocht;
   3° om de drie jaar als ze ouder zijn dan dertig jaar of als hun aankoopdatum niet kan worden vastgesteld.
   De leidingen van deze houders worden ook onderworpen aan een dichtheidsproef met inachtneming van dezelfde periodiciteit.
   De in een opgevulde kuil geplaatste houders met dubbele wand en hun leidingen worden ook om de tien jaar onderworpen aan een dichtheidsproef.
   De in het eerste en het tweede lid bedoelde periodiciteit wordt berekend vanaf de datum van het besluit tot toekenning van de exploitatievergunning of vanaf de datum van de laatste controle.]1

  ----------
  (1)<BWG 2000-11-30/39, art. 2, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. 592. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 593. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 594. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 595. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 596. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 597. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 598. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  D. Beproevingsbewijzen.

  Art. 599.(NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) [Opgeheven] <KB 1998-03-13/40, art. 70, 046; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  
  Art. 599. (Waals Gewest) [1 § 1. De dichtheidsproeven waarvan sprake in de artikelen 590, § 2, 591, § 2 worden uitgevoerd door erkende " ultrasoon technici ".
   De erkenning als " ultrasoon technicus " wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
   1° voor natuurlijke personen :
   a) burger zijn van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap of een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese economische Ruimte;
   b) zijn burgerlijke en politieke rechten niet hebben verloren;
   c) niet veroordeeld zijn bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing voor een overtreding van Titel I van het algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming, van het decreet van 30 april 1990 op de bescherming en de exploitatie van grondwater en van tot drinkwater verwerkbaar water, het decreet van 7 oktober 1985 inzake de bescherming van het oppervlaktewater tegen vervuiling, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen of van elke andere gelijkwaardige wetgeving van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap;
   d) minstens drie jaar ervaring hebben of een opleiding hebben gevolgd, zoals bepaald in bijlage 1, in een vak betreffende de opslag van ontvlambare vloeistoffen en het gebruik van het ultrasoon apparaat;
   e) over het nodige materiaal beschikken om de opdrachten te vervullen waarvoor de erkenning vereist wordt;
   f) zich niet in een toestand bevinden waarin de opdrachten niet meer vervuld kunnen worden op een objectieve en onafhankelijke manier;
   g) de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde onmiddellijk bij aangetekende brief met ontvangbewijs in kennis stellen van elke wijziging in de oorspronkelijke erkenningsaanvraag;
   h) een verzekeringscontract aangaan om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die voortvloeit uit de opdrachten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
   2° voor rechtspersonen :
   a) samengesteld zijn overeenkomstig de Belgische wetgeving of die van een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap of een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese economische Ruimte;
   b) niet veroordeeld zijn bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing voor een overtreding van Titel I van het algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming, van het decreet van 30 april 1990 op de bescherming en de exploitatie van grondwater en van tot drinkwater verwerkbaar water, het decreet van 7 oktober 1985 inzake de bescherming van het oppervlaktewater tegen vervuiling, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen of elke andere gelijkwaardige wetgeving van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap;
   c) onder de bestuurders, zaakvoerders of personen die bevoegd zijn om de vennootschap te binden, alleen personen tellen die de in 1°, b), c) en d) bedoelde voorwaarden vervullen;
   d) beschikken over een vennoot of een werknemer die de in 1° bedoelde voorwaarden vervult om de testen in situ uit te voeren;
   e) over het nodige materiaal beschikken om de opdrachten te vervullen waarvoor de erkenning vereist wordt;
   f) zich niet in een toestand bevinden waarin de opdrachten niet meer vervuld kunnen worden op een objectieve en onafhankelijke manier;
   g) de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde onmiddellijk bij aangetekende brief met ontvangbewijs in kennis stellen van elke wijziging in de oorspronkelijke erkenningsaanvraag;
   h) een verzekeringscontract aangaan om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die voortvloeit uit de opdrachten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd.
   § 2. De aanvraag om erkenning als " ultrasoon technicus " wordt aan de hand van het in bijlage 2 bedoelde formulier bij ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst of bij afgifte van een ontvangbewijs gericht aan de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of aan zijn afgevaardigde.
   § 3. De aanvraag is onvolledig als krachtens bijlage 2 vereiste gegevens of stukken ontbreken.
   De aanvraag is niet-ontvankelijk :
   1° als ze in strijd met § 2 hierboven wordt ingediend;
   2° als ze tweemaal onvolledig wordt bevonden;
   3° als de aanvrager de ontbrekende gegevens niet binnen de in § 4, tweede lid, bedoelde termijn verstrekt.
   § 4. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk acht binnen vijftien dagen aan de aanvrager, te rekenen van de dag waarop hij de aanvraag in ontvangst neemt.
   Als de aanvraag onvolledig is, wijst de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde de aanvrager op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt dan over dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aangetekende brief, om de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu de vereiste gegevens per post toe te sturen of tegen ontvangbewijs af te geven.
   De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk acht binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende gegevens aan de aanvrager. Als hij de aanvraag een tweede keer onvolledig acht, verklaart hij ze niet-ontvankelijk.
   Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wijst de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde de aanvrager, op de wijze en binnen de termijn bedoeld in het eerste lid of, in voorkomend geval, binnen de termijn bedoeld in het derde lid, op de redenen van de niet-ontvankelijkheid.
   § 5. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde stuurt de aanvrager zijn beslissing bij ter post aangetekende brief binnen vijftien dagen, te rekenen van de dag waarop hij zijn beslissing heeft verzonden waarbij hij de aanvraag ontvankelijk acht.
   § 6. De erkenning als " ultrasoon technicus " wordt verleend voor een termijn van maximum tien jaar.
   § 7. De erkenning kan elk ogenblik geschorst of ingetrokken worden bij beslissing van de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of van zijn afgevaardigde, nadat de houder van de vergunning gehoord is en als hij :
   1° de erkenningsvoorwaarden niet meer vervult;
   2° diensten verleent waarvan de kwaliteit onvoldoende is of waarvoor hij niet erkend is.
   De beslissing waarbij de erkenning wordt geschorst of ingetrokken, wordt bij ter post aangetekende brief gestuurd.
   § 8. Binnen twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing kan een beroep worden ingesteld tegen de beslissing tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning. Dat beroep wordt bij aangetekend schrijven met ontvangbewijs aan de Minister van Leefmilieu gericht.
   De beslissing van de Minister wordt binnen zestig dagen na ontvangst van het beroep bij ter post aangetekend schrijven meegedeeld aan de aanvrager.]1

  ----------
  (1)<BWG 2000-11-30/39, art. 3, 053; Inwerkingtreding : 27-01-2001>

  Art. 599bis. (Waals Gewest) [1 § 1. Voor de proeven en onderzoeken, zoals bepaald in de artikelen 590, § 2, en 591, § 2, wordt proces-verbaal opgemaakt waarin verschillende gegevens opgenomen worden die in bijlage 3 bij dit besluit voorkomen.
   Dit getuigschrift wordt overgemaakt aan de gebruiker die het ter beschikking houdt van de met het toezicht belaste ambtenaar. De technicus bewaart er een afschrift van gedurende minimum drie jaar.
   § 2. Op de vulleiding wordt een zichtbaar, leesbaar, onvervalsbaar, onuitwisbaar en tegen koolwaterstoffen bestand plaatje stevig vastgemaakt en met lood belegd. Het plaatje vermeldt het adres van de houder, de personalia van de erkende technicus, de datum van de controle, de vervaldatum van de geldigheidsduur van de test en het nummer van het getuigschrift.
   Al naar gelang de verrichte waarnemingen heeft het plaatje de volgende kleur :
   1° groen als de houder in orde is;
   2° oranje als de houder en de leidingen waterdicht zijn maar als bepaalde herstellingen moeten worden uitgevoerd aan de veiligheidssystemen, de beschermingen, de overloopdetectiesystemen of de inspectieputten. Er wordt ook een oranje plaatje aangebracht gedurende de interne expertise van de houder, alsmede wanneer de met het toezicht belaste ambtenaar vaststelt dat de voorschriften van het besluit waarbij de exploitatie van de houder wordt toegelaten, niet in acht worden genomen;
   3° rood als de houder of de leidingen niet waterdicht zijn.
   Het plaatje wordt aangebracht op dezelfde dag dat de test wordt uitgevoerd.
   § 3. Alleen de houders met een groen plaatje, zoals bedoeld in § 2, mogen gevuld en uitgebaat worden. De houders met een oranje plaatje mogen nog gevuld worden tijdens een niet-hernieuwbare overgangsperiode van maximum zes maanden die de maand van de controle begint te lopen. Deze termijn dient om de installatie te herstellen. De houders met een rood plaatje mogen in geen geval gevuld worden.
   Het gebrek aan plaatje staat gelijk met een rood plaatje, behalve als de houder in orde bevonden is op grond van een getuigschrift voor een dichtheidstest die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is uitgevoerd.
   Als niet bewezen kan worden wat de reële capaciteit van de houder is en hoe oud hij is, wordt hij beschouwd als een houder met een capaciteit van meer dan 3000 liter die meer dan tien jaar geleden is aangekocht. Bijgevolg moet vóór 1 januari 2005 een dichtheidstest uitgevoerd worden.
   § 4. De met het toezicht belaste ambtenaar bedoeld in de §§ 1 en 2 is de ambtenaar of het personeelslid aangewezen krachtens het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 23 december 1992 tot aanwijzing van de ambtenaren bevoegd voor het opsporen en vaststellen van overtredingen inzake de milieubescherming.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2000-11-30/39, art. 4, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Opslaan in tanks.

  A. Tanks.
  1. Bouw.

  Art. 600. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  2. Onderzoek omtrent weerstand en dichtheid.

  Art. 601. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  3. Gasverwijdering en luchtinvoer.

  Art. 602. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  <NOTE : Voor het Waalse Gewest wordt artikel 602 door de volgende bepaling vervangen : "Wanneer de tanks niet moeten voldoen aan de bijzondere bepalingen betreffende de procédés en installaties voor de opslag en het laden van benzine in terminals en benzinestations, mogen de verwijdering van de ontvlambare dampen en de luchtinvoer enkel geschieden d.m.v. een behoorlijk gekozen overdruk of verlaagde druk en door geschikte luchtgaten. De kleppen worden derwijze geregeld dat de overdruk geen 200 mm waterhoogte kan overschrijden, behalve wanneer de tank voor hogere drukkingen gemaakt en beproefd werd.
  Het opvangen van de gassen geschiedt eventueel d.m.v. procédés die volstrekte zekerheid bieden." (BWG 1996-05-23/42, art. 2, Inwerkingtreding : 07-07-1996)>
  4. Bescherming tegen de atmosferische ontladingen.

  Art. 603. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  5. Nummering van de tank.

  Art. 604. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  B. Funderingen en dammen.
  1. Funderingen.

  Art. 605. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  2. Dammen.

  Art. 606. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  3. Doorgang van buizen.

  Art. 607. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998
  4. Ladders en verkeersdoorgangen. <KB 10-06-1952, art. en bijl.>

  Art. 608. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>
  5. Omheining. <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>

  Art. 609. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Op alle opslagplaatsen toepasselijke bepalingen.

  A. Behandeling en toestellen.

  1. Algemene bepalingen.

  Art. 610. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 611. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 612. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 613. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 614. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 615. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  2. Aftappen van benzine in bussen.

  Art. 616. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 617. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 618. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 619. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 620. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 621. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 622. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 623. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  B. Onderzoeken en herstellingen.

  1. Putten, houders en tanks.

  Art. 624. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 625. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  2. Vaten en bussen.

  Art. 626. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 627. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  C. Verlichting.

  Art. 628. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  D. Verwarming.

  Art. 629. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  E. Brand.

  Art. 630. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 631. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  F. Toezicht.

  Art. 632. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 633. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  Art. 634. <Zie nota's onder TITEL> (Opgeheven) <KB 1998-03-13/40, art. 70, 047; Inwerkingtreding : 25-05-1998>

  G. (Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1996-05-23/42, art. 3; Inwerkingtreding : zie BWG 1996-05-23/42, art. 5> Bijzondere bepalingen betreffende de voor de opslag en het laden van benzine in terminals en benzinestations gebruikte procedes en installaties.

  Art. 634bis/1.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1996-05-23/42, art. 4; Inwerkingtreding : zie BWG 1996-05-23/42, art. 5>
  Definities.
  Er wordt verstaan onder :
  a) "benzine": een aardoliederivaat, met of zonder additieven, met een volgens de Reidmethode bepaalde dampdruk van 27,6 kilopascal of meer, dat voor gebruik als brandstof voor motorvoertuigen is bestemd, met uitzondering van vloeibaar petroleumgas (LPG);
  b) "damp" : een gasvormige, uit benzine vervluchtigende verbinding;
  c) "opslaginstallatie" : een vaste tank die op een terminal voor de opslag van benzine wordt gebruikt;
  d) "terminal" : een installatie die voor de opslag en het laden van benzine in tankwagens, tankwagons of schepen wordt gebruikt, met inbegrip van de opslagvoorzieningen op het terrein van de installatie;
  e) "mobiele tank" : een over de weg, per spoor of over het water vervoerde tank die wordt gebruikt voor de overbrenging van benzine van een terminal naar een andere terminal of naar een benzinestation;
  f) "benzinestation" : technische en geografische eenheid bestaande uit installaties en/of activiteiten bestemd voor het opslaan en het overbrengen van vloeibare koolwaterstoffen onder luchtdruk van vaste opslagtanks naar de brandstoftanks van motorvoertuigen;
  g) "bestaande" benzine-opslaginstallaties, benzine-overslaginstallaties, benzinestations en benzinetanks" : installaties, benzinestations en benzinetanks die vóór de datum van de bekendmaking van dit besluit in exploitatie waren of aan een exploitatievergunning onderworpen waren;
  h) "nieuwe" benzine-opslaginstallaties of benzine-overslaginstallaties, "nieuwe" benzinestations en "nieuwe" benzinetanks : de installaties, benzinestations en tanks die niet onder punt g) vallen;
  i) "debiet" : de in de drie voorgaande jaren gemeten grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die van een opslaginstallatie van een terminal of van een benzinestation is overgeslagen in mobiele tanks;
  j) "dampterugwinningseenheid" : een installatie voor de terugwinning van benzine uit damp, met inbegrip van eventuele buffertanksystemen van een terminal;
  k) "schip" : een binnenschip zoals gedefinieerd in hoofdstuk 1 van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen;
  l) "streefreferentiewaarde" : het richtsnoer dat is vastgesteld voor de algemene beoordeling van de overeenstemming met de hieronder vermelde technische voorschriften en dat niet bedoeld is als een grenswaarde waaraan de prestaties van afzonderlijke installaties, terminals en benzinestations zullen worden afgemeten;
  m) "voorlopige dampopslag" : de voorlopige dampopslag in een tank met vast dak op een terminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere terminal. De overbrenging van damp van de ene naar de andere opslaginstallatie op een terminal wordt niet beschouwd als voorlopige dampopslag in de zin van dit besluit;
  n) "overslaginstallatie" : een installatie op een terminal waar benzine in tankwagens, tankwagons of tankschepen kan worden geladen. Overslaginstallaties voor tankwagens omvatten een of meer laadportalen;
  o) "laadportaal" : een constructie op een terminal waar te allen tijde benzine in een tankwagen tegelijk kan worden geladen.

  Art. 634bis/2.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1996-05-23/42, art. 4; Inwerkingtreding : zie BWG 1996-05-23/42, art. 5>
  Algemene bepaling.
  De aan deze bepalingen onderworpen exploitanten van installaties delen de waarde van het debiet uiterlijk 31 januari 1997 mee aan de Afdeling Voorkoming van Verontreinigingen en Ondergrondbeheer alsmede aan de Afdeling Leefmilieupolitie, zoals bepaald in artikel 634bis/1, i).

  Art. 634bis/3.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1996-05-23/42, art. 4; Inwerkingtreding : zie BWG 1996-05-23/42, art. 5>
  Voorschriften voor opslaginstallaties van terminals.
  § 1. De buitenwand en het uitwendige dak van bovengrondse tanks dienen te worden geschilderd in een kleur met een totale stralingshittereflectie van 70 % of meer. Deze werken kunnen zo worden gepland dat zij een onderdeel vormen van de gewone onderhoudsbeurten van de tanks binnen een termijn van drie jaar.
  Deze bepaling is niet van toepassing op tanks die zijn verbonden met een met artikel 634bis/4, § 2 overeenstemmende dampterugwinningseenheid.
  § 2. Tanks met een uitwendig drijvend dak dienen te worden voorzien van een primaire afdichting om de ringvormige ruimte tussen de tankwand en de buitenste rand van het drijvende dak af te dichten en van een secundaire afdichting die boven de primaire afdichting is aangebracht. De afdichtingen dienen zodanig te zijn ontworpen dat in vergelijking met een vergelijkbare tank met vast dak zonder dampbeheersingsvoorzieningen (d.w.z. een tank met vast dak en alleen een vacuüm/overdrukklep) in totaal 95 % of meer van de damp wordt vastgehouden.
  § 3. Alle nieuwe opslaginstallaties van terminals waarvoor dampterugwinning overeenkomstig artikel 634bis/4 is voorgeschreven, moeten :
  a) ofwel tanks met een vast dak zijn die overeenkomstig de voorschriften van artikel 634bis/4 met de dampterugwinningseenheid zijn verbonden;
  b) ofwel ontworpen zijn met, hetzij een uitwendig, hetzij een inwendig drijvend dak, dat is voorzien van primaire en secondaire afdichtingen om te voldoen aan de prestatievoorschriften van § 2.
  § 4. Bestaande tanks met vast dak moeten hetzij :
  a) verbonden zijn met een dampterugwinningseenheid overeenkomstig de voorschriften van artikel 634bis/4,
  of
  b) een inwendig drijvend dak hebben met een primaire afdichting die zodanig dient te zijn ontworpen dat in vergelijking met een vergelijkbare tank met vast dak zonder dampbeheersingsvoorzieningen in totaal 90 % of meer van de damp wordt vastgehouden.
  § 5. De voorschriften voor dampbeheersingsvoorzieningen waarvan sprake in de §§ 3 en 4 zijn niet van toepassing op tanks met vast dak van terminals waar voorlopige dampopslag overeenkomstig artikel 634bis/4, § 2 is toegestaan.
  § 6. Er kan van de in de §§ 1 tot 5 bedoelde bepalingen slechts afgeweken worden volgens de regels vastgesteld bij artikel 3 van het besluit van de Regent van 27 september 1947 houdende goedkeuring van de titels III, IV en V van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming en voor zover bewezen is dat de aangenomen nieuwe technische maatregelen ter vermindering van benzineverlies minstens even doeltreffend zijn als de voorschriften waarvan afgeweken wordt, en namelijk dat deze maatregelen tot gevolg hebben dat het totale verlies aan benzine voortvloeiend uit het laden en de opslag van de terminal kleiner is dan de streefreferentiewaarde van 0,01 % van het debiet, uitgedrukt in massaverhouding þmassa/massa (m/m) van het debiet.

  Art. 634bis/4.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1996-05-23/42, art. 4; Inwerkingtreding : zie BWG 1996-05-23/42, art. 5>
  Voorschriften voor overslaginstallaties van mobiele tanks in terminals.
  § 1. Elke terminal met installaties voor het laden van tankwagens is uitgerust met minstens één laadportaal dat aan de voorschriften van artikel 634bis/6 beantwoordt.
  § 2. Verplaatsingsdampen uit mobiele tanks die worden gevuld dienen via een dampdichte leiding te worden teruggevoerd naar een dampterugwinningseenheid om in de terminal te worden geregenereerd.
  Deze bepaling is niet van toepassing op tankwagens die langs de bovenzijde worden gevuld.
  Op terminals waar benzine in schepen wordt overgeslagen kan een dampterugwinningseenheid worden vervangen door een dampverbrandingseenheid, wanneer dampterugwinning onveilig of technisch onmogelijk is vanwege de hoeveelheden retourdamp. De voorschriften voor de emissies van de dampterugwinningseenheid in de atmosfeer zijn eveneens van toepassing op de dampverbrandingseenheid.
  Op terminals met een debiet van minder dan 25 000 ton per jaar kan onmiddellijke dampterugwinning op de terminal worden vervangen door voorlopige dampopslag.
  § 3. De gemiddelde concentratie van dampen in de afvoer van de dampterugwinningseenheid - gecorrigeerd voor de verdunning tijdens de behandeling - mag niet meer dan 35 g/Nm3, gedurende één uur bedragen.
  De metingen en analyses worden minstens om de drie jaar verricht volgens de door de technische ambtenaar goedgekeurde methodes en overeenkomstig de staat van de kunst op het moment waarop zij verricht worden.
  Ze worden voor het eerst verricht binnen twaalf maanden na het in werking stellen van de terugwinningsinstallatie.
  De metingen en analyses worden verricht door een laboratorium of een instelling erkend in het kader van de wet van 24 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging.
  De metingen moeten gedurende één volle werkdag minimaal 7 uur met normaal debiet worden verricht.
  De metingen kunnen continu of intermitterend zijn. In het geval van intermitterende metingen moeten ten minste vier metingen per uur worden gedaan.
  De totale meetfout als gevolg van de gebruikte apparatuur, het kalibratiegas en het toegepaste procédé mag niet meer dan 10 % van de gemeten waarde bedragen.
  De gebruikte apparatuur moet op zijn minst in staat zijn concentraties van niet hoger dan 3 g/Nm3, te meten.
  De nauwkeurigheid moet minstens 95 % van de gemeten waarde bedragen.
  § 4. De exploitant moet erop toezien dat de aansluitingen en leidingen geregeld op lekken worden gecontroleerd; de bezoektijden alsmede de eventuele opmerkingen worden opgetekend in een special register met niet-afscheurbare bladen, dat ter beschikking wordt gesteld van de met het toezicht belaste ambtenaren.
  § 5. In geval van een damplek worden de vulwerkzaamheden bij het laadportaal onderbroken. De inrichting om een dergelijke afsluiting tot stand te brengen wordt op het laadportaal geplaatst.
  § 6. Wanneer het vullen van mobiele tanks langs de bovenzijde verricht wordt, dient het uiteinde van de vularm dichtbij de onderzijde van de mobiele tank te worden gehouden om spatten tijdens het vullen te voorkomen.
  § 7. Er kan van de in de §§ 1 en 2 bedoelde bepalingen slechts afgeweken worden volgens de regels vastgesteld bij artikel 3 van het besluit van de Regent van 27 september 1947 houdende goedkeuring van de titels III, IV en V van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming en voor zover bewezen is dat de aangenomen nieuwe technische maatregelen ter vermindering van benzineverlies minstens even doeltreffend zijn als de voorschriften waarvan afgeweken wordt, en namelijk dat deze maatregelen tot gevolg hebben dat het totale verlies aan benzine voortvloeiend uit de overslag van mobiele tanks in terminals kleiner is dan de streefreferentiewaarde van 0,005 % van het debiet, uitgedrukt in massaverhouding þmassa/massa (m/m) van het debiet.

  Art. 634bis/5.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1996-05-23/42, art. 4; Inwerkingtreding : zie BWG 1996-05-23/42, art. 5>
  Voorschriften voor vul- en opslaginstallaties van benzinestations en terminals met voorlopige dampopslag.
  § 1. De dampen die worden verplaatst door het vullen van opslaginstallaties van benzinestations met benzine en in tanks met vast dak voor voorlopige dampopslag, dienen via een dampdichte leiding te worden teruggevoerd naar de mobiele tank van waaruit de benzine wordt geleverd. Vulwerkzaamheden mogen alleen plaatsvinden als deze voorzieningen aanwezig zijn en naar behoren werken.
  § 2. Er kan van de in § 1 bedoelde bepalingen slechts afgeweken worden volgens de regels vastgesteld bij artikel 3 van het besluit van de Regent van 27 september 1947 houdende goedkeuring van de titels III, IV en V van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming en voor zover bewezen is dat de aangenomen nieuwe technische maatregelen ter vermindering van benzineverlies minstens even doeltreffend zijn als de voorschriften waarvan afgeweken wordt, en namelijk dat deze maatregelen tot gevolg hebben dat het totale verlies aan benzine voortvloeiend uit het vullen van opslaginstallaties kleiner is dan de streefreferentiewaarde van 0,01 % van het debiet, uitgedrukt in massaverhouding þmassa/massa (m/m) van het debiet.

  Art. 634bis/6.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1996-05-23/42, art. 4; Inwerkingtreding : zie BWG 1996-05-23/42, art. 5> Specificaties voor vulling langs de onderzijde, dampopvang en overloopbeveiliging van tankwagens.
  § 1. Koppelinrichtingen.
  1° De vloeistofaansluiting aan de vularm die de vulinstallaties uitrust is een vrouwelijke aansluiting die gekoppeld kan worden aan een mannelijke API-adapter van 4 inch (101,6 mm) op het voertuig, zoals gedefinieerd door :
  - Praktijk 1004, aanbevolen door het Amerikaanse Olieinstituut (API RECOMMANDED PRACTICE 1004)
  Zevende uitgave November 1988 (SEVENTH EDITION, NOVEMBER 1988)
  Vulling langs de onderzijde en dampterugwinning voor tankwagens (Afdeling 2.1.1.1, type adapter die voor het vullen langs de onderzijde gebruikt wordt) (Bottom Loading and Vapour Recovery for MC-306 Tank Motor Vehicles)(Afdeling 2.1.1.1, Type of Adapter used for Bottom Loading).
  2° De dampopvangaansluiting op de dampopvangslang van het laadportaal is een vrouwelijke nok-groefverbinding die gekoppeld kan worden aan een mannelijke API-nok-groef-adapter van 4 inch (101,6 mm) op het voertuig, zoals gedefinieerd door :
  - Praktijk 1004, aanbevolen door het Amerikaanse Olieinstituut (API RECOMMANDED PRACTICE 1004)
  Zevende uitgave November 1988 (SEVENTH EDITION, NOVEMBER 1988)
  Vulling langs de onderzijde en dampterugwinning voor de tankwagens (Afdeling 4.1.1.2, Adapters voor de dampopvang) (Bottom Loading and Vapour Recovery for MC-306 Tank Motor Vehicles)(Afdeling 4.1.1.2 Vapour Recovery Adapter).
  § 2. Vulvoorwaarden.
  Het normale vloeistoflaaddebiet bedraagt maximum 2 500 liter per minuut per vularm.
  Bij piekbelasting van de terminal mag het dampopvangsysteem van het laadportaal, met inbegrip van de dampterugwinningseenheid, een maximale tegendruk van 55 millibar aan de terminalzijde van de dampopvangadapter teweegbrengen.
  Alle goedgekeurde voertuigen die langs de onderzijde worden gevuld, zijn voorzien van een identificatieplaat waarop het toegestane maximumaantal vularmen vermeld staat dat gelijktijdig mag worden gebruikt, zonder dat bij de maximale tegendruk van 55 millibar, zoals aangegeven in het tweede lid, dampen via de benzine- en dampcompartimentskleppen worden afgevoerd. De identificatieplaat moet door de bouwer ingevuld worden.
  § 3. Verbinding met de voertuigmassa/overloopdetectie - overschrijding van de doeltreffendheid.
  Het laadportaal is voorzien van een overloopdetectiebedieningseenheid die, verbonden met het voertuig, een faalveilig vultoelatingssignaal geeft, voor zover geen compartimentsoverloopsensoren een hoog peil signaleren.
  Het voertuig is via een standaard 10-pens elektrische contactdoos verbonden met de bedieningseenheid aan het laadportaal. De steker wordt op het voertuig gemonteerd en de contrasteker moet bevestigd zijn aan een kabel die verbonden is met de bedieningseenheid van het laadportaal.
  De hoog-peildetectors zijn tweedraads thermistorsensoren met een negatieve temperatuurcoëfficient, tweedraads optische sensoren, vijfdraads optische sensoren of gelijkwaardige sensoren, mits het systeem faalveilig is.
  De bedieningseenheid van het vulportaal moet, naar gelang de noodzaak en de technische vooruitgang, zowel voor tweedraads- als vijfdraadssystemen op het voertuig geschikt zijn.
  Het voertuig is verbonden met het vulportaal via de gemeenschappelijke retourdraad van de overloopsensoren, die via het chassis van het voertuig verbonden moet zijn met pen 10 van de steker. De gestandaardiseerde pen 10 van de contrasteker is verbonden met de omsluiting van de bedieningseenheid, die is verbonden met de aarding van het vulportaal.
  Alle goedgekeurde voertuigen die langs de onderzijde worden gevuld, zijn voorzien van een identificatieplaat (zie § 2, derde lid) waarop het type van de aangebrachte overloopdetectiesensoren vermeld staat.
  § 4. Plaats van de verbindingen.
  Bij het ontwerp van de vloeistoflaad- en dampopvanginrichtingen aan het vulportaal wordt uitgegaan van een verbindingssysteem op het voertuig.
  De hoogte van de hartlijn van de vloeistofadapters bedraagt ten hoogste 1,4 meter (ongeladen), ten minste 0,5 meter (geladen) en bij voorkeur 0,7 à 1,0 meter.
  De horizontale afstand tussen de adapters mag niet minder bedragen dan 0,25 meter (bij voorkeur minimaal 0,3 meter).
  Alle vloeistofadapters bevinden zich binnen een lengte van ten hoogste 2,5 meter.
  De dampopvangadapter moet zich bij voorkeur rechts van de vloeistofadapters bevinden op een hoogte van maximaal 1,5 meter (ongeladen) en minimaal 0,5 meter (geladen).
  De aarding/overloopdetectie bevindt zich rechts van de vloeistof- en dampopvangadapters op een hoogte van maximaal 1,5 meter (ongeladen) en minimaal 0,5 meter (geladen).
  Het in het zesde lid bedoelde verbindingssysteem bevindt zich geheel aan één zijde van het voertuig.
  § 5. Beveiligingen.
  1° Aarding/overloopdetectie.
  Vullen is uitsluitend toegestaan wanneer door de gecombineerde aardings/overloopbedieningseenheid het vultoelatingssignaal is gegeven.
  In geval van overloop of onderbreking van de aarding van het voertuig sluit de bedieningseenheid aan het laadportaal de vulcontroleklep aan het vulportaal.
  Vullen is uitsluitend toegestaan wanneer de dampopvangslang met het voertuig is verbonden en de verplaatste damp vrij van het voertuig naar de dampopvanginrichting van de terminal kan stromen." (BWG 1996-05-23/42, art. 3 en 4)
  VOOR WAT DE DATA VAN INWERKINGTREDING BETREFT beschikt art. 5 van BWG 1996-05-23/42 : § 1. De §§ 1 tot 6 van artikel 634bis/3 treden in werking :
  a) de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, voor nieuwe installaties;
  b) met ingang van 1 januari 1999 voor bestaande opslaginstallaties wanneer het debiet op de terminal groter is dan 50.000 ton per jaar;
  c) met ingang van 1 januari 2002 voor bestaande opslaginstallaties wanneer het debiet op de terminal groter is dan 25.000 ton per jaar;
  d) met ingang van 1 januari 2005 voor de overige bestaande opslaginstallaties van terminals.
  § 2. De §§ 1 tot 7 van artikel 634bis/4 treden in werking :
  a) de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, voor nieuwe terminals voor het laden van tankwagens, tankwagons en/of schepen;
  b) met ingang van 1 januari 1999 voor bestaande terminals voor het laden van tankwagens, tankwagons en/of schepen indien het debiet groter is dan 150.000 ton per jaar;
  c) met ingang van 1 januari 2002 voor bestaande terminals voor het laden van tankwagens en tankwagons indien het debiet groter is dan 25.000 ton per jaar;
  d) met ingang van 1 januari 2005 voor bestaande opslaginstallaties van terminals voor het laden van tankwagens en tankwagons.
  § 3. De §§ 1 en 2 van artikel 634bis/5 treden in werking :
  a) de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, voor nieuwe benzinestations;
  b) met ingang van 1 januari 1999 :
  - voor bestaande benzinestations met een debiet van meer dan 1 000 m3 per jaar;
  - voor bestaande benzinestations, ongeacht hun debiet, die gevestigd zijn onder permanente woon- of werkruimten;
  c) met ingang van 1 januari 2002 voor bestaande benzinestations met een debiet van meer dan 500 m3 per jaar;
  d) met ingang van 1 januari 2005 voor alle overige bestaande benzinestations.
  § 4. De bepalingen van artikel 634bis/6 treden in werking voor alle vulportalen van tankwagens van alle bestaande terminals met een debiet van meer dan 10.000 ton per jaar vanaf 1 januari 2005.>

  § IIbis. (Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1997-07-03/32, art. 4; Inwerkingtreding : 12-08-1997> Opslag van ontvlambare vloeistoffen met een vlampunt van meer dan 50° C en van hoogstens 100 °C.

  Art. 634ter/1.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1997-07-03/32, art. 4; Inwerkingtreding : 12-08-1997> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2003-07-17/80, art. 46bis; Inwerkingtreding : het BWG 2003-07-17/80 treedt in werking op 29-11-2003, maar het art. 46bis ervan werd ingevoegd door een beschikking die op 24-08-2008 in werking treedt>) De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op de opslagplaatsen die ingedeeld zijn onder de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen van ontvlambare vloeistoffen waarvan het vlampunt in gesloten vat volgens de normen NBN 52017 en 52075 tussen 50 °C en hoogstens 100 °C ligt.

  Art. 634ter/2.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1997-07-03/32, art. 4; Inwerkingtreding : 12-08-1997> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2003-07-17/80, art. 46bis; Inwerkingtreding : het BWG 2003-07-17/80 treedt in werking op 29-11-2003, maar het art. 46bis ervan werd ingevoegd door een beschikking die op 24-08-2008 in werking treedt>) De houders die ingegraven of in een groeve geplaatst zullen worden, moeten uit plaat of kunststof vervaardigd zijn, overeenkomstig de reglementaire bepalingen, de vigerende Belgische normen m.b.t. hun vervaardiging en de desbetreffende regels van de kunst. Het vervoer, de installatie en de aansluiting van deze houders worden uitgevoerd overeenkomstig de reglementaire bepalingen, de vigerende Belgische normen m.b.t. hun vervaardiging en de desbetreffende regels van de kunst. Als ze voor ingraving bestemd zijn, moeten de houders vervaardigd zijn uit versterkte warmhardende kunststof.

  Art. 634ter/3.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1997-07-03/32, art. 4; Inwerkingtreding : 12-08-1997> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2003-07-17/80, art. 46bis; Inwerkingtreding : het BWG 2003-07-17/80 treedt in werking op 29-11-2003, maar het art. 46bis ervan werd ingevoegd door een beschikking die op 24-08-2008 in werking treedt>) § 1. Vóór hun installatie ondergaan de metaalhouders die ingegraven of in een groeve geplaatst moeten worden, een dichtheidsproef onder de drukking van 3 kg/cm2 om na te gaan of ze daarna geen scheuren, dichtheidsgebreken en blijvende vervormingen vertonen.
  § 2. Vóór hun installatie ondergaan de uit versterkte warmhardende kunststof vervaardigde houders, die ingegraven of in een groeve geplaatst moeten worden, een dichtheidsproef onder de minimale drukking van 1 kg/cm2 om na te gaan of ze daarna geen scheuren, dichtheidsgebreken en blijvende vervormingen vertonen.
  § 3. [1 De in een opgehoogde kuil ingegraven of geplaatste houders met één enkele wand worden onderworpen aan een dichtheidsproef d.m.v. een vloeistof onder een druk van 1 kg/cm2 voor metalen houders en 0,3 kg/cm2 voor houders uit gewapende thermohardende kunststof, of aan een ultrasoon dichtheidsonderzoek, zoals bepaald in artikel 590, §§ 4 tot 7, met inachtneming van de volgende tijdsintervallen :
   1° om de tien jaar als ze tien à twintig jaar geleden zijn aangekocht;
   2° om de vijf jaar als ze eenentwintig à dertig jaar geleden zijn aangekocht;
   3° om de drie jaar als ze ouder zijn dan dertig jaar of als hun aankoopdatum niet kan worden vastgesteld.
   De leidingen van deze houders worden ook onderworpen aan een dichtheidsproef met inachtneming van dezelfde periodiciteit.
   De houders met dubbele wand en hun leidingen worden ook om de tien jaar onderworpen aan een dichtheidsproef.
   De in het eerste en het tweede lid bedoelde periodiciteit wordt berekend vanaf de datum van het besluit tot toekenning van de exploitatievergunning of vanaf de datum van de laatste controle.]1
  ----------
  (1)<BWG 2000-11-30/39, art. 5, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  

  Art. 634ter/4.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1997-07-03/32, art. 4; Inwerkingtreding : 12-08-1997> [1 § 1. De dichtheidsproeven waarvan sprake in artikel 634ter/3 worden uitgevoerd door erkende " ultrasoon technici ".
   De erkenning als " ultrasoon technicus " wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
   1° voor natuurlijke personen :
   a) burger zijn van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap of een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese economische Ruimte;
   b) zijn burgerlijke en politieke rechten niet hebben verloren;
   c) niet veroordeeld zijn bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing voor een overtreding van Titel I van het algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming, van het decreet van 30 april 1990 op de bescherming en de exploitatie van grondwater en van tot drinkwater verwerkbaar water, het decreet van 7 oktober 1985 inzake de bescherming van het oppervlaktewater tegen vervuiling, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen of van elke andere gelijkwaardige wetgeving van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap;
   d) minstens drie jaar ervaring hebben of een opleiding hebben gevolgd, zoals bepaald in bijlage 1, in een vak betreffende de opslag van ontvlambare vloeistoffen en het gebruik van het ultrasoon apparaat;
   e) over het nodige materiaal beschikken om de opdrachten te vervullen waarvoor de erkenning vereist wordt;
   f) zich niet in een toestand bevinden waarin de opdrachten niet meer vervuld kunnen worden op een objectieve en onafhankelijke manier;
   g) de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde onmiddellijk bij aangetekende brief met ontvangbewijs in kennis stellen van elke wijziging in de oorspronkelijke erkenningsaanvraag;
   h) een verzekeringscontract aangaan om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die voortvloeit uit de opdrachten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
   2° voor rechtspersonen :
   a) samengesteld zijn overeenkomstig de Belgische wetgeving of die van een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap of een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese economische Ruimte;
   b) niet veroordeeld zijn bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing voor een overtreding van Titel I van het algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming, van het decreet van 30 april 1990 op de bescherming en de exploitatie van grondwater en van tot drinkwater verwerkbaar water, het decreet van 7 oktober 1985 inzake de bescherming van het oppervlaktewater tegen vervuiling, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen of elke andere gelijkwaardige wetgeving van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap;
   c) onder de bestuurders, zaakvoerders of personen die bevoegd zijn om de vennootschap te binden, alleen personen tellen die de in 1°, b), c) en d) bedoelde voorwaarden vervullen;
   d) beschikken over een vennoot of een werknemer die de in 1° bedoelde voorwaarden vervult om de testen in situ uit te voeren;
   e) over het nodige materiaal beschikken om de opdrachten te vervullen waarvoor de erkenning vereist wordt;
   f) zich niet in een toestand bevinden waarin de opdrachten niet meer vervuld kunnen worden op een objectieve en onafhankelijke manier;
   g) de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde onmiddellijk bij aangetekende brief met ontvangbewijs in kennis stellen van elke wijziging in de oorspronkelijke erkenningsaanvraag;
   h) een verzekeringscontract aangaan om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die voortvloeit uit de opdrachten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd.
   § 2. De aanvraag om erkenning als " ultrasoon technicus " wordt aan de hand van het in bijlage 2 bedoelde formulier bij ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst of bij afgifte van een ontvangbewijs gericht aan de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of aan zijn afgevaardigde.
   § 3. De aanvraag is onvolledig als krachtens bijlage 2 vereiste gegevens of stukken ontbreken.
   De aanvraag is niet-ontvankelijk :
   1° als ze in strijd met § 2 hierboven wordt ingediend;
   2° als ze tweemaal onvolledig wordt bevonden;
   3° als de aanvrager de ontbrekende gegevens niet binnen de in § 4, tweede lid, bedoelde termijn verstrekt.
   § 4. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk acht binnen vijftien dagen aan de aanvrager, te rekenen van de dag waarop hij de aanvraag in ontvangst neemt.
   Als de aanvraag onvolledig is, wijst de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde de aanvrager op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt dan over dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aangetekende brief, om de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu de vereiste gegevens per post toe te sturen of tegen ontvangbewijs af te geven.
   De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk acht binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende gegevens aan de aanvrager. Als hij de aanvraag een tweede keer onvolledig acht, verklaart hij ze niet-ontvankelijk.
   Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wijst de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde de aanvrager, op de wijze en binnen de termijn bedoeld in het eerste lid of, in voorkomend geval, binnen de termijn bedoeld in het derde lid, op de redenen van de niet-ontvankelijkheid.
   § 5. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde stuurt de aanvrager zijn beslissing bij ter post aangetekende brief binnen vijftien dagen, te rekenen van de dag waarop hij zijn beslissing waarbij hij de aanvraag ontvankelijk acht, heeft verzonden.
   § 6. De erkenning als " ultrasoon technicus " wordt verleend voor een termijn van maximum tien jaar.
   § 7. De erkenning kan elk ogenblik geschorst of ingetrokken worden bij beslissing van de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of van zijn afgevaardigde, nadat de houder van de vergunning gehoord is en als hij :
   1° de erkenningsvoorwaarden niet meer vervult;
   2° diensten verleent waarvan de kwaliteit onvoldoende is of waarvoor hij niet erkend is.
   De beslissing waarbij de erkenning wordt geschorst of ingetrokken, wordt bij ter post aangetekende brief gestuurd.
   § 8. Binnen twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing kan een beroep worden ingesteld tegen de beslissing tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning. Dat beroep wordt bij aangetekend schrijven met ontvangbewijs aan de Minister van Leefmilieu gericht.
   De beslissing van de Minister wordt binnen zestig dagen na ontvangst van het beroep bij ter post aangetekend schrijven meegedeeld aan de aanvrager.]1
  ----------
  (1)<BWG 2000-11-30/39, art. 6, 053; Inwerkingtreding : 27-01-2001>
  

  Art. 634ter/5.(Waals Gewest) [1 § 1. Voor de proeven en onderzoeken, zoals bepaald in artikel 634ter/3 wordt proces-verbaal opgemaakt waarin verschillende gegevens opgenomen worden die in bijlage 3 bij dit besluit voorkomen.
   Dit getuigschrift wordt overgemaakt aan de gebruiker die het ter beschikking houdt van de met het toezicht belaste ambtenaar. De technicus bewaart er een afschrift van gedurende minimum drie jaar.
   § 2. (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2003-07-17/80, art. 46bis; Inwerkingtreding : het BWG 2003-07-17/80 treedt in werking op 29-11-2003, maar het art. 46bis ervan werd ingevoegd door een beschikking die op 24-08-2008 in werking treedt>) Op de vulleiding wordt een zichtbaar, leesbaar, onvervalsbaar, onuitwisbaar en tegen koolwaterstoffen bestand plaatje stevig vastgemaakt en met lood belegd. Dat plaatje vermeldt het adres van de houder, de personalia van de erkende technicus, de datum van de controle, de vervaldatum van de geldigheidsduur van de test en het getuigschriftnummer.
   Al naar gelang de verrichte waarnemingen heeft het plaatje de volgende kleur :
   1° groen als de houder in orde is;
   2° oranje als de houder en de leidingen waterdicht zijn maar als bepaalde herstellingen moeten worden uitgevoerd aan de veiligheidssystemen, de beschermingen, de overloopdetectiesystemen of de inspectieputten. Er wordt ook een oranje plaatje aangebracht gedurende de interne expertise van de houder, alsmede wanneer de met het toezicht belaste ambtenaar vaststelt dat de voorschriften van het besluit waarbij de exploitatie van de houder wordt toegelaten, niet in acht worden genomen;
   3° rood als de houder of de leidingen niet waterdicht zijn.
   Het plaatje wordt aangebracht op dezelfde dag dat de test wordt uitgevoerd.
   § 3. (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2003-07-17/80, art. 46bis; Inwerkingtreding : het BWG 2003-07-17/80 treedt in werking op 29-11-2003, maar het art. 46bis ervan werd ingevoegd door een beschikking die op 24-08-2008 in werking treedt>) Alleen de houders met een groen plaatje, zoals bedoeld in § 2, mogen gevuld en uitgebaat worden. De houders met een oranje plaatje mogen nog gevuld worden tijdens een niet-hernieuwbare overgangsperiode van maximum zes maanden die de maand van de controle begint te lopen. Deze termijn dient om de installatie te herstellen. De houders met een rood plaatje mogen in geen geval gevuld worden.
   Het gebrek aan plaatje staat gelijk met een rood plaatje, behalve als de houder in orde bevonden is op grond van een getuigschrift voor een dichtheidstest die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit is uitgevoerd.
   Als niet bewezen kan worden wat de reële capaciteit van de houder is en hoe oud hij is, wordt hij beschouwd als een houder met een capaciteit van meer dan 3000 liter die meer dan tien jaar geleden is aangekocht. Bijgevolg moet vóór 1 januari 2005 een dichtheidstest uitgevoerd worden.
   § 4. De met het toezicht belaste ambtenaar bedoeld in de §§ 1 en 2 is de ambtenaar of het personeelslid aangewezen overeenkomstig het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 23 december 1992 tot aanwijzing van de ambtenaren bevoegd voor het opsporen en vaststellen van overtredingen inzake de milieubescherming.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2000-11-30/39, art. 7, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  

  Art. 634ter/6.(Waals Gewest) [1 De houders met één enkele of met dubbele wand die vóór 1 maart 2001 toegelaten zijn en die met ingang van 12 augustus 1997 meer dan tien jaar geen controles of proeven hebben ondergaan, worden onderworpen aan de in de artikelen 590, 591 en 634ter/3 bedoelde controles, met inachtneming van de volgende tijdschema's :
   1° vóór 1 januari 2003 als ze minstens dertig jaar geleden zijn aangekocht of als hun aankoopdatum niet kan worden vastgesteld;
   2° vóór 1 januari 2006 als ze twintig à negenentwintig jaar geleden zijn aangekocht;
   3° vóór 1 januari 2010 als ze tien à negentien jaar geleden zijn aangekocht.
   In afwijking van het vorige lid, worden de voor de verwarming van de gebouwen bestemde houders van klasse 2 die vóór 12 augustus 1997 toegelaten zijn en die met ingang van dezelfde datum sinds meer dan tien jaar geen controles hebben ondergaan, onderworpen aan de in de artikelen 590, 591 en 634ter/3 bedoelde controles, met inachtneming van de volgende tijdschema's :
   1° vóór 1 januari 2003 als ze minstens dertig jaar geleden zijn aangekocht of als hun aankoopdatum niet kan worden vastgesteld;
   2° vóór 1 januari 2006 als ze twintig à negenentwintig jaar geleden zijn aangekocht;
   3° vóór 1 januari 2010 als ze tien à negentien jaar geleden zijn aangekocht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2000-11-30/39, art. 8, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  

  Art. 634quater.(Waals Gewest) (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2003-07-17/80, art. 46bis; Inwerkingtreding : het BWG 2003-07-17/80 treedt in werking op 29-11-2003, maar het art. 46bis ervan werd ingevoegd door een beschikking die op 24-08-2008 in werking treedt>) [1 Elke houder wordt uitgerust met een overloopdetectiesysteem (fluitje om aan te geven dat de houder 95 % van zijn maximale capaciteit heeft bereikt, elektronische of mechanische sonde die de vulling automatisch stopzet wanneer de houder 98 % van zijn maximale capaciteit bereikt).
   Deze apparatuur wordt vóór 1 januari 2005 geplaatst.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2000-11-30/39, art. 9, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  

  § 3. Schouwspelzalen. <KB 15-09-1953> [1 (NOTA : Titel III, hoofdstuk II, afdeling IX, § 3, "Schouwspelzalen", wordt opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  A. Toepassingsgebied. <KB 15-09-1953>

  Art. 635.<KB 07-10-1970, art. 1> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 a) Onverminderd de bijzondere voorwaarden welke kunnen opgelegd worden bij de vergunningsbesluiten waarvan sprake in titel I en van die welke geregeld zijn bij andere bepalingen van dit reglement, zijn de in deze paragraaf bepaalde veiligheids- en gezondheidsmaatregelen van toepassing in de hierna vermelde schouwspelzalen, [...] : <KB 1987-09-17/31, art. 21, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
  1° bioscopen;
  2° circussen;
  3° schouwburgen, variététheaters en feestzalen, waarvan de speelruimte langs boven of langs onder uitgerust is met mechanische toestellen.
  De maatregelen van deze paragraaf zijn nochtans niet van toepassing op foorinstallaties die voor ten hoogste drie maanden opgericht zijn.
  (Zij zijn ook niet van toepassing op :
  1° de in openlucht opgevoerde schouwspelen;
  2° de schouwspelen opgevoerd in plaatsen waar het aantal toeschouwers 50 niet kan overtreffen;
  3° de niet openbare schouwspelen;
  4° de bioscopen die een scherm gebruiken van ten hoogste 2 m2.) <KB 1987-09-17/31, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>
  b) De bepalingen van artikel 52 zijn niet van toepassing op de onder a) bedoelde schouwspelzalen.
  c) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
  1) langs boven met mechanische toestellen uitgerust: bovenste gedeelte van de toneelkooi (toneelzoldering) met uitgerust rooster, dat de behandeling en het bergen van onderdelen van schermen, tijdens de vertoning, voor of na het gebruik ervan op het toneel mogelijk maakt;
  2) langs onder met mechanische toestellen uitgerust: ruimte gelegen onder het plateau (toneelvloer) uitgerust met één of meerdere mechanische toestellen die het bedienen of het bergen van één of meerdere schermen mogelijk maken;
  3) uitgerust rooster: een opengewerkte zoldering, die de katrollen of de takels van de toneeluitrusting draagt, het is te zeggen, een geheel van koorden (kabels), katrollen, machines (windassen, trommels, tegengewichten, enz.) en draagbomen, dat de behandeling van onderdelen van schermen en van opgehangen verlichtingstoestellen toelaat.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  B. Bouw en inrichting. <KB 15-09-1953>

  Bouw. <KB 15-09-1953>

  Art. 636.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Onverminderd de bijzondere bepalingen van de artikelen 659, 660, 663 en 665 van dit reglement, [...] moeten de volgende voorschriften in de schouwspelzalen nageleefd worden: <KB 07-10-1970, art. 2>
  a) moeten uit metselwerk of beton opgetrokken worden:
  1° de muren van de zaal, van het toneel en van de toe- en uitgangswegen;
  2° de zolderingen en de vloeren welke de zaal, het toneel en de toe- en uitgangswegen, eensdeels, van de kelderverdiepingen, zolders, en om het even welke andere lokalen, anderdeels, scheiden;
  3° de balkons;
  4° de trappen welke door het publiek kunnen gebruikt worden;
  5° de stutten van voormelde zolderingen, vloeren, balkons en trappen, tenzij zij uit metalen bestanddelen bestaan.
  b) de treden en de vloeren van de zaal mogen slechts in hout zijn voor zover zij geplaatst zijn op vaste grond of op een doorlopend schotwerk uit metselwerk of uit beton dat op vuurvaste stutten rust.
  De ledige ruimte welke eventueel tussen deze treden of deze vloeren eensdeels, en de vaste grond of het schotwerk andersdeels, bestaat, moet zo klein mogelijk zijn.
  c) de dakbedekking moet uit vuurvast materiaal bestaan.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Plaatsen en toe- en uitgangswegen. <KB 15-09-1953>

  Art. 637.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De ruimte voor ieder zittend toeschouwer is minstens 50 cm breed en minstens 75 cm lang; deze afmetingen worden onderscheidenlijk genomen van as tot as der zitplaatsen van eenzelfde rij en van as tot as der rijen zitplaatsen.
  b) Elke rij zitplaatsen wordt verdeeld door armleuningen of door elke andere inrichting welke het plaatsen van meer dan één persoon per 50 cm breedte verhindert.
  c) [De breedte van de doorgang tussen de rijen zitplaatsen mag nergens minder dan 45 cm bedragen. Deze breedte mag tot 40 cm herleid worden indien de zitplaatsen geplaatst zijn op treden van tenminste 15 cm hoogte.] <KB 07-10-1970, art. 3.>
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Zitplaatsen. <KB 15-09-1953>

  Art. 638.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De zitplaatsen zijn stevig vastgehecht, die van de loges en de benedenloges uitgezonderd.
  b) Voor het personeel wordt er te allen tijde een voldoend aantal zitplaatsen voorbehouden; deze zitplaatsen mogen klapstoeltjes zijn.
  c) Het is verboden in de zaal en in de toe- en uitgangswegen er van klapstoeltjes, welke voor de toeschouwers bestemd zijn, alsmede elk voorwerp waardoor het verkeer kan belemmerd worden, te plaatsen.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Wandelgangen. <KB 15-09-1953>

  Art. 639.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De staande toeschouwers worden slechts tot de daartoe speciaal bestemde wandelgangen toegelaten. De aan ieder staand toeschouwer voorbehouden plaats bedraagt minstens een halve vierkante meter.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Gangen in de zaal. <KB 15-09-1953>

  Art. 640.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De rijen zitplaatsen mogen niet meer dan 10 zitplaatsen omvatten, wanneer er slechts één gang voor bestaat. Zij mogen er 20 omvatten wanneer er twee gangen voor bestaan.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Trappen. <KB 15-09-1953>

  Art. 641.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De trappen zijn langs beide kanten van stevige leuningen voorzien. Zo de trappen breder dan 2,40 m zijn, worden zij bovendien door één of meer leuningen in verscheidene delen gescheiden, zodat de breedte van elk van deze delen 2,40 m niet overtreft en niet minder dan 0,80 m bedraagt.
  b) De trappen hebben geen wenteltrapvormige delen. Zij worden verdeeld door trapbordessen van minstens 1 meter zodat elke traparm niet meer dan 17 treden telt.
  c) De trappen hebben volle stootborden. Elke trede is minstens 30 cm breed en hoogstens 17 cm hoog. Geen trede mag niet meer dan 5 cm buiten haar stootbord uitsteken.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  (Uitgangen en nooduitgangen.) <KB 19-09-1980, art. 13>

  Art. 642.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) Het uitgaan van al de toeschouwers moet kunnen geschieden langs toe- en uitgangswegen welke op de openbare weg uitgeven, zonder door café's, drankzalen of andere lokalen, welke bij de instelling horen, of door belendende eigendommen te gaan.
  b) De gangen, de deuren en de trapkooien van deze toe- en uitgangswegen zijn hoog genoeg om een gemakkelijk verkeer toe te laten; deze hoogte mag niet minder dan 2 m bedragen.
  c) De breedte van deze gangen, deuren en trappen staat in verhouding tot het aantal plaatsen, waarvoor ze dienstig zijn.
  Zij mag niet minder dan 80 cm bedragen en moet minstens gelijk zijn, in centimeters, aan dit aantal plaatsen voor de gangen en de deuren, aan dit aantal vermenigvuldigd met 1,25 voor de trappen welke naar de uitgangen afdalen, en aan dit aantal vermenigvuldigd met 2 voor de trappen die naar de uitgangen opstijgen.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  (Gebruik van de uitgangen en de nooduitgangen.) <KB 19-09-1980, art. 14>

  Art. 643.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De toeschouwers moeten alle uitgangen kunnen gebruiken.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Controle-inrichtingen. <KB 15-09-1953>

  Art. 644.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De controle-inrichtingen moeten stevig vastgehecht zijn en derwijze opgesteld zijn dat daardoor de vrije breedte der gangen en der uitgangen niet beneden de bij artikel 642 van dit reglement voorgeschreven afmetingen wordt gebracht.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Deuren. <KB 15-09-1953>

  Art. 645.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) Al de deuren gaan langs buiten open. De op de openbare weg rechtstreeks uitkomende buitendeuren mogen echter naar binnen opendraaien, mits zij volledig openslaan tegen een vast gedeelte van het gebouw waaraan zij stevig bevestigd zijn.
  b) De deuren langswaar het publiek eventueel zou moeten gaan, dienen bij de minste drukking open te gaan.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  C. Elektrische installatie. - Verlichting. <KB 15-09-1953>

  Algemeenheden. <KB 15-09-1953>

  Art. 646.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) Voor de kunstmatige verlichtingen en voor de lichtdecoratie wordt slechts elektriciteit toegelaten.
  b) Buiten de in deze paragraaf bestaande voorschriften, zijn de bepalingen van afdeling I van hoofdstuk I van titel III van dit reglement, betreffende de elektrische installaties, van toepassing.
  c) De elektriciteitsgeleiders zijn over de gehele lengte er van, de hangende gedeelten inbegrepen, geplaatst in stalen buizen verbonden door vaste stalen koppelmoffen. Elk ander monteringstelsel wordt toegelaten zo het gelijkwaardige mechanische weerstandshoedanigheden bezit.
  d) (Bij de inbedrijfstelling van een nieuwe inrichting dient aan de burgemeester een attest te worden toegestuurd van een overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk I, door de bevoegde Minister voor de controle van elektrische installaties erkend organisme, waarbij wordt bevestigd dat de installatie beantwoordt aan de voorschriften van deze paragraaf en aan die van titel III, hoofdstuk I, afdeling I.) <KB 20-06-1975, art. 6>
  e) (Bij de aanvraag om hernieuwing van de vergunning dient een attest te worden gevoegd als bedoeld onder d.) <KB 20-06-1975, art. 6>
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Elektriciteitsbronnen. <KB 15-09-1953>

  Art. 647.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De verlichtingsinstallatie wordt gevoed door twee van elkaar onafhankelijke stroombronnen. Deze bronnen leveren gelijktijdig stroom, tenzij een er van automatisch stroom levert wanneer de tweede wegvalt.
  b) De verlichtingsinstallatie wordt derwijze ingericht dat het wegvallen van een der voormelde stroombronnen op geen enkel ogenblik een zo grote duisternis kan teweeg brengen dat het buiten gaan van de toeschouwers en van het personeel er door kan gehinderd worden.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Algemene en noodverlichting. <KB 15-09-1953>

  Art. 648.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Een der bij artikel 647 van dit reglement bedoelde stroombronnen voedt de lampen van een verlichting genoemd "algemene verlichting".
  De andere bron voedt de lampen van een verlichting genoemd "noodverlichting".
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Voeding van de noodverlichting. <KB 15-09-1953>

  Art. 649.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De noodverlichting wordt gevoed:
  1° hetzij door een batterij elektrische accumulatoren. Deze wordt buiten de projectie- en oprolkamertjes en buiten de toneelruimte geplaatst;
  2° hetzij door een aansluiting op het openbaar laagspanningsnet, wanneer de algemene verlichting gevoed wordt door de stroom van een statische transformator aangesloten op het hoogspanningsnet en in de instelling opgesteld;
  3° hetzij door een speciale elektrogeengroep.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Stroomkringen van de algemene verlichting. <KB 15-09-1953>

  Art. 650.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De algemene verlichting moet minstens de volgende stroomkringen omvatten:
  1° twee stroomkringen voor de zaal;
  2° een stroomkring voor de toe- en uitgangswegen er van;
  3° een stroomkring voor het projectiekamertje, het oprolkamertje en hun toe- en uitgangswegen;
  4° een stroomkring voor het toneel, voor zijn aanhorigheden en voor de toe- en uitgangswegen van het toneel en van zijn aanhorigheden.
  b) Deze stroomkringen worden beschermd door afzonderlijke smelt- of automatische zekeringen.
  c) Een der twee stroomkringen van de zaal verzekert voortdurend een verlichting waarbij de toeschouwers gemakkelijk naar de uitgangen kunnen gaan; de andere moet toelaten deze verlichting te versterken.
  d) De twee stroomkringen van de zaal en die van haar toe- en uitgangswegen moeten bediend worden door schakelaars welke geplaatst zijn bij de ingang van de zaal, buiten de projectie- en oprolkamertjes en buiten de toneelruimte.
  Deze stroomkringen gaan noch door het projectiekamertje, noch door het oprolkamertje, noch door de toneelruimte.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Stroomkringen van de noodverlichting. <KB 15-09-1953>

  Art. 651.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De noodverlichting moet minstens de volgende stroomkringen omvatten:
  1° een stroomkring voor de zaal;
  2° een stroomkring voor de toe- en uitgangswegen er van;
  3° een stroomkring voor de projectie- en oprolkamertjes en hun toe- en uitgangswegen;
  4° een stroomkring voor het toneel, zijn aanhorigheden en de toe- en uitgangswegen van het toneel en zijn aanhorigheden.
  b) Deze stroomkringen worden beschermd door afzonderlijke smelt- of automatische zekeringen.
  c) De stroomkring van de zaal en die van haar toe- en uitgangswegen moeten bediend worden door schakelaars welke geplaatst zijn bij de ingang van de zaal, buiten de projectie- en oprolkamertjes en buiten de toneelruimte.
  Deze stroomkringen gaan noch door het projectiekamertje, noch door het oprolkamertje, noch door de toneelruimte.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1, 060; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Art. 652.<KB 19-09-1980, art. 15> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) [Een reddingsbord, dat overeenstemt met de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, wordt aangebracht boven elke uitgangs- of nooduitgangsdeur, nodig om te voldoen aan de bepalingen van artikel 642.] <KB 1997-06-17/46, art. 29, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
  b) De verlichting ervan wordt, zolang er publiek in de instelling aanwezig is, door twee lampen verzekerd waarvan de ene in de stroomkring van de algemene verlichting, de andere in de stroomkring van de noodverlichting geschakeld wordt.
  c) Groen licht mag in de zaal voor geen ander doel gebruikt worden, dan voor lichtspelen op het toneel of op het scherm.
  d) De richting van de wegen en trappen die naar de uitgangen en de nooduitgangen leiden wordt, zo die door de schikking der plaatsen vereist is, op dezelfde wijze aangeduid en verlicht.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  D. Verwarming en luchtverversing. <KB 15-09-1953>

  Art. 653.<KB 15-09-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De lokalen worden behoorlijk verwarmd en verlucht.
  b) Worden slechts toegelaten, de verwarmingsinstallaties:
  1° met warm water;
  2° met stoom onder lage druk;
  3° met warme lucht, voor zover:
  a) de warme lucht zich in de generator voortdurend onder hogere drukking bevindt dan de gassen die doorheen de vuurhaard trekken;
  b) de generator uitgerust is met een doeltreffende stoffilter;
  c) de verse lucht rechtstreeks in de open lucht aangezogen wordt;
  d) de aanvoerkanalen van warme lucht uit metaal zijn, of gebouwd in metselwerk;
  e) de temperatuur van de warme lucht in de kanalen, waar deze in de zaal of haar aanhorigheden binnendringen, in geen enkele omstandigheid 80° C overschrijdt;
  4° met elektriciteit, voor zover de temperatuur van de verwarmingsbestanddelen niet boven 100° C stijgt.
  c) De vuurhaarden van de verwarmingstoestellen worden geplaatst in een goed verlucht lokaal, uitsluitend tot dit gebruik voorbehouden, volledig gebouwd uit vuurvast materiaal, en dat niet rechtstreeks op de zaal, het toneel, op de projectie- en oprolkamertjes uitgeeft.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  E. Algemene maatregelen voor veiligheid, gezondheid en gemak. <KB 19-05-1953>

  Rookverbod. <KB 19-05-1953>

  Art. 654.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De exploitanten van de schouwspelzalen treffen de nodige maatregelen om te verhinderen dat er in de zalen en hun aanhorigheden gerookt wordt, met uitzondering van de verversingslokalen wanneer deze van de schouwspelzaal afgezonderd zijn.
  [Verbodsborden die het roken verbieden en overeenstemmen met de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, worden op alle nuttige plaatsen aangebracht.] <KB 1997-06-17/46, art. 30, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Art. 655.<KB 07-10-1970, art. 5> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Brandbestrijding.
  a) [Brandbestrijdingsmiddelen.
  De exploitant moet een uitrusting aanbrengen bestemd om een begin van brand te bestrijden.
  Voor de vaststelling van die uitrusting raadpleegt hij de bevoegde brandweer.
  Het brandbestrijdingsmaterieel moet in goede staat van onderhoud verkeren, beschermd zijn tegen vorst, gemakkelijk bereikbaar, oordeelkundig verdeeld en doelmatig gesignaleerd overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. Het moet onmiddellijk in werking kunnen gebracht worden.
  Het gebruik van snelblustoestellen met broommethyl, tetrachloorkoolstof, of alle andere produkten waardoor er bijzonder giftige uitwasemingen kunnen ontstaan, is verboden.] <KB 1997-06-17/46, art. 31, 044; Inwerkingtreding : 29-09-1997>
  b) Privé-brandbestrijdingsdienst.
  De exploitant moet een privé-dienst voor het voorkomen en bestrijden van brand inrichten die een voldoend aantal personen omvat die geoefend zijn inzake het gebruik van het brandbestrijdingsmateriaal en inzake de bijzondere maatregelen die in geval van brand moeten genomen worden.
  (Voor de samenstelling van deze dienst en de manier van werken ervan raadpleegt hij de bevoegde brandweer.) <KB 20-09-1974, art. 6>
  De lijst van het personeel waaruit deze dienst bestaat moet in de inrichting aangeplakt worden.
  c) Waarschuwing en alarm.
  De exploitant moet waarschuwings- en alarmmiddelen aanbrengen.
  Onder waarschuwing dient verstaan, de inlichting die aan de exploitant en aan de dienst bedoeld onder b) wordt verstrekt over het bestaan van een begin van een brand of van een gevaar.
  Onder alarm dient verstaan, de verwittiging die aan het personeel en aan het publiek wordt gegeven de zaal te ontruimen.
  De waarschuwings- en alarmposten moeten voldoende in aantal, gemakkelijk bereikbaar, oordeelkundig verdeeld en doeltreffend aangeduid zijn.
  (Voor de vaststelling van het aantal, de verdeling en de aanduiding ervan, raadpleegt hij de bevoegde brandweer.) <KB 20-09-1974, art. 7>
  Zij moeten in goede staat van werking en onderhoud worden gehouden.
  De waarschuwings- en alarmsignalen mogen geen verwarring kunnen stichten met elkaar of met andere signalen.
  De alarmsignalen moeten door het personeel en door het publiek kunnen waargenomen worden.
  (De oproep van de bevoegde brandweer gebeurt telkens er een begin van brand is. Als deze oproep gebeurt door een gezichts- of een geluidssignaal, dan wordt hij per telefoon bevestigd.) <KB 20-09-1974, art. 7>
  In geval van brand moeten de verwarmings- en luchtconditioneringsinstallaties stilgelegd worden.
  d) plannen.
  Een plan van de zaal en haar aanhorigheden wordt uitgehangen in de nabijheid van elke ingang van de inrichting.
  Dit plan, op schaal getekend, duidt de verdeling en de bestemming van de lokalen aan evenals de plaats van de uitgangen en de wegen die er naartoe leiden. Dit plan dient bijgehouden.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Art. 656.<KB 07-10-1970, art. 6> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Onderhoud en periodieke controle.
  Al de delen van de inrichting, de toestellen en de installaties moeten goed onderhouden worden.
  Het materieel voor brandbestrijding, waarschuwing en alarm alsmede de elektrische installaties en de verwarmingsinstallaties moeten maandelijks door de exploitant, zijn aangestelde of zijn afgevaardigde onderzocht worden.
  De data van deze onderzoekingen en de vaststellingen die tijdens deze onderzoekingen werden gedaan worden in een notitieboekje ingeschreven, dat ter beschikking van de burgemeester en van de bevoegde ambtenaar wordt gehouden.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Maatregelen tegen het gerucht. <KB 19-05-1953>

  Art. 657.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De nodige maatregelen worden getroffen om te beletten dat het gerucht dat uit de zaal voortkomt de buren kan hinderen.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  F. Bijzondere voorschriften ten aanzien van schouwburgen, variététheaters en feestzalen, met een speelruimte langs boven of langs onder uitgerust met mechanische toestellen. <KB 07-10-1970, art. 7>

  Art. 658.<KB 07-10-1970, art. 8> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Toepassingsgebied.
  De voorschriften van de artikelen 659 tot 665 zijn van toepassing op schouwburgen, variététheaters en feestzalen, met een speelruimte langs boven of langs onder uitgerust met mechanische toestellen.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Scheidingsmuren tussen de inrichting en de aanpalende gebouwen. <KB 19-05-1953>

  Art. 659.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De scheidingsmuren tussen de inrichting en de aanpalende gebouwen steken minstens 1,50 m boven de voeglijn van die muren met het dak der inrichting uit.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Bouw van het toneel en zijn aanhorigheden. <KB 19-05-1953>

  Art. 660.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) Het toneel en zijn aanhorigheden liggen binnen een ringmuur van minstens 28 cm dikte zo hij uit metselwerk, en 15 cm dikte zo hij uit beton is opgetrokken.
  b) Het gedeelte van deze muur, dat het toneel en de zaal scheidt, moet tot aan de buitenmuren van deze laatste worden doorgebouwd en 1,50 m boven het dak der zaal uitsteken.
  Buiten de toneelopening, mogen in die muur slechts de onontbeerlijke openingen worden aangebracht. Elke dier openingen is voorzien van een deur welke naar de kant der zaal en automatisch sluit. Deze deuren zijn in metaal of in hout langs weerskanten met plaatijzer belegd; de deurposten zijn in metaal.
  c) De trappen, ladders en bruggen voor de bediening van het toneel en zijn aanhorigheden zijn uit vuurvast materiaal vervaardigd.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Metalen gordijn. <KB 19-05-1953>

  Art. 661.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De toneelopening is voorzien van een knikvast metalen gordijn in staat om, in geval van brand, het doorlaten van rook en van het overslaan van het vuur van het toneel naar de zaal te verhinderen.
  b) De gordijngeleidingen zijn in knikvast metaal; zij zijn stevig bevestigd.
  De kabels, katrollen, haken, tandraderen en andere hanteerstukken moeten de beste stevigheidswaarborgen bieden. Al deze toestellen dienen, met het oog op periodieke controle, bereikbaar te zijn.
  c) Het metalen gordijn moet derwijze aangebracht zijn dat het door eigen gewicht daalt tengevolge van een eenvoudige ontkoppeling die vanuit twee verschillende plaatsen moet kunnen in werking gebracht worden, waarvan de ene zich in de zaal, de andere op het toneel of in zijn aanhorigheden bevindt.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Controle van het metalen gordijn. <KB 19-05-1953>

  Art. 662.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Het metalen gordijn en zijn hulpapparaat worden om de twaalf maand volledig nagezien door een overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk I, door Onze bevoegde Minister voor de controle van de metalen gordijnen erkend organisme. (De vaststellingen van het organisme worden opgetekend in een bijzonder register dat te allen tijde ter beschikking van de burgemeester van de bevoegde ambtenaar wordt gehouden.) <KB 20-06-1975, art. 6>
  Vóór elke voorstelling vergewist de exploitant van de inrichting zich van de degelijke werking van het metalen gordijn.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Art. 662bis.<KB 20-06-1962, art. 26> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De controle van het metalen gordijn, die dient gedaan door erkende organismen, mag eveneens uitgevoerd worden door personen van Belgisch publiek recht en door personen van vreemd recht die door Onze bevoegde Minister te dien einde zijn erkend.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Ventilatieschermen in het dak van het toneel. <KB 19-05-1953>

  Art. 663.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) Het dak van het toneel is uitgerust met bedrijfszekere, gemakkelijk en snel hanteerbare wentel- of schuifventilatieschermen, waarvan de totale opening minstens een tiende van de oppervlakte van het toneel bedraagt.
  De bediening der ventilatieschermen moet vanuit minstens twee verschillende plaatsen kunnen geschieden, één in de zaal en één op het toneel of in de aanhorigheden er van.
  b) Een ander gedeelte van dit dak bestaat uit licht glaswerk waarvan de oppervlakte minstens een tiende van de oppervlakte van het toneel bedraagt.
  c) Vóór elke vertoning vergewist de exploitant van de inrichting zich van de degelijke werking van de ventilatieschermen.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Uitgangen van het toneel en van zijn aanhorigheden. <KB 19-05-1953>

  Art. 664.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Het toneel en zijn aanhorigheden beschikken over uitgangen, waarvan het aantal en de schikking een snelle en veilige ontruiming van het personeel en de kunstenaars naar de openbare weg toelaten.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Toneelmeubelen en-schermen. <KB 19-05-1953>

  Art. 665.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De voor vertoningen bestemde toneelschermen en -meubelen, welke tijdens een vertoning niet worden gebruikt, worden in een volledig uit metselwerk of beton opgetrokken speciaal lokaal geborgen. De deuren van dit lokaal zijn vervaardigd uit metaal of uit hout, langs weerskanten met plaatijzer bekleed, en hebben metalen deurposten; zij moeten automatisch sluiten.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>
  

  G. Bijzondere bepalingen ten aanzien van bioscopen waar ontvlambare films afgedraaid worden. <KB 19-05-1953>

  Bouw van filmprojectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>

  Art. 666.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De projectietoestellen zijn geinstalleerd in een speciaal van de zaal afgezonderd lokaal, genaamd "projectiekamertje".
  b) Het oprollen der films geschiedt in een speciaal van de zaal en van het projectiekamertje afgezonderd lokaal, genaamd "oprolkamertje".
  c) Projectie- en oprolkamertjes zijn volledig uit beton van minstens 10 cm dikte of metselwerk van minstens 20 cm dikte opgetrokken.
  d) De hoogte van elk dier beide lokalen mag niet minder dan 2,50 m bedragen, en de inhoud van elk bedraagt minstens 10 m3 per persoon die er te werk gesteld is.
  De lengte en de breedte van het projectiekamertje mogen niet minder dan 2,30 m bedragen.
  e) De circulatiegangen in deze kamertjes mogen niet smaller dan 80 cm zijn.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>
  

  Uitgangen van de projectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>

  Art. 667.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De projectie- en oprolkamertjes moeten over een gemakkelijke uitgang beschikken. De uitgangsdeuren lopen uit op een op dezelfde hoogte gelegen gang of op een bordes dat minstens 80 cm lang en minstens 80 cm breed is en dat tot een trap toegang geeft.
  b) Het verlaten van het projectiekamertje moet geschieden zonder doortocht door het oprolkamertje, en omgekeerd.
  c) De deuren van de projectie- en oprolkamertjes mogen niet rechtstreeks in de schouwspelzaal of haar toe- en uitgangswegen noch in private appartementen of hun toe- en uitgangswegen uitlopen.
  d) Tussen de projectie- en oprolkamertjes mag geen enkele rechtstreekse verbinding bestaan.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Bouw der deuren. <KB 19-05-1953>

  Art. 668.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De deuren der projectie- en oprolkamertjes alsmede de deurposten zijn in metaal.
  Deze deuren draaien onder een lichte druk naar buiten open en sluiten automatisch.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Schoorstenen. <KB 19-05-1953>

  Art. 669.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 In het bovengedeelte van de projectie- en oprolkamertjes wordt een schoorsteen aangebracht, langswaar de produkten, welke van de toevallige verbranding van een film voortkomen, gemakkelijk en vlug in de vrije lucht verwijderd kunnen worden.
  Deze schoorsteen bezit een vrije doorsnede van minstens 4 dm2; hij is opgetrokken uit onbrandbaar materiaal en van elke brandbare stof geisoleerd.
  Tijdens de projectie of het oprollen van films mag deze schoorsteen niet gesloten blijven, behalve zo hij gesloten is met een metalen klep, uitgerust met een automatisch toestel dat ogenblikkelijk de opening van de schoorsteen vrij maakt, zo een op een projectie- of oproltoestel geplaatste film vuur vat.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Openingen van het projectiekamertje. <KB 19-05-1953>

  Art. 670.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Het projectiekamertje heeft geen andere openingen aan de kant van de schouwspelzaal dan die welke onontbeerlijk zijn voor de lichtprojecties en de controle van het scherm. Deze openingen hebben de geringst mogelijke afmetingen. Zij moeten ogenblikkelijk kunnen afgesloten worden door metalen luiken, welke in werking kunnen gebracht worden van op de plaats waar de operateur zich gewoonlijk bevindt alsmede van uit een punt in de zaal waar een opzichter bestendig post vat. Bovendien wordt de ogenblikkelijke sluiting der luiken, in geval een op het projectietoestel geplaatste film vuur vat, door een automatisch toestel verzekerd.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Elektrische installaties der projectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>

  Art. 671.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De elektriciteitsgeleiders in de projectie- en oprolkamertjes dienen op hun ganse lengte, de hangende gedeelten inbegrepen, geplaatst in stalen buizen, verbonden door vaste stalen koppelmoffen. Elk ander monteringsstelsel is toegelaten, zo het gelijkwaardige mechanische weerstandshoedanigheden bezit.
  b) Buigzame elektrische geleidingen zijn slechts toegelaten op plaatsen waar het onmogelijk is een vaste geleiding te plaatsen. Zij worden beschermd door een omhulsel uit leder of uit een ander materiaal dat even goed bestand is tegen slijtage. Het gebruik van een metalen omhulsel is verboden.
  c) Indien booglampen gebruikt worden dient de rheostaat tot regeling van de boog derwijze gebouwd dat de stroom in geen enkel geval, zelfs niet bij toevallig contact tussen de stiften, een intensiteit van 5 ampères per vierkante millimeter doorsnede van de als weerstand dienende geleider kan overschrijden.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Projectietoestel. <KB 19-05-1953>

  Art. 672.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Het projectietoestel is uitgerust met:
  1° toestellen welke, in alle omstandigheden, een gevaarlijke verhitting van de film verhinderen;
  2° een zelfwerkende sluitplaat welke de projectie van de stralenbundel op de film ogenblikkelijk onderschept, zo deze laatste om een of andere reden voor deze bundel tot stilstand komt. Die sluitplaat wordt aangevuld met een scherm, dat met de hand kan bediend worden;
  3° een zelfwerkend filmoproltoestel;
  4° goed gesloten metalen carters die de op- en afrolspoelen volledig omsluiten. Deze carters mogen evenwel aan hun zijkanten openingen hebben, welke bekleed zijn met een metalen gaas met minstens 144 mazen per cm2.
  De openingen, welke in de carters, voor het doorlaten van de film aangebracht werden, zijn uitgerust met een toestel dat alle uitbreiding van het vuur binnen in de carters verhindert. De carters blijven gesloten zolang de lamp van het projectietoestel brandt;
  5° een schoorsteen welke de verbrandingsprodukten der stiften naar buiten ontruimt, indien booglampen gebruikt worden.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Bewaring der films. <KB 19-05-1953>

  Art. 673.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 a) Buiten de voor hun projectie of oprolling volstrekt noodzakelijke tijd, worden de films bewaard in stevige en degelijk gesloten metalen dozen.
  b) Het voorradig zijn van meer dan twee filmrollen in het projectiekamertje is verboden.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Materieel der projectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>

  Art. 674.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1
  a) De projectie- en oprolkamertjes bevatten slechts het volstrekt noodzakelijk materieel.
  b) Het is streng verboden gloeiende voorwerpen of voorwerpen welke vuur kunnen verwekken in deze lokalen binnen te brengen.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Personeel der kamertjes. <KB 19-05-1953>

  Art. 675.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 a) Het personeel der projectie- en oprolkamertjes dient tot het volstrekte minimum beperkt; het zal evenwel minstens een operateur en een helper bevatten; deze laatste kan eveneens met het oprollen der films belast worden.
  b) (opgeheven) <KB 17-04-1972, art. 2, 1°>
  c) Alléén de operateurs worden belast met het bedienen der projectietoestellen. Zij zijn minstens 21 jaar oud, tenzij zij houder zijn van een diploma van operateur, afgeleverd door een door de Staat erkende school; in dit laatste geval moeten zij minstens 18 jaar oud zijn.
  d) Tijdens de werking van het projectietoestel blijft de operateur voortdurend in het projectiekamertje om in alle omstandigheden in staat te zijn de bij artikelen 670 en 672 van dit reglement bedoelde veiligheidstoestellen in werking te brengen.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Toegang tot de projectie- en oprolkamertjes. <KB 19-05-1953>

  Art. 676.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De toegang tot de projectie- en oprolkamertjes is verboden aan de personen wier aanwezigheid niet vereist is om dienstredenen.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  H. Algemene bepalingen

  Toezicht op de elektrische installaties. <KB 19-05-1953>

  Art. 677.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De exploitanten der schouwspelzalen doen jaarlijks isolatiemetingen uitvoeren en de elektrische leidingen en toestellen nauwkeurig inspecteren door [een door Onze bevoegde Minister voor de controle der elektrische installaties erkend organisme] De uitslagen van deze metingen en dit nazicht worden door [het organisme] waaraan het toezicht opgedragen werd, opgetekend in het speciaal register, voorzien bij artikel 662 van dit reglement. <KB 20-06-1962, art. 27>
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Naleving der veiligheidsmaatregelen. <KB 19-05-1953>

  Art. 678.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Geen enkele vertoning mag worden gegeven of voortgezet zo om het even welke der bij deze paragraaf voorziene veiligheidsmaatregelen niet wordt nageleefd of zo om het even welke der bij deze paragraaf voorziene veiligheidstoestellen niet in staat is om te werken.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Art. 679.<KB 07-10-1970, art. 9> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 Driemaandelijks onderzoek.
  Om de drie maanden onderzoekt de burgemeester of zijn afgevaardigde of de schouwspelzalen welke niet door de Staat geëxploiteerd worden, aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden voldoen en beproeft de goede werking van de veiligheidstoestellen.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  Art. 680. <opheffingsbepaling van KB 07-10-1970, art. 10>

  Art. 681.<KB 19-05-1953> [1 (NOTA : opgeheven, voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.)]1 De tekst van deze paragraaf wordt in extenso, op zichtbare wijze, aan de ingang van de inrichting aangeplakt.
  ----------
  (1)<KB 2003-01-28/39, art. 1; Inwerkingtreding : 07-04-2003>

  § 4. INSTALLATIE EN UITBATING VAN BENZINESTATIONS (Ingevoegd voor het Waalse Gewest door BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999)

  HOOFDSTUK I. - (Toepassingsgebied.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/1.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Onverminderd andere geldende wets- en verordeningsbepalingen, zijn de volgende bepalingen van toepassing op benzinestations die accijnsplichtige vloeibare koolwaterstoffen verkopen.

  Art. 681bis/2.(Waals gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Voor de toepassing van deze bepalingen wordt verstaan onder :
  1° benzinestation : geheel van installaties en activiteiten voor de opslag van vloeibare koolwaterstoffen onder luchtdruk en de overbrenging ervan van vaste opslagtanks naar brandstoftanks voor motorvoertuigen en, in voorkomend geval, naar mobiele tanks;
  2° uitbater : publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon die een benzinestation uitbaat of voor wiens rekening een benzinestation wordt uitgebaat;
  3° verdeelpunt : installatie waar wegvoertuigen met brandstof kunnen worden bevoorraad d.m.v. een vulslang en een slangkraan;
  4° brandstofverdeler : installatie bestaande uit pompen, vulslangen, slangkranen, tellers en uit één of meer verdeelpunten;
  5° eiland : verhoogde plaats voor verdeelpunten;
  6° bevoorradingsplaats : ze omvat minimum het deel van het rijoppervlak tot de omtrek afgebakend door een afstand t.o.v. het verdeelpunt die gelijk is aan de lengte van de vulslang waaraan de slangkraan is vastgemaakt, plus één meter; die afstand mag niet kleiner zijn dan drie meter;
  7° bovengrondse tank : tank die geheel of gedeeltelijk boven de grond is geplaatst;
  8° [1 inkuiping : bovengronds kuipvormig werk dat waterdicht is tegen vloeistoffen die opgevangen zouden kunnen worden en dat volgens de regelen der kunst uit onbrandbaar materiaal vervaardigd is;]1
  9° ingegraven tank : geheel onder de grond geplaatste tank;
  10° lekdetectiesysteem : vast systeem om de de gebrekkige dichtheid van de tank, inkuiping of bekuiping op te sporen;
  11° technisch ambtenaar : de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest of zijn gemachtigde;
  12° toezichthoudende ambtenaar : ambtenaar of personeelslid van het bestuur, aangewezen door de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu van het Ministerie van het Waalse Gewest om overtredingen inzake milieubescherming overeenkomstig het besluit van 23 december 1992 op te sporen en vast te stellen;
  13° bijzondere bepalingen : geheel van bepalingen die deze bepalingen aanvullen en bij het bijzonder besluit tot goedkeuring van de uitbating van het benzinestation worden opgelegd;
  14° bestaande benzinestations : de vóór de inwerkingtreding van dit besluit behoorlijk goedgekeurde benzinestations of degene waarvoor een vergunningsaanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit;
  15° nieuwe benzinestations : de benzinestations die niet onder punt 14° opgenomen zijn;
  16° referentiewaarden : de in bijlage 1 bedoelde concentraties van verontreinigende stoffen die op lange termijn gehaald moeten worden en beneden dewelke de gezondheid van de mens of het milieu geen gevaar loopt;
  17° drempelwaarden : de in bijlage 1 bedoelde concentraties van verontreinigende stoffen beneden dewelke de gezondheid van de mens of het milieu weinig gevaar loopt;
  18° interventiewaarden : de in bijlage 1 bedoelde concentraties van verontreinigende stoffen boven dewelke het gevaar voor de gezondheid van de mens of het milieu zodanig groot is dat een sanering nodig is.
  [1 19° ondoordringbaar : met een dynamische permeabiliteitscoëfficiënt ten opzichte van koolwaterstoffen van minder dan 2.10-9 cm/s, of een totale statische waterabsorptie-coëfficiënt (NBN B 15-215) van minder dan 7,5 %. Deze waarden moeten door een erkend studiebureau bevestigd worden.]1
  ----------
  (1)<BWG 2000-11-30/39, art. 11, 053; Inwerkingtreding : 27-01-2001>
  

  HOOFDSTUK II. - (Bouw.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  (Bouw van de tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/3.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De tanks worden gebouwd met inachtneming van de onderstaande Belgische normen (of van de laatste herziening ervan) :
  - NBN 1-03-001 voor metalen tanks met één enkele wand,
  - NBN 1-03-004 voor metalen tanks met dubbele wand,
  - NBN T 41-013 voor ingegraven tanks uit thermohardende kunststof,
  of met inachtneming van buitenlandse normen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen of van een door het bestuur goedgekeurde code van goede praktijk.
  De voor de vervaardiging van de tanks gebruikte kunststofmaterialen zijn bestand tegen aan weersomstandigheden te wijten slijtage en tegen bacteriën.
  Er worden maatregelen genomen om de kunststoftanks tegen zonneschijn te beschermen.
  De ingegraven tanks bestaan uit thermohardende kunststoffen en worden niet door de vloeistoffen aangetast.
  Voor elke tank beschikt de uitbater over :
  - een door de fabrikant getekende verklaring waarbij hij bevestigt dat hij aan de norm voldoet;
  - een door de fabrikant opgemaakt attest.
  De uitbater mag alleen tanks gebruiken die de stempel van de fabrikant dragen.

  Art. 681bis/4.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Elke tank is voorzien van :
  a) een plaat met het referentienummer van de tank, aangebracht op een zichtbare plaats bij het mangat;
  b) een ontluchtingsleiding die gevaar voor overdruk of drukvermindering voorkomt;
  c) een apparaat dat de koolwaterstoffentoevoer automatisch stopzet wanneer de nominale inhoud van de tank maximum 98 % bereikt.

  (Installatie van de tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Afdeling 1. - (Algemene bepalingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/5.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) § 1. Er wordt voorzien in een dubbele dichtheid tussen de koolwaterstoffen en de grond :
  - de bovengrondse tanks worden in een inkuiping geplaatst,
  - de ingegraven tanks kunnen :
  uitgerust worden met een rechtstreeks in de grond ingegraven dubbele wand;
  of geplaatst worden in een soepele of stijve waterdichte bekuiping.
  De bekuipingen kunnen al dan niet opgehoogd worden.
  § 2. Een regelmatig gecontroleerd en onderhouden lekdetectiesysteem verwittigt de persoon die toezicht houdt op het benzinestation d.m.v. een optisch-akoestisch alarm.

  Art. 681bis/6.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De soepele bekuipingen worden uitgevoerd d.m.v. een soepele membraan die waterdicht is in beide richtingen, voldoende mechanische weerstand biedt en waarvan de baanbreedten volgens de regelen der kunst geassembleerd zijn.

  Art. 681bis/7.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het is verboden tanks onder een gebouw of onder de verticale projectie ervan te plaatsen. Dit geldt niet voor hun plaatsing onder luifel.

  Art. 681bis/8.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Vloeistoffen waarvan het vlampunt gelijk is aan of kleiner is dan 55 °C mogen niet worden opgeslagen in gebouwen, behalve als het uitdrukkelijk toegelaten is op grond van specifieke voorschriften die van toepassing zijn.

  Art. 681bis/9.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De wanden van de in de grond rechtstreeks ingegraven tanks of de buitenwanden van de bekuipingen bevinden zich op een minimale horizontale afstand van :
  - 2 meter t.o.v. de kelders;
  - 0,75 meter t.o.v. een gebouwmuur;
  - 3 meter t.o.v. de eigendomsgrens en van de buitenkant van de rijstrook van een verkeersweg.
  De afstand tussen twee ingegraven tanks bedraagt minimum 0,5 m.

  Art. 681bis/10.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De minimale afstand tussen bovengrondse tanks en de eigendomsgrens, een gebouw, de openbare weg en door het publiek bezochte zones, wordt in de bijzondere voorschriften bepaald.

  Art. 681bis/11.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De inkuiping of bekuiping mag niet lekken.
  Ze heeft een totale capaciteit die minstens gelijk is aan de grootste waarde die overeenstemt met :
  - de helft van de totale capaciteit van de tanks die zij bevat;
  - de capaciteit van de grootste tank, vermeerderd met 25 % van de totale capaciteit van de andere tanks die in de inkuiping of bekuiping staan.
  Het volume van de tanks met dubbele wand die in een inkuiping of een bekuiping staan, wordt niet in aanmerking genomen voor de bepaling van de opvangcapaciteit van de bekuiping.

  Art. 681bis/12.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De afstand tussen de verticale projectie van de buitenwanden van een bovengrondse tank en de rand van de inkuiping waar de tank geplaatst is, is minstens gelijk aan de helft van de hoogte van de tank maar nooit kleiner dan één meter.

  Art. 681bis/13.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De uitbater houdt de inkuiping van de bovengrondse tanks in goede staat.

  Art. 681bis/14.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat de inkuiping door regenwater wordt gevuld en om dat regenwater regelmatig af te voeren.

  (Installatie van de tanks en verbindingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Afdeling 1. - (Algemene bepalingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/15.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het vervoer, de installatie en de verbinding van de tanks voldoen aan de volgende Belgische normen of aan de laatste herziening ervan :
  - NBN 103-002 of NBN T 41-014 voor de vloeistoffen waarvan het vlampunt meer dan 55 °C bedraagt, respectievelijk voor metalen tanks en voor tanks uit gewapende thermohardende kunststof,
  - NBN 103-003 of NBN T 41-015 voor de vloeistoffen waarvan het vlampunt kleiner is dan of gelijk is aan 55 °C, respectievelijk voor metalen tanks en voor tanks uit gewapende thermohardende kunststof,
  of aan buitenlandse normen of aan een code van goede praktijk, met een gelijkwaardig veiligheidsniveau erkend door het bestuur.

  Art. 681bis/16.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De uitrustingen van het benzinestation worden gebouwd en geïnstalleerd volgens Belgische of buitenlandse normen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen of met inachtneming van een code van goede praktijk die een door het bestuur erkend veiligheidsniveau waarborgt.

  Art. 681bis/17.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Er worden maatregelen genomen om te zorgen voor de vastheid en de waterdichtheid van de tanks in alle weersomstandigheden, bij hoogwater en voorzienbaar geologisch ongeval.

  Art. 681bis/18.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De tanks van koolwaterstoffen waarvan het vlampunt kleiner is dan of gelijk is aan 55 °C, worden ingegraven, met uitzondering van benzinetanks voor tweetaktmotoren met een capaciteit van minder dan 300 liter.

  (Ingegraven tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/19.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De tanks van koolwaterstoffen worden volgens de regelen der kunst ingegraven, met name met het oog op een totale waterdichtheid tussen de tanks en de bijhorende inrichtingen.

  Art. 681bis/20.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De bekuiping is enkel bestemd voor de opslag van tanks. Ze mag niet doorkruist worden door gasleidingen. De elektriciteitsleidingen zijn slechts toegelaten als ze onontbeerlijk zijn voor de uitbating.

  Art. 681bis/21.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De aanvullings- en opvullingsmaterialen die in aanraking komen met de tank zijn van dien aard en afmeting dat ze de wanden niet kunnen beschadigen of corroderen. Verboden zijn met name : kalkpuin, as, enz..

  (Bovengrondse tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/22.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Bovengrondse tanks moeten in alle omstandigheden stabiel zijn en aan de grond worden bevestigd, met uitzondering van de benzinetanks voor tweetaktmotoren bedoeld in artikel 681bis/18. De fundering van de tanks moet voorkomen dat ze kantelen of scheuren van wege spanningen of zettingsverschillen.

  Art. 681bis/23.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat een voertuig in aanraking komt met de bovengrondse tanks.

  Art. 681bis/24.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Bovengrondse tanks mogen slechts onder bovengrondse elektrische lijnen worden geplaatst als maatregelen worden genomen om te voorkomen dat ze in aanraking komen met een kabel.

  Art. 681bis/25.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Elke bovengrondse tank die toegankelijk is voor het publiek, moet afgeschermd worden met een omheining van minimum 2 meter hoog, met uitzondering van de benzinetanks voor tweetaktmotoren bedoeld in artikel 681bis/18.
  De nodige maatregelen worden genomen om de veiligheidsvoertuigen vlotte toegang te verlenen tot het geheel van de installaties.

  Art. 681bis/26.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Op de omheining worden de in het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming bedoelde pictogrammen aangebracht om te wijzen op de aanwezigheid van ontvlambare vloeistoffen, op het rook- en/of stookverbod en op het verbod er zonder dienstredenen binnen te dringen.

  Art. 681bis/27.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Elk lokaal voor de opslag van vloeistoffen waarvan het vlampunt meer dan 55 °C bedraagt, voldoet aan de technische bouwvoorschriften inzake de brandbeveiliging (artikel 52 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming).

  Art. 681bis/28.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De lokalen voor de opslag van vloeistoffen waarvan het vlampunt meer dan 55 °C bedraagt, zijn uitgerust met een doeltreffend ventilatiesysteem. Daartoe worden ze aan hun onder- en bovenkant van ventilatieopeningen voorzien. De openingen zijn afgeschermd met een sterk dubbel metalen traliewerk met kleine mazen waardoor geen voorwerpen in de tank kunnen terechtkomen. Als ze aangebracht worden in wanden die niet op de openbare weg uitkomen, kunnen ze uitgevoerd worden met holle baksteen en moeten ze niet afgeschermd worden.

  (Leidingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/29.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Leidingen die niet toegankelijk zijn, worden aangelegd :
  - ofwel in een greppel gevuld met inert draineermateriaal. Deze greppel is continu hellend en mondt uit op een waterdichte uitrusting voor de opvang van koolwaterstoffen. De grond en de zijwanden van de greppel zijn waterdicht;
  - ofwel in een ondoordringbare afsluiting; wanneer de leiding onder druk staat, is deze afsluiting uitgerust met een lekdetectiesysteem dat de uitbater van het station d.m.v. een optisch-akoestisch alarm kan waarschuwen.
  Alle ondergrondse metalen leidingen zijn behoorlijk beschermd tegen corrosie, en ten minste bedekt met een laag antiroestverf en speciale zelfklevende, isolerende en waterdichte folie of met een gelijkwaardig anticorrosiesysteem.
  Andere technieken mogen toegepast worden voor zover ze een door het bestuur erkend gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen.

  Art. 681bis/30.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De nodige maatregelen worden genomen om deze leidingen te beschermen tegen vervormingen die door het verkeer worden veroorzaakt.

  Art. 681bis/31.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Alle tanks en controle-instrumenten worden doorgaans voorzien van een markering die hun juiste bestemming opgeeft.
  Meer bepaald bij de vulopening wordt een identificatieplaat aangebracht met :
  - het referentienummer van de tank die via de leiding wordt bevoorraad;
  - de inhoud van de tank;
  - het volume van de tank; de pictogrammen waarin het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming voorziet.
  Bovendien worden maatregelen genomen zodat het publiek geen toegang krijgt tot de vulopeningen.

  Art. 681bis/32.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De vulopeningen bevinden zich in open lucht op een goed geventileerde plaats en op minimum drie meter van kelders en van de eigendomsgrens. De vulopeningen die in een beschutte ruimte of in een opvangbak worden aangebracht, bevinden zich in open lucht.

  Art. 681bis/33.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Onverminderd andere wettelijke bepalingen is elke tank aangesloten op een ontluchtingsleiding die ten minste drie meter boven de grond op de buiten geeft, op een plaats die zichtbaar is voor de persoon die de tank moet vullen en op ten minste drie meter van elke opening van het gebouw alsmede van de grenzen van het uitgebate terrein. De ontluchtingsleiding mag niet uitkomen op een gesloten binnenkoer.
  De mond van de leiding mag niet aangebracht worden onder bouwelementen zoals bij voorbeeld een dakuitstek. De mond van de ontluchtingsleiding is voorzien van een vlamwerend traliewerk.

  (Brandstofverdelers.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/34.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De brandstofverdelers worden geplaatst op eilanden die zodanig ontworpen zijn dat het gevaar voor aanraking met normaal bestuurde voertuigen minimaal is.
  De eilanden worden gebouwd op minimum drie meter van de eigendomsgrenzen.

  Art. 681bis/35.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het type van de brandstofverdelers moet erkend worden door de openbare overheden.

  Art. 681bis/36.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De kraan is uitgerust met een systeem dat de brandstoftoevoer automatisch stopzet wanneer de tank vol is.

  (Bevoorradingsplaatsen en ruimten voor het vullen van vaste tanks.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/37.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Voertuigen worden bevoorraad op een waterdichte bevoorradingsplaats die ontworpen is om lekkages en toevallig overvloeien op te vangen en aangesloten is op een koolwaterstoffenafscheider.

  Art. 681bis/38.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Bij de vulopeningen van de vaste tanks wordt een waterdichte ruimte van 4 meter bij 2 ingericht om uitgelekte en toevallig overgevloeide koolwaterstoffen op te vangen. Deze ruimte is aangesloten op een koolwaterstoffenafscheider.
  Om de vaste tanks te vullen moet de tankwagen binnen de eigendomsgrenzen geparkeerd staan en moet de verbindingsleiding ervan boven de waterdichte ruimte geplaatst worden.
  Als de openingen van de vulleiding onder de grond liggen, moeten ze in een waterdichte opvangbak geplaatst worden. De koolwaterstoffen die er zich hebben opgestapeld, moeten regelmatig afgevoerd worden.

  Art. 681bis/39.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Rioolinlaten en alle andere openingen die op een andere ruimte dan de koolwaterstoffenafscheider uitkomen, zijn verboden op waterdichte plekken, behalve om in uitbatingsbehoeften te voorzien en voor zover een vloeistof- en gasdicht systeem wordt geplaatst.

  (Elektrische installatie.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/40.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Onverminderd de reglementaire bepalingen is een zoneringsplan van toepassing op de zones waar gevaar voor ontploffing bestaat en moeten de in de gevaarlijke zones gelegen installaties voldoen aan de technische voorschriften die in deze zones opgelegd worden bij het Algemeen Reglement op Elektrische Installaties.
  Voor de installaties waarop het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties nog niet van toepassing is, worden de zones ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van artikel 105 van dat reglement.

  Art. 681bis/41.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Ten minste één algemene schakelaar die alle brandstofverdelers buiten spanning zet, moet geplaatst worden in een ruimte die vlot toegankelijk is voor de aangestelde.
  Een andere schakelaar, van het type " elektrisch ontstekingstoestel ", moet buiten geplaatst worden, goed gesignaleerd worden en vlot toegankelijk zijn voor derden.

  Art. 681bis/42.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De elektrische kabels in het uitbatingslokaal lopen door een drukveiligheidskamer om te voorkomen dat koolwaterstofgassen via de elektrische leidingen in het gebouw terechtkomen.
  Andere technieken om gassen tegen te houden mogen toegepast worden als ze voldoende veiligheid waarborgen.

  (Bescherming tegen corrosie.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/43.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het omhulsel en de eventuele zichtbare delen van de binnentank, indien deze uit metaal zijn, moeten aan de buitenzijde tegen corrosie beschermd worden met een bekleding waarvan de diëlektrische weerstand minstens aan de norm NBN 103-001 voldoet.
  Er moet gezorgd worden voor een kathodische bescherming van de metalen gedeelten van de tanks en de leidingen die in contact komen met de grond of de ondergrond wanneer ten minste één van de volgende voorwaarden vervuld is :
  - de installatie bevindt zich in een preventiegebied voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water;
  - de soortelijke weerstand van de grond of de ondergrond bedraagt minder dan 5 000 Ohm.cm en wordt gemeten op het laagste punt van de uitgraving en buiten droogteperiodes;
  - het pH-gehalte van de grond of de ondergrond, gemeten op het laagste punt van de uitgraving, bedraagt minder dan 5;
  - er worden zwerfstromen ontdekt op de plek van het benzinestation.
  Als in een kathodische bescherming wordt voorzien, dan geldt ze voor alle tanks.
  Om vrijgesteld te worden van de kathodische bescherming, moet de uitbater beschikken over een recent verslag van een deskundige erkend in het vak " grond- en ondergrondverontreiniging " en bevoegd inzake elektrochemische corrosie, waarbij bevestigd wordt dat de grond- en ondergrondeigenschappen geen kathodische bescherming vereisen.

  Art. 681bis/43_WAALS_GEWEST.
   (Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het omhulsel en de eventuele zichtbare delen van de binnentank, indien deze uit metaal zijn, moeten aan de buitenzijde tegen corrosie beschermd worden met een bekleding waarvan de diëlektrische weerstand minstens aan de norm NBN 103-001 voldoet.
  Er moet gezorgd worden voor een kathodische bescherming van de metalen gedeelten van de tanks en de leidingen die in contact komen met de grond of de ondergrond wanneer ten minste één van de volgende voorwaarden vervuld is :
  - de installatie bevindt zich in een preventiegebied voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water;
  - de soortelijke weerstand van de grond of de ondergrond bedraagt minder dan 5 000 Ohm.cm en wordt gemeten op het laagste punt van de uitgraving en buiten droogteperiodes;
  - het pH-gehalte van de grond of de ondergrond, gemeten op het laagste punt van de uitgraving, bedraagt minder dan 5;
  - er worden zwerfstromen ontdekt op de plek van het benzinestation.
  Als in een kathodische bescherming wordt voorzien, dan geldt ze voor alle tanks.
  Om vrijgesteld te worden van de kathodische bescherming, moet de uitbater beschikken over een recent verslag van een deskundige [1 ...]1 bevoegd inzake elektrochemische corrosie, waarbij bevestigd wordt dat de grond- en ondergrondeigenschappen geen kathodische bescherming vereisen.

  ----------
  (1)<BWG 2016-11-24/10, art. 2, 080; Inwerkingtreding : 17-12-2016>
  

  HOOFDSTUK III. - (Werkwijze.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/44.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De aangestelde van het benzinestation weet precies welke maatregelen hij moet treffen in geval van ongeval.

  Art. 681bis/45.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het is verboden voertuigen te bevoorraden zonder de motor af te zetten. Dit verbod staat duidelijk aangegeven op elke brandstofverdeler.

  Art. 681bis/46.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het is verboden een pomp te gebruiken om vaste tanks te vullen tenzij de vergunning het uitdrukkelijk toelaat.

  Art. 681bis/47.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het station is zo ingericht dat de voertuigen die bij de brandstofverdelers stoppen geen hinder vormen voor het openbaar verkeer of de voetgangers op het voetpad.
  De voertuigen mogen niet tanken op de openbare weg, voetpaden inbegrepen.

  Art. 681bis/48.(Waals gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Wanneer een lek in de tank wordt vastgesteld :
  1. wordt hij onmiddellijk buiten gebruik gesteld en leeggemaakt;
  2° treft de uitbater de nodige maatregelen om ontploffingsgevaar te voorkomen en eventuele grond-, ondergrond- en grondwaterverontreiniging te beperken;
  3° als de tank wordt hersteld, mag hij pas opnieuw in gebruik genomen worden na een dichtheidstest uitgevoerd overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, of, in voorkomend geval, volgens de regelen der kunst;
  4° als de tank niet wordt hersteld, wordt hij leeggemaakt en weggehaald. Als hij niet weggehaald kan worden, wordt hij met de toestemming van de toezichthoudende ambtenaar gereinigd en gevuld met zand, onoplosbare schuim of een gelijkwaardig inert materiaal.

  HOOFDSTUK IV. - (Brandpreventie.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/49.(Waals gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) In elk benzinestation wordt gewezen op het stook- en rookverbod, meer bepaald door een pictogram op elke brandstofverdeler aan te brengen.

  Art. 681bis/50.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De bevoorradingsplaats moet proper blijven en gezuiverd worden van elke met vloeistoffen doordrenkte lap of afvalstof, brandbare materialen of stoffen.

  Art. 681bis/51.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Brand wordt voorkomen en bestreden met inachtneming van de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn.

  Art. 681bis/52.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Elke brandstofverdeler is voorzien van een systeem dat hem kan stilzetten in geval van brand.

  Art. 681bis/53.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het brandbestrijdingsmateriaal moet goed onderhouden worden, tegen vorst beschermd worden, goed aangegeven worden, verstandig verdeeld worden en vlot toegankelijk zijn.

  Art. 681bis/54.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De uitbater zorgt ervoor dat de brandblusproducten vóór hun vervaldatum vernieuwd worden.

  Art. 681bis/55.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het personeel moet weten hoe het brandalarmsysteem en de blusapparaten werken.

  HOOFDSTUK V. - (Milieubescherming.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Afdeling 1. - (Water.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/56.(Waals gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) § 1. In geval van toevallige lozing mogen de verspreide vloeistoffen in geen enkel geval afgevoerd worden in het grondwater, een openbare riolering of in oppervlaktewater.
  § 2. De uitbater stelt de burgemeester en de toezichthoudende technisch ambtenaar onmiddellijk in kennis van de toevallige lozing in de grond of de ondergrond. De wijze waarop de plaats wordt gesaneerd, wordt in samenspraak met hen bepaald.
  § 3. Als de vervuilde grond niet onmiddellijk kan worden weggehaald, treft de uitbater de nodige maatregelen om de uitbreiding van de vervuiling te voorkomen.

  Art. 681bis/57.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het water dat gebruikt wordt om tanks te reinigen of om proeven uit te voeren, mag niet in het grondwater afgevoerd worden. Het mag pas na de scheiding van de koolwaterstoffen in een openbare riolering of in oppervlaktewater afgevoerd worden.

  Art. 681bis/58.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) § 1. Alle wateren die met koolwaterstoffen verontreinigd worden of zouden kunnen worden, zoals afstromend water afkomstig van de bevoorradingsplaatsen, de ruimten voor het vullen van tanks of goten voorzien van leidingen mogen niet in het grondwater worden geloosd. Vooraleer in een openbare riolering of in oppervlaktewater afgevoerd te worden, moeten ze behandeld worden in een waterzuiveringsinstallatie die op zijn minst beschikt over een koolwaterstoffenafscheider met automatische sluiting en een slibafscheider en met een coalescentiefilter.
  Het systeem voor de opvang van water dat met koolwaterstoffen verontreinigd wordt of zou kunnen worden, is volkomen gescheiden van het systeem voor de opvang en de behandeling van huishoudelijk afvalwater dat niet door koolwaterstoffen verontreinigd wordt of zou kunnen worden.
  Het regenwater dat niet met koolwaterstoffen verontreinigd wordt of zou kunnen worden, wordt afzonderlijk afgevoerd of samen met het gezuiverd huishoudelijk water dat niet met koolwaterstoffen verontreinigd wordt of zou kunnen worden.
  Als het openbaar wateropvangnet een gescheiden systeem is, wordt het regenwater dat niet met koolwaterstoffen verontreinigd wordt of zou kunnen worden, naar het opvangsysteem voor regenwater afgevoerd.
  § 2. De zuiveringsinstallatie voor het water dat met koolwaterstoffen verontreinigd wordt of zou kunnen worden, is vlot toegankelijk voor inspectie, onderhoud, herstel en monsterneming.
  § 3. Een automatisch afvoersysteem is toegelaten. In dat geval moet de kuip voor de opvang van de koolwaterstoffen van de afscheider voldoen aan de voorschriften voor ondergrondse tanks.
  § 4. De zuiveringsinstallatie wordt gedimensioneerd volgens de norm DIN 1999 of elke andere norm of code van goede praktijk dat een gelijkwaardig niveau waarborgt. De conformiteit van de zuiveringsinstallatie wordt in een attest van de constructeur bevestigd.
  § 5. Het prestatievermogen van de waterzuiveringsinstallatie is van dien aard dat het geloosde water minder dan
  5 mg/l koolwaterstoffen en minder dan
  100 Mug/l BTEX bevat.
  § 6. De bestaande benzinestations waarvan de installaties voldoen aan de bepalingen van dit besluit, met uitzondering van de bepalingen betreffende de afstand en/of de terugwinning van vluchtige organische stoffen, moeten de koolwaterstoffenafscheider niet uitrusten met een coalescentiefilter. In dat geval, en alleen als het water in een openbare riolering wordt geloosd, is het prestatievermogen van de zuiveringsinstallatie van dien aard dat het geloosde water minder dan
  50 mg/l koolwaterstoffen en minder dan
  100 Mug/l BTEX bevat.
  § 7. De afzettingen en vloeistoffen die zich ophopen in de koolwaterstoffenafscheider en in de eventueel bijhorende kuip worden regelmatig teruggewonnen en afgevoerd met inachtneming van de vigerende wetgeving.

  Afdeling 2. - (Lucht.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Eerste onderafdeling. (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  [1 - Fase II-benzinedampterugwinningssysteem]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-01-26/03, art. 2, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 681bis/59.(WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  [1 In de zin van de artikelen 681bis/59 tot 681bis/60/2 en 681bis/71, § 3, wordt verstaan onder :
   1° "benzine" : een aardoliederivaat, met of zonder additieven, met een volgens de Reidmethode bepaalde dampdruk van 27,6 kilopascal of meer, dat voor gebruik als brandstof voor motorvoertuigen is bestemd, met uitzondering van vloeibaar petroleumgas (LPG);
   2° "benzinedamp" : elke gasvormige, uit benzine vervluchtigende verbinding;
   3° "benzinestation" : elke installatie, bedoeld in de rubriek 50.50.03 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, waar de brandstoftanks van motorvoertuigen met benzine uit vaste opslagtanks worden gevuld;
   4° "bestaand benzinestation" : een benzinestation waarvan de bouw of de exploitatie het voorwerp heeft uitgemaakt van een vergunning afgegeven vóór 1 januari 2012;
   5° "nieuw benzinestation" : een benzinestation waarvan de bouw of de exploitatie het voorwerp heeft uitgemaakt van een vergunning afgegeven vanaf 1 januari 2012;
   6° "fase II-benzinedampterugwinningssysteem" : apparatuur die bestemd is om benzinedamp die uit de brandstoftank van een motorvoertuig ontsnapt tijdens het tanken in een benzinestation, terug te winnen, en waarmee die benzinedamp naar een opslagtank bij het benzinestation wordt gevoerd of weer naar de benzinepomp om weer te worden verkocht;
   7° "benzinedampafvangrendement" : de hoeveelheid benzinedamp die door het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem, uitgedrukt als percentage;
   8° "damp-benzineverhouding" : de verhouding tussen het volume bij atmosferische druk van benzinedamp die door een fase II-benzinedampterugwinningssysteem loopt en het volume van de geleverde benzine;
   9° "debiet" : de totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele tanks aan een benzinestation wordt geleverd.]1
  ----------
  (1)<BWG 2012-01-26/03, art. 2, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 681bis/60.(WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  [1 § 1. Elk nieuw benzinestation wordt uitgerust met een fase II-benzinedampterugwinningssysteem als :
   1° zijn feitelijk of voorzien debiet minstens 500 m3/jaar bedraagt; of
   2° zijn feitelijk of voorzien debiet minstens 100 m3/jaar bedraagt en als het gevestigd is onder een permanente woon- of werkruimte.
   § 2. Elk bestaand benzinestation wordt uitgerust, uiterlijk op 31 december 2018, met een fase II-benzinedampterugwinningssysteem als :
   1° zijn feitelijk of voorzien debiet minstens 500 m3/jaar bedraagt; of
   2° zijn feitelijk of voorzien debiet minstens 100 m3/jaar bedraagt en als het gevestigd is onder een permanente woon- of werkruimte.
   § 3. Elk bestaand benzinestation dat vanaf 1 januari 2012 het voorwerp uitmaakt van een grondige renovatie wordt ter gelegenheid ervan uitgerust met een fase II-benzinedampterugwinningssysteem als :
   1° zijn feitelijk of voorzien debiet minstens 500 m3/jaar bedraagt; of
   2° zijn feitelijk of voorzien debiet minstens 100 m3/jaar bedraagt en als het gevestigd is onder een permanente woon- of werkruimte.
   De grondige renovatie bedoeld in het eerste lid bestaat uit een grondige wijziging of uit de renovatie van de infrastructuur van het benzinestation, met name zijn tanks en zijn leidingen.
   § 4. De paragrafen 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op benzinestations die uitsluitend worden gebruikt in het kader van de bouw en van de levering van nieuwe motorvoertuigen.]1
  ----------
  (1)<BWG 2012-01-26/03, art. 2, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 681bis/60/1_WAALS_GEWEST.
   (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
   [1 Als het fase II-benzinedampterugwinningssysteem verplicht is, bedraagt het benzinedampafvangrendement minstens 85 %, wat wordt verklaard door de producent overeenkomstig [2 de norm NBN EN 16321-1 : 2013 die de proefmethoden bepaalt die moeten worden toegepast voor de typegoedkeuringsprocedures voor benzinedampterugwinningssystemen van bestaande benzinetankstations.]2]1
  
----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-01-26/03, art. 2, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BWG 2016-11-24/10, art. 3, 080; Inwerkingtreding : 07-12-2016>
  

  Art. 681bis/60/2. (WAALSE OVERHEIDSDIENST)
  [1 Als het fase II-benzinedampterugwinningssysteem verplicht is, is de verhouding damp/benzine voor de teruggewonnen benzinedampen die naar een opslagtank bij het benzinestation worden gevoerd hoger dan of gelijk aan 0,95, maar lager dan of gelijk aan 1,05.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2012-01-26/03, art. 2, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Afdeling 3. - (Geluidshinder.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/61.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De uitbater treft de nodige maatregelen om zich te schikken naar de richtwaarden die in het Waalse Gewest van toepassing zijn gedurende de verschillende referentieperiodes.
  De controle op de naleving van de richtwaarden wordt uitgeoefend overeenkomstig de technische instructies die door de Waalse Regering of de technisch ambtenaar zijn goedgekeurd.

  Art. 681bis/62.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De klanten worden aan de hand van een zichtbare aanplakking verzocht zo weinig mogelijk lawaai te maken in het bezinestation.

  Afdeling 4. - (Grond en ondergrond.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  (Indicatief onderzoek.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/63_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2018-03-01/32, art. 109, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 681bis/64_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2018-03-01/32, art. 109, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  (Karakteriserings- en risico-onderzoek.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/65_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2018-03-01/32, art. 109, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 681bis/66_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2018-03-01/32, art. 109, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 681bis/67_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2018-03-01/32, art. 109, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 681bis/68_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2018-03-01/32, art. 109, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 681bis/69_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2018-03-01/32, art. 109, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 681bis/70_WAALS_GEWEST.
  <Opgeheven bij DWG 2018-03-01/32, art. 109, 081; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  HOOFDSTUK VI. - (Controle.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Afdeling 1. - (Controle van het benzinestation.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/71.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De in dit besluit bedoelde tests, controles en proeven worden op verzoek en voor rekening van de uitbater uitgevoerd.
  § 1. Controle bij de plaatsing.
  De uitbater stelt de technisch ambtenaar ten minste 8 dagen op voorhand in kennis van de datum waarop de tank geplaatst zal worden.
  Na de plaatsing of de vervanging van de tank gaat een in het vak " opslaginstallaties " erkende deskundige vóór de ingebruikneming ervan na of de installaties waaruit het benzinestation bestaat, voldoen aan de bepalingen van dit decreet betreffende de tanks, leidingen en accessoires, de waterdichtheid, het veiligheidsysteem tegen overvloeiingen, het lekdetectiesysteem en, in voorkomend geval, de kathodische bescherming. Deze controle bestaat ook in een dichtheidstest volgens de wettelijke voorschriften.
  Een in het vak " opslaginstallaties " erkende deskundige stelt een verslag op waarin de door de constructeurs verstrekte documenten worden vermeld en de door hem en andere erkende deskundigen uitgevoerde controles, tests en proeven worden opgesomd. Hij bevestigt dat het benzinestation voldoet aan de bepalingen van dit decreet en geen zichtbaar gebrek vertoont dat de veiligheid van de bevolking, de omgeving en het milieu in gevaar zou kunnen brengen.
  § 2. Periodieke controles.
  Periodieke controles worden uitgevoerd door een door de uitbater aangewezen deskundige die erkend is in het vak " opslaginstallaties ".
  Een jaarlijkse controle, op grond van de gegevens van het vorige verslag en van de algemene staat van de installatie bestaat in :
  - een visueel onderzoek van de zichtbare bestanddelen van de installatie (tanks, kleppen, leidingen, enz.);
  - een controle van de goede werking van het lekdetectiesysteem, het veiligheidsysteem tegen overvloeiingen voor zover het niet van het mechanische type is, van de koolwaterstoffenafscheider en, in voorkomend geval, van de kathodische bescherming.
  Om de tien jaar wordt een algemene controle uitgevoerd door een in het vak " opslaginstallaties " erkende deskundige en door een in het vak " grond- en ondergrondverontreiniging " erkende deskundige die bevoegd is inzake elektrochemische corrosie. Naast de jaarlijkse controles bestaat de algemene controle in :
  - een dichtheidstest van de al dan niet ingegraven tanks met één enkele wand en van de leidingen met één enkele wand die aan de geldende wettelijke bepalingen voldoen;
  - een controle van de goede werking van het veiligheidsysteem tegen overvloeiingen;
  - een schatting van het nut van een eventuele kathodische bescherming.
  De in het vak " opslaginstallaties " erkende deskundige die de controles heeft uitgevoerd, brengt een duidelijk zichtbare en leesbare zelfklever of plaatje aan bij de vulopening, waarop zijn naam, het jaar en het kwartaal van de laatste controle vermeld worden. Al naar gelang de verrichte waarnemingen heeft de zelfklever of het plaatje de volgende kleur :
  - groen als de tank in orde is;
  - oranje wanneer geen lek in de installatie is vastgesteld maar bepaalde herstelwerken moeten worden uitgevoerd (tank, veiligheidssysteem, bescherming, detectie, enz.);
  - rood wanneer een lek in de installatie is vastgesteld.
  [1 § 3. Controle van het benzinedampafvangrendement van de fase II-benzinedampterugwinningssystemen.
   Het benzinedampafvangrendement van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem wordt getest door een door de exploitant aangewezen deskundige erkend in het vak "opslaginstallatie", vóór de eerste ingebruikname en, daarna, minstens één keer per jaar, hetzij door te controleren of de damp/benzineverhouding onder gesimuleerde benzinetoevoer in overeenstemming is met artikel 4, lid 2, hetzij door een andere geschikte methodologie toe te passen.
   Wanneer een automatisch bewakingssysteem is geïnstalleerd, wordt het benzinedampafvangrendement ten minste eens in de drie jaar getest. Dergelijke automatische bewakingssystemen moeten storingen van het juiste functioneren van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem en van het automatische bewakingssysteem zelf automatisch kunnen opsporen, deze fouten aan de benzinestationhouder melden en de benzinetoevoer naar de defecte pomp automatisch stoppen als de storing niet binnen zeven dagen is verholpen.
   De deskundige erkend in het vak "opslaginstallatie" die de controle heeft uitgevoerd, stelt een schriftelijk verslag op betreffende de overeenstemming van het benzinestation met de voorschriften bedoeld in de artikelen 681bis/59 tot 681bis/60/2 en stuurt een afschrift van zijn verslag aan de toezichthoudende ambtenaar.
   Wanneer de erkende deskundige een verslag opstelt houdende overeenstemming van het benzinestation met de voorschriften bedoeld in de artikelen 681bis/59 tot 681bis/60/2, verstrekt hij de exploitant een zelfklever of elke andere melding waarop hij zijn identiteit en de datum van de laatste test vermeldt.
   De zelfklever, of elke andere melding, wordt door de exploitant op de benzinepomp of in de buurt ervan aangebracht om de consumenten op de hoogte te brengen van de installatie van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem.]1
  ----------
  (1)<BWG 2012-01-26/03, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2012>

  Art. 681bis/71_WAALS_GEWEST.
   (Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) De in dit besluit bedoelde tests, controles en proeven worden op verzoek en voor rekening van de uitbater uitgevoerd.
  § 1. Controle bij de plaatsing.
  De uitbater stelt de technisch ambtenaar ten minste 8 dagen op voorhand in kennis van de datum waarop de tank geplaatst zal worden.
  Na de plaatsing of de vervanging van de tank gaat een in het vak " opslaginstallaties " erkende deskundige vóór de ingebruikneming ervan na of de installaties waaruit het benzinestation bestaat, voldoen aan de bepalingen van dit decreet betreffende de tanks, leidingen en accessoires, de waterdichtheid, het veiligheidsysteem tegen overvloeiingen, het lekdetectiesysteem en, in voorkomend geval, de kathodische bescherming. Deze controle bestaat ook in een dichtheidstest volgens de wettelijke voorschriften.
  Een in het vak " opslaginstallaties " erkende deskundige stelt een verslag op waarin de door de constructeurs verstrekte documenten worden vermeld en de door hem en andere erkende deskundigen uitgevoerde controles, tests en proeven worden opgesomd. Hij bevestigt dat het benzinestation voldoet aan de bepalingen van dit decreet en geen zichtbaar gebrek vertoont dat de veiligheid van de bevolking, de omgeving en het milieu in gevaar zou kunnen brengen.
  [3 Het globale conformiteitsverslag wordt gericht aan het Departement Handhaving en Controles van het Directoraat-generaal Landbouw, Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu binnen drie maanden na de daadwerkelijke inbedrijfstelling van het benzinestation.]3
  § 2. Periodieke controles.
  Periodieke controles worden uitgevoerd door een door de uitbater aangewezen deskundige die erkend is in het vak " opslaginstallaties ".
  Een jaarlijkse controle, op grond van de gegevens van het vorige verslag en van de algemene staat van de installatie bestaat in :
  - een visueel onderzoek van de zichtbare bestanddelen van de installatie (tanks, kleppen, leidingen, enz.);
  - een controle van de goede werking van het lekdetectiesysteem, het veiligheidsysteem tegen overvloeiingen voor zover het niet van het mechanische type is, van de koolwaterstoffenafscheider en, in voorkomend geval, van de kathodische bescherming.
  Om de tien jaar wordt een algemene controle uitgevoerd door een in het vak " opslaginstallaties " erkende deskundige en door een [3 ...]3 erkende deskundige die bevoegd is inzake elektrochemische corrosie. Naast de jaarlijkse controles bestaat de algemene controle in :
  - een dichtheidstest van de al dan niet ingegraven tanks met één enkele wand en van de leidingen met één enkele wand die aan de geldende wettelijke bepalingen voldoen;
  - een controle van de goede werking van het veiligheidsysteem tegen overvloeiingen;
  - een schatting van het nut van een eventuele kathodische bescherming.
  [3 Elk controleverslag van het benzinestation, hetzij een conformiteitsverslag, hetzij een jaarlijks verslag of een algemeen verslag, wordt opgenomen in een register met :
   1° de datum en het resultaat van elke controle;
   2° de gegevens van de deskundige;
   3° de problemen en/of incidenten die zich hebben voorgedaan tijdens de exploitatie op de locatie en de vaststellingen van eventuele stoornissen;
   4° de uitgevoerde herstellingen en, desgevallend, de gegevens van de hersteller.
   De controleverslagen worden bij dit register gevoegd. Het register en de bijlagen ervan bevinden zich op de plaats van de exploitatie.]3
  De in het vak " opslaginstallaties " erkende deskundige die de controles heeft uitgevoerd, brengt een duidelijk zichtbare en leesbare zelfklever of plaatje aan bij de vulopening, waarop zijn naam, het jaar en het kwartaal van de laatste controle vermeld worden. Al naar gelang de verrichte waarnemingen heeft de zelfklever of het plaatje de volgende kleur :
  - groen als [3 het geheel van de installatie]3 in orde is;
  - oranje wanneer geen lek in de installatie is vastgesteld maar bepaalde herstelwerken moeten worden uitgevoerd (tank, veiligheidssysteem, bescherming, detectie, enz.);
  - rood wanneer een lek in de installatie is vastgesteld.
  [3 Enkel de deskundige die een rode of oranje zelfklever of plaatje heeft aangebracht kan die/dit vervangen door een groene zelfklever of plaatje, behoudens geval van overmacht. In dit geval, is een andere erkende deskundige belast met de vervanging van de rode of oranje zelfklever of plaatje door een groene zelfklever of plaatje.]3
  [1 § 3. Controle van het benzinedampafvangrendement van de fase II-benzinedampterugwinningssystemen.
   Het benzinedampafvangrendement van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem wordt getest door een door de exploitant aangewezen deskundige erkend in het vak "opslaginstallatie", vóór de eerste ingebruikname en, daarna, minstens één keer per jaar, [2 overeenkomstig de norm NBN EN 16321-2 : 2013 die de proefmethoden bepaalt die moeten worden toegepast in de benzinestations om de werking van de benzinedampterugwinningssystemen te controleren.]2
  [3 De controles bedoeld in het eerste lid kunnen worden uitgevoerd door een erkende controle-instelling op basis van de norm NBN ISO/IEC 17020 als controle-instelling van het type A in de zin van het koninklijk besluit van 26 september 2013 betreffende de herijk van meetinstallaties voor andere vloeistoffen dan water. In dit geval gebeurt de controle vóór de jaarlijkse controle zoals bedoeld in paragraaf 2, eerste lid en tweede lid, hierboven.]3
   Wanneer een automatisch bewakingssysteem is geïnstalleerd, wordt het benzinedampafvangrendement ten minste eens in de drie jaar getest. Dergelijke automatische bewakingssystemen moeten storingen van het juiste functioneren van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem en van het automatische bewakingssysteem zelf automatisch kunnen opsporen, deze fouten aan de benzinestationhouder melden en de benzinetoevoer naar de defecte pomp automatisch stoppen als de storing niet binnen zeven dagen is verholpen.
   [3 De goedkeuring en de jaarlijkse of driejaarlijkse controle van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem wordt vermeld in het register bedoeld in paragraaf 2.]3
   De zelfklever, of elke andere melding, wordt door de exploitant op de benzinepomp of in de buurt ervan aangebracht om de consumenten op de hoogte te brengen van de installatie van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem.]1
  
----------
  (1)<BWG 2012-01-26/03, art. 3, 078; Inwerkingtreding : 01-01-2012>
  (2)<BWG 2016-11-24/10, art. 4,6°, 080; Inwerkingtreding : 07-12-2016>
  (3)<BWG 2016-11-24/10, art. 4,1°-4,5°, 080; Inwerkingtreding : 17-12-2016>

  Art. 681bis/72.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Alleen de tanks die voorzien zijn van een zelfklever of een groen plaatje, zoals bedoeld in artikel 681bis/71 van dit besluit, mogen gevuld en uitgebaat worden. Degene die een zelfklever of een rood plaatje dragen, mogen in geen geval gevuld worden. De tanks die voorzien zijn van een oranje zelfklever of plaatje mogen nog gevuld worden tijdens een niet-hernieuwbare overgangsperiode van maximum zes maanden die begint te lopen de eerste maand na de maand vermeld op het oranje plaatje of zelfklever.

  Afdeling 2. - (Kwalificatie van de deskundigen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/73.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) § 1. [3 Om als deskundige in het vak " opslaginstallatie " erkend te worden, moeten de volgende voorwaarden vervuld worden :]3
  1° voor natuurlijke personen :
  a) burger zijn van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap;
  b) [1 ...]1
  c) de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  d) niet veroordeeld zijn bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing voor een overtreding van Titel I van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, van het decreet van 30 april 1990 op de bescherming en de exploitatie van grondwater en van tot drinkwater verwerkbaar water, het decreet van 7 oktober 1985 inzake de bescherming van het oppervlaktewater tegen vervuiling, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen of van elke andere gelijkwaardige wetgeving van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap;
  e) de nodige ervaring en opleiding in de betrokken vakken hebben;
  f) beschikken over het nodige materiaal om de opdrachten te vervullen waarvoor de erkenning vereist wordt;
  g) zich niet in een toestand bevinden waar de opdrachten niet meer vervuld kunnen worden op een objectieve en onafhankelijke manier;
  h) zich ertoe verbinden de directeur-generaal van natuurlijke hulpbronnen en leefmilieu onmiddellijk bij aangetekende brief met ontvangbewijs in kennis te stellen van elke wijziging in de oorspronkelijke erkenningsaanvraag;
  i) een verzekeringscontract aangaan om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die voortvloeit uit de opdrachten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;
  2° voor rechtspersonen :
  a) samengesteld zijn overeenkomstig de Belgische wetgeving of die van een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap [2 ...]2;
  b) niet veroordeeld zijn bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing voor een overtreding van Titel I van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, van het decreet van 30 april 1990 op de bescherming en de exploitatie van grondwater en van tot drinkwater verwerkbaar water, het decreet van 7 oktober 1985 inzake de bescherming van het oppervlaktewater tegen vervuiling, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen of elke andere gelijkwaardige wetgeving van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap;
  c) onder de bestuurders, zaakvoerders of personen die bevoegd zijn om de vennootschap te binden, alleen personen tellen die de in 1°, c) en d) bedoelde voorwaarden vervullen;
  d) één of meer personen hebben die aan de in 1° bedoelde voorwaarden voldoen als vennoot of in dienst hebben;
  e) zich niet in een toestand bevinden waar de opdrachten niet meer vervuld kunnen worden op een objectieve en onafhankelijke manier;
  f) zich ertoe verbinden de directeur-generaal van natuurlijke hulpbronnen en leefmilieu onmiddellijk bij aangetekende brief met ontvangbewijs in kennis te stellen van elke wijziging in de oorspronkelijke erkenningsaanvraag;
  g) een verzekeringscontract aangaan om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken die voortvloeit uit de opdrachten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd.
  [1 § 2. De aanvraag om erkenning als deskundige wordt aan de hand van het in bijlage 4 bedoelde formulier bij ter post aangetekende brief met ontvangbewijs of bij afgifte van een bericht van ontvangst gericht aan de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of aan zijn afgevaardigde.
   § 3. De aanvraag is onvolledig als krachtens bijlage 4 vereiste gegevens of stukken ontbreken.
   De aanvraag is niet-ontvankelijk :
   1° als ze in strijd met § 2 hierboven wordt ingediend;
   2° als ze tweemaal onvolledig wordt bevonden;
   3° als de aanvrager de ontbrekende gegevens niet binnen de in § 4, tweede lid, bedoelde termijn verstrekt.
   § 4. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk acht binnen vijftien dagen aan de aanvrager, te rekenen van de dag waarop hij de aanvraag in ontvangst neemt.
   Als de aanvraag onvolledig is, wijst de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde de aanvrager op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt dan over dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aangetekende brief, om de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu de vereiste gegevens per post toe te sturen of tegen ontvangbewijs af te geven.
   De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk acht binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende gegevens aan de aanvrager. Als hij de aanvraag een tweede keer onvolledig acht, verklaart hij ze niet-ontvankelijk.
   Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wijst de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde de aanvrager, op de wijze en binnen de termijn bedoeld in het eerste lid of, in voorkomend geval, binnen de termijn bedoeld in het derde lid, op de redenen van de niet-ontvankelijkheid.
   § 5. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of zijn afgevaardigde stuurt de aanvrager zijn beslissing bij ter post aangetekende brief binnen vijfenveertig dagen te rekenen :
   1° van de dag waarop hij zijn beslissing verzendt waarbij hij de aanvraag ontvankelijk acht;
   2° zoniet, van de dag na afloop van de termijn binnen welke hij zijn beslissing moet verzenden waarbij hij de aanvraag ontvankelijk acht.
   § 6. De erkenning als deskundige wordt verleend voor een termijn van maximum tien jaar.
   § 7. De erkenning kan elk ogenblik geschorst of ingetrokken worden bij beslissing van de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of van zijn afgevaardigde, nadat de houder van de vergunning gehoord is en als hij :
   1° de erkenningsvoorwaarden niet meer vervult;
   2° diensten verleent waarvan de kwaliteit onvoldoende is of waarvoor hij niet erkend is.
   De beslissing waarbij de erkenning wordt geschorst of ingetrokken, wordt bij ter post aangetekende brief gestuurd.
   § 8. Binnen twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing kan een beroep worden ingesteld tegen de beslissing tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning. Dat beroep wordt bij aangetekend schrijven met ontvangbewijs aan de Minister van Leefmilieu gericht.
   De beslissing van de Minister wordt binnen zestig dagen na ontvangst van het beroep bij ter post aangetekend schrijven meegedeeld aan de aanvrager.]1
  ----------
  (1)<BWG 2000-11-30/39, art. 15, 053; Inwerkingtreding : 27-01-2001>
  (2)<BWG 2003-07-17/50, art. 4, 060; Inwerkingtreding : 10-09-2003>
  (3)<BWG 2009-05-27/56, art. 23, 074; Inwerkingtreding : 31-08-2010>

  HOOFDSTUK VII. - (Overgangsbepalingen.) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999>

  Art. 681bis/74.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) § 1. Dit besluit is van toepassing op elk nieuw benzinestation.
  § 2. [1 Alle bepalingen van Afdeling 4 - " Grond en ondergrond " zijn toepasselijk zodra dit besluit in werking treedt.]1
  § 3. De minimale afstanden bedoeld in artikel 681bis/9 zijn niet van toepassing op bestaande tanks.
  § 4. [1 Onverminderd de bepalingen van § 2, moeten de bestaande benzinestations aan de bepalingen van dit besluit voldoen met inachtneming van het volgende tijdschema :
   1° [2 vóór 1 oktober 2004, wat betreft benzinestations uitgerust met houders die op 27 januari 2001 minstens dertig jaar geleden zijn aangekocht of waarvan de aankoopdatum niet kan worden vastgesteld, en onder de volgende voorwaarden :
   a) de resultaten van een dichtheidstest betreffende de houders en leidingen van het benzinestation worden uiterlijk 1 oktober 2003 bij aangetekend schrijven overgemaakt aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu. Een dichtheidstest die hoogstens 6 maanden vóór 1 oktober 2003 is uitgevoerd, is ontvankelijk;
   b) de dichtheidstest wordt vanaf de datum van de laatste test om de 6 maanden uitgevoerd totdat het benzinestation echt conform is, uiterlijk 1 oktober 2004;
   c) de houder en/of van de leidingen die op grond van de dichtheidstest een lek vertonen, worden buiten dienst gesteld overeenkomstig de artikelen 681bis /48 en 681bis /63;
   d) als de dichtheidsattesten niet toegezonden worden, wordt het uitstel van het conform maken niet toegestaan en wordt het benzinestation onmiddellijk gesloten.]2
   2° vóór 1 januari 2006 als ze twintig à negenentwintig jaar geleden zijn aangekocht;]1
   [3 3° ...]3
  [3 § 5. Onverminderd de bepalingen van § 2 en artikel 681bis /4, c, moeten de bestaande benzinestations aan de bepalingen van dit besluit voldoen :
   - vóór 1 januari 2011, voor alle andere benzinestations en dit, onder de volgende voorwaarden :
   1° de resultaten van een dichtheidstest voor elke tank en leiding die niet in overeenstemming zijn gebracht, worden uiterlijk op 31 mei 2010 naar de technisch ambtenaar gestuurd.
   Een test die maximum zes maanden vóór 1 juni 2010 is gedateerd, is nog steeds ontvankelijk.
   Deze test wordt uitgevoerd door een deskundige in het vak "opslaginstallatie" overeenkomstig artikel 681bis /73;
   2° deze dichtheidstest wordt om de zes maanden hernieuwd te rekenen vanaf de datum waarop de laatste test is uitgevoerd en dit tot het effectief in overeenstemming brengen van het benzinestation, hetzij uiterlijk op 31 december 2010. Bij verlenging van de termijnen wordt de dichtheidstest hernieuwd tot het verstrijken van de termijn om het benzinestation in overeenstemming te brengen. De resultaten van de dichtheidstest worden naar de technisch ambtenaar gestuurd;
   3° als er in de tank en/of leidingen een lek wordt vastgesteld naar aanleiding van een dichtheidstest, worden de tank en/of leidingen onmiddellijk buiten gebruik gesteld overeenkomstig de artikelen 681bis /48 en 63;
   4° als de dichtheidsattesten voor de vereiste datum niet worden verstuurd, wordt het uitstel van het in overeenstemming brengen niet toegekend en wordt het benzinestation onmiddellijk gesloten.
   De termijn van het in overeenstemming brengen kan eenmaal voor maximum één jaar worden verlengd.
   De aanvraag tot verlenging wordt uiterlijk binnen veertig dagen vóór het verstrijken van de termijn om het benzinestation in overeenstemming te brengen naar de technisch ambtenaar gestuurd.
   Deze aanvraag tot verlenging bevat de volgende informatie :
   - een indicatief onderzoek;
   - een bestelbon betreffende de werken voor het in overeenstemming brengen.
   De technisch ambtenaar neemt zijn beslissing binnen dertig dagen te rekenen van de ontvangst van de aanvraag tot verlenging.
   Elke verzending gebeurt als volgt :
   a) hetzij bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst;
   b) hetzij via elke gelijksoortige formule die de verzend- en de ontvangstdatum van de akte waarborgen, ongeacht de dienst die de gebruikte post verdeelt;
   c) hetzij door de akte tegen ontvangstbewijs in te dienen.]3
  ----------
  (1)<BWG 2000-11-30/39, art. 16, 053; Inwerkingtreding : 27-01-2001>
  (2)<BWG 2003-07-17/50, art. 1, 060; Inwerkingtreding : 10-09-2003>
  (3)<BWG 2010-05-06/09, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-01-2010>

  Art. 681bis/75.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Het in dit besluit bedoelde saneringsplan geldt als rehabilitatieplan in de zin van [1 van artikel 35, § 2, van het fiscaal decreet van 22 maart 2007 tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest en tot wijziging van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen]1 en van de artikelen 42 en 43 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen.
  ----------
  (1)<BWG 2007-12-20/02, art. 18, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  BIJLAGEN.

  Art. N1*681bis.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : art. 681bis is opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Bijlage 1. Technische specificaties voor de grond, de ondergrond en het grondwater.

  Art. 1N1*681bis.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : art. 681bis is opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Artikel 1. De technische specificaties betreffende de sanering van de grond en de ondergrond voor het vaste grondgedeelte zijn van toepassing op een standaardgrond met een kleigehalte van 10 % (op minerale bestanddelen) en een gehalte aan organische stoffen van 0,5 % (op droge grond).
  Tabel 1. - Technische specificaties voor gronds in mg/kg droge stof.

                 Referentie-               Drempelwaarden
                   waarden
  Stoffen                       Type      Type       Type      Type
                               bestem-   bestem-   bestem-    bestem-
                               ming I    ming II   ming III   ming IV
  Zware
  metalen :
  Cadmium            0,8          8        3          2         1
  Chroom            35          230      150        170        65
  Koper             17          210      200         50        50
  Arsenaat          19          100       55         60        22
  Kobalt            10          100       50         50        20
  Nikkel             9          150      150        120        40
  Lood              30         1150      150         70        70
  Zink              62          680      500        210       150
  Kwik               0,55        15        7         10         1,6
  Organische
  stoffen
  (1) :
  Benzeen            0,10         1,5      0,25       0,25      0,2
  Tolueen            0,20       100       25         25         0,4
  Ethylbenzeen       0,30        45       18         14         0,6
  Xyleen             0,35        55       30          4         0,7
  PAK's              0,30        90        2,5        1,2       0,6
  klasse I
  Naftaleen
  PAK's              0,05        18       18          0,6       0,15
  klasse II
  Anthraceen
  PAK's              1           65       30         16         2
  klasse III
  Fenanthreen
  Fluorantheen
  PAK's              0,5        125      125          4,5       1,2
  klasse IV
  Benzo(a)
  anthraceen
  PAK's              0,3         18       18          3         2,4
  klasse V
  Benzo(k)
  fluorantheen
  Benzo(ghi)
  peryleen
  Indeno
  (1,2,3-cd)
  pyreen
  PAK's              0,1          1        1          1         1
  klasse VI
  Chryseen
  Benzo(a)
  pyreen
  Minerale
  olien (2) :
         50         1000      800        800       500
                 Referentie-             Interventiewaarden
                   waarden
  Stoffen                       Type      Type       Type      Type
                               bestem-   bestem-   bestem-    bestem-
                               ming I    ming II   ming III   ming IV
  Zware
  metalen :
  Cadmium            0,8           16       6          4         2
  Chroom            35            460     300        340       130
  Koper             17            420     400        100       100
  Arsenaat          19            200     110        120        45
  Kobalt            10            200     100        100        40
  Nikkel             9            300     300        220        80
  Lood              30           2300     300        140       140
  Zink              62           1360    1000        420       300
  Kwik               0,55          30      15         20         3,1
  Organische
  stoffen
  (1) :
  Benzeen            0,10           3       0,5        0,5       0,4
  Tolueen            0,20         200      50         50         0,8
  Ethylbenzeen       0,30          90      36         28         1,2
  Xyleen             0,35         110      60          8         1,4
  PAK's              0,30         180       5          2,4       1,2
  klasse I
  Naftaleen
  PAK's              0,05          36      36          1,2       0,3
  klasse II
  Anthraceen
  PAK's              1            130      60         32         4
  klasse III
  Fenanthreen
  Fluorantheen
  PAK's              0,5          250     250          9         2,4
  klasse IV
  Benzo(a)
  anthraceen
  PAK's              0,3           36      36          6         4,8
  klasse V
  Benzo(k)
  fluorantheen
  Benzo(ghi)
  peryleen
  Indeno
  (1,2,3-cd)
  pyreen
  PAK's              0,1            2       2          2         2
  Chryseen
  Benzo(a)
  pyreen
  Minerale
  olien (2) :
         50           2000    1500       1500      1000


  Tabel 2. - Waarden van de technische specificaties voor grondwater in Mug/l.

  Stoffen          Referentiewaarden          Interventiewaarden
  Benzeen               10                            120
  Tolueen               20                           5500
  Ethylbenzeen          50                           3400
  Xyleen                20                           3300
  PAK's                 14                            125
  klasse I
  Naftaleen
  PAK's                  0,2                            8
  klasse II
  Anthraceen
  PAK's                  7                             30
  klasse III
  Fenanthreen
  Fluorantheen
  PAK's                  0,5                            7
  klasse IV
  Benzo(a)
  anthraceen
  PAK's                  0,05                         500
  klasse V
  Benzo(k)
  fluorantheen
  Benzo(ghi)
  peryleen
  Indeno
  (1,2,3-cd)
  pyreen
  PAK's                  0,005                         50
  klasse VI
  Chryseen
  Benzo(a)
  pyreen
  Minerale
  olien (2)             50                            500


  Nota's :
  (1) Om rekening te kunnen houden met de eigenschappen van de grond en de ondergrond bij de vergelijking van de gemeten concentraties aan organische verbindingen en gehalogeneerde koolwaterstoffen in de grond of de ondergrond, worden de waarden van de technische specificaties voor de grond of de ondergrond omgezet in het gehalte aan organische stoffen in het te analyseren monster aan de hand van de volgende formule :
  N(y) = N(0,5) * y/0,5.
  Waar :
  N : waarde van de technische specificatie voor de sanering van de grond en de ondergrond in geval van een gehalte aan organische stoffen van respectievelijk y % en 0,5 %.
  Als het gehalte aan organische stoffen minder dan 0,5 % bedraagt, moet rekening worden gehouden met een gehalte van vermoedelijk 0,5 %. Als het gehalte meer dan 20 % bedraagt, moet rekening worden gehouden met een gehalte aan organische stoffen van vermoedelijk 20 %.
  Voormelde formule mag slechts worden toegepast op voorwaarde dat het gehalte aan organische stoffen tussen 0,5 en 20 % ligt.
  (2) Indicatieve waarde voor de technische specificatie van de grond en de ondergrond : het gevaar voor ernstige schadelijke effecten op de mens en het milieu te wijten aan de verontreiniging van de grond of de ondergrond door minerale olie wordt geschat op grond van het risico dat door de organische verbindingen wordt veroorzaakt.

  Art. 2N1*681bis.(Waals gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : art. 681bis is opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Art. 2. De in artikel 1 bedoelde technische specificaties van de grond en de ondergrond verschillen al naar gelang de bestemming van het bedoelde terrein. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende types bestemming :
  type bestemming I :
  - bedrijfsruimte;
  - specifieke bedrijfsruimte;
  - gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat;
  type bestemming II :
  - woongebied;
  - woongebied met een landelijk karakter;
  - gebied voor openbare nuts- en gemeenschapsvoorzieningen;
  type bestemming III :
  - recreatiegebied;
  - agrarisch gebied;
  type bestemming IV :
  - bosgebied;
  - groengebied;
  - natuurgebied;
  - parkgebied;
  - winningsvoorkomingsgebied.

  Art. 3N1*681bis.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : art. 681bis is opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Art. 3. De gebieden op de plannen van aanleg waarvoor bijkomende gegevens in overdruk beschikbaar zijn, worden krachtens deze bijlage geschat op grond van het oorspronkelijke gebied (gebruikte kleur op het plan van aanleg).

  Art. 4N1*681bis.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : art. 681bis is opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Art. 4. Wat betreft de terreinen die de in artikel 2 van deze bijlage bedoelde bestemmingen niet hebben, wordt een schatting gemaakt van de functies die ze vervullen. Op grond van die schatting worden de terreinen ingedeeld bij één van de in artikel 2 van deze bijlage bedoelde types bestemming.

  Art. 5N1*681bis.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> Art. 5. De voorkomingsgebieden, zoals omschreven bij het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen en, in voorkomend geval, de gebieden voor de afbakening van de voorkomingsgebieden voor waterwinningen, de gebieden gelegen in een straal van 1 km rondom de waterwinningen worden ingedeeld bij het type bestemming IV.

  Art. 6N1*681bis.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : art. 681bis is opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Art. 6. § 1. De terreinen die krachtens de artikelen 2 en 3 van deze bijlage bij het type bestemming I of II worden ingedeeld maar in feite als landbouwgrond worden gebruikt, worden geschat alsof ze bij [1 het type bestemming III]1 waren ingedeeld.
  § 2. De terreinen die krachtens de artikelen 2 en 3 van deze bijlage bij het type bestemming I worden ingedeeld maar in feite als woongebied worden gebruikt, worden geschat alsof ze bij het type bestemming II waren ingedeeld.
  § 3. De terreinen die krachtens de artikelen 2 en 3 van deze bijlage bij het type bestemming I worden ingedeeld maar in feite als recreactiegebied worden gebruikt, worden geschat alsof ze bij het type bestemming III waren ingedeeld.
  ----------
  (1)<BWG 2000-11-30/39, art. 17, 053; Inwerkingtreding : 27-01-2001>
  

  Art. 7N1*681bis.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : art. 681bis is opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Art. 7. Als bepaalde concentratiewaarden van de technische specificaties bedoeld in artikel 1 ontoepasselijk of ongeschikt zijn van wege de bijzondere aard van de grond of de ondergrond in een bepaald gebied van het Gewest, kan de technisch ambtenaar van die waarden afwijken voor zover de toepassing ervan geen gevaar voor de mens of het milieu inhoudt.

  Art. N2*681bis.(Waals Gewest) <Ingevoegd bij BWG 1999-03-04/55, art. 1; Inwerkingtreding : 21-07-1999> (NOTA : art. 681bis is opgeheven met gedeeltelijk toepassingsbereik bij BWG 2007-11-29/50, art. 69, 070; Inwerkingtreding : 13-01-2008) Bijlage 2. Monstername- en analysemethodes.

  Parameter            Methodes om het vaste        Methode om het
                       grondgedeelte te meten     grondwater te meten
  organische               ISO/DIS 14235
  stoffen
  AFNOR X31/109
  bepaling van de             NEN 5753
  kleihoeveelheid          ISO/DIS 11277
  aromatische                 NEN 5771                  EPA 610
  polycyclische          (2de normproject)              AAC 3/B
  koolwaterstoffen            AAC 3/B
  (HPA)
  aromatische                 NVN 5732                 EPA 524.2
  monocyclische              EPA 8260A                  AAC 3/T
  koolwaterstoffen            AAC 3/T
  (HMA)
  minerale olie        NEN 5733 (febr. 1991)           NEN 6675
  (methode IR)
  AAC 3/R



  Afdeling X- Verschillende industrieën.

  § 1. (opgeheven) <KB 10-07-1972>
  (NOTA : Voor het Waalse Gewest wordt paragraaf 1 hersteld met de volgende titel : " Opslagplaatsen en sorteercentra voor oude metalen en afgedankte voertuigen. " <BWG 1997-11-27/51, art. 1, Inwerkingtreding : 25-01-1998>)

  Art. 682. (opgeheven) <KB 10-07-1972>
  (NOTA : Voor het Waalse Gewest wordt artikel 682 hersteld als volgt : "Algemene bepalingen.
  1. Onverminderd eventuele bijzondere voorwaarden die aan de omstandigheden aangepast zijn, de voorschriften die vastgesteld zijn bij andere wettelijke en reglementaire bepalingen en onverminderd met name de verplichte erkenning voor de exploitatie van een installatie voor de verzameling, de voorbehandeling of de nuttige toepassing van giftige of gevaarlijke afvalstoffen van derden, zijn de onderstaande algemene minimumvoorwaarden van toepassing op opslagplaatsen voor oude metalen en afgedankte voertuigen. Deze opslagplaatsen zijn ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van titel I van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming.
  2. Oude metalen en afgedankte voertuigen worden vóór hun opslag afgebroken volgens de voorschriften, aanbevelingen en bevelen van de overheid en van de voor afvalbeheer bevoegde technische ambtenaren.
  3. Ze worden afgebroken op een daarvoor bestemde site, die ingericht moet worden overeenkomstig de wettelijke, reglementaire en bijzondere bepalingen. De bevoegde technische ambtenaar gaat na of die bepalingen in acht worden genomen.
  4. Het maximumaantal afgedankte voertuigen dat op de site mag worden opgeslagen, wordt op grond van het verslag van de technische ambtenaar door de bevoegde overheid in de vergunningsakte aangegeven.
  5. Het afbraakmateriaal wordt vernietigd of gevaloriseerd overeenkomstig de vigerende wetgeving. ".
  Vestigings- en exploitatievoorwaarden.
  6. De site voor het afbraakwerk moet zodanig ingericht worden dat de verschillende vloeistoffen en andere bijhorende produkten i.v.m. oude metalen en afgedankte voertuigen niet de grond kunnen insijpelen.
  De site moet chemisch inert blijven t.o.v. deze vloeistoffen en producten.
  Hij moet bovendien voortdurend onderhouden worden.
  7. Het oppervlakte- of reinigingswater van het werkgebied wordt verzameld d.m.v. een drainagegoot en afzonderlijke leidingen en afgevoerd naar een decanteertoestel-olieafscheider, waarvan de uitvloeiende vloeistof aan de wetgeving terzake moet voldoen, of naar een waterdichte tank met twee wanden en met de nodige capaciteit, die geregeld door een erkend bedrijf geledigd wordt.
  8. De opstapelingshoogte van de afgedankte voertuigen en de oude metalen moet rekening houden met de inrichting en het architecturale karakter van de site.
  Behoudens uitdrukkelijke voorschriften in het machtigingsbesluit bedraagt deze hoogte minder dan 3 meter, wanneer de opslagplaats zich in de vrije lucht bevindt; in een bedrijf dat hoofdzakelijk gericht is op de terugwinning van samenstellende, metallische en niet-metallische stoffen met het oog op hun recycling, nuttige toepassing of vernietiging, mag de opstapelingshoogte 15 meter bedragen.
  Het machtigingsbesluit bevat bepalingen voor de beperking van eventuele gezichtshinder, met name bij de installatie van schermen, waarvan de aard, de hoogte en de positie aan de plaatselijke omstandigheden worden aangepast.
  De opstapelingshoogte mag in geen geval die van de schermen overschrijden, behalve in het bovenvermelde geval, waar de opstapelingshoogte 15 meter mag bedragen.
  9. De toegang tot de opslagplaats is verboden voor personen die niet betrokken zijn bij de exploitatie. Behoudens andersluidende bepalingen in het machtigingsbesluit wordt de opslagplaats afgesloten met een vaste omheining van minstens 2 meter hoog.
  De afgedankte voertuigen mogen niet op de openbare weg geparkeerd staan noch op minder dan 5 meter ervan als ze in de vrije lucht staan. Deze bepaling is niet van toepassing wanneer de afgedankte voertuigen en de openbare weg d.m.v. een stevig doorlopend scherm gescheiden zijn.
  10. Vloeistoffen en ander afbraakmateriaal van oude metalen en afgedankte voertuigen worden uitsluitend opgeslagen in stevige hokken en/of vaten die daarvoor bestemd zijn. De hokken worden zodanig gebouwd en de vaten zodanig opgestapeld dat elk gevaar voor uitstorting en verontreiniging uitgesloten is.
  11. Onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen terzake en ongeacht de bijzondere voorwaarden die opgelegd kunnen worden bij voormeld machtigingsbesluit, moet de exploitant alles in het werk stellen om :
  1° brand te voorkomen;
  2° zo spoedig en doeltreffend mogelijk brandharden te bestrijden;
  3° in geval van brand :
  - alarm te slaan,
  - de aanwezige personen in veiligheid te brengen,
  - onmiddellijk de gemeentelijke of regionale brandweer te verwittigen.
  12. Er moet voortdurend worden gezorgd voor de goede staat en de goede werking van het bedrijf.
  13. De exploitant moet onmiddellijk zorgen voor de reiniging van de opslagplaats en de directe omgeving.
  14. Het is verboden oude metalen en afgedankte voertuigen of gedeelten ervan op te branden.
  15. Buiten de industriegebieden, ermee gelijkgestelde gebieden en intermodale platformen, mogen de oude metalen en afgedankte voertuigen slechts op eensluidend advies van de technische ambtenaar tussen 7 en 20 uur geleverd worden, behoudens bij het machtigingsbesluit toegestane afwijking.
  Buiten deze uren zijn de poorten gegrendeld en mag alleen het bedrijfspersoneel op de site aanwezig zijn.
  Oude metalen en afgedankte voertuigen mogen slechts opgeleverd en afgeladen worden in aanwezigheid en onder toezicht van de exploitant of van zijn afgevaardigde.
  16. De exploitant moet alle middelen inzetten om een einde te maken aan de hinder die de vestiging en de exploitatie van zijn bedrijf ondanks alle voorzorgsmaatregelen zou kunnen veroorzaken.
  17. § 1. Rekening houdende met de plaatselijke omstandigheden mag het gemiddelde geluidsniveau niet hoger zijn dan het niveau dat bij het machtigingsbesluit is vastgelegd. Dit laatste wordt bepaald met inachtneming van het tijdstip, de ruimtelijke bestemming van het gebied en de geluidsemissie van de exploitatie.
  § 2. Buiten de industriegebieden, ermee gelijkgestelde gebieden en intermodale platformen zijn luidruchtige activiteiten verboden op zon- en feestdagen, alsmede op werkdagen tussen 20 en 7 uur.
  Functionele bepalingen.
  18. Wat het functionele afvalbeheer van de opslagplaats betreft, moet de exploitant zich schikken naar de bevelen van de overheid en de voor afvalbeheer bevoegde technische ambtenaren.
  Overgangsbepalingen.
  (Lege rubriek op het Staatsblad. Noteer dat artikel 2 van het BWG 1997-11-27/51 beschikt dat de bepalingen van onderhavig artikel 682 voor de bedrijven die vóór 25-01-1998 werkzaam zijn en het voorwerp uitmaken van een verklaring overeenkomstig artikel 25 van Hoofdstuk I, Titel I, van onderhavig algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, in werking treden zes maanden na 25-01-1998.) " <BWG 1997-11-27/51, art. 1, Inwerkingtreding : 25-01-1998>)

  Art. 683. (opgeheven) <KB 10-07-1972>

  Art. 684. (opgeheven) <KB 10-07-1972>

  Art. 684bis. (opgeheven) <KB 10-07-1972>

  § 2. Ontsmetting van het haar in de borstelmakerijen. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>)

  Art. 685.<KB 09-03-1962, art. 22> (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing in de borstelmakerijen die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt zijn.
  [Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.] <KB 1987-09-17/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

  Art. 685bis.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De hoofden van borstelmakerijen moeten het haar, onmiddellijk na zijn ontpakking, aan een ontsmetting onderwerpen voldoende om de spoor der kooiziekte te doden.

  § 3. Haarsnijderij. (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>)

  Art. 686.<KB 09-03-1962, art. 23> (NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De voorschriften van deze paragraaf zijn van toepassing op de bewerking van huiden en haren die onder de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen gerangschikt is.
  [Ze zijn eveneens van toepassing op de personen, ondernemingen en instellingen bedoeld in artikel 28 van dit reglement.] <KB 1987-09-17/31, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 12-10-1987>

  Art. 687.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De bergplaatsen van vellen, vellensnippers (stukjes), staarten of haar, alsook de lokalen waar die stoffen worden behandeld, mogen niet tot woonlokalen dienen.

  Art. 688.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Het bereiden en bewaren van de tot het strijken bestemde oplossingen zal derwijze geschieden, dat de zure dampen de werklieden niet kunnen hinderen.
  Het bereiden van die oplossingen wordt slechts veroorloofd wanneer door behoorlijk ingerichte en doeltreffende werkwijzen, de salpeterige dampen gans worden opgeslorpt en veranderd in voor de openbare gezondheid onschadelijke stoffen.

  Art. 689.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De lucht der strijklokalen moet plaatselijk ververst worden door mechanische toestellen, welke de zure dampen opslorpen zo dicht mogelijk bij de plaats waar ze ontstaan.
  De bekleding tot manshoogte van de muren dier werkplaatsen, de vloers en de strijktafels moeten waterdicht zijn en minstens éénmaal per week met veel water gereinigd worden.

  Art. 690.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De ovens voor de gestreken vellen mogen niet rechtstreeks met de werkplaatsen in gemeenschap zijn en de nodige maatregelen dienen genomen om te beletten dat de aldaar ontstane dampen in die plaatsen zouden dringen.
  De ovens moeten derwijze ingericht zijn, dat de werkman niet verplicht weze er in te dringen om er de vellen in op uit te doen.
  Het is verboden werklieden in een onvoldoend verluchte oven te laten dringen.

  Art. 691.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) Al de lokalen waarin de verrichtingen geschieden, welke het strijken voorafgaan, en die waarin vellen, vellensnippers (stukjes), staarten en haar na het strijken met kwikzouten, worden behandeld, moeten doelmatig en mechanische verlucht worden.
  Voor het borstelen der gestreken vellen zal bovendien de lucht mechanische ververst worden ter plaatse waar het stof ontstaat.
  De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de lokalen, waar alleen de niet met kwikzouten gestreken snippers, stukjes en staarten met de hand worden gesneden.

  Art. 692.(NOTA : opgeheven voor zover het maatregelen van interne politie betreft die betrekking hebben op de arbeidsbescherming <KB 2011-09-14/06, art. 9, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>) De lucht, komende uit de werktuigen waarmede het gestreken haar werd geblazen, wordt rechtstreeks naar buiten gedreven.

  § 4. <opgeheven> <KB 15-12-1978, art. 5>

  Art. 693. <opgeheven> <KB 15-12-1978, art. 5>

  Art. 694. <opgeheven> <KB 15-12-1978, art. 5>

  Art. 695. <opgeheven> <KB 15-12-1978, art. 5>

  § 5. Blauwzuur en alle grondstof waaruit het kan ontstaan.

  Aankoop, verkoop en gebruik van dicyaan, cyaanwaterstof en zijn zouten, alsmede van organische cyaanverbindingen. <KB 22-12-1970, art. 1>

  Art. 696.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 697. (Opgeheven) <KB 1990-11-05/32, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 21-11-1991>

  Art. 698. (Opgeheven) <KB 1990-11-05/32, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 21-11-1991>

  Art. 699. <opgeheven> <KB 22-12-1970, art. 2>

  Art. 700. <opgeheven> <KB 22-12-1970, art. 2>

  Art. 701. <opgeheven> <KB 22-12-1970, art. 2>

  Verdelging van knaagdieren en insecten.

  A. Algemene maatregelen.

  Art. 702. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 703. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 704. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 705. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 706. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 707. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 708. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  B. Bijzondere maatregelen.

  1. Meubelen.

  Art. 709. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 710. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 711. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 712. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 713. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  2. Schepen en boten.

  Art. 714. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 715. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 716. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 717. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 718. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 719. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 720. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 721. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Algemene maatregelen(vervolg). <KB 10-06-1952, art. 14 en bijl.>

  Art. 722. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. 723. (opgeheven) <KB 1992-01-14/30, art. 73, 036; Inwerkingtreding : 01-09-1992>

  Art. N1*723. (Waals Gewest) [1 Bijlage 1. Minimale inhoud van de opleiding die moet worden gevolgd om te voldoen aan de voorschriften van artikel 634ter/4, § 1, 1°, e), van het wijzigingsbesluit.
   De opleiding duurt minimum 20 uren en slaat met name op de punten m.b.t. de technologie en de uitrusting van de houders.
   1. Houders.
   1. Bouw.
   2. Installatie.
   3. Accessoires.
   4. Bepaling van de capaciteit.
   2. Lekdetectiesysteem.
   1. Detectie van lekken door het aanbrengen van een vloeistof tussen de wanden.
   2. Detectie van lekken door onderdruk.
   3. Detectie van lekken door overdruk.
   4. Detectie van lekken voor een in een kuil geplaatste houder met één enkele wand.
   5. Detectie van lekken voor een rechtstreeks in de grond ingegraven houder met één enkele wand.
   3. Vervaardiging van een houder met dubbele wand door het aanbrengen van een soepele binnenmembraan.
   4. Controle van de houder.
   1. Detectie van water en slib in de houder.
   2. Vaststelling van verontreiniging buiten de houder.
   3. Metingen van potentiaalverschillen tussen de grond en de houder.
   4. Controle van het overloopdetectiesysteem.
   5. Dichtheidsproeven van de houder en de leidingen.
   5. Corrosie en kathodische bescherming.
   1. Preventie van verontreiniging.
   6. Praktische gegevens.
   1. Grondbeginselen inzake brandpreventie en -bestrijding.
   2. Lijst van het gereedschap van de controleur.
   Bijkomende gegevens.
   1. De aardolie en derivaten.
   2. Tabel van de volumewijzigingen naar gelang van de temperatuur.
   3. Conversietabel.
   4. Verbrandingswaarde van de voor ruimteverwarming gebruikte brandstoffen.
   5. Het internationaal eenhedenstelsel.
   6. Grootten, symbolen van de eenheid.
   7. De warmte-, elektriciteits-, mechanica- en sterkteleereenheden.
   8. Conversietabellen.
   9. De verschillende manieren om vloeibare brandstoffen op te slaan.
   10. Basisschema's van de leidingen : eigenschappen en accessoires.]1
  ----------
  (1)<Gevoegd bij hoofdstuk II van titel III door BWG 2000-11-30/39, art. 19, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. N2*723. (Waals Gewest) [1 Bijlage 2. Formulier van het Waals Gewest voor de aanvraag om erkenning : " ultrasoon technicus ".
   (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 17-01-2001, p. 1259 - 1262.)]1
  ----------
  (1)<Gevoegd bij hoofdstuk II van titel III door BWG 2000-11-30/39, art. 19, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. N3*723. [1 Bijlage 3. Model van attest.
   (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 17-01-2001, p. 1263 - 1264.)]1
  ----------
  (1)<Gevoegd bij hoofdstuk II van titel III door BWG 2000-11-30/39, art. 19, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  Art. N4*723. (Waals Gewest) [1 Bijlage 4. Formulier van het Waals Gewest voor de aanvraag om erkenning in de vakken : " opslaginstallatie " en " grond- en ondergrondverontreiniging ".
   (Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 17-01-2001, p. 1264 - 1267.)]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BWG 2000-11-30/39, art. 19, 053; Inwerkingtreding : 01-04-2001>

  HOOFDSTUK III- Gevaarlijke stoffen en preparaten. <KB 09-04-1980>

  Afdeling I- Algemene bepalingen. <KB 09-04-1980>

  A. Toepassingsgebied. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis1.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  B. Definities. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis2.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis3.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Afdeling II- Identificatie en indeling van de gevaarlijke stoffen en preparaten. <KB 09-04-1980>

  A. Identificatie en indeling van de gevaarlijke stoffen. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis4.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis4*1.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis4*2.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  B. Identificatie en indeling van de gevaarlijke preparaten. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis5.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis5*1.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis5*2*1.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis5*2*2.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis5*2*3.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis5*3*1.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis5*3*2.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Afdeling III- Verpakking en opslag. <KB 09-04-1980>

  A. Verpakking. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis6.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  B. Opslag. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis7.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Afdeling IV- Modaliteiten voor identificering van de risico's. <KB 09-04-1980>

  A. Algemeenheden. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis8.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  B. Voorstelling van de informatie. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis9.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  C. Inhoud van het etiket of zijn reproduktie. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis10.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis11.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis12.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis13.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis14.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Afdeling V- Verbodsbepalingen betreffende de produktie en het gebruik van giftige stoffen en preparaten. <KB 09-04-1980>

  Art. 723bis15.<KB 09-04-1980>
  [§ 1. Voor de toepassing van deze afdeling en afdeling VI wordt verstaan onder :
  stoffen : chemische elementen en de verbindingen daarvan, in natuurlijke staat of als industrieprodukt, met inbegrip van de additieven die voor het in de handel brengen ervan noodzakelijk zijn;
  agentia : de chemische, fysische en biologische agentia die op het werk aanwezig zijn en de gezondheid kunnen schaden;
  preparaten : uit twee of meer stoffen bestaande mengsels of oplossingen;
  onzuiverheden : stoffen die a priori in onbeduidende hoeveelheden in andere stoffen aanwezig zijn;
  tussenprodukten : stoffen die tijdens een chemische reactie ontstaan, die worden omgezet en dus aan het einde van de reactie of het proces zijn verdwenen;
  bijprodukten : stoffen die tijdens een chemische reactie ontstaan en aan het einde van de reactie of het proces nog aanwezig zijn;
  afvalprodukten : de overblijfselen van een chemische reactie die aan het einde van de reactie of het proces moeten worden verwijderd.] <KB 1990-04-17/31, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 30-06-1990>
  [1 § 1bis. ...]1
  [1 § 1ter. ...]1
  § 2. Het is verboden produkten te gebruiken die meer dan (0,10 pct.) benzeen in volume bevatten, zoals destillaten van petroleum of steenkoolteer aangevuld met produkten bestemd om de verbranding te verbeteren, in alle andere werkzaamheden dan de volgende: <KB 1991-10-10/32, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 17-11-1991>
  1° de voeding van motoren;
  2° de verwarming;
  3° het destilleren van carbochemische en petrochemische produkten;
  4° de analyse- en opzoekingswerkzaamheden in het laboratorium.
  § 3. [Opgeheven.] <KB 1991-10-10/32, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 17-11-1991>
  § 4. [1 ...]1
  § 5. [1 ...]1
  § 6. (Het is verboden de volgende stoffen en preparaten te gebruiken :
  - polychloorbifenylen (PCB's) met uitzondering van mono- en dichloorbifenylen;
  - polychloorterfenylen (PCT's);
  - preparaten, met inbegrip van de afgewerkte oliën, die meer dan 0,005 gewichtsprocent PCB's of PCT's bevatten.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 723bis 16 mogen de in het voorgaande lid vermelde stoffen en preparaten wel gebruikt worden bij normaal onderhoud van het materiaal, om het niveau van de PCB's of PCT's bevattende vloeistoffen aan te vullen in bestaande installaties in goede staat van werking.
  Het gebruik van apparaten, installaties en vloeistoffen die PCB's of PCT's bevatten blijft toegestaan tot aan hun buitengebruikstelling dan wel het einde van hun levensduur, voor zover zij in goede staat van werking zijn en aan de wettelijke en reglementaire bepalingen voldoen die hen betreffen.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 723bis 9 moeten de apparaten, installaties en recipiënten die de in het eerste lid bedoelde stoffen en preparaten bevatten en waarvan het totaalgewicht een kilogram of meer bedraagt, voorzien zijn van een etiket met volgende inhoud :
  - de vermelding : " bevat polychloorbifenylen (PCB's) " of " bevat polychloorterfenylen (PCT's) ";
  - het gevaarsymbool : Xn met de vermelding " schadelijk ";
  - de zin R : " Gevaar voor cumulatieve effecten " (R33);
  - de zinnen S : " Deze stof en de verpakking op veilige wijze afvoeren (S35) ".
  " In geval van brand en/of explosie de rook niet inademen (S41) ".
  - de zin : " Na gebruik afvoeren naar een erkend vernietigingscentrum of verwijderen langs een erkend verwerver ";
  - de naam, het adres en het telefoonnummer van de te contacteren persoon in geval van lek of storing.) <KB 1990-11-05/34, art. 1, 027; Inwerkingtreding : 02-12-1990>
  § 7. Het is verboden vinylchloride (chloorethyleen) te gebruiken als drijfgas in spuitbussen voor welk gebruik dan ook, behalve voor analyse- en opzoekingsverrichtingen in laboratoria.
  § 8. Het is verboden tri(2,3-dibromopropyl)fosfaat te gebruiken bij de fabricatie van textielwaren die in contact komen met de huid, zoals bijvoorbeeld kledingartikelen, wollen artikelen en draperieën.
  § 9. [1 ...]1
  (§ 10.) Het is verboden textielwaar ter beschikking te stellen van de werknemers wanneer die in aanraking moet komen met de huid en er bij de fabrikatie ervan tris(aziridinyl) fosfine oxide (CAS n° 5455-55-1) en/of polybroombifenylen (PBB) (CAS n° 59536-65-1) werden gebruikt). <KB 1986-02-27/33, art. 1, 24, 013>
  [§ 11. Het gebruik van verven op basis van loodwit en andere witte loodhoudende pigmenten is verboden.
  Dit verbod geldt echter niet voor het gebruik ervan in kunstschildersverf.] <KB 1990-11-05/33, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 22-11-1991>
  ----------
  (1)<KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Afdeling VI. - Gecontroleerde produktie en gebruik van sommige gevaarlijke stoffen en preparaten.

  Art. 723bis16.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis17.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis17bis.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis18.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis19.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723bis20.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Afdeling VII. - <KB 1986-02-27/33, art. 1, 25> Informatie van de werknemers.

  Art. 723bis21.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. N1*723bis.Bijlage I. [1 Opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. N2*723bis.Bijlage II. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. N3*723bis.Bijlage III. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. N4*723bis.Bijlage IV [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. N5*723bis.Annexe V. Lijst van gevaarlijke stoffen waarvan het gebruik onderworpen is aan het verlenen van een voorafgaande vergunning. Toepassing van de artikelen 723bis 16 en 723bis 17 van dit hoofdstuk. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. N6*723bis.Bijlage VI. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  HOOFDSTUK IV-<KB 15-12-1978, art. 1> Stoffen onder de vorm van deeltjes of vezels waarvan de inademing schadelijke fysische of fysico-chemische uitwerking heeft op de gezondheid. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2011-09-14/06, art. 10, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Art. 723ter1.
  <Opgeheven bij KB 2011-09-14/06, art. 10, 077; Inwerkingtreding : 10-11-2011>

  Sectie I- <KB 15-12-1978, art. 1> Vrij siliciumdioxide.

  Art. 723ter2.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723ter3.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723ter4.
  <Opgeheven bij KB 2002-03-11/32, art. 62, 056; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Sectie II-Asbest. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2006-03-16/32, art. 74, 069; Inwerkingtreding : 02-04-2006>

  Art. 723ter5.
  <Opgeheven bij KB 2006-03-16/32, art. 74, 069; Inwerkingtreding : 02-04-2006>

  Art. 723ter6.
  <Opgeheven bij KB 2006-03-16/32, art. 74, 069; Inwerkingtreding : 02-04-2006>

  Art. 723ter7. (Opgeheven) <KB 1998-02-03/36, art. 7, 045; Inwerkingtreding : 1998-03-03>

  Art. 723ter8. (opgeheven) <KB 1986-08-28/30, art. 3, 014>

  HOOFDSTUK V-<KB 20-07-1979, art. 1 en bijl.> Stoffen die gevaarlijk zijn na langdurige inademing. [1 Opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater1.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Eerste Afdeling-<KB 20-07-1979, art. 1 en bijl.> Vinylchloridemonomeer. [1 Opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater2.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater3.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater4.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater5.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater6.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater7.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater8.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater9.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater10.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater11.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater12.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater13.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Afdeling 2-<KB 20-07-1979, art. 1> Polymeren. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. 723quater14.
  <Opgeheven bij KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  Art. N1*723quater14.<KB 20-07-1979> Bijlage I - Controle van het gehalte aan vinylchloridemonomeer (toepassing van artikel 723quater 5 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming). [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2002-02-20/35, art. 15, 055; Inwerkingtreding : 24-03-2002>

  HOOFDSTUK VI. - <KB 1985-02-01/31, art. 1, 011> Bijzondere maatregelen in verband met bepaalde industriële activiteiten.

  Art. 723quinquies.
  <Opgeheven bij KB 2005-05-22/49, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 26-06-2001>

  Art. N1*723quinquies.Bijlage I - Industriele installaties in de zin van dit artikel. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2005-05-22/49, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 26-06-2001>

  Art. N2*723quinquies.Bijlage II - Opslag met uitzondering van de opslag van in bijlage III vermelde stoffen die tot een in bijlage I genoemde installatie behoort. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2005-05-22/49, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 26-06-2001>

  Art. N3*723quinquies.Bijlage III - Lijst van stoffen inde zin van dit artikel. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2005-05-22/49, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 26-06-2001>

  Art. N4*723quinquies.Bijlage IV - Indicatieve criteria. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2005-05-22/49, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 26-06-2001>

  Art. N5*723quinquies. <KB 1985-02-01/31, art. 1, 011> Bijlage V - In het kader van de in punt 4 bedoelde kennisgeving te verstrekken gegevens en inlichtingen. [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<KB 2005-05-22/49, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 26-06-2001>
  

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 03-05-2019 GEPUBL. OP 24-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 635-681)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 01-03-2018 GEPUBL. OP 22-03-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 681bis/63-681bis/70; 681bis/66; N1-N2)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 24-11-2016 GEPUBL. OP 07-12-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 681bis/43; 681bis/60/1; 681bis/71)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-08-2013 GEPUBL. OP 07-10-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 434.7.1-434.7.5; 434.8.1; 434.8.2; 434.9.1-434.9.4)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 26-01-2012 GEPUBL. OP 07-02-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 681bis/59; 681bis/60; 681bis/60/1; 681bis/60/2; 681bis/71)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-09-2011 GEPUBL. OP 31-10-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 359; 364-392; 393; 397; 409-433; 513-524ter; 685-685bis; 686-692; 723ter1)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 06-05-2010 GEPUBL. OP 21-05-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 681bis/74)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-01-2010 GEPUBL. OP 24-02-2010
    (GEWIJZIGD ART. : 281quater)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 27-05-2009 GEPUBL. OP 31-08-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 681bis/73; 681bis/64; 681bis/66; 681bis/67)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 05-12-2008 GEPUBL. OP 27-01-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 590)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 24-07-2008 GEPUBL. OP 14-08-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 634ter/1; 634ter/2; 634ter/3; 634ter/5; 634quater)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-06-2008 GEPUBL. OP 19-06-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 184-229; 229BIS; 230-251; 251BI)
    (GEWIJZIGDE ART. : 252-260; 260BIS; 261-266; 266BI)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 20-12-2007 GEPUBL. OP 05-02-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 681BIS/75)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 29-11-2007 GEPUBL. OP 03-01-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 681BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 16-03-2006 GEPUBL. OP 23-03-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 723TER5; 723TER6)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-08-2005 GEPUBL. OP 15-09-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 532; 440-450; 451; 454)
    (GEWIJZIGDE ART. : 454BIS; 456; 459)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-08-2005 GEPUBL. OP 24-08-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 261)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 07-07-2005 GEPUBL. OP 18-07-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 681BIS/67; 681BIS/68)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-2005 GEPUBL. OP 14-07-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 452.16; 453.15; 462BIS; 462TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-05-2005 GEPUBL. OP 13-06-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 723QUI; N1*723QUI-N5*723QUI)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-03-2005 GEPUBL. OP 05-04-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 281; 281BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-02-2005 GEPUBL. OP 14-03-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 264)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-12-2003 GEPUBL. OP 26-01-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 468BIS-494)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 17-07-2003 GEPUBL. OP 10-09-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 681BIS/74; 681BIS/73)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 09-03-2003 GEPUBL. OP 30-04-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 270; 271; 281; 281BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-01-2003 GEPUBL. OP 28-03-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 635-381)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 13-02-2003 GEPUBL. OP 06-03-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 392BIS)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 04-07-2002 GEPUBL. OP 09-08-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 278; 505-512TER)
    (GEWIJZIGDE ART. : 278; 505-512TER)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 14-03-2002 GEPUBL. OP 14-03-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 349-357; 360-363; 358)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-03-2002 GEPUBL. OP 14-03-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 723TER2-723TER4)
    (GEWIJZIGDE ART. : N1*723BIS-N6*723BIS; 723TER1)
    (GEWIJZIGDE ART. : 395; 396; 696; 723BIS1-723BIS21)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-02-2002 GEPUBL. OP 14-03-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 723QUATER1-N1*723QUATER14)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-01-2001 GEPUBL. OP 07-02-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 437BIS; 462TREDECIES)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 30-11-2000 GEPUBL. OP 17-01-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 6N1*681BIS; BIJL.)
    (GEWIJZIGDE ART. : 681BIS/73; 681BIS/74)
    (GEWIJZIGDE ART. : 681BIS/65; 681BIS/69)
    (GEWIJZIGDE ART. : 681QUA; 681BIS/2; 681BIS/63)
    (GEWIJZIGDE ART. : 590; 591; 599; 599BIS; 634TER/3)
    (GEWIJZIGDE ART. : 634TER/4-634TER/6; 634QUA)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-05-1999 GEPUBL. OP 08-10-1999
    (GEWIJZIGD ART. : N5*723BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-1999 GEPUBL. OP 08-10-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 349BIS; 350-357; 359-361)
    (GEWIJZIGDE ART. : 327; 327BIS; 328-341; 363BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 292-308; 309-312; 313; 314-31)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 04-03-1999 GEPUBL. OP 11-06-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 681BIS/1-681BIS/76)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-05-1999 GEPUBL. OP 04-06-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 563BIS; 564; 573)
    (GEWIJZIGDE ART. : 503; 504; 551-560; 561; 562; 563)
    (GEWIJZIGDE ART. : 284-291; 292-308; 502; 502BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 434.4.2; 434.5.1; 434.5.2; 466)
    (GEWIJZIGDE ART. : 325; 327; 327BIS; 328-341)
    (GEWIJZIGDE ART. : 270BIS; 309-318; 321; 322; 324)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-05-1999 GEPUBL. OP 04-06-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 269; 269BIS; 275; 276; 277; 279)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-05-1999 GEPUBL. OP 11-05-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 437BIS; 462TREDEC)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 04-03-1999 GEPUBL. OP 08-04-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 392TER)
  • originele versie
  • BESLUIT (BRUSSEL) VAN 21-01-1999 GEPUBL. OP 24-03-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 583-599)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 21-01-1999 GEPUBL. OP 10-02-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 392BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-08-1998 GEPUBL. OP 11-09-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 270; 271; 280)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-03-1998 GEPUBL. OP 15-05-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 575-634)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-02-1998 GEPUBL. OP 21-02-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 723TER8)
  • 1998027009; 1998-01-15
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 27-11-1997 GEPUBL. OP 15-01-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 682)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-06-1997 GEPUBL. OP 19-09-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 222; 254; 286; 289; 348; 434; 610; 632; 652; 654; 655)
  • originele versie
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 03-07-1997 GEPUBL. OP 12-08-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 590; 591; 634TER/1-634TER/4)
  • BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 23-05-1996 GEPUBL. OP 27-06-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 584; 602; 634BIS/1-634BIS/6)
  • VLAREM (DECREET) VAN 01-06-1995 GEPUBL. OP 31-07-1995
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-05-1995 GEPUBL. OP 31-05-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 320-323; 268; 269; 270; 271; 273; 283BIS; 533; 570; 269BIS; 452; 453)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-12-1993 GEPUBL. OP 05-01-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 696)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 02-12-1993 GEPUBL. OP 29-12-1993
    (GEWIJZIGD ART. : N5*723BIS)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-06-1993 GEPUBL. OP 14-07-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 358A)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-06-1993 GEPUBL. OP 06-07-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 263; 359; 361BIS)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-1990 GEPUBL. OP 06-06-1990
    (GEWIJZIGD ART. : N1*727bis)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 80 uitvoeringbesluiten 80 gearchiveerde versies
    Franstalige versie