J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2016/02/16/2016024047/justel

Titel
16 FEBRUARI 2016. - Koninklijk besluit betreffende de <identificatie> en de encodering van de paardachtigen in een centrale gegevensbank

Bron :
VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU
Publicatie : 04-03-2016 nummer :   2016024047 bladzijde : 15928   BEELD
Dossiernummer : 2016-02-16/11
Inwerkingtreding : 14-03-2016

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Definities - toepassingsgebied - algemene principes
Art. 1-2
HOOFDSTUK II. - <Identificatie> van paardachtigen geboren in België
Afdeling 1. - Instanties van afgifte
Art. 3-5
Afdeling 2. - Afwijking van de verplichting om het grafisch signalement in te vullen
Art. 6
Afdeling 3. - Procedure en identificatietermijnen in België
Art. 7-17
Hoofdstuk III. - <Identificatie> van ingevoerde paardachtigen
Art. 18-19
Hoofdstuk IV. - Controles voor de afgifte van de documenten en methodes voor het verifiëren van de <identificatie>
Afdeling 1. - Electronische verificatiemethode van de identiteit
Art. 20-21
Afdeling 2. - De identificeerder
Art. 22-26
Afdeling 3. - Hermerking
Art. 27-29
Afdeling 4. - Alternatieve methodes
Art. 30
Hoofdstuk V. - Verplaatsing en vervoer van paardachtigen
Art. 31-34
Hoofdstuk VI. - Beheer - duplicaten- vervanging schorsing van het identificatiedocument
Afdeling 1. - Beheer van de identificatiegegevens
Art. 35-40
Afdeling 2. - Duplicaten
Art. 41
Afdeling 3. - Vervangingsdocument
Art. 42
Hoofdstuk VII. - Dood - slacht - registratie van de geneesmiddelen
Art. 43-47
Hoofdstuk VIII. - Registratie van de gegevens
Afdeling 1. - Gegevensbank
Art. 48-53
Afdeling 2. - Financiering
Art. 54
Hoofdstuk IX. - Sancties
Art. 55-58
Hoofdstuk X. - Slotbepalingen
Art. 59-62
BIJLAGEN.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Definities - toepassingsgebied - algemene principes

  Artikel 1. Ter aanvulling van de bepalingen van uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de <identificatie> van paardachtigen (verordening paardenpaspoort), regelt dit besluit de <identificatie> van paarden.
  Dit besluit geldt onverminderd de regelingen vastgesteld door de gewesten in de aangelegenheden waarvoor deze bevoegd zijn, onder meer met zoötechnische en genealogische oogmerken.

  Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° Minister : de minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft;
  2° FOD : Directoraat-generaal Dier, Plant en Voeding van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
  3° Agentschap : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
  4° Beheerder : organisme belast met het beheer van de centrale gegevensbank, erkend in overeenstemming met de bepalingen van artikelen 49 en 50;
  5° Fokverenigingen : de verenigingen of fokorganisaties die over een erkenning beschikken zoals bepaald in de beschikking 92/353/EEG van de Commissie van 11 juni 1992 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van organisaties en verenigingen die stamboeken voor geregistreerde paardachtigen bijhouden of aanleggen;
  6° Paspoort : het identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 7 van de verordening 2015/262;
  7° Verordening 2015/262 : uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de <identificatie> van paardachtigen;
  8° Officiële dierenarts : de dierenarts van het Agentschap of de dierenarts zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 11 november 2013 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen taken door zelfstandige dierenartsen kan laten verrichten;
  9° Stamboekafgevaardigde : persoon die door een fokvereniging is gemandateerd voor het uitvoeren van de bij dit besluit geregelde <identificatie> taken.

  HOOFDSTUK II. - <Identificatie> van paardachtigen geboren in België

  Afdeling 1. - Instanties van afgifte

  Art. 3. § 1. De FOD wijst de instanties van afgifte aan, bedoeld in artikel 5, lid 1, onder c), van de verordening 2015/262 om de paspoorten af te leveren voor als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen.
  § 2. Wanneer de houder een paspoort voorlegt aan een instantie van afgifte, dan gaat deze steeds na of het paspoort geen tekens van fraude vertoont en dat het paard wel degelijk geregistreerd is in de Belgische centrale gegevensbank of in de gegevensbank van een andere lidstaat.

  Art. 4. De Belgische instanties van afgifte die gemachtigd zijn om paspoorten af te geven, zijn :
  1° de fokverenigingen die erkend zijn voor het bijhouden van het stamboek van het ras van een paardachtige, voor de geregistreerde paardachtigen;
  2° de beheerder van de centrale gegevensbank voor alle paardachtigen andere dan deze bedoeld onder 1°.

  Art. 5. Wanneer een instantie van afgifte niet voldoet aan de regels bepaald in de verordening 2015/262 of in onderhavig besluit, trekt de FOD conform artikel 5, lid 3, en 4, van de verordening 2015/262 haar machtiging om paspoorten af te geven in en duidt na raadpleging van de regionale bevoegde overheid de instantie van afgifte aan die belast wordt met de overname van het beheer van de paspoorten bezorgd in toepassing van artikel 34 van de verordening 2015/262.

  Afdeling 2. - Afwijking van de verplichting om het grafisch signalement in te vullen

  Art. 6. § 1. In toepassing van artikel 10, lid 1, van de verordening 2015/262, kan de FOD de instanties van afgifte de toestemming geven de informatie onder punten 12 tot en met 18 van het diagram in deel B van sectie I van het paspoort niet in te vullen.
  § 2. Indien er gebruik wordt gemaakt van de in paragraaf 1 vermelde afwijking, wordt het grafisch signalement vervangen door foto-opnames, mits de volgende voorwaarden worden gerespecteerd :
  1° de foto's laten toe de paardachtige zonder enige dubbelzinnigheid te herkennen;
  2° er dienen minstens drie foto's van de paardachtige te worden genomen : een rechter zijaanzicht, een linker zijaanzicht, en een vooraanzicht van het hoofd.

  Afdeling 3. - Procedure en identificatietermijnen in België

  Art. 7. De houder van de paardachtige dient de identificatieaanvraag in bij een Belgische instantie van afgifte, hetzij op papier hetzij via een informaticatoepassing, binnen de zes maanden na de geboorte van de paardachtige.
  Van zodra de instantie van afgifte de identificatieaanvraag heeft ontvangen, registreert zij de beschikbare identificatiegegevens in de centrale gegevensbank.

  Art. 8. De paardachtigen, geboren op het Belgisch grondgebied worden geïdentificeerd, voorzien van hun paspoort en geëncodeerd in de Belgische databank vóór de leeftijd van twaalf maanden en zeker voor ze definitief hun geboorteplaats verlaten, behalve indien het gaat om niet gespeende veulens die hun moeder of voedstermoeder vergezellen of om veulens bestemd voor de slacht, zoals bedoeld in artikel 34.

  Art. 9. Een paardachtige die voor het eerst wordt geïdentificeerd na de leeftijd van twaalf maanden, ontvangt :
  1° ofwel een identificatiedocument "duplicaat" indien het voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 29, lid 1, onder b), van de verordening 2015/262;
  2° ofwel een vervangend identificatiedocument conform artikel 32, lid 1, onder b), van de verordening 2015/262.

  Art. 10. § 1. In toepassing van artikel 12, lid 3, van de verordening 2015/262, mag een nieuw paspoort worden afgegeven door een instantie van afgifte indien :
  1° deze bij het registreren van een gegeven uit secties I, II of V van het paspoort een fout heeft begaan op voorwaarde dat het exacte gegeven vermeld is op het identificatieattest betreffende de betrokken paardachtige of;
  2° de identificeerder of de houder een fout heeft begaan bij het invullen van de identificatiegegevens in sectie I, deel A of in sectie V van het paspoort;
  en in elk geval indien de vergissing binnen de dertig dagen na de afgifte van het eerste paspoort vastgesteld werd. Na die dertig dagen, moet elke aanvraag tot heruitgave van een paspoort goedgekeurd worden door de provinciale controle-eenheid van het Agentschap.
  § 2. Indien bij de aanvraag tot herdruk van een nieuw paspoort, het oorspronkelijk afgeleverd paspoort niet beschikbaar is, verwittigt de instantie van afgifte onmiddellijk het Agentschap.

  Art. 11. § 1. In afwijking van artikel 8 van onderhavig besluit en conform artikel 13 van de verordening 2015/262, mogen paardachtigen die in vrijheid of semi-vrijheid leven in officieel erkende natuurreservaten of dierentuinen geïdentificeerd worden overeenkomstig artikel 13 van de verordening 2015/262 wanneer zij verplaatst worden uit deze reservaten of gedomesticeerd worden.
  Daartoe deelt de verantwoordelijke van de plaats waarop de aanvraag tot afwijking betrekking heeft aan de FOD mede :
  1° de naam en het adres van de plaats;
  2° het erkenningsnummer van de plaats;
  3° de telefoon- en de faxnummers van de plaats;
  4° de coördinaten van de contactpersoon;
  5° de lijst van de betrokken soorten;
  6° de leeftijd van het dier.
  § 2. Enkel de paardachtigen geboren na 31 december 2014 in een erkende plaats zoals bedoeld in paragraaf 1 komen in aanmerking voor een nieuwe aanvraag van uitzondering.

  Art. 12. De paardachtigen betrokken bij de in artikel 11 voorziene afwijking moeten voor de leeftijd van twaalf maanden voorzien zijn van een transponder waarvan de code wordt geregistreerd in de centrale gegevensbank op het moment van de inplanting.

  Art. 13. De identificatieprocedure van een paardachtige, aanwezig op het Belgische grondgebied bij een Belgische instantie van afgifte verloopt als volgt :
  1° het indienen van de identificatieaanvraag zoals bedoeld in artikel 7 bij de instantie van afgifte die bevoegd is voor de categorie van de paardachtige;
  2° het versturen op papier of via elektronische weg van het identificatieattest door de beheerder naar de houder of naar de instantie van afgifte, na betaling van het forfaitaire bedrag zoals bedoeld in artikel 54;
  3° het invullen van het identificatieattest, met inbegrip van het beschrijvend signalement en het grafisch signalement en/of de foto-opnames, conform de bepalingen van artikel 6 § 2, door de identificeerder of de stamboekafgevaardigde;
  4° het terugzenden van het volledig ingevulde identificatieattest of de online codering van de gegevens door de identificeerder of de stamboekafgevaardigde binnen de tien werkdagen volgend op het invullen van het identificatieattest;
  5° de definitieve encodering door de instantie van afgifte in de centrale gegevensbank van de gegevens met betrekking tot de paardachtige en de houder;
  6° de aflevering van het paspoort.

  Art. 14. Het in artikel 13, 2°, bedoelde identificatieattest bevat minstens de gegevens die vermeld staan in de bijlage 2.

  Art. 15. Teneinde te voldoen aan de bepalingen van artikel 20, lid 1, onder b), van de verordening 2015/262, duidt de identificeerder of de stamboekafgevaardigde de inplantingsplaats van de transponder aan op het grafisch signalement van het identificatieattest door het aanbrengen van een zwarte letter " c ".

  Art. 16. Voor alle paardachtigen afkomstig uit een ander land, vervolledigt de identificeerder in het paspoort het beschrijvend en het grafisch signalement indien deze niet aanwezig zijn.

  Art. 17. Het paspoort is geen eigendomsbewijs.

  Hoofdstuk III. - <Identificatie> van ingevoerde paardachtigen

  Art. 18. § 1. Elke paardachtige die ingevoerd wordt uit een derde land op het Belgische grondgebied en die niet vergezeld is van :
  1° een slachtcertificaat zoals bedoeld in artikel 14 van het koninklijk besluit van 1 december 2013 betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen, de invoer van paardachtigen uit derde landen en de doorvoer, of;
  2° een certificaat voor tijdelijke toelating zoals bedoeld in bijllage II van de beschikking 92/260/EEG inzake veterinairrechtelijke voorschriften en veterinaire certificering voor tijdelijke toelating van geregistreerde paarden, wordt geïdentificeerd conform de bepalingen van artikel 15 van de verordening 2015/262 en van onderhavig besluit en zeker voor het verlaten van het Belgische grondgebied.
  § 2. Teneinde te voldoen aan de bepalingen van artikel 15 van de verordening 2015/262 en de bepalingen van paragraaf 1, dient de houder van de paardachtige binnen de dertig dagen na aankomst van de paardachtige op het Belgische grondgebied of na de omzetting in een definitieve toelating :
  1° ofwel een identificatieaanvraag in bij een fokvereniging bevoegd voor de categorie van de paardachtige, wanneer deze niet in het bezit is van een identificatiedocument dat in overeenstemming kan worden gebracht met de bepalingen van artikel 7, lid 2, van de verordening 2015/262;
  2° ofwel een registratieaanvraag in bij de instantie van afgifte, wanneer het een geregistreerde paardachtige betreft waarvan het identificatiedocument in overeenstemming kan worden gebracht met de bepalingen van artikel 7, lid 2, van de verordening 2015/262;
  3° ofwel een registratieaanvraag in bij de beheerder, wanneer het identificatiedocument van de ingevoerde paardachtige in overeenstemming is of in overeenstemming kan worden gebracht met de bepalingen van artikel 7, lid 2, van de verordening 2015/262.

  Art. 19. De houder houdt ten behoeve van de beheerder of de bevoegde overheden een kopie ter beschikking van het gezondheidscertificaat zoals voorzien in het koninklijk besluit van 1 december 2013 betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen, de invoer van paardachtigen uit derde landen en de doorvoer.

  Hoofdstuk IV. - Controles voor de afgifte van de documenten en methodes voor het verifiëren van de <identificatie>

  Afdeling 1. - Electronische verificatiemethode van de identiteit

  Art. 20. § 1. Elk paard, geboren op het Belgisch grondgebied, wordt uiterlijk op het ogenblik van het invullen van het identificatieattest zoals voorzien in artikel 13, 3°, voorzien van een steriele transponder.
  § 2. Alle paardachtigen, die geregistreerd moeten zijn in de centrale gegevensbank moeten voorafgaandelijk voorzien zijn van een transponder.

  Art. 21. § 1. In toepassing van de bepalingen van artikel 18, lid 3, van de verordening 2015/262, wordt de steriele transponder ingeplant door een dierenarts, erkend in de zin van artikel 4 van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde .
  § 2. Voor hij de transponder inplant, schikt de erkende dierenarts zich naar de bepalingen van artikel 17, lid 1, van de verordening 2015/262 met het oog op het opsporen van mogelijke tekens van een eventuele eerdere <identificatie>.

  Afdeling 2. - De identificeerder

  Art. 22. § 1. De identificeerder is een dierenarts, erkend in de zin van artikel 4 van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, opgenomen in de officiële lijst beheerd door de FOD en die op vraag van de houder er mee is belast het identificatieattest van een paard te vervolledigen en het ingevuld terug te sturen.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 mag een fokvereniging een stamboekafgevaardigde opdragen voor haar rekening het identificatieattest te vervolledigen.
  De fokvereniging is verantwoordelijk voor de vertegenwoordiger die zij mandateert en verzekert er zich van dat deze over de vereiste technische competenties beschikt om de taken uit te voeren die hem door dit besluit worden toevertrouwd.

  Art. 23. § 1. Om als identificeerder erkend te worden, moet de erkende dierenarts een opleiding gevolgd hebben voor de <identificatie> van paardachtigen.
  § 2. De opleiding strekt ertoe :
  1° enerzijds, de erkende dierenartsen, of toekomstige erkende dierenartsen, de mogelijkheid te bieden hun technische kennis op het vlak van de <identificatie> van paardachtigen te verwerven of bij te werken of;
  2° anderzijds, de erkende dierenartsen, of toekomstige erkende dierenartsen, te informeren over de administratieve modaliteiten van de samenwerking met de beheerder.
  § 3. De opleidingen worden georganiseerd door de diergeneeskundige faculteiten van de universiteiten van Gent en Luik in samenwerking met de beheerder van de gegevensbank en erkende dierenartsen.
  § 4. Na afloop van de opleiding bezorgen de organisatoren een bewijs van deelname aan de deelnemers.

  Art. 24. De erkende dierenarts stuurt zijn aanvraag om opgenomen te worden op de lijst van de identificeerders zoals bedoeld in artikel 22, met behulp van het in bijlage 1 opgenomen formulier naar de Dienst Sanitair Beleid Dieren en Planten van de FOD.
  Bij zijn aanvraag voegt hij een kopie van het bewijs van deelname aan de opleiding zoals bedoeld in artikel 23, § 4.

  Art. 25. Indien de identificeerder, op welke wijze dan ook, de uitvoering van de bepalingen betreffende de <identificatie> van paardachtigen verwaarloost, verhindert of ondoeltreffend maakt, brengen de beheerder, de instantie van afgifte of het Agentschap, de Dienst Sanitair Beleid Dieren en Planten van de FOD hiervan onverwijld op de hoogte.

  Art. 26. § 1. Bij de FOD wordt een evaluatiecommissie voor de identificeerders opgericht. Deze commissie is belast met :
  1° het onderzoeken van de dossiers overgemaakt aan de FOD overeenkomstig artikel 25;
  2° het voorstellen van het al of niet schrappen van de identificeerder van de lijst bedoeld in artikel 22 en het vastleggen van de eventuele herintroductievoorwaarden op deze lijst;
  3° het instaan voor het secretariaat en het archiveren van deze dossiers.
  § 2. Deze commissie bestaat in functie van de taalrol van de betrokken identificeerder uit :
  1° een jurist van de FOD en een dierenarts van de dienst Sanitair Beleid Dieren en Planten van de FOD;
  2° een dierenarts van het Agentschap;
  3° een Nederlandstalige of Franstalige vertegenwoordiger van de dierenartsen.
  § 3. Op basis van het advies van de evaluatiecommissie en indien de feiten zulks rechtvaardigen, schrapt de Dienst sanitair beleid Dieren en Planten van de FOD de betrokken dierenarts van de lijst van identificeerders, na er hem voorafgaandelijk per aangetekend schrijven van op de hoogte te hebben gebracht.

  Afdeling 3. - Hermerking

  Art. 27. Elke paardachtige, verondersteld geïdentificeerd te zijn met een transponder, moet opnieuw gemerkt worden met een transponder, ingeplant door een identificeerder, indien de elektronische code niet meer leesbaar is.

  Art. 28. § 1. De status van de paardachtige als behouden in de voedselketen blijft gehandhaafd in geval van hermerking op voorwaarde dat :
  1° de huidige houder en het statuut als behouden in de voedselketen geregistreerd werden in de centrale gegevensbank en dat de houder in het bezit is van het paspoort van de paardachtige, dat het grafisch en het beschrijvend signalement aanwezig en correct zijn en dat de gegevens vermeld in het paspoort overeenstemmen met de paardachtige, of;
  2° de houder op basis van biologische testen de identiteit van de paardachtige kan bewijzen en het verband kan leggen met de gecodeerde gegevens in de gegevensbank die deze paardachtige registreerde.
  § 2. Indien de identiteit van de paardachtige niet bewezen kan worden, wordt hij definitief uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie.

  Art. 29. § 1. De aangeduide identificeerder plant de nieuwe transponder in en vermeldt de nieuwe elektronische code, voorafgegaan door de vermelding "hermerking", naast de oude code in het paspoort. De identificeerder vermeldt vervolgens in dezelfde rubriek de validatiedatum en plaatst zijn stempel deels op de zelfklever met de code van de nieuwe transponder.
  § 2. De identificeerder deelt de nieuwe code aan de beheerder mee.
  § 3. De houder legt het paspoort van de paardachtige binnen de dertig dagen na hermerking neer bij het organisme van afgifte opdat de gegevens van de paardachtige zouden kunnen geactualiseerd worden en de link tussen de twee identificatiecodes in de centrale gegevensbank kan worden gelegd.

  Afdeling 4. - Alternatieve methodes

  Art. 30. In uitvoering van artikel 21, lid 1, van verordening 2015/262 kan de Minister het gebruik van andere identificatiemethoden toelaten en reglementeren.

  Hoofdstuk V. - Verplaatsing en vervoer van paardachtigen

  Art. 31. Wanneer een instantie van afgifte het paspoort van een paardachtige bijhoudt om de gegevens bij te werken, levert ze in toepassing van artikel 24 van de verordening 2015/262 een tijdelijk document af aan de houder dat conform is aan het model in bijlage III van de verordening 2015/262.

  Art. 32. In toepassing van artikel 25 van verordening 2015/262, kan de Minister de verplaatsing of het vervoer toestaan van paardachtigen binnen het Belgische grondgebied zonder dat deze vergezeld gaan van hun identificatiedocument, mits zij vergezeld gaan van een smartcard die is afgeleverd door de instantie van afgifte, en waarop de in bijlage II van verordening 2015/262 vermelde gegevens staan.

  Art. 33. § 1. Voor de verplaatsingen of het verblijven binnen het Belgisch grondgebied, mag de paardachtige, vergezeld gaan van een kopie van zijn paspoort voor zover de houder binnen de drie uren het origineel kan voorleggen of van een tijdelijk document zoals bedoeld in artikel 31.
  § 2. Voor de paardachtigen die in maneges of pensions verblijven moet het origineel paspoort, of een kopie ervan indien het origineel binnen de drie uren voorgelegd kan worden, zich permanent op de verblijfplaats van de paardachtige bevinden.

  Art. 34. In toepassing van artikel 26, lid 2, van verordening 2015/262 en in afwijking van de artikelen 8 en 13 van dit besluit, moeten de paardachtigen bestemd om te worden geslacht voor de leeftijd van twaalf maanden die rechtstreeks vervoerd worden van hun bedrijf van geboorte naar een slachthuis gelegen op het Belgische grondgebied, geen paspoort krijgen maar ze moeten wel gecodeerd zijn in de centrale gegevensbank.
  Tijdens hun verplaatsing naar het slachthuis moeten die paardachtigen wel in het bezit zijn van een identificatieattest waarop de identificatiecode van het veulen is vermeld evenals zijn beschrijvend signalement vergezeld van zijn grafisch signalement of zijn foto's, genomen overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 § 2.

  Hoofdstuk VI. - Beheer - duplicaten- vervanging schorsing van het identificatiedocument

  Afdeling 1. - Beheer van de identificatiegegevens

  Art. 35. De volgende wijzigingen worden door de houder binnen de acht werkdagen aan de beheerder van de centrale gegevensbank gemeld :
  1° zijn contactgegevens indien hij het houderschap van een paardachtige op zich neemt;
  2° elke wijziging van zijn contactgegevens;
  3° het einde van het houderschap van een paardachtige;
  4° de wijziging van de plaats waar de paardachtige gehouden wordt, indien deze wijziging langer duurt dan negentig dagen;
  De plaats van detentie, geregistreerd in de gegevensbank is hetzij een manege, een pension of een private stal. Voor een paardachtige, gehouden op een geïsoleerde weide moeten de straatnaam, de postcode en de gemeente vermeld worden;
  5° het definitief vertrek van de paardachtige van het Belgische grondgebied;
  6° de wijziging van de status betreffende de eindbestemming van de paardachtige;
  7° de wijziging van de status als geregistreerde paardachtige of als fok- en gebruiksdier.

  Art. 36. Elke persoon die paardachtigen herbergt, waarvan hij niet de eigenaar is, wordt geacht in zijn installaties enkel paardachtigen te aanvaarden die overeenkomstig dit besluit geïdentificeerd en geregistreerd zijn.

  Art. 37. § 1. Elke paardachtige zoals bedoeld in artikel 27, lid 2, onder b), van verordening 2015/262, moet worden geïdentificeerd en geëncodeerd in de centrale gegevensbank overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en de bepalingen van artikel 27, lid 2, onder b), van de verordening 2015/262, binnen de dertig dagen na aankomst en in elk geval voor elke verandering van houder.
  § 2. Om te voldoen aan paragraaf 1, dient de houder bij de beheerder een registratieaanvraag in, samen met een kopie van het gezondheidscertificaat zoals bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 1 december 2013 betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen, de invoer van paardachtigen uit derde landen en de doorvoer, en overhandigt het paspoort aan de beheerder of maakt het hem over.
  Indien het paspoort of de kopie van het gezondheidscertificaat niet voorgelegd kan worden, wordt de paardachtige ambtshalve gecontroleerd door een identificeerder voor hij wordt geregistreerd in de centrale gegevensbank.
  § 3. Enkel de paardachtigen voorzien van een gezondheidscertificaat zoals bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 1 december 2013 betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen, de invoer van paardachtigen uit derde landen en de doorvoer, die binnen de tien dagen van de geldigheidsduur van het gezondheidscertificaat rechtstreeks vervoerd worden van hun bestemmingsplaats naar het slachthuis hoeven niet in de centrale gegevensbank geregistreerd te worden noch geïdentificeerd te zijn overeenkomstig de Belgische bepalingen.

  Art. 38. De vervoerder die paardachtigen op het Belgisch grondgebied binnenbrengt en de uitbater van een verzamelcentrum - klasse 1, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 10 juni 2014 betreffende de voorwaarden voor het vervoer, het verzamelen en het verhandelen van landbouwhuisdieren, die paardachtigen uit een ander land ontvangt, zijn niet verantwoordelijk om deze paardachtigen in de centrale gegevensbank te laten registreren op voorwaarde dat ze voor derden handelen.

  Art. 39. In afwijking op de bepalingen van artikel 27, lid 2, onder b), van de verordening 2015/262, moeten paardachtigen afkomstig uit een ander land, die in een quarantaine-inrichting gelegen op het Belgisch grondgebied zijn ondergebracht en bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een derde land niet geregistreerd worden in de centrale gegevensbank noch geïdentificeerd te zijn overeenkomstig de Belgische bepalingen.

  Art. 40. In toepassing van artikel 27, lid 3, onder a), en c), van de verordening 2015/262 deponeert de houder het paspoort van de paardachtige hetzij :
  1° voor de geregistreerde paardachtigen bij een Belgische instantie van afgifte, zoals bedoeld in artikel 4;
  2° voor de fok- en gebruikspaarden bij de beheerder van de gegevensbank.

  Afdeling 2. - Duplicaten

  Art. 41. § 1. In geval van aflevering van een duplicaat, duidt de instantie van afgifte een identificeerder of een stamboekafgevaardigde aan om de <identificatie> van de betrokken paardachtige te controleren.
  § 2. In toepassing van artikel 31 van verordening 2015/262 kan het Agentschap de status van de paardachtige als bestemd voor de slacht voor humane consumptie schorsen voor een periode van zes maanden vanaf de afdrukdatum van het duplicaat indien de status van de paardachtige als bestemd voor de slacht voor menselijke consumptie niet gewijzigd werd in de centrale gegevensbank en de wijziging van houder gemeld werd aan de beheerder van de centrale gegevensbank.
  Hiertoe vervolledigt de afgevaardigde van het Agentschap deel III van sectie 2 van het duplicaat.

  Afdeling 3. - Vervangingsdocument

  Art. 42. In toepassing van artikel 32 van verordening 2015/262, wordt elk vervangingsdocument afgeleverd door de beheerder van de centrale gegevensbank.

  Hoofdstuk VII. - Dood - slacht - registratie van de geneesmiddelen

  Art. 43. § 1. In toepassing van artikel 34, lid 1, van verordening 2015/262 maakt de verantwoordelijke van het slachthuis de identificatiedocumenten ongeldig en vernietigt ze vervolgens in het slachthuis.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de paspoorten die niet afgegeven zijn door een Belgische instantie van afgifte ongeldig gemaakt teruggestuurd naar de instantie van afgifte, bedoeld in artikel 34, lid 1, onder c), ii), van de verordening 2015/262 volgens de procedure beschreven in de bepalingen van artikel 36 van de verordening 2015/262.

  Art. 44. § 1. Binnen de vijf werkdagen na de slachting of de vernietiging van de paardachtige registreert de verantwoordelijke van het slachthuis of van het destructiebedrijf dadelijk, of deelt hij aan de centrale gegevensbank de nummers van de transponders van de vernietigde of geslachte paardachtigen mee, evenals de slachtdatum of de vernietigingsdatum en zo nodig de datum waarop hun identificatiedocument werd vernietigd.
  § 2. Voor de paardachtigen geslacht onder dekking van een gezondheidscertificaat, deelt de officiële dierenarts de informatie van het slachten mee aan het contactpunt van de lidstaat waar het paspoort werd uitgereikt.

  Art. 45. In alle gevallen waarbij de paardachtige niet geslacht wordt, bezorgt de houder het identificatiedocument aan een instantie van afgifte binnen de dertig dagen volgend op de dood van het dier.
  De instantie van afgifte maakt het identificatiedocument ongeldig en deelt de dood van het dier mee aan de centrale gegevensbank.
  Het identificatiedocument wordt vervolgens door de instantie van afgifte vernietigd of ongeldig gemaakt, teruggestuurd naar de houder.

  Art. 46. In toepassing van artikel 37, lid 7, van verordening 2015/262, codeert de dierenarts die deel II van sectie II van het paspoort invult en ondertekent, de uitsluiting uit de voedselketen in de centrale gegevensbank of bezorgt de informatie aan de beheerder, binnen de veertien dagen na ondertekening.

  Art. 47. Wanneer het paspoort niet beschikbaar is op het moment van de behandeling zoals bedoeld in artikel 37, lid 3, van verordening 2015/262, levert de behandelende dierenarts een toedienings- en verschaffingsdocument af met vermelding onder de rubriek "opmerkingen" dat de houder hem het paspoort moet bezorgen binnen de vijf dagen na het toedienen van de behandeling, zodat de dierenarts sectie II van het paspoort van de paardachtige dienovereenkomstig kan vervolledigen.
  De behandelende dierenarts codeert de informatie over de wijziging van de status van de paardachtige als uitgesloten uit de voedselketen in de centrale gegevensbank of bezorgt de informatie aan de beheerder binnen de veertien dagen na het toedienen van de behandeling die geleid heeft tot de statuswijziging.

  Hoofdstuk VIII. - Registratie van de gegevens

  Afdeling 1. - Gegevensbank

  Art. 48. De centrale gegevensbank verzamelt en actualiseert minstens de gegevens, bedoeld in artikel 38 van de verordening 2015/262, van de niet geregistreerde paardachtigen evenals, voor alle paardachtigen, de gegevens bedoeld in artikel 35 van dit besluit en de gegevens bedoeld in artikel 38, lid 1, onder a) tot j), en l) tot o), van de verordening 2015/262.

  Art. 49. De Minister vertrouwt het beheer van de centrale gegevensbank toe aan een centraal organisme, opgericht onder vorm van een VZW, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
  In dit kader heeft dit organisme als opdrachten :
  1° de deelname aan de organisatie van de <identificatie> en de encodering van de identificatiegegevens van de paardachtigen;
  2° de oprichting, het bijhouden, de uitbating van de gegevensbank en het financieel beheer van zijn werking.

  Art. 50. Het organisme waaraan het beheer van de centrale gegevensbank toevertrouwd wordt, moet voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° het ontwerp van zijn statuten, alsook elk ontwerp van wijziging van die statuten, voorleggen aan de Minister;
  2° de instructies van de Minister en zijn administratie volgen bij de uitvoering van zijn taken;
  3° raadpleging van de gegevensbank toelaten aan de volgende autoriteiten en personen :
  a) het Agentschap, de FOD, de diensten van de federale en lokale politie en de bevoegde regionale autoriteiten voor de uitvoering van hun opdracht, binnen hun respectievelijke bevoegdheidsdomeinen;
  b) de verantwoordelijken van de slachthuizen voor het nagaan van het statuut van de paardachtige;
  c) de houders van de paardachtigen voor alle gegevens betreffende de dieren waarvoor zij verantwoordelijk zijn;
  d) de dierenartsen die over de numerieke code van de transponder beschikken, voor de gegevens noodzakelijk om de houder van een paardachtige terug te vinden of om het statuut betreffende de eindbestemming van de paardachtige te bepalen;
  e) de identificeerders, voor de gegevens van de paardachtigen waarvan ze met de <identificatie> belast zijn;
  f) de instanties van afgifte;
  g) elke persoon die beschikt over de numerieke code van de transponder om de status betreffende de finale bestemming van de paardachtige te bepalen.
  De toegang tot de gegevens van de gegevensbank moet minstens via telefoon of internet vierentwintig uur op vierentwintig verzekerd zijn.
  4° zich onderwerpen aan de controle van de bevoegde autoriteit krachtens de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking;
  5° de verplichtingen voorzien door de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens respecteren.

  Art. 51. Het beheer van de gegevensbank omvat de volgende voornaamste activiteiten :
  1° de toegang in elektronische vorm tot de identificatieattesten en in voorkomend geval, de afdrukken ervan en de verzending naar de houders;
  2° het encoderen en het onderhoud van de gegevensbank met behulp van een geïnformatiseerd systeem;
  3° het opmaken van de paspoorten van de paardachtigen die niet bestemd zijn om ingeschreven te worden in een stamboek bijgehouden door een fokvereniging en hun verzending onder omslag naar de houder van het dier;
  4° het opstellen van de procedures voor de encodering van de wijzigingen zoals opgenomen in artikel 35, via informatica of schriftelijk, alsook de bevestiging van deze handelingen in de centrale gegevensbank;
  5° de facturatie van het forfaitair bedrag aan de houder van de paardachtige, en de inning ervan.

  Art. 52. De Minister stelt de regels vast voor het oprichten, het dagelijks bijhouden en het uitbaten van de gegevensbank alsook voor het toezicht erop.

  Art. 53. Voor de uitvoering van één of meerdere van de in artikel 48 beschreven activiteiten, mag het organisme, belast met het beheer van de centrale gegevensbank, een beroep doen op dienstverleners. Deze worden goedgekeurd door de Minister.

  Afdeling 2. - Financiering

  Art. 54. § 1.De financiering van het beheer van de centrale gegevensbank wordt verzekerd door een systeem van forfaitaire betaling verbonden aan de <identificatie> en de encodering. Voor elke encodering van een paardachtige in de gegevensbank, betaalt de houder een forfaitair bedrag aan de beheerder. Dit bedrag dekt de kosten verbonden aan de wijzigingen bedoeld in artikel 35, de opdrachten bedoeld in artikel 49 en de betaling van de dienstverleners.
  § 2. Het forfaitair bedrag wordt door de Minister vastgesteld op voorstel van de beheerder en kan herzien worden afhankelijk van de omstandigheden.
  § 3. Het forfaitair bedrag wordt jaarlijks aangepast op basis van de gezondheidsindex van de maand januari van het lopende jaar.
  De gezondheidsindex is het prijsindexcijfer dat berekend wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 ter vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.
  De indexatie van dit forfaitair bedrag is van toepassing vanaf de eerste februari van elk jaar vanaf 2015.

  Hoofdstuk IX. - Sancties

  Art. 55. In toepassing van artikel 41 van de verordening 2015/262 en ter aanvulling van artikel 37 van de verordening 2015/262, kan de officiële dierenarts een paardachtige definitief uit de voedselketen sluiten indien bij een controle wordt aangetoond dat de betrokken paardachtige :
  1° een substantie kreeg of kon krijgen waarvan de toediening aan productiedieren is verboden;
  2° een substantie kreeg of kon krijgen, toegediend in overtreding van de bepalingen van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking.

  Art. 56. De officiële dierenarts of de beheerder sluit elke paardachtige die niet geïdentificeerd is volgens de bepalingen van artikel 43 van de verordening 2015/262 uit de voedselketen.

  Art. 57. Indien een houder weigert zijn paardachtige te laten identificeren, kan het Agentschap, in toepassing van artikel 41 van de verordening 2015/262, de paardachtige laten identificeren op kosten van de houder.

  Art. 58. De overtredingen van de bepalingen van onderhavig besluit worden opgespoord, vastgesteld en bestraft in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk VI van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 of met het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.

  Hoofdstuk X. - Slotbepalingen

  Art. 59. § 1. Het is verboden de transponders te verwijderen, te verplaatsen, te wijzigen, te beschadigen, onleesbaar te maken of te vervalsen. Het is verboden een nieuwe transponder in te planten bij een paardachtige die er al één heeft, behalve in het geval voorzien in artikel 27.
  § 2. Het is verboden de gegevens in het paspoort te wijzigen of te overschrijven, behalve in die gevallen voorzien door dit besluit of door de verordening 2015/262.

  Art. 60. In het koninklijk besluit van 1 december 2013 betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen, de invoer van paardachtigen uit derde landen en de doorvoer, wordt een artikel 11/1 ingevoegd, luidende :
  "Art.11/1. § 1. Onverminderd artikel 21, voor elke paardachtige binnengebracht op het Belgisch grondgebied, waarvoor het gezondheidscertificaat bedoeld in artikel 9 niet voorgelegd kan worden tijdens de aanvraag tot registratie in de centrale gegevensbank, conform artikel 37 van het koninklijk besluit van 16 februari 2016 betreffende de <identificatie> en de encodering van de paardachtigen in een centrale gegevensbank, moet de houder zo spoedig mogelijk een beroep doen op een erkend dierenarts om de onderzoeken voorzien in paragraaf 2 uit te voeren.
  § 2. De erkende dierenarts voert conform de instructies van het Agentschap de bloedstaalnames en het klinisch onderzoek uit van de paardachtige die zonder gezondheidscertificaat op het Belgisch grondgebied werd binnengebracht om het risico op overdracht van aangifteplichtige ziekten te evalueren.
  Vervolgens deelt de erkende dierenarts de resultaten van de analyses en van het klinisch onderzoek mee aan de provinciale controle-eenheid van het Agentschap die bevoegd is voor de plaats waar de paardachtige wordt gehouden.
  De kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit artikel zijn ten laste van de houder.
  § 3. Elk paard zoals bedoeld in paragraaf 1 mag niet verplaatst worden zonder voorafgaande toelating van het Agentschap.".

  Art. 61. Het koninklijk besluit van 26 september 2013 betreffende de <identificatie> en de encodering van de paarden in een centrale gegevensbank wordt opgeheven.

  Art. 62. De minister bevoegd voor Landbouw is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. bijlage 1. - "Aanvraagformulier om opgenomen te worden in de officiële lijst van identificeerders van paarden"
  Ik, ondergetekende, Dr. ... . . . . . ........., erkend dierenarts,
  met praktijk te (beroepsadres)..... . . . . . ..................................................................................................................................
  e-mailadres ............................................. . . . . . ....................@.........................................................................
  Inschrijvingsnummer bij de Orde . . . . .
  vraag om ingeschreven te worden bij de Dienst Sanitair Beleid Dieren en Planten van de FOD, met de bedoeling officieel erkend te worden als identificeerder zoals voorzien in artikel 22 van het koninklijk besluit van 16 februari 2016 betreffende de <identificatie> en de encodering van de paarden in een centrale gegevensbank,
  Ik voeg hierbij het certificaat waaruit blijkt dat een opleiding betreffende de <identificatie> van paarden werd gevolgd, zoals bepaald in artikel 23, § 4 van het koninklijk besluit van 16 februari 2016 betreffende de <identificatie> en de encodering van de paarden in een centrale gegevensbank.
  Opgemaakt te....................... . . . . . ...................... op (Datum) .......................... . . . . . ..............
  Handtekening
  Document terug te sturen naar de Federale Overheidsdienst Volksgezondfheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, DG4 Dienst Sanitair Beleid Dieren en Planten, 7de verdieping, Eurostation, Victor Hortaplein 40, bus 10, te 1060 Brussel..

  Art. N2. Bijlage 2. - Lijst van de gegevens die minstens opgenomen moeten zijn in het identificatieattest :
  * <IDENTIFICATIE> :
  -Numerieke code van de ingeplante microchip
  - Datum van de <identificatie> of de controle ervan
  - Uitgevoerde monsterneming (in voorkomend geval)
  - Vroegere identificatiecode (microchip, tatoeage, brandmerk, andere)
  - Signalement en/of foto's* * * :
  1° Grafisch signalement op basis van de sjabloon voorzien in hoofdstuk I, deel B van het identificatiedocument;
  2° Beschrijvend signalement, m.a.w. een beschrijving van de aftekeningen aan het hoofd, het voorbeen links, het voorbeen rechts, het achterbeen links, het achterbeen rechts alsook een beschrijving van de specifieke kentekens op het lichaam.
  * * * een volledig grafisch en beschrijvend signalement moet worden opgemaakt.
  Het grafisch signalement is niet verplicht voor de paardachtigen waarvan de foto's in het paspoort en de centrale gegevensbank zijn opgenomen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, § 2 van het koninklijk besluit van 16 februari 2016 betreffende de <identificatie> en de encodering van de paardachtigen in een centrale gegevensbank.
  * PAARD :
  - Naam (facultatief)
  - Gebruikstype en/of ras
  - Haarkleur
  - Geslacht
  (indien mannelijk, preciseer of het om een ruin of een hengst gaat)
  - Geboortedatum of vermoedelijk geboortejaar (tandcontrole)
  - Land van geboorte
  - Plaats waar het dier gehouden wordt
  * Houder (zoals bedoeld in artikel 2.c van verordening 2015/262) :
  - Naam, voornaam
  - Adres (straat, nummer, postcode, gemeente)
  - Land
  - Telefoonnummer(s)
  - E-mail adres
  - Identificatienummer in het rijksregister
  - BTW-nr in voorkomend geval
  - Handtekening van de houder
  * IDENTIFICEERDER :
  - Naam en adres
  - Registratienummer bij het erkend organisme (in voorkomend geval)
  - Handtekening van de identificeerder
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 16 februari 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Landbouw,
W. BORSUS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de <identificatie> van paardachtigen (verordening paardenpaspoort);
   Gelet op de Grondwet, artikel 108;
   Gelet op de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, de artikelen 2, 17, gewijzigd bij de wetten van 23 december 2005 en 20 juli 2006 en artikel 29, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001;
   Gelet op de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, artikel 4, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2005, 19 mei 2010 en 19 maart 2014;
   Gelet op de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, artikel 4, gewijzigd bij de wetten van 13 juli 2001, 22 december 2003, 9 juli 2004, 20 juli 2005 en 22 december 2008, en artikel 5, tweede lid, 13° ;
   Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 2001 houdende het toevertrouwen van bijkomende opdrachten aan het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, artikel 2, d);
   Gelet op het koninklijk besluit van 26 september 2013 betreffende de <identificatie> en de encodering van de paardachtigen in een centrale gegevensbank;
   Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 2013 betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen, de invoer van paardachtigen uit derde landen en de doorvoer;
   Gelet op het overleg tussen de Gewestregeringen en de Federale Overheid van 5 november 2015;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 10 november 2015;
   Gelet op de adviesaanvraag binnen dertig dagen, die op 23 december 2015 bij de Raad van State is ingediend, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende dat het advies niet is meegedeeld binnen de termijn;
   Gelet op artikel 84, § 4, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende de verordening (EG) nr.178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, artikel 18;
   Op de voordracht van de Minister van Landbouw,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Franstalige versie