J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 107 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1984/03/28/1985011368/justel

Titel
28 MAART 1984. - Wet op de uitvindingsoctrooien.
(NOTA : art. 1 ; 2 ; 4 ; 5 ; 7 ; 12 ; 14 ; 15 ; 16 ; 16bis ; 17 ; 18 ; 19 ; 20 ; 21 ; 22 ; 23 ; 25 ; 26 ; 29 ; 33 ; 35 ; 40 ; 42 ; 44 ; 45 ; 47 ; 48bis ; 48ter ; 49 ; 50 ; 51 ; 55 ; 57 ; 58 ; 60 ; 68 ; 70 ; 71 ; 72bis ; 74 ; 74bis ; 74ter gewijzigd in de toekomst bij <W 2011-01-10/05, art. 2 tot 47; 012 ; Inwerkingtreding : onbepaald>)
(NOTA : Opgeheven met inwerkingtredingdatum vastgesteld op 22-09-2014, met uitzondering van artikel 40, § 1, vierde lid, artikel 52, §§ 4 tot 6, artikel 53, artikel 70bis voor wat betreft de Europese octrooiaanvragen en de Europese octrooien verleend naar aanleiding van die aanvragen, die onderworpen zijn aan de wet van 21 april 2007 houdende diverse bepalingen betreffende de procedure inzake indiening van Europese octrooiaanvragen en de gevolgen van deze aanvragen en van de Europese octrooien in België, artikelen 73 en 74 en van de bijlage betreffende de jaartaksen voor het instandhouden van een octrooiaanvraag of van een octrooi, bij KB 2014-09-04/02, art. 60, 014; Inwerkingtreding : 22-09-2014)
(NOTA : Art. 1 tot 40, § 1, eerste tot vierde lid, zezde lid, § 2 en § 3, art. 41 tot 78, opgeheven in de toekomst bij W 2014-04-19/60, art. 32, §2, 1ste streepje, 015; Inwerkingtreding : onbepaald, zie KB 2014-04-19/61, art. 1; zie ook AR 2015-11-09/13, art. 5, 1°)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-06-1995 en tekstbijwerking tot 29-12-2014) Zie wijziging(en)

Bron : ECONOMISCHE ZAKEN
Publicatie : 09-03-1985 nummer :   1985011368 bladzijde : 2774
Dossiernummer : 1984-03-28/35
Inwerkingtreding : 01-01-1987
Opheffing : 01-01-2015

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeenheden.
Art. 1
HOOFDSTUK II. - Het uitvindingsoctrooi.
AFDELING 1. - Algemene bepalingen.
Art. 2-7
AFDELING 2. Het recht om een uitvindingsoctrooi te bekomen.
Art. 8-12
AFDELING 3. De aflevering van het uitvindingsoctrooi.
Art. 13-25
AFDELING 4. Rechten en verplichtingen verbonden aan het uitvindingsoctrooi en aan de aanvraag ervan.
Art. 26-27, 27bis, 27ter, 27quater, 27quinquies, 28-31, 31bis, 31ter, 32-40
Art. 40 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 41-42
AFDELING 5. Het octrooi en de octrooiaanvraag als deel van het vermogen.
Art. 43-48
AFDELING 6. Nietigheid van het uitvindingsoctrooi.
Art. 49-51
AFDELING 7. Bescherming van de door het uitvindingsoctrooi verleende rechten.
Art. 52-54
HOOFDSTUK III. - Vertegenwoordiging voor de Dienst.
Art. 55-70
HOOFDSTUK IV. Diverse bepalingen.
Art. 70bis, 71-78
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemeenheden.

  Artikel 1. § 1. Voor de toepassing van deze wet wordt begrepen onder :
  - Verdrag van Parijs : het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom ondertekend te Parijs op 20 maart 1883 en goedgekeurd bij de wet van 5 juli 1884, inbegrepen iedere herzieningsakte die door België werd bekrachtigd;
  - Samenwerkingsverdrag : het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970 en goedgekeurd door de wet van 8 juli 1977;
  - Europees Octrooiverdrag : het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, opgemaakt te Munchen op 5 oktober 1973 en goedgekeurd bij de wet van 8 juli 1977;
  - Wet van 10 januari 1955 : de wet betreffende de bekendmaking en de toepassing der uitvindingen en fabrieksgeheimen die de verdediging van het grondgebied of de veiligheid van de Staat aangaan;
  - Wet van 4 augustus 1955 : de wet betreffende de veiligheid van de Staat op het gebied van de kernenergie;
  - Europees Octrooibureau : het Europees Octrooibureau ingesteld door het Oeuropees Octrooiverdrag;
  - Minister : de Minister die de industriële eigendom onder zijn bevoegdheid heeft;
  - Dienst : de Dienst voor de industriële eigendom bij het Ministerie van Meconomische Zaken en, voor de toepassing van de artikelen 55 tot 59, 61, 66 en 69, bovendien, de openbare diensten die door de Koning met toepassing van artikel 14 zijn aangewezen;
  - Register : het Register der uitvindingsoctrooien;
  - Verzameling : de Verzameling der uitvindingsoctrooien.
  (- Biologisch materiaal : materiaal dat genetische informatie bevat en zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden gerepliceerd;
  - Microbiologische werkwijze : iedere werkwijze waarbij microbiologisch materiaal wordt gebruikt, die op microbiologisch materiaal ingrijpt of die microbiologisch materiaal als resultaat heeft;
  - Werkwijze van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren : werkwijze voor de voortbrenging van planten of dieren die geheel bestaat uit natuurlijke verschijnselen zoals kruisingen of selecties;
  - Kwekersrecht : recht toegekend aan de kweker van een nieuw plantenras zoals gedefinieerd door de wetgeving tot bescherming van kweekproducten;
  - Plantenras : plantenras zoals bepaald in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht.) <W 2005-04-28/33, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  § 2. Deze wet doet geen afbreuk aan de in België uitvoerbare bepalingen van een verdrag.
  (Dit impliceert met name de eerbiediging van de volgende internationale teksten : het Verdrag inzake biologische diversiteit opgemaakt te Rio op 5 juni 1992, de Overeenkomst inzake handelsaspecten van de intellectuele eigendom opgemaakt te Marrakech op 15 april 1994 en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van 4 november 1950.) <W 2005-04-28/33, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>

  HOOFDSTUK II. - Het uitvindingsoctrooi.

  AFDELING 1. - Algemene bepalingen.

  Art. 2. Onder de voorwaarden en binnen de grenzen van deze wet wordt onder de naam "uitvindingsoctrooi", hierna octrooi genoemd, een uitsluitend en tijdelijk recht van exploitatie verleend voor iedere uitvinding die nieuw is, op uitvinderswerkzaamheid berust en vatbaar is voor toepassing op het gebied van de nijverheid.
  (Uitvindingen die nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en industrieel toepasbaar zijn, kunnen ook octrooieerbaar zijn wanneer zij betrekking hebben op een voortbrengsel dat uit biologisch materiaal bestaat of dit bevat, of op een werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen, bewerkt of gebruikt.
  Biologisch materiaal dat met behulp van een technische werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt verkregen, kan ook dan het voorwerp van een uitvinding zijn, wanneer het in de natuur reeds voorhanden is.) <W 2005-04-28/33, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>

  Art. 3. § 1. In de zin van artikel 2 worden in het bijzonder niet als uitvindingen beschouwd :
  1) ontdekkingen alsmede natuurwetenschappelijke theorieën en wiskundige methoden;
  2) esthetische vormgevingen;
  3) stelsels, regels en methoden voor het verrichten van geestelijke arbeid, voor het spelen of voor de bedrijfsvoering, alsmede computerprogramma's;
  4) presentatie van gegevens.
  § 2. De bepalingen van § 1 sluiten de octrooieerbaarheid van de aldaar genoemde onderwerpen of werkzaamheden alleen dan uit voor zover de octrooiaanvraag of het octrooi betrekking heeft op een van die onderwerpen of werkzaamheden als zodanig.

  Art. 4. § 1. (Niet octrooieerbaar zijn :
  1) planten - en dierenrassen;
  2) werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren.) <W 2005-04-28/33, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  (§ 1bis. Een uitvinding die betrekking heeft op planten en dieren, is octrooieerbaar als de uitvoerbaarheid van die uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras.) <W 2005-04-28/33, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  (§ 1ter. § 1, 2), laat de octrooieerbaarheid van de uitvindingen onverlet die betrekking hebben op een microbiologische of andere technische werkwijze of op een met behulp van deze werkwijze verkregen voortbrengsel.) <W 2005-04-28/33, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  § 2. (Niet octrooieerbaar zijn de uitvindingen waarvan de commerciële exploitatie) strijdig zou zijn met de openbare orde of met de goede zeden (, met inbegrip van bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten of ter vermijding van ernstige schade voor het milieu), met dien verstande dat niet als strijdig in deze zin zal worden beschouwd het enkele feit dat de toepassing van de uitvinding door een wettelijke of reglementaire bepaling is verboden. <W 1997-01-28/32, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 14-04-1997> <W 2005-04-28/33, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  (§ 3. Uit hoofde van § 2, worden met name niet-octrooieerbaar geacht :
  1° de werkwijzen voor het klonen van mensen, dit wil zeggen elke werkwijze, met inbegrip van de technieken voor de splitsing van embryo's die ten doel heeft een mens voort te brengen die in de celkernen dezelfde genetische informatie bezit als een ander levend dan wel overleden menselijk wezen;
  2° de werkwijzen tot wijziging van de germinale genetische identiteit van de mens;
  3° het gebruik van menselijke embryo's voor industriële of commerciële doeleinden;
  4° de werkwijzen tot wijziging van de genetische identiteit van dieren die geëigend zijn deze te doen lijden zonder aanzienlijk medisch nut voor mens of dier op te leveren, alsmede de dieren die uit dergelijke werkwijzen zijn verkregen.) <W 2005-04-28/33, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  (§ 4. Het menselijk lichaam in de verschillende stadia van zijn vorming en zijn ontwikkeling, alsmede de loutere ontdekking van een van de delen ervan, met inbegrip van een sequentie of partiële sequentie van een gen, zijn niet octrooieerbaar.
  Een deel van het menselijk lichaam dat werd geïsoleerd of dat anderszins door een technische werkwijze werd verkregen, met inbegrip van een sequentie of een partiële sequentie van een gen, is vatbaar voor octrooiering, zelfs indien de structuur van dat deel identiek is aan die van een natuurlijk deel.
  De industriële toepassing van een sequentie of een partiële sequentie van een gen die als basis dient voor een uitvinding moet concreet worden vermeld in de octrooiaanvraag.) <W 2005-04-28/33, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>

  Art. 5. § 1. Een uitvinding wordt als nieuw beschouwd indien zij geen deel uitmaakt van de stand van de techniek.
  § 2. De stand van de techniek wordt gevormd door al hetgeen vóór de datum van indiening van de octrooiaanvraag openbaar toegankelijk is gemaakt door een schriftelijke of mondelinge beschrijving, door toepassing of op enige andere wijze.
  § 3. Als behorend tot de stand van de techniek wordt tevens aangemerkt de inhoud van Belgische octrooiaanvragen en van Europese of internationale octrooiaanvragen, waarbij België wordt aangewezen, zoals die zijn ingediend, waarvan de datum van indiening gelegen is vóór de in § 2 genoemde datum en die eerst op of na die datum zijn gepubliceerd.
  § 4. De bepalingen van §§ 1 tot en met 3 sluiten niet de octrooieerbaarheid uit van tot de stand van de techniek behorende stoffen of mengsels, voor zover zij bestemd zijn voor toepassing van een van de in artikel 7, § 2, bedoelde methoden, mits de toepassing daarvan voor enige in die paragraaf bedoelde methode niet tot de stand van de techniek behoort.
  § 5. Een openbaarmaking van de uitvinding blijft buiten beschouwing voor het vaststellen van de stand van de techniek, indien deze niet eerder is geschied dan zes maanden voor de indiening van de octrooiaanvraag en indien deze direct of indirect het gevolg is van :
  a) een kennelijk misbruik ten opzichte van de aanvrager of diens rechtsvoorganger, of
  b) het feit dat de aanvrager of diens rechtsvoorganger de uitvinding heeft tentoongesteld op van overheidswege gehouden of erkende tentoonstellingen in de zin van het Verdrag nopens internationale tentoonstellingen, ondertekend te Parijs op 22 november 1928, en op voorwaarde dat de aanvrager bij de indiening van zijn aanvraag verklaart dat de uitvinding inderdaad is tentoongesteld en een bewijsstuk daarvoor overlegt binnen de termijn en overeenkomstig de voorwaarden gesteld door de Koning.

  Art. 6. Een uitvinding wordt als het resultaat van uitvinderswerkzaamheid aangemerkt, indien zij voor een deskundige niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek. De documenten als bedoeld in artikel 5, § 3, worden bij de beoordeling van de uitvinderswerkzaamheid buiten beschouwing gelaten.

  Art. 7. § 1. Een uitvinding wordt voor toepassing op het gebied van de nijverheid vatbaar geacht, indien het onderwerp daarvan kan worden vervaardigd of toegepast op enig gebied van de nijverheid, de landbouw daaronder begrepen.
  § 2. Methoden van behandeling van het menselijke of dierlijke lichaam door chirurgische ingrepen of geneeskundige behandeling en diagnosemethoden die worden toegepast op het menselijke of het dierlijke lichaam worden niet beschouwd als uitvindingen die vatbaar zijn voor toepassing op het gebied van de nijverheid in de zin van § 1. Deze bepaling is niet van toepassing op voortbrengselen, met name stoffen en mengsels, voor de toepassing van één van deze methoden.

  AFDELING 2. _ Het recht om een uitvindingsoctrooi te bekomen.

  Art. 8. Het recht op een octrooi komt toe aan de uitvinder of aan zijn rechtverkrijgende.
  Indien verscheidene personen de uitvinding onafhankelijk van elkaar hebben gedaan, heeft degene wiens octrooiaanvraag de oudste datum van indiening heeft recht op het octrooi.
  Bij de procedure voor de Dienst wordt de aanvrager geacht gerechtigd te zijn het recht op een octrooi te doen gelden.

  Art. 9. § 1. Indien een octrooi is aangevraagd, hetzij voor een uitvinding die aan de uitvinder of zijn rechtverkrijgende afhandig is gemaakt, hetzij met terzijde stelling van een wettelijke of contractuele verplichting, kan de benadeelde persoon eisen dat het octrooi aan hem wordt overgedragen, onverminderd alle andere rechten of rechtsvorderingen.
  § 2. Indien de benadeelde persoon slechts recht heeft op een deel van de octrooiaanvraag of van het verleende octrooi, kan hij overeenkomstig § 1 eisen dat de aanvraag of het octrooi aan hem als mederechthebbende wordt overgedragen.
  § 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde rechten moeten ten laatste 2 jaar na de verlening van het octrooi in rechte worden uitgeoefend. Deze bepaling is niet van toepassing indien de octrooihouder ten tijde van de verlening of de verkrijging van het octrooi wist dat hij geen recht op het octrooi had.
  § 4. Het instellen van een rechtsvordering wordt ingeschreven in het Register. Ook wordt ingeschreven de in kracht van gewijsde gegane beslissing op deze vordering of een andere beëindiging van de procedure. Deze inschrijvingen vinden plaats door bemiddeling van de griffier van de aangezochte rechterlijke instantie, op verzoek van de aanvrager of van elke belanghebbende.

  Art. 10. § 1. Bij een volledige verandering in het houderschap van een octrooiaanvraag of een octrooi ingevolge een rechtsvordering op grond van artikel 9, § 4, vervallen licenties en andere rechten door inschrijving van de rechthebbende in het Register.
  § 2. Indien vóór de inschrijving van het instellen van deze rechtsvordering.
  a) de houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi de uitvinding in België heeft toegepast of hiertoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen, of indien
  b) een licentiehouder een licentie heeft verkregen en de uitvinding op het Belgisch grondgebied heeft toegepast of hiertoe daadwerkelijke en wezenlijke voorbereidingen heeft getroffen,
  kunnen zij de toepassing voortzetten mits zij de nieuwe in het Register ingeschreven houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi om een niet uitsluitende licentie verzoeken. Dit verzoek dient binnen de door de Koning voorgeschreven termijn te worden gedaan. De licentie moet voor een redelijke periode en tegen redelijke voorwaarden worden verleend.
  § 3. Het bepaalde in de vorige paragraaf is niet van toepassing indien de houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi of de licentiehouder te kwader trouw was toen hij met de toepassing van de uitvinding of de voorbereiding hiertoe begon.

  Art. 11. Het bepaalde in artikel 9 en 10 is van toepassing wanneer het geschil inzake het houderschap van een octrooiaanvraag of van een octrooi voor een scheidsgerecht wordt gebracht.

  Art. 12. De uitvinder heeft het recht als dusdanig in het octrooi vermeld te worden; hij kan zich ook tegen een dergelijke vermelding verzetten.

  AFDELING 3. _ De aflevering van het uitvindingsoctrooi.

  Art. 13. Degene die een uitvindingsoctrooi wenst te bekomen moet een aanvraag indienen. Deze aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden en vormen vastgelegd in de huidige wet en door de Koning.

  Art. 14. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk III van deze wet wordt de indiening van de octrooiaanvraag, hetzij in persoon, hetzij per post, bij de Dienst gedaan. De indiening kan eveneens in persoon geschieden bij de door de Koning daartoe aangeduide openbare diensten van het koninkrijk.
  Een proces-verbaal kosteloos opgesteld, hetzij door een daartoe door de Minister aangewezen ambtenaar van de Dienst, hetzij door de bevoegde ambtenaar van de openbare dienst, stelt elke indiening vast met vermelding van de dag en het uur van de ontvangst der stukken. Indien de indiening in persoon geschiedt wordt dit proces-verbaal door de neerlegger getekend.

  Art. 15. § 1. De octrooiaanvraag moet bevatten :
  1) een tot de Minister gericht verzoek tot verlening van een octrooi;
  2) een beschrijving van de uitvinding;
  3) één of meer conclusies;
  4) de tekeningen waarnaar de beschrijving of de conclusies verwijzen;
  5) een uittreksel.
  (6) een vermelding van de geografische oorsprong van het biologisch materiaal van plantaardige of dierlijke oorsprong op basis waarvan de uitvinding ontwikkeld werd, indien deze bekend is. De Koning kan de toepasselijke voorwaarden en uitvoeringsmaatregelen vastleggen.) <W 2005-04-28/33, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  § 2. Elke octrooiaanvraag geeft aanleiding tot betaling van de indieningstaks; het bewijs van betaling van deze taks dient uiterlijk één maand na de indiening van de aanvraag aan de Dienst toe te komen.

  Art. 16. § 1. Voor zover aan de bepalingen gesteld in het artikel 14 is voldaan, is de datum van de indiening van de octrooiaanvraag de datum waarop de aanvrager documenten overlegt die bevatten :
  1) een verklaring dat een octrooi wordt aangevraagd;
  2) gegevens waaruit de identiteit van de aanvrager blijkt;
  3) een beschrijving van de uitvinding en één of meer conclusies, zelfs indien de beschrijving en de conclusies niet overeenstemmen met de andere vereisten van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
  § 2. De octrooiaanvraag die niet voldoet aan de in § 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden wordt niet aanvaard.
  § 3. Onverminderd de toepassing van de bepalingen der wetten van 10 januari 1955 en van 4 augustus 1955, wordt melding gemaakt van de indiening der aanvragen in het Register.

  Art. 17. § 1. De uitvinding moet in de octrooiaanvraag zodanig duidelijk en volledig worden beschreven dat zij door een deskundige kan worden toegepast.
  (Wanneer een uitvinding ofwel betrekking heeft op biologisch materiaal dat niet openbaar toegankelijk is en in de octrooiaanvraag niet zodanig kan worden omschreven dat de uitvinding door een vakkundige kan worden toegepast, ofwel het gebruik van dergelijk materiaal impliceert, wordt voor de toepassing van het octrooirecht de beschrijving slechts toereikend geacht indien het biologisch materiaal uiterlijk op de dag van de indiening van de octrooiaanvraag bij een erkende depositaris is gedeponeerd en indien voldaan wordt aan de voorwaarden vastgesteld door de Koning.) <W 2005-04-28/33, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  § 2. De conclusie(s) beschrijven het onderwerp waarvoor bescherming wordt gevraagd. Zij dienen duidelijk en beknopt te zijn en steun te vinden in de beschrijving.
  § 3. Tekeningen worden toegevoegd indien zij nodig zijn om de uitvinding te begrijpen.
  § 4. Het uittreksel, zo nodig vergezeld van een tekening, is alleen bedoeld als technische informatie; het kan niet in aanmerking komen voor enig ander doel. Het wordt onderworpen aan de controle van de Dienst.

  Art. 18. De octrooiaanvraag mag slechts op één enkele uitvinding betrekking hebben of op een groep van uitvindingen, die zodanig onderling verbonden zijn dat zij op een enkele algemene uitvindingsgedachte berusten.
  Iedere aanvraag welke niet aan de in het vorige lid gestelde bepalingen voldoet dient binnen de voorgeschreven termijn gesplitst te worden.
  Een afgesplitste aanvraag kan alleen worden ingediend voor onderwerpen die door de inhoud van de oorspronkelijke aanvraag zoals die is ingediend worden gedekt; voor zover aan deze eis wordt voldaan, wordt de afgesplitste aanvraag geacht te zijn ingediend op de datum van indiening van de oorspronkelijke aanvraag en geniet zij het recht van voorrang daarvan.
  Elke niet overeenkomstig de bepalingen van dit artikel afgesplitste octrooiaanvraag wordt afgewezen.

  Art. 19. § 1. De octrooiaanvrager die zich wil beroepen op het in het Verdrag van Parijs voorziene recht van voorrang van een eerdere octrooiaanvraag moet een verklaring van voorrang alsook een afschrift van de eerdere aanvraag in de door de Koning bepaalde voorwaarden en termijnen indienen.
  De eerdere octrooiaanvraag mag bestaan uit een eerste regelmatige indiening van een Belgische octrooiaanvraag of van een Europese of internationale octrooiaanvraag met aanwijzing van België.
  Het voorrangsrecht voortvloeiend uit een eerste indiening in een Staat die geen partij is bij het Verdrag van Parijs mag slechts, onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde gevolgen als bepaald in dat Verdrag, worden opgeëist indien deze Staat, krachtens een internationaal verdrag, op grond van een eerste indiening van een Belgische octrooiaanvraag of van een Europese of internationale octrooiaanvraag met aanwijzing van België, een voorrangsrecht erkent onder vergelijkbare voorwaarden en met vergelijkbare rechtsgevolgen als die welke zijn bedoeld in het Verdrag van Parijs.
  § 2. Voor een octrooiaanvraag kan op meer dan één recht van voorrang een beroep worden gedaan, zelfs indien de rechten van voorrang uit verschillende Staten afkomstig zijn. Ook kan voor eenzelfde conclusie op meer dan één recht van voorrang een beroep worden gedaan. Indien op meer dan één recht van voorrang een beroep wordt gedaan, worden de termijnen, die beginnen op de voorrangsdatum, berekend vanaf de vroegste voorrangsdatum.
  § 3. Indien voor een octrooiaanvraag op één of meer rechten van voorrang een beroep wordt gedaan, geldt het recht van voorrang alleen voor die elementen van de octrooiaanvraag, die zijn vervat in de aanvraag of aanvragen, waarop het beroep op het recht van voorrang steunt.
  § 4. Indien bepaalde elementen van de uitvinding, waarvoor een beroep op het recht van voorrang is gedaan, niet voorkomen in de conclusies welke staan vermeld in de eerdere aanvraag, kan voorrang worden erkend, indien uit de gezamenlijke stukken van de eerdere aanvraag deze elementen duidelijk blijken.
  § 5. Voor de toepassing van artikel 5, §§ 2 en 3, heeft het voorrangsrecht voor gevolg dat de datum van voorrang beschouwd wordt als zijnde de datum van de indiening van de octrooiaanvraag.
  § 6. De opeising van ieder voorrangsrecht is onderworpen aan een taks welke dient gekweten te worden binnen de termijn en overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modaliteiten.
  § 7. Het niet in acht nemen van de bij deze wet voorziene termijnen, voorwaarden en modaliteiten brengt van rechtswege het verlies van het voorrangsrecht mede ten aanzien van de beschouwde octrooiaanvraag.

  Art. 20. § 1. Indien de octrooiaanvraag wel beantwoordt aan de in het artikel 16 gestelde voorwaarden doch niet aan de andere wettelijke of reglementaire voorwaarden, kan de aanvrager overgaan tot het regulariseren van de aanvraag binnen de voorgeschreven termijn en mits betaling van een taks. Bij het verstrijken van die termijn wordt de niet-geregulariseerde aanvraag verworpen.
  § 2. De uit de octrooiaanvraag voortvloeiende rechtsgevolgen worden als nietig en van generlei waarde beschouwd, indien de octrooiaanvraag is ingetrokken of is afgewezen bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bepalingen van het Verdrag van Parijs houdende de verkrijging van het voorrangsrecht.

  Art. 21. § 1. De octrooiaanvraag wordt gevolgd door het opstellen van een verslag van nieuwheidsonderzoek aangaande de uitvinding.
  (Het wordt, bij wijze van voorlichting van de aanvrager, vergezeld van een schriftelijke opinie over de octrooieerbaarheid van de uitvinding aan de hand van de vermelde documenten. Deze opinie is voor derden toegankelijk in het dossier van het verleende octrooi.) <W 2007-03-06/55, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
  § 2. (Het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie worden opgemaakt door een door de Koning aangewezen intergouvernementele instelling.
  Dit verslag en deze schriftelijke opinie worden opgesteld op grond van de conclusies, rekening houdende met de beschrijving en desgevallend met de tekeningen. Ze vermelden de gegevens van de stand der techniek welke kunnen in acht worden genomen bij de beoordeling van de nieuwheid van de uitvinding, en van de uitvinderswerkzaamheid.) <W 2007-03-06/55, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
  § 3. (De aanvrager dient een taks voor opzoeking te kwijten, die de kosten omvat voor de overhandiging van de in § 1 vermelde schriftelijke opinie, binnen de termijn en op de wijze door de Koning vastgesteld.
  Het verschil tussen de vergoeding die aan de intergouvernementele instelling als bedoeld in § 2, eerste lid, moet worden betaald voor het afleveren van de verslagen van nieuwheidsonderzoek en de onderzoekstaks wordt ten laste genomen door de Staat.) <W 2007-03-06/55, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
  (De octrooiaanvraag houdt op uitwerking te hebben indien de onderzoekstaks niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn werd gekweten.) <W 2008-12-22/33, art. 78, 1°, 011; Inwerkingtreding : 08-01-2009; de bepalingen zijn van toepassing op de aanvragen van octrooien die vanaf de inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend, zie W 2008-12-22/33, art. 82>
  § 4. De Dienst verwittigt de aanvrager van het naderende einde van de termijn binnen welke hij zijn opzoekingstaks dient te kwijten en van de gevolgen die zouden voortvloeien uit het niet-betalen van die taks. Een afschrift van deze verwittiging wordt door de Dienst overgemaakt aan de vruchtgebruiker, pandhouder of beslaglegger en aan de licentiehouder die in het Register zijn ingeschreven.
  Een afschrift van de verwittiging wordt door de Dienst eveneens overgemaakt aan de persoon wiens vordering tot opeising van de octrooiaanvraag in het Register werd ingeschreven.
  In afwijking van het bepaalde in § 3 van dit artikel, mag de opeiser zijn opzoekingstaks kwijten in de door deze paragraaf aangegeven termijn. Indien de houder van de octrooiaanvraag eveneens deze taks kwijt, betaalt de Dienst aan de opeiser de door hem betaalde taks terug.
  Ingeval van afwijzing of afstand van vordering tot opeising kan de opeiser die de opzoekingstaks heeft betaald de terugbetaling van deze taks niet opeisen bij de Dienst, noch bij de houder van de octrooiaanvraag, wanneer de houder nagelaten heeft de taks te betalen.
  De verwittigingen en de afschriften worden door de Dienst naar het laatstgekende adres van de belanghebbende gezonden. Het niet-verzenden of het niet-ontvangen van deze verwittigingen of afschriften geeft geen vrijstelling van betaling van de opzoekingstaks binnen de voorgeschreven termijn; daarop kan noch in rechte, noch ten opzichte van de Dienst beroep worden gedaan.
  § 5. De Dienst betekent het verslag van nieuwheidsonderzoek (en de schriftelijke opinie) aan de aanvrager die een nieuwe tekst van de conclusies en van het uittreksel kan indienen. De nieuwe redactie der conclusies mag niet verder reiken dan de octrooiaanvraag. Op verzoek kan de aanvrager, die een nieuwe redactie der conclusies heeft ingediend, de toestemming van de Dienst verkrijgen om de beschrijving te wijzigen enkel om de elementen uit te schakelen die niet meer in overeenstemming zouden zijn met de nieuwe conclusies. <W 2007-03-06/55, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
  (De aanvrager kan alsook, ter informatie, schriftelijke informele commentaren indienen betreffende de schriftelijke opinie die hem werd betekend.) <W 2007-03-06/55, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
  § 6. (De Koning bepaalt de voorwaarden en stelt de termijnen vast binnen welke het verslag van nieuwheidsonderzoek en de schriftelijke opinie dienen opgemaakt te worden, de informele commentaren dienen te worden ingediend en de wijzigingen aan de conclusies, aan de beschrijving en aan het uittreksel dienen te geschieden.) <W 2007-03-06/55, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
  § 7. Indien de uitvinding, waarvoor een octrooi aangevraagd wordt, onder de toepassing valt van de wet van 10 januari 1955 of van de wet van 4 augustus 1955, mag de procedure voorzien in dit artikel slechts aangewend worden vanaf het ogenblik waarop het uitvindingsgeheim opgeheven wordt (...). <W 2008-12-22/33, art. 78, 2°, 011; Inwerkingtreding : 08-01-2009; de bepalingen zijn van toepassing op de aanvragen van octrooien die vanaf de inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend, zie W 2008-12-22/33, art. 82>
  § 8. (Indien een verslag van nieuwheidsonderzoek en de begeleidende schriftelijke opinie, opgemaakt door de intergouvernementele instelling bedoeld in § 2 van dit artikel die handelen over een uitvinding die identiek is aan deze waarvoor een octrooiaanvraag in België ingediend is, vóór de afloop van de termijn vastgelegd voor de kwijting van de opzoekingstaks bedoeld in § 3 in de verleningsprocedure van een buitenlands octrooi ingediend werden, mag de Koning beslissen dat dit verslag van nieuwheidsonderzoek en deze schriftelijke opinie, onder de voorwaarden door Hem vastgelegd, zullen kunnen aangewend worden, op verzoek van de aanvrager, bij de verleningsprocedure van het Belgisch octrooi.) <W 2007-03-06/55, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
  § 9. Op verzoek van de aanvrager, gericht aan de Dienst binnen de termijn bepaald in § 3, onderwerpt de Dienst de uitvinding, voorwerp der octrooiaanvraag, aan het nieuwheidsonderzoek van het internationale type zoals bedoeld in artikel 15, lid 5, a) van het Samenwerkingsverdrag. Dit onderzoek maakt het nieuwheidsonderzoek uit aangaande de in § 1 van onderhavig artikel bedoelde uitvinding.
  De indiening van het verzoek is onderworpen aan de betaling van een taks.

  Art. 22. § 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 39, § 3, wordt de vervulling van de formaliteiten die voorgeschreven zijn voor de verlening van het octrooi bekrachtigd door een ministerieel besluit. Dit besluit maakt het octrooi uit.
  § 2. Het besluit wordt zo vlug mogelijk verleend na het verstrijken van een termijn van achttien maanden te rekenen vanaf de datum van indiening van de octrooiaanvraag of indien een recht van voorrang, voorzien bij het Verdrag van Parijs, werd ingeroepen overeenkomstig het bepaalde in artikel 19, vanaf de oudste voorrang aangeduid in de verklaring van voorrang.
  De aanvrager mag eisen dat het besluit wordt verleend van zodra de formaliteiten, die voorgeschreven zijn voor de verlening van het octrooi, vervuld zijn.
  (Derde lid opgeheven) <W 2008-12-22/33, art. 79, 011; Inwerkingtreding : 08-01-2009; de bepalingen zijn van toepassing op de aanvragen van octrooien die vanaf de inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend, zie W 2008-12-22/33, art. 82>
  § 3. De verlening van de octrooien geschiedt zonder voorafgaand onderzoek van hun octrooieerbaarheid, zonder waarborg voor hun waarde of van de juistheid van de beschrijving der uitvindingen en op eigen risico van de aanvrager.
  (De in artikel 21, § 1, beoogde schriftelijke opinie bindt de Dienst geenszins en kan niet gelden als onderzoek naar de octrooieerbaarheid van de uitvinding.) <W 2007-03-06/55, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 24-08-2007>
  § 4. Onverminderd de toepassing van de wetsbepalingen van 10 januari 1955 en van 4 augustus 1955, wordt melding gemaakt van de verlening der octrooien in het Register.

  Art. 23. Zodra het octrooi verleend is wordt, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen van de wetten van 10 januari 1955 en van 4 augustus 1955, het dossier van het octrooi ten zetel van de Dienst ter inzage gelegd van het publiek. Vanaf dat tijdstip kan hiervan, in de door de Koning vastgestelde voorwaarden en vormen, afschrift worden bekomen.
  (Het dossier omvat in het bijzonder het ministerieel besluit van octrooiverlening, de beschrijving der uitvinding, de conclusies, de tekeningen waarnaar de beschrijving verwijst, het verslag van nieuwheidsonderzoek aangaande de uitvinding, de schriftelijke opinie, alsook in voorkomend geval, de informele commentaren, de nieuwe tekst der conclusies, de gewijzigde beschrijving en de stukken welke betrekking hebben op het in het Verdrag van Parijs bedoelde recht van voorrang.) <W 2008-12-22/33, art. 80, 011; Inwerkingtreding : 08-01-2009; de bepalingen zijn van toepassing op de aanvragen van octrooien die vanaf de inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend, zie W 2008-12-22/33, art. 82>

  Art. 24. Het in artikel 2 bedoeld uitsluitend recht heeft uitwerking vanaf de dag waarop het octrooi ter inzage van het publiek is gelegd.

  Art. 25. § 1. De Minister bepaalt de wijze waarop het Register wordt bijgehouden. In de Verzameling wordt melding gemaakt van de inschrijvingen in het Register. Dit Register kan door het publiek worden ingezien ten zetel van de Dienst.
  § 2. De Dienst publiceert integraal de verleende octrooien. De kenmerkende bestanddelen van deze octrooien worden eveneens gepubliceerd in de Verzameling.
  De Koning bepaalt de abonnementsvoorwaarden op de Verzameling.

  AFDELING 4. _ Rechten en verplichtingen verbonden aan het uitvindingsoctrooi en aan de aanvraag ervan.

  Art. 26. De beschermingsomvang van het octrooi wordt bepaald door de inhoud van de conclusies. Niettemin dienen de beschrijving en de tekeningen tot uitleg van de conclusies.
  Indien het octrooi is verleend voor een werkwijze strekken de aan dat octrooi verbonden rechten zich uit tot de voortbrengselen die rechtstreeks verkregen zijn door die werkwijze.

  Art. 27. § 1. Het octrooi geeft de octrooihouder het recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen te verbieden :
  a) een voortbrengsel waarop het octrooi betrekking heeft, te vervaardigen, aan te bieden, in het verkeer te brengen, te gebruiken, dan wel daartoe in te voeren of in voorraad te hebben;
  b) een werkwijze waarop het octrooi betrekking heeft, toe te passen of, indien de derde weet, dan wel het gezien de omstandigheden duidelijk is dat toepassing van de werkwijze verboden is zonder toestemming van de octrooihouder, voor toepassing op Belgisch grondgebied aan te bieden;
  c) een voortbrengsel dat rechtstreeks volgens de werkwijze waarop het octrooi betrekking heeft is verkregen, aan te bieden, in het verkeer te brengen, te gebruiken, dan wel daartoe in te voeren of in voorraad te hebben.
  § 2. Het octrooi geeft de octrooihouder ook het recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen te verbieden op Belgisch grondgebied aan een ander dan degenen die gerechtigd zijn de uitvinding toe te passen, middelen betreffende een wezenlijk bestanddeel van de uitvinding aan te bieden of te leveren voor de toepassing van de geoctrooieerde uitvinding op het grondgebied, indien de derde weet dan wel het gezien de omstandigheden duidelijk is, dat deze middelen voor die toepassing geschikt en bestemd zijn.
  De bepalingen van het vorige lid gelden niet indien de daarin bedoelde middelen algemeen in de handel verkrijgbare produkten zijn, tenzij de derde degene aan wie hij levert aanzet tot het verrichten van de krachtens § 1 verboden handelingen.
  Worden niet geacht, in de zin van het eerste lid van deze paragraaf, gerechtigd te zijn tot toepassing van de uitvinding zij die de in artikel 28, sub a) tot en met sub c), bedoelde handelingen verrichten.

  Art. 27bis. <Ingevoegd bij W 2005-04-28/33, art. 7; Inwerkingtreding : 23-05-2005> § 1. De bescherming die wordt geboden door een octrooi voor biologisch materiaal dat door de uitvinding bepaalde eigenschappen heeft verkregen, strekt zich uit tot ieder biologisch materiaal dat hieruit door middel van propagatie of vermeerdering in dezelfde of in gedifferentieerde vorm wordt gewonnen en diezelfde eigenschappen heeft.
  § 2. De bescherming die wordt geboden door een octrooi voor een werkwijze voor de voortbrenging van biologisch materiaal dat door de uitvinding bepaalde eigenschappen heeft gekregen, strekt zich uit tot het biologisch materiaal dat rechtstreeks door deze werkwijze wordt gewonnen en tot ieder ander biologisch materiaal dat door middel van propagatie of vermeerdering in dezelfde of in gedifferentieerde vorm uit het rechtstreeks gewonnen biologisch materiaal wordt gewonnen en diezelfde eigenschappen heeft.

  Art. 27ter. <Ingevoegd W 2005-04-28/33, art. 8; Inwerkingtreding : 23-05-2005> De bescherming die wordt geboden door een octrooi voor een voortbrengsel dat uit genetische informatie bestaat of dat zulke informatie bevat, strekt zich behoudens artikel 4, § 4, eerste lid, uit tot ieder materiaal waarin dit voortbrengsel wordt verwerkt en waarin de genetische informatie wordt opgenomen en haar functie uitoefent.

  Art. 27quater. <Ingevoegd bij W 2005-04-28/33, art. 9; Inwerkingtreding : 23-05-2005> De in de artikelen 27bis en 27ter bedoelde bescherming strekt zich niet uit tot biologisch materiaal dat wordt gewonnen door propagatie of door vermeerdering van biologisch materiaal dat op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie door de octrooihouder of met diens toestemming op de markt is gebracht, indien de propagatie of de vermeerdering noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het gebruik, waarvoor het biologisch materiaal op de markt is gebracht, mits het afgeleide materiaal vervolgens niet voor andere propagaties of vermeerderingen wordt gebruikt.

  Art. 27quinquies. <Ingevoegd bij W 2005-04-28/33, art. 10; Inwerkingtreding : 23-05-2005> § 1. In afwijking van de artikelen 27bis en 27ter houdt de verkoop of een andere vorm van op de markt brengen, door de octrooihouder of met diens toestemming, van plantaardig propagatiemateriaal aan een landbouwer voor agrarische exploitatiedoeleinden voor deze laatste het recht in om de voortbrengselen van zijn oogst voor verdere propagatie of vermeerdering door hemzelf op zijn eigen bedrijf te gebruiken, waarbij de reikwijdte en de nadere regeling van deze afwijking beperkt blijven tot die van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht.
  § 2. In afwijking van de artikelen 27bis en 27ter houdt de verkoop of een andere vorm van verhandelen, door de octrooihouder of met diens toestemming, van fokvee of dierlijk propagatiemateriaal aan een landbouwer voor deze laatste het recht in om het vee dat onder octrooibescherming valt, voor agrarische doeleinden te gebruiken, waaronder het beschikbaar stellen van het dier of ander dierlijk propagatiemateriaal voor zijn eigen gebruik in de landbouw, maar niet de verkoop in het kader van of met het oog op de commerciële fokkerij. De reikwijdte en de nadere regeling van deze afwijking stemmen overeen met die voorzien in de reglementering betreffende de voortbrenging van dierenrassen.

  Art. 28. § 1. De uit een octrooi voortvloeiende rechten strekken zich niet uit tot :
  a) handelingen die in de particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden worden verricht;
  b) (handelingen die op en/of met het voorwerp van de geoctrooieerde uitvinding worden verricht, voor wetenschappelijke doeleinden.) <W 2005-04-28/33, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  c) de bereiding voor direct gebruik ten behoeve van individuele gevallen op medisch voorschrift van geneesmiddelen in apotheken noch tot handelingen betreffende de aldus bereide geneesmiddelen;
  d) het gebruik, aan boord van schepen van de landen, andere dan België, behorende tot de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, van datgene wat het voorwerp van het octrooi uitmaakt in het schip zelf, de machines, het scheepswant, de tuigage en andere bijbehorende zaken, wanneer die schepen tijdelijk of bij toeval de wateren van België binnen komen, mits bedoeld gebruik uitsluitend ten behoeve van het schip plaatsvindt;
  e) het gebruik van datgene wat het voorwerp van het octrooi uitmaakt in de constructie of werking van voor de voortbeweging in de lucht of te land dienende machines van de landen, andere dan België, behorende tot de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, of van het toebehoren van deze machines, wanneer zij tijdelijk of bij toeval op Belgisch grondgebied komen;
  f) de handelingen vermeld in artikel 27 van het Verdrag van 7 december 1944 inzake de internationale burgerlijke luchtvaart, wanneer deze handelingen betrekking hebben op een luchtvaartuig van een andere Staat dan België, waarvoor genoemd artikel van toepassing is.
  § 2. De uit een octrooi voortvloeiende rechten strekken zich niet uit tot handelingen die een door dit octrooi beschermd voortbrengsel betreffen en op Belgisch grondgebied worden verricht, nadat dit voortbrengsel door de octrooihouder of met zijn uitdrukkelijke toestemming in België in het verkeer is gebracht.

  Art. 29. Een gezien de omstandigheden redelijke vergoeding kan door de octrooiaanvrager worden geëist van iedere derde die tussen de datum waarop hetzij de octrooiaanvraag op verzoek van de aanvrager voor het publiek toegankelijk is gemaakt, hetzij een afschrift ervan aan de betrokken derde werd bezorgd, en de datum van octrooiverlening, de uitvinding heeft toegepast op een wijze die na deze periode verboden zou zijn op grond van het octrooi.
  Het in het eerste lid bedoelde afschrift wordt vooraf door de directeur van de Dienst of zijn afgevaardigde eensluidend verklaard.
  Bij gebreke van overeenstemming tussen de partijen wordt de vergoeding door de rechtbank vastgesteld, welke bovendien de naar haar oordeel noodzakelijke maatregelen kan opleggen ter vrijwaring van de belangen in hoofde van de octrooiaanvrager en van de derde.
  De draagwijdte van de aan de octrooiaanvraag verleende bescherming wordt bepaald door de ten zetel van de Dienst laatst neergelegde conclusies. Na de octrooiverlening kan de derde de betaalde vergoeding terugvorderen in de mate waarin de eindredactie der conclusies de draagwijdte der oorspronkelijke conclusies beperkt.
  De vruchtgebruiker van de octrooiaanvraag kan zich op de in dit artikel gestelde bepalingen beroepen.
  Wanneer de octrooiaanvraag voor het publiek toegankelijk is gemaakt op een aan de Minister gericht verzoek, wordt dit in het Register vermeld.
  De vordering tot vergoeding en de vordering tot terugbetaling verjaren na vijf jaar, te rekenen vanaf de staking van de exploitatie der uitvinding, respectievelijk de datum van verlening van het octrooi.

  Art. 30. § 1. Wie te goeder trouw vóór de datum van indiening van de octrooiaanvraag of van voorrang van een octrooi, de uitvinding, voorwerp van het octrooi, op Belgisch grondgebied in gebruik had of er in het bezit van gekomen was, heeft het recht de uitvinding ten persoonlijke titel te exploiteren ongeacht het bestaande octrooi.
  § 2. De uit het octrooi voortvloeiende rechten strekken zich niet uit tot handelingen die een door het octrooi beschermd voortbrengsel betreffen en op Belgisch grondgebied worden verricht, nadat het voortbrengsel in het verkeer in BelgiBe is gebracht door de persoon die geniet van het recht bedoeld in § 1.
  § 3. De door dit artikel erkende rechten kunnen maar overgedragen worden samen met de onderneming waarmede zij verbonden zijn.

  Art. 31. § 1. De Minister kan overeenkomstig artikel 32 tot en met 34 een licentie tot exploitatie van een uitvinding beschermd door een octrooi verlenen :
  1° wanneer een termijn van vier jaar is verstreken te rekenen vanaf de indiening van de octrooiaanvraag of van drie jaar te rekenen vanaf de octrooiverlening, waarbij de termijn die het laatst afloopt wordt toegepast, zonder dat het octrooi door (invoer of) een wezenlijke en doorlopende fabricage in België werd geëxploiteerd en zonder dat de octrooihouder dit door geldige redenen kan rechtvaardigen. <W 1997-01-28/32, art. 3, 1°, 003; Inwerkingtreding : 14-04-1997>
  Wanneer een octrooi betrekking heeft op een machine kan de wezenlijke en doorlopende fabricage in België door de houder van het octrooi van produkten verkregen door het gebruik van deze machine als exploitatie van het octrooi in België aanzien worden wanneer deze vervaardiging voor de economie van het land belangrijker is dan de vervaardiging van de machine zelf.
  (Een gedwongen licentie wegens niet of onvoldoende exploitatie wordt slechts verleend op voorwaarde dat de licentie hoofdzakelijk verleend wordt voor de voorziening van de binnenlandse markt.) <W 1997-01-28/32, art. 3, 2°, 003; Inwerkingtreding : 14-04-1997>
  2° wanneer een uitvinding, beschermd door een octrooi toebehorend aan de aanvrager van de licentie, niet kan geëxploiteerd worden zonder dat inbreuk wordt gepleegd op de rechten verbonden aan een octrooi, verleend ingevolge een oudere aanvraag en voor zover het afhankelijk octrooi een (belangrijke technische vooruitgang betreft, van aanmerkelijke economische betekenis vergeleken met de in het heersend octrooi beschreven uitvinding) (en op voorwaarde dat de licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt). <W 1997-01-28/32, art. 3, 3° en 4°, 003; Inwerkingtreding : 14-04-1997>
  (In het geval van de halfgeleidertechnologie zoals bepaald in de richtlijn 87/54/EEG van de Raad van 16 december 1986, kunnen de licenties bedoeld in 1° en 2° van deze paragraaf slechts worden toegestaan indien zij bestemd zijn om een gedraging tegen te gaan waarvan, na een gerechtelijke of administratieve procedure, is vastgesteld dat deze concurrentie beperkend is;) <W 1997-01-28/32, art. 3, 5°, 003; Inwerkingtreding : 14-04-1997>
  (3° wanneer een kweker een kwekersrecht niet kan verkrijgen noch exploiteren zonder op een octrooi van eerdere datum inbreuk te maken, voor zover deze licentie voor de exploitatie van het te beschermen plantenras noodzakelijk is, voor zover het plantenras een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van de uitvinding die het voorwerp uitmaakt van het octrooi en op voorwaarde dat deze licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt;
  4° aan de houder van een kwekersrecht wanneer de houder van een octrooi voor een biotechnologische uitvinding, overeenkomstig de bepalingen van de wet tot bescherming van kweekproducten een gedwongen licentie gekregen heeft voor de niet-exclusieve exploitatie van het door dit kwekersrecht beschermde plantenras omdat hij de biotechnologische uitvinding niet kan exploiteren zonder op het kwekersrecht van eerdere datum inbreuk te maken en op voorwaarde dat deze licentie voornamelijk wordt verleend voor de voorziening van de binnenlandse markt.) <W 2005-04-28/33, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  § 2. De licentieaanvrager moet bewijzen :
  1) in de gevallen bedoeld in de vorige paragraaf :
  a) dat de octrooihouder onder toepassing valt van een van deze bepalingen;
  b) dat hij zich tevergeefs tot de octrooihouder gewend heeft om een licentie in der minne te bekomen;
  2) indien de licentie is gevraagd bij toepassing van vorige paragraaf, onder 1°, dat hij bovendien beschikt, voor het geval de licentie hem zou toegekend worden, over de middelen die voor een wezenlijke en doorlopende fabricage in België volgens de geoctrooieerde uitvinding noodzakelijk zijn.
  § 3. Iedere vordering wegens inbreuk op een uitvinding, gedekt door een octrooi waarvoor een gedwongen licentie werd aangevraagd, en welke vordering gericht is tegen de aanvrager van een dergelijke licentie schorst de procedure van verlening der licentie tot op het ogenblik dat het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is getreden. Indien de inbreuk is bewezen, wordt de aanvraag voor een gedwongen licentie afgewezen.
  § 4. Voorbehoud wordt gemaakt voor de toepassing van de wetten waarin het verlenen van licenties tot exploitatie van geoctrooieerde uitvindingen voor bijzondere materies is voorzien, met name inzake de landsverdediging en de kernenergie.

  Art. 31bis. <Ingevoegd bij W 2005-04-28/33, art. 13; Inwerkingtreding : 23-05-2005> § 1. In het belang van de volksgezondheid kan de koning, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een licentie tot exploitatie en toepassing van een uitvinding beschermd door een octrooi verlenen voor :
  a) een geneesmiddel, een medisch hulpmiddel, een medisch hulpmiddel of product voor diagnostiek, een afgeleid of combineerbaar therapeutisch product;
  b) de werkwijze of een product noodzakelijk voor de vervaardiging van een of meerdere producten vermeld onder a);
  c) een diagnostische methode toegepast buiten het menselijke of het dierlijke lichaam.
  § 2. De aanvrager van de gedwongen licentie moet bewijzen dat hij beschikt, voor het geval de gedwongen licentie hem zou worden toegekend, over de middelen of de bona fide intentie middelen te bekomen die voor een wezenlijke en doorlopende fabricage en/of toepassing in België van de geoctrooieerde uitvinding noodzakelijk zijn.
  § 3. Iedere procedure omtrent een vordering wegens inbreuk op een uitvinding, gedekt door een octrooi waarvoor een gedwongen licentie voor volksgezondheidsredenen werd aangevraagd, en welke vordering gericht is tegen de aanvrager van een dergelijke licentie, wordt geschorst met betrekking tot de inbreukvraag tot op het ogenblik dat door de Koning een besluit is genomen, overeenkomstig § 1, omtrent de gedwongen licentie.
  § 4. De licenties toegekend bij toepassing van dit artikel zijn niet uitsluitend.
  § 5. De gedwongen licentie kan beperkt worden in de tijd of qua toepassingsgebied.
  § 6. De aanvrager van een gedwongen licentie dient zijn verzoek in bij de minister met kopie aan het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek.
  De minister zendt de aanvraag door naar het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek binnen een termijn van tien dagen. Binnen eenzelfde termijn brengt de minister de houder van het octrooi dat het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot dwanglicentie op de hoogte van de aanvraag en nodigt hem uit zijn standpunt omtrent de mogelijke verlening van een dwanglicentie, alsook zijn opmerkingen omtrent een redelijke vergoeding in het geval een dwanglicentie zou worden verleend, kenbaar te maken aan het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, met kopie aan hemzelf, binnen een termijn van één maand.
  Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek zal de minister een met redenen omkleed en niet bindend advies verstrekken over de gegrondheid van de aanvraag.
  De minister zal binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van het advies van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek een gemotiveerd voorstel tot besluit over de gegrondheid van de aanvraag voor overleg aan de Ministerraad voorleggen. De minister zal tevens een voorstel aangaande de vergoeding voor de octrooihouder voorleggen.
  Indien de Koning, overeenkomstig § 1, besluit de gedwongen licentie te verlenen, zal Hij desgevallend de duur, het toepassingsgebied en de andere exploitatievoorwaarden van deze licentie bepalen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De exploitatieregeling omvat ook afspraken omtrent de vergoeding voor het tijdens de verleningsprocedure gemaakte gebruik van de geoctrooieerde uitvinding.
  In geval van een volksgezondheidscrisis en op voorstel van de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Koning maatregelen nemen bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, om de in deze paragraaf vernoemde procedure te versnellen. Hij kan in voorkomend geval beslissen het advies van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek niet in te winnen, om een snelle besluitvorming mogelijk te maken.
  De besluiten tot stand gekomen naar aanleiding van de procedures vernoemd in de voorgaande leden worden bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad en vermeld in de Verzameling.
  De dwanglicentie heeft uitwerking vanaf de datum van exploitatie en ten vroegste vanaf de datum van de aanvraag van de dwanglicentie.
  § 7. Voor het gebruik van de geoctrooieerde uitvinding in de periode tussen de aanvraag van de licentie in het belang van de volksgezondheid en het koninklijk besluit tot verlening van de dwanglicentie, dient de licentieaanvragen een redelijke vergoeding te betalen. In dat geval, bepaalt de Koning de hoogte van deze vergoeding bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 8. Vanaf de toekenning van de gedwongen licentie, worden de betrekkingen tussen de octrooihouder en de licentiehouder, behoudens afwijkingen in wat is besloten krachtens § 6, gelijkgesteld met deze die bestaan bij contractuele licentiegeving-licentieneming.
  § 9. De verlening van de gedwongen licentie, alsook de beslissingen daaromtrent, worden in het Register ingeschreven.
  § 10. In zover nieuwe elementen zich zouden hebben voorgedaan, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op verzoek van de octrooihouder of van de licentiehouder en in overeenstemming met de procedures voorzien in § 6, overgaan tot de herziening van wat is besloten voor wat hun wederzijdse verplichtingen betreft en desgevallend ook voor wat de exploitatievoorwaarden betreft.
  § 11. Op verzoek van elke belanghebbende en na opnieuw kennis te hebben genomen van het advies van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wegens volksgezondheidsredenen verleende gedwongen licentie intrekken indien, na verloop van de voor de exploitatie vastgestelde termijn, de licentiehouder de geoctrooieerde uitvinding in België niet door een wezenlijke en doorlopende fabricage heeft geëxploiteerd.
  Het intrekkingsbesluit wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en in de Verzameling vermeld.
  § 12. De artikelen 31, 32 tot en met 38 zijn niet van toepassing op de gedwongen licentie beoogd in dit artikel. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de gedwongen licenties beoogd door de artikelen 31, 32 tot en met 38.

  Art. 31ter. <Ingevoegd bij W 2007-03-06/55, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. Onverminderd § 2, is de Koning de bevoegde autoriteit in de zin van artikel 2.4. van de Verordening (EG) nr. 816/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de verlening van dwanglicenties voor octrooien inzake de vervaardiging van farmaceutische producten voor uitvoer naar landen met volksgezondheidsproblemen.
  De beslissingen tot de toekenning, herziening, weigering en intrekking van een dwanglicentie worden genomen bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 2. De Koning kan bepalen welke Belgische autoriteiten bevoegd zijn om de artikelen 6.1, 7, 14, 16.1., tweede lid, 16.3 en 16.4 van de Verordening (EG) nr. 816/2006 toe te passen.
  § 3. De Koning kan de louter formele of administratieve voorschriften bepalen die nodig zijn voor de efficiënte behandeling van de aanvragen voor dwanglicenties bedoeld in de Verordening (EG) nr. 816/2006.
  § 4. De artikelen 31, 31bis en 32 tot en met 38 zijn niet van toepassing op de gedwongen licentie beoogd in dit artikel. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de gedwongen licenties beoogd door de artikelen 31, 31bis en 32 tot en met 38.

  Art. 32. § 1. De gedwongen licenties toegekend bij toepassing van artikel 31 zijn niet uitsluitend.
  § 2. Onverminderd het tweede lid van artikel 31, § 1, 1°, geeft de licentie verleend met toepassing van dit 1° van § 1, aan de licentiehouder alleen het recht de geoctrooieerde uitvinding te exploiteren door een wezenlijke en doorlopende fabricage in België. De Minister stelt de termijn vast binnen welke een zodanige fabricage moet verwezenlijkt zijn, met die verstande dat die fabricage de volledige toepassing van het procédé waarop in het octrooi gebeurlijk aanspraak gemaakt wordt, onderstelt.
  De gedwongen licentie kan beperkt worden in de tijd of tot een gedeelte van de uitvinding, wanneer die het mogelijk maakt andere goederen te vervaardigen dan die welke vereist zijn om te voorzien in de behoeften waarvan sprake is in artikel 31, § 1.
  Vanaf de toekenning van de gedwongen licentie worden de betrekkingen tussen de octrooihouder en de licentiehouder, behoudens afwijkingen in het toekenningsbesluit, gelijkgesteld met deze die bestaan bij contractuele licentiegeving-licentieneming.
  § 3. De licentie toegekend met toepassing van artikel 31, § 1, 2°, is beperkt tot het gedeelte van de uitvinding door het heersend octrooi beschermd waarvan het gebruik onontbeerlijk is voor het exploiteren van het afhankelijk octrooi en laat dit gebruik slechts toe in verband met deze exploitatie.
  Het derde lid van § 2 van dit artikel is toepasselijk op de gedwongen licentie.
  De octrooihouder aan wie de gedwongen licentie is opgelegd kan zich, indien de twee uitvindingen betrekking hebben op éénzelfde soort industrie, op zijn beurt een licentie doen toekennen op het octrooi waarop de aanvrager van de gedwongen licentie zich beroepen heeft.
  (§ 4. De licentie toegekend met toepassing van artikel 31, § 1, 3° of 4°, is beperkt tot het gedeelte van de uitvinding dat beschermd wordt door het heersend octrooi waarvan het gebruik onontbeerlijk is voor het exploiteren van de geoctrooieerde afhankelijke uitvinding of het door het kwekersrecht beschermde afhankelijke plantenras en laat dit gebruik slechts toe in verband met deze exploitatie.
  Het derde lid van § 2 van dit artikel is toepasselijk op de gedwongen licentie toegekend met toepassing van artikel 31, § 1, 3° of 4°.) <W 2005-04-28/33, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>

  Art. 33. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 31, § 1, verleent de Minister de gedwongen licenties op aanvraag.
  § 2. De aanvraag wordt door de Minister overgemaakt aan de Commissie voor de gedwongen licenties om de betrokkenen te horen, ze zo mogelijk te verzoenen en indien dit niet mogelijk is, de Minister een met redenen omkleed advies te verstrekken over de gegrondheid van de aanvraag. De Commissie voegt het dossier van de zaak bij haar advies.
  De Minister beslist over het gevolg dat aan het verzoek zal gegeven worden en maakt zijn beslissing aan de betrokkenen bekend bij een ter post aangetekende brief.
  § 3. (In de gevallen bedoeld in artikel 31, § 1, 2° en 3°, wordt de aanvraag voor een gedwongen licentie gegrond verklaard indien de houder van het heersend octrooi noch de afhankelijkheid van het octrooi of van het kwekersrecht van de aanvrager van de licentie betwist, noch zijn geldigheid, noch het feit dat de uitvinding of het plantenras een aanzienlijke technische vooruitgang betreft, van aanmerkelijke economische betekenis vergeleken met de in het heersend octrooi beschreven uitvinding.) <W 2005-04-28/33, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>
  (§ 4. Het feit dat de houder van het oudere octrooi de afhankelijkheid ontkent van het octrooi of kwekersrecht van de aanvrager van de licentie geeft aan deze laatste van rechtswege de toelating de uitvinding te exploiteren die in zijn eigen octrooi of in zijn kwekersrecht is beschreven evenals de zogenaamde heersende uitvinding zonder daarvoor wegens inbreuk vervolgd te kunnen worden door de houder van het vroegere octrooi.
  De betwisting over de geldigheid van het afhankelijk octrooi of kwekersrecht schorst de administratieve procedure met betrekking tot de erkenning van de gegrondheid van de aanvraag voor een licentie op voorwaarde dat hetzij een vordering tot nietigverklaring van dit octrooi of kwekersrecht reeds ingesteld is voor de bevoegde instantie door de houder van het heersend octrooi, hetzij deze een vordering voor de rechtbank instelt tegen de aanvrager van de licentie binnen twee maanden nadat hem kennis gegeven werd van het indienen van een aanvraag voor een licentie.
  De betwisting over de belangrijke technische vooruitgang van aanmerkelijke economische betekenis van het afhankelijk octrooi of kwekersrecht vergeleken met de uitvinding beschreven in het heersend octrooi schorst de administratieve procedure met betrekking tot de erkenning van de gegrondheid van de aanvraag voor een licentie, op voorwaarde dat de houder van het heersend octrooi, binnen twee maanden nadat hem van het indienen van een aanvraag voor een licentie kennis werd gegeven, een verzoekschrift indient bij de rechtbank zetelend zoals in kortgeding. De gerechtelijke beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
  Het niet in acht nemen van de termijn voorzien in de twee voorgaande leden sluit het recht uit van de houder van het heersend octrooi om zijn betwisting te doen gelden voor de rechtbank.) <W 2005-04-28/33, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 23-05-2005>

  Art. 34. § 1. Binnen vier maanden na de mededeling van de beslissing wordt door de octrooihouder en de licentiehouder een schriftelijke overeenkomst aangaande de wederzijdse rechten en verplichtingen afgesloten. De Minister wordt hiervan in kennis gesteld. Bij ontstentenis van een overeenkomst binnen de voormelde termijn worden de wederzijdse rechten en verplichtingen vastgesteld door de rechtbank, zetelend zoals in kortgeding, op dagvaarding van de meest gerede partij.
  De griffier zendt onmiddellijk een afschrift van het definitieve vonnis naar de Minister.
  (De vaststelling van de verplichtingen van de partijen zal in ieder geval een toereikende vergoeding omvatten, rekening houdend met de economische waarde van de licentie.) <W 1997-01-28/32, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 14-04-1997>
  § 2. De Minister verleent de licentie bij een met redenen omkleed besluit.
  De gedwongen licentie en de desbetreffende beslissingen worden in het Register ingeschreven.
  Het besluit wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en in de Verzameling vermeld.

  Art. 35. § 1. In de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven wordt een Commissie voor de gedwongen licenties ingesteld die tot taak heeft de haar krachtens de artikelen 33, 36, 37 en 38 toevertrouwde opdrachten uit te voeren.
  De Commissie bestaat, benevens de voorzitter, uit acht leden benoemd door de Minister.
  Zes leden worden in even aantal aangewezen op voorstel van :
  a) enerzijds, de representatieve organisaties van de nijverheid, de landbouw, de handel en de kleine en middelgrote nijverheidsondernemingen;
  b) anderzijds, de representatieve organisaties van de werknemers en de verbruikscoöperaties.
  Twee van de drie leden aangewezen door ieder van de onder littera a) en b) hierboven vermelde groepen moeten lid zijn van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
  Twee leden worden op gezamelijk voorstel van de onder littera a) en b) hierboven vermelde groepen onder de leden van de Hoge Raad voor de Nijverheidseigendom aangewezen.
  De Commissie telt evenveel plaatsvervangende als werkende leden. Alleen het plaatsvervangend lid dat een werkend lid van zijn groep vervangt is stemgerechtigd.
  De Commissie wordt voorgezeten door de voorzitter van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Indien deze laatste verhinderd is wordt het voorzitterschap waargenomen door de secretaris van de Raad, die tevens secretaris is van de Commissie. De voorzitter is stemgerechtigd.
  Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door het secretariaat van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.
  Het mandaat van lid van de Commissie heeft dezelfde duur als het mandaat van de leden van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven; het neemt terzelfdertijd een einde als het mandaat van deze laatsten. Het is hernieuwbaar.
  Wanneer de Raad voorziet in de vervanging van een werkend of plaatsvervangend lid, voleindigt de benoemde persoon het mandaat van zijn voorganger.
  De Commissie stelt zelf haar huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring aan de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven wordt voorgelegd.
  De Commissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste de helft van de leden aanwezig is. Na een tweede bijeenroeping evenwel beraadslaagt de Commissie geldig ongeacht het aantal leden dat aanwezig is. De adviezen en beslissingen worden bij eenvoudige meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  De adviezen en beslissingen van de Commissie zijn met redenen omkleed.
  § 2. Uit de leden van de parketten bij de hoven en rechtbanken, die sedert tenminste vijf jaar in dienst zijn, benoemt de Koning bij de Commissie voor de gedwongen licenties, een commissaris-verslaggever en twee adjunct-commissarissen die onder het toezicht en de leiding van de commissaris-verslaggever dezelfde opdracht hebben.
  Hun mandaat geldt voor vijf jaar; het kan worden hernieuwd.
  De Koning bepaalt het bedrag van het aan de commissaris-verslaggever en aan de adjunct-commissarissen-verslaggevers toegekend presentie- en vacatiegeld en eventueel hun vergoedingen voor reis- en verblijfkosten.
  De commissaris-verslaggever verzamelt alle inlichtingen, neemt alle geschreven of mondelinge verklaringen en getuigenissen af, doet zich, wie ook de houder ervan is, alle bescheiden of gegevens mededelen welke hij voor het vervullen van zijn opdracht nodig acht, doet ter plaatse de nodige vaststellingen, stelt deskundigen aan en bepaalt hun opdracht.
  Hij beschikt over het recht van huiszoeking, binnen de hierna bepaalde grenzen. Hij heeft vrije toegang tot de lokalen en plaatsen, waar hij vermoedt bescheiden en gegevens te kunnen vinden, welke hij voor het vervullen van zijn onderzoekstaak nodig acht.
  Hij kan enkel ter plaatse beslag leggen en kan niet verzegelen.
  Hij kan geen huiszoeking in private vertrekken verrichten tenzij in de woonplaats van de ondernemingshoofden, beheerders, zaakvoerders, directeurs en boekhouders, en slechts tussen zonsopgang en zonsondergang. Hij dient vergezeld te zijn van één der door de Koning aangewezen leden van het rijkspersoneel.
  Bij het vervullen van zijn opdracht, kan hij een beroep doen op de openbare macht.
  Onverminderd de bijzondere wetten die de geheimhouding van de mededelingen waarborgen, moeten de openbare besturen de commissaris-verslaggever in de uitvoering van zijn opdracht behulpzaam zijn, met name hem alle gevraagde bescheiden en gegevens mededelen.
  De commissaris-verslaggever laat zich voor het verrichten van het vooronderzoek bijstaan door leden van het rijkspersoneel die de Koning te dien einde aanwijst.
  Bij het vervullen van hun opdracht tot vooronderzoek kunnen de in het vorige lid genoemde ambtenaren elke in dit verband dienstige documentatie verzamelen. Zij kunnen bovendien alle personen horen die hun nuttige inlichtingen kunnen verschaffen.
  Huiszoeking mag evenwel slechts geschieden door ten minste twee gezamenlijk optredende ambtenaren en met voorafgaande machtiging van de commissaris-verslaggever.
  In het volbrengen van hun door de commissaris-verslaggever opgedragen taak, staan deze ambtenaren onder zijn toezicht.
  § 3. De commissaris-verslaggever legt zijn verslag samen met zijn advies voor aan het secretariaat van de Commissie voor de gedwongen licenties. De Commissie brengt slechts advies uit, na de octrooihouder en, in voorkomend geval, de persoon die de gedwongen licentie aanvraagt of reeds verkregen heeft, gehoord te hebben. Deze personen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advokaat of een persoon die de Commissie voor elke zaak speciaal aanvaardt. De Dcommissie hoort ook de deskundigen en personen waarvan zij een ondervraging nuttig acht en kan de commissaris-verslaggever gelasten een aanvullend onderzoek te doen.
  Ten minste één maand vóór de datum van de vergadering van de Commissie verwittigt de secretaris bij een ter post aangetekende brief de personen die tijdens de vergadering moeten worden gehoord. In dringende gevallen wordt deze termijn gehalveerd.
  § 4. Hij die de commissaris-verslaggever of de in § 2, tiende lid, van dit artikel bedoelde personeelsleden vrijwillig belet hun door deze wet toevertrouwde opdracht te vervullen of hen daarin belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 26 F tot 10 000 F of met één van die straffen alleen.
  Op valse aangifte staan dezelfde straffen.
  Worden onder meer geacht het vervullen van de opdracht vrijwillig te beletten of te belemmeren, zij die :
  1) weigeren de gevraagde inlichtingen of bescheiden mede te delen;
  2) wetens en willens onjuiste inlichtingen of bescheiden bezorgen.
  De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op de in deze paragraaf bedoelde misdrijven.
  § 5. De werkingskosten van de Commissie voor de gedwongen licenties komen ten laste van de begroting van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven.

  Art. 36. In zover nieuwe elementen zich zouden hebben voorgedaan kan er, op verzoek van de octrooihouder of van de licentiehouder, overgegaan worden tot de herziening van de getroffen beslissing voor wat hun wederzijdse verplichtingen betreft en desgevallend ook voor wat de exploitatievoorwaarden betreft. De bevoegdheid om de beslissing te herzien komt toe aan de autoriteit van wie de beslissing uitging en de te volgen procedure is dezelfde als die welke voorzien is om de beslissing te nemen die het voorwerp is van de herziening.

  Art. 37. § 1. Op verzoek van de octrooihouder trekt de Minister de gedwongen licentie in indien uit een in kracht van gewijsde gegaan vonnis blijkt dat de licentiehouder zich ten aanzien van de octrooihouder aan een ongeoordloofde handeling schuldig heeft gemaakt dan wel aan zijn verplichtingen tekort is gekomen.
  § 2. Op verzoek van elke belanghebbende kan de Minister de wegens gebrek aan exploitatie verleende gedwongen licentie intrekken indien, na verloop van de door de Minister voor de exploitatie vastgestelde termijn, de licentiehouder de geoctrooieerde uitvinding in België niet door een wezenlijke en doorlopende fabricage heeft geëxploiteerd.
  § 3. De beslissingen tot intrekking worden door de Minister voor advies aan de Commissie voor gedwongen licenties voorgelegd.
  De intrekking geschiedt bij een met redenen omklede beslissing. In voorkomend geval vermeldt deze de reden waarom van het advies van de Commissie is afgeweken.
  Het intrekkingsbesluit wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en in de Verzameling vermeld.

  Art. 38. De houder van een gedwongen licentie kan de aan de licentie verbonden rechten niet overdragen aan derden of in onderlicentie verlenen dan samen met het deel van de onderneming of handelszaak dat voor de exploitatie van de licentie wordt aangewend (en onder voorbehoud dat de licenties toegekend met toepassing van artikel 31, § 1, 2°, slechts overdraagbaar zijn samen met het afhankelijk octrooi). <W 1997-01-28/32, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 14-04-1997>
  Artikel 45 is van overeenkomstige toepassing.

  Art. 39. § 1. Het octrooi eindigt na afloop van het twintigste jaar te rekenen van de datum van indiening van de aanvraag onder voorbehoud van de betaling der jaartaksen bedoeld in artikel 40.
  (oude § 2) (...) <W 2008-12-22/33, art. 81, 1°, 011; Inwerkingtreding : 08-01-2009; de bepalingen zijn van toepassing op de aanvragen van octrooien die vanaf de inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend, zie W 2008-12-22/33, art. 82>
  § 2. (oude § 3) (In het geval voorzien in artikel 21, § 7, houdt de octrooiaanvraag op uitwerking te hebben, onder voorbehoud van de betaling van de jaartaksen na afloop van de voor de betaling der opzoekingstaks voorgeschreven termijn, indien deze taks niet werd gekweten.) <W 2008-12-22/33, art. 81, 2°, 011; Inwerkingtreding : 08-01-2009; de bepalingen zijn van toepassing op de aanvragen van octrooien die vanaf de inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend, zie W 2008-12-22/33, art. 82>

  Art. 40. § 1. Met het oog op de instandhouding ervan geeft iedere octrooiaanvraag of ieder octrooi aanleiding tot de betaling van jaartaksen, vanaf het derde jaar te rekenen van de indieningsdatum van de octrooiaanvraag.
  De jaartaks is vooraf te betalen. De betaling vervalt op de laatste dag van de maand die overeenstemt met de maand waarin de datum van indiening van de octrooiaanvraag valt. De jaartaks kan niet geldig worden gekweten meer dan zes maanden vóór de vervaldatum.
  Wanneer de betaling van de jaartaks niet op de vervaldag werd gekweten, kan deze taks alsnog betaald worden
  a) zonder toeslag, gedurende de maand volgend op de vervaldag;
  b) vermeerderd met een toeslag, binnen een respijttermijn van zes maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de jaartaks, indien deze niet werd betaald tijdens de maand volgend op de vervaldag.
  (Het bedrag van de jaartaks en van de toeslag wordt vastgesteld in de tabel in bijlage bij deze wet.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de jaartaks en van de toeslag verhogen of verminderen, zonder dat deze verhoging of vermindering 10 % van het bedrag van de jaartaks en de toeslag vastgesteld in deze wet mag overschrijden, zodat rekening wordt gehouden met de inflatie en met het gemiddelde van de gecumuleerde bedragen van de jaartaksen geïnd door de lidstaten van de Europese Octrooiorganisatie.) <W 2007-03-06/55, art. 7, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. Indien de jaartaks niet betaald wordt binnen de respijttermijn van zes maanden voorzien in de vorige paragraaf, is de houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi van rechtswege vervallen verklaard van zijn rechten. Het verval heeft uitwerking op de vervaldatum van de niet betaalde jaartaks. Het verval wordt in het Register ingeschreven.
  (§ 3. Wat de personen betreft als bedoeld in artikel 71, § 3, wordt het bedrag van de jaartaks en van de toeslag met 50 % verminderd. De Koning bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de aanvraag tot vermindering van de jaartaks en van de toeslag bedoeld in deze paragraaf.) <W 2007-03-06/55, art. 7, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

  Art. 40 TOEKOMSTIG RECHT.

§ 1. Met het oog op de instandhouding ervan geeft iedere octrooiaanvraag of ieder octrooi aanleiding tot de betaling van jaartaksen, vanaf het derde jaar te rekenen van de indieningsdatum van de octrooiaanvraag.
  De jaartaks is vooraf te betalen. De betaling vervalt op de laatste dag van de maand die overeenstemt met de maand waarin de datum van indiening van de octrooiaanvraag valt. De jaartaks kan niet geldig worden gekweten meer dan zes maanden vóór de vervaldatum.
  Wanneer de betaling van de jaartaks niet op de vervaldag werd gekweten, kan deze taks alsnog betaald worden
  a) zonder toeslag, gedurende de maand volgend op de vervaldag;
  b) vermeerderd met een toeslag, binnen een respijttermijn van zes maanden te rekenen vanaf de vervaldag van de jaartaks, indien deze niet werd betaald tijdens de maand volgend op de vervaldag.
  [1 ...]1.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de jaartaks en van de toeslag verhogen of verminderen, zonder dat deze verhoging of vermindering 10 % van het bedrag van de jaartaks en de toeslag vastgesteld in deze wet mag overschrijden, zodat rekening wordt gehouden met de inflatie en met het gemiddelde van de gecumuleerde bedragen van de jaartaksen geïnd door de lidstaten van de Europese Octrooiorganisatie.) <W 2007-03-06/55, art. 7, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. Indien de jaartaks niet betaald wordt binnen de respijttermijn van zes maanden voorzien in de vorige paragraaf, is de houder van de octrooiaanvraag of van het octrooi van rechtswege vervallen verklaard van zijn rechten. Het verval heeft uitwerking op de vervaldatum van de niet betaalde jaartaks. Het verval wordt in het Register ingeschreven.
  (§ 3. Wat de personen betreft als bedoeld in artikel 71, § 3, wordt het bedrag van de jaartaks en van de toeslag met 50 % verminderd. De Koning bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de aanvraag tot vermindering van de jaartaks en van de toeslag bedoeld in deze paragraaf.) <W 2007-03-06/55, art. 7, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2008>

----------
  (1)<W 2014-04-19/60, art. 32,§2,L1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2016 (zie KB 2015-11-09/13 , art. 5, 1°, a)>

  Art. 41.
  <Opgeheven bij W 2011-01-10/05, art. 25, 012; Inwerkingtreding : 13-03-2014>

  Art. 42. § 1. De octrooihouder kan afstand doen van het octrooi door een geschreven en ondertekende verklaring te sturen aan de Minister. De afstand kan beperkt worden tot één of meerdere conclusies van het octrooi. De verklaring van afstand wordt in het Register ingeschreven.
  § 2. De gehele afstand heeft het verval van het octrooi tot gevolg op de dag van de inschrijving van de verklaring in het Register. Indien echter op die dag de jaartaks voor het instandhouden van het octrooi nog niet betaald is dan heeft het verval van het octrooi uitwerking op het einde van de periode waarvoor de laatste jaartaks werd betaald.
  § 3. De gedeeltelijke afstand heeft het verval tot gevolg, op de dag van de inschrijving van de verklaring in het Register, van de rechten verbonden aan de conclusie(s) waarvan afstand is gedaan.
  § 4. In geval van medeëigendom moet de gehele of gedeeltelijke afstand gebeuren met het akkoord van alle medeeigenaars.
  § 5. Indien rechten van vruchtgebruik, inpandgeving of licentie ingeschreven zijn in het Register kan er geen afstand van het octrooi geschieden, noch geheel noch gedeeltelijk tenzij met het akkoord van de titularissen van deze rechten.
  § 6. Er kan geen afstand geschieden, noch geheel noch gedeeltelijk, van een octooi waarvan het houderschap is opgeëist, van een octrooi waarop beslag is gelegd, of waarop een gedwongen licentie werd verleend.
  § 7. De bepalingen van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de octrooiaanvraag.

  AFDELING 5. _ Het octrooi en de octrooiaanvraag als deel van het vermogen.

  Art. 43. § 1. Bij ontstentenis van een overeenkomst wordt de medeëigendom op een octrooiaanvraag of op een octrooi geregeld door de bepalingen van dit artikel.
  § 2. Elke medeëigenaar heeft het recht om de uitvinding persoonlijk te exploiteren.
  Geen medeëigenaar mag de octrooiaanvraag of het octrooi met een recht bezwaren, een exploitatielicentie verlenen of een vordering wegens inbreuk instellen dan met instemming van de andere medeëigenaar of, bij ontstentenis daarvan, met machtiging van de rechtbank.
  De onverdeelde aandelen worden vermoed gelijk te zijn.
  Wanneer een medeëigenaar zijn aandeel wenst over te dragen heeft de andere medeëigenaar een recht van voorkoop gedurende drie maanden nadat hem van het voornemen tot overdracht kennis is gegeven.
  De meest gerede partij kan de voorzitter van de rechtbank vragen om volgens de regelen van het kortgeding een deskundige te benoemen om de voorwaarden van de overdracht vast te stellen. De conclusies van de deskundige zijn bindend tenzij binnen een maand na de mededeling ervan een partij laat weten dat zij van de overdracht afziet, in welk geval de desbetreffende uitgaven ten hare laste vallen.
  § 3. De bepalingen van de afdelingen I en IV van hoofdstuk VI van de eerste titel van boek III van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de medeëigendom van een octrooiaanvraag of van een octrooi.
  § 4. Een medeëigenaar van een octrooiaanvraag of van een octrooi kan aan de andere medeëigenaars zijn beslissing bekend maken om in hun voordeel af te zien van zijn aandeel. Vanaf de inschrijving van deze afstand in het Register wordt deze medeëigenaar ontlast van alle verplichtingen ten opzichte van de andere medeëigenaars; deze verdelen het afgestane aandeel onder elkaar naar verhouding van hun rechten in de medeëigendom, tenzij er een andere overeenkomst bestaat.

  Art. 44. § 1. Iedere overdracht of overgang, geheel of gedeeltelijk, van een octrooiaanvraag of van een octrooi moet aan de Dienst medegedeeld worden.
  § 2. De overdracht onder levenden van een octrooiaanvraag of van een octrooi moet op straffe van nietigheid bij schriftelijke akte geschieden.
  § 3. Bij de mededeling bedoeld in § 1 moet worden gevoegd :
  1) hetzij een eensluidend verklaard afschrift van de akte van overdracht of van het officieel document waaruit de overgang van rechten blijkt, hetzij een eensluidend verklaard uittreksel van die akte of van dat document waaruit de overgang genoegzaam blijkt;
  2) het bewijs van betaling van de taks.
  § 4. De mededelingen worden ingeschreven in het Register in chronologische orde van hun ontvangst.
  § 5. Onder voorbehoud van het geval voorzien bij artikel 9, laat de overgang de door derden vóór de datum van de overgang verkregen rechten ongewijzigd.
  § 6. Een overdracht of overgang kan eerst na inschrijving in het Register uitwerking hebben ten opzichte van de Dienst en tegenstelbaar zijn aan derden in de omvang die blijkt uit de stukken bedoeld in § 3. De overdracht of overgang kan evenwel vóór de inschrijving worden tegengesteld aan derden die na de datum van overdracht of overgang rechten hebben verkregen, maar bij de verkrijging van deze rechten kennis van de overdracht of overgang droegen.

  Art. 45. § 1. Een octrooiaanvraag of een octrooi kan, geheel of gedeeltelijk, het voorwerp uitmaken van contractuele licenties voor het Rijk of voor een deel ervan. De licenties kunnen uitsluitend of niet-uitsluitend zijn. Ze moeten op straffe van nietigheid bij schriftelijke akte geschieden.
  § 2. De uit de octrooiaanvraag of uit het octrooi voortvloeiende rechten kunnen worden ingeroepen tegen een licentiehouder die een van de in § 1 bedoelde grenzen van zijn licentie overschrijdt.
  § 3. Artikel 44, § 5, is van toepassing op het verlenen van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi.
  § 4. Het verlenen van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi en elke wijziging aangebracht aan de verklaring bedoeld in het volgende lid moeten aan de Dienst medegedeeld worden.
  Deze mededeling geschiedt door het indienen van een door de partijen ondertekende verklaring. De Koning bepaalt de inhoud en de modaliteiten van deze verklaring en stelt het bedrag vast van de taks die, vóór de inschrijving van de verklaring in het Register, moet geïnd worden.
  § 5. Het verlenen van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi en elke wijziging aangebracht aan de verklaring voorzien in voorgaande paragraaf kunnen ten opzichte van de Dienst slechts uitwerking hebben en aan derden worden tegengesteld na de inschrijving in het Register van de verklaring of van de wijzigingsverklaring en wel in de omvang die blijkt uit voormelde verklaringen. Artikel 44, § 6, tweede zin, is van toepassing.
  § 6. De overdracht van een licentie voor een octrooiaanvraag of voor een octrooi moet op straffe van nietigheid schriftelijk gebeuren. Zij moet aan de Dienst medegedeeld worden.
  Artikel 44, §§ 3 tot en met 6, is van overeenkomstige toepassing op de overdracht van de licentie.

  Art. 46. § 1. Vruchtgebruik op een octrooiaanvraag of op een octrooi alsmede de inpandgeving van een octrooiaanvraag of van een octrooi moeten aan de Dienst medegedeeld worden.
  § 2. Artikel 44, §§ 3 tot en met 6, is van overeenkomstige toepassing op de zakelijke rechten bedoeld in de vorige paragraaf.

  Art. 47. Het beslag op een octrooiaanvraag of op een octrooi geschiedt volgens de voorziene procedure inzake roerend beslag.
  Een eensluidend afschrift van het beslagexploot moet aan de Dienst bezorgd worden door de beslagleggende schuldeiser; het beslag wordt in het Register ingeschreven.
  Het beslag brengt mee dat latere wijzigingen door de houder aan de met de octrooiaanvraag of met het octrooi verbonden rechten niet tegenstelbaar zijn aan de beslagleggende schuldeiser.

  Art. 48. De door derden verkregen rechten op een octrooiaanvraag blijven gelden ten aanzien van het octrooi dat op deze aanvraag is verleend.

  AFDELING 6. _ Nietigheid van het uitvindingsoctrooi.

  Art. 49. § 1. Een octrooi wordt nietig verklaard door de rechtbank :
  1) indien het voorwerp van het octrooi onder de toepassing valt van de artikelen 3 of 4 of niet beantwoordt aan de voorschriften van de artikelen 2, 5, 6 en 7;
  2) indien het niet een voldoende duidelijke en volledige beschrijving van de uitvinding bevat opdat een deskundige deze uitvinding zou kunnen toepassen;
  3) indien het onderwerp van het octrooi niet gedekt wordt door de inhoud van de octrooiaanvraag zoals die is ingediend, of door de inhoud van de oorspronkelijke aanvraag zoals die is ingediend indien het octrooi is verleend op een afgesplitste aanvraag;
  4) indien de octrooihouder luidens artikel 8 niet gerechtigd was dit octrooi te verkrijgen.
  § 2. Indien de nietigheidsgronden het octrooi slechts gedeeltelijk aantasten, wordt het octrooi dienovereenkomstig beperkt. De beperking kan geschieden in de vorm van een wijziging van de conclusies, van de beschrijving of van de tekeningen.

  Art. 50. § 1. De gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een octrooi heeft terugwerkende kracht tot op het ogenblik van het indienen van de octrooiaanvraag.
  § 2. Onverminderd de bepalingen betreffende aanspraken op vergoeding van schade veroorzaakt door de nalatigheid of kwade trouw van de octrooihouder, of betreffende verrijking zonder oorzaak, heeft de terugwerkende kracht van de nietigheid geen invloed op :
  1) een beslissing terzake van inbreuk die vóór de nietigverklaring in kracht van gewijsde is gegaan en ten uitvoer is gelegd;
  2) een vóór de nietigverklaring gesloten overeenkomst, voor zover deze vóór de nietigverklaring is uitgevoerd; uit billijkheidsoverwegingen kan echter terugbetaling worden geëist van op grond van deze overeenkomst betaalde bedragen voor zover dit door de omstandigheden gerechtvaardigd is.

  Art. 51. § 1. Wanneer een octrooi geheel of gedeeltelijk nietig verklaard wordt door een vonnis of een arrest of door een scheidsrechtelijke uitspraak, heeft de beslissing tot nietigverklaring tegenover eenieder kracht van gewijsde, onder voorbehoud van derdenverzet.
  De in kracht van gewijsde gegane beslissingen tot nietigverklaring worden in het Register ingeschreven.
  § 2. Ingeval van nietigverklaring van de octrooien heeft de voorziening in cassatie schorsende werking.

  AFDELING 7. _ Bescherming van de door het uitvindingsoctrooi verleende rechten.

  Art. 52. <W 2007-05-09/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 10-05-2007> § 1. Wordt beschouwd als namaak waarvoor de dader verantwoordelijk geacht wordt, elke schending van de in het artikel 27 omschreven rechten van de octrooihouder.
  Indien een octrooi betrekking heeft op een werkwijze tot vervaardiging van een nieuw voortbrengsel, wordt zulk een voortbrengsel dat door een ander dan de octrooihouder is vervaardigd, behoudens tegenbewijs, geacht met toepassing van de geoctrooieerde werkwijze te zijn vervaardigd. Bij het leveren van het tegenbewijs wordt rekening gehouden met het gerechtvaardigd belang dat de verweerder heeft bij de bescherming van zijn fabricage- en bedrijfsgeheimen.
  § 2. De houder of de vruchtgebruiker van een octrooi kan een vordering inzake namaak instellen.
  Nochtans mag de houder van een gedwongen licentie toegekend bij toepassing van artikel 31, § 1, 1°, een vordering inzake namaak instellen indien, na ingebreke gesteld te zijn de houder of de vruchtgebruiker van het octrooi dergelijke vordering niet instelt.
  Behoudens andersluidende bepaling in de licentieovereenkomst, is de bepaling van het voorgaande lid eveneens toepasselijk op de houder van een exclusieve licentie.
  Iedere licentiehouder mag tussenbeide komen in een vordering inzake namaak ingediend door de houder of de vruchtgebruiker van het octrooi teneinde vergoed te worden voor de door hemzelf geleden schade.
  § 3. De vordering inzake namaak kan maar ingesteld worden vanaf de dag dat het octrooi ter inzage gelegd is van het publiek en alleen voor handelingen van inbreuk begaan sedert deze datum.
  § 4. Onverminderd § 6, heeft de benadeelde recht op de vergoeding van elke schade die hij door de namaak lijdt.
  § 5. Wanneer de omvang van de schade op geen andere wijze kan bepaald worden, kan de rechter de schadevergoeding in redelijkheid en billijkheid vaststellen op een forfaitair bedrag.
  De rechter kan bij wijze van schadevergoeding de afgifte bevelen aan de eiser van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt, en die nog in het bezit van de verweerder zijn. Indien de waarde van die goederen, materialen en werktuigen de omvang van de werkelijke schade overschrijdt, bepaalt de rechter de door de eiser te betalen opleg.
  In geval van kwade trouw kan de rechter bij wijze van schadevergoeding de afdracht bevelen van het geheel of een deel van de ten gevolge van de inbreuk genoten winst alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording dienaangaande. Bij het bepalen van de af te dragen winst worden enkel de kosten in mindering gebracht die rechtstreeks verbonden zijn aan de betrokken inbreukactiviteiten.
  § 6. In geval van kwade trouw kan de rechter de verbeurdverklaring uitspreken ten voordele van de eiser van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt, en die nog in het bezit van de verweerder zijn. Indien de goederen, materialen en werktuigen niet meer in het bezit van de verweerder zijn kan de rechter een vergoeding toekennen waarvan het bedrag gelijk is aan de voor de verkochte goederen, materialen en werktuigen ontvangen prijs. De aldus uitgesproken verbeurdverklaring slorpt de schadevergoeding op ten belope van de waarde van het verbeurdverklaarde.

  Art. 53. <W 2007-05-09/30, art. 3, 010; Inwerkingtreding : 10-05-2007> § 1. Wanneer de rechter een inbreuk op een recht bepaald in artikel 27 vaststelt, beveelt hij tegenover elke inbreukmaker de staking van deze inbreuk.
  De rechter kan eveneens een bevel tot staking uitvaardigen tegenover tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een in artikel 27 bepaald recht te plegen.
  § 2. Onverminderd de aan de benadeelde wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, kan de rechter op vordering van de partij die een vordering inzake namaak kan instellen de terugroeping uit het handelsverkeer, de definitieve verwijdering uit het handelsverkeer of de vernietiging gelasten van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt.
  Deze maatregelen worden uitgevoerd op kosten van de inbreukmaker, tenzij bijzondere redenen dit beletten.
  Bij de beoordeling van een vordering als bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste corrigerende maatregelen, alsmede met de belangen van derden.
  § 3. Wanneer de rechter in de loop van een procedure een inbreuk vaststelt, kan hij, op verzoek van de partij die een vordering inzake namaak kan instellen, de inbreukmaker bevelen al hetgeen hem bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de inbreukmakende goederen of diensten aan de partij die de vordering instelt mee te delen en haar alle daarop betrekking hebbende gegevens te verstrekken, voor zover die maatregel gerechtvaardigd en redelijk voorkomt.
  Eenzelfde bevel kan worden opgelegd aan de persoon die de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit heeft, de diensten waardoor een inbreuk wordt gemaakt op commerciële schaal heeft gebruikt, of op commerciële schaal diensten die bij inbreukmakende handelingen worden gebruikt, heeft verleend.
  § 4. De rechter kan bevelen dat zijn beslissing of de samenvatting die hij opstelt wordt aangeplakt tijdens de door hem bepaalde termijn, zowel buiten als binnen de inrichtingen van de inbreukmaker en dat zijn vonnis of de samenvatting ervan in kranten of op enige andere wijze wordt bekendgemaakt, dit alles op kosten van de inbreukmaker.

  Art. 54. De vordering wegens inbreuk verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop de inbreuk werd gepleegd.

  HOOFDSTUK III. - Vertegenwoordiging voor de Dienst.

  Art. 55. § 1. (Onder voorbehoud van de in § 2,tweede lid, voorziene bepalingen) is niemand ertoe verplicht zich, inzake uitvindingsoctrooien, voor de Dienst door een erkende gemachtigde te doen vertegenwoordigen. <W 1995-03-09/43, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 17-06-1995>
  § 2. (De natuurlijke personen en de rechtspersonen die inzake uitvindingsoctrooien voor de Dienst door de tussenkomst van een derde wensen op te treden, moeten een beroep doen op een erkende gemachtigde.
  De natuurlijke personen en de rechtspersonen die woonplaats noch werkelijke vestiging (in een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen) hebben, moeten, om voor de Dienst inzake uitvindingsoctrooien op te treden, vertegenwoordigd worden door een erkende gemachtigde en door zijn tussenkomst optreden, behalve voor de indiening van een octrooi-aanvraag door de aanvrager zelf.) <W 1995-03-09/43, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 17-06-1995> <W 2001-06-12/35, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 17-07-2001>
  § 2bis. (...) <W 2001-06-12/35, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 17-07-2001>
  § 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 57, § 1, kunnen de natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of een werkelijke vestiging (in een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen) hebben, inzake uitvindingsoctrooien, voor de Dienst door tussenkomst van één van hun werknemers optreden; deze moet over een volmacht beschikken, doch behoeft geen erkend gemachtigde te zijn. De Koning kan bepalen of en onder welke voorwaarden de werknemer van een bij deze paragraaf voorziene rechtspersoon ook nog voor andere rechtspersonen kan optreden die (in een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen) een werkelijke vestiging hebben en die economische banden hebben met die bedoelde rechtspersoon. <W 2001-06-12/35, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 17-07-2001>
  § 4. Bijzondere bepalingen betreffende gemeenschappelijke vertegenwoordiging van gezamenlijk optredende partijen kunnen door de Koning vastgesteld worden.

  Art. 56. <W 1995-03-09/43, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 17-06-1995> Onverminderd de bepalingen van de wet van 8 juli 1977 houdende goedkeuring van bepaalde internationale akten inzake uitvindingsoctrooien, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk ook van toepassing op de depots van de octrooiaanvragen ingediend overeenkomstig deze internationale akten evenals op alle andere handelingen die verband houden met deze aanvragen of met de octrooien die op deze aanvragen zijn verleend.

  Art. 57. § 1. Een erkend gemachtigde mag, inzake uitvindingsoctrooien, niet optreden voor de Dienst door de bemiddeling van één van zijn werknemers, tenzij deze werknemer zelf een erkend gemachtigde is.
  Wanneer zo een erkend gemachtigde belast is met de indiening van een octrooiaanvraag mag het proces-verbaal van depot nochtans ondertekend worden door één van de hiertoe gevolmachtigde werknemers indien het depot in eigen persoon is gedaan.
  § 2. In de zin van dit hoofdstuk wordt de betaling der taksen door de bemiddeling van een financiële instelling beschouwd alsof deze rechtstreeks gebeurde door degene die opdracht gaf tot betaling aan die instelling.

  Art. 58. Is van rechtswege nietig elke handeling welke voor de Dienst wordt verricht in strijd met de bepalingen in de artikelen 55 tot en met 57. De onregelmatig bepaalde taksen, verminderd met één tiende, worden teruggestort.

  Art. 59. Bij de Dienst wordt een register ingesteld waarin de erkende gemachtigden ingeschreven zijn welke, in de materies bedoeld in artikel 56, de vertegenwoordiging van natuurlijke of rechtspersonen voor de Dienst verzekeren.
  De Koning bepaalt de vermeldingen die in het register voor erkende gemachtigden moeten worden opgenomen alsmede de voorwaarden waarin dit wordt bijgehouden.

  Art. 60.§ 1. Alleen natuurlijke personen kunnen ingeschreven worden in het register van erkende gemachtigden. Ze moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
  (1° onderdaan van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen zijn en gedomicilieerd zijn in een dergelijke Staat;) <W 2001-06-12/35, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 17-07-2001>
  2° minstens 25 jaar oud zijn;
  3° [1 niet het voorwerp uitmaken van een rechterlijke beschermingsmaatregel, bedoeld in artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek;]1
  4° niet in staat van ontzetting zijn als bedoeld in artikelen 31 tot 34 van het Strafwetboek; geen veroordeling in België of in het buitenland hebben opgelopen voor één van de misdrijven vermeld in het koninklijk besluit nr 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de rechtbanken van koophandel de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod uit te spreken, gewijzigd bij de wetten van 14 maart 1962, 16 maart 1972 en 4 augustus 1978;
  5° in het bezit zijn van een Belgisch universitair diploma of Belgisch diploma van hoger onderwijs van het lange type, uitgereikt na minstens vier studiejaren, met betrekking tot een wetenschappelijke, technische of juridische discipline.
  De in het buitenland na minstens vier studiejaren uitgereikte diploma's in dezelfde disciplines worden aanvaard mits hun gelijkwaardigheid vooraf door de bevoegde Belgische overheen werd erkend;
  6° een activiteit in verband met uitvindingsoctrooien hebben uitgeoefend waarvan de Koning de duur en de nadere regelen vaststelt;
  7° geslaagd zijn voor een examen over de industriële eigendom en hoofdzakelijk over de uitvindingsoctrooien, af te leggen voor de in artikel 61 bedoelde commissie ten laatste twee jaar na de stopzetting van de activiteit bedoeld in 6° van deze paragraaf.
  § 2. Aan de woonplaats- en nationaliteitsvereiste dient niet te worden voldaan door de persoon die daarvan is vrijgesteld, hetzij op grond van een internationaal verdrag, hetzij op grond van een internationaal verdrag, hetzij op grond van een afwijking door de Koning uit hoofde van wederkerigheid toegestaan.
  (§ 2bis. De Koning neemt de maatregelen die, inzake toegang tot het beroep van erkende gemachtigde en uitoefening van deze beroepsactiviteit, nodig zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap of uit de bepalingen uitgevaardigd krachtens dit Verdrag en die betrekking hebben op de vereisten inzake diploma's, getuigschriften en andere titels.) <W 2005-12-27/31, art. 19, 007; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  § 3. (Elke advocaat die ingeschreven is op het tableau van de Orde of op de lijst van stagiairs, elke advocaat en elke octrooigemachtigde die nationaliteit heeft van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen en die bevoegd is dit beroep uit te oefenen in een dergelijke Staat, evenals elke advocaat die krachtens een wet of internationale overeenkomst gemachtigd is in België dit beroep uit te oefenen, kan in dezelfde hoedanigheid als een erkend gemachtigde optreden bij de Dienst.) <W 2001-06-12/35, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 17-07-2001>
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 205, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>>

  Art. 61. Bij het Ministerie van Economische Zaken wordt een Commissie ingesteld tot erkenning van de gemachtigden die toegelaten worden tot de vertegenwoordiging van natuurlijke en rechtspersonen voor de Dienst in de materies vermeld in artikel 56.
  De Commissie heeft tot opdracht :
  1° na te gaan of de personen die in het register van erkende gemachtigden wensen te worden ingeschreven voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 60,§ 1, 1° tot en met 6°;
  2° het in artikel 60, § 1, 7°, bedoelde examen af te nemen;
  3° de Minister van advies te dienen over de door hem te nemen beslissingen tot inschrijving en doorhaling in het register van erkende gemachtigden.

  Art. 62. De Commissie bestaat uit twee afdelingen. De ene behandelt de zaken in de Nederlandse taal, de andere de zaken in de Franse taal.
  De Koning bepaalt de samenstelling en de werkwijze van de Commissie. Hij bepaalt de voorwaarden voor het bij artikel 60, § 1, 7°, bedoelde examen. Een lid van de Franse afdeling moet woonachtig zijn in het Duitssprekende taalgebied en een voldoende kennis van het Duits bezitten.
  De nodige kredieten worden ingeschreven op de begroting van het Ministerie van Economische Zaken.

  Art. 63. De aanvraag tot inschrijving in het register van erkende gemachtigden wordt aan de Minister gericht. Deze geeft ze voor advies door aan de Commissie. Het advies wordt samen met het dossier aan de Minister overhandigd.
  Indien de aanvrager de gestelde voorwaarden vervult, doet de Minister hem in het register van erkende gemachtigden inschrijven binnen de maand na de ontvangst van het advies. Indien de aanvrager de voorwaarden niet vervult, verwerpt de Iminister de aanvraag binnen dezelfde termijn. In beide gevallen wordt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte gesteld.
  De beslissing waarbij de Minister van het advies van de Commissie afwijkt en deze waarbij hij de aanvraag verwerpt moeten met redenen worden omkleed.

  Art. 64. § 1. In afwijking van artikel 60, kan elke in België of in een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen woonachtige natuurlijke persoon die kan bewijzen dat hij, vóór de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, in België gewoonlijk en op bevredigende wijze opgetreden is gedurende minstens vijf jaar hetzij in de hoedanigheid van onafhankelijk octrooigemachtigde, hetzij als verantwoordelijk persoon van de octrooidienst van een bedrijf, hetzij als bevoegd medewerker in uitvindingsoctrooien van een van de voornoemde personen, op zijn verzoek en na advies van de Commissie bedoeld in § 3 van dit artikel, door de Minister worden ingeschreven in het register van erkende gemachtigden zonder andere inschrijvingsvoorwaarden te moeten vervullen dan deze vermeld onder artikel 60, § 1, 2° tot 4°.
  Iedere in België of in een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen woonachtige natuurlijke persoon die bewijst gewoonlijk en op bevredigende wijze opgetreden te zijn in het buitenland vóór de datum van inwerkingtreding van dit artikel,
  _ hetzij in de hoedanigheid van onafhankelijk octrooigemachtigde erkend door de centrale dienst voor de industriële eigendom van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen,
  _ hetzij als verantwoordelijk persoon van de octrooidienst van een bedrijf gevestigd in één van de Lidstaten van deze Gemeenschappen,
  _ hetzij als bevoegd medewerker in uitvindingsoctrooien van een van de hogervermelde personen,
  _ hetzij als lid, belast met kwesties betreffend uitvindingsoctrooien, van een intergouvernementele instelling opgericht ingevolge een internationale overeenkomst waarbij België partij is,
  kan deze werkzaamheid, alsof zij in België werd uitgeoefend, doen gelden voor een termijn van ten hoogste twee jaar.
  § 2. In afwijking van artikel 60, kan iedere in België of in een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen woonachtige natuurlijke persoon die bewijst dat hij, op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel, op de lijst van de erkende gemachtigden bij het Europees Octrooibureau is ingeschreven, op zijn verzoek en na advies van de Commissie bedoeld in § 3 van dit artikel, door de Minister worden ingeschreven in het register van erkende gemachtigden zonder andere inschrijvingsvoorwaarden te moeten vervullen dan op hogervermelde lijst te zijn ingeschreven tengevolge van een bij artikel 163, § 2, van het Europees Octrooiverdrag bedoeld verzoekschrift en voor zover dit verzoekschrift vergezeld werd van een door de bevoegde Belgische overheid uitgereikt attest.
  § 3. Voor het onderzoek van de aanvragen tot inschrijving in het register van erkende gemachtigden, ingediend overeenkomstig de twee vorige paragrafen en voor de duur van dat onderzoek, wordt bij het Ministerie van Economische Zaken een Commissie opgericht.
  De Commissie bestaat uit twee afdelingen. De ene behandelt de zaken in de Nederlandse taal, de andere de zaken in de Franse taal.
  De Koning bepaalt de samenstelling en de werkwijze van de Commissie. Een lid van de Franstalige afdeling moet woonachtig zijn in het Duitssprekende taalgebied en een voldoende kennis van het Duits bezitten.
  De nodige kredieten worden ingeschreven op de begroting van het Ministerie van Economische Zaken.
  § 4. De aanvraag tot inschrijving en de daarop betrekking hebbende documenten dienen aan de Minister bij een ter post aangetekende brief te worden gestuurd, uiterlijk drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit artikel.
  De Minister zendt ze voor onderzoek en advies over aan de Commissie.
  Het advies wordt, samen met het dossier, aan de Minister overhandigd.
  Indien de aanvrager de gestelde voorwaarden vervult, doet de Minister hem inschrijven in het register van erkende gemachtigden binnen de maand na de ontvangst van het advies. Indien de aanvrager de voorwaarden niet vervult, verwerpt de Iminister de aanvraag binnen dezelfde termijn. In beide gevallen wordt de betrokkene hiervan onverwijld op de hoogte gesteld.
  De beslissing waarbij de Minister van het advies van de Commissie afwijkt en deze waarbij hij de aanvraag verwerpt dienen met redenen te worden omkleed.

  Art. 65. Elke in het register van erkende gemachtigden ingeschreven persoon kan de Minister verzoeken om zijn naam in dit register door te halen.

  Art. 66.In het register van erkende gemachtigden wordt doorgehaald de naam van de persoon :
  1) die overleden is of zich in staat vanonbekwaamheid bevindt zoals bedoeld bij artikel 69;
  2) die, ingeschreven in het register van erkende gemachtigden bij toepassing van artikel 63 de bij de artikel 60, § 1, 1° en 3° vastgestelde voorwaarden niet meer vervult of zich niet meer kan beroepen op bepalingen van het internationaal verdrag of op het bestaan van de wederkerigheid als bedoeld in § 2 van dit artikel;
  3) die, ingeschreven in het register van erkende gemachtigden bij toepassing van artikel 64, § 1, niet meer woonachtig is in België of in een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen [1 of het voorwerp uitmaakt van een rechterlijke beschermingsmaatregel, bedoeld in artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek]1;
  4) die, ingeschreven in het register van erkende gemachtigden bij toepassing van artikel 64, § 2, ambtshalve werd doorgehaald in de lijst van de erkende gemachtigden bij het Europees Octrooibureau wegens één van de vermelde redenen in regel 102, § 2, letter a) tot en met c), van het uitvoeringsreglement bij het Europees Octrooiverdrag of omdat hij het voorwerp is geweest van een tuchtmaatregel welke in uitvoering van artikel 134, § 8, letter c), van voornoemd verdrag werd getroffen;
  5) die, bij zijn aanvraag tot inschrijving of bij een aanvraag tot wijziging van zijn inschrijving opzettelijk documenten heeft voorgelegd of verklaringen heeft afgelegd waarvan de inhoud niet met de werkelijkheid overeenstemde;
  6) die een veroordeling heeft opgelopen of het voorwerp is geweest van een maatregel tot ontzetting, als bedoeld in artikel 60, § 1, 4°;
  7) die zich schuldig gemaakt heeft aan een zware tekortkoming in de uitoefening van zijn werkzaamheden van vertegenwoordiging in zaken van uitvindingsoctrooien voor de Dienst.
  De duur van doorhaling bij toepassing van punten 5) tot en met 7) van dit artikel moet minstens één jaar bedragen.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 206, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 67. De erkende gemachtigde, wiens inschrijving is doorgehaald, wordt op zijn verzoek opnieuw ingeschreven in het register van de erkende gemachtigden, wanneer de redenen voor de doorhaling niet meer bestaan, wanneer de in artikel 66, 4) bedoelde tuchtmaatregel geen gevolgen meer sorteert of wanneer de termijn van de met toepassing van artikel 66, 5) tot en met 7), genomen maatregel tot doorhaling verstreken is.

  Art. 68. In de bij artikel 66 bepaalde gevallen, dat van overlijden uitgezonderd, of wanneer op grond van artikel 67 om een nieuwe inschrijving wordt verzocht, wint de Minister vooraf advies in van de erkenningscommissie.
  Deze stelt de belanghebbende bij een ter post aangetekende brief en, minstens twintig dagen vooraf, in kennis van de vergadering waarop de zaak zal worden behandeld. De belanghebbende kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een advokaat of door een erkend gemachtigde.
  Het advies wordt samen met het dossier aan de Minister doorgezonden.
  De beslissingen tot doorhaling en tot weigering van een nieuwe inschrijving alsmede die waarbij de Minister van het advies van de Commissie afwijkt dienen met redenen te worden omkleed.
  De Minister brengt zijn beslissing tot doorhaling, nieuwe inschrijving of weigering van zulke inschrijving onverwijld ter kennis van de betrokkene. Hij gaat over tot de doorhaling of tot de nieuwe inschrijving, naargelang van het geval, binnen de maand na de ontvangst van het advies.

  Art. 69. Wanneer een erkend gemachtigde overlijdt of in de onmogelijkheid verkeert zijn vertegenwoordigingsactiviteit uit te oefenen, kunnen de hem bij de Wdienst toevertrouwde opdrachten gedurende zes maanden verder worden uitgevoerd door een ander erkende gemachtigde zonder dat deze zijn mandaat dient te bewijzen.

  Art. 70. Het register van de erkende gemachtigden berust bij de Dienst waar elke belanghebbende er inzage van kan nemen.
  De lijst van erkende gemachtigden wordt jaarlijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en in de Verzameling.
  Iedere wijziging die zich in de loop van het jaar voordoet wordt eveneens daarin bekendgemaakt.

  HOOFDSTUK IV. _ Diverse bepalingen.

  Art. 70bis. [1 § 1. Wanneer een aanvrager of een houder van een octrooi een termijn voor een handeling in een procedure voor de Dienst niet in acht heeft genomen, en dit verzuim het verlies van rechten ten aanzien van een aanvraag of octrooi tot rechtstreeks gevolg heeft, worden de rechten van de aanvrager of de houder ten aanzien van de desbetreffende aanvraag of het desbetreffende octrooi door de Dienst hersteld indien :
   1° een verzoek daartoe bij de Dienst wordt gedaan overeenkomstig de door de Koning gestelde voorwaarden en binnen de door de Koning bepaalde termijn;
   2° de niet-gestelde handeling moet worden verricht binnen de in 1° vermelde termijn voor de indiening van het verzoek;
   3° in het verzoekschrift de redenen worden vermeld waarom de vastgestelde termijn niet in acht is genomen;
   4° de Dienst vaststelt dat het verzuim de termijn in acht te nemen is ontstaan ondanks dat in het onderhavige geval de nodige zorg is betracht.
   Het verzoek tot herstel wordt in het Register ingeschreven.
   Een verklaring of andere bewijzen ter ondersteuning van de onder 3° bedoelde redenen worden bij de Dienst ingediend binnen een door de Koning bepaalde termijn.
   Het verzoekschrift zal pas behandeld worden nadat de voorgeschreven taksen met betrekking tot dit verzoek zijn betaald.
   § 2. Een verzoekschrift uit hoofde van § 1 kan niet geheel of ten dele worden geweigerd zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning bepaalde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.
   De beslissing tot herstel of tot weigering wordt in het Register ingeschreven.
   § 3. Degene die, tussen het moment waarop de rechten, als bepaald in artikel 40, § 2, vervallen en dat waarop het herstel van deze rechten uitwerking heeft overeenkomstig § 2 van dit artikel, in België te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van de uitvinding die het voorwerp uitmaakt van het octrooi of daartoe de nodige maatregelen heeft getroffen, mag deze uitvinding blijven gebruiken tot nut van zijn eigen onderneming. Het recht erkend door deze paragraaf mag slechts overgedragen worden met de onderneming waaraan het verbonden is. Voorbehoud wordt gemaakt voor de toepassing van de wet van 10 januari 1955.
   Het voorgaande lid is ook van toepassing wanneer de bescherming voorzien in artikel 29, eerste lid, opnieuw uitwerking heeft ten gevolge van het herstel van de octrooiaanvraag.
   § 4. Een verzoek tot herstel in de rechten als bedoeld in § 1 is niet ontvankelijk voor :
   1° de termijnen bedoeld in § 1;
   2° de termijnen bedoeld in artikel 19, §§ 7 tot 9.
   De Koning bepaalt in voorkomend geval andere termijnen dan deze vermeld in het vorige lid, voor dewelke een verzoek tot herstel niet ontvankelijk is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-01-10/05, art. 42, 012; Inwerkingtreding : 13-03-2014>

  Art. 71. § 1. (Onverminderd artikel 40, bepaalt de Koning het bedrag, de termijn en de wijze van betaling der taksen, bijkomende taksen en vergoedingen waarin bij of krachtens deze wet is voorzien.) <W 2007-03-06/55, art. 8, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. Wanneer de Dienst in zaken van octrooien bijzondere prestaties levert, kan de Koning voorzien in een vergoeding waarvan Hij het bedrag, de termijn en de wijze van betaling bepaalt. Het bedrag van de bijkomende vergoeding mag in geen geval (125 EUR) te boven gaan. <KB 2000-07-20/52, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. (Onverminderd artikel 40 kan de Koning de taksen, bijkomende taksen en vergoedingen, die Hij aanwijst, verminderen voor de natuurlijke personen, onderdanen van een lidstaat, hetzij van de Europese Economische Ruimte, hetzij van de Wereldhandelsorganisatie, indien hun inkomsten niet de belastingvrije som bepaald in artikel 131 en volgende van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 overschrijden. In voorkomend geval worden de in vreemde munt uitgedrukte inkomsten omgezet in euro tegen de middenkoers van de betrokken munt.) <W 2007-03-06/55, art. 8, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Er kan geen vermindering worden toegestaan voor de uitvinding die kennelijk niet octrooieerbaar is.
  § 4. De Koning bepaalt de gevallen waarin onverschuldigd betaalde taksen, bijkomende taksen en vergoedingen geheel of gedeeltelijk terugbetaalbaar zijn.

  Art. 72. (De betaling der taksen en vergoedingen, voorzien bij deze wet of tot de inning waartoe deze wet machtiging verleent, wordt als geldig beschouwd indien ze werd verricht met de inachtneming van het op de betalingsdag van kracht zijnde bedrag.) <W 2007-03-06/55, art. 9, 1°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (Tweede lid opgeheven) <W 2007-03-06/55, art. 9, 2°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Behoudens hiermee strijdige bepalingen in deze wet of in haar uitvoeringsbesluiten worden de geïnde taksen en vergoedingen niet teruggestort.

  Art. 73. § 1. (De rechtbanken van koophandel nemen, zelfs wanneer de partijen geen kooplieden zijn, kennis van alle vorderingen inzake octrooien of aanvullende beschermingscertificaten, ongeacht het bedrag van de vordering.) <W 2007-05-10/33, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
  § 2. Is uitsluitend bevoegd tot kennisneming van de vordering inzake inbreuk op octrooien of inzake vaststelling van de in artikel 29 voorziene vergoeding, de rechtbank die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de inbreuk of de exploitatie is geschied of, naar keuze van de eiser, de rechtbank die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de verweerder of één hunner zijn woon- of verblijfplaats heeft.
  § 3. De dagvaarding ten gronde inzake octrooien, moet voor de in voorgaande paragraaf bedoelde rechtbank gebracht worden.
  § 4. De rechtbank, gevestigd ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de verweerder of één hunner zijn woon- of verblijfplaats heeft is uitsluitend bevoegd om kennis te nemen van :
  1) de vorderingen tot opeising van een octrooiaanvraag of van een octrooi;
  2) de vorderingen tot vastlegging van de wederzijdse verplichtingen inzake gedwongen licenties voor octrooien;
  3) de vorderingen tot nietigverklaring van een octrooi;
  4) de geschillen inzake overdrachtsovereenkomsten van een octrooiaanvraag of van een octrooi;
  5) de geschillen inzake overeenkomsten voor het verlenen van een exploitatielicentie van een uitvinding die het voorwerp uitmaakt van een octrooiaanvraag of van een octrooi, evenals de geschillen inzake overdrachtsovereenkomsten van een dergelijke licentie;
  6) de in artikel 10 van de wet van 10 januari 1955 bedoelde geschillen betreffende de geoctrooieerde uitvindingen alsook inzake de erop betrekking hebbende know-how, wanneer de bij dat artikel voorziene verzoeningspoging mislukte.
  § 5. Zo de verweerder geen woon- of verblijfplaats heeft in België kan de vordering ingesteld worden bij de rechtbank gevestigd ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de eiser zijn woon- of verblijfplaats heeft.
  § 6. Is van rechtswege nietig elke met de bepalingen van de vorige paragrafen strijdige overeenkomst.
  De bepalingen van dit artikel staan nochtans niet in de weg dat de geschillen betreffende het houderschap van een octrooiaanvraag of van een octrooi, de geldigheid of de inbreuk op een octrooi of betreffende de vaststelling van de in artikel 29 bedoelde vergoeding alsook die welke de licenties op octrooien betreffen, andere dan de gedwongen licenties, voor de scheidsgerechten gebracht worden.

  Art. 74. De griffiers der hoven of rechtbanken, die een op deze wet gegrond arrest of vonnis hebben gewezen, doen binnen de maand van de uitspraak een kosteloos afschrift van dit arrest of vonnis geworden aan de Dienst. Dezelfde verplichting geldt voor de scheidsgerechten.

  Art. 75. § 1. In artikel 6 van de wet van 30 december 1925 tot wijziging van de wetten betreffende de uitvindingsoctrooien, de fabrieks- en handelsmerken, de nijverheidstekeningen en modellen en de nijverheidseigendom in 't algemeen, gewijzigd bij de wet van 23 juli 1932, het koninklijk besluit nr 85 van 17 november 1939 en de wet van 26 juni 1978, wordt het woord "octrooien" geschrapt.
  § 2. In artikel 569, eerste lid, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek worden de woorden "en uitvindingsoctrooien" geschrapt.
  § 3. In artikel 627, 5° van hetzelfde Wetboek, wordt het woord "uitvindingsoctrooien" geschrapt.
  § 4. Artikel 1488 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende bepaling :"....."
  § 5. In artikel 2, § 1, van de wet van 8 juli 1977 die betrekking heeft op de goedkeuring van een aantal internationale akten, worden de woorden "de Dienst van de handels- en nijverheidseigendom" vervangen door de woorden "de Dienst voor de industriële eigendom".

  Art. 76. Opgeheven worden :
  1° de wet van 24 mei 1854 op de uitvindingsoctrooien gewijzigd bij de wetten van 27 maart 1857, 24 oktober 1919, 3 augustus 1924 en 30 december 1925, het koninklijk besluit van 30 juni 1933, het koninklijk besluit nr 85 van 17 november 1939 en de wetten van 1 juni 1964, 10 oktober 1967 en 26 juni 1978;
  2° artikel 17 van de wet van 11 oktober 1919 houdende regeling van sommige vraagstukken inzake nijverheidseigendom;
  3° de wet van 15 juli 1957 strekkende tot het vergemakkelijken van de indiening der octrooiaanvragen, der fabrieks- en handelsmerken, alsmede der nijverheidstekeningen en -modellen ter gelegenheid van de officiële of officieel erkende internationale tentoonstellingen in België gehouden, gewijzigd bij de wet van 30 juni 1969;
  4° de wet van 9 augustus 1978 houdende instelling van een register van erkende octrooigemachtigden.

  Art. 77. § 1. De octrooiaanvragen die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn ingediend, worden afgehandeld volgens de bepalingen die ten tijde van de indiening van toepassing waren.
  § 2. Deze wet is van onmiddellijke toepassing op de octrooien die vóór haar inwerkingtreding zijn verleend, met behoud evenwel van de rechten die bij de inwerkingtreding van deze wet zijn verworven.
  § 3. De bepalingen van de artikelen 40, 41 en 72 zijn van toepassing op de octrooien die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn aangevraagd of verleend.
  De Koning bepaalt het bedrag, de termijn en de wijze van inning van de jaartaksen die voor de instandhouding van de in het eerste lid bedoelde octrooiaanvragen en octrooien verschuldigd zijn.

  Art. 78. Uitgezonderd de artikelen 59 en 64 wordt de datum van inwerkingtreding van de artikelen van onderhavige wet door de Koning bepaald. Deze datum mag niet later vastgesteld worden dan vierentwintig maanden na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
  

  BIJLAGE.

  Art. N. Jaartaksen voor het instandhouden van een octrooiaanvraag of van een octrooi. <Ingevoegd bij W 2007-03-06/55, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  

  
Te innen taksenBedrag in euro
Derde jaartaks35
Vierde jaartaks50
Vijfde jaartaks65
Zesde jaartaks85
Zevende jaartaks100
Achtste jaartaks125
Negende jaartaks145
Tiende jaartaks170
Elfde jaartaks195
Twaalfde jaartaks220
Dertiende jaartaks250
Veertiende jaartaks290
Vijftiende jaartaks330
Zestiende jaartaks370
Zeventiende jaartaks410
Achttiende jaartaks455
Negentiende jaartaks500
Twintigste jaartaks545


  

  Art. N TOEKOMSTIG RECHT.
  

<Opgeheven bij W 2014-04-19/60, art{/art}. 32,§2,L1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2016(zie KB 2015-11-09/13, art. 5, 1°, b)>


  

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------OPGEHEVEN DOOR---------------------------------------------------
BEELD
  • WET VAN 19-04-2014 GEPUBL. OP 12-06-2014
  • ---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
    BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 29-12-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 52; 53; 73; 74)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 04-09-2014 GEPUBL. OP 11-09-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1-39; 40; 41-51; 52; 54-70; 71-72; 75-78)
  • BEELD
  • WET VAN 17-03-2013 GEPUBL. OP 14-06-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 60; 66)
  • BEELD
  • WET VAN 10-01-2011 GEPUBL. OP 16-02-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 41; 70bis)
  • BEELD
  • WET VAN 10-01-2011 GEPUBL. OP 16-02-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 4; 5; 7; 12; 14; 15; 16; 16bis; 17; 18; 19; 20; 21; 22; 23; 25; 26; 29; 33; 35; 40; 42; 44; 45; 47; 48bis; 48ter; 49; 50; 51; 55; 57; 58; 60; 68; 70; 71; 72bis; 74; 74bis; 74ter) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 21; 22; 23; 39)
  • BEELD
  • WET VAN 10-05-2007 GEPUBL. OP 10-05-2007
    (GEWIJZIGD ART. : 73)
  • BEELD
  • WET VAN 09-05-2007 GEPUBL. OP 10-05-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 52; 53)
  • BEELD
  • WET VAN 06-03-2007 GEPUBL. OP 12-04-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 31TE; 40; 71; 72; N1)
    (GEWIJZIGDE ART. : 21; 22; 23; 39)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2005 GEPUBL. OP 30-12-2005
    (GEWIJZIGD ART. : 60)
  • BEELD
  • WET VAN 28-04-2005 GEPUBL. OP 13-05-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2; 4; 15; 17; 27BIS-27QUI; 28)
    (GEWIJZIGDE ART. : 31; 31BIS; 32; 33)
  • BEELD
  • WET VAN 12-06-2001 GEPUBL. OP 07-07-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 55; 60)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 71)
  • 1997011014; 1997-04-04
  • WET VAN 28-01-1997 GEPUBL. OP 04-04-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 31; 33; 34; 38; 71)
  • WET VAN 09-03-1995 GEPUBL. OP 07-06-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 55; 56)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 1980-1981. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp nr. 919/1. Gewone zitting 1982-1983. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp nr. 751/1. - Amendementen nr. 751/2. Gewone zitting 1983-1984. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Verslag nr. 751/4. - Amendementen nrs. 751/3 en 751/5. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 26 oktober 1983. - Aanneming. Vergadering van 27 oktober 1983. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp nr. 585/1. - Verslag nr. 585/2. - Amendementen nrs. 585/3 en 585/4. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 16 februari 1984.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 107 uitvoeringbesluiten 15 gearchiveerde versies
    Franstalige versie