J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2016/09/11/2016204525/justel

Titel
11 SEPTEMBER 2016. - Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 36, 37, 38, 42, 42bis, 48, 118, 130, 133 en 153 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en tot invoeging van een artikel 139/1 in hetzelfde besluit, tot invoeging van een artikel 3/1 in het koninklijk besluit van 2 juni 2012 tot uitvoering van Hoofdstuk 6 van de wet van 12 april 2011 houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord en tot invoeging van een artikel 5/1in het koninklijk besluit van 9 januari 2014 betreffende de ontslagcompensatievergoeding, met het oog op besparingen en anti-misbruik bepalingen
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-09-2016 en tekstbijwerking tot 21-12-2018)

Bron : WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
Publicatie : 20-09-2016 nummer :   2016204525 bladzijde : 63550       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2016-09-11/03
Inwerkingtreding : 01-10-2016

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-14, 14bis, 15

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. In artikel 36, § 1, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 september 2015, wordt de inleidende zin vervangen door de volgende bepaling:
  " § 1. Om toegelaten te worden tot het recht op inschakelingsuitkeringen als volledig werkloze binnen de perken van artikel 63 moet de jonge werknemer aan de volgende voorwaarden voldoen: ".

  Art. 2. Artikel 37, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2007, wordt vervangen door de volgende bepaling:
  " § 2. De in het buitenland verrichte arbeid komt slechts in aanmerking binnen de grenzen van bilaterale en internationale verdragen en voor zover de werknemer, na de in het buitenland verrichte arbeid, tijdvakken van arbeid als loontrekkende heeft vervuld krachtens de Belgische regeling gedurende ten minste drie maanden.".

  Art. 3. Artikel 38, § 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2007, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 2. De dagen waarop de werknemer niet in staat is geweest zijn arbeid in het buitenland te verrichten ten gevolge van een situatie bedoeld in § 1, komen slechts in aanmerking binnen de grenzen van bilaterale en internationale verdragen en voor zover de werknemer, na de in het buitenland verrichte arbeid, tijdvakken van arbeid als loontrekkende heeft vervuld krachtens de Belgische regeling gedurende ten minste drie maanden.".

  Art. 4. Artikel 42, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 februari 2003 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 2004, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 42. § 1. De werknemer die opnieuw werkloosheidsuitkeringen aanvraagt als volledig werkloze is vrijgesteld van een nieuwe wachttijd en kan opnieuw toegelaten worden tot het stelsel volgens hetwelk hij laatst werd vergoed, indien hij in de loop van de drie jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag:
  1° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als volledig werkloze;
  2° ofwel als deeltijdse werknemer een inkomensgarantie-uitkering heeft genoten die berekend werd in functie van een referte-uitkering die een <werkloosheidsuitkering> is;
  3° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als tijdelijk werkloze nadat vastgesteld werd dat hij de wachttijdvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 tot 33 heeft vervuld.
  De werknemer die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt als tijdelijk werkloze aangezien zijn arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de artikelen 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, is vrijgesteld van een nieuwe wachttijd indien hij in de loop van de drie jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag:
  1° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als volledig werkloze;
  2° ofwel inschakelingsuitkeringen heeft genoten;
  3° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten in toepassing van artikel 42bis, derde lid;
  4° ofwel werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als tijdelijk werkloze waarbij vastgesteld werd dat hij de wachttijdvoorwaarden voorzien in de artikelen 30 tot 33 heeft vervuld.
  De werknemer die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt als tijdelijk werkloze bedoeld in het tweede lid is vrijgesteld van wachttijd indien hij in de loop van de drie jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag werkloosheidsuitkeringen heeft genoten als tijdelijk werkloze bij dezelfde werkgever, op voorwaarde dat hij overeenkomstig de uitkeringskaart bedoeld in artikel 146 op 30 september 2016 als tijdelijk werkloze bij deze werkgever gerechtigd kon zijn op uitkeringen.
  De jonge werknemer die opnieuw inschakelingsuitkeringen aanvraagt, is vrijgesteld van een nieuwe wachttijd en kan opnieuw toegelaten worden tot het stelsel van de inschakelingsuitkeringen, indien hij in de loop van de drie jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan voor ten minste één dag inschakelingsuitkeringen heeft genoten.
  Wachtuitkeringen toegekend in toepassing van onderhavig besluit, zoals van kracht vóór 1 januari 2012, worden voor de toepassing van deze paragraaf gelijkgesteld met inschakelingsuitkeringen. De jeugdvakantie-uitkeringen en de seniorvakantie-uitkeringen bedoeld in artikel 36bis, de werkloosheidsuitkeringen bedoeld in artikel 42bis, vierde lid en de wachtuitkeringen toegekend in toepassing van artikel 52 van de programmawet van 8 april 2003 worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van deze paragraaf.".

  Art. 5. Artikel 42bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 28 februari 2003 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 juli 2014, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  " Art. 42bis. In afwijking van de artikelen 30 tot 32 wordt de voltijdse werknemer die tijdelijk werkloze is aangezien zijn arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de artikelen 26, 28, 1°, 49 of 50 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of van artikel 5 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden of ingevolge staking of lock-out, toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen zonder dat hij wachttijdvoorwaarden moet vervullen.
  In afwijking van artikel 33 wordt de vrijwillig deeltijdse werknemer die tijdelijk werkloze is aangezien zijn arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de in het eerste lid vermelde artikelen, toegelaten tot het recht op werkloosheidsuitkeringen zonder dat hij wachttijdvoorwaarden moet vervullen.
  De in de vorige leden voorziene bepaling op grond waarvan de werknemer geen wachttijdvoorwaarden moet vervullen, geldt eveneens voor de werknemer die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt als tijdelijk werkloze aangezien zijn arbeidsprestaties tijdelijk verminderd of geschorst zijn in toepassing van de artikelen 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, voor zover hij toelaatbaar is tot het recht op inschakelingsuitkeringen in toepassing van artikel 36.
  Moet evenmin wachttijdvoorwaarden vervullen de leerling bedoeld in artikel 27, 2°, c, die tijdelijk werkloos wordt gesteld en alternerend onderwijs of onderwijs met beperkt leerplan of een erkende deeltijdse opleiding of een alternerende opleiding volgt zonder nog onderworpen te zijn aan de leerplicht.".

  Art. 6. In artikel 48 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1°) in de inleidende zin van § 1, wordt de verwijzing " artikel 74bis " vervangen door de verwijzing " artikel 48bis ";
  2°) er wordt een § 1bis ingevoegd luidende als volgt:
  " § 1bis. Onverminderd de mogelijkheid om toepassing te vragen van de regeling voorzien in § 1, kan de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, eerste lid, 1°, niet bedoeld in artikel 48bis, mits toepassing van artikel 130, het recht op uitkeringen behouden gedurende een periode van twaalf maanden te rekenen van datum tot datum, vanaf de aanvang van de activiteit of vanaf het tijdstip waarop hij zich op het voordeel van deze bepaling beroept, op voorwaarde dat:
  1° indien het een volledig werkloze betreft, de werkloosheid niet haar oorsprong vindt in de stopzetting of de vermindering van de arbeid als loontrekkende met het oog op het verkrijgen van dit voordeel;
  2° het voordeel niet gevraagd wordt voor een zelfstandige activiteit die in de voorbije 6 jaar, gerekend van datum tot datum, reeds als hoofdberoep werd uitgeoefend;
  3° de werkloze de activiteiten die het voorwerp uitmaken van zijn bijberoep niet laat uitoefenen door derden, inzonderheid in het kader van een arbeidsovereenkomst of een aannemingsovereenkomst, behalve indien dit slechts uitzonderlijk gebeurt;
  4° de werkloze van de uitoefening van de bijkomstige activiteit aangifte doet en het voordeel van deze bepaling vraagt. De aangifte moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen of moet toekomen binnen de termijn bepaald krachtens artikel 138, eerste lid, 4°, indien de werkloze de aangifte indient ter gelegenheid van een uitkeringsaanvraag.
  In afwijking van artikel 71, eerste lid, 4°, moet de werkloze bedoeld in het eerste lid de uitoefening van de toegestane activiteiten niet vermelden op zijn controlekaart, en in afwijking van artikel 71bis, § 2, eerste lid, is hij vrijgesteld van de aldaar vermelde mededeling van de uitoefening van de toegestane activiteiten.
  In afwijking van de artikelen 44, 55, 7° en 109, leidt de uitoefening van de toegestane activiteiten niet tot het verlies van de uitkering of tot de vermindering van het aantal uitkeringen.
  Het voordeel van deze paragraaf kan slechts opnieuw worden verleend indien de werkloze gedurende de voorbije 6 jaar, gerekend van datum tot datum, niet genoten heeft van dit voordeel.";
  3°) § 3, derde lid, wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "Deze paragraaf is van toepassing zelfs indien de activiteit wordt uitgeoefend buiten de voorwaarden van de §§ 1 en 1bis.".

  Art. 7. Artikel 118, § 3, tweede lid, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 24 september 2006 wordt aangevuld met de volgende zinsnede:
  ", behalve indien dit bedrag reeds in toepassing van de voormelde bepaling werd herzien sinds de recentste datum van 1 oktober voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag voor een periode van tijdelijke werkloosheid bij dezelfde werkgever;".

  Art. 8. In artikel 130 van, hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 november 2000 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 januari 2002 en 7 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) in § 1, 1°, wordt de verwijzing " artikel 48, § 1 " vervangen door de verwijzing " artikel 48 ";
  2°) § 1, 5° wordt opgeheven;
  3°) in § 2, eerste lid, worden de woorden " in de gevallen bedoeld in § 1, 2° en 5° " vervangen door de woorden "in het geval bedoeld in § 1, 2° ".

  Art. 9. In artikel 133 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) in § 1, 4°, a), worden de woorden "gelegen na 30 september 2005" geschrapt;
  2°) in § 1, 4°, wordt een littera e) ingevoegd, luidend als volgt:
  " e) bij de eerste dag tijdelijke werkloosheid bedoeld in de artikelen 51 of 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten waarvoor hij uitkeringen wenst te bekomen in de situaties bedoeld in a) tot c), indien er geen uitkeringskaart bestaat die vaststelt dat de wachttijdvoorwaarden voor de tijdelijk werklozen bedoeld in de artikelen 30 tot 42 zijn vervuld. ".

  Art. 10. In hetzelfde besluit wordt een artikel 139/1 ingevoegd, luidend als volgt :
  "Art. 139/1. Dit artikel is toepasselijk indien het nazicht bedoeld in artikel 139 leidt tot de vaststelling van:
  1° een ongewone verhoging van het loon van de werknemer in de loop van het kwartaal waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaats vindt, of in de loop van het kwartaal dat daaraan voorafgaat, of van de kwartalen die daarop volgen;
  2° een ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren van de deeltijdse werknemer in de loop van het kwartaal waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaats vindt, of in de loop van het kwartaal dat daaraan voorafgaat, of van de kwartalen die daarop volgen.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, wordt als ongewone verhoging van het loon aangemerkt, de verhoging die niet het gevolg is van de koppeling van de lonen aan de index, van de toepassing van baremale loonsverhogingen of van de effectieve uitoefening van een nieuwe functie, die werd aangevat minder dan 3 maanden voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt als ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren aangemerkt:
  1° de verhoging die betrekking heeft op uren tijdens dewelke geen werkelijke arbeidsprestaties werden verricht;
  2° de verhoging die betrekking heeft op de opzeggingsperiode of op de berekening van de opzeggingsvergoeding.
  In geval van ongewone verhoging van het loon en/of van het aantal arbeidsuren van de werknemer wordt met toepassing van artikel 149, § 1, eerste lid, 4°, het recht op <werkloosheidsuitkering> en het bedrag van de <werkloosheidsuitkering> opnieuw vastgesteld, abstractie makend van de ongewone loonsverhoging en de ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren.".

  Art. 11. In artikel 153 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 juni 2000 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°) de inleidende zin in het eerste lid wordt in de nederlandse tekst vervangen door de volgende bepaling:
  "De werkloze kan van de uitkeringen uitgesloten worden gedurende ten minste 4 weken en ten hoogste 13 weken indien hij onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen doordat hij: "
  2°) tussen het eerste en het tweede lid wordt het volgende lid ingevoegd:
  "De werkloze kan van de uitkeringen uitgesloten worden gedurende ten minste 4 weken en ten hoogste 13 weken indien bij de toepassing van artikel 139/1 blijkt dat hij gehandeld heeft met het oogmerk onverschuldigde uitkeringen te ontvangen.".

  Art. 12. In het koninklijk besluit van 2 juni 2012 tot uitvoering van Hoofdstuk 6 van de wet van 12 april 2011 houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord, wordt een artikel 3/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 3/1. Dit artikel is toepasselijk indien het nazicht bedoeld in artikel 139 van het werkloosheidsbesluit leidt tot de vaststelling van :
  1° de ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren van de deeltijdse werknemer in de loop van het kwartaal waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaats vindt, of in de loop van het kwartaal dat daaraan voorafgaat, of van de kwartalen die daarop volgen;
  2° de stopzetting van het halftijds brugpensioen in toepassing van het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen in de loop van het kwartaal waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaats vindt, of in de loop van het kwartaal dat daaraan voorafgaat, of van de kwartalen die daarop volgen;
  3° de voortijdige stopzetting van een landingsbaan zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking in de loop van het kwartaal waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaats vindt, of in de loop van het kwartaal dat daaraan voorafgaat, of van de kwartalen die daarop volgen.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, wordt als ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren aangemerkt:
  1° de verhoging die betrekking heeft op uren tijdens dewelke geen werkelijke arbeidsprestaties werden verricht;
  2° de verhoging die betrekking heeft op de opzeggingsperiode of op de berekening van de opzeggingsvergoeding.
  In geval van ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren van de werknemer, van stopzetting van het halftijds brugpensioen of voortijdige stopzetting van een landingsbaan, wordt overeenkomstig artikel 4, derde lid, met toepassing van artikel 149, § 1, eerste lid, 4° van het werkloosheidsbesluit, het bedrag van de ontslaguitkering opnieuw vastgesteld, waarbij de wekelijkse arbeidsduur wordt vastgesteld, zonder rekening te houden met de ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren, de stopzetting bedoeld in het eerste lid, 2° of de voortijdige stopzetting bedoeld in het eerste lid, 3°.".

  Art. 13. In het koninklijk besluit van 9 januari 2014 betreffende de ontslagcompensatievergoeding, wordt een artikel 5/1 ingevoegd, luidend als volgt:
  "Art. 5/1. Dit artikel is toepasselijk indien het nazicht bedoeld in artikel 139 van het werkloosheidsbesluit leidt tot de vaststelling van:
  1° de ongewone verhoging van het loon van de werknemer in de loop van het kwartaal waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaats vindt, of in de loop van het kwartaal dat daaraan voorafgaat, of van de kwartalen die daarop volgen;
  2° de ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren van de deeltijdse werknemer in de loop van het kwartaal waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaats vindt, of in de loop van het kwartaal dat daaraan voorafgaat, of van de kwartalen die daarop volgen;
  3° de stopzetting van het halftijds brugpensioen in toepassing van het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen in de loop van het kwartaal waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaats vindt, of in de loop van het kwartaal dat daaraan voorafgaat, of van de kwartalen die volgen op de betekening van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
  4° de voortijdige stopzetting van een landingsbaan zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking in de loop van het kwartaal waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaats vindt, of in de loop van het kwartaal dat daaraan voorafgaat, of van de kwartalen die volgen op de betekening van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, wordt als ongewone verhoging van het loon aangemerkt :
  1° de verhoging die niet het gevolg is van de koppeling van de lonen aan de index, van de toepassing van baremale loonsverhogingen of van de effectieve uitoefening van een nieuwe functie gedurende ten minste drie maanden;
  2° de verhoging die het gevolg is van de effectieve uitoefening van een nieuwe functie die werd aangevangen minder dan 3 maanden voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, behalve indien wordt aangetoond dat de nieuwe functie niet tot doel kan gehad hebben om hogere sociale voordelen te bekomen.
  Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, wordt als ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren aangemerkt:
  1° de verhoging die betrekking heeft op uren tijdens dewelke geen werkelijke arbeidsprestaties werden verricht;
  2° de verhoging die betrekking heeft op de opzeggingsperiode of op de berekening van de opzeggingsvergoeding.
  In geval van ongewone verhoging van het loon en/of van het aantal arbeidsuren van de werknemer, van stopzetting van het halftijds brugpensioen of voortijdige stopzetting van een landingsbaan worden overeenkomstig artikel 6, derde lid, met toepassing van artikel 149, § 1, eerste lid, 4° van het werkloosheidsbesluit, het bedrag van de ontslagcompensatievergoeding en de periode gedekt door de ontslagcompensatievergoeding opnieuw vastgesteld, waarbij de factor Q en het gemiddeld uurloon worden vastgesteld zonder rekening te houden met de ongewone loonsverhoging, de ongewone verhoging van het aantal arbeidsuren, de stopzetting bedoeld in het eerste lid, 3° of de voortijdige stopzetting bedoeld in het eerste lid, 4°.".

  Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 1 okober 2016.

  Art. 14bis.
  <Opgeheven bij KB 2018-12-12/04, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 15. De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 11 september 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
K. PEETERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, artikel 7, § 1, derde lid, i, vervangen bij de wet van 14 februari 1961, § 1, derde lid, zf en § 1sexies, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en § 1septies en § 1octies, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014;
   Gelet op de wet van 12 april 2011 houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord, artikel 43, § 1, derde lid;
   Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
   Gelet op het koninklijk besluit van 2 juni 2012 tot uitvoering van Hoofdstuk 6 van de wet van 12 april 2011 houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regering met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord;
   Gelet op het koninklijk besluit van 9 januari 2014 betreffende de ontslagcompensatievergoeding;
   Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, gegeven op 16 juni 2016;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 20 juni 2016;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 12 juli 2016;
   Gelet op advies 59.807/1/V van de Raad van State, gegeven op 10 augustus 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Werk,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 12-12-2018 GEPUBL. OP 21-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 14bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 27-01-2017 GEPUBL. OP 01-02-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 14bis)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie