J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1879/08/21/1879082150/justel

Titel
21 AUGUSTUS 1879. - [Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen](WET houdende Boek II van het Wetboek van Koophandel). - <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> <W 2018-04-15/14, art. 259, 016; Inwerkingtreding : 01-11-2018>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-04-1987 en tekstbijwerking tot 30-05-2018) Zie wijziging(en)

Publicatie : 04-09-1879 nummer :   1879082150 bladzijde : 2989
Dossiernummer : 1879-08-21/30
Inwerkingtreding : 14-09-1879

Inhoudstafel Tekst Begin
BOEK II. (ZEEVAART EN BINNENVAART.) <W 1997-10-21/30, art. 2, Inwerkingtreding : 07-12-1997>
EERSTE TITEL. Zeeschepen en andere zeevaartuigen.
(HOOFDSTUK I. Van zeeschepen.) <W 1990-12-21/31, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 1996-05-11>
Art. 1-7, 7bis
HOOFDSTUK II. Openbaarheid van zakelijke rechten op zeeschepen.
Art. 8-18
HOOFDSTUK III. - Voorrechten en hypotheken op zeeschepen.
Art. 19-22
Afdeling I. - Voorrechten op zeeschepen.
Art. 23-24
Afdeling II. - Hypotheek op zeeschepen.
Art. 25-36
Afdeling III. - Tenietgaan van voorrechten en hypotheken.
Art. 37-42
HOOFDSTUK IV. - [1 Openbaarheid van de hypothecaire bescheiden en verantwoordelijkheid van het Belgisch Scheepsregister]1
Art. 43-45
TITEL II. - Eigenaar en bemanning van zeeschepen.
HOOFDSTUK I. - (Scheepseigenaars). <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997>
Afdeling I. - (Aansprakelijkheid van scheepseigenaars.) <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997>
Art. 46
Afdeling II. -(Beperking van de aansprakelijkheid). <W 1989-04-11/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
Art. 47
Afdeling III. - (Vorming van het beperkingsfonds en bevoegdheidsregeling). <W 1989-11-04/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
Art. 48-49
Afdeling IV. - (Procedure van vereffening en verdeling van het fonds). <W 1989-04-11/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
Art. 50-52
Afdeling V. - (Omrekening in nationale munt). <W 1989-04-11/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
Art. 53
Afdeling VI. - (Algemene bepalingen). <W 1989-04-11/30, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>
Art. 54-57
HOOFDSTUK II. De bemanning.
EERSTE AFDELING. De kapitein.
§ 1. Rechten en verplichtingen van de kapitein.
Art. 58-84
§ 2. Het cognossement
Art. 85-91
Afdeling II. Matrozen en schepelingen.
Art. 92-110
Bepaling aan de twee vorige afdelingen gemeen
Art. 111
TITEL III. Charterpartij of overeenkomst van scheepsduur.
EERSTE HOOFDSTUK. Aard en vorm van de overeenkomst.
Art. 112-116
HOOFDSTUK II. - Gevolgen van de overeenkomst.
Afdeling I. - Verplichtingen van de vervrachter.
Art. 117-119
Afdeling II. - Verplichtingen van de bevrachter.
§ 1. Algemene regels.
Art. 120-126
§ 2. Vertraging bij de aankomst ter bestemming.
Art. 127-131
§ 3. Het niet ter bestemming aankomen van de lading.
Art. 132-143
HOOFDSTUK III. - Averij en averijregeling.
Art. 144-164
TITEL IV. Vervoer van reizigers over zee.
Art. 165-178
TITEL V. - Bodemerij.
Art. 179-190
TITEL VI. Zeeverzekering.
EERSTE AFDELING. Vorm en inhoud van de verzekeringsovereenkomst.
Art. 191-199
AFDELING II. Verplichtingen van de verzekeraar en van de verzekerde.
Art. 200-221
Afdeling III. - Abandonnement.
Art. 222-250
TITEL VII. Aanvaring.
Art. 251-256
TITEL VIII. - (Hulp en berging). <ingevoegd bij W 12-08-1911, art. 3>
Art. 257-265
TITEL IX. - Middelen van niet-ontvankelijkheid en verjaring. (De titel en de artikelen 266-270 vernummerd bij W 10-02-1908,art. 4 en bij W 12-08-1911, art. 6.)
Art. 266-270
TITEL X. - Binnenschepen. <De titel en de artikelen 271-279 ingevoegd bij W 10-02-1908, art. 6, en vernummerd bij W 12-08-1911, art. 6.>
Art. 271-272, 272bis, 273-279

Tekst Inhoudstafel Begin
BOEK II. _ (ZEEVAART EN BINNENVAART.) <W 1997-10-21/30, art. 2, Inwerkingtreding : 07-12-1997>

  EERSTE TITEL. _ Zeeschepen en andere zeevaartuigen.

  (HOOFDSTUK I. _ Van zeeschepen.) <W 1990-12-21/31, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 1996-05-11>

  Artikel 1. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Voor de toepassing van deze wet worden als zeeschepen beschouwd alle vaartuigen van ten minste 25 ton, bestemd of gewoonlijk gebruikt voor personen- of goederenvervoer, visserij, sleepvaart of enige andere winstgevende scheepvaartverrichting ter zee.

  Art. 2. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Zeeschepen zijn roerende goederen. Zij zijn echter niet onderworpen aan de regel dat met betrekking tot roerende goederen het bezit als titel geldt.

  Art. 3. (Opgeheven) <W 1990-12-21/31, art. 32, 1°, 004; Inwerkingtreding : 1996-05-11>

  Art. 4. (opgeheven) <W 1990-12-21/31, art. 32, 1°, 004; Inwerkingtreding : 1996-05-11>

  Art. 5. (Opgeheven) <W 1990-12-21/31, art. 32, 1°, 004; Inwerkingtreding : 1996-05-11>

  Art. 6. (Opgeheven) <W 1990-12-21/31, art. 32, 1°, 004; Inwerkingtreding : 1996-05-11>

  Art. 7. (Opgeheven) <W 1990-12-21/31, art. 32, 1°, 004; Inwerkingtreding : 1996-05-11>

  Art. 7bis. (Opgeheven) <W 1990-12-21/31, art. 32, 1°, 004; Inwerkingtreding : 1996-05-11>

  HOOFDSTUK II. _ Openbaarheid van zakelijke rechten op zeeschepen.

  Art. 8. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Akten en vonnissen die bewijs opleveren van een overeenkomst tot vestiging, overdracht, aanwijzing of tenietdoening van zakelijke rechten, met uitzondering van voorrechten, op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw, worden ingeschreven in het register der zeeschepen; zij kunnen niet eerder aan derden worden tegengesteld.

  Art. 9. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In het register der zeeschepen worden eveneens ingeschreven de eisen tot ontbinding, herroeping, nietigverklaring van een onder het vorige artikel vallende overeenkomst, of tot het doen vaststellen van het bestaan van zakelijke rechten, met uitzondering van voorrechten, op een zeeschip of een zeeschip in aanbouw, alsmede de vonnissen op deze eisen gewezen.
  Deze eisen zijn eerst ontvankelijk nadat zij ingeschreven zijn. De nietontvankelijkheid moet door de rechter ambtshalve worden opgeworpen; zij kan in elke stand van het geding worden voorgedragen.
  De griffier mag geen expeditie van het vonnis afgeven voordat hem is gebleken dat het vonnis ingeschreven is, op straffe van vergoeding van alle schade.

  Art. 10. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Geregistreerde onderhandse akten en authentieke akten worden tot inschrijving toegelaten.

  Art. 11. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Een akte wordt niet tot inschrijving toegelaten wanneer het schip niet in het register der zeeschepen geregistreerd is.

  Art. 12.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Voor de inschrijving in het register der zeeschepen ingevolge artikel 8 wordt aan [1 het Belgisch Scheepsregister]1 de aan de regel van de openbaarheid onderworpen akte zelf overgelegd indien het een onderhandse akte is, of een expeditie indien het een authentieke akte is.
  Van een onderhandse akte worden twee originelen overgelegd. Van een authentieke akte worden een expeditie en een gewaarmerkt afschrift overgelegd.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 13.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> [1 Het Belgisch Scheepsregister]1 vermeldt :
  1° de datum van de akte;
  2° de aard van de akte en, indien het een authentieke akte is, de vermelding van welke openbare ambtenaar of rechtbank zij uitgaat;
  3° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen;
  4° de aard en hoofdbestanddelen van de overeenkomst.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 14.Na de inschrijving geeft [1 het Belgisch Scheepsregister]1 aan de aanvrager de expeditie van de authentieke akte of een van de originelen van de onderhandse akte terug. Onderaan op het stuk bevestigt hij de inschrijving te hebben verricht en vermeldt datum en nummer ervan.
  Het gewaarmerkte afschrift van de authentieke akte of één origineel van de onderhandse akte blijft ten kantore berusten.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 15.Wordt de in te schrijven akte door de kapitein tijdens de reis opgemaakt, dan kan de formaliteit worden vervuld op vertoon van een telegram dat de in artikel 13 bedoelde gegevens bevat.
  Deze formaliteit heeft alle wettelijke gevolgen, mits de akte aan [1 het Belgisch Scheepsregister]1 ter inschrijving wordt aangeboden binnen drie maanden na de inschrijving van het telegram.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 16.Voor de inschrijving ingevolge artikel 9 worden aan [3 het Belgisch Scheepsregister]3 overgelegd:
  1° indien het een eis in rechte betreft, twee uittreksels bevattende de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen, de vermelding van de rechten waarvan de vaststelling, ontbinding, herroeping of vernietiging wordt gevorderd, en van de rechtbank die van de eis kennis moet nemen;
  2° indien het een vonnis betreft, twee uittreksels door de griffier afgegeven en bevattende de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van de partijen, het beschikkende gedeelte van de beslissing, alsook de vermelding van de rechtbank of het hof waardoor de beslissing is gewezen.
  [2 Het Belgisch Scheepsregister]2 geeft aan de verzoeker een van de uittreksels terug, waarop hij de verklaring aanbrengt dat de inschrijving gedaan is.
  Is het zeeschip waarop de eis tot ontbinding, tot herroeping of tot vernietiging betrekking heeft niet in België geregistreerd, dan beperkt [1 het Belgisch Scheepsregister]1 zich tot de vaststelling in het register van de overleggingen, van de overlegging van de vermelde uittreksels. Hij gaat tot de inschrijving over als achteraf de registratie van het zeeschip wordt gevraagd.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>
  (2)<W 2016-12-25/46, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>
  (3)<W 2016-12-25/46, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 17.Indien op dezelfde dag verscheidene aan de regel van de openbaarheid onderworpen titels op [2 het Belgisch Scheepsregister]2 zijn aangeboden, wordt de voorrang bepaald naar het volgnummer waaronder [1 het Belgisch Scheepsregister]1 de overhandiging heeft vermeld in het register der neergelegde titels.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>
  (2)<W 2016-12-25/46, art. 6, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 18. Verzuim van een of meer van de formaliteiten, bij de vorige artikelen voorgeschreven, heeft alleen dan nietigheid van de inschrijving ten gevolge, wanneer daaruit nadeel voor derden ontstaat.

  HOOFDSTUK III. - Voorrechten en hypotheken op zeeschepen.

  Art. 19. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De voorrang tussen de schuldeisers van een schip vloeit voort uit voorrecht of uit hypotheek. Het voorrecht is verbonden aan de aard van de schuldvordering; het gaat altijd boven hypotheek.

  Art. 20. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De schuldeisers die een voorrecht of een ingeschreven hypotheek hebben op een schip, volgen dat schip, in wiens handen het ook overgaat; zij worden gerangschikt en betaald volgens de orde van hun schuldvorderingen of inschrijvingen.

  Art. 21. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien de derde-bezitter de bevoorrechte en hypothecaire schulden niet betaalt binnen de betalings- en uitsteltermijnen aan de schuldenaar verleend of de hierna te bepalen formaliteiten om zijn eigendom te zuiveren niet vervult, heeft elke schuldeiser het recht om het bezwaarde schip tegen hem te doen verkopen.

  Art. 22. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Verandering van nationaliteit laat de rechten waarmede het schip bezwaard is onverminderd. De omvang van die rechten wordt geregeld door de wet van het land onder welke vlag het schip wettig voer ten tijde van de verandering van nationaliteit.

  Afdeling I. - Voorrechten op zeeschepen.

  Art. 23.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. Bevoorrechte schuldvorderingen op het zeeschip, op de vracht voor de reis tijdens welke zij ontstaan zijn, en op het toebehoren van schip en vracht na de aanvang van de reis verkregen, zijn alleen:
  1° de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de andere kosten in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers gemaakt voor het behoud van het schip of voor de verkoop en de verdeling van de opbrengst; de tonne-, vuur- of havengelden en soortgelijke openbare heffingen en belastingen, de loodslonen, de kosten van bewaking en behoud sinds het schip in de laatste haven is binnengelopen;
  2° de schuldvorderingen uit de arbeidsovereenkomst van de kapitein, van de schepelingen en van de overige personen die aan boord van het schip in dienst zijn;
  2°bis de bijdragen, op grond van de arbeidsovereenkomst van de kapitein, het scheepsvolk en de overige personen welke zich in dienst van het schip aan boord bevinden, verschuldigd aan de [1 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]1, alsmede de bijdragen waarvan deze laatste de inning verzekert;
  3° het hulp- en bergloon en de bijdrage van het schip in de gemene averij;
  4° de vergoedingen wegens aanvaring of andere scheepvaartongevallen, alsmede wegens schade aan kunstwerken van havens, dokken en waterwegen, wegens lichamelijk letsel aan passagiers en schepelingen, wegens verlies of beschadiging van lading of bagage;
  5° de schuldvorderingen uit overeenkomsten of handelingen die de kapitein krachtens zijn wettelijke bevoegdheden gesloten of verricht heeft buiten de thuishaven en die werkelijk noodzakelijk waren voor het behoud van het schip of de voortzetting van de reis, onverschillig of de kapitein tevens eigenaar is van het schip en of de schuldvordering aan hem dan wel aan leveranciers, herstellers, geldschieters of andere contractanten behoort.
  § 2. Onder het in § 1 bedoelde toebehoren van schip en vracht wordt verstaan:
  1° de vergoeding aan de eigenaar verschuldigd wegens niet herstelde stoffelijke schade aan het schip of wegens verlies van vracht;
  2° de vergoeding aan de eigenaar verschuldigd voor gemene averij, voor zover deze bestaat hetzij in niet-herstelde stoffelijke schade aan het schip, hetzij in verlies van vracht;
  3° het loon aan de eigenaar verschuldigd wegens hulpverlening of berging voor het einde van de reis, na aftrek van de bedragen toegekend aan de kapitein en andere personen in dienst van het schip.
  Het passagegeld wordt gelijkgesteld met de vracht.
  Als toebehoren van schip of vracht worden niet beschouwd de vergoedingen aan de eigenaar verschuldigd krachtens verzekeringsovereenkomsten, evenmin als de premies, toelagen of andere subsidies van het eigen land.
  In afwijking van § 1 strekt het voorrecht ten bate van de personen in dienst van het schip zich uit tot alle vrachten voor alle reizen die in de loop van eenzelfde arbeidsovereenkomst zijn gemaakt.
  ----------
  (1)<KB 2018-05-15/05, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 24.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. Schuldvorderingen die op een zelfde reis betrekking hebben, zijn bevoorrecht in de volgorde waarin zij in artikel 23, § 1, gerangschikt zijn. De schuldvorderingen bedoeld onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk en worden naar evenredigheid betaald ingeval de opbrengst ontoereikend is.
  Schuldvorderingen als bedoeld onder de nrs 3 en 5 worden in elk van die categorieën bij voorrang betaald in omgekeerde volgorde van de tijdstippen waarop zij ontstaan zijn.
  Schuldvorderingen die betrekking hebben op eenzelfde voorval, worden geacht gelijktijdig te zijn ontstaan.
  § 2. Bevoorrechte schuldvorderingen van de laatste reis hebben voorrang boven die van de voorgaande reizen.
  Schuldvorderingen uit een en dezelfde arbeidsovereenkomst aangegaan voor verscheidene reizen, staan evenwel alle in rang gelijk met de schuldvorderingen van de laatste reis.
  § 3. Bij de verdeling van de opbrengst van de verkoop der bij voorrecht verbonden zaken kunnen de bevoorrechte schuldeisers opkomen voor het totaal bedrag van hun schuldvorderingen, met dien verstande dat daarop geen vermindering wordt toegepast volgens de regels van de aansprakelijkheidsbeperking, maar hun ook geen hoger bedrag wordt uitgekeerd dan krachtens die regels verschuldigd is.
  § 4. Het voorrecht op de vracht kan worden uitgeoefend, zolang de vracht nog verschuldigd is of het bedrag van de vracht zich nog bevindt in handen van de kapitein of de vertegenwoordiger van de eigenaar. Hetzelfde geldt ten aanzien van het voorrecht op het toebehoren.
  § 5. De bepalingen van dit artikel en van artikel 23 zijn van toepassing op een schip geëxploiteerd door een reder die er niet de eigenaar van is of door een bevrachter van het gehele schip, tenzij de eigenaar buiten het bezit gesteld is door een onrechtmatige daad en bovendien de schuldeiser niet te goeder trouw is.
  § 6. Het voorrecht bepaald in bovenstaand artikel 23, 2°bis heeft voorrang boven het voorrecht van de [1 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]1, bepaald in artikel 19, 4°ter, van de hypotheekwet van 16 december 1851.
  ----------
  (1)<KB 2018-05-15/05, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Afdeling II. - Hypotheek op zeeschepen.

  Art. 25. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Zeeschepen kunnen met hypotheek worden bezwaard bij overeenkomst tussen de partijen.
  De artikelen 73, 74 en 75 van de wet van 16 december 1851 zijn op die hypotheek van toepassing.

  Art. 26. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De scheepshypotheek is alleen dan geldig, wanneer zij verleend wordt op een duidelijk aangewezen vaartuig en voor een bepaald bedrag.
  Zij kan worden gevestigd op een schip in aanbouw.
  Art. 79 en de vijf laatste leden van artikel 80 van de wet van 16 december 1851 zijn erop toepasselijk.

  Art. 27. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Tenzij het tegendeel bedongen is, strekt de scheepshypotheek zich uit tot tuig en takelage, machines en ander toebehoren. Zij strekt zich ook uit tot de vracht.

  Art. 28. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De hypotheek waarborgt drie jaar rente in dezelfde rang als de hoofdsom.

  Art. 29. De hypotheek kan ingeschreven worden zolang zij bestaat.
  Bij overlijden van de schuldenaar moet de inschrijving geschieden binnen drie maanden na het openvallen van de erfenis.
  De inschrijving kan niet meer genomen worden na inschrijving van de akte van vervreemding of na faillissement van de schuldenaar.
  Wanneer het schip de Belgische nationaliteit verliest, kan geen hypotheek meer worden ingeschreven na de doorhaling van de registratie.

  Art. 30.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De titel van hypotheekvestiging bevat keuze van woonplaats door de schuldeiser [1 ten zetel van het Belgisch Scheepsregister]1.
  Deze vermeldt in het register der zeeschepen, benevens het in artikel 13 voorgeschrevene:
  1° de voet en de vervaldag van de rente, alsook de termijn van terugbetaling van de hoofdsom;
  2° in voorkomend geval het beding van dadelijke uitwinning;
  3° de keuze van woonplaats.
  Bij gebreke van keuze van woonplaats mogen alle betekeningen en kennisgevingen betreffende de inschrijving aan de procureur des Konings van het arrondissement gedaan worden.
  Het is aan degene in wiens voordeel een inschrijving bestaat, of aan zijn vertegenwoordigers, geoorloofd de gekozen woonplaats te veranderen, met inachtneming van de formaliteiten voorgeschreven in artikel 88 van de wet van 16 december 1851.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 31. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Tussen de hypothecaire schuldeisers onderling wordt de rang bepaald door de dag van de inschrijving en, indien de hypotheken op dezelfde dag zijn ingeschreven, door het volgnummer van de inschrijving.

  Art. 32.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De inschrijving houdt de hypotheek in stand gedurende vijftien jaren te rekenen van de dag der inschrijving. Zij houdt op van kracht te zijn indien de inschrijving niet is vernieuwd voor het verstrijken van de termijn.
  De inschrijving wordt vernieuwd op een bij [1 het Belgisch Scheepsregister]1 in tweevoud ingediend verzoekschrift waarin de te vernieuwen inschrijving nauwkeurig wordt aangewezen; anders geldt zij enkel als eerste inschrijving.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 33.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer een hypotheekrecht wordt overgedragen bij een onderhandse akte, moet de titel van hypotheekvestiging, voorzien van de vermelding der inschrijving, worden vertoond aan [1 het Belgisch Scheepsregister]1. Deze maakt daarop melding van de overdracht.
  Hetzelfde geldt voor overdracht bij een authentieke akte, verleden krachtens een onderhandse lastgeving of in het buitenland opgemaakt in de vorm bij de buitenlandse wet voorgeschreven.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 34. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Ingeval het schip vergaat of onzeewaardig wordt, oefent de schuldeiser zijn rechten uit op de geredde voorwerpen of op de opbrengst ervan, ook al is de schuld nog niet opeisbaar.
  In geval van averijregeling betreffende het schip kan de hypothecaire schuldeiser tussenkomen tot bewaring van zijn rechten; hij kan deze slechts uitoefenen wanneer de gehele vergoeding of een deel ervan niet is of wordt aangewend tot herstelling van het schip.

  Art. 35.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De inschrijvingen worden doorgehaald of verminderd, hetzij met toestemming van de belanghebbende partijen, daartoe bevoegd, hetzij krachtens een vonnis in laatste aanleg gewezen of in kracht van gewijsde gegaan, of uitvoerbaar verklaard niettegenstaande verzet of hoger beroep.
  De doorhaling of de vermindering wordt door [1 het Belgisch Scheepsregister]1 gedaan tegen overlegging hetzij van een expeditie der authentieke akte van toestemming, hetzij van de akte in brevet en van een gewaarmerkt afschrift (...), hetzij van de onderhandse akte, hetzij van een expeditie van het vonnis.
  Een woordelijk uittreksel uit de authentieke akte is voldoende, wanneer daarin wordt verklaard door de notaris die het heeft afgegeven dat de akte noch voorwaarde noch voorbehoud bevat.
  Is het een onderhandse akte, dan worden daarvan twee originelen opgemaakt (...) en de gehele of gedeeltelijke doorhaling wordt alleen gedaan op vertoon van de titel van hypotheekvestiging, voorzien van de vermelding der inschrijving. [2 Het Belgisch Scheepsregister]2 maakt er melding op van de gehele of gedeeltelijke doorhaling van de inschrijving.
  De titel van vestiging moet eveneens worden vertoond wanneer het een authentieke akte betreft, verleden krachtens een onderhandse lastgeving of in het buitenland opgemaakt in de vorm bij de buitenlandse wet voorgeschreven.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>
  (2)<W 2016-12-25/46, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 36. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De vorderingen tot doorhaling en vermindering vallen onder toepassing van de artikelen 94 en 95 van de wet van 16 december 1851.

  Afdeling III. - Tenietgaan van voorrechten en hypotheken.

  Art. 37. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De voorrechten en hypotheken gaan teniet:
  1° door het tenietgaan van de hoofdverbintenis;
  2° door de afstand van het voorrecht of van de hypotheek door de schuldeiser;
  3° door de gedwongen verkoop van het bezwaarde schip;
  4° door de vrijwillige vervreemding van het bezwaarde schip, gevolgd van de vervulling van de hierna voorgeschreven formaliteiten en voorwaarden.
  Bovendien gaan de voorrechten, buiten de hiervoren bepaalde gevallen, teniet door verloop van één jaar, met uitzondering van de in artikel 23, § 1, 5°, bedoelde schuldvorderingen wegens leveringen, waarvoor de termijn zes maanden niet mag overschrijden.
  Voor de voorrechten tot waarborging van hulp- en bergloon loopt de termijn te rekenen van de dag waarop de verrichtingen geëindigd zijn; voor het voorrecht tot waarborging van vergoedingen wegens aanvaring en andere ongevallen en wegens lichamelijk letsel, van de dag waarop de schade veroorzaakt is; voor het voorrecht ten aanzien van verlies of beschadiging van lading of bagage, van de dag waarop de lading of de bagage is of moest worden afgeleverd; voor herstellingen, leveringen en andere gevallen als bedoeld in artikel 23, § 1, 5°, van de dag waarop de schuldvordering ontstaan is. In alle overige gevallen loopt de termijn te rekenen van de dag waarop de schuldvordering opeisbaar is.
  Het recht om voorschotten of betalingen op afrekening te vragen heeft niet ten gevolge dat de in artikel 23, § 1, 2°, bedoelde schuldvorderingen van de aan boord in dienst zijnde personen opeisbaar worden.
  Wanneer de eiser het bezwaarde schip niet in beslag heeft kunnen nemen in de territoriale wateren van de Staat waar hij zijn woonplaats of zijn hoofdverblijf heeft, wordt de hiervoren gestelde termijn verlengd tot ten hoogste drie jaar te rekenen van het ontstaan van de schuldvordering.

  Art. 38. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De voorrechten gaan teniet door vrijwillige vervreemding, mits:
  1° de akte van vervreemding wordt ingeschreven overeenkomstig artikel 8;
  2° de vervreemding tweemaal en met een tussentijd van ten minste acht dagen wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, alsmede in een van de bladen van Antwerpen, van Gent en van het arrondissement waarin de thuishaven gelegen is;
  3° de schuldeiser binnen een maand na de inschrijving of na de laatste bekendmaking geen verzet betekent aan de vroegere of aan de nieuwe eigenaar.
  Het recht van voorrang van de schuldeiser blijft echter bestaan op de koopprijs, zolang deze niet is betaald of verdeeld.

  Art. 39. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De hypotheken gaan teniet door vrijwillige vervreemding, mits de nieuwe eigenaar, binnen zes maanden na de inschrijving van zijn titel of, in geval van vervolging in de loop van die zes maanden, binnen vijftien dagen na de betekening van het bevel dat aan de beslaglegging voorafgaat, aan alle ingeschreven schuldeisers, aan de woonplaats door hen bij de inschrijving gekozen, betekent:
  1° een uittreksel uit zijn titel bevattende de dagtekening en de aard van de akten, de aanwijzing van de partijen, de naam, de soort en de tonnenmaat van het schip, de prijs en de lasten die van de prijs deel uitmaken, de waardering van de zaak, indien deze geschonken is of overgedragen anders dan door verkoop;
  2° de opgave van de datum van inschrijving van zijn titel;
  3° een tabel in drie kolommen, waarvan de eerste de dagtekening van de inschrijvingen bevat, de tweede de naam van de schuldeisers en de derde het bedrag van de ingeschreven schuldvorderingen.

  Art. 40. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De nieuwe eigenaar verklaart in de akte van kennisgeving dat hij de hypothecaire schulden en lasten zal voldoen ten belope van de prijs of van de opgegeven waarde, zonder enige aftrek ten voordele van de verkoper of van wie ook.
  Behoudens beding van het tegendeel in de titels van schuldvordering, heeft hij het genot van elke tijdsbepaling en van elk uitstel van betaling, aan de oorspronkelijke schuldenaar verleend, en hij neemt de termijnen in acht die tegen de laatstgenoemde zijn bedongen.
  De niet vervallen schuldvorderingen die slechts voor een gedeelte batig zijn gerangschikt, zijn onmiddellijk opeisbaar, ten belope van dit gedeelte ten aanzien van de nieuwe eigenaar, en voor het geheel ten aanzien van de schuldenaar.

  Art. 41. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien een van de ingeschreven schuldeisers een rechtsvordering tot ontbinding bezit en ze wil instellen, moet hij zulks op straffe van verval verklaren ter griffie van de rechtbank voor welke de rangregeling moet worden vervolgd.
  De verklaring moet binnen vijftien dagen na de kennisgeving worden gedaan en binnen tien dagen worden gevolgd door het instellen van de eis tot ontbinding.
  Te rekenen van de dag waarop de schuldeiser verklaart dat hij de rechtsvordering tot ontbinding wil instellen, is de zuivering geschorst en zij kan pas worden hervat nadat de schuldeiser afstand heeft gedaan van de rechtsvordering tot ontbinding, of nadat deze vordering is afgewezen.

  Art. 42. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Binnen vijftien dagen na de kennisgeving, gedaan op verzoek van de nieuwe eigenaar, kan ieder ingeschreven schuldeiser vorderen dat het schip in openbare veiling verkocht wordt onder de voorwaarden bepaald in artikel 115 van de wet van 16 december 1851.
  De artikelen 116, 117, 118, 120, 121 en 122 van de genoemde wet zijn mede van toepassing.

  HOOFDSTUK IV. - [1 Openbaarheid van de hypothecaire bescheiden en verantwoordelijkheid van het Belgisch Scheepsregister]1
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 8, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 43.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> [1 Het Belgisch Scheepsregister]1 houdt een register der overleggingen waarin, naar volgorde van de aanbiedingen blijkende uit een doorlopende nummering, worden vastgesteld:
  a) de overleggingen van stukken aangeboden ter registratie of wijziging van de registratie van zeeschepen;
  b) de overleggingen ter inschrijving van akten, vonnissen en rechtsvorderingen bedoeld in de artikelen 8 en 9 van deze wet.
  Elk blad van het register der overleggingen wordt genummerd en gekorttekend door [2 een ambtenaar van het Belgisch Scheepsregister]2.
  Het register wordt iedere dag door [1 het Belgisch Scheepsregister]1 afgesloten.
  Na het volledig gebruik van het register wordt er zonder verplaatsing een duplicaat van gemaakt door [1 een ambtenaar van het Belgisch Scheepsregister]1. De [2 minister bevoegd voor maritieme mobiliteit]2 bepaalt op welke wijze dit duplicaat wordt gemaakt. Hij bepaalt bij welke rechtbank het moet worden neergelegd en de modaliteiten van deze neerlegging.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>
  (2)<W 2016-12-25/46, art. 9, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 44. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het houden van het register der zeeschepen en de vorm van de inschrijvingen worden geregeld bij koninklijk besluit.

  Art. 45.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> [1 Het Belgisch Scheepsregister]1 verstrekt aan ieder die erom verzoekt, een afschrift of een uittreksel uit het register der zeeschepen en uit zijn archief van neergelegde stukken en in voorkomend geval een getuigschrift van ontstentenis.
  De artikelen 126, 128, 129 en 130 van de wet van 16 december 1851 zijn mede van toepassing.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  TITEL II. - Eigenaar en bemanning van zeeschepen.

  HOOFDSTUK I. - (Scheepseigenaars). <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997>

  Afdeling I. - (Aansprakelijkheid van scheepseigenaars.) <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997>

  Art. 46. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. Iedere scheepseigenaar is persoonlijk aansprakelijk voor zijn eigen handelingen, verzuimen of verbintenissen.
  § 2. De scheepseigenaar is burgerlijk aansprakelijk voor de handelingen van de kapitein en staat in voor de verbintenissen door deze aangegaan in het uitoefenen van zijn dienst.
  § 3. De scheepseigenaar is burgerlijk aansprakelijk voor de handelingen van de bemanning, van de loods en van andere als dusdanig werkzaam zijnde aangestelden, in het uitoefenen van hun respectieve dienst.
  § 4. Artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is van toepassing op de persoonlijke aansprakelijkheid van de aangestelden van de scheepseigenaar of hulpverlener voor schade, bij de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst in dienst van het schip, toegebracht aan de scheepseigenaar of aan derden.

  Afdeling II. -(Beperking van de aansprakelijkheid). <W 1989-04-11/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>

  Art. 47. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de §§ 2 en 3 hierna, kan de scheepseigenaar zijn aansprakelijkheid beperken overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag betreffende de beperking van de aansprakelijkheid inzake zeevorderingen, opgemaakt te Londen op 19 november 1976, verder "LLMC-Verdrag" genoemd.
  De toepassing van artikel 2, § 1, letters d en e van dat verdrag is evenwel uitgesloten.
  § 2. De scheepseigenaar kan zijn aansprakelijkheid voor schade door olieverontreiniging beperken overeenkomstig de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, en van de Bijlage, opgemaakt te Brussel op 29 november 1969, van de wet van 20 juli 1976 houdende goedkeuring en uitvoering van dit Verdrag, en van het Protocol bij dit Verdrag, opgemaakt te Londen op 19 november 1976, in zoverre het oliën betreft die omschreven staan in dit Verdrag.
  § 3. De vervoerder van passagiers en hun reisgoed over zee kan zijn aansprakelijkheid beperken overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag betreffende het vervoer over zee van passagiers en hun reisgoed, opgemaakt te Athene op 13 december 1974 en van zijn Protocol, opgemaakt te Londen op 19 november 1976, en desgevallend van de artikelen 7, 8, 9 § 2, 10 tot 13 en 15 § 1, van het LLMC-Verdrag.
  De Koning stelt de hogere aansprakelijkheidslimiet per hoofd vast waarvan sprake in artikel 72 van het verdrag van Athene.
  § 4. De hulpverlener die niet vanaf een schip optreedt of enkel optreedt aan boord van het schip waaraan of ten opzichte waarvan hulp- of bergingsdiensten worden verleend, kan zijn aansprakelijkheid beperken tot het bedrag vastgesteld in artikel 6, § 4, van het LLMC-Verdrag.

  Afdeling III. - (Vorming van het beperkingsfonds en bevoegdheidsregeling). <W 1989-11-04/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>

  Art. 48. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. De scheepseigenaar of hulpverlener vraagt de vorming van het fonds geregeld door het LLMC-Verdrag, door indiening van een verzoekschrift bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel die bevoegd is krachtens artikel 627, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 1026 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Het moet bovendien vermelden: nationaliteit en naam van het schip, het voorval waarbij de schade is opgelopen, met vermelding van datum en plaats, het wettelijk bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking zoals verzoeker het heeft geraamd, en de wijze waarop hij voornemens is het beperkingsfonds te vormen: storting in speciën of garantiestelling.
  Bij het verzoekschrift worden gevoegd:
  1° de door de verzoeker gewaarmerkte lijst van de hem bekende schuldeisers ten aanzien van wie hij meent de beperking van zijn aansprakelijkheid te kunnen inroepen, met vermelding zo mogelijk van eenieders woonplaats, alsook van het definitief of voorlopig bedrag en van de aard van elke schuldvordering;
  2° alle stukken tot staving van de berekening van het wettelijk bedrag van de aansprakelijkheidsbeperking.
  § 2. Indiening van het verzoekschrift houdt geen erkenning van aansprakelijkheid in.
  § 3. De voorzitter van de rechtbank van koophandel verifieert bij voorraad of het door de verzoeker opgegeven bedrag overeenkomt met het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid kan worden beperkt. Zodra de voorzitter heeft vastgesteld dat beide bedragen overeenstemmen, geeft hij bevel tot instelling van de procedure tot vorming van het fonds.
  Heeft de verzoeker niet aangeboden het bedrag, waartoe zijn aansprakelijkheid kan worden beperkt, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf de dag van de schadeverwekkende gebeurtenis tot de dag waarop het beperkingsfonds zal zijn gevormd, in speciën te storten, dan beveelt de voorzitter het instellen van de procedure slechts indien de verzoeker het stellen van een garantie aanbiedt die aanvaardbaar en toereikend is.
  De voorgestelde garantie is aanvaardbaar als, naar het oordeel van de voorzitter, zeker is dat het fonds werkelijk beschikbaar zal zijn en vrij overdraagbaar zodra de garantie gesteld is.
  De garantie is toereikend als haar bedrag overeenstemt met het bedrag waartoe de aansprakelijkheid kan worden beperkt, vermeerderd met een provisie voor dekking van de wettelijke interesten voor een door de voorzitter geschikt geachte tijdsduur.
  Het bepaalde in de artikelen 2040 tot 2043 van het Burgerlijk Wetboek is toepasselijk op de door de verzoeker te stellen garantie.
  De beschikking vermeldt de termijn waarbinnen de storting gedaan of de garantie verstrekt moet worden, welke termijn niet langer mag zijn dan een maand te rekenen van de datum van de beschikking; deze laatste bepaalt bovendien de door de verzoeker binnen dezelfde termijn te storten provisie voor het dekken van de kosten van de procedure tot vorming, vereffening en verdeling van het beperkingsfonds.
  De voorzitter benoemt een rechter-commissaris en een vereffenaar.
  Het salaris van de vereffenaar wordt geregeld door de voorzitter met inachtneming van de aard en de belangrijkheid van de procedure tot vorming, vereffening en verdeling van het fonds.
  Het bepaalde in de artikelen 460, 462 en 463 van Boek III van dit Wetboek, is van toepassing op de werkzaamheden van de rechter-commissaris en van de vereffenaar.
  § 4. Bij storting in speciën duidt de vereffenaar de instelling aan waarbij het geld moet worden gedeponeerd. Dit deposito geschiedt op naam van de vereffenaar qualitate qua. Geen opvraging mag worden verricht zonder toestemming van de rechter-commissaris.
  De interesten van de gedeponeerde bedragen worden bij deze sommen geteld.
  Ingeval een garantie verstrekt wordt, wordt zij gesteld in het voordeel van de vereffenaar qualitate qua.
  Geen wijziging mag aan de aldus gestelde garantie worden aangebracht zonder machtiging van de rechter-commissaris.
  De provisie voor het dekken van de kosten van de procedure wordt overgemaakt aan de vereffenaar, die hierover beschikt onder controle van de rechter-commissaris.
  § 5. Op verslag van de vereffenaar waarin wordt gesteld dat de bedragen gedeponeerd zijn of dat de garantie gegeven is, stelt de voorzitter in een beschikking vast dat het fonds gevormd is. Vanaf die beschikking gelden voor het aanhangige schadegeval, artikel 13 van het LLMC-Verdrag en de artikelen 496 tot 500, 502 tot 504 en 508 van Boek III van dit Wetboek.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt de beschikking van de voorzitter gelijkgesteld met het vonnis van faillietverklaring vermeld in de voormelde artikelen 496, 504 en 508.
  De bekendmakingen vermeld in voormeld artikel 496 worden in voorkomend geval gedaan in één of meer buitenlandse maritieme bladen.
  Het verzet tegen de beschikking vermeld in het eerste lid wordt voor de rechtbank van koophandel gebracht. Het verzet moet gedaan worden binnen de drie maanden van de publicatie vermeld in voormeld artikel 496. Deze termijn wordt vermeerderd met de termijnen bepaald in artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 6. De bedragen van de beperkte aansprakelijkheid worden in de nationale munt omgerekend bij de verificatie vermeld in het eerste lid van § 3.
  Is er, voor de vaststelling van de vorming van het beperkingsfonds aanleiding tot verbetering, in de één of andere zin, van de omrekening in Belgische frank van het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid, dan wordt die verbetering uitgesproken bij beschikking van de voorzitter, die bepaalt binnen welke termijn de voorgeschreven maatregelen ten uitvoer worden gelegd.
  § 7. Artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing voor alle beschikkingen die de voorzitter verleent voor de rechtspleging vermeld in deze afdeling.

  Art. 49.<W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. Het vonnis of het arrest dat na de vorming van het fonds het faillissement van de verzoeker uitspreekt, [1 het reorganisatieplan homologeert of de overdracht onder gerechtelijk gezag beveelt]1, heeft voor het fonds geen gevolgen.
  § 2. De verzoeker en eventueel de curator van zijn faillissement moeten opgeroepen worden voor alle verrichtingen van de procedure tot vereffening en verdeling van het beperkingsfonds.
  ----------
  (1)<KB 2010-12-19/15, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 03-02-2011>

  Afdeling IV. - (Procedure van vereffening en verdeling van het fonds). <W 1989-04-11/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>

  Art. 50. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. Zodra de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar of van de hulpverlener vaststaat en deze gerechtigd zijn hun aansprakelijkheid te beperken, wordt de procedure voor vereffening en verdeling van het fonds voortgezet.
  § 2. De artikelen 496 tot 500, 502 tot 504 en 508 van Boek III van dit Wetboek zijn op de aangifte, de verificatie en de betwisting van de ten laste van het fonds neergelegde schuldvorderingen van toepassing.
  § 3. De bekendmaking vermeld in artikel 496 van Boek III van dit Wetboek wordt in voorkomend geval gedaan in één of meer buitenlandse maritieme bladen.

  Art. 51. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. Er kan geen enkel recht van voorrang uitgeoefend worden op het gedeelte van het beperkingsfonds dat bestemd is om de zaakschade te vereffenen.
  § 2. De vereffenaar maakt een ontwerp van verdeling op en deelt het mede aan de schuldeisers.
  In geval van betwisting van het ontwerp van verdeling doet de rechtbank van koophandel wier voorzitter van het geding kennis heeft genomen, uitspraak op verslag van de vereffenaar.

  Art. 52. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. De uitdeling van het fonds aan de schuldeisers geschiedt naar evenredigheid van hun bevestigde en geverifieerde schuldvorderingen.
  § 2. De betaling aan elke schuldeiser van het deel van het beperkingsfonds dat hem toekomt, maakt een einde aan zijn schuldvordering tegenover de verzoeker.
  § 3. Als alle schuldvorderingen werden vereffend, komt het eventuele saldo van het fonds toe aan degene die het gevormd heeft of, zo deze ondertussen is failliet gegaan, aan de failliete boedel.
  Op verslag van de vereffenaar, medeondertekend door de rechter-commissaris, wordt de procedure gesloten verklaard door de voorzitter van de rechtbank van koophandel die bevoegd is krachtens artikel 627, 10°, van het Gerechtelijk Wetboek..

  Afdeling V. - (Omrekening in nationale munt). <W 1989-04-11/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>

  Art. 53. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien de scheepseigenaar of de hulpverlener geen beperkingsfonds vormt, worden de bedragen van de beperkte aansprakelijkheid in de nationale munt omgerekend op de respectieve data van de betalingen.

  Afdeling VI. - (Algemene bepalingen). <W 1989-04-11/30, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-12-1989>

  Art. 54. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De termen "scheepseigenaar" en "hulpverlener" moeten worden verstaan in de betekenis die ze hebben in artikel 1, 2° en 3° van het Verdrag betreffende de beperking van de aansprakelijkheid voor zeevorderingen, opgemaakt te Londen op 19 november 1976.

  Art. 55. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien de ontslagen kapitein medeëigenaar is van het schip, kan hij van de medeëigendom afstand doen en de uitkering eisen van het daarmee overeenstemmend kapitaal.
  Het bedrag van dit kapitaal wordt bepaald door deskundigen, in onderlinge overeenstemming of ambtshalve te benoemen.

  Art. 56. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De reder die medeëigenaar of lasthebber van de eigenaars is, vertegenwoordigt de scheepseigenaars in rechte voor alles wat de uitrusting en de vaart betreft.

  Art. 57. <W 1997-10-21/30, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In alles wat het gemeenschappelijk belang van de scheepseigenaars aangaat, wordt het gevoelen van de meerderheid gevolgd.
  De meerderheid wordt bepaald door de scheepsaandelen die gezamenlijk de helft van de waarde van het schip te boven gaan.
  De veiling van een schip kan slechts worden toegestaan op vordering van de eigenaars die samen de helft van alle scheepsaandelen vertegenwoordigen, tenzij bij geschrifte het tegendeel bedongen is.
  In geval van veiling gaan de lasten die een scheepsaandeel bezwaren, van rechtswege over op het overeenkomstige deel van de prijs.

  HOOFDSTUK II. _ De bemanning.

  EERSTE AFDELING. _ De kapitein.

  § 1. Rechten en verplichtingen van de kapitein.

  Art. 58. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein, gezagvoerder of schipper, belast met het voeren van een zeeschip of een ander vaartuig, is zelfs voor lichte tekortkomingen bij de vervulling van zijn taak aansprakelijk.

  Art. 59. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Hij is aansprakelijk voor de goederen waarvan hij het vervoer op zich neemt.
  Hij geeft van die goederen een ontvangstbewijs af.
  Dat bewijs wordt cognossement genoemd.

  Art. 60. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het is de taak van de kapitein de samenstelling van de bemanning van het schip te bepalen, alsmede de matrozen en andere schepelingen te kiezen en te huren; hij doet dit echter in overeenstemming met de eigenaars, wanneer dezen zich ter plaatse bevinden of aldaar door gemachtigden vertegenwoordigd zijn.

  Art. 61. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein houdt een scheepsdagboek, per blad genummerd en geparafeerd door een van de rechters van de rechtbank van koophandel, dan wel door de burgemeester of een schepen in plaatsen waar geen rechtbank van koophandel bestaat.
  Dat dagboek vermeldt:
  - de beslissingen genomen tijdens de reis;
  - de ontvangsten en uitgaven betreffende het schip en in het algemeen, alles wat betrekking heeft op de lading en alles wat aanleiding kan geven tot het doen van rekening en verantwoording of tot het instellen van een rechtsvordering.

  Art. 62. (Opgeheven) <W 25-08-1920, art. 38>

  Art. 63. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein moet aan boord voorzien zijn van:
  - de zeebrieven;
  - de monsterrol;
  - de cognossementen;
  - de meetbrief;
  - het certificaat van deugdelijkheid of het voorlopig certificaat van deugdelijkheid en in voorkomend geval de vereiste internationale certificaten;
  - de door de wetgeving inzake douane en accijnzen vereiste documenten;
  - de staat van de hypothecaire inschrijvingen die op het schip genomen zijn;
  - in voorkomend geval het oliejournaal en, wanneer het schip daadwerkelijk meer dan 2 000 ton olie in bulk als lading vervoert, het certificaat van verzekering of van financiële zekerheid.

  Art. 64. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein moet persoonlijk aanwezig zijn op het schip bij het in- en uitvaren van havens, getijhavens of rivieren.

  Art. 65. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van niet-nakoming van de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 61, 63 en 64 is de kapitein voor alle gebeurtenissen aansprakelijk jegens de belanghebbenden bij het schip en bij de lading.

  Art. 66. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein is eveneens aansprakelijk voor alle schade aan goederen die hij, buiten de schriftelijke toestemming van de inlader, op het dek van zijn schip heeft geladen.
  Met het dek wordt gelijkgesteld elke opbouw die geen geheel vormt met het spantwerk.

  Art. 67. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De aansprakelijkheid van de kapitein houdt slechts op in geval van bewezen overmacht.

  Art. 68. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de eigenaars of hun gemachtigden zich ter plaatse bevinden, mag de kapitein niet dan met hun bijzondere toestemming het schip laten vertimmeren, zeilen, touwen en andere voorwerpen voor het schip aankopen of het schip vervrachten.

  Art. 69. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer het vaartuig vervracht is met toestemming van de eigenaars en een van hen weigert bij te dragen in de kosten die noodzakelijk zijn voor de afvaart, kan de kapitein, vierentwintig uren na aanmaning aan de weigeraar om zijn bijdrage te leveren, met machtiging van de rechter, voor zijn rekening geld opnemen op zijn scheepsaandeel, zelfs onder hypothecair verband.

  Art. 70. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien het gedurende de reis noodzakelijk is herstellingen te doen, levensmiddelen aan te kopen of in andere dringende behoeften van het schip te voorzien, kan de kapitein, na zulks te hebben vastgesteld in een procesverbaal door de voornaamste schepelingen ondertekend, ten belope van de vastgestelde behoeften geld opnemen onder verband van de lading of goederen verpanden, met machtiging in België, van de rechtbank van koophandel of, waar die er niet is, van de vrederechter, en, in het buitenland, van de consul of de vice-consul of, bij ontstentenis, van de plaatselijke overheid.
  De magistraat die tot de geldopneming machtiging heeft gegeven, vermeldt zulks in het scheepsdagboek.
  De tijdbevrachter en, indien zij het allen eens zijn, de verschillende afzenders, kunnen zich tegen het verpanden van hun goederen verzetten door die te lossen en de vracht te betalen naar verhouding van het afgelegde gedeelte van de reis.
  Zijn de afzenders het niet eens, dan zijn diegenen onder hen die gebruik willen maken van het recht om hun goederen te lossen, gehouden tot betaling van de volle vracht op die goederen.
  In beide gevallen moeten zij die hun goederen hebben doen lossen, hun aandeel betalen in de averij die zich heeft voorgedaan tot op het ogenblik van het lossen.

  Art. 71. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein is voor zijn terugvaart uit een buitenlandse haven naar België verplicht de eigenaars of hun gemachtigden een door hem getekende rekening te zenden, met vermelding van de staat van de lading, de prijs van de ingeladen goederen, de door hem opgenomen geldsommen, de naam en de woonplaats van de uitleners.

  Art. 72. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein die geld opneemt op het casco, de bevoorrading of de uitrusting van het schip, goederen verkoopt, buiten noodzaak geld opneemt op de lading of verdichte averijen en uitgaven in rekening brengt, is aansprakelijk tegenover de rederij en persoonlijk gehouden het geld terug te geven of de goederen te betalen, onverminderd strafvervolging indien daartoe grond bestaat.

  Art. 73. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Buiten het geval van wettelijk vastgestelde onzeewaardigheid, mag de kapitein het schip niet verkopen dan met een bijzondere volmacht van de eigenaars, op straffe van nietigheid van de verkoop.

  Art. 74. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein die voor een reis wordt aangenomen, is gehouden ze te volbrengen op straffe van vergoeding van alle kosten en alle schade aan de eigenaars en de bevrachters.

  Art. 75. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein die vaart voor gemene winst op lading, mag geen goederen aan boord nemen voor eigen rekening, tenzij het tegendeel bedongen is.

  Art. 76. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Bij overtreding van de bepaling van het vorige artikel verbeurt de kapitein zijn aandeel in de gemene winst, onverminderd de vergoeding van meerdere schade indien daartoe grond bestaat.

  Art. 77. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein mag gedurende de vaart, bij welk gevaar ook, het schip niet verlaten dan na zich te hebben beraden met de officieren en de voornaamste bemanningsleden; in dat geval is hij op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid verplicht het geld en van het kostbaarste deel van de lading zoveel als hij kan mede in veiligheid te brengen.
  Gaan de aldus uit het schip meegenomen zaken door enig toeval verloren, dan is de kapitein daarvoor niet aansprakelijk.

  Art. 78. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein is gehouden binnen vierentwintig uren na aankomst zijn scheepsdagboek voor gezien te laten tekenen en een scheepsverklaring af te leggen.
  Die verklaring moet inhouden:
  - de plaats en het tijdstip van zijn vertrek;
  - de koers die hij gevolgd heeft;
  - de gevaren die hij gelopen heeft;
  - de ongeregeldheden die aan boord hebben plaatsgehad en alle opmerkelijke voorvallen van zijn reis.

  Art. 79. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De scheepsverklaring wordt ter griffie afgelegd ten overstaan van de voorzitter van de rechtbank van koophandel.
  In plaatsen waar geen rechtbank van koophandel is, wordt de scheepsverklaring afgelegd voor de vrederechter van het kanton.
  De vrederechter die de scheepsverklaring heeft ontvangen, moet deze onverwijld doorzenden aan de voorzitter van de naaste rechtbank van koophandel.
  In beide gevallen wordt de verklaring neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel.

  Art. 80. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de kapitein een buitenlandse haven aandoet, is hij verplicht zich aan te melden bij de Belgische consul, een scheepsverklaring voor hem af te leggen en zich een getuigschrift te doen afgeven waaruit het tijdstip van aankomst en vertrek, alsmede de staat en de aard van de lading blijken.

  Art. 81. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wordt de kapitein gedurende de reis genoodzaakt een Belgische haven binnen te lopen, dan is hij gehouden de redenen daarvan op te geven aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel van de plaats.
  Wordt de kapitein genoodzaakt een buitenlandse haven binnen te lopen, dan wordt de opgave gedaan aan de Belgische consul of, bij zijn ontstentenis, aan de plaatselijke overheid.

  Art. 82. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein die schipbreuk heeft geleden en alleen of samen met een deel van zijn schepelingen is ontkomen, moet zich aanmelden, in België bij de rechter van de plaats of, bij zijn ontstentenis, bij enige andere burgerlijke overheid, in het buitenland bij de Belgische consul of, bij zijn ontstentenis, bij de plaatselijke overheid, een scheepsverklaring afleggen, deze doen bevestigen door de geredde schepelingen die hem vergezellen, en zich daarvan een expeditie ter hand doen stellen.

  Art. 83. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Ter bevestiging van de verklaring van de kapitein verhoort de rechter de schepelingen en, zo mogelijk, de passagiers, onverminderd alle andere bewijzen.
  Een niet-bevestigde verklaring kan de kapitein niet strekken tot ontlasting en heeft geen bewijskracht in rechte, uitgezonderd wanneer alleen de kapitein behouden aangekomen is op de plaats waar hij zijn verklaring heeft afgelegd.
  De partijen worden toegelaten tot het tegenbewijs.

  Art. 84. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien er gedurende de reis gebrek aan levensmiddelen ontstaat, kan de kapitein, na zich met de voornaamste schepelingen te hebben beraden, opvarenden die nog eigen mondvoorraad hebben, dwingen deze tegen betaling van de waarde beschikbaar te stellen voor allen.

  § 2. Het cognossement

  Art. 85. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het cognossement moet de aard en hoeveelheid van de te vervoeren goederen opgeven.
  Het vermeldt:
  - de naam en de woonplaats van de afzender;
  - de naam en het adres van de persoon aan wie de goederen worden verzonden;
  - de naam en de woonplaats van de kapitein;
  - de naam, de nationaliteit en de tonnenmaat van het schip;
  - de plaats van afvaart en van bestemming;
  - de bedingen betreffende de vracht.
  Het vermeldt op de kant de merken en nummers van de te vervoeren goederen.
  Het vermeldt het aantal afgegeven exemplaren.
  Het cognossement kan aan order zijn, aan toonder of op naam.

  Art. 86. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Elk cognossement wordt opgemaakt in ten minste vier originelen: één voor de afzender, één voor de persoon aan wie de goederen worden verzonden, één voor de kapitein, één voor de reder.
  Het exemplaar voor de kapitein wordt getekend door de afzender; de andere exemplaren worden getekend door de kapitein.
  Wanneer er meer exemplaren zijn voor de persoon aan wie de goederen worden verzonden, wordt op elk van die exemplaren vermeld of het een eerste exemplaar is of een tweede of een derde enz.
  Het cognossement moet worden getekend binnen vierentwintig uren na de inlading.
  De afzender is gehouden binnen dezelfde tijd de bewijzen van de douane betreffende de ingeladen goederen aan de kapitein af te geven.

  Art. 87. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Onverminderd het bij artikel 91 bepaalde geldt het cognossement dat in de hierboven voorgeschreven vorm is opgemaakt, als bewijs tussen alle bij de lading belanghebbende partijen en tussen hen en de verzekeraars.
  Aldus vervangen bij artikel 2 van de wet van 28 november 1928 (III).

  Art. 88. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van verschil tussen het door de afzender getekend cognossement en de door de kapitein getekende cognossementen, heeft elk origineel bewijskracht tegen de partij die het getekend heeft.

  Art. 89. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Alleen hij die houder is van het cognossement, zelfs krachtens een endossement in blanco, heeft het recht om zich de lading door de kapitein te doen afleveren.
  Wanneer verscheidene exemplaren van een cognossement worden vertoond, wendt de kapitein zich in België tot de rechtbank van koophandel, in het buitenland tot de Belgische consul of tot de plaatselijke overheid, ten einde een bewaarder te doen aanwijzen aan wie hij de lading zal afleveren tegen betaling van de vracht.

  Art. 90. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van schipbreuk of van binnenlopen in een noodhaven kan iedere houder van een cognossement, zelfs op naam, alle rechten van de afzender uitoefenen, zich de goederen door de kapitein doen afleveren en de opbrengst ervan in ontvangst nemen, onder verplichting borg te stellen, en met machtiging, in België, van de rechtbank van koophandel, en in het buitenland, van de Belgische consul of van de plaatselijke overheid, die tot bewaring van de rechten van derden zodanige maatregelen zullen voorschrijven als zij passend achten.

  Art. 91. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> A. Op het verhandelbaar cognossement, opgemaakt voor het vervoer van goederen in enig schip van welke nationaliteit ook, uit of naar een haven van het Rijk, zijn de volgende regels van toepassing:
  § 1. In dit artikel worden de navolgende woorden gebruikt in de hieronder aangegeven zin:
  a) "vervoerder" omvat de scheepseigenaar of de bevrachter die partij is bij een vervoerovereenkomst met een afzender;
  b) "vervoerovereenkomst" slaat slechts op een vervoerovereenkomst waarvan blijkt uit een cognossement of een dergelijk stuk recht gevend op het vervoer van goederen over zee; het slaat ook op het cognossement of dergelijk stuk uitgegeven krachtens een charterpartij van het ogenblik af dat dit de betrekkingen regelt van de vervoerder en de cognossementhouder;
  c) "goederen" omvat zaken, voorwerpen, koopmanschappen en waren van welke aard ook, met uitzondering van levende dieren en van lading die, bij de vervoerovereenkomst, opgegeven is als geplaatst op het dek en feitelijk aldus wordt vervoerd;
  d) "schip" betekent elk vaartuig gebruikt voor het vervoer van de goederen over zee;
  e) "vervoer van goederen" dekt de tijd verlopen van de inlading der goederen aan boord van het schip tot de lossing ervan uit het schip.
  § 2. Onverminderd de bepalingen van § 6 is de vervoerder in alle overeenkomsten tot vervoer van goederen over zee, met betrekking tot de lading, de behandeling, de stuwing, het vervoer, de bewaking, de verzorging en de lossing dier goederen, belast met de aansprakelijkheden en verplichtingen hieronder vermeld gelijk hij geniet van de daarbedoelde rechten en ontheffingen.
  § 3. 1° De vervoerder is gehouden voor en bij de aanvang van de reis een redelijke zorg aan te wenden voor:
  a) het zeewaardig maken van het schip;
  b) het voldoende bemannen, uitrusten en bevoorraden van het schip;
  c) het geschikt maken en in goede staat brengen van de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin goederen worden vervoerd, om deze daarin te bergen, te vervoeren en goed te houden.
  2° Onder voorbehoud van het bepaalde bij § 4 is de vervoerder verplicht zorg te dragen voor de behoorlijke en zorgvuldige lading, behandeling, stuwing, vervoer, bewaking, verzorging en lossing van de vervoerde goederen.
  3° Na de goederen ontvangen en aangenomen te hebben, moet de vervoerder of de kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder op verlangen van de afzender aan deze een cognossement afgeven, dat onder meer vermeldt:
  a) de voornaamste, voor het onderkennen van de goederen nodige merken, zoals deze voor het begin der inlading door de afzender schriftelijk zijn opgegeven, mits deze merken op de niet verpakte goederen of op de kisten of verpakkingen die de goederen inhouden, door stempeling of anderszins duidelijk aangebracht zijn op zodanige wijze dat zij in normale omstandigheden tot het einde van de reis leesbaar blijven;
  b) het aantal colli's of het stuktal der goederen of de hoeveelheid of het gewicht, al naar het geval, zoals zulks door de afzender schriftelijk is opgegeven;
  c) de uiterlijke staat en de uiterlijke gesteldheid van de goederen;
  met dien verstande dat geen vervoerder, kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder verplicht zal zijn een cognossement af te geven inhoudende merken, getal, hoeveelheid of gewicht, wanneer hij redelijke gronden heeft te vermoeden dat zij niet nauwkeurig de in werkelijkheid door hem ontvangen goederen weergeven of tot het toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad.
  4° Zulk een cognossement geldt als vermoeden, behoudens tegenbewijs, van de ontvangst door de vervoerder van de goederen zoals zij beschreven zijn overeenkomstig nr 3, a, b, en c. Nochtans wordt het tegenbewijs niet toegelaten indien het cognossement is overgedragen geworden aan een derde persoon die er te goeder trouw houder van is.
  5° De afzender wordt geacht ten behoeve van de vervoerder in te staan voor de juistheid op het ogenblik van de inontvangstneming van de door hem opgegeven merken, getal, hoeveelheid en gewicht, en de afzender zal de vervoerder schadeloos stellen voor alle verlies, schade en kosten, ontstaan tengevolge van onjuistheden in de opgave van deze bijzonderheden. Het recht van de vervoerder op dergelijke schadeloosstelling beperkt in genen dele zijn aansprakelijkheid en zijn verbintenissen, zoals zij uit de vervoerovereenkomst voortvloeien, tegenover elke andere persoon dan de afzender.
  6° Tenzij aan de vervoerder of zijn vertegenwoordiger in de loshaven, voor of op het ogenblik van het weghalen van de goederen en van hun overgifte aan de krachtens de vervoerovereenkomst op de aflevering recht hebbende persoon, schriftelijk kennis is gegeven van het verlies of de schade en van de algemene aard van dat verlies of die beschadiging, geldt bedoelde weghaling, tot bewijs van het tegendeel, als vermoeden dat de goederen door de vervoerder werden afgeleverd zoals zij in het cognossement zijn omschreven.
  Is het verlies of de beschadiging niet uiterlijk zichtbaar, dan moet de kennisgeving binnen drie dagen na de aflevering geschieden.
  Schriftelijk voorbehoud is overbodig als de staat van het goed op het ogenblik van de inontvangstneming door beide partijen gezamenlijk vastgesteld werd.
  Behoudens het bepaalde bij 6°bis, zijn de vervoerder en het schip van alle aansprakelijkheid wegens verlies of beschadiging van of met betrekking tot de goederen ontheven, tenzij een rechtsvordering wordt ingesteld binnen één jaar nadat de goederen zijn of behoorden te worden afgeleverd. Deze termijn kan echter door de partijen worden verlengd op voorwaarde dat zij hiermee hebben ingestemd na de feiten die tot de rechtsvordering aanleiding hebben gegeven.
  Indien er zekerheid of vermoeden bestaat dat er verlies of beschadiging heeft plaatsgehad, moeten de vervoerder en de ontvanger elkander over en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het onderzoek van het goed en het natellen van de colli's gemakkelijk te maken.
  6°bis. Regresvorderingen kunnen zelfs na het verstrijken van de bij ten 6° voorziene termijnen worden ingesteld, wanneer dit geschiedt binnen de termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de persoon die de regresvordering instelt, de klacht heeft geregeld of waarop de dagvaarding aan die persoon werd betekend, op voorwaarde dat de regeling van de klacht of de betekening van de dagvaarding heeft plaatsgehad voor het verstrijken van de eerder vermelde termijn van één jaar of van de termijn tussen partijen overeengekomen volgens 6°, vierde lid, van deze paragraaf.
  7° Als de goederen ingeladen zijn, wordt door de vervoerder, kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder aan de afzender op zijn verlangen een cognossement afgegeven met de vermelding "geladen", mits de afzender, indien hij vooraf enig op die goederen rechtgevend document heeft ontvangen, het tegen afgifte van het "geladen" -cognossement teruggeeft. De vervoerder, de kapitein of de vertegenwoordiger heeft eveneens het recht in de haven van inlading op het oorspronkelijk afgegeven document de naam van het schip of van de schepen waarin de goederen werden geladen en de datum of de data van inlading aan te tekenen, in welk geval het aldus aangevulde document, mits inhoudende de in § 3, 3°, vermelde bijzonderheden, als een "geladen" -cognossement in de zin van dit artikel wordt beschouwd.
  8° Iedere bepaling, beding of afspraak in een vervoerovereenkomst, waardoor de vervoerder of het schip wordt ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot goederen, voortvloeiende uit nalatigheid, schuld of tekortkoming in het voldoen aan de verplichtingen in deze paragraaf gesteld, of waardoor deze aansprakelijkheid mocht worden verminderd op andere wijze dan in dit artikel is voorgeschreven, is nietig, van onwaarde en zonder gevolg. Een beding krachtens hetwelk de uitkering op grond van een gesloten verzekering aan de vervoerder komt, of elk ander beding van dergelijke strekking wordt geacht te zijn gemaakt teneinde de vervoerder van aansprakelijkheid te ontheffen.
  § 4. 1° Noch de vervoerder, noch het schip is aansprakelijk wegens verlies of schade, ontstaan tengevolge van of voortvloeiend uit onzeewaardigheid, tenzij deze te wijten is aan gebrek aan redelijke zorg aan de zijde van de vervoerder om het schip zeewaardig te maken of om het behoorlijk te bemannen, uit te rusten of te bevoorraden, of om de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen van het schip, waarin goederen vervoerd worden, geschikt te maken en in goede staat te brengen, opdat zij kunnen dienen tot het bergen, het vervoeren en het bewaren van de goederen, alles overeenkomstig het bepaalde bij § 3, 1°. Telkens als verlies of schade het gevolg is van onzeewaardigheid, rust de bewijslast ten aanzien van de uitoefening van de redelijke zorg op de vervoerder of op elke andere persoon, die mocht beweren krachtens deze paragraaf van aansprakelijkheid te zijn ontheven.
  2° Noch de vervoerder, noch het schip is aansprakelijk wegens verlies of schade, voortvloeiend uit of ontstaan tengevolge van:
  a) een handeling, onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein, een lid van de bemanning, de loods of een ondergeschikte van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie of de behandeling van het schip;
  b) brand, tenzij veroorzaakt door opzet of schuld van de vervoerder;
  c) gevaren en onheilen van de zee of van andere bevaarbare wateren;
  d) onvermijdelijke natuurlijke toevallen;
  e) oorlogshandelingen;
  f) daden van vijanden van de Staat;
  g) aanhouding of maatregelen van hogerhand of gerechtelijk beslag;
  h) quarantainemaatregelen;
  i) een handeling of een nalatigheid van de afzender of eigenaar der goederen, van zijn vertegenwoordiger of lasthebber;
  j) werkstakingen of uitsluitingen of stilstand of belemmering van de arbeid, tengevolge van welke oorzaak ook, hetzij gedeeltelijk, hetzij geheel;
  k) oproer of ongeregeldheden;
  l) redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee;
  m) verlies aan volume of gewicht of elk ander verlies, of elke andere beschadiging, veroorzaakt door een verborgen gebrek, de bijzondere aard of een eigen gebrek aan het goed;
  n) onvoldoende verpakking;
  o) onvoldoende of ondoelmatige merken;
  p) verborgen gebreken, indien zij ondanks behoorlijke zorg niet te ontdekken waren;
  q) een andere oorzaak, niet bestaand uit opzet of schuld van de vervoerder, noch uit opzet of schuld van de vertegenwoordigers of ondergeschikten van de vervoerders; doch de bewijslast rust op degene die zich op deze ontheffing beroept, en het staat aan hem aan te tonen dat noch de schuld van de vervoerder zelf, noch zijn opzet, noch de schuld of het opzet van de vertegenwoordigers of de ondergeschikten van de vervoerder heeft bijgedragen tot het verlies of de schade.
  3° De afzender is niet aansprakelijk wegens door de vervoerder of het schip geleden verlies of schade, ontstaan door of voortvloeiend uit enigerlei oorzaak zonder dat er sprake is van handeling, schuld of nalatigheid van de afzender, zijn vertegenwoordigers of zijn ondergeschikten.
  4° Generlei afwijking van de koers tot redding of poging tot redding van mensenlevens of goederen op zee en generlei redelijke afwijking van de koers wordt beschouwd als een inbreuk op de verplichtingen voortvloeiend uit dit artikel of uit de vervoerovereenkomst en de vervoerder is niet aansprakelijk voor enig verlies of enige beschadiging, daardoor ontstaan.
  5° a) Tenzij de aard en de waarde van de goederen door de inlader zijn aangegeven voordat de goederen zijn ingeladen en deze aangifte in het cognossement is opgenomen, zijn in geen geval de vervoerder, noch het schip aansprakelijk voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot de goederen tot een bedrag boven 666,67 rekeneenheden per collo of eenheid, of 2 rekeneenheden per kilogram brutogewicht, van de verloren of beschadigde goederen, met dien verstande dat het hoogste bedrag in aanmerking moet worden genomen.
  b) Het totaal verschuldigd bedrag wordt berekend op basis van de waarde die de goederen hebben op de plaats waar en op de dag waarop, volgens de vervoerovereenkomst, de goederen aan land zijn gezet of behoorden te worden gezet.
  De waarde van de goederen wordt bepaald volgens de beursnotering of, bij gebreke hiervan, volgens de marktprijs of nog, bij gebreke van beide, volgens de gebruikelijke waarde van goederen van dezelfde aard en hoedanigheid.
  c) Wanneer een container, een palet of een dergelijk tuig wordt gebruikt om de goederen te verzamelen of op te stapelen, wordt elke collo of eenheid, welke naar luid van het cognossement dat tuig omvat, beschouwd als een collo of een eenheid in de zin van deze paragraaf. Buiten de hierboven voorziene gevallen wordt het tuig als collo of eenheid beschouwd.
  d) De rekeneenheid bedoeld in dit artikel is het Speciaal Trekkingsrecht zoals dit is omschreven door het Internationaal Monetair Fonds.
  De omrekening in Belgische frank van de bedragen bepaald in § IV, 5°, a), geschiedt op de datum waarop de goederen werden geleverd of hoorden geleverd te worden.
  e) De vervoerder noch het schip zijn gerechtigd het voordeel van de beperking van de aansprakelijkheid te genieten als bewezen werd dat de schade het gevolg is van een handelen of een nalaten van de vervoerder, begaan hetzij met het opzet de schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat er waarschijnlijk schade zou uit voortvloeien.
  f) De in lid a) vermelde aangifte, opgenomen in het cognossement, schept een vermoeden behoudens tegenbewijs, doch zij bindt de vervoerder niet en deze behoudt het recht de juistheid daarvan te betwisten.
  g) Bij overeenkomst tussen de vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder en de inlader kan een ander dan in lid a) vermeld maximumbedrag bepaald worden mits dit overeengekomen maximum niet lager is dan het in dat lid vermeld maximumbedrag.
  h) In geen geval is de vervoerder noch het schip aansprakelijk voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot de goederen indien de aard of de waarde hiervan door de inlader met opzet verkeerdelijk in het cognossement is aangegeven.
  6° Goederen van ontvlambare, ontplofbare of gevaarlijke aard, tot welker inlading de vervoerder, de kapitein of de vertegenwoordiger van de vervoerder geen toestemming zou hebben gegeven, wanneer hij de aard of de gesteldheid daarvan gekend had, mogen te allen tijde voor de lossing op iedere plaats door de vervoerder worden gelost of vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder schadevergoeding, en de afzender van deze goederen is aansprakelijk voor alle schaden en onkosten, middellijk of onmiddellijk ontstaan ten gevolge van de inlading ervan. Indien een van deze goederen, ingeladen met voorkennis en toestemming van de vervoerder, een gevaar wordt voor het schip of de lading, mag het eveneens door de vervoerder worden gelost of vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder enige aansprakelijkheid van de vervoerder, tenzij voor gemene averij, indien daartoe grond bestaat.
  § 4bis. 1. De bij dit artikel voorziene ontheffingen en beperkingen van de aansprakelijkheid gelden voor elke rechtsvordering die tegen die vervoerder wordt ingesteld tot het bekomen van schadeloosstelling voor verlies of beschadiging van uit hoofde van een vervoerovereenkomst vervoerde goederen, om het even of die rechtsvordering is ingesteld geworden op grond van de contractuele of de niet-contractuele aansprakelijkheid van de vervoerder.
  2. Indien zulke rechtsvordering wordt ingesteld tegen een aangestelde van de vervoerder, kan die evenzeer een beroep doen op de ontheffingen en de beperkingen welke de vervoerder zelf krachtens het artikel kan inroepen.
  3. In dit geval mag het totaal der bedragen ten laste van de vervoerder en zijn aangestelden de bij dit artikel voorziene grens van aansprakelijkheid niet overschrijden.
  4. De aangestelde kan echter de bepalingen van deze paragraaf niet doen gelden, indien bewezen is dat de schade het gevolg is van het feit dat de aangestelde heeft gehandeld of heeft nagelaten te handelen, hetzij met inzicht schade te veroorzaken, hetzij op roekeloze wijze en met het bewustzijn dat de handeling of het verzuim waarschijnlijk schade zou teweegbrengen.)
  § 5. Een vervoerder is vrij zijn rechten en ontheffingen geheel of gedeeltelijk op te geven of zijn aansprakelijkheden en verplichtingen te vermeerderen, zoals deze en gene bepaald zijn in dit artikel, mits deze afstand of deze vermeerdering vermeld wordt in het aan de afzender afgegeven cognossement.
  Geen bepaling van dit artikel is van toepassing op charterpartijen; maar als in het geval van een bevracht schip cognossementen worden afgegeven, zijn deze onderworpen aan de voorschriften van dit artikel. Geen voorschrift in deze regels wordt beschouwd als een beletsel voor de opneming in een cognossement van enig geoorloofd beding omtrent gemene averij.
  § 6. Onverminderd de bepalingen der voorgaande paragrafen, zijn een vervoerder, kapitein of vertegenwoordiger van de vervoerder en een afzender vrij, omtrent bepaalde goederen, welke ook, een overeenkomst aan te gaan met zodanige bedingen als hun goed zullen dunken aangaande de aansprakelijkheid en de verplichtingen van de vervoerder betreffende deze goederen, alsmede de rechten en ontheffingen van de vervoerder ten aanzien van deze goederen, of aangaande zijn verplichtingen wat betreft de staat van zeewaardigheid van het schip voor zover zodanig beding niet strijdig is met de openbare orde, of aangaande de zorg of achtzaamheid van zijn ondergeschikten of vertegenwoordigers voor wat betreft de inlading, de behandeling, de stuwing, het vervoer, de bewaking, de verzorging en de lossing der over zee vervoerde goederen, mits in dit geval geen cognossement is of wordt uitgegeven en de bedingen van de getroffen overeenkomst opgenomen worden in een ontvangbewijs dat een niet verhandelbaar stuk is en zulks vermeldt.
  Elke zo gesloten overeenkomst heeft volledig rechtsgevolg.
  Deze paragraaf is echter niet van toepassing op gewone handelsverschepingen, bewerkstelligd bij gelegenheid van gewone handelsverrichtingen, maar slechts op andere verladingen, waarbij het karakter en de gesteldheid van de te vervoeren goederen en de omstandigheden, de bedingen en de bepalingen, waarop het vervoer plaats moet vinden, zodanig zijn dat ze een bijzondere afspraak rechtvaardigen.
  § 7. Geen bepaling van dit artikel verbiedt een vervoerder of een afzender in een overeenkomst bedingen, bepalingen, voorbehouden of ontheffingen op te nemen betreffende de verplichtingen en aansprakelijkheden van de vervoerder of het schip wegens verlies of beschadiging van de goederen of aangaande hun bewaking, zorg en behandeling voor de inlading in en na de lossing uit het schip waarmee zij over zee worden vervoerd.
  § 8. De bepalingen van dit artikel laten onverlet de rechten en de verplichtingen van de vervoerder, voortvloeiend uit enige thans geldende wet betreffende de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaars van zeeschepen.
  B. Op elk volgens de vorenstaande bepalingen opgemaakt cognossement moet worden vermeld dat de "regels van artikel 91" er toepasselijk op zijn.)
  Vervangen bij artikel 1 van de wet van 28 november 1928(III); A, § III, 4° en 6° gewijzigd, § III, 6°bis ingevoegd, § IV, 5° vervangen en § IVbis ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 11 april 1989; rekening houdend met de impliciete wijziging bij artikel 259 van de wet van 19 mei 1960, A, eerste lid gewijzigd bij de artikelen 2 en 3, § 2, 6° van deze wet; de aanduiding van de paragrafen met Romeinse cijfers vervangen door Arabische cijfers bij de artikelen 2 en 3, § 2, 7° van deze wet.

  Afdeling II. Matrozen en schepelingen.

  Art. 92. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 93. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 94. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 95. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 96. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 97. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 98. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 99. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 100. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 101. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 102. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 103. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 104. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 105. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 106. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 107. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 108. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 109. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Art. 110. (opgeheven) <W 05-06-1928, art. 174>

  Bepaling aan de twee vorige afdelingen gemeen

  Art. 111. <W 1997-10-21/30, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein en de schepelingen mogen onder geen enkel voorwendsel voor eigen rekening goederen inladen zonder toestemming van de eigenaars van het schip en zonder vracht te betalen, indien zij daartoe niet gerechtigd zijn krachtens de arbeidsovereenkomst.
  Worden onrechtmatig ingeladen goederen niet voor de afvaart aan wal gebracht, dan betalen degenen die ze hebben doen inladen, het dubbele van de vracht die zij verschuldigd zouden zijn geweest indien de goederen met toestemming van de eigenaars waren ingeladen, onverminderd de vergoeding van meerdere schade, indien daartoe grond bestaat.

  TITEL III. _ Charterpartij of overeenkomst van scheepsduur.

  EERSTE HOOFDSTUK. _ Aard en vorm van de overeenkomst.

  Art. 112. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De overeenkomst van scheepshuur wordt bewezen door de in zaken van koophandel toegelaten middelen. Wat in de overeenkomst niet bepaald is, wordt geregeld volgens het plaatselijk gebruik.

  Art. 113. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In de huur van een geheel schip zijn de kajuit en de overige ruimte voor de bemanning niet begrepen; het is echter aan de kapitein niet geoorloofd in de kajuit of in de overige ruimte voor de bemanning goederen te laden zonder toestemming van de bevrachter.
  In geval van overtreding is (het tweede lid) van artikel 111 van toepassing op de kapitein.
  Aldus gewijzigd bij artikel 2 en 3, § 2, 8° van deze wet.

  Art. 114. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer het schip vervracht is tegen een prijs berekend naar tijdsduur, loopt de vracht vanaf de dag van de afvaart, tenzij het tegendeel bedongen is.

  Art. 115. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De huurprijs voor een zeeschip of een ander zeevaartuig wordt vracht genoemd.
  Deze wordt vastgesteld bij overeenkomst van partijen.
  Zij kan worden bedongen voor het gehele vaartuig of voor een gedeelte, voor een gehele reis of voor een bepaalde tijd, bij het gewicht, het getal of de maat, tegen vaste prijs of bij het stuk.

  Art. 116. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De ingeladen goederen zijn verbonden voor de nakoming van de overeenkomsten der partijen.

  HOOFDSTUK II. - Gevolgen van de overeenkomst.

  Afdeling I. - Verplichtingen van de vervrachter.

  Art. 117. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De vervrachter moet aan de bevrachter het genot van het schip bezorgen zoals bij de overeenkomst is bedongen.
  Wanneer het schip in zijn geheel is gehuurd, mag de kapitein geen goederen innemen zonder toestemming van de bevrachter, zelfs indien deze het niet volledig heeft beladen.
  De vrachtprijs voor de ingenomen bijlading komt ten goede aan de bevrachter die het gehele schip heeft gehuurd.

  Art. 118. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien de kapitein voor het schip een groter laadvermogen heeft opgegeven dan het werkelijk heeft, is hij jegens de bevrachter tot schadevergoeding gehouden.

  Art. 119. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De opgave van de tonnenmaat van een schip wordt niet onjuist geacht wanneer het verschil niet groter is dan een veertigste of wanneer de opgave overeenstemt met de meetbrief.

  Afdeling II. - Verplichtingen van de bevrachter.

  § 1. Algemene regels.

  Art. 120. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De bevrachter heeft twee hoofdverplichtingen:
  1° de lading te verschaffen waartoe hij zich verbonden heeft;
  2° de bedongen vracht te betalen.
  Wanneer hij de in de charterpartij vermelde hoeveelheid goederen niet ingeladen heeft, is hij niettemin verplicht de volle vracht te betalen voor de gehele overeengekomen lading.
  Wanneer hij meer ingeladen heeft, moet hij voor het meerdere vracht betalen op de voet van de bij de charterpartij bedongen prijs.
  Wanneer hij niets ingeladen heeft en de reis opzegt voor de afvaart, betaalt hij als vergoeding aan de kapitein de helft van de vracht bij de charterpartij bedongen voor de gehele lading die hij moest verschaffen.
  Hij kan de reis niet meer opzeggen zodra een gedeelte van de lading aan boord is; indien het schip, in dat geval, zonder volle lading vertrekt, is aan de kapitein de volle vracht verschuldigd, tenzij bij aanleg op stukgoederen.

  Art. 121. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de goederen zonder vertraging ter bestemmingsplaats aangekomen zijn, kan de afzender in geen geval vermindering van de vracht vorderen.

  Art. 122. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De afzender kan goederen die in waarde verminderd zijn of beschadigd door een eigen gebrek of door toeval, niet afstaan voor de vracht.
  Vaten met wijn, olie, honig of andere vloeistof die leeg- of bijna leeggelopen zijn, kunnen echter wel worden afgestaan voor de vracht.

  Art. 123. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de ontvanger weigert de goederen aan te nemen, kan de kapitein op rechterlijk gezag zoveel daarvan doen verkopen als nodig is tot betaling van zijn vracht, en de bewaargeving van het overige doen bevelen.
  Zijn de goederen ontoereikend, dan behoudt hij zijn verhaal tegen de afzender.

  Art. 124. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein mag de goederen niet aan boord houden wegens niet-betaling van de vracht.
  Hij kan tijdens het lossen vorderen dat de goederen onder een derde bewaard zullen blijven totdat de vracht betaald is.

  Art. 125. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein is voor de vracht en, in voorkomend geval, voor de vergoeding van de averij bevoorrecht op de goederen van de lading gedurende vijftien dagen na de aflevering, indien zij niet in een derde hand zijn overgegaan.

  Art. 126. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van faillissement van de afzenders of ontvangers voor het verstrijken van de termijn van vijftien dagen is de kapitein boven alle schuldeisers bevoorrecht voor de betaling van de vracht en van wat hem wegens averij verschuldigd is.

  § 2. Vertraging bij de aankomst ter bestemming.

  Art. 127. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer een schip bij de afvaart, gedurende de reis of op de plaats van de lossing wordt opgehouden door de schuld van de bevrachter, moet deze de kosten wegens vertraging vergoeden.
  Wanneer een schip dat voor een heen- en terugreis vervracht is, terugvaart zonder lading of met een onvolledige lading, is aan de kapitein de volle vracht verschuldigd, alsmede schadevergoeding wegens vertraging.

  Art. 128. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer het schip bij de afvaart, gedurende de reis of op de plaats van de lossing wordt opgehouden of vertraagd door de schuld van de kapitein, is deze jegens de bevrachter tot schadevergoeding gehouden.

  Art. 129. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer het uitlopen van een schip slechts voor een tijd verhinderd wordt door overmacht, blijven de gesloten overeenkomsten bestaan en is er geen grond tot schadevergoeding wegens vertraging.

  Art. 130. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wordt het schip door overmacht opgehouden in de loop van de reis, dan is er voor de duur van het oponthoud geen vracht verschuldigd bij tijdbevrachting, noch vermeerdering van vracht bij reisbevrachting.
  Voeding en loon van de bemanning gedurende het oponthoud van het schip worden als averij gerekend.

  Art. 131. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De afzender kan gedurende het oponthoud van het schip zijn goederen op eigen kosten doen uitladen, mits hij ze weer inlaadt of de kapitein schadeloos stelt.

  § 3. Het niet ter bestemming aankomen van de lading.

  Art. 132. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer een schip op stukgoederen aanlegt, hetzij bij het gewicht, bij de maat of tegen vaste prijs, kan de afzender zijn goederen voor de afvaart terugnemen, tegen betaling van de halve vracht.
  Te zijnen laste komen ook de kosten van het inladen, alsmede die van het uitladen en het weer inladen van de andere goederen die moeten worden verplaatst, en de kosten wegens vertraging.

  Art. 133. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein kan de in zijn schip aangetroffen goederen waarvan hem geen aangifte is gedaan, aan wal doen brengen in de plaats van de lading, of daarvoor vracht aanrekenen tegen de hoogste prijs die in dezelfde plaats voor soortgelijke goederen wordt betaald.

  Art. 134. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De afzender die zijn goederen gedurende de reis terugneemt, moet de volle vracht en alle door het uitladen veroorzaakte kosten van verplaatsing betalen; neemt hij zijn goederen terug wegens een handeling of een nalatigheid van de kapitein, dan staat deze in voor alle kosten.

  Art. 135. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de handel met het land van bestemming verboden wordt voor de afvaart, zijn de overeenkomsten ontbonden, zonder dat partijen elkaar schadevergoeding verschuldigd zijn.
  De afzender betaalt de kosten van het inladen en het uitladen van zijn goederen.

  Art. 136. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de handel met het land van bestemming verboden wordt na de afvaart en het schip genoodzaakt is met zijn lading terug te keren, is aan de kapitein alleen vracht voor de heenreis verschuldigd, ook al is het schip voor de heen- en terugreis bevracht.

  Art. 137. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Ingeval het schip verhinderd wordt de haven van bestemming binnen te lopen door blokkade van die haven of door enige andere overmacht en de kapitein geen bevelen heeft ontvangen of de ontvangen bevelen niet kan uitvoeren, is hij gehouden de belangen van de afzender zo goed mogelijk te dienen, hetzij door zich naar een naburige haven te begeven, hetzij door naar de plaats van afvaart terug te keren.

  Art. 138. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Vracht is verschuldigd voor de goederen die de kapitein heeft moeten verkopen om te voorzien in de mondbehoeften, de herstellingen of andere dringende behoeften van het schip, mits hij de waarde daarvan verrekent tegen de prijs waarvoor de overgebleven goederen of goederen van dezelfde soort en hoedanigheid worden verkocht in de plaats van de lossing, indien het schip in behouden haven aankomt.
  Indien het schip vergaat, brengt de kapitein de goederen in rekening tegen de prijs waarvoor hij ze verkocht heeft, insgelijks na aftrek van de in de cognossementen bedongen vracht.
  Brengt het uitoefenen van dit recht een verlies mee voor degenen wier goederen zijn verkocht of in pand gegeven, dan wordt dit verlies naar evenredigheid verdeeld over de waarde van deze goederen en van alle goederen ter bestemming aangekomen of uit de schipbreuk gered na de zeeongevallen die de verkoop of de inpandgeving noodzakelijk hebben gemaakt.

  Art. 139. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de kapitein gedurende de reis het schip moet laten herstellen, is de bevrachter gehouden te wachten of de volle vracht te betalen.
  Ingeval het schip niet kan worden hersteld, is de kapitein verplicht een ander schip te huren.
  Kan de kapitein geen ander schip huren, dan wordt de vracht geregeld overeenkomstig artikel 142.

  Art. 140. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein verbeurt zijn vracht en is tot schadevergoeding gehouden jegens de bevrachter, indien deze bewijst dat het schip bij de afvaart onzeewaardig was.
  Het bewijs wordt toegelaten ondanks en tegen het certificaat van deugdelijkheid.

  Art. 141. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein heeft recht op de vracht van de goederen die tot gemeen behoud overboord zijn geworpen, onder verplichting van omslag.

  Art. 142. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Er is geen vracht verschuldigd voor goederen die bij schipbreuk of bij stranding teniet zijn gegaan, of die door zeerovers of vijanden genomen zijn.
  De kapitein is gehouden de hem vooraf betaalde vracht terug te geven, tenzij het tegendeel is bedongen.
  Er is geen vracht verschuldigd voor goederen die na schipbreuk of verklaring van onzeewaardigheid van het schip niet ter bestemming zijn aangekomen.
  Komen de goederen ter bestemming tegen een mindere vracht dan met de kapitein van het verloren gegane of onzeewaardig verklaarde schip was overeengekomen, dan moet het verschil aan de kapitein worden betaald. Er is hem echter niets verschuldigd indien de nieuwe vracht gelijk is aan die welke met hem was overeengekomen; indien de nieuwe vracht hoger is, komt het verschil ten laste van de afzender.

  Art. 143. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein die bij het bergen of het afkopen van de niet ter bestemming aangekomen goederen hulp heeft verleend, heeft recht op een vergoeding, die in geval van geschil door de rechter wordt bepaald.

  HOOFDSTUK III. - Averij en averijregeling.

  Art. 144. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Alle buitengewone kosten ten dienste van het schip en de goederen, gezamenlijk of afzonderlijk gemaakt, alle schade aan het schip of aan de goederen overkomen vanaf de lading en afvaart tot aan de terugkomst en lossing worden als averij gerekend.

  Art. 145. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Bij gebreke van bijzondere bedingen tussen partijen wordt de averij geregeld overeenkomstig de navolgende bepalingen.

  Art. 146. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Er zijn twee soorten van averij: gemene averij en bijzondere averij.

  Art. 147. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Als gemene averij gelden de buitengewone kosten en de schade opzettelijk gemaakt of toegebracht tot behoud en gemeen welzijn van schip en lading.
  Alle andere averij is bijzondere averij.

  Art. 148. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Als gemene averij worden niettemin beschouwd de kosten wegens het binnenlopen in een noodhaven ten gevolge van een onheil op zee dat schip en lading in gemeen gevaar zou brengen, indien de vaart werd voortgezet.
  Onder deze kosten zijn begrepen het loon en de voeding van de bemanning, vanaf het binnenlopen van de haven tot wanneer het schip weer in staat is om zijn reis te vervolgen.
  Geschiedt het binnenlopen wegens averij die blijkt voort te komen uit een eigen gebrek van het schip of die te wijten is aan de kapitein of aan de schepelingen, dan worden de kosten als bijzondere averij van het schip gerekend.
  Geschiedt het binnenlopen wegens spontane gisting of enig ander eigen gebrek van de goederen, dan worden alle kosten als bijzondere averij van de goederen gerekend.

  Art. 149. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Gemene averij wordt gedragen door de goederen, door het schip en door het nettobedrag van de vracht, naar evenredigheid van hun waarde.
  Bijzondere averij wordt gedragen en betaald door de eigenaar van de zaak die de schade geleden of het verlies veroorzaakt heeft.

  Art. 150. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Niet betaalde vracht of vooraf betaalde en terug te geven vracht draagt in de averij slechts tot de helft van haar brutobedrag.

  Art. 151. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Munitie en mondvoorraad, kleren en loon van de schepelingen en bagage van de reizigers dragen niet in de gemene averij; hun waarde wordt vergoed bij omslag over alle andere goederen.

  Art. 152. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Alle behouden gebleven goederen dragen in de averij naar hun netto-waarde op de plaats van de lossing of naar hun netto-opbrengst, na aftrek van de te betalen vracht. De vooraf betaalde en niet terug te geven vracht wordt niet afgetrokken.
  De geworpen of opgeofferde goederen worden vergoed naar hun waarde, vracht inbegrepen, onder verplichting de vracht te betalen. Zij dragen in de averij naar hun waarde, na aftrek van de vracht, op dezelfde wijze als de behouden gebleven goederen.

  Art. 153. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De hoedanigheid van de goederen wordt vastgesteld door overlegging van de cognossementen en facturen, zo die er zijn.
  Wanneer de hoedanigheid van de goederen in het cognossement verkeerd is opgegeven en deze een grotere waarde blijken te hebben, dragen zij in de averij op de voet van hun schatting, indien zij behouden zijn gebleven.
  Zij worden vergoed volgens de hoedanigheid in het cognossement opgegeven, indien zij verloren zijn gegaan.
  Wanneer de goederen van mindere hoedanigheid zijn dan in het cognossement is aangegeven, dragen zij in de averij volgens de hoedanigheid in het cognossement vermeld, indien zij behouden zijn gebleven.
  Zij worden vergoed op de voet van hun waarde, indien zij zijn geworpen of beschadigd.

  Art. 154. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Goederen waarvan geen cognossement of verklaring van de kapitein bestaat, worden niet vergoed, indien zij zijn geworpen; zij dragen in de averij, indien zij behouden zijn gebleven.
  Goederen, op de overloop van het schip geladen, dragen in de schade, indien zij behouden zijn gebleven.
  Zijn zij geworpen of door werping beschadigd, dan is de eigenaar niet gerechtigd een vordering tot omslag in te stellen; hij heeft alleen verhaal op de kapitein.

  Art. 155. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het schip draagt in de averij naar zijn waarde op de plaats van de lossing.

  Art. 156. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien het schip niettegenstaande werping vergaat, heeft geen omslag plaats.
  De geborgen goederen zijn niet gehouden tot betaling of tot vergoeding van de geworpen of beschadigde goederen.

  Art. 157. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien het schip door de werping behouden blijft en naderhand bij het vervolgen van de reis vergaat, dragen de geborgen goederen in de werping naar hun waarde in de staat waarin zij zich bevinden, na aftrek van het bergloon.

  Art. 158. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De geworpen goederen dragen in geen geval in de vergoeding van de schade die na de werping aan de behouden gebleven goederen is overkomen.
  De goederen dragen niet in de vergoeding van het schip dat vergaan of onzeewaardig geworden is.

  Art. 159. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In alle voormelde gevallen zijn de kapitein en de schepelingen op de goederen of op de ervoor verkregen prijs bevoorrecht ten belope van de omslag.
  Zij kunnen echter de goederen niet terughouden, wanneer de ontvanger borg stelt voor de betaling van de omslag.

  Art. 160. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien na gedane omslag de eigenaars weer in het bezit komen van de geworpen goederen, zijn zij gehouden hetgeen zij in de verdeling ontvangen hebben, ten behoeve van de kapitein en van de belanghebbenden in te brengen, onder aftrek van de door de werping veroorzaakte schade en van de bergingskosten.

  Art. 161. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein is gehouden, zodra daartoe gelegenheid is, een proces-verbaal op te maken van de werping en de andere opofferingen. Het proces-verbaal vermeldt de redenen die tot de opoffering hebben doen besluiten, alsmede de zaken die zijn opgeofferd, achtergelaten, geworpen of beschadigd. Het wordt door de kapitein en de voornaamste schepelingen getekend of geeft de reden op waarom deze geweigerd hebben te tekenen. Het wordt overgeschreven in het scheepsdagboek.

  Art. 162. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In de eerste haven die het schip aandoet, is de kapitein verplicht binnen vierentwintig uren na zijn aankomst de in het proces-verbaal vermelde feiten te bevestigen.

  Art. 163. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De staat van verlies en schade wordt op verzoek van de kapitein door dispacheurs opgemaakt ter plaatse waar het schip gelost wordt.
  De dispacheurs worden benoemd door de rechtbank van koophandel, wanneer de lossing plaatsheeft in een Belgische haven.
  Zij worden benoemd door de Belgische consul, of bij zijn ontstentenis, door de plaatselijke overheid, wanneer de lossing plaatsheeft in een buitenlandse haven.
  De dispacheurs worden beëdigd voordat zij hun werkzaamheden beginnen.

  Art. 164. <W 1997-10-21/30, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De krachtens het vorige artikel benoemde dispacheurs maken de omslag op van het verlies en de schade.
  De omslag is uitvoerbaar na homologatie door de rechtbank.
  In buitenlandse havens wordt de omslag uitvoerbaar verklaard door de Belgische consul of, bij zijn ontstentenis, door een ter plaatse bevoegde rechtbank.

  TITEL IV. _ Vervoer van reizigers over zee.

  Art. 165. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De reiziger kan zijn rechten uit de vervoerovereenkomst niet overdragen zonder toestemming van de kapitein.

  Art. 166. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kosten van voeding van de reiziger zijn in het passagegeld begrepen, indien het tegendeel niet is bedongen.
  In het laatstgenoemde geval is de kapitein gehouden aan de reiziger de noodzakelijke levensmiddelen te verstrekken tegen een redelijke prijs.

  Art. 167. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De reiziger wordt als inlader beschouwd ten aanzien van de goederen die hij aan boord heeft.

  Art. 168. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De reiziger is gehouden zich te gedragen naar de bevelen van de kapitein tot handhaving van de orde aan boord.

  Art. 169. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De goederen van de reiziger, die zich aan boord bevinden, zijn als pand verbonden voor de betaling van het passagegeld en, in voorkomend geval, van de onderhoudskosten.

  Art. 170. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein draagt zorg voor de bewaring van de goederen van de reiziger die onderweg komt te overlijden.

  Art. 171. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein moet, tenzij het tegendeel bedongen is, zich rechtstreeks naar de bestemmingsplaats begeven, op straffe van ontbinding van de overeenkomst en van schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat.

  Art. 172. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein is niet verplicht te wachten op de reiziger die in de inschepingshaven of gedurende de reis niet bijtijds aan boord komt. In dat geval moet de reiziger het volle passagegeld betalen.

  Art. 173. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein heeft recht op de helft van het passagegeld, indien de reiziger acht dagen voor de afvaart verklaart dat hij van de overeenkomst afziet; is de verklaring niet tijdig gedaan, dan is het volle passagegeld verschuldigd.
  De kapitein heeft recht op een vierde van het passagegeld, wanneer de reiziger tengevolge van overlijden, zware ziekte of overmacht in de onmogelijkheid verkeert om in te schepen. Bovendien worden in dat geval de onderhoudskosten teruggegeven, indien zij in het passagegeld begrepen zijn.

  Art. 174. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De reiziger heeft recht op schadevergoeding en kan ontbinding van de overeenkomst vorderen indien de afvaart niet op de gestelde dag heeft plaatsgehad door de schuld van de kapitein.

  Art. 175. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De overeenkomst is ontbonden, zonder dat partijen elkaar schadevergoeding verschuldigd zijn, indien de afvaart niet heeft kunnen plaatsvinden tengevolge van verbod om handel te drijven met de haven van bestemming, blokkade of enige andere overmacht.

  Art. 176. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De reiziger die vrijwillig het schip verlaat gedurende de reis, is het volle passagegeld verschuldigd.
  Indien de reiziger komt te overlijden of door ziekte genoodzaakt wordt het schip te verlaten, is het passagegeld slechts in verhouding tot de afgelegde reis verschuldigd.

  Art. 177. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Ingeval het schip niet ter bestemming aankomt tengevolge van neming, schipbreuk of verklaring van onzeewaardigheid, heeft de kapitein enkel recht op vergoeding van de gemaakte onderhoudskosten.

  Art. 178. Wanneer de kapitein het schip gedurende de reis moet laten herstellen, is de reiziger gehouden te wachten of het volle passagegeld te betalen.
  Zolang het werk duurt, heeft de reiziger recht op kosteloos logies en op onderhoud overeenkomstig hetgeen bedongen is, tenzij de kapitein aanbiedt hem de reis op een soortgelijk schip te laten volbrengen.

  TITEL V. - Bodemerij.

  Art. 179. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Een lening op bodemerij kan door de kapitein alleen worden aangegaan voor de bekostiging van herstellingen of andere buitengewone behoeften van schip of lading, of voor de vervanging van voorwerpen die door zeeongevallen verloren zijn gegaan.
  Daartoe moet in België machtiging worden verleend door de rechtbank van koophandel; in het buitenland door de consul, de vice-consul of, bij ontstentenis, door de plaatselijke overheid.

  Art. 180. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In de machtiging moet worden vermeld of de lening plaatsheeft onder verband van de lading of van een deel ervan. Zij kan nooit worden gesloten onder verband van goederen die niet waren ingeladen ten tijde van het voorval dat aanleiding heeft gegeven tot de lening.

  Art. 181. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het is verboden te lenen op de winst die uit de goederen wordt verwacht. De geldschieter heeft in dat geval enkel recht op terugbetaling van het kapitaal, zonder enige rente.

  Art. 182. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien twee of meer leningen op bodemerij zijn aangegaan op dezelfde zaken, heeft de latere lening de voorrang boven de voorgaande.
  Leningen, in dezelfde noodhaven gedurende hetzelfde oponthoud aangegaan, zijn gelijkgerechtigd.

  Art. 183. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De zaken waarop de lening is aangegaan, zijn bij voorrecht en naar evenredigheid van het aandeel van elk ervan verbonden voor het bedrag van het bodemerijgeld in kapitaal en rente.

  Art. 184. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Bij gebreke van betaling op de vervaldag is de rente van het kapitaal en van de bodemerijpremie verschuldigd te rekenen van de dag van het protest van niet-betaling.

  Art. 185. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Elke bodemerijbrief kan worden verhandeld door endossement, indien hij aan order is gesteld.
  Het endossement geschiedt volgens de regels vastgelegd in de wetten betreffende de wisselbrieven en de orderbriefjes.
  In dat geval heeft de verhandeling van de bodemerijbrief dezelfde gevolgen en doet zij dezelfde rechtsvorderingen tot vrijwaring ontstaan als de verhandeling van ander handelspapier.

  Art. 186. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De zekerheid voor de betaling strekt zich niet uit tot de bodemerijpremie, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bedongen is.

  Art. 187. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de zaken waarop bodemerij is aangegaan, tijdens de duur en op de plaats van het risico geheel verloren zijn gegaan door toeval of door schelmerij van de schipper als bedoeld in de artikelen 201 en 207, kan het uitgeleende bedrag niet worden teruggevorderd.
  De bodemerijnemer moet al het nodige doen om schade te voorkomen of te beperken, overeenkomstig hetgeen artikel 17 van de wet van 11 juni 1874 aan de verzekerde voorschrijft.

  Art. 188. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van schipbreuk is de terugbetaling van het bodemerijgeld beperkt tot de waarde van de geborgen en voor de bodemerijovereenkomst verbonden zaken na aftrek van het bergloon.
  In hetzelfde geval is de terugbetaling van het bodemerijgeld onder verband van de vracht beperkt tot hetgeen voor vracht verschuldigd is, na aftrek van het loon van de bemanning en van het aandeel van de bodemerijgever in het bergloon.

  Art. 189. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van werping van de zaak die voor de bodemerij verbonden is, wordt het bij omslag betaalde bedrag bij voorrecht aangewend tot voldoening van de rechten van de bodemerijgever.

  Art. 190. <W 1997-10-21/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De bodemerij draagt niet in de bijzondere averij van de verbonden zaken.
  Zij draagt in de gemene averij die ontstaan is na de lening, indien de akte niet vermeldt dat de bodemerijgever daarvan vrijgesteld is.

  TITEL VI. _ Zeeverzekering.

  EERSTE AFDELING. _ Vorm en inhoud van de verzekeringsovereenkomst.

  Art. 191. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De zeeverzekering kan omvatten :
  - het casco en de kiel van het schip;
  - het tuig en de takelage;
  - de uitrusting en de mondvoorraad;
  - de vracht;
  - het passagegeld;
  - het op bodemerij gegeven geld en de bodemerijpremie;
  - de ingeladen goederen;
  - de uit de goederen verwachte winst;
  - het loon van de bemanning;
  - de winst op de bevrachting;
  - het makelaarsloon en het commissieloon op aankoop, verkoop en consignatie;
  - de geldsommen voor en tijdens de reis besteed ten behoeve van het schip en van de verzending van de goederen;
  - in het algemeen, alle op geld waardeerbare zaken of waarden die aan scheepvaartrisico onderhevig zijn, onverminderd de bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, in zoverre zij betrekking heeft op de persoonsverzekeringen.

  Art. 192. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van bedrog in de waardering van de verzekerde zaken, alsmede van verdichting of vervalsing, kan de verzekeraar de zaken laten onderzoeken en waarderen, onverminderd alle andere burgerrechtelijke of strafrechtelijke vorderingen.

  Art. 193. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Zaken waarvan de waarde in de overeenkomst in een vreemde munt is uitgedrukt, worden gewaardeerd in Belgische munt volgens de koers van de vreemde munt ten tijde van de ondertekening van de polis.

  Art. 194. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Is de waarde van de verzekerde zaken in de overeenkomst niet uitgedrukt, dan wordt zij bewezen overeenkomstig de bepalingen van afdeling II van deze titel.

  Art. 195. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de duur van het risico bij de overeenkomst niet bepaald is, loopt het risico ten aanzien van het schip, het tuig en de takelage, de uitrusting, de mondvoorraad en de vracht, zodra het inladen is begonnen, en, indien het schip in ballast vertrekt, zodra het innemen van ballast is begonnen; het risico eindigt op het tijdstip van de lossing of eenentwintig dagen na de aankomst op de plaats van bestemming, bij gebreke van lossing binnen die termijn.
  Ten aanzien van de goederen, loopt het risico van de dag dat zij in het schip of in de overslaglichters zijn geladen, tot de dag dat zij op de wal zijn geplaatst.
  Ten aanzien van alle andere zaken begint en eindigt voor de verzekeraar de aansprakelijkheid op het tijdstip dat voor de verzekerde het zeerisico begint en eindigt.

  Art. 196. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien in tijd van vrede een premieverhoging bedongen is voor het geval van oorlog en de hoegrootheid ervan in de verzekeringsovereenkomst niet is bepaald, wordt zij door de rechtbank vastgesteld met inachtneming van de risico's, de omstandigheden en de bedingen van de verzekeringspolis.

  Art. 197. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van verlies van goederen voor rekening van de kapitein verzekerd en geladen in het schip waarover hij het bevel voert, is de kapitein gehouden aan de verzekeraars het bewijs van de aankoop van de goederen te leveren en daarvan een cognossement te bezorgen, door twee van de voornaamste schepelingen getekend.

  Art. 198. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Een schepeling of een passagier die in België verzekerde goederen in het schip laadt, is verplicht daarvan een cognossement te laten ter plaatse waar de inlading geschiedt. In België wordt het gelaten ter griffie van de rechtbank van koophandel; in het buitenland, in handen van de Belgische consul of, bij zijn ontstentenis, in handen van de plaatselijke overheid.

  Art. 199. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De verzekeringsovereenkomst is nietig, wanneer zij op bodemerij genomen geld tot voorwerp heeft.

  AFDELING II. _ Verplichtingen van de verzekeraar en van de verzekerde.

  Art. 200. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De verzekering wordt nietig verklaard en de verzekeraar ontvangt als schadevergoeding een half ten honderd van het verzekerde bedrag :
  - wanneer vóór de aanvang van het risico de reis wordt gestaakt, zelfs door toedoen van de verzekerde;
  - wanneer de bevrachter de vracht heeft laten verzekeren en deze door omstandigheden niet verschuldigd is;
  - wanneer de verzekerde, in het geval van artikel 10 van de wet van 11 juni 1874, recht heeft op teruggave van de premie.
  Wanneer de premie minder dan een ten honderd bedraagt, is de schadevergoeding gelijk aan de helft van de premie.

  Art. 201. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Voor rekening van de verzekeraar is alle verlies en schade ontstaan ten gevolge van storm, schipbreuk, stranding, aanvaring, gedwongen verandering van koers, reis of schip, werping, brand, ontploffing, plundering en in het algemeen door enig ander zeegevaar.
  Ingeval de verzekeraar het oorlogsrisico voor zijn rekening neemt, staat hij in voor alle schade en verlies die verzekerde zaken overkomen door vijandelijkheden, vergeldingsmaatregelen, oorlogsverklaring, blokkade, aanhouding op last van hogerhand, molest van de zijde van een erkende of niet-erkende regering en in het algemeen door alle oorlogsvoorvallen en -gevaren.

  Art. 202. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Ingeval het oorlogsrisico niet in de verzekering is begrepen, is de overeenkomst ontbonden, indien een oorlogshandeling het verloop van de reis komt te wijzigen.
  Wanneer die handeling echter plaats vindt op zee, gaat de ontbinding van de overeenkomst niet in voordat het schip geankerd of gemeerd ligt in de eerste haven die het bereikt.

  Art. 203. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In het geval van het vorige artikel wordt vermoed dat de verzekerde goederen ten gevolge van enig zeegevaar verloren zijn gegaan, behoudens tegenbewijs.

  Art. 204. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De oorlogsmolestverzekering, ongeacht de verplichtingen daaraan verbonden voor de verzekeraars, treedt ten aanzien van de gewone risico's in de plaats van de verzekering onder het beding "vrij van oorlogsmolest", te rekenen van het tijdstip waarop de laatstgenoemde overeenkomst ontbonden wordt ingevolge artikel 202.

  Art. 205. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Verandering van koers, reis of schip, door de verzekerde bevolen, en verlies of schade, door zijn toedoen ontstaan, komen niet ten laste van de verzekeraar; deze heeft zelfs recht op de premie, ingeval het risico voor hem is beginnen te lopen.

  Art. 206. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Schade veroorzaakt door toedoen en schuld van de eigenaar, bevrachter of inlader, komt niet ten laste van de verzekeraar.

  Art. 207. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De verzekeraar is aansprakelijk voor de daden van ontrouw en fouten van de kapitein en de schepelingen, bekend onder de naam van schelmerij van de schipper, tenzij het tegendeel is bedongen.
  Hij is niet aansprakelijk voor de daden van ontrouw van de kapitein die door de verzekerde is aangesteld, tenzij het tegendeel is bedongen.

  Art. 208. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In de polis moet melding worden gemaakt van de goederen die uit hun aard bijzonder aan bederf of aan vermindering onderhevig zijn, zoals koren of zout, of van goederen die schade kunnen lijden door lekkage, anders is de verzekeraar niet aansprakelijk voor de schade en het verlies aan die goederen overkomen, tenzij de verzekerde bij de ondertekening van de polis de aard van de lading niet kende.

  Art. 209. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de verzekering betrekking heeft op goederen voor de heenreis en voor de terugreis en het schip op zijn eerste bestemmingsplaats geen teruglading of een onvolledige teruglading heeft ingenomen, ontvangt de verzekeraar slechts tweederde van de overeengekomen premie, naar evenredigheid, tenzij anders bedongen is.

  Art. 210. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Voor de verzekering worden de goederen geschat naar de waarde die zij hadden ten tijde en ter plaatse van de inlading, met inbegrip van alle rechten en kosten tot aan boord, alsmede van de verzekeringspremie en de bijkomende kosten.
  Casco, kiel, tuig en takelage worden geschat naar hun waarde op de dag waarop het risico is begonnen.
  Mondvoorraad, uitrusting en alle andere op geld waardeerbare zaken worden geschat naar hun waarde ter plaatse en ten tijde van het begin van het risico.

  Art. 211. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Een overeenkomst van verzekering of van herverzekering voor een hoger bedrag dan de waarde van de verzekerde zaken, is ten aanzien van de verzekerde alleen nietig, wanneer bewezen wordt dat er zijnerzijds bedrog of arglist is geweest.

  Art. 212. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer er, in het voormelde geval, geen bedrog of arglist is geweest, blijft de overeenkomst gelden ten belope van de geschatte of overeengekomen waarde van de verzekerde zaken.

  Art. 213. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de partijen overeengekomen zijn omtrent het bedrag van de verwachte winst, is deze schatting bindend, zonder dat nader bewijs vereist is.

  Art. 214. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In de verzekering van op bodemerij te leen gegeven geldsommen wordt de bodemerijpremie niet geacht begrepen te zijn.

  Art. 215. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Bij verzekering van de vracht van de verzekerde zaken wordt, in geval van bijzondere averij, verhoudingsgewijze evenveel voor de vracht uitgekeerd als voor de verzekerde zaken.

  Art. 216. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De verzekeraar van het passagegeld is gehouden tot vergoeding van het verlies dat de verzekerde op dit passagegeld heeft geleden ten gevolge van zeerisico's, zoals kosten van ontscheping en herinscheping, voeding en logies van de reizigers in een noodhaven, vervanging van verloren gegane of beschadigde levensmiddelen en verder vervoer aan boord van een ander schip.

  Art. 217. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien de verzekering bij verdeling plaatsheeft ten aanzien van goederen die moeten worden geladen in verscheidene nader aangeduide schepen, met vermelding van de geldsom die op elk schip verzekerd wordt, en alle goederen worden geladen in één schip of in een kleiner aantal schepen dan in de overeenkomst is bepaald, is de verzekeraar enkel gehouden tot betaling van de som die hij verzekerd heeft op het schip of de schepen die de lading hebben ingenomen, niettegenstaande alle bedoelde schepen vergaan zijn; hij ontvangt niettemin de bij artikel 200 bepaalde vergoeding.

  Art. 218. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De verzekeraar is ontslagen van het risico en heeft recht op de premie, indien de verzekerde het schip naar een verder gelegen plaats zendt dan in de overeenkomst genoemd is, zij het op dezelfde route.
  De verzekering heeft volkomen gevolg indien de reis verkort wordt, mits de kapitein daartoe een van de aanleghavens kiest.
  De verzekeraar staat nochtans in voor het verlies, de schade en de uitgaven, die dagtekenen van voor de verlenging of de verandering van de reis.

  Art. 219. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Elke verzekering aangegaan na het verlies of de aankomst van de verzekerde zaken is nietig, indien bewezen wordt dat de verzekerde het verlies, of de verzekeraar de aankomst moet hebben vernomen voor de ondertekening van de overeenkomst.

  Art. 220. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wordt het bewijs geleverd tegen de verzekerde, dan betaalt deze aan de verzekeraar een dubbele premie.
  Wordt het bewijs geleverd tegen de verzekeraar, dan betaalt deze aan de verzekerde een bedrag gelijk aan het dubbele van de overeengekomen premie.

  Art. 221. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het beding "vrij van beschadigdheid" ontslaat de verzekeraar van elke gemene of bijzondere averij, uitgezonderd in de gevallen waarin abandonnement kan worden gedaan; in die gevallen heeft de verzekerde de keus tussen abandonnement en het instellen van een rechtsvordering wegens averij.

  Afdeling III. - Abandonnement.

  Art. 222. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Abandonnement van de verzekerde zaken kan geschieden:
  - in geval van neming,
  - schipbreuk,
  - stranding met verbrijzeling,
  - onzeewaardigheid tengevolge van zeegevaar,
  - aanhouding door een vreemde mogendheid,
  - verlies of beschadiging van de verzekerde zaken, indien het verlies of de beschadiging ten minste drie vierde bedraagt.
  Abandonnement kan geschieden in geval van aanhouding door de regering na het begin van de reis.

  Art. 223. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Abandonnement kan niet gedaan worden voor het begin van de reis.

  Art. 224. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Alle andere schade wordt als averij beschouwd en tussen verzekeraars en verzekerden geregeld naar verhouding van hun belangen.

  Art. 225. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Abandonnement van de verzekerde zaken kan noch gedeeltelijk noch voorwaardelijk gedaan worden.
  Het strekt zich niet verder uit dan tot de zaken waarop de verzekering en het risico betrekking hebben.

  Art. 226. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het abandonnement moet aan de verzekeraar gedaan worden:
  - binnen zes maanden na ontvangst van de tijding van het verlies, wanneer het zich heeft voorgedaan in een haven of op de kust van Europa, of op die van Azië en Afrika van de Middellandse Zee;
  - binnen een jaar na ontvangst van de tijding van het verlies, wanneer het zich heeft voorgedaan in Afrika aan deze zijde van Kaap de Goede Hoop of in Amerika aan deze zijde van Kaap Hoorn;
  - binnen achttien maanden na ontvangst van de tijding van het verlies, wanneer het zich heeft voorgedaan in andere gedeelten van de wereld.
  Na het verstrijken van die termijnen zijn de verzekerden niet meer tot abandonnement gerechtigd.
  In geval van neming en van aanhouding op last van hogerhand beginnen de voormelde termijnen eerst te lopen bij het verstrijken van de in artikel 243 bepaalde termijnen.

  Art. 227. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De verzekeraar kan, zonder het verstrijken van de voormelde termijnen af te wachten, de verzekerde aanmanen om abandonnement te doen. Indien de verzekerde dit niet doet binnen een maand, is hij er niet meer toe gerechtigd.

  Art. 228. Ingeval van herverzekering moeten de herverzekerden het abandonnement ter kennis van de herverzekeraar brengen binnen de volgende termijnen:
  - binnen een maand, wanneer het verlies zich heeft voorgedaan in het Verenigd Koninkrijk of in een aan België grenzende Staat;
  - binnen twee maanden, wanneer het verlies zich heeft voorgedaan in een andere Staat van Europa, dan wel in een Staat aan de Afrikaanse of Aziatische kust van de Middellandse Zee of aan de Aziatische kust van de Zwarte Zee;
  - binnen vijf maanden, wanneer het verlies zich heeft voorgedaan in een staat buiten Europa, aan deze zijde van de zeeëngten van Malakka en van Soenda, en aan deze zijde van Kaap Hoorn;
  - binnen acht maanden, indien het verlies zich heeft voorgedaan in de Staten aan gene zijde van die zeeëngten en aan gene zijde van Kaap Hoorn.
  Deze termijnen lopen vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verzekerden van hun abandonnement kennis hebben gegeven.
  In geval van oorlog ter zee worden de in het eerste lid bepaalde termijnen verdubbeld ten aanzien van de overzeese landen.

  Art. 229. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In de gevallen waarin abandonnement kan worden gedaan en bij andere ongevallen waarvan het risico voor de verzekeraar is, moet de verzekerde elk bericht dat hij ontvangt aan de verzekeraar betekenen op straffe van schadevergoeding.
  De betekening moet geschieden binnen drie dagen na ontvangst van het bericht.

  Art. 230. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer te rekenen van de dag van de afvaart of van de dag waar de laatst ontvangen tijding betrekking op heeft, zes maanden verlopen zijn in geval van een gewone reis, of een jaar in geval van een lange reis, kan de verzekerde die verklaart geen tijding van zijn schip te hebben ontvangen, abandonnement doen aan de verzekeraar en betaling van de verzekeringssom vorderen, zonder dat het verlies behoeft te worden bewezen.
  Na die zes maanden of na dat jaar kan de verzekerde optreden binnen de termijnen gesteld in artikel 226.

  Art. 231. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien een verzekering voor een bepaalde tijd is aangegaan, wordt, na verloop van de termijnen hiervoren gesteld voor gewone en voor lange reizen, vermoed dat het schip vergaan is binnen de looptijd van de verzekering.

  Art. 232. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Als lange reizen worden beschouwd die welke verder gaan dan:
  - zuidwaarts, de 30e graad noorderbreedte;
  - noordwaarts, de 72e graad noorderbreedte;
  - westwaarts, de 15e lengtegraad vanaf de meridiaan van Parijs;
  - oostwaarts, de 44e lengtegraad vanaf de meridiaan van Parijs.

  Art. 233. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Bij de betekening ingevolge artikel 229 kan de verzekerde of abandonnement doen met aanmaning aan de verzekeraar om de verzekeringssom te betalen binnen de termijn in de overeenkomst gesteld, of zich het recht voorbehouden om abandonnement te doen binnen de termijnen in de wet gesteld.

  Art. 234. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Bij het doen van abandonnement is de verzekerde gehouden de verzekeringen op te geven die hij op de verzekerde zaken heeft gesloten of doen sluiten, evenals die waartoe hij last heeft gegeven, en die waarvan hij weet dat zij door anderen op dezelfde zaken zijn gesloten, bij gebreke waarvan de termijn van betaling, die moet ingaan op de dag van het abandonnement, opgeschort wordt tot de dag dat hij gemelde opgave zal hebben laten doen, zonder dat daaruit enige verlenging volgt van de termijn bepaald om de rechtsvordering tot abandonnement in te stellen.

  Art. 235. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van bedrieglijke opgave is de verzekerde verstoken van de voordelen der verzekering.

  Art. 236. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Indien de tijd van de betaling niet vastgesteld is bij de overeenkomst, moet de verzekeraar de verzekeringssom betalen binnen drie maanden na de betekening van het abandonnement.

  Art. 237. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De stukken tot bewijs van inlading en verlies moeten aan de verzekeraar worden betekend voordat tegen hem een vordering tot betaling van de verzekerde bedragen kan worden ingesteld.

  Art. 238. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De verzekeraar wordt toegelaten tot het tegenbewijs van de feiten die in de bewijsstukken opgetekend zijn.
  Door die toelating wordt de veroordeling van de verzekeraar tot voorlopige uitkering van de verzekeringssom niet opgeschort, mits de verzekerde borg stelt.
  De verbintenis van de borg vervalt na twee volle jaren, indien er geen rechtsvordering is ingesteld.

  Art. 239. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Is het abandonnement betekend en aangenomen of bij vonnis geldig verklaard, dan behoren de verzekerde zaken aan de verzekeraar te rekenen van de dag van het abandonnement.
  De verzekeraar kan de terugkeer van het schip niet voorwenden om zich te onttrekken aan de betaling van de verzekeringssom.

  Art. 240. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De verzekeraar van de verwachte winst kan, in geval van abandonnement, niets uit de zaak vorderen van degene die ze heeft laten verzekeren.

  Art. 241. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van abandonnement van de vracht heeft de vrachtverzekeraar recht op de vracht voor het deel van de lading dat geborgen of in de aanleghavens ontscheept is en op het ten tijde van het schadegeval verschuldigde passagegeld, zelfs al is het voor of tijdens de reis betaald, onverminderd de rechten van de bodemerijgevers, het recht van de matrozen op loon en repatriëring en de kosten en uitgaven gedurende de reis.

  Art. 242. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In hetzelfde geval kan de vrachtverzekeraar het loon van de bemanning en alle andere in de verzekering begrepen uitgaven waarvan de verzekerde door de gebeurtenis bevrijd is, van de verzekeringssom aftrekken.
  Voor het afgetrokken bedrag wordt de premie volledig terugbetaald.

  Art. 243. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van neming door kapers of vijanden of van aanhouding op last van hogerhand, is de verzekerde gehouden daarvan aan de verzekeraar betekening te doen binnen drie dagen na de ontvangst van de tijding.
  Het abandonnement van de verzekerde zaken kan eerst gedaan worden:
  - na verloop van zes maanden te rekenen van de betekening, wanneer de neming of de aanhouding heeft plaatsgehad in een Europese zee of in een zee die Europa van Azië of van Afrika scheidt;
  - na verloop van een jaar, wanneer de neming of de aanhouding in een verder gelegen gebied heeft plaatsgehad.
  Ingeval de genomen of aangehouden goederen aan bederf onderhevig zijn, worden de voormelde termijnen verkort tot anderhalve maand in het eerste geval en tot drie maanden in het tweede geval.
  Is de verzekerde zaak tot goede prijs verklaard of is zij verbeurdverklaard voor het verstrijken van die termijnen, dan kan abandonnement worden gedaan door betekening van de tijding daarvan aan de verzekeraars.

  Art. 244. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Gedurende de termijnen in het vorige artikel bepaald, zijn de verzekerden verplicht alles te doen wat in hun vermogen ligt om de genomen of aangehouden zaken terug te krijgen of te doen vrijgeven.
  Hunnerzijds kunnen ook de verzekeraars daartoe het nodige doen, samen met de verzekerden of afzonderlijk.

  Art. 245. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Abandonnement wegens onzeewaardigheid kan niet worden gedaan wanneer het mogelijk is het gestrande schip weer vlot te maken, te herstellen en in staat te brengen om zijn reis naar de plaats van bestemming te vervolgen.
  In dat geval behoudt de verzekerde zijn verhaal op de verzekeraars voor de kosten en averij door de stranding veroorzaakt.

  Art. 246. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer het schip onzeewaardig is verklaard, is degene die de lading heeft laten verzekeren, gehouden daarvan kennis te geven binnen drie dagen na ontvangst van de tijding.

  Art. 247. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein is in dat geval verplicht al het mogelijke te doen om een ander schip te vinden teneinde de goederen naar de plaats van bestemming te brengen.

  Art. 248. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De goederen die in het geval van het vorige artikel in een ander schip zijn geladen, blijven voor risico van de verzekeraar, totdat zij aangekomen en uitgeladen zijn.

  Art. 249. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De verzekeraar is bovendien aansprakelijk voor de averij, de kosten van de lossing, opslag en herlading, de meerdere vracht en alle andere kosten die gemaakt zijn om de goederen te bergen.

  Art. 250. <W 1997-10-21/30, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de kapitein binnen de bij artikel 243 voorgeschreven termijnen geen ander schip heeft kunnen vinden om de goederen weer in te laden en naar de plaats van bestemming te brengen, kan de verzekerde abandonnement doen.

  TITEL VII. _ Aanvaring.

  Art. 251. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Wanneer de aanvaring is toe te schrijven aan toeval, wanneer zij veroorzaakt is door overmacht, of wanneer twijfel rijst omtrent de oorzaken van de aanvaring, wordt de schade gedragen door hen die ze hebben geleden.
  Deze bepaling is ook toepasselijk ingeval de schepen of een daarvan tijdens het ongeval voor anker liggen.
  Indien de aanvaring is veroorzaakt door de schuld van één der schepen, komt de vergoeding van de schade ten laste van het schip dat de fout heeft begaan.
  In geval van wederzijdse schuld is de aansprakelijkheid van elk der schepen evenredig aan het gewicht van de wederzijds begane fouten; wanneer evenwel die verhouding uit de omstandigheden niet kan worden afgeleid of wanneer de fouten tegen elkander schijnen op te wegen, wordt de aansprakelijkheid gelijkelijk gedeeld.
  De schade toegebracht, hetzij aan schepen, hetzij aan hun ladingen, hetzij aan bagage of andere goederen van de bemanningen, reizigers of andere personen die zich aan boord bevinden, wordt in bovengemelde verhouding gedragen door de schuldige schepen, zonder hoofdelijkheid ten aanzien van derden.
  De schuldige schepen zijn hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van derden voor schade veroorzaakt door dood of verwonding, behoudens recht van verhaal voor het schip dat een groter deel betaald heeft dan het overeenkomstig het vierde lid van dit artikel dragen moet.
  De in de voorgaande bepalingen vastgestelde aansprakelijkheid blijft bestaan ingeval de aanvaring is veroorzaakt door de schuld van een loods, ook al is het gebruik van een loods verplicht.

  Art. 252. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De rechtsvordering tot vergoeding van schade tengevolge van aanvaring geleden is niet afhankelijk van enig protest of enige andere bijzondere formaliteit.

  Art. 253. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De vordering op het aanvarend schip wordt ingesteld tegen de kapitein of de eigenaars.
  De kapitein is niet persoonlijk aansprakelijk, tenzij er zijnerzijds schuld of nalatigheid aanwezig is.

  Art. 254. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De kapitein of de eigenaar van het aangevaren schip kan optreden voor rekening van de bemanning, van de derden-afzenders, van de reizigers en van alle andere partijen die door de aanvaring schade hebben geleden.
  De rechtsvordering door de kapitein of de eigenaar ingesteld wegens schade aan het schip, houdt het recht van de andere belanghebbenden in stand.

  Art. 255. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Na een aanvaring is de kapitein van elk der in aanvaring gekomen schepen gehouden aan het andere schip, zijn bemanning en reizigers hulp te verlenen, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor zijn eigen schip, bemanning en reizigers.
  Hij is, binnen de grenzen van het mogelijke, eveneens gehouden aan het andere schip de naam en de thuishaven van zijn schip kenbaar te maken, alsmede de plaats waar het vandaan komt en die waar het heen gaat.
  (...)

  Art. 256. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De bepalingen van deze titel zijn mede van toepassing op de vergoeding van de schade die een schip, hetzij door het uitvoeren of nalaten van een maneuver, hetzij door het niet nakomen van de reglementen, heeft toegebracht aan een ander schip of aan de zich aan boord bevindende zaken of personen, ook al heeft er geen aanvaring plaatsgehad.

  TITEL VIII. - (Hulp en berging). <ingevoegd bij W 12-08-1911, art. 3>

  Art. 257. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Iedere daad van hulp of berging, die met gunstige uitslag is bekroond, geeft recht op een billijk loon.
  Geen loon is verschuldigd als de verleende hulp zonder gunstige uitslag is gebleven.
  In geen geval mag de te betalen som de waarde van de geredde zaken overtreffen.

  Art. 258. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Personen die aan de hulpverlening hebben deelgenomen ondanks het uitdrukkelijk en redelijk verbod van de zijde van het geholpen schip, hebben geen recht op enig loon.

  Art. 259. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het slepende schip heeft geen recht op loon voor hulp of berging van het gesleepte schip of zijn lading, dan wanneer het buitengewone diensten heeft bewezen die niet kunnen worden beschouwd als uitvoering van de sleepovereenkomst.

  Art. 260. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Ook dan wanneer hulp of berging heeft plaatsgehad tussen schepen die aan dezelfde eigenaar toebehoren, is loon verschuldigd.

  Art. 261. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het bedrag van het loon wordt vastgesteld door de overeenkomst der partijen en, bij gebreke daarvan, door de rechter.
  Hetzelfde geldt voor de verhouding waarin het loon tussen de bergers moet worden verdeeld en voor de verdeling tussen de eigenaars, de kapiteins en de andere personen in dienst van de schepen die aan de berging hebben deelgenomen.

  Art. 262. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Elke overeenkomst betreffende hulp en berging aangegaan tijdens en onder de invloed van het gevaar, kan ten verzoeke van een der partijen door de rechter worden vernietigd of gewijzigd, wanneer deze van oordeel is dat de overeengekomen voorwaarden niet billijk zijn.
  In alle gevallen waarin bewezen is dat de toestemming van een der partijen door bedrog of verzwijging waardeloos is gemaakt of waarin het loon in buitengewone mate naar de ene of de andere kant buiten verhouding staat tot de bewezen dienst, kan ten verzoeke van de belanghebbende partij de overeenkomst door de rechter worden vernietigd of gewijzigd.

  Art. 263. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De rechter stelt het loon vast naar omstandigheden, daarbij tot grondslag nemende:
  a) in de eerste plaats de verkregen uitslag, de moeite en de verdienste van hen die de hulp hebben verleend, het gevaar waarin het geholpen schip, zijn reizigers, bemanning en lading, de bergers en het bergende schip hebben verkeerd, de gebruikte tijd, de gemaakte kosten en de geleden schade, alsmede het risico van aansprakelijkheid en andere risico's door de bergers gelopen, de waarde van het door hen aan gevaar blootgestelde materieel, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de bijzondere uitrusting van het helpende schip;
  b) in de tweede plaats de waarde van de geredde zaken.
  Dezelfde bepalingen zijn van toepassing op de verdeling waarvan sprake is in artikel 261, tweede lid.
  De rechter kan het loon van de bergers verminderen of het hun ontzeggen, wanneer blijkt dat zij door hun schuld de berging of hulp hebben nodig gemaakt, of dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan diefstal, heling of andere bedrieglijke handelingen.

  Art. 264. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Geen loon is verschuldigd door geredde personen.
  Zij die mensenlevens hebben gered ter gelegenheid van de ramp die tot berging of hulp aanleiding heeft gegeven, zijn gerechtigd tot een billijk deel van het loon dat aan de bergers van schip, lading en toebehoren wordt toegekend.

  Art. 265. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Iedere kapitein is gehouden, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor zijn schip, bemanning en reizigers, hulp te verlenen aan eenieder, zij het een vijand, die hij in zee aantreft in levensgevaar.
  (...)

  TITEL IX. - Middelen van niet-ontvankelijkheid en verjaring. (De titel en de artikelen 266-270 vernummerd bij W 10-02-1908,art. 4 en bij W 12-08-1911, art. 6.)

  Art. 266. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Tenzij aan de vervoerder of zijn vertegenwoordiger in de loshaven, voor of op het ogenblik van het weghalen van de goederen en van hun overgifte aan de krachtens de vervoerovereenkomst op de aflevering recht hebbende persoon, schriftelijk kennis is gegeven van het verlies of de schade en van de algemene aard van het verlies of die beschadiging, geldt bedoelde weghaling, tot bewijs van het tegendeel, als vermoeden dat de goederen door de vervoerder werden afgeleverd zoals zij in het cognossement zijn omschreven.
  Is het verlies of de beschadiging uiterlijk niet zichtbaar, dan moet de kennisgeving binnen drie dagen na de aflevering geschieden.
  In elk geval zijn de vervoerder en het schip van alle aansprakelijkheid wegens verlies of schade ontheven, tenzij een rechtsvordering wordt ingesteld binnen een jaar nadat de goederen zijn of behoorden te zijn afgeleverd.
  De regresvorderingen kunnen na het verstrijken van de in het derde lid bepaalde termijn van één jaar worden ingesteld gedurende een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de persoon die de regresvordering instelt, de klacht heeft geregeld of waarop de dagvaarding aan die persoon werd betekend, op voorwaarde dat de regeling van de klacht of de betekening van de dagvaarding heeft plaatsgehad voor het verstrijken van de eerder vermelde termijn van één jaar of van de termijn tussen partijen overeengekomen na de feiten die tot de rechtsvordering aanleiding hebben gegeven.

  Art. 267. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Het voorbehoud waarvan sprake is in het vorige artikel, is overbodig, als de staat van de vervoerde zaken op het ogenblik van de inontvangstneming gezamenlijk is vastgesteld, hetzij door partijen, hetzij door deskundigen.
  De voorzitter van de rechtbank van koophandel van de loshaven is bevoegd op gewoon verzoekschrift een of drie deskundigen aan te wijzen, met opdracht de staat van de vervoerde goederen vast te stellen, alsmede de oorzaken en het bedrag van de schade te bepalen.
  De tegenpartij wordt voor het deskundigenonderzoek opgeroepen bij aangetekende brief.
  De beschikking kan bevelen dat de goederen in bewaring worden gegeven of onder sekwester gesteld, alsook dat zij naar een openbare of particuliere opslagplaats zullen worden gebracht.
  Zij kan de verkoop van de goederen ten belope van de verschuldigde vracht bevelen.
  Verzet tegen de beschikking wordt gebracht voor de rechtbank van koophandel; het moet worden gedaan uiterlijk de tweede dag na die waarop van de beschikking bericht is ontvangen, zon- en feestdagen niet meegerekend.
  (...)

  Art. 268. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> In geval van gemene averij is de houder van een cognossement, aan wie de kapitein de goederen heeft afgeleverd zonder voorbehoud, niet verplicht bij te dragen in de omslag, indien hij bewijst dat hij houder van het cognossement was voor rekening van een derde en dat hij de goederen niet meer in zijn bezit heeft. In zodanig geval kan de kapitein rechtstreeks optreden tegen hem die eigenaar van de goederen was op het ogenblik van de aflevering, doch hij is aansprakelijk tegenover de massa ten belope van hetgeen in de omslag voor deze goederen is verschuldigd.

  Art. 269. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Alle rechtsvorderingen, ontstaan uit een bodemerijcontract, uit een charterpartij of, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 266, uit een cognossement, verjaren door verloop van drie jaar, ingaande:
  1° de dag dat de schuldvordering opeisbaar wordt, indien het een bodemerijcontract betreft;
  2° de dag dat de reis eindigt, indien het een charterpartij of een cognossement betreft.

  Art. 270. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Voorts verjaren:
  - de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade door aanvaring, twee jaar na het voorval; voor het instellen van de verhaalsvorderingen door het voorlaatste lid van artikel 251 toegelaten, is de termijn een jaar; deze verjaring begint eerst te lopen vanaf de dag van de betaling;
  - de rechtsvorderingen tot betaling van hulp- en bergloon, twee jaar na de dag waarop de hulp- of bergingswerkzaamheden zijn geëindigd;
  - de rechtsvorderingen wegens gemene averij, een jaar na de dag van het voorval;
  - de rechtsvorderingen tot betaling van vracht en van loon van de officieren, matrozen en andere schepelingen, een jaar na het eindigen van de reis;
  - de rechtsvorderingen wegens voeding aan de matrozen verstrekt op last van de kapitein, een jaar na de levering;
  - de rechtsvorderingen wegens het leveren van zaken die noodzakelijk zijn voor de uitrusting en de bevoorrading van het schip, een jaar na de levering;
  - de rechtsvorderingen wegens loon van werklieden en wegens gedaan werk, een jaar na de oplevering van het werk;
  - de rechtsvorderingen tot aflevering van goederen, een jaar na de aankomst van het schip.

  TITEL X. - Binnenschepen. <De titel en de artikelen 271-279 ingevoegd bij W 10-02-1908, art. 6, en vernummerd bij W 12-08-1911, art. 6.>

  Art. 271. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Voor de toepassing van deze wet worden als binnenschepen beschouwd, de vaartuigen, gewoonlijk gebruikt of bestemd voor de vaart in de (binnenwateren) ten behoeve van personen- of goederenvervoer, visserij, sleepvaart, baggerwerk of enige andere winstgevende scheepvaartverrichting.
  Voor de toepassing van deze wet worden met binnenschepen gelijkgesteld alle vaartuigen van minder dan 25 ton die gewoonlijk ter zee worden gebruikt voor soortgelijke verrichtingen.

  Art. 272. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Titel I van dit boek, met uitzondering van de artikelen 1 en 23, § 1, 5°, is van toepassing op de binnenschepen.
  De woorden "zeeschip" en "register der zeeschepen", worden, waar zij voorkomen in titel I, respectievelijk vervangen door de woorden "binnenschip" en "register van teboekstelling".
  Aldus vervangen bij art. 11 van de wet van 2 april 1965, daarna vervangen bij artikel 26 van de wet van 21 december 1990.

  Art. 272bis.<W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. Elk binnenschip reeds gebouwd of in aanbouw kan op aanvraag van de belanghebbenden, worden teboekgesteld onder een speciaal nummer.
  Teboekstelling geschiedt op aangifte door de belanghebbenden op het [3 Belgisch Scheepsregister]3.
  Binnenschepen worden hierna "schip" genoemd.
  § 2. Met het oog op de teboekstelling van het schip, moeten de eigenaars bij [1 het Belgisch Scheepsregister]1 een aangifte indienen met opgave van:
  1° naam en kenmerken van het schip, aard en vermogen van de voortstuwingsmachine, de thuishaven die de aangevers het hebben toegewezen en, in voorkomend geval, het volgnummer van het schip, voorafgegaan door de beginletters van zijn thuishaven;
  2° jaar en plaats van de bouw, naam en woonplaats van de bouwer;
  3° verkeer en verrichtingen waarvoor het schip gewoonlijk en hoofdzakelijk gebezigd wordt of zal worden;
  4° de huidige eigenaar van het schip, te weten:
  a) als het een natuurlijke persoon betreft, zijn naam, voornamen, beroep, nationaliteit, zijn woonplaats en in voorkomend geval, zijn gekozen woonplaats;
  b) als het een handelsvennootschap betreft, haar handelsnaam of benaming, haar maatschappelijke zetel en de plaats van haar hoofdinrichting, plaats en datum van haar oprichting, naam, voornamen, nationaliteit en woonplaats van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten, van de beheerders of van de zaakvoerders.
  § 3. Indien verscheidene natuurlijke personen of rechtspersonen op het schip rechten van eigendom of vruchtgebruik hebben, vermeldt de aangifte aard en hoegrootheid van die rechten en geeft zij voor ieder van die personen de in § 2 genoemde gegevens op.
  § 4. Bij de aangifte moeten de volgende stukken worden gevoegd:
  1° het nationaliteitsbewijs van ieder van de personen en de statuten van ieder van de handelsvennootschappen die eigenaar of medeëigenaar zijn;
  2° de akte van vestiging, overdracht of aanwijzing van de rechten van eigendom of vruchtgebruik, als het een onderhandse, of een uitgifte als het een authentieke akte is. Een dubbel van de onderhandse of een voor eensluidend verklaard afschrift van de authentieke akte moet worden bijgevoegd en blijft ten kantore van [1 het Belgisch Scheepsregister]1 berusten;
  3° de meetbrief, met een duplicaat dat ten kantore blijft berusten;
  4° in voorkomend geval, een verklaring van de bevoegde overheid van de Staat waar het schip laatst was teboekgesteld of geregistreerd, betreffende de hypothecaire toestand van het schip, met aanduiding van de laatst ingeschreven eigenaar.
  § 5. Een schip dat in België in aanbouw is, wordt teboekgesteld op aangifte van de bouwer of door hem voor wiens rekening het wordt gebouwd, als deze zijn eigendomsrecht bewijst.
  De aangifte bevat de in § 2 genoemde gegevens voor zover die kunnen worden verstrekt. Bij de aangifte worden de in § 4, 1° en 2°, genoemde stukken gevoegd. Binnen dertig dagen nadat het schip voltooid is, worden die gegevens door de belanghebbenden aangevuld en wordt de meetbrief voorgelegd, samen met een duplicaat dat ten kantore blijft berusten.
  § 6. Van elk feit dat aanleiding geeft tot wijziging van de gegevens die luidens dit artikel moeten voorkomen in de aangifte en in de met het oog op teboekstelling over te leggen stukken, moet binnen dertig dagen nadat het zich heeft voorgedaan, door de aangevers aan [2 het Belgisch Scheepsregister]2 kennis worden gegeven opdat het in het register van teboekstelling wordt geboekt. Bij overlijden van de aangever of aangevers rust de voormelde verplichting op de erfgenamen of legatarissen, evenwel met dien verstande dat de termijn van dertig dagen ingaat op het tijdstip waarop dezen kennis krijgen van het feit dat aanleiding geeft tot wijziging van de in dit artikel bedoelde gegevens.
  De kennisgeving moet vergezeld zijn van een in tweevoud opgemaakt stuk waaruit dat feit blijkt. Is dit stuk echter een authentieke akte, dan moet daarvan een uitgifte samen met een eensluidend verklaard afschrift worden overgelegd. Het dubbel van dat stuk of het eensluidend verklaard afschrift van de authentieke akte blijft ten kantore van [1 het Belgisch Scheepsregister]1 berusten.
  Elke kennisgeving van een wijziging in de tonnenmaat, in de afmetingen van het schip, in de aard en het vermogen van de voortstuwingsmachine, moet vergezeld gaan van de meetbrief waarop die wijziging is aangetekend, en van een duplicaat van dat document, dat ten kantore blijft berusten.
  § 7. Wanneer het schip teboekgesteld is op overlegging van een meetbrief opgemaakt volgens buitenlandse metingsregelen, wordt de meetbrief, opgemaakt volgens de in België geldende voorschriften, samen met een duplicaat van dat document, dat ten kantore blijft berusten, aan [2 het Belgisch Scheepsregister]2 voorgelegd binnen het jaar na de teboekstelling.
  Wijzigingen die uit de nieuwe meting voortvloeien, worden in het register van teboekstelling opgetekend.
  § 8. [2 Het Belgisch Scheepsregister]2 tekent het nummer waaronder het schip is teboekgesteld en de datum van de teboekstelling aan op de meetbrief die tot staving van de aangifte wordt voorgelegd.
  § 9. De teboekstelling kan door [1 het Belgisch Scheepsregister]1 worden doorgehaald, hetzij van ambtswege, hetzij op verzoek van belanghebbenden.
  Ondanks de doorhaling blijven de inschrijvingen betreffende de zakelijke rechten waarmede het schip is bezwaard bestaan en kunnen zij naderhand worden doorgehaald, verminderd of hernieuwd.
  Geen teboekstelling mag worden doorgehaald dan dertig dagen na de datum waarop alle bij [3 het Belgisch Scheepsregister]3 ingeschreven schuldeisers en alle derden, die er een exploot van beslag lieten inschrijven, door [2 het Belgisch Scheepsregister]2 op de hoogte zijn gebracht. Die kennisgeving geschiedt bij een ter post aangetekende brief die aan de gekozen woonplaats van de ingeschrevene mag worden gezonden.
  [2 Het Belgisch Scheepsregister]2 vermeldt de doorhaling op de meetbrief.)
  Ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 2 april 1965 daarna vervangen bij artikel 27 van de wet van 21 december 1990.
  ----------
  (1)<W 2016-12-25/46, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>
  (2)<W 2016-12-25/46, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>
  (3)<W 2016-12-25/46, art. 10, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2017, maar ten vroegste op de eerste dag na de datum van inwerkingtreding van titel 3, hoofdstuk 1, van de wet van 18 december 2015 houdende fiscale en diverse bepalingen (W 2015-12-18/12 (zie art. 100)), namelijk op 02-11-2016>

  Art. 273. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> § 1. Onder voorbehoud van de §§ 2 tot 4 zijn van toepassing op de binnenvaartuigen en op de vaartuigen en drijvende tuigen door de Koning daarmede gelijkgesteld:
  1° de artikelen 1 tot en met 15, behalve artikel 6, § 5, van het Verdrag inzake de beperking van aansprakelijkheid voor zeevorderingen, gesloten te Londen op 19 november 1976, verder LLMC-Verdrag genoemd.
  Art. 2, § 1, litterae d en e, van het LLMC-Verdrag is van toepassing op de binnenvaartuigen en de daarmede gelijkgestelde vaartuigen en drijvende tuigen.
  2° De artikelen 46, 48 tot 58 en 67 van dit Boek.
  3° De artikelen 12 tot 14, 16 en 17 van de wet houdende goedkeuring en uitvoering van diverse internationale akten inzake de zeevaart.
  § 2. Voor de toepassing van § 1 wordt het begrip schip, waar het voorkomt in de aangeduide artikelen, vervangen door "binnenvaartuig".
  § 3. De aansprakelijkheidsgrenzen vermeld in de artikelen 6, §§ 1 en 4 en 7 van het LLMC-Verdrag, en de grondslag van de berekening van de aansprakelijkheidsbeperking worden vastgesteld door de Koning.
  De Koning is bevoegd om deze gegevens te allen tijde aan te passen, rekening houdend met de economische toestand.
  § 4. De vorderingen vermeld in artikel 2, § 1, litterae d en e van het LLMC-Verdrag omvatten mede de vorderingen van de overheid wegens de maatregelen en verrichtingen vermeld in artikel 14 van de wet vermeld in § 1, 3°.

  Art. 274. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> (Het eerste, het tweede en het derde lid opgeheven) <W 05-05-1936, art. 61>
  De artikelen 89 en 90 van dit boek zijn mede van toepassing op het cognossement bedoeld in artikel 9 van de wet van 5 mei 1936 op de binnenbevrachting.

  Art. 275. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Hoofdstuk III van titel III betreffende averij en averijregeling, behalve artikel 154, is mede van toepassing op de binnenschepen.

  Art. 276. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De binnenvaartverzekering kan omvatten:
  het casco en de kiel van het schip;
  het tuig en de takelage;
  de uitrusting en de mondvoorraad;
  de vracht;
  het passagegeld;
  de ingeladen goederen;
  de uit de goederen verwachte winst;
  (het loon van de bemanning);
  de winst op de bevrachting;
  het makelaarsloon en het commissieloon op aankoop, verkoop en consignatie;
  de geldsommen voor en tijdens de reis besteed ten behoeve van het schip en van de verzending van de goederen;
  in het algemeen, alle op geld waardeerbare zaken of waarden die aan scheepvaartrisico onderhevig zijn, onverminderd de bepalingen (van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, in zoverre zij betrekking heeft op de persoonsverzekeringen.

  Art. 277. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> De bepalingen van titel VI zijn van overeenkomstige toepassing op de binnenvaartverzekering.

  Art. 278. <W 1997-10-21/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 07-12-1997> Titel VII betreffende de aanvaring, titel VIII betreffende hulp en berging, de leden 1, 2, 3 en 4 van artikel 270, zijn van overeenkomstige toepassing.

  Art. 279. (Opgeheven) <W 28-11-1928 (II), art. 5>

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 13-04-2019 GEPUBL. OP 14-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 12; 14; 33; 35; 272bis)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-05-2018 GEPUBL. OP 30-05-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 24)
  • BEELD
  • WET VAN 15-04-2018 GEPUBL. OP 27-04-2018
    (GEWIJZIGD ART. : OPSCHRIFT)
  • BEELD
  • WET VAN 25-12-2016 GEPUBL. OP 01-02-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 13; 15; 16; 30; 32; 272bis; 14; 17; 33; 35; 43; 45)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2010 GEPUBL. OP 24-01-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 49)
  • BEELD
  • WET VAN 21-10-1997 GEPUBL. OP 27-11-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : F.12; F.14; F.23; F.24; F.29)
    (GEWIJZIGDE ART. : F.35; F.63; F.65; F.91; F.113)
    (GEWIJZIGDE ART. : F.114; F.116; F.118; F.140)
    (GEWIJZIGDE ART. : F.163; F.164; F.185; F.228)
    (GEWIJZIGDE ART. : F.241; F.271; F.274; F.276)
    (GEWIJZIGD ART. : F.278)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-05-1995 GEPUBL. OP 03-08-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 24)
  • WET VAN 25-06-1992 GEPUBL. OP 20-08-1992
    (GEWIJZIGDE ART. : 191; 276)
  • WET VAN 21-12-1990 GEPUBL. OP 29-12-1990
    (GEWIJZIGDE ART. : 3-9; 11-13; 16; 30; 43-45; 272)
    (GEWIJZIGDE ART. : 272BIS; 7BIS)
  • WET VAN 11-04-1989 GEPUBL. OP 06-10-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 46-54; 91; 138; 167; 266; 273)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-03-1987 GEPUBL. OP 16-04-1987
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 24)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 4 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
    Franstalige versie