J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 8 uitvoeringbesluiten
Einde Franstalige versie
 
belgilex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
8 NOVEMBER 1968. - VERDRAG INZAKE HET <WEGVERKEER>.

Publicatie : 28-12-1989 nummer :   1968110850 bladzijde : 21056
Dossiernummer : 1968-11-08/30
Inwerkingtreding : 16-11-1989

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1-4
HOOFDSTUK II. - Verkeersregels.
Art. 5-34
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden voor de toelating van auto's en aanhangwagens tot het internationale verkeer.
Art. 35-40
HOOFDSTUK IV. - Bestuurders van auto's.
Art. 41-43
HOOFDSTUK V. - Voorwaarden voor de toelating van rijwielen en bromfietsen tot het internationale verkeer.
Art. 44
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
Art. 45-56
BIJLAGEN.
Art. N1-9N1, N2-4N2, N3-4N3, N4-2N4, N5-3N5
HOOFDSTUK I. - Remmen.
Art. 4N5
A. Het remmen van motorvoertuigen met uitzondering van motorfietsen.
Art. 5N5-10N5
B. Het remmen van aanhangwagens.
Art. 11N5-16N5
C. Het remmen van slepen.
Art. 17N5
D. Het remmen van motorfietsen.
Art. 18N5
HOOFDSTUK II. - Verlichting en retroflecterende inrichtingen.
Art. 19N5-45N5
HOOFDSTUK III. - Andere voorschriften.
Stuurinrichting.
Art. 46N5
Achteruitkijkspiegel.
Art. 47N5
Geluidstoestel.
Art. 48N5
Ruitenwisser.
Art. 49N5
Ruitensproeier.
Art. 50N5
Voorruit en andere ruiten.
Art. 51N5
Achteruitrij-inrichting.
Art. 52N5
Geluidsdemper.
Art. 53N5
Banden.
Art. 54N5
Snelheidsmeter.
Art. 55N5
Waarschuwingsapparaat dat in motorvoertuigen aanwezig moet zijn.
Art. 56N5
Inrichting ter voorkoming van diefstal.
Art. 57N5
Koppelinrichting voor lichte aanhangwagens.
Art. 58N5
Algemene bepalingen.
Art. 59N5
HOOFDSTUK IV. - Uitzonderingen.
Art. 60N5-61N5
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.
Art. 62N5-63N5, N6-6N6, N7-5N7, N8

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1. Begripsomschrijvingen.
  Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de daaraan in dit artikel toegekende betekendis :
  a) " Nationale Wetgeving " van een Verdragsluitende Partij : het geheel van de nationale of plaatselijke wetten en reglementen, die op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij van kracht zijn;
  b) Een voertuig wordt geacht zich " in het internationale verkeer " te bevinden op het grondgebied van een bepaalde Staat, indien :
  (i) het toebehoort aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die gewoonlijk gevestigd is buiten de Staat;
  (ii) het niet in die Staat is ingeschreven;
  (iii) het tijdelijk in die Staat is ingevoerd;
  met dien verstande evenwel, dat aan een Verdragsluitende Partij het recht is voorbehouden een voertuig niet als " in het internationaal verkeer " te beschouwen, indien het langer dan n jaar op het grondgebied van die Staat is verbleven zonder een belangrijke onderbreking, waarvan de duur door die Verdragsluitende Partij kan bepaald worden.
  Een sleep wordt geacht zich " in het internationale verkeer " te bevinden, wanneer ten minste n van de voertuigen van die sleep aan bovenstaande definities beantwoordt;
  c) " Bebouwde kom " : een gebied met bebouwing dat op de plaatsen waar men dit binnen- of uitrijdt, door speciale verkeersborden als zodanig wordt aangeduid, dan wel een gebied dat in de nationale wetgeving op andere wijze is omschreven;
  d) " Openbare Weg " : het gehele oppervlak van elke weg die voor het openbaar verkeer openstaat;
  e) " Rijbaan " : dat deel van de openbare weg dat gewoonlijk voor het verkeer met voertuigen wordt gebruikt; een openbare weg kan een aantal rijbanen bevatten die duidelijk zichtbaar van elkaar gescheiden zijn, o.m. door een middenberm of een verschil in niveau;
  f) Op rijbanen waar n of meer aan de buitenzijde van de rijbaan gelegen rijstroken of paden bestemd zijn voor gebruik door bepaalde voertuigen, betekent " rand van de rijbaan " voor andere weggebruikers, de rand van het overige deel van de rijbaan;
  g) " Rijstrook " : elk van de delen, waarin de rijbaan in de lengterichting kan worden verdeeld, al of niet aangegeven door overlangse wegmarkeringen, maar voldoende breed voor n file rijdende auto's, motorfietsen uitgesloten;
  h) " Kruispunt " : elke gelijkgrondse kruising, samenloop of splitsing van openbare wegen, met inbegrip van de pleinen, die door dergelijke kruisingen, samenlopen, of splitsingen zijn ontstaan;
  i) " Overweg " : elke gelijkgrondse kruising tussen een openbare weg en een spoor- of tramweg op afzonderlijke bedding;
  j) " Autosnelweg " : een openbare weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor het verkeer met motorvoertuigen en waarop aanpalende eigendommen geen uitweg hebben en die :
  (i) behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk, is voorzien van gescheiden rijbanen voor de beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een berm die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij bij uitzondering op andere wijzen;
  (ii) geen andere openbare weg, spoor- of tramweg of pad voor voetgangers op hetzelfde niveau kruist;
  (iii) door verkeersborden speciaal als autosnelweg is aangeduid;
  k) Een voertuig wordt geacht :
  (i) " Stilstaand " te zijn, wanneer het niet in beweging is gedurende de tijd die nodig is om personen te laten in- of uitstappen of om goederen in of uit te laden;
  (ii) " Geparkeerd " te zijn, wanneer het niet in beweging is om elke andere reden dan de noodzaak een conflictsituatie met een andere weggebruiker of een botsing met een hindernis te vermijden, of om aan de verkeersvoorschriften te voldoen, en wanneer de tijd gedurende welke het voertuig niet in beweging is, niet is beperkt tot de tijd die nodig is om personen te laten in- of uitstappen of goederen in of uit te laden.
  Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij de voertuigen die niet in beweging zijn zoals bedoeld in bovenstaand lid (ii) als " stilstaand " te beschouwen gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur niet te boven gaat, en de niet in beweging zijnde voertuigen als " geparkeerd " te beschouwen wanneer deze voertuigen niet in beweging zijn, zoals bedoeld in bovenstaand lid (i), en dit het geval is gedurende een tijdsbestek dat de door de nationale wetgeving vastgestelde duur wl te boven gaat;
  l) " Rijwiel " : elk voertuig met ten minste twee wielen dat uitsluitend wordt voortbewogen door de spierkracht van de berijders, in het bijzonder door middel van pedalen of van met de hand bewogen hefbomen;
  m) " Bromfiets " : elk twee- of driewielig voertuig dat is uitgerust met een voortstuwende verbrandingsmotor met een maximale cylinderinhoud van 50 cm3 (3,05 kubieke duim) en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 50 km (30 mijl) per uur. Het staat de Verdragsluitende Partijen echter vrij krachtens hun nationale wetgeving niet als bromfietsen te beschouwen de voertuigen die, wat het gebruik betreft, niet de eigenschappen van een fiets vertonen, in het bijzonder de eigenschap dat zij met behulp van pedalen kunnen worden voortbewogen, of waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het gewicht of bepaalde eigenschappen van de motor bepaalde grenzen overschrijden. Niets in deze omschrijving mag zo worden uitgelegd, dat dit de Verdragsluitende Partijen zou beletten bromfietsen op dezelfde wijze te behandelen als fietsen, wat betreft de toepassing van de bepalingen van hun nationale verkeerswetgeving;
  n) " Motorfiets " : elk tweewielig voertuig met of zonder zijspan, dat voorzien is van een voortstuwende motor. De Verdragsluitende Partijen kunnen in hun nationale wetgeving ook driewielige voertuigen als motorfietsen aanmerken, mits de tarra daarvan maximaal 400 kg (900 pond) bedraagt. De uitdrukking " motorfiets " slaat niet op de bromfietsen; de Verdragsluitende Partijen kunnen evenwel mits zij hiertoe een verklaring afleggen overeenkomstig paragraaf 2 van artikel 54 van dit Verdrag, voor de toepassing van dit Verdrag bromfietsen als motorfietsen beschouwen;
  o) " Motorvoertuig " : elk voertuig, voorzien van een voortstuwende motor, dat uit eigen kracht op de weg rijdt, behalve de bromfietsen, in de gebieden van de Verdragsluitende Partijen, die de bromfietsen niet als motorfietsen beschouwen, en behalve de spoorvoertuigen;
  p) " Auto " : elk motorvoertuig dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg, of om de voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van personen of goederen langs de weg voort te trekken. Deze uitdrukking omvat mede de trolleybussen, dat wil zeggen voertuigen die in verbinding staan met een elektrische geleiding en niet op sporen rijden. Zij slaat niet op voertuigen zoals landbouwtraktoren, die slechts bij uitzondering worden gebruikt om personen of goederen langs de weg te vervoeren of om voertuigen te trekken die personen of goederen langs de weg vervoeren;
  q) " Aanhangwagen " : elk voertuig dat bestemd is om door een motorvoertuig te worden getrokken; die uitdrukking omvat tevens de opleggers;
  r) " Oplegger " : elke aanhangwagen die bestemd is om dusdanig aan een auto te worden gekoppeld, dat een deel ervan op de auto rust en dat een aanzienlijk deel van het gewicht van de aanhangwagen en van zijn lading door de auto wordt gedragen;
  s) " Lichte aanhangwagen " : elke aanhangwagen, waarvan het hoogste toegelaten gewicht 750 kg (1 650 pond) niet te boven gaat;
  t) " Sleep " : aan elkaar gekoppelde voertuigen die zich op de weg als een geheel voortbewegen;
  u) " Geleed voertuig " : een sleep bestaande uit een auto en een oplegger die aan de auto is gekoppeld;
  v) " Bestuurder " : degene die een motorvoertuig of enig ander voertuig bestuurt (met inbegrip van een rijwiel) of die vee, hetzij enkele dieren hetzij in kudden, of trek-, last- of rijdieren op de openbare weg onder zijn hoede heeft;
  w) " Hoogst toegelaten gewicht " : het hoogste gewicht van het voertuig in beladen toestand, toegelaten door het bevoegde gezag van de Staat waar het voertuig is ingeschreven;
  x) " Tarra " : het gewicht van het voertuig zonder bemanning, passagiers of lading, maar met inbegrip van zijn volledige voorraad brandstof en van het gereedschap dat het voertuig gewoonlijk meevoert;
  y) " Gewicht in beladen toestand " : het werkelijk gewicht van het voertuig met inbegrip van de lading, de bemanning en de passagiers;
  z) " Rijrichting " en " overeenkomstig de rijrichting " : de rechterzijde, indien ingevolge de nationale wetgeving de bestuurder van een voertuig een ander voertuig bij het kruisen links moet laten; in het omgekeerde geval betekenen deze uitdrukkingen de linkerzijde;
  aa) De verplichting voor de bestuurder van een voertuig om andere voertuigen " voorrang " te verlenen, betekent dat hij niet mag doorrijden of opnieuw vertrekken of een manoeuver voortzetten, indien zulks de kans met zich zou medebrengen dat de bestuurders van andere voertuigen gedwongen worden de richting of de snelheid van hun voertuig plotseling te wijzigen.

  Art. 2. Bijlagen bij het Verdrag.
  De bijlagen bij dit Verdrag te weten :
  Bijlage 1 : Uitzonderingen op de verplichting auto's en aanhangwagens in het internationale verkeer toe te laten;
  Bijlage 2 : Het kenteken van auto's en aanhangwagens in het internationale verkeer;
  Bijlage 3 : Het nationaliteitsteken van auto's en aanhangwagens in het internationale verkeer;
  Bijlage 4 : Identificatiemerken van auto's en aanhangwagens in het internationale verkeer;
  Bijlage 5 : Technische eisen betreffende auto's en aanhangwagens;
  Bijlage 6 : Het nationale rijbewijs, en
  Bijlage 7 : Het internationale rijbewijs, zijn integrerende onderdelen van dit Verdrag.

  Art. 3. Verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen.
  1. a) De Verdragsluitende Partijen nemen passende maatregelen opdat de op hun grondgebied geldende verkeersregels in hoofdzaak overeenkomen met de bepalingen van Hoofdstuk II van dit Verdrag. Op voorwaarde dat deze regels op geen enkele wijze in strijd zijn met genoemde bepaling :
  (i) hoeven deze regels niet noodzakelijk de genoemde bepalingen over te nemen die van toepassing zijn op omstandigheden die zich op het grondgebied van de desbetreffende Verdragsluitende Partijen niet voordoen;
  (ii) mogen deze regels bepalingen bevatten die niet in genoemd Hoofdstuk II voorkomen.
  b) De bepalingen van deze paragraaf eisen niet van de Verdragsluitende Partijen dat zij alle overtredingen van de bepalingen van Hoofdstuk II die zijn opgenomen in hun eigen verkeersregels, strafbaar stellen.
  2. a) De Verdragsluitende Partijen nemen tevens passende maatregelen opdat de op hun grondgebied geldende regels betreffende de technische eisen waaraan auto's en aanhangwagens moeten voldoen, overeenkomen met de bepalingen in bijlage 5 bij dit Verdrag. Op voorwaarde dat zij geenszins in strijd zijn met de veiligheidsbeginselen die aan deze bepalingen ter grondslag liggen, mogen deze regels bepalingen bevatten die niet in die bijlage voorkomen. De Verdragsluitende Partijen nemen tevens passende maatregelen opdat auto's en aanhangwagens, die op hun grondgebied zijn ingeschreven, voldoen aan de bepalingen in bijlage 5 wanneer zij aan het internationale verkeer deelnemen.
  b) De bepalingen van deze paragraaf leggen aan de Verdragsluitende Partijen generlei verplichtingen op ten aanzien van de op hun grondgebied geldende regels betreffende de technische eisen waaraan die motorvoertuigen moeten voldoen, die niet worden beschouwd als auto's in de zin van dit Verdrag.
  3. Behoudens de in bijlage 1 bij dit Verdrag genoemde uitzonderingen, zijn de Verdragsluitende Partijen verplicht in hun eigen gebied in het internationaal verkeer die auto's en aanhangwagens toe te laten, die voldoen aan de in Hoofdstuk III van dit Verdrag vastgelegde eisen en waarvan de bestuurders voldoen aan de in Hoofdstuk IV vastgelegde eisen. Zij zijn tevens verplicht de kentekenbewijzen, die zijn uitgegeven overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk III, behoudens tegenbewijs, te erkennen als bewijs dat de voertuigen waarop deze betrekking hebben, voldoen aan de eisen die in genoemd Hoofdstuk III zijn vastgelegd.
  4. De maatregelen, die de Verdragsluitende Partijen hetzij unilateraal dan wel ingevolge bilaterale of multilaterale overeenkomsten hebben genomen of wellicht zullen nemen, om op hun grondgebied in het internationale verkeer auto's en aanhangwagens toe te laten die niet voldoen aan alle in Hoofdstuk III van dit Verdrag vastgelegde eisen, en om, in andere gevallen dan die welke in Hoofdstuk IV zijn aangegeven, op hun grondgebied de geldigheid te erkennen van rijbewijzen die zijn uitgegeven op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, worden geacht overeen te stemmen met het doel van dit Verdrag.
  5. De Verdragsluitende Partijen zijn verplicht op hun grondgebied in het internationale verkeer rijwielen en bromfietsen toe te laten die voldoen aan de in Hoofdstuk V van dit Verdrag vastgelegde technische eisen en waarvan de bestuurders gewoonlijk verblijven op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij. Geen enkele Verdragsluitende Partij mag van bestuurders van rijwilen of bromfietsen in het internationale verkeer eisen dat zij een rijbewijs bezitten. De Verdragsluitende Partijen daarentegen, die overeenkomstig paragraaf 2 van artikel 54 van dit Verdrag hebben verklaard, dat zij bromfietsen als motorfietsen beschouwen, kunnen van bestuurders van bromfietsen in het internationale verkeer wel eisen dat zij een rijbewijs bezitten.
  6. De Verdragsluitende Partijen verplichten zich aan elke Verdragsluitende Partij die haar verzoekt zulks te doen, inlichtingen te verstrekken die nodig zijn om de identiteit vast te stellen van degene op wiens naam een auto of een aanhangwagen die aan een auto is gekoppeld, op hun grondgebied is ingeschreven, indien het ingediende verzoek aantoont dat dit voertuig betrokken is geweest bij een ongeval op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij van wie het verzoek is uitgegaan.
  7. Maatregelen, die de Verdragsluitende Partijen hetzij unilateraal, hetzij ingevolge bilaterale of multilaterale overeenkomsten hebben genomen of wellicht zullen nemen om het internationale <wegverkeer> te vergemakkelijken door het vereenvoudigen van douane-, politie- en gezondheidsformaliteiten en van andere, soortgelijke formaliteiten, dan wel om te bevorderen dat douanekantoren en -posten bij bepaalde grensovergangen dezelfde bevoegdheden hebben en gedurende dezelfde tijden zijn geopend, worden geacht overeen te komen met het doel van dit Verdrag.
  8. De bepalingen van de paragrafen 3, 5 en 7 van dit artikel doen geen afbreuk aan het recht van een Verdragsluitende Partij, op haar grondgebied de toelating in het internationale verkeer van auto's, aanhangwagens, bromfietsen en rijwielen en/of hun bestuurders of meerijdenden, afhankelijk te stellen van haar voorschriften betreffende de verzekering van bestuurders tegen wettelijke aansprakelijkheid van haar douanevoorschriften en, in het algemeen, van haar voorschriften met betrekking tot andere aangelegenheden dan het <wegverkeer>.

  Art. 4. Verkeerstekens.
  De Verdragsluitende Partijen bij dit Verdrag die geen Verdragsluitende Partij zouden zijn bij het Verdrag inzake verkeerstekens dat op dezelfde dag als dit Verdrag te Wenen voor ondertekening is opengesteld, verbinden zich er toe dat :
  a) alle verkeersborden, verkeerslichten en wegmarkeringen op hun grondgebied een samenhangend stelsel vormen;
  b) het aantal soorten verkeerstekens beperkt blijft en dat verkeerstekens uitsluitend geplaatst worden waar zij geacht worden van nut te zijn;
  c) de gevaarsborden op voldoende afstand van de hindernissen worden geplaatst om de bestuurders doeltreffend te waarschuwen;
  d) dat verboden wordt :
  (i) dat op een verkeersbord, op zijn steun of op enige andere inrichting tot regeling van het verkeer, iets aangebracht wordt dat geen betrekking heeft op het doel van zo'n bord of inrichting; indien echter de Verdragsluitende Partijen, of onderdelen daarvan, aan een vereniging zonder winstoogmerk de bevoegdheid verlenen aanwijzingsborden te plaatsen, dan kunnen zij zo'n vereniging tevens vergunnen haar embleem op dat bord of zijn steun aan te brengen, mits zulks het begrijpen van dat verkeersbord niet bemoeilijkt;
  (ii) borden, aankondigingen, tekens of inrichtingen aan te brengen die zouden kunnen worden verward met verkeerstekens of andere inrichtingen tot regeling van het verkeer, of die deze minder zichtbaar of doeltreffend zouden kunnen maken, of die weggebruikers zouden kunnen verblinden of hun aandacht zouden kunnen afleiden op een wijze die de verkeersveiligheid in gevaar brengt.

  HOOFDSTUK II. - Verkeersregels.

  Art. 5. Waarde van de verkeerstekens.
  1. De weggebruikers zijn verplicht zich te houden aan de voorschriften zoals deze worden aangeduid door verkeersborden, door verkeerslichten en wegmarkeringen, zelfs indien deze voorschriften in strijd schijnen te zijn met andere verkeersregels.
  2. De voorschriften die worden aangeduid door verkeerslichten gaan boven de voorschriften die worden aangeduid door verkeersborden die de voorrang regelen.

  Art. 6. Bevelen die worden gegeven door bevoegde personen.
  1. De bevoegde personen moeten, wanneer zij het verkeer regelen, op een afstand gemakkelijk herkenbaar zijn, 's nachts zowel als overdag.
  2. De weggebruikers zijn verplicht onmiddellijk gevolg te geven aan alle bevelen gegeven door de bevoegde personen die het verkeer regelen.
  3. Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt dat als bevelen, die door de bevoegde personen worden gegeven wanneer zij het verkeer regelen, inzonderheid worden beschouwd :
  a) de arm recht opgestoken : dit gebaar betekent " let op, stoppen " voor alle weggebruikers, behalve die bestuurders die niet meer in staat zijn op voldoende veilige wijze te stoppen; wordt dit gebaar gemaakt bij een kruispunt, dan hoeven de bestuurders die zich reeds op dit kruispunt bevinden evenmin te stoppen;
  b) de arm of de armen horizontaal uitgestrekt; dit gebaar betekent " stoppen " voor alle weggebruikers, uit welke richting zij ook komen, als deze richting zou worden gedwarst door de richting die is aangegeven door de uitgestrekte arm of armen; na dit gebaar gemaakt te hebben, mag de bevoegde persoon die het verkeer regelt, de arm of de armen laten zakken; dit gebaar is evenzeer " stoppen " voor de bestuurders die zich vr of achter deze persoon bevinden;
  c) zwaaien met een rood licht betekent : dit gebaar betekent " stoppen " voor de weggebruikers naar wie het licht gericht is.
  4. De bevelen van de bevoegde personen die het verkeer regelen gaan boven de voorschriften aangeduid door verkeersborden, door verkeerslichten of door wegmarkeringen, alsmede boven de verkeersregels.

  Art. 7. Algemene regels.
  1. De weggebruikers moeten zich onthouden van alle gedragingen die ertoe kunnen leiden het verkeer in gevaar te brengen of te belemmeren, die gevaarlijk kunnen zijn voor personen, of die schade kunnen veroorzaken aan openbaar of particulier bezit.
  2. Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt, dat het de weggebruikers verboden is het verkeer te hinderen of onveilig te maken door voorwerpen of stoffen op de weg te werpen, te plaatsen of achter te laten, of door enige andere belemmering er op aan te brengen. De weggebruikers die niet hebben kunnen vermijden een dergelijke belemmering of een dergelijk gevaar te veroorzaken, moeten de nodige maatregelen nemen om zulks zo snel mogelijk op te heffen, en, indien zij dit niet ogenblikkelijk kunnen doen, de andere weggebruikers er voor te waarschuwen.

  Art. 8. Bestuurders. 1. Elk voertuig of elke sleep in beweging moet een bestuurder hebben.
  2. Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt dat de last-, trek- of rijdieren een bestuurder hebben, evenals het vee, hetzij enkel dieren of in kudden, behalve wat betreft het vee in speciale gebieden die als zodanig zijn aangeduid door verkeersborden op de plaats waar men die gebieden binnenkomt.
  3. Elke bestuurder moet de vereiste lichamelijke en geestelijke vermogens bezitten, en zowel lichamelijk als geestelijk in staat zijn te sturen.
  4. Elke bestuurder van een motorvoertuig moet de nodige kennis en vaardigheid bezitten om het voertuig te kunnen besturen; deze bepaling mag leerling-bestuurders echter niet beletten zich te bekwamen in het besturen van een voertuig, overeenkomstig de nationale wetgeving.
  5. Elke bestuurder moet voortdurend zijn voertuig of zijn dieren goed in de hand hebben.

  Art. 9. Kudden.
  Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgeving bepaalt, dat kudden in kleinere groepen van redelijke lengte worden verdeeld, en dat deze groepen ten gerieve van het verkeer op redelijke afstand van elkaar worden gehouden, behalve in die gevallen waarin uitzonderingen worden toegestaan om het verplaatsen van zeer grote aantallen te vergemakkelijken.

  Art. 10. Plaats op de rijbaan.
  1. De rijrichting dient op alle wegen in een Staat gelijk te zijn, behalve, in voorkomend geval, op wegen die uitsluitend of hoofdzakelijk worden gebruikt voor verkeer tussen twee andere Staten.
  2. De dieren die zich langs de rijbaan voortbewegen, moeten zoveel mogelijk aan de rand van de rijbaan worden voortgedreven overeenkomstig de rijrichting.
  3. Onverminderd de andersluidende bepalingen van paragraaf 1 van artikel 7, van paragraaf 6 van artikel 11 en andere andersluidende bepalingen van dit Verdrag, moet elke bestuurder van een voertuig, voor zover de omstandigheden hem dit mogelijk maken, zijn voertuig dicht bij de rand van de rijbaan houden, overeenkomstig de rijrichting. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan mogen echter nauwkeuriger regels voorschrijven betreffende de plaats van voertuigen voor goederenvervoer op de rijbaan.
  4. Wanneer een openbare weg twee of drie rijbanen bevat, mag geen enkele bestuurder de rijbaan gebruiken die gelegen is aan de zijde tegenover die overeenkomstig de rijrichting.
  5. a) Op de rijbanen voor verkeer in beide richtingen met vier of meer rijstroken mag geen enkele bestuurder de rijstroken gebruiken, die geheel zijn gelegen op de helft van de rijbaan tegenover de zijde overeenkomstig de rijrichting.
  b) Op de rijbanen voor verkeer in beide richtingen met drie rijstroken mag geen enkele bestuurder de rijstrook gebruiken gelegen aan de rand van de rijbaan tegenover de rand overeenkomstig de rijrichting.

  Art. 11. Inhalen en rijden in files.
  1. a) Inhalen moet geschieden aan de zijde tegenover die overeenkomstig de rijrichting.
  b) Inhalen moet echter geschieden aan de zijde overeenkomstig de rijrichting, wanneer de in te halen bestuurder heeft te kennen gegeven dat hij voornemens is zich te begeven naar de zijde van de rijbaan, die gelegen is tegenover de zijde overeenkomstig de rijrichting, en hij zijn voertuig of dieren reeds naar die andere zijde heeft gebracht ten einde daar een andere openbare weg in te slaan, zich op een aanpalende eigendom te begeven, of aan die andere zijde te stoppen.
  2. Alvorens in te halen moet elke bestuurder, onverminderd de bepalingen van paragraaf 1 van artikel 7 of van artikel 14, van dit Verdrag, zich ervan vergewissen :
  a) dat geen achterligger reeds begonnen is hem in te halen;
  b) dat de voorligger op dezelfde rijstrook niet te kennen heeft gegeven dat hij voornemens is een ander in te halen;
  c) dat de rijstrook die hij gaat volgen, over een voldoende afstand vrij is om het verkeer in de tegengestelde richting niet in gevaar te brengen of te hinderen, hierbij rekening houdend met het verschil tussen de snelheid van zijn eigen voertuig gedurende het inhalen en dit van de in te halen weggebruikers;
  d) dat hij, behalve wanneer hij een rijstrook volgt die voor het verkeer uit de tegengestelde richting is verboden, in staat zal zijn, zonder de in te halen weggebruiker of weggebruikers te hinderen, weer de plaats in te nemen als voorgeschreven in paragraaf 3 van artikel 10 van dit Verdrag.
  3. Ingevolge de bepalingen van paragraaf 2 van dit artikel is het in het bijzonder verboden in te halen op de rijbanen voor verkeer in beide richtingen wanneer men de top van een helling nadert en, wanneer het zicht onvoldoende is, in de bochten, tenzij op deze plaatsen rijstroken zijn aangegeven door overlangse strepen op het wegdek, en mits het inhalen plaatsvindt zonder de rijstroken te verlaten waarop de markeringen het verkeer uit de tegengestelde richting verbieden.
  4. Tijdens het inhalen moet elke bestuurder de in te halen weggebruiker of weggebruikers een voldoende zijdelingse ruimte laten.
  5. a) Op de rijbanen met ten minste twee rijstroken die uitsluitend zijn bestemd voor het verkeer in de richting die de bestuurder volgt, mag een bestuurder, indien hij gedwongen zou zijn opnieuw in te halen onmiddellijk of kort nadat hij zou zijn teruggekeerd naar de plaats als voorgeschreven door paragraaf 3 van artikel 10 van dit Verdrag, ten einde opnieuw in te halen, en mits hij zich ervan heeft vergewist dat hij zulks kan doen zonder de bestuurders van achter hem aankomende snellere voertuigen op noemenswaardige wijze te hinderen, op de rijstrook blijven waarop hij is gaan rijden voor het eerste inhalen.
  b) De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zijn echter vrij de bepalingen van die paragraaf niet toe te passen op de bestuurders van rijwielen, bromfietsen, motorfietsen en voertuigen die geen auto's zijn in de zin van dit Verdrag, of op de bestuurders van auto's waarvan het hoogste toegelaten gewicht meer is dan 3 500 kg (7 700 lbs), of waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid 40 km (25 mijl) per uur niet te boven gaat.
  6. In die gevallen waarin de bepalingen van paragraaf 5 a) van dit artikel van toepassing zijn, en waarin de verkeersdichtheid zodanig is dat de voertuigen niet alleen de gehele breedte van de rijbaan beslaan die uitsluitend is bestemd voor het verkeer in de richting waarin zij zich voortbewegen, maar zich bovendien voortbewegen met een snelheid die wordt bepaald door het vr hen rijdende voertuig in de file :
  a) wordt, onverminderd de bepalingen van paragraaf 9 van dit artikel, het zich voortbewegen van de voertuigen in n file met een grotere snelheid dan die van de voertuigen in een andere, niet beschouwd als inhalen in de zin van dit artikel;
  b) mag een bestuurder die zich niet op de rijstrook bevindt die het dichtst is gelegen aan de zijde van de rijbaan overeenkomstig de rijrichting, alleen van rijstrook veranderen als voorbereiding om rechts of links af te slaan dan wel te parkeren; deze bepaling is echter niet van toepassing op het veranderen van rijstrook overeenkomstig de voorschriften van de nationale wetgeving die voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen van paragraaf 5 b) van dit artikel.
  7. Bij het verkeer in files zoals beschreven in paragrafen 5 en 6 van dit artikel, is het de bestuurders verboden, daar, waar de rijstroken op de rijbaan zijn afgebakend door overlangse strepen, over deze strepen te rijden.
  8. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 2 van dit artikel en onverminderd andere beperkingen die de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen vaststellen met betrekking tot het inhalen op kruispunten en overwegen, is het de bestuurder van een voertuig verboden enig ander voertuig in te halen dan een tweewielig rijwiel, een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets zonder zijspan :
  a) onmiddellijk vr en op een kruispunt dat geen kruispunt met rondgaand verkeer is, behalve :
  (i) in het geval bedoeld in paragraaf 1 b) van dit artikel;
  (ii) wanneer het verkeer op de weg waarop het inhalen plaatsvindt bij het kruispunt voorrang heeft;
  (iii) wanneer het verkeer op het kruispunt wordt geregeld door een bevoegde persoon of door verkeerslichten;
  b) onmiddellijk vr en op overwegen die niet zijn voorzien van slagbomen of halve slagbomen; het staat de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan echter vrij het inhalen bij dergelijke overweg toe te laten daar, waar het <wegverkeer> wordt geregeld door verkeerslichten met een positief verkeersteken dat voertuigen toelaat door te rijden.
  9. Een voertuig mag niet een ander voertuig inhalen wanneer dit laatste een oversteekplaats voor voetgangers nadert, die als zodanig op het wegdek van de rijbaan is afgebakend of door een verkeersbord is aangegeven, of wanneer laatstgenoemd voertuig vlak vr de oversteekplaats is gestopt, behalve met een z geringe snelheid dat het onmiddellijk tot stilstand kan worden gebracht ingeval een voetganger zich op de oversteekplaats bevindt. Niets in die paragraaf mag zo worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten het inhalen binnen een voorgeschreven afstand van een oversteekplaats voor voetgangers te verbieden, of strengere voorschriften op te leggen aan een bestuurder van een voertuig die een ander voertuig wenst in te halen dat vlak vr zo'n oversteekplaats is gestopt.
  10. Elke bestuurder die merkt dat een achter hem rijdende bestuurder hem wenst in te halen, dient zich zoveel mogelijk naar de rand van de rijbaan in zijn richting te begeven en zijn snelheid niet te vermeerderen, behalve in het geval waarin is voorzien in paragraaf 1 b) van artikel 16 van dit Verdrag. Indien ten gevolge van de onvoldoende breedte, het profiel of de toestand van de rijbaan en mede gezien de dichtheid van het verkeer uit tegengestelde richting, een langzaam of omvangrijk voertuig of een voertuig dat een bepaalde maximumsnelheid in acht moet nemen, niet op gemakkelijke en veilige wijze kan worden ingehaald, dan dient de bestuurder van dergelijk voertuig zijn snelheid te verminderen en, indien nodig, zo snel en zo veel mogelijk uit te wijken naar de rand, ten einde de achter hem rijdende voertuigen in staat te stellen hem in te halen.
  11. a) De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen, op rijbanen met eenrichtingsverkeer, en op rijbanen voor verkeer in beide richtingen, met ten minste twee rijstroken in de bebouwde kommen, en ten minste drie rijstroken buiten de bebouwde kommen, welke rijstroken uitsluitend zijn bestemd voor verkeer in dezelfde richting en door overlangse strepen als zodanig zijn afgebakend :
  (i) de voertuigen op n rijstrook toestaan de voertuigen op een andere rijstrook in te halen aan de kant overeenkomstig de rijrichting;
  (ii) de bepalingen van paragraaf 3 van artikel 10 van dit Verdrag niet toepasselijk verklaren;
  mits er voldoende voorzieningen zijn getroffen die de mogelijkheid van het veranderen van rijstrook beperken;
  b) In het geval waarnaar wordt verwezen in lid a) van deze paragraaf onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 9 van dit artikel, dient de wijze waarop wordt gereden niet te worden opgevat als inhalen in de zin van dit Verdrag.

  Art. 12. Kruisen.
  1. Bij het kruisen moet elke bestuurder een voldoende zijdelingse afstand vrij laten en, zo nodig, moet hij zo dicht mogelijk naar de rand van de rijbaan overeenkomstig de rijrichting uitwijken; indien hij merkt dat hij door zo te handelen wordt gehinderd door een belemmering of door de aanwezigheid van andere weggebruikers, moet hij zijn snelheid verminderen en, indien nodig, stoppen, ten einde de hem tegemoetkomende weggebruiker of weggebruikers gelegenheid te geven hem voorbij te gaan.
  2. Op bergwegen en steile wegen met dezelfde eigenschappen als bergwegen, waar het onmogelijk of moeilijk is te kruisen, dient de bestuurder van het voertuig dat bergafwaarts rijdt zoveel mogelijk uit te wijken naar de rand van de weg, ten einde het bergopwaars rijdende voertuig in staat te stellen hem voorbij te gaan, behalve daar waar de aanleg van uitwijkplaatsen voor voertuigen om uit te wijken naar de rand van de weg zodanig is, dat in aanmerking genomen de snelheid en de plaats van de voertuigen, het bergopwaarts rijdende voertuig een dergelijke uitwijkplaats bijna heeft bereikt, zodat de noodzaak voor n van beide voertuigen een stuk achteruit te rijden kan worden vermeden, indien het bergopwaarts rijdende voertuig van de uitwijkplaats gebruik maakt. Indien een van beide voertuigen die elkaar gaan kruisen genoodzaakt is achteruit te rijden om het kruisen mogelijk te maken, dan dient de bestuurder van het bergafwaarts rijdende voertuig achteruit te rijden, tenzij dit maneuver duidelijk gemakkelijker kan worden uitgevoerd door de bestuurder van het bergopwaarts rijdende voertuig. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen echter voor bepaalde voertuigen of bepaalde wegen of gedeelten van wegen speciale regels voorschrijven die verschillen van die welke in deze paragraaf zijn vastgelegd.

  Art. 13. Snelheid en afstand tussen voertuigen.
  1. Elke bestuurder van een voertuig dient onder alle omstandigheden zijn voertuig dusdanig in zijn macht te hebben, dat hij in staat is de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en hij te allen tijde in staat is alle vereiste handelingen te verrichten. Bij het regelen van de snelheid van zijn voertuig dient hij voortdurend te letten op de omstandigheden, in het bijzonder op de plaatsgesteldheid, de toestand van de weg, de staat waarin zijn voertuig en de lading zich bevinden, de weersomstandigheden en de verkeersdichtheid, ten einde zijn voertuig binnen zijn gezichtsveld in voorwaartse richting tot stilstand te kunnen brengen voor enig voorzienbare hindernis.
  Hij moet zijn snelheid verminderen en, indien nodig, stoppen zo vaak de omstandigheden dit eisen, in het bijzonder wanneer het zicht niet goed is.
  2. Het is elke bestuurder verboden de normale gang van andere voertuigen te hinderen door abnormaal traag te rijden wanneer daar geen geldige reden toe is.
  3. De bestuurder van een voertuig dat achter een ander voertuig rijdt, dient voldoende afstand tot het voor hem rijdende voertuig te bewaren, ten einde een botsing te vermijden ingeval het voor hem rijdende voertuig plotseling zou vertragen of zou stoppen.
  4. Ten einde het inhalen te vergemakkelijken moeten bestuurders van voertuigen of van slepen met een hoogste toegelaten gewicht van meer dan 3 500 kg (7 700 lbs), of waarvan de totale lengte meer is dan 10 m (33 voet), buiten de bebouwde kommen, behalve wanneer zij zelf aan het inhalen zijn of aanstalten maken om in te halen, een zodanige afstand bewaren tot de vr hen rijdende motorvoertuigen, dat andere voertuigen die hun voertuig inhalen, zich zonder gevaar in de vrije ruimte vr het ingehaalde voertuig kunnen voegen. Deze bepaling is echter niet van toepassing bij zeer grote verkeersdichtheid, noch in omstandigheden waarin inhalen verboden is. Bovendien :
  a) kan het bevoegde gezag bepaalde colonnes voertuigen ontheffing van deze bepaling verlenen, ofwel kunnen zij deze niet van toepassing verklaren op wegen met twee rijstroken in de rijrichting waar het hier om gaat;
  b) kunnen de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan andere gewichten en afmetingen voorschrijven dan die welke in deze paragraaf zijn genoemd met betrekking tot de daarin beschreven eigenschappen van die voertuigen.
  5. Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd, dat het de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan belet, algemene of plaatselijke snelheidsbeperkingen voor te schrijven voor alle voertuigen of voor bepaalde categorien voertuigen, of minimum- en maximumsnelheden voor te schrijven dan wel een maximum- of een minimumsnelheid voor bepaalde wegen of op bepaalde soorten wegen, of minimumafstanden tussen voertuigen voor te schrijven wegens de aanwezigheid op de weg van bepaalde categorien voertuigen die een bijzonder gevaar opleveren, inzonderheid uit hoofde van hun gewicht of van hun lading.

  Art. 14. Algemene voorschriften betreffende de maneuvers.
  1. Elke bestuurder die een maneuver wil uitvoeren, zoals het verlaten van een rij geparkeerde voertuigen of het zich erin begeven, het zich naar rechts of naar links op de rijbaan begeven, of het links of rechts een andere weg inslaan, of een aan de weg gelegen eigendom binnenrijden, moet zich er eerst van vergewissen dat hij zulks kan doen zonder het risico, gevaar op te leveren voor andere weggebruikers die vr of achter hem rijden, of die op het punt staan hem te kruisen, waarbij hij rekening dient te houden met hun plaats, richting en snelheid.
  2. Elke bestuurder die wil keren, of die achteruit wil rijden, moet er zich eerst van vergewissen dat hij zulks kan doen zonder voor andere weggebruikers een gevaar of hinder op te leveren.
  3. Alvorens te keren of af te slaan of met een maneuver te beginnen dat een zijwaartse verplaatsing inhoudt, moet de bestuurder zijn voornemen tijdig genoeg en duidelijk kenbaar maken door middel van de richtingaanwijzer of -aanwijzers van zijn voertuig, of bij gebreke hiervan, door, indien mogelijk, het juiste teken te geven met de arm. De aanduiding door middel van de richtingsaanwijzer of -aanwijzers moet gedurende het gehele maneuver worden gegeven en beindigd zodra het maneuver voltooid is.

  Art. 15. Bijzondere voorschriften met betrekking tot voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer.
  Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgevingen bepalen dat binnen de bebouwde kommen, ten einde het verkeer met voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer te vergemakkelijken, de bestuurders van andere voertuigen, behoudens de bepalingen van paragraaf 1 van artikel 17 van dit Verdrag vertragen en, zo nodig, stoppen, ten einde die voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer de gelegenheid te geven het maneuver te verrichten dat nodig is om van de als zodanig aangegeven halteplaatsen weg te rijden. De aldus door de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan uitgevaardigde bepalingen wijzigen in niets de verplichting van de bestuurders van voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer om, nadat zij door middel van hun richtingaanwijzers hebben kenbaar gemaakt dat zij van plan zijn weg te rijden, de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen te treffen om de kans op ongelukken te vermijden.

  Art. 16. Richtingsverandering.
  1. Alvorens rechts of links af te slaan om een andere weg in te slaan of een aan de weg gelegen eigendom in te rijden, moet elke bestuurder, onverminderd de bepalingen van paragraaf 1 van artikel 7 en van artikel 14 van dit Verdrag :
  a) indien hij wil afslaan aan de zijde overeenkomstig de rijrichting, zo dicht mogelijk langs de rand te rijden van de rijbaan voor die rijrichting, en de bocht zo scherp mogelijk nemen;
  b) indien hij aan de andere zijde wil afslaan, en onder voorbehoud van andere bepalingen die de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan eventueel hebben vastgesteld voor rijwielen en bromfietsen, zich zo dicht mogelijk naar de as van de rijbaan begeven indien het een rijbaan voor verkeer in beide richtingen betreft, dan wel naar de rand tegenover die welke overeenkomt met de rijrichting wanneer het een rijbaan met nrichtingsverkeer betreft, en, indien hij een andere weg voor verkeer in beide richtingen wil inslaan, zijn bocht zodanig nemen dat hij de rijbaan van die andere weg oprijdt aan de zijde die overeenkomt met de rijrichting.
  2. Terwijl de bestuurder van richting verandert, moet hij, onverminderd de bepalingen van artikel 21 van dit Verdrag met betrekking tot de voetgangers, de hem tegemoetkomende voertuigen op de rijbaan die hij op het punt staat te verlaten, evenals rijwielen en bromfietsen die rijden op fietspaden welke de rijbaan, die hij op het punt staat op te rijden, kruisen, laten passeren.

  Art. 17. Snelheid minderen.
  1. Het is de bestuurder van een voertuig verboden plots te remmen wanneer dit niet om veiligheidsredenen vereist is.
  2. Elke bestuurder die de snelheid van zijn voertuig aanzienlijk wil verminderen, moet er zich eerst van vergewissen dat hij zulks kan doen zonder gevaar of overdreven hinder voor de andere bestuurders, behalve in die gevallen waar hij zijn snelheid moet verminderen uit hoofde van onmiddellijk dreigend gevaar. Bovendien moet hij zijn voornemen duidelijk en tijdig kenbaar maken door het daartoe geschikte gebaar met de arm te maken, tenzij hij er zich eerst van heeft vergewist dat geen ander voertuig achter hem rijdt, of dat een achter hem rijdend voertuig ver verwijderd is; deze bepaling is echter niet van toepassing wanneer het verminderen van de snelheid wordt aangegeven door middel van de stoplichten van het betrokken voertuig, zoals bedoeld in paragraaf 31 van bijlage 5 van dit Verdrag.

  Art. 18. Kruispunten en de verplichting voorrang te verlenen.
  1. Elke bestuurder die een kruispunt oprijdt, moet eens zoveel voorzichtigheid in acht nemen als de plaatselijke toestand vereist. De bestuurder van een voertuig moet in het bijzonder met die snelheid rijden die het hem mogelijk maakt te stoppen, ten einde de voertuigen die voorrang hebben, te laten passeren.
  2. Elke bestuurder die van een pad of een aardeweg een weg oprijdt die geen pad of aardeweg is, moet voorrang verlenen aan de voertuigen op die weg. Voor de toepassing van dit artikel kunnen de termen " pad " en " aardeweg " in de nationale wetgeving worden omschreven.
  3. Elke bestuurder die van een aanpalende eigendom de weg oprijdt, moet voorrang verlenen aan de voertuigen die op die weg rijden.
  4. Onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 7 van dit artikel :
  a) moet de bestuurder van een voertuig, in de Staten waar het verkeer rechts houdt, bij andere kruispunten dan die bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel en in de paragrafen 2 en 4 van artikel 25 van dit Verdrag, voorrang verlenen aan de van rechts komende voertuigen;
  b) zijn de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan in wier gebieden het verkeer links houdt, vrij de voorrang bij kruispunten naar eigen goedvinden te regelen.
  5. Zelfs wanneer verkeerslichten het toelaten, mag een bestuurder een kruispunt niet oprijden wanneer het verkeer zodanig belemmerd is, de verkeersdichtheid zodanig is dat hij waarschijnlijk zou moeten stoppen op het kruispunt en aldus het dwarsverkeer zou hinderen of beletten.
  6. Een bestuurder die een kruispunt opgereden is waar het verkeer door verkeerslichten wordt geregeld, mag dit kruispunt verlaten zonder te wachten tot het verkeer opengesteld is in de richting die hij gaat nemen, mits dit het verkeer van de andere weggebruikers in de opengestelde richting niet hindert.
  7. De bestuurders van voertuigen, andere dan spoorvoertuigen, moeten op de kruispunten voorrang verlenen aan de spoorvoertuigen.

  Art. 19. Overwegen.
  Elke weggebruiker moet dubbel voorzichtig zijn bij het naderen en oversteken van overwegen. In het bijzonder :
  a) Elke bestuurder van een voertuig moet met matige snelheid rijden;
  b) Onverminderd de verplichting om gevolg te geven aan een aanwijzing van een verkeerslicht of een geluidssignaal om te stoppen, mag een weggebruiker zich niet op een overweg begeven wanneer de slagbomen of de halve slagbomen de weg afsluiten, dan wel in beweging zijn om in deze stand te worden gebracht of wanneer de halve slagbomen nog niet geheel zijn geopend;
  c) Indien een overweg niet is voorzien van slagbomen, halve slagbomen of verkeerslichten, mag een weggebruiker zich niet op die overweg begeven zonder er zich eerst van te vergewissen dat geen spoorvoertuig in aantocht is;
  d) Een weggebruiker mag niet talmen bij het oversteken van een overweg; indien een voertuig gedwongen is te stoppen, moet de bestuurder trachten het van de sporen te verwijderen en, indien hij hiertoe niet bij machte is, moet hij onmiddellijk al het mogelijke doen opdat de bestuurders van spoorvoertuigen tijdig voor dit gevaar gewaarschuwd worden.

  Art. 20. Voorschriften voor voetgangers.
  1. Het staat de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan vrij de bepalingen van dit artikel al of niet te doen naleven behalve in die gevallen waarin het voetgangersverkeer op de rijbaan gevaarlijk zou kunnen zijn of het voertuigenverkeer zou hinderen.
  2. Waar terzijde van de rijbaan trottoirs of voor voetgangers begaanbare bermen aanwezig zijn, moeten de voetgangers die volgen. Evenwel en mits zij de nodige voorzorgsmaatregelen in acht nemen :
  a) mogen de voetgangers die omvangrijke voorwerpen voortduwen of dragen, de rijbaan volgen indien zij andere voetgangers ernstig zouden hinderen door het trottoir, het voetpad of de berm te volgen;
  b) mogen groepen van voetgangers onder geleide, of die een optocht vormen, de rijbaan volgen.
  3. Indien het niet mogelijk is de trottoirs, voetpaden of bermen te volgen, of bij het ontbreken hiervan, mogen de voetgangers de rijbaan volgen; indien er een fietspad is en indien de verkeersdichtheid zulks toelaat, mogen zij het fietspad volgen, evenwel zonder het verkeer van fietsers of bromfietsers te hinderen.
  4. De voetgangers die overeenkomstig de paragrafen 2 en 3 van dit artikel de rijbaan volgen, moeten zoveel mogelijk aan de rand van de rijbaan blijven.
  5. Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgevingen als volgt bepalen : de voetgangers die de rijbaan volgen, moeten zulks doen aan de zijde die ligt tegenover de zijde overeenkomstig de rijrichting, behalve wanneer dit hen in gevaar zou brengen. De personen daarentegen die een rijwiel, een bromfiets of een motorfiets aan de hand leiden en groepen voetgangers onder geleide of die een optocht vormen, moeten onder alle omstandigheden de zijde van de rijbaan overeenkomstig de rijrichting volgen. Tenzij zij een optocht vormen, moeten de voetgangers die de rijbaan volgen, 's nachts en bij slecht zicht, en overdag wanneer de verkeersdichtheid zulks vereist, zoveel mogelijk in n rij achter elkaar lopen.
  6. a) De voetgangers die een rijbaan wensen over te steken, mogen zich niet op de rijbaan begeven zonder de nodige voorzichtigheid te betrachten; zij moeten de oversteekplaatsen voor voetgangers volgen wanneer er een dichtbij aanwezig is.
  b) Ten einde over te steken op een oversteekplaats voor voetgangers die als zodanig door een verkeersbord of door markeringen op de rijbaan is aangeduid :
  (i) moeten de voetgangers, indien de oversteekplaats is voorzien van verkeerslichten voor voetgangers, de door deze lichten gegeven aanduidingen opvolgen;
  (ii) mogen de voetgangers, indien de oversteekplaats niet van dergelijke lichten is voorzien, doch het voertuigenverkeer wordt geregeld door verkeerslichten dan wel door een bevoegd persoon, zich niet op de rijbaan begeven zolang het verkeerslicht of de tekens van de bevoegde persoon aangeven dat het verkeer daarop mag doorrijden;
  (iii) mogen de voetgangers bij alle andere oversteekplaatsen voor voetgangers zich niet op de rijbaan begeven zonder rekening te houden met de afstand en de snelheid van de naderende voertuigen.
  c) Ten einde de rijbaan over te steken op andere plaatsen dan oversteekplaatsen voor voetgangers, die als zodanig door een verkeersbord of door markeringen op de rijbaan zijn aangeduid, mogen de voetgangers zich niet op de rijbaan begeven zonder er zich eerst van te vergewissen dat zij zulks kunnen doen zonder het voertuigenverkeer te hinderen.
  d) Zodra de voetgangers zich op de rijbaan hebben begeven om over te steken, mogen zij niet onnodig een lang traject nemen, noch zonder noodzaak op de rijbaan blijven staan of nodeloos langzaam oversteken.
  7. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan mogen de voetgangers die de rijbaan oversteken echter strengere voorschriften opleggen.

  Art. 21. Gedrag van de bestuurders tegenover de voetgangers.
  1. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 1 van artikel 7, van paragraaf 9 van artikel 11, en van paragraaf 1 van artikel 13 van dit Verdrag, wanneer een oversteekplaats voor voetgangers op een rijbaan als zodanig is aangeduid door een verkeersbord of door markering op de rijbaan :
  a) moeten, indien het verkeer met voertuigen bij zo'n oversteekplaats wordt geregeld door verkeerslichten of door een bevoegd persoon, de bestuurders die niet mogen doorrijden, vr de oversteekplaats stoppen en mogen zij, zodra zij mogen doorrijden, het oversteken van voetgangers, die zich reeds op de oversteekplaats begeven hebben en die bezig zijn over te steken onder de voorwaarden bedoeld in artikel 20 van dit Verdrag, niet beletten of hinderen; de bestuurders die een andere weg inslaan aan het begin waarvan zich een oversteekplaats voor voetgangers bevindt, moeten zulks langzaam doen en voorrang verlenen, waarbij zij indien dat nodig is daartoe moeten stoppen, aan de voetgangers die zich op de oversteekplaats hebben begeven of op het punt staan er zich op te begeven onder de voorwaarden bedoeld in paragraaf 6 van artikel 20 van dit Verdrag;
  b) moeten, indien het verkeer met voertuigen bij die oversteekplaats niet wordt geregeld door verkeerslichten of door een bevoegd persoon, de bestuurders een dergelijke oversteekplaats voor voetgangers met een zo geringe snelheid naderen, dat zij de voetgangers die daar bezig zijn over te steken of op het punt staan over te steken niet in gevaar brengen; zo nodig, moeten de bestuurders stoppen om deze voetgangers in staat te stellen over te steken.
  2. De bestuurders die voornemens zijn een voertuig voor gemeenschappelijk vervoer bij een als zodanig aangeduide halte in te halen aan de zijde overeenkomstig de rijrichting, moeten hun snelheid verminderen en zo nodig stoppen, ten einde de passagiers in staat te stellen in of uit dat voertuig te stappen.
  3. Geen enkele bepaling in dit artikel mag zo worden uitgelegd, dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten :
  - de bestuurders van voertuigen te verplichten altijd te stoppen wanneer voetgangers zich op een oversteekplaats voor voetgangers begeven hebben of op het punt staan zich er op te begeven, wanneer die oversteekplaats voor voetgangers als zodanig is aangeduid door een verkeersbord of door markeringen op de rijbaan onder de voorwaarden bedoeld in artikel 20 van dit Verdrag, of
  - de bestuurders te verbieden het oversteken van voetgangers te beletten of te hinderen die een rijbaan oversteken bij of dichtbij een kruispunt, zelfs wanneer op die plaats geen oversteekplaats voor voetgangers is die als zodanig is aangeduid door een verkeersbord of door markeringen op de rijbaan.

  Art. 22. Vluchtheuvels op de rijbaan.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 10 van dit Verdrag mag elke bestuurder de vluchtheuvels, zuilen en andere inrichtingen die op de rijbaan zijn aangebracht, links of rechts laten, behalve in de volgende gevallen :
  a) wanneer de zijde aan welke de vluchtheuvel, de zuil of de inrichting gelaten moet worden, door een verkeersteken is aangeduid;
  b) wanneer de vluchtheuvel, de zuil of de inrichting is aangebracht op de as van een rijbaan voor verkeer in beide richtingen; in dit laatste geval moet de bestuurder de vluchtheuvel, de zuil of de inrichting aan de zijde overeenkomstig de rijrichting laten.

  Art. 23. Stilstaan en parkeren.
  Buiten de bebouwde kommen moeten de stilstaande of de geparkeerde voertuigen en dieren, zoveel mogelijk, buiten de rijbaan worden geplaatst; zij mogen niet worden geplaatst op de fietspaden, en, tenzij de nationale wetgeving zulks toelaat, evenmin op de trottoirs of bermen die voor voetgangers zijn aangelegd.
  2. a) De op de rijbaan stilstaande of geparkeerde dieren en voertuigen moeten zo dicht mogelijk bij de rand van de rijbaan geplaatst worden. Een bestuurder mag zijn voertuig niet op een rijbaan laten stilstaan of parkeren, behalve aan de zijde overeenkomstig zijn rijrichting; niettemin is het toegelaten aan de andere kant stil te staan of te parkeren, daar, waar het stilstaan of parkeren aan de zijde overeenkomstig de rijrichting niet mogelijk is door de aanwezigheid van sporen. Bovendien mogen de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan :
  (i) zich ervan onthouden om onder bepaalde voorwaarden het stilstaan en het parkeren aan de ene dan wel aan de andere zijde te verbieden, bijvoorbeeld wanneer het stilstaan aan de zijde overeenkomstig de rijrichting door middel van verkeersborden verboden is;
  (ii) op de rijbanen met nrichtingsverkeer het stilstaan of parkeren aan de zijde niet overeenkomstig de rijrichting toelaten, zowel gelijktijdig met als in plaats van stilstaan en parkeren aan de zijde overeenkomstig de rijrichting;
  (iii) het stilstaan en parkeren in het midden van de rijbaan toelaten op speciaal daartoe aangeduide plaatsen.
  b) Behalve wanneer door de nationale wetgeving anderszins is bepaald, mogen geen twee voertuigen naast elkaar op de rijbaan stilstaan of geparkeerd zijn, met uitzondering van tweewielige rijwielen, tweewielige bromfietsen en tweewielige motorfietsen zonder zijspan. Tenzij de plaatsgesteldheid een andere schikking toelaat, moeten de stilstaande of geparkeerde voertuigen worden geplaatst evenwijdig met de rand van de rijbaan.
  3. a) Het stilstaan en parkeren van een voertuig op de rijbaan is verboden :
  (i) op de oversteekplaatsen voor voetgangers, op de oversteekplaatsen voor rijwielen en op de overwegen;
  (ii) op de sporen, op een weg, of zo dicht bij dergelijke sporen dat het rijden van trams of treinen erdoor zou kunnen worden belemmerd, en tevens, onder voorbehoud van de mogelijkheid voor de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan om andere regelingen vast te stellen, op trottoirs en fietspaden.
  b) Het stilstaan en parkeren van een voertuig is verboden op iedere plaats waar dit gevaar zou opleveren en wel in het bijzonder :
  (i) onder de viaducten en in de tunnels, behalve op de plaatsen die daartoe speciaal zijn aangeduid;
  (ii) op de rijbaan, vlak bij de top van een helling en in de bochten waar het zicht niet voldoende is om het voertuig op volstrekt veilige wijze te kunnen voorbijrijden, rekening houdende met de snelheid der voertuigen op dat deel van de weg;
  (iii) op de rijbaan naast een overlangse streep, in die gevallen waarin onder b) (ii) van deze paragraaf niet van toepassing is, maar waar de breedte van de rijbaan tussen die streep en het voertuig minder dan 3 m (100 voet) is en waar die streep van die aard is, dat naderende voertuigen aan dezelfde zijde de streep niet mogen overschrijden.
  c) Het parkeren van een voertuig op de rijbaan is verboden :
  (i) in de nabijheid van de overwegen, kruispunten en autobus-, trolleybus- of tramhalten en wel binnen de door de nationale wetgeving voorgeschreven afstanden;
  (ii) vr de inrij van eigendommen;
  (iii) op elke plaats waar het geparkeerde voertuig het instappen in een ander op juiste wijze geparkeerd voertuig of het wegrijden van zulk voertuig zou verhinderen;
  (iv) op de middelste rijbaan van een openbare weg met drie rijbanen en, buiten de bebouwde kommen, op de rijbanen van openbare wegen die door de passende verkeerstekens als voorrangswegen zijn aangeduid;
  (v) op elke plaats waar het geparkeerde voertuig verkeersborden of verkeerslichten aan het zicht van de weggebruikers zou onttrekken.
  4. Een bestuurder mag zijn voertuig of zijn dieren niet verlaten zonder alle nodige voorzorgen te hebben genomen om enig ongeval te voorkomen en, als het een motorvoertuig betreft, om te voorkomen dat het zonder toelating zou gebruikt worden.
  5. Het verdient aanbeveling dat de nationale wetgevingen bepalen dat met uitzondering van een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets zonder zijspan, elk motorvoertuig en elke al of niet vastgekoppelde aanhangwagen, wanneer dit of deze op een rijbaan buiten een bebouwde kom niet in beweging is, op voldoende afstand wordt aangeduid door ten minste n hiertoe geschikte inrichting, op het meest geschikte punt geplaatst, ten einde de naderende bestuurders tijdig te waarschuwen :
  a) indien het voertuig 's nachts op de rijbaan niet in beweging is onder zodanige voorwaarden, dat de naderende bestuurders de aanwezigheid van de door dit voertuig gevormde belemmering niet kunnen ontwaren;
  b) indien de bestuurder, in andere gevallen, genoodzaakt is zijn voertuig te doen stoppen op plaatsen waar het verboden is stil te staan.
  6. Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd, dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten andere verbodsbepalingen ten aanzien van parkeren en stilstaan in te voeren.

  Art. 24. Openen van portieren.
  Het is verboden het portier van een voertuig te openen, of open te laten, of uit een voertuig te stappen zonder zich er van vergewist te hebben dat dit de andere weggebruikers niet in gevaar kan brengen.

  Art. 25. Autosnelwegen en soortgelijke wegen.
  1. Op de autosnelwegen en, indien zulks in de nationale wetgeving is bepaald, op de speciale op- en afritten van de autosnelwegen :
  a) is het verkeer verboden voor voetgangers, dieren, rijwielen, bromfietsen, tenzij deze met motorfietsen worden gelijkgesteld, en alle andere voertuigen met uitzondering van auto's en hun aanhangwagens, alsook voor auto's of hun aanhangwagens die, door hun constructie, niet in staat zouden zijn de door de nationale wetgeving vastgestelde snelheid op een horizontale weg te bereiken;
  b) is het de bestuurders verboden :
  (i) hun voertuigen te laten stilstaan of te parkeren op andere plaatsen dan op de aangeduide parkeerplaatsen; indien een voertuig genoodzaakt is te stoppen, moet zijn bestuurder trachten het voertuig van de rijbaan te verwijderen en het ook van de vluchtstrook te verwijderen en, indien hem dit niet mogelijk is, de aanwezigheid van het voertuig onmiddellijk op afstand kenbaar maken, ten einde naderende bestuurders tijdig te waarschuwen;
  (ii) hun voertuig te keren, achteruit te rijden of op de centrale scheidende strook te rijden, hetgeen tevens geldt voor de verbindingen tussen die rijbanen.
  2. De bestuurders die een autosnelweg oprijden, moeten :
  a) indien de oprit niet is verlengd met een invoegstrook, voorrang verlenen aan voertuigen die op de autosnelweg rijden;
  b) indien er wel een invoegstrook is, hiervan gebruik maken, en zich in het verkeer op de autosnelweg invoegen, met inachtneming van de voorschriften van paragrafen 1 en 3 van artikel 14 van dit Verdrag.
  3. De bestuurder die de autosnelweg verlaat, moet zich tijdig op de rijstrook begeven die hem naar de afrit voert en zo snel mogelijk op de uitrijstrook rijden, indien er een uitrijstrook is.
  4. Voor de toepassing van de paragrafen 1, 2 en 3 van dit artikel worden de andere wegen die uitsluitend zijn bestemd voor verkeer met auto's, die op de juiste wijze door verkeersborden als zodanig zijn aangeduid, en die de aanpalende eigendommen niet bedienen, met autosnelwegen gelijkgesteld.

  Art. 26. Speciale voorschriften van toepassing op optochten en minder-validen.
  1. Het is de weggebruikers verboden militaire colonnes, rijen van schoolkinderen onder geleide en andere optochten te doorbreken.
  2. De minder-validen rijdend in invalidenwagens, die zij zelf voortbewegen, of die stapvoets rijden, mogen de trottoirs en de begaanbare bermen volgen.

  Art. 27. Speciale voorschriften van toepassing op fietsers, bromfietsers en bestuurders van motorfietsen.
  1. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 3 van artikel 10 van dit Verdrag, staat het de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan vrij de fietsers niet te verbieden met twee of meer naast elkaar te rijden.
  2. Het is de fietsers verboden te rijden zonder het stuur vast te houden, zich te laten voorttrekken door een ander voertuig, dan wel voorwerpen te vervoeren, te trekken of voort te duwen die het fietsen hinderen of gevaar opleveren voor de andere weggebruikers. Dezelfde bepalingen gelden ook voor bromfietsers en voor de bestuurders van motorfietsen, maar bovendien moeten deze laatste het stuur met beide handen vasthouden, behalve eventueel om het teken te geven voor het maneuver voorgeschreven in paragraaf 3 van artikel 14 van dit Verdrag.
  3. Het is de fietsers en de bromfietsers verboden passagiers op hun voertuig mee te voeren; de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen echter uitzonderingen op deze bepaling toestaan, en, met name, het vervoer van passagiers toestaan op (een) bijkomende zitplaats(en) die aan het rijwile (is) (zijn) bevestigd. Bestuurders van motorfietsen mogen geen passagiers meevoeren, behalve in een zijspan, en op een bijkomende zitplaats, die achter de bestuurder aan de motorfiets is bevestigd.
  4. Daar waar een fietspad bestaat, mogen de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan de fietsers verbieden de rest van de rijbaan te gebruiken. In hetzelfde geval mogen zij bromfietsers toestaan het fietspad te volgen en, indien zij zulks raadzaam achten, hun verbieden de rest van de rijbaan te volgen.

  Art. 28. Geluids- en lichtsignalen.
  1. De geluidssignalen mogen alleen worden gebruikt :
  a) om doeltreffend te waarschuwen ten einde een ongeluk te voorkomen;
  b) buiten de bebouwde kommen, wanneer het nuttig is een bestuurder te waarschuwen dat hij op het punt staat te worden ingehaald.
  De voortbrenging van geluid door de geluidssignalen mag niet langer duren dan noodzakelijk is.
  2. De bestuurders van auto's kunnen tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, in plaats van waarschuwingen door middel van geluidssignalen, waarschuwingen geven door middel van de lichtsignalen bepaald in paragraaf 5 van artikel 33 van dit Verdrag. Zij kunnen dit ook overdag doen voor het doel aangegeven in lid b) van paragraaf 1 van dit artikel, indien zulks wegens de omstandigheden doeltreffender is.
  3. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen het gebruik van waarschuwingen door middel van lichtsignalen in de bebouwde kommen ook toestaan voor het doel aangegeven in paragraaf 1 b), van dit artikel.

  Art. 29. Spoorvoertuigen.
  1. Daar waar een spoorweg een rijbaan volgt, moet elke weggebruiker bij het naderen van een tram of van een ander spoorvoertuig, de spoorweg zo snel mogelijk verlaten ten einde het spoorvoertuig te laten passeren.
  2. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen, voor het verkeer van spoorvoertuigen op de openbare weg en voor het kruisen of inhalen van dergelijke voertuigen, speciale regels aannemen die verschillen van die welke in dit hoofdstuk zijn bepaald. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen echter geen bepalingen vaststellen die in strijd zijn met die van paragraaf 7 van artikel 18 van dit Verdrag.

  Art. 30. Lading van de voertuigen.
  1. Indien een hoogste toegelaten gewicht van een voertuig is vastgesteld, mag het gewicht in beladen toestand van het voertuig het hoogste toegelaten gewicht nooit overschrijden.
  2. Elke lading van een voertuig moet zodanig geschikt worden en, zo nodig, gestuwd, dat wordt voorkomen dat de lading :
  a) mensen in gevaar brengt of schade veroorzaakt aan openbare of priv eigendommen, met name doordat zij over de weg wordt voortgesleurd of op de weg valt;
  b) het zicht van de bestuurder hindert of de stabiliteit of het besturen van het voertuig in het gedrang brengt;
  c) lawaai veroorzaakt, stof doet opwaaien of ander ongemak veroorzaakt dat kan worden vermeden;
  d) de lichten onzichtbaar maakt, met inbegrip van de stoplichten en de richtingaanwijzers, de reflectoren, de kentekens en het onderscheidingsteken van de Staat waar het voertuig is ingeschreven en waarvan het voertuig voorzien moet zijn overeenkomstig dit Verdrag of overeenkomstig de nationale wetgeving, of tekens onzichtbaar maakt die overeenkomstig paragraaf 3 van artikel 14 of paragraaf 2 van artikel 17 van dit Verdrag met de arm worden gegeven.
  3. Al wat dient om de lading vast te maken of te beschutten zoals kabels, kettingen en dekzeilen, moet strak om de lading heen getrokken worden en stevig vastgemaakt. Al wat dient om de lading te beschutten, moet voldoen aan de eisen die ten aanzien van de lading zijn vastgelegd in paragraaf 2 van dit artikel.
  4. De ladingen die uitsteken buiten de voor-, achter- of zijkant(en) van het voertuig, moeten duidelijk worden gesignaleerd in alle gevallen waar het uitsteken niet zou kunnen worden opgemerkt door de bestuurders van de andere voertuigen; 's nachts moet de voorkant worden gesignaleerd door een wit licht en een witte reflector, de achterzijde door een rood licht en een rode reflector. Met name bij de motorvoertuigen :
  a) moeten de ladingen, die meer dan 1 meter (3 voet 4 duim) buiten het voor- of achtereinde van het voertuig uitsteken, altijd worden gesignaleerd;
  b) moeten de ladingen die zijwaarts zover uitsteken buiten de uiterste rand van het voertuig, dat het verst zijwaarts uitstekende punt meer dan 0,40 (16 duim) ligt van de buitenste rand van het standlicht aan de voorzijde van het voertuig, 's nachts aan de voorzijde gesignaleerd zijn en evenzo moeten ladingen die zover uitsteken, dat de uiterste rand aan de zijkant ervan meer dan 0,40 m (16 duim) ligt van de buitenste rand van het achterlicht aan de achterzijde van het voertuig, 's nachts gesignaleerd zijn aan de achterzijde.
  5. Niets in paragraaf 4 van dit artikel mag zo worden uitgelegd, dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten, uitstekende ladingen, als bedoeld in genoemde paragraaf 4, te verbieden, te beperken of te onderwerpen aan speciale vergunningen.

  Art. 31. Gedrag bij een ongeval.
  1. Onverminderd de bepalingen van de nationale wetgevingen met betrekking tot de verplichting hulp te bieden aan de gekwetsten, moet elke bestuurder of elke andere weggebruiker die bij een ongeluk betrokken is :
  a) zo snel mogelijk stoppen zonder een bijkomend gevaar te veroorzaken voor het verkeer;
  b) trachten de verkeersveiligheid op de plaats van het ongeluk te verzekeren en, indien iemand bij het ongeval is gedood of zwaar is gewond, alle veranderingen in de toestand ter plaatse, waaronder het verdwijnen van sporen die nuttig zouden kunnen zijn bij het vaststellen van de verantwoordelijkheid, vermijden, in zoverre zulks de verkeersveiligheid niet benvloedt;
  c) zichzelf tegenover andere personen die bij het ongeval zijn betrokken identificeren, indien hem zulks door dezen wordt gevraagd;
  d) ingeval iemand bij het ongeval is gewond of gedood, de politie waarschuwen en op de plaats van het ongeluk blijven of ernaar terugkeren en daar op de komst van de politie wachten, tenzij de politie hem heeft toegestaan te vertrekken, of indien hij de gewonde(n) moet helpen of zelf hulp nodig heeft.
  2. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen overeenkomstig hun nationale wetgeving, zich ervan onthouden de bepalingen van lid d) van paragraaf 1 van dit artikel toe te passen in gevallen waarin geen ernstig letsel is veroorzaakt en waarin geen van de betrokken personen verzoekt dat de politie wordt gewaarschuwd.

  Art. 32. Verlichting : Algemene voorschriften.
  1. In de zin van dit artikel betekent " 's nachts " de tijd tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en tevens alle andere tijden gedurende welke het zicht onvoldoende is uit hoofde van bijvoorbeeld mist, sneeuwval, zware regen of het rijden door een tunnel.
  2. 's Nachts :
  a) moet elk motorvoertuig dat zich op een openbare weg bevindt, met uitzondering van een bromfiets of een tweewielige motorfiets zonder zijspan, aan de voorzijde ten minste twee witte of gele lichten voeren, en een even aantal rode lichten aan de achterzijde, overeenkomstig de bepalingen voor motorvoertuigen voorzien in de paragrafen 23 en 24 van bijlage 5; de nationale wetgevingen mogen echter aan de voorzijde amberkleurige standlichten toestaan. De bepalingen van dit lid zijn van toepassing op slepen van een auto met n of meer aanhangwagens, en in dergelijk geval moeten de rode lichten zich bevinden aan de achterzijde van de achterste aanhangwagen; de aanhangwagens, waarop de bepalingen van paragraaf 30 van bijlage 5 van dit Verdrag van toepassing zijn, moeten aan de voorzijde de twee witte lichten voeren, waarmee zij moeten zijn uitgerust overeenkomstig de bepalingen van genoemde paragraaf 30;
  b) moet elk voertuig of elke sleep waarop de bepalingen van lid a) van die paragraaf niet van toepassing zijn, en zich op een openbare weg bevindt, ten minste n wit of selectief geel licht aan de voorzijde voeren en ten minste n rood licht aan de achterzijde; waar aan de vr- of achterzijde slechts n licht brandt, moet dit licht bevestigd zijn op de lengteas van het voertuig ofwel aan de zijde tegenovergesteld aan die overeenkomstig de rijrichting; bij door dieren getrokken voertuigen en handkarren mogen de lampen door de bestuurder of door een begeleider in de hand worden gedragen, mits deze naast het voertuig loopt aan de zijde tegenovergesteld aan die overeenkomstig de rijrichting.
  3. De lichten, bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel moeten zodanig zijn, dat zij de aanwezigheid van het voertuig duidelijk aan andere weggebruikers kenbaar maken; het licht aan de voorzijde en het licht aan de achterzijde mogen niet door dezelfde lamp of dezelfde inrichting worden uitgestraald, tenzij de eigenschappen van het voertuig, en wel speciaal zijn geringe lengte, dusdanig zijn, dat onder deze voorwaarden aan deze eis kan worden voldaan.
  4. a) In afwijking van de bepalingen van paragraaf 2 van dit artikel :
  (i) zijn de bepalingen van genoemde paragraaf 2 niet van toepassing op stilstaande of geparkeerde voertuigen op een zodanig verlichte openbare weg, dat de voertuigen op voldoende afstand duidelijk zichtbaar zijn;
  (ii) behoeven motorvoertuigen, die niet langer zijn dan 6 m (20 voet) en niet breder dan 2 m (6 voet 6 duim), en waaraan geen ander voertuig is gekoppeld wanneer zij stilstaan of geparkeerd zijn op een openbare weg binnen een bebouwde kom, slechts n brandend licht te hebben aan die zijde van het voertuig die het verst is verwijderd van de zijkant van de rijbaan waarlangs het voertuig stilstaat of is geparkeerd; dit licht dient naar voren wit of amberkleurig en naar achteren rood of amberkleurig te zijn;
  (iii) de bepalingen van lid b) van genoemde paragraaf 2 van dit artikel zijn niet van toepassing op tweewielige rijwielen, op tweewielige bromfietsen en op tweewielige motorfietsen zonder zijspan, welke niet zijn uitgerust met batterijen en die binnen een bebouwde kom aan de uiterste kant van de rijbaan stilstaan of geparkeerd zijn.
  b) De nationale wetgeving mag bovendien vrijstelling verlenen van de bepalingen van dit artikel ten behoeve van :
  (i) de stilstaande of geparkeerde voertuigen op speciale plaatsen buiten de rijbaan;
  (ii) de stilstaande of geparkeerde voertuigen in woonstraten waar zeer weinig verkeer is.
  5. Onder geen enkele omstandigheid mogen aan de voorzijde van een voertuig rood licht, rood reflecterende inrichtingen, of rood reflecterende stoffen worden getoond, of wit of selectief geel licht, wit of selectief geel reflecterende inrichtingen of wit of selectief geel reflecterende stoffen aan de achterzijde; deze bepaling is niet van toepassing op het gebruik van witte of selectief gele achteruitrijlichten, noch op de weerkaatsing van lichtgekleurde nummers of letters op de kentekenplaten die aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht, of op de nationaliteitstekens of andere merktekens die door de nationale wetgeving zijn voorgeschreven, noch op de weerkaatsing van de lichte achtergrond van dergelijke borden of tekens, noch op de draaiende of knipperende rode lichten van bepaalde voorrangsvoertuigen.
  6. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen, voor zover zij zulks mogelijk achten zonder de verkeersveiligheid in gevaar te brengen, in hun nationale wetgeving vrijstelling verlenen van de bepalingen van dit artikel, ten behoeve van :
  a) de door dieren getrokken voertuigen en handkarren;
  b) de voertuigen van een speciale vorm of soort of die voor speciale doeleinden en onder speciale voorwaarden worden gebruikt.
  7. Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd, dat dit een belemmering voor de nationale wetgeving zou vormen om van groepen voetgangers, onder geleide of die een optocht vormen, en van geleiders van vee, hetzij enkele dieren of kudden of van trek-, last- of rijdieren, te eisen dat zij, wanneer zij zich op de rijbaan bevinden onder de voorwaarden als omschreven in paragraaf 2 b) van dit artikel, een reflecterende inrichting of een licht zullen tonen; in een dergelijk geval dient het gereflecteerde of uitgestraalde licht naar voren wit of selectief geel en naar achteren rood te zijn of amberkleurig in beide richtingen.

  Art. 33. Verlichting : regels voor het gebruik van de lichten bedoeld in bijlage 5.
  1. De bestuurder van een voertuig dat is uitgerust met grote lichten, dimlichten, standlichten en achterlichten, zoals bepaald in bijlage 5 bij dit Verdrag, moet genoemde lichten in de volgende voorwaarden gebruiken, wanneer het voertuig, ingevolge artikel 32 van dit Verdrag, verplicht is ten minste een of twee witte of selectief gele lichten aan de voorzijde te voeren :
  a) de grote lichten mogen niet branden binnen de bebouwde kommen waar de weg op voldoende wijze is verplicht, noch buiten de bebouwde kommen waar de rijbaan ononderbroken is verlicht en waar de verlichting voldoende is om de bestuurder in staat te stellen over een behoorlijke afstand duidelijk te zien, noch wanneer het voertuig stilstaat;
  b) onder voorbehoud van het toestaan door de nationale wetgeving van het gebruik van de grote lichten overdag, wanneer het zicht onvoldoende is, bijvoorbeeld ten gevolge van mist, sneeuwval, zware regen, of bij het rijden door een tunnel, mogen de grote lichten niet branden, of moeten de lichten zodanig worden afgesteld, dat zij verblinding voorkomen :
  (i) wanneer een bestuurder op het punt is een ander voertuig te kruisen; indien de grote lichten worden gebruikt, moeten ze in dit geval uitgeschakeld worden, of zodanig worden afgesteld, dat op voldoende afstand verblinding van de bestuurder van het andere voertuig wordt voorkomen om deze in staat te stellen ongehinderd en zonder gevaar door te rijden;
  (ii) wanneer een voertuig een ander voertuig op korte afstand volgt; in dit geval mogen de grote lichten echter worden gebruikt overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5 van dit artikel, ten einde het voornemen kenbaar te maken dat de bestuurder van plan is in te halen, zoals bepaald in artikel 28 van dit Verdrag;
  (iii) onder alle andere omstandigheden waarin het nodig is verblinding van andere weggebruikers of van gebruikers van een waterweg of spoorweg die langs de weg loopt, te vermijden;
  c) onder voorbehoud van de bepalingen van lid d) van deze paragraaf, moeten dimlichten worden ingeschakeld wanneer het gebruik van de grote lichten is verboden ingevolge de bepalingen van lid a) en lid b) hierboven en kunnen die worden gebruikt in plaats van de grote lichten wanneer de dimlichten voldoende zijn om de bestuurder in staat te stellen op voldoende afstand duidelijk te zien en andere weggebruikers in staat te stellen het voertuig op voldoende afstand te zien;
  d) de standlichten moeten worden gebruikt samen met de grote lichten, met de dimlichten en met de mistlichten. Ze mogen als enig licht worden gebruikt wanneer het voertuig stilstaat of geparkeerd is of wanneer, op de openbare wegen die geen autosnelwegen zijn of de openbare wegen als bedoeld in paragraaf 4 van artikel 25 van dit Verdrag, de verlichting van zodanige aard is, dat de bestuurder duidelijk op voldoende afstand kan zien en dat andere weggebruikers het voertuig op voldoende afstand kunnen zien.
  2. Een voertuig dat is voorzien van mistlichten, zoals omschreven in bijlage bij dit Verdrag, mag genoemde lichten alleen voeren bij mist, sneeuwval of zware regen. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 c) van dit artikel, mogen de mistlichten onder genoemde omstandigheden alleen worden gevoerd ter vervanging van de dimlichten, hoewel de nationale wetgeving in dit geval het gelijktijdige gebruik van de mistlichten en de dimlichten kan toestaan.
  3. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2 van dit artikel, kan de nationale wetgeving toestaan dat de mistlichten worden gebruikt op smalle wegen met veel bochten, zelfs wanneer er geen sprake is van mist, sneeuwval of zware regen.
  4. Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd, dat dit een belemmering voor de nationale wetgeving zou vormen om bestuurders te verplichten binnen de bebouwde kommen de dimlichten te voeren.
  5. De waarschuwingen door middel van lichtsignalen als bedoeld in paragraaf 2 van artikel 29 bestaan uit het met korte tussenpozen in- en uitschakelen van de dimlichten, of uit het knipperen van de grote lichten, of uit het om beurten, met korte tussenpozen in- en uitschakelen van de dimlichten en de grote lichten.

  Art. 34. Afwijkingen.
  1. Zodra een weggebruiker door de bijzondere licht- en geluidssignalen van een voorrangsvoertuig voor het naderen van dit voertuig wordt gewaarschuwd, moet hij voldoende ruimte op de rijbaan vrijlaten opdat dit voertuig kan doorrijden, en hij moet, indien nodig, stoppen.
  2. De nationale wetgevingen kunnen bepalen dat bestuurders van voorrangsvoertuigen, wanneer zij kennis geven van hun nadering door middel van de bijzondere licht- en geluidssignalen van hun voertuig, en mits zij andere weggebruikers niet in gevaar brengen, niet verplicht zijn zich aan een of alle bepalingen te houden die in dit hoofdstuk II zijn vervat, met uitzondering van die van paragraaf 2 van artikel 6.
  3. De nationale wetgevingen kunnen vaststellen in welke mate personen die werkzaam zijn bij de aanleg, het herstel of het onderhoud van wegen, met inbegrip van de bestuurders van machines die voor dit werk worden gebruikt, niet verplicht zijn zich, mits zij de nodige voorzichtigheid betrachten, gedurende hun werkzaamheden aan de bepalingen van dit hoofdstuk II te houden.
  4. Ten einde de machines genoemd in paragraaf 3 van dit artikel, in te halen of te kruisen terwijl deze voor werkzaamheden op de weg worden gebruikt, behoeven de bestuurders van andere voertuigen, in de mate waarin zulks nodig is en mits zij de nodige voorzichtigheid betrachten, de eisen van artikelen 11 en 12 van dit Verdrag niet in acht te nemen.

  HOOFDSTUK III. - Voorwaarden voor de toelating van auto's en aanhangwagens tot het internationale verkeer.

  Art. 35. Inschrijving.
  1. a) Ten einde de voorrechten van dit Verdrag te kunnen genieten, moet elke auto in het internationale verkeer en elke aanhangwagen, met uitzondering van een lichte aanhangwagen, die aan een auto is gekoppeld, door een Verdragsluitende Partij of een onderdeel daarvan worden ingeschreven, en moet de bestuurder van zo'n auto een geldig bewijs van een dergelijke inschrijving bij zich dragen, dat ofwel is uitgegeven door een bevoegd gezag van zo'n Verdragsluitende Partij of onderdeel daarvan, dan wel door de vereniging namens en gemachtigd door deze Verdragsluitende Partij of onderdeel daarvan. Dit bewijs, aangeduid als kentekenbewijs, moet tenminste de volgende gegevens bevatten :
  Een serienummer, aangeduid als het kenteken, samengesteld op de wijze die is beschreven in bijlage 2 van dit Verdrag;
  De datum van de eerste inschrijving van het voertuig;
  De naam, de voornamen en de woonplaats van de houder van het bewijs;
  De naam of het fabrieksmerk van de bouwer van het voertuig;
  Het serienummer van het chassis (het fabrieks- of serienummer van de bouwer);
  Indien het voertuig is bestemd voor goederenvervoer, het hoogste toegelaten gewicht;
  De geldigheidsduur, indien deze niet onbeperkt is;
  De gegevens die op het kentekenbewijs zijn ingevuld, dienen ofwel met gewone (Latijnse) drukletters of in lopend schrift (Engels cursief) te zijn geschreven, dan wel op een van deze wijzen te worden herhaald.
  b) De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen echter besluiten dat de kentekenbewijzen die in hun grondgebied worden uitgegeven in plaats van de datum van de eerste inschrijving, het bouwjaar dient te worden ingevuld.
  2. In afwijking van de bepalingen van paragraaf 1 van dit artikel kan een geleed voertuig, waarvan de samenstellende delen niet zijn ontkoppeld terwijl het zich in het internationale verkeer bevindt, toch de voorrechten van de bepalingen van dit Verdrag genieten, zelfs wanneer het slechts nmaal is ingeschreven en n enkel kentekenbewijs heeft voor het trekkende voertuig en de oplegger waaruit het is samengesteld.
  3. Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd, dat dit het recht beperkt van de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan een bewijs te eisen van het recht van de bestuurder in het bezit te zijn van een voertuig, wanneer dit voertuig in het internationale verkeer niet is ingeschreven op naam van iemand die zich in het voertuig bevindt.
  4. Aanbevolen wordt dat de Verdragsluitende Partijen, indien zij zulks nog niet hebben gedaan, een speciale dienst oprichten die verantwoordelijk is voor de inschrijving, nationaal dan wel regionaal, van alle motorvoertuigen die in gebruik werden genomen, alsmede een centraal inschrijvingsregister, waarin voor elk voertuig de gegevens die op het kentekenbewijs zijn ingevuld, zijn opgetekend.

  Art. 36. Het kenteken.
  1. Op elke auto in het internationale verkeer moet aan de voor- en achterzijde het kenteken zijn aangebracht; op motorfietsen echter behoeft het kenteken alleen aan de achterzijde te zijn aangebracht.
  2. Op elke ingeschreven aanhangwagen in het internationale verkeer moet het kenteken aan de achterzijde zijn aangebracht. Wanneer een auto een of meer aanhangwagens voorttrekt, dient op de enige, of de achterste aanhangwagen, indien deze niet is ingeschreven, het kenteken van het trekkende voertuig aangebracht te zijn.
  3. De samenstelling van het kenteken als bedoeld in dit artikel, en de wijze waarop het moet zijn aangebracht, moeten voldoen aan de bepalingen van bijlage 2 bij dit Verdrag.

  Art. 37. Het onderscheidingsteken van de Staat waarin het voertuig is ingeschreven.
  1. Op elke auto in het internationale verkeer moet aan de achterzijde, behalve zijn kenteken, het onderscheidingsteken zijn aangebracht van de Staat waarin het is ingeschreven.
  2. Op elke aanhangwagen die aan een auto is gekoppeld en waarop, ingevolge artikel 36 van dit Verdrag, aan de achterzijde een kenteken moet aangebracht zijn, moet aan de achterzijde tevens het onderscheidingsteken zijn aangebracht van de Staat waarin het kenteken werd afgegeven. De bepalingen van die paragraaf zijn zelfs van toepassing wanneer de aanhangwagen is ingeschreven in een andere Staat dan die waarin de auto waaraan de aanhangwagen is gekoppeld, is ingeschreven; indien de aanhangwagen niet is ingeschreven, moet deze aan de achterzijde het onderscheidingsteken dragen van de Staat waarin het trekkende voertuig is ingeschreven, behalve wanneer het in die Staat rijdt.
  3. De samenstelling van het onderscheidingsteken als bedoeld in dit artikel, en de wijze waarop het moet worden bevestigd, moeten voldoen aan de eisen van bijlage 3 bij dit Verdrag.

  Art. 38. Identificatiemerken.
  Elke auto en elke aanhangwagen in het internationale verkeer moeten voorzien zijn van de identificatiemerken bedoeld in bijlage 4 bij dit Verdrag.

  Art. 39. Technische eisen.
  Elke auto, elke aanhangwagen en elke sleep in het internationale verkeer moet voldoen aan de bepalingen van bijlage 5 bij dit Verdrag. Bovendien moeten zij rijtechnisch in goede staat van onderhoud verkeren.

  Art. 40. Overgangsbepaling.
  Gerekend op het tijdstip waarop dit Verdrag overeenkomstig paragraaf 1 van artikel 47 van kracht wordt, kunnen aanhangwagens in het internationale verkeer ongeacht hun hoogste toegelaten gewicht, gedurende een periode van tien jaar de voorrechten van de bepalingen van dit Verdrag genieten, zelfs wanneer zij niet zijn ingeschreven.

  HOOFDSTUK IV. - Bestuurders van auto's.

  Art. 41. De geldigheid van rijbewijzen.
  1. De Verdragsluitende Partijen erkennen :
  a) elk nationaal rijbewijs dat in de eigen landstaal of in een van de eigen landstalen is gesteld, of, indien het niet in een van deze talen is gesteld, dat vergezeld gaat van een gewaarmerkte vertaling;
  b) elk nationaal rijbewijs dat voldoet aan de bepalingen vastgelegd in bijlage 6 bij dit Verdrag;
  c) elk internationaal rijbewijs dat voldoet aan de bepalingen vastgelegd in bijlage 7 bij dit Verdrag als geldig voor het besturen op hun grondgebied van een voertuig dat valt binnen de categorien waarvoor dit rijbewijs is afgegeven, mits het rijbewijs nog geldig is en mits het is afgegeven door een andere Verdragsluitende Partij of onderdeel daarvan of door een daartoe door die andere Verdragsluitende Partij gemachtigde vereniging. De bepalingen van die paragraaf hebben geen betrekking op rijbewijzen voor leerlingbestuurders.
  2. Onverminderd de bepalingen van de voorgaande paragraaf :
  a) moet het rijbewijs, in gevallen waarin de geldigheid van het rijbewijs door een speciale aantekening afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat de houder van het rijbewijs bepaalde apparaten moet dragen, of dat het voertuig op een bepaalde wijze moet zijn aangepast aan de invaliditeit van de bestuurder, alleen als geldig worden erkend als aan deze voorwaarden is voldaan;
  b) kunnen de Verdragsluitende Partijen weigeren, op hun grondgebied de geldigheid te erkennen van rijbewijzen, die in het bezit zijn van personen onder de achttien jaar;
  c) kunnen de Verdragsluitende Partijen weigeren op hun grondgebied de geldigheid te erkennen van rijbewijzen voor het besturen van auto's of slepen van de categorien, C, D en E, als bedoeld in bijlagen 6 en 7 bij dit Verdrag, die in het bezit zijn van personen onder de eenentwintig jaar.
  3. De Verdragsluitende Partijen verbinden zich de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat de nationale en internationale rijbewijzen, als bedoeld in paragraaf 1, onder a), b) en c) van dit artikel, op hun grondgebied worden afgegeven zonder een redelijke waarborg ten aanzien van de rijvaardigheid en lichamelijke geschiktheid van de bestuurder.
  4. Voor de toepassing van paragraaf 1 en van paragraaf 2 c), van dit artikel :
  a) kan aan een auto van de categorie B, als bedoeld in bijlagen 6 en 7 bij dit Verdrag, een lichte aanhangwagen worden gekoppeld; er mag ook een aanhangwagen aan worden gekoppeld waarvan het hoogste toegelaten gewicht meer dan 750 kg (1 650 pond), maar niet meer dan de tarra van de auto bedraagt, indien het hoogste toegelaten gewicht van de aldus gekoppelde voertuigen samen niet meer bedraagt dan 3 500 kg (7 700 pond);
  b) kan aan een auto van de categorie C of van de categorie D, als bedoeld in bijlagen 6 en 7 bij dit Verdrag, een lichte aanhangwagen worden gekoppeld zonder dat het hierdoor gevormde samenstel ophoudt tot de categorie C of de categorie D te behoren.
  5. Een internationaal rijbewijs mag alleen worden afgegeven aan de houder van een nationaal rijbewijs, dat is afgegeven met inachtneming van de in dit Verdrag gestelde minimumvoorwaarden. Het mag niet geldig zijn na de vervaldatum van het bijbehorende nationale rijbewijs, waarvan het nummer op het internationale rijbewijs dient te worden vermeld.
  6. De bepalingen van dit artikel verplichten de Verdragsluitende Partijen niet :
  a) de geldigheid van de nationale of internationale rijbewijzen te erkennen wanneer deze op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij zijn afgegeven aan personen die, ten tijde van deze afgifte, hun normale woonplaats op hun grondgebied hadden, of die er sinds deze afgifte heen zijn verhuisd;
  b) de geldigheid te erkennen van rijbewijzen, zoals hierboven bedoeld, die zijn afgegeven aan bestuurders die, ten tijde van deze afgifte, hun normale woonplaats niet op het grondgebied hadden waar het rijbewijs werd afgegeven of die sinds deze afgifte naar een ander grondgebied zijn verhuisd.

  Art. 42. Schorsing van de geldigheid van de rijbewijzen.
  1. De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen een bestuurder het recht ontzeggen van zijn nationale of internationale rijbewijs op hun grondgebied gebruik te maken, indien hij op hun grondgebied inbreuk heeft gemaakt op hun voorschriften, waardoor ingevolge hun wetgeving zijn rijbewijs kan worden ingetrokken. In een zodanig geval kan het bevoegde gezag van de Verdragsluitende Partij of een onderdeel daarvan die het recht tot gebruik maken van het rijbewijs ontzegt :
  a) de houder het rijbewijs ontnemen en dit onder zich houden tot afloop van de termijn van ontzegging van het recht tot het gebruik maken van het rijbewijs of totdat de houder van het rijbewijs het grondgebied van deze Partij verlaat, naargelang welk van beide gevallen zich het eerst voordoet;
  b) kennis geven van de ontzegging van het recht tot gebruik maken van het rijbewijs aan het gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven of namens wie het is afgegeven;
  c) wanneer het een internationaal rijbewijs betreft, op de daartoe bestemde plaats een aantekening maken dat het rijbewijs op hun grondgebied niet langer geldig is;
  d) wanneer zij de procedure bepaald onder a) van deze paragraaf niet toepast, aan de kennisgeving bedoeld onder b), een verzoek toevoegen, gericht aan het gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven of namens wie het is afgegeven om de betrokken persoon op de hoogte te stellen van het besluit dat te zijnen aanzien is genomen.
  2. De Verdragsluitende Partijen dienen alles in het werk te stellen om de betrokken personen op de hoogte te stellen van de besluiten die hun zijn medegedeeld overeenkomstig de procedure neergelegd in paragraaf 1, onder lid d), van dit artikel.
  3. Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd, dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten een bestuurder, die een nationaal of internationaal rijbewijs bezit, ervan te weerhouden een voertuig te besturen, wanneer het duidelijk waarneembaar of aangetoond is dat hij in zodanige toestand verkeert, dat hij niet in staat is op veilige wijze te rijden, of indien het recht om te besturen hem is ontzegd in de Staat waar hij zijn normale verblijfplaats heeft.

  Art. 43. Overgangsbepaling.
  De internationale rijbewijzen, die overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag nopens het <Wegverkeer>, ondertekend te Genve op 19 september 1949, zijn afgegeven binnen vijf jaar, te rekenen van de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Verdrag, overeenkomstig paragraaf 1 van artikel 47, worden voor de toepassing van artikel 41 en 42 van het onderhavige Verdrag op dezelfde wijze behandeld als de in het onderhavige Verdrag bedoelde internationale rijbewijzen.

  HOOFDSTUK V. - Voorwaarden voor de toelating van rijwielen en bromfietsen tot het internationale verkeer.

  Art. 44. 1. In het internationale verkeer moeten rijwielen zonder motor :
  a) een goed werkende rem hebben;
  b) uitgerust zijn met een bel die op voldoende afstand hoorbaar is, geen ander apparaat voor het geven van geluidssignalen hebben;
  c) uitgerust zijn met een rode reflector aan de achterzijde en voorts met zodanige uitrustingen, dat het rijwiel aan de voorzijde een wit of selectief geel licht kan tonen en een rood licht aan de achterzijde.
  2. Op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen die niet, overeenkomstig paragraaf 2 van artikel 54 van dit Verdrag, een verklaring hebben afgelegd dat zij bromfietsen als motorfietsen behandelen, moeten bromfietsen in het internationale verkeer :
  a) twee onafhankelijke remmen hebben;
  b) uitgerust zijn met een bel of met een andere inrichting voor het geven van geluidssignalen die op voldoende afstand hoorbaar zijn;
  c) uitgerust zijn met een goed werkende geluidsdemper op de uitlaat;
  d) zodanig zijn uitgerust, dat zij aan de voorzijde een wit of selectief geel licht kunnen tonen en een rood licht alsmede een rode reflector aan de achterzijde;
  e) het identificatiemerk tonen als voorgeschreven in bijlage 4 bij dit Verdrag.
  3. Op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig paragraaf 2 van artikel 54 van dit Verdrag, hebben verklaard dat zij bromfietsen als motorfietsen behandelen, worden bromfietsen tot het internationale verkeer toegelaten wanneer zij voldoen aan de voorwaarden voor motorfietsen, zoals vastgelegd in bijlage 5 bij dit Verdrag.

  HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.

  Art. 45. 1. Dit Verdrag is tot 31 december 1969 in het hoofdkwartier der Verenigde Naties te New York opengesteld voor ondertekening door alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, van een van de gespecialiseerde organisaties, of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie of door de Staten die Partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, alsmede door elke andere Staat die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is uitgenodigd Partij te worden bij dit Verdrag.
  2. Dit Verdrag moet worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging moeten worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
  3. Dit Verdrag blijft opengesteld voor toetreding door alle Staten bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.
  4. Elke Staat stelt bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding, de Secretaris-Generaal in kennis van het onderscheidingsteken dat hij heeft uitgekozen om in het internationale verkeer te worden getoond door de voertuigen die door de betrokken Staat zijn ingeschreven, overeenkomstig bijlage 3 bij dit Verdrag. Door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal gericht, kan elke Staat het op een vroeger tijdstip uitgekozen onderscheidingsteken veranderen.

  Art. 46. 1. Elke Staat kan bij de ondertekening of de bekrachtiging van dit Verdrag, of bij toetreding tot het Verdrag, alsook te allen tijde daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, verklaren dat het Verdrag van toepassing wordt voor n of meer gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is. Het Verdrag wordt van toepassing voor het gebied of de gebieden genoemd in de kennisgeving dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal dan wel op de datum waarop het Verdrag in werking treedt in de Staat die de kennisgeving heeft afgelegd, welke van beide data later valt.
  2. Elke Staat die een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel, kan op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, verklaren dat het Verdrag niet langer van toepassing zal zijn voor het in de kennisgeving genoemde gebied en het Verdrag zal dan niet langer van toepassing zijn voor dat gebied met ingang van een jaar te rekenen van de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen.
  3. Elke Staat die een verklaring aflegt als bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel, dient de Secretaris-Generaal in kennis te stellen van het onderscheidingsteken of de onderscheidingstekens die door deze Staat zijn uitgekozen om in het internationale verkeer te worden aangebracht op voertuigen die in het betrokken gebied of in de betrokken gebieden zijn ingeschreven, overeenkomstig bijlage 3 bij dit Verdrag. Door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving kan elke Staat het op een vroeger tijdstip uitgekozen onderscheidingsteken veranderen.

  Art. 47. 1. Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum van nederlegging van de vijftiende akte van bekrachtiging of toetreding.
  2. Voor elke Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt nadat de vijftiende akte van bekrachtiging of van toetreding is nedergelegd, treedt het Verdrag in werking twaalf maanden na de datum waarop deze Staat zijn akte van bekrachtiging of van toetreding heeft nedergelegd.

  Art. 48. Bij zijn inwerkingtreding beindigt en vervangt dit Verdrag tussen de Verdragsluitende Partijen, het Internationale Verdrag betreffende het verkeer met motorrijtuigen en het Internationale Verdrag betreffende het <wegverkeer>, beide getekend te Parijs op 24 april 1926, het Verdrag ter regeling van het Inter-Amerikaanse verkeer met motorrijtuigen, opengesteld voor ondertekening te Washington op 15 december 1943, en het Verdrag nopens het <Wegverkeer>, opengesteld voor ondertekening te Genve op 19 september 1949.

  Art. 49. 1. Wanneer dit Verdrag een jaar van kracht is geweest, kan elke Verdragsluitende Partij een of meer wijzigingen in dit Verdrag voorstellen. De tekst van de wijzigingsvoorstellen, vergezeld van een memorie van toelichting, wordt toegezonden aan de Secretaris-Generaal, die deze ter kennis van alle Verdragsluitende Partijen brengt.
  De Verdragsluitende Partijen hebben de gelegenheid hem, binnen een tijdvak van twaalf maanden te rekenen van de datum van die kennisgeving, mede te delen of zij : a) de wijzigingen aanvaarden; of b) de wijziging verwerpen; of c) wensen dat een conferentie wordt bijeengeroepen ter bestudering van die wijziging. De Secretaris-Generaal doet de tekst van de voorgestelde wijziging tevens toekomen aan alle andere Staten, als bedoeld in paragraaf 1 van artikel 45 van dit Verdrag.
  2. a) Elke voorgestelde wijziging waarvan overeenkomstig de voorgaande paragraaf kennis is gegeven, wordt geacht te zijn aanvaard, indien, binnen het tijdperk van twaalf maanden als bedoeld in de voorgaande paragraaf, minder dan een derde van de Verdragsluitende Partijen de Secretaris-Generaal hebben medegedeeld, dat zij de wijziging verwerpen, dan wel dat zij wensen dat een conferentie wordt bijeengeroepen ter bestudering van de wijziging. De Secretaris-Generaal stelt alle Verdragsluitende Partijen in kennis van elke aanvaarding of verwerping van elke voorgestelde wijziging en van verzoeken om een conferentie bijeen te roepen. Indien het totale aantal van dergelijke verwerpingen en verzoeken die gedurende het voorgeschreven tijdvak van twaalf maanden zijn ontvangen minder dan een derde bedraagt van het totale aantal Verdragsluitende Partijen, stelt de Secretaris-Generaal alle Verdragsluitende Partijen ervan in kennis dat de wijziging van kracht zal worden zes maanden na afloop van het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in de voorgaande paragraaf en wel, voor alle Verdragsluitende Partijen met uitzondering van die, welke, gedurende het voorgeschreven tijdvak, de wijziging hebben verworpen of hebben verzocht een conferentie bijeen te roepen om haar te bestuderen.
  b) Elke Verdragsluitende Partij die, gedurende genoemd tijdvak van twaalf maanden, een voorgestelde wijziging heeft verworpen of heeft verzocht een conferentie bijeen te roepen om ze te bestuderen, kan te allen tijde na afloop van bedoeld tijdvak, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij de wijziging aanvaardt, en de Secretaris-Generaal deelt deze kennisgeving mede aan alle andere Verdragsluitende Partijen. De wijziging wordt dan ten aanzien van de Verdragsluitende Partijen die kennis hebben gegeven van het aanvaarden daarvan van kracht, zes maanden na ontvangst van hun kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
  3. Indien een voorgestelde wijziging niet is aanvaard overeenkomstig paragraaf 2 van dit artikel, en indien binnen het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel minder dan de helft van het totale aantal Verdragsluitende Partijen de Secretaris-Generaal heeft medegedeeld dat zij de voorgestelde wijziging verwerpt, en indien ten minste een derde van het totale aantal Verdragsluitende Partijen, maar niet minder dan tien, hem mededeelt ze te aanvaarden dan wel wenst dat een conferentie wordt bijeengeroepen om ze te bestuderen, roept de Secretaris-Generaal een conferentie bijeen ten einde de voorgestelde wijziging of ieder ander voorstel te bestuderen dat hem kan worden voorgelegd overeenkomstig paragraaf 4 van dit artikel.
  4. Indien een conferentie is bijeengeroepen overeenkomstig paragraaf 3 van dit artikel, nodigt de Secretaris-Generaal alle Staten, als bedoeld in paragraaf 1 van artikel 45 van dit Verdrag daartoe uit. Hij verzoekt alle tot de conferentie uitgenodigde Staten hem, uiterlijk zes maanden vr de openingsdatum van de conferentie, alle voorstellen voor te leggen die zij behalve de voorgestelde wijziging ook door de conferentie wensen te laten bestuderen en hij deelt dergelijke voorstellen, uiterlijk drie maanden vr de openingsdatum van de conferentie, mede aan alle tot de conferentie uitgenodigde Staten.
  5. a) Elke wijziging op dit Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard indien zij is aanvaard door een tweederde-meerderheid van de ter conferentie vertegenwoordigde Staten, mits deze meerderheid ten minste tweederde bedraagt van de ter conferentie vertegenwoordigde Verdragsluitende Partijen. De Secretaris-Generaal stelt alle Verdragsluitende Partijen in kennis van het aanvaarden van de wijziging en de wijziging wordt van kracht twaalf maanden na de datum van deze kennisgeving, en wel voor alle Verdragsluitende Partijen met uitzondering van die, welke gedurende dit tijdvak de Secretaris-Generaal ervan in kennis hebben gesteld dat zij de wijziging verwerpen.
  b) Een Verdragsluitende Partij, die een wijziging gedurende genoemd tijdvak van twaalf maanden heeft verworpen, kan de Secretaris-Generaal te allen tijde ervan in kennis stellen dat zij de wijziging aanvaardt, en de Secretaris-Generaal deelt deze kennisgeving mede aan alle andere Verdragsluitende Partijen. De wijziging wordt ten aanzien van de Verdragsluitende Partij die kennis heeft gegeven van het aanvaarden daarvan, van kracht, zes maanden na ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal, of aan het eind van genoemd tijdvak van twaalf maanden, welke van beide data lter valt.
  6. Indien de voorgestelde wijziging niet wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig paragraaf 2 van dit artikel, en indien aan de in paragraaf 3 van dit artikel voorgeschreven voorwaarden met betrekking tot het bijeenroepen van een conferentie niet is voldaan, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn verworpen.

  Art. 50. Elke Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag opzeggen door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte schriftelijke kennisgeving. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

  Art. 51. Dit Verdrag houdt op van kracht te zijn indien het aantal Verdragsluitende Partijen gedurende een tijdvak van twaalf achtereenvolgende maanden minder is dan vijf.

  Art. 52. Elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, welk geschil de Partijen niet door onderhandelingen of door andere middelen tot regeling van een geschil kunnen oplossen, kan, op verzoek van een van de betrokken Verdragsluitende Partijen bij het Internationale Gerechtshof ter beslissing aanhangig worden gemaakt.

  Art. 53. Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd, dat een Verdragsluitende Partij daardoor zou worden belet de maatregelen te nemen die deze Partij noodzakelijk acht voor haar binnenlandse of buitenlandse veiligheid, en die verenigbaar zijn met de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, en beperkt blijven tot de vereisten der gegeven omstandigheden.

  Art. 54.
  1. Elke Staat kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door artikel 52 van dit Verdrag. Andere Verdragsluitende Partijen zijn niet gebonden door artikel 52 met betrekking tot een Verdragsluitende Partij die een dergelijke verklaring heeft afgelegd.
  2. Bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding kan elke Staat, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, verklaren dat hij voor de toepassing van dit Verdrag, bromfietsen als motorfietsen behandelt (artikel 1, n).
  Door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving kan elke Staat deze verklaring naderhand te allen tijde intrekken.
  3. De verklaringen bedoeld in paragraaf 2 van dit artikel treden in werking zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal deze kennisgeving heeft ontvangen, of op de datum waarop het Verdrag voor deze Staat van kracht wordt, welke van beide data later valt.
  4. Elke verandering van een vroeger gekozen onderscheidingsteken, waarvan kennis is gegeven overeenkomstig paragraaf 4 van artikel 45, of paragraaf 3 van artikel 46 van dit Verdrag, treedt in werking drie maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving hiervan heeft ontvangen.
  5. Elk voorbehoud ten aanzien van dit Verdrag en de bijlagen daarbij, met uitzondering van het voorbehoud bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel, is toegestaan op voorwaarde dat elk voorbehoud schriftelijk wordt gemaakt, en dat het, indien het is gemaakt vr de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding, in deze akte wordt bevestigd. De Secretaris-Generaal deelt deze voorbehouden mede aan alle Staten bedoeld in paragraaf 1 van artikel 45 van dit Verdrag.
  6. Elke Verdragsluitende Partij die een voorbehoud heeft gemaakt of een verklaring heeft afgelegd zoals bedoeld in de paragrafen 1 tot 4 van dit artikel, kan dit te allen tijde intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving.
  7. Elk voorbehoud, gemaakt overeenkomstig paragraaf 5 van dit artikel :
  a) wijzigt voor de Verdragsluitende Partij die het voorbehoud heeft gemaakt de bepalingen van dit Verdrag waarop het voorbehoud betrekking heeft, zulks overeenkomstig de draagwijdte van het voorbehoud;
  b) wijzigt deze bepalingen in dezelfde mate voor de andere Verdragsluitende Partijen ten aanzien van hun betrekkingen met de Verdragsluitende Partij die het voorbehoud heeft gemaakt.

  Art. 55. Behalve de verklaringen, mededelingen en kennisgevingen bedoeld in de artikelen 49 en 54 van dit Verdrag, stelt de Secretaris-Generaal alle Staten bedoeld in paragraaf 1 van artikel 45 in kennis van :
  a) De ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen ingevolge artikel 45;
  b) De kennisgevingen en verklaringen ingevolge paragraaf 4 van artikel 45 en artikel 46;
  c) De data waarop dit Verdrag van kracht wordt overeenkomstig artikel 47;
  d) De datum waarop de wijzigingen van dit Verdrag van kracht worden overeenkomstig de paragrafen 2 en 5 van artikel 49;
  e) De opzeggingen ingevolge artikel 50;
  f) De beindiging van dit Verdrag ingevolge artikel 51.

  Art. 56. De oorspronkelijke tekst van dit Verdrag, gedaan in n enkel exemplaar in de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle vijf teksten gelijkelijk authentiek, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die voor eensluitend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten bedoeld in paragraaf 1 van artikel 45 van dit Verdrag.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. BIJLAGE 1. - Uitzonderingen op de verplichting motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale verkeer toe te laten.

  Art. 1N1.
  1. De Verdragsluitende Partijen kunnen weigeren in hun grondgebieden motorvoertuigen, aanhangwagens of slepen in het internationale verkeer toe te laten, waarvan het totale gewicht, of het gewicht per as, of de afmetingen, de maxima overschrijden die door hun nationale wetgeving zijn vastgesteld voor voertuigen die op hun grondgebied zijn ingeschreven. De Verdragsluitende Partijen op wier grondgebied internationaal verkeer met zware voertuigen plaatsvindt, moeten trachten regionale overeenkomsten te sluiten, krachtens welke de wegen in zo'n gebied, met uitzondering van minder belangrijke wegen, in het internationale verkeer openstaan voor voertuigen of slepen waarvan het gewicht en de afmetingen de in deze overeenkomsten genoemde maxima niet overschrijden.

  Art. 2N1.
  2. Voor de toepassing van paragraaf 1 van deze bijlage wordt het zijdelings uitsteken van de volgende onderdelen niet beschouwd als uitsteken buiten de toegestane maximale breedte :
  a) Banden, bij het punt waar ze de grond raken, en verbindingen met spanningsmeters;
  b) Antislipapparaten die op de wielen zijn gemonteerd;
  c) Achteruitkijkspiegels, die zodanig zijn ontworpen, dat ze met matige kracht zowel naar voren als naar achteren zijn te verstellen, zodat ze niet meer buiten de toegestane maximale breedte uitsteken;
  d) Opzij aangebrachte richtingsaanwijzers en omtreklichten, mits deze niet meer dan enkele centimeters uitsteken;
  e) Douanezegels die aan de lading zijn gehecht en de inrichtingen die worden gebruikt om dergelijke zegels te bevestigen en te beschermen.

  Art. 3N1.
  3. De Verdragsluitende Partijen kunnen weigeren op hun grondgebied de volgende slepen in internationaal verkeer toe te laten, voor zover het gebruik van dergelijke samenstellen door hun nationale wetgeving is verboden :
  a) Motorfietsen met aanhangwagens;
  b) Slepen bestaande uit een auto en verschillende aanhangwagens;
  c) Gelede voertuigen die gebruikt worden voor personen.

  Art. 4N1.
  4. De Verdragsluitende Partijen kunnen weigeren op hun grondgebied de motorvoertuigen en aanhangwagens in internationaal verkeer toe te laten, waarop de uitzonderingen aangegeven in paragraaf 60 van bijlage 5 bij dit Verdrag van toepassing zijn.

  Art. 5N1.
  5. De Verdragsluitende Partijen kunnen weigeren op hun grondgebied bromfietsen en motorfietsen in internationaal verkeer toe te laten, waarvan de bestuurders en eventuele passagiers niet zijn voorzien van een valhelm.

  Art. 6N1.
  6. De Verdragsluitende Partijen kunnen, voor het toelaten tot hun grondgebied in internationaal verkeer, ten aanzien van elk motorvoertuig, dat geen tweewielige bromfiets of tweewielige motorfiets zonder zijspan is, de voorwaarden stellen, dat het motorvoertuig dient te zijn uitgerust met een apparaat als bedoeld in paragraaf 56 van bijlage 5 bij dit Verdrag, als waarschuwing voor het gevaar dat de aanwezigheid van het voertuig vormt, wanneer het op de rijbaan stilstaat.

  Art. 7N1.
  7. De Verdragsluitende Partijen kunnen voor het toelaten in internationaal verkeer op bepaalde moeilijke wegen, of in bepaalde streken met moeilijke terreinen op hun grondgebied de voorwaarde stellen dat auto's met een hoogst toegelaten gewicht van meer dan 3 500 kg (7 700 pond) moeten voldoen aan de speciale eisen, zoals vastgelegd in hun nationale wetgeving met betrekking tot het toelaten op zulke wegen of in zulke streken van voertuigen met hetzelfde hoogst toegelaten gewicht die in hun grondgebied zijn ingeschreven.

  Art. 8N1.
  8. De Verdragsluitende Partijen kunnen weigeren op hun grondgebied motorvoertuigen in internationaal verkeer toe te laten, die zijn uitgerust met dimlichten met een asymetrische lichtbundel, indien deze lichtbundel niet is aangepast aan de rijrichting in hun gebied.

  Art. 9N1.
  9. De Verdragsluitende Partijen kunnen weigeren op hun grondgebied motorvoertuigen of aanhangwagens die aan een auto zijn gekoppeld, in internationaal verkeer toe te laten, indien deze een ander onderscheidingsteken dragen dan is voorgeschreven in artikel 37 van dit Verdrag.

  Art. N2. BIJLAGE 2. - Kenteken van motorvoertuigen en aanhangwagens in internationaal verkeer.

  Art. 1N2.
  1. Het kenteken bedoeld in de artikelen 35 en 36 van dit Verdrag moet samengesteld zijn uit cijfers of uit cijfers en letters. De cijfers moeten Arabische cijfers zijn en de letters moeten Latijnse hoofdletters zijn. Er kunnen evenwel andere cijfers en letters worden gebruikt, in welk geval het kenteken moet worden herhaald in Arabische cijfers en Latijnse hoofdletters.

  Art. 2N2.
  2. Het kenteken moet zodanig zijn samengesteld en aangebracht, dat het overdag bij helder weer op een afstand van ten minste 40 m (130 voet) leesbaar is voor een waarnemer die zich, wanneer het voertuig stilstaat, in het verlengde van de as van het voertuig bevindt; de Verdragsluitende Partijen kunnen echter, ten aanzien van voertuigen die zij inschrijven, deze minimumafstand voor de leesbaarheid verminderen voor motorfietsen en voor speciale categorien motorvoertuigen, waarop het moeilijk zou zijn een kenteken aan te brengen van zodanige afmetingen, dat het op 40 m (130 voet) afstand leesbaar is.

  Art. 3N2.
  3. Wanneer het kenteken op een speciale plaat is aangebracht, moet deze plaat vlak zijn en in verticale of nagenoeg verticale stand zijn aangebracht loodrecht op de lengteas van het voertuig. Wanneer het kenteken op het voertuig is aangebracht of geschilderd, moet het oppervlak waarop het is aangebracht of geschilderd vlak en verticaal zijn, of nagenoeg vlak en verticaal, loodrecht op de lengteas van het voertuig.

  Art. 4N2.
  4. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 5 van artikel 32, kan de plaat of het vlak, waarop het kenteken is aangebracht of geschilderd, van reflecterend materiaal zijn vervaardigd.

  Art. N3. BIJLAGE 3. - Nationaliteitsteken van motorvoertuigen en aanhangwagens in het internationale verkeer.

  Art. 1N3.
  1. Het onderscheidingsteken bedoeld in artikel 37 van dit Verdrag bestaat uit een, twee of drie Latijnse hoofdletters. De letters dienen ten minste 0,08 m (3,1 duim) hoog te zijn en een lijndikte te hebben van ten minste 0,01 m (0,4 duim). De letters dienen in zwart op een witte ovale achtergrond geschilderd te zijn, waarvan de langste as horizontaal is gericht.

  Art. 2N3.
  2. Wanneer het onderscheidingsteken slechts uit n letter bestaat, kan de langste as van het ovaal ook vertiaal zijn gericht.

  Art. 3N3.
  3. Het onderscheidingsteken mag niet worden verwerkt in het kenteken, of op zodanige wijze worden aangebracht, dat het met dit kenteken zou kunnen worden verward, of dat het de leesbaarheid van dit kenteken zou kunnen verminderen.

  Art. 4N3.
  4. Op motorfietsen en hun aanhangwagens dienen de afmetingen van de assen van het ovaal ten minste 0,175 m (6,9 duim) en 0,115 m (4,5 duim) te zijn. Op andere motorvoertuigen en hun aanhangwagens dienen de afmetingen van de assen van het ovaal ten minste te zijn :
  a) 0,24 m (9,4 duim) en 0,145 m (5,7 duim) wanneer het onderscheidingsteken drie letters omvat;
  b) 0,175 m (6,9 duim) en 0,115 m (4,5 duim) wanneer het onderscheidingsteken minder dan drie letters omvat.
  5. De bepalingen van paragraaf 3 van bijlage 2 zijn ook van toepassing op het aanbrengen van het onderscheidingsteken op voertuigen.

  Art. N4. BIJLAGE 4. - Identificatiemerken van motorvoertuigen en aanhangwagens in internationaal verkeer.

  Art. 1N4.
  1. De identificatiemerken dienen te omvatten :
  a) Wanneer het een auto betreft :
  (i) De naam of het merk van de bouwer van het voertuig;
  (ii) Op het chassis, of bij het ontbreken daarvan, op het koetswerk, het fabrieks- of serienummer van de bouwer;
  (iii) Op de motor, het motornummer, indien zo'n nummer er door de bouwers op aangebracht is;
  b) In het geval van een aanhangwagen, de aanduidingen als bedoeld in bovenstaande lid (i) en lid (ii);
  c) Wanneer het een bromfiets betreft, de cylinderinhoud en het teken " CM ".

  Art. 2N4.
  2. De identificatiemerken bedoeld in paragraaf 1 van deze bijlage moeten op toegankelijke plaatsen worden aangebracht en gemakkelijk leesbaar zijn; bovendien moeten zij van zodanige aard zijn dat zij niet gemakkelijk kunnen worden gewijzigd of verwijderd. De letters en cijfers van deze merken dienen uitsluitend met Latijnse letters of in lopend schrift (Engels cursief), respectievelijk met Arabische cijfers te zijn aangegeven, of in deze vorm te zijn herhaald.

  Art. N5. BIJLAGE 5. - Technische eisen betreffende motorvoertuigen en aanhangwagens.

  Art. 1N5.
  1. De Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig artikel 1, lid n), van dit Verdrag, hebben verklaard dat zij driewielige voertuigen, waarvan de tarra 400 kg (900 pond) niet overschrijdt, met motorfietsen wensen gelijk te stellen, moeten voor dergelijke voertuigen de regels toepassen bij in deze bijlage zijn voorgeschreven hetzij voor motorfietsen hetzij voor andere motorvoertuigen.

  Art. 2N5.
  2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt onder " aanhangwagens " uitsluitend een aanhangwagen verstaan bestemd om aan een auto te worden vastgekoppeld.

  Art. 3N5.
  3. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 2, a, van artikel 3, van dit Verdrag, kan elke Verdragsluitende Partij, met betrekking tot motorvoertuigen die zij inschrijft, en met betrekking tot aanhangwagens die zij ingevolge haar nationale wetgeving op de weg toelaat, regels voorschrijven die een aanvulling vormen op of die strenger zijn dan de bepalingen van deze bijlage.

  HOOFDSTUK I. - Remmen.

  Art. 4N5.
  4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  a) " Wielen van dezelfde as ", wielen die symmetrisch of grotendeels symmetrisch zijn aangebracht ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig, zelfs wanneer zij niet op dezelfde as zijn aangebracht (een tandem-as wordt als twee assen beschouwd);
  b) " Bedrijfsrem ", de inrichting die gewoonlijk wordt gebruikt om het voertuig snelheid te doen verminderen en om het tot stilstand te brengen;
  c) " Parkeerrem ", de inrichting die wordt gebruikt om het voertuig in stilstand te houden tijdens de afwezigheid van de bestuurder, of, waar het aanhangwagens betreft, wanneer de aanhangwagen is losgekoppeld;
  d) " Noodrem ", de inrichting die is bedoeld om een voertuig snelheid te doen verminderen en tot stilstand te brengen in geval van het falen van de bedrijfsrem.

  A. Het remmen van motorvoertuigen met uitzondering van motorfietsen.

  Art. 5N5.
  5. Elk motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet met remmen zijn uitgerust die gemakkelijk door de bestuurder kunnen worden bediend wanneer deze op de bestuurdersplaats zit. Deze remmen moeten het mogelijk maken de drie volgende remfuncties te verzekeren :
  a) Een bedrijfsrem die het mogelijk maakt op een veilige, snelle en doeltreffende wijze de snelheid van het voertuig te verminderen en dit tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading en ongeacht de opwaartse of nederwaartse helling van de weg waarop het voertuig rijdt;
  b) Een parkeerrem die het mogelijk maakt het voertuig in stilstand te houden, ongeacht de mate en wijze van belading, op een opwaartse of nederwaartse helling van 16 pct., waarbij de werkzame remoppervlakken door middel van een geheel mechanisch werkende inrichting vergrendeld worden gehouden;
  c) En noodrem die het mogelijk maakt, zelfs in geval van het falen van de bedrijfsrem, de snelheid van het voertuig te verminderen en het binnen redelijke afstand tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading.

  Art. 6N5.
  6. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 5 van deze bijlage mogen de inrichtingen waarmee de drie remfuncties worden uitgeoefend (bedrijfsrem, noodrem en parkeerrem) delen gemeenschappelijk hebben; een combinatie van de bedieningsinrichtingen is slechts toegelaten onder voorwaarde dat er ten minste twee afzonderlijke bedieningsinrichtingen overblijven.

  Art. 7N5.
  7. De bedrijfsrem moet werken op alle wielen van het voertuig; voor voertuigen met meer dan twee assen is het evenwel toegestaan dat de wielen van n as niet beremd zijn.

  Art. 8N5.
  8. De noodrem moet ten minste werken op n wiel aan elke zijde van het mediaanvlak van het voertuig; deze zelfde eis geldt eveneens voor de parkeerrem.

  Art. 9N5.
  9. De bedrijfsrem en de parkeerrem moeten werken op remoppervlakken die blijvend met de wielen zijn verbonden door middel van delen van voldoende sterkte.

  Art. 10N5. 10. Geen remoppervlak mag van de wielen kunnen worden ontkoppeld. Een dergelijke ontkoppeling is evenwel voor bepaalde remoppervlakken toegestaan, onder voorwaarde dat :
  a) Het slechts tijdelijk is, zoals bij voorbeeld tijdens een verandering in de overbrengingsverhoudingen;
  b) Het, wat de parkeerrem betreft, slechts door een handeling van de bestuurder mogelijk is, en
  c) Het, wat de bedrijfs- en de noodrem betreft, mogelijk blijft te remmen met de doeltreffendheid, zoals voorgeschreven in paragraaf 5 van deze bijlage.

  B. Het remmen van aanhangwagens.

  Art. 11N5. 11. Onverminderd de bepalingen van paragraaf 17, c, van deze bijlage, moet elke aanhangwagen, met uitzondering van een lichte aanhangwagen, met de volgende remmen zijn uitgerust :
  a) Een bedrijfsrem die het mogelijk maakt op een veilige, snelle en doeltreffende wijze de snelheid van het voertuig te verminderen en dit tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading en ongeacht de opwaartse of nederwaartse helling van de weg waarop het voertuig rijdt;
  b) Een parkeerrem die het mogelijk maakt het voertuig in stilstand te houden, ongeacht de mate en wijze van belading op een opwaartse of nederwaartse helling van 16 pct., waarbij de werkzame remoppervlakken door middel van een geheel mechanisch werkende inrichting vergrendeld worden gehouden. Deze bepaling geldt niet voor aanhangwagens die niet zonder het gebruik van gereedschap van het trekkende voertuig kunnen worden losgekoppeld, mits aan de eisen ten aanzien van parkeerremmen voor het samenstel van voertuigen is voldaan.

  Art. 12N5. 12. De inrichtingen die de twee remfuncties uitoefenen (bedrijfs- en parkeerrem) mogen delen gemeenschappelijk hebben.

  Art. 13N5. 13. De bedrijfsrem moet werken op alle wielen van de aanhangwagen.

  Art. 14N5. 14. De bedrijfsrem moet in werking kunnen worden gesteld door de bedrijfsrem-bedieningsinrichting van het trekkende voertuig; indien echter het hoogst toegelaten gewicht van de aanhangwagen 3 500 kg (7 700 pond) niet overschrijdt, mag de rem zodanig zijn dat indien de aanhangwagen rijdt, zij slechts in werking wordt gesteld wanneer de aanhangwagen het trekkende voertuig dichter nadert (oplooprem).

  Art. 15N5. 15. De bedrijfsrem en de parkeerrem moeten werken op remoppervlakken die blijvend met de wielen zijn verbonden door middel van delen van voldoende sterkte.

  Art. 16N5. 16. De reminrichtingen moeten zodanig zijn, dat de aanhangwagen automatisch tot stilstand wordt gebracht indien de koppeling onder het rijden zou breken. Deze eis geldt echter niet voor aanhangwagens met slechts n as, of met twee assen die minder dan 1 m (40 duim) van elkaar verwijderd zijn, mits het hoogste toegelaten gewicht 1 500 kg (3 300 pond) niet overschrijdt en, met uitzondering van opleggers, mits zij, behalve met de koppelingsinrichting, zijn uitgerust met een hulpkoppeling, zoals bedoeld in paragraaf 58 van deze bijlage.

  C. Het remmen van slepen.

  Art. 17N5. 17. Behalve de bepalingen van de delen A en B van dit hoofdstuk, die betrekking hebben op afzonderlijke voertuigen (auto's en aanhangwagens), zijn de volgende bepalingen van toepassing op samenstellen van zulke voertuigen :
  a) De reminrichtingen van elk van de voertuigen waaruit een sleep bestaat moeten onderling passend zijn;
  b) De werking van de bedrijfsrem moet op de juiste wijze over de samenstellende voertuigen zijn verdeeld en zijn gesynchroniseerd;
  c) Het hoogste toegelaten gewicht van een aanhangwagen zonder een bedrijfsrem mag niet meer bedragen dan de helft van de som van de tarra van het trekkende voertuig en het gewicht van de bestuurder.

  D. Het remmen van motorfietsen.

  Art. 18N5. 18. a) Elke motorfiets moet uitgerust zijn met twee remmen, waarvan ten minste n op het achterwiel of de achterwielen werkt, en de andere ten minste op het voorwiel of de voorwielen; indien een zijspan aan de motorfiets is bevestigd, is geen afzonderlijke rem voor het wiel van het zijspan vereist. Deze reminrichting moet het mogelijk maken op een veilige, snelle en doeltreffende wijze de snelheid van de motorfiets te verminderen en deze tot stilstand te brengen, ongeacht de mate en wijze van belading en ongeacht de opwaartse en nederwaartse helling van de weg waarop deze rijdt.
  b) Behalve de bepalingen van lid a van deze paragraaf, moeten motorfietsen met drie wielen die symmetrisch geplaatst zijn ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig uitgerust zijn met een parkeerrem die voldoet aan de eisen gesteld in paragraaf 5, b), van deze bijlage.

  HOOFDSTUK II. - Verlichting en retroflecterende inrichtingen.

  Art. 19N5. 19. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  " Groot licht " - het voertuiglicht dat dient om de weg over een grote afstand vr het voertuig te verlichten;
  " Dimlicht " - het voertuiglicht dat dient om de weg vr het voertuig te verlichten zonder de bestuurder van de tegenliggers en andere weggebruikers onnodig te verblinden of te hinderen;
  " Standlicht vooraan " - het voertuiglicht dat dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven wanneer het van voren wordt gezien;
  " Standlicht achteraan " - het voertuiglicht dat dient om de aanwezigheid en de breedte van het voertuig aan te geven wanneer het van achteren wordt gezien;
  " Stoplicht " - het voertuiglicht dat dient om aan andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsrem bedient;
  " Mistlicht " - het voertuiglicht dat dient om de verlichting van de weg te verbeteren in geval van mist, sneeuwval, stortregens of stofwolken;
  " Achteruitrijlicht " - het voertuiglicht dat dient om de weg achter het voertuig te verlichten en andere weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig achteruit rijdt of op het punt staat achteruit te gaan rijden;
  " Richtingaanwijzerlicht " - het voertuiglicht dat dient om aan andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder voornemens is naar rechts of links van richting te veranderen;
  " Reflector " - het apparaat dat dient om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door de reflectie van het licht uitgestraald door een lichtbron die niet met dat voertuig is verbonden en waarbij de waarnemer zich dicht bij de lichtbron bevindt;
  " Lichtgevend oppervlak " - ten aanzien van lampen, het zichtbare oppervlak van waar licht wordt uitgestraald en, ten aanzien van reflectoren, het zichtbare oppervlak dat licht reflecteert.

  Art. 20N5. 20. De kleuren van de lichten die in dit hoofdstuk worden genoemd moeten, zoveel mogelijk, overeenstemmen met de omschrijvingen in het aanhangsel bij deze bijlage.

  Art. 21N5. 21. Met uitzondering van motorfietsen moet elk motorvoertuig dat op een vlakke weg een hogere snelheid dan 40 km (25 mijlen) per uur kan bereiken, aan de voorzijde uitgerust zijn met een even aantal witte of selectief gele grote lichten die in staat zijn om 's nachts bij helder weer de weg over een afstand van ten minste 100 m (325 voet) vr het voertuig voldoende te verlichten. De buitenkanten van de lichtgevende oppervlakken van de grote lichten mogen in geen geval dichter bij de uiterste buitenzijde van het voertuig gelegen zijn dan de buitenzijden van de lichtgevende oppervlakken van de dimlichten.

  Art. 22N5. 22. Met uitzondering van motorfietsen moet elke auto die op een vlakke weg een hogere snelheid dan 10 km (6 mijlen) per uur kan bereiken, aan de voorzijde uitgerust zijn met twee witte of selectief gele dimlichten, die in staat zijn 's nachts bij helder weer de weg over een afstand van ten minste 40 m (130 voet) vr het voertuig voldoende te verlichten. Aan elke zijde mag het punt van het lichtgevende oppervlak dat het verst van het mediaanvlak van het voertuig is verwijderd, niet meer dan 0,40 m (16 duim) van de uiterste buitenzijde van het voertuig zijn gelegen. Een auto mag niet met meer dan twee dimlichten zijn uitgerust. Dimlichten moeten afgesteld zijn overeenkomstig de omschrijving in paragraaf 19 van deze bijlage.

  Art. 23N5. _ 23. Met uitzondering van een tweewielige motorfiets zonder zijspan, moet elk motorvoertuig aan de voorzijde uitgerust zijn met twee witte standlichten; selectief geel licht is echter toegestaan voor deze standlichten vooraan, indien deze zijn ingebouwd in de grote lichten of dimlichten die een selectief gele lichtbundel uitstralen. Indien deze standlichten vooraan de enige lichten zijn die aan de voorzijde van het voertuig branden, moeten zij 's nachts bij helder weer op een afstand van ten minste 300 m (1 000 voet) zichtbaar zijn zonder andere weggebruikers onnodig te verblinden of te hinderen. Aan elke zijde mag het punt van het lichtgevend oppervlak dat het verst van het mediaanvlak van het voertuig is verwijderd, niet meer dan 0,40 m (16 duim) van de uiterste buitenzijde van het voertuig zijn gelegen.

  Art. 24N5. 24. a) Met uitzondering van een tweewielige motorfiets zonder zijspan, moet elk motorvoertuig aan de achterzijde uitgerust zijn met een even aantal rode standlichten, die 's nachts bij helder weer op een afstand van ten minste 300 m (1 000 voet) zichtbaar zijn zonder andere weggebruikers onnodig te verblinden of te hinderen. Aan elke zijde mag het punt van het lichtgevend oppervlak dat het verst van het mediaanvlak van het voertuig is verwijderd niet meer dan 0,40 m (16 duim) van de uiterste buitenzijde van het voertuig zijn gelegen.
  b) Elke aanhangwagen moet aan de achterzijde uitgerust zijn met een even aantal rode standlichten achter, die 's nachts bij helder weer op een afstand van ten minste 300 m (1 000 voet) zichtbaar zijn zonder andere weggebruikers onnodig te verblinden of te hinderen. Aan elke zijde mag het punt van het lichtgevend oppervlak dat het verst van het mediaanvlak van de aanhangwagen is verwijderd niet meer dan 0,40 m (16 duim) van de uiterste buitenzijde van de aanhangwagen zijn gelegen. Het is echter toegestaan dat een aanhangwagen, waarvan de grootste breedte niet meer dan 0,80 m (32 duim) bedraagt, slechts met n dergelijk licht is uitgerust, indien de aanhangwagen aan een tweewielige motorfiets zonder zijspan is gekoppeld.

  Art. 25N5. 25. Elk motorvoertuig dat of elke aanhangwagen die aan de achterkant een kenteken voert, moet uitgerust zijn met een inrichting om dat kenteken zodanig te verlichten, dat dit door de inrichting verlichte kenteken 's nachts bij helder weer wanneer het voertuig stilstaat, op een afstand van ten minste 20 m (65 voet) van de achterzijde leesbaar is; elke Verdragsluitende Partij kan echter deze minimumafstand voor de leesbaarheid 's nachts verminderen in dezelfde mate en ten aanzien van dezelfde voertuigen, waarvoor zij de minimumafstand voor de leesbaarheid overdag heeft verminderd, overeenkomstig paragraaf 2 van bijlage 2 bij dit Verdrag.

  Art. 26N5. 26. De elektrische verbindingen van alle motorvoertuigen (inclusief motorfietsen) en van alle slepen die uit een motovoertuig en een of meer aanhangwagens bestaan, moeten van zodanige aard zijn, dat de grote lichten, dimlichten, mistlichten en de standlichten vooraan het motorvoertuig, alsmede de verlichtingsinrichting, bedoeld in bovenstaande paragraaf 25, niet ingeschakeld kunnen worden zonder dat tegelijkertijd ook de achterlichten van het motorvoertuig of van de sleep worden ingeschakeld.
  Deze bepaling is echter niet van toepassing op grote lichten of dimlichten wanneer deze worden gebruikt om een lichtsignaal te geven, als bedoeld in paragraaf 5 van artikel 33, van dit Verdrag. Bovendien moeten de elektrische verbindingen van zodanige aard zijn, dat de standlichten van het motorvoertuig altijd ingeschakeld zijn wanneer de dimlichten, grote lichten of mistlichten branden.

  Art. 27N5. 27. Met uitzondering van een tweewielige motorfiets zonder zijspan, moet elk motorvoertuig aan de achterzijde uitgerust zijn met ten minste twee rode reflectoren, die niet driehoekig van vorm mogen zijn. Aan elke buitenzijde mag het punt van het lichtgevend oppervlak dat het verst van het mediaanvlak van het voertuig is verwijderd niet meer dan 0,40 m (16 duim) van de uiterste buitenzijde van het voertuig zijn gelegen. De reflectoren moeten voor de bestuurder van een ander voertuig 's nachts bij helder weer op een afstand van ten minste 150 m (500 voet) zichtbaar zijn wanneer zij door de grote lichten van dat voertuig worden verlicht.

  Art. 28N5. 28. Elke aanhangwagen moet aan de achterzijde met ten minste twee rode reflectoren uitgerust zijn. Deze reflectoren moeten de vorm hebben van een gelijkzijdige driehoek, waarvan de zijden ten minste 0,15 m (6 duim) en ten hoogste 0,20 m (8 duim) lang zijn en waarvan n hokepunt bovenaan en n zijde horizontaal is; binnen deze driehoek mag geen licht zijn aangebracht. Deze reflectoren moeten voldoen aan de zichtbaarheidseisen neergelegd in bovenstaande paragraaf. Aan elke zijde mg het punt van het lichtgevend oppervlak dat het verst van het mediaanvlak van de aanhangwagen is verwijderd niet meer dan 0,40 m (16 duim) van de uiterste buitenzijde van de aanhangwagen zijn gelegen. Het is echter toegestaan een aanhangwagen waarvan de grootste breedte niet meer dan 0,80 m (32 duim) bedraagt, slechts met n rode reflector uit te rusten, indien de aanhangwagen aan een tweewielige motorfiets zonder zijspan is gekoppeld.

  Art. 29N5. 29. Elke aanhangwagen moet aan de voorzijde uitgerust zijn met twee witte reflectoren, die niet driehoekig van vorm mogen zijn. Deze reflectoren moeten, met betrekking tot de plaatsing en zichtbaarheid, voldoen aan de eisen neergelegd in bovenstaande paragraaf 27.

  Art. 30N5. 30. Een aanhangwagen, waarvan de grootste breedte meer bedraagt dan 1,60 m (5 voet 4 duim), moet aan de voorzijde uitgerust zijn met twee standlichten. Deze standlichten moeten zo dicht mogelijk bij de uiterste buitenzijde van de aanhangwagen zijn aangebracht, en in ieder geval op zodanige wijze dat het punt van het lichtgevend oppervlak dat het verst van het mediaanvlak van de aanhangwagen is verwijderd, niet meer dan 0,15 m (6 duim) van de uiterste buitenzijde van het voertuig is gelegen.

  Art. 31N5. 31. Met uitzondering van tweewielige motorfietsen met of zonder zijspan, moet ieder motorvoertuig dat op een vlakke weg een hogere snelheid dan 25 km (15 mijl) per uur kan bereiken, aan de achterzijde uitgerust zijn met twee rode stoplichten, waarvan de lichtsterkte aanmerkelijk groter dient te zijn dan die van de achterlichten. Dezelfde bepaling is ook van toepassing op elke aanhangwagen die het achterste voertuig is van een sleep; voor kleine aanhangwagens van zodanige afmetingen dat de stoplichten van het trekkende voertuig zichtbaar blijven, zijn geen stoplichten vereist.

  Art. 32N5. 32. Onverminderd de mogelijkheid dat voor bromfietsen van alle of van enkele van deze verplichtingen ontheffing kan worden verleend door de Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig paragraaf 2 van artikel 54 van dit Verdrag, hebben verklaard bromfietsen als motorfietsen te beschouwen :
  a) moet elke tweewielige motorfiets met of zonder zijspan uitgerust zijn met een dimlicht, dat voldoet aan de eisen met betrekking tot kleur en zichtbaarheid vastgesteld in bovenstaande paragraaf 22;
  b) moet elke tweewielige motorfiets met of zonder zijspan, die op een vlakke weg een hogere snelheid dan 40 km (25 mijl) per uur kan bereiken, behalve met het dimlicht, ook uitgerust zijn met ten minste n groot licht, dat voldoet aan de eisen met betrekking tot kleur en zichtbaarheid vastgesteld in bovenstaande paragraaf 21. Indien een dergelijke motorfiets meer dan n groot licht heeft, moeten deze lichten zo dicht mogelijk bij elkaar worden geplaatst;
  c) mag geen tweewielige motorfiets met of zonder zijspan uitgerust zijn met meer dan n dimlicht en met meer dan twee grote lichten.

  Art. 33N5. 33. Elke tweewielige motorfiets zonder zijspan mag aan de voorzijde uitgerust zijn met n of twee standlichten, die voldoen aan de eisen met betrekking tot kleur en zichtbaarheid vastgesteld in bovenstaande paragraaf 23. Indien een dergelijke motorfiets twee standlichten heeft, moeten deze zo dicht mogelijk bij elkaar zijn geplaatst. Een tweewielige motorfiets zonder zijspan mag met niet meer dan twee standlichten uitgerust zijn.

  Art. 34N5. 34. Elke tweewielige motorfiets zonder zijspan moet aan de achterzijde zijn uitgerust met n achterlicht, dat voldoet aan de eisen met betrekking tot kleur en zichtbaarheid, vastgesteld in bovenstaande paragraaf 24, a).

  Art. 35N5. 35. Elke tweewielige motorfiets zonder zijspan moet aan de achterzijde uitgerust zijn met een reflector die voldoet aan de eisen met betrekking tot kleur en zichtbaarheid, vastgesteld in bovenstaande paragraaf 27.

  Art. 36N5. 36. Onverminderd de mogelijkheid dat de Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig paragraaf 2 van artikel 54 van dit Verdrag, hebben verklaard bromfietsen als motorfietsen te beschouwen, tweewielige bromfietsen met of zonder zijspan vrijstelling te verlenen van deze verplichting, moet elke tweewielige motorfiets met of zonder zijspan uitgerust zijn met een stoplicht dat voldoet aan de bepalingen van bovenstaande paragraaf 31.

  Art. 37N5. 37. Onverminderd de bepalingen met betrekking tot de lichten en de inrichtingen die zijn voorgeschreven voor tweewielige motorfietsen zonder zijspan, moet elk zijspan dat met een tweewielige motorfiets is verbonden, aan de voorzijde uitgerust zijn met een standlicht dat voldoet aan de eisen met betrekking tot kleur en zichtbaarheid vastgesteld in bovenstaande paragraaf 23, en aan de achterkant met een achterlicht dat voldoet aan de eisen met betrekking tot kleur en zichtbaarheid vastgesteld in bovenstaande paragraaf 24, a), alsmede met een reflector die voldoet aan de eisen met betrekking tot kleur en zichtbaarheid vastgesteld in bovenstaande paragraaf 27. De elektrische verbindingen moeten van zodanige aard zijn, dat het standlicht en het achterlicht van het zijspan tegelijk worden ingeschakeld met het achterlicht van de motorfiets. In geen geval mag een zijspan met een grootlicht of met een dimlicht uitgerust zijn.

  Art. 38N5. 38. Motorvoertuigen waarvan de drie wielen symmetrisch zijn geplaatst ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig, en die als motorfietsen worden beschouwd ingevolge lid n van artikel 1, van dit Verdrag, moeten uitgerust zijn met de inrichtingen voorgeschreven in bovenstaande paragrafen 21, 22, 23, 24, a), 27 en 31. Indien de breedte van zo'n voertuig echter niet meer bedraagt dan 1,30 m (4 voet 3 duim), is n enkel groot licht en n enkel dimlicht voldoende. De bepalingen met betrekking tot de afstand van de buitenzijde van het lichtgevend oppervlak tot de uiterste buitenzijde van het voertuig zijn in dit geval niet van toepassing.

  Art. 39N5. 39. Elke auto, met uitzondering van die waarvan de bestuurder zijn verandering van richting kan aangeven door een teken met de arm, dat van alle kanten voor andere weggebruikers zichtbaar is, moet uitgerust zijn met vaste richtingaanwijzers met een amberknipperlicht, in een even aantal op het voertuig aangebracht, en overdag en 's nachts zichtbaar voor weggebruikers die bij de bewegingen van het voertuig zijn betrokken. De frequentie van het knipperlicht dient 90 per minuut te zijn, met een tolerantie van +/- 30.

  Art. 40N5. 40. Indien mistlichten zijn aangebracht op een motorvoertuig, anders dan een tweewielige motorfiets met of zonder zijspan, moeten deze wit of selectief geel en twee in aantal zijn, en zodanig zijn geplaatst, dat geen punt van het lichtgevende oppervlak hoger is dan het hoogste punt van het lichtgevende oppervlak van de dimlichten, en dat aan elke zijde het punt van het lichtgevend oppervlak van het verst van het mediaanvlak van het voertuig is verwijderd niet meer dan 0,40 m (16 duim) van de uiterste buitenzijde van het voertuig is gelegen.

  Art. 41N5. 41. Achteruitrijlichten mogen andere weggebruikers niet nodeloos verblinden of hinderen. Indien een auto uitgerust is met een achteruitrijlicht, moet dit wit, amber of selectief geel licht uitstralen. De inrichting waarmee het licht wordt bediend, moet zodanig zijn, dat het licht alleen kan worden ontstoken wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld.

  Art. 42N5. 42. Behalve de richtingaanwijzers mag een enkel licht, aangebracht op een auto of aanhangwagen, een knipperlicht zijn, met uitzondering van die, welke overeenkomstig de nationale wetgeving van de Verdragsluitende Partijen worden gebruikt om die voertuigen of slepen aan te duiden, die zich niet aan de algemeen geldende verkeersregels hoeven te houden, of waarvan de aanwezigheid op de weg andere weggebruikers noodzaakt bijzondere voorzichtigheid te betrachten, met name prioritaire voertuigen, voertuigen die in konvooi rijden, voertuigen van uitzonderlijke afmetingen en voertuigen of machines die worden gebruikt bij de aanleg en het onderhoud van wegen. De Verdragsluitende Partijen kunnen echter ten aanzien van bepaalde lichten, met uitzondering van rode lichten, toestaan of voorschrijven, dat zij of een gedeelte daarvan knipperen om kenbaar te maken dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert.

  Art. 43N5. 43. Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage :
  a) Dient elke combinatie van twee of meer lichten, ongeacht of het gelijke lichten betreft of niet, doch die dezelfde functie en dezelfde kleur hebben, te worden beschouwd als n enkel licht, indien de projecties van hun lichtgevende oppervlakken op een verticaal vlak loodrecht op het mediaanvlak van het voertuig, ten minste 50 pct. bedraagt van de kleinste rechthoek die de projecties van genoemde lichtgevende oppervlakken kan omsluiten;
  b) Dient een enkel lichtgevend oppervlak in de vorm van een band te worden beschouwd als twee, of een even aantal lichten, indien het symmetrisch ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig is geplaatst, en indien het zich ten minste uitstrekt tot 0,40 m (16 duim) van de uiterste zijkant van het voertuig, en indien het een lengte heeft van ten minste 0,80 m (32 duim). In de verlichting van een dergelijk oppervlak moet worden voorzien door ten minste twee lichtbronnen die zo dicht mogelijk bij de uiteinden zijn geplaatst. Het lichtgevende oppervlak mag uit een aantal elementen bestaan, die zo zijn gerangschikt dat de projecties van de lichtgevende oppervlakken van de verschillende elementen op een verticaal vlak, loodrecht op het mediaanvlak van het voertuig, ten minste 50 pct. beslaan van de kleinste rechthoek die de projecties van genoemde lichtgevende oppervlakken van de elementen kan omsluiten.

  Art. 44N5. 44. De lichten op een zelfde voertuig, die dezelfde functie hebben en hun licht in dezelfde richting stralen, moeten van dezelfde kleur zijn. Even aantallen lichten en reflectoren moeten symmetrisch worden geplaatst ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig, behalve op voertuigen met een asymmetrisch buitenomtrek. De sterkte van elk paar lichten dient onderling voor het oog gelijk te zijn.

  Art. 45N5. 45. Lichten van verschillende aard en, onverminderd de bepalingen in de andere paragrafen van dit hoofdstuk, lichten en reflectoren, mogen in dezelfde inrichting worden gegroepeerd of ingebouwd, op voorwaarde dat elk van deze lichten en reflectoren voldoet aan de daarop van toepassing zijnde bepalingen van deze bijlage.

  HOOFDSTUK III. - Andere voorschriften.

  Stuurinrichting.

  Art. 46N5. 46. Elk motorvoertuig moet uitgerust zijn met een deugdelijke stuurinrichting die de bestuurder in staat stelt het voertuig gemakkelijk, snel en veilig van richting te doen veranderen.

  Achteruitkijkspiegel.

  Art. 47N5. 47. Elk motorvoertuig, met uitzondering van een tweewielige motorfiets met of zonder zijspan, moet uitgerust zijn met n of meer achteruitkijkspiegels; het aantal, de afmetingen en de plaatsing van deze spiegels moeten zodanig zijn, dat de bestuurder daardoor in staat wordt gesteld het achter hem rijdende verkeer te zien.

  Geluidstoestel.

  Art. 48N5. 48. Elk motorvoertuig moet uitgerust zijn met ten minste n geluidstoestel van voldoende geluidssterkte. Het geluid dat door dit toestel wordt voortgebracht, moet onafgebroken en van vaste toonhoogte, maar niet schel zijn. De voorrangsvoertuigen en de voertuigen ten dienste van het openbare personenvervoer mogen bovendien een ander geluidstoestel hebben, dat niet aan bovengenoemde eisen hoeft te voldoen.

  Ruitenwisser.

  Art. 49N5. 49. Elk motorvoertuig met een voorruit van zodanige afmetingen en vorm dat de bestuurder, wanneer deze op de bestuurdersplaats zit, de weg vr hem alleen op normale wijze kan zien door het doorzichtige deel van de voorruit, moet uitgerust zijn met ten minste n doeltreffende en deugdelijke ruitenwisser, die op de juiste plaats is aangebracht, en waarvan de werking geen voortdurende handeling van de bestuurder vereist.

  Ruitensproeier.

  Art. 50N5. 50. Elk motorvoertuig dat met ten minste n ruitenwisser moet uitgerust zijn, moet ook uitgerust zijn met een ruitensproeier.

  Voorruit en andere ruiten.

  Art. 51N5. 51. Voor alle auto's en alle aanhangwagens geldt :
  a) De doorzichtige materialen die deel uitmaken van het koetswerk van het voertuig, inclusief de voorruit en schotten in de binnenruimte, moeten zodanig zijn dat, in geval van breuk, het gevaar voor lichamelijk letsel tot een minimum beperkt blijft;
  b) De doorzichtige delen van de voorruit moeten van een materiaal zijn vervaardigd, waarvan de doorzichtigheid niet vermindert; zij moeten zodanig zijn dat zij geen noemenswaardige vertekening veroorzaken van voorwerpen die door de voorruit worden gezien, en dat, in geval van breuk, de bestuurder nog een voldoende duidelijk uitzicht op de weg heeft.

  Achteruitrij-inrichting.

  Art. 52N5. 52. Elk motorvoertuig moet uitgerust zijn met een achteruitrij-inrichting die vanaf de zitplaats van de bestuurder kan worden bediend. Deze inrichting is echter niet verplicht voor motorfietsen of voor driewielige motorvoertuigen, waarvan de wielen symmetrisch zijn geplaatst ten opzichte van het mediaanvlak van het voertuig, tenzij hun hoogste toegestane gewicht meer dan 400 kg (900 pond) bedraagt.

  Geluidsdemper.

  Art. 53N5. 53. Elke verbrandingsmotor die wordt gebezigd voor het voortbewegen van een motorvoertuig moet uitgerust zijn met een doeltreffende geluidsdemper op de uitlaat; deze inrichting moet zodanig zijn dat zij niet buiten werking kan worden gesteld door de bestuurder wanneer deze op de bestuurdersplaats zit.

  Banden.

  Art. 54N5. 54. De wielen van de auto's en van hun aanhangwagens dienen te zijn uitgerust met luchtbanden, die in zodanige staat moeten zijn dat zij de veiligheid, inclusief het contact met het wegdek, waarborgen, zelfs op een natte weg. Deze bepaling belet de Verdragsluitende Partijen echter niet het gebruik van inrichtingen toe te staan die de resultaten opleveren die ten minste gelijkwaardig zijn aan die, verkregen met luchtbanden.

  Snelheidsmeter.

  Art. 55N5. 55. Elk motorvoertuig dat op een vlakke weg een hogere snelheid dan 40 km (25 mijl) per uur kan bereiken, moet met een snelheidsmeter uitgerust zijn; de Verdragsluitende Partijen kunnen bepaalde categorien motorfietsen en andere lichte voertuigen echter vrijstelling van dit voorschrift verlenen.

  Waarschuwingsapparaat dat in motorvoertuigen aanwezig moet zijn.

  Art. 56N5. 56. Het apparaat, als bedoeld in paragraaf 5 van artikel 23, van dit Verdrag, en in paragraaf 6 van bijlage 1 daarbij, moet zijn :
  a) Een bord dat bestaat uit een gelijkzijdige driehoek, waarvan de zijden ten minste 0,40 m (16 duim) lang zijn, en dat is voorzien van een rode rand die ten minste 0,05 m (2 duim) breed is, en waarvan het binnenste gedeelte open, of lichtgekleurd is; de rode randen moeten verlicht zijn door doorzichtigheid, ofwel voorzien zijn van een strook reflecterend materiaal; dit bord moet zodanig zijn dat het stevig rechtop kan staan, of
  b) Een ander even doeltreffend apparaat, voorgeschreven door de nationale wetgeving van het land waar het voertuig is ingeschreven.

  Inrichting ter voorkoming van diefstal.

  Art. 57N5. 57. Elke auto moet uitgerust zijn met een inrichting ter voorkoming van diefstal, door middel waarvan een van de essentile onderdelen buiten werking gesteld kan worden ofwel kan worden vergrendeld, wanneer het voertuig is geparkeerd.

  Koppelinrichting voor lichte aanhangwagens.

  Art. 58N5. 58. Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, die niet zijn uitgerust met de automatische rem bedoeld in paragraaf 16 van deze bijlage, moeten, behalve met de koppelinrichting, ook uitgerust zijn met een hulpkoppeling (ketting, kabel enz.) die, wanneer de koppelinrichting breekt, kan voorkomen dat de trekinrichting de grond raakt en die in zekere mate besturing van de aanhangwagen waarborgt.

  Algemene bepalingen.

  Art. 59N5. 59. a) De mechanische delen en de uitrusting van een motorvoertuig moeten voor zover dit naar vermogen kan worden vermeden, geen brand- of ontploffingsgevaar kunnen veroorzaken; bovendien mogen zij geen overmaat aan giftige gassen, ondoorzichtige dampen, stank of lawaai produceren.
  b) Voor zover mogelijk, mag het hoogspanningsgedeelte van de ontsteking van een motorvoertuig zo min mogelijk hinder veroorzaken door de uitstraling van radiostoringsgolven.
  c) Elke auto moet zodanig gebouwd zijn dat het gezichtsveld van de bestuurder recht vooruit en zowel naar links als naar rechts, voldoende is om hem in staat te stellen op veilige wijze te rijden.
  d) Auto's en hun aanhangwagens moeten voor zover mogelijk zodanig gebouwd en ingericht zijn dat, in geval van een ongeluk, het gevaar voor de inzittenden en voor andere weggebruikers zoveel mogelijk wordt beperkt. Met name mogen, van binnen noch van buiten, ornamenten of andere voorwerpen aanwezig zijn met onnodige uitsteeksels of randen, die gevaar kunnen opleveren voor de inzittenden of voor andere weggebruikers.

  HOOFDSTUK IV. - Uitzonderingen.

  Art. 60N5. 60. Voor hun eigen grondgebied kunnen de Verdragsluitende Partijen uitzonderingen toestaan op de bepalingen van deze bijdrage met betrekking tot :
  a) De auto's en de aanhangwagens die door hun constructie op een vlakke weg geen hogere snelheid kunnen bereiken dan 25 km (15 mijl) per uur, of waarvan de snelheid door de nationale wetgeving is beperkt tot 25 km (15 mijl) per uur;
  b) De invalidenwagens, d.w.z. kleine auto's die speciaal zijn ontworpen en gebouwd - en niet alleen maar zijn aangepast - voor het gebruik door personen met een lichamelijk gebrek of handicap, en die gewoonlijk alleen door deze personen worden gebruikt;
  c) De voertuigen die worden gebruikt voor experimentele doeleinden, ten einde de vooruitgang van de techniek bij te houden en de veiligheid op de weg te bevorderen;
  d) De voertuigen van een bijzonder model of type, of die voor speciale doeleinden onder bijzondere omstandigheden worden gebruikt.

  Art. 61N5. 61. De Verdragsluitende Partijen kunnen eveneens uitzonderingen toestaan op de bepalingen van deze bijlage met betrekking tot door haar ingeschreven voertuigen die aan het internationale verkeer kunnen deelnemen :
  a) Door het gebruik van de kleur amber toe te staan voor standlichten bedoeld in de paragrafen 23 en 30 van deze bijlage, en voor reflectoren bedoeld in paragraaf 39 van deze bijlage;
  b) Door het gebruik van rood licht toe te staan voor de richtingaanwijzers bedoeld in paragraaf 29 van deze bijlage, die aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht;
  c) Door het gebruik van rood licht toe te staan voor de lichten bedoeld in de laatste volzin van paragraaf 42 van deze bijlage, die aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht;
  d) Ten aanzien van de plaats van de lichten op voertuigen voor bijzondere doeleinden met een zodanige uitwendige vorm, dat niet aan de vastgestelde bepalingen kan worden voldaan zonder het gebruik van hulpmiddelen, die gemakkelijk kunnen worden beschadigd of afgerukt;
  e) Door het gebruik van een oneven aantal, meer dan twee, grote lichten toe te staan voor auto's die door haar zijn ingeschreven; en
  f) Met betrekking tot aanhangwagens die lange ladingen vervoeren (boomstammen, buizen enz.) en die tijdens het rijden niet aan het trekkende voertuig zijn gekoppeld, maar die daarmede alleen door middel van de lading verbonden zijn.

  HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.

  Art. 62N5. 62. De auto's, die voor de eerste maal zijn ingeschreven, en aanhangwagens, die in gebruik zijn genomen op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij vr het van kracht worden van dit Verdrag, of binnen twee jaar na deze vankrachtwording, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van deze bijlage, mits zij voldoen aan de eisen van de delen I, II en III van bijlage 6 van het Verdrag nopens het <Wegverkeer> van 1949.

  Art. 63N5. AANHANGSEL. - Definitie van kleurenfilters ter verkrijging van de in deze bijlage genoemde kleuren (Trichromatische cordinaten). <Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 28/12/1989, p. 103>

  Art. N6. BIJLAGE 6. - Het nationale rijbewijs.

  Art. 1N6.
  1. Het nationale rijbewijs bestaat uit n vel van formaat A 7 (74 X 105 mm) = (2.91 X 4.13 duim) dan wel uit een dubbel vel (148 X 105 mm) = (5.82 X 4.13 duim) of uit een driedubbel vel (222 X 105 mm) = (8.78 X 4.13 duim), dat in tween, respectievelijk in drien gevouwen kan worden tot formaat A 7. De kleur is roze.

  Art. 2N6.
  2. Het rijbewijs wordt gedrukt in de taal of talen, voorgeschreven door het gezag dat het afgeeft of dat gemachtigd is het af te geven; het draagt evenwel in het Frans het opschrift " Permis de Conduire ", met of zonder hetzelfde opschrift in een of meer andere talen.

  Art. 3N6.
  3. Met de hand geschreven of met de machine getikte gegevens op dit rijbewijs ingevuld, mogen alleen in Latijnse letters of in lopend schrift (Engels cursief) zijn, of in deze vorm herhaald worden.

  Art. 4N6.
  4. Twee van de bladzijden van het rijbewijs komen overeen met de bladzijden 1 en 2 van het hierna getoonde model. Op voorwaarde dat er geen wijzigingen worden aangebracht in de begripsomschrijvingen van categorien A, B, C, D en E daarbij rekening houdende met paragraaf 4 van artikel 41, van dit Verdrag, of in hun verwijzingsletters, of in de hoofdzaken van de gegevens met betrekking tot de identiteit van de houder van het rijbewijs, wordt geacht aan deze bepaling te zijn voldaan, zelfs indien zo'n rijbewijs in sommige details afwijkt van deze modellen. Met name nationale rijbewijzen, die overeenkomen met het model dat in bijlage 9 van het Verdrag nopens het <Wegverkeer>, gedaan te Genve op 19 september 1949, worden geacht aan de bepalingen van deze bijlage te voldoen.

  Art. 5N6.
  5. Het wordt aan de nationale wetgeving overgelaten te bepalen of model nr. 3 al dan niet in het rijbewijs moet worden opgenomen, en of het rijbewijs nog verdere gegevens moet omvatten; indien wordt voorzien in ruimte voor adreswijzigingen, dient deze boven aan de achterzijde van bladzijde 3 van het rijbewijs worden gereserveerd, behalve voor rijbewijzen overeenkomstig het model in bijlage 9 van het Verdrag van 1949.

  Art. 6N6. RIJBEWIJS. <Modellen niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 28/12/1989, p. 105>

  Art. N7. BIJLAGE 7. - Het internationale rijbewijs.

  Art. 1N7.
  1. Dit rijbewijs is in formaat A 6 (148 X 105 mm) = (5.82 X 4.13 duim), met een grijze omslag en witte bladzijden.

  Art. 2N7.
  2. De buitenkant en de binnenkant van de voorzijde van de omslag komen onderscheidenlijk met de modelbladzijden nrs. 1 en 2, als hier afgedrukt, overeen; zij worden gedrukt in de landstaal of in ten minste n van de landstalen van de Staat die het rijbewijs afgeeft. De laatste twee bladzijden binnen de omslag liggen tegenover elkaar en komen overeen met het hier afgedrukte model nr. 3; deze worden in het Frans gedrukt. De hieraan voorafgaande twee bladzijden herhalen de eerste van die twee bladzijden in verschillende talen, waaronder Engels, Russisch en Spaans verplicht zijn.

  Art. 3N7.
  3. Alles dat op dit rijbewijs met de hand of de schrijfmachine is ingevuld, wordt geschreven met Latijnse letters of in lopend schrift (Engels cursief).

  Art. 4N7.
  4. De Verdragsluitende Partijen die internationale rijbewijzen afgeven of anderen machtigen zulks te doen, dienen, indien de tekst op de omslag in een andere taal is gedrukt dan in het Engels, Frans, Russisch of Spaans, een vertaling daarvan in die taal van de tekst van modelbladzijde nr. 3, als hier afgedrukt, aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties te doen toekomen.

  Art. 5N7. INTERNATIONAAL RIJBEWIJS. <Modellen niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 28/12/1989, p. 107>

  Art. N8. BIJLAGE 8. - Lijst der Gebonden Staten.

    Staten                     Datum van de neerlegging    Datum van de
                                van de bekrachtigings-   inwerkingtreding
                                      (B) of de
                                 toetredingsoorkonden
                                         (T)
  Bahrein                        4 mei 1973 (T)           21 mei 1977
  Belgie                        16 november 1988 (B)      16 november 1989
  Brazilie                      29 oktober 1980 (B)       29 oktober 1981
  Bulgarije                     28 december 1978 (B)      28 december 1979
  Centraalafrikaanse Rep.        3 februari 1988 (T)       3 februari 1989
  Cuba                          30 september 1977 (T)     30 september 1978
  Denemarken                     3 november 1986 (B)       3 november 1987
  Duitse Dem. Rep.              11 oktober 1973 (T)       21 mei 1977
  Duitsland (Bondsrep.)          3 augustus 1978 (B)       3 augustus 1979
  Filippijnen                   27 december 1973 (B)      21 mei 1977
  Finland                        1 april 1985 (B)          1 april 1986
  Frankrijk                      9 december 1971 (B)      21 mei 1977
  Griekenland                   18 december 1986 (T)      18 december 1987
  Guyana                        31 januari 1973 (T)       21 mei 1977
  Hongarije                     16 maart 1976 (B)         21 mei 1977
  Iran                          21 mei 1976 (B)           21 mei 1977
  Israel                        11 mei 1971 (B)           21 mei 1977
  Ivoorkust                     24 juli 1985 (T)          24 juli 1986
  Joegoslavie                    1 oktober 1976 (B)        1 oktober 1977
  Koeweit                       14 maart 1980 (T)         14 maart 1981
  Luxemburg                     25 november 1975 (B)      21 mei 1977
  Marokko                       29 december 1982 (T)      29 december 1983
  Monaco                         6 juni 1978 (T)           6 juni 1979
  Niger                         11 juli 1975 (T)          21 mei 1977
  Noorwegen                      1 april 1985 (B)          1 april 1986
  Oekraine                      12 juli 1974 (B)          21 mei 1977
  Oostenrijk                    11 augustus 1981 (B)      11 augustus 1982
  Pakistan                      19 maart 1986 (T)         19 maart 1987
  Polen                         23 augustus 1984 (B)      23 augustus 1985
  Roemenie                       9 december 1980 (B)       9 december 1981
  San Marino                    20 juli 1970 (B)          21 mei 1977
  Senegal                       16 augustus 1972 (T)      21 mei 1977
  Seychellen                    11 april 1977 (T)         11 april 1978
  Tsjechoslowakije               7 juni 1978 (B)           7 juni 1979
  Uruguay                        8 april 1981 (T)          8 april 1982
  U.S.S.R.                       7 juni 1974 (T)          21 mei 1977
  Witrusland                    18 juni 1974 (B)          21 mei 1977
  Zaire                         25 juli 1977 (T)          25 juli 1978
  Zimbabwe                      31 juli 1981 (T)          31 juli 1982
  Zuid-afrikaanse Rep.           1 november 1977 (T)       1 november 1978
  Zweden                        25 juli 1985 (B)          25 juli 1986

De Belgische Regering heeft, overeenkomstig de bepalingen van artikel 45, 4, van het Verdrag de Secretaris-Generaal van de O.V.N. in kennis gesteld dat zij het onderscheidingsteken " B " heeft uitgekozen om in het internationale verkeer te worden getoond door voertuigen die zij heeft ingeschreven.
  Overeenkomstig de bepalingen van artikel 54, 5, heeft de Belgische Regering voorbehoud gemaakt bij paragraaf 3 van artikel 10 en bij paragraaf 3 van artikel 18.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Verdragsluitende Partijen,
   Geleid door de wens het internationale <wegverkeer> te vergemakkelijken en de verkeersveiligheid te verhogen door het aannemen van eenvormige verkeersregels,
   Zijn de navolgende bepalingen overeengekomen :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel 8 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie