J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2016/09/11/2016024156/justel

Titel
11 SEPTEMBER 2016. - Koninklijk besluit betreffende de erkenning van <beroepskwalificaties> en het vrij verrichten van diensten van <dierenartsen>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-09-2016 en tekstbijwerking tot 17-11-2017)

Bron : VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU
Publicatie : 26-09-2016 nummer :   2016024156 bladzijde : 66928   BEELD
Dossiernummer : 2016-09-11/06
Inwerkingtreding : 06-10-2016

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsbepalingen
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - Uitoefening van de diergeneeskunde en erkenning van de beroepskwalificaties
Art. 3-4
HOOFDSTUK III. - Vrijheid van vestiging
Afdeling 1. - De opleidingstitel van dierenarts
Art. 5-6
Afdeling 2. - Voeren van de beroepstitel van dierenarts
Art. 7
Afdeling 3. - Beginsel van de automatische erkenning
Art. 8-10
Afdeling 4. - Specifieke verworven rechten
Art. 11-12
Afdeling 5. - Documenten en formaliteiten in het kader van de vrije vestiging
Art. 13-17
HOOFDSTUK IV. - Vrije dienstverrichting
Art. 18-24
HOOFDSTUK V. - Gezamenlijke bepalingen met betrekking de uitoefening van de diergeneeskunde in het kader van de vrije vestiging en de vrije dienstverlening
Art. 25-26
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen
Art. 27-29
BIJLAGE.
Art. N.Hoofdstuk I

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsbepalingen

  Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, met name wat betreft de uitoefening van het beroep van dierenarts.

  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1.Minister : de minister bevoegd voor Landbouw;
  2. Commissie : de Commissie van de Europese Unie;
  3. lidstaat : lidstaat van de Europese Unie, alsook IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland vanaf het ogenblik dat richtlijn 2005/36/EG op deze landen van toepassing is;
  4. beroepskwalificaties : kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel van dierenarts;
  5. opleidingstitel : diploma's, certificaten en andere titels van dierenarts die door een volgens de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat aangewezen autoriteit zijn afgegeven ter afsluiting van een overwegend in de Gemeenschap gevolgde opleiding van dierenarts;
  6. bevoegde autoriteit : ieder door de lidstaten gemachtigde overheid of instelling die met name bevoegd is bewijsstukken van opleiding van dierenarts en andere documenten of informatie af te geven, respectievelijk aan te nemen, alsmede aanvragen te ontvangen en besluiten te nemen in verband met <beroepskwalificaties> van <dierenartsen>;
  7. dienst Sanitair Beleid Dieren en Planten van DG Dier, Plant en Voeding van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu hierna genoemd " de Dienst " : de bevoegde autoriteit die gerechtigd is om bewijsstukken van opleiding van dierenarts te ontvangen, voor de afgifte of ontvangst van andere documenten of inlichtingen, alsmede voor het ontvangen van aanvragen en om besluiten te nemen in verband met de <beroepskwalificaties> van <dierenartsen>;
  8. beroepservaring : de daadwerkelijke en geoorloofde voltijdse of gelijkwaardige deeltijdse uitoefening van het beroep van dierenarts in een lidstaat;
  9. dwingende redenen van algemeen belang : als zodanig in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende redenen;
  10. europees systeem voor de overdracht van studiepunten of ECTS-studiepunten : het in het Europees hoger onderwijsstelsel gangbare studiepuntenoverdrachtsysteem;
  11. het IMI : internal market information system, of informatie systeem voor de interne markt.

  HOOFDSTUK II. - Uitoefening van de diergeneeskunde en erkenning van de beroepskwalificaties

  Art. 3. De onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die houder zijn van een certificaat, diploma of titel bepaald in bijlage kunnen :
  1° zich als dierenarts vestigen in België indien ze voldoen aan de voorwaarden bepaald in hoofdstuk III;
  2° zonder zich te vestigen, vrij hun diensten als dierenarts in België verrichten wanneer ze gevestigd zijn in een andere lidstaat en ze voldoen aan de voorwaarden bepaald in hoofdstuk IV.

  Art. 4. § 1. Erkenning van de beroepskwalificaties geeft de begunstigde toegang tot het beroep van dierenarts en stelt hem in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die voor de houders van een Belgische diploma gelden.
  § 2. Voor de toepassing van dit besluit is het beroep van dierenarts dat de aanvrager in België wenst uit te oefenen hetzelfde als dat waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit, indien hieronder vergelijkbare werkzaamheden vallen.

  HOOFDSTUK III. - Vrijheid van vestiging

  Afdeling 1. - De opleidingstitel van dierenarts

  Art. 5. § 1. Worden erkend de opleidingstitels bedoeld in hoofdstuk II van de bijlage, die voldoen aan de volgende minimumopleidingseisen :
  1° de diergeneeskundige opleiding omvat in totaal ten minste vijf jaar theoretisch en praktisch onderwijs - eventueel aanvullend uitgedrukt in het equivalente aantal ECTS-studiepunten - op voltijdbasis aan een universiteit, aan een instelling voor hoger onderwijs van een als gelijkwaardig erkend niveau of onder toezicht van een universiteit en omvat ten minste het in hoofdstuk I opgenomen studieprogramma van de bijlage bij dit besluit;
  2° de opleiding tot dierenarts waarborgt dat de betrokken beroepsbeoefenaar de volgende kennis en vaardigheden heeft verworven :
  a) voldoende kennis van de wetenschappen waarop de werkzaamheden van de dierenarts berusten en van de Uniewetgeving betreffende deze werkzaamheden;
  b) voldoende kennis van de bouw, de functies, het gedrag en de fysiologische behoeften van dieren, alsmede de vaardigheden en competenties die nodig zijn voor de houderij, de voeding, het welzijn, de voortplanting en de hygiëne van dieren in het algemeen;
  c) de klinische, epidemiologische en analytische vaardigheden en competenties die nodig zijn voor de preventie, diagnose en behandeling van dierziekten, met inbegrip van anesthesie, aseptische chirurgie en pijnloze levensbeëindiging, hetzij individueel, hetzij in groep, met inbegrip van de specifieke kennis van ziekten die op de mens kunnen worden overgedragen;
  d) voldoende kennis, vaardigheden en competenties voor preventieve geneeskunde, met inbegrip van de beantwoording van vragen en certificering;
  e) voldoende kennis van de hygiëne en technologie voor het verkrijgen, vervaardigen en in omloop brengen van dierlijke voedingsmiddelen of voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong bestemd voor menselijke consumptie, met inbegrip van de nodige vaardigheden en competenties voor het begrijpen en uitleggen van goede praktijken op dit gebied;
  f) de kennis, vaardigheden en competenties die nodig zijn voor het verantwoord en verstandig gebruik van de geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, om de dieren te behandelen en om de veiligheid van de voedselketen en de bescherming van het milieu te garanderen.
  § 2. Onderdanen van lidstaten kunnen in België het beroep van dierenarts uitoefenen als ze houder zijn van niet in een lidstaat behaalde beroepskwalificaties, mits de minimumopleidingseisen van artikel 5, § 1, in acht worden genomen.

  Art. 6. Met een opleidingstitel wordt gelijkgesteld elke in een derde land afgegeven opleidingstitel, wanneer de houder ervan in het beroep van dierenarts een beroepservaring van drie jaar heeft op het grondgebied van de lidstaat die de betrokken opleidingstitel overeenkomstig artikel 5 heeft erkend en indien die lidstaat deze beroepservaring bevestigt.

  Afdeling 2. - Voeren van de beroepstitel van dierenarts

  Art. 7. De onderdanen van de andere lidstaten die op grond van dit hoofdstuk gerechtigd zijn het beroep van dierenarts uit te oefenen, voeren in België de beroepstitel die met dit beroep overeenkomt, met name " dierenarts " of " docteur en médecine vétérinaire ", als bedoeld in de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, en maken gebruik van de eventuele afkorting van deze titel, " Dr. ".

  Afdeling 3. - Beginsel van de automatische erkenning

  Art. 8. Onverminderd de verworven rechten bedoeld in artikel 11, erkent de Dienst de opleidingstitels van dierenarts, zoals bedoeld in bijlage die voldoen aan de minimumopleidingseisen van artikel 5 door daaraan op het nationaal grondgebied, wat de toegang tot en de uitoefening van de betrokken beroepswerkzaamheden betreft, hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door de Belgische Staat afgegeven opleidingstitels.
  Deze opleidingstitels zijn door bevoegde instellingen van de lidstaten afgegeven en, in voorkomend geval, vergezeld gaan van het certificaat, zoals bedoeld in bijlage.

  Art. 9. De Dienst stelt de toegang tot en uitoefening van de beroepswerkzaamheden van dierenartsen, afhankelijk van het bezit van een opleidingstitel zoals bedoeld in hoofdstuk II van de bijlage, die waarborgt dat de dierenarts gedurende zijn gehele opleiding de in artikel 5 bedoelde kennis en vaardigheden en competenties heeft verworven.

  Art. 10. De Hoge Raad van de Orde der Dierenartsen, bedoeld in artikel 11 van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der Dierenartsen legt de regels vast van de continue professionele ontwikkeling en controleert hiervan de toepassing opdat de dierenartsen hun kennis, vaardigheden en competenties kunnen actualiseren en op die manier veilige en effectieve praktijken kunnen in stand houden en de ontwikkeling van hun beroep op de voet kunnen volgen.

  Afdeling 4. - Specifieke verworven rechten

  Art. 11. § 1. De Dienst erkent, wanneer opleidingstitels van dierenarts die aan onderdanen van de lidstaten zijn afgegeven, maar niet voldoen aan alle in artikel 5 bedoelde opleidingseisen, de door deze lidstaten afgegeven opleidingstitels als genoegzaam bewijs, wanneer deze titels staven dat een opleiding afgesloten is waarmee vóór de in bijlage opgenomen referentiedata is begonnen, mits zij vergezeld gaan van een verklaring waarin wordt bevestigd dat de houders ervan de betrokken werkzaamheid tijdens de vijf jaar die aan de afgifte van de verklaring voorafgaan gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren daadwerkelijk en op wettige wijze uitgeoefend hebben.
  § 2. De bepalingen van paragraaf 1 zijn ook van toepassing op het grondgebied van de voormalige Duitse Democratische Republiek verworven opleidingstitels die toegang geven tot het beroep van dierenarts en die niet voldoen aan alle minimumopleidingseisen bedoeld in artikel 5, indien deze opleidingstitels de afsluiting zijn van een opleiding waarmee werd begonnen vóór 3 oktober 1990.
  § 3. Worden erkend :
  1° de opleidingstitels van dierenarts, waarvan onderdanen van de lidstaten houder zijn, welke door het voormalige Tsjechoslowakije zijn afgegeven of die het resultaat zijn van een opleiding die in de Tsjechische Republiek dan wel Slowakije, vóór 1 januari 1993 is aangevangen, voor zover de autoriteiten van deze beide lidstaten officieel bevestigen dat deze opleidingstitels op hun grondgebied dezelfde juridische waarde hebben als de opleidingstitels die door hen worden afgegeven.
  Bedoelde bevestiging dient vergezeld te gaan van een door dezelfde autoriteiten afgegeven verklaring, waarin wordt bevestigd dat de houders ervan de betrokken werkzaamheden tijdens de vijf jaar die aan de afgifte van dit verklaring voorafgaan, gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren daadwerkelijk en op wettige wijze op hun grondgebied hebben uitgeoefend;
  2° onverminderd de bepaling onder 3°, de opleidingstitels van dierenarts, welke door Estland zijn afgegeven of die het resultaat zijn van een opleiding die vóór 1 mei 2004 in Estland is aangevangen, mits deze vergezeld gaan van een verklaring waarin wordt bevestigd dat deze personen tijdens de zeven jaar die aan de afgifte van de verklaring voorafgaan gedurende ten minste vijf opeenvolgende jaren daadwerkelijk en op wettige wijze de betrokken werkzaamheden in Estland hebben uitgeoefend;
  3° de opleidingstitels van dierenarts waarvan onderdanen van de lidstaten houder zijn en welke door de voormalige Sovjet-Unie zijn afgegeven of die het resultaat zijn van een opleiding die is aangevangen :
  a) vóór 20 augustus 1991 wat Estland betreft,
  b) vóór 21 augustus 1991 wat Letland betreft,
  c) vóór 11 maart 1990, wat Litouwen betreft,
  voor zover de autoriteiten van elk van deze drie lidstaten officieel bevestigen dat deze opleidingstitels op hun grondgebied dezelfde juridische waarde hebben als de opleidingstitels die door hen worden afgegeven.
  Deze bevestiging dient vergezeld te gaan van een door de dezelfde autoriteiten afgegeven verklaring, waarin wordt bevestigd dat de houders ervan de betrokken werkzaamheden tijdens de vijf jaar die aan de afgifte van deze verklaring voorafgaan, gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren daadwerkelijk en op wettige wijze op het grondgebied van Estland, Letland of Litouwen hebben uitgeoefend.
  Voor de opleidingstitels van dierenarts welke door de voormalige Sovjet-Unie zijn afgegeven of die het resultaat zijn van de afsluiting van een opleiding welke, voor wat Estland betreft, vóór 20 augustus 1991 is aangevangen, dient de in het vorige lid bedoelde bevestiging vergezeld te gaan van een door de Estlandse autoriteiten afgegeven verklaring, waarin wordt bevestigd dat de houders ervan de betrokken werkzaamheden tijdens de zeven jaar die aan de afgifte van deze verklaring voorafgaan, gedurende ten minste vijf opeenvolgende jaren daadwerkelijk en op wettige wijze op het grondgebied van Estland hebben uitgeoefend;
  4° de opleidingstitels van dierenarts waarvan onderdanen van de lidstaten houder zijn, en die door het voormalige Joegoslavië zijn afgegeven of die het resultaat zijn van een opleiding :
  a) vóór 25 juni 1991 is aangevangen, wat Slovenië betreft,
  b) vóór 8 oktober 1991 is aangevangen, wat Kroatië betreft,
  voor zover de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat officieel bevestigen dat deze opleidingstitels op hun grondgebied dezelfde juridische waarde hebben als de opleidingstitels die door hen worden afgegeven.
  Bedoelde bevestiging moet vergezeld zijn van een verklaring afgeleverd door dezelfde bevoegde autoriteiten waarin wordt bevestigd dat deze personen tijdens de vijf jaar die aan de afgifte van deze verklaring voorafgaan gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren daadwerkelijk en op wettige wijze de betrokken werkzaamheden op hun grondgebied hebben uitgeoefend;
  5° voor de onderdanen van de lidstaten waarvan de opleidingstitels van dierenarts niet zijn opgenomen in de bijlage, dienen de door de lidstaten afgeleverde opleidingstitels vergezeld te zijn van een door de overheid of de bevoegde autoriteiten afgeleverd certificaat, dat bevestigt dat de opleidingstitel het voorwerp uitmaakt van de opleiding zoals bepaald in artikel 5 en die door de lidstaat die ze heeft afgeleverd gelijkgesteld werden met de opleidingstitels uit de bijlage.

  Art. 12. Wanneer de aanvrager van een erkenning van beroepskwalificaties in het kader van het recht van vestiging, om een bijzondere en uitzonderlijke reden, niet voldoet aan de eisen inzake de daadwerkelijke en wettige beroepsuitoefening bedoeld in de artikelen 5, 8, 9, 10 en 11, zijn de artikelen 13 tot 16 van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een nieuw algemeen kader voor de erkenning van EG-beroepskwalificaties, van toepassing.

  Afdeling 5. - Documenten en formaliteiten in het kader van de vrije vestiging

  Art. 13. De Dienst bevestigt binnen één maand de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welke documenten ontbreken.
  De Dienst behandelt de aanvragen zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk binnen de drie maanden na de ontvangst van het volledige dossier van de aanvrager. Deze termijn kan met een maand worden verlengd in geval van toepassing van artikel 11.

  Art. 14. § 1. De Dienst beslist over een aanvraag tot toekenning van een toelating om het beroep van dierenarts in België te mogen uitoefenen. Tijdens deze procedure, mogen de volgende documenten geëist worden :
  1° nationaliteitsbewijs van de betrokkene;
  2° kopie van de opleidingstitel van dierenarts en, in voorkomend geval, een bewijs van de beroepservaring van de betrokkene;
  3° een uittreksel van het strafregister. Dit document moet binnen de twee maanden verstrekt worden.
  Het document mag bij overlegging niet ouder zijn dan drie maanden;
  4° een bewijs dat er geen tijdelijk of permanent verbod is op de uitoefening van de diergeneeskunde;
  Als genoegzaam bewijs worden aanvaard de documenten afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong of herkomst van betrokkene, waaruit blijkt dat aan deze voorwaarde is voldaan;
  5° een bewijs dat de aanvrager is verzekerd tegen de financiële risico's die verband houden met de beroepsaansprakelijkheid overeenkomstig artikel 4 van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde. Als genoegzaam bewijs, dat bij de overlegging niet ouder mag zijn dan drie maanden, wordt een getuigschrift terzake afgegeven door de verzekeringsmaatschappij aanvaard door de Dienst;
  6° naast hun opleidingstitel, een certificaat van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong waarin wordt verklaard dat deze titels wel degelijk diegene zijn zoals bedoeld in dit besluit.
  § 2. Bij het opvragen van de opleidingstitel, bedoeld in § 1, 2°, kan de Dienst de aanvrager verzoeken informatie omtrent zijn opleiding te verstrekken, voorzover dat noodzakelijk is om vast te stellen of er eventuele wezenlijke verschillen met de vereiste nationale opleiding bestaan. Indien de aanvrager deze informatie niet kan verstrekken, richt de Dienst zich tot het contactpunt, de bevoegde autoriteit of iedere andere relevante instelling van de lidstaat van oorsprong.
  § 3. De Dienst en de Raden van de Orde dragen er zorg voor dat de verstrekte informatie geheim blijft.

  Art. 15. In geval van gegronde twijfel, wanneer de opleidingstitel zoals omschreven in artikel 2 is afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lidstaat en een opleiding omvat die geheel of gedeeltelijk is gevolgd in een rechtmatig op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde instelling, mag de ontvangende lidstaat bij de bevoegde autoriteit in de lidstaat waar het diploma vandaan komt, nagaan :
  1° of de opleidingscyclus aan de instelling die de opleiding heeft verzorgd, officieel is gecertificeerd door de onderwijsinstelling die gevestigd is in de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is,
  2° of de opleidingstitel dezelfde is als de titel die zou zijn verleend indien de opleiding in zijn geheel was gevolgd in de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is, en
  3° of de opleidingstitel dezelfde beroepsrechten verleent op het grondgebied van de lidstaat vanwaar het diploma afkomstig is.

  Art. 16. In geval van gegronde twijfel, kan de Dienst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong bevestiging vragen van het feit dat de uitoefening van de diergeneeskunde door de aanvrager niet geschorst of verboden is omwille van een zware beroepsfout, of een veroordeling voor een misdrijf dat verband houdt met de uitoefening van een of andere van zijn beroepsactiviteiten.

  Art. 17. De uitwisseling van informatie krachtens de artikelen 14, 15 en 16 gebeurt via het IMI.

  HOOFDSTUK IV. - Vrije dienstverrichting

  Art. 18. Het vrij verrichten van diensten van dierenartsen kan niet om redenen van beroepskwalificatie beperkt zijn, indien de dienstverlener op wettige wijze is gevestigd in een lidstaat, hierna " lidstaat van vestiging" genoemd, om er het beroep van dierenarts uit te oefenen.

  Art. 19. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing wanneer de dienstverrichter zich naar het Belgisch grondgebied begeeft om er tijdelijk en incidenteel het beroep van dierenarts uit te oefenen.
  § 2. Het tijdelijke en incidentele karakter van de dienstverrichting wordt per geval beoordeeld, met name in het licht van de duur, frequentie, regelmaat en continuïteit van de verrichting.
  § 3. De Dienst kan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging in geval van gegronde twijfel verzoeken om alle informatie over de rechtmatigheid van de vestiging en het goede gedrag van de dienstverrichter, alsmede over het ontbreken van eventuele tuchtrechtelijke of strafrechtelijke maatregelen ter zake van de beroepsuitoefening. Indien de Dienst besluit de beroepskwalificaties van de dienstverrichter te controleren, kan zij bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging informatie aanvragen over de opleidingscursussen van de dienstverrichter, voor zover dit nodig is voor het beoordelen van wezenlijke verschillen die de volksgezondheid of de openbare veiligheid kunnen schaden.

  Art. 20. De veterinaire dienstverlener valt onder de professionele, wettelijke of administratieve beroepsregels die rechtstreeks verband houden met beroepskwalificaties, zoals de definitie van het beroep, het gebruik van titels en de ernstige wanprestatie bij de uitoefening van het beroep die rechtstreeks en specifiek verband houdt met de bescherming en de veiligheid van consumenten, alsook de tuchtrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn voor Belgische dierenartsen.

  Art. 21. De veterinaire dienstverlener die in een andere lidstaat gevestigd is, is vrijgesteld van de eisen die worden gesteld aan dierenartsen die in België gevestigd zijn met betrekking tot de inschrijving op de lijst van de dierenartsen van de Orde der Dierenartsen.
  Teneinde de toepassing van geldende tuchtrechtelijke bepalingen mogelijk te maken, is een automatische tijdelijke inschrijving in het speciaal register van de bevoegde gewestelijke raad van de Orde der dierenartsen, als bedoeld in artikel 4 van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen, verplicht voor zover dit de dienstverlening op geen enkele wijze vertraagt en voor de dienstverrichter geen extra kosten meebrengt.
  De Dienst stuurt aan de bevoegde gewestelijke raad van de Orde der dierenartsen een kopie van de in artikel 14, § 1, bedoelde verklaring, en in voorkomend geval van de verlenging ervan, vergezeld van een kopie de documenten bedoeld in artikel 14, § 2.
  Het bezorgen van deze verklaring staat gelijk aan een automatische tijdelijke inschrijving in het speciaal register van de bevoegde gewestelijke raad van de Orde der dierenartsen.

  Art. 22. § 1. Op het moment dat de veterinaire dienstverlener zich voor het eerst in België begeeft om er diensten te verrichten, informeert hij hiervan de Dienst vooraf door middel van een schriftelijke verklaring die betrekking heeft op de gegevens betreffende verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid, de duur van zijn verblijf of dienstverlening, de aard van de dienstverlening, de plaats van de dienstverlening, de beroepsorde waarbij de dienstverlener is aangesloten, evenals elke andere noodzakelijk geachte inlichting.
  Deze verklaring geldt voor een periode van een jaar indien de dienstverlener voornemens is om gedurende dat jaar tijdelijke of incidentele diensten te verrichten. De dienstverlener mag de verklaring met alle middelen aanleveren.
  § 2. Voor de eerste dienstverlening, of indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documenten gestaafde situatie, zal de verklaring vergezeld gaan van de volgende documenten :
  1° een bewijs van de nationaliteit van de dienstverlener;
  2° een attest bevestigend dat de dienstverlener ervan rechtmatig in een lidstaat gevestigd is om er de diergeneeskundige activiteiten uit te oefenen, en dat hem op het moment van afgifte van het attest geen beroepsuitoefeningverbod is opgelegd, ook al is het maar tijdelijk;
  3° bewijs van beroepskwalificaties;
  4° de informatie met betrekking tot de dekking van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering;
  5° als de dienstverlenende dierenarts de diergeneeskundige wil uitoefenen voor rekening van een rechtspersoon die gevestigd is een andere lidstaat van de Europese Unie, moet hij ook het bewijs leveren dat deze rechtspersoon rechtmatig gevestigd is in deze lidstaat om er de diergeneeskundige activiteiten uit te oefenen en dat deze, wanneer het attest wordt afgeleverd, geen definitief of tijdelijk beroepsuitoefeningsverbod is opgelegd. Als hij deze bewijzen niet kan leveren, zal de dienstverlenende dierenarts zijn prestaties enkel in eigen naam kunnen uitvoeren.
  § 3. De indiening van de vereiste verklaring door de dienstverrichter overeenkomstig paragraaf 1 geeft die dienstverrichter het recht op toegang tot de beoogde dienstenactiviteit of om die activiteit uit te oefenen op het gehele grondgebied van België.

  Art. 23. § 1. De dienst wordt verricht onder de beroepstitel " dierenarts " of " docteur en médecine vétérinaire ", vermeld in de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, eventueel met vermelding van de afkorting " Dr. ".
  § 2. Onverminderd de bepalingen met betrekking tot het voeren van de beroepstitel bedoeld in artikel 7 en in paragraaf 1 van dit artikel, hebben de betrokkenen dierenartsen het recht gebruik te maken van academische titels die hun verleend zijn in de lidstaat van oorsprong, en eventueel van de afkorting daarvan, in de taal van de lidstaat van herkomst. Deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of van de examencommissie die de titel heeft verleend. Wanneer een academische titel van de lidstaat van oorsprong in België kan worden verward met een titel waarvoor België een aanvullende opleiding is vereist die de begunstigde niet heeft gevolgd, dient de begunstigde zijn academische titel van de lidstaat van oorsprong te voeren in een aangepaste vorm voorgeschreven door de Dienst.

  Art. 24. De Dienst zorgt voor de uitwisseling van alle nodige informatie opdat een klacht van een afnemer van een dienst tegen een dienstverrichter correct kan worden afgehandeld. De afnemer wordt van het resultaat van de klacht in kennis gesteld.

  HOOFDSTUK V. - Gezamenlijke bepalingen met betrekking de uitoefening van de diergeneeskunde in het kader van de vrije vestiging en de vrije dienstverlening

  Art. 25. § 1. De Dienst en de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van oorsprong werken nauw samen en helpen elkaar. Zij verzekeren de vertrouwelijkheid van de informatie die ze uitwisselen.
  § 2. De Dienst en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wisselen informatie uit over genomen tuchtrechtelijke maatregelen of strafrechtelijke sancties en over alle andere specifieke ernstige feiten die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van de diergeneeskunde in het kader van dit besluit. Daarbij nemen zij de wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens in de richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG in acht. De uitwisseling van informatie gebeurt via het IMI.
  § 3. De lidstaat van oorsprong gaat de juistheid van deze feiten na en zijn autoriteiten bepalen de aard en de omvang van het in te stellen onderzoek, en stellen de Dienst in kennis van de consequenties die zij daaruit trekken ten aanzien van de verstrekte informatie.

  Art. 26. § 1. De Dienst brengt de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten op de hoogte van een dierenarts die van een nationale overheid of rechtbank een beperking of verbod, ook tijdelijk, gekregen heeft op het uitoefenen van de beroepsactiviteiten van dierenarts of een gedeelte daarvan.
  § 2. De Dienst zendt de in paragraaf 1 bedoelde informatie door middel van een waarschuwing via het IMI binnen drie dagen na het nemen van het besluit dat de betrokken beroepsbeoefenaar een verbod of beperking op het uitoefenen van de beroepsactiviteit of een gedeelte daarvan oplegt, toe. Deze informatie blijft beperkt tot het volgende :
  a) de identiteit van de dierenarts;
  b) informatie over de nationale autoriteit of rechtbank die het besluit tot beperking of verbod heeft genomen;
  c) de reikwijdte van de beperking of het verbod; en
  d) de periode gedurende welke de beperking of het verbod van kracht is.
  § 3. De Dienst stelt de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten binnen drie dagen nadat de rechtbank het besluit heeft genomen, door middel van een waarschuwing via het IMI in kennis van de identiteit van beroepsbeoefenaren die krachtens dit besluit een aanvraag tot erkenning van een kwalificatie hebben ingediend en die daarna in dit verband door een rechtbank schuldig zijn bevonden aan het gebruik van valse opleidingstitels.
  § 4. Aan de hand van de waarschuwing bedoeld in paragraaf 2, verstuurd via het IMI, worden de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten in kennis gesteld van zowel de einddatum als een eventuele wijziging daarvan van de beperking of het verbod op het uitoefenen van de diergeneeskunde. Van zodra de gegevens met betrekking tot de waarschuwingen die in het IMI worden verwerkt niet meer van kracht zijn, worden ze binnen de drie dagen na afloop van het verbod of de beperking gewist.
  § 5. Op hetzelfde ogenblik als de verzending van de waarschuwing naar de andere lidstaten, wordt de betrokken dierenarts zelf schriftelijk in kennis gesteld van het waarschuwingsbesluit. Hij kan tegen dit besluit overeenkomstig het Belgisch recht beroep aantekenen of een verzoek om rectificatie van het besluit indienen en heeft toegang heeft tot rechtsmiddelen met betrekking tot alle schade die door een onjuiste waarschuwing van andere lidstaten is toegebracht; in deze gevallen wordt het besluit over de waarschuwing aangevuld met de verwijzing dat de beroepsbeoefenaar er een procedure tegen heeft ingeleid.

  HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen

  Art. 27. De Minister kan de bijlage wijzigen om ze in overeenstemming te brengen met eventuele wijzigingen aan het onderdeel V.4 van bijlage V van richtlijn 2005/36/EG.

  Art. 28. Het koninklijk besluit van 2 juni 2008 betreffende de erkenning van <beroepskwalificaties> en het vrij verrichten van diensten van <dierenartsen>, wordt opgeheven.

  Art. 29. De minister bevoegd voor Volksgezondheid en de minister bevoegd voor Landbouw zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGE.

  Art. N.Hoofdstuk I. : Studieprogramma voor dierenartsen Het studieprogramma dat tot de opleidingstitels van dierenartsen leidt, omvat ten minste de hierna volgende vakken.
  Een of meer van deze vakken kunnen als onderdeel van of in samenhang met de overige worden gedoceerd.
  A. Basisvakken
  - Natuurkunde
  - Scheikunde
  - Dierkunde
  - Plantkunde
  - Op de biologische wetenschappen toegepaste wiskunde
  B. Specifieke vakken
  

  
a. Basiswetenschappen : b. Klinische wetenschappen : c. Veeteelt :
- anatomie (met inbegrip van histologie en embryologie) - verloskunde - veeteelt
- fysiologie - pathologie (met inbegrip van anatomische pathologie) - voedingsleer
- biochemie - parasitologie - landbouwhuishoudkunde
- genetica - klinische genees- en heelkunde (met inbegrip van de anesthesiologie) - landbouweconomie
- farmacologie - kliniek van huisdieren, pluimvee en andere diersoorten - fokkerij en diergezondheid
- farmacie - preventieve geneeskunde - dierhygiëne
- toxicologie - radiologie - ethologie en dierenbescherming
- microbiologie - voortplanting en stoornissen van de voortplanting  
- immunologie - gezondheidstoezicht d. Levensmiddelenhygiëne :
- epidemiologie - gerechtelijke diergeneeskunde en wetgeving inzake diergeneeskunde - inspectie en keuring van dierlijke levensmiddelen en van levensmiddelen van dierlijke oorsprong
- deontologie - therapie - levensmiddelenhygiëne en -technologie
 - propedeuse - praktisch werk (met inbegrip van het praktisch werk in slachthuizen en levensmiddelenverwerkende industrieën)

De praktische opleiding mag de vorm aannemen van een stage, mits het gaat om een voltijdse stage onder rechtstreeks toezicht van de bevoegde instantie, die binnen een totale opleiding van vijf jaar studie niet langer duurt dan zes maanden.
  De verdeling van het theoretische en praktische onderwijs tussen de verschillende groepen van vakken moet zodanig in evenwicht gebracht en gecoördineerd worden, dat de kennis en ervaring op de juiste wijze kunnen worden verworven om de dierenarts in staat te stellen zich van al zijn taken te kwijten.
  
  [1 Tabel. - Hoofdstuk II : Opleidingstitels van dierenartsen.
   ( Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 17-11-2017, p. 99247 )]1
  ----------
  (1)<MB 2017-11-06/02, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 27-11-2017>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 11 september 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid,
M. DE BLOCK
De Minister van Landbouw,
W. BORSUS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Grondwet, artikel 108;
   Gelet op de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der Dierenartsen, artikel 2, § 2;
   Gelet op de wet van 4 april 1980 betreffende de overdracht van bevoegdheden voor de uitvoering van de richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen, betreffende de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de diergeneeskunde, artikel 1;
   Gelet op de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, artikel 4, vierde lid, vervangen bij de wet van 27 december 2005, gewijzigd bij de wet van 19 maart 2014;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 juni 2008 betreffende de erkenning van <beroepskwalificaties> en het vrij verrichten van diensten van <dierenartsen>;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 21 oktober 2015;
   Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, d.d. 2 december 2015;
   Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op het advies van de Hoge Raad van de Orde der dierenartsen, gegeven op 1 oktober 2015;
   Gelet op advies 58.903/3 van de Raad van State, gegeven op 17 maart 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende richtlijn 2005/36/EG van het Europees parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties;
   Overwegende richtlijn 2013/55/EU van het Europees parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van de beroepskwalificaties en verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het informatiesysteem interne markt (" de IMI - verordening ");
   Op de voordracht van de Minister van Volksgezondheid en de Minister van Landbouw en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • MINISTERIEEL BESLUIT VAN 06-11-2017 GEPUBL. OP 17-11-2017
    (GEWIJZIGD ART. : N)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie